Ondertussen: Is John Cassavetes of Orson Welles de eerste grote onafhankelijke filmmaker?

Ondertussen, op de redactie:

Is John Cassavetes of Orson Welles de eerste grote onafhankelijke filmmaker?

Hi Cor,

In je eerste stuk over Jim Jarmusch noem je John Cassavetes ‘de eerste grote onafhankelijke filmmaker’.

Ik weet het, het is geen onderwerp waar Donald Trump wakker van zal liggen, maar ik ben benieuwd waarom je Cassavetes aanwijst als eerste onafhankelijke (Amerikaanse) cineast.

Was dat niet Orson Welles? Noodgedwongen weliswaar, want onder druk van Randolph Hearst verstoten door de grote Hollywood studio’s, maar toch.

John Cassevetes en Orson Welles

Roger Corman opereerde ook buiten het studiosysteem in een filmuniversum parallel aan ‘Hollywood’, maar die begon midden jaren vijftig. Ruim na Welles dus: die maakte in 1948 voor een kleine studio (bekend van B-films) Macbeth en vertrok daarop naar Europa.

Charlie Chaplin zou ik geen onafhankelijke filmer noemen. Die startte in 1919 United Artists en werd dus zijn eigen studiobons. Dat doen ook vandaag de dag de meer succesvolle acteurs wel vaker, denk aan Brad Pitt en diens Plan B Productions. Zo hou je enige controle over je loopbaan.

Onder onafhankelijke filmer versta ik cineasten die opereren los van het Hollywood studiosysteem, via onafhankelijke productie en/of distributie. John Sayles is het archetype uit de ‘moderne tijd’.

Wat is jouw uitleg van ‘onafhankelijke filmer’?

Groet van Alfred

 

Hoi Alfred,

Wat mij betreft hanteren we jouw definitie van onafhankelijke filmer: ‘Films maken los van het Hollywood-studiosysteem en onafhankelijk produceren en distribueren’. Hieraan voeg ik graag toe: ‘Het zich afzetten tegen de veelal voorspelbare verhalen van de droomfabriek door het maken van realistische en maatschappij betrokken films’. Bovendien hoeft de onafhankelijke filmmaker idealiter niet wakker te liggen van wat een film kost en zou hij zelf geen salaris mogen ontvangen.

Laten we eens beginnen in 1908 toen de Amerikaanse uitvinder annex filmpionier Thomas Edison de Motion Picture Patents Company (MPPC) oprichtte. Het bedrijf omvatte destijds alle belangrijke filmstudio’s en verschafte zich middels patenten (en soms bedreigingen) het monopolie op levering van filmstroken en distributie van films. Ook kregen buitenlandse films minder kans in de Amerikaanse bioscopen. ‘America First’ dus.

Ver weg van het New Jersey van Edison gingen de eerste onafhankelijke filmmakers zich vestigen in het warme Californië en begonnen in Hollywood een systeem dat productie, distributie en vertoning regelde. Al snel maakten daar vijf grote filmstudio’s de dienst uit: 20th Century Fox, Metro-Goldwyn-Mayer, Paramount Pictures, RKO Pictures en Warner Bros. De MPPC had geen schijn van kans meer en werd in 1918 opgedoekt. Een jaar later richtten Charlie Chaplin, D.W. Griffith, Mary Pickford en Douglas Fairbanks een eigen studio op: United Artists, om hun eigen films te kunnen distribueren, maar ‘echt onafhankelijk’ werden ze nooit.

Hollywood(land)

Natuurlijk kwamen er ook onafhankelijke producers, zoals Samuel Goldwyn en David Selznick die onafhankelijke kwaliteitsfilms wilden maken. Maar als het dan al lukte om bijvoorbeeld de rechten van Gone with the Wind te bemachtigen, moesten ze toch een beroep doen op ‘eigendom’ van de grote studio’s, in dit geval Clark Gable die de hoofdrol van Rhett Butler ging spelen.

Het Amerikaanse studiosysteem eindigde formeel in 1948 met een antitrustwet, waarmee monopolie van zowel productie als distributie als vertoning verboden werd. En ook met de opkomst en populariteit van de televisie in de jaren 50 kwam er ruimte voor nieuwe initiatieven.

Eén van de bekendste personen die al helemaal buiten de Hollywood-studio’s werkte, was Samuel Fuller, die in 1949 doorbrak met de western I Shot Jesse James. Ook de artistieke visies van filmmakers als John Ford, Howard Hawks en Alfred Hitchcock pasten niet altijd in het studioconcept. Dat geldt ook voor Orson Welles die in 1948 uitweek naar Engeland, maar in 1956 alweer terugkeerde naar Hollywood.

Technisch gezien mag jij Orson Welles van mij best ‘de eerste grote onafhankelijke filmmaker’ noemen, maar de eerste grote filmregisseur die ‘independent cinema’ als beweging introduceerde en het principe altijd trouw bleef is John Cassavetes. Om die reden wordt hij ‘The Father of Independent Film’ genoemd en wordt er elk jaar (op de zaterdag voor de Oscars) tijdens The Independent Spirit Awards een heuse John Cassavetes Award uitgereikt.

Groet,
Cor

 

Hi Cor,

Dank voor de uitleg en historische achtergrond. Grappig om de dynamiek tussen New York en Los Angeles/Hollywood te zien. Edison versus de jonge turken: gevestigde orde aan de Oostkust, nieuwe kansen aan de Westkust–de frontier-mentaliteit in de praktijk. Film is niet het enige voorbeeld, het geldt ook voor televisie en de populaire muziek van de jaren zestig.

Er is een onderscheiding vernoemd naar John Cassavetes, wat iets zegt over ’s mans status en plek in de filmgeschiedenis. Neemt niet weg dat Orson Welles de eerste regisseur van statuur is die buiten het studiosysteem om films maakte. In 2013 werd in Italië de verloren gewaande ‘debuutfilm’ van Orson Welles teruggevonden, Too Much Johnson.

Too Much Johnson
Het zijn scènes die bedoeld waren om te worden vertoond als intermezzo tijdens de voorstellingen van een toneelstuk. Welles heeft de film nooit afgemaakt, maar hij zat op dat moment, 1938, nog in New York en produceerde Too Much Johnson geheel buiten ‘Hollywood’ om.

Ik wil maar zeggen, het onafhankelijk film-maken zat hem in het bloed. Wat mij betreft is het ‘Orson Welles first’. Dat laat de verdiensten van Cassavetes natuurlijk onverlet. Welles en ‘bewegingen’ gaan niet samen. Genieën maken nooit school.

Nogmaals dank en groet van Alfred

 

Hoi Alfred,

Het grappige is dat de term ‘independent film’ in feite pas sinds Shadows (1959) van John Cassavetes wordt gebezigd. Misschien is het verschil met Orson Welles dat die het land verliet om elders van het studiosysteem verlost te zijn. Ach, er zijn zoveel definities van ‘independent film’, en soms kan het zelfs gebeuren dat onafhankelijke films mainstream worden. Maar hoe definieer je mainstream dan weer? Ik herinner me jouw recente discussie met Martin Koolhoven, die weigerde om zijn succesfilm Brimstone ‘mainstream’ te noemen, terwijl jij dat uitstekend wist te verdedigen.

Je wijst terecht op de dynamiek in New York. Net zoals de allereerste onafhankelijken zich nabij Los Angeles gingen vestigen, bloeide in de jaren 50 en 60 in New York de zogenoemde moderne Independent Cinema op. Deze filmmakers vonden dat sociale milieus nauwelijks aan bod kwamen in de mainstream cinema en op televisie. Dat leidde in 1953 tot (de volgens critici allereerste onafhankelijke Amerikaanse film) Little Fugitive van onder andere fotograaf Morris Engel. Het verhaal gaat over een zevenjarig jochie dat wegloopt nadat hij denkt dat hij een vriendje van zijn broer heeft doodgeschoten. We volgen zijn belevenissen gedurende een dag en een nacht op de kermis van Coney Island.

Little Fugitive

Over jonge turken en onafhankelijke filmmakers gesproken: de Franse regisseur François Truffaut zei ooit dat de Nouvelle Vague nooit zou hebben bestaan als Little Fugitive niet was gemaakt. Zoals de Nouvelle Vague schatplichtig is aan het Italiaanse Neorealisme.

Misschien dat we de vertegenwoordigers van laatstgenoemde filmstroming – Roberto Rossellini, Luchino Visconti en Vittorio De Sica – de eerste, echte grote onafhankelijke filmmakers moeten noemen. Zij kenden helemaal geen studiosysteem en filmden op straat, want de studio’s waren plat gebombardeerd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog.

Ik ben het met je eens dat Orson Welles en zijn rol in de filmgeschiedenis meer aandacht verdient. Mag ik je van harte uitnodigen om eens een stuk over dit genie te schrijven?

Groet,
Cor

 

Hi Cor,

Jouw gedachten over ‘independent film’ sluiten het mooi af, met een fraaie – en alleszins verdedigbare – conclusie: de Italianen hebben het filmen buiten de studio (en het studiosysteem) uitgevonden.

Een stuk over Orson Welles? Ik zet ‘m op mijn lijstje ‘Moet ik nog eens doen’. Misschien dat ik eens dieper in Touch of Evil duik en dat als kapstok gebruik. Maar kan niets beloven :)

Groet van Alfred

 

18 februari 2017

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’