Camera Obscura: Pure heksen

Pure heksen

door Bob van der Sterre

Viy ♦ Witchhammer ♦ Black Sunday

Een paar jaar geleden was het ineens een rage. Heksenfilms en wiccaboeken waren niet aan te slepen, en verschenen in talloze gedaantes, tot en met Hansel and Gretel: Witch Hunters. Maar sindsdien is het weer wat stiller geworden rondom het heksenthema. Een mooi moment om de ‘pure’ heksenfilm af te stoffen.

Drie priesterstudenten zijn aan de zwier geweest. Ze hebben overnachting nodig. Bij een huisje laat een oude vrouw ze toe, mits ze gescheiden gaan slapen. Beetje vreemd verzoek, maar vooruit dan maar.

Het meisje wil wraak
De jonge priester Khoma, hoofdpersoon van Viy (1967), wordt in de schuur wakker gemaakt. De oude vrouw neemt hem mee op een vliegende bezemtocht over land. Hij is haar ‘paard’. Bij de landing grijpt hij zijn kans en slaat hij haar lens. Maar het is ineens geen lelijke oude heks meer die hij lens slaat, maar een beeldschoon meisje.

Niet veel later sijpelen er in het klooster waar hij studeert berichten door dat een meisje is overleden. Ze heeft voor haar overlijden specifiek hem aangewezen de wake te doen. Khoma voelt de bui al hangen: het meisje was de heks en wil wraak. Maar ontsnappen zit er niet in. Hij moet die drie nachten van de wake doorstaan.

In het griezelige houten kerkje waar het meisje ligt opgebaard, trekt Khoma meteen een heilige cirkel om zich heen. En niet voor niets, zodra ze opstaat uit haar dood beukt ze op de denkbeeldige koepel, net zo lang tot hij er bijna krankzinnig van wordt. Maar daar kraait gelukkig de haan! Hij drinkt zijn ellende weg want de volgende avond moet hij weer aan de bak.

De roots  van deze heksenfilm liggen bij romanschrijver Nikolaj Gogol, van wie meer verhalen zijn verfilmd dan je denkt. Hij zei dat Viy ooit een Oekraïens folkloristisch karakter is geweest maar bij Gogol weet je het nooit, er zijn in elk geval geen bewijzen van.

Regisseur Konstantin Ershov maakte er eind jaren zestig een prachtig luchtig horrorverhaal van. Het eerste gedeelte zet de karakters neer, en tegen het einde, met de waken, wordt het pas echt bizar. Dat gedeelte doet denken aan de Underworld-films. In deze tijden is het de moeite waard om eens te kijken hoe men dat deed in tijden toen men nog nooit had gehoord van green screens en CGI.

Heksenjacht na gestolen hostie
De Tsjechoslowaakse film Witchhammer (Kladivo na carodejnice) uit 1967 pakt het thema heksen een stuk serieuzer aan. Hier kijken we naar mensen die tegen hun zin tot heks worden gebombardeerd. Een historisch drama.

De aanleiding van de heksenjacht is een gestolen hostie. De dievegge verzint een verhaal over hoe sommige inwoners in het stadje aan heksenpraktijken doen. Dat moet uitgezocht worden. De hertogin kan kiezen tussen de verstandige priester Lautner, die in dit geval een standje genoeg vindt, en priester Boblig, die de zaak graag tot op de bodem wil uitpluizen. Boblig krijgt de klus en gaat voortvarend aan de slag.

De bekentenissen stromen binnen. Dat betekent ook steeds méér werk want ook de volgende reeks opgepakte mensen bekent ook aan hekserij te hebben gedaan. Er is maar een probleem: de bekentenissen komen altijd pas na een flinke portie martelen.

De film is verrassend realistisch. En dat is geen wonder. Echte uittreksels van inquisitierechtbanken hebben aan de basis gestaan van deze film – veel griezeliger kan een heksenfilm niet worden. Het acteerwerk is bovendien van grote klasse. Bad guy Vladimir Smeral geeft zijn Boblig de juiste arrogantie mee. Wat een smeerlap! De toon van de film is cynisch, donker, grimmig, zwart-wit.

En dan is ook nog de dubbele lading van de werkelijkheid. Zoals bij meer Tsjechische films die tijdens het creatieve kwartiertje van de Praagse Lente verschenen, is het niet moeilijk om de parallel te zien tussen de inquisitie en de geheime diensten – die hun eigen heksenjachten hielden. De film is sowieso een indrukwekkende aanklacht tegen alle soorten misdragingen van autoriteit. Het is verbazingwekkend dat de film in 1970 nog uit kon komen in de Tsjechoslowaakse bioscopen.

Pulpfilm als excuus voor kunstwerkje
In Black Sunday (Mario Bava, 1960) zien we een heel ander soort heks: eentje die echt  een heks is en dat bekent  in de eerste minuut van de film. Zij, Katia Vajda, krijgt ergens op het platteland van Moldavië een masker met spijkers in haar gezicht geramd. Maar ze belooft dat ze ooit zal terugkeren.

Het gaat eeuwenlang goed maar er is maar een onnozele dokter nodig om het te verpesten. Hij schrikt van een vleermuis en breekt dan per ongeluk het glas waaronder haar lichaam ligt. Hij tilt even het masker op. Een wit gezicht met gaatjes. Het krioelt van de maden, schorpioenen, torren. ‘Weet je wat, laten we gaan.’

Maar een heks die net wakker is, heeft altijd een to do list. Bovenaan staat het veroveren van het lichaam van haar klein-klein-klein-kleindochter: prinses Asa Vajda (beide rollen zijn van Barbara Steele). Die dochter weet nog van niets maar er begint iets te dagen als er steeds vreemdere dingen gebeuren in hun kasteel. Gelukkig dan maar dat een nobele adonisdokter verliefd wordt op Asa en haar beschermt met een kruisje om haar hals.

Als je van mening bent dat een heksenfilm geen inhoud hoeft te hebben maar wel artistiek interessant zou moeten zijn, dan betekent Black Sunday een perfecte avond. Een pulpfilm als excuus voor een cinematografisch kunstwerkje. Mario Bava – die schilder was voor hij regisseur werd – in topvorm.

Het opmerkelijkste aan deze film is hoe Bava en zijn crew gedacht hebben aan verschillende dimensies in de decors, met een duidelijke scheiding tussen stukken op de voor- en achtergrond, als een soort analoge versie van het 3D-effect. Hieruit blijkt eens te meer dat ook pulpfilms een artistieke aanpak verdienen.

En blijkt dan als basis voor deze film te zijn gebruikt: wederom Viy van Gogol! Maar het is een typisch voorbeeld van ‘losjes gebaseerd op’ want de twee films kunnen niet méér van elkaar verschillen. De heksencirkel is in elk geval wel rond.

 

8 juli 2014

 

Alle Camera Obscura