Recensie P’tit Quinquin

***

recensie  P’tit Quinquin

De koe niet meer kon ruften

door Cor Oliemeulen

Bienvenue chez les Ch’tis van en met Dany Boon brak in 2008 een record: ruim twintig miljoen Fransen zagen deze komedie in de bioscoop. Buiten Frankrijk haalde men de schouders op: gebrek aan identificatie met de typische Franse humor over plattelandscultuur. P’tit Quinquin is interessanter en gedurfder maar lijdt aan hetzelfde euvel.

Het schrijven en uitvoeren van oorspronkelijke scenario’s kan de Franse regisseur Bruno Dumont niet worden ontzegd. Hij viel vooral op met de choquerende drama’s L’humanité (1999) en Flandres (2006) en gooit het met P’tit Quinquin over een andere boeg. Eerder uitgebracht als vierdelige miniserie op Canal+ draait zijn absurdistische tragikomedie, die zich afspeelt in een Noord-Frans kustplaatsje, als speelfilm in de bioscoop. Bijzonder is dat alle personages voor het eerst acteren.

Recensie P’tit Quinquin

Waarom absurdistisch?
Het verhaal begint met de vondst van een koe die om onverklaarbare redenen in het water van een bunker uit de Tweede Wereldoorlog verzeild is geraakt. De rust in het dorp wordt opgeschrikt door een laag vliegende helikopter die het beest bevrijdt en het vervolgens bungelend in een net meeneemt. Het fragment doet denken aan het Jezusbeeld in Fellini’s La Dolce Vita en het vliegende standbeeld in Goodbye Lenin. De ‘nationale politie’ constateert dat de koe uit het poepgat bloedt en ontdekt dat het rund is volgestopt met menselijke resten. Verderop in een weiland ligt het bijbehorende vrouwenhoofd. Absurd genoeg? Later blijkt het in stukken gehakte stoffelijke overschot via de andere ingang in het arme rund te zijn beland.

Ook absurd is het onderzoekende politieduo dat bestaat uit Commandant Van der Weijden (Bernard Pruvost) en Lieutenant Carpentier (Philippe Jore). Met zijn opvallende gebit en zijn voorliefde voor autorijden op twee wielen is laatstgenoemde een stuk minder idioot dan zijn baas. Van der Weijden mompelt een dialect, heeft een raar waggelloopje en is behept met een groot aantal tics, waarvan het voortdurend knipperen met de ogen en het optrekken van de wenkbrauwen nog het meest op de zenuwen werken. Je moet het Bruno Dumont nageven: in hun bespottelijkheid en (on)alledaagse gedrag heeft het tweetal een zeer authentieke uitstraling, net als de meeste dorpsgenoten die je tijdens een pitstop op doorreis naar de zonnige Atlantische zuidkust zo zou kunnen aantreffen.

Recensie P’tit Quinquin

Waarom een tragikomedie?
Dat geldt niet alleen voor de kleine, brutale P’tit Quinquin (Alane Delhaye) die samen met zijn vriendinnetje en twee vriendjes met kattenkwaad en het pesten van de politie de sleur probeert te doorbreken, maar ook voor de boerse paardenfokker, de leden van fanfare en majorettekorps én het meisje dat met een heerlijk vals en aanstekelijk liedje aan een zangwedstrijd meedoet. Ook een aantal van hen komt binnen korte tijd op onorthodoxe wijze om het leven. De meeste gebeurtenissen zijn triest en grappig (bedoeld) tegelijk, terwijl het wachten is of en hoe de politie de dader(s) van de moordpartijen in de kraag zal grijpen.

Het tempo van P’tit Quinquin is even traag als de ontlasting van een geconstipeerd rund op het achterlijke platteland. Ondanks de potpourri van nog meer vreemde personages – twee melige priesters, een fanatieke organist en de gediscrimineerde Afrikaanse jongen die door het lint gaat – had de film wel een uurtje korter gemogen. De tragikomedie van Bruno Dumont kan een cultstatus tegemoet zien. Maar omdat het meer draait om absurde situaties en typetjes dan om consistentie en een bevredigend slot, zou de regisseur bij een eventueel vervolg – we gúnnen het de twee politiemannen – de verdwaalde koe wat beter bij de horens moeten vatten.

 

8 januari 2015

 

MEER RECENSIES