Leave No Trace

****

recensie Leave No Trace

Verloren in twee werelden

door Tim Bouwhuis

De nieuwe film van Debra Granik begint als het fantasiebeeld van de moderne samenleving. Een vader en zijn dochter trekken door de bossen van Portland, de natuur is hun enige getuige. Maar hoe leef je zonder een spoor achter te laten? Het wachten is op een buitenwereld die de idylle doorbreekt.

Met haar vertelling over stad en natuur roept Granik tal van associaties op. Meer dan het prachtig minimalistische Winter’s Bone (2010) is Leave No Trace een film van thema’s, tegenstellingen. De door het leven getekende Will (Ben Foster) geeft zijn dochter (een doorbrekende Thomasin McKenzie) het soort bestaan dat we in recente varianten onder meer kennen uit Captain Fantastic en het veel minder geslaagde The Glass Castle. Die films zochten hun hang naar de natuur in uitgesproken ideeën. Verstedelijking is vervuiling, politieke eenheidsworst, gevangenschap. In dat verband is de dramatische aanpak van Granik een verademing. Ook hier is de stad een vreemd land, maar het hart van de film beweegt zich tussen kleine blikken en veelzeggende gebaren; sommige emoties blijven de volledige speelduur verstopt.

Leave No Trace

Het midden van uitersten
Leave No Trace laat de schaduwzijden van twee verschillende levens zien. Enerzijds krijgen we mee hoe het Will en Tom vergaat als ze noodgedwongen een door de lokale autoriteiten toegewezen huis betrekken op het platteland van Portland. Ze zijn, weerloos als ongewenste migranten, verwijderd uit de omgeving die ze als hun thuis beschouwden. De bossen zijn nog altijd dichtbij, maar uit de ridicule manier waarop de twee ‘gescreend’ worden, blijkt hoe doorgedraafd dominante ideeën over burgerschap zich kunnen manifesteren. En bovenal: hoe slecht Will en Tom passen in het systeem dat daaruit is voortgevloeid. ‘’Niet buiten de lijntjes tekenen’’, zegt een verantwoordelijke digitale rompslomp, ‘’dat herkent de computer niet.’’ In dezelfde bureaucratische nachtmerrie krijgt Will een computergestuurde enquête voorgelegd: 400 vragen maar.

Anderzijds is de film niet alleen een kritiek op een moderne samenleving van regels en patronen. De ambiguïteit van Leave No Trace zit hem erin dat een terugkeer naar de natuur niet altijd de oplossing is. De harmonie waar Will naar streeft is een mythe die in de marge wordt bevraagd. Vaak is de uitgespeelde tragiek ook subtieler verpakt dan de tegenstelling stad-natuur doet vermoeden. Burgerwachten hebben honden nodig om het uitgestrekte Forest Park uit te kammen, en zien het grote niets van de bossen als een bedreiging. Ondertussen is de wereld van die wachten juist de wereld waarin Will en Tom elkaar al snel kwijtraken. Tekenend is de angst die Will overvalt als Tom zonder het te laten weten een tijdje rond blijft hangen op de boerderij van de buren. Het is de overtreffende trap van verlatingsangst, verpakt in verstild sentiment.

Leave No Trace

Film als werkelijkheid
Om zulke spanningen te belichamen moet je het gelaagde sentiment van je personage niet alleen begrijpen, je moet het kunnen léven. De film is een triomf van twee acteurs die precies daarin het beste uit zichzelf naar boven halen. Ben Foster speelt zeker één van de puurste rollen uit zijn carrière. Thomasin McKenzie, op haar beurt, heeft de empathie en het inlevingsvermogen om een groot actrice te worden. De volgende vooraanstaande productie staat intussen al op de rol: in Justin Kurzels The True History of the Kelly Gang verschijnt ze zij aan zij met Nicholas Hoult, Russell Crowe en Travis Fimmel.

Uiteindelijk is Leave No Trace geen vader-dochtereditie van Into the Wild, maar een ontroerende vertelling over de sporen die onze herinneringen kunnen nalaten. Net als in Room (2015) maakt de ouder de wereld tot een kamer die zorgvuldig dichtgemetseld is; het is een kwestie van tijd voor het kind ontdekt dat het toch echt verder moet gaan.

 

5 november 2018

 

ALLE RECENSIES

Prière, La

**

recensie La Prière

Gehaaste transformatie

door Tim Bouwhuis

In de openingsscène van La Prière lijken de ogen van de 22-jarige Thomas de camera een fractie van een seconde te doorboren. Dat wil zeggen: na zijn schichtige blik volgt er geen corresponderend beeld, geen point of view. Kijkt Thomas naar ons? Of moeten we ons een spiegel inbeelden? Zeker is dat onze hoofdpersoon later in de film opnieuw een bepalende blik naar opzij zal werpen. Waarop het beeld wél correspondeert, in de vorm van een persoon. En dat verandert alles.

De setting voor die twee momenten van communicatie is een auto op een Franse bergweg; de bestemming een kloosterachtige afkickkliniek. Cruciale variabele is de houding van de drugsverslaafde Thomas (Anthony Bajon) zelf. De eerste keer vervalt hij na aankomst in hevige ontwenningsverschijnselen. Deze afkickkliniek is een hechte broederschap, vertelt de leider ter plaatse (Alex Brendemühl) hem. Maar Thomas heeft helemaal geen behoefte aan een geforceerd buddysysteem. De eerste gelegenheid om in een tochtig schuurtje een gestolen sigaret te roken, grijpt hij direct aan. Met zijn stiekeme daad heeft het voormalige heroïneslachtoffer buiten het strakke beleid van de gemeenschap gerekend: op deze locatie moet alles beleden, vergeven en vergeten worden. Dat niemand die sigaret gezien heeft, maakt nauwelijks uit. Thomas is immers toch een minuut of vijf spoorloos geweest.

La Prière

Ontmoeting en openbaring
Er knapt iets bij de worstelende jongvolwassene, die niet kan omgaan met de belerende toon van zijn mannenbroeders. Een fel handgemeen en een succesvolle vluchtpoging later dwaalt hij door een godvergeten dorpje. Bussen gaan niet meer, hier kun je enkel ronddwalen. Dan slaat het wonder toe: Thomas belandt bij het huis van de bloedmooie Sybille (Louise Grinberg), een aspirant-archeologe die, zo leren we, wel vaker gevluchte ex-verslaafden heeft zien passeren. Het kost Sybille niet al te veel moeite om haar verstekeling te overtuigen van een snelle terugkeer. Alleen de kliniek kan Thomas’ protesterende lichaam redden.

Op dit moment van schrijven laat het moment van de tweede blik zich als het goed is perfect raden. Sybille zet koers richting de bergen: zij achter het stuur, Thomas op de bijrijdersstoel. Als Thomas kijkt, kennen we het conflict in het hart van La Prière: niet zozeer de strijd tegen verslaving, maar de strijd tussen twee liefdes (de filmposter verklapt de tweede liefde). En dat is precies waar regisseur Cédric Kahn (Une Vie Meilleure draaide in 2013 in Nederlandse zalen) en zijn twee co-schrijvers (Fanny Burdino, Samuel Doux) zich op een wat jammerlijke wijze vergalopperen.

Na Thomas’ rehabilitatie in de kliniek is het een fractie van tijd voor degene die de regels verfoeide zelf aan het prediken slaat. Misplaatst en veel te gemakkelijk is een scène waarin het wedergeboren lid van de gemeenschap inpraat op een net gearriveerde patiënt, die – uiteraard volledig in lijn met Thomas’ eerdere gedrag – uit ellende de natuur in is gevlucht. Kahn reduceert een complexe psychologische en fysieke transformatie tot een simpele omkering. Het script verdringt de verslaving naar de achtergrond en focust zich rigoureus op de twijfel die in het Bijbelse DNA van de naam ‘Thomas’ verborgen zit: de klassieke keuze tussen goddelijke en aardse liefde.

La Prière

God en de mens
In de katholieke contreien van de kloosterkliniek heerst een in de basis strikte scheiding tussen mannen en vrouwen, maar La Prière is geen Kreuzweg. Misschien scheelt het dat stadse verleidingen hier in theorie niet van toepassing zijn, maar er wordt tussen de regels volop geflirt tussen de mannelijke en vrouwelijke enclaves van de gemeenschap. Ondertussen is er ruimte voor reli-grappen en enthousiast gitaarspel: Kahn waakt dus voor stereotypische vroomheid en repressie, ook al leidt dat ertoe dat de scènes in kwestie een wat verdwaalde indruk maken.

Als Thomas’ mogelijke priesterschap ter sprake komt, heeft de film zijn belangrijkste kruit al verspeeld. De gehaaste transformatie, al eerder aangestipt, draagt ook nog eens het gewicht van het kunstmatige vervolgconflict. God of mens? In La Prière krijg je de voorspelbare grote lijnen op een presenteerblaadje aangereikt.

En dat is jammer, want in het laatste halfuur is toch weer volop ruimte voor prikkelende psychologische elementen. Voor een eenzame tocht in de bergen, Kahns equivalent voor de woestijn; voor een subtiele botsing tussen de dancemuziek uit Thomas’ verleden en de klassieke geluidsband die dat verleden toch weer inhaalt. Het zijn scènes en momenten zonder teveel woorden, kompanen van stilte en verlatenheid. De balans met het haastige script wordt gezocht, maar nooit volledig gevonden. De teleurstelling in het hart van de film: de details kunnen het grotere plaatje niet redden.
 

9 september 2018

 
MEER RECENSIES

Dogman

****

recensie Dogman

De hondenman en de hond

door Tim Bouwhuis

Terechte lof in Cannes voor Dogman, de nieuwe film van de Italiaanse filmmaker Matteo Garrone (Gomorra). Marcello Fonte (ooit nog figurant in Scorseses Gangs of New York) schittert als een man die niet om kan gaan met de ongeschreven wetten van zijn mensonterende habitat.

‘Dogman’ moet zowel letterlijk als metaforisch begrepen worden. Letterlijk, omdat we de goedhartige Marcello (acteur en personage zijn in ieder geval ten dele één) vanaf de eerste scène op aandoenlijke wijze in de weer zien met de wezens die hem zo dicht aan het hart liggen. Metaforisch, omdat de hondse trouw van de hondenman bijdraagt aan zijn ondergang. Kern in Dogman is het conflict tussen een individu en zijn omgeving. Kan een goed mens het ooit goed doen in een verrotte wereld?

Dogman

Garrone creëert een compleet spanningsveld rond het personage van Simone (Edoardo Pesce). Deze heetgebakerde Goliath hangt van littekens aan elkaar en ruziet met alles dat los en vast zit. Scriptschrijvers Ugo Chiti en Massimo Gaudioso (schreven vaker voor Garrone’s films) tonen op effectieve wijze dat de angst van de plaatselijke bewoners zijn piek bereikt heeft: in een plaatselijk café krijgt Simone na het slopen van een flipperkast doodleuk zijn inzet terug. Buiten wordt zenuwachtig vergaderd. Zoals het politiek incorrecte Italianen betaamt, is het eeuwige stilzwijgen al snel onderwerp van gesprek.

Paard van Troje
Wederom komt dan het fijnzinnige script tussenbeide. In de schaduwen van de nacht wordt Simone nog relatief vroeg in de film neergeschoten door twee passanten op motors, maar van de resulterende schotwond horen en zien we later niets meer; een teken aan de wand dat uitschakeling vraagt om een andere strategie.

Marcello is de spil in de strijd tussen de agressor en zijn agressors. Allen lijden onder het geweld van Simone, maar in den beginne houden de Italiaanse Buster Keaton (de pers is scheutig met koosnaampjes) en de lichtgeraakte Simone er wel een discutabele ‘vriendschap’ op na. Zeg gerust dat er misbruik in het spel is: Simone komt om de haverklap lijntjes drugs halen, maar weigert zijn schulden af te betalen. Marcello is vermoedelijk niet de enige die zich bij zo’n ongeleid projectiel de kaas van het brood zou laten eten, maar we begrijpen wel hoe zijn vergeeflijke houding de situatie verder op de spits drijft. Het heeft geen enkele zin om trouw te zijn aan de trouweloosheid zelve.

Dogman

Trouw zijn en getrouwd zijn
Vermoedelijk is dat ook de reden waarom we Marcello’s ex-vrouw maar één keer in beeld zien, en dan ook nog eens wanneer ze met haar rug naar de camera het frame uitloopt. Hij die het allemaal te goed bedoelt zal zich in dit milieu áltijd verder in de problemen werken. Het mag dus al een godswonder heten dat de piepjonge Sofia (Alida Baldari Calabria) op gezette momenten überhaupt nog over de vloer komt. In een aantal verdwaalde shots diepzeeduiken vader en dochter in het blauwe niets van de toekomst: het water lijkt symbool voor de ontsnapping die nooit komen gaat. Wat wil je ook, in zo’n leefomgeving: als er Oscars waren voor oerlelijke locaties en meest troosteloze artdirection zou de concurrentie op voorhand kunnen inpakken.

Esthetiek als inhoud
Net als in zijn eerdere films heeft Garrone oog voor de verrotte kanten van mens en wereld, die hij vervolgens weer vangt in een paradoxaal kader van pure filmesthetiek. De opening van Gomorrah (2008) verraden Garrones achtergrond als schilder en zijn gevoel voor compositie, maar de film schetst een reddeloos Napels. In afgebladderde flatgebouwen denken jonge maffiosi dat ze Scarface zijn, de dodelijke afrekeningen die we zien komen plots en rauw. Geweld is niet mooi – noem het anti-esthetiek. Ook in Reality is alle schoonheid relatief. Centraal staat dit keer een arme visboer die droomt van een rol in een realityshow. Natuurlijk is die realiteit een illusie, wat Garrone een prachtig excuus geeft om te spelen met de esthetiek die de droom van het escapisme definieert. Zal de film ons uiteindelijk weer beide benen op de grond zetten of gunt Garrone (let vooral op het laatste shot) zich een zeldzaam uitstapje naar de echte fantasie?

Noem het een hervorming of update van het klassieke neorealisme (zie De Sica, Rossellini), benaderbaar via een speels-serieus begrip van neo-neorealisme: ‘acteurs’ worden uit het leven gegrepen (de protagonist van Reality is een ex-gedetineerde), er wordt op locatie gefilmd (Gomorra) en de esthetiek dient altijd in meer of mindere mate het narratief. De beelden zijn soms mooi doch bedrieglijk, soms lelijk in hun hyperrealisme. Stijl en thematiek vloeien in elkaar over en hangen samen, waardoor stilistische uitspattingen inhoudelijk toch nog een ongebreideld realisme kunnen ademen.

Dogman

Zo zit Garrones laatste worp voor Dogman, een curieuze collectie van Italiaanse fabels (Tale of Tales, 2015), vol met toespelingen op de ontwrichtende kracht van het schone. Mooie stemmen horen bij lelijke dames; lelijke dames veranderen in bloedmooie muzen. Maar niets is voor altijd, en het uiterlijke is een valstrik. Hebzuchtige personages verliezen hun onschuld omdat ze weigeren op innerlijke schoonheid af te gaan. Verbluffende sprookjeslandschappen zijn decors van decadentie. Tale of Tales lijkt binnen het oeuvre van Garrone een vreemde eend in de bijt, maar niets is minder waar: de reële dualiteiten van de mens openbaren zich voor de verandering alleen in een mythisch kader van esthetische pracht, waardoor het corrupte Italië van Garrones doorbraakfilm even ver weg lijkt.

De afgrond is menselijk
Of het nu de mens is die niet deugt of zijn omgeving, er blijft altijd ruimte voor humane inzichten, ook al wordt er zelden een definitieve oplossing voor de misère gevonden. In Dogman geldt telkens weer dat de overwegingen en karaktertrekken van de hondenman zijn lot bepalen. Gemotiveerd door de belofte van trouw en naïeve verwachtingspatronen belandt Marcello in een neerwaartse spiraal van desillusie en onmacht. Toch blijft de hondenman altijd een mens van vlees en bloed: een ambigue pion in de speeltuin van het leven.
 

2 september 2018

 
MEER RECENSIES

Some Like It Hot: rollenspel

Some Like It Hot is actueler dan ooit

De perfectie van het rollenspel

door Tim Bouwhuis

Niemand is perfect, maar Some Like It Hot is dat toch zeker wel? Het zou zomaar een uitspraak van Billy Wilder zelf geweest kunnen zijn. Na een desastreus verlopen preview in december 1958 gooide de gevierde cineast het over een andere boeg: hij vertoonde de film gewoonweg voor een jonger publiek. De rest is geschiedenis en heden ineen.

Wilder en zijn coscenarist I.A.L. Diamond hadden twee troeven in handen om de mateloze moderniteit van hun screwball comedy ietwat te verhullen. Some Like It Hot kon een period piece worden en de twee ‘mannelijke’ hoofdpersonages moesten een dynamisch rollenspel spelen. Uiteindelijk zette het duo beide troeven met plezier in.

Waarom zijn juist deze ogenschijnlijk eenvoudige kenmerken van de film zo essentieel voor het schetsen van zijn moderne karakter? Daarvoor moeten we iedere contemporaine lezing van Some Like It Hot even inruilen voor de omstandigheden waaronder Wilders filmische maskerade tot stand kwam.

Some Like It Hot

Liefde tussen man en vrouw
Aan het eind van de jaren vijftig was de invloed van de befaamde Production Code tanende. Het advent van de beeldbuis ging hand in hand met de achteruitgang van het studiosysteem, en de greep van taboes en (zelf)censuur verzwakte. Dit nam echter nog niet weg dat Wilder de censors én zijn publiek moest overtuigen met thema’s die in de voorbije decennia naar de krochten van de taboesfeer waren verbannen. De meeste Amerikanen waren het gewoon om in termen van huwelijk en huiselijkheid te denken.

De filmindustrie kon de normatieve liefde tussen man en vrouw op haar beurt niet zomaar op de tocht zetten, vooral omdat iedere poging zonder verborgen betekenissen of subtiel verhulde symboliek toch wel door de Code gepareerd zou worden. Als een regisseur dan eindelijk verder ging dan de klassieke filmkus, moest dat suggestief. Alfred Hitchcock eindigt North by Northwest (tevens 1959) met een toespeling op een penetratie: een trein rijdt met volle vaart een tunnel in op het moment dat de geliefden (Cary Grant en Eva Marie Saint) de liefde zullen gaan bedrijven. Uiteraard houdt de Master of suspense zich in deze film nog wel netjes aan de genderbalans: een open homoseksuele of lesbische relatie zul je in een film uit dit tijdperk niet zomaar aantreffen.

Billy WilderToespelingen
Hoe anders was dat in de roaring twenties, toen het studiosysteem kon uitdijen onder een stroom van kansen en gedurfde toespelingen op de relaties tussen mannen en vrouwen. In William A. Wellmanns oorlogsdrama Wings (1927) delen Charles Rogers en Richard Allen een intieme kus op de mond. Broederlijk of niet, de camera legde vast wat we daarna decennia lang niet meer zouden zien.

Regisseurs trapten daarnaast heilige huisjes omver door de suggestie van overspel uit te werken of een meer cynische visie op de mensheid uit de doeken te doen. Ernst Lubitsch, Billy Wilders grootste voorbeeld, perfectioneerde in Hollywood zijn zogeheten ‘Lubitsch touch’ (Google op ‘Wilder’ en ‘The Lubitsch Touch’ voor een even puntige als amusante uitleg van Wilder zelf), nadat hij in Duitsland het vroege hoogtij van de Weimar Cinema had meegemaakt.

De Duitse filmacademicus Thomas Elsaesser stelt dat Weimar Cinema garant stond voor ‘the creation of a highly sophisticated film language, both on the level of the image and the narrative, repeatedly using strategies of deception, camouflage, impersonation, and duplicity to make larger claims about the forming and deforming forces of modernity’.

Neem bijvoorbeeld Robert Wienes Das Kabinett des Doktor Caligari (1920), waarin de androgyne verschijning van slaapwandelaar Cesare (Conrad Veidt) onze perceptie van genderidentiteit op losse schroeven zet. De film als geheel is een ontwrichtende droom, waarin iedere verschijning deel kan zijn van een groter bedrog. De hysterische decors reflecteren het grenzeloze karakter van stijl en narratief.

Rollenspel
In de expressieve kunst van deze academisch afgebakende periode ontspringt ook Wilders fascinatie voor het rollenspel. In het rollenspel kunnen personages zijn en verbeelden wat in een meer directe context taboe is. Doorheen het oeuvre van Wilder komt het gegeven van het rollenspel telkens weer terug. Neem bijvoorbeeld The Major and the Minor (1942). Ginger Rogers (ongeveer dertig jaar oud in de productieperiode) doet zich voor als een twaalfjarig meisje om tegen een goedkoper tarief met de trein te kunnen reizen, en identificeert zich in een later stadium ook nog eens als haar bloedeigen moeder. Het laatste frame van de film laat zich lezen als een speelse visuele vooruitwijzing naar Some Like It Hot, waarin de stoomwolk van de trein Sugar Kane (Marilyn Monroe) deels even aan het oog onttrekt, net als Rogers in The Major and the Minor.

Wie eenmaal met de bril van het rollenspel naar het oeuvre van Wilder kijkt, moet zich eerder inspannen een film te vinden die het niét moet hebben van (variaties op) gedaanteverwisselingen. Gerd Gemünden betoogt in zijn boek A Foreign Affair: Billy Wilder’s American Films dat deze gedaanteverwisselingen zeker niet alleen als voortstuwende plot devices moeten worden beschouwd: ‘’impersonation and masquerade always entail a political dimension, serving as allegory for the price the exile has to pay in his or her quest for assimilation, for blending in, or for mere survival’’.

Some Like It Hot

Verkleedpartij
In Some Like It Hot is de personificatie van de banneling het komische duo Jack Lemmon-Tony Curtis. Aan het begin van de film leren we dat de twee beroepsmuzikanten alles doen om maar rond te kunnen komen: ze lenen geld, wedden op paarden óf verkleden zich als vrouwen. Eenieder kan nu perfect betogen dat de transformatie van Lemmon en Curtis verre van volmaakt is. Voor Curtis weifelachtig gepitchte falsetstem, de overdreven loopjes en het gemaakt hysterische gedrag van de gemaskeerde charmeurs is de uitdrukking ‘over de top’ uitgevonden, en als de charlatans onder elkaar zijn hullen ze zich gewoon weer in de mantel van hun eigen identiteit.

Uitspraken van die aard zijn perfect van toepassing op het eerste anderhalf uur van de film, maar de escapades van Josephine en Daphne hebben een staartje. Wie Some Like It Hot zag, kan de afsluitende oneliner ongetwijfeld dromen. Op ludieke wijze laat sugar daddy Osgood (een even boeiende als linke figuur in #metoo-tijden) weten dat hij ook met een homoseksuele relatie geen moeite heeft. In het originele script van Diamond en Wilder gaat de tekst onder het geliefde ‘Nobody’s perfect’ nog even verder: ‘’Jerry looks at Osgood, who is grinning from ear to ear, claps his hands to his forehead. How is her (sic!) going to get himself out of this? But that’s another story – and we’re not quite sure the public is ready for it”.

Transformatie
Billy Wilder heeft in een interview aangegeven dat het in deze situatie niet per se hoeft te gaan om een beslissing van seksuele aard: trouwen met een miljonair kan de sociale en financiële zekerheid verschaffen die Jerry en Joe in Some Like It Hot zeker niet hadden. ‘’It’s security’’, roept Lemmon demonstratief, voor het viertal het geluk tegemoet vaart. En toch kan er – afhankelijk van je precieze interpretatie van de film – meer aan de hand zijn. Jerry verandert zijn vrouwennaam eigenhandig van Geraldine in Daphne, een waarschijnlijk weinig toevallige verwijzing naar de Daphne uit de Griekse mythologie. Om de nimf te beschermen voor de avances van de god Apollo (lees: Osgood), verandert haar vader Daphne in een laurierboom.

Van zo’n opmerkelijke transformatie is in Wilders carrousel van strak getimede scriptgrappen gelukkig geen sprake, maar daardoor weegt de waarheid nog wat zwaarder: de tijdelijke vermomming van Jerry is verworden tot een levenslang vonnis. Met het einde van de film lijkt de kans dat we Jerry nog terug gaan zien voorgoed verkeken. En Wilder kent z’n publiek en z’n censors: de vraag is inderdaad of het publiek daar in die tijd klaar voor was.

Some Like It Hot

Identiteit
De Rooms-Katholieke League of Decency gaf Some Like It Hot een B-rating: de film was daarmee ‘’Morally Objectionable in Part For All’’, met name door zijn speelse verwerking van travestie, homoseksualiteit en lesbische liefde (de kus van Monroe en Curtis). Toch kon Wilders komedie een commercieel succes worden, in de eerste plaats omdat de licht met misdaad doordesemde plotlijn langs de censors kon komen. Het is precies zoals filmcriticus Roger Ebert stelde in zijn Great Movies-recensie: Some Like It Hot is ‘a movie that’s about nothing but sex and yet pretends it’s about crime and greed’.

De keuze om de film in het verleden te laten spelen is niet alleen een slim voorwendsel om iederéén deel te laten nemen aan het rollenspel, het is ook een strakke allusie op de dunne grens tussen verbod en vrijheid. Tijdens het eerste kwartier van de film krijgen we maar al te duidelijk mee dat de actie plaatsvindt in het Chicago van de drooglegging en de St. Valentine’s Day Massacre (1929). De geschiedenis van de drooglegging leert dat een grootschalig verbod van die aard op termijn enkel averechts werkt. Precies hetzelfde gaat op voor de Production Code. De drooglegging eindigde in 1933, niet lang voordat de verantwoordelijke organisatie de code meer rigide begon te handhaven. De focus verschoof dus deels naar andere vormen van ‘immoraliteit’; maar die vormen houden geen stand als ze niet expliciet bevraagd kunnen worden. Wilder schrijft en regisseert met een even speelse als serieuze knipoog.

In Some Like It Hot vertelt hij het verhaal van twee mannen die hun gefixeerde seksuele identiteit moeten loslaten om te overleven. De transformatie van Lemmon en Curtis is absoluut geen schande of een publiek schandaal (let op de reacties van Sugar en Osgood bij de twee onthullingen), maar een reflectie op een open wereld waarin de gendergrenzen zich eindeloos laten oprekken. Identiteit, zo lijkt Wilder te stellen, is altijd in beweging.

De conclusie mag iedereen voor zichzelf omarmen of verwerpen: Some Like It Hot is vandaag de dag actueler dan ooit.

 

5 augustus 2018

 

MEER BILLY WILDER
 
 
MEER ESSAYS

Apparition, L’

***

recensie L’Apparition

Leeft Jeanne D’Arc nog?

door Tim Bouwhuis

We kunnen het bovennatuurlijke altijd in twijfel trekken. Begin maar eens over feiten in een discussie over geloof – controverse en oneindige gespreksstof gegarandeerd. Precies om die reden begrijpt de sceptische onderzoeksjournalist Jacques (Vincent Lindon) dan ook niet waarom juist hij gevraagd wordt een serie vermeende verschijningen van de maagd Maria na te gaan. Toch vertrekt hij na een briefing in Rome richting het Zuid-Franse platteland. Je zou er het oeuvre van Dan Brown gemakkelijk mee kunnen samenvatten.

Gelukkig is L’Apparition meer dan een doorzichtig aftreksel van The Da Vinci Code of Angels & Demons. Regisseur Xavier Giannoli (À l’Origine, Marguerite) is nauwelijks geïnteresseerd in groteske samenzweringstheorieën, tikkende tijdbommen of spelletjes symbolisch spoorzoeken. De premisse blijkt eerder een aanzet tot een veel persoonlijker verhaal, waarbinnen het drama rond de verschijningen de psychologische uitdieping krijgt die een Dan Brown-verfilming nooit had.

L’Apparation

Het onmogelijke verkopen
Maria’s uitverkorene is de 18-jarige Anna (Galatea Bellugi), een weesmeisje dat op basis van haar waarnemingen op een voetstuk is geplaatst door een katholieke pastoor (Patrick D’Assumcao). Anna’s vrome voorkomen schreeuwt er bijna om L’Apparition in een contrastvolle double bill met Bruno Dumonts Jeannette (2017) te bekijken. Als we Dumont moeten geloven was Jeanne D’Arc gewoon gek. Als we L’Apparition zien, begrijpen we misschien hoe het geweest moet zijn om tegenover haar te staan. Bellugi speelt Anna met zoveel overtuiging dat ze gerust had kunnen beweren dat ze de maagd Maria zelf was.

Anderzijds is Anna uiteindelijk geen Jeanne D’Arc, en de film speelt niet in de vijftiende eeuw. Het riekende bedrog achter de verschijningen lijkt zo tastbaar dat we er niets eens van op hoeven te kijken dat nota bene het Vaticaan Jacques heeft ingehuurd. Met de leugen binnen handbereik snappen we ook dat de pastoor die zich over Anna ontfermt pottenkijkers en criticasters graag de deur wil wijzen. Oók als het in kapitaal geschreven ‘Bienvenue’ bij de ingang van de kerk daardoor niet al te veel meer voorstelt. Wie in kapitalen schrijft, denkt ook in kapitalen: de interviews met Anna worden in verschillende landen gestreamd, talloze pelgrims trekken naar hun nieuwe bedevaartsoord en zelfs de nodige merchandise blijft niet achter.

De waarheid mag een mysterie blijven
Tegen de sluimerende achtergrond van corruptie en religieuze exploitatie nemen Gianolli en zijn twee coscenaristen alle tijd om de geleidelijke toenadering tussen de verlichte journalist en de verlichte gelovige uit te werken. In eerste instantie lijkt de kloof tussen de twee immens: Jacques rouwt om de verse dood van een collega die altijd en overal naar feiten zocht, terwijl Anna juist omarmd heeft wat ze nooit bewijzen kan. Beiden spelen of denken dat ze weten wat waarheid is; ze hebben maar deels gelijk. De antwoorden van L’Apparition – de waarheden, zo je wilt – houden het echte mysterie in stand.

Gianolli onderstreept het kunstmatige onderscheid tussen geloof en wetenschap met een wat belerende voice-over. ‘’De waarheid ligt altijd elders’’, mijmert Jacques in de slotakte. Die uitspraak mag dan passen in de kern van het verhaal, ze is ook wat tekenend voor een film die de kracht van beelden af en toe vergeet. Gianolli had de waarheid meer kunnen tonen en minder kunnen vertellen.

L’Apparation

De psychologische insteek en het potentieel van de expressieve, sterk acterende Bellugi maken het betreurenswaardig dat L’Apparition naast de zojuist benoemde voice-over uitleggerige zijplotjes gebruikt om het verhaal van Anna van context te voorzien. Voor een film die eerder dramatisch en filosofisch wil werken dan in termen van suspense is de aanpak veel te sterk op de plot gericht. De ondermaats gebruikte muziekfragmenten van Arvo Pärt, Jóhann Jóhansson en Georges Delerue versterken dat gevoel nog eens.

Witte tranen
Er is één prachtige uitzondering: op een zeker moment vullen de gangen van Anna’s werkverblijf zich met de dwarrelende witte veren van een ongecontroleerd doordraaiende katoenmachine. De veren doen denken aan de witte sneeuwvlokken die eerder in de film te zien zijn – binnen de gesloten ruimte van een als koopwaar aangeprezen glazen sneeuwbol.

Een foto van Anna prijkt in het centrum van het gekooide winterlandschap. Speelt Gianolli hier visueel met het contrast tussen vrijheid en gevangenschap? Onschuldige associaties van die aard zijn moeilijk tastbaar, laat staan dat je er iets mee kunt ‘bewijzen’; maar is dat dan ook niet het laatste wat een film over geloof moet willen doen?
 

21 juli 2018

 
MEER RECENSIES

Hereditary

***

recensie Hereditary

Pionnen in een transcendent schaakspel

door Tim Bouwhuis

In het openingsshot van Hereditary zien we een verfijnde miniatuur van een groot landhuis. Het interieur beheerst de bewoners; levenloze vormpjes die verdwijnen in een groter geheel. Tot de camera langzaam inzoomt. We onze blik verleggen naar één van die vele kamers. En het levenloze tot leven komt.

Miniaturen als replica’s van de werkelijkheid, angstbeelden waarin je verdwalen kunt. Voorafschaduwingen van (of terugblikken op?) een nare familiegeschiedenis. Al snel schijnt één waarheid door: de bewoners zijn pionnen in een transcendent schaakspel. Veel keuze hebben ze ook niet. Zoals de filmtitel al insinueert liggen de wortels van het kwaad in het verleden. Zoveel wordt al zichtbaar op de katalyserende begrafenis van de mater familias. In de hoek van de rouwkamer kijkt een ongenode gast breed grijnzend toe. Het einde is slechts het begin.

Hereditary

Een valse tong
Hereditary is een ijzingwekkend effectieve genreflick, maar de echte spanningen van de film zitten niet in geestverschijningen of schrikeffecten (of hooguit die klikkende tong?). Full feature-debutant Ari Aster (zie voor zijn meest spraakmakende short The Strange Thing About the Johnsons) gebruikt de aanzienlijke speelduur om de conflicten binnen de familie Graham langzaam uit de hand te laten lopen. Hoogtepunt is een emotionele uitbarsting van Annie (Toni Collette), die zelfs haar rebellerende zoon Peter (Alex Wolff) verbijsterd achterlaat.

De vraag is wie hier wie imponeert – even lijkt Wolff vooral onder de indruk van de vurige Collette. En zo kruipen de acteurs wel vaker uit hun keurslijf. De hysterische reacties van Wolff, hoe ernstig de situatie ook is, laten zich nauwelijks meten met de angstaanjagende kalmte van Gabriel Byrne. Als bron van rust blijft zijn vaderpersonage vanzelfsprekend wat op de achtergrond.

Aster laat de kans liggen om meer met die dynamiek te doen: naarmate de film vordert, wordt de focus redelijk plichtmatig verlegd naar de toenemende bezetenheid van Peter.

Hereditary

Over de grens
Die bezetenheid komt uit de vroeg geopende doos van Pandora. Als de spiritueel gevorderde Joan (Ann Dowd) Annie een bloedlink voorstel doet, moet de modelscepticus daar in eerste instantie niets van weten. De moderne mens gelooft niet meer in contact met de doden. Tot er contact gemaakt wordt natuurlijk. De rigide distincties tussen geloof en ongeloof vervagen als de wereld van Hereditary steeds echter wordt. Angstaanjagender. En er geen priesters (The Exorcist) of markante demon hunters (de Warrens in de Conjuring-films) meer zijn om het kwaad te verdrijven.

Af en toe vergeet componist Colin Stetson in dat kader ook dat Hereditary vooral ook een heel subtiele slowburner mocht zijn. De drammerige geluidsband (denk Insidious) bij groteske taferelen zorgt ervoor dat Aster qua toon en opbouw soms iets te veel in de valkuilen van een James Wan trapt: sfeer wint altijd van bombast.

Zo bewijst ook de slotsequentie, waarin de beelden een bedriegende kalmte ademen, de wereld van Hereditary niet langer de wereld lijkt. Het is het werk van een regisseur die zijn filmgeschiedenis kent. Subversieve psychologie onder de mantel van het (on)bekende; ook voor Aster is het einde waarschijnlijk alleen maar het begin.
 

10 juni 2018

 
MEER RECENSIES

Homecoming (1945)

***

recensie Homecoming (1945)

Verwrongen erfenis

door Tim Bouwhuis

In de nazomer van 1945 arriveren twee orthodoxe Joden in een klein Hongaars dorpje. De nieuwkomers handelen bedachtzaam, gereserveerd: het leed dat ze meedragen vraagt om een gepast stilzwijgen. Voor de bewoners vertelt het plotse bezoek een heel ander verhaal. Terwijl de Joden met paard en wagen de omgeving intrekken, pakken donkere wolken zich samen boven een verzwegen dorpsgeschiedenis.

Voor Homecoming (1945) werkte regisseur Ferenc Török (Moscow Square) intensief samen met Gabor T. Szanto, de romanschrijver wiens kortverhaal aan de basis van de film stond. Szanto’s retrospectief (Hazatérés, 2004) op de Hongaarse verwerking van WO II verkent de grenzen van collectieve schuld: waar vervaagt de rol van het individu, en wordt een complete gemeenschap verantwoordelijk? Is verzoening überhaupt mogelijk als er zoveel afwijkende perspectieven op een verwrongen verleden zijn? Török toont de recente geschiedenis nooit direct. Wat we meekrijgen over het oorlogsverleden wordt bemiddeld door de dorpsbewoners. Stuk voor stuk geven ze hun eigen betekenis aan het bezoek van de Joden. De waarheid is het domein van de herinnering – nu al.

Homecoming (1945)

Er zijn er al twee
In stijlvol zwart-wit oogt de film een stuk gewichtiger dan hij inhoudelijk is. In het eerste kwartier is er nog een bruiloft op komst, op het platteland spreken arbeiders over het vooruitzicht van een nieuwe wereld. Na de oorlog mag er gedroomd worden. Het verloop van Homecoming (1945) schetst een weemoediger beeld. Op ideologisch vlak is er niets veranderd: antisemitisme sluimert, het vuur van het patriottisme woekert.

Een vlugge inventarisatie van het collectieve wantrouwen leert dat de twee Joden een voorbode zijn van ongeluk, misschien zelfs van meer Joden. Je herkent ze van verre, want een hoed dragen ze allemaal en een baard ontbreekt nooit. In de film zijn het opmerkingen in de marge, in context zijn het verhalen op zichzelf. Terwijl de angst van de dorpsbewoners verder gevoed wordt, onthaalt de vaderlandslievende Szentes (Bence Tasnádi) een oorlogsveteraan op een anders besloten feest.

Collectieve psyche
Vlekkeloos worden deze onderliggende sentimenten niet uitgespeeld. Török en Szanto geven hun dorpse personages eigenschappen en handelsmerken die om een bredere psychologische uitwerking vragen. Uitingen van hypocrisie, egoïsme en ongeremd patriottisme missen hun emotionele draagkracht door de generieke manier waarop de individuen zijn geschetst. Gezegd moet wel dat ook de korte speelduur en de beperkte reikwijdte van het narratief hier een rol spelen.

Homecoming (1945)

Homecoming (1945) overspant de loop van een enkele dag, en leent zich daardoor beperkter voor (karakter)ontwikkelingen op de lange termijn. Dat neemt niet weg dat een minder eenzijdige benadering de film goed had gedaan. De twee Joden dienen te nadrukkelijk als katalysators voor het collectieve reactievermogen van het dorp. De tragiek van hun eigen geschiedenis schemert constant door maar wordt nergens écht tastbaar.

Het weer als waarheid
De manco’s op vertellend vlak ten spijt is Homecoming (1945) een stijlvol gefilmd drama, dat tegelijk beklemt en betovert. De elegante zwart-wit fotografie van Elemér Ragalyi doet onder andere denken aan het bekroonde Ida (2013). Ook in die film komt het verleden tot leven omdat er sprake is van onverwerkt leed. Personages zoeken naar waarheid; persoonlijke waarheid (de Poolse Anna in Ida) of de collectieve waarheid van de dorpsbewoners. Als die al bestaat: na de broeierige en bloedhete namiddag op het Hongaarse platteland hangt de passende dreiging van een onweersbui in de lucht.
 

7 mei 2018

 
MEER RECENSIES

Imagine 2018 deel 2

Imagine Film Festival 2018 – Deel 2:
Van middeleeuwse folklore tot futuristische tijdreizen

door Tim Bouwhuis

Het hoofdthema van Imagine 2018 garandeert een breed filmaanbod. Onder de noemer ‘fantastische verhalen’ vermengt de middeleeuwse folklore van November zich met de futuristische tijdreizen van The Man in the Magic Box. In dit verslag de bespreking van een divers viertal.

Tower. A Bright Day.

In Tower. A Bright Day zet een familiegeheim de verhoudingen binnen een Poolse woongemeenschap op scherp. Ondertussen rijst het gevoel dat de Apocalyps ieder moment plaats kan vinden. De realisatie van een continue Apocalyps moet juist vermeden worden door de jonge Estrella, die in Tigers Are Not Afraid haar fantasie gebruikt om de harde werkelijkheid te kunnen relativeren. In Along With the Gods is van enige realiteit geen sprake. Ruim baan dus voor de fantasy in het Koreaanse hiernamaals. Nog niet murw geslagen? Het Ierse The Lodgers poogt het spookhuis(sub)genre van nieuw elan te voorzien.

Tower. A Bright Day – Het einde nadert
Kaja bezoekt haar familie om de katholieke communie van Mula’s dochter Nina bij te wonen. Al vroeg hangt er een zweem van geheimzinnigheid rond de komst van Mula’s verloren gewaande zus. We weten dat ze zes jaar geleden is weggegaan, maar het waarom blijft achterwege. Kaja en Mula delen geheimen die voor het gros van de familie verborgen dienen te blijven. Mula maant Kaja aan om toch vooral maar normaal te doen. Opvallen is funest in het uitgestrekte boslandschap. Kaja besluit hierop om naakt in een grasveld te gaan liggen, waar ze snel opgemerkt wordt door één van de piepjonge kinderen.

De vervreemdende toon van bovenstaande omschrijving is alleen maar tekenend voor Tower. A Bright Day, een raadselachtige Poolse thriller die weigert haar geheimen prijs te geven. De ontsporende relaties binnen de woongemeenschap ontvouwen zich in de montage naast onverklaarde gebeurtenissen, die niet zelden gepaard gaan met een schurend sound design en een atypische beeldvoering. De film doet denken aan Lars von Triers Melancholia (2011). De Apocalyps is nabij en de mens leeft in angst voor zijn omgeving. Ondertussen vergeet de priester zijn teksten voor de communie, de dementerende moeder van Kaja en Mula geneest wonderlijk. Debutante Jagoda Szelc voert haar visioenen op in een film die op narratief vlak alle finesse mist, maar wel dreigt en prikkelt in een sluimerende stream of consciousness.

Tigers Are Not Afraid – Verbeelding van een strijdtoneel
Tigers Are Not Afraid toont hoe noodzakelijk het kan zijn om te dromen. De elfjarige Estrella verloor haar moeder aan mensenhandelaars, waarna ze alleen overbleef in de kapotgeschoten straten van een Mexicaanse spookstad. De drugsoorlog heeft van de werkelijkheid een fantasy-oord gemaakt waaruit je niet ontsnappen kunt. En toch slaagt Estrella erin te vluchten.

Ze vlucht in dromen, wensen, sprookjes; in een wereld van magisch realisme die haar helpt om het keiharde hier en nu te verdringen. Het leven is een strijdtoneel vol jonge prinsen, die jammerlijk vergaten dat ze eigenlijk tijgers waren. Die onverschrokken tijgers geven de film het soort filter dat onvermijdelijk aan het werk van Guillermo del Toro doet denken. Toeval is dat niet. Regisseuse Issa Lopéz geeft in interviews expliciet aan dat ze zich door The Devil’s Backbone (2001) en Pan’s Labyrinth (2006) heeft laten inspireren. Ten opzichte van die titels mist Tigers Are Not Afraid onderscheidingsvermogen, maar Lopéz profiteert wel optimaal van de sprekende setting en de excellerende kindercast.

Tijdens Estrella’s verkenning van niemandsland schuilt gevaar voorbij iedere straathoek. Samen met een groep jongens gaat ze op zoek naar een beruchte drugsbaron – de politie steekt uiteraard de kop in het zand. Ja, dit zijn kinderen, en ja, de fantasy-bril verzacht de omstandigheden, maar het ruwe geweld wordt in de schaduw van Estrella’s dromerij gelukkig niet geschuwd. Een absolute voorwaarde om de geloofwaardigheid van de in actualiteit gewortelde setting in stand te houden.

Tigers Are Not Afraid doet soms denken aan Cidade de Deus (2001), wiens casting directors ook voor López aan het werk gingen. Het resultaat mag er wezen, want het is de jonge Paola Lara die de show steelt met haar vertolking van de dappere droomster. Dat Estrella’s queeste op narratief vlak wel erg gepolijst is, mag het kijkplezier niet drukken.

Along With the Gods – Na het leven
Wat zou er gebeuren als Hirozaku Koreeda’s After Life (1998) vrij bewerkt zou worden tot een hysterisch megaspektakel? Met Along With the Gods geeft Kim Yong-hwa (Mr. Go – over een gorilla die aan baseball doet) het antwoord. Brandweerman Ja-Hong wordt na een misgelopen reddingsoperatie opgewacht door twee ‘guardians’, transcendente gidsen die de doden begeleiden in hun tocht door het hiernamaals. Geheel naar boeddhistische leest is reïncarnatie nog mogelijk, maar wel pas nadat Ja-Hong zeven goddelijke processen heeft doorstaan. Terwijl de gidsen doodkalm de procedure uitleggen, kijkt de brave vuurblusser nog wat verbijsterd toe hoe zijn lichaam door de hulpdiensten geborgen wordt.

Along With the Gods was vorig jaar met een dikke honderd miljoen dollar de best verdienende Koreaanse titel aan de box office. Wie dit groteske schouwspel op een bijpassend scherm ziet, begrijpt vast waarom: qua toon en aanpak sluit de film strak aan bij westerse pendanten. Marvels Avengers worden zelfs expliciet benoemd – uiteraard omlijst in een goed bedoelde oneliner.

De heren van Dexter Studio’s (een groot Aziatisch concern voor productie en VFX) hebben kosten nog moeite gespaard om naar Dante riekende taferelen door een digitale filter te halen, maar dat voorkomt niet dat de godenwereld altijd even generiek blijft aanvoelen. De personages draven van de ene naar de andere extravagante locatie, terwijl toon en genre constant wisselen. Flashbacks in karmawolken zijn aan de orde van de dag. Tijdens het eerste halfuur weten alle visuele vondsten nog wel te amuseren, maar de sleet zit er al snel op, en dan is 139 minuten erg lang. Yong-hwa schrikt er nooit voor terug om overdosissen sentiment (inclusief aanzwellende strijkers) onschadelijk te maken met uitgekiend geregisseerde dijenkletsers. Je moet er maar van houden.

The Lodgers – Spookhuisbingo
Je moet voor twaalf uur op bed liggen, je moet je aan de regels houden en wee je gebeente als je je maagdelijkheid verliest. Boete, vervloeking en verleiding komen samen in The Lodgers, een gothic horrorfilm van Brian O’Malley (Let Us Prey). Een broer en zus zitten gevangen in een massief spookhuis (denk Crimson Peak, The Others), waar ze door de daden van hun voorouders niet zomaar kunnen vertrekken. Om de drang naar vrijheid een gezicht te kunnen geven is de tussenkomst van een jonge charmeur nodig.

Sean (Eugene Simon, bekend van Game of Thrones) wordt op twijfelachtige wijze de plot van de film in geschreven. Wat begint met obsessief voyeurisme in het bos, mondt moeiteloos uit in een klassieke romance tussen Sean en de getroebleerde Rachel (Charlotte Vega). Laatstgenoemde komt op het lumineuze idee dat Sean haar misschien kan helpen het vervloekte oord en haar dominante broer Edward te ontvluchten. De intrige die zich ontvouwt laat zich geen moment serieus nemen, met name vanwege het zichtbare gebrek aan chemie tussen de gedoemde geliefden en de gekunstelde dialogen. Door de hang naar goedkope romantiek zinspeelt The Lodgers soms eerder op de gunsten van een young adult-publiek dan dat ze iets toevoegt aan het spookhuis(sub)genre. Narratieve elementen en details in het set design doen aan de lopende band denken aan The Innocents /The Others en The Conjuring. Houd die bingokaart maar vast bij de hand.

 

22 april 2018

 
 
Imagine Film Festival 2018 – Deel 1
Imagine Film Festival 2018 – Deel 3
Imagine Film Festival 2018 – Deel 4
 
 
MEER FILMFESTIVAL

Lucky

****

recensie Lucky

De weg naar Verlichting

door Tim Bouwhuis

“Realisme is een ding. Het is de gewoonte om een situatie te accepteren zoals ze is en de bereidheid hebben daarnaar te handelen”. Woordenboeken hebben de gewoonte om simpele betekenissen te vermommen als tegeltjeswijsheden. Lucky doet feitelijk niets meer dan een poging om zijn kruiswoordpuzzel af te maken, als zijn zoektocht naar synoniemen hem bij de kern van zijn persoonlijkheid brengt.

De negentigjarige Lucky (Harry Dean Stanton) is eigenzinnig, cynisch, maar ook goudeerlijk. Altijd en overal is hij op zoek naar de essentie van dingen. Naar de wetenschap dat alles eens zal verdwijnen, dat de ‘ziel’ niet bestaat. Je zou Lucky een atheïst kunnen noemen. Tijdens de film valt die term echter geen moment. De nadruk ligt niet op labels en categorieën, maar op Lucky’s menselijkheid. Als we oud zijn, en onze dood gedwongen onder ogen zien, worden onze illusies en dromen ons ontnomen. We kijken naar de wereld zoals we die op dat moment zien. Al het andere is opgeslokt door de tijd.

Lucky

Heilige regelmaat
Voor Lucky is het menszijn een symfonie van dagelijkse routines. Terug komen de yogaoefeningen, de quizprogramma’s. Er is een vaste buurtshop, een vast koffiehuis en een vaste kroeg. De koelkast is gevuld met melkpakken van hetzelfde merk. Je kunt met Lucky te doen hebben, hem een zielige einzelgänger noemen. Het is echter alsof de scenaristen (een samenwerking tussen Logan Sparks en Drago Sumonja) al van meet af aan op zo’n houding anticipeerden: een ongeruste buurtbewoner krijgt te horen dat ‘alleen zijn’ toch echt iets anders is dan eenzaamheid.

Lynchiaans leven
Stanton bijt op een heerlijk droge wijze van zich af, en brengt daarmee de verhouding tussen drama en humor in balans. Komische hoogtepunten zorgen ervoor dat de emotionele kern van het verhaal er nooit te dik bovenop komt te liggen. De scène waarin Lucky een onbeholpen advocaat (Ron Livingston) te kijk zet is goud waard, en de bijrol van David Lynch brengt alles wat de film verder nog nodig had.

Lynch lijkt gewoon zichzelf  te spelen: de gerenommeerde regisseur verschijnt als een eigenaardige barganger die op zoek is naar zijn weggelopen landschildpad. Met zijn geloof in de aantrekkingskracht van het onverklaarbare (zie Twin Peaks) is Lynch de perfecte ideologische tegenpool van Stanton, die er tot Lynch’ ergernis nog niet eens in slaagt water- en landschildpadden van elkaar te scheiden.

Lucky

Een simpel verhaal
Bovenstaande omschrijving mag misschien wat absurdistisch overkomen, met Stanton en Lynch blijft alle integriteit gewaarborgd. Sterker nog, de schildpad speelt een symbolische sleutelrol, ook al moet je daar toch echt de film zelf voor bekijken. Debuterend regisseur John Carroll Lynch (eerder als acteur in onder meer Fargo, Shutter Island en Jackie) slaagt erin met een uiterst minimale film veel te verbeelden. Door het lome tempo, de rurale en desolate setting en de muzikale toon doet Lucky sterk denken aan The Straight Story van David Lynch.

Lynch zelf maakte zijn meest conventionele film als een door en door menselijk portret, waarin de belangrijkste emoties onuitgesproken bleven. De tocht die Alvin (Richard Farnsworth) ondernam is bij Lucky van een meer spirituele aard, maar dat maakt de uitkomst niet minder waardevol.

Licht na het zwarte gat
Integendeel, de meest ingrijpende scène van de film vindt plaats als Stanton voorbij zijn dagelijkse routines en zijn starre cynisme moet redeneren. Uit het niets valt de acteur flauw in zijn woonkamer, en dan treedt de angst in: de angst voor wat komen gaat, de angst voor het zwarte gat na het einde. Stanton verwerkt zijn bangheid eerst nog als een geheim, maar geleidelijk zal hij zijn gemoedstoestand moeten accepteren. Met een grote glimlach, en zonder spijt.

Harry Dean Stanton stierf veertien maanden na de laatste opnames van Lucky.
 

3 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Insult, The

****

recensie The Insult

Geschiedenis zonder winnaars

door Tim Bouwhuis

Ogenschijnlijk kleine woorden krijgen in The Insult massieve betekenis. Wat begint als een burenruzie mondt uit in een geladen rechtszaak, waarbinnen de tragische geschiedenis van het Israëlisch-Palestijnse conflict een hoofdrol opeist. Het levert nu al één van de meest aangrijpende en doorleefde drama’s van het filmjaar op.

De Libanese christen Tony (Adel Karam) bewoont met zijn vrouw Shirine (Rita Hayek) een bescheiden appartement in de straten van Beiroet. Een onrechtmatig geplaatste waterafvoer op Tony’s balkon leidt tot een felle woordenwisseling met Yasser (Kamel El Basha), een Palestijnse bouwopzichter. Tony voelt zich beledigd door Yasser, en eist dat de man zich persoonlijk verontschuldigt. In de ontmoeting die volgt wordt de kiem voor het echte conflict gelegd. Eén zin (‘Ariel Sharon had jullie allemaal moeten uitroeien’) leidt tot een fysieke aanval, een drama in Tony’s gezin en de politiek gespannen rechtszaak die in de tweede helft van de film centraal staat.

The Insult

Meer dan een burenruzie
Voor een intense filmervaring is achtergrondkennis niet per definitie vereist – de getekende gelaatsuitdrukkingen van de excellerende hoofdrolspelers doen het halve werk, terwijl de even drukkende als verstillende score subtiel op het gevoel inspeelt.

Toch vraagt een volledig eerlijke beoordeling van deze film om een goede situering van de context. Alleen tegen de achtergrond van het Israëlisch-Palestijnse conflict kan en kon een burenruzie van deze aard zodanig uit de hand lopen.

Nooit thuis kunnen zijn
Tijdens en na de staatswording van Israël (1948) vluchtten talloze Palestijnen naar Libanon. Een tweede golf van vluchtelingen verliet het land toen Israëlische troepen tijdens en na de Zesdaagse Oorlog (1967) de Westelijke Jordaanoever bezetten en grote vluchtelingenkampen ontruimden.  Zoals in The Insult duidelijk wordt, bekleden deze Palestijnen binnen de Libanese samenleving een grote minderheidspositie.

De bedrijfsondernemer die Yasser aannam legt tijdens de rechtszaak uit dat het een risico was om hem een baan te geven; vreemdelingen in een vreemd land worden stelselmatig met angst en wantrouwen bekeken. Als christen kan Tony al op gespannen voet met Yasser staan voordat hij hem ook maar één keer heeft ontmoet. De twee delen een donkere geschiedenis die over de gehele breedte slachtoffers kent.

Als Tony zegt dat Ariel Sharon naar zijn mening alle Palestijnen had mogen uitroeien, raakt hij een gevoelige snaar die zich eigenlijk nauwelijks in woorden laat uitdrukken. Ariel Sharon, in de vroege jaren tachtig de Israëlische minister van Defensie, leidde in die periode een gewelddadige opmars op het Zuid-Libanese platteland. Talloze burgers lieten het leven in de door Sharon gecoördineerde pogingen om een aantal bolwerken van de PLO (Palestine Liberation Organization) te vernietigen. De naam van de Israëlische bevelhebber is ook onlosmakelijk verbonden met de bloedbaden in een tweetal Palestijnse vluchtelingenkampen (1982).

The Insult

De bladzijde om willen slaan
Voor Yasser bevindt het verleden zich ergens tussen pijn en herinnering, maar ook voor Tony is de oorlog nooit gestopt. Hij komt terug in vluchtige flashbacks, gebeurtenissen en gedachten in de vorm van littekens. Eén uitspraak van tijdens de rechtszaak blijft maar nagalmen: niemand heeft het alleenrecht op pijn en lijden.

Regisseur Ziad Doueiri (The Attack) maakt via dit impliciete statement zijn enige én juiste grote keuze. Het perspectief van de kijker op Tony en Yasser is min of meer gelijk, en dat is een absolute voorwaarde voor het integere en authentieke karakter dat het scenario nu meedraagt. Op een aantal specifieke momenten is de toon van de film hoopvoller dan de realiteit toelaat, maar is film dan niet het medium bij uitstek waarin zo’n stellingname geaccepteerd of zelfs gewenst mag worden?
 

12 februari 2018

 
MEER RECENSIES