Bizarro film: hoe, wie en wat?

Ondertussen, op de redactie:

Bizarro film: hoe, wie en wat?

ALFRED:

Ik wil het hebben over een bepaald slag films dat ontsnapt aan de vertrouwde categorieën. In Fabric, de nieuwe van Peter Strickland, is zo’n film die het postmodernisme voorbij is. Hij speelt met genres, mengt horror en komedie met satire en surrealisme, en is op sommige momenten bepaald bruut in zijn beelden. Ik noemde het, in het stuk over Strickland en zijn nieuwe werkstuk, bizarro film.

De term bizarro fiction is van recente datum. Hij komt uit de (Amerikaanse) literatuur en staat voor – ik vertaal het wiki-lemma – een eigentijds, dus eenentwintigste-eeuws, literair genre dat elementen van absurdisme, satire en het groteske (dus over de top), als ook popcultuur, surrealisme en genreclichés, gebruikt om vreemde, subversieve en vermakelijke werken te scheppen. Bizarro fiction is het postmodernisme duidelijk voorbij, het speelt daar een spelletje mee.

De films die ik, vooralsnog bij gebrek aan een beter woord, bizarro film of bizarro cinema noem, spelen ook een spelletje. Met de traditie, met de afspraken, met de bestaande genres, met de ‘gevestigde orde’. Ze willen ontregelen. Als reactie op de chaos en het absurde van het bestaan in de eenentwintigste eeuw, waarin alle vertrouwde waarden op los zand (b)lijken te zijn gebouwd? Als oefening in nerdy spitsvondigheid? Kijk mij eens, zie wat ik allemaal weet van de ‘canon’ en hoe ik daar mee kan goochelen? Als antwoord op gebrek aan coherente ideeën? Als schaamlap voor leeghoofdigheid? Elke regisseur zal zijn eigen redenen en motieven hebben.

Rubber (2010)

Rubber (2010)

Wie ik niét bizarro wil noemen, is Quentin Tarantino. Die is meta en postmodern, op stereotiepe wijze zelfs. De films van Quentin Dupieux daarentegen vallen zeker onder de noemer bizarro. Maakte Strickland een film over een moordende jurk, in 2010 kwam Dupieux met Rubber, over een moordlustige autoband. Wrong Cops (2013) gaat over, hoe kan het anders, foute flikken. En het even briljante als knotsgekke Réalité was in 2015 voor ons van InDeBioscoop de film van het jaar.

De Belgische regisseur Tim Wielants heeft ook zo’n film gemaakt, De Patrick. Die speelt op een nudistencamping, Wielants noemt het een kostuumdrama. Maar dan zonder kostuums. Zelf wijst hij op Bruno Dumont, de man van Ma Loute en tv-serie P’tit Quinquin, als voorbeeld, naast de films van Alex van Warmerdam en Jos Stelling.

Aan het werk van Dupieux, Dumont en Mielants kun je de films van Yorgos Lanthimos (The Lobster, The Killing of a Sacred Deer, The Favourite), de Mexicaan Amat Escalante (La región salvaje) en de Argentijn Benjamín Naishat (Rojo) toevoegen. En op strip gebaseerde tv-series als Preacher en American Gods, en de ultragewelddadige superheldenstatire The Boys. Allemaal voorbeelden van bizarro cinema. Het lijstje is verre van volledig.

Graag hoor ik jullie ideeën. Ben ik scheel of heb ik paddenstoelenthee gedronken? Zie ik geesten en moet ik mijn koortsige brein deppen met ijsblokjes? Of zien jullie gaandeweg en ongemerkt een nieuw genre of nieuwe stijl ontstaan, een stijl die onmiskenbaar en helemaal van deze tijd is? Als dat het geval is, laat me weten of jullie meer voorbeelden van bizarro cinema kunnen noemen.

 

SJOERD:

Een interessante aanzet van Alfred. Ik denk niet dat hij teveel paddenstoelenthee op heeft.

Films als In Fabric lijken terug te grijpen op wat filmtheoreticus Tom Gunning omschreef als de “Cinema of Attractions”. Waar narratieve cinema volgens hem draait om de absorptie in een op zichzelf staande wereld, draait de cinema of attractions om het tonen en stimuleren. Het heeft een exhibitionistisch karakter en de directheid maakt het aantrekkelijk voor de avant-garde. Denk maar aan The Man With a Movie Camera bijvoorbeeld.

Volgens Gunning was dit de vroege tendens van cinema, onder andere doordat het een soort kermisattractie was voor 1906. Daarna kreeg volgens hem de narratieve cinema de overhand. Of dit historisch allemaal accuraat is doet in ieder geval niet af aan deze bruikbare tweedeling.

In Fabric (2018)

In Fabric (2018)

Ik zou zeggen dat bizarro cinema zoals Alfred het omschrijft de kijker wil overdonderen met spektakel, op basis van het vrijelijk mixen van popcultuurelementen. Daarmee ligt wel het risico van navelstaarderij op de loer, iets waar In Fabric zich ook schuldig aan maakt (zie mijn recensie op Cine als ik mag linken naar een andere site ;)). In plaats van te reflecteren op het leven en de wereld worden dit soort films een reflectie op zichzelf. Wie de knipogen begrijpt, kan zichzelf op de borst kloppen. Het is een benauwend denken over een specifieke praktijk in plaats van over de wijde wereld. Wie de knipogen niet begrijpt, kan er niet zoveel mee.

Twin Peaks: The Return past ook zeker in de bizarro cinema. Het is een 18 uur durende verzameling YouTube-clipjes met David Lynch-stokpaardjes, pure stimulatie gebaseerd op chaos.

 

TIM:

Interessante aanzet, Alfred. Ze zegt iets over de wens (en misschien zelfs de nood) om groepen films samen te scholen en te categoriseren, maar net als Sjoerd denk ik niet dat je teveel paddenstoelenthee naar binnen hebt gewerkt. Bizarro cinema is een boeiende verzamelterm met grenzeloze cultpotentie, en de voorbeelden die je noemt helpen absoluut om me een idee te vormen. Had er nog niet eerder van gehoord; vul maar in of dat aan mij ligt of aan de (nog relatieve?) onbekendheid van de term.

Waar zit mijn weifeling? Enerzijds vraag ik me af of we sommige regisseurs niet teveel eer geven als we ze boven het postmoderne uittillen. Wanneer slaat een gebrek aan betekenis om naar een spel met datzelfde gegeven? Als zo’n spel zich al laat onderscheiden, rest telkens de kritische vraag of de regisseur hiermee daadwerkelijk iets nieuws vertelt, of dat deze ‘bizarro cinema’ enkel het aandeel versterkt van exhibitionistische filmmakers die vooral geïnteresseerd zijn in hun eigen (al dan niet absurde) referenties.

Een ander punt is dat ik postmodernisme an sich een ambigue term blijf vinden om regisseurs en oeuvres te omschrijven (laat staan een term die dat ontstijgt). Idealiter heeft een filmmaker altijd ‘iets’ te vertellen, hoe gefragmenteerd ook, als hij/zij alle vormen van deconstructie eenmaal voorbij is. Ik vraag me steeds af hoeveel filmmakers zichzelf écht postmodern noemen en hoe vaak het label van de criticus komt.

Suspiria (1977)

Suspiria (1977)

Om af te sluiten met een andere noot: voor mij was In Fabric onder meer Suspiria met mode, maar ik las naderhand dat juist deze inspiratie volgens Strickland niet bewust was geweest, ondanks zijn waardering voor Argento. Ben ik de enige die dat vreemd vind? Het geeft onder andere aan hoe lastig het soms kan zijn om referentiële films nauwgezet te ontwarren.

PS: Sjoerd, lees ik nu echt goed dat je Vertov’s The Man With a Movie Camera als een voorbeeld van Gunning’s ”Cinema of Attractions” ziet? Ik denk dat Vertov zich zou omdraaien in z’n graf ;)

 

COR:

In tegenstelling tot Sjoerd en Tim verdenk ik Alfred wel van het drinken van een aardige slok paddenstoelenthee. Ook ik kende de term ‘bizarro cinema’ niet, maar die komt vast uit het brein van iemand met een voorkeur voor sterkere middelen: ik gok ayahuasca.

Ook met een term als postmodernisme kan ik overigens bar weinig. Ik ken de beeldende kunst van Jef Koons en wat literatuur van Thomas Pynchon, maar wat moet ik met “postmodernistische films” als Monty Python and the Holy Grail (1975), Zelig (1983) en Holy Motors (2012) die in hetzelfde rijtje worden gepropt met The Blues Brothers (1980), Marie Antoinette (2006) en La La Land (2016)? Hier is overduidelijk sprake van meer dan slechts het drinken van bedwelmende middelen.

L'Âge d'or (1930)

L’Âge d’or (1930)

De door Alfred genoemde Rubber, Ma Loute en La región savalje mag je van mij best bizarro cinema noemen (ik lees simpelweg: films met een bizar tintje), evenals films als Skins en A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence (dat in geheel nuchtere toestand al krankzinnig genoeg klinkt). Volgens mij bestaat de gemeenschappelijk factor van deze als zodanig geïntroduceerde nieuwe kunststroming vooral uit een combinatie van absurdisme en surrealisme. Misschien is het in dit verband goed om toch maar (weer) eens Un chien andalou en L’Âge d’or van de plank te trekken. Bijna een eeuw oud zijn Luis Buñuels films zowel het postmodernisme als de bizarro cinema allang voorbij – nog voordat die stromingen überhaupt door iemand werden verzonnen.

 

BOB:

Een huis opruimen, ik heb het de laatste weken weer eens een keer gedaan en ik kan het iedereen aanraden. Alles bekijken of het je nog plezier geeft. Zo niet, dan weg ermee. Keihard zijn.

Zo ook met essayisme. Als ik alle essayisme opruim in mijn hoofd, verdwenen termen als postmodernisme en bizarro cinema en blijft er de liefde over voor mooie films, en die worden meestal gemaakt door ‘auteurs’, dat wil zeggen, mensen met een eigenwijze visie op dingen, en die iets nieuws willen proberen, meestal geholpen door hun voorbeelden, mensen uit het verleden die ook weer iets nieuws wilden proberen. En anderen vinden daar dan wat van, schrijven essays en verzinnen termen om die auteurs en hun ideeën op scherpzinnige wijze bij elkaar te kunnen voegen, waar je bijna van gaat stotteren, zoals het postpostmodernisme en postpostpostmodernisme.

We zijn een fijn voorbeeld van wat je in de biologie wederzijds parasitisme noemt. Wat moet een artiest in een wereld zonder reflecterende critici? Maar een wereld met alleen maar critici – oef, dan neem ik ook zo snel mogelijk mijn ruimteschip (aardeachtige planeten toch in overvloed vandaag de dag).

Het punt is soms dat het pad van experimenten na 100 jaar soms wel een beetje plat is gelopen voor de nieuwste auteurs. Dan komen we blijkbaar uit bij absurde horrorachtige films over dingen, zoals jurken, autobanden. Terecht ziet Alfred dat als iets nieuws. Het is ook iets nieuws. Een nieuw genre is geboren, bizarro cinema of spullenhorror, ik vind het allemaal prima, ik heb er net als Cor geen echt gevoel bij.

De Noorderlingen (1992)

De Noorderlingen (1992)

Wel kijk ik graag naar de bizarre fantasie die de bron is van die experimenten. Dat is die briljante bron waar het moois van Buñuel, Dupieux (Wrong en Realité vooral), Kaufman en Van Warmerdam vandaan komt. Fantasie met een scheut satire en absurdisme. Soms horror, soms komedie, vaak ongrijpbaar. Een van de stijlen waarin je het scherpst je auteurschap in kunt uitdrukken.

Het is alleen niet zonder risico. Publiek dat het vaak niet begrijpt (ik herinner me de nuchtere Hollandse reacties na Shinboru en Wrong nog goed), critici die het soms ook niet helemaal kunnen plaatsen. Maar wel artiesten die gelukkig zijn met hun maffe breinen en hier en daar een tevreden filmkijker. Dat houdt film levend!

Fijn weekend allen & als het te hard regent: ga eens lekker opruimen! Of een film kijken natuurlijk.

 

PAUL:

Misschien is het nuttig om twee in deze gedachtewisseling uitgezette lijnen, een hedendaagse en een historische, inhoudelijk nog wat steviger aan elkaar te knopen.

Het belangrijkste kenmerk van film is beweging. Dat wisten de surrealisten en zelfs hun voorgangers al. Wanneer beweging centraal staat, kan het onderscheid tussen levende (menselijke) wezens en bewegende, levenloze objecten vervagen. We zien het reeds in het pre-surrealistische Ballet mécanique (1924).

Als je dan die grote tijdssprong maakt, zie je dat niet alleen de beweging, maar ook de beweegreden (het motief) kan gelden voor zowel levende wezens als levenloze (?) objecten. In films, welteverstaan.

Halverwege die tijdssprong en ongetwijfeld veel goede voorbeelden overslaand, kom ik nog even langs The Love Bug (1968), één van de eerste films die ik als kind in de bioscoop zag. Protagonist was Herbie, een Volkswagen Kever met een eigen wil. Sloeg Herbie aan het moorden of verkrachtte hij weerloze Dafjes? Nee hoor, niets dat mijn tere kinderzieltje kon beschadigen. Herbie was een schattig karretje. Waarom ook niet?

The Love Bug (1968)

The Love Bug (1968)

En tegenwoordig maakt het geanimeerde object dan als moordlustige jurk of autoband zijn opwachting binnen de sjablonen van het horrorgenre. We hadden natuurlijk al Chuckie (Child’s Play (1988) en sequels). Maar een pop is nog een afgeleide van de mens. Terwijl we inmiddels zijn aanbeland bij het kwaadaardige ding an sich. De spullenhorror, om Bob’s term te gebruiken, die tot hem kwam toen hij zijn huis aan het opruimen was. Gezien de geijkte kaders waar het ‘nieuwe’ in is geperst, lijkt me die term geschikter dan het geflatteerd feeëriek klinkende bizarro cinema.

Alfred noemde in zijn aanzet echter ook De Patrick. Een nudistisch kostuumdrama, als ik het goed begrepen heb. Dezelfde weg wordt afgelegd, maar dan in omgekeerde richting. Huid is als textiel en daarmee krijgt het levende wezen in toenemende mate de eigenschappen van een levenloos object. Geen horror, dit keer. Dus toch bizarro cinema? Ach, etiketten…. Voor een nudist is een moordlustige jurk hoe dan ook de ultieme nachtmerrie.

 

ALFRED:

Dank voor de reacties!

Ik kan Cor geruststellen, verder dan nicotine en suiker gaat mijn zelfmedicatie niet en daar maakt de overheid zich al druk genoeg over. ‘Postmodern’ is inderdaad een vaak onkundig gebruikte en daardoor onbruikbaar geworden term. Over postmodernisme valt genoeg te zeggen, maar dat is niet het punt van deze Ondertussen.

Ik geef Bob groot gelijk dat hij zijn hoofd leegmaakt en alle theoretische (voor)kennis over genres, stromingen en stijlen voor even vergeet, wanneer hij een film gaat kijken. Zo maakt hij van zijn brein een leeg scherm waarop zijn verbeelding de film kan projecteren. Er is echter een slag films dat vals speelt. Het is een karaktertrek van de postmoderne film dat hij de kijker er juist toe aanzet – soms zelfs dwingt – om zijn filmkennis wél aan te spreken.

De prikkel daartoe zijn verwijzingen naar andere films of zichzelf, zoals Jean-Luc Godard, in de jaren van de nouvelle vague, via filmische kunstgrepen de kijker eraan herinnert dat hij niet uit het raam kijkt, maar naar een film. Niet iedereen herkent de verwijzingen, zoals ironie (tegenwoordig steeds vaker) niet altijd wordt begrepen. Wat geen regisseur zal weerhouden zo’n film te maken, alleen in de Disney-bijbel staat geschreven dat cinema een allemansvriend moet zijn.

Sjoerd vindt dat al dat verwijzen naar het medium zelf een tikje navelstaarderig en wereldvreemd. Op zich heeft Sjoerd wat mij betreft gelijk, dat spel met referenties kan ontaarden in een narcistisch spiegelpaleis dat heel tevreden is met zichzelf, maar tevens zo leeg als een lekke fietsband. Het is het verwijt dat honderd jaar geleden werd gemaakt aan de l’art pour l’art opvatting over schoonheid. Kunst als louter vorm is decoratie.

En veel eigentijdse film is inderdaad voornamelijk vorm, inhoudelijk leeg—film als entertainment, om de tijd te vullen. En dan rest er slechts spektakel. Of gezwijmel over esthetiek. Het is een van de redenen waarom ik mezelf dit jaar minder vaak in de bioscoop terugvond dan in voorgaande jaren.

Der Golem (1915)

Der Golem (1915)

Paul verwijst naar een belangrijke troop van de vroege cinema, het simulacrum. Denk aan De Golem (bezielde kleipop) of Der Student von Prag (spiegelbeeld dat uit de lijst stapt en dubbelganger wordt). Sciencefiction en gothic novel (Frankenstein) maken er eveneens graag gebruik van. Ook J. L. Borges, de Argentijnse auteur en vader van het postmodernisme, jongleerde met fictie en non-fictie, met echt en gespeeld. Honderd jaar terug was er vrees voor het simulacrum, tegenwoordig wordt het omarmd, is het zelfs iets om na te streven. Dat zegt veel over deze tijd.

Tim heeft wat mij betreft een punt als hij stelt dat het teveel eer is om sommige regisseurs kwaliteiten toe te dichten die ze vooralsnog missen. Geen enkele regisseur ziet zichzelf als een bizarro cineast of denkt: ik ga een bizarro film maken. Wat we in de bioscoop zien, zijn aanzetten van een nieuwe, eenentwintigste-eeuwse filmstijl.

Voor alle duidelijkheid, bizarro cinema is een stijl, geen genre. Zoals film noir en nouvelle vague een stijl zijn en geen genre. De in stilistisch opzicht vreemde vermenging van genres, vol popculturele (niet alleen film)verwijzingen, is relatief nieuw. En in dat opzicht kenmerkend voor het huidige, chaotische, multifocale post-9/11 tijdgewricht. Ik verwacht nog veel ‘gestoorde’ films in de bioscoop, al dan niet zo bedoeld of het resultaat van pretentie dan wel incompetentie. We sluiten af met goed nieuws: op 19 december komt de nieuwe Quentin Dupieux, Le daim/Deerskin, uit in Nederland. 

 

13 oktober 2019

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Woodstock: bepalend moment van de babyboomers

50 jaar Woodstock
Bepalend moment van de babyboomers

door Alfred Bos

Het begon als een idee voor een platenstudio. Het werd het meest beroemde, ophefmakende, historisch significante popfestival ooit. Op de vijftigste verjaardag van Woodstock is de documentaire van Michael Wadleigh voor één dag opnieuw te zien.

De zomer van 1969 was een waterscheiding in de westerse cultuur. Op 20 juli zette Neil Armstrong als eerste mens voet op een ander hemellichaam, het was wereldnieuws. Diezelfde week oversteeg de rekenkracht van alle computers tezamen het rekenvermogen van de mensheid, de kranten zwegen erover.

Woodstock (50th Anniversary)

Leden van Charles Mansons sekte pleegden in de nachten van 9 en 10 augustus de geruchtmakende Tate/La Bianca-moorden en verstoorden de hippiedroom. Nog geen week later, van vrijdag 15 tot en met maandagmorgen 18 augustus, vond in Bethel, New York het Woodstock-festival plaats, aangekondigd als ‘drie dagen van vrede en muziek’. Er kwam een half miljoen bezoekers op af en de gouverneur van de staat New York riep de festivallocatie uit tot rampgebied. In luttele weken werden historische grenzen overschreden.

Voor iedereen die er niet bij kon zijn, draaide in Amerika vanaf 26 maart 1970 de documentaire die de onafhankelijke cineast Michael Wadleigh over het festival – de muziek en de bezoekers – maakte. Woodstock opende op 25 juni in Nederland; ná de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk, maar vóór de rest van de wereld. Vanaf 11 mei van dat jaar lag de driedubbelelpee met opnamen van het festival in de winkel, een jaar later gevolgd door een dubbelaar.

Voor wie er echt geen genoeg van kan krijgen, is er ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Woodstock een speciale uitgave met 38 cd’s verschenen. Daarop staan alle 432 nummers die de 32 acts en artiesten hebben gespeeld tussen vrijdagmiddag 5 uur (Richie Havens) en maandagmorgen 11 uur (Jimi Hendrix). Eén cd verzamelt alle podiumaankondigingen: “Klim niet in de torens”. “De bruine acid die rondgaat is niet bijzonder goed, we raden aan om er weg van te blijven”. “Vanaf nu is het een gratis concert”. Woodstock is een geval apart.

Festivalkoorts
Dat er überhaupt een film was te zien, is te danken aan voormalige platenbaas en muzikant Artie Kornfeld. Samen met concertpromotor Michel Lang benaderde hij de financiële adviseur Joel Rosenman en de rijke zakenman John P. Roberts. Aanleiding was een advertentie in de Wall Street Journal waarin dat tweetal zich had geafficheerd als ‘jongemannen met ongelimiteerd kapitaal’, op zoek naar zakelijke ideeën. Het idee van Lang en Kornfeld was om een opnamestudio te openen in Woodstock, in upstate New York. Het werd een meerdaags muziekfestival; niet in Woodstock (geen locatie beschikbaar), niet in Walkill (protest van bewoners), maar in Bethel, op het terrein van boer Max Yasgur.

Woodstock (50th Anniversary)

In de zomer van 1969 had Amerika last van festivalkoorts. Vanaf het eerste weekend van april (Palm Springs, Californië) tot en met het laatste weekend van augustus (Lewisville, Texas en Prarieville, Louisiana) was de kalender van oostkust tot westkust gevuld met een reeks festivals: West Hollywood (Florida), San Jose (Californië), Detroit (Michigan), Denver (Colorado), Edwardsville (Illinois), Hampton (Georgia), Laurel (Maryland), Milwaukee (Wisconsin), Woodinville (Washington) en Atlantic City (New Jersey) waren het decor van drukbezochte rockfestivals.

Woodstock leek de zoveelste in een rij, de organisatie rekende op het respectabele aantal van maximaal honderdduizend betalende bezoekers. Het werden er zo’n half miljoen, waarvan het overgrote deel zonder kaartje. Opeens was de wei in Bethel onbedoeld een stad van een kleine half miljoen inwoners, een stad zonder infrastructuur. Zonder voedsel, zonder medicijnen, zonder sanitair. Onbereikbaar ook, de wegen zaten tot ver in de omtrek verstopt, alle hulp moest worden ingevlogen. Het had zomaar kunnen uitdraaien op een humanitaire ramp.

De lokale bevolking begon voedsel in te zamelen, het leger vloog met helikopters veldartsen in, de Hog Farm-commune-activisten van Wavy Gravy (Hugh Romney) bemanden een gaarkeuken en deelden gratis eten uit. Gouverneur Rockefeller verklaarde Bethel tot rampgebied. Bovendien werkte het weer niet mee. Op zondagmiddag maakte een zomerstorm van de weide een modderpoel. Maar ondanks alle ontberingen klaagde niemand, iedereen hielp elkaar. Het gevoel van eenheid onder het publiek oogt vijftig jaar na dato nog steeds utopisch.

Woodstock Nation
Elk van de half miljoen bezoekers – en de muzikanten niet uitgezonderd – had het gevoel deel van iets unieks te zijn. Woodstock werd het bepalende moment voor de generatie van de naoorlogse baby boomers. “We zochten geen antwoorden, we zochten gelijkgestemden”, zeggen bezoekers van toen vijftig jaar later. Die vonden ze op de heuvels van Bethel.

Het gaf hen een gemeenschappelijk levensgevoel, zelfbewustzijn, een identiteit en cultureel momentum. Hun belevingswereld verschilde ingrijpend van die van hun ouders en dier conservatieve ideeën, burgerlijke waarden en zielloze bestaan. Ze noemden het ‘Woodstock Nation’, waar de verbeelding aan de macht was. Dat weekend werden babyboomers de Woodstockgeneratie.

50 jaar Woodstock

Twee dingen waren cruciaal voor het gevoel van verbondenheid dat het half miljoen vreemden op de weide van zuivelboer Max Yasgur met elkaar deelden: muziek en Vietnam. Het protest tegen de oorlog in Vietnam was de motor achter het ontstaan van de tegencultuur die de psychedelische revolutie, het ecoprotest van The Whole Earth Catalog en de alternatieve media van underground comix en tijdschriften à la Rolling Stone had voortgebracht.

Boven de babyboomers hing de dreiging van militaire dienstplicht. Wie werd opgeroepen, kon naar Vietnam worden gezonden en terugkeren in een bodybag. Ze ontvluchtten die donkere werkelijkheid in muziek, en drugs. Muziek was het cement dat alle uiteenlopende interesses en belangen van de tegencultuur tot een geheel kitte. Festivalafsluiter Jimi Hendrix bracht in zijn deconstructie van het Amerikaanse volkslied Vietnam en muziek samen.

Woodstock en al die andere festivals in de zomer van 1969 hadden Montery Pop, van juni 1967, als voorbeeld. De moeder aller rockfestivals was bedoeld om rockmuziek dezelfde culturele status als jazz en folk te geven. Lou Adler, mede-organisator van Montery Pop: “Montery draaide om de muziek. Woodstock draaide om het weer en de bezoekersaantallen.” Maar tijdens Woodstock overstegen het publiek en hun tegencultuur de betekenis van de muziek. Het festival markeert het moment waarop de tegencultuur de nieuwe mainstream werd.

Chicago maakt plaats voor Santana
Meer dan een kwart van de acts die hadden gespeeld op Montery Pop stond ook op Woodstock: Jimi Hendrix, The Who, Janis Joplin, Jefferson Airplane, Country Joe & The Fish, The Grateful Dead, Paul Butterfield Blues Band, Canned Heat en Ravi Shankar. Ze waren symbolen van de tegencultuur en vormden het hart van het Woodstock-affiche. Dat werd verder gevuld met nieuwe en minder bekende namen als Joe Cocker, The Band, Mountain, Johnny Winter, Santana en Crosby, Stills, Nash & Young (het was hun tweede optreden). Sly & The Family Stone vervulde op Woodstock de rol die Otis Redding en de Stax-revue hadden op Montery, die van excuus-soulact.

Voor de hand liggende namen ontbraken om uiteenlopende redenen. Bob Dylan vertrok op de openingsdag van Woodstock naar Engeland, om daar op 31 augustus te spelen op het Isle of Wight Festival of Music. Simon & Garfunkel werkten aan een nieuw album, dat in 1970 zou verschijnen als Bridge Over Troubled Water. The Byrds hadden hun buik vol van festivals. The Doors zegden op het laatste moment af, ze vreesden ‘een tweederangs Montery’. Love was uitgenodigd, maar paste. Chicago werd door concertpromotor Bill Graham (we zien hem in de backstagebeelden) van het affiche gemanipuleerd. De reden: zo kon hij de nieuwe groep onder zijn hoede, het op dat moment volstrekt onbekende Santana, aan het Woodstock-programma toevoegen. Santana vulde de plek van Chicago.

Woodstock (50th Anniversary)

Santana was als grote onbekende dé relevatie van het festival en levert het muzikale hoogtepunt van de documentaire. Omdat de groepsleden lsd hadden geslikt, werd hun bijdrage een uur uitgesteld. Een akoestisch optreden van Country Joe McDonald vulde het gat, zijn vertolking van Fish Cheer is een van de iconisch momenten in de film. Santana’s rock met latin-elementen was in 1969 een nieuw geluid en de verbazing en opwinding onder het publiek worden in de split screenbeelden van Woodstock raak gevangen. Mede dankzij de lsd heeft de groep vleugels en stijgt boven zichzelf en het moment uit.

De registratie van Soul Sacrafice, het slotnummer van Santana’s optreden, biedt pure magie. Het is één van de beste liveperformances uit de rockhistorie en maakte de reputatie van de groep. Twee weken na Woodstock verscheen het titelloze debuutalbum, werd een hit en de rest is geschiedenis. Geen groep heeft zoveel baat gehad bij Woodstock als Santana, het festival lanceerde de carrière van de band. Het werkte wederzijds, met Santana had Woodstock een uniek en onderscheidend moment. Het complete Woodstock-concert is terug te horen op bonus-cd bij de heruitgave uit 2004 van Santana.

Martin Scorsese
Woodstock is één van de beste concertfilms ooit, misschien wel de beste. Het is de eerste en enige documentaire van regisseur Michael Wadleigh en won in 1971 een Oscar. (Wadleigh maakte daarnaast slechts de thriller Wolfen, een film die cultfaam onder liefhebbers van horror heeft.) De cameramensen hadden in 1969 ongekende vrijheid om de optredens op en rond het podium te filmen. Ze zitten de muzikanten letterlijk dicht op de huid, wat de beelden ongewoon intiem maakt. De split screen-editing is functioneel en werkt dramatisch in het voordeel van de muziek, zo maakt de montage de registratie van The Who extra krachtig.

Voor de montage waren zeven editors verantwoordelijk, waaronder Thelma Schoonmaker en Martin Scorsese. Schoonmaker werd nadien de vaste editor van Scorsese, die tevens als assistent-regisseur aan de film heeft meegewerkt. Die ervaring heeft hij nadien benut voor zijn concertfilms en muziekdocumentaires over The Band (The Last Waltz, 1978), Bob Dylan (No Direction Home, 2005), Rolling Stones (Shine a Light, 2008), George Harrison (Living in a Material World, 2011) en opnieuw Bob Dylan (Rolling Thunder Revue, 2019).

Woodstock (50th Anniversary)

Bij het vijfentwintigjarige bestaan in 1994 kwam Woodstock in Amerika opnieuw uit. De oorspronkelijk versie uit 1970 is 184 minuten (drie uur en vier minuten) lang. De director’s cut van 1994 telt 224 minuten (drie uur en drie kwartier), aan de eerste versie zijn opnamen van Canned Heat, Janis Joplin en Jefferson Airplane toegevoegd; de laatste twee waren niet in het origineel te zien. Het segment over Jimi Hendrix is uitgebreid met een verbluffende vertolking van Voodoo Child (Slight Return). Niet in de bioscoop vertoond materiaal kwam in 2009 op dvd beschikbaar via de 40th Anniversary-uitgave van de film.

Kassucces
Woodstock was een bijgedachte en kostte 600.000 dollar om te maken. Door omstandigheden werd Woodstock een gratis toegankelijk festival, wat het kwartet organisatoren in eerste instantie een miljoenenschuld opleverde. De film bleek echter een kassucces en heeft vijftig jaar later, los van plaatverkoop en merchandise, naar schatting vijftig miljoen dollar opgebracht. Ook dat typeert de babyboomers.

Waarom werd Woodstock het kantelpunt en niet een van al die andere festivals die zomer? Woodstock haalde in Amerika de nationale pers: er ging van alles fout en toch liep het, als een mirakel en met dank aan de verdraagzaamheid van de bezoekers, niet uit op een ramp. Woodstock bracht het mirakel naar de rest van de wereld.

Maar het meest fundamentele facet van de culturele waterscheiding die in de zomer van 1969 gestalte kreeg, is dit: de film van het festival, de virtuele werkelijkheid, is lucratiever dan het festival zelf, de fysieke werkelijkheid. Zo symboliseert Woodstock via Woodstock met terugwerkende kracht de door media geschapen hyperrealiteit van de eenentwintigste eeuw.

De director’s cut van Woodstock (224 minuten lang) beleeft zaterdag 17 augustus zijn ‘première’ op Lowlands en is zondag 18 augustus eenmalig te zien in meer dan honderd bioscopen.

 

10 augustus 2019


ALLE ESSAYS

Les Valseuses: van schandaalfilm tot topcarrière

Les Valseuses
Van schandaalfilm tot topcarrière

door Bob van der Sterre

Les Valseuses. Een van die Franse schandaalfilms die nog steeds heftige reacties oproepen. Isabelle Huppert, twintig jaar oud ten tijde van de film, droeg maar voor een klein beetje bij aan de reputatie van de film, maar het opstandige karakter van de film bleek haar goed te liggen.

Huppert begon zoals veel sterren al jong te acteren in films. In 1971 en 1972 speelde ze vooral studentes in tv-films. Als we even de tijdmachine nemen en haar volgen in die tijd, zien we haar vermoedelijk als leergierige tiener staren naar Jacques Brel in Le Bar de la Fourche en Yves Montand en Romy Schneider in César et Rosalie.

Les Valseuses

In 1974 werd het nog iets interessanter met een bijrol in de bizarre horrorfilm Glissements Progressifs du Plaisir van romanschrijver/filmmaker Alain Robbe-Grillet. Het zal haar geest definitief rijp hebben gemaakt voor deze bijrol in Les Valseuses in 1974. Controversiële films bleken haar goed te liggen en moeilijke rollen vond ze niet snel lastig. Later in de jaren zeventig speelde ze bijvoorbeeld lastige vrouwenrollen in Sauve Qui Peut, Loulou en Violette. Een lijn die je kunt doortrekken naar bijvoorbeeld La Pianiste (2001) en Elle (2016).

De bijdrage van Huppert
Het is lastig om iets te schrijven over de bijdrage van Isabelle Huppert aan Les Valseuses aangezien ze maar zeven minuten in beeld is. Huppert komt pas na 1 uur en 43 minuten in de film als Jacqueline, een zestienjarige dochter van een burgerlijk gezin, dat aan het picknicken is in een droge rivierbedding (wat je kennelijk toen deed). Twee mannen en een vrouw komen ineens langs om de auto van het gezin te ruilen voor hun auto.

Jacqueline, met blauw hoedje en Mickey Mouse-T-shirt, kijkt eerst verward, dan geamuseerd toe. Anders dan haar ouders kan ze erom lachen en aangezien ze toch genoeg heeft van de vaderlijke brave dictatuur, loopt ze heel eigenwijs bij hen weg, om zich bij het vrijzinnige groepje aan te sluiten. De twee mannen bleken al in hun vakantiehuisje aan de bh van Jacqueline te hebben gesnuffeld. Een van hen, Jean-Claude (Gérard Depardieu), wist na het snuffelen zeker dat ze ‘minstens zestien’ is.

Hupperts karakter en wat ermee gebeurt, heeft wezenlijke betekenis voor het plot. Dat kan ik hier niet verklappen voor de lezers die de film nog niet hebben gezien. Wat opvalt is dat haar brutale acteerwerk hier al wel sprankelt en dat ze zeker niet terugdeinst voor lastige scènes. Het is alsof ze zelf een beetje wegloopt van een braaf acteursbestaan en definitief kiest voor het zijn van een vrije en liberale actrice.

De bron van eigenwijze karakters waar ze later nog veel meer uit zou putten, zoals in Elle, is in feite hier al te zien in een zwakkere schittering. De heldere Huppert-ogen verraden al een plezier in haar vak waar ze later veel gebruik van zal maken.

Bruut begin, lief einde
Terug naar Les Valseuses. Wat is dan die film die haar wat meer op de kaart zette (maar nog niet veel meer, want hierna ging het nog een poos door met bijrollen)? Het is wel te begrijpen dat er na ruim veertig jaar mensen nog steeds geschokt kunnen zijn door de film. Het begin is opmerkelijk bruut en vrouwonvriendelijk, met drie aanrandingen in een half uur tijd. En dan nog wat afpersingen, berovingen, autodiefstallen, moorden. Het is heel lastig om deze twee vervelende gasten, die zich eigenlijk geen raad weten met hun levens, sympathiek te vinden.

Toch, wie dit lastige stuk uithoudt, krijgt een moedige en eigenzinnige film te zien. Het verhaal van regisseur Bertrand Blier, gebaseerd op zijn eigen roman, verandert dan langzaam van koers. Je ziet het al een beetje in hoe de karakters steeds meer een soort kwetsbaarheid laten zien, zoals wanneer Patrick Dewaere tijdens een aanranding als een baby aan een borst gaat zuigen. Die aanranding, die zich onverwacht ontwikkelt, verandert de film. Ze gaan dan, meer onbewust dan bewust, andere mensen helpen met hun bevrijding. Dat eindigt met een paar onverwachte, lieve scènes. Daarmee heeft de film een evenwicht die doet denken aan yin yang.

Zwakheden van mannen en vrouwen
Les Valseuses is zeker geen film om als drama op te vatten. Dit is een filosofische film die lichtzinnig en geestig de zwakheden van mannen en vrouwen bespot. Eerlijkheid is soms al schokkend genoeg – zeker als het over seks gaat. En dat is een kenmerk van veel films van Blier.

Over Bertrand Blier valt verder nog heel veel te vertellen, veel van zijn films behoren tot mijn favoriete films (denk aan Calmos, Buffet Froid, Trop Belle pour Toi, Preparez vos Mouchoirs). De typische verlaten architectuur, de dagelijkse dingen, de man-vrouwverhoudingen, de karakters die eigenlijk te vriendelijk zijn voor conflicten.

Les Valseuses

Deze film zou je kunnen opvatten als het afkeuren van het oude, burgerlijke Frankrijk en het invoeren van nieuwe sociale regels (in de geest van de Franse revolutie van ’68). Dat bewaren we voor het moment dat er een retrospectief komt voor deze, in ons land helaas nog minder bekende regisseur.

We bekijken hier vooral de gelukkige bijrol van Huppert en zien dan de eerste, trefzekere stappen van een getalenteerde actrice die hard gevochten heeft om haar plekje in de cinema te veroveren. Ze heeft altijd een goede hand van films en regisseurs kozen haar ook gretig. Helaas zijn er ook veel films die de sterke persoonlijkheid van Huppert hebben misbruikt. Dat zijn Huppert-vehikels – films die erg leunen op haar star power maar die daardoor, net als een voetbalteam met maar een sterspeler, te veel leunen op die vedette om echt goed te kunnen worden.

Zelf zei ze: ‘It’s just a desire to work. A desire and a need, like eating.’ Des te aardiger is het daarom om haar weer eens in een piepkleine bijrol te zien waar het allemaal begon.

Kijk hier het landelijke draaischema van Les Valseuses.

10 juli  2018

 
MEER ISABELLE HUPPERT
 
 
ALLE ESSAYS

Racisme en andere sociale kwesties in film

Ondertussen, op de redactie:

Racisme en andere sociale kwesties in film

PAUL:

Cor, ik heb zeer geboeid jouw recensie van Green Book gelezen. Een intuïtief gekozen onderwerp (mijn recensie van The Hate U Give) krijgt hierdoor voor mij meer context. Precies wat ik als beginnend recensent beoog.

In mijn eerste, veel te lange versie van mijn recensie had ik opgemerkt dat het hout in The Hate U Give hier en daar van dikke planken wordt gezaagd (het dappere zwarte gezinnetje als mede-hoeksteen van de samenleving en dergelijke).

Bij het schrappen heb ik de doorslag laten geven dat mijn (virtuele) zeventienjarige dochter (of zo iemand) door het zeer knap gemaakte The Hate U Give waarschijnlijk 2,5 uur lang door de rugleuning van haar bioscoopstoel zou zijn geblazen (ik ook, anders had ik die virtuele dochter niet kunnen construeren).

Wat leren wij van films over rassendiscriminatie? Welke vorm (docu, speelfilm, feelgood of niet) is het meest ‘effectief’? Let op: ik gebruik dat woord in de kop van mijn recensie vooral in de box-office betekenis. Maar volle zalen zijn natuurlijk wel volle zalen. Zie eerdere Ondertussen over invloedrijke films (The Wizard of Oz).

Algemener: moet een filmmaker die heikele sociaal-maatschappelijke kwesties willen aanroeren, op volle zalen mikken, of moet hij (zij) zich daar niets van aantrekken? Wat kunnen de bijwerkingen zijn als die volle zalen worden beoogd? Zie in dit verband ook Tims recensie van Capharnaüm.

 

The Hate U Give

The Hate U Give

 

TIM:

Het is essentieel dat filmmakers hun medium kunnen gebruiken om sociaalpolitieke misstanden aan te kaarten. De sleutel ligt hem in de manier waarop. Idealiter: durf de dialoog aan te gaan en meerdere perspectieven op tafel te gooien. Kader je kritiek en maak duidelijk waar de urgentie vandaan komt. Paul, je verwijst naar mijn stuk over Capharnaüm: ik had persoonlijk moeite met de politieke implicaties van de film, maar het was de manier van (re)presentatie die het werkelijk ondraaglijk maakte. Er is dus een verschil tussen een attitude en de manier waarop je die in en door film uitdraagt.

The Hate U Give maakt vanaf het begin duidelijk waarom ze urgent is, wat ze wil aankaarten en voor welke doelgroep(en). Het maakt de film effectief (soms iets té, want (ook?) ik had moeite met het einde). Het scenario is slim geschreven en zet aan tot discussie en zelfreflectie. De woorden ‘voorspelbaar’ of ‘aangedikt’ zijn in dit kader ook veel minder relevant omdat het er hier juist om gaat dat we zien, begrijpen, denken. Dat we onze eigen bril omkeren. Dat is geen hypocrisie maar een vorm van open communicatie.

Ik hoop dat Nederlandse middelbare scholen deze film in een educatieve context gaan vertonen.

 

PAUL:

Tim, bedankt voor je reactie. Geen speld tussen te krijgen. Toch een paar zinnen retour.

Ik heb Capharnaüm (nog) niet gezien. Je nodigt er ook niet toe uit (of misschien wil je dat wel doen; gewaarschuwde filmkenners zouden voor twee kunnen tellen). Hoe dan ook denk ik je te begrijpen: een politieke boodschap in een film is niet verboden, schrijnende beelden evenmin, maar specifieke combinaties van die twee kunnen op de maaginhoud werken. Dan heb je het, zou ik zeggen, over een propagandafilm, met alle onsmakelijkheden (niet altijd) van dien.

Wat The Hate U Give betreft, heb ik teruggrijpend op mijn beginnetje nog een enkel randissue. Bestaat er eigenlijk een filmgenre ‘voor jongeren’ (vgl. young adults in de literatuur)? Of heb ik dat, terecht of niet, nu uitgevonden? Moet je in zo’n geval als recensent (virtuele) jongeren meenemen naar de bioscoop of moet je in je commentaar voluit gaan, ongeacht of je tot de doelgroep behoort?

 

ALFRED:

Tussen het schaatsen door – NK Allround – een korte reactie met betrekking tot ‘een filmgenre voor jongeren’.

Er worden, zeker in Amerika, al jaren films gemaakt voor wat daar young adults (jongvolwassenen) heten; in Nederland noemen we dat – een beetje ongelukkig, wat mij betreft – tienerfilms. Er is een grote overlap met het fenomeen ‘meidenfilm’ (chick flicks). The Hunger Games (2012) is wellicht het bekendste voorbeeld. Het succes van die film was in Amerika aanleiding voor een hausse van young adult novel verfilmingen, al werden die meer incidenteel al jaren verfilmd (Harry Potter, The Chronicles of Narnia, om maar wat te noemen). The Divergent-trilogie (ook dystopische sf, net als The Hunger Games) is een voorbeeld. Ready Player One is eveneens in die categorie te plaatsen.

Overigens is de tienerfilm dé plek waar de volgende generatie steractrices wordt gecultiveerd. Jennifer Lawrence, vorig jaar nog de best betaalde actrice van de planeet, brak door via The Hunger Games. De hotste jonge steractrice van dit moment, Saoirse Ronan (Mary Queen of Scots, Lady Bird, Brooklyn), was als puber te zien in The Lovely Bones en City of Ember.

Ik zou de tienerfilm geen genre noemen, het tienerboek evenmin. Tienerfilm en -boek richten zich op een specifieke doelgroep. Het is dus een marketingterm.

Voor mezelf sprekend: ik maak bij mijn recensies geen onderscheid naar publiek. Ik ga, in Pauls termen, dus voluit. En kruip niet op mijn kurken om de jeugdige lezer annex bioscoopbezoeker in Jip & Janneke-termen toe te spreken. Die neem ik net zo serieus als de ‘volwassen’ lezers. Je kunt pubers – begrijpelijk – ook niet kwader maken dan ze als niet-volwassen, dus als tiener, te behandelen.

 

YORDAN:

De jongvolwassenen domineren tegenwoordig de bioscopen. Er is een mooie lijst op Wikipedia die laat zien welke films per jaar het meeste geld opbrengen. Aan deze lijst is op te maken dat sinds Star Wars (1977), de kassa het hardst rinkelt voor films gericht op pubers en kinderen. De laatste jaren is dit wel erg schrijnend geworden. Hierbij moet je denken aan films als Captain America, Transformers, Harry Potter, The Avengers en de nieuwe Star Wars-aftreksels. Ik vind het erg pijnlijk dat Black Panther genomineerd is voor best picture. Het zegt iets over de kant die de filmwereld op aan het gaan is. Van al die tienerfilms is alleen Mad Max: Fury Road de moeite waard. Verder kan je ze van mij part allemaal overslaan.

Ik zou het teleurstellend vinden als IDB zich op jongvolwassenen zou richten. Dat zou vervolgens betekenen dat we het ook uitgebreid over series moeten hebben. Dan kan de hele redactie naar weer een Netflix-original over een drugskartel in Zuid-Amerika gaan kijken. Er moet iemand zijn die de jongvolwassenen vertelt dat Edge of Tomorrow de kinderachtige versie van Groundhog Day is. Of dat we het bij rassendiscriminatie in godsnaam over 12 Years a Slave en Moonlight hebben in plaats van Black Panther verheffen tot emancipatiesymbool.

Ik ben het eens met Alfred. Er vol in gaan. De schrijver past zich niet aan aan zijn lezers.

 

Capharnaüm

Capharnaüm

 

TIM:

Ha Paul, nog even als reactie op je laatste terugkoppeling rond Capharnaüm. Die denkbeeldige maaginhoud is natuurlijk hoogstpersoonlijk; wat ik een stuk kwalijker vind is dat de politieke ideologie van de film verhuld blijft, omdat het publiek eerst en vooral met de neus op de armoede wordt gedrukt. Met andere woorden: empathie wordt niet verdiend maar uitgespeeld. Daar gedijt een impliciete boodschap goed op. Of ik de film wil afraden houd ik in het midden. Critici zijn er wat mij betreft om discussies te voeren en op gang te brengen, niet om de mening of vooroordelen van een ander te bepalen;)

 

PAUL:

Tim, jouw maaginhoud is inderdaad hoogstpersoonlijk (of volg je een standaarddieet?:)). Maar weerzin (algemener) bij het zien van een film vind ik wel relevant bij een bespreking.

Ik ben het in principe met Alfred en Yordan eens dat je in een recensie voluit moet gaan (mijn term). Maar niet ‘voluit’ laten zien wat een verstandige, kritische recensent je wel bent. Je fysiologische perceptie van de film doet er toe. Heb je zitten janken bij een traditioneel opgezet romantisch drama, zeg het. Heb je bij een veel geprezen arthousefilm (stomme term) op je stoel zitten schuiven van ergernis en verveling, zeg het. Ik bedoel: benoem je eigen gevoel voor jezelf en onderbouw het in je recensie. Onderzoek wat er ‘waar’ zou kunnen zijn aan dat gevoel. Ik pleit dus niet voor kort door de bocht recenseren, geen zorgen.

Nog even terug naar Tim. Je algemene opmerking over filmcritici ondersteun ik. Maar als je het specifiek over recensenten hebt? We geven die sterretjes en die functioneren als aanradertjes en afradertjes. Dat weten we allemaal.

Cor, Yordan gaat nog specifiek in op films over rassendiscriminatie (back to the start). Is dat niet iets voor jou om op te reageren (jij overziet dit spectrum beter dan ik, zoals ik eerder aangaf)? Bovendien begin ik over sterretjes te morren. Dus hoofdredactioneel ingrijpen is wel op zijn plaats:).

 

SJOERD:

Het komt er vaak op aan de wereld niet alleen te interpreteren, maar deze ook te veranderen. Aangezien kunst per definitie binnen een sociale context ingebed zit, heeft elk kunstwerk (of het nu gericht is op vermaak of niet) deze verantwoordelijkheid. Of de makers daar nu aan willen of niet. Film is in wezen het overbrengen van ervaring. De emoties die daarmee gepaard gaan zijn in geslaagde werken ambigu, aangezien een ieder zo’n ervaring op een andere manier beleeft. Daaruit komt de reflectie op het leven van de kijker en zijn omstandigheden. Het probleem van vele films (en ook propaganda) is, dat de ervaring van te voren gestuurd is. Zo ook bij Capharnaüm, waarvan binnenkort mijn recensie uitkomt op Cine met meer bespiegelingen van deze aard.

Wat betreft racisme behandelen in films, zien we dit ook terug bij vele recente werken. Wat opvalt aan een Moonlight is het te gemakkelijk spelen van de slachtofferkaart. BlacKkKlansman is daarentegen weer te militant en scherpt tegenstellingen juist aan. Is het niet effectiever om racisme te tackelen door mensen gewoon mens te laten zijn, zoals in de serie The Wire gebeurt? De tragiek van een Duquan “Dukie” Weems zegt al zoveel, zonder expliciet het racisme te benoemen. De zwarte criticus Armond White pleit bijvoorbeeld voor positieve rolmodellen en universeel humanisme in deze context, ook al leidt hem dat wel tot het prijzen van Eddie Murphy in Norbit en het neersabelen van het veelgeprezen Get Out.

 

ALFRED:

Kunst verandert de wereld door er te zijn. Daarvoor was het er immers niet.
Voilà c’est ça.

 

BlacKkKlansman

BlacKkKlansman

 

COR:

Leuk hoe een discussie veel kanten kan opschieten. Ik doe een poging om al het voorgaande samen te vatten in een aantal vragen.

Voor wie schrijven we? Moet je in je recensie met de doelgroep van de film (bijvoorbeeld jongvolwassenen) rekening houden? Wat benoemen we wel en wat benoemen we niet? Hoe voluit moeten we gaan in onze kritiek?

Trekken we conclusies of laten we de kijker zelf ontdekken of een film als Capharnaüm een (volgens Tim gevaarlijke politieke) boodschap heeft? Iedereen beleeft film (kunst in het algemeen) immers zoals het hem of haar zelf belieft. De ene kijker valt voor het sentiment of amuseert zich rot, de andere wordt kotsmisselijk – van diezelfde film.

Heeft een filmmaker een rol als opvoeder, bijvoorbeeld als het gaat om het bewust worden van racisme (waarmee Paul deze discussie startte)? Welke vorm kiest de regisseur: documentaire, drama, feelgoodfilm? Zou het niet simpelweg kunnen zijn dat er voor iedere doelgroep een meest effectieve vorm is om de ogen te openen?

 

PAUL:

Een korte, enthousiaste slotnotitie van mij, met allerminst samenvattende pretenties. Paardensprongen zijn er hier en daar gemaakt (niet in de laatste plaats door mij), van de ene film naar de andere, met tal van interessante gezichtspunten en beschouwingen als gevolg. Maar het verhaal dat is verteld, de narratieve structuur, blinkt aangenaam uit in eenvoud. Een beginnende, maar oudere filmrecensent komt per ongeluk terecht bij een uitstekende tienerfilm. Bijna een mop. Toch raakt hij er een beetje de kluts van kwijt en vraagt zijn collega’s om feedback. Die krijgt hij ruimschoots, wat iets moois heeft. Een filosofische melokomedie, zou ik zeggen. 

 

7 februari 2018

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Lars von Trier: gek of geniaal?

Ondertussen, op de redactie:

Lars von Trier: gek of geniaal? (Deel 1)

SJOERD:

Door de uiteenlopende kritieken besloot ik The House That Jack Built een kans te geven. En daar heb ik geen spijt van.

In deze overgevoelige tijden is Lars von Trier de hofnar die wij verdienen. Waar Antichrist vooral onoprecht was door vileine provocatie, is het sarren in deze film juist oprecht door het megalomane narcisme. Jack is overduidelijk Von Trier zelf. De morbide kwinkslagen schoppen menig heilig huisje omver, inclusief de regisseur zelf. Het is bij vlagen hilarisch dankzij messcherpe ironie.

David Bowie werkt hier beter in de soundtrack dan Inglourious Basterds door de onderliggende visie. Indirect neemt The House That Jack Built namelijk de popcultuur op de schop. De ironie, met Jack die à la Bob Dylan woordkaartjes toont, leidt hier niet tot verstikkende betekenisloosheid. Het jachttableau veroorzaakt sadistisch gegniffel en maakt Von Trier tot een geslepen moralist.

Lars von Trier

Lars von Trier

Alle naargeestige taferelen werken hilarisch, maar blijven ook weerzinwekkend. Geweld is daardoor in deze film niet alleen vermakelijk, maar roept tegelijk ook schuldgevoelens op (iets wat de epische coda verder versterkt). Gestileerd geweld wat voor de verandering geen spektakel is.

Wat een contrast met regisseurs als Tarantino, waar het geweld is verworden tot hap slik weg en de kritische dimensie achterwege blijft. Daar hoeven wij ons niet te schamen noch te reflecteren op ons vermaak. Of Haneke, wiens Funny Games vooral pedante exploitatie is en eigenlijk een intellectuele versie van Tarantino.

In tegenstelling tot Alfred zie ik het pure stylisme van een Tarantino namelijk niet als onschuldig. Er spreekt een cynisme uit wat engagement met sociale misstanden verbloemt.

In hoeverre mag geweld puur vermakelijk zijn in films? Zou men niet eerder de zaal voortijdig moeten verlaten bij Tarantino in plaats van Von Trier?

 

TIM:

Hallo Sjoerd, dank voor je aanzet. Je vragen en overwegingen kristalliseerden bij mij vrij helder, tijdens en vooral ook na het kijken. Ik hoor sommige Von Trier-sympathisanten zeggen dat het één van zijn beste films is, zo niet de kroon op zijn werk. Begrijpelijk, als je ‘s mans donkere filmspiegel van zichzelf ziet voor wat het is: een optelsom van Von Triers hersenspinsels rond kunst en kwaad.

Mijn kritiek is dan ook niet dat het The House That aan reflectie ontbeert, maar dat die reflectie zich uiteindelijk vooral omspint rond het zelfbegrip van de maker. Meer dan ooit is de wandelende performance Von Trier erin ‘geslaagd’ een film- én mediaruimte te creëren waarin hij zichzelf naar willekeur kan aanvullen dan wel tegenspreken. De zelfgenoegzame collage van eerder werk en de onvermijdelijke opstand van het klassieke kwaad (Dante en Vergilius, Ganz en Hitler) onderstrepen dat deze filmdialoog in essentie ver afstaat van welk een publiek dan ook: de media praten eindeloos met Von Trier, maar Von Trier praat vooral met zichzelf.

Meer denkstof behoud ik even voor aan de recensie die ik eerder schreef, je verwijzing naar Tarantino is wellicht een aanleiding voor reacties van anderen.

 

ALFRED:

Voor IDB heb ik Nymphomaniac 1 en 2 besproken. Ik was er niet enthousiast over. Om te beginnen heb ik weinig empathie met en sympathie voor het uitgangspunt: man gaat ons uitleggen wat de vrouwelijke lustbeleving inhoudt. Mijn privégedachte: doe dat lekker thuis vriend, met je drinkebroers, terwijl de dames zichzelf in de sauna verwennen. Ook de quasi-gewichtige vorm kon me niet imponeren. Het filmessay is door uiteenlopende types als Godard en Laurie Anderson beter gedaan. Hier diende het als schaamlap om het arthousepubliek een pornofilm voor te schotelen. Maar dan wel gereformeerde porno, dus zonder seks.

Nymphomaniac: Vol. I (2013)

Nymphomaniac: Vol. I (2013)

Wat me minder verbaasde, was mijn gebrek aan enthousiasme voor Von Triers verkenning van de vleseljke zonde. Zijn film van daarvoor, Melancholia, heb ik niet uitgekeken. Antichrist staat in Cinema Bos te boek als het meest pretentieuze gedrocht ooit in de bioscoop vertoond. Product van een door zondebesef verwrongen geest uit het land van Kierkegaard en via peer pressure genormeerde hypocrisie. Kortom, ik ben geen fan van Von Trier (van Denemarken overigens ook niet). Nimmer geweest en zal het wellicht nimmer worden. Niet erg, iedereen heeft zijn sym- en antipathieën. Daar staat geen straf op, nog niet.

In mijn optiek is de man rijp voor het gesticht en ik heb ondertussen begrepen dat therapie tot zijn wekelijkse boodschappenlijstje behoort. Laten we hopen dat medicatie en knuffels hun werk doen. Wat mij betreft gaat de camera naar zolder en blijft daar.

Ik sta derhalve niet te trappelen om ‘s mans als speelfilm vermomde essay over geweld met twee uur van mijn zuinige tijd te begunstigen. Uit reacties begrijp ik dat The House That Jack Built niet eens zo beroerd is, sterker, eigenlijk heel behoorlijk, zelfs een stap terug naar het niveau van toen (dat, zoals gezegd, in mijn beleving van polderpeil is en derhalve doorlopend moet worden bemalen wegens dreigende verzomping). Hulde voor Sjoerd, die over zijn scepsis is gestapt en de film gaan zien. Sjoerd liever dan ik.

Alles wat ik nu over The House That Jack Built ga opmerken is gebaseerd op reacties, uit de tweede hand dus, en derhalve niet op eigen waarneming. Over de vorm, essay via dialogen tussen protagonist en verteller: hoe origineel is het om naar Dante en Vergilius te grijpen? Laat ik het beleefd zeggen: niet bijster. Dan was De Sade toch een stuk origineler. Idem dito Thomas Harris, toen hij in 1981 met zijn roman Red Dragon de seriemoordenaar – en Hannibal Lector – introduceerde in de populaire cultuur. De seriemoordenaar—zijn we die, na een eindeloze reeks verschijningen op filmdoek en tv-scherm, niet kotsbeu? Verzin eens wat nieuws. Een transseksuele terrorist, bijvoorbeeld. Met baard, uiteraard.

Von Trier citeert uit eigen werk. Uit interviews met de man, naar aanleiding van zijn nieuwe film, heb ik begrepen dat we dat niet als zelfgenoegzaamheid moeten verstaan. Er is een eenvoudige reden: geld. Filmcitaten van andersmans werk moeten worden betaald en het was goedkoper om een greep te doen in het eigen archief. Niks mis mee, hineininterpreteren niet nodig. Niet naar betekenis zoeken waar geen betekenis is. Dat had Von Trier ook moeten doen en waren we van zijn celluloidneuroses verschoond gebleven.

The House That Jack Built (2018)

The House That Jack Built (2018)

Ik heb Jack dus niet gezien, maar koester het donkerbruine vermoeden dat het Von Triers reactie is op de meest recente film van diens jongere landgenoot die flinke stappen heeft gezet om zijn plaats als internationaal meest gevierde Deense cineast over te nemen. Ik bedoel Nicolas Winding Refn en diens The Neon Demon: een reflectie op het kwaad en de rol van media in beeldvorming (geen woordgrap).

En wat betreft Tarantino en diens vermeende gebrek aan engagement met sociale misstanden: laten we de discussie helder houden en de identiteitspolitiek aan de sociale media laten. Filmmakers maken films en actievoerders voeren actie. Je kunt een alcoholist niet verwijten dat hij geen bruiswater blieft.

 

COR:

Ook ik heb Jacks door kunst geïnspireerde, moorddadige activiteiten (nog) niet gezien. Desondanks kan ik me voor een deel vinden in Alfreds kritiek. Inderdaad, mijn god, alweer een seriemoordenaar??

Ik denk ook dat Von Trier (wat mij betreft na het uiterst sfeerrijke Melancholia) de weg kwijt is en bewust geen broodkruimels heeft gestrooid. Wat eens zo mooi begon met het principe van pure cinema – verwoord in het manifest Dogma 95 dat leidde tot het onvolprezen Breaking the Waves – is kennelijk uitgemond in een theatrale persoonlijkheidsstoornis (hoewel je dat pas echt kunt beoordelen als je iemand hebt ontmoet). Tegelijkertijd vraag ik me af of de man niet gewoon een spel met de publieke opinie speelt.

Verder vind ik – hoewel ik Refns boodschap best begrijp – The Neon Demon (door zaken als necrofilie en kannibalisme) een kansloze achtbaan van sensatiezucht. Hoewel niet minder gewelddadig vind ik ook zijn vroege werk (o.a. de Pusher-trilogie) veel beter; wat mij betreft ging het met onze vermeende troonpretendent al mis met God Only Forgives.

Over Deense filmmakers gesproken: kijk eens naar de fantastische cinema zonder al die poespas van de oude meester Carl Theodor Dreyer. OK, die zette Jeanne d’Arc goed in de hens op de brandstapel, maar dat getoonde geweld is uiterst functioneel. Praten we nu verder over de geestesgesteldheid van Von Trier of over het (on)verantwoorde en (on)doelmatige gebruik van geweld in films?

Melancholia (2011)

Melancholia (2011)

 

BOB:

Pfoe… Ik heb de discussie niet eens meegekregen, zo zat ik met mijn neus in bergen pretentieuze trailers.

Daar komt ie ineens weer op mijn pad: de heer Von Trier. Trier heet hij eigenlijk, ‘von’ is er in de filmacademietijd aan toegevoegd.

Nog vier fun facts over Von Trier. Wist je dat:

• Von Trier introk bij zijn babysitter toen zijn vrouw zwanger was?
• Zijn moeder op haar sterfbed verklaarde dat zijn vader niet zijn vader was, maar een artiest want ‘ze hield van artistieke genen’?
• Hij door zijn fobieën alleen maar in een speciaal ingerichte trailer naar de ceremonie van de Palme d’Or in Cannes kon?
• Hij het aldoor heeft over de Amerikaanse cultuur maar nog nooit in de VS is geweest?

Ik ben zo te zien op tijd gestopt als Cor zegt dat Melancholia zijn laatste goede film was. Normaal gesproken zou ik zelfs die film links hebben laten liggen, maar ik vermoed dat ik toen omgepraat ben.

Ik geloof Sjoerd best dat hij met zijn laatste film een opwaartse beweging maakt. Ook iemand die niet echt je smaak is, heeft goede en mindere perioden. Ook van Ed Wood zijn er vast fans die beweren dat hij zijn betere en mindere perioden had.

(Ik dook even in Ed Woods geschiedenis. Toen ik diens Necromania’: A Tale of Weird Love! uit 1971 zag staan, dacht ik: dat zou me niet eens verbazen, als Von Trier ineens een persconferentie geeft en serieus meedeelt dat hij daar een remake van wil maken.)

Toch weet ik al dat ik The House That Jack Built vrijwel zeker oversla. Na de combinatie porno en Von Trier staat seriemoordenaar en Von Trier ook hoog op mijn ongewenste-filmlijst. Ik kan dus heel goed meegaan in de fraaie rant van Alfred.

Als Tim zegt dat de film in feite een soort narcistische tv-show is van de beste man – als ik je goed heb begrepen – dan geloof ik dat uiteraard meteen.

Wat is het toch, wat me zo irriteert, vraag ik me af? De persoon? Ik wil al het werk van Orson Welles in me opzuigen en dat was een nog vervelender kerel als je verhalen mag geloven.

Dogville (2003)

Dogville (2003)

Nee, het verschil zit hem denk ik in het gevoel voor stijl. Stilistisch komen zijn films bij mij niet zo binnen als die van ‘de meesters’. Het is vooral extreem, academisch, drama. Kennelijk effectief want hij heeft een grote schare fans. Maar voor mijn gevoel zijn de locaties, karakters en cameraperspectieven allemaal ondergeschikt aan die gewenste provocatie. Die moet elke keer uit zijn systeem.

En is het inderdaad echt zo origineel dan? Alfred noemt voorbeelden van andere filmessayisten die hun vak beter verstonden. Een ander voorbeeld is hoe Dogville al was gedaan (en wat mij betreft ook geestiger) in Le Paltoquet. (Zie mijn allereerste Camera Obscura!)

Geweld in cinema blijft ook een inspirerend onderwerp, maar ik ben moe van van alles en nog wat, ik taai dus af.

Maar ik vraag me toch echt af wat die Denen je misdaan hebben, Alfred…

 

24 januari 2018

 

Deel 2

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Some Like It Hot: rollenspel

Some Like It Hot is actueler dan ooit

De perfectie van het rollenspel

door Tim Bouwhuis

Niemand is perfect, maar Some Like It Hot is dat toch zeker wel? Het zou zomaar een uitspraak van Billy Wilder zelf geweest kunnen zijn. Na een desastreus verlopen preview in december 1958 gooide de gevierde cineast het over een andere boeg: hij vertoonde de film gewoonweg voor een jonger publiek. De rest is geschiedenis en heden ineen.

Wilder en zijn coscenarist I.A.L. Diamond hadden twee troeven in handen om de mateloze moderniteit van hun screwball comedy ietwat te verhullen. Some Like It Hot kon een period piece worden en de twee ‘mannelijke’ hoofdpersonages moesten een dynamisch rollenspel spelen. Uiteindelijk zette het duo beide troeven met plezier in.

Waarom zijn juist deze ogenschijnlijk eenvoudige kenmerken van de film zo essentieel voor het schetsen van zijn moderne karakter? Daarvoor moeten we iedere contemporaine lezing van Some Like It Hot even inruilen voor de omstandigheden waaronder Wilders filmische maskerade tot stand kwam.

Some Like It Hot

Liefde tussen man en vrouw
Aan het eind van de jaren vijftig was de invloed van de befaamde Production Code tanende. Het advent van de beeldbuis ging hand in hand met de achteruitgang van het studiosysteem, en de greep van taboes en (zelf)censuur verzwakte. Dit nam echter nog niet weg dat Wilder de censors én zijn publiek moest overtuigen met thema’s die in de voorbije decennia naar de krochten van de taboesfeer waren verbannen. De meeste Amerikanen waren het gewoon om in termen van huwelijk en huiselijkheid te denken.

De filmindustrie kon de normatieve liefde tussen man en vrouw op haar beurt niet zomaar op de tocht zetten, vooral omdat iedere poging zonder verborgen betekenissen of subtiel verhulde symboliek toch wel door de Code gepareerd zou worden. Als een regisseur dan eindelijk verder ging dan de klassieke filmkus, moest dat suggestief. Alfred Hitchcock eindigt North by Northwest (tevens 1959) met een toespeling op een penetratie: een trein rijdt met volle vaart een tunnel in op het moment dat de geliefden (Cary Grant en Eva Marie Saint) de liefde zullen gaan bedrijven. Uiteraard houdt de Master of suspense zich in deze film nog wel netjes aan de genderbalans: een open homoseksuele of lesbische relatie zul je in een film uit dit tijdperk niet zomaar aantreffen.

Billy WilderToespelingen
Hoe anders was dat in de roaring twenties, toen het studiosysteem kon uitdijen onder een stroom van kansen en gedurfde toespelingen op de relaties tussen mannen en vrouwen. In William A. Wellmanns oorlogsdrama Wings (1927) delen Charles Rogers en Richard Allen een intieme kus op de mond. Broederlijk of niet, de camera legde vast wat we daarna decennia lang niet meer zouden zien.

Regisseurs trapten daarnaast heilige huisjes omver door de suggestie van overspel uit te werken of een meer cynische visie op de mensheid uit de doeken te doen. Ernst Lubitsch, Billy Wilders grootste voorbeeld, perfectioneerde in Hollywood zijn zogeheten ‘Lubitsch touch’ (Google op ‘Wilder’ en ‘The Lubitsch Touch’ voor een even puntige als amusante uitleg van Wilder zelf), nadat hij in Duitsland het vroege hoogtij van de Weimar Cinema had meegemaakt.

De Duitse filmacademicus Thomas Elsaesser stelt dat Weimar Cinema garant stond voor ‘the creation of a highly sophisticated film language, both on the level of the image and the narrative, repeatedly using strategies of deception, camouflage, impersonation, and duplicity to make larger claims about the forming and deforming forces of modernity’.

Neem bijvoorbeeld Robert Wienes Das Kabinett des Doktor Caligari (1920), waarin de androgyne verschijning van slaapwandelaar Cesare (Conrad Veidt) onze perceptie van genderidentiteit op losse schroeven zet. De film als geheel is een ontwrichtende droom, waarin iedere verschijning deel kan zijn van een groter bedrog. De hysterische decors reflecteren het grenzeloze karakter van stijl en narratief.

Rollenspel
In de expressieve kunst van deze academisch afgebakende periode ontspringt ook Wilders fascinatie voor het rollenspel. In het rollenspel kunnen personages zijn en verbeelden wat in een meer directe context taboe is. Doorheen het oeuvre van Wilder komt het gegeven van het rollenspel telkens weer terug. Neem bijvoorbeeld The Major and the Minor (1942). Ginger Rogers (ongeveer dertig jaar oud in de productieperiode) doet zich voor als een twaalfjarig meisje om tegen een goedkoper tarief met de trein te kunnen reizen, en identificeert zich in een later stadium ook nog eens als haar bloedeigen moeder. Het laatste frame van de film laat zich lezen als een speelse visuele vooruitwijzing naar Some Like It Hot, waarin de stoomwolk van de trein Sugar Kane (Marilyn Monroe) deels even aan het oog onttrekt, net als Rogers in The Major and the Minor.

Wie eenmaal met de bril van het rollenspel naar het oeuvre van Wilder kijkt, moet zich eerder inspannen een film te vinden die het niét moet hebben van (variaties op) gedaanteverwisselingen. Gerd Gemünden betoogt in zijn boek A Foreign Affair: Billy Wilder’s American Films dat deze gedaanteverwisselingen zeker niet alleen als voortstuwende plot devices moeten worden beschouwd: ‘’impersonation and masquerade always entail a political dimension, serving as allegory for the price the exile has to pay in his or her quest for assimilation, for blending in, or for mere survival’’.

Some Like It Hot

Verkleedpartij
In Some Like It Hot is de personificatie van de banneling het komische duo Jack Lemmon-Tony Curtis. Aan het begin van de film leren we dat de twee beroepsmuzikanten alles doen om maar rond te kunnen komen: ze lenen geld, wedden op paarden óf verkleden zich als vrouwen. Eenieder kan nu perfect betogen dat de transformatie van Lemmon en Curtis verre van volmaakt is. Voor Curtis weifelachtig gepitchte falsetstem, de overdreven loopjes en het gemaakt hysterische gedrag van de gemaskeerde charmeurs is de uitdrukking ‘over de top’ uitgevonden, en als de charlatans onder elkaar zijn hullen ze zich gewoon weer in de mantel van hun eigen identiteit.

Uitspraken van die aard zijn perfect van toepassing op het eerste anderhalf uur van de film, maar de escapades van Josephine en Daphne hebben een staartje. Wie Some Like It Hot zag, kan de afsluitende oneliner ongetwijfeld dromen. Op ludieke wijze laat sugar daddy Osgood (een even boeiende als linke figuur in #metoo-tijden) weten dat hij ook met een homoseksuele relatie geen moeite heeft. In het originele script van Diamond en Wilder gaat de tekst onder het geliefde ‘Nobody’s perfect’ nog even verder: ‘’Jerry looks at Osgood, who is grinning from ear to ear, claps his hands to his forehead. How is her (sic!) going to get himself out of this? But that’s another story – and we’re not quite sure the public is ready for it”.

Transformatie
Billy Wilder heeft in een interview aangegeven dat het in deze situatie niet per se hoeft te gaan om een beslissing van seksuele aard: trouwen met een miljonair kan de sociale en financiële zekerheid verschaffen die Jerry en Joe in Some Like It Hot zeker niet hadden. ‘’It’s security’’, roept Lemmon demonstratief, voor het viertal het geluk tegemoet vaart. En toch kan er – afhankelijk van je precieze interpretatie van de film – meer aan de hand zijn. Jerry verandert zijn vrouwennaam eigenhandig van Geraldine in Daphne, een waarschijnlijk weinig toevallige verwijzing naar de Daphne uit de Griekse mythologie. Om de nimf te beschermen voor de avances van de god Apollo (lees: Osgood), verandert haar vader Daphne in een laurierboom.

Van zo’n opmerkelijke transformatie is in Wilders carrousel van strak getimede scriptgrappen gelukkig geen sprake, maar daardoor weegt de waarheid nog wat zwaarder: de tijdelijke vermomming van Jerry is verworden tot een levenslang vonnis. Met het einde van de film lijkt de kans dat we Jerry nog terug gaan zien voorgoed verkeken. En Wilder kent z’n publiek en z’n censors: de vraag is inderdaad of het publiek daar in die tijd klaar voor was.

Some Like It Hot

Identiteit
De Rooms-Katholieke League of Decency gaf Some Like It Hot een B-rating: de film was daarmee ‘’Morally Objectionable in Part For All’’, met name door zijn speelse verwerking van travestie, homoseksualiteit en lesbische liefde (de kus van Monroe en Curtis). Toch kon Wilders komedie een commercieel succes worden, in de eerste plaats omdat de licht met misdaad doordesemde plotlijn langs de censors kon komen. Het is precies zoals filmcriticus Roger Ebert stelde in zijn Great Movies-recensie: Some Like It Hot is ‘a movie that’s about nothing but sex and yet pretends it’s about crime and greed’.

De keuze om de film in het verleden te laten spelen is niet alleen een slim voorwendsel om iederéén deel te laten nemen aan het rollenspel, het is ook een strakke allusie op de dunne grens tussen verbod en vrijheid. Tijdens het eerste kwartier van de film krijgen we maar al te duidelijk mee dat de actie plaatsvindt in het Chicago van de drooglegging en de St. Valentine’s Day Massacre (1929). De geschiedenis van de drooglegging leert dat een grootschalig verbod van die aard op termijn enkel averechts werkt. Precies hetzelfde gaat op voor de Production Code. De drooglegging eindigde in 1933, niet lang voordat de verantwoordelijke organisatie de code meer rigide begon te handhaven. De focus verschoof dus deels naar andere vormen van ‘immoraliteit’; maar die vormen houden geen stand als ze niet expliciet bevraagd kunnen worden. Wilder schrijft en regisseert met een even speelse als serieuze knipoog.

In Some Like It Hot vertelt hij het verhaal van twee mannen die hun gefixeerde seksuele identiteit moeten loslaten om te overleven. De transformatie van Lemmon en Curtis is absoluut geen schande of een publiek schandaal (let op de reacties van Sugar en Osgood bij de twee onthullingen), maar een reflectie op een open wereld waarin de gendergrenzen zich eindeloos laten oprekken. Identiteit, zo lijkt Wilder te stellen, is altijd in beweging.

De conclusie mag iedereen voor zichzelf omarmen of verwerpen: Some Like It Hot is vandaag de dag actueler dan ooit.

 

5 augustus 2018

 

MEER BILLY WILDER
 
 
MEER ESSAYS

De 10 beste actrices?

De 10 beste actrices estafette-race

door Cor Oliemeulen

Weinig mensen zo fanatiek als het gaat om het maken van lijstjes als John Cusack in High Fidelity. Net bekomen van het samenstellen van de beste films van 2016, werd ik uitgenodigd door Nico van den Berg van Cine. De Filmkijker had het idee opgevat om als gezamenlijke filmbloggers een top 10 van beste actrices samen te stellen. Je laat er negen staan en vervangt één actrice door je eigen favoriet.

Dat blijkt een hele klus, want het liefst zou ik in een milde bui al zeker vier namen willen schrappen en zonder veel aarzeling vervangen door Jeanne Moreau, Hanna Schygulla en Liv Ullmann, tezamen goed voor tientallen films waarin zij de sterren van de hemel spelen. En dan is er nog een Amerikaanse actrice die sowieso thuishoort in de eregalerij van beste actrices uit de filmgeschiedenis, wat mij betreft nog eerder dan Katharine Hepburn, Elizabeth Taylor, Vivien Leigh, Claudette Colbert en zelfs Lillian Gish, de onbetwiste koningin van de zwijgende film.

Maar goed, regels zijn regels. En ik wil degene die mij het estafettestokje heeft aangereikt niet voor het hoofd stoten door zijn gerespecteerde inbreng direct naar de vergetelheid terug te verwijzen. Dat is mijn regel. Ik begin met de negen actrices die mogen blijven en eindig met mijn favoriet.

Wie moet weg? Natalie Portman – een actrice die als 12-jarige haar beste rol speelde (Léon) en wat mij betreft altijd redelijk eendimensionaal is gebleven – doet mij echt pijn aan de ogen in de lijst tot nu toe. Dus Natalie drop ik met genoegen, waarmee ik hopelijk de filmbloggers na mij gaarne een dienst bewijs.

 

1 – Cate Blanchett

Prachtige actrice natuurlijk, die mij uitermate beviel in Elizabeth en I’m Not There en flink wist te ontroeren in Blue Jasmine en Carol. Toch heb ik bij haar altijd het idee dat er nog veel meer inzit.

Cate Blanchett

2 – Audrey Hepburn

Alleen al als stijlicoon door Breakfast at Tiffany’s en haar onweerstaanbare charme in Roman Holiday en My Fair Lady maakt van Audrey Hepburn hopelijk een blijvertje.

Audrey Hepburn

3 – Isabelle Huppert

De meeste voorgangers roemden terecht één van de beste Franse actrices van de laatste vier decennia. Hoort door haar grote verscheidenheid aan rollen en mysterieuze sensualiteit misschien wel eerder in het rijtje thuis dan klassieke schoonheid Catherine Deneuve. Misschien dan.

Isabelle Huppert

4 – Annie Bos

Annie Bos, wie kent haar niet? Uh, ík, zal ik eerlijk bekennen. Echter het pleidooi van de vorige estafetteloper maakt wel nieuwsgierig en maakt Annie bij voorbaat interessanter dan ‘onze’ eerste bekende acteur, Lou Tellegen.

Annie Bos

5 – Julianne Moore

Relatief laat doorgebroken speelt ze in bijna al haar films oerdegelijk. Er zijn bovendien weinig actrices die zo geloofwaardig kunnen snotteren.

Julianne Moore

6 – Maggie Smith

Je staat niet voor niets in zo’n lijst, maar smaken verschillen. Als we toch al een oudere Britse actrice moeten kiezen ga ik voor Vanessa Redgrave, gevolgd door Helen Mirren en Judi Dench.

Maggie Smith

7 – Tilda Swinton

Tilda Swinton schijnt haar films en regisseurs bewust uit te kiezen, en dat is waarschijnlijk wederzijds. Voor mij te ongrijpbaar om altijd te kunnen bekoren, hoewel ik haar nog steeds het meest gelaagd vind in We Need To Talk About Kevin.

Tilda Swinton

8 – Kate Winslet

Wie houdt er nou niet van Kate? Echt zo’n actrice die ik graag volg vanaf het allereerste begin: Heavenly Creatures. Leuk, spontaan, aandoenlijk en als het mag verrassend geestig, bijvoorbeeld in het heerlijk opgebouwde Carnage.

Kate Winslet

9 – Marilyn Monroe

Haar mentor Lee Strasberg (de man die ‘method acting’ in Amerika introduceerde) noemde Marilyn Monroe eens zijn beste leerling. Zou ik ook hebben gezegd als ik hem was! Het best en meest geliefd als vrolijk dom blondje (The Seven Year Itch en Some Like It Hot) hoort ze alleen al vanwege haar legendarische status thuis in deze lijst.

Marilyn Monroe

10 – Bette Davis

Dat geldt absoluut voor Bette Davis, een actrice die ik aanvankelijk alleen maar kende van het volgende liedje:

She’ll tease you
She’ll unease you
Just to please you
She’s got Bette Davis eyes

Na mijn kennismaking met deze op en buiten de set pittige dame, was ik snel verkocht. Eén van de grote sterren in het Hollywood van de jaren 30 en 40. Een authentieke doorzetter pur sang en de vrouw die door haar strijd tegen de machtige filmstudio’s in Hollywood de weg baande voor alle actrices na haar. Verpletterend in drama’s als Of Human Bondage, Jezebel, The Old Maid, The Letter, The Little Foxes en Mr. Skeffington (nog steeds een van de beste films waarin het ouder worden aankomt als een mokerslag).

De som van al haar acteerervaring en levenslessen komt samen in een oprecht en onvergetelijk portret van een actrice die (volgens velen ook zelf als actrice) over haar hoogtepunt heen is: All About Eve (1950, Bette Davis is dan 41). Zeer gevat, onderzoekende blik, wilskrachtig en kwetsbaar tegelijk: een actrice op wie je alleen maar verliefd kunt worden. Het is en blijft een van de sterkste vrouwenrollen in de filmgeschiedenis.

Ik draag het estafettestokje graag over aan Bob van der Sterre.

22 december 2016

 

 


MEER LEUKE FILMLIJSTJES

10 meest tenenkrommende scènes uit Nederlandse films

De 10 meest tenenkrommende scènes uit Nederlandse films vanaf 2000

De 10 meest tenenkrommende scènes uit Nederlandse films

Voor het verschijnen, en bliksemsnel verdwijnen, van het erotische drama De Overgave van regisseur Paul Ruven waren er ook al films waarin sommige fragmenten een opmerkelijk bedenkelijk niveau hebben.

door Cor Oliemeulen

1. – Oesters van Nam Kee (2002)

Bekend geworden vanwege haar stralende glimlach en strakke truitjes in Goede tijden, slechte tijden mocht Katja Schuurman (na eerder een klein rolletje in het afgrijselijke De Zeemeerman) haar kunsten en borsten op het grote witte doek vertonen in Costa! (2001). Ze speelde een van de hitsige tieners onder de Spaanse zon. Dat ging haar zo goed af – de recensies van Costa! waren vernietigend, echter de romkom werd een kassucces – dat ze mocht opdraven in Oesters van Nam Kee, de eerste en tevens laatste speelfilm van Pollo de Pimentel. Katja speelt hierin nachtclubdanseres Thera die valt voor de avances van wildebras Diablo (Egbert Jan Weeber). Ze eten elke dag oesters bij Nam Kee, worden verliefd en besluiten om samen op reis te gaan. Maar dan heb je natuurlijk wel geld nodig. Ze hebben de meest wilde ideeën, totdat Katja zegt dat ze een kunstje kan.

2. – Wit Licht (2008)

Het leven van een populaire zanger gaat niet altijd over rozen. Marco Borsato won in 1990 de Soundmixshow, stapte enkele jaren later over op Nederlandstalig repertoire en kon menig toehoorder laten zwijmelen. Concerten bij de vleet en jurylid bij The Voice of Holland – wat kan een mens zich nog meer wensen? Zijn fans schrokken toen de sympathieke vocalist onlangs een TIA kreeg, maar gelukkig schijnt het weer goed met Marco te gaan. Als ambassadeur van War Child maakte hij helaas een grove misstap: in zijn enthousiasme om nog meer aandacht te krijgen voor de situatie van kindsoldaten in Afrika wilde Marco gaan acteren. Hij kreeg in Wit Licht van Jean van de Velde de hoofdrol van een restauranteigenaar die op zoek gaat naar het ontvoerde zwarte vriendje van zijn zoontje. De plaatjes zijn mooi en sommige scènes drukken je met de neus op de trieste feiten, maar acteren vergt nu eenmaal andere kwaliteiten dan zingen.

3. – Het Bombardement (2012)

Jan Smit moet vast hebben gedacht dat hij het beter kon dan zijn collega. Niets is minder waar. Het Bombardement van Ate de Jong werd met de grond gelijk gemaakt in de media. Sommige rasechte Rotterdammers in de bioscoop riepen keihard ‘paling’ op het moment dat de Volendamse zanger zijn tekst oplepelde. Jan Smit kruipt in de huid van Vincent, een nuchtere arbeidersjongen met boksaspiraties die verliefd wordt op het welgestelde meisje Eva (Roos van Erkel) tussen de puinhopen na het bombardement op Rotterdam. De film bevat niet alleen een onwaarschijnlijke bokspartij, een overdreven sentimentele sterfscène en de dodelijkste gasexplosie sinds Die Ehe der Maria Braun (1979), Jan Smit zal zich in Het Bombardement niet aan een lied wagen. Hij gaat wel neuriën. En zwijmelen.

4. – Floris (2004)

Regisseur Paul Verhoeven en acteur Rutger Hauer legden in 1969 samen de basis voor hun (Amerikaanse) succes met Floris. Deze prachtige dertiendelige serie gaat over Floris van Rosemondt, de erfgenaam van een riddergoed dat grenst aan het Bourgondische rijk van Philips de Schone. Rond het jaar 1500 krijgt Floris het aan de stok met Karel van Gelre en Lange Pier. In zijn strijd wordt Floris geholpen door de fakir Sindala, die beschikt over magische krachten. De in zwart-wit geschoten serie, hoofdzakelijk gefilmd op Kasteel Doornenburg, werd ook in andere landen snel populair. In Duitsland heette de nagesynchroniseerde versie ‘uiteraard’ Floris – Der Mann mit dem Schwert. In 2004 besloot Jean van de Velde een speelfilm te maken. Om enige nostalgie op te wekken maakte hij schaamteloos gebruik van korte fragmenten uit de serie en vervaardigde een familiefilm waarbij de toeschouwer zich afvraagt of het nu drama of komedie is. Soms hoef je geen zanger te zijn om slecht te kunnen acteren.

5. – Mannenharten (2013)

Seks. De populaire Nederlandse film denkt nauwelijks zonder te kunnen. In Mannenharten van Mark de Cloe zien we vijf bekende vaderlandse acteurs in een bewerkt script van een Duitse komedie. Dat is al vragen om moeilijkheden. Mannen als eeuwige jagers, of mannen met bindingsangst. De een werkt zich in het zweet in een sportschool, de ander belandt zonder moeite met twee dames tegelijk tussen de lakens. Maar bij de meeste mannen gaat het niet van een leien dakje. Als je dik bent en een bril draagt moet je het kennelijk hebben van een blind date. Of je stalkt een kassameisje van een supermarkt omdat zij toch niet kan weglopen. En als werkloze man ga je gewoon in een elandpak op een fiets dronken toeristen door Amsterdam vervoeren. Maar niets is erger dan als je vriendin zwanger blijkt.

6. – Verliefd op Ibiza (2013)

Zelfs fotomodellen mogen tegenwoordig debuteren, vanzelfsprekend in romantische komedies en het liefst in een combinatie van sexy en oerdom. In Verliefd op Ibiza wordt het bij Kim Feenstra niet helemaal duidelijk of ze zichzelf speelt. Johan Nijenhuis (Costa!) brengt de liefhebber terug naar de mediterrane zon. Hier op het feesteiland treffen we een gemêleerd gezelschap van Nederlandse vakantiegangers die hunkeren naar liefde, waarbij ze het gebruik van drank en een pilletje niet schuwen. Maar er zijn ook mensen die het leven wat serieuzer nemen, zoals Jan Kooijman, die als profvoetballer zonder balgevoel zojuist een miljoenencontract bij FC Barcelona heeft getekend. Het duurt even voordat ook hij moe wordt van het gezeur van Kim Feenstra. Gelukkig is daar Willeke van Ammelrooy als verstandige oma die haar bedenkingen uit.

7. – Volle Maan (2002)

De Nederlandse Brat Pack – zo zou je met een beetje goede wil de cast van Volle Maan kunnen noemen. We zien acteurs en actrices in het begin van hun loopbaan: Daan Schuurmans, Cas Jansen, Teun Kuilboer, Georgina Verbaan, Michiel Huisman, Ellen ten Damme, Chantal Janzen en zelfs Lieke van Lexmond komt voorbij. In de geest van klassieke tienerfilms van begin jaren tachtig, zoals The Breakfast Club en St. Elmo’s Fire, trekt Johan Nijenhuis (inderdaad ruim vertegenwoordigd in dit overzicht) moeiteloos de formule van Costa! door. Plaats van handeling is ditmaal een boot waarop twee broers en een aantal klasgenoten een feest plannen. Zowel de spelers als het verhaal hebben weinig om het lijf en de meesten doen tevergeefs hun best een Twents accent ten gehore te brengen.

8. – Smoorverliefd (2013)

Waarom de Belgische romantische komedie Smoorverliefd (2010) drie jaar na release zonodig een Nederlandse remake moest krijgen, blijft tot op de dag van vandaag een raadsel. Misschien was regisseur Hilde van Mieghem op het idee gebracht door het nagelbijtende Loft (2008) van landgenoot Erik Van Looy, een uitstekende misdaadthriller die dunnetjes en minder goed werd overgedaan in de Hollandse variant van Antoinette Beumer. Hilde van Mieghem verfilmde zelf opnieuw haar Smoorverliefd en verruilde Antwerpen voor Den Haag. We volgen een tienermeisje, haar grote zus, moeder en tante. Liefde, romantiek en seks liggen voortdurend op de loer. Zelfs de charmante Susan Visser, die normaliter met zowel komedie als drama prima uit de voeten kan, heeft geen schijn van kans in deze misère van platitudes en onbenulligheden.

9. – Gooische Vrouwen (2011)

Susan Visser mocht haar komische kwaliteiten ook al in Gooische Vrouwen etaleren. Ze werd begin jaren negentig bekend als het spontane hulpje Dirkje in de populaire serie In de vlaamsche pot en belandde ruim een decennium later in een andere tv-serie, Gooische vrouwen, het Nederlandse antwoord op Sex and the City. Een heuse speelfilm kon niet uitblijven. Naast Susan Visser zien we onder anderen Linda de Mol, Tjitske Reidinga en Lies Visschedijk als tegen karikaturen aan schurkende bordkartonnen personages in ’t Gooi. Voor de fan een aangenaam tijdverdrijf, voor de ander een aaneenschakeling van clichés en tenenkrommende scènes. En hoe komt het toch dat er altijd BN’ers in dit genre mogen komen opdraven?

10. – Moordwijven (2011)

Het maken van een goede zwarte komedie is niet iedereen gegeven. Met Moordwijven doet regisseur Dick Maas (Flodder) een halfslachtige poging, gesteund door drie door de wol geverfde Killer Babes, die besluiten om de vreemdgaande man van een van hen te laten vermoorden. Deze miljonairsvrouwen baden in weelde en strijden fanatiek tegen het ouder worden. Gezichtsmaskers, manicuren, bubbelbaden, liposuctie en botox – het lijkt allemaal zo achterhaald. Liever gaan de dames na het shoppen iets gezelligs doen, bijvoorbeeld anus bleken, en daarvan kun je best wel even last hebben! Er zijn geslaagde, maar vooral minder geslaagde en smakeloze grappen. Als een vliegtuigje (zogenaamd) tegen een flatgebouw vliegt en explodeert, waarschuwt iemand op straat: ‘Kijk uit, er komt er altijd nog één!’ En zo sluit Moordwijven deze reeks van meest tenenkrommende scènes en ziet de liefhebber reikhalzend uit naar meer.

3 oktober 2014

 

Alle leuke filmlijstjes