Bovennatuurlijke wezens in IJslandse films – Deel 2: Trollen, spoken, dwergen en zeemeerminnen

Bovennatuurlijke wezens in IJslandse films – Deel 2:
Trollen, spoken, dwergen en zeemeerminnen

door Maaike Mulder

In het eerste deel van dit tweeluik besprak ik de elfen in de IJslandse cinema. In dit tweede deel komen andere bovennatuurlijke wezens aan de orde: trollen, dwergen, spoken en zeemeerminnen.

De verhalen waarin de bovennatuurlijke wezens voorkomen, zijn heel oud. Hun geboortegrond lijkt Scandinavië te zijn. Het geloof in trollen was zelfs zo sterk dat er in Noorwegen wetgeving tegen bestond. Mensen die trollen uitlokten tot het plegen van een misdrijf, werden streng veroordeeld. Zij moesten de gemeenschap verlaten en in de wildernis zien te overleven.

Als IJsland in de negende eeuw door de Noren wordt gekoloniseerd, komen de mythologische verhalen in hun kielzog mee. In de Edda van Snorri Sturluson, geschreven in de dertiende eeuw, maar gebaseerd op oudere verhalen, komen niet alleen de Germaanse goden voor, maar zijn ook deze bovennatuurlijke wezens al volop van de partij.

Tröllaskagi: het schiereiland waar trollen leven

Tröllaskagi: het schiereiland waar trollen leven.

Mensen die door de omgeving als trol of heks gezien worden, zijn geen bovennatuurlijke wezens. Dus Grendel in de film Beowulf & Grendel (2005) valt buiten de boot, ondanks dat hij door de Deense koning als een trol-achtig wezen wordt gezien.

Dan zijn er nog de films waarin de hoofdpersoon een dreiging ervaart die vooral te maken lijkt te hebben met de eigen psychische labiliteit. De bedreigende monsters of geesten van gestorvenen bestaan alleen in de eigen verbeelding en komen dan in de film meestal ook niet tot leven. Hierbij kun je denken aan films als Blóðrautt sólarlag (The Crimson Sunset, 1977) en Skammdegi (Deep Winter, 1985).

Ook de tilberi, een specifiek IJslands monster, laat ik buiten beschouwing, omdat deze ‘koerier’ een product is van menselijke activiteit en niet een bewoner van ‘de andere wereld’. Viðar Vikingsson heeft een film gemaakt over een dergelijk monster: Tilbury (1987), te bekijken op YouTube. (Wel de naam van de regisseur ook invoeren, want er zijn meerdere films met die naam.)

Wat houden we dan over? Trollen, dwergen, spoken en zeemeerminnen.

Trollen
Trollen (tröll) zijn in de Scandinavische mythologie reusachtige, kwaadaardige wezens. Ze worden beschreven als oud en heel sterk, maar ook traag en dom. Ze kunnen het geluid van kerkklokken niet verdragen en moeten daarom ver van de beschaving leven. Ze ontvoeren soms eenzame reizigers om ze daarna op te eten. Vaak worden ze beschreven als nachtwezens die geen zonnestraaltje kunnen verdragen. Als ze zich ´s morgens niet op tijd hebben teruggetrokken in hun holen, verstenen ze. Zowel Tolkien (The Lord of the Rings) als Rowling (Harry Potter) hebben zich gebaseerd op deze oude beschrijvingen van de trollen: wezens die het goede bestrijden en voor het kwade kiezen.

Ieder kind in IJsland krijgt al op jonge leeftijd het verhaal te horen van Grýla, een vrouwelijk monster dat in de IJslandse bergen leeft. Haar naam wordt al in de Edda genoemd. Ze is een vreselijk wezen, deels trol en deels dier, en sinds de zeventiende eeuw ook de moeder van de dertien trollen of jólasveinar (kerstmannetjes). Met kerst komen Grýla en haar zonen uit de bergen: ze gaan op zoek naar stoute kinderen om die mee te lokken en op te eten. Tegenwoordig zijn de jólasveinar gelukkig getransformeerd tot vriendelijke trollen die weliswaar kattenkwaad uithalen, maar ook lekkers in de schoen van de kinderen stoppen.

Trollen zijn oersterk, dom en vraatzuchtig.

Trollen zijn oersterk, dom en vraatzuchtig.

Zij mogen hun boosaardige karakter in de loop der eeuwen dan wel zijn kwijtgeraakt, dat geldt niet voor de trollen die we in verhalen en films tegenkomen. Daar blijven ze de afzichtelijke wezens die ze van oorsprong zijn. Soms nemen ze de vorm aan van een vriendelijke man of vrouw, maar dat gebeurt dan enkel en alleen om op die wijze de mensen in hun macht te krijgen. Een oplettend iemand kan ze herkennen aan hun kracht en hun enorme eetlust.

Dwergen
In de oude verhalen komen dwergen (dvergar) wel regelmatig voor, maar in de films treffen we ze nauwelijks aan. Ik ken maar één film waarin een dwerg voorkomt, en dat is Síðasti bærinn í dalnum (The Last Farm in the Valley, 1950). Deze dwerg is een vriendelijk mannetje dat contact onderhoudt met de elfen en dat de mensen behulpzaam is. Deze karakterisering geldt ook voor de dwergen in de verhalen. Ze zijn een soort kabouters die de mensen soms plagen, maar in wezen niet boosaardig zijn.

Elfen
In de hierboven genoemde film komen naast dwergen ook trollen en elfen voor. Het voorkomen van elfen in de IJslandse films is in het voorgaande artikel besproken. Hier nog even een korte karakterisering. Elfen zijn in de IJslandse verhalen vrijwel altijd vrouwelijke wezens die een bijzondere uitstraling hebben en over bovennatuurlijke krachten beschikken. Ze leven in heuvels, rotsen of steenpartijen, maar kunnen ook als mens onder de mensen leven. Ze zijn in het algemeen behulpzaam tegenover de mensen. Er zijn ook verhalen waarin elfen demonische wezens zijn, die de mensen ellende brengen, maar dit type elf komt in de IJslandse films niet voor.

Síðasti bærinn í dalnum
De eerste en tevens belangrijkste film waarin trollen en bovendien ook elfen en dwergen een rol spelen, is de in 1950 verschenen familiefilm Síðasti bærinn í dalnum (The Last Farm in the Valley) van Óskar Gíslason, met daarbij speciale filmmuziek, gecomponeerd door Jórunn Viðar.

Het is Óskars eerste film en het is pas de tweede speelfilm die in IJsland is gemaakt. Het is enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog en IJsland is pas sinds zes jaar onafhankelijk. Het leven op het platteland is hard voor de boeren en dat blijkt ook uit de filmbeelden. We zien vervallen boerderijen die geen eigenaar meer hebben, verwilderd land en met gras overwoekerde paden.

The Last Farm in the Valley (1950)

Síðasti bærinn í dalnum (1950)

Toch heeft Óskar een sprookjesachtige film weten te maken waaruit vooral hoop spreekt. In de strijd van het goede tegen het kwade zal het goede uiteindelijk winnen. De film is een groot succes, zowel in binnen- als buitenland. De regisseur heeft zijn naam hiermee voorgoed gevestigd. De film, waarvan slechts één exemplaar bestond, is als gevolg van de vele vertoningen verschillende keren gebroken en weer aan elkaar gelijmd. Daardoor liep de muziek na een aantal jaren niet meer synchroon met het beeld. In 2010 is de film gerestaureerd en gedigitaliseerd en het IJslands symfonieorkest heeft toen de muziek van Jórunn Viðar opnieuw uitgevoerd, passend bij de gerestaureerde versie.

De inhoud van de film is een raamvertelling: een grootmoeder vertelt aan haar kleindochter het volgende verhaal:

Alle boeren uit een dal met vruchtbare grond zijn door een trollenechtpaar verjaagd, behalve eentje, Björn. Zijn moeder heeft namelijk een ring van de elfenkoningin gekregen die de familie beschermt tegen alle kwaad. De trollen proberen natuurlijk de ring te stelen. Eerst verandert de mannelijke trol zich in een arbeider die Björn op de boerderij komt helpen. Hij blijkt heel sterk en kan enorme hoeveelheden eten en drinken. Als het hem niet lukt de ring te stelen, komt ook zijn vrouw in de vorm van een dienstmeisje naar de boerderij. Dankzij de oplettendheid van de kinderen van Björn lukt het ook haar niet de ring te pakken te krijgen. Deze twee kinderen hebben vriendschap gesloten met een dwerg, die zichzelf onzichtbaar kan maken, en met de elfenkoningin, die kan toveren. Met behulp van deze vrienden weet de familie de twee trollen voorgoed uit het dal te verjagen. Nu zullen ook andere boeren zich weer in het dal kunnen vestigen.

Naast de bijzondere muziek is ook de elfendans die opgevoerd wordt in de elfengrot het vermelden waard. Óskar heeft gekozen voor een dans die in het begin van de twintigste eeuw door Isadora Duncan, de pionier van de moderne dans, is bedacht. Zij hield niet van de stijve techniek van het ballet en liet haar acteurs op blote voeten dansen (in Griekse gewaden) waarbij de bewegingen gebaseerd waren op de natuurlijke ritmes van het lichaam.

Síðasti bærinn í dalnum (1950)

De film is een klassieker en een van de meest geliefde films in IJsland. Toen de gerestaureerde film in 2010 opnieuw werd vertoond, stonden de mensen rijen dik voor de kassa om kaartjes te bemachtigen.

Ik noem nog twee andere films waarin trollen voorkomen. Árni Thor Jónsson maakte een korte film over de kersttrollen in hun oorspronkelijke boosaardige gedaante, Örstutt jól (Unholy Night, 2007). En in Gilitrutt (1957), een bewerking van het sprookje Repelsteeltje door Jónas Jónasson, ontmoeten we een vrouwelijke trol als vervangster van de dwerg in het sprookje.

Zeemeerminnen
Zeemeerminnen (hafmeyjur) zijn misschien wel de beroemdste mythische wezens ter wereld. Ze zijn een soort watergeesten, half vrouw en half vis. Het zijn onsterfelijke, jonge, aantrekkelijke vrouwen die de mannen naar zich toe lokken. Ze zijn niet afkomstig uit Scandinavië, maar uit het Midden-Oosten. De kerk gebruikte afbeeldingen van de zeemeermin om de mensen te waarschuwen voor de verleidingen van het kwaad. Zeemeerminnen zouden volgens de kerk geen ziel hebben en deze alleen maar kunnen verkrijgen door een man te trouwen en een kind te krijgen. Daarna zouden ze echter hun onsterfelijkheid hebben verloren.

Hoewel IJsland omringd wordt door de zee, komen zeemeerminnen niet veel voor in verhalen en films, in tegenstelling tot elfen en trollen. De enige film waarin een zeemeermin een hoofdrol speelt is Í faðmi hafsins (In the Arm of the Sea, 2001) van Jóskim Reynisson. Het verhaal is losjes gebaseerd op het bekende sprookje De Kleine Zeemeermin van Andersen. In deze film, die bol staat van de symboliek, lijkt de zeemeermin er inderdaad op uit om een kind te krijgen. Of ze daarna ook haar onsterfelijkheid verliest, vermeldt de historie niet.

Vlakbij het stadhuis van Reykjavik staat dit standbeeld van een zeemeermin.

Vlakbij het stadhuis van Reykjavik staat dit standbeeld van een zeemeermin.

Í faðmi hafsins
Deze film begint met de voorbereidingen voor de bruiloft van Valdimar (Hinrik Ólafsson) en Unnur (Margrét Vilhjálmsdóttir). Enige tijd geleden is Unnur zomaar op een dag in het dorp verschenen en Valdimar, de kapitein van een vissersschip, is van plan met deze mooie vrouw te trouwen. Unnur krijgt op de ochtend van het huwelijk haar trouwjurk cadeau van de oude Ægir (Sigurður Kristjánsson), een witte jurk versierd met schelpen. Weet Ægir soms wie Unnar werkelijk is? (Ægir is de naam van de zeegod in de Noorse mythologie.)

In de huwelijksnacht verdwijnt Unnur om nooit meer terug te keren. Valdimar is ontroostbaar. Met zijn zaken gaat het evenwel voorspoedig. Niemand vangt vanaf dat moment zoveel vis als Valdimar. Na ruim een jaar vindt hij een baby op het strand. Hij weet dat dit het kind van hem en Unnur is. Hij voedt het zoontje, dat hij Mar noemt, op.

In de nacht vóór Mar’s zevende verjaardag zien we Unnur wadend door het water op weg naar haar zoon. Als Mar wakker wordt, ligt er zeewier op zijn bureautje. Een cadeautje van zijn moeder. Als het jongetje na het verjaardagsfeest naar bed wil gaan, kan hij niet meer lopen. Valdimar realiseert zich wat dit betekent. Hij zal het kind aan zijn moeder moeten overdragen. Hij haalt Ægir op en brengt hem en Mar naar een roeiboot. Hij legt zijn zoon naast de oude man in de boot en samen varen de twee de zee op.

Spoken
Spoken (draugar) of geesten zijn wezens die gestorven zijn maar in hun dood nog geen rust kunnen vinden omdat ze nog iets moeten afronden. Zij kunnen zich vrijelijk bewegen en worden niet tegengehouden door deuren of muren. Een ontmoeting van een mens met een spook betekent meestal een spoedige dood voor de mens en dus is een spook een ideale figuur voor een horrorfilm.

Het mooiste voorbeeld van een film waarin een spook met een ‘unfinished business’ figureert, is mijns inziens de jeugdfilm Duggholufólkið (No Network, Geen bereik, 2007) van Ari Kristinsson die ook in Nederland is vertoond, zowel in de bioscoop als op de televisie.

Duggholufólkið (2007)

Duggholufólkið (2007)

Duggholufólkið
Kalli (Bergþor Þorvaldsson) is een twaalfjarige computerfreak, die met zijn moeder in Reykjavik woont. Omdat hij een foto van zijn leraar in de schoolkrant heeft bewerkt, wordt hij van school gestuurd. Hij moet van zijn moeder enkele weken bij zijn vader en diens nieuwe gezin in de Westfjorden gaan logeren. Hij heeft het daar helemaal niet naar zijn zin, vooral niet omdat hij het grootste deel van de dag ‘geen bereik’ heeft en dus niets kan met zijn mobieltje. Bovendien botert het niet tussen hem en zijn paranormaal begaafde stiefzus Ellen (Þordis Hulda Árnadóttir).

Op een ochtend als Kalli en Ellen alleen thuis zijn, breekt er een sneeuwstorm los. Het huis is volledig van de buitenwereld afgesloten. Kalli is het verblijf in de Westfjorden inmiddels al helemaal zat. Hij loopt weg en probeert het netwerk in de zendmast te repareren zodat hij een taxi kan bellen om hem naar de stad te brengen. Zijn stiefzus is hem gevolgd. Tijdens de hevige sneeuwstorm belanden ze in een onbewoond huis dat heeft toebehoord aan de familie van ene Lárus. Ellen weet te vertellen dat deze Lárus zijn familie tijdens een sneeuwstorm naar de Dugg-klif (Dugghola) heeft geleid, waarop zij allemaal naar beneden zijn gestort en zijn omgekomen.

Ze krijgen in het huis te maken met de geest van deze Lárus. De geest (een jongen met een doorzichtig lichaam) volgt Kalli overal in het huis, tot op de wc. Hij wordt immers niet door muren tegengehouden. Hij weerspreekt het verhaal van Ellen: hij heeft juist geprobeerd zijn familie ervan te weerhouden om over de klif te gaan, maar ze wilden niet luisteren. Hij is als enige achtergebleven en in een kloof terechtgekomen (en daar doodgevroren). Hij vraagt Kalli nu zijn botten te zoeken op de plaats waar hij is gestorven en die op het graf van zijn verwanten te leggen zodat hij bij hen begraven kan worden. Het feit dat zijn botten in de kloof zullen zijn gevonden, zal meteen duidelijk maken dat hij onschuldig is aan de tragedie. Als Kalli en Ellen zijn opdracht uitvoeren, zal hij hen niet doden.

Aanvankelijk heeft Kalli weinig zin in dit avontuur, maar de geest plaagt hem zozeer (kaarsen uit laten gaan, mobieltje in een glas water stoppen, etc.) dat Kalli uiteindelijk belooft het te doen. Samen met Ellen gaat Kalli naar de kloof. Ze vinden de botten inderdaad, graven ze uit en brengen ze naar het kerkhof in Isafjörður. Daar leggen ze de botten op het graf van Lárus’ familie.

Enkele andere films met spoken zijn Drauga Saga (Ghost Story, 1985), de komedie Ófeigur gengur aftur (Spooks and Spirits, 2013) en Ég man þig (I Remember You, 2017). De laatste film is een bewerking van het gelijknamige boek van de populaire thrillerschrijfster Yrsa Sigurðardóttir, dat in het Nederlands is vertaald als Ik vergeet je niet.

Rotsen
Rotsen met hun grillige vormen hebben altijd sterk tot de verbeelding gesproken. Ze worden vaak beschouwd als de woonplaats van de bovennatuurlijke wezens. In de film Síðasti bærinn í dalnum wonen zowel de trollen als de elfen in een rots, respectievelijk in de Tröllaborg en de Fögrubjörg.

Daarnaast worden alleenstaande rotsen in de verhalen vaak beschouwd als versteende trollen. In de detective-serie Hamarinn (The Cliff, 2009-2010) lijkt de rotspartij echter een zelfstandig bovennatuurlijk wezen.

In 1992 wordt er in IJsland een verhalenwedstrijd uitgeschreven. Het verhaal moet geschikt zijn als leesmateriaal voor de schoolkinderen. Guðrún Kristín Magnúsdóttir, die veel kinderboeken en televisieseries op haar naam heeft staan, wint de wedstrijd met Tröllabarn (Het kind van de trollen).

In dit verhaal vertelt een grootvader aan zijn kleinzoon het verhaal van een kleine trol die de tijd vergeten was toen hij schelpen aan het zoeken was. Vader, moeder en zusje gingen hem zoeken, maar de zoektocht duurde te lang en ze werden door het daglicht verrast. Alle vier versteenden ze tot rotsen. Vlak voor het noodlot toesloeg schreeuwde de grote trol nog: Als iemand ons kwaad doet, laat ik uit de berg stenen naar beneden storten, grote en kleine brokken steen, die hem zullen vernietigen die ons schade toebrengt.

Leven rotsen?

Leven rotsen?

Hamarinn
In de detective-serie Hamarinn heeft regisseur Reynier Lyngal een verhaal als dat van Guðrún als basis gebruikt. Hierin komt het oude IJsland met zijn geloof in bovennatuurlijke wezens in botsing met het nieuwe IJsland, dat net zo modern wil zijn als alle andere landen in de westerse wereld.

Midden in de nacht raakt Snorri (Thorir Sæmundsson) zwaargewond als hij met zijn graafmachine over de rand van een klif naar beneden stort. Het lijkt in eerste instantie te gaan om een bizar ongeluk, maar al gauw blijkt dat er meer aan de hand is.

De rots waar de graafmachine vóór staat, zal namelijk opgeblazen worden omdat daar een mast voor een elektriciteitscentrale moet komen. Daar zitten de meeste dorpsbewoners niet op te wachten. Zij zijn bang dat de mooie natuur rond hun dorp vernietigd zal worden. Een groep milieuactivisten strijdt voor het behoud van de rots. Zij beschouwen, net als vele bewoners, de rots als een heilige plaats, waarvan je de rust niet mag verstoren. En ook de rots zelf lijkt het niet eens te zijn met de bouwplannen. Kan hij het ongeluk veroorzaakt hebben?

De rots lijkt veel op zijn geweten te hebben. Het werk was nog maar nauwelijks gestart toen er een bekroonde merrie van Snorri’s ouders dood ging. Vervolgens kreeg zijn vader een splinter in zijn hand en die wond wil maar niet genezen. Bovendien zijn er allerlei machines stuk gegaan. En nu is het maar de vraag of Snorri dit ernstige ongeluk overleeft. En om het nog erger te maken komt er de dag na het ongeluk ook nog een rotsblok naar beneden gevallen waardoor een auto van een van de werkmannen verpletterd wordt, terwijl de chauffeur erin zit. Nee, er rust beslist geen zegen op dit project.

Inga (Dóra Jóhannsdóttir), die de plaatselijke politie vertegenwoordigt, krijgt hulp van Helgi (Björn Hlynur Haraldsson), een inspecteur van politie uit Reykjavik. Helgi is vertrouwd met de omgeving, waar hij een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht, en hij weet dat veel dorpsbewoners de rots als een heilige plaats beschouwen. Toch gaat hij niet zover dat hij de rots de schuld wil geven van Snorri’s ongeluk.

Inga lacht om al die verhalen over een zogenaamde heilige plaats. Ze schopt zelfs tegen de rots en als er een stuk steen afbreekt, legt ze dat op de passagiersstoel van haar auto om het mee naar huis te nemen. Zoiets kan natuurlijk niet onbestraft blijven. Eerst wil de auto niet starten en vervolgens, als ze uiteindelijk rijdt, verschijnt er ineens een man vóór haar op de weg. Ze moet hard remmen. Als ze hevig geschrokken uit de auto stapt, is er evenwel niets te zien. Ze gooit nu toch de steen maar uit de auto.

Er komt een inspraakavond in het dorp waar een medium contact legt met de bewoners van de andere wereld om aan hen te vragen of de rots opgeblazen mag worden. Het antwoord is duidelijk: Nee. Het gemeentebestuur dat het dorp zo graag een nieuwe tijd in wilde loodsen, moet zijn plan terugtrekken. Er komt geen mast, er zal niets worden opgeblazen. De rots is, met behulp van de milieuactivisten, als overwinnaar uit de bus gekomen.

Deze populaire detective-serie – die in Nederland op televisie is geweest en daarna enkele jaren op Netflix – heet niet voor niets Hamarinn. De rots is de ‘hoofdpersoon’. De natuur, waar de bewoners van ‘de andere wereld’ hun woonplaats hebben, moet gerespecteerd worden. En wat de mensen verder allemaal verzinnen, en welke menselijke drama´s zich voltrekken, dat is voor de rots niet van belang. Voor de politie zijn evenwel de menselijke relaties en de drijfveren die de handelingen sturen, hoogst interessant en alleen als ze die weten te ontrafelen, zullen ze het mysterie kunnen oplossen.

Conclusie
Elfen en trollen vertegenwoordigen het goed en het kwaad, verbeeld als krachten buiten de mens. Trollen bezorgen de mens alleen maar ellende. De elfen daarentegen zijn de mensen gunstig gezind, ook al treden ze soms streng op als er sprake is van onrechtvaardigheid. Soms worden ze geholpen door dwergen. Een zeemeermin zou je een elf van de zee kunnen noemen, die de mens ertoe verleidt om voor een droomwereld te kiezen.

Trollen, dwergen, elfen en zeemeerminnen vallen óf mensen lastig, óf helpen mensen. Bij de spoken ligt dat anders. Zij hebben de mensen juist nodig om onrecht dat hen in het verleden is aangedaan, recht te zetten.

In IJsland zetten meerdere films en boeken van de laatste decennia het geloof in de andere wereld in als wapen in de strijd tegen de verwoesting van de natuur. Gebeurt dat alleen in IJsland?

In De Vierklank, een regionale krant in Bilthoven en omgeving, las ik op 6 januari 2021 het volgende ingezonden stuk:

Mijn naam is Olly, ik ben een boskabouter van 317 jaar oud. Ik woon in het bos tussen Hollandsche Rading en de Lage Vuursche, op een geheime plek. Ik hoop dat jullie begrijpen dat ik mijn adres niet kan geven. […] en daarom schrijf ik een brief, want ik zie de bewoners verdrietig, er gebeuren dingen die ik niet zo goed begrijp en het is onrustig in een van de laantjes… er komt een nieuwe woning, een soort resort, gigantisch zo (te) groot! Niemand begrijpt waarom de gemeente zo een vergunning heeft kunnen geven, in het bos! […] ik zag hoe tientallen bomen werden gekapt … zonder toestemming of nut!

En nadat de kabouter ook nog heeft aangekaart dat er misschien een windmolenpark bij zijn huis komt, besluit hij met:

Gemeente, dit is een natuurgebied!! Hier zouden jullie trots op moeten zijn, stop alsjeblieft met het brengen van de stad naar het bosleven, ons meest kwetsbare gebied. Olly, de boskabouter.

Ik hoop van harte dat Olly’s noodkreet wordt gehoord. Of lukt zoiets alleen in IJslandse films?

 

Maaike Mulder was docent taalkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na haar pensioen heeft zich toegelegd op de studie van de IJslandse taal en cultuur. Geïnteresseerden in de IJslandse filmgeschiedenis kunnen terecht op haar website www.talengek.nl.

 

24 januari 2021

 

Deel 1: Elfen streven naar rechtvaardige wereld

 

ALLE ESSAYS

Veilige sciencefiction in bang interbellum – Deel 1

Deel 1: Visionaire hoogstandjes of toevalstreffers?
Veilige sciencefiction in bang interbellum

door Paul Rübsaam

Alleen de Britse films High Treason (1929) en Things to Come (1936) wisten de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Waren dit visionaire hoogstandjes of toevalstreffers? En waarom ontbraken de wereldoorlogen in andere sciencefictionfilms van het interbellum?

Niets zo prikkelend als oude, al dan niet verouderde sciencefictionfilms. Ze kunnen imponeren, fascineren, vertederen, de lachlust opwekken of de tenen doen krommen. Hun toekomstvoorspellingen waren vanuit ons retrospectieve standpunt gezien soms visionair. Maar vaak hadden de filmmakers van weleer geen enkel oog voor de elementen van hun eigen tijd die aan een realistische toekomstverwachting ten grondslag zou kunnen liggen. Of ze zich daarom bekommerden, is maar de vraag. Want sciencefiction is niet per se een serieuze aangelegenheid.

1984

1984

Oorlogsvoorspellingen
Een jaartal als 1984 staat los van wat er 37 jaar geleden werkelijk plaatsvond nog altijd symbool voor een dystopische ’toekomst’. George Orwell draaide toen hij in 1948 zijn beroemde roman schreef de laatste twee cijfers van dat jaartal om. Mogelijk dateerde hij zijn dystopie 1984 daarmee te vroeg. Gevleugelde begrippen uit de roman, die door Michael Radford in het titeljaar verfilmd werd, winnen nog altijd aan zeggingskracht. Zo is onze huidige corona-app een voorbeeld van hoe een alom aanwezige overheid middels de modernste technologie ons overal kan volgen om onze persoonlijke gegevens in kaart te brengen: ‘Big Brother is watching you’. Het laat zien hoe toekomstvisioenen uit het verleden een blijvend instrument kunnen zijn bij het begrijpen van onze dagelijkse werkelijkheid.

Inmiddels zijn we nog maar vijf jaar verwijderd van het jaar 2026, dat als toekomstjaar het decor vormde van Fritz Langs Metropolis. Dat toekomstjaar werd verkregen door al even simpel een eeuw op te tellen bij het jaar van productie van de film (1926). Maar ook de strikte scheiding tussen de maatschappelijke klassen in een hoogtechnologische, gedehumaniseerde maatschappij, zoals Fritz Lang en co-scenarist Thea von Harbou ons voorschotelde, kan nog altijd als een tot nadenken stemmend referentiepunt dienen.

Films als Metropolis stammen uit een tijd waarin het medium film aan grote veranderingen onderhevig was. Al snel na het verschijnen van deze monumentale zwijgende film zou de geluidsfilm (talkie) zich aandienen. De jaren twintig van de vorige eeuw onderscheidden zich sowieso al van het voorafgaande decennium door het toenemend gebruik van bewegende camera’s. Bovendien maakten decorbouw en gebruik van special effects stormachtige ontwikkelingen door.

Kijkend naar de grotere, geopolitieke wereld van toen kunnen we het eeuwfeest vieren van het zogeheten interbellum (1918-1939). Dat tijdperk geldt als een periode van vrede in een tijd dat oorlog de norm was. Het einde van de Eerste Wereldoorlog met het Duitsland aan banden leggende Verdrag van Versailles, de economische recessies en het opkomend fascisme in Europa droegen tezamen de kiem van de Tweede Wereldoorlog reeds in zich. Het was een tijd waarin je zou verwachten dat films die een nieuwe wereldoorlog voorspelden met grote regelmaat de bioscopen aandeden. Maar opmerkelijk genoeg bestaan er slechts twee van dergelijke films: High Treason uit 1929 van de Britse regisseur Maurice Elvey en het eveneens Britse Things to Come uit 1936 van William Cameron Menzies.

High Treason

High Treason

Beeldtelefonie en Kanaaltunnel
High Treason is een vrije adaptatie van een toneelstuk van Noel Pemberton-Billing, gebaseerd op een scenario van L’Estrange Fawcett. De film, die destijds zowel in een zwijgende als geluidsversie werd vervaardigd, opent met een grensincident tussen twee grote mogendheden in het toekomstjaar 1940 (1950 in sommige versies van de film). Tegenover elkaar staan het Rijk van de Atlantische Staten (Zuid-Amerika, grootste deel Noord-Amerika, Japan en China) en de Federatie van Europese Staten (plus de rest van de wereld). Duitsland en de Sovjet-Unie schijnen in de film niet te bestaan.

De opdeling van de wereld volgens High Treason vertoont dus maar weinig overeenkomsten met de geopolitieke realiteit van het productiejaar 1929 en het toen nog toekomstige 1940. Nog minder aan de werkelijkheid ontleend, is de zogeheten World League of Peace, een miljoenen leden tellende vredesbeweging die in de film als derde machtsblok fungeert en als bemiddelaar optreedt als het grensincident escaleert en een wereldoorlog onafwendbaar lijkt.

Toch wordt High Treason door filmcritici nog altijd geprezen om zijn visionaire kwaliteiten. Het min of meer juist voorspellen van het jaar waarin een tweede wereldoorlog (bijna) uitbreekt (die oorlog wordt in de film op het allerlaatst nog afgewend), is niet het enige dat daartoe heeft bijgedragen. Ook wordt er in de film gebruik gemaakt van een vorm van beeldtelefonie en is er reeds sprake van een Kanaaltunnel die Engeland met het vasteland van Europa verbindt.

Vredesbommen
De Amerikaan William Cameron Menzies regisseerde de Britse productie Things to Come uit 1936. Maar meestal wordt de vermaarde Britse sciencefictionschrijver Herbert George Wells (vooral bekend met zijn voorletters H.G.) aangemerkt als de geestelijk vader van de film. Anders dan bij films die eveneens op boeken van hem gebaseerd zijn The Invisible Man (1933), The War of the Worlds (1953) en The Time Machine (1960) schreef Wells voor de verfilming van zijn roman The Shape of Thing to Come tevens het scenario. Met het boek én het scenario had de schrijver serieuze bedoelingen. Wells maakte zich zorgen over het in de periode tussen de wereldoorlogen door economische crises geteisterde Europa en schetste zijn toekomstvisie om het publiek wakker te schudden.

Things to Come

Things to Come

In Things to Come krijgt Everytown, een fictieve stad die doet denken aan Londen, rond kerstmis 1940 een luchtaanval van een ongeïdentificeerde vijandelijke macht te verduren. Het markeert het begin van een nieuwe wereldoorlog. Voor wat betreft het werkelijke begin van de Tweede Wereldoorlog zat Wells er maar vijftien maanden naast. De echte Duitse luchtaanval op Londen voorspelde hij zelfs minder dan een half jaar te laat.

Anders dan in High Treason wordt de nieuwe wereldoorlog niet op het laatst nog afgewend. Aan die eenmaal ontketende oorlog lijkt in Things to Come zelfs maar geen einde te komen. Die duurt maar liefst dertig jaar, tot aan het toekomstjaar 1970. In 1970 vestigt ‘Wings over the World’, een vredesbeweging van verheven piloten die even onbestaanbaar is als ‘The World League of Peace’ in High Treason, de nieuwe wereldorde door zogeheten vredesbommen te werpen. Die verspreiden een gas dat oorlogszuchtigen tijdelijk in een weldadig slaapje sust, waarna ze zich van hun agressieve aanvechtingen niets meer herinneren.

Zoals gezegd zijn de twee hier summier besproken films (ze zullen later opnieuw tegen het licht worden gehouden) de enige twee sciencefictionfilms uit het interbellum die een nieuwe wereldoorlog voorspelden en dat zelfs op een redelijk korte termijn deden. Het valt echter te bezien in hoeverre ze zich wezenlijk onderscheidden van de andere sciencefictionfilms uit dat tijdperk (die aan bod komen in deel 2 van dit essay).

Wat was voorts de invloed van het idealistische pacifisme op films uit die tijd? En gold er in de internationale filmwereld censuur die films met een realistische oorlogsverwachting verbood (deel 3)? Deze vragen moeten we eerst beantwoorden alvorens de twee ogenschijnlijke witte raven in het juiste kleurenpalet te plaatsen (deel 4).

 

23 januari 2021

 
Deel 2: Dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors

Deel 3: Pacifistische boodschappen en nazicensuur

Deel 4 (slot): Uitzonderingen die de regel bevestigen
 
 
ALLE ESSAYS

Bovennatuurlijke wezens in IJslandse films – Deel 1: Elfen

Bovennatuurlijke wezens in IJslandse films (deel 1):
Elfen streven naar rechtvaardige wereld

door Maaike Mulder

In oude verhalen lees je regelmatig over elfen, trollen, dwergen en spoken. De IJslandse cinema staat bol van verwijzingen naar bovennatuurlijke wezens. In het eerste deel van dit tweeluik aandacht voor elfen. Elfen streven naar een rechtvaardige wereld en bieden ontsnapping naar een droomwereld. Maar dat is nog lang niet alles!

Het geloof in elfen, trollen, dwergen en spoken was vroeger meer algemeen dan vandaag de dag. De oude saga’s, mythen en sprookjes kennen deze bovennatuurlijke wezens al eeuwenlang. Toch komen we ze ook in de jongere literatuur nog regelmatig tegen. Niet alleen in IJsland en de Scandinavische landen, maar in heel de (westerse) wereld. Een schrijver als Tolkien (The Hobbit en The Lord of the Rings) heeft zijn elfen, dwergen en trollen voornamelijk aan de oude Scandinavische verhalen ontleend. En veel van de magische wezens bij J.K. Rowling (Harry Potter) zijn óf uit de Griekse mythologie óf uit de Britse en Scandinavische folklore voortgekomen.

Aangezien films hun motieven en verhaallijnen vaak ontlenen aan oude verhalen, of directe verfilmingen zijn van boeken, zullen we deze bovennatuurlijke wezens dus ook in films aantreffen. Wie de films van Harry Potter of van The Lord of the Rings heeft gezien, is al min of meer vertrouwd met de aanwezigheid van zulke wezens in de film.

Huldufólk 102

Huldufólk 102: Verhalen over ‘de parallelle wereld’.

Het verborgen volk
In IJsland gelooft volgens recent onderzoek nog steeds het overgrote deel van de bevolking in het bestaan van bovennatuurlijke wezens of houdt het in ieder geval voor mogelijk dat ze bestaan. Slechts 10% van de mensen geeft aan er beslist niet in te geloven.

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er juist in IJsland een documentaire over ‘het verborgen volk’ is gemaakt, genaamd Huldufólk 102. Deze begint met:There is no doubt in my mind anymore that there are two nations living in this country: the Icelandic nation and this invisible nation.” En iets later wordt deze ‘invisible nation’ aangeduid als the parallel world.

In deze documentaire uit 2006 vertellen mensen hoe de bewoners van ‘de parallelle wereld’ in de afgelopen jaren van zich hebben laten horen.

Een mooi voorbeeld is een voorval dat zich in Kópavogur heeft afgespeeld. Er was een weg gepland waarlangs huizen zouden worden gebouwd. Maar een groep stenen stond in de weg: volgens sommigen woonden daarin elfen. Er werd een petitie aan de gemeenteraad aangeboden met het verzoek een bocht in de weg te leggen en de stenen niet te verwijderen, zodat de elfen niet gestoord zouden worden. Dat verzoek werd ingewilligd. Tussen de huisnummers 100 en 104 maakt de weg nu een bocht en de hoop stenen die daar ligt, heeft als adres Álfhólsvegur nr. 102.

Een ander voorbeeld: In 2013 heeft het IJslandse Hooggerechtshof de plannen voor de aanleg van een weg afgekeurd, omdat door deze weg een elfenkerk verwoest zou worden. Na overleg is de weg op die plaats versmald en de elfenkerk iets verplaatst. Zowel mensen als elfen waren tevreden.

Elfen (álfar of huldufólk) zijn de meest voorkomende wezens van de andere wereld. Zij wonen in stapels stenen of rotsen, die dan elfenstenen worden genoemd. Deze stenen geven toegang tot een andere dimensie, die slechts weinig mensen kunnen waarnemen en waar slechts een enkeling toegang toe heeft. De elfen kunnen heel oud worden en zijn over het algemeen hulpvaardig tegenover mensen. Als ze echter worden dwarsgezeten of van hun woningen worden beroofd, kunnen ze ook boosaardig zijn. Ze kunnen dan schade toebrengen aan gebruiksvoorwerpen (aan een ploeg bijvoorbeeld), ze kunnen dieren en mensen ziek maken of zelfs hun dood veroorzaken. En soms stelen ze een pasgeboren kind, waarvoor dan een eigen kind in de plaats gelegd wordt (een zogenaamd wisselkind).

Ik bespreek vier films waarin elfen een min of meer prominente rol spelen.

Sóley
De arthousefilm Sóley (The Hidden People of the Shadowy Rocks, 1982) is geschreven en geregisseerd door de avantgardistische kunstenaar Róska, samen met haar man, de Italiaan Manrico Pavelottino. Het is de eerste speelfilm van een vrouw in IJsland. Róska (1940-1996) was niet alleen kunstenaar, maar ook politiek actief, streed voor een rechtvaardiger samenleving en was een overtuigd communist. Ze streed in haar werk voor de positie van de vrouw en voor een rechtvaardige behandeling van de sociaal minder bedeelden. Haar ideeën waren destijds controversieel in IJsland.

Sóley

Sóley: De elfen staan symbool voor een vrije en rechtvaardige wereld.

Róska’s film speelt in de 18e eeuw op het IJslandse platteland. De (Deense) kerk eist veel belasting van de arme keuterboertjes en als die beweren dat ze geen geld hebben, stuurt de dominee zijn mannen naar de boerderijtjes en die nemen mee wat ze aan kostbaarheden kunnen vinden. En als er geen kostbaarheden zijn, nemen ze de paarden mee. Ondertussen houdt de dominee in de kerk donderpreken: dienstmeisjes die zich net zo willen kleden als hun mevrouw, knechten die denken zich te kunnen gedragen als hun heer, mensen die in het bestaan van elfen geloven – allen wacht de eeuwige verdoemenis.

Thor (Rúnar Guðbrandsson), een boerenzoon, is vier van zijn paarden kwijt. Paarden staan voor vrijheid. Thor gaat op zoek naar de dieren en passeert de rotsen, waarna hij in het land komt waar de elfen wonen. Men heeft hem geleerd dat deze elfen, die altijd een dolk in hun hand hebben, wreed zijn en dat zij de mensen bestelen. Maar dan ontmoet hij Sóley (Tina Hagedorn Olsen), een jonge elfenvrouw, die helemaal niet wreed is, maar vriendelijk, en die hem helpt bij zijn zoektocht naar de paarden.

Hij raakt in de ban van deze geweldige jonge vrouw en brengt enkele maanden met haar door in de elfengemeenschap. Sóley heeft een directe band met de natuur: haar geloof is gevestigd in de aarde en de rotsen, zij spreekt met het water als een vriend en ze beheerst de kracht van het vuur. Van haar leert Thor de gewoonten van haar volk en zij legt hem uit waarom de elfen altijd in het donker opereren: net als de trollen zullen ze verstenen als er licht op hen schijnt. Ze vertelt hem ook dat de elfen alleen stelen van de rijken en niet van de armen, omdat de menselijke samenleving zo onrechtvaardig is.

De film eindigt tijdens de langste nacht van het jaar, de midwinternacht. Dan komen de elfen op paarden en met brandende toortsen in hun handen de nachtkerkdienst verstoren. Niemand luistert meer naar de dominee, iedereen is in de ban van de elfen die symbool staan voor een vrije en rechtvaardiger wereld. Sóley neemt afscheid van Thor, die zijn paarden inmiddels terug heeft, en belooft hem dat ze hun zoon waarvan ze zwanger is, op zesjarige leeftijd naar hem toe zal sturen.

Helaas is het negatief van Sóley verloren gegaan. In 2019 hebben twee IJslandse kunstenaars de film ‘gerestaureerd’ en gedigitaliseerd op basis van enkele slechte kopieën.

Kristnihald undir jökli
Kristnihald undir jökli (Under the Glacier, 1982) is een verfilming door Guðny Halldórsdóttir van de gelijknamige roman van haar vader, Halldór Laxness, die in het Nederlands is vertaald als Aan de voet van de gletsjer. Het boek – geschreven in 1968, de tijd van de flowerpower – vertelt een kostelijk absurdistisch verhaal dat je kunt zien als een satire op elk soort geloof: christendom, boeddhisme, geloof in de bovennatuurlijke krachten van de vulkaan, de gletsjer en bovennatuurlijke wezens. Of dat laatste misschien toch niet?

Kristnihald undir jökli

Kristnihald undir jökli: De elfen scheppen een droomwereld, die een ontsnapping uit de alledaagse werkelijkheid biedt.

Het verhaal speelt zich af in een klein dorpje aan de voet van de vulkaan en de gletsjer op het uiterst westelijke puntje van het schiereiland Snæfellsnes. De dochter volgt het boek van haar vader heel trouw; veel van zijn dialogen kan zij zo in de film gebruiken. De hoofdpersoon is de jonge, pas afgestudeerde theoloog Umbi, de afkorting van umboðsmaður biskups (afgevaardigde van de bisschop). Hij doet namens de bisschop onderzoek naar de kerkelijke gemeenschap in dit dorp waar de kerk is dichtgetimmerd, de dominee zijn brood verdient met paarden beslaan en primussen repareren, waar kinderen niet gedoopt worden, waar lijken niet worden begraven en waar men aan de gletsjer bovennatuurlijke krachten toekent.

Umbi (Sigurður Sigurjónsson: Hrútur (Rams, 2015), Undir trénu (Under the Tree, 2017)) maakt kennis met een bijzondere verzameling mensen waaronder de dominee (Baldvin Halldsórsson) die zijn eigen utopische versie van het geloof uitdraagt, zijn huishoudster (Kristbjörg Kjeld), die Umbi op een dieet van koffie en taarten zet, de ouderling met zijn eigen gezonde boerenlogica en de mysterieuze vriend en zakenman, professor Góðman Sýngmann, die na jarenlange afwezigheid net nu terugkeert om enkele mysterieuze experimenten in de gletsjer te doen. In opdracht van de bisschop neemt Umbi alle gesprekken op een bandrecorder op. Die kan de bisschop dan later afluisteren.

De dominee is dertig jaar geleden getrouwd geweest met Úa, die kort na haar huwelijk is ‘overgenomen’ door zijn vriend Góðman. Úa (Margrét Helga Jóhannsdóttir) heeft de professor trouwens ook weer verlaten en heeft een turbulent leven geleid, zoals Umbi later hoort, waarin ze onder meer bordeelhoudster in Zuid-Amerika en non in een Spaans klooster is geweest. De dominee beschrijft haar als een van die mysterieuze vrouwen uit het zuiden van wie je niet kunt zeggen of ze luchtgeesten of aardbewoners zijn. Deze vrouwen worden nooit oud, ze blijken een soort koninginnen die de mensen volledig in hun ban hebben; ze wassen zich nooit want zijn altijd rein, ze lezen nooit een boek want weten alles wat er te weten valt, ze eten nooit want zijn altijd verzadigd, en bovendien hebben ze geen slaap nodig.

Tijdens Umbi´s verblijf in het dorp arriveert Úa en hij raakt onmiddellijk volledig in de ban van deze bijzondere vrouw. Hoewel hij eigenlijk terug zou moeten om de bisschop verslag uit te brengen, blijft hij in het dorp. Alle besef van tijd is verdwenen. Door Úa leert Umbi het mysterie van de liefde kennen. Hij is bereid met deze ‘godin’ naar het einde van de wereld te trekken! Aan het einde van de film vertrekken ze inderdaad samen, maar of ze het einde van de wereld halen?

Zowel boek als film zijn bestemd voor de fijnproever, die er van het eerste tot het laatste moment van zal genieten.

Mávahlátur
Mávahlátur (The Seagull´s Laughter, 2001) is een verfilming door Ágúst Guðmundsson van de gelijknamige roman van Kristín Marja Baldursdóttir die in het Nederlands is vertaald als De lach van de meeuw (1995). Het boek, en dus ook de film, geeft een beeld van de jaren ’50 in Hafnarfjörður, toen nog een vissersdorp, nu inmiddels een voorstad van Reykjavik. Het is de periode vlak na de oorlog waarin het land een enorme omwenteling doormaakt. Door de aanwezigheid van de Amerikanen tijdens en na de oorlog, maken de IJslanders kennis met de ‘moderne’ wereld van cola, kauwgum, lippenstift, nylons en rock-‘n-roll.

Mávahlátur

Mávahlátur: De elfen bestraffen onrecht dat hen is aangedaan.

Deze moderne wereld doet in het dorp zijn intrede via Freyja (Margrét Vilhjálmsdóttir), een mondaine jonge vrouw die getrouwd is geweest met een Amerikaanse officier. Na de oorlog is zij met hem naar Amerika vertrokken, maar nu keert ze terug naar IJsland omdat hij is overleden. Maakt ze een grapje als ze zegt dat ze hem vermoord heeft? Ze trekt in bij haar oudtante Juliana (Kristbjörg Kjeld). De man van Juliana is visser en bijna nooit thuis. Alle gebeurtenissen spelen zich dan ook af rond de vrouwen in het huis: Juliana, haar twee dochters, een schoonzuster, kleindochter Agga, en nu dan ook nog deze nicht Freyja.

Het hele verhaal wordt verteld door de ogen van Agga (Ugla Egilsdóttir: maakt later deel uit van comedygroep Mid-Iceland) die uiterst nieuwsgierig is, iedereen afluistert, kasten en laden doorzoekt en brieven van anderen open maakt. Agga vertrouwt Freyja niet. Is ze een incarnatie van de godin Freya? Is ze een lid van de elfenfamilie die in de rotsen buiten het dorp woont? Of is ze alleen maar een vrouw met boze ogen, een soort wraakgodin, een moordenares wellicht?

Freyja voelt zich niet thuis in het bekrompen, koude en donkere IJsland. En op de momenten dat het haar allemaal teveel is, gaat ze naar de rotsen om daar de elfen te bezoeken. Al in het begin van de film zien we haar via een spleet bij een groep rotsen naar binnen gaan en als ze binnen is, bewegen de rotsen alsof ze haar welkom heten. Agga volgt haar tot vlakbij de rotsen, maar is niet in staat haar naar binnen te volgen. Als ze haar oma vertelt dat Freyja de elfen bezoekt, blijkt deze dat de gewoonste zaak van de wereld te vinden.

Als er in het dorp een toneelstuk over elfen opgevoerd zal worden, lijkt Freyja de aangewezen persoon voor de rol van de elfenkoningin, maar door de intriges van een jaloerse mededingster wordt deze rol haar niet gegund. Dat is niet erg, zegt Freyja: zij speelt dan wel niet de elfenkoningin, zij is de elfenkoningin.

Op een gegeven moment hoort Freyja dat haar vriendin door haar man wordt mishandeld. Ze haalt haar en de kinderen uit het huis. Die nacht, als de man alleen thuis is, brandt het huis op raadselachtige wijze af. Haar vriendin is weduwe geworden. Agga vermoedt, nee, weet zeker, dat Freyja hier de hand in heeft gehad. Zij vertelt aan Magnus, een bevriende agent, wat ze weet, namelijk dat Freyja die nacht een fles spiritus en lucifers heeft meegenomen toen ze een wandeling ging maken. Magnus (Hilmir Snær Guðnason) gelooft haar niet en lacht haar uit.

Freyja brengt het hart van alle mannen op hol, ook dat van Magnus. Maar een agent is Freyja te min. Ze laat haar oog vallen op Björn, de knapste (en rijkste) man van het dorp, en deze vraagt haar dan ook ten huwelijk. Als het huwelijk na enige tijd spaak loopt omdat de man vreemdgaat, keert Freyja weer terug naar het huis van Juliana. Als een dronken Björn daar aanbelt en zijn vrouw opeist, nemen de vrouwen wraak. Freyja slaat haar man met de bronzen vlaggenstandaard van de IJslandse tafelvlag op zijn hoofd. Dat overleeft hij niet. Haar tweede (of derde?) moord, volgens Agga.

De politie doet onderzoek naar de toedracht van deze plotselinge dood, maar de vrouwen staan als één man achter Freyja en ze beweren dat Björn van de trap is gevallen. Als Agga aan Magnus het ware verhaal vertelt, wordt ze aanvankelijk weer niet geloofd. Maar als Magnus na enige tijd dan toch de mogelijkheid van moord overweegt en haar duidelijk maakt dat in dat geval alle vrouwen naar de gevangenis zullen gaan, krabbelt ze terug en zegt dat ze alleen maar wat heeft verzonnen, omdat ze zo´n hekel aan Freyja heeft. En dus komt de ‘elfenkoningin’ Freyja ook met deze moord weg.

Sumarlandið
De komische film Sumarlandið (Summerland, 2010), geschreven en geregisseerd door Grímur Hákonarson, is uitsluitend in IJsland vertoond. Het verhaal speelt in Kópavogur, een buitenwijk van Reykjavik, die sterk geassocieerd wordt met de verhalen over elfen. Het is de plaats waar, zoals we boven gezien hebben, een weg moest worden omgelegd vanwege een elfensteen. De naam Sumarlandið verwijst naar de wereld waar de geesten na hun dood zullen vertoeven (een soort hemel dus).

Sumarlandið

Sumarlandið: De elfen maken ons duidelijk dat de waarde van de ‘natuurlijke’ wereld en haar bewoners niet in geld is uit te drukken.

In de tuin van Óskar (Kjartan Guðjónsson) staat een elfensteen die door Lára elke dag wordt verzorgd en waarbij ze kaarsjes brandt en bloemen neerlegt. Lára is een medium: ze heeft contact met geesten van overledenen en met de elfen die in de steen wonen. Óskar, die volstrekt niet in geesten en elven gelooft, is werkzaam in de toeristenindustrie. Hij heeft een busje waarmee hij toeristen een sightseeing-tour biedt en ondertussen ter vermaak mooie verhalen over elfen en trollen vertelt. Het echtpaar heeft twee kinderen: een zoon die net als zijn moeder in het bestaan van de elfen gelooft en een dochter die er net als haar vader volstrekt niets van moet hebben.

De toeristenbusiness gaat slecht en het gezin dreigt failliet te gaan. Op een dag arriveert een Duitse handelaar die Óskar 50.000 euro voor de elfensteen biedt. Óskar accepteert het bod en de dreiging van een faillissement is afgewend. Hij kan nu zelfs een breedbeeld-tv kopen! De steen wordt weggetakeld en verhuist naar Duitsland. Lára is woedend omdat Óskar haar en haar contact met de elfen blijkbaar niet serieus neemt. De elfen zijn inmiddels naar een andere steen verhuisd, maar ze nemen wraak: de zoon van Lára en Óskar is verdwenen en Lára raakt in coma. Óskar krijgt enorme spijt van zijn daad.

Als de gemeente enige tijd later de ‘nieuwe’ elfensteen voor een flink bedrag wil verkopen, is er een breed protest van de bevolking. Ook Óskar protesteert en hij gaat voor de steen staan die door een bulldozer zal worden weggetild. De remmen van de bulldozer weigeren en Óskar wordt verpletterd. Tijdens de begrafenis van Óskar zegt de priester: “Deze vreselijke gebeurtenis zal de IJslanders lang heugen. We moeten erkennen dat we niet alleen leven in dit land. We moeten de wereld van de natuur met liefde en respect behandelen en deze niet verkwanselen voor geldelijk gewin. Óskar die zijn idealen met zijn leven heeft betaald, moet een voorbeeld zijn voor ons allen.

Dit lijkt inderdaad de serieuze boodschap van deze film uit 2010 (twee jaar na de bankencrisis!): IJsland, blijf jezelf en verkoop je niet aan wie dan ook. Niet aan de toeristen die de natuur en de natuurwezens niet het vereiste respect betonen en ook niet aan grote ondernemingen die gretig azen op de delfstoffen die in je bodem te vinden zijn.

Conclusies
De elfengemeenschap streeft naar een rechtvaardige wereld waarin ieder wezen wordt gerespecteerd (Sóley en Sumarlandið), en ze neemt op hardvochtige wijze wraak als er iemand of iets onrecht wordt aangedaan (Mávahlátur en Sumarlandið).

De elfenvrouwen zijn heel bijzondere wezens. Soms leven ze gewoon in de mensenwereld zonder dat men weet dat zij elf zijn (Mávahlátur en Kristnihald). Zij oefenen een grote aantrekkingskracht uit op mannen (Sóley, Mávahlátur en Kristnihald) en ze beschikken over bijzondere eigenschappen: ze kunnen spelen met tijd en ruimte, ze hebben macht over de elementen en ze verouderen niet (Sóley en Kristnihald).

Er zit 30 jaar tussen de eerste en de laatste van de films. Zowel in de eerste film (Sóley) als in de laatste (Sumarlandið) strijden de elfen voor een rechtvaardiger wereld. In de eerste film is de vijand die bestreden moet worden de sociale ongelijkheid, die door de kerk in stand wordt gehouden. In de laatste film is het de hebzucht van de mens die geen waarde hecht aan de natuur en de eigenheid van het land.

En de andere twee films? In Mávahlátur strijdt de elfenkoningin Freyja op haar manier (door haar wraakacties) ook voor een rechtvaardiger samenleving. En in Kristnihald tenslotte schept Úa, net als Sóley in de gelijknamige film, een droomwereld die toegankelijk is voor ieder die aan de grauwe werkelijkheid van alledag wil ontsnappen.

‘Streven naar een rechtvaardige wereld’ en ‘ontsnapping bieden naar een droomwereld’ lijken tot de kerntaken van de elfen te behoren. In onze tijd heeft de milieuproblematiek het streven naar een rechtvaardige wereld uitgebreid met: ‘bescherming van de natuur en al wat daarin leeft’.

 

Maaike Mulder was docent taalkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na haar pensioen heeft ze zich toegelegd op de studie van de IJslandse taal en cultuur. Geïnteresseerden in de IJslandse filmgeschiedenis kunnen terecht op haar website www.talengek.nl.

 

10 januari 2021

 

Deel 2: Trollen, spoken, dwergen en zeemeerminnen

 
ALLE ESSAYS

Staak het bepleiten van disclaimers bij films en televisieseries

Staak het bepleiten van disclaimers bij films en televisieseries!

door Tim Bouwhuis

Netflix is het Nieuwe Roken, dus kom met disclaimers”. De kop van dit opiniestuk, dat op 8 december gepubliceerd werd door de Volkskrant, deed me beslissen om tóch een discussiestuk te publiceren over wat mijns inziens een non-discussie zou moeten zijn. Steeds vaker klinkt in het kunst- en medialandschap de surreëel aandoende roep om oude en nieuwe films en series zorgvuldig te gaan etiketteren.

Het opiniestuk in de Volkskrant volgde naar aanleiding van het vierde seizoen van royaltyserie The Crown (2016-heden), dat op 15 november 2020 in première ging op Netflix. Jacqueline Kleijer haakt in haar bijdrage in op een oproep van Oliver Dowden, de Britse minister van Cultuur, om via disclaimers te gaan benadrukken dat het hier een ‘fictionele representatie’ van het koningshuis betreft. Binnen een mum van tijd was de oproep verheven van nieuwsfeit tot discussie, te meer omdat Netflix op 5 december reageerde dat de gevraagde disclaimers er voorlopig niet gingen komen.

The Crown seizoen 4

Kunst voor een koninklijk publiek
In het geval van The Crown compliceren de hoofdpersonen van de serie op voorhand in bijkomende mate de argumenten die op tafel worden gelegd. Aangezien leden en vertrouwelingen van de koninklijke familie meekijken, al dan niet naar verluidt, is de vraag in dit geval niet alleen hoe ver je kunt gaan in het uitspelen van de dialoog tussen waarheid en fictie, maar ook wie de macht (mogen) hebben om machtige mensen te representeren. De getroebleerde weergave van het huwelijk tussen prins Charles (Josh O’Connor) en prinses Diana (Emma Corrin) gaat verder dan mogelijke discussies over smaad en representatie. Zéker Diana neemt een speciale plaats in binnen het collectieve (Britse) geheugen. Omdat zij er plots niet meer was om haar eigen beeld te bepalen, laat staan te herkennen. De doden praten niet meer terug; Diana’s broer daarentegen, Charles Spencer, schaarde zich achter de oproep van Dowden. Ook prins William, de oudste zoon van het stel, zou ontstemd zijn.

Laat de kwestie van wie er gerepresenteerd worden míjn disclaimer zijn, voor ik overga op mijn problemen met de suggestie van disclaimers op Netflix. De mensen die centraal staan in een film of serie mogen op zichzelf nooit de doorslaggevende reden zijn om hun representatie in te kaderen dan wel te censureren. Wat mij betreft is dat namelijk het belangrijkste dat opvalt aan de discussie zoals die nu door internationale en landelijke media gekaderd en ingekleurd wordt: telkens opnieuw wordt benadrukt dat het hier gaat om een vervaagde lijn tussen feit en fictie, ingegeven door de initiële status (en duidelijk gearticuleerde makersintentie) van The Crown als een overwegend ingelichte en doordachte royaltyserie. Kijkers zouden in een tijdperk van ‘fake news’ en misinformatie ‘de waarheid’ over het gerepresenteerde niet meer kunnen onderscheiden.

In die gretig verspreide zorg om ‘de kijker’, die kennelijk stelselmatig dommer wordt geacht dan de gemiddelde vertegenwoordiger van een nieuws- of mediaconcern, ontbreekt vrijwel altijd één cruciale noemer: het gewicht, de invloed, de draagkracht en het eventuele motief van de uitspraken en/of de spreker die de wens van een disclaimer naar voren brengt. Was er een mediadebat geweest zonder de oproep van de belangrijkste cultuurvertegenwoordiger binnen de Britse overheid? En waar hadden we gestaan als er geen sprake was geweest van kritische kijkers binnen en nabij de koninklijke familie, en we onze pijlen daarentegen hadden gericht op, pak ‘m beet, de door History Channel uitgezonden serie Vikings (2013-heden)?

De perfecte paradox van fictie
Het belangrijkste argument in de ‘discussie’ over het al dan niet toevoegen van disclaimers zou in mijn ogen altijd voor zichzelf moeten (blijven) spreken. Ik verwees er impliciet al naar toen ik ‘fictionele representatie’ in de eerste alinea van de hoofdtekst tussen aanhalingstekens plaatste. ‘Fictionele’ is een pleonasme, een eigenschap die de term representatie van zichzelf al bezit. Kunst is nooit neutraal of objectief; dat is wat kunst kunst maakt, en dat is waarom het bekijken ervan zo mooi en fascinerend kan zijn. Kunst herbergt beslist hogere waarheden, maar die waarheden komen altijd tot ons via de interpretaties van makers en de ogen van kijkers. Het is de perfecte paradox van fictie. Ook documentaires ontsnappen niet aan de blik van het subjectieve individu. De oprechte intentie om via kunst de waarheid te vangen, is wel degelijk waardevol; daar hoeft niemand iets op af te dingen. Wordt deze intentie echter een obsessief doel op zich, dan is het project gedoemd te falen.

The Crown seizoen 4

Kijkers mógen dit weten, horen dit ook te weten. In mijn ogen weten ze dit negen van de tien keer ook. De woordvoerder van Netflix redeneert logisch en redelijk als hij stelt dat kijkers zullen ‘snappen dat het gaat om fictie gebaseerd op historische gebeurtenissen’. Let wel: er is geen bezwaar tegen dozijnen artikelen of zelfs boeken waarin The Crown naast de bekende realiteit wordt gelegd, zo lang de serie zelf maar onaangetast kan blijven bestaan in zijn originele en/of officiële distributiecontext. In het voorafgaande schrijf ik met klem ‘bekende realiteit’, omdat de fictionele vrijheden die de makers zich veroorloven mij persoonlijk juist fascineren, ook als afgestudeerd (aspirant-)historicus. De (in machtscontexten extra zwaarwegende) scheiding tussen publiek en privaat maakt dat de gewone burger, u of ik, sowieso niet met de illusie kan rondlopen dat er een volledig transparant beeld van het Britse koningshuis te schetsen valt. Met die onzekerheid moeten we leven. Dat is geen reden tot angst of paniek, zoals zelfbenoemde hoeders van de (gerepresenteerde) waarheid steeds vaker lijken te betogen, maar een uitdaging om scherpere vragen te stellen over de mate waarin we kunst, en specifiek vermeende ‘leugenachtige’ kunst, zoal kunnen herkennen en beschouwen.

Over macht en waarheid
The Crown verafschuwen kan, bekritiseren ook. Graag zelfs. Dat voedt het gesprek over kunst, en dus over onszelf. Dat is iets anders dan een oproep tot het inkaderen van de kunstuiting zelf, een gevaarlijk voorportaal van censuur. We zouden zoveel beter moeten weten. Omdat kunst ook als beoogde ‘presentatie’ nooit volledig aan het rijk van ‘representatie’ kan ontsnappen, kunnen ook oproepen tot het inkaderen van kunst nooit neutraal zijn. Als schrijvers bij mediaconcerns en andere betrokkenen de geforceerde discussie rond het vierde seizoen van The Crown aangrijpen om het onvermijdelijk sturende gebruik van disclaimers aan te moedigen, heeft dat – bedoeld of onbedoeld – uiteindelijk meer te maken met macht dan met de zoektocht naar waarheid.

 

10 december 2020

 
ALLE ESSAYS

Wat The Shining niet laat zien

Kubrick versus King
Wat The Shining niet laat zien

door Alfred Bos

Op 30 oktober 1980 verscheen The Shining in de Nederlandse bioscoop, de film van Stanley Kubrick naar de roman van Stephen King. Cinema is een ander medium dan literatuur. Zit daar Kings probleem met de film van Kubrick of is er meer aan de hand?

The Shining is, zoals meer films van Stanley Kubrick, gebaseerd op een boek. Na Barry Lyndon, de film uit 1975 naar de roman van de negentiende-eeuwse Engelsman William Makepeace Thackeray, wilde Kubrick de archetypische griezelfilm maken, de gouden standaard voor het horrorgenre. Hij pakte een stapel boeken en koos voor de derde roman van een jonge Amerikaanse auteur, Stephen King.

The Shining

King was op dat moment al verfilmd (Carrie: boek 1974, Brian De Palma-film 1976) en zijn romans en verhalen zouden nadien nog talloze malen worden vertaald (hertaald) naar beeld; anno 2020 staat de teller op veertig. The Shining, boek én film, hebben sinds hun verschijning een reputatie verworven, maar de schrijver heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij geen bewonderaar van de film is. Dat nodigt uit om het boek te lezen en vervolgens de film – opnieuw – te zien.

Waarschuwing: spoilers!

Tussen boek en verfilming zit altijd spanning. Een tekst kun je woord voor woord en zin voor zin omzetten in een andere taal, maar een boek kun je niet een-op-een ‘vertalen’ in film. Cinema is een ander medium dan literatuur en de ‘vertaling’ is op zijn best een hertaling naar een ander medium. Schuilt daar Kings probleem met de film van Kubrick of is er meer aan de hand?

Het bovennatuurlijke en het buitennatuurlijke
Stephen King is er trots op een horrorauteur te zijn en The Shining staat in een lange traditie. De gothic novel (griezelroman) is sinds zijn ontstaan in de achttiende eeuw altijd populair gebleven, met pieken eind achttiende eeuw, rond 1900 en nu. King, met 350 miljoen verkochte boeken wellicht de meest gelezen auteur ter wereld, past in een lijst van klassieke auteurs die nog jaarlijks nieuwe lezers vinden: Mary Shelley (Frankenstein), Edgar Allen Poe (Tales of Mystery and Imagination), Joseph Sheridan Le Fanu (Carmilla), Arthur Machen (The Great God Pan), Bram Stoker (Dracula), M.R. James (Collected Ghost Stories), H.P. Lovecraft (At the Mountains of Madness). En dat zijn slechts de meest bekende namen. Horror is king en King is horror.

Ann Radcliffe, de schrijfster van de nog steeds gelezen gothic novels The Mysteries of Udolpho (1794) en The Italian (1797), maakt in een essay uit 1826 onderscheid tussen terror en horror. Terror staat voor het gevoel van dreigend onheil, het gaat vooraf aan de afschrikwekkende ervaring; tegenwoordig zouden we het suspense noemen. Horror is het gevoel van walging dat volgt op de afschrikwekkende ervaring.

H.P. Lovecraft, de reus van de weird fiction, ziet in zijn essay Supernatural Horror in Literature de angst voor het onbekende als de oudste en krachtigste emotie. Bij hem gaat de walging vooraf aan de afschrikwekkende ervaring: zijn horror valt samen met de terror. Niet alleen daarom is Lovecraft een buitenbeentje, hij creëerde een nieuwe griezelcategorie: kosmische horror en verboden kennis van zaken die niet boven, maar buiten de natuurlijke orde staan.

Levende heggenbeelden
Stephen King is, zoals vrijwel elke nog levende horror auteur, bewonderaar van Lovecraft. In The Shining (het boek) vinden we geen kosmische horror of verboden kennis, maar een scala van bovennatuurlijk fenomenen. King stelt in zijn essaybundel Danse Macabre dat horror de afwijking is van het normale, de routine. Dat is een echo van de Franse filosoof George Bataille, voor wie horror de extase is die het alledaagse transcendeert. En dat gaat weer terug op een idee uit de Romantiek: het sublieme als het ontzagwekkende. Of het groteske.

De griezelroman kent diverse variaties op het bovennatuurlijke. Ondoden staan de sterveling naar het leven: spoken of geesten, demonen (kwade geesten), vampiers; de zombie is een twintigste-eeuwse toevoeging met wortels in de voodoo van Haïti. Daarnaast is er het simulacrum (nabootsing) dat een eigen leven gaat leiden: het spiegelbeeld, de dubbelganger, schaduwen die loskomen, het beeld dat blijkt te leven, het portret dat uit de lijst stapt. En dan zijn er de monsters en de shapeshifters, wezens die van gestalte veranderen, zoals weerwolven.

The Shining

The Shining (het boek) gebruikt alle categorieën. Het gaat over een vader, Jack, een moeder, Wendy, en hun zoontje met bovennatuurlijke gaven, Danny, die verblijven in een afgelegen hotel in de Rocky Mountains. Ze zijn geïsoleerd, door sneeuwstormen afgesneden van de buitenwereld.

De setting is de oertroop van de gothic novel: het afgelegen kasteel (later: landhuis, hier: hotel) waar zich onbetamelijke en onverklaarbare zaken afspelen. Zoontje Danny beschikt over paranormale talenten, de shining: hij ‘ziet’ dingen en gedachten, en heeft een denkbeeldig vriendje, Tony; een dubbelganger, want Danny is Tony. Het hotel is een wespennest – en die metafoor is niet toevallig – van demonen die het op Danny hebben voorzien. Vader Jack is hun instrument, hij transformeert tot monster. Rond het hotel staat een haag van struiken die zijn gesnoeid in de vorm van leeuwen en honden. Ze komen tot leven en bedreigen de personages.

Verwijzingen naar traditie
King is zich ervan bewust in welke traditie hij schrijft. The Shining geeft diverse verwijzingen naar illustere voorgangers, via metaforen en directe referenties. Danny’s paranormale momenten – de termen hallucinaties of visioenen zijn te beperkt – worden beschreven in beeldspraak die is ontleend aan Lewis Carrolls Alice’s Adventures in Wonderland (door het konijnengat vallen) en Through the Looking-Glass (door de spiegel in een andere werkelijkheid stappen).

De setting is die uit de allereerste gothic novel, The Castle of Otranto (1764) van Horace Walpole: het afgelegen oord waar het spookt, en King verwijst naar schrijver en boek (pagina 168 van de geel gekafte filmeditie uit 1980). Er zijn expliciete referenties naar Shirley Jackson (pagina 281), de schrijfster van The Haunting of Hill House (1959), dat in 1963 door Robert Wise is verfilmd als The Haunting. Naar de Engelse auteur van spookverhalen en weird fiction, Algernon Blackwood (pagina 264); naar de gothic novel The Monk (1796) van Matthew Lewis (pagina 298); naar Treasure Island (1883) van Robert Louis Stevenson, de auteur van Strange Case of Dr Jeckyll and Mr Hyde, een roman over een gespleten persoonlijkheid (pagina 372); naar de Frankenstein-film uit 1931 van James Whale (pagina 327). En er zijn meerdere toespelingen op het verhaal The Masque of the Red Death van Edgar Allen Poe.

Het Overlook Hotel waar Danny, Jack en Wendy hun nachtmerrie beleven, is gesitueerd achter de spiegel van Lewis Carroll. Het is een oord waar de tijd anders functioneert, waar het verleden nog leeft en zich indringt in de werkelijkheid van nu. Waar de historie van het hotel, een litanie van liederlijkheid en misdaad, zich heeft verdicht tot destructieve kracht. Wanneer Jack er met vrouw en kind neerstrijkt, om het gesloten hotel tijdens het winterseizoen als huismeester te beheren, wacht hen een verrassing.

The Shining

Metaforen en monologue intérieur
Het boek van King is subtiel van psychologie. De ouders kunnen in het hotel niet aan hun verleden ontsnappen. Jack, kind van een alcoholische en gewelddadige vader, heeft zijn baan als onderwijzer verloren omdat hij een leerling heeft geslagen. Hij heeft de alcohol afgezworen en hoopt in de winterse afzondering zijn loopbaan als schrijver weer op te pakken. Hij werkt aan een toneelstuk dat zijn schoolincident spiegelt.

Wendy is bezorgd over haar huwelijk, over Jack, over haar zoontje Danny (wiens arm door Jack in een beschonken woedeaanval werd gebroken), maar vooral over zichzelf als moeder. Ze meent doorlopend dat ze tekortschiet, ze is emotioneel beschadigd door de eeuwige verwijten van háár moeder. Ze begint te beseffen dat ze haar moeder spiegelt.

Danny begrijpt zijn paranormale gaven niet en trekt zich terug in zichzelf wanneer zijn ouders ruziemaken en elkaar hun zwakheden verwijten; ze overwegen een scheiding. Als de spanning toeneemt, krijgt Danny een boodschap door: ‘redrum’, murder in spiegelbeeld.

Stephen King bouwt de psychologie van zijn personages en hun sluipende destabilisering secuur op. Hij gebruikt monologue intérieur en flashbacks om het innerlijk van de personages te schetsen. Dat innerlijke leven kan de film niet laten zien. De film toont de buitenkant, blijft aan het oppervlak.

Een voorbeeld van Kings aanpak: wanneer Jack het dak van het hotel repareert, vindt hij een wespennest. Hij rookt het uit en geeft het Danny cadeau; zelf heeft hij van zijn vader ooit een leeg wespennest gekregen. Maar het nest blijkt niet leeg en Danny wordt ’s nachts aangevallen. Het schijnbaar verlaten nest dat nog steeds actief is—het is een metafoor voor het Overlook Hotel. Het ontbreekt in de film.

Roman als matroesjka
Wat de film niet kan bieden en het boek wel: de zorgvuldige opgebouwde achtergrond van de personages en het spookhotel. Verleden en heden spiegelen, thema’s herhalen zich op verschillende niveaus. Het boek leest als een matroesjka, de Russische pop waarin een reeks kleinere en identieke poppen zit verstopt.

De roman is semi-autobiografisch. Stephen King deed de inspiratie op tijdens een vakantie in de herfst van 1974, toen hij en zijn vrouw de enige gasten waren in het Stanley Hotel in Colorado. Ze aten in een verlaten restaurant, net als Jack en Wendy in het boek. En hij dronk aan een lege bar, bediend door een barman genaamd Grady. Barman en Grady komen in het boek terug. Net als het romanpersonage Jack is King een ex-alcoholist die van zijn pen probeert te leven. Als kind is Kings arm gebroken door een agressieve vader. Het autobiografische element voegt een extra matroesjka toe: feit en fictie verstrengeld.

Het is het belangrijkste thema van The Shining: de kracht van verbeelding. Jack en Wendy creëren hun problemen door te piekeren, hun gedachten werpen blokkades op, worden obsessies die hun werkelijkheid vervormen. Danny’s paranormale gaven zijn zijn redding, maar hij begrijpt zijn talent niet. Fantasie is een tweesnijdend zwaard. Fictie heelt. En vernietigt.

The Shining

Labyrint
In het boek is Jack een getroebleerde, maar liefhebbende vader die door de kwalijke invloed van het hotel langzaam ontspoort. Stanley Kubrick heeft van hem een boeman gemaakt, het toonbeeld van wat tegenwoordige giftige mannelijkheid heet.

Spiegelt het boek het verleden in het heden van de personages, Kubricks film maakt handig gebruik van spiegels. Vroeg in de film zit Danny voor de spiegel van de badkamer, hij is zijn denkbeeldige vriendje Tony. Danny/Tony spreekt met een hoog stemmetje en beweegt zijn wijsvinger op en neer als Tony praat. (Steven Spielberg zag The Shining vijfentwintig keer en leende de wijsvinger voor E.T. the Extra-Terrestial: ‘phone home’.) Kubrick opent verschillende scènes met een spiegelbeeld, om vervolgens uit te zoomen.

De heggen die zijn gesnoeid als groene dieren, ontbreken in de film. Kubrick heeft ze vervangen door het labyrint, een klassieke troop van de gothic novel en een sterke vondst. Het doolhof bestaat uit groene heggen, als in het boek, en spiegelt de verwarring van de personages, zoals het boek innerlijk van de karakters en uiterlijk van de situatie spiegelt. In het hotel staat een maquette van het doolhof (simulacrum, een horrortroop) en we zien een droneshot – gemaakt toen er nog geen drones waren – van Wendy en Danny in het labyrint.

Het labyrint is de setting van de climax en daarin wijkt de film sterk – en volgens de auteur zelfs op cruciale wijze – af van het boek. Jack vriest dood in het doolhof, Wendy en Danny ontsnappen via de sneeuwmobiel, het hotel blijft leeg achter. Stephen King heeft het Overlook Hotel een ander einde toebedacht. Het hotel is inherent instabiel, de verwarmingsketel in de kelder is verouderd en moet dagelijks handmatig worden bijgesteld om oververhitting te voorkomen. Tijdens de climax van het boekverhaal explodeert de ketel en gaat het hotel – het wespennest – in vlammen op.

Vrieskist
Zoals Stephen King heeft opgemerkt: in het boek eindigt het hotel als een brandende hel, in de film als ijzige vrieskist. Je kunt je afvragen of Stanley Kubrick het boek heeft begrepen. Hij heeft het zeker gelezen, de filmdialogen komen uit de roman en veel details zijn verwerkt in het script. Maar Kubrick heeft weinig zicht op de psychologie van de boekpersonages.

Kubrick maakt van Jack een gestoorde bruut en verandert daarmee de motivatie van diens gedrag: in het boek komt het kwaad van buiten, niet uit Jack. Daardoor blijft de sinistere invloed van het hotel onduidelijk en is de film soms onbegrijpelijk. Ook maakt Kubrick van Tony, Danny’s denkbeeldige vriendje, een boze geest. Dat slaat nergens op en vertroebelt het verhaal.

Kings opmerking over de vrieskist versus de hel snijdt hout. The Shining van Stanley Kubrick is een kille, onbarmhartige film. De cinematografie is fraai, er zitten verschillende klassieke ‘Kubrick-shots’ in: Jack in de pantry, Wendy en Danny in het doolhof, de waterval van bloed. In de woorden van King: een prachtige auto zonder motor. Een esthetische film zonder hart.

Stephen King is gepokt en gemazeld in het genre van de griezelroman en kent diens rijke geschiedenis. Stanley Kurbick is een belezen regisseur, die ter voorbereiding van The Shining psychologische studies las. Bruno Bettelheims The Uses of Enchantment, een Freudiaanse uitleg van sprookjes, is geen Castle of Otranto. Hoe goed de film ook moge zijn, het boek is beter.

The Shining (40th Anniversary Extended Edition) draait sinds 28 oktober in de bioscoop.

 

29 oktober 2020

 
ALLE ESSAYS

Imagine 2020: Rampspoed

Imagine Film Festival 2020: 
Nature Strikes Back!

door Tim Bouwhuis

In deze crisistijd willen veel mensen liever geen zware films zien”, opperde een collega toen er richting de zomer nauwelijks publiek was voor een Russisch oorlogsdrama. Toch zijn de ogen van filmliefhebbers op het moment van schrijven unaniem gericht op Tenet, met trailerreferenties naar iets “ergers dan de Derde Wereldoorlog”. Ondertussen start in Amsterdam een hybride editie van het in april uitgestelde Imagine Film Festival.

De themareeks ‘Nature Strikes Back!’ besteedt met sprekende titels als Waterworld en Sea Fever aandacht aan projecties van ecologische doem en rampspoed. Waarom laten we ons eigenlijk nog overspoelen door filmische stromen van ellende terwijl de wereld zelf al lang in brand staat?

Eén van de mogelijke antwoorden op deze vraag ligt onmiskenbaar verscholen in een belangrijke paradox van het film kijken. Gaat iets goed, dan is het voor de meeste mensen niet langer interessant. We worden geprikkeld en vermaakt door gebeurtenissen en situaties die we zelf onder geen beding willen doorstaan. Ook mierzoete happy endings hebben hun status te danken aan de gedramatiseerde conflicten die er standaard aan vooraf gaan.

Waterworld (1995)

Waterworld (1995)

Fictie of realiteit?
Apocalyptische en post-apocalyptische producties zijn doorgaans gebaseerd op scenario’s die de levenservaring van veel (jonge) westerse kijkers ontstijgen. Bij een Apocalyps (‘onthulling’) van epische Hollywoodproporties denken we aan het oeuvre van Roland Emmerich (
Independence Day, 2012) of aan opgeklopte semi-Bijbelse pastiches van het niveau Left Behind (2014). Grinniken geblazen natuurlijk: dit hebben we niet meegemaakt, dit gaan we niet meemaken, en als de wereld al ten onder gaat, dan niet op déze manier. We isoleren de ficties en plaatsen ze in een ander hokje dan de wereld om ons heen. Totdat de films die we kijken die hokjes met geweld omver trappen.

Steven Soderberghs Contagion (2011), een filmische blauwdruk van een virusuitbraak op massaschaal, heeft zichzelf ergens dit voorjaar omgedoopt tot documentaire. De film nu herzien is niet intrigerend, maar eng. Pre-crime, een idee uit Steven Spielbergs Minority Report (2002), is al even geen sciencefiction meer. Ook Kubricks magnum opus 2001: A Space Odyssey (1968), een film over transhumanisme en het tijdperk van kunstmatige intelligentie, is welbeschouwd een apocalyptische film. Is er zonder einde wel een ‘dawn of man’, de cyclus die 2001 verbeeldt? Of willen we echt blijven geloven dat de mens tot in de eeuwigheid soeverein zal blijven over z’n eigen creaties?

Contagion (2011)

Contagion (2011)

Eco-calyps
Ook de eco-apocalyps is een onverminderd actueel onderwerp. Deel van de themareeks op Imagine is een online panel (dat al plaatsvindt op 28 augustus, red.) over de vraag hoe verbeelding kan worden ingezet om de klimaatcrisis te benaderen. Deze vraag naar verbeelding is de voorbije jaren steeds meer een schreeuw om nut en effect geworden. Films over eco-rampspoed moeten ons niet alleen informeren, maar ook activeren. Het verklaart direct waarom een essayistisch ingestoken documentaire als Planet of the Humans (Jeff Gibbs, 2019) zoveel ophef veroorzaakte. Verwarring en conflict staan actie in de weg, een verondersteld juiste manier van handelen. Films als Aquarela (Viktor Kosakovskiy, 2018) en Anthropocene: The Human Epoch (2018) werden op het Movies That Matter Festival zij aan zij gepresenteerd met talkshows en debatten in de geest van An Inconvenient Truth (2006, 2017).

Wat kan de mens concreet doen om zijn verantwoordelijkheid te nemen, en hoe verhoudt de verantwoordelijkheid van individuen zich tot het werk van ‘groene’ instituties en denktanks? Op de afgelopen editie van IDFA (International Documentary Festival Amsterdam) leidde de kritiek van een spreker op de functie van het World Economic Forum (naar aanleiding van Das Forum van Marcus Vetter) tot felle protesten uit de zaal.

In een dergelijk kruitvat zou je bijna vergeten dat waarschuwingen voor de gevaren van ‘global warming’ en klimaatverandering zeker al decennia teruggaan. Zo waarschuwde de VN zeker al in 1989 voor toekomstige rampspoed. Niet de koppen, maar de globale aandacht van publiek, politiek en media zijn aangescherpt.

In dat licht is cultklassieker Waterworld (Kevin Reynolds, 1995) minder profetisch dan sommige eigentijdse herwaarderingen willen voorstaan. De film mag dan inzetten op een reële projectie van schaarste en verval, ze is in de eerste plaats nog altijd een avontuurlijke odyssee die voorzichtig voor sorteert op de latere Pirates-franchise (2003-heden). De vondst van een omgekeerde wereld (de zee boven, het land onder) is het decor voor een schmierende Dennis Hopper (inclusief ooglapje) en een protagonist met kieuwen (Kevin Costner).

Ook in de uitgerekte director’s cut van bijna drie uur kun je Waterworld zijn amusementswaarde niet ontzeggen, maar de vraag is of de film écht (nog) iets kan bijdragen aan het bewustzijn rond de stijging van de zeespiegel en de uitputbaarheid van grondstoffen. Eén van de scherpste plotelementen, de uitgespeelde schaarste van zand, weegt op tegen een ongenuanceerde toespeling op de noodzaak tot geboortebeperking, nota bene uit de mond van een kind (Enola, gespeeld door Tina Majorino).

Sea Fever (2019)

Sea Fever (2019)

De zee als organisme
Fascinerender kijkvoer in het hier en nu is Sea Fever (2019), een Ierse debuutfilm over de overlevingsstrijd tussen de mens en de natuur die hem omringt en voedt. Regisseur Neasa Hardiman gebruikt het mysterie van een besmettelijk zeewezen als metafoor voor de natuur die in bedreigde omstandigheden terugvecht en zijn eigen overlevingsdrang versterkt. Net als in The Thing (John Carpenter, 1982) begint het gevaar in een gesloten omgeving (hier een vissersboot met een selecte bemanning), maar strekt het zijn tentakels in de loop van de vertelling uit naar het grotere geheel, de mensheid zelf.

Het gevolg is dat deze prettig opgebouwde thriller richting de slotakte ineens een morele lading meekrijgt, waarbij kijkers helaas wel weer weinig subtiel de voorkeurskant van de protagonist opgeduwd worden. Omdat de dreiging alles te maken heeft met besmettingsgevaar, is het lastig om tijdens het kijken niet óók aan de huidige staat van de wereld te denken. In Sea Fever representeert Siobhán (Hermione Corfield) het wetenschappelijke respect voor het voortbestaan van bio-organismen, terwijl een deel van de overige bemanningsleden duidelijk vanuit eigenbelang redeneert.

De toekomst van toekomstprojecties
Hoewel de film met name slaagt als thriller en overlevingsdrama, en Corfield vooral ook een knappe hoofdrol neerzet, heeft Sea Fever wel de potentie om discussies over de relatie tussen mens en natuur van verdere munitie te voorzien. De vraag is hoe uitgerust we in crisistijd nog zijn om op een afgewogen, scherpe manier te spreken over de problemen die ons boven het hoofd hangen. Ook zonder fictie hebben we onze handen al vol, en zouden we ons veel scherper mogen afvragen wat projecties van doem en rampspoed nu eigenlijk nog bijdragen aan ons begrip van de werkelijkheid. Hebben we films als Waterworld en Sea Fever nodig om dreigingen aan te kijken in spiegels van verbeelding? Of zijn we al te verward geraakt door de balans tussen fictie en realiteit om nog met een heldere blik naar geprojecteerde rampspoed te kijken?

Sea Fever is de slotfilm van Imagine 2020. Vanaf 5 september kun je de film 24 uur digitaal bekijken. Op 6 september wordt een vertoning op locatie (inclusief awardsceremonie) gevolgd door een afsluitende projectie van Waterworld. Klik hier voor meer informatie.

 

29 augustus 2020

 
ALLE ESSAYS

Controversiële film Crash naar boek J.G. Ballard weer in bios

Controversiële film Crash naar boek J.G. Ballard gerestaureerd
De filmset als werkelijkheid

door Alfred Bos

De Britse auteur J.G. Ballard voorzag de spektakelmaatschappij. Wanneer de werkelijkheid een filmset is geworden, is waanzin het laatste toevluchtsoord van de verbeelding – zoals David Cronenbergs verfilming van Ballards roman Crash illustreert. Hoe mediaverzadiging mensen ongemerkt gek maakt.

Een groep jongeren feest na sluitingstijd in een luxe warenhuis. Op beeldschermen zien ze het resultaat van hun activiteiten overdag. Ze hebben op willekeurige plaatsen in de stad bommen geplaatst. De explosies vormen het sensatienieuws van die avond.

Crash (1996)

Crash (1996)

De publiciteit rond de Franse speelfilm Nocturama noemt nergens de naam van J.G. Ballard, maar het gegeven komt uit de verbeelding van de in 2009 overleden schrijver. Zielloos consumentisme, terrorisme uit verveling, sensatiezucht, media-overkill—het zijn thema’s van het post-millennium. Ballard schreef er vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw romans over.

De geestesgesteldheid van de mens die leeft in een technologisch hoog ontwikkelde samenleving, vormt het onderwerp van Ballards fictie. Het beschrijft, in zijn woorden, de “dubieuze geneugten van het leven in een geavanceerde technologie”. Het onbewuste en onbedoelde effect van die technologie is dat “ze perverse impulsen kanaliseren, temmen en acceptabel maken. Technologie geeft ons de middelen om onze psychopathologie uit te leven. Het versterkt de menselijke natuur.”

Wanneer hun primaire wensen zijn vervuld en het leven een staat van schijndood is geworden, gaan mensen zich gedragen als psychopaten. Het comateuze brein kan alleen nog worden gestimuleerd door sensatieprikkels. Wanneer de ziel en het geweten zijn verdoofd, is extreem gedrag het panacee tegen de leegte.

J.G. Ballard

J.G. Ballard

Omgeving zonder identiteit
Eigenlijk had de schrijver psychiater willen worden, maar hij brak zijn studie voortijdig af om zich volledig aan de literatuur te kunnen wijden. Ballard, in 1930 geboren in Sjanghai, kwam als tiener, in 1946, naar Engeland. Hij arriveerde als buitenstaander en trof een vermoeide samenleving aan, vastgeroest in een overleefd klassensysteem, nostalgisch zwijmelend in een mythisch verleden van een wereldmacht die in werkelijkheid door de geschiedenis was ingehaald. Hij blééf een buitenstaander, zijn leven lang.

In zijn romans betoont Ballard zich een psychiater die met geïnteresseerde en geamuseerde blik naar de geesteszieke patiënt kijkt. Als jongetje zag hij in Sjanghai de bruutheid van het bestaan; mondaine weelde versus tergende armoede, het dagelijkse geweld, lijken op straat. Zijn puberjaren bracht hij door in een Jappenkamp. Die jeugdherinneringen, opgeschreven in de roman Empire of the Sun, zijn in 1987 verfilmd door Steven Spielberg. Toen Ballard na de oorlog in Engeland arriveerde, had hij over de menselijke natuur geen illusies. Zijn persoonlijke geschiedenis maakt hem tot een unieke observator.

De jaren na de Tweede Wereldoorlog waren ook in Engeland een tijd van wederopbouw en optimisme. De verzorgingsstaat kreeg vorm, wetenschap en technologie beloofden vooruitgang: gemak en welvaart op een voorheen ongekende schaal. Die nieuwe wereld vormt het decor van Ballards romans: snelwegen, torenflats, winkelcentra, bedrijventerreinen en wetenschapsparken. De ontmenselijkte, identiteitsloze, volstrekt neutrale en ontzielde omgevingen die de modernistische architectuur van de naoorlogse jaren kenmerkt.

Empire of the Sun (1987)

Empire of the Sun (1987)

Dat ontzielde decor is gevuld met media: beeldschermen en reclameborden laten een niet aflatend bombardement van sensationele prikkels en commerciële boodschappen op het individu los. Die wordt door de zielloze omgeving zelf ontzield en gevuld met de gemanipuleerde mediaboodschappen. Het identiteitsloze individu is gereduceerd tot consument, prooi van spin en marketing. Over dat individu, die lege huls op zoek naar sensatie, gaan Ballards romans.

Spektakel regeert
De inwerking van betonjungle en mediaverzadiging op de menselijke psyche resulteert in een toestand van psychose. De buitenwereld wordt de binnenwereld, realiteit en fantasie zijn verwisseld. Dat is de psychopathologie van Ballards personages. Ze zijn vervreemd van de werkelijkheid en zichzelf. De mediarepresentatie, het simulacrum, heeft de plaats van de realiteit ingenomen. Ze leven in een virtuele wereld en beleven die als authentiek; het is echter een waan. Het echte leven, het authentieke, is verdwenen achter een scherm van marketing en technologie.

In zijn meest controversiële roman Crash (1973) ontmoet de verteller, net als de schrijver James Ballard geheten, de voormalige tv-wetenschapper Robert Vaughan. De doctor is de leider van een groep verkeersslachtoffers die verkeersongelukken van beroemdheden naspelen en daar seksuele opwinding aan ontlenen. De droom van Vaughan is om te verongelukken in een frontale botsing met filmster Elizabeth Taylor.

De roman begon als een kort verhaal, getiteld Crash!, onderdeel van de experimentele roman annex verhalenbundel (je kunt de teksten in willekeurige volgorde lezen) The Atrocity Exhibition. Het boek bevat tevens het verhaal Why I Want To Fuck Ronald Reagan, waarmee Ballard reeds in 1970 een politieke carrière voorzag voor beroemdheden en tv-persoonlijkheden. Spektakel regeert.

Lust opwekkende wrakken
Na de publicatie van The Atrocity Exhibition (het gruwelkabinet) organiseerde Ballard in het New Arts Laboratory in Londen een expositie van autowrakken. In 1978 vertelde hij in het undergroundmagazine Search & Destroy wat er vervolgens gebeurde. “Ik wilde mijn vermoedens testen en stelde drie wrakken ten toon. Ik heb nog nooit mensen zo agressief dronken zien worden als tijdens vernissage. Ik werd bijna aangevallen door een verslaggever.”

Het werd nog leuker. “Ik liet een jonge vrouw zonder topje de genodigden interviewen en er was closed circuit tv waarop de gasten konden zien hoe ze te midden van autowrakken werden aangesproken door een jongedame met blote borsten. Dat was teveel, iedereen raakte van de kook. De vrouw werd bijna verkracht op de achterbank van een wrak. Dat voorval bevestigde mijn vermoedens.”

De tentoonstelling liep een maand en de autowrakken werden doorlopend gemolesteerd. “Ze werden met verf bespoten, ramen kapot geslagen, spiegels afgebroken—de vijandigheid was verbazingwekkend.” In 1971 maakte Ballard voor de BBC een korte film naar het verhaal, met hemzelf en actrice Gabrielle Drake in de hoofdrollen. De roman Crash veroorzaakte na publicatie in 1973 veel controverse. Later verklaarde de schrijver: “Ik wilde de lezer provoceren om onder ogen te zien wat naar mijn idee een omkering van menselijke waarden was, de dood van de emotie. Crash was een wanhopige poging om de sensationalisering van geweld te begrijpen.”

Psychopathologie van de mediamens
Het heden is voor Ballard de sleutel tot de toekomst, niet het verleden. Zijn boeken zijn gesitueerd in een verhevigde variant van het heden, een toekomst die op het punt staat te gebeuren. Ballard: “Ik ben geïnteresseerd in de komende vijf minuten.” Diens favoriete sciencefictionfilm was Alphaville van Jean-Luc Godard, waarin de modernistische nieuwbouw van Parijs dient als decor voor dienst dystopische schets van de toekomst.

Ballards debuutroman, The Wind from Nowhere (1961), is de eerste van een reeks boeken waarin de beschaving ten onder gaat door natuurrampen. In zijn boeken vanaf The Atrocity Exhibition (1970) heeft de werkelijkheid van wind en water plaatsgemaakt voor een medialandschap. In de jaren zestig was de televisie uitgegroeid tot het venster op de wereld.

De mediaverzadiging heeft consequenties, meent Ballard. De virtuele wereld van de elektronische media – televisie, film, radio en, vanaf de late jaren zeventig, computer – is een kunstmatige, geregisseerde representatie van de werkelijkheid. Die simulatie neemt gaandeweg en ongemerkt de plaats in van de fysieke werkelijkheid. Met als resultaat dat verbeelding en realiteit van plaats wisselen. “Het medialandschap is een kaart op zoek naar een gebied”, aldus Ballard.

De consequenties voor de bewoner van die mediarealiteit zijn vergaand. Hij is vervreemd van zijn fysieke realiteit en identiteit, van zichzelf. Die vervreemding – je zou het ‘cognitieve dissociatie’ kunnen noemen – is een door media geïnduceerde psychose. Het lichaam verblijft in de fysieke wereld, het hoofd in de virtuele wereld van media en internet. Die verwarring is de default-stand van de eenentwintigste-eeuwse, posttruth samenleving geworden.

Smartphoneverslaving, nepnieuws, terroristische aanslagen, een eindeloze stroom van sensationele prikkels zonder samenhang of context, de mens als maakbaar object, obsessief groepsdenken, ultrageweld—het zijn symptomen van de psychopathologie die Ballards romans beschrijven. Wanneer de werkelijkheid een filmset is geworden, is gekte het laatste toevluchtsoord van de verbeelding.

De observaties van Ballard sporen met de ideeën van de Franse filosoof Guy Debord, de man die de term ‘spektakelmaatschappij’ muntte. Debords collega Jean Baudrillard roemde Crash als “de eerste roman over het universum van de simulatie”.

The Atrocity Exhibition (2000)

The Atrocity Exhibition (2000)

Ballard op het filmdoek
Het duurde tot 1996 eer Crash – met James Spader als Ballard en Elias Koteas als Vaughan – werd verfilmd door de Canadese regisseur David Cronenberg en opnieuw een controverse veroorzaakte. ‘De personages slaapwandelen door het verhaal in een staat van futuristische afstomping, op zoek naar extreme vormen van sensatie omdat ze geen normale emoties meer kunnen voelen’, schreef The New York Times. De Washington Post was vernietigend: ‘Crash reikt niet verder dan de meest directe sensatiezucht’.

De boeken van Ballard zijn zeer geschikt voor verfilming, ze zijn visueel rijk. De auteur ziet zichzelf als een gemankeerde schilder. “Ik schilder mijn boeken als het ware.”

In 2000 bewerkte de Amerikaan Jonathan Weiss het fragmentarische The Atrocity Exhibition voor het witte doek, het is zijn eerste en enige film. Weiss verwerkte archiefbeelden van nieuwsfeiten uit de jaren zestig in het verhaal rond Dr. Talbert. Die werkt aan een gruwelkabinet. Hij verzamelt foto’s van de handen van Lee Harvy Oswald, de moordenaar van president Kennedy; sjouwt rond met twee onthoofde Christusbeelden; en neemt een meisje van achteren terwijl ze naar een foto van Ronald Reagan kijkt.

Ballard was zeer te spreken over Weiss’ boekverfilming. Hij stuurde de regisseur een fax: “Toen ik naar de film keek had ik bijna het idee dat ik het boek las.”

High-Rise (2015)

High-Rise (2015)

Continue soap
De Britse cult-regisseur Ben Wheatley waagde zich in 2015 aan de verfilming van High-Rise (1975), nadat Nicolas Roeg in de jaren zeventig een poging had gewaagd maar het boek onverfilmbaar noemde. (Het probleem lag volgens Ballard bij de scenarist, Paul Mayersberg, niet het boek.) Tom Hiddleston speelt de rol van Robert Laing, de arts en universitair docent die verhuist naar een net opgeleverde luxe woontoren waar zich al snel een barbaarse klassenoorlog ontwikkelt.

Tijdens de promotietournee voor de film las Hiddleston voor uit een interview van Ballard uit 1978. Een paar citaten:

“Ik kan me een enorme uitbreiding van het beeldmateriaal voorstellen, beschikbaar door de druk op een knop, zoals je nu kunt bellen naar een nummer voor het weerbericht.”

“Ik denk dat de grootste ontwikkeling van de komende twintig, dertig jaar zal zijn de introductie van beeldsystemen: iedere kamer van ieder woning of flat heeft een camera die registreert wat er gebeurt. De transformatie van de huiskamer tot tv-studio schept een nieuw soort realiteit.”

“Als iedereen een camera heeft beginnen mensen eindeloos zichzelf te fotograferen; terwijl ze zich scheren, zitten te eten, ruzie maken; en de toepassingen voor de slaapkamer liggen voor de hand. Maar daarna zal ieder van ons de focus zijn van een continue soap.”

Ballard voorzag de sociale media, met hun obsessieve zucht naar aandacht, hun echokamers en hun agressie tegen afwijkende meningen; het zijn symptomen van de mediapsychose. Zijn favoriete plek was de anonieme lounge van de Londense luchthaven Gatwick. Daar voelde hij zich thuis.

Crash (1996)

Crash (1996)

Techno-surrealisme
Ballards latere boeken, gepubliceerd na het autobiografische Empire of the Sun, zijn (nog) niet verfilmd, maar dat lijkt een kwestie van tijd. Cocaine Nights (1996) gaat over een schaduwwereld van brandstichting, geweld en buitenechtelijke seks in een Spaanse woonenclave voor Britse welgestelden. Het businesspark Eden-Olympia uit Super-Cannes (2000) is het decor van perversie en deprivatie voor een kaste van geprivilegieerde professionals van artsen, architecten, producers en zakenmannen.

In Millennium People (2003), de eerste Ballard-roman na nine eleven, gaat de hoofdpersoon op zoek naar de waarheid achter de dood van zijn vrouw, die om het leven kwam bij een terroristische aanslag op de luchthaven Heathrow. De afgeschermde gemeenschap van het wooncomplex Chelsea Marina blijkt een broeinest van middleclass terroristen. Dit is het boek waarop Nocturama lijkt te zijn geïnspireerd.

Kingdom Come (2006), satireert de triomf van het consumentisme, dat in feite een vorm van fascisme is, met de shopping mall als focus. De consument wordt geïnformeerd via tv-commercials en de beschaafde middenklasse blijkt een kudde barbaren, voetbalhooligans in maatpak. Geweld is vermaak, een panacee tegen de leegte. Wat in Crash nog was voorbehouden aan insiders, is in Ballards laatste roman massavermaak geworden. Het consumentenparadijs is instabiel, want gebouwd op een waan.

De tijd is rijp voor een herwaardering van David Cronenbergs film naar Ballards meest geruchtmakende roman. Nu dankzij het Covid-virus de dagelijkse realiteit is verworden tot een draaiboek van protocollen en gedragsregels, en aldus is getransformeerd tot filmset, behoort Crash tot het nieuwe normaal.

De ongecensureerde 4K-restauratie van Crash is vanaf donderdag 6 augustus te zien in een aantal bioscopen.

 

31 juli 2020

 
ALLE ESSAYS

This is Film! Een stad als een masker

This is Film! Heritage in Practice in EYE Filmmuseum
Een stad als een masker

door Tim Bouwhuis

Sinds een aantal jaren presenteert EYE Filmmuseum in de lente een reeks lezingen en filmvertoningen rond het koepelthema restauratie, archivering en filmerfgoed. This is Film! Heritage in Practice is niet alleen een verdiepend programma voor een geïnteresseerd publiek, het versterkt ook de relatie tussen het museum en de filmeducatie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Copyright’ was dit jaar een logisch eerste deelonderwerp, en een perfecte gelegenheid om Thom Andersens epische collagefilm Los Angeles Plays Itself (2003) te vertonen.

This is Film! is een kijkje in de keuken, een handreiking om mee te denken over processen die veel filmliefhebbers doorgaans zullen ontgaan. Eén van die processen is de ontwikkeling van copyright-wetgeving en de toepassing daarvan. Copyright is de perfecte olifant in de kamer, stelt academicus en filmconservator Claudy Op den Kamp (Bournemouth University) aan het begin van haar lezing op 11 maart. Als ze haar publiek vraagt wie er allemaal copyright bezitten, steekt misschien net de helft van de bezoekers een hand op. De misvatting laat zich raden: iederéén bezit copyright, al is het al over ons eigen, volstrekt ‘unieke’ boodschappenlijstje. De vraag is in de meeste gevallen dan ook niet of er sprake is van copyright, maar of het beoogde effect van een schending zo ingrijpend is dat de auteur zijn copyright besluit te claimen. Met dat enkele gedicht dat ondergetekende als middelbare scholier schreef, gaat niemand de Nobelprijs winnen.

Los Angeles Plays Itself

Los Angeles Plays Itself

Fair Use en het publieke domein
Natuurlijk ligt dat bij film anders. We beschouwen het (terecht) als vanzelfsprekend dat een erkend kunstwerk niet zomaar hergebruikt mag worden zonder toestemming van de maker of de instantie die hem of haar vertegenwoordigt. Op het moment van schrijven ligt de algemeen gehandhaafde duurgrens van copyright nog altijd op zeventig jaar (de invloed van de sterfdatum van de maker even niet inbegrepen). Na de vervaldatum van de copyright betreden films het publieke domein. Als gevolg daarvan kun je nu min of meer doen wat je wilt met titels als Safety Last! (Harold Lloyd, 1923) en Das Kabinett des Doktor Caligari (Robert Wiene, 1919).

Het wordt lastiger wanneer je als filmmaker clips uit een grotere hoeveelheid films wilt gebruiken. Hoe zorg je ervoor dat je voor al die titels toestemming krijgt, en wat doe je als makers of eigenaars gewoonweg niet thuis geven? In de Verenigde Staten bestaat voor die en andere schappelijk geachte omstandigheden het zogeheten ‘Fair Use’-beleid. Fair Use is geleidelijk voortgevloeid uit een Britse parlementaire regeling (1740), die nog voor de stichting van de eerste dertien Staten toestond dat auteursrechtelijk beschermd materiaal onder specifieke voorwaarden in secundaire bronnen verwerkt werd. Vandaag de dag komt het Amerikaanse Fair Use-beleid er in het algemeen op neer dat je materiaal over kunt nemen als je daar toestemming voor hebt óf als je antwoord kunt geven op een stel voor de gelegenheid geformaliseerde vragen. Die vragen maken dan het verschil tussen eerlijk gebruik en misbruik.

Rodeo of dressuurstage?
De meeste internetgebruikers zullen zich maar beperkt van copyright-wetgeving bewust zijn, laat staan dat ze uit de losse pols Fair Use-voorwaarden kunnen opdreunen. Gretig trekken ze filmclips van YouTube om hun eigen compilaties en video-essays vorm te geven. Het is goed om te weten dat de vrijheid die zij bij het verrichten van zulke handelingen kunnen ervaren een direct gevolg is van de globalisering (of beter, Amerikanisering) van internetdiensten, die Fair Use ook in Nederland een onvermijdelijk begrip maken – ook al is het een regeling die hier landelijk helemaal niet geldt. Dat we Fair Use met (relatief) gebruiksgemak kunnen associëren, betekent overigens niét automatisch dat copyright in de Verenigde Staten een rodeo is, en hier een dressuurstage. Zo kun je je afvragen of een vrijer beleid de kans op verwarring (en daarmee op grote claims) niet juist groter maakt, omdat mensen er in allerlei specifieke gevallen ten onrechte vanuit gaan dat ze materiaal mogen overnemen.

Das Kabinett des Doktor Caligari

Das Kabinett des Doktor Caligari

Vanuit historisch perspectief geldt daarnaast dat het gerust ook anders had kunnen lopen met Fair Use. Op den Kamp stelt in haar lezing dat als er in de jaren zeventig geen bevestigend beleid zou zijn vastgesteld voor het tapen (opnemen – aan de hand van de Betamax-recorder, in 1975 door Sony op de markt gebracht) en later via een indirecte bron bekijken van materiaal, we diensten als Netflix een grove veertig jaar later mogelijk ook op onze buik hadden kunnen schrijven. Anders dan de wetten van Draco of de stenen tafelen zijn de meeste regelingen van deze tijd niet langer in denkbeeldig graniet gehouwen.

Een kritische bewoner
Zonder een Fair Use-stempel had de Amerikaanse academicus en filmmaker Thom Andersen (1943) zijn epische collagefilm Los Angeles Plays Itself nooit kunnen voltooien. De documentaire bestaat uit aaneen gemonteerde clips van meer dan 150 films die zich in dan wel nabij Los Angeles afspelen, of dat in ieder geval pretenderen. De clips zijn op zichzelf al een omvattende visuele geschiedenis van stedelijke representatie, maar Andersen gaat duidelijk nog een stap verder: zijn film is een kritiek op de manier(en) waarop Los Angeles in (met name) Hollywoodcinema is verbeeld. Andersen rechtvaardigt zijn stellige houding door zichzelf in de eerste tien minuten expliciet te identificeren als een geëngageerde bewoner van de stad die hij onder het voetlicht houdt.

Los Angeles is wellicht de enige plaats ter wereld die niet alleen films voortbrengt, maar zelf ook een film beoogt te zijn. Als Andersens weide observaties één algemeen punt onderstrepen, dan is het wel de algehele weigering van de filmindustrie om de stad als een eenheid weer te geven. Los Angeles is chaotisch. Gefragmenteerd. Incoherent. Onoverzichtelijk. De talloze rampenfilms die de afgelopen paar decennia zijn uitgebracht, doen daar nog een schepje bovenop. Hollywood lijkt er een mateloos genoegen in te scheppen zijn eigen creatie keer op keer te vernietigen.

Los Angeles Plays Itself

Los Angeles Plays Itself

De stad en het masker
De vraag is of de chaos van Los Angeles enkel de spiegel is die de films ons voorhouden, of dat er ook momenten zijn waarop de stad zijn eigen film uitstapt en zich overgeeft aan een stukje realiteitszin. In andere woorden: Los Angeles is een stad die een masker draagt, maar zouden we de waarheid eigenlijk wel te zien krijgen als dat masker af zou gaan? Of is de schijnvoorstelling zodanig de norm geworden dat ze zich niet langer van een beoogde ‘realiteit’ laat onderscheiden?

In het werk van de Franse filosoof Jean Baudrillard (1929-2007) werd deze verregaande versmelting aangeduid met de term ‘simulacrum’. In Los Angeles Plays Itself blijft de hyperrealiteit achterwege, misschien ook omdat er nog een flinke kloof zit tussen het releasejaar van de documentaire en de ver(der)reikende technologische achtbaan van het hier en nu. Toch is die hyperrealiteit het belangrijkste uiterste van Andersens mijmeringen: de potentiële grenzeloosheid van fictie en de daaraan gekoppelde macht van representatie.

Gelukkig vereisen de snedige voice-overs die de film rijk is nu juist ook bij uitstek geen theorie om analytisch waardevol te zijn. De filmmaker gebruikt zijn grote kennis van de stad en zijn (film)geschiedenis om dingen op te merken die zelfs het meest geoefende oog nog zouden kunnen ontgaan. Naarmate de film vordert, gaat de door Andersen ingezette ironie steeds sterker in zijn voordeel werken. Zo gebruikt de maker humor om het gebruik van humor in Hollywoodcinema te ontmantelen. Hij ontmantelt filmisch cynisme, maar is zelf ook cynisch. Noem Andersen gerust eclectisch: zijn observaties zijn niet alleen scherpe stellingen over Los Angeles en Hollywood, maar ook kanttekeningen bij de gemiddelde bioscoopbezoeker, die misschien claimt films te kijken, maar doorgaans vooral verhalen van het beeld leest.

Wie zich overmatig fixeert op personages en hun concrete handelingen, mist vaak de helft, laat deze documentaire zien. Het vereist een geheel andere focus om je blik niet te laten leiden door de camera en de beeldregie, maar zelf de hoeken van het frame op te zoeken. Precies daarom heeft Los Angeles Plays Itself de potentie om je zoveel nieuwe dingen te leren dat je de film zo nog twee of drie keer wilt zien.

Het copyright-festival
Tussen de oorspronkelijke uitbreng (in 2003) en de commerciële release (in 2013) van de film is de globale context voor de vertoning en verspreiding van het geïncorporeerde videomateriaal verder veranderd. Filmfestivals zijn belangrijke spelers in deze dynamiek, omdat zij in hun internationale allures vaak impliciet afrekenen met landelijke beperkingen. Kort na de online publicatie van het Documentary Filmmakers’ Statement of Best Practices in Fair Use (november 2005) ging op Sundance (voorjaar 2006) This Film is Not Yet Rated (Kirby Dick) in première. De documentaire (over de Amerikaanse keuringsdienst MPAA) zat vol gerecycleerde filmclips. In 2012 deed de Hongaarse filmmaker Györgi Pálfi met zijn Final Cut: Ladies and Gentlemen nog een extra duit in het zakje. De film bestaat volledig uit clips die door Pálfi van YouTube en van fysieke dragers waren geplukt. Hoewel de regisseur bij lange na geen toestemming had om het materiaal uit alle 450 (!) titels te gebruiken, besloot Cannes Final Cut te programmeren als slotfilm van de klassieke sectie. In 2013 bracht het Amerikaanse label The Cinema Guild op veler verzoek Los Angeles Plays Itself uit.

Los Angeles Plays Itself is verkrijgbaar via het label The Cinema Guild 

In verband met de getroffen maatregelen rond het Coronavirus gaat de tweede This is Film!-sessie, die gepland stond op 25 maart, in ieder geval niet door. Houd de website van EYE in de gaten voor informatievoorziening over de verdere verloop van het programma.

 

15 maart 2020


ALLE ESSAYS

Het gestileerde naturel van Yasujirō Ozu

Het gestileerde naturel van Yasujirō Ozu
De regisseur van het niets

door Alfred Bos

Yasujirō Ozu maakte 54 films in 35 jaar. Die zijn door hun vorm uniek in de filmcanon. Door hun thematiek – familierelaties – algemeen herkenbaar. En door hun humanisme universeel geliefd.

Yasujirō Ozu (1903-1963) had er al een loopbaan opzitten – en zo’n veertig filmtitels op zijn naam – toen op 13 september 1949 Late Spring uitkwam in Japan, aan de vooravond van de doorbraak van de Japanse cinema in het westen. Akira Kurosawa en Kenji Mizoguchi werden in de jaren vijftig onthaald op de festivals in Venetië en Cannes, de films van Ozu waren pas in de jaren zeventig in Europa en Amerika te zien.

Late Spring (1949)

Late Spring (1949)

Late Spring was voor Ozu wat is voor Fellini: de film waarin hij zijn stem vindt. Het is de stem van een zenmeester die met empathie, maar onthecht naar het menselijke gewoel kijkt. Bij hem is het drama gereduceerd tot de kern, er is niets wat de aandacht afleidt. In zijn eigen woorden: “Ik ben de hovenier die de bomen en struiken snoeit.” Ozu’s films zijn als bonsaibomen en zentuinen, precieze miniaturen van natuurlijke, maar geregisseerde schoonheid.

Ozu is de schepper van een ongewoon consistent oeuvre, met een vaste thematiek en een rigide eigen stijl. Late Spring is de eerste van een reeks films waarin de regisseur de samenwerking hernieuwt met scenarist Kôdo Noda; ze zouden tot Ozu’s overlijden een team blijven. Onderwerp van de films is het gezin: de relatie tussen echtgenoten, de verhoudingen tussen ouders en kinderen, en de veranderende positie van de vrouw in het naoorlogse Japan.

De rigide eigen stijl: het vermaarde kikkerperspectief van het lage camerastandpunt, waardoor de toeschouwer als het ware vanuit de theaterstoel naar het toneel kijkt. De statische camera met zijn lange shots, onveranderlijk gefilmd met een 50-millimeterlens die het menselijke oog qua blikveld het meest benadert. De tot in het detail gestileerde mise-en-scène, waardoor interieurs ogen als abstracte schilderijen van Mondriaan. De minutieus geregisseerde handeling met zijn ritmisch bewegende acteurs. Gestileerd naturel: de films van Ozu zijn herkenbaar uit duizenden. Ze reflecteren de man die ze maakte.

Nieuwe filmtaal
Opvallend aan Late Spring – en volstrekt nieuw in de beeldtaal van 1949 – zijn de ambient tussenshots die als afscheiding tussen scènes fungeren. Een wolkenhemel, een beboste heuvel, een panorama van de rivier, een close-up van een bloesemtak, of een blik op bebouwing—ze staan buiten de handeling en verbeelden het verglijden van de tijd, los van het individu. Het was toen een andere, ongebruikelijke manier van monteren. Tegenwoordig doet iedereen het, vaak zonder nadenken, als cliché. Ozu kwam er als eerste mee.

Subtiel afwijkend is Ozu’s gebruik van geluid, meer in het bijzonder omgevingsgeluid (in jargon: diëgetisch geluid, de geluidsbron maakt deel uit van het beeld). Late Spring is bij mijn weten de eerste film waarin we vogels horen zingen. Het levert geen enkele bijdrage aan het verhaal of de plot, het schept sfeer. De geluidsband klinkt volstrekt anders dan die van de doorsnee-Hollywoodfilm van kort na de oorlog, zeg een film noir van Fritz Lang of een western van John Ford, met hun emotie sturende orkestraties.

The End of Summer (1961)

The End of Summer (1961)

Ongetrouwde dochter
Late Spring
is de eerste van een drietal films waarin actrice Setsuko Hara (1920-2015) het personage Noriko speelt, zij het telkens een andere Noriko. Hara maakte in totaal zes films met Ozu, die mogelijk in stilte verliefd op haar was; de laatste was The End of Summer uit 1961. Hoewel een enorme ster in Japan en een icoon van de Japanse cinema, trok ze zich na het overlijden Ozu terug uit het openbare leven. Ze overleed in 2015, 95 jaar oud.

In Late Spring vertolkt ze de 27-jarige dochter van een gepensioneerde professor, een weduwnaar bij wie ze inwoont. De filmtitel verwijst naar het seizoen van Norika’s leven: het wordt tijd dat ze trouwt, meent haar inwonende tante. Wat Noriko helemaal niet wil, want als ongetrouwde vrouw kan ze samenleven met en zorgen voor haar vader. Aldus is ze oprecht gelukkig, bekent ze in een emotioneel verpletterende scène, een dialoog met pa die haar eigenlijk liever ook niet ziet gaan, want dan blijft hij alleen achter. De tragiek is dat beiden hun persoonlijk geluk opgeven door zich te voegen naar de sociale mores.

De rol van Hara als Noriko blijft dicht bij de werkelijkheid, want de actrice is nooit getrouwd; haar bijnaam luidde ‘de eeuwige maagd’. Late Spring is een onversneden meesterwerk; ik sla hem persoonlijk nog hoger aan dan het universeel gewaardeerde Tokyo Story, British Film Institute’s nummer drie op de lijst van beste films ooit gemaakt.

Early Summer (1951)

Early Summer (1951)

Gouden momenten
In Early Summer (1951) speelt Setsuko Hara eveneens een Noriko en opnieuw is ze de ongetrouwde dochter die volgens haar familie – ouders, broer, zussen, ooms en tantes – nodig aan de man moet, voor ze te oud is. Iedereen begint mogelijke partners voor haar te opperen of zelfs te arrangeren, tot Norika’s kantoorchef aan toe. Noriko heeft uiteraard haar eigen plannen.

Ook hier is het thema het verlies van iets wat in zijn alledaagsheid perfect is. De vader van Noriko, de pater familias, verwoordt het nog het best, tijdens een uitstapje met het hele gezin naar Kyoto. Hij beseft dat hij en zijn vrouw de laatste gouden momenten beleven, nu zoon en dochter binnenkort zullen trouwen en het gezin uit elkaar valt. Dat verlies is onvermijdelijk, want zo is het leven.

“Mensen moeten niet teveel willen”, verzucht de vader filosofisch. Het is de zenregisseur ten voeten uit. Ozu schreef het scenario met zijn vaste co-auteur Kôgo Noda, hun samenwerking gaat terug tot Ozu’s (verloren gegane) debuutfilm Sword of Penitence uit 1927.

Romantische liefde
De levenscyclus is het hoofdthema van de vierenvijftig films – waarvan er negentien geheel of gedeeltelijk verloren zijn gegaan – die Ozu tussen 1927 en 1962 maakte; het wordt verbeeld via portretten van huwelijken, gezinnen en familie. Hij omschreef het mensenleven als “een bubbel die op het water drijft”. Het bestaan is fundamenteel onzeker, de mens intrinsiek eenzaam. Veel van zijn films besluiten met een verzuchting over de vergankelijkheid van het leven. Vaak blijft de hoofdpersoon alleen achter.

The Flavor of Green Tea over Rice (1952)

The Flavor of Green Tea over Rice (1952)

Zo niet in The Flavor of Green Tea over Rice, de film die hij draaide tussen Early Summer en Tokyo Story. De zedenschets gaat over een huwelijk in crisis. Zij is modern en werelds, onafhankelijk van geest en bedriegt haar man met heimelijke uitstapjes. Hij is een kantoorsul zonder initiatief, gesteld op rust en regelmaat.

Het is de spanning tussen stad en platteland, tussen verfijning en boertigheid, die als een rode draad door zijn werk loopt. Ozu behoorde zelf tot de culturele elite, maar bleef in zijn hart de buitenstaander die het meest op zijn gemak is een landelijke omgeving, met zijn natuur, kalm en geordend leven en ongekunstelde, authentieke bevolking.

Als katalysator in het verhaal over het traditionele huwelijk onder druk fungeert een jeugdige nicht, die romantische liefde verkiest boven een verstandelijke (uitgehuwde) verbintenis. De film – volgens Ozu zelf maar half gelukt – heeft een positief einde: mondaine vrouw en simpele echtgenoot zitten samen tevreden aan de rijst, de geliefden hebben elkaar gevonden. Er is hoop voor het Japan in flux.

Tokyo Story (1953)

Tokyo Story (1953)

Weemoed
Tokyo Story, Ozu’s meest vermaarde film, sluit de Noriko-trilogie af. Setsuko Hara’s Norika is ditmaal de schoondochter van een bejaard stel dat, nu hun gezondheid het nog toelaat, hun kinderen in de grote stad Tokio bezoekt. Die zitten met hun ouders in hun maag, ze hebben geen tijd voor hen. Alleen Noriko, al acht jaar de weduwe van een zoon die in het keizerlijke leger is gesneuveld, biedt haar eenkamerappartement als logies aan.

Tokyo Story zit vol fijnzinnige ironie, gepuncteerd door boerse humor. De film is doortrokken van de voor Ozu kenmerkende weemoed. De bejaarde vader beseft dat het bezoek wellicht een afscheid is, maar houdt voor zijn kinderen een stoïcijnse schijn op. Het is een rol van Chishû Ryû, een vaste Ozu-acteur die vanaf Ozu’s tweede film, Dreams of Youth (1928), tot diens dood met de regisseur heeft gewerkt.

Met Tokyo Story gaat Ozu opnieuw in op een thema dat hij  in Brothers and Sisters of the Toda Family (1941) al aan de orde stelde: kinderen die voor hun ouders op leeftijd moeten zorgen, maar daar voor wegduiken. Aan het slot van de film zien we Ryû als in alle Ozu-films waarin hij de hoofdrol van vader vertolkt: alleen met zijn gedachten aan zijn vrouw. Was hij maar aardiger voor haar geweest toen ze nog leefde.

Moderniteit botst op traditie
Ozu wist dat verandering de kern van het leven vormt, maar haastte zich nimmer om de moderniteit te omarmen. Hij ging pas in 1936, met The Only Son, over op geluid, bleef lang filmen in zwart-wit en heeft nooit gedraaid in breedbeeld, altijd in de klassieke 1/1:37 (tv-)beeldverhouding. In 1958 schoot hij zijn eerste kleurenfilm, in zijn vaste formaat. Equinox Flower toont een zakenman die zijn omgeving, gevraagd en ongevraagd, voorziet van advies inzake liefde en relaties. Wanneer zijn dochter trouwplannen heeft, blijkt hij zijn wijsheden niet op zichzelf te kunnen toepassen. Opnieuw botsen traditie en het moderne leven.

Good Morning (1959)

Good Morning (1959)

Ozu is een meester in het mengen van weemoed en ironie, maar in zijn tweede kleurenfilm is hij eerder Jacques Tati dan Marcel Carné. Moderniteit, in de vorm van televisie en wasmachine, stuwt de plot van Good Morning (1959), dat speelt in een volkswijk met goedkope houten huisjes onder energiemasten. Consumentisme en de menselijke natuur worden humorvol becommentarieerd via onrust over de nieuwe wasmachine van het wijkhoofd.

Ook de televisie zorgt voor reuring. Twee schoolgaande broertjes rebelleren tegen hun ouders en weigeren te spreken eer hun vader ook zo’n moderne kijkkast heeft aangeschaft. Als running gag dienen de scheten die de schooljongens op commando kunnen laten, iets waartoe pa op een hilarisch moment ook in staat blijkt. Het is kinderlijk geestig.

De film, een publiekshit in Japan, biedt en passant ook een wijze les die het waard is om op t-shirts te worden gedrukt: “Juist de nutteloze dingen geven het leven glans.” De opstandige broers zijn een echo van de boefjes uit I Was Born, But (1932). Ook Ozu’s daarop volgende film, Floating Weeds (1959), is een remake-in-kleur van eigen werk, A Story of Floating Weeds, een stomme film uit 1934.

Late Autumn (1960)

Late Autumn (1960)

Verborgen onderstromen
De laatste films zijn Ozu in zijn meest gecondenseerde vorm, de regisseur brengt zijn vaste thema’s terug tot de essentie. Late Autumn (1960) is het spiegelbeeld van Late Spring. Setsuko Hara speelt een weduwe die samenwoont met haar 24-jarige dochter. Drie goede vrienden van haar zeven jaar eerder overleden man – allen bewonderaars van de weduwe – gaan ongevraagd op zoek naar een geschikte echtgenoot voor de dochter, terwijl die en mams tevreden zijn met de situatie.

De film spiegelt de situatie van Late Spring – Hara is nu de alleenstaande ouder, Ryû speelt een van de drie goed bedoelende vrienden – maar is heel anders van toon. Late Autumn is meer komedie dan drama, het conflict tussen traditie en moderniteit wordt gesust met geestig gestuntel en dialogen vol seksuele toespelingen.

Ook in Late Autumn gebruikt Ozu zijn meest kenmerkende narratieve stijlfiguur, de ellips. Sleutelscènes worden via huiselijke gesprekken aangekondigd of becommentarieerd, maar door de regisseur niet getoond. Grote gebeurtenissen blijven buiten beeld, Ozu laat alleen de impact van het voorval op zijn filmpersonages zien. Hij laat met opzet ruimtes. Weinig regisseurs weten hun publiek zo emotioneel te engageren als Ozu. De regisseur: “Ik toon de verborgen onderstromen.” Aldus wordt de kijker in de film gezogen.

Filmprofessionals die hem van nabij hebben gekend – Ozu werkte met een vaste groep technici en pool van acteurs – benadrukken zijn menselijkheid, zijn humor en zijn hang naar authenticiteit. Zijn moraal: humanisme boven gerechtigheid. Eerst medeleven, dan recht.

An Autumn Afternoon (1962)

An Autumn Afternoon (1962)

“Alleen, hè”
An Autumn Afternoon (1962) is met schijnbaar achteloze hand geregisseerd. Na twaalf films in dertien jaar tijd is de Ozu-aanpak zo verfijnd dat hij bijna onzichtbaar is geworden. Zijn laatste film is wederom een spiegelbeeld van Silent Spring, maar veel melancholischer van toon dan Late Autumn. Er is geen voorjaarszon om het verlies te dempen.

Chishû Ryû speelt een weduwnaar die wordt verzorgd door zijn inwonende dochter (vertolkt door Shima Iwashita). In Silent Spring wil de dochter niet trouwen omdat ze gelukkig is met haar vader, ditmaal wil de vader dat zijn dochter niet trouwt omdat hij tevreden is met de bestaande situatie. Door een vergelijkbaar voorval in zijn vriendenkring ziet de vader zijn egoïsme in. “Alleen, hè”, zijn vaders slotwoorden, het is laatste tekst van Ozu’s oeuvre.

Op 13 december 1963, zijn zestigste verjaardag, overleed Ozu na een lang ziekbed aan kanker. De regisseur, die ongetrouwd bleef, ligt begraven op het terrein van de Engakyi Tempel in het landelijke Kamakura, de middeleeuwse hoofdstad van Japan. Hij deelt dat graf met zijn moeder, met wie hij tot haar dood in 1962 heeft samengeleefd. Op de steen staat het Japanse karakter voor ‘Het Niets’.

Over Yasujirō Ozu is vaak opgemerkt dat hij de meest Japanse aller Japanse regisseurs was en zijn films waren in het naoorlogse Japan ongekend populair. De digitaal gerestaureerde klassiekers, met de Noriko-trilogie voorop, maken duidelijk dat het werk van Ozu niet alleen de Japanse ziel aanspreekt. Met hun gestileerde naturel en universele personages behoren ze tot de meest menselijke films die er zijn gemaakt. Tijdloos dus.

Een aantal films van Ozu zijn in digitaal gerestaureerde vorm te zien vanaf 23 januari.

 

18 januari 2020


ALLE ESSAYS

Mizoguchi en de Japanse cinema van de jaren vijftig

Kenji Mizoguchi en de Japanse cinema van de jaren 50
Ambacht en vrijheid in een nieuwe wereld

door Alfred Bos

Kenji Mizoguchi is geboren in 1898, het jaar waarin de eerste Japanse speelfilm werd gemaakt. De Japanse cinema kende in de jaren vijftig en begin zestig van de vorige eeuw een periode van ongekende bloei. Artistiek vakmanschap en creatieve vrijheid produceerden een reeks van meesterlijke films.

Was het een propagandafilm? Het eerste deel van Kenji Mizoguchi’s The 47 Ronin verscheen op 1 december 1941 in de Japanse bioscoop, zes dagen voor de aanval op Pearl Harbour; deel twee volgde op 11 februari 1942. Het tweeluik gaat over trouw aan de erecode van de samoerai. Liever harakiri dan eerloos door het leven, bushidō (de weg van de krijger) als doodcultus.

The 47 Ronin: Part 1 (1941)

The 47 Ronin: Part 1 (1941)

Vier jaar later lag Japan volledig in puin. Industrie en infrastructuur waren verwoest, een aanzienlijk deel van de bevolking was dakloos en leed honger. Het militaire regime van de jaren dertig, met de keizer als goddelijk idool, had geen glorie, maar dood en ellende gebracht. Na de Tweede Wereldoorlog kwam het land onder Amerikaans bestuur en werd in ijltempo gemoderniseerd, om in de jaren vijftig economisch en cultureel uit te groeien tot een macht van formaat.

Tijdens de oorlogsjaren zagen Mizoguchi en andere Japanse regisseurs een aanzienlijk deel van hun werk verloren gaan. Het werd verwoest tijdens het vuurbombardement in de nacht van 9 op 10 maart 1945, toen de Amerikaanse luchtmacht een half miljoen napalmbommen over de hoofdstad van Japan uitstrooide. Nog geen tien jaar later was de Japanse cinema een fenomeen en won prijzen op de filmfestivals van Venetië en Cannes.

Ongekende bloei in jaren vijftig
Kenji Mizoguchi (1898-1956) wordt met Yasujirō Ozu en Akira Kurosawa gerekend tot het gouden trio van de Japanse cinema uit de jaren vijftig, een tijd van ongekende bloei. Hun werk was voor het eerst buiten Japan te zien, de regisseurs kregen internationale erkenning en aan de stroom filmische meesterwerken van Japanse makelij leek geen eind te komen.

Het topje van de ijsberg: Rashōmon (Kurosawa 1950, Gouden Leeuw Venetië 1951), The Life of Oharu (Mizoguchi 1952, Internationale Prijs Venetië 1952), Ugetsu (Mizoguchi 1953, Zilveren Leeuw Venetië 1953), Sanshō the Bailiff (Mizoguchi 1954, Zilveren Leeuw Venetië 1954), Seven Samurai (Kurosawa 1954, Zilveren Leeuw Venetië 1954), Gate of Hell (Teinosuke Kinugasa 1953, Grote Prijs Cannes 1955).

Waar komt die bloei vandaan? De grond was rijp, het klimaat gunstig.

Al werd het westen zich er pas in de jaren vijftig van bewust, Japan heeft een van de oudste – en grootste – filmindustrieën ter wereld. In de jaren twintig van de vorige eeuw ontstond een dynamische bedrijfstak waarin jonge creatievelingen de mogelijkheden van het nieuwe medium verkenden. Jidai-geki of antiek drama, meestal gesitueerd in het feodale Edo-tijdperk van de shoguns (1600-1868), werd even populair als het eigentijdse drama (gendai-geki) van buitenlandse afkomst of eigen origine.

Regisseurs als Ozu en Mizoguchi hadden reeds vanaf de jaren twintig een reeks films gemaakt; vaak zonder geluid, tot eind jaren dertig bleef een aanzienlijk deel van de Japanse filmproductie stom. Met vaste creatieve teams en technici produceerden ze voor de studio’s meerdere films per jaar, als een gedisciplineerde en geoliede machine. De studio’s dicteerden, zij draaiden. Aldus werd de eerste generatie Japanse cineasten – naast Mizoguchi en Ozu onder meer Tomotaka Tasaka en Hiroshi Shimizu – meesters van hun ambacht. Daar deed de verloren oorlog niets aan af.

Ugetsu Monogatari (1953)

Ugetsu Monogatari (1953)

Creatieve explosie
In 1932 nam het leger de macht over in Japan en vanaf 1939 werd de vrijheid van de filmindustrie beperkt; de overheid dicteerde de productie van propagandafilms en documentaires over Japanse cultuur en traditie. Na de Tweede Wereldoorlog werd het land onder Amerikaanse bezetting en bestuur ingrijpend hervormd; en de media gecensureerd op verheerlijking van keizer en traditie. En verkrachting door Amerikaanse soldaten, een epidemie in de naoorlogse bezettingsjaren.

In 1952 eindigde het Amerikaanse bestuur en kreeg Japan zijn soevereiniteit terug. Een generatie van filmmakers met dertig jaar ervaring kon plots in vrijheid, niet gehinderd door overheid of censuur, aan de slag in een nieuwe samenleving. Het gevolg: een explosie van creativiteit, goed voor een aantal van de mooiste zwart-witfilms ooit gemaakt.

De gouden eeuw van de Japanse cinema duurt van 1948, het jaar waarin Akira Kurosawa zijn eerste film maakte met acteur Toshirō Mifune (Drunken Angel), tot en met 1964, het jaar waarin Kurosawa zijn laatste film met Mifune (en laatste zwart-witfilm) draaide, Red Beard. In 1949 vond Yasujirō Ozu zijn hoogstpersoonlijke stijl in Late Spring, de eerste van een reeks films die werd afgebroken door zijn dood in 1963. In de eerste helft van de jaren vijftig maakte Kenji Mizoguchi zijn belangrijkste films.

New wave
Hoe intens de Japanse cinema bloeide in die gouden periode illustreert de volgende, tot creatieve pieken beperkte opsomming. Muzoguchi en Ozu waren niet de enige veteranen van de jaren twintig-generatie die een nieuw niveau van expressie bereikten. Teinosuke Kinugasa, die in 1926 het surrealistische avant-garde meesterwerk A Page of Madness had gemaakt, kwam met het samoeraidrama Gate of Hell (1953), de eerste Japanse film gedraaid in Eastmancolor. Keisuke Kinoshita, een leeftijdgenoot van Kurosawa, maakte het wonderschone Twenty-Four Eyes (1954), een film die meer erkenning verdient.

The Burmese Harp (1956)

The Burmese Harp (1956)

Kon Ichikawa trok de aandacht met zijn de anti-oorlogfilms The Burmese Harp (1956) en Fires on the Plain (1959). De door Mizoguchi beïnvloede Kaneto Shindo maakte met The Naked Island (1960) een existentieel drama zonder dialoog. Seijun Suzuki (beroemdste film: Tokyo Drifter, 1966) en Ishirō Hondo, de assistent-regisseur van Kurosawa, werden groot als regisseur van genrefilms; Hondo creëerde met Godzilla (1954) het genre van de monsterfilm, kaiju. Het oeuvre van Mikio Naruse, met zijn tragische vrouwen en humanistische toon, kan wedijveren met dat van Mizoguchi en Ozu.

Bovendien debuteerde een nieuwe generatie regisseurs, ze zouden met maatschappelijk geëngageerde en fel-realistische films de ruggengraat vormen van de Japanse new wave van de jaren zestig: Masaki Kobayashi (debuut: Youth of the Son, 1952), Shohei Imamura (debuut: Stolen Desire, 1958), Nagisa Oshima (debuut: A Town of Love and Hope, 1959), Masahiro Shinoda (debuut: One-Way Ticket for Love, 1960) en Susumu Hani (debuut: Bad Boys, 1961). De cinema van Japan was in luttele jaren uitgegroeid tot een grootmacht. Soft power in plaats van militair machismo.

Traditie versus moderniteit
De dynamiek van de Japanse cinema in de jaren vijftig reflecteert de spanning tussen traditie en de moderne tijd. Vertrouwde ideeën staan onder druk, nieuwe westerse (Amerikaanse) waarden worden populair. In een hiërarchisch georganiseerde samenleving waarin elk aspect van sociale interactie verloopt volgens regels en riten, is vrijheid een bron van onzekerheid en verwarring. Traditie versus moderniteit is het hoofdthema van de dertien films die Yasujirō Ozu tussen 1949 en 1962 maakte. Ozu’s toon is empathisch en berustend. In films als Scandal (1950) en The Bad Sleep Well (1959) van Akira Kurosawa dreigen morele corruptie en chaos de overhand te krijgen. Ze bruisen van energie.

De beeldtaal van Ozu is streng formalistisch: het beroemde kikkerperspectief. Kurosawa’s filmstijl daarentegen is heel dynamisch (westers, meent men in Japan) qua cameravoering en montage. In Scandal wordt een kunstschilder lastig gevallen door roddelfotografen, ruim voor het fenomeen paparazzi in het Rome van de jaren vijftig opgang deed. In The Bad Sleep Well experimenteert Kurosawa met geluid: de werkelijkheid van de scène en de geluidsband vallen niet samen.

Kenji Mizoguchi zit tussen die twee uitersten. Zijn naoorlogse films zijn jidai-geki, periodedrama spelend in het Edo-tijdperk of in de Japanse middeleeuwen, en de cameravoering is niet zozeer formalistisch, eerder gestileerd, maar tegelijkertijd dynamisch, met elegante crane en dolly shots. Zijn artistieke uitgangspunt ‘één scène, één shot’ – overgenomen door Tarkovski – vereist een tot in detail gecomponeerde mise-en-scène, die meesterlijk is uitgelicht. Het resultaat zijn zwart-witfilms die betoveren met grijstinten.

The Story of the Last Chrysanthemums (1939)

The Story of the Last Chrysanthemums (1939)

Dames van plezier
Veel van Mizoguchi’s films behandelen de positie van de vrouw in de samenleving en hun leven als tweederangsburgers die blootstaan aan vernedering en geweld. Zijn eerste succesfilm, Osaka Elegy (1936), gaat over een zelfstandige vrouw die haar baan en bestaan opgeeft voor een getrouwde man, om verstoten en in totale eenzaamheid te eindigen. Dat overkomt ook een van de twee geisha’s in Sisters of the Gion (1936), de ander wordt na alle emotionele mishandeling een mannenhaatster.

Mizoguchi’s persoonlijke stijl van lange shots en doorgecomponeerde mise-en-scène vindt zijn vorm in The Story of the Last Chrysanthemums (1939), waarin een vrouw haar persoonlijke geluk offert voor de glorie van haar (aanstaande) echtgenoot, een acteur. Met collega en tijdgenoot Mikio Naruse heeft Mizoguchi zijn medeleven gemeen voor vrouwen die moeten overleven door als geisha, yūjo (dame van plezier) of oiran (courtisane) mannen te vermaken. Dat heeft wellicht een persoonlijke reden: zijn zus werd verkocht als geisha, zijn vader was een bruut die zijn moeder en andere zus mishandelde.

The Life of Oharu (1952) is, zoals veel naoorlogse films van Mizoguchi, gebaseerd op een historische vertelling. De regisseur ontleende het verhaal van een concubine die door haar vader tot prostitutie is gedwongen, aan een roman uit de zeventiende eeuw. Oharu eindigt het in flashbacks vertelde verhaal – net als de maîtresse uit Osaka Elegy – eenzaam en alleen. Ook The Crucified Lovers (1954), gebaseerd op een achttiende-eeuws toneelstuk over twee gedoemde minnaars, is een catalogus van misogynie en wreedheid tegen vrouwen.

In Mizoguchi’s films zijn ze de speelbal van mannelijke grillen en het lot. Ze worden mishandeld, ontvoerd, verhandeld, uitgebuit, verkracht, gebrandmerkt, gekruisigd en vermoord. Het overkomt Miyagi, de vrouw van de pottenbakker in Ugetsu (1953), de verfilming van een spookverhaal uit de achttiende eeuw. In de feodale wereld van de historische films is de vrouwenhaat nog een tandje heftiger dan in Muzoguchi’s eigentijdse drama.

Sanshō the Bailiff (1954)

Sanshō the Bailiff (1954)

Vrouwelijke genade
Geen film van Mizoguchi is daar duidelijker over dan Sanshō the Bailiff (1954), de meest kernachtige verbeelding van zijn hoofdthema’s. De film, gebaseerd op een volksverhaal, is één litanie van lijden en het boeddhisme speelt een centrale rol in het verhaal. Het leven is een martelgang, leert de film; genade en opoffering fungeren als schild tegen de wreedheid van de corrupte feodale wereld van het middeleeuwse Japan.

“Zonder genade is een mens geen mens”, houdt een integere gouverneur zijn zoontje voor in een flashback aan het begin van de film. Nadat de bestuurder is verbannen, worden zijn vrouw en kinderen ontvoerd en verkocht; de moeder als prostituee, de dochter en zoon als kindslaaf in het werkkamp van een corrupte gouverneur. Het wordt bestierd door Sanshō, een gewetenloze wreedaard.

Het contrast met Sanshō, de schurk naar wie de film is vernoemd, is diens zoon Tarō. Hij keert zich af van zijn vader en wordt monnik. Als hoofd van een tempel helpt hij Zushiō, de zoon van de gouverneur, te ontsnappen. Sanshō the Bailiff telt meer bekeringen, inkeer is een thema van de film. Een ander thema is opoffering en het zijn de vrouwen die, zoals in al Mizoguchi’s films, hun welzijn opgeven voor een man: een geliefde, familie, een vreemdeling met goede inborst. Hier geeft de zus haar leven voor haar broer.

In de hartverscheurende slotscène, op het strand waar de moeder uitkeek naar haar kinderen, vinden moeder en zoon elkaar na meer dan tien jaar van scheiding. De moeder, blind inmiddels, herkent haar zoon aan het erfstuk dat zijn vader ooit aan hem gaf, een beeld van Kwan Yin, de boeddhistische godin van de genade. De zoon vraagt haar vergiffenis voor een morele keuze: als gouverneur ontmantelde hij het werkkamp in plaats van naar zijn moeder te zoeken. Ze antwoordt: “Je hebt de leer van je vader gevolgd en daardoor hebben we elkaar weer kunnen treffen.” Voor Muzoguchi is vergeving bij uitstek een vrouwelijke eigenschap.

Japan Restored, van 6 tot en met 23 december in Eye Filmmuseum, IJpromenade 1, Amsterdam, met digitaal gerestaureerde films uit de jaren vijftig van Kenji Mizoguchi (The Life of Oharu, The Crucified Lovers, Sanshō the Bailiff) en Yasujirō Ozu (Late Spring, The Flavor of Green Tea over Rice, Tokyo Story, Floating Weeds), en The Ballad of Nayarama (1983) van Shohei Imamura. Vanaf 23 januari gaan Late Spring, The Flavor of Green Tea over Rice en Tokyo Story van Ozu in landelijke roulatie.

 

3 december 2019


ALLE ESSAYS