Recensie: My Generation

****

recensie My Generation

Klassenstrijd in klank en kleur

door Alfred Bos

Acteur Michael Caine praat met zijn netwerk van creatieve generatiegenoten over Swinging London, de culturele revolutie van de jaren zestig die de Britse samenleving opschudde. Met beelden en muziek van toen.

Zo leeg is een persvoorstelling zelden, we zitten met zijn vieren in de zaal. De film begint, op het scherm verschijnt een stadsbeeld van Londen in de jaren zestig. De Theems in tegenlicht, de Tower steekt scherp af tegen de zalmroze zonsondergang. Waterloo Sunset, zeg ik zonder nadenken. Op de geluidsband beginnen The Kinks aan Dead End Street. Beelden van Engelse arbeiders in beroerde wijken. Dan klinkt Waterloo Sunset. Nathalie van de KRO Gids buigt zich naar me toe. “Ze kunnen de hele documentaire vullen met The Kinks.”

My Generation

Het zegt iets over The Kinks, de Britse band die als geen andere popgroep de jaren zestig wist te vangen via sociaal-culturele portretten in hét medium van die dagen, popliedjes. En het zegt iets over Swinging London, die twee dozijn maanden rond het midden van de jaren zestig waarin zich langs de boorden van de Theems een heuse culturele revolutie voltrok. Een generatie Britse arbeiderskinderen, geboren tijdens en kort na de oorlog, brak met de traditie van hun ouders. De grauwe realiteit van de wederopbouw maakte plaats voor spetterend technicolor. De wereld kreeg kleur, letterlijk.

Pop-art
My Generation is een rondleiding door die betoverde (en betoverende) tijd aan de hand van acteur Michael Caine. Hij is de ideale gids: ervaringsdeskundige, typerend exponent van het fenomeen dat hij beschrijft, geplaatst in het hart van de culturele revolutie en gezegend met een nuchtere blik waarin humor en zelfspot zelden afwezig zijn. Hij praat met generatiegenoten, net als hijzelf gangmakers die uitgroeiden tot iconen, zoals Who-zanger Roger Daltrey, Beatles-bassist Paul McCartney, zangeres Marianne Faithfull, modeontwerper Mary Quant, model Twiggy en fotograaf David Bailey.

Het sterke van My Generation is dat de documentaire geen reeks pratende grijze hoofden op het filmdoek projecteert. We horen ze terugblikken en kijken naar beelden van toen, grafisch fraai bewerkt en flitsend gemonteerd. Op de geluidsband klinkt muziek uit die dagen plus het luchtige commentaar van Caine, die en passant een scherpe analyse geeft van het hoe en waarom.

In een notendop: arbeiderskinderen hadden – voor het eerst – toegang tot de kunstacademie en stroomden uit in de wereld van media, mode en muziek. Ze hadden geen boodschap aan traditie en conformisme; tijdens hun opleiding hadden ze kennis gemaakt met conceptuele kunst en pop-art, en die ideeën brachten ze in praktijk. Pete Townshend sloeg op het podium zijn gitaar aan gruzels. Dat had hij op de kunstacademie geleerd van Gustav Metzger, de pionier van auto-destructieve kunst.

My Generation

Radiopiraat
Wat hielp waren toevalligheden die qua timing perfect uitpakten. In 1964 werd de pil beschikbaar en begon radiopiraat Radio Caroline (de Engelse tegenhanger van Veronica) net buiten de Britse territoriale wateren de nieuwste popmuziek de ether in te sturen. De rol van Caroline als alternatief voor de gevestigde media en muziek als aanjager van de ommekeer is cruciaal gebleken. ‘Swinging London’ valt samen met de actieve jaren van de piraat, van 1964 tot en met 1967. Niet toevallig ook de piekjaren van de popsingle.

Michael Caine schetst de revolutie die medio jaren zestig de Britse samenleving kleur gaf en Londen voor even het culturele centrum van de wereld maakte als een klassenstrijd. De nieuwe generatie creatievelingen nam geen genoegen met de plek die de Britse klassenmaatschappij hen toedacht. Met een explosie van kleur en klank eisten en namen ze hun vrijheid.

De soundtrack doet recht aan de rijkdom en variatie die er in 1966 uit de transistorradio klonk. In de gecanoniseerde geschiedschrijving verklanken Beatles en Rolling Stones de jaren zestig. Maar de scherpste waarnemers van hun eigen revolte zijn minder vaak bejubelde helden als The Who, The Kinks en Donovan, wiens Sunshine Superman de aftiteling tot een feest maakt.

My Generation

Kater
My Generation eindigt een beetje vreemd. Teneur: het feest had lang genoeg geduurd, de energie ebde weg, de kater nam over. Daar laten Michael Caine en regisseur David Batty (bekend van een reeks documentaires over religie) een gouden kans liggen. Ze zetten het toneel klaar voor de spetterende finale, maar lopen hoofdschuddend de deur uit. In plaats van You Can’t Always Get What You Want had de film moeten eindigen met Street Fighting Man. Want de culturele revolutie van 1965-1967 ging naadloos over in de politieke revolutie van 1968.

Zo bevestigt My Generation een oude wijsheid: het voorspel is vaak leuker dan de climax. En Ray Davies, voorman van The Kinks, zong in 1971 ‘I’m a 20th century man but I don’t wanna be here’. Hadden de technocraten toch gewonnen.
 

29 mei 2018

 
MEER RECENSIES