SPECIAL Isabelle Huppert

Isabelle Huppert

Isabelle Huppert

– Loulou: Een onfortuinlijk trio – 30 juli 2019
– Violette Nozière: Spiegelpaleis van leugens – 26 juli 2019
– Madame Bovary: De vrouw zonder eigenschappen – 22 juli 2019
– Coup de Torchon: Donkere schaduw over humaniteit – 19 juli 2019
– White Material: Smeulende spanning en oprukkend zand – 16 juli 2019
– Claire’s Camera: Keuvelen in Cannes – 14 juli 2019
– Les Valseuses: van schandaalfilm tot topcarrière – 10 juli 2019
– La Dentellière: Stille anonimiteit – 9 juli 2019
– La Pianiste: Bach, Freud en masochisme – 7 juli 2019
– La Cérémonie: Meedogenloze klassenstrijd – 6 juli 2019
– Special over Isabelle Huppert – 5 juli 2019

 

Isabelle Huppert is ook te zien in o.a.:
– Happy End
– Souvenir
– L’avenir
– Elle
– Louder Than Bombs

 

De 6 beste rechtbankdrama’s

De 6 beste rechtbankdrama’s

Leden van de rechtbank, ik zal vandaag trachten de juridische significantie van de zes hieronder nader te behandelen films aan te tonen. De bewezenverklaring van deze significantie zal zich voltrekken in een per film individueel getrokken pleidooi waarbij ik verscheidene relevante rechtsbeginselen zal benoemen.

door Yordan Coban

Aangewezene ter terechtzitting
Niet alle rechtbankklassiekers verschijnen hier ter terechtzitting. Moge het de rechtbank behagen dat slechts een selectie van de zes beste films opgeroepen zijn. Rechtbankdrama’s draaien vaak om een enkele bijzondere afwijking in de procedure, of een verhaal dat een verrassende wending neemt bij elke procedurele stap.

Primal Fear

Er waren veel gegadigden voor mijn selectie, maar ik heb specifiek gekeken naar de belangrijkste juridische knooppunten die de films behandelen. Een film als A Few Good Men (1991) is buiten de selectie gelaten aangezien het slechts gaat om een getuigenverklaring. Zo ook de erg vermakelijke thriller Primal Fear (1993) omdat deze enkel gaat over de vraag of er sprake is van ‘een ziekelijke stoornis van verdachte zijn geestvermogens’. Ook Kramer vs. Kramer (1978) heeft de lijst net niet gehaald. Ondanks dat de film mij emotioneel erg aanspreekt acht ik deze juridisch toch net te weinig om het lijf hebben, en in de rechtszaal kan emotie niet de boventoon voeren.

Het Nederlandse recht
Verder heb ik overwogen de film Lucia de B. (2013) in mijn lijst op te nemen omdat deze gaat over een van de beruchtste missers van het Nederlands strafproces. Toch acht ik de film qua omvang niet doortastend genoeg om naast de andere grote namen in de banken te treden. Datzelfde geldt voor Mijn Vriend (1973) van Fons Rademaker. Een uiterst bijzondere zaak waarin een Belgische rechter veroordeeld wordt voor moord, diefstal en witwasserij. Echter klinkt het verhaal betreurend genoeg spectaculairder dan de uitvoering van de film.

Tot slot wens ik graag voor de rol benoemd te hebben dat ook JFK (1991) de revue gepasseerd is. De slotscène in de rechtszaal bevat één van de spectaculairste bewezenverklaringen in film, ondanks dat deze door de jury afgewezen wordt.

 

The People vs. Larry Flynt

6. – The People vs. Larry Flynt

Ik begin dit onderzoek ter terechtzitting met The People vs. Larry Flynt (1990). Deze liberale film van de pas overleden Milos Forman is een krachtig bepleiten voor de vrijheid van meningsuiting. Larry Flynt (gespeeld door Woody Harrelson) was wellicht meer opportunistisch dan principieel te noemen. Toch is zijn zaak essentieel voor de vrijheid van meningsuiting en een invloedrijke doorbreking van de preutsheid wat betreft pornografie in Amerika.

Mijn juridische hart gaat vooral sneller kloppen bij het pleidooi van de advocaat van Flynt (gespeeld door de nog jonge Edward Norton) voor het Hooggerechtshof van Amerika. De film stelt een aantal interessante vragen over de voorwaarden van strafbaarstelling en speelt zich af in een tijd waarin liberale sentimenten in wetgeving voet aan de grond krijgen. Deze zaak over de legaliteit van pornografie is niet alleen spraakmakend maar ook belangrijk voor de bepaling van de grenzen van het religieus paternalisme van de Amerikaanse staat.

 

Close-up

5. – Close-up

Met Close-up (1990) wijk ik enigszins af van mijn eigen opgestelde regels (wat contra legem heet in het recht). Deze Iraanse documentaireachtige film van Abbas Kiarostami gaat meer over kunst dan over rechten. Toch is er is een quote in Close-up die mij altijd bijgebleven is, die ik graag wil citeren. Het citaat bevat de definitie van het begrip kunst, op een wijze die ik als jurist erg kan waarderen. Juristen werken altijd met definities. Het enige echte gereedschap van de rechtswetenschap is taal. Definities zijn dus belangrijke hulpmiddelen bij het interpreteren en formuleren van rechtsregels.

Kunst wordt vaak erg vaag en klungelig omschreven, mede omdat het vrij omvattend is en juristen niet goed weten wat ze ermee aan moeten. Kiarostami leent zijn beschrijving van de Russische schrijver Tolstoj die het in zijn boek What is art? uitvoerig heeft over de betekenis van kunst. Indien de Hoge Raad of de wetgever nog op zoek is naar een definitie adviseer ik mee te schrijven: ”Art is the inner experience cultivated by the artist and conveyed to his audience.”

Deze definitie bevat een objectief en subjectief element. Het subjectieve zit in de emotie (inner experience), de niet meetbare ervaring van de artiest die hij hoopt over te brengen. Het objectieve zit in de zinsnede ‘audience’ die aangeeft dat kunst een publiek moet hebben. Wij bepalen per slot van rekening wat kunst is.

Kiarostami laat Hossein Sabzian, verdacht van bedrog, dit uit de grond van zijn hart in de rechtszaal verkondigen. Recht geeft ons de uiterste kaders van het legale menselijk handelen. Kunst geeft ons richtlijnen voor het menselijk handelen binnen deze kaders.

 

Anatomy of a Murder

4. – Anatomy of a Murder

Er zit een cruciale scène in Anatomy of a Murder (1959) waarin verdachte en tevens cliënt van advocaat Paul Biegler (gespeeld door James Stewart) vraagt hoe de jury de ingetrokken vraag kan vergeten? James Stewart antwoordt, bijna teleurgesteld, dat dat niet mogelijk is. In Nederland hebben we dan geen juryrechtspraak meer sinds 1813, maar bovenstaande probleem is ook in ons rechtssysteem niet geheel afwezig.

Rechtspsychologen waarschuwen al jaren voor het probleem dat ontstaat door onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, dat in sommige gevallen pas na kennisneming uitgesloten wordt van het dossier. Natuurlijk speelt het dan geen rol meer in de bewezenverklaring maar het kan wel degelijk de overtuiging van de rechter en het openbaar ministerie beïnvloeden. Ter waarborging zijn er sancties maar daar valt niet altijd genoegdoening mee te scheppen. Het is een complex fenomeen dat kan leiden tot tunnelvisie bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechter. In een rechtssysteem dient men continu wegingen te maken tussen de belangen van waarheidsvinding en de rechten van verdachten. Er zijn geen goede antwoorden, slechts verschillende afstellingen.

Anatomy of a Murder laat verder zien dat de complexiteit van de zaak bij een rechtbankdrama niet van doorslaggevend belang is. De uitvoering met uitvoerig uitgewerkte actoren kunnen elke zaak weven tot een wals van emotie en suspense. Regisseur Otto Preminger neemt je mee de rechtszaal in, zijn kijkers zitten daadwerkelijk in de banken en luisteren aandachtig mee bij elke getuigenverklaring tot elke frons van de rechter.

 

Paths of Glory

3. – Paths of Glory

Paths of Glory (1957) gaat over machtsmisbruik van de elite, en wel door middel van het recht. De grondwet is juist opgesteld ter bescherming van het volk tegen de overheid. Voor het bestaan van de grondwet bestond de overheid uit de adellijke stand en de koning die met tirannie over het volk heerste. In Stanley Kubricks Paths of Glory zien we deze machtsstructuur in volle glorie bij een militair tribunaal ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.

Een aantal soldaten worden berecht in een schijnproces, ter wraking van een gefaalde veldslag. Executie is de eis en vonnis lijkt onvermijdelijk. Het lot van de soldaten ligt in de handen van de verdediging van Colonel Dax (gespeeld door Kirk Douglas). Na een grandioos pleidooi waarin hij uit alle macht de menselijke waardigheid verdedigt, zien we de onverbiddelijkheid van een corrupt rechtssysteem.

Stanley Kubrick toont ons hoe cru de doodstraf is (in Nederland afgeschaft in 1870) op een wijze die doet denken aan hoe Lars von Trier de doodstraf demonstreert in Dancer in the Dark (2000). Maar primair vertoont Paths of Glory, op gelijke wijze als in In the Name of the Father (1993), het belang van een onafhankelijke rechtsprekende macht voor de bescherming van burgers tegen de tirannie van machthebbenden.

 

Judgement at Nurenberg

2. – Judgement at Nurenberg

Na alle bewonderenswaardige bovengenoemde pleidooien in rechtbankdrama’s is er één die er bovenuit springt: de verdediging van advocaat Hans Rolfe (gespeeld door Maximilian Schell) in Stanley Kramers Judgement at Nurenberg (1961). Dit personage belichaamt de legitimiteit en ethische complexiteit van de advocatuur in het recht. Ook stelt de film vragen over wat de waarde is van het geldende recht op papier ten opzichte van wat ethisch gezien voortvloeit uit het menselijke rechtvaardigheidsgevoel.

Martin Luther King stelde dat alleen rechtvaardig recht het werkelijke geldende recht zou moeten zijn. Toch heb je je aan de wet te houden en was het gelegaliseerde nazirecht, dat schuurt met elke menselijke waardigheid, de destijds geldende wet. Deze strijd tussen het geschreven positieve recht (wat ons rechtsbescherming biedt) en het ongeschreven natuurrecht (wat de bouwstenen van elk rechtssysteem vormt) leidt tot een fundamentele weging bij elke juridische discussie over legaliteit. In deze zaak brengt dat ons tot de rechtsfilosofische vraag of een officier die een onmenselijke, maar op dat moment geldende, wet volgt strafbaar is?
 
 
12 Angry Men

1. – 12 Angry Men

Elke grote filmliefhebber en elke goede jurist kent 12 Angry Men (1957), het meesterwerk van Sydney Lumet. De film draait om een van de meest fundamentele rechtsbeginselen van ons rechtssysteem: de onschuldpresumptie.

Een deel van de charme van de film zit in de eenvoud. Net zoals in My Dinner with Andre (1981), Rope (1948) en Rear Window (1954) speelt de hele film zich in één ruimte af. De jurykamer schikt zich gelijke een lege bladzijde waarop de twaalf mannen hun ideeën over de zaak kwijt kunnen. Als kijker luister je mee en volg je de debatten van een afstand. De camera staat aan het begin hoog, uitkijkend over de vergaderende koppen. Aan het einde van de film, als iedereen met passie zijn standpunten over de zaak verdedigt, is de camera onder de acteurs geplaatst. Zweetdruppels staan de mannen op het voorhoofd, de jasjes zijn uit en de hals is bevrijd van een stropdas. Zo betogen de acteurs driftig over de kijkers heen.

De cast is een indrukwekkend ensemble van gevestigde namen uit die tijd, met als voorman Henry Fonda, op dat moment primair bekend van The Grapes of Wrath (1940). Fonda is perfect gecast als het geweten van de evenwichtige, alles meewegende rechter. Een rol die alleen James Stewart of wellicht Tom Hanks ook zo beheerst zou hebben ingevuld. Hij staat, qua standpunten over de zaak, recht tegenover Lee J. Cobb, op dat moment bekend van zijn kwaadaardige rol in On the Waterfront (1954). Ook in die film is hij hard en onverbiddelijk, maar naarmate de discussie van de juryleden vordert, merk je dat hij niet per se kwaadaardig is, eerder koppig en onwetend.

Het feit dat je gedurende het debat over de zaak de personages alsmaar beter leert kennen, trekt je mee in het verhaal. Een verhaal van slechts twaalf pratende mannen in een zaal, maar doordat het verhaal met zijn personages zich langzaam openbaart, is het geen moment saai. In Dog Day Afternoon (1975) achttien jaar later zien we een bevestiging van hoe meesterlijk Lumet met spanningsbogen kan omspringen. De regisseur is een activist en zijn films zijn zowel inhoudelijk als stilistisch zo ingericht dat de kijker geen moment kan wegkijken.

De onschuldpresumptie is cruciaal voor een fatsoenlijk rechtssysteem. Zonder de onschuldpresumptie krijgen we een Kafkaëske wereld met vervolgingen, zoals beschreven staat in Kafka’s boek The Trial. Vervolgingen zonder rechten voor de verdachten en veroordelingen zonder bewijs.

Veroordeling dient in Nederland pas plaats te vinden bij het bereiken van een bewijsminimum en de persoonlijke overtuiging van de rechter. In Amerika kent men hiervoor de term ‘evidence beyond reasonable doubt’. Als alleen de overtuiging van de rechter (of in dit geval de jury) voldoende is voor veroordeling krijg je impulsieve gevoelsrechtspraak. Rechtszalen zitten vaak vol met emotie, intrige en drama, maar voor een rechtvaardig vonnis dat gelijk is voor iedereen dienen er objectieve waarborgen te zijn. Bij enige twijfel dient de verdachte het voordeel van de twijfel te krijgen. Het gaat hier namelijk wel om mensenlevens, predikt Fonda stellig tegen zijn jurygenoten. 12 Angry Men heeft niet voor niets de status van de beste rechtsfilm. Lumet mengt de emotie die triomfeert in kunst in een juridische vergadering en stelt zich tegelijkertijd principieel op in de zoektocht naar rechtvaardigheid.

 

30 november 2018

 
Alle leuke filmlijstjes

Is Oscar voor ‘beste populaire film’ nodig?

Ondertussen, op de redactie:

Oscar voor ‘beste populaire film’ nodig?

SJOERD:

Onlangs maakte de Academy bekend dat er vanaf aankomende editie van de Oscars een award wordt uitgereikt aan de beste ‘popular film‘. Dit heeft menige wenkbrauwen doen fronsen, wat mij betreft terecht.

In vroegere tijden maakte men onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ kunst, waarbij cinema overigens vaak in de tweede categorie werd ondergebracht. Tegenwoordig worden vormen van cultuur door elkaar gemixt, ongeacht de afkomst. Neem bijvoorbeeld Inglourious Basterds, waar de citaten rangeren van een ‘highbrow’ regisseur als Pabst tot ‘lowbrow’ exploitatiefilms. De teloorgang van dit onderscheid wordt af en toe beklaagd door criticasters.

De vraag rijst wat überhaupt het nut is van films categoriseren op zo’n manier. Zo kijken wij als recensenten vooral naar arthouse. Deze term lijkt te impliceren dat niet-arthousefilms geen kunst zouden zijn. Hier doet de Academy dus aan mee door de populaire film als categorie te introduceren.

Is het niet tijd om juist alle onderscheid te laten varen? Zou er niet ook gewoon schoonheid gevonden kunnen worden in iets wat populair is, of wat gemaakt lijkt te zijn zonder de Kunst hoog in het vaandel te hebben staan?

 

Black Panther

Black Panther

 

COR:

Het toevoegen van de categorie ‘beste populaire film’ is bedoeld om meer kijkers voor de Oscaruitreiking op tv te trekken c.q. meer inkomsten te vergaren. Toekomstige winnaars zullen vast vaak superheldenfilms zijn, zodat de Academy haar publiek structureel met jonge kijkers kan uitbreiden.

Sjoerd, ik ben het met je eens om alle onderscheid te laten varen. Maar hoe achterhaald dat jaarlijkse circus ook is, hoe meer categorieën hoe meer aandacht voor films (en spannende outfits natuurlijk). Ik zou liever de uitreiking van de Sundance Awards op de Nederlandse tv zien, maar dat is commercieel niet interessant.

 

ROB:

Ik ben het met Sjoerds standpunt eens dat het onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ filmcultuur (meer) tot het verleden zou mogen gaan behoren.

Denk dat dat moment ook al is aangebroken, getuige films als No Country for Old Men (2007) (mainstream met arthouse-invloeden), Three Billboards… (idem) of Black Panther (2018) (publieksfilm met duidelijk politieke implicaties, iets wat tot voor kort vooral aan kunstzinnige / activistische cinema was voorbehouden).

Dat gezegd hebbend moet ik wel bekennen dat ik met een andere mindset naar bijvoorbeeld The Meg ga dan wanneer ik Phantom Thread bekijk. Heeft niet zozeer met culturele waarde te maken (al is er wel degelijk een verschil tussen beide films in dit opzicht), maar meer met een verwachtingspatroon.

Wat de Oscars betreft: ben ook van mening dat de waarde daarvan inmiddels discutabel geworden is en niet meer in verhouding staat tot de werkelijke merites van een film. Wel blijven ze interessant als een graadmeter voor hoezeer invloeden uit de filmische voorhoede doorwerken in reguliere producties. Als we ons uitsluitend op de meer progressieve cinema / festivals zouden richten wordt filmkritiek wel heel erg entre nous, bedreven vanuit onze eigen (pretentieuze) bubbel.

 

TIM:

Bij de bekendmaking van de nieuwe categorie ‘popular film’ viel me vooral op hoe groot de stijlbreuk ten opzichte van de volledige geschiedenis van Oscarcategorieën is. Hoeveel kritiek je ook hebt op de winnaars van de laatste decennia, alle categorieën richten zich in naam op kwaliteit. Dat is nu van de baan: het gaat hier expliciet om populariteit.

Wat Cor zegt over het motief voor de toevoeging is in mijn optiek volledig correct; wel is er denk ik nog iets meer aan de hand: de instroom van titels die tussen ‘populaire’ kwaliteitsfilm en arthousekwaliteitsfilm inzitten is heden ten dage een stuk groter. Neem Black Panther: vooral in termen van culturele representatie is deze film voor veel bezoekers én critici meer dan je gemiddelde blockbuster. Mijn redenatie is dat de Academy eventuele kritiek op het negeren van zulke titels in de toekomst wil voorkomen, door een categorie vrij te maken voor de films die niet tot het reguliere Oscaraanbod behoren, maar óók niet gepasseerd kunnen worden.

Een kunstmatige ingreep van deze aard kan mij, ook los van het motief, volledig gestolen worden. Geld en aandacht zijn interessant voor de commerciële mallemolen van Hollywood, niet voor de consument die in dat circus naar kwaliteit zoekt. Ik vrees ook dat filmmakers en andere vakmensen nu alleen maar meer gemotiveerd zullen worden om zich op ‘populaire films’ te richten, afhankelijk van welke titels de komende jaren in deze categorie zullen zegevieren.

Dunkirk

Dunkirk

Anderzijds zullen zat vakmensen geen enkele boodschap hebben aan deze categorie. Zou Christopher Nolan met een brede glimlach een beeldje hebben willen afhalen voor zijn Dunkirk? Dan liever een enkele nominatie voor ‘best picture’.

Ik geloof ook niet in een rigide distinctie tussen hoge en lage cultuur, om even op Sjoerds inzet terug te komen. Wel vind ik de geschiedenis van dergelijke denkbeelden razend interessant – maar dat is meer iets voor langere essays en/of degelijk onderzoek.

 

BOB:

Bedankt voor de leerzame mailtjes.

De Oscars volg ik al tien, twintig… Eh, heb ik bij nader inzien nooit gevolgd eigenlijk? Het is persoonlijk. Ik hou niet van prijzen. Literaire prijzen, filmprijzen, kunstprijzen. Het zal allemaal wel. Poppenkasten voor kranten. Ik kan dus heel goed meegaan met Rijk de Gooyer die zijn gouden kalf uit de auto flikkerde.

Vervelend is wel dat collega’s op kantoor of mensen in de kroeg steevast wél de winnaars van de Oscars bespreken (en die ik meestal niet ken, maar wat zegt dat). Prijzen hebben invloed bij het publiek. Het publiek houdt van de nieuwste Tom Cruise maar gaat toch veiligheidshalve óók de winnaar van de Oscars kijken.

Terug naar het thema: de Oscar voor de populaire film die uitgereikt gaat worden. Dat klinkt als een boxofficeficering van prijzen. Maar is dat echt erger dan via een jury? Wie een prijs voor ‘beste buitenlandse film’ verzint kun je toch al niet serieus nemen? Rare jongens, die Amerikanen.

Ik dacht opeens: hoe was dat eigenlijk in bijvoorbeeld de jaren dertig? Welke films zouden de ‘populaire Oscar’ hebben gewonnen? En wat zou ik daar van vinden? Tijd voor een ongetwijfeld ondeugdelijk mini-onderzoekje. Hier vond ik de prijswinnaars, hier de meest populaire films.

Dit was het resultaat.

1939: Gone with the Wind wint best picture en is de op een na populairste film van de jaren dertig. De meest populaire film, Wizard of Oz, zou dus dolblij zijn geweest met een ‘populaire Oscar’.

1938: You Can’t Take it With You. Charmante film maar Bringing up Baby, nog veel charmanter, zou de populaire Oscar hebben gekregen.

1937: The Life of Emile Zola wint (eh, heb ik even gemist?) en Sneeuwwitje is de populairste film van dat jaar (5e in jaren dertig lijst)!

Dit is eigenlijk best leuk! Laten we nog even verder gaan.

1936: The Great Ziegfield (vooruit, met Michael Powell) wint. Meest populair: niet Modern Times zoals je zou denken maar Mary of Scotland (beide niet genomineerd als beste film).

1935: Mutiny of the Bounty is de winnaar. Bride of Frankenstein meest populair.

1934: It Happened One Night (zo’n lieve film, de Amerikanen kunnen het wel) wint én is ook de meest populaire film (!).

1933: Cavalcade wint. King Kong (uiteraard) meest populair.

1932: Grand Hotel wint. Freaks meest populair (had ik niet gedacht).

1931: Cimarron wint. M. meest populair.

1930: All Quiet on the Western Front wint. Hell’s Angels meest populair.

Hell's Angels

Hell’s Angels

Moraal van het verhaal… Eh, ja, wat is dat eigenlijk? Misschien dat highbrow-lowbrow-discussies van alle tijden zijn (open deur)? Of dat ik de (theoretische) populaire Oscar-winnaars van de jaren dertig door de bank genomen interessanter vind dan de ‘best picture’-winnaars? Misschien dat de recensenten van 2098 er ooit hetzelfde over zullen denken? Zeg nooit nooit!

Vandaag is mijn oma gecremeerd. Deze is dus voor jou, lieve oma, omdat jij nog in tijden zonder arthouse en superheldenfilms hebt geleefd, niet hoefde te worstelen met ‘4DX’ én Citizen Kane in die tijd hebt ervaren. Zou trouwens de populaire Oscar van 1941 hebben weggesleept.

Off topic, maar jullie ook zo blij dat het gedoe met de hitte over is?

 

ALFRED:

Ik ben nooit een fan van prijzen geweest – die hebben minder met verdiensten te maken en meer met marketing – en voor de Oscar-uitreiking ben ik nimmer opgebleven. Mijn nachtrust is me dierbaarder.

De categorie ‘best popular film’ is een interessante. Het koppelt een onmeetbare eigenschap (kwaliteit) aan een meetbare (populariteit). Dat suggereert een ontwerpfout, een interne en onoverbrugbare tegenstrijdigheid, permanente spanning–het prijzenequivalent van, het is niet beledigend bedoeld, een land als België. Daar botsen twee culturele tradities, de Germaanse en de Latijnse.

In de nieuwe Oscar-categorie botsen twee opvattingen over film, twee manieren om tegen succes aan te kijken. Wat is een geslaagde film? Is dat een film die in vorm-esthetisch opzicht behaagt en inhoudelijk tevens een idee of visie weet over te brengen? Of is dat een film die de geldschieters een krat champagne doet ontkurken?

Die twee interpretaties van succes hebben niets gemeen, staan in een aantal opzichten haaks op elkaar en verhouden zich als water en olie. Die mengen niet. Volstrekte kolder derhalve, zo’n Oscar-categorie voor de ‘beste populaire film’. Dat gaat nog een aantal clowneske dan wel tenenkrommende momenten opleveren tijdens toekomstige Oscar Nights.

Interessanter is wellicht de vraag waarom het bestuur van de Academy heeft besloten zo’n non-categorie in te voeren. Ik proef wanhoop.

Wanhoop over het demografische gegeven dat de traditionele doelgroep voor Hollywood-films (althans, sinds midden jaren zeventig en de opkomst c.q. dominantie van de blockbuster) in getalsmatig opzicht slinkt: er zijn anno nu simpelweg minder 12- tot 25-jarigen dan in de jaren tachtig.

Wanhoop over het feit dat de smaak van die traditionele doelgroep voor Hollywood-films in de loop der jaren steeds platter (oppervlakkiger én eenzijdiger van belangstelling) is geworden, een ontwikkeling waarvoor Hollywood zelf verantwoordelijk is. Succesfilms zijn steeds minder inhoud (karakters, psychologie, inhoudelijk relevante boodschap) gaan bevatten en concentreren zich meer en meer op spektakel en actie. Het effectbejag heeft de zuurstof uit het filmverhaal gezogen, waardoor spektakelfilms steeds meer op elkaar zijn gaan lijken en derhalve onderling inwisselbaar zijn geworden. Dan maakt marketing het verschil, niet de acteurs of de plot en al helemaal niet de regisseur. De Transformers-franchise is het eindpunt van die ontwikkeling. Michael Bay verdient een lifetime achievement award in de nieuwe categorie best popular film.

Transformers 5

Transformers 5

Wanhoop over de opkomst van nieuwe distributiekanalen en de toegenomen populariteit (en kwaliteit) van tv-series, vaak geproduceerd (geïnitieerd en/of betaald) door gevestigde acteurs, die aldus los van Hollywood hun loopbaan continueren en tevens datzelfde Hollywood direct beconcurreren op aandacht, tijd en geld van de kijker, of om het duur te zeggen, de consument van beeldnarratief.

Wanhoop over de nuchtere constatering dat Hollywood zichzelf in een hoek heeft geverfd. Om te kunnen overleven is Hollywood meer en meer gedwongen om peperdure popcorn-blockbusters te maken over superhelden en stripkarakters voor een immer slinkende doelgroep – de jeugdige filmconsumenten van de luxueuze multiplexen – die bovendien negen van de tien spektakelfilms onvoldoende bezoekt om de productie- en marketingkosten terug te verdienen. Dat is een doodlopende weg. Zeg gerust, een geitenpad.

 

19 augustus 2018

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Some Like It Hot: rollenspel

Some Like It Hot is actueler dan ooit

De perfectie van het rollenspel

door Tim Bouwhuis

Niemand is perfect, maar Some Like It Hot is dat toch zeker wel? Het zou zomaar een uitspraak van Billy Wilder zelf geweest kunnen zijn. Na een desastreus verlopen preview in december 1958 gooide de gevierde cineast het over een andere boeg: hij vertoonde de film gewoonweg voor een jonger publiek. De rest is geschiedenis en heden ineen.

Wilder en zijn coscenarist I.A.L. Diamond hadden twee troeven in handen om de mateloze moderniteit van hun screwball comedy ietwat te verhullen. Some Like It Hot kon een period piece worden en de twee ‘mannelijke’ hoofdpersonages moesten een dynamisch rollenspel spelen. Uiteindelijk zette het duo beide troeven met plezier in.

Waarom zijn juist deze ogenschijnlijk eenvoudige kenmerken van de film zo essentieel voor het schetsen van zijn moderne karakter? Daarvoor moeten we iedere contemporaine lezing van Some Like It Hot even inruilen voor de omstandigheden waaronder Wilders filmische maskerade tot stand kwam.

Some Like It Hot

Liefde tussen man en vrouw
Aan het eind van de jaren vijftig was de invloed van de befaamde Production Code tanende. Het advent van de beeldbuis ging hand in hand met de achteruitgang van het studiosysteem, en de greep van taboes en (zelf)censuur verzwakte. Dit nam echter nog niet weg dat Wilder de censors én zijn publiek moest overtuigen met thema’s die in de voorbije decennia naar de krochten van de taboesfeer waren verbannen. De meeste Amerikanen waren het gewoon om in termen van huwelijk en huiselijkheid te denken.

De filmindustrie kon de normatieve liefde tussen man en vrouw op haar beurt niet zomaar op de tocht zetten, vooral omdat iedere poging zonder verborgen betekenissen of subtiel verhulde symboliek toch wel door de Code gepareerd zou worden. Als een regisseur dan eindelijk verder ging dan de klassieke filmkus, moest dat suggestief. Alfred Hitchcock eindigt North by Northwest (tevens 1959) met een toespeling op een penetratie: een trein rijdt met volle vaart een tunnel in op het moment dat de geliefden (Cary Grant en Eva Marie Saint) de liefde zullen gaan bedrijven. Uiteraard houdt de Master of suspense zich in deze film nog wel netjes aan de genderbalans: een open homoseksuele of lesbische relatie zul je in een film uit dit tijdperk niet zomaar aantreffen.

Billy WilderToespelingen
Hoe anders was dat in de roaring twenties, toen het studiosysteem kon uitdijen onder een stroom van kansen en gedurfde toespelingen op de relaties tussen mannen en vrouwen. In William A. Wellmanns oorlogsdrama Wings (1927) delen Charles Rogers en Richard Allen een intieme kus op de mond. Broederlijk of niet, de camera legde vast wat we daarna decennia lang niet meer zouden zien.

Regisseurs trapten daarnaast heilige huisjes omver door de suggestie van overspel uit te werken of een meer cynische visie op de mensheid uit de doeken te doen. Ernst Lubitsch, Billy Wilders grootste voorbeeld, perfectioneerde in Hollywood zijn zogeheten ‘Lubitsch touch’ (Google op ‘Wilder’ en ‘The Lubitsch Touch’ voor een even puntige als amusante uitleg van Wilder zelf), nadat hij in Duitsland het vroege hoogtij van de Weimar Cinema had meegemaakt.

De Duitse filmacademicus Thomas Elsaesser stelt dat Weimar Cinema garant stond voor ‘the creation of a highly sophisticated film language, both on the level of the image and the narrative, repeatedly using strategies of deception, camouflage, impersonation, and duplicity to make larger claims about the forming and deforming forces of modernity’.

Neem bijvoorbeeld Robert Wienes Das Kabinett des Doktor Caligari (1920), waarin de androgyne verschijning van slaapwandelaar Cesare (Conrad Veidt) onze perceptie van genderidentiteit op losse schroeven zet. De film als geheel is een ontwrichtende droom, waarin iedere verschijning deel kan zijn van een groter bedrog. De hysterische decors reflecteren het grenzeloze karakter van stijl en narratief.

Rollenspel
In de expressieve kunst van deze academisch afgebakende periode ontspringt ook Wilders fascinatie voor het rollenspel. In het rollenspel kunnen personages zijn en verbeelden wat in een meer directe context taboe is. Doorheen het oeuvre van Wilder komt het gegeven van het rollenspel telkens weer terug. Neem bijvoorbeeld The Major and the Minor (1942). Ginger Rogers (ongeveer dertig jaar oud in de productieperiode) doet zich voor als een twaalfjarig meisje om tegen een goedkoper tarief met de trein te kunnen reizen, en identificeert zich in een later stadium ook nog eens als haar bloedeigen moeder. Het laatste frame van de film laat zich lezen als een speelse visuele vooruitwijzing naar Some Like It Hot, waarin de stoomwolk van de trein Sugar Kane (Marilyn Monroe) deels even aan het oog onttrekt, net als Rogers in The Major and the Minor.

Wie eenmaal met de bril van het rollenspel naar het oeuvre van Wilder kijkt, moet zich eerder inspannen een film te vinden die het niét moet hebben van (variaties op) gedaanteverwisselingen. Gerd Gemünden betoogt in zijn boek A Foreign Affair: Billy Wilder’s American Films dat deze gedaanteverwisselingen zeker niet alleen als voortstuwende plot devices moeten worden beschouwd: ‘’impersonation and masquerade always entail a political dimension, serving as allegory for the price the exile has to pay in his or her quest for assimilation, for blending in, or for mere survival’’.

Some Like It Hot

Verkleedpartij
In Some Like It Hot is de personificatie van de banneling het komische duo Jack Lemmon-Tony Curtis. Aan het begin van de film leren we dat de twee beroepsmuzikanten alles doen om maar rond te kunnen komen: ze lenen geld, wedden op paarden óf verkleden zich als vrouwen. Eenieder kan nu perfect betogen dat de transformatie van Lemmon en Curtis verre van volmaakt is. Voor Curtis weifelachtig gepitchte falsetstem, de overdreven loopjes en het gemaakt hysterische gedrag van de gemaskeerde charmeurs is de uitdrukking ‘over de top’ uitgevonden, en als de charlatans onder elkaar zijn hullen ze zich gewoon weer in de mantel van hun eigen identiteit.

Uitspraken van die aard zijn perfect van toepassing op het eerste anderhalf uur van de film, maar de escapades van Josephine en Daphne hebben een staartje. Wie Some Like It Hot zag, kan de afsluitende oneliner ongetwijfeld dromen. Op ludieke wijze laat sugar daddy Osgood (een even boeiende als linke figuur in #metoo-tijden) weten dat hij ook met een homoseksuele relatie geen moeite heeft. In het originele script van Diamond en Wilder gaat de tekst onder het geliefde ‘Nobody’s perfect’ nog even verder: ‘’Jerry looks at Osgood, who is grinning from ear to ear, claps his hands to his forehead. How is her (sic!) going to get himself out of this? But that’s another story – and we’re not quite sure the public is ready for it”.

Transformatie
Billy Wilder heeft in een interview aangegeven dat het in deze situatie niet per se hoeft te gaan om een beslissing van seksuele aard: trouwen met een miljonair kan de sociale en financiële zekerheid verschaffen die Jerry en Joe in Some Like It Hot zeker niet hadden. ‘’It’s security’’, roept Lemmon demonstratief, voor het viertal het geluk tegemoet vaart. En toch kan er – afhankelijk van je precieze interpretatie van de film – meer aan de hand zijn. Jerry verandert zijn vrouwennaam eigenhandig van Geraldine in Daphne, een waarschijnlijk weinig toevallige verwijzing naar de Daphne uit de Griekse mythologie. Om de nimf te beschermen voor de avances van de god Apollo (lees: Osgood), verandert haar vader Daphne in een laurierboom.

Van zo’n opmerkelijke transformatie is in Wilders carrousel van strak getimede scriptgrappen gelukkig geen sprake, maar daardoor weegt de waarheid nog wat zwaarder: de tijdelijke vermomming van Jerry is verworden tot een levenslang vonnis. Met het einde van de film lijkt de kans dat we Jerry nog terug gaan zien voorgoed verkeken. En Wilder kent z’n publiek en z’n censors: de vraag is inderdaad of het publiek daar in die tijd klaar voor was.

Some Like It Hot

Identiteit
De Rooms-Katholieke League of Decency gaf Some Like It Hot een B-rating: de film was daarmee ‘’Morally Objectionable in Part For All’’, met name door zijn speelse verwerking van travestie, homoseksualiteit en lesbische liefde (de kus van Monroe en Curtis). Toch kon Wilders komedie een commercieel succes worden, in de eerste plaats omdat de licht met misdaad doordesemde plotlijn langs de censors kon komen. Het is precies zoals filmcriticus Roger Ebert stelde in zijn Great Movies-recensie: Some Like It Hot is ‘a movie that’s about nothing but sex and yet pretends it’s about crime and greed’.

De keuze om de film in het verleden te laten spelen is niet alleen een slim voorwendsel om iederéén deel te laten nemen aan het rollenspel, het is ook een strakke allusie op de dunne grens tussen verbod en vrijheid. Tijdens het eerste kwartier van de film krijgen we maar al te duidelijk mee dat de actie plaatsvindt in het Chicago van de drooglegging en de St. Valentine’s Day Massacre (1929). De geschiedenis van de drooglegging leert dat een grootschalig verbod van die aard op termijn enkel averechts werkt. Precies hetzelfde gaat op voor de Production Code. De drooglegging eindigde in 1933, niet lang voordat de verantwoordelijke organisatie de code meer rigide begon te handhaven. De focus verschoof dus deels naar andere vormen van ‘immoraliteit’; maar die vormen houden geen stand als ze niet expliciet bevraagd kunnen worden. Wilder schrijft en regisseert met een even speelse als serieuze knipoog.

In Some Like It Hot vertelt hij het verhaal van twee mannen die hun gefixeerde seksuele identiteit moeten loslaten om te overleven. De transformatie van Lemmon en Curtis is absoluut geen schande of een publiek schandaal (let op de reacties van Sugar en Osgood bij de twee onthullingen), maar een reflectie op een open wereld waarin de gendergrenzen zich eindeloos laten oprekken. Identiteit, zo lijkt Wilder te stellen, is altijd in beweging.

De conclusie mag iedereen voor zichzelf omarmen of verwerpen: Some Like It Hot is vandaag de dag actueler dan ooit.

 

5 augustus 2018

 

MEER BILLY WILDER
 
 
MEER ESSAYS

Is John Cassavetes of Orson Welles de eerste grote onafhankelijke filmmaker?

Ondertussen, op de redactie:

Is John Cassavetes of Orson Welles de eerste grote onafhankelijke filmmaker?

ALFRED:

Hi Cor, in je eerste stuk over Jim Jarmusch noem je John Cassavetes ‘de eerste grote onafhankelijke filmmaker’.

Ik weet het, het is geen onderwerp waar Donald Trump wakker van zal liggen, maar ik ben benieuwd waarom je Cassavetes aanwijst als eerste onafhankelijke (Amerikaanse) cineast.

Was dat niet Orson Welles? Noodgedwongen weliswaar, want onder druk van Randolph Hearst verstoten door de grote Hollywood studio’s, maar toch.

John Cassevetes en Orson Welles

Roger Corman opereerde ook buiten het studiosysteem in een filmuniversum parallel aan ‘Hollywood’, maar die begon midden jaren vijftig. Ruim na Welles dus: die maakte in 1948 voor een kleine studio (bekend van B-films) Macbeth en vertrok daarop naar Europa.

Charlie Chaplin zou ik geen onafhankelijke filmer noemen. Die startte in 1919 United Artists en werd dus zijn eigen studiobons. Dat doen ook vandaag de dag de meer succesvolle acteurs wel vaker, denk aan Brad Pitt en diens Plan B Productions. Zo hou je enige controle over je loopbaan.

Onder onafhankelijke filmer versta ik cineasten die opereren los van het Hollywood studiosysteem, via onafhankelijke productie en/of distributie. John Sayles is het archetype uit de ‘moderne tijd’.

Wat is jouw uitleg van ‘onafhankelijke filmer’?

 

COR:

Wat mij betreft hanteren we jouw definitie van onafhankelijke filmer: ‘Films maken los van het Hollywood-studiosysteem en onafhankelijk produceren en distribueren’. Hieraan voeg ik graag toe: ‘Het zich afzetten tegen de veelal voorspelbare verhalen van de droomfabriek door het maken van realistische en maatschappij betrokken films’. Bovendien hoeft de onafhankelijke filmmaker idealiter niet wakker te liggen van wat een film kost en zou hij zelf geen salaris mogen ontvangen.

Laten we eens beginnen in 1908 toen de Amerikaanse uitvinder annex filmpionier Thomas Edison de Motion Picture Patents Company (MPPC) oprichtte. Het bedrijf omvatte destijds alle belangrijke filmstudio’s en verschafte zich middels patenten (en soms bedreigingen) het monopolie op levering van filmstroken en distributie van films. Ook kregen buitenlandse films minder kans in de Amerikaanse bioscopen. ‘America First’ dus.

Ver weg van het New Jersey van Edison gingen de eerste onafhankelijke filmmakers zich vestigen in het warme Californië en begonnen in Hollywood een systeem dat productie, distributie en vertoning regelde. Al snel maakten daar vijf grote filmstudio’s de dienst uit: 20th Century Fox, Metro-Goldwyn-Mayer, Paramount Pictures, RKO Pictures en Warner Bros. De MPPC had geen schijn van kans meer en werd in 1918 opgedoekt. Een jaar later richtten Charlie Chaplin, D.W. Griffith, Mary Pickford en Douglas Fairbanks een eigen studio op: United Artists, om hun eigen films te kunnen distribueren, maar ‘echt onafhankelijk’ werden ze nooit.

Hollywood(land)

Natuurlijk kwamen er ook onafhankelijke producers, zoals Samuel Goldwyn en David Selznick die onafhankelijke kwaliteitsfilms wilden maken. Maar als het dan al lukte om bijvoorbeeld de rechten van Gone with the Wind te bemachtigen, moesten ze toch een beroep doen op ‘eigendom’ van de grote studio’s, in dit geval Clark Gable die de hoofdrol van Rhett Butler ging spelen.

Het Amerikaanse studiosysteem eindigde formeel in 1948 met een antitrustwet, waarmee monopolie van zowel productie als distributie als vertoning verboden werd. En ook met de opkomst en populariteit van de televisie in de jaren 50 kwam er ruimte voor nieuwe initiatieven.

Eén van de bekendste personen die al helemaal buiten de Hollywood-studio’s werkte, was Samuel Fuller, die in 1949 doorbrak met de western I Shot Jesse James. Ook de artistieke visies van filmmakers als John Ford, Howard Hawks en Alfred Hitchcock pasten niet altijd in het studioconcept. Dat geldt ook voor Orson Welles die in 1948 uitweek naar Engeland, maar in 1956 alweer terugkeerde naar Hollywood.

Technisch gezien mag jij Orson Welles van mij best ‘de eerste grote onafhankelijke filmmaker’ noemen, maar de eerste grote filmregisseur die ‘independent cinema’ als beweging introduceerde en het principe altijd trouw bleef is John Cassavetes. Om die reden wordt hij ‘The Father of Independent Film’ genoemd en wordt er elk jaar (op de zaterdag voor de Oscars) tijdens The Independent Spirit Awards een heuse John Cassavetes Award uitgereikt.

 

ALFRED:

Dank voor de uitleg en historische achtergrond. Grappig om de dynamiek tussen New York en Los Angeles/Hollywood te zien. Edison versus de jonge turken: gevestigde orde aan de Oostkust, nieuwe kansen aan de Westkust–de frontier-mentaliteit in de praktijk. Film is niet het enige voorbeeld, het geldt ook voor televisie en de populaire muziek van de jaren zestig.

Er is een onderscheiding vernoemd naar John Cassavetes, wat iets zegt over ’s mans status en plek in de filmgeschiedenis. Neemt niet weg dat Orson Welles de eerste regisseur van statuur is die buiten het studiosysteem om films maakte. In 2013 werd in Italië de verloren gewaande ‘debuutfilm’ van Orson Welles teruggevonden, Too Much Johnson.

Too Much Johnson
Het zijn scènes die bedoeld waren om te worden vertoond als intermezzo tijdens de voorstellingen van een toneelstuk. Welles heeft de film nooit afgemaakt, maar hij zat op dat moment, 1938, nog in New York en produceerde Too Much Johnson geheel buiten ‘Hollywood’ om.

Ik wil maar zeggen, het onafhankelijk film-maken zat hem in het bloed. Wat mij betreft is het ‘Orson Welles first’. Dat laat de verdiensten van Cassavetes natuurlijk onverlet. Welles en ‘bewegingen’ gaan niet samen. Genieën maken nooit school.

 

COR:

Het grappige is dat de term ‘independent film’ in feite pas sinds Shadows (1959) van John Cassavetes wordt gebezigd. Misschien is het verschil met Orson Welles dat die het land verliet om elders van het studiosysteem verlost te zijn. Ach, er zijn zoveel definities van ‘independent film’, en soms kan het zelfs gebeuren dat onafhankelijke films mainstream worden. Maar hoe definieer je mainstream dan weer? Ik herinner me jouw recente discussie met Martin Koolhoven, die weigerde om zijn succesfilm Brimstone ‘mainstream’ te noemen, terwijl jij dat uitstekend wist te verdedigen.

Je wijst terecht op de dynamiek in New York. Net zoals de allereerste onafhankelijken zich nabij Los Angeles gingen vestigen, bloeide in de jaren 50 en 60 in New York de zogenoemde moderne Independent Cinema op. Deze filmmakers vonden dat sociale milieus nauwelijks aan bod kwamen in de mainstream cinema en op televisie. Dat leidde in 1953 tot (de volgens critici allereerste onafhankelijke Amerikaanse film) Little Fugitive van onder andere fotograaf Morris Engel. Het verhaal gaat over een zevenjarig jochie dat wegloopt nadat hij denkt dat hij een vriendje van zijn broer heeft doodgeschoten. We volgen zijn belevenissen gedurende een dag en een nacht op de kermis van Coney Island.

Little Fugitive

Over jonge turken en onafhankelijke filmmakers gesproken: de Franse regisseur François Truffaut zei ooit dat de Nouvelle Vague nooit zou hebben bestaan als Little Fugitive niet was gemaakt. Zoals de Nouvelle Vague schatplichtig is aan het Italiaanse Neorealisme.

Misschien dat we de vertegenwoordigers van laatstgenoemde filmstroming – Roberto Rossellini, Luchino Visconti en Vittorio De Sica – de eerste, echte grote onafhankelijke filmmakers moeten noemen. Zij kenden helemaal geen studiosysteem en filmden op straat, want de studio’s waren plat gebombardeerd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog.

Ik ben het met je eens dat Orson Welles en zijn rol in de filmgeschiedenis meer aandacht verdient. Mag ik je van harte uitnodigen om eens een stuk over dit genie te schrijven?

 

ALFRED:

Jouw gedachten over ‘independent film’ sluiten het mooi af, met een fraaie – en alleszins verdedigbare – conclusie: de Italianen hebben het filmen buiten de studio (en het studiosysteem) uitgevonden.

Een stuk over Orson Welles? Ik zet ‘m op mijn lijstje ‘Moet ik nog eens doen’. Misschien dat ik eens dieper in Touch of Evil duik en dat als kapstok gebruik. Maar kan niets beloven :)

 

18 februari 2017

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

De 10 beste actrices?

De 10 beste actrices estafette-race

door Cor Oliemeulen

Weinig mensen zo fanatiek als het gaat om het maken van lijstjes als John Cusack in High Fidelity. Net bekomen van het samenstellen van de beste films van 2016, werd ik uitgenodigd door Nico van den Berg van Cine. De Filmkijker had het idee opgevat om als gezamenlijke filmbloggers een top 10 van beste actrices samen te stellen. Je laat er negen staan en vervangt één actrice door je eigen favoriet.

Dat blijkt een hele klus, want het liefst zou ik in een milde bui al zeker vier namen willen schrappen en zonder veel aarzeling vervangen door Jeanne Moreau, Hanna Schygulla en Liv Ullmann, tezamen goed voor tientallen films waarin zij de sterren van de hemel spelen. En dan is er nog een Amerikaanse actrice die sowieso thuishoort in de eregalerij van beste actrices uit de filmgeschiedenis, wat mij betreft nog eerder dan Katharine Hepburn, Elizabeth Taylor, Vivien Leigh, Claudette Colbert en zelfs Lillian Gish, de onbetwiste koningin van de zwijgende film.

Maar goed, regels zijn regels. En ik wil degene die mij het estafettestokje heeft aangereikt niet voor het hoofd stoten door zijn gerespecteerde inbreng direct naar de vergetelheid terug te verwijzen. Dat is mijn regel. Ik begin met de negen actrices die mogen blijven en eindig met mijn favoriet.

Wie moet weg? Natalie Portman – een actrice die als 12-jarige haar beste rol speelde (Léon) en wat mij betreft altijd redelijk eendimensionaal is gebleven – doet mij echt pijn aan de ogen in de lijst tot nu toe. Dus Natalie drop ik met genoegen, waarmee ik hopelijk de filmbloggers na mij gaarne een dienst bewijs.

 

1 – Cate Blanchett

Prachtige actrice natuurlijk, die mij uitermate beviel in Elizabeth en I’m Not There en flink wist te ontroeren in Blue Jasmine en Carol. Toch heb ik bij haar altijd het idee dat er nog veel meer inzit.

Cate Blanchett

2 – Audrey Hepburn

Alleen al als stijlicoon door Breakfast at Tiffany’s en haar onweerstaanbare charme in Roman Holiday en My Fair Lady maakt van Audrey Hepburn hopelijk een blijvertje.

Audrey Hepburn

3 – Isabelle Huppert

De meeste voorgangers roemden terecht één van de beste Franse actrices van de laatste vier decennia. Hoort door haar grote verscheidenheid aan rollen en mysterieuze sensualiteit misschien wel eerder in het rijtje thuis dan klassieke schoonheid Catherine Deneuve. Misschien dan.

Isabelle Huppert

4 – Annie Bos

Annie Bos, wie kent haar niet? Uh, ík, zal ik eerlijk bekennen. Echter het pleidooi van de vorige estafetteloper maakt wel nieuwsgierig en maakt Annie bij voorbaat interessanter dan ‘onze’ eerste bekende acteur, Lou Tellegen.

Annie Bos

5 – Julianne Moore

Relatief laat doorgebroken speelt ze in bijna al haar films oerdegelijk. Er zijn bovendien weinig actrices die zo geloofwaardig kunnen snotteren.

Julianne Moore

6 – Maggie Smith

Je staat niet voor niets in zo’n lijst, maar smaken verschillen. Als we toch al een oudere Britse actrice moeten kiezen ga ik voor Vanessa Redgrave, gevolgd door Helen Mirren en Judi Dench.

Maggie Smith

7 – Tilda Swinton

Tilda Swinton schijnt haar films en regisseurs bewust uit te kiezen, en dat is waarschijnlijk wederzijds. Voor mij te ongrijpbaar om altijd te kunnen bekoren, hoewel ik haar nog steeds het meest gelaagd vind in We Need To Talk About Kevin.

Tilda Swinton

8 – Kate Winslet

Wie houdt er nou niet van Kate? Echt zo’n actrice die ik graag volg vanaf het allereerste begin: Heavenly Creatures. Leuk, spontaan, aandoenlijk en als het mag verrassend geestig, bijvoorbeeld in het heerlijk opgebouwde Carnage.

Kate Winslet

9 – Marilyn Monroe

Haar mentor Lee Strasberg (de man die ‘method acting’ in Amerika introduceerde) noemde Marilyn Monroe eens zijn beste leerling. Zou ik ook hebben gezegd als ik hem was! Het best en meest geliefd als vrolijk dom blondje (The Seven Year Itch en Some Like It Hot) hoort ze alleen al vanwege haar legendarische status thuis in deze lijst.

Marilyn Monroe

10 – Bette Davis

Dat geldt absoluut voor Bette Davis, een actrice die ik aanvankelijk alleen maar kende van het volgende liedje:

She’ll tease you
She’ll unease you
Just to please you
She’s got Bette Davis eyes

Na mijn kennismaking met deze op en buiten de set pittige dame, was ik snel verkocht. Eén van de grote sterren in het Hollywood van de jaren 30 en 40. Een authentieke doorzetter pur sang en de vrouw die door haar strijd tegen de machtige filmstudio’s in Hollywood de weg baande voor alle actrices na haar. Verpletterend in drama’s als Of Human Bondage, Jezebel, The Old Maid, The Letter, The Little Foxes en Mr. Skeffington (nog steeds een van de beste films waarin het ouder worden aankomt als een mokerslag).

De som van al haar acteerervaring en levenslessen komt samen in een oprecht en onvergetelijk portret van een actrice die (volgens velen ook zelf als actrice) over haar hoogtepunt heen is: All About Eve (1950, Bette Davis is dan 41). Zeer gevat, onderzoekende blik, wilskrachtig en kwetsbaar tegelijk: een actrice op wie je alleen maar verliefd kunt worden. Het is en blijft een van de sterkste vrouwenrollen in de filmgeschiedenis.

Ik draag het estafettestokje graag over aan Bob van der Sterre.

22 december 2016

 

 


MEER LEUKE FILMLIJSTJES

10 meest tenenkrommende scènes uit Nederlandse films

De 10 meest tenenkrommende scènes uit Nederlandse films vanaf 2000

De 10 meest tenenkrommende scènes uit Nederlandse films

Voor het verschijnen, en bliksemsnel verdwijnen, van het erotische drama De Overgave van regisseur Paul Ruven waren er ook al films waarin sommige fragmenten een opmerkelijk bedenkelijk niveau hebben.

door Cor Oliemeulen

1. – Oesters van Nam Kee (2002)

Bekend geworden vanwege haar stralende glimlach en strakke truitjes in Goede tijden, slechte tijden mocht Katja Schuurman (na eerder een klein rolletje in het afgrijselijke De Zeemeerman) haar kunsten en borsten op het grote witte doek vertonen in Costa! (2001). Ze speelde een van de hitsige tieners onder de Spaanse zon. Dat ging haar zo goed af – de recensies van Costa! waren vernietigend, echter de romkom werd een kassucces – dat ze mocht opdraven in Oesters van Nam Kee, de eerste en tevens laatste speelfilm van Pollo de Pimentel. Katja speelt hierin nachtclubdanseres Thera die valt voor de avances van wildebras Diablo (Egbert Jan Weeber). Ze eten elke dag oesters bij Nam Kee, worden verliefd en besluiten om samen op reis te gaan. Maar dan heb je natuurlijk wel geld nodig. Ze hebben de meest wilde ideeën, totdat Katja zegt dat ze een kunstje kan.

2. – Wit Licht (2008)

Het leven van een populaire zanger gaat niet altijd over rozen. Marco Borsato won in 1990 de Soundmixshow, stapte enkele jaren later over op Nederlandstalig repertoire en kon menig toehoorder laten zwijmelen. Concerten bij de vleet en jurylid bij The Voice of Holland – wat kan een mens zich nog meer wensen? Zijn fans schrokken toen de sympathieke vocalist onlangs een TIA kreeg, maar gelukkig schijnt het weer goed met Marco te gaan. Als ambassadeur van War Child maakte hij helaas een grove misstap: in zijn enthousiasme om nog meer aandacht te krijgen voor de situatie van kindsoldaten in Afrika wilde Marco gaan acteren. Hij kreeg in Wit Licht van Jean van de Velde de hoofdrol van een restauranteigenaar die op zoek gaat naar het ontvoerde zwarte vriendje van zijn zoontje. De plaatjes zijn mooi en sommige scènes drukken je met de neus op de trieste feiten, maar acteren vergt nu eenmaal andere kwaliteiten dan zingen.

3. – Het Bombardement (2012)

Jan Smit moet vast hebben gedacht dat hij het beter kon dan zijn collega. Niets is minder waar. Het Bombardement van Ate de Jong werd met de grond gelijk gemaakt in de media. Sommige rasechte Rotterdammers in de bioscoop riepen keihard ‘paling’ op het moment dat de Volendamse zanger zijn tekst oplepelde. Jan Smit kruipt in de huid van Vincent, een nuchtere arbeidersjongen met boksaspiraties die verliefd wordt op het welgestelde meisje Eva (Roos van Erkel) tussen de puinhopen na het bombardement op Rotterdam. De film bevat niet alleen een onwaarschijnlijke bokspartij, een overdreven sentimentele sterfscène en de dodelijkste gasexplosie sinds Die Ehe der Maria Braun (1979), Jan Smit zal zich in Het Bombardement niet aan een lied wagen. Hij gaat wel neuriën. En zwijmelen.

4. – Floris (2004)

Regisseur Paul Verhoeven en acteur Rutger Hauer legden in 1969 samen de basis voor hun (Amerikaanse) succes met Floris. Deze prachtige dertiendelige serie gaat over Floris van Rosemondt, de erfgenaam van een riddergoed dat grenst aan het Bourgondische rijk van Philips de Schone. Rond het jaar 1500 krijgt Floris het aan de stok met Karel van Gelre en Lange Pier. In zijn strijd wordt Floris geholpen door de fakir Sindala, die beschikt over magische krachten. De in zwart-wit geschoten serie, hoofdzakelijk gefilmd op Kasteel Doornenburg, werd ook in andere landen snel populair. In Duitsland heette de nagesynchroniseerde versie ‘uiteraard’ Floris – Der Mann mit dem Schwert. In 2004 besloot Jean van de Velde een speelfilm te maken. Om enige nostalgie op te wekken maakte hij schaamteloos gebruik van korte fragmenten uit de serie en vervaardigde een familiefilm waarbij de toeschouwer zich afvraagt of het nu drama of komedie is. Soms hoef je geen zanger te zijn om slecht te kunnen acteren.

5. – Mannenharten (2013)

Seks. De populaire Nederlandse film denkt nauwelijks zonder te kunnen. In Mannenharten van Mark de Cloe zien we vijf bekende vaderlandse acteurs in een bewerkt script van een Duitse komedie. Dat is al vragen om moeilijkheden. Mannen als eeuwige jagers, of mannen met bindingsangst. De een werkt zich in het zweet in een sportschool, de ander belandt zonder moeite met twee dames tegelijk tussen de lakens. Maar bij de meeste mannen gaat het niet van een leien dakje. Als je dik bent en een bril draagt moet je het kennelijk hebben van een blind date. Of je stalkt een kassameisje van een supermarkt omdat zij toch niet kan weglopen. En als werkloze man ga je gewoon in een elandpak op een fiets dronken toeristen door Amsterdam vervoeren. Maar niets is erger dan als je vriendin zwanger blijkt.

6. – Verliefd op Ibiza (2013)

Zelfs fotomodellen mogen tegenwoordig debuteren, vanzelfsprekend in romantische komedies en het liefst in een combinatie van sexy en oerdom. In Verliefd op Ibiza wordt het bij Kim Feenstra niet helemaal duidelijk of ze zichzelf speelt. Johan Nijenhuis (Costa!) brengt de liefhebber terug naar de mediterrane zon. Hier op het feesteiland treffen we een gemêleerd gezelschap van Nederlandse vakantiegangers die hunkeren naar liefde, waarbij ze het gebruik van drank en een pilletje niet schuwen. Maar er zijn ook mensen die het leven wat serieuzer nemen, zoals Jan Kooijman, die als profvoetballer zonder balgevoel zojuist een miljoenencontract bij FC Barcelona heeft getekend. Het duurt even voordat ook hij moe wordt van het gezeur van Kim Feenstra. Gelukkig is daar Willeke van Ammelrooy als verstandige oma die haar bedenkingen uit.

7. – Volle Maan (2002)

De Nederlandse Brat Pack – zo zou je met een beetje goede wil de cast van Volle Maan kunnen noemen. We zien acteurs en actrices in het begin van hun loopbaan: Daan Schuurmans, Cas Jansen, Teun Kuilboer, Georgina Verbaan, Michiel Huisman, Ellen ten Damme, Chantal Janzen en zelfs Lieke van Lexmond komt voorbij. In de geest van klassieke tienerfilms van begin jaren tachtig, zoals The Breakfast Club en St. Elmo’s Fire, trekt Johan Nijenhuis (inderdaad ruim vertegenwoordigd in dit overzicht) moeiteloos de formule van Costa! door. Plaats van handeling is ditmaal een boot waarop twee broers en een aantal klasgenoten een feest plannen. Zowel de spelers als het verhaal hebben weinig om het lijf en de meesten doen tevergeefs hun best een Twents accent ten gehore te brengen.

8. – Smoorverliefd (2013)

Waarom de Belgische romantische komedie Smoorverliefd (2010) drie jaar na release zonodig een Nederlandse remake moest krijgen, blijft tot op de dag van vandaag een raadsel. Misschien was regisseur Hilde van Mieghem op het idee gebracht door het nagelbijtende Loft (2008) van landgenoot Erik Van Looy, een uitstekende misdaadthriller die dunnetjes en minder goed werd overgedaan in de Hollandse variant van Antoinette Beumer. Hilde van Mieghem verfilmde zelf opnieuw haar Smoorverliefd en verruilde Antwerpen voor Den Haag. We volgen een tienermeisje, haar grote zus, moeder en tante. Liefde, romantiek en seks liggen voortdurend op de loer. Zelfs de charmante Susan Visser, die normaliter met zowel komedie als drama prima uit de voeten kan, heeft geen schijn van kans in deze misère van platitudes en onbenulligheden.

9. – Gooische Vrouwen (2011)

Susan Visser mocht haar komische kwaliteiten ook al in Gooische Vrouwen etaleren. Ze werd begin jaren negentig bekend als het spontane hulpje Dirkje in de populaire serie In de vlaamsche pot en belandde ruim een decennium later in een andere tv-serie, Gooische vrouwen, het Nederlandse antwoord op Sex and the City. Een heuse speelfilm kon niet uitblijven. Naast Susan Visser zien we onder anderen Linda de Mol, Tjitske Reidinga en Lies Visschedijk als tegen karikaturen aan schurkende bordkartonnen personages in ’t Gooi. Voor de fan een aangenaam tijdverdrijf, voor de ander een aaneenschakeling van clichés en tenenkrommende scènes. En hoe komt het toch dat er altijd BN’ers in dit genre mogen komen opdraven?

10. – Moordwijven (2011)

Het maken van een goede zwarte komedie is niet iedereen gegeven. Met Moordwijven doet regisseur Dick Maas (Flodder) een halfslachtige poging, gesteund door drie door de wol geverfde Killer Babes, die besluiten om de vreemdgaande man van een van hen te laten vermoorden. Deze miljonairsvrouwen baden in weelde en strijden fanatiek tegen het ouder worden. Gezichtsmaskers, manicuren, bubbelbaden, liposuctie en botox – het lijkt allemaal zo achterhaald. Liever gaan de dames na het shoppen iets gezelligs doen, bijvoorbeeld anus bleken, en daarvan kun je best wel even last hebben! Er zijn geslaagde, maar vooral minder geslaagde en smakeloze grappen. Als een vliegtuigje (zogenaamd) tegen een flatgebouw vliegt en explodeert, waarschuwt iemand op straat: ‘Kijk uit, er komt er altijd nog één!’
En zo sluit Moordwijven deze reeks van meest tenenkrommende scènes en ziet de liefhebber reikhalzend uit naar meer.

3 oktober 2014

 

Alle leuke filmlijstjes

5 goede schaakfilms

Vijf schaakfilms die staan als een toren

Joueuse

Heel veel goede speelfilms over schaken zijn er niet gemaakt. The Dark Horse en Pawn Sacrifice die in 2015 de Nederlandse filmtheaters bereikten, zullen zeker niet alleen liefhebbers van het strategische bordspel bekoren. Dat geldt ook voor de vijf volgende schaakfilms.

door Cor Oliemeulen

1. – Life of a King (2013)

‘Always Think B4 U Move’ prijkt op de gevel van de Big Chair Chess Club in een arme wijk van Washington. Schaken als metafoor voor het leven. Net als in The Dark Horse probeert een man met een niet alledaags verleden kansloos geachte jongeren te enthousiasmeren voor het schaakspel. Gebaseerd op een ware geschiedenis speelt Cuba Gooding Jr. de ex-crimineel Eugene Brown, die na zeventien jaar gevangenis een klas moeilijke kinderen voor zijn neus krijgt. School is voor de meesten verplichte kost en weer op straat houden sommigen zich bezig met drugshandel en overvallen. Natuurlijk lukt het Eugene uiteindelijk enkele jongeren perspectief en structuur met schaken te bieden, en is het meegenomen dat er een natuurtalent in de klas zit. Op privéterrein worstelt Eugene om contact met zijn dochter te krijgen. Life of a King is een typisch Amerikaanse inspiratiefilm met het hart op de goede plaats, maar kleurt soms te veel binnen de lijntjes.

2. – Searching for Bobby Fischer (1993)

De bekendste schaakfilm is niet per se de beste, maar nog steeds onmisbaar. Bobby Fisher was de eerste (en laatste) Amerikaan die de wereldtitel won. De film begint met authentieke beelden van de ongrijpbare legende, die schaken tot kunst wist te verheffen, tijdens de tweekamp met de Rus Boris Spasski in 1972. Tijdens de Koude Oorlog had Fisher de Amerikaanse hegemonie onderstreept en werd het enfant terrible een beroemdheid. Totdat hij zijn meest onverwachte zet deed: hij verdween! Searching for Bobby Fisher is het waargebeurde verhaal over de pas zevenjarige Josh Waitzkin die door sommigen wordt geacht in de voetsporen van diens grote voorbeeld te treden. De strenge schaakleraar Bruce Pandolfini (Ben Kingsley) ontfermt zich over Josh, maar dan blijkt dat het jongetje ook graag andere dingen doet, zoals honkballen en spelen met lego. Ook snelschaken met marginale figuren in het park is plotseling taboe. Gelukkig komt alles op zijn pootjes terecht en schaakt Josh zich succesvol een weg door tal van jeugdkampioenschappen.

3. – La diagonale du fou (1984)

Van alle romantiek ontdaan is deze Franse schaakfilm waarin Michel Piccoli op zeer realistische wijze de fictieve wereldkampioen schaken Akiva Liebeskind neerzet. In dit drama wordt de ideologische strijd tussen de verstokte Joodse Russische communist Liebeskind en zijn uitdager, de jonge dissident Pavis Fromm, op het scherpst van de snede gevoerd. De vermeende afluisterpraktijken op een hotelkamer en een hypnotiseur op de eerste rij van het publiek doen regelrecht denken aan de beruchte schaaktweekamp tussen de stoïcijnse Rus Karpov tegen de naar Zwitserland gevluchte grootmeester Viktor Kortsjnoj. Psychologische oorlogsvoering en paranoia vieren ook hoogtij in La diagnole de fou waarin Liebeskind bovendien kampt met een hartkwaal en Fromm in scheiding ligt met zijn vrouw Marina (Liv Ullmann). Mooi beeld van een tijd waarin schaakcomputers nog geen intrede hadden gedaan en de schaakgrootmeesters tijdens een tweekamp werden bijgestaan door een team van secondanten die tot in de nachtelijke uren openingen voorbereidden en afgebroken partijen analyseerden.

4. – Lang leve de koningin (1995)

Liefhebbers die in hun jeugd leerden schaken, zijn opgegroeid met het boekje ‘Oom Jan leert zijn neefje schaken’, in 1968 geschreven en samengesteld door Albert Loon en schaakgrootmeester Max Euwe, de enige Nederlander die wereldkampioen werd. Hiermee leer je op een verhalende en speelse manier de beginselen van het schaakspel. In feite is Lang leve de koningin van Esmé Lammers een afgeleide van dit speelse leerboekje. De kleine Sara kan zich moeilijk concentreren op school en haalt allemaal onvoldoendes. Op een dag ziet ze een schaakspel in de winkel van de vader van een klasgenootje. Sara is direct verkocht en fantaseert dat ze deel uit maakt van het gemêleerde gezelschap op het bord. De witte koningin (Monique van de Ven) neemt Sara onder haar hoede en verzint spelenderwijs de regels van het spel. De moeder van Sara wil niets van schaken weten, omdat zij vroeger heeft gebroken met schaakgrootmeester Bob Hooke (Derek de Lint) die nu de stad aandoet voor een schaaksimultaan, waarvoor Sara gaat oefenen. Mooie avontuurlijke familiefilm met veel amusante bijrollen.

5. – Joueuse (2009)

Schaken als remedie tegen een saai huwelijk. Dat is het doel van Hélène (Sandrine Bonnaire) die als kamermeisje werkt in een hotel op Corsica waar zij op een dag een koppel op het balkon een intiem potje schaak ziet spelen. Ze gaat ’s nachts oefenen en leert de kneepjes van het spel van dokter Kröger (Kevin Kline) bij wie ze wekelijks het huis poetst. Hélène ontdekt dat de dame sterker is dan de koning en probeert met haar nieuwe obsessie iets voor zichzelf te creëren, terwijl manlief Ange bang is zijn vrouw te verliezen. Hélène blijkt een natuurtalent, die zich op aanraden van Kröger aanmeldt voor een schaaktoernooi. Ze wordt door de organisator weggehoond, want wat voor intelligente vaardigheden kun je verwachten van een schoonmaakster? Prachtig spel van Bonnaire, die met een witte dame in haar hand (net als Sara in Lang leve de koningin) de mannelijke schakers van het eiland graag een poepje wil laten ruiken. Schaakverenigingen zouden Joueuse als promotiemateriaal moeten inzetten om meer dames te werven.

4 mei 2015

 

Alle leuke filmlijstjes

5 acteurs die slechts één film regisseerden

Vijf acteurs die slechts één film regisseerden

One-Eyed-Jacks

Als je succesvol als acteur bent, wil je ook wel eens achter de camera staan. Zo ook Ryan Gosling, die met Lost River zijn eerste, niet bijster gelukte, film maakte. Regisserende acteurs zijn er genoeg. Je hebt veelvraten zoals Clint Eastwood, maar in sommige gevallen blijft de regie tot één film beperkt. Vijf geslaagde voorbeelden.

door Cor Oliemeulen

1. – One-Eyed Jacks (1961, Marlon Brando)

Weinig acteurs zo legendarisch als Marlon Brando. Lichtend voorbeeld voor een generatie jongeren na zijn iconische hoofdrollen in The Wild One (1952) en On the Waterfront (1955), verrassende comeback als The Godfather (1972) waarvoor hij de Oscar weigerde, method actor, politiek activist, vader van tientallen kinderen, en volgens sommigen onuitstaanbaar. Brando’s manier van acteren was destijds volstrekt nieuw: intens en invoelend. Dat zie je terug in One-Eyed Jacks, dat aanvankelijk zou worden geregisseerd door Stanley Kubrick, flopte in de bioscoop, maar uitgroeide tot cultfilm. Marlon Brando portretteert zichzelf in al zijn ijdelheid als de mooie, revolver behendige jongen Rio die na een bankoverval door zijn partner Dad (Karl Malden) in de steek wordt gelaten en na vijf jaar gevangenis wraak komt nemen. Echter Dad blijkt inmiddels sheriff, getrouwd en heeft een stiefdochter die Rio’s hart verovert. Uitstekende, goed geacteerde western, waarvan Paramount de tragische eindscène jammer genoeg veranderde in een happy end.

2. – The Dancer Upstairs (2002, John Malkovich)

De verfilming van deze politieke misdaadroman is bij acteur John Malkovich in vakkundige handen. Er breekt een revolutie uit in een Zuid-Amerikaans land, waarin het ondergrondse verzet angst zaait en terreur tegen de machthebbers pleegt. Dode honden met spreuken om de nek hangen aan lantaarnpalen, een klein jongetje blaast zichzelf en zijn omstanders op, een groep sexy schoolmeisjes opent onverwacht de aanval op hooggeplaatste militairen. Nadat een minister tijdens een mysterieus interactief theaterstuk wordt gedood, is het aan de sympathieke politiecommissaris Augustín Rejas (Javier Bardem) om het brein achter de aanslagen op te sporen. Ondertussen wordt hij gedwarsboomd door de militaire politie en krijgt hij gevoelens voor zijn dochters balletlerares, die voor het andere kamp heeft gekozen. Door de constante geweldsdreiging zorgt Malkovich in het eerste deel voor de nodige opwinding, waarna hij meer ruimte biedt voor karakterontwikkeling. Onnodige mengelmoes van Engels, Spaans en Quechua verhindert niet dat Javier Bardem zich als excellent acteur op de kaart zet.

3. – Nil by Mouth (1997, Gary Oldman)

Als je zelf graag een agressieve hufter speelt, waarom zou je dan niet een film over zo iemand maken? Gary Oldman schreef en regisseerde een deprimerend sociaal-realistisch drama over een disfunctionele familie in een Londense arbeiderswijk waar hij zelf opgroeide. Raymond (Ray Winstone), een veelgebruiker, is getrouwd met Val (Kathy Burke) die in verwachting is van hun tweede kind. Val’s inwonende broer Billy wordt door Raymond het huis uitgezet vanwege diens heroïneverslaving. Rauw portret met druk pratende hoofden, alcohol, drugs, geweld en expliciet taalgebruik: ‘fuck’ is maar liefst 428 te horen en ‘cunt’ scoort 82 keer. Oldman registreert op bijzonder geloofwaardige wijze met veel close-ups en hand held camera’s het kommerlijke leven van alledag dat uitmondt in een uiterst gewelddadige actie van Raymond. De titel slaat op Raymonds alcoholistische vader die boven zijn sterfbed een bordje met ‘Nil by Mouth’ had hangen, omdat hij kennelijk niets meer kon eten – en drinken. Sfeervolle soundtrack.

4. – The War Zone (1999, Tim Roth)

Ray Winstone speelt ook de vader des huizes in het briljante regiedebuut van Tim Roth, net als Gary Oldman opgegroeid in Londen en vaak gecast als slechterik. En net als in Nil by Mouth is het acteerwerk in dit drama van grote klasse, wat ook nodig is als je de zware beproevingen van huiselijk geweld aannemelijk wil maken. Op het eerste gezicht lijkt vader een sympathieke hardwerkende man die wel wat vol van zichzelf is, maar dan ziet zijn 15-jarige zoon Tom hem met zijn drie jaar oudere zus Jessie in bad zitten. Tom vindt zelfs naaktfoto’s van haar tussen pa’s spullen. Moeder (Tilda Swinton), die zojuist is bevallen van een meisje, lijkt van niets te weten en puber Tom is zelf zo onzeker en bang voor zijn vader dat hij nog meer in zichzelf keert. Pas nadat Tom een nieuwe schokkende ontdekking doet, confronteert hij Jessie daarmee. Maar ook Jessie is verscheurd en weet zich geen raad. Heftigere en betere incestdrama’s als The War Zone (naar het gelijknamige boek van Alexander Stuart, die ook het scenario schreef) zul je niet snel zien.

5. – Quartet (2012, Dustin Hoffman)

Hoe anders van toon en thema zijn de belevenissen in een rusthuis voor muzikale ouderen. Dustin Hoffman, die lang had gedubd of hij überhaupt wel een film wilde regisseren, wijdt niet uit over moeilijke thema’s als dementie, beroerte, scheiding en voorgenomen verhuizing, maar richt zich vooral op vrolijke zaken. We zijn getuige van de voorbereidingen van het jaarlijkse Verdi-gala, waarvan de opbrengsten hard nodig zijn om het tehuis open te kunnen houden. We maken kennis met de bazige artistiek leider Cedric (Michael Gambon), de ondeugende Wilf met prostaatproblemen (Billy Connolly), de lieve, warrige Cissy (Pauline Collins) en de charmante muziekprofessor Reginald (Tom Courtenay). De boel komt op scherp te staan na de komst van operagrootheid Jean Horton (Maggie Smith), de enigszins verwaande ex-vrouw van Reginald. De vraag is of Wilf, Cissy en Reginald haar uiteindelijk kunnen overhalen om net als in hun hoogtijdagen samen het ‘Bella figlia-kwartet’ uit Verdi’s Rigoletto op te voeren. Quartet is luchtig, mooi aangekleed en zit vol met bekende operadeuntjes.

25 april 2014

 

Alle leuke filmlijstjes

10 essentiële Spaanse films

Tien onvergetelijke en essentiële Spaanse films

Volver

Spanje heeft in tegenstelling tot Frankrijk en Italië een bescheiden filmcultuur. Dit komt door de Franco-dictatuur (1939 – 1975), met vooral ‘brave’ films, vaak vol symboliek. Luis Buñuel, de vader van het filmsurrealisme, was niet van plan zich te laten beknotten. Hij week uit naar Mexico, totdat Franco hem in 1961 vroeg terug te keren om goede sier te kunnen maken. Buñuel stemde in, trok onveranderd zijn eigen plan en groeide uit tot toonaangevend regisseur. Hij plaveide de weg voor veel talentvolle collega’s.

door Cor Oliemeulen

1. – Muerte de un ciclista (1955, Juan Antonio Bardem)

Juan Antonio Bardem (oom van acteur Javier Bardem) was een uitgesproken tegenstander van Franco, maar liet zijn kritiek veelal buiten zijn films en ontweek de censuur. Desondanks werd hij talloze malen gearresteerd. Hoogtepunt in zijn oeuvre is het sociaal-realistische drama Muerte de un ciclista (1955) dat een Hitchcockiaans moordmysterie op grandioze wijze verbindt met een verboden romance in film noir-stijl. De film begint met een koppel dat een fietser schept, maar omdat ze geheime geliefden zijn rijden ze snel door. Bardems meesterwerk boeit nog steeds door de opgebouwde spanning met plotwendingen en de soepele montages die scènes naadloos laten overlopen, bijvoorbeeld tussen de wereld van de welgestelde klasse en het arbeidersvolk. De Italiaanse Lucia Bosé (gedubd door een Spaanse actrice) speelt de steeds nerveuzer wordende femme fatale die zich uiteindelijk verplicht voelt te kiezen tussen haar rijke echtgenoot en haar geliefde Jean, een universiteitsprofessor. In het fragment neemt Jean een examen af, totdat hij zich realiseert wat ze hebben aangericht.

2. – El Verdugo (1963, Luis García Berlanga)

Luis García Berlanga verwierf bekendheid door een komedie die hij samen schreef met zijn goede vriend Juan Antonio Bardem. In Bienvenido Mister Marshall (1953) steekt hij de draak met Amerikaanse zakenlieden die kapitaal in een Spaanse stad willen investeren. Dat viel bij Franco, maar ook in Amerika niet bij iedereen in goede aarde. In tegenstelling tot Luis Buñuel, wiens werken verboden waren, hield Berlanga zich in zijn films nauwelijks bezig met politiek. Hij hield liever het publiek een spiegel voor. In 1961, het jaar dat Buñuel met Viridiana de Gouden Palm in Cannes won, maakte Berlanga de satire Plácido, waarin een arme drommel op kerstavond wordt uitgenodigd door een rijke familie. De film heeft een moordend tempo, is hilarisch druk en zit vol zwarte humor over hypocriet handelen. Een stuk rustiger van aard is El Verdugo (1963) dat uiteindelijk meer drama dan komedie is vanwege het pittige gegeven: een jonge goedzak gaat trouwen met de dochter van een staatsbeul. Om met zijn drieën een flat te kunnen bemachtigen, moet hij met tegenzin de functie van zijn schoonvader overnemen. Dat blijkt loodzwaar als de terdoodveroordeelde geen gratie krijgt. Mooie satirische film met hectische komische scènes eindigt wel heel triest.

3. – Tristana (1970, Luis Buñuel)

In Mexico maakte Luis Buñuel een groot aantal drama’s waarin hij vaak satirische kritiek levert op de realiteit. Seksuele afwijkingen, de hypocrisie van de kerk, de zelfgenoegzaamheid van de bourgeoisie – zijn hele oeuvre kent controversiële thema. Zo schokte Buñuel met Los Olvidados (1950), een neorealistisch portret van destructieve jeugdcriminelen in een Mexicaanse sloppenwijk. Nog maar net terug in Spanje maakte hij Viridiana (1961), een psychologisch drama over een jonge non die wordt verleid door haar oom. De Franse filmindustrie zag wel brood in de eigenzinnige Buñuel, wat leidde tot een aantal hoogtepunten in de filmgeschiedenis. Zoals Belle de jour (1967) met Catherine Deneuve die een dubbelleven leidt als huisvrouw en prostituee. Drie jaar later nam Buñuel met de Franse diva het Spaanse drama Tristana op. Deneuve (gedubd) speelt de titelrol van het meisje dat na de dood van haar ouders wordt opgevangen door haar oom. Deze Don Lope wordt gespeeld door acteergrootheid Fernando Rey (ook al de handtastelijke oom in Viridiana). Tristana is ogenschijnlijk eenvoudig in stijl, maar zit vol met onbewuste driften. Het meisje wil liever de jonge kunstschilder Horacio als haar geliefde, maar het noodlot, voor zowel Tristana als haar oom, blijkt onafwendbaar.

4. – El espíritu de la colmena (1973, Victor Erice)

Victor Erice is geen veelfilmer: dertien producties in een halve eeuw. Het zijn documentaires, korte films en slechts drie speelfilms. In 1983 verscheen El Sur, de zoektocht van een meisje naar de roots van haar vader in Zuid-Spanje, in 1992 maakte hij El sol del membrillo, de bekroonde biografie van schilder Antonio Lopez. Echter het meest overdonderend was zijn debuut El espíritu de la colmena (The Spirit of the Beehive)  in 1973. Erice maakte deze arthousefilm aan het eind van de Franco-dictatuur en vertelt over de periode net na de Spaanse Burgeroorlog in 1940. Het zevenjarige meisje Ana (Ana Torrent) is zo onder de indruk van de film Frankenstein dat ze denkt dat de geest van het monster rondwaart. De film kan worden beschouwd als een allegorie van de bevolking die gebukt gaat onder een autoritair regiem. De meeste beelden met gele, bruine en gouden tinten lijken wel schilderijen. Er is zoveel symboliek dat de censuur kansloos was en dat de kijker naar hartenlust kan interpreteren. Nadat Ana is weggelopen omdat ze onbewust een ontsnapte republikeinse gevangene heeft geholpen, ziet ze in het water haar spiegelbeeld veranderen in dat van het monster van Frankenstein. Even later lijkt het of het monster (Franco?) haar wil wurgen. Het knappe van deze film is het perspectief op een volwassen thema vanuit de onschuld van een kind.

5. – Cría cuervos (1976, Carlos Saura)

Carlos Saura werd pas in de jaren tachtig bij het grote publiek bekend vanwege zijn prachtige muziekfilms, zoals Carmen (1983). Al in 1966 verwierf hij faam met La Caza en tien jaar later rondde hij zijn meesterwerk af. Cría cuervos werd gedraaid toen Franco op zijn sterfbed lag. Dat zie je terug, want ook dit drama is in feite – nog duidelijker dan El espíritu de la colmena – een allegorie van het leven onder de dictatuur. En nog meer dan in het drama van Victor Erice speelt de kleine Ana Torrent in Cría cuervos een zeer indrukwekkende, volwassen hoofdrol. Ook nu heet ze Ana, ervaren we de gebeurtenissen door haar ogen en haalt ze werkelijkheid en fantasie door elkaar. Het thema is de dood. Ana’s vader bezwijkt tijdens seks met een andere vrouw, Ana’s moeder overlijdt aan kanker en soms wil Ana zelf dood. In haar momenten van rouw ziet ze haar moeder, die wordt gespeeld door Geraldine Chaplin, Saura’s toenmalige partner. Zij speelt tevens de twintig jaar oudere Ana die fragmentarisch in de camera vertelt hoe ze haar traumatische jeugd heeft beleefd. Elk karakter in Cría cuervos is een metafoor voor de Spaanse situatie: de lieve moeder wordt bedrogen door haar militaristische echtgenoot, de intolerante tante collaboreert, de zwijgzame oma verlangt terug naar de oude republiek, terwijl Ana en haar zusjes snakken naar vrijheid en liefde.

6. – Los santos inocentes (1984, Mario Camus)

Het lijken middeleeuwse toestanden in de boekverfilming Los santos inocentes van Mario Camus. Toch speelt de feodale verhouding tussen een steenrijke familie en armoedige boerenfamilies zich af in de jaren zestig. Het drama is terecht breed bejubeld vanwege de realistische weergave van het leven van de laagste klassen in de arme Spaanse regio Extremadura tijdens de dictatuur. Zowel het boek van Miguel Delibes als de film van Mario Camus zijn regelrechte hommages aan de miljoenen Spanjaarden die werden onderdrukt en uitgebuit door de landeigenaren die Franco steunden. In Los santos inocentes volgen we de lotgevallen van één familie: Paco, zijn echtgenote Regula, hun kinderen en zijn zwakbegaafde broer Azarías die op innemende wijze een uil en een kauw dresseert (maar er ook een aantal onhygiënische eigenschappen op nahoudt). Tijdens de competitieve jachtpartijen van hun landeigenaar met andere omhooggevallen welgestelden fungeert Paco als snuffelhond die afgeschoten duiven en patrijzen moet apporteren – ook nadat hij tot tweemaal toe zijn been heeft gebroken. De minachting van de landeigenaren is schrijnend, de wraak smaakt daarom zoet.

7. – Belle Époque (1992, Fernando Trueba)

Direct na de dood van Franco en het verdwijnen van de censuur begonnen de meeste Spaanse filmregisseurs aan een inhaalslag. Vroeger verboden thema’s werden uitvergroot: geweld, drugsgebruik, homoseksualiteit. Fernando Trueba trok zijn eigen plan: liever vrolijke, zorgeloze films dan zware kost. In 1992 brak hij, na het winnen van de Oscar voor beste buitenlandse film, internationaal door met de zedenschets Belle Époque. In de absurde opening van de film maken we kennis met de jonge soldaat Fernando die in 1931 deserteert en zich geconfronteerd weet met twee leden van de Guardia Civil. De twee agenten krijgen onenigheid of ze Fernando moeten laten lopen. De jongste agent schiet per ongeluk de oudste (zijn schoonvader!) dood, raakt overmand door verdriet en doodt zichzelf. Fernando kan zijn weg vervolgen en vindt onderdak bij de sympathieke Manolo. Tegen de achtergrond van de Spaanse Burgeroorlog, voltrekt zich een seksklucht (zonder bloot) waarin Fernando in korte tijd gemeenschap heeft met de vier knappe dochters van Manolo (o.a. een piepjonge Penélope Cruz). De romantische komedie van Trueba blinkt uit in hartstochtelijk spel, mooie kleuren en originele, memorabele vondsten. Zoals de broeierige scène waarin één van de dochters, een lesbienne, verkleed als man, de als vrouw verklede Fernando verleidt. Of de scène waarin de moeder terugkeert na haar tournee als operettezangeres.

8. – Los amantes del Círculo Polar (1998, Julio Medem)

Toeval bestaat. Die indruk krijg je al snel in het poëtisch romantische drama van Julio Medem. Als de kleine Otto op het schoolplein een bal niet kan tegenhouden en er helemaal achteraan moet lopen, ontmoet hij zijn leeftijdsgenootje Ana. Stel je voor dat hij beter had kunnen voetballen en de bal wél had gestopt? Dan had zijn leven en dat van Ana er heel anders uitgezien! De bijzondere band tussen twee zielsverwanten evolueert in alle hevigheid nadat Otto’s vader met Ana’s moeder trouwt. Otto en Ana worden broer en zus, én minnaars. In de oorspronkelijke vertelstructuur van Julio Medem liggen het toeval en de lotsbeschikking er soms dik bovenop, maar het gevoel voor drama in combinatie met de weergaloze montages en oogstrelende shots vormen een onvergetelijke liefdesgeschiedenis. In onderstaand fragment zien we Otto en Ana – die elkaar uit het oog zijn verloren nadat Otto’s moeder is overleden en hij door schuldgevoel met niemand nog iets te maken wilde hebben – samen op een plein. De regisseur maakte in 2001 nog het opvallende romantische drama Lucía y el sexo, waarin de hoofdrolspeelster zich, net als in Los amantes del Círculo Polar, terugtrekt in een isolement nadat ze haar vriend is verloren.

9. – Mar Adentro (2004, Alejandro Amenábar)

Net als Julio Medem schrijft regisseur Alejandro Amenábar het liefst zelf de filmscenario’s, echter laatstgenoemde componeert ook de muziek voor zijn eigen films. Amenábar debuteerde met de thriller Tesis (1995) en gooide hoge ogen met het mysterie Abre los ojos (1997) en het horrordrama The Others (2001). Drie jaar later deelde hij een cinematografische mokerslag uit met Mar adentro, een ontroerend biografisch drama dat is gebaseerd op het leven van Ramón Sampredo die na een duikongeluk vanaf zijn nek verlamd raakte en vocht voor euthanasie. Het onwaardige bestaan van bijna dertig jaar bedlegerigheid en de politieke strijd voor zelfbeschikking wordt perfect vertolkt door Javier Bardem. Mar adentro won ruim zestig prijzen op internationale filmfestivals, waaronder veertien Goya Awards, een Independent Spirit Award, een Golden Globe en de Oscar voor beste buitenlandse film. Hoogtepunt van de film is het fragment waarin de protagonist smacht te ontsnappen aan zijn hopeloze bestemming, begeleid door misschien wel de mooiste vertolking ooit van Puccini’s laatste aria ‘Nessun Dorma’ door Jose Manuel Zapata.

10. – Volver (2006, Pedro Almodóvar)

Pedro Almodóvar is de belangrijkste vertegenwoordiger van La Movida Madrileña, een sociaalculturele beweging die bloeide in het eerste decennium na de dood van dictator Franco. Vanuit een gevoel van sociale vrijheid en hedonisme schreef Almodóvar columns en zijn eerste filmscenario’s. Hij provoceerde, choqueerde en ontwikkelde zijn favoriete thema’s als seksuele identiteit, drugsgebruik en de misstanden in de katholieke kerk – zelden wars van symboliek en metaforen. In 1988 oogstte Pedro Almodóvar met Mujeres al borde de un ataque de nervios de eerste internationale waardering. In 1999 ontving hij voor Todo sobre mi madre de Oscar voor beste buitenlandse film en in 2002 voor Hable con ella de Oscar voor beste origineel scenario. Met Volver (2006) leverde hij een donker, maar kleurrijk portret van drie generaties vrouwen die ontsnappen aan het vuur en de dood dankzij hun beminnelijkheid en doorzettingsvermogen. Eén van Almodóvars vele muzen, Penélope Cruz, speelt de rol van haar leven als de emotionele, zinnelijke en intense moeder Raimunda. Zij raakt in de waan van bovennatuurlijke ervaringen en rekent af met haar vriend die haar dochter heeft aangerand.

17 oktober 2014

 

Alle leuke filmlijstjes