Vijf oorlogsfilms die wat toevoegen

Vijf oorlogsfilms die wél wat toevoegen

Oorlogsfilms: The Big Parade

De meeste oorlogsfilms die met enige regelmaat in de bioscoop verschijnen, zijn behoorlijk patriottistisch en blinken niet bepaald uit in subtiliteit. Dat kan zeker worden gezegd van 13 Hours: The Secret Soldiers of Benghazi van Michael Bay. De Amerikaans regisseur doet verslag van een militaire actie in Libië, waarbij hij zijn gebruikelijke bombastische capriolen geenszins schuwt. Vijf oorlogsdrama’s uit vijf landen en vijf filmperiodes die wél wat toevoegen.

Samenstelling: Cor Oliemeulen

 

1. – The Big Parade (King Vidor, 1925)

King Vidor was bijna zeventig jaar lang actief als regisseur, maar het meest succesvol was hij met zijn stomme films. The Big Parade dient nu nog als inspiratiebron voor oorlogsfilms die verder kijken dan heldenverering. Een rijkeluiszoon (gespeeld door John Gilbert, die door deze film een grote ster werd) meldt zich bij het leger om tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk te gaan vechten. Hij wordt verliefd op een mooie boerendochter (Renée Adorée), maar dan moet het regiment halsoverkop vertrekken naar het front. Hartstochtelijke romantiek maakt plaats voor oorlogshandelingen, voor die tijd geweldig spannend en realistisch in beeld gebracht. Onze held zal uiteindelijk een been verliezen en vindt zijn geliefde na de oorlog terug. Zie fragment.

The Big Parade is de beste (anti)oorlogsfilm van de jaren 20 en geeft een veel beter beeld dan filmpionier D.W. Griffith dat doet in The Birth of a Nation (1915). In zijn vroege meesterwerk trekt Griffith weliswaar alle creatieve, technische en financiële middelen uit de kast voor de knappe verfilming van een liefdesgeschiedenis tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog, maar vervalt hij in het tweede deel in stuitende propaganda voor de Ku Klux Klan, kennelijk de enige partij die destijds de eenheid van de staat kon garanderen.

 

2. – Roma città aperta (Roberto Rossellini, 1945)

Italië zat na de Tweede Wereldoorlog in een economische en morele crisis. Twintig jaar dictatuur van Mussolini leverde vooral armoede en werkloosheid op. Filmmakers, meestal met een marxistische achtergrond, gingen de straat op en legden op documentaire-achtige manier het authentieke leven van de arbeidersklasse vast. Ze zetten zich af tegen de banale Italiaanse films van het grote studiocomplex Cinécitta en tegen de schijnwereld van Hollywood. Bovendien was het filmen buiten op straat zonder belichting, decors en professionele acteurs veel goedkoper. Zie hier in een notendop het Italiaans Neorealisme, waarvan Roma città aperta een vaak geciteerd voorbeeld is.

Roberto Rossellini had tijdens de oorlog gewerkt als regisseur van fascistische films, maar in het geheim maakte hij een documentaire over moedige verzetsmensen. Roma città aperta borduurt hierop verder. In de toenmalige ‘open stad’ Rome volgen we de zwangere moeder Pina wiens verloofde wordt opgepakt door de Gestapo en (deels in beeld) doodgemarteld omdat hij zijn kameraden niet wil verraden. Tragische, realistische film met de doorbraak van Anna Magnani. Het fragment waarin Pina probeert te verhinderen dat haar verloofde wordt afgevoerd, is iconisch. Ook de smartelijke finale is onvergetelijk en zeventig jaar later helaas nog aan de orde van de dag.

 

3. – Skammen (Ingmar Bergman, 1968)

Van de talloze meesterwerken die de Zweedse regisseur Ingmar Bergman heeft gemaakt, is Skammen (Schaamte) misschien een van de minst bekende, maar wel een van de meest beklijvende. Huisacteurs Liv Ullmann en Max von Sydow vormen het koppel Eva en Jan. Ze hebben afscheid genomen als muzikanten van een orkest, willen op een klein eiland gaan genieten van de rust en hebben een kinderwens. Op een dag raken ze betrokken bij een burgeroorlog en wordt hun relatie ernstig op de proef gesteld.

Als geen ander kan Bergman mensen laten worstelen met hun existentiële angsten. Net als in zijn meeste drama’s is ook in het levensechte Skammen de man het prototype van een angsthaas en de vrouw de dominerende factor. Maar de horror en onderdrukking van de oorlog zetten alle patronen en zekerheden op losse schroeven en maakt van Jan, die aanvankelijk nog zeurt over een verstandskies, een moordende macho. Hun ultieme overlevingstocht is uiterst beklemmend in beeld gebracht. Vooral Liv Ullmann speelt de sterren van de troosteloze hemel en zou zich na de filmopnames wereldwijd actief gaan inzetten voor oorlogsslachtoffers en vluchtelingen.

 

4. – Ran (Akira Kurosawa, 1985)

Sinds Akira Kurosawa in 1950 met Rashômon de Japanse film in het westen op de kaart zette, werd hij hier meer bewonderd dan in eigen land. Dat had onder meer te maken met het feit dat deze grensverleggende regisseur een aantal van zijn proefstukken baseerde op niet-Aziatische werken van bijvoorbeeld Dostojewski en Shakespeare. Zo is het epische oorlogsdrama Ran – na Rashômon en Seven Samurai (1954) waarschijnlijk Kurosawa’s beste film – gebaseerd op King Lear, maar zijn de drie dochters die strijden om het bezit van hun vader, vervangen door drie zoons. Het gebruik van Shakespeare’s ‘eeuwige nar’ die zijn landheer tegenspreekt en ridiculiseert, werd in de Japanse cultuur bovendien maar moeilijk begrepen.

Nadat de landheer zijn rijk heeft verdeeld onder zijn drie zonen, waarbij de oudste het voor het zeggen krijgt en de jongste wordt verbannen omdat hij teveel tegenstribbelt, breekt al snel de pleuris uit. Door allerlei intriges is het uiteindelijk de vader die door zijn op macht beluste zonen wordt verbannen en nota bene moet worden gered door zijn zoon die als eerste in onmin was gevallen. Een schrijnende geschiedenis, met typisch Japans pathos en rijkelijk gelardeerd met indrukwekkende, kleurrijke, massale gevechten. Dan zijn de grote, met de computer gemanipuleerde, strijdtonelen in The Lord of the Rings plotseling wel heel erg nep.

 

5. – Brotherhood (Je-kyu Kang, 2004)

Als je Saving Private Ryan al een goede oorlogsfilm vindt, hoe moet je het Zuid-Koreaanse oorlogsdrama Brotherhood (Taegukgi hwinalrimyeo) dan noemen? Als in 1950, twee jaar na de splitsing van Korea, het noorden de zuidelijke staat binnenvalt, worden twee broers gerekruteerd en moeten ze aan het front vechten tegen de communistische agressors. De oudste, Jin-tae, waakt over de jongste, Jin-seok, en doet er alles aan om zijn broertje snel en veilig naar huis te krijgen. Hij denkt dat de beste manier hiervoor is om zich als held te gaan gedragen. Terwijl Jin-tae zich aanmeldt voor de gevaarlijkste opdrachten, steeds meer risico’s neemt, bijna in zijn eentje voor overwinningen zorgt en zich als moordmachine ontpopt, keert Jin-seok zich steeds verder van hem af en ontstaan er hartverscheurende situaties.

Brotherhood was een grote hit in het thuisland en maakte Dong-gun Jang (Jin-tae) beroemd in Azië. Het knappe van de film is dat hij niet direct partij kiest, maar zich vooral focust op de niets ontziende overlevingsstrijd. Op enkele sentimentele fragmenten en de dito soundtrack na raak je door de opvallend natuurgetrouwe gevechtsscènes twee uur lang verdoofd en gefascineerd tegelijk. Nadat naar het einde toe tragedie op tragedie wordt gestapeld, bekrachtigt de slotscène, waarin we een van de broers vijftig jaar later zien, de flagrante waanzin van oorlog.

 

3 februari 2016

 

Alle leuke filmlijstjes