De moderne vrouw (vroeger)

De moderne vrouw (vroeger)

door Bob van der Sterre

A Female Boss ♦ Roughly Speaking ♦ Die bitteren Tränen der Petra von Kant

 

Vrouwen kloppen steeds dwingender tegen diverse mannendeuren. De moderne vrouw: eindelijk los? Fabeltje, blijkt. De moderne vrouw bestaat al heel wat langer. Hier zien we drie moderne vrouwen in onbekende films. De bazige, de ambitieuze en de succesvolle.

De Koreaanse film A Female Boss (1959) begint met een chique dame die ergens bij een winkelcentrum in Seoul aan het bellen is. Een ‘pay phone’ in een steeg. Lange rij wachtenden achter haar. Ze babbelt dat ze haar haren gaat laten doen en nog veel meer ditjes en datjes. De een na de ander verlaat de rij.

Tijd voor wraak
Als iemand er wat van zegt, haalt ze haar schouders op en zegt ze: ‘Wat, dit is toch een betaaltelefoon? En ik betaal ervoor.’ Ze geeft al bellend rustig haar hondje een koekje.

Een man is zo boos dat ze kennelijk mensenkoekjes geeft aan een hond dat hij dat hondje een trap geeft. Ze is verbijsterd, legt de hoorn neer en de man slaat toe. Bellen dus. Hij praat over een sollicitatie. Een paar dagen later zit de dame in kwestie, de feministische directrice van het modeblad De Moderne Vrouw, te wachten op mannelijke sollicitanten en raad eens wie binnen komt lopen? Tijd voor wraak!

Een vriendelijke en lichtvoetige film (zoetsappig op een prettige manier) over man-vrouw-dynamiek in een tijdschriftredactie. Koreanen hebben altijd al meer een knack voor komedies gehad dan hun buurlanden. Het decor is bovendien opmerkelijk: de film speelt zich af in 1959. Een Korea vol Amerikaanse invloeden (basketbal, golf, auto’s). De moderne vrouw was dus toen al iets heel normaals – want nergens in deze film reageert men verbaasd over haar positie.

En het plot is verrassend politiek-incorrect. Of juist heel erg 1959. Wat ingewikkeld allemaal! De film is in elk geval dankzij het Koreaanse filminstituut gratis te zien op YouTube.

Ambitie voor tien
Vrouwen met ambitie – zo één is ook Louise Randall Pierson in Roughly Speaking (1945). ‘Hou je er altijd zo van tegen de stroom in te zwemmen?’, vraagt de lerares van de school waar ze het vak van typiste leert. Louise Randall is dan al weer de kamer uitgevlogen van blijdschap. Ze mag weg!

‘Denkt u dat ik niet zo goed kan werken als een man?’ Ook al is het 1910 en moeten maatschappijen nog niet veel hebben van vrouwentalenten, Randall heeft ambitie voor tien. De eerste klus lukt en dan gaat ze naar vriendin Alice. ‘We zijn carrièrevrouwen, we moeten goed op ons uiterlijk letten.’

De mannen in deze tijd zijn nog zo hoffelijk dat ze ‘nooit zouden toestaan dat mijn vrouw zou moeten werken’. Randall trouwt, vier kinderen volgen. Zo’n superpositieve huisvrouw kan soms ook wel op de zenuwen werken. Hij: ‘Als ik doodga, zie je dat alleen maar als een kans voor jezelf om karakter te ontwikkelen.’

Dan ontmoet ze Harold – een ander karakter dan haar ex-man. ‘Oh, ik heb alles, de looks, de hersenen, het geld, persoonlijkheid.’ ‘Jij bent gek.’ ’We zijn allebei gek. Soulmates!’

Een nadeel: hun relatie speelt zich af tijdens een economische crisis en een wereldoorlog. Het effect hiervan is gigantisch. Aldoor verhuizen en opnieuw beginnen. ‘Thuis is een gevoel, geen plaats.’

Dit tragikomische portret van Michael Curtiz (o.a. Casablanca) had beter het eerste uur kunnen samenvatten in vijf minuten en meteen kunnen beginnen met het leukste deel: de relatie tussen Randall en Harold. Die zijn enorm leuk samen – zoals wanneer hij bij haar gaat oefenen voor stofzuigerverkoper.

De charme spat geregeld van het beeld af. Dat komt ook door de acteurs. Randall en Harold worden gespeeld door de snel van tongriem gesneden acteurs Rosalind Russell (subliem in His Girl Friday) en Jack Carson (Arsenic and Old Lace).

Het leven volop consumeren
En hoe modern is Petra wel in Die bitteren Tränen der Petra von Kant in 1972. Petra von Kant is een succesvolle modeontwerpster én (daardoor?) ontstellend arrogant.

Karin, een 23-jarig model in spé, komt in Petra’s huis. Petra is hup, verliefd. Ze is best een ziekelijke vrouw. Het type moderne vrouw die het leven volop consumeert. Anderen zijn daarin figuranten.

Alles draait om haar impulsieve en emotionele consumptiegedrag. Wat als wat je begeert daar niet in meegaat?

Fassbinder maakte hier een portret van een succesvolle vrouw zoals je zelden zag – en nog steeds zelden ziet. Het is namelijk géén positief portret en ook heel wat anders dan een femme fatale. Petra is een verrijking voor vrouwenkarakters in films – de decadente, succesvolle krijgt-alles-wat-ze-wil-vrouw. Dat is ook te danken aan hoe Margit Carstensen haar neerzet. Maar ook Hanna Schygulla past haar rol als Karin als gegoten.

De film is bovendien een soort erfgenaam van het Kammerspiel-drama. Amper een handjevol scènes met een statische camera in een kamer. Zo traag als stroop!

Toegegeven: de film is niet voor de ongeduldigen. Lange camerashots, intense dialogen en soms een claustrofobisch gevoel waaraan je wilt ontsnappen. Toch, en dat is de kunst van Fassbinder, het verveelt niet snel. Omdat het een gepassioneerd gemaakte film is. In tien energieke dagen gefilmd: stel je voor.

En wie giftig uitroept dat deze moderne vrouw niet zó gemeen kan zijn, ha, die heeft nog gelijk ook! Deze vrouwenkarakters waren gebaseerd op… mannen.

Geniale zet van Fassbinder! Iedereen dus even vervelend! Nu kan niemand meer mopperen!

 

11 juni 2018

 

Die bitteren Tränen der Petra von Kant

 

Alle Camera Obscura

Flashbacks in de hoofdrol

Flashbacks in de hoofdrol

door Bob van der Sterre

Touha zvaná Anada ♦ Pratiwandi ♦ The Bigamist

 

Films en series zitten er tegenwoordig weer vol mee: verwarring stichtende ‘non-lineaire’ flashbacks. De stijlvorm heeft zo zijn klassiekers, Wilde Aardbeien, Citizen Kane, Le Jour se Lève, Rashomon, om maar een paar te noemen. Ze zijn ook nog wat obscuurder te vinden – en met verschillende soorten flashbacks.

In Touha Zvaná Anada (1971, ook wel Adrift) wonen János en Zuzka vlakbij het water. Een eiland. Hij is visser. Verder is daar nog een zoon en een oude kerel (vader?). Ze gaan praktisch nooit ergens heen.

Het verkeerde been
Op een dag spoelt een dame aan. Een knappe dame. Wie ze is, niemand die het weet. Zuzka redt haar leven. Ze geven haar de naam ‘Anada’. Zuzka en Anada worden dikke vrienden.

János verzet zich lang maar kan zich uiteindelijk niet langer verzetten tegen haar schoonheid. Een threesome in de maak? De film heeft andere plannen.

Er is veel vreemd aan deze film. Allereerst Amerikaans Playboy-model Paula Pritchett. Hoe kwam zij in 1968 in deze film terecht? Kwam er soms een brief uit Praag? ‘Dag Paula! Is het mooi weer in Florida? Wij leven hier in Europa achter het IJzeren Gordijn. Zojuist hebben we de enige film gezien waarin je tot nu toe hebt gespeeld, Chappaqua, en we dachten dat je wel geknipt zou zijn voor onze productie. Wat denk je ervan? En kun je je eigen reis bekostigen?’

Dan de rare, ongestructureerde flashbacks. De film speelt op een Memento-achtige manier met de tijd. Ineens is János zijn daden aan het verantwoorden aan een groep mannen, die de spot met hem drijft. Hij geeft zijn versie van de werkelijkheid. Waar gaat het heen? We weten toch al hoe het zit? Droomt hij soms het een en ander?

Het verkeerde been, deze Tsjechische film speelt er leuk mee. Het einde is ook sterk. Misschien is het enige wat minder leuk is dat János zich zo simplistisch opstelt. Geniet een beetje van het leven, kerel, denk je alsmaar – aan de andere kant maakt dat het plot wel logischer.

Calcutta in 1970
In de Indiase film Pratiwandi (ook wel The Adversary) zien we Siddharta. Studeerde als arts, gestopt, probeert nu een baan te vinden. Keer op keer meldt hij zich voor gesprekken. Met hem nog honderd andere jongemannen.

Denk je dat het krijgen van automatische afwijzingen vervelend is? Nee, dan India in 1970: met zijn honderden een hele dag wachten in een gang waar de een na de ander flauwvalt door de hitte. Garantie op een baan: nihil.

Klagen, dat doet Siddharta dan ook vooral. Dankzij herinneringen in flashbacks zien we waar zijn lethargische karakter begonnen is. Broer en zus krijgen op jonge leeftijd ‘karakter’. Siddharta kijkt toe. Zo is hij later in zijn leven ook: het leven passief laten overkomen, daar is hij goed in, en anderen vervolgens de les lezen. Positief is dan wel zijn ontmoeting met Kalyan, een leuke dame die hem respecteert om wie hij is.

De film grossiert in flashbacks, waaronder medische flashbacks. Iemand heeft keelpijn. Hij herinnert zich het hoorcollege over dit onderwerp. Hij ziet borsten. Herinneringen aan het moment toen een leraar erover vertelde. Enzovoort.

Satiyat Ray legt met dit bijzondere drama vol met flashbacks ook Calcutta in 1970 bloot – een maffe plek met Woodstock-hippies, werkloze jongeren en politieke strijders. Zijn film heeft veel arthouse-kwaliteiten maar óók grappige probeersels. Beelden in negatieve kleuren, jump cuts én visuele grapjes. Zoals een guillotine die ter sprake komt (hoofdpersoon droomt er meteen over). Of skeletten die de plaatsen van mensen innemen.

En wie dacht dat zelfverzekerde vrouwen een recente westerse uitvinding zijn… In deze film zegt de ene jongen tegen de andere: ‘Ze maken me bang met hun zelfvertrouwen.’

Goed uitgewerkte vrouwenrollen
Harry Graham in The Bigamist (1954) hoeft absoluut niet meer te solliciteren. Hij is een gerespecteerd zakenman. Getrouwd en met zijn vrouw wonend in San Francisco. Hij wil met haar een kind adopteren. De man van het adoptiebureau moet onderzoek doen naar zijn achtergrond. Routineklus.

Dan blijkt er toch iets raars aan de hand te zijn. Harry is ook Harrison en heeft in Los Angeles nóg een vrouw. Een bigamist dus.

‘Hoe kan een man in jouw positie, zo bewonderd en succesvol, in een akelige positie als deze terecht komen?’, vraagt de man van het adoptiebureau verbaasd. Harry beseft dat hij niets te verliezen heeft en begint het hele verhaal te vertellen.

Aldus begint de megaflashback – die praktische de hele film inhoudt. Op een dag, uit verveling, springt hij in Los Angeles in een bustour door Hollywood. Hij zit naast een leuke vrouw. Gemakkelijk gaat zijn versierpoging niet. ‘Als dit een voorbeeld is van hoe jij te werk gaat, ben je vermoedelijk niet echt goed in het oppikken van dames.’ Gelukkig geeft zij hem tips hoe hij zich kan verbeteren.

Dan gaan ze uit eten in een Chinees restaurant. Alhoewel… ze blijkt hun date te combineren met haar werk als serveerster in datzelfde restaurant. Vervolgens belt hij zijn vrouw in San Francisco en bekent hij zijn vreemdgaan. Ze lacht erom.

The Bigamist is wel oké als melodrama maar het meest interessante is dat zowel de regie als de vrouwelijke hoofdrol werden gedaan door Ida Lupino. Anno nu is dat niet zo vreemd meer maar dit was 1953! Ida Lupino was dan ook pas de tweede (Amerikaanse) vrouw die werd toegelaten tot de director’s guild (de echte pionier was Dorothy Arzner). Je merkt het wel want de vrouwenrollen zijn beter uitgewerkt dan gemiddeld. Hier stelt een vrouw voor om te gaan pokeren.

Producer Collier Young was getrouwd met Jean Fontaine (de rol van de vrouw in San Francisco) én was getrouwd geweest met Ida Lupino. Niet helemaal een bigamist, toegegeven, maar Young en Lupino zullen wel wat flashbacks hebben gehad tijdens het maken van deze film.

Had je maar een scriptschrijver in je eigen hoofd om zulke flashbacks net zo fraai vorm te geven als karakters in een film meemaken.

 

11 mei 2018

 

 

Pratiwandi

 

Alle Camera Obscura

Van je familie moet je het niet hebben

Van je familie moet je het niet hebben

door Bob van der Sterre

Morgiana ♦ The Marathon Family ♦ Arcana

 

Veel films gaan over families, prettige families en prettig gestoorde families. Die laatste zijn het leukste. De oudjes hebben zo hun klassiekers (Philadelphia Story, Holiday), de modernen ook (American Beauty, Storytelling) maar in de obscure hoek vind je ook een paar pareltjes.

Morgiana (1972) laat zien wat kan gebeuren als je een enorm jaloers familielid hebt. Want de ene zus is zo jaloers op de andere zus dat ze er alles aan doet om haar geluk in de weg te zitten. Zoals je toekomstige echtgenoot weg te jagen. Je te kleineren. En je te vergiftigen.

Familie van twee dames
Klára is de goede. Viktorie de slechte. Klára is in het wit, Viktorie in het zwart. Klára is lief en opgewekt, Viktorie gemeen en negatief.

Deze familie – teruggebracht tot deze twee dames – is verziekt. Het is niet moeilijk om met Klára mee te leven. En het mooie is dat Viktorie niet per se gemeen is maar verpest is geraakt door de jaloezie. De stap naar misdaad is dan niet meer zo groot.

Deze film van Juraj Herz was ooit bedoeld als een stijloefening. Een uitstapje om te kijken of hij zo’n soort film kon maken. Waar Herz vooral goed aan deed, was het binnenhalen van de juiste mensen. Cameraman Jaroslav Kucera, actrice Iva Janzurová (in een dubbelrol) en muzikant Lubos Fiser (waarvan Herz glimlachend zei: ‘Al snel bleek dat hij muziek wilde hebben waar ik niet wilde en andersom’).

De experimentele Herz was de verbindende factor van al dat talent. Iemand die per se met wide lens wilde werken – er was er in heel Tsjechië maar één op dat moment. Dankzij die lef ziet deze film er formidabel uit, met boeiende shots zoals het perspectief van een kat.

Morgiana is zelfs als je niet veel geeft om een genres als drama of horror een prachtige film om te zien. Dan is het verhaal eigenlijk niet zo bijzonder – dat hoeft in film helemaal niet erg te zijn, als er tenminste talent staat aan de andere kant van de camera.

Familie van begrafenisondernemers
Nog een moeilijke familie zien we in de Joegoslavische komedie The Marathon Family uit 1982. Daarin zien we niet minder dan zes generaties Topalovic’. Alleen maar mannen; de vrouwen sterven altijd jong.

De familie Topalovic heeft een begrafenisonderneming. Om zaken te doen is veel toegestaan. Zoals in bosjes met verrekijker liggen om te kijken of iemand al gestorven is. En dan later zeggen als iemand zegt dat het een ‘groot man’ was: ‘Levend was hij groot, ja. Dood is hij lang.’

Als oude Pantelija Topalovic (150 jaar) sterft, raakt het evenwicht in de familie plotseling zoek. Vanaf dat moment begint de ambitieuze Lucky hartstochtelijk zijn droom na te streven om een crematorium te bouwen. ‘Een beschaafd mens wil niet meer jaren rotten in de grond.’

Dan komt gangster ‘Bili Piton’ achterstallig geld eisen van de Topalovic’ en is Mirko, de sukkelige zoon van Lucky, hevig verliefd op diens dochter Kristina. Helaas reageert ze niet al te vriendelijk op zijn liefdesverklaringen. ‘Loop naar de hel, jij idioot’. Kristina vindt Mirko’s filmende broer Djenka interessanter. Maar dat is een profiteur. ‘Hoe kan ik nou deze film Het Vrije Leven noemen als je niet eens naakt op het bed wil liggen?’

Een zwarte komedie zoals je ze niet meer ziet: veel geestigheid, hoog tempo, gave muziek. Het begin met de introductie van alle familieleden is bijvoorbeeld onvergetelijk.

Tegelijkertijd is het niet alleen maar lol. Want in deze krankzinnig wordende familie kun je makkelijk een donkere, griezelige profetie zien voor de oorlog in Joegoslavië. In 1982 zou het nog maar negen jaar duren voordat die zou uitbreken. En dit einde….

Bovennatuurlijke familie
Ten slotte zien we in Arcana (1970) een familie met twee leden: mama, helderziende én oplichtster, en zoon, die bovennatuurlijke talenten heeft. Ze doet of ze mensen helpt. In feite doet haar zoon dat. Met tegenzin.

Perfect familie teamwork dus? Eh… niet echt. Moeder vindt het normaal om haar volwassen zoon nog te wassen. En dat hij bij haar in bed kruipt. Moeder is zelfs nauwelijks boos als hij haar aan het bed vastbindt. Zelfs niet als hij met één van haar klanten pal voor haar seks heeft. Álles voor het financiële gewin.

Werd ze maar boos! Want zoon begint door te draaien. Met zijn geestelijke gaven is het niet moeilijk om via foto’s rare dingen te laten gebeuren. Ook zijn er problemen in metro’s en tunnels. Is dat ook zijn invloed?

Arcana is interessant én onconventioneel, behandelt gedurfde thema’s, maar lijdt aan onevenwichtigheid. En dat is jammer. De film zit vol originele, cinematografisch interessante momenten. Neem de onvergetelijke scène waarin een zigeunerkoor alsmaar blijft spelen, zoonlief zich op een dak zit te vervelen, een metro in een tunnel stopt en mensen op de ramen beginnen te slaan en moeder vervolgens kikkers ophoest. Ook mooi: het shot van de mensen die in een gang wachten (een man staart over zijn schouder).

Geen verrassing misschien dat onconventionele karakter aangezien regisseur Giulio Questi meer een man was van experiment dan van vakmanschap. Hij was ook de regisseur van een bizarre thriller op een kippenboerderij (Death laid an egg, 1968) en een aparte western (Se sei vivo spara, 1967). Vier films: zijn hele oeuvre, als je wat experimentele shorts vergeet.

Questi werkte altijd samen met schrijver Franco Arcalli (ze werden vanwege hun band wel Jules & Kim genoemd).

En dan de acteurs! Lucia Bosé is sterk als de overbeschermende moeder. Maurizio degli Esposti perfect gecast als rare zoon met vrouwenkapsel. En dan nog Tina Aumont – als altijd even op haar gemak in de duistere cinema van de jaren zeventig. Ze maken Arcana best gedenkwaardig.

Hoe vreemd de families in film ook zijn, niets is vreemder dan de filmfamilie zelf.

 

9 april 2018

 

Arcana

 

Alle Camera Obscura

Doppelgänger vs. dubbelgangers

Doppelgänger vs. dubbelgangers

door Bob van der Sterre

Doppelgänger ♦ The Man Who Haunted Himself ♦ Apartment Zero

 

Dubbelgangers zijn altijd een intrigerend motief in kunst. Ook film heeft bergen bekende films met dubbelgangers, zoals Enemy. Leuk hoor, maar geef ons toch maar weer de minder bekende films. 

Voor als je nog niet wist dat de film over dubbelgangers ging, heet de film Doppelgänger (1989) ook zo. De openingsscène is zo 1989 als maar kan. Een modeshow in 80’s kleding, een 80’s beat in een 80’s huis. Leuke tand des tijds is ook de toen hippe (intussen vintage) platenzaak.

Makkelijkste baantje ooit
Harry, labmedewerker en student, lijkt sprekend op killer Wolf – een man die voor de geheime dienst werkt maar meer dan eens zijn eigen bloederige plan trekt. De geheime dienst heeft een eenvoudige klus voor de student: een poosje wonen in een huis. Het is het huis van Wolf (maar dat weet hij niet).

Makkelijkste baantje ooit! Zijn geruilde leventje wordt pas echt leuk als hij de knappe Barbara ontmoet. Vanaf het moment dat Harry met haar uit eten gaat, wordt hij gevolgd. ‘Ze denken zeker dat we filmsterren zijn.’ Wolf ondertussen pleegt de ene na de andere bloederige aanslag.

Ik had de film graag als een verborgen jaren tachtig-pareltje willen uitroepen maar het verhaal is daarvoor te onevenwichtig. Een soort actiekomedie die vooral interessant is als one-man-show van acteur Uwe Ochsenknecht. Dronken sigaren paffen en op latin muziek dansen, dat past hem net zo goed als met een verbeten blik scherpschieten vanuit een auto. Ochsenknechts komische talent zou rijpen in zijn fenomenale rol als Fritz Knobel in Schtonk! (1992).

Emanuel Boeck maakte de film en Hidde Maas heeft ook een rolletje. Frappant is dat Boeck (of iemand die zijn naam draagt) de film op YouTube heeft gezet. Is de moderne tijd toch ergens goed voor.

Bedrijfsovername
The Man Who Haunted Himself is ook al een film waarvan de titel weinig aan duidelijkheid te wensen overlaat. Hoofdpersoon is hier Harold Pelham (ook wel ‘Pel’). Hij is net lekker bezig om carrière te maken. Sceptisch over de partij met wie zijn bedrijf wil gaan fuseren. Het maakt zijn positie alleen maar belangrijker.

Alles gaat goed tot op een avond een collega thuis zit te wachten voor een borrel. Raar: hij háát die collega. Helemaal borrels met die collega. En hij zou hebben gesnookerd. En gegokt. En is vreemdgegaan. Allemaal dingen die Harry haat. ‘Gisteren zei je nog wat anders…’

Pel raakt verward en bezoekt de dokter. Terwijl hij daar uit zijn crisis probeert te komen neemt de laconieke ‘Pel’ zijn plek over in het bedrijf. Die Pel wil wél graag fuseren en speelt politieke spelletjes een stuk harder.

Je denkt: deze film moet wel een geniaal plot hebben om dit rond te breiden. En dat plot, tja, is niet zo geniaal (hoezo dat gebrek aan verbazing?), maar ook niet echt slecht, dankzij wat fraaie trippy scènes die er op tijd in worden gegooid.

De film scoort wel met een jonge Roger Moore in de hoofdrol. Goed als stoer, degelijk als verward. De bijrollen sprankelen jammer genoeg niet – noch Hildegard Neil in de rol van Pelhams vrouw, noch Freddie Jones, die toch heel wat uitzinnige rollen heeft gespeeld (in films als The Elephant Man, Dune, Wild at Heart, Krull). Zijn accent is hier onnavolgbaar (Frans? Russisch?) als psychotherapeut met zonnebrilletje.

Soms bevat de film van Basil Dearden wel wat experimentele shots (‘vervreemdend’) maar allemaal zo voorzichtig. Alsof ze in 1970 nog even moesten wakker worden dat het al 1970 was. Een gevalletje ‘had meer ingezeten’.

De één wil de ander zijn, de ander de één
Zo duidelijk als de andere titels zijn, zo warrig is de titel Apartment Zero (1988). Dat is dus de naam van een woonruimte midden in Buenos Aires. Adrian LeDuc woont daar op de bovenste verdieping. Hij is ook een uitbater van een bioscoop die overal foto’s van beroemde acteurs heeft hangen. Zijn appartement, met nummer nul, is voor de helft te huur.

Hij zoekt een nieuwe huurder om dat appartement meer te delen. Dat wordt de Amerikaan Jack. Ze kunnen het goed met elkaar vinden, doen filmquizzen, ontbijten samen, kleden om in elkaars gezelschap, staan dichtbij elkaar als ze praten… zijn bijna een kopie van elkaar.

Als Jack dan ineens voorstelt om vrouwen te gaan versieren, schiet Adrian in de stress. ‘Wat je voorstelt… is routineuze copulatie, en dat is niet voor mij!’ ‘Hou je wel van meisjes, Adrian?’ ‘Ik hou van vrouwen!’

Beiden hebben hun eigenaardigheden. Is Jack zo vriendelijk als hij lijkt? Of is dat een masker voor zijn echte karakter? En wat bezielt Adrian? Hij lijdt enorm onder zijn relatie met zijn gestoorde moeder. Dan zijn er nog de buren in dit appartement – ook aparte types. En hoe zit het met de politieke moorden in de stad? De junta is toch al afgelopen? En waarom spreekt niemand Spaans op een taxichauffeur na?

Het dubbelgangersmotief wordt nergens zo letterlijk genoemd maar het is duidelijk dat Adrian (Colin Firth) goed past bij de mannelijke Jack (Hart Bochner; diepliggende ogen en diepe stem). En vice versa is de gevoeligheid van Adrian onhaalbaar voor Jack, tot diens frustratie. De één wil de ander zijn, de ander de één.

De film biedt sterk acteerwerk en het verhaal combineert soepeltjes diverse genres (horror, spanning, komedie, homo-romantiek). Een verhaal over homoseksualiteit en politiek (de Argentijnse junta en de Falklandoorlog), maar óók met hier en daar zwarte humor.

De eigenaardige film is geschreven en geregisseerd door Martin Donovan. Een Brit? Nee dus, een pseudoniem voor Carlos Enrique Valera y Peralta-Ramos. Een Argentijn. Passend voor de maker van een film over dubbelgangers.

 

9 maart 2018

 

The Man Who Haunted Himself

 

Alle Camera Obscura

Rare gasten

Rare gasten

door Bob van der Sterre

Let’s Scare Jessica to Death ♦ El ángel exterminador ♦ To Kill a Clown

 

Gasten die je ongevraagd bezoeken zie je steeds vaker in films. Het indringersthema is populair in de moderne cinema (denk aan een film als mother!). Dat gegeven is al veel langer bekend en die films deden zonder ingewikkeld gedoe.

Let’s Scare Jessica to Death (1971) klinkt als een onschuldig spelletje. Dat is het niet. Want Jessica heeft last van plotseling opkomende paniek. Kan ze ineens gaan gillen. Duncan en Jessica kopen daarom een rustig huis ‘upstate’. In de bossen, bij een meer, heerlijk rustig. Woody gaat mee om te gaan klussen.

Jessica’s overgevoeligheid
Als er al een meisje in het huis logeert (Emily), nemen ze haar ook maar op in het huis. Waarom niet! Het is de 70’s en alles moet kunnen.

Het huis is wat afgelegen maar toch maken ze er wat van, Jessica en Duncan. De mensen in het dorp doen wel wat apart. De voorgeschiedenis van de familie van wie het huis was, is ook onduidelijk. En wat doe die Emily daar nou precies? Is ze zo vriendelijk als ze overkomt? Waarom gaat ze ook niet weg?

Vreemde incidenten. De spanningen zijn te veel voor Jessica’s overgevoeligheid. Zo zien we met haar ogen hoe ze een lijk ziet. Dat er later niet meer ligt. Hoe zit dat nou weer?

Het plot is niet om over naar huis te schrijven maar de twee vrouwenrollen hier maken veel goed. Mariclare Costello als ongevraagde gast Emily; Zohra Lampert als vriendelijke gastvrouw Jessica. Lachen en een seconde later bevreesd zijn, dat gaat Zohra Lampert zo natuurlijk af, dat is echt griezelig. Als handige compensatie wordt Duncan uiterst relaxed neergezet door Barton Heyman (bekend van The Exorcist).

Zulke actrices maken een film, dat zie je hier wel. De stem van Zohra Lampert is zo diep als die plas voor hun huis. Die stem is al bijna griezeliger dat het arsenaal aan flauwe horroreffectjes dat er nu aan toegevoegd zou worden. Aan Let’s Scare Jessica to Death zie je goed dat iets vooral eng is als je de hysterische geluiden weglaat en je de spanning heel rustig opbouwt.

Feestje zonder eind
In El ángel exterminador (1962) komen een heleboel gasten aan bij een landhuis. Een feestje voor de elite. Op dat moment nemen de bedienden, om een onduidelijke reden, de benen. De avond is anders dan je denkt: er volgen geen speeches, geen drama’s à la Festen of Het diner. Het is gewoon gezellig.

Maar wanneer houdt het feestje eens op? Als het midden in de nacht is, gaan mensen daar maar op de grond liggen slapen. De bezoekers lijken vervolgens allemaal een beetje de weg kwijt. ‘Dit is wat me zorgen baart: niemand van ons heeft zelfs maar een poging gewaagd om naar huis te gaan. Hoe werden we zo’n zigeunerkamp?’ ‘Ik vind het heel origineel. Maar ik hou dan ook van dingen die een beetje afwijken van het gemiddelde.’

De groep kan de kamer niet meer verlaten. Het wordt helemaal vreemd als een van hen overlijdt. Angst en waanzin slaan toe. De teneur is duidelijk: hoe langer het duurt, des te meer laten de gasten hun echte gezicht zien. Inspiratiebron voor het tv-programma Big Brother?

Je hebt niet veel nodig om te weten dat je een film van Buñuel aan het bekijken bent. Dame gooit glas door het raam. Een man, kalm: ‘Het is Valkyrie.’ Andere man: ‘Fascinerende vrouw.’ Shot van een vrouw met kippenpoten in haar tasje. Of deze scène: kelner tegen de dame des huizes: ‘En de schapen, mevrouw?’ ‘Doe ze maar naar buiten.’ Dan zien we ineens drie schapen onder een keukentafeltje.

Meteen zit je in die typische Buñuelesque flow waarbij je voelt dat de auteur bovenop zijn materiaal zit. Zijn films blijven verbazen hoe goed ze te volgen zijn, hoewel het filosofische (en sarcastische) er vaak van afdruipt.

Gevangenisspel
In To Kill a Clown (1972) gaan we naar een eiland. Timothy, de kunstenaar, is een aparte vent. Zoals dat hij de koffers van zijn vrouw in het water gooit op het moment dat ze ervandoor wil gaan. Springt op het dak van haar auto. Maar in de grond geen kwaaie kerel. ‘Ik huur wel een paar duikers.’

Hij zit in een strandhuis samen met Lily, zijn vrouw. Geïsoleerde plek bij een baai. Op een dag komt de verhuurder – een man die met twee stukken loopt – langs, Evelyn Ritchie. Hij woont in het huis ernaast. Hij heeft twee dobermanns.

Evelyn is het type begripvolle verhuurder. Wil je iets veranderen aan het huis? Tuurlijk, doe maar! Neemt zelfs een fles wijn mee en kijkt toe als Timothy zijn passie als clown uitoefent.

Alles gezellig en vriendelijk tot Evelyn na een avondje drinken ineens zegt: ‘We gaan een gevangenisspel spelen. Morgen beginnen we tijdens zonsopkomst.’

En dan staat hij daar de volgende ochtend. Timothy denkt aan een grap. Maar Evelyn is bloedserieus. ‘Als je tegen me praat, zeg je voortaan major Ritchie.’ Evelyn blijkt te hebben gevochten in Vietnam. Zijn dobermanns zijn nu zijn wapens.

Geen film om een Oscar voor van stal te halen, maar kom op, IMDb, een 5,6! Er zijn best leuke dingen te zien. De relatie tussen Lily (Blythe Danner, oei, wat een sexy hese stem) en Timothy (Heath Lamberts, lijkt op John Cusack) is leuk om te zien. Alan Alda is perfect gecast als relaxte peer die in een creep verandert. Best jammer dat het script een spannende kant op moest gaan.

Een echte eigen stijl is hier niet zichtbaar maar het is wel apart om scènes te eindigen met een soort foto. Regisseur George Bloomfield heeft afgezien van drie films nooit een echte doorbraak gekend. Hij werd tv-filmregisseur. Een van de achterdeuren van de cinema, waarna het niet meer eenvoudig terugkeren is. Misschien had hij vaker als ongevraagde gast moeten opduiken bij bepaalde Hollywoodfeestjes.

 

11 februari 2018

 

El ángel exterminador

 

Alle Camera Obscura

Analoog telefoonterreur

Analoog telefoonterreur

door Bob van der Sterre

Bells ♦ La Cabina ♦ Black Christmas

 

De mobiel en de smartphone domineren veel films. Films als The Departed spelen leuk met de mobiel maar de teloorgang van de echte, oude telefoonlijn is wel een gemis voor film. Drie producties met enge telefoontjes.

Bells (de andere titels zijn Murder by Phone en The Calling) uit 1982 laat er geen gras over groeien. Een vrouw pakt een telefoon op bij metrohalte ‘Museum’ en begint te trillen. Stoom komt uit haar hoofd, bloed uit haar ogen. Ze vliegt door de lucht en belandt op de roltrap.

Bellen tijdens de afwas
Nat Bridger (Richard Chamberlain) is een techniekleraar die toevallig in Toronto op bezoek is. Hij vindt het verhaal, dat hij terloops verneemt, meteen verdacht. Omdat hij een nobel mens is, gaat hij op onderzoek uit. Ondertussen vliegt iemand uit het raam na een telefoonexplosie. Vervolgens sterft iemand die tijdens het afwassen aan het bellen was.

De lijntjes lopen naar een machtige telefoonmaatschappij. Daar gaat hij poolshoogte nemen want de politie laat dat zelf na. Nat ziet vier uitgebrande telefoonhoorns hangen. Hier ergens moet de verklaring te vinden zijn, beseft hij.

Als een film telefoonterreur uitstraalt, dan is het deze wel, met de tagline: Your phone can pierce your brain, explode your heart, and jolt you ten feet in the air! Tweeëntwintig keer gaat er een telefoon af – die heerlijke oude standaardtringel. Heel wat van die keren wordt iemand gefrituurd.

Hilarisch slecht kun je de film niet noemen. Daarvoor is de analoge telefoonwereld veel te interessant. Met name de rondleiding door het ‘moderne’ telecombedrijf is een ‘blast from the past’. Je krijgt ook nog een dwarsdoorsnede van de telefoonmode in 1982 met een paar rare modellen die nu ook al lang weer vergeten zijn.

Kijk wel naar de juiste versie want er zijn er twee. De versie gekortwiekt door Roger Corman en de oorspronkelijke Canadese versie die nog een kwartier langer duurt. De purist gaat uiteraard voor de tweede.

Opgesloten in een telefooncel
Andere angsten komen aan bod in La Cabina (1972). Wie heeft niet ooit de menselijke angst gehad van opgesloten zitten in een telefooncel? In deze film zit een man van middelbare leeftijd niet alleen opgesloten maar hij trekt ook nog eens veel bekijks, als een soort dier in een dierentuin.

In plaats van het tonen van medelijden zijn de mensen er als de kippen bij om hem uit te lachen. Politie komt langs, brandweer. Hij staat zo voor paal in de dichte cel. Wat een nachtmerrie!

Mensen proberen de cel te rammen, het raam in te slaan, de schroeven los te maken, maar alles mislukt. Uiteindelijk besluit de telefoonmaatschappij om hem inclusief cel te verwijderen. Het fascinerende plot verklap ik hier niet.

Sommige mensen durven niet in een lift te staan of de deur van een wc af te sluiten. Die mensen moeten vooral niet naar deze film kijken. Zelfs iemand die geen last heeft van claustrofobie zal niet koud blijven van deze film.

Heel veel gaat goed in deze film van de verder onbekende Antonio Mercero – die tot tien jaar geleden nog films maakte. De observerende stijl. Subtiele shots als dat hij in de spiegel kijkt naar zichzelf, gevangen in een telefooncel. Het commentaar op akelig menselijk gedrag. De interessante muzikale begeleiding. Bijna geen dialogen: de beelden spreken voor zich.

En dan kunnen er best schimpscheuten in zitten richting het Franco-regime, waarin mensen zich ook opgesloten konden voelen. Ja, een half uur kan best genoeg zijn voor een meesterwerkje.

Een bijzondere hijger
Een van de allerergste vormen van analoog telefoonterreur zien we In Black Christmas (1974). We belanden tussen de sorority girls in het studentenhuis Pi Kappa Psi. Tijdens een feestje worden de studentes opgebeld. Een hijger. Niet zomaar een hijger – het lijkt wel een geest, een paar geesten zelfs, die praat over de geslachtsdelen van de meisjes en laat weten dat ie wel even zal langskomen.

Het eerste meisje wordt al binnen tien minuten te grazen genomen. Ze schommelt in een schommelstoel met een plastic zak over haar hoofd.

Dan worden ze een voor een lastiggevallen door de beller, die met verschillende stemmen tegelijk praat. Soms bizar geratel, soms ineens concreet: ‘Waar heb je Agnes gelaten, Billy?’

Wie zit hierachter? Is het Peter, de teleurgestelde vriend van Jess, die net vernomen heeft dat ze hun kind niet wil houden en de relatie beëindigt? Zijn er andere kandidaten?

Ik kan niet anders zeggen dan dat deze telefoongesprekken écht griezelig zijn. Geen wonder dat Black Christmas een klassieke horrorfilm is geworden, die toen niet aansloeg, maar intussen zo zijn schare fans heeft opgebouwd. Bovendien is het de eerste echte feestdag horrorfilm – later tot in den treure gekopieerd.

Mooi ook om te zien, net als in Bells trouwens, hoe het werkt als ze de beller proberen te achterhalen, te ‘tracen’. In plaats van het moderne digitale gedoe loopt hier iemand rond in een soort fabriek met talloze draden.

Veel is te danken aan het gevoelvolle regiewerk van Bob Clark – dat goed past in de traditie van Hitchcock. Bovendien ook passend acteerwerk van de net iets minder bekende filmsterren. Keir Dullea (eerder al fenomenaal in Bunny Lake is Missing én de Dave tegen wie de computer in 2001 A Space Odyssey spreekt). Olivia Hussey, zie deze Camera Obscura. En John Saxon, die zichzelf in de jaren zeventig regelmatig uitleende voor Italiaanse pulp (Italia a mano armata bijvoorbeeld). Rechtschapen of gangster, hij deed dat allemaal even makkelijk.

Een moderne variant van analoge telefoonterreur met mobieltjes en exploderende hoofden ligt voor de hand. Nog veel griezeliger belwerk kun je vandaag de dag ook gewoon op de weg zien: al die lui die fietsen en tegelijk staren naar hun mobiel. Alsjeblieft: stop daarmee!!

 

7 januari 2018

 

Black Christmas

 

Alle Camera Obscura

De witte waan

De witte waan

door Bob van der Sterre

De witte waan ♦ More ♦ Girl Gang

 

Drugsgebruik vind je terug in goede én slechte films. Met name heroïne is altijd populair geweest in film. The Panic in Needle Park, Al Pacino, 1971, wat heb je nog meer nodig voor mooie cinema? Christiane F., 1981, legendarisch portret. Trainspotting – natuurlijk. Hoe zit dat met de obscure films?

In De Witte Waan (1983) haalt Lazlo, kunstenaar, zijn heroïne op een schip bij een kerel genaamd Fuji. Lazlo zegt niet veel. Hij mediteert wel. Bovenop spoorbruggen.

Tegelijkertijd is er een oudere vrouw bij een villa die doet alsof ze praat met iemand: zijn moeder. Daar heeft hij niet veel mee. ‘Mijn moeder is een dode tuin.’

Na een ongeluk komen ze toch nader tot elkaar. De vader blijkt de sleutel te zijn geweest tot hun onverwerkte ellende.

De eigenzinnige Adriaan Ditvoorst
De film bewijst dat je als filmmaker niet al te bang hoeft te zijn voor wat eigenzinnigheid. Die komt van de hand van regisseur Adriaan Ditvoorst. Zijn laatste film alvorens hij een einde aan zijn leven maakte. Zeehondjes die worden doodgeknuppeld, een tevoorschijn komende jogger, shots van leguanen, een bizarre geluidsmachine; alles heeft een betekenis.

Doet soms denken aan Bertrand Blier – maar toch net niet. De film is losjes gebaseerd op De Moeder van David S. van Yvonne Keuls en dat is toch wat anders dan Bliers geestige en filosofische scripts. Lazlo blijft ook nauwelijks meer dan een karikatuur. Dan is de film ook nog redelijk traag. En uiteraard het irritante ‘theatertoontje’. Zelfs de koele Lazlo klinkt als iemand van de theateracademie. Dieptepunt: cameo van ‘zwaar verslaafde’ Theo van Gogh: ‘Ik moet scoohoooreeuuh!’ 

Toch: een bijzondere film van eigen bodem zie je ook niet elke dag. De beelden van pre-hip-Amsterdam zijn mooi. De Veemkade nog in havensfeer. Een oude fabriek waar Lazlo werkt als schilder (Amsterdam had ze vroeger ook). Het AMC, de Bijlmer Bajes en de metro komen langs. En de muzikale ondersteuning van Clous van Mechelen past ook goed bij de film.
 
Barbet Schroeders portret van junkies
In More (1969) lijkt het aanvankelijk nog niet op een heroïnedrama. Stefan gaat naar Parijs om misschien naar Fes te gaan, want ‘daar zijn mathematische professoren’. Een ontmoeting in een bar met een crimineel verandert dat plan. Via een feestje dat hij met die kerel bezoekt ontmoet hij Estelle. Een onstuimige relatie volgt.

Een dag gaat Estelle naar Ibiza en Stefan volgt. Of hij meegaat, lijkt haar aanvankelijk niet te interesseren. Ze doet sowieso afstandelijk. Later blijkt dat ze heroïne gebruikt. ‘Wil je ook niet een keer proberen?’

Ze raken verslaafd maar kicken ook af. Dan raken ze wéér verslaafd. Ondertussen bouwen ze een schuld op bij Wolf, een ex-nazi die daar de boel runt. Stefan stopt echt met gebruiken en gaat in een bar werken. Estelle krijgt het niet voor elkaar.

Het is wel een raar verhaal, deze film van Barbet Schroeder (bekend documentairemaker en maker van Barfly en Single White Female). Het script laat losse eindjes achter zich aan slingeren als een bol wol dat van een berg afrolt. Die klus in Parijs of het verleden van Wolf doen er niet toe.

Als portret van junkies heeft de film een reputatie opgebouwd. En aan de muziek van Pink Floyd, die wat minder aanwezig is dan je zou hopen. Ze waren toen nog niet de bekende band die ze laten zouden worden en waren tevreden met 600 dollar voor deze klus. Dan is er nog het vele functionele dan wel functieloze naakt. Vooral Mimsy Farmer, niet de beste actrice trouwens, trekt geregeld haar kleren uit.

Wat de film tekent is de relatie van de twee – een die je niet vaak ziet in films. Ze zeggen wel van elkaar te houden maar op nummer één staan toch de drugs. Sadisme speelt een rol. More mist ook wel wat kansen. Zo legt de film uit dat je flink ziek wordt van harddrugs maar dat is visueel amper uitgewerkt, anders dan bijvoorbeeld de legendarische afkickscène à la Trainspotting. Dit lijkt wel een pittig griepje.

Morele aftakeling
In Girl Gang (1954) is de locatie minder interessant: een of andere shack in een niet nader genoemde Amerikaanse stad. Daar woont een louche kerel genaamd Joe. Hij leert jonge mensen heroïne gebruiken en joints roken.

Joe tegen een meisje: ‘Heroïne komt in capsules. Als je het nodig hebt, moet je naar mij toe.’ ‘Ik heb het door, Joe. Je bent een toffe vent.’ ‘Voor een meisje is het het beste om in de benen te spuiten. De naaldsporen worden dan door minder personen gezien.’ ‘Is dit echt goed?’ ‘Er is niets vergelijkbaars. Voor je het weet, wil je niets anders.’

Girl Gang is in veel opzichten een ridicule film. Zoals het acteerwerk, dat echt beneden alle peil is. Het verhaal: pover als wat. Er is geen plot. De titel slaat nergens op want het gaat niet over een meisjesbende. Voorbeeld van fout gebruik van slang. ‘Ik heb nog een paar Mary-Janes nodig’, zegt een karakter overdreven.

Een paar dingen zijn wel heel opmerkelijk voor een film van 1954. Heel het proces van de lepel, het verhitten, de spuit zetten; dat krijg je allemaal te zien. En de club waar meisjes, als ze erbij willen horen, met vijf jongens moeten slapen. ‘Oh, dat is makkelijk genoeg.’ ’Ik geloof niet dat je het goed begrijpt. Je moet met vijf jongens apart zijn, intiem.’

Een grote rol voor Timothy Farrell, die ook de verteller was in Glen or Glenda. En daar is de eerste link met Ed Wood, die bekend staat als slechtste regisseur aller tijden. De andere link is cinematograaf William C. Thompson. Die deed ook de cinematografie voor Glen or Glenda en Plan 9 Outer Space. Geen echte aanprijzing. De derde link is George Weiss. Producer van Glen or Glenda. Geen link heeft actrice Joanne Arnold die hier June speelt – maar het Playboy-model had er met haar matige spel zo ingepast. Dat is misschien de verklaring dat de ‘morele aftakeling’, als kinderen in een huis gaan dansen, roken en kussen met om het even welke gast, er helemaal niet zo vervelend uitziet. Dat zal eerder de tegengestelde reactie zal hebben opgeroepen bij jongeren in die tijd: waar is die tent?!

 

10 december 2017

 

More

 

Alle Camera Obscura

Dracula-overkill in 1979

Dracula-overkill in 1979

door Bob van der Sterre

Nosferatu: Phantom der Nacht ♦ Dracula ♦ Love at First Bite

 

Bela Lugosi’s legendarische rol in Tod Brownings klassieker hangt als een schaduw over elke Draculafilm. Maar in 1979 had iedereen er om een of andere reden schijt aan. In dat jaar verscheen er een overkill aan Draculafilms. De meeste zijn nog genoeglijk ook.

Draculafilms zijn sowieso uitbundig aanwezig in de filmgeschiedenis. Wie weet bijvoorbeeld dat zelfs Jess Franco, toch de grootste pulpmaker van de filmgeschiedenis, ooit een Draculafilm maakte, met Klaus Kinski, Herbert Lom, Soledad Miranda én Christopher Lee? Echt gebeurd (Nachts, wenn Dracula erwacht)!

Werner Herzog’s interpretatie
Klaus Kinski deed ook mee in Nosferatu: Phantom der Nacht. Dat is dan ook de enige overeenkomst. Verder zien we Bruno Ganz en Isabelle Adjani. Dat, in 1979, is al een recept voor succes. En kunstenaar Roland Topor! Wat we dan nog missen is alleen nog onze grote vriend Werner Herzog als… oh ja… dat zat er dik in.

Eerste shot: creepy Mexicaanse mummies. En dan sfeer! Een Draculafilm, maar wel van Werner Herzog. Dus beelden van donkere bossen, mysterieus tegenlicht, rare klokken. Combineer dat met stemmige muziek en een kalm tempo. De film verliest wat vaart tegen het einde maar het is een allerbeste cinematografische interpretatie van het verhaal.

Herzog en zijn voorliefde voor moeilijke producties: zestien locaties werden voor deze film gebruikt. Een grote rol voor Nederland, met Schiedam, Delft en Oostvoorne in de rol van Wismar. En dan al die verwijzingen naar de zwijgende film. Want dit was ook nog eens bedoeld als een eerbetoon aan Murnau’s klassieker Nosferatu. Kinski lijkt echt op een neefje van Max Schreck en Adjani heeft het met ogen sprekende gezicht van een zwijgende filmdame.

Wat een belevenis moet dat zijn geweest: Klaus Kinski die elke dag vier uur make-up moest ondergaan en daarna nog moest acteren. Dus van geduldig en vriendelijk (bij de make-upartiest) naar een pain in the ass (bij de rest). Herzog, subtiel als altijd: ‘Zelfs de ratten luisterden beter dan Kinski.’ En dat dus in een Duits- en Engelstalige versie! De echte Herzogiaan bekijkt ze allebei.

Frank Langella in volle glorie
Liefhebbers noemen ook vaak een andere legendarische Dracularol: Frank Langella’s Dracula in de gelijknamige film uit uiteraard 1979. Hij is in goed gezelschap met Laurence Olivier als Van Helsing, Donald Pleasance als Jack Seward, Jan Francis als Mina van Helsing en Tony Haygarth als Renfield.

Ja, Langella is inderdaad steengoed in deze rol. Zijn stem is prachtig. En zijn ogen slurpen de aandacht op. Bovendien heeft hij een kwaliteit om zowel warm en charmant te zijn als ijskoud en kil. Langella is al decennia een belangrijke bijrolspeler (denk aan zijn geweldige bijrol in The Ninth Gate) maar het is mooi om hem eens in volle glorie te zien. Hij had de rol ook al gespeeld op Broadway en die rol motiveerde de producer om de film te gaan maken.

De film heeft dat ruwe van deze tijd, die nadruk op sfeer, warme, gouden en zwart-witte kleuren (die volgens regisseur Badham goed pasten bij het oproepen van de romantiek). Dat oogt verrassend modern. En dan ook die onheilspellende, bombastische muziek. Zelfs de special effects zien er modern uit!

Een Dracula zonder vampierhoektanden? Klinkt als hoe Guy Ritchie een Draculafilm zou maken (‘De echte Draculaliefhebbers weten dat dit meer de realiteit benadert’). Dit is vooral een bewijs dat budget soms goed besteed is. Een showcase van het talent van de director of photography, Gilbert Taylor.

En niet te vergeten Laurence Olivier als de Nederlandse onderzoeker Van Helsing. Welke andere Britse acteur zou zoveel moeite steken in een realistisch Nederlands-Engels accent. Woorden als suck (suk), purpose (purpus), blood (blot), done (dun) spreekt hij met een echt Nederlands accent uit. ‘Wie niet to kestj det boot.’

Eén stroomstoring en het worden beesten
Love at first bite is heel anders. Een vriendelijke komedie. Geen Airplane-achtig komisch meesterwerk maar prima te doen voor als je niet in zo’n kritische stemming bent. ‘Vergeet niet, zonder mij zal Transsylvanië even gezellig zijn als Boekarest… op een maandagavond.’

In 1979 is Dracula niet populair meer in Roemenië. Communisten eisen zijn kasteel op voor het volk. ‘Verzamel je aristocratische rotzooi en donder op!’ Dan maar zijn lievelingsmodel in New York bezoeken, Cindy Sondheim, waarvan hij denkt dat ze de reïncarnatie van Mina Harker is.

Susan Saint James en George Hamilton zijn best entertainend als duo. Zij is een warrige moderne New Yorkse vrouw. ‘Misschien kunnen we naar mijn huis… of jouw huis. Whatever. Kan niet geloven dat ik dat net gezegd heb.’ En: ‘Oh, ben je me in de nek aan het bijten, dat is zo kinky.’

George Hamilton laat zich lekker gaan in een droogkomische versie van Dracula – juist door nauwelijks expressie te tonen en zijn wenkbrauwen het werk te laten doen.

Ook komedies kunnen oog hebben voor geschiedenis. Hamiltons Dracula heeft een sterk accent. Een parodie op Bela Lugosi’s accent in de originele Dracula (en het lijkt er echt op). Renfields lach is ook weer een verwijzing naar die film (hier het origineel).

Tegelijkertijd wil de film hip zijn. Inmiddels zwaar gedateerde verwijzingen als de naam Nadia Comaneci (toen wereldberoemd turnster uit Roemenië), een scène in een disco of de opmerking over de black-outs van die tijd in New York. ‘Eén stroomstoring en het worden beesten, allemaal.’

Hamilton was het type charmant acteur, wiens filmcarrière zich op zeker moment meer buiten het doek afspeelde dan erop, zoals het veroveren van de dochter van president Lyndon Johnson en beste vrienden worden met Imelda Marcos, tot hij met deze zelfgeproduceerde film weer iets óp het doek deed.

‘De duivel’
En als bonus moeten we ook op zijn minst een obscure Roemeense Draculafilm noemen. In Vlad Tepes – ook van 1979 – zien we waar Dracula op gebaseerd is, namelijk Vlad Tepes, leider van Walachije. We zien hoe hij het opneemt tegen vijanden, dezelfde als die hem hadden opgeleid om als stroman te fungeren: de Turken. Zijn trademark: het op palen spietsen van mensen. Het is bizar om deze uitermate ranzige eigenschap in deze film vertaald te zien worden naar dapper gedrag.

Dracula was Vlads bijnaam (‘de zoon van Dracul’, naar de adelorde waar zijn vader lid van was). Maar… in modern Roemeens betekent ‘dracul’ ‘de duivel’.

En omdat de cirkel naar het verleden hiermee is rondgemaakt, tot slot nog even dit, een intro waarvan je bijna tranen in je ogen krijgt van de schoonheid ervan.

 

12 november 2017

 

Nosferatu: Phantom der Nacht

 

 

Alle Camera Obscura

Ongewone vampieren

Ongewone vampieren

door Bob van der Sterre

The White Reindeer (Vaikonen Peura) ♦ The Vampire Lovers ♦ Kolchak: The Night Stalker

 

Vampieren zijn al diverse malen dankbaar vereeuwigd in film. Het zijn vooral de ongewone vampieren die ons graag betoveren (Nosferatu, The Fearless Vampire Killers, What We Do in the Shadows, Penny Dreadful). In de obscure hoek zitten er ook een paar interessante.

In The White Reindeer / Vaikonen Peura (1952) is alles pais en vree. We zitten in Fins Lapland en we zien de Lappen in het hoge noorden doen wat ze altijd doen: skiën, dikke sokken maken, vuurtjes stoken, rendieren vangen en verorberen en permanent omringd zijn door sneeuw.

Vertrouw nooit dronken sjamanen
Vrede is er altijd om weer verstoord te worden. Pirita wil graag fysieke aandacht van haar pas verworven man, Aslak. Hij slaapt liever. Dus roept ze als hij op reis is de hulp in van een sjamaan, Tsulka-Nilla. Hij regelt wel eventjes een liefdesdrank.

Er moet iets gedood worden om dat te bereiken. Natuurlijk het zielige witte rendiertje dat ze van haar man cadeau kreeg. Totaal onschuldig. Maar je wilt aandacht of niet.

De les hier is: vertrouw nooit dronken sjamanen. Want voor je het weet verander je zelf in een wit rendier annex vampier. In de Demon’s valley komt de ene na de andere stoere jager om het leven. Mannen komen achter je aan om je te vangen en je wilt maar een ding: hun bloed!

Veel vampiertradities hoef je niet te verwachten. Wel soms een vleugje horror. Een creepy moment is als zij de spiegel kijkt en zichzelf ziet grijnzen met vampiertanden. Simpel, maar griezelig.

Misschien gaat het verhaal niet zo diep maar de film ziet er werkelijk schitterend uit, met zowel statig rennende rendieren door sneeuwlandschappen als close-ups van gezichten. Erik Blomberg was aanvankelijk de cinematograaf maar ging uiteindelijk ook de regie doen – vandaar dat de film er zo fraai uitziet. En vergeet de Veluwe: dit is pas landschap. En als bonus een intiem portret van het Lappenvolk. Hier zie je hoe ze zich kleden, wat ze eten, hoe ze slapen (soms op elkaar gestapeld), wat hun bezigheden zijn.

Mooie vrouwen in (en uit) nachtjaponnen
In The Vampire Lovers (1970) rijdt moeder met haar dochter/nichtje Marcilla (of Carmilla, Mircalla) rond, ergens aan het einde van de achttiende eeuw. Steeds gebeurt hetzelfde. Er gebeurt iets onnozels, haar dochter/nichtje moet ter plekke ergens logeren, een familie offert zich op, en vervolgens wordt de dochter van die familie ziek, na het hebben van nachtmerries.

Het is al snel duidelijk dat Marcilla (of Carmilla, Mircalla) een lieve vampieres is. Met de dochters des huizes wordt ze al snel intiem. Soms ook met anderen. En artsen blijven prutsen, daar kan zij ook niets aan doen.

Goed gelukte stijlvolle, steamy vampierenfilm die zich afspeelt in de achttiende eeuw. Stevig gegil en een paar bizarre shots. Een laconieke dokter (‘Gelukkig denk je niet dat het al te ernstig is’). Mooie vrouwen in (en uit) nachtjaponnen. Peter Cushing (uiteraard). Achtervolgingen door het bos.

Tegelijk heeft het ook die prettige analoge kleuren, decors en het vriendelijke tempo van een jaren zeventig-film.

De film had niet deze titel gekregen als de knappe, koel kijkende Ingrid Pitt niet af en toe naakt rondloopt en sexy dingen doet met haar huisbewoners. Desondanks is het verre van een lesbische softseksfilm. In zo’n film zou je geen dialogen horen als: ‘Je bent zo gevoelig.’ ‘Alleen over bepaalde dingen.’

De film van Roy Ward Baker (naar een verhaal van Sheridan Le Fanu) heeft veel geluk met Ingrid Pitt, die met haar koele doch sexy blik heel goed past bij een film als deze. Zelf vond ze haar rol aseksueel. Aseksueel? Ik vraag me af hoeveel mannen het daarmee eens zijn.

Vampierverhaal als detective
Vampieren zijn overal en dus ook in Las Vegas in de jaren zeventig. Daar loopt een bejaarde Roemeen met onmenselijke kracht rond. Hij is ongevoelig voor kogels, zuigt het bloed uit jongedames en haalt soms flessen uit de voorraadkasten van het ziekenhuis.

Kolchak, journalist, en hoofdrolspeler in Kolchak: The Night Stalker (1972), heeft al snel door dat het om een vampier gaat. De autoriteiten kunnen dat feit niet accepteren. Vampieren bestaan niet. In eerste instantie gaat het nieuws ‘op slot’, tot frustratie van Kolchak, die wil publiceren. Men mag niet in paniek raken voor iets wat natuurlijk nooit een vampier kan zijn. Kolchak fulmineert hiertegen (fraaie monoloog na een krap half uur). Het mag niet baten.

Kolchak is de journalist die iedere agent diep haat. Terwijl jij met iemand loopt te vechten staat hij achter je rug om foto’s te nemen. Niet te beroerd om de burgemeester zijn plaats te wijzen. En gaat bij een interview met een bandrecorder voor je staan.

En vervolgens blijkt dat de Roemeen, zoals hij al zei, inderdaad onoverwinnelijk is. Springt atletisch over een hekje terwijl hij vol lood wordt gepompt. Dan is het ineens niet zo raar meer om achter een vampier aan te zitten.

Het aardige van deze film is dat het vampierverhaal wordt benaderd als een echte detective. De vampier is amper te zien. Het gaat om clues. Het is dat Kolchak bereid was om out of the box te denken anders hadden die lui nog steeds op hun achterhoofd zitten krabben.

Wie de smaak te pakken heeft, kan zichzelf een plezier doen door een avondje te besteden aan Kolchak: The Night Stalker, de tv-serie uit 1974 en 1975. Prettig entertainment. Een soort X-Files in de jaren zeventig. Aflevering 15 van seizoen 1 is trouwens het eerste script dat Richard Zemeckis in Hollywood wist te verkopen (hier is een YouTube-versie). Weer een interessant filmfeitje voor de volgende pubquiz. Net als: hoe oud is de oudste vampierenfilm? Nosferatu? Nee, de Russische film Drakula uit 1920. Een mysterieuze zwijgende film. Zo mysterieus en zo zwijgend dat de film nooit meer is gesignaleerd.

 

13 oktober 2017

 

Alle Camera Obscura

 

 

Vaikonen Peura

Seks en moord (en een verhaal)

Seks en moord (en een verhaal)

door Bob van der Sterre

The Roommates ♦ Who Killed Teddy Bear? ♦ Wenn es Nacht wird auf der Reeperbahn

 

Hoeveel films gaan er wel over seks en moord (en een verhaal)? Je kunt er een filmencyclopedie mee vullen. Die van de jaren zestig en zeventig waren, zoals zo vaak, de beste.

In The Roommates (1973) is er wel seks en moord maar is het lastig om een verhaal te ontdekken. In grote lijnen gaat het erom dat een aantal vriendinnen, dat redelijk losjes in het leven staat, vakantie gaat vieren bij Lake Arrowhead. Feestjes, disco’s (toen nog dancings), korte rokjes, relaxte gozers, goede muziek en dus ook een moordenaar.

Relatiehoppen
Meteen valt het matige acteerwerk op. Zo ongelooflijk houterig, helemaal het spreekwoordelijk schooltoneelstukniveau. Maar het went. Wat compenseert is de verrassende gepassioneerdheid van de betrokkenen. Een echte B-film is dit toch niet helemaal – daar is zelden iemand gepassioneerd.

En de dialogen zijn sappig. Het is allemaal zo ongelooflijk ad rem en sexy en werkt daardoor geregeld op de lachspieren. ‘Ik kan maar niet de juiste man vinden.’ ‘Wel, ik ben een man. En ik vind je erg aantrekkelijk.’ / ‘Wat kan ik voor je doen?’ ‘Nu of vanavond?’ / ‘Hoe zou je het vinden om op mijn motor te rijden?’ ‘Te gevaarlijk. En ik hou niet eens van motoren.’ / ‘Ik zoek een boek over seks.’ ‘Het lijkt alsof je er zelf een boek over kunt schrijven.’ / ‘Omdat we de liefde hebben bedreven, hoeven we niet meteen meubels uit te gaan zoeken.’ / ‘Ik ben antropoloog.’ ‘Interessant werk.’ ‘Ik hou van het bestuderen van mannen.’

En wat je ook denkt van de titel, of van de thumbnail op YouTube, de film heeft beslist een oprechte ziel. Je ziet echte personages die heel modern aan het relatiehoppen zijn. En een paar dames die hun kleren uittrekken, daar raakte in 1973 ook niemand meer van zijn stuk van. Een paar moorden evenmin. De seks is sowieso erg mild. Orgieën in een tijd dat het nog gezellig was. Voor de moorden geldt hetzelfde. Een beetje tv-serie gaat tegenwoordig vele malen verder.

De film had het moordgedeelte natuurlijk moeten schrappen. Die professioneel flirtende mensen zijn veel leuker om naar te kijken.

Het ongepolijste New York van 1965
En Who Killed Teddy Bear? Dat is een goede vraag. Welke teddybeer bovendien? De film begint rustig op weg naar de antwoorden. Norah dj’t plaatjes (of te wel gewoon snel een nieuwe neerleggen) in een club. Na werk krijgt ze thuis een telefoontje. ‘Ik weet alles van je… hijg hijg… ik ken al je details…’

Na een incident in de club (steekpartij) komt Norah in contact met de politie. Luitenant Dave Madden hoort van het telefoontje en gaat direct praten met Norah. Wie denkt ze dat het is? Wie in haar nabijheid zou zoiets kunnen doen? Het is een persoonlijke zaak voor de rechercheur want zijn vrouw is ooit vermoord.

Verbazingwekkend hoe in een film in 1965 zulke heftige thema’s worden aangestipt. Incest, masturbatie, kindermishandeling, homoseksualiteit en er komt zelfs nog ergens necrofilie langs. Alsof de film het doel had alle schandalen langs te gaan en dat in een verhaal te stoppen. Zoals iemand het op IMDb zegt: ‘A smorgasbord of Hollywood taboos.’

Maar het is niet alléén schokfactor. Er zijn ook interessante passages waarbij iemand gewoon aan het wandelen of rennen is door New York. Zo leer je veel over gewoontes in het ongepolijste New York van 1965. Hoe platen in die tijd werden opgeborgen, dat een hamburger eten in die tijd (een kleintje!) als een slechte lunch werd gezien, het opsporen van een telefoon kostte minimaal zes minuten, William Burroughs was toen dé hippe schrijver en het was heel normaal dat vrouwen in die tijd ook zeiden tegen een man: ‘You have a nice body.’

De grootste verrassing is de speelsheid met de camera. Mooie, mysterieuze shots (zwembad, park met sneeuw) die je niet achter zo’n film had gezocht. De draaiende tl-buizen! En dan de bijzondere rollen van acteurs die niet beroerd waren risico’s te nemen, zoals Sal Mineo en toch ook Juliet Prowse, als zelfstandige, geestige vrouw. Veel kijkers vergelijken Sal Mineo’s acteerwerk met dat van Robert de Niro in Taxi Driver.

Straat in Hamburg waar van alles gebeurt
Wenn es nacht wird auf der Reeperbahn (1967) is een van die weinige films (Hardcore uit 1979 is bijvoorbeeld een andere) die de ranzige atmosfeer van steden van die tijd weet weer te geven zonder af te dalen richting de categorie ‘exploitatie’. De film van Rolf Olsen wil tegelijk actiekomedie en een thriller zijn. En er gebeurt veel!

Dus wat was die Reeperbahn? Een straat in Hamburg waar van alles gebeurde. Vrouwen die worstelen in de modder. Striptease met een boa. Morsige bars met halfdronken figuren. En jongens die jongedames ronselen voor vieze oude mannetjes. Voor orgietjes met LSD. Probleem: een van de jonge vrouwen wordt dood aangetroffen.

Een journalist schrijft erover. Hij krijgt te maken met bedreigingen maar is zelf niet bang voor een duel. Dan sterft er weer eentje! Hij rent naar zijn baas maar krijgt geen medewerking. ‘Je haalt persvrijheid door de war met revolverjournalistiek en pornografie!’

De films van Rolf Olsen zijn ongelooflijk energiek. Ze zitten vol met opgewonden figuren die snel met elkaar op de vuist gaan. Ook typisch: een voice-over die scènes inleidt. ‘De 7e juli. Het is iets na negen uur ‘s avonds.’ En geen echte hoofdpersonen.

Dat maakt de film verrassend entertainend. En met gevoel voor stijl. Man gaat drinken in bar. Close-up glas. Dan zijn gezicht. Dan in gesprek met andere man. Close-up van hun gezichten. De fraaie LSD-trip. Shots in oude fabrieken. En interessant is de schets van de Herbertstrasse, een hoerenstraat met een groot groen hek midden in de straat (toen kennelijk iets heel normaals).

Seks en moord (en een verhaal) op een charmante, stilistische wijze laten zien, dat is veel moeilijker dan menigeen denkt. De regisseurs die zonder angst voor hun reputatie deze niet-intellectuele handschoen opraapten verdienen een pluim.

 

9 september 2017

 

Who Killed Teddy Bear

 

Alle Camera Obscura