Recensie The Grand Budapest Hotel

*****

recensie  The Grand Budapest Hotel

Verlopen schoonheid betovert

door Alfred Bos 

Relaties staan centraal (à la Woody Allen), de humor is droog-absurdistisch (Coen Brothers), de filmverwijzingen postmodern (Tarantino) en de stylering eerder Japans dan Amerikaans, maar Wes Anderson is zijn eigen man. Met The Grand Budapest Hotel overtreft hij zichzelf. 

Wes Anderson, de regisseur wiens verbeelding wegheeft van een kleuterschool bevolkt door volwassenen, is mid-veertiger. Een kleine twintig jaar actief als filmmaker heeft hij inmiddels zeven speelfilms op zijn naam staan. Er staan krasjes op zijn ziel, hij heeft de ervaring van een veteraan en is in de kracht van zijn leven; tijd dus voor zijn magnum opus. En de man die de kijker telkens weet te verrassen met zijn kinderlijke fantasie doet precies wat er van hem wordt verwacht: hij levert.

Recensie The Grand Budapest Hotel

The Grand Budapest Hotel, Andersons achtste film, is een absurdistische pastiche van de Hollywood-actiekomedie, strak gecomponeerd en fraai gestyleerd op de wijze die zijn handelsmerk is geworden en films als The Life Aquatic with Steve Zissou (2005, zijn ‘doorbraak’ in Nederland) of Moonrise Kingdom (2012, zijn voorlaatste) tot zo’n onverdeeld genoegen maakten. Voeg daarbij een overdaad aan topacteurs, ook voor de bijrollen, en het resultaat is een maf meesterwerkje dat de potentie heeft om de cultstatus te ontstijgen. 

Vernuftige vertelvorm
Andersons motief is de familie, of liever: de gebroken familie en hoe mensen dat gemis compenseren door surrogaatverwanten rond zich te verzamelen, en The Grand Budapest Hotel is daarop geen uitzondering. De film, geïnspireerd door het werk van de Oostenrijkse auteur Stefan Zweig, speelt in het denkbeeldige centraal-Europees staatje Zubrowka tussen de twee Wereldoorlogen en draait rond een verdwenen Renaissance-schilderij. M. Gustave (Ralph Fiennes) is conciërge van het Grand Budapest Hotel, die vriendschap sluit met de nieuwe piccolo Zero Moustafa (Tony Revolori), een Arabische vluchteling. 

De vertelvorm is vernuftig. Er zijn drie verhaallagen: het boek waarnaar de film is vernoemd, de auteur op leeftijd van het boek (Tom Wilkinson) en Zero senior (F. Murray Abraham), eigenaar van het verlopen hotel, die zijn verhaal vertelt aan de jeugdige versie van de auteur (Jude Law). Zero’s verhaal is de film, die vervolgens in vijf aktes is opgedeeld. Veel wordt verteld via voice-over, vaak een irritante kunstgreep die in dit geval evenwel naadloos aansluit op de ‘boekige’ vorm. Het geeft de film vaart en houdt het verhaal overzichtelijk. 

Eindeloze rij kwaliteitsacteurs
Het hotel is, zoals een van de personages opmerkt, een ‘betoverende ruïne’. Net als in La grande bellezza is verlopen schoonheid het thema van The Grand Budapest Hotel. De nostalgische inhoud (de kracht van de traditie tegenover de leegte van de consumptiemaatschappij) heeft een actuele boodschap (de morele kanker van vreemdelingenhaat) en wordt gebracht in een eenentwintigste eeuwse vorm. Compositie, montage, mise-en-scène en kleurgebruik verwijzen eerder naar de Japanse cinema dan naar de screwball comedy’s uit het Hollywood van de jaren dertig die Anderson als voorbeeld nam. 

Recensie The Grand Budapest Hotel

Opvallend maar passend is de ‘ouderwetse’ 1,37:1 aspect ratio waarin de film (grotendeels) is gedraaid, want er is in elk shot zoveel te zien dat breedbeeld de kijker wellicht horendol had gemaakt. Nu kan die kijker zich concentreren op een eindeloze rij kwaliteitsacteurs. Een kleine greep: de voortreffelijke Tilda Swinton als de licht geschifte Madame D om wier erfenis de plot draait; Willem Dafoe die kostelijk de sinistere schurk Jopling vertolkt; Jeff Goldblum als de met Freud-baard getooide advocaat Deputy Kovacs. Voor de liefhebber zijn er een aantal verwijzingen naar klassieke Hollywood-films. Zo valt er op meerdere manieren te genieten van dit fantasierijke kunststukje. 

 

11 maart 2014

 

 

MEER RECENSIES