Django Unchained

***

recensie  Django Unchained

Bloedfeest op de plantage

door Alfred Bos

Deze film van Quentin Tarantino is een bijna drie uur durende western, vol geweld, humor en het weinig politiek correcte woord ‘nigger’. Wie daar geen probleem mee heeft, wacht een avond ‘ouderwets’ filmgenot.

Na onder meer een blaxploitation film, een chanbara (zwaardvechtersfilm), horror en een oorlogsfilm, is Tarantino’s laatste een wild-westfilm. Zoals te verwachten van de man die graag stoeit met genres en conventies, heeft Django Unchained een atypische held. Django (Jamie Foxx) is een zwarte (ex)slaaf. Samen met een als rondreizende tandarts vermomde premiejager – een wederom voortreffelijke rol van de Oostenrijkse acteur Christoph Waltz, die met zijn bijdrage aan de vorige Tarantino, Inglourious Basterds, in Hollywood is doorgebroken – gaat hij op zoek naar zijn als slavin verkochte vrouw.

Django Unchained

Tarantino neemt ruim de tijd om het verhaal op te zetten, waardoor de kijker alle gelegenheid krijgt om de twee ongebruikelijke karakters beter te leren kennen. Alleen de introductie duurt al een uur en is een film op zich. Er zijn verrassingen, bijvoorbeeld Don Johnson als plantage-eigenaar. Er is gitzwarte humor, de scène met een bloeddorstige Ku Klux Klan-posse is hilarisch. En er is geweld dat zo over de top is, dat het cartoonesk wordt. Kort gezegd, typisch Tarantino.

Filmauteur van het oude stempel
Django en premiejager Dr. King Schultz (hij is Duitser, wat zijn accent verklaart) vinden Django’s vrouw, de zwarte slavin Broomhilda (Brünhilda, ze spreekt Duits!), op de plantage Candieland, eigendom van de verrukkelijk sinistere Calvin J. Candie (Leonardo DiCaprio). Diens peloton zwarte bedienden staat onder commando van een nauwelijks herkenbare, maar vertrouwd schmierende Samuel L. Jackson. We zijn dan zo’n twee uur verder en wie dan nog niet genoeg hoofden uiteen heeft zien spatten of misselijk makende wreedheden gezien, wees gerust. Er volgt een bloedfeest dat niet onderdoet voor de climax van Kill Bill. Candieland krijgt een nieuw verfje, van bloed.

Sinds hij in 1992 met Reservoir Dogs werd binnengehaald als het nieuwe wonderkind, geldt Tarantino als het summum van cool. In feite is hij evenwel een filmauteur van het oude stempel, zo een die zelf zijn scripts schrijft, met een vaste crew werkt en vertrouwt op zijn ambachtelijke techniek, niet op speciale effecten of computergraphics. Het ‘ouderwetse’ tempo van Django Unchained past bij dat van 1858, het jaar waarin de filmt begint. Er zijn spitse dialogen, uitzinnige karakters en verrassende, maar plausibele plotwendingen. Alles wat na Jaws en Star Wars uit de standaard Hollywood-film is verbannen.

Django Unchained

Lachspiegel
Tarantino is eigenlijk het bastaardkind van Jean-Luc Godard (nouvelle vague) en de Shaw Brothers (martial arts filmstudio uit Hong Kong), en Django Unchained een hommage aan de spaghettiwestern, de Europese variant van het Amerikaanste aller filmgenres. Franco Nero, die de titelrol vertolkte in de originele Django (uit 1966), is te zien in een cameo. Tarantino zelf speelt ook een rolletje en deinst er niet voor terug om—zichzelf te laten opblazen. Dat soort ironie is aan een Spielberg of een Lucas niet besteed.

Het is niet moeilijk om in Django Unchained een satire op de Amerikaanse cultuur te zien. De film toont een samenleving waarvan wantrouwen, geweld en wreedheid de basisingrediënten zijn. Alle blanke Amerikanen zijn of gewetenloze geldwolven of ongeletterde idioten, vaak beide; ze communiceren via list, intimidatie en geweld. Tarantino houdt zijn publiek een met bloed bespatte lachspiegel voor: officieel mag de slavernij zijn afgeschaft, maar zoveel is er sinds 1858 in Amerika ook weer niet veranderd.

 

11 januari 2013

 

 

MEER RECENSIES