Monsieur Verdoux

Monsieur Verdoux (1947)
De anti-Chaplin als seriemoordenaar

door Bob van der Sterre

Het karakter The Little Tramp (de kleine zwerver) maakte films als Modern Times en The Kid legendarisch. In 1947 brak het moment aan in de loopbaan van Chaplin om hiermee te breken. Na het meesterwerk The Great Dictator sloeg hij in Monsieur Verdoux een andere toon aan: Charlie Chaplin als seriemoordenaar.

We kijken naar het graf van Henri Verdoux. De voice-over, van de dode Henri, begint met een bekentenis: ‘Ik vermoordde vrouwen en deed dat voor geld.’

Hij werkte dertig jaar bij een bank en werd als eerste ontslagen in 1930, toen de crisis uitbrak. Kortom: het is toch niet raar dat hij een weg moest vinden om geld te blijven verdienen?

Monsieur Verdoux (1947)

Chaplins cynische terugblik begint als monsieur Verdoux rozen plukt – hij helpt een rupsje terug in de struiken – en tegelijkertijd zijn verbrandingsoven aan heeft staan, waar zijn laatste vrouw aan het verassen is. ‘Nu al drie dagen… Hoe lang laat hij die nog aan staan?’, vragen zijn buren aan elkaar.

Als een rijke weduwe langskomt voor zijn huis, geeft Verdoux een kijkje in de keuken. Van rozen tot diepe blikken, van astrologische kenmerken tot aantrekkingskracht. Dit keer lukt het niet.

Ondertussen begint het aantal vermiste vrouwen op te vallen. Ze waren allemaal in dezelfde leeftijdscategorie en sociale categorie. De Parijse politie gaat op zoek als een familie hun Thelma kwijt is.

Portret van een charmante seriemoordenaar
Het karakter Verdoux is gebaseerd op Henri Désiré Landru, een man die in 1922 onder de guillotine eindigde. Over hem zijn meer films gemaakt (Bluebeard, 1963, Claude Chabrol). Orson Welles wilde over hem een quasidocumentaire maken met Chaplin in de hoofdrol. Die bedacht zich en kocht het script van Welles als ‘idee’.

Net als Landru is Verdoux een meubelmaker en een oplichtende moordenaar. De film geeft inzicht in hoe Landru opereerde. Hij bezoekt zijn zogenaamde vrouw, laat haar geld opnemen bij de bank, mompelt iets over ‘een endymion maan, de mooiste van allemaal’, loopt de trap op. Schrille violen, klusje geklaard.

Maar, haastte Chaplin zelf te zeggen: ‘Het is niet het verhaal van Landru, het is een combinatie van verschillende mensen.’ Deze man is erg lief voor zijn vrouw en kind. Zijn vrouw: ‘Sinds je ontslag drie jaar geleden ben je veranderd, je oogt geprikkeld.’ Hij heeft ook een zoontje en probeert hen te helpen. ‘Het is een gemene wereld en je moet gemeen zijn om te overleven.’

Zelf ook slachtoffer
Dit is zeg maar gerust de anti-Chaplinfilm. Niets charmants als met wat iedereen met de kleine zwerver gewend was. Chaplin zag de uitdaging om zo’n cynisch levensverhaal als van Landru te vermenselijken. De zwarte humor zal hem hebben aangesproken, ongetwijfeld, en de duistere charme van Verdoux.

Wel zijn er zijn een paar slimme goedmakers: de film legt de schuld bij de crisis (en werd daarom ook gezien als de meest antikapitalistische film uit zijn oeuvre). De oplichtermoordenaar is zelf ook een slachtoffer: van de grillen van de aandelenmarkten.

Monsieur Verdoux (1947)

Bovendien is Henri Verdoux alleen maar gemeen tegen rijke, oudere vrouwen die zich graag laten foppen. Hij is wel lief tegen dieren, zijn eigen gezin, de zwakkeren in de maatschappij. Chaplin: ‘Ik wilde met de film medelijden tonen voor alle mensen. Elke keer als we een depressie hebben, of een andere nationale ramp, brengen die het ergste in de mensheid naar boven, net als Verdoux, een tragisch en meelijwekkend figuur. Mijn motivatie is om misdaad en de oorsprong van misdaad te leren begrijpen.’

Het is opvallend hoeveel verwantschap er is tussen Verdoux en Raskolnikov, het personage in Dostojevski’s Misdaad en straf. En ook met latere vriendelijke seriemoordenaars, zoals Dexter.

Wil je respect als artiest? Zet dan je imago overboord
Het is niet te onderschatten hoe Chaplin hier met zijn imago durfde te spelen. Hij zette alle zekerheden van zijn charmante kleine zwerver-persona overboord. Zijn film hiervoor, The Great Dictator, was ook daarom zo populair: dat was de stem van de kleine man.

Nu was hij ineens een ijskoude moordenaar. Dat moet voor tijdgenoten net zo’n schok zijn geweest als voor bijvoorbeeld fans die Gregory Peck in 1978 ineens dokter Mengele zagen spelen (in The Boys from Brazil). In 1947 was een antipathiek hoofdpersoon nog niet zo gewoon als bijvoorbeeld in de jaren zeventig zou worden. (Nu zien we het tegenovergestelde: wie is er nog sympathiek in films?)

Chaplin geloofde zelf in de film en deed er alles voor. Hij was acteur, scriptschrijver, regisseur, producer, castingbaas, ‘en supervisor van alle andere afdelingen’, volgens een betrokkene. ‘De film móest gemaakt worden’, zei hij zelf.

Waar Chaplin dacht aan een interessante, controversiële filosofische film met hier en daar een lachsalvo, misschien wel een nieuw cinematografisch meesterwerk, bleef het bij de première stil. Hij liep overal rond in de bioscoop. Nauwelijks een grinnik. De pennen voor recensies werden gretig in teleurgestelde inkt gedoopt (alhoewel The New York Times en The Washington Post wel positief reageerden). Sommige bioscopen weigerden zelfs de film te vertonen.

Deze tegenslag was een buitenkans voor de traditionele Chaplin-vijanden: de conservatieven en moraalridders. Hij was hen al heel lang een doorn in hun oog vanwege het anti-autoritaire karakter van zijn films, zijn in hun ogen gebrek aan Amerikaans nationalisme (hij werd er miljonair maar wilde geen Amerikaans staatsburger worden) en zijn vermeende voorkeur voor het communisme (vooral gebaseerd op wat onhandige uitspraken in interviews tijdens de oorlog).

Na deze film werd hij nog een scherper doelwit van de McCarthy-onderzoekers. Schandalen was hij wel gewend (ruzie met de Britse regering, speelde Hitler in The Great Dictator, rechtszaken, jonge vriendinnen, staatsgevaarlijk volgens de FBI). Zijn reactie: ‘Als je met je linkervoet de stoeprand oploopt, ben je al een communist.’

Ze weerhielden Chaplin gelukkig niet van het maken van Limelight in 1952. Daarna zou hij zich vestigen in Zwitserland. Hij was in feite persona non grata geworden in de VS. De hufters hadden gewonnen. Hij gaf ze een trap na met A King in New York.

Een gifexperimenteerder
Je moet toch ook wel een beetje medelijden hebben met zijn fans, die na barre oorlogsjaren ‘iets om te lachen’ wilden. Zeker de oudere fans, die verwend waren geraakt met schitterende komedies. Dat station was hij al gepasseerd. Met de jaren werd Chaplin steeds uitgesprokener. En nog meer wereldster (zijn faam van toen is vandaag de dag nauwelijks meer voor te stellen). Wie wilde in die jaren twintig en dertig niet Chaplin voor zijn of haar karretje spannen?

Ineens zagen ze Chaplin als Verdoux bij de apotheek ‘twee ons chloroform’ kopen, een gifexperiment uitvoeren, en tijdens een rechtszaak een verbijsterende vergelijking maken tussen moord en oorlog (‘As a mass killer, I am an amateur by comparison’), om tot slot de economische crisis de schuld van alles geven (hij had overigens talent voor economie). En happy end ho maar. ‘Ze moesten wennen aan het feit dat Verdoux op geen enkele manier onder the tramp-boom viel.’

Dat was niet de film waar de Chaplinianen op hoopten, en de pers ook niet. De persconferentie drie dagen na de première leek wel veel op de ondervraging voor het House Committee on Un-American Activities een jaar later. Doorlopend Chaplin-gezeur in kranten, zijn scheidingen, de vermeende sympathie voor de Sovjets, en daarna deze film: de gewone man had even genoeg van hem.

Monsieur Verdoux werd een superflop. Chaplin zou de film zelf altijd ‘the cleverest and most brilliant film of my career’ blijven vinden. André Bazin, de Franse criticus, en Jean Renoir, regisseur, waren het hartgrondig met hem eens.

Hoe is de film voor kijkers in de cynische 21ste eeuw?
Monsieur Verdoux blijft een boeiende film. Al met al meer echt Chaplin dan vrijwel al zijn andere werken (afgezien van Limelight misschien). Achter de spottende komiek zit een bezorgde en cynische humanist, die zich achter alle grappen van de kleine zwerver langzaam evolueerde, en misschien wel echt werd met de beroemde speech in The Great Dictator.

Monsieur Verdoux (1947)

De film is bijna een bloederig verlengstuk van Modern Times: iedereen kan door het vreselijke systeem tot moorden aangezet worden. Daarom geeft Verdoux zich over op de dag dat hij beseft dat de mensheid met zijn bommen een veel grotere moordenaar is dan hij. Chaplin mikte hier dus meer op filosofie dan op geschiedenis.

Het is veelzeggend dat de film zowel in de VS niet goed werd begrepen (kapitalisme maakt van mensen moordenaars), maar ook door de Sovjet-Unie werd verboden (te pessimistisch voor een gedachte aan een heilstaat).

Toch biedt de film bijzondere momenten. De grappige shots van de alsmaar terugkerende treinwielen, een ander soort komisch effect dan voorheen. De keuze voor actrice Martha Raye die de scènes meer domineerde dan welke andere actrice eerder in zijn films. Ook de rol van tijd en plaats (een Engelstalig Parijs): het gaat alle kanten uit. Of hoe plotseling Mussolini en Hitler ineens verschijnen in de film. Het zal als een opluchting gevoeld hebben voor Chaplin: eindelijk eens een film maken zonder altijd weer die slapstickkettingen.

En natuurlijk de gedurfde luchtige en empathische visie op een moordenaar. Nu hebben we wel vaker series en films gezien die moordenaars (vaak huurmoordenaars) luchtig, humoristisch en sympathiek proberen neer te zetten. Denk aan de serie Dexter, ook een sympathieke killer. Toen was dat nog niet zo bekend.

Monsieur Verdoux is een film die hierdoor merkwaardig heen en weer golft van fysieke komedie naar zacht, sentimenteel drama, en dan weer naar grimmige thriller. Je merkt het vooral aan de romantische muziek. Die kleeft lastig op het cynisme van de inhoud. Kun je een versie aanzetten zonder score, dan is de film ineens een stuk huiveringwekkender. Zoveel filmconventies wilde Chaplin nou ook niet overboord zetten.

Dat is de kracht en de zwakte van Monsieur Verdoux. Zonder risico’s vaart niemand wel.

 

17 oktober 2021

 

THEMAMAAND CHARLIE CHAPLIN

Vervreemdend communisme

Vervreemdend communisme

door Bob van der Sterre

Zerograd ♦ The Chekist ♦ Larks on a String

 

Het grimmige, vervreemdende gezicht van het communisme achter de mooie collectieve droom. Een lastig onderwerp in film. The Death of Stalin laat al een en ander zien. Drie obscure filmtitels uit oude Sovjetlanden deden dat nog eerder.

Aleksei Varakin komt aan in Zerograd (1988). De bedoeling: aanpassing van een bepaald onderdeel dat hij in zijn fabriek in Moskou gebruikt. Aleksei verwacht binnen een halfuurtje weer weg te zijn.

Het nul-epicentrum van de Sovjet-Unie
In Zerograd is niets zoals in Moskou. Bij de onderdelenfabriek weten ze van niets en de secretaresse is naakt (‘Verdomd, je hebt gelijk’). Dan een kok die van Alekseis hoofd een stuk taart maakt, en zich van kant maakt als je dat een beetje gek vindt.

Een enorm ondergronds museum, waar de hele Russische geschiedenis langskomt. En een joch dat meer van jou weet dan jijzelf.

Aleksei wil weg uit het gat, maar dat lukt alsmaar niet. Treinen stoppen er niet, wegen lopen dood, de politie wil hem spreken. Alles leidt naar een feest dat te maken heeft met een rock-‘n-roll-incident in de jaren vijftig. En dat heeft volgens de betrokkenen weer met Aleksei te maken. Aleksei gaat maar mee met de flow.

Verrassend sterke film. Zo absurd en droog als een Van Warmerdam of Kaurismäki, maar met meer grimmige, satirische momenten. Geen wonder, denk ik dan, want deze film die verwijst naar de harde Sovjet-realiteit is een en al symboliek. Aleksei zou je kunnen zien als de ‘gewone Rus’. Alle anderen in het dorp zijn tijdloos en vertegenwoordigen iets (de politie, de kunst, de overheid).

Heel pienter én met veel gevoel voor het mysterie, zo hebben Aleksandr Borodyanskiy (script) en Karen Shakhnazarov (regie) Zerograd bedacht – het nul-epicentrum van de Sovjet-Unie. Ze waren een soort Goscinny en Uderzo samen, want hun andere films Jazzman (1983), Zimniy vecher v Gagrakh (1985) en Sny (1993) zijn ook goed gewaardeerde films in Rusland.

Wat ik zo bijzonder vind, is dat de film uit 1988 stamt, maar dat het lijkt alsof de film uit bijvoorbeeld 2010 is en terugkijkt op de instorting van de Sovjet-Unie, die immers pas na deze film (drie jaar later ongeveer) ophield te bestaan. Het plot lijkt wel van een film uit de toekomst. En het is dat perestrojka net was uitgeroepen, anders was deze film sowieso nooit gemaakt.

Er is een maar: je moet wel kennis van Russische geschiedenis en cultuur hebben om de symboliek te snappen en te waarderen. Anders krijg je zoiets als deze recensie van The Washington Post.

Geoliede moordmachine
Over grimmig gesproken… The Chekist (1992) begint zo: ‘Zij gaf onderdak aan officieren in haar huis.’ ‘Vuurpeleton.’ ‘Hij schreeuwde in een zaak tegen de Tsjeka.’ ‘Vuurpeloton.’ ‘Hij verzette zich tegen confiscatie van zijn spullen. ‘Vuurpeloton.’ De lijst gaat maar door. Dit zet meteen de toon voor de film, waarvoor zelfs ‘grimmig’ een te zwak woord voor is. Een film over een geoliede moordmachine.

We volgen deze bizarre moordmachine van eind jaren tien, begin jaren twintig. De tsjeka was de geheime dienst die na de machtsovername van de bolsjewieken talloze burgers oppakte en executeerde. Intellectuelen, anticommunisten, christenen, mensen van adel.

We zien de drie leiders van de tsjeka die gedrieën rechtspraak deden: de ophalers, de leider van de executies, de soldaten die de klus moeten uitvoeren (‘Wil je ruilen? Ik schiet liever geen priester’), de opruimers van de lijken, de schoonmaakster en de slachtoffers. Soms wordt er zelfs gelachen. Zoals wanneer de ene tsjeka de andere fopt door bij diens eigen naam ‘vuurpeloton’ te laten zeggen. Over zwarte humor gesproken.

In deze film van Aleksandr Rogozhkin krijgen de tsjekisten achter dit vreselijke systeem een gezicht. De een geniet van klokken maken, een tweede filosofeert alles recht wat krom is (‘Revolutie is een enorme zwangere vrouw’), de derde salueert en wil daarna seks, een volgende doet oordopjes in en luistert opera. Srubov, het uitvoerende gezicht van de executies, lijdt het meeste onder zijn verschrikkelijke werk.

Gruwelijke film maakt ‘het systeem’ van totalitaire staten toch menselijk. Ik kan me goed vinden in het commentaar op IMDb: A great film, but hard to watch for the “average” movie-goer…. De film moet ook een bizarre ervaring voor betrokkenen zijn geweest. Veel acteurs werden ook nog eens met hun benen omhoog opgehesen en in een kar geduwd.

Vladimir Zazubrin schreef in 1923 het korte verhaal waar deze film op is gebaseerd. Hij wilde de realiteit van toen vastleggen. Bij de Grote Zuivering (die nog heftiger was dan deze) van de jaren dertig werd hij zelf geëxecuteerd. En zijn verhaal werd pas in 1989 uitgegeven.

Worstelen met het systeem in Tsjechië
In Larks on a String (1969) zitten we in begin jaren vijftig, Tsjechië. We kijken naar een aantal bewuste non-communisten. Een leraar, een saxofonist, een kapper en nog een paar ‘bourgeois’ personen moeten op een sloperij staal scheiden. De vrouwen en mannen doen gescheiden hun werk. Het doel: heropvoeding.

Ondertussen leren we karakters beter kennen, via flashbacks en onderlinge gesprekken. ‘Ik dronk vroeger Dubonnet, nu Popovice-bier.’ Ook zien we hoe de bewaker worstelt met zijn huwelijk met een Roma-dame. Tegelijkertijd begint er iets te broeien tussen sommige mannen en vrouwen.

Door censuur verscheen de film pas in 1990. Verrassend als je het ziet: want zo kritisch is de film nou ook niet. In feite is dit een goed gelukte, humanistische film over mensen die worstelen met een systeem waar ze geen zin in hebben, met wat luchtigheid hier en daar, zoals het komische bezoek van een communistisch gedrilde schoolklas. Anders dan in The Chekist is er zelfs ruimte voor wat optimisme: ‘Het onmogelijke is mogelijk in ons land.’

De film is gebaseerd op een verhaal van schrijver Bohumil Hrabal. Na 1968, einde van de Praagse Lente, verschenen zijn boeken alleen nog via samizdat (clandestiene uitgeverijen), dus gesmokkeld naar het westen.

Regisseur Jiri Menzel (hij overleed vorig jaar) liet zichzelf ook niet kisten door de censuur. In 1974 kreeg Kdo hledá zlaté dno (Who Looks for Gold) wel een normale release. Voor 1990 regisseerde hij toch nog in totaal zeven films. Deze film kreeg in 1990 alsnog de Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn.

Menzels advies: ‘Goede komedie zou over serieuze zaken moeten gaan. Als je te serieus begint te praten over serieuze dingen, ben je op het eind belachelijk.’ Ook toepasselijk advies voor mensen die te heftig geloofden in een maakbare, communistische maatschappij.

 

12 oktober 2021

 

Larks on a String

 
Alle Camera Obscura

Geen dak boven je hoofd hebben

Geen dak boven je hoofd hebben

door Bob van der Sterre

Last August at the Hotel Ozone ♦ Streetwise ♦ Mitt hem är Copacabana

 

De wereld houdt er niet van, maar cinema is er dol op: daklozen. Klassiekers genoeg: The Fisher King, My Man Godfrey, Down and Out in Beverly Hills, Sullivan´s Travels, Miracolo in Milano. In de praktijk is het natuurlijk lang niet zo leuk. Welke drie minder bekende films laten dat beeld zien?

In Last August at the Hotel Ozone (1967) is een groep vrouwen en meisjes aan het lopen, lopen en lopen… met rugtassen, paarden en bagage. De meisjes zijn nog niet zo gehaaid in overleven als de mater familias. En overleven moet wel. Iedereen op de planeet is verder gestorven aan leukemie.

Gebrek aan beschaving
Ergens molesteren ze een hond en vermoorden ze een koe. De koe is van een eenzame man, die ondanks het verlies de groep naar een gebouw brengt: Hotel Ozone. Daar krijgen ze melk. ‘Ze hebben vijftien jaar geen melk gedronken.’ Waarom vertrouwt hun mater familias hem? De meiden snappen er niets van.

De vrouw, die alsmaar zieker wordt, wil ondertussen dat de man voor nageslacht gaat zorgen. Zij zijn voor elkaar een band met de vroegere wereld die de meisjes niet eens kennen. En dat is het probleem: survival gaat bij hen voor cultuur.

Een filosofisch verhaal. Dit script van Pavel Juracek heeft een appeltje te schillen met mensen. In een apocalyptische wereld leer je beschaving al snel af. Zonder beschaving worden we beesten. Dus behoorlijk ranzig en schokkend af en toe. Zoals de koe-scène, de hond-scène en de vissen-scène. Ik snap het idee maar prettig kijken is anders.

1963 tot 1968 was een gouden tijdperk voor de Tsjechische cinema. Een explosie van interessante films die al regelmatig in Camera Obscura terecht zijn gekomen. Ook deze film kon na 1968 niet meer. Dat is ironisch omdat je in het gebrek aan beschaving en dakloosheid in deze film ook een dictatuur kunt zien…

Straatkinderen in Seattle
In Streetwise kijken we naar echte kinderen die in 1984 in Seattle aan het zwerven zijn geraakt. (Wacht even, dit is toch een rubriek voor fictiefilms? Ja ja, maar dit is er wel eentje waarover mensen al jarenlang speculeren dat het grotendeels in scène is gezet; mijn excuus om mijn eigen regels te overtreden.)

Fotografe Mary Ellen Mark en journalist Cheryl McCall bezochten Seattle in 1983 om voor Life een artikel te schrijven over straatkinderen. Dat artikel sloeg in als een bom. Later dat jaar ging Mary Ellen Mark nog eens terug met haar man, regisseur Martin Bell, en maakten ze dit filmische portret van dezelfde straatkinderen. Ze wonnen het vertrouwen van de kinderen en de ouders en dat levert een formidabel tijdsdocument op. Overleven via prostitutie, eten uit afvalbakken, bedelen: je ziet het hier allemaal.

Beste keuze: de voice-overs van de kinderen zelf. Een andere slimme keuze is dat ze geen boom gebruikten maar kleine microfoontjes hingen aan de kleding van de kinderen. Zo voelden ze zich vrijer. Via montage krijg je toch dat rauw-realistische effect.

Streetwise kreeg als kritiek dat het allemaal wel wat ‘té perfect’ oogde voor een documentaire. Daar is wat voor te zeggen. De kwaliteit van de beelden en het geluid is erg goed. Het lijkt of je naar een hyperrealistische fictiefilm kijkt. Om het ingewikkelder te maken: Martin Bell maakte in 1992 daadwerkelijk van dit verhaal een fictiefilm: American Heart met Jeff Bridges.

Na afloop wil je weten wat er van ze is geworden. Van de geportretteerde kinderen leven er veel niet meer. Een dame is zelfs ten prooi gevallen aan een seriemoordenaar. Een andere meid (vijftien) liep in een gevecht dodelijke klappen op. En in de film zelf sterft al een van de hoofdpersonen.

Het kan ook anders. Tiny (gaat hier met veertien op dates met volwassen mannen) is nu moeder van tien kinderen. Martin Bell maakte in 2016 een vervolg met haar in de hoofdrol: TINY: The Life of Erin Blackwell. En op IMDb lees je dit comment bij deze film: ‘I am Rat’s wife. My husband gets embarrassed whenever I show the movie, and hides in the other room.

Overleven in Rio
Ook om overleven draait het in Mitt hem är Copacabana (1965). Drie jongetjes (Jorginho, Paulinho, Rico) en een meisje (Leila) proberen alles om dat te kunnen. Het groepje zit bij een ruïne op een heuvel tot ze door een bende worden verjaagd.

Daarna bekijken we hun mix van legale en minder legale bezigheden: oplichterij met vliegeren op het strand, bedelen om eten op de markt, afstruinen van vuilnisbelten, schoenenpoetsen, pickpocketen. Ze krijgen tips van meer ervaren daklozen.

Buitenkans om het Rio de Janeiro van 1965 van dichtbij mee te maken. Deze film kwam overal. Cafés, winkelcentra, heuvels, stranden en zelfs bij bepaalde rituelen op het strand. We krijgen ook de favela’s te zien van voor de favela’s die wij kennen (toen nog houten huisjes). Dit zijn zelfs een van de vroegste filmbeelden van de favela’s.

De film (originele titel: Fábula) is het geesteskind van de Zweedse regisseur Arne Sucksdorff. Hij werd gevraagd om les te geven in Brazilië en wilde toen ook een speelfilm maken. Zijn voice-over maakt van de speelfilm bijna een gewenste documentaire: in zekere zin dus een omgekeerde versie van Streetwise. Je ziet het aan het acteren van de kinderen. Dat is niet geweldig, maar naturel genoeg dat het niet in de weg zit.

Toch is de film erg interessant. Een geweldig mooi begin (bovenop een heuvel, je kijkt terloops de diepte van Copacabana in). Verder veel observatie en speels acteerwerk van de kinderen. Soms denk je aan Pixote, soms aan Cidade de Deus. En dat vermengd met een flinke vleug neorealisme, dat natuurlijk in de mode was in die tijd.

De film werd afgerond tijdens het begin van de militaire dictatuur en was (uiteraard) vlak na verschijning verboden. Sucksdorff (dierendocumentairemaker van oorsprong) vestigde zich later in de Pantanal. Hij raakte op zeker moment zijn land kwijt en moest terug naar Zweden, waar hij in 2001 overleed.

Sucksdorffs invloed in de Braziliaanse cinema is nog steeds maar met mate erkend. Eén historica heeft er werk van gemaakt. Hij leende zijn audio-apparatuur uit aan Braziliaanse cineasten. Verstandig was ook zijn keuze om het script van Braziliaanse schrijvers Joaõ Bethencourt en Flávio Migliaccio te gebruiken. Lees meer over zijn werk in dit Braziliaanse tijdschrift (Engelstalig) of bekijk dit interview met de historica.

Als wij voor Camera Obscura dit stukje filmgeschiedenis niet vastleggen, blijft het misschien digitaal dakloos in cyberspace.

 

12 september 2021

 

Mitt hem är Copacabana

 

Alle Camera Obscura

Filmmarathon Jeanne Moreau

5 onbekende films van bekende Franse actrice
Filmmarathon: Jeanne Moreau
Twee redacteuren van InDeBioscoop dompelen zich een weekend lang onder in de goede dingen des levens en vijf relatief onbekende films van de Franse actrice Jeanne Moreau.

 

1. La mariée était en noir (1968)

BOB:
De 8 kilometer wandeling is achter de rug, de Olympische medaille op de 10 kilometer binnen, en dan nog voor de echte diehards een Jeanne Moreau-marathon! Met een smakelijke Truffaut-lunch om de filmavond mee te starten. Begint goed: Jeanne Moreau die moorden pleegt aan de lopende band, terwijl ik de aanval inzet op de pindakaaspot. Een beetje Kill Bill op zijn Frans… Tuez Guillaume peut-être…. Haar altijd iets te droevige, bozige gezicht past goed bij deze wraakzuchtige weduwe. Ze kan iemand van het balkon wieperen, rustig door de feestgangers weglopen en dat geloofwaardig houden.

Moreau is prima, de film (gebaseerd op een boek van Cornell Woolrich) toch wat minder. Truffaut die iets te veel naar zijn eigen stijl zoekt. Btw: doen jullie dat ook in Uden zoals de karakters in deze film: sigaren roken, drinken en dan schieten op kerkhanen? Dan weet ik wat me nog te wachten staat.

De schrijver van het script van deze film (Jean-Louis Richard) is trouwens de vader van haar enige kind.

En wist je trouwens dat Kate Bushs liedje The Wedding List is gebaseerd op deze film? Leuke vraag voor een filmquiz (alleen heb ik het antwoord hier dus al verklapt).


COR:

Nee, dat dat leuke liedje van Kate Bush (al even mysterieus als de vrouw die Jeanne Moreau hier speelt) is gebaseerd op deze film, wist ik niet. Ik had wel al direct de indruk dat Quentin Tarantino dit verhaaltje over de in zwart geklede bruid moest hebben gezien als inspiratie voor Kill Bill. Echter waar Moreau best inefficiënt een huisvader opsluit in een kast onder de trap, de kieren dichtplakt, zodat de man uiteindelijk stikt, kiest Tarantino 35 jaar later resoluut voor afgehakte hoofden.

Tijden veranderen. Sigaren roken, drinken en dan op kerkhanen schieten, doen wij hier niet meer. En als wij dit nog zouden doen, zouden wij niet zo hopeloos missen als de man die na een duw per ongeluk geen haan, maar een mens, doodschiet.

Wist je trouwens, Bob, dat je van teveel pindakaas depressief kunt worden? Pak gerust nog wat zelfgemaakte pompoentomatensoep voordat die koud wordt…

Regisseur François Truffaut moet het inderdaad niet hebben van het (vergezochte) plot, hoewel ik de laatste afrekening van Moreau wel origineel vind. Ik dacht dat hij wel wat meer spanningselementen had gebruikt uit de reeks interessante gesprekken met ‘master of suspense’ Alfred Hitchcock niet lang voor de opnamen.

De samenwerking tussen Moreau en Truffaut was in de klassieker Jules et Jim (1962) uiteraard een stuk geslaagder, toch ben ik blij dat ik nu ook deze film heb gezien.

 

2. The Train (1964)

COR:
John Frankenheimer was zijn tijd vooruit. Zijn vroegere films laten zich kenmerken door sociale en filosofische thema’s, denk aan
Birdman of Alcatraz, Seven Days in May en The Manchurian Candidate.

The Train, dat hij tussendoor maakt, kende ik nog niet, en zeker niet dat Jeanne Moreau daarin een bijrol speelt. Dat komt misschien omdat films vol nazi’s al snel mijn eetlust bederven en het feit dat ze geen Duits maar Engels spreken. Wat mij altijd opvalt, is dat Engels sprekende nazi’s met een dik Arnold Schwarzenegger-accent de grootste klootzakken blijken.

In dit avonturenverhaal over nazi’s – die net voordat ze de oorlog verliezen een immense schat van Franse schilderijen per trein naar hun thuisland willen vervoeren – springen de originele cameraperspectieven direct in het oog. En natuurlijk ook Frankenheimers huisacteur, Burt Lancaster, als stoere, maar ook als geloofwaardige held, die zijn leven riskeert om de kunstwerken te redden.

Zo laat hij zich zomaar in zijn been schieten, zodat hij zich liefdevol kan laten verzorgen door het personage van Jeanne Moreau.

Onderhoudende, wat lange film, zeker voor een marathon. Wat vond jij trouwens van de confrontatie tussen de held en de schurk in de finale? Of vond je Lancaster eigenlijk geen held omdat het redden van de kunstschat ten koste ging van al die doden?


BOB:

Wacht even, depressief worden door pindakaas? Zo’n mooie Hollandse uitvinding? Niets is meer heilig tegenwoordig. Wie eet er nou ook te veel pindakaas? Zou Jeanne Moreau wel eens pindakaas hebben gegeten? Ik gok van niet. Alain Delon vast wel, die had een Nederlandse vrouw. En schoot misschien ook soms op kerkhanen.

Zulke meanderende gedachten gaan wel door je heen bij het geduldige uitwerken van dit plot. Overigens wel goed gedaan, laat dat maar aan Frankenheimer over. Hij wist hoe je spannende actiefilms in beeld moest brengen, zoals die formidabele choreografie aan het begin, als iedereen door elkaar heen loopt, en het treinstationbombardement waar vier maanden voorbereiding aan zat.

Ja, wat kan die Lancaster slepen met een been! Dat was trouwens een echte blessure die hij opliep door een stomme actie op een golfterrein (tijdens het maken van deze film). Dus werd hij zogenaamd in zijn been geschoten. Hij was deze film ook natuurlijk, liet regisseur Arhur Penn vervangen door Frankenheimer, en zei daarna: “Frankenheimer is a bit of a whore, but he’ll do what I want.

Moreau de hoteldame als functioneel Lancasterliefje. Schudt ze ook weer uit haar mouw. Te weinig in beeld helaas. En die finale? Ik verraad niet graag eindes… Let wel op hoe weinig Lancaster nog te zeggen heeft in het laatste half uur. Grimassen doet hij genoeg.

Is er nog wat van die geweldige citroenmelisserooibosthee?

 

3. Mademoiselle (1966)

BOB:
Het is bizar maar hier is Jeanne Moreau nog gemener dan in Le mariée était en noir. Daar had de wraakneming nog zin, hier zet ze sluizen open en steekt ze dingen in de brand omdat ze niet goed bij haar hoofd is. En weer een weduwe! Daar houden de overeenkomsten mee op. Deze Moreau is vreselijk onsympathiek – wel top neergezet door haar, vermoedelijk een van haar betere rollen. Verrassend interessante film over discriminatie en dat midden op het Franse platteland. Af en toe wel lastig als je dierenliefhebber bent…

Tony Richardson was de maker ervan. Daar weet jij vast meer over te vertellen.

Niet geeuwen, Cor, we zijn pas net halverwege. Wees blij dat we straks met een western eindigen en niet met het nonnendrama Le Dialogue des Carmelites.

De soep is alweer even geleden. Wat staat er eigenlijk op het menu?


COR:

Als jij straks die aardappelschijfjes en wat vegetarische burgers bakt, kook ik de broccoli. Wat vind je trouwens van die biologische Merlot?

Prachtige, donkere film hoor, Mademoiselle! Moreau als schooljuf heeft inderdaad duidelijk een probleem, dat ze wil botvieren op haar dorpsgenoten, en zelfs een leerling. En wat een verademing dat het nooit echt duidelijk wordt waarom ze regelmatig de boel in de fik steekt.

Ondertussen krijgen, zoals dat gaat, de vreemdelingen (in dit geval Italiaanse gastarbeiders) de schuld van de rampspoed die zich in dit normaliter rustieke dorpje voltrekt.

Regisseur Tony Richardson was een grote naam van de Engelse new wave en maakte mogelijk deze film in Frankrijk vanwege zijn liefde voor Jeanne Moreau, hoewel hij ten tijde van de opname nog met Vanessa Redgrave was getrouwd.

De onbestemde sfeer met het kunstzinnige, schaduwrijke liefdesspel in de bossen doet mij denken aan modern toneel. Daar kan volgens mij geen nonnendrama tegenop. Hoewel… misschien binnenkort Benedetta van Paul Verhoeven.

 

4. Mata Hari, agent H21 (1964)

COR:
Beste Bob, ik begrijp je fascinatie voor Silvia Kristel als Mata Hari, maar we mogen aannemen dat iemand als Jeanne Moreau zich niet letterlijk in allerlei bochten hoeft te wringen.

De film is van Jean-Louis Richard, die slechts vier films regisseerde, en zoals ik van jou begreep, meeschreef aan het scenario van La mariée était en noir, maar – jawel – ook tien jaar later aan Emmanuelle, mét Silvia Kristel!

Net zo vunzig wordt deze Mata Hari bij lange na niet, hoewel niemand minder dan Jean-Louis Trintignant op zijn welbekende manier van poëtische tekstopleperij de (vermeende?) dubbelspionne uit de kleren probeert te lullen.

Moreau is zeker geen miscasting, maar door de warrige regie beklijft haar vertolking niet, of het moet zijn hoe ze in de finale na haar terechtstelling als een slappe vaatdoek aan een houten paal blijft hangen.


BOB:

Ja,
net zo teleurstellend als geruststellend dat deze film niet het schandalige opzoekt maar er een middelmatig spionagedrama van maakt. Moreau krijgt flink de kans om zich uit te leven als de spionne, en heel waarschijnlijk omdat Richard dus haar ex-man was met wie ze een kind had. Dat is Jerôme Richard, die rolletjes had in niet misselijke films als Domicile Conjugal, La Grande Bouffe en Céline et Julie vont en bateau, waar hij nu vast op zijn oude dag nog vaak over vertelt.

Het script voor Emmanuelle Wat een toeval. Kristels Mata Hari van twintig jaar later (die ongetwijfeld veel vaker is bekeken dan deze) moest het doen met ene Joel Ziskin (zijn enige filmscript: een 3,8 op IMDb). Richard schreef ook het script voor Fahrenheit 451 die net op InDeBioscoop is besproken.

Trintignant zag ik laatst als creep in Flic Story, misschien moet je die eens kijken, daar lepelt hij niets op maar schiet des te meer kapot.

Moreau is degelijk maar kan de film niet echt redden. Nog maar een wijntje halen. Had ik geen Kroatische wijn cadeau gegeven om zelf op te drinken?


5. Monte Walsh (1970)

BOB:
Godzijdank eindigen we met een western, die er altijd wel lekker ingaat, net als de Kroatische wijn (goede keuze van de wijnboer bij het station Rotterdam Centraal). William. A. Fraker als regisseur? Wie is dat? Heeft toch de cinematografie van Bullitt en One Flew Over the Cuckoo’s Nest gedaan. Hij ging voor een echte regisseursloopbaan en Monte Walsh had het dan moeten zijn. De film heeft wel een frisse en alcoholloze Lee Marvin (hij mocht niet drinken tijdens de opnamen) en natuurlijk Jeanne Moreau als zijn liefje, best wel een lieve relatie (en dat terwijl Lee Marvin eigenlijk helemaal niet op Moreau zat te wachten maar op Deborah Kerr), maar de film ontstijgt toch niet het gemiddelde.

Moreau speelt geconcentreerd – zoals altijd eigenlijk – maar moet veel lachen in deze rol en daarin is ze wat minder overtuigend. Vraag is wat ze zag in de rol in deze film. Zei zei wel: ‘Lee Marvin is mannelijker dan wie dan ook met wie ik gespeeld heb.’ Jack Palance moet trouwens ook al de hele tijd lachen… Vrolijke boel in deze western maar echt grappig wordt het niet.

Moreau blijft fascinerend als actrice. Ze werkte echt met bijna alle grootheden der aarde. Orson Welles noemde haar ooit de beste actrice ter wereld. In Baie des Anges en Le journal d’une femme de chambre vond ik haar voortreffelijk maar ze kan ook ‘dienstbaar’ zijn, zoals in Le Paltoquet of deze film. Een echte professional.

En nu maar maffen.


COR:

Ho ho, na onze filmmarathon kunnen we nog net de finish van de Olympische marathon kijken! Wow, een Nederlander wordt tweede, en zijn Belgische trainingsmaatje derde.

Ondertussen voel ik de vermoeidheid in mijn eigen benen van onze wandeltocht en vallen mijn ogen langzaam dicht. In gedachte zie ik nog hoe Lee Marvin met veel bombarie een wild paard probeert te temmen en daarbij het halve westerndorp sloopt.

Liever droom ik nog wat over Jeanne Moreau. Iets met een lift naar het schavot…

 
22 augustus 2021

 
Alle leuke filmlijstjes

Originaliteit: een kwestie van smaak

Originaliteit: een kwestie van smaak

door Bob van der Sterre

Das Millionenspiel ♦ Blind Chance ♦ Angel of Vengeance

 

Sommige films lijken zoveel op andere films dat er geen toeval meer kan zijn. Bekende voorbeelden: hoe The Others (2001) lijkt op The Innocents (1961) of Drive (2011) op The Driver (1978). Hieronder drie obscure films die doen denken aan een bekendere film.

In Das Milllionenspiel (1970) kijken we naar een tv-show. Een kandidaat, Barnard Lotz, wordt achterna gezeten door de ‘Köhlerbende’. Het programma betaalt de drie criminelen om hem om te leggen.

Showbusinessprogramma met doden
Ondertussen staan er overal camera’s opgesteld. Af en toe een interview. ‘Dus judo’, zegt de showmaster tegen Lotz, ‘daarmee wil je winnen van de Köhlerbende?’ Een reporter interviewt een bendelid: ‘We wachten gewoon tot het einde, dan krijgen we meer geld.’

Een herkenbaar en kneuterig showbusinessprogramma dus – maar wel eentje waarbij mensen omgelegd mogen worden. De satire is soms leuk. De reporter ter plaatse die gewoon de kantine binnenloopt en gaat interviewen. Of een roerend interview met de vrouw die rookbommen gooit. Of de reporter die in de camera zegt: ‘Ze verdienen applaus. Wat zou een jacht zijn zonder de jagers?’

Voor wie het nog niet doorhad: dit is een The Running Man (1987) avant la lettre. Geen wonder dat veel mensen in 1970, toen de film op tv kwam, dachten dat het echt was. De ARD ontving boze telefoontjes, brieven. Gelukkig waren sociale media nog ver weg. Producer Joseph Cates wilde geen risico lopen: hij zorgde ervoor dat de film maar liefst dertig jaar niet te zien was. Pas in 2002 werd de film weer uitgezonden. Regisseur Tom Toelle kon het heugelijke moment nog net meemaken – hij stierf in 2006.

De film heeft een aantal goede dingen. De reporter ter plaatse, het venijnige tempo en een paar prachtige lelijke locaties in Keulen. Het acteerwerk had wel wat beter gekund maar enthousiasme compenseert altijd veel.

Films over mensen die jagen op andere mensen: een niche in de filmgeschiedenis. Ze komen vooral uit verhalen van sf-schrijver Robert Sheckley: The Seventh Victim was de basis van deze film en The Running Man (1987); The Prize of Peril was de basis van La decima vittima (1965) en Le Prix du Danger (1983). Dan heb je natuurlijk ook nog het boek (later film) Lord of the Flies, en diens erfgenamen: de Japanse film Battle Royale (2000) en het boek (later tv-serie) The Hunger Games.

Het ruwe talent van Kieslowski
Wie Sliding Doors (1998) heeft gezien en vervolgens Blind Chance (1981) ziet, vindt wel heel veel overeenkomsten. Hier is de gemiste metro een trein. Ook hier zie je halverwege een tweede variant.

1. Man haalt de trein wel. Ontmoet oudere man, rector. Hij introduceert de jongen bij de Partij. Ontmoeting met jeugdliefde. Zij is anti-Partij. Hij wordt wethouder. Geheime dienst pakt zijn vriendinnetje op. Conflicten.

2. Man haalt net de trein niet. Hij wordt gearresteerd, helpt met illegale literatuur te drukken, krijgt een affaire, wordt religieus.

En dan nog een verrassing.

De Kieslowski van vóór Rouge, Blanc en Bleu is mij toch dierbaarder dan die van erna. Het ruwe talent van Kieslowski vind ik interessanter dan het perfecte, gepolijste talent van zijn veel meer bejubelde arthouse-meesterwerken, die in alle filmboeken te vinden zijn.

Allereerst word je meteen vergast op een paar firstpersonshots, die ik alleen ken van 21e-eeuwse games en een film als Hardcore Henry. Een beknopte biografie. Doet aan Amélie denken. Hoe een van de trap lopende ‘slinky’ wordt gebruikt voor een dramatisch effect: heel speels. Rennen over straat (zij holt naar de bus). In het ziekenhuis bij hippies. Slow motion met een globe (prachtvondst).

Plus goed acteerwerk. Poolse acteurs uit deze periode waren toch van een andere orde (Man of Marble, Man of Iron, Vabank, The Conductor).

En een opmerkelijk hakkelige stijl. Dat komt omdat er steeds geen fatsoenlijke intro of outro is bij scènes. Je zit middenin een scène en dan gebeuren er ineens andere dingen. Gewaagd, verwarrend, maar het werkt goed.

Regisseuse Agnieszka Holland noemde Sliding Doors een ‘geamputeerde versie’ van de Poolse film, ‘waar alle psychologische diepgang en stilistische subtiliteiten uit verdwenen zijn’. Sliding Doors haalt wel het idee van Blind Chance, maar biedt alleen het entertainment van een romantische komedie. Blind Chance gaat ook nog eens over het Polen van 1981, met een almachtige communistische partij, geheime dienst, niet mogen reizen naar het buitenland, illegale persen, problematische relaties.

Vrouwenwraakfilm
Angel of Vengeance (ook uit 1981) opent met een portret van een bescheiden en stomme naaister. Haar leven verandert immens als ze op een dag niet een, maar twee keer verkracht wordt. De eerste dader ontkomt. Ze slaat het hoofd van de tweede (een inbreker) in met een strijkijzer.

Het is lastig om nog te concentreren op je werk als je weet dat thuis je koelkast vol zit met restanten van de moord die je uit zelfverdediging hebt gepleegd. Ze gaat van het zijn van een lief en bescheiden meisje naar een praktische uitvoering van de ‘Society for Cutting Up Men’. Elke man die iets te seksueel agressief is, legt het loodje.

Abel Ferrara maakte een paar filmhuisklassiekers in de jaren tachtig en negentig, waaronder Bad Lieutenant. Dit is meer een cultfilm. Het verhaal is eenvoudig. Onschuldige vrouw, kan niet spreken, doet na verkrachtingen heftige make-up op, daagt mannen uit, schiet mannen neer, verkleedt zich als non. Alles draait hier om religieuze en erotische symboliek (zoals vaker in de films van Ferrara).

Symboliek met een moker die bot gevijld is. De slotscène op het feest is over de top – maar fraai over de top. Het duurt wel te lang. Dit had een sterke film van een uur kunnen zijn. Nu is er van veel te veel. Het ondermaatse acteerwerk (de buurvrouw), de slow motion, het eindeloze getetter met de saxofoon.

Waar het de voorloper van is? Stoere, over-the-top vrouwenwraakfilms verschenen later bij de vleet. Denk aan films als Lady Vengeance, Kill Bill, The Villainess of Revenge. (Ferrara was zelf ook niet de eerste; je had al I Spit on Your Grave (1978), Foxy Brown (1974) en Shurayukihime (1973).)

Off topic maar te interessant om niet te benoemen: het bizarre leven van hoofdrolspeelster Zoe Lund. Zweeds-Roemeense achtergrond. Had zelf ook een verkrachting meegemaakt. Schreef scripts. Geloofde gepassioneerd in harddrugs. Ze werd dan ook niet oud. Op haar 37e stierf ze aan een hartaandoening door drugsgebruik. Bekijk hoe haar partner Robert Lund terugkeek op haar leven.

Dát leven wacht op een film. Misschien meer iets voor over een paar decennia. Dus de kans om nu alvast een nieuwe film avant la lettre voor de rage van morgen te maken.

 

16 augustus 2021

 

Das Milllionenspiel (1970)

 

 
Alle Camera Obscura

Journalisten in de ring

Journalisten in de ring

door Bob van der Sterre

Call Northside 777 ♦ Le Crime de Monsieur Lange ♦ Sbatti il mostro in prima pagina

 

Journalisten worden vaak heldhaftig geportretteerd, zoals in The Post. Dat is best vervreemdend voor mensen die echt met journalisten te maken hebben gehad. Ze zijn minstens even zo vaak onuitstaanbaar, cynisch en arrogant. Drie films die geen al te fraai beeld schetsen van het beroep.

In Call Northside 777 uit 1948 zien we journalist P.J. McNeal van de Chicago Times. Een cynische kerel. Een moordzaak die 11 jaar eerder plaatsvond en hij weet wel hoe het zat. ‘Ik heb de file gelezen en ze zijn hartstikke schuldig.’ Zijn chef wil dat McNeal toch de dader in de gevangenis opzoekt.

Onschuldig achter de tralies?
McNeal is de arrogante, sarcastische know-it-all, zoals we journalisten helaas maar al te goed kennen. ‘Als je schuldig bent, dan hoef je niet je moeder vloeren laten schrobben.’ Die met tegenzin schrijft over de human interest-factor, zoals: ‘Ex-vrouw gelooft in onschuld Wiecek’. Argument: ‘Met mass appeal en een sob story krijgen we aandacht!’

Wiecek is not amused en McNeal belooft dan pas echt onderzoek. Dat brengt hem in archieven van politiebureaus. Hij vindt gekke dingen. En gaat geloven in Wieceks onschuld.

Een soort Netflix true-crime drama avant la lettre. Wiecek was gebaseerd op de zaak Majczek in 1932. De vermoorde agent heette Lundy i.p.v. Bundy. En de Poolse wijk werd realistisch in beeld gebracht. Dit is ook de eerste Hollywoodfilm die helemaal in Chicago werd opgenomen. Geen gierende trompetten of scheurende auto’s, meer rustige suspense à la de films die Sidney Lumet later zou maken. Het gaat hier om puur onderzoekswerk met twee gedreven hoofdrolspelers (James Stewart en Richard Conte).

In het oog springen de mooie locaties: gevangenissen, politiebureaus, gettohuisjes en vooral de Poolse bars. De regie van de film is van Henry Hathaway. Hoewel hij groot werd met westerns, maakte hij in de jaren veertig aan de lopende band semidocumentaires in fictievorm. Dit was Hathaways vijfde film in deze stijl. Dat verklaart waarom de film niet zo noir oogt als veel andere films in die tijd; afgezien van de typische voice-over.

Hathaway had oog voor de hitech-dingen in 1948. We zien een schakelbord, een telex, een drukpers, een leugendetector (gloednieuw), een fotovergroting… En het maffe is dat hij na deze interessante film gewoon weer terugkeerde bij avonturenfilms en oorlogsfilms. Wie hem beter wil leren kennen: The Last Movie van Dennis Hopper gaat deels over zijn ervaringen met Hathaway.

Knollen voor citroenen
In Le Crime de Monsieur Lange (1936) komen we een ander journalistiek karakter tegen: bladenmaker Batala. Wat een karakter is dat! Batala accepteert voorschotten voor tijdschriften bij de vleet… maar levert ze zelden. Zulke mensen bestaan ook in de mediawereld: de mensen met een vlotte babbel die knollen voor citroenen verkopen.

Batala’s enige droom is een weekblad vol met true-crime verhalen. Het is nog niet van de grond gekomen, het geld wel al verbrast. Hij dempt leningen met andere leningen en manipuleert vrouwen voor zijn zaken. ‘Hij houdt van brunettes. Dus als je aardig wilt zijn, neem je de taxi en eh…’

Hij gebruikt ook meneer Lange om van een van zijn schuldeisers af te komen. Want die schrijft het westernverhaal Arizona Jim. Dat biedt commerciële mogelijkheden. ‘Stel je voor als Don Quixote Ranimax zou hebben kunnen slikken!’ Zonder overleg komt de pil in het verhaal voor – de enige reden dat Batala het blaadje uitgeeft.

Als Batala van het toneel verdwijnt, vinden meneer Lange en Valentine elkaar. ‘Mijn naam is Valentine.’ ‘De mijne Amedee.’ ‘Zullen we een keertje eten?’ ‘Goed.’ Ze besluiten om een coöperatie op te richten. Lang leve de gezelligheid van gelijkdenkenden! Het leven zonder baas bevalt iedereen uitstekend. De vraag is: komt Batala terug?

Een film die je best een paar keer kunt herzien. Soms zie je hier zelfs al de mozaïekstijl, veertig jaar voordat regisseur Robert Altman er bekend mee zou worden. Het socialistische ideaal van een coöperatie is best verrassend. En opvallend: de aardige hoeveelheid (geïnsinueerde) seks. Een film van Jean Renoir én een script van Jacques Prévert: dat is goud.

Acteurs zijn erg goed – Jules Berry is zelfs uitzonderlijk als de even irritante als charmante Batala – ik ken eigenlijk geen hedendaagse acteur die dit ook zo goed zou kunnen. Ook de vrouwen zijn hier heel goed, Florelle als Valentine en Sylvia Bataille in een bijrol als de verliefde Edith.

Niet alle kranten zijn nobel
De derde film móet wel een Italiaanse film uit de jaren zeventig zijn. In het spoor van La dolce vita zijn er begin jaren zeventig nogal wat mediaspeurders op celluloid vastgelegd. Il gatto a nove code (1971), La corta notte delle bambole di vetro (1971) en No il caso è felicemente risolto (1973). We kiezen voor Sbatti il mostro in prima pagina uit 1972, dat in het Engels net zo mooi klinkt: Slap the monster on page one.

Niet alle kranten en bladen zijn nobel. Vooral niet het Milanese dagblad Il Giornale. Dat is zo rechts als rechts maar rechts kan worden. Tijdens rellen van communisten vliegt er een molotovcocktail naar binnen. Hoofdredacteur Bizanti weet hoe hij dat moet misbruiken. Gauw nog even foto’s maken, dan pas blussen. En op pagina 1 uitleggen hoe dit de schuld is van de linksen.

Bizanti leert over de moord op een jong meisje. Een maagd bovendien. Hij manipuleert een oudere en psychisch instabiele vrouw. Daarna tipt hij de politie dat haar socialistische vriendje de dader is. Er volgen arrestaties. De krantenkoppen vullen zich dagelijks met beschuldigingen aan die ‘doorgeslagen’ socialisten. Het enige is dat Bizanti de jonge en ambitieuze journalist Roveda onderschat. ‘Je maakt hier een smerig beroep van.’ ’Oh, en welke beroepen zijn dan niet smerig?’

Deze film van Marco Bellocchio geeft de journalistiek verrassend realistisch weer. Redactievergaderingen waarbij iedereen even zijn zegje mag doen waarna de hoofdredacteur de knopen doorhakt. Het ruimte plannen voor artikelen, het belang van ‘boven de vouw’. Hoe kranten de waarheid sturen door redactionele keuzes. Daarnaast laat de film via verschillende locaties de krant van binnenuit zien.

De rol van de perssmiecht wordt voortreffelijk vertolt door Gian Maria Volontè. Ook deze cynische thriller past bij die andere toppers in Volontè’s loopbaan uit die tijd. En dan is dit nog niet eens zijn beste film… dat is Indagine su un cittadino al di sopra do ogni sospetto (zie Camera Obscura over prutsende agenten).

Gelukkig was Bizanti vooral een uitzondering. Hoe onuitstaanbaar journalisten soms ook zijn, ze onthullen dingen die anderen liever niet onthuld zien worden. En dat blijft bewonderenswaardig.

 

20 juli 2021

 

Sbatti il mostro in prima pagina

 
Alle Camera Obscura

Gunda

****
recensie Gunda

Geknor als dialoog

door Bob van der Sterre

Gunda van Viktor Kossakovsky is een prachtige film over varkens, kippen en koeien. Net als in veel speelfilms is er komedie, drama en zijn er dialogen, alleen verstaan we dit keer de talen niet en is er geen ondertiteling.

Het zijn de ogen die je het meest bijblijven in de film. De blik van Gunda, het varken, van de kippen, en van de koeien – ze staren je aan en spreken ermee. Dat katten en honden dat doen, weten de meeste mensen wel. Maar wie had wel eens in de mooie ogen van een koe gekeken zoals deze film doet?

Gunda

Een Kossakovsky-film kun je niet beschouwen zonder de auteur erbij te halen. En hij is gretig in het geven van interviews dus het is niet lastig om zijn visie te achterhalen. Kossakovsky is (net als ondergetekende trouwens) al lang vegetariër. Als vierjarige was hij getraumatiseerd dat een varkentje dat zijn vriendje was geworden werd gebruikt voor een maaltijd. Hij zag naar eigen zeggen toen al in dat ze emoties hadden.

In 1997 kwam hij plotseling op het idee om een film te maken over de ‘heilige drie-eenheid kippen, varkens en koeien’. Het duurde twintig jaar voor hij de financiën rondkreeg. Het idee van een documentaire in zwart-wit, over dieren, dat ging er niet makkelijk in. Olifanten, apen, ja, daar kijken mensen naar. Hij vindt dat maar niets. “Waarom niet over varkens? We kennen ze al duizenden jaren. We eten ze maar verder kijken we nooit naar ze.”

Vier biggetjes, schouder aan schouder
Gunda biedt deze beesten zoals je vermoedelijk niet eerder zag in een film. Je ziet biggetjes sabbelen aan tepels (en hoe Gunda dat moet ondergaan). Biggetjes die regen uit de lucht happen. Mooi beeld: de vier biggetjes die voor de schuur buiten staan, letterlijk vier op een rij, schouder tegen schouder, om daarna een voor een de stal binnen te gaan. Kippen die hun ‘jungle’ verkennen. Koeien die nergens in het bijzonder heen denderen, gezellig bij elkaar, als een soort voetbaltraining.

In een interview met Het Parool vertelt Kossakovsky dat hij zes maanden had uitgetrokken voor de voorbereiding. Ze hadden verwacht maanden bezig te zijn met het zoeken naar een protagonist. “Al op de eerste boerderij die we bezochten was het raak. Gunda kwam zelf op ons af stappen, we hadden direct contact. Er was zo veel te lezen in haar ogen.”

Daarna dus filmen: om 4:00 bij de schuur, tot zonsondergang. Alles draaide om het vertrouwen van de dieren, legt hij uit in interviews. “Een grote camera is geen probleem. Ze vertrouwen je snel. De makkelijkste film die ik ooit heb gemaakt.”

Geen propaganda, wel waarheid
Vleeseters kunnen rustig naar de film: dit is géén propaganda voor vegetariërs. Kossakovsky wilde geen enkel beeld manipuleren en wil ook niemand overtuigen. Ook kleur ontbreekt: de film is zwart-wit. Met reden natuurlijk: “In zwart-wit focus je op de ogen, waarmee je dus veel meer aandacht hebt voor die persoonlijkheden.” En ook geen muziek zoals vrijwel standaard is in dierendocumentaires. “Je kijkt naar de waarheid.”

Het meest schurende stukje is vermoedelijk van de kippen die hun hele leven opgesloten zijn geweest, en ineens de kans krijgen om de wereld om hen heen te ontdekken. Je ziet de angst in de ogen van de kippen. Ook al stond het deurtje van de kooi open, duurde het volgens Kossakovsky een uur voor de eerste kip eruit durfde te gaan.

Een met een poot hippende kip, bevrijd uit gevangenschap, nieuwsgierig rondkijkend in wat zijn wereld had moeten zijn: dat is natuurlijk prachtige, ontroerende cinema. Kossakovsky vertelde dat hij hier nog een mooi stuk had weggelaten, namelijk dat de tweede kip uit angst terugkeerde in de kooi. “Dat was mooi maar zou het tempo uit de film hebben gehaald en te politiek hebben gemaakt.”

Dan blijkt dat ook Kossakovsky een mens is en tegen zijn eigen regels in een documentaire maakt met een boodschap. “Ja, het werd tijd voor een boodschap. Vergeef me.” In praktisch alle interviews die hij doet, somt hij ook de lugubere cijfers op: Elk jaar (!) eten we anderhalf miljard varkens, 66 miljard kippen, bijna een half miljard koeien en ontelbare vissen. En dan nog paarden, schapen, konijnen, eenden…

Gunda

Een snaar geraakt buiten Europa
De film raakt de snaar die je kunt indenken dat ie raakt. Kossakovsky vertelt hoe hij bedolven wordt onder de post van ontroerde mensen. Recensies zijn méér dan lovend: The New York Times, The Guardian, The Wall Street Journal, Rolling Stone, ga zo maar door, ze strooien met complimenten.

De jubelrecensies gaan eerlijk gezegd in veel gevallen niet veel verder dan platitudes dan dat ze beschrijven wat ze er zo vernieuwend aan vinden. Deze film past goed bij Kosakovsky’s kenmerkende onvoorspelbaarheid, zoals ook in zijn vorige film: Aquarela (iets beter dan Gunda, hoewel het appels met peren vergelijken is).

Een groot verschil met andere films is dat de Verenigde Staten nu ook de eigenzinnige documentairemaker lijken te ontdekken. Dat is iets nieuws voor de Russische filmmaker, die wel bekend was in Europa, maar daarbuiten niet zo. Het hielp voor de bekendheid van deze film ook dat Joaquin Phoenix – een van de bekendste veganisten in de VS – er als producer bij aangesloten was.

We hoeven Kossakovsky nu niet te verdenken van snode commerciële belangen met dit project, want zijn hele carrière maakt hij films die nauwelijks geld opbrachten, en dat heeft hem nooit tegengehouden. Gunda kan wel eens zijn knaller zijn – en dat is hem gegund.

En Gunda? Ze zal in elk geval na een mooi leven sterven van ouderdom.

Meer over dieren en emoties? Bekijk dan de website: Indipendenza.nl.

 

19 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

Jaartallen

Jaartallen

door Bob van der Sterre

1871 ♦ 1984 ♦ 1. April 2000

 

Er is iets enorm stijlvols van een jaartal als filmtitel. 1917 was echt niet de eerste. Er zijn er véél meer. Zijn er ook minder bekende varianten? Ja dus.

Jaartallen en filmtitels: een gouden duo. Je ziet die vier cijfers en denkt: dat moet wel iets goeds zijn. Denk aan redelijk bekende titels als 1870 (uit 1972), 1900 (1976), 1941 (1979), 1984 (1984), 2010 (1984), 1969 (1988), 1939 (1989). Allemaal klassetitels.

Communes in Parijs
De eenentwintigste eeuw melkt het trucje uit: 2046, 1408, 1981, 2012, 2084, 1987, 1945, 1922, 1985, 2050, 1986, 3022, 1917, en nog veel meer. Zelfs series, zoals de Italiaanse serie 1992, 1993 en 1994. Er is nóg een serie genaamd 1994 en eentje genaamd 1986. En dan heb je tegenwoordig ook filmtitels met een jaartal erachter, zoals Wonder Woman 1984 en Blade Runner 2049.

Laten we beginnen met 1871 (oftewel 1990, immers jaar van opname).

In deze film kijken we naar het verhaal over de communes in Parijs. Wat dat was? Lees het hier terug. We volgen deze roerige Parijse jaren aan de hand van één theater. Dat begint met burleske shows en vrolijke komedies, afglijdt via oorlog ophitsende musicals en eindigt als basis van de lokale commune.

Een Britse aristocraat en een Schotse socialist houden intussen van dezelfde Franse vrouw, actrice en communestrijder. ‘Ik hou van haar.’ ‘Maar ik kan haar betalen.’ Wat wil zij?

Film van Ken McMullen is geen film die je voor het verhaal kijkt, maar voor de sfeer en de artistieke ambities, die verrassend goed lukken. Een film die theater en film mengt op een manier die ik niet vaak heb gezien. Het theater is hier zelf de hoofdrolspeler: hier komen alle karakters tezamen, vinden alle scènes plaats, zie je zowel het drama als de komedie, begint en eindigt de opstand. De film is ook in akten ingedeeld.

Interessant maar taalkundig wel tricky. Je hoort Engels, Frans en Duits door elkaar. Portugese actrices Maria de Medeiros en Ana Padrão spelen Franse vrouwen. Mannenrollen zijn Britten, uitgezonderd Fransman Dominique Pinon (bekend van Amélie) als Napoleon III. Film werd ook door Britten in Portugal opgenomen. Wat een chaos moet dat zijn geweest op de set! Je hebt er gelukkig geen last van bij het kijken.

Big Brother propageert de haat
In 1984 keren we terug naar de toekomst in 1956. Partijmedewerker Winston Smith krijgt te maken met toenemende irritatie over Big Brother. Die hem niet alleen tijdens werk in de gaten houdt, maar ook thuis, met een ‘telescreen’.

Als uitvlucht schrijft hij een dagboek. Big Brother propageert de haat (zoals haat-twee-minuten en de haatweek) naar eigen zeggen omdat de Euraziërs aan de poorten van hun fraaie Oceanië staan te rammelen.

Op een dag ontdekt hij dat een vrouw (Julia) hem leuk vindt. Zeer tegen de wensen van het ministerie van Liefde in gaan ze samen hokken, in een kamertje boven een antiekzaak. Winston wil strijden tegen Big Brother, en beseft op een dag dat zijn baas O’Connor dat ook wil. Via hem treden ze toe tot de ondergrondse. Dat is gevaarlijk, want Big Brother, en met hem de Thought Police, is overal.

De bekende 1984 van Michael Radford, uit 1984 zelf, met John Hurt, Richard Burton en Suzanna Hamilton, had een voorganger uit 1956. Film van Michael Anderson was zeven jaar na het schrijven van het boek gemaakt (1948, de laatste cijfers draaide George Orwell om voor de titel).

1984 uit 1984 is veel griezeliger. Meer aandacht voor set-design en grimmige details. Daar zien we al decors die we later gewoon zijn gaan vinden in films (green screens) en games. De psychologische stress uit 1956 was niet genoeg meer in 1984 (het jaar). Maar bij 1984 uit 1956 hoef je niet naar John Hurt te kijken (wel een solide Edmond O’Brien) en in 1956 was de oorlog maar tien jaar voorbij, Stalin maar drie jaar geleden overleden en stond het communisme nog niet op instorten – meer realistische angst dus.

Deze 1984 uit 1956 had trouwens twee eindes: een Britse en een Amerikaanse versie. Hoe dan ook zijn het begin en einde verrassend sterk (je ziet invloeden op diverse films, bijvoorbeeld A Clockwork Orange) en is juist het middenstuk waar iets te flinke stappen worden genomen. Nog een grappig feitje over deze film: waarom heet Winstons baas O’Connor in de ene film en O’Brien in de andere? Antwoord: omdat acteur Edmond O’Brien toevallig al zo heette.

Oostenrijkse toekomstvisie van 1952
En 1. April 2000, herinnert u zich die datum nog? Toen de Global World Union aan de macht was en Oostenrijk niet zelfstandig? Toen de Global World Union President persoonlijk in een vliegende schotel naar Oostenrijk kwam vliegen om de rebelse president in het gareel te brengen? En dat de president tijdens de rechtszaak die volgt diverse video’s laat zien over de geschiedenis van Oostenrijk.

We zien historische scènes met Maria Theresia, keizer Maximiliaan, het tegenhouden van de Turken. En dan alle Oostenrijkse evergreens: Mozart, wijn, walsen, volksliedjes. Ondanks alles blijven alle Oostenrijkers goedgemutst, positief en vrolijk. Topvolk!

Uiteindelijk is de Global World Union ook niet ongevoelig voor al die charme. De Oostenrijkse president is zo’n innemende persoonlijkheid en het volk zo zelfstandig en aardig. Al die gemütlichkeit!

Huh, welke krant heb ik niet gelezen? Nee, dit was de Oostenrijkse toekomstvisie van 1952. De Oostenrijkse overheid van toen vond de situatie met vier mogendheden belabberd. En bedacht deze nationalistische film om hun zaak te bepleiten. Anders dan ze dachten zou de Oostenrijkse onafhankelijkheid drie jaar na de film volgen (maar dat wisten ze toen nog niet)… Lees het boeiende verhaal over de productie van de film.

Het is wel echt een raaaaaare film… Neem hoe geschiedenis, toekomst en heden in deze film door elkaar lopen. Satirische sciencefiction als politiek middel, ongewoon. Michelinmannetjes als soldaten. Na 28 minuten doet een verslaggever reportage door in zijn horloge te praten (vroege smartwatches?). Pijnlijk: alle acteurs zijn gewoon Oostenrijkers, dus is de afgevaardigde van Afrika een blackface en de dame van Latijns-Amerika superwulps…

De propaganda zit de film in de weg. De film is oubollig, traag, gedateerd en veel té nationalistisch voor niet-Oostenrijkers, die hiermee juist overtuigd moesten worden (dacht ik?).

Toch blijft toekomst een raar ding – misschien vinden mensen deze film in 2121 weer geniaal. En natuurlijk heeft iemand al een serie bedacht met die titel…

 

12 juni 2021

 

1871

 
Alle Camera Obscura

IFFR 2021 (juni-editie) – Heden en verleden

IFFR 2021 (juni-editie) – Deel 2:
Een soep van heden en verleden

door Bob van der Sterre

Heden en verleden liggen dichtbij elkaar in het Regained-programma van IFFR. Oude films gaan over toekomst en nieuwe films over het verleden. IFFR biedt een paar fraaie voorbeelden uit Zwitserland en Iran.

 

Der 10. Mai

Der 10. Mai – Zwitsers in oorlogstijd
Zwitserland en 1940… Hoe zat dat eigenlijk? Het blijkt dat de Zwitsers hem knepen op Der 10. Mai toen de nazi’s Nederland en België binnenvielen. Waarom zouden ze Zwitserland dan wel met rust laten?

In Zürich wachten ze in spanning op de inval, terwijl er ook Duitsers al vluchtend hun kant op gaan. Zoals Werner, die mazzel heeft met een paar aardige Zwitsers, totdat hij de zwager van zijn Zwitserse penvriendin tegenkomt. ‘Je weet waar je jezelf moet aangeven.’

De film uit 1957 laat met veel theatraal melodrama zien hoe lastig het leven was voor ‘de goede beambte’, een Joodse familie, een Duitse vluchteling. Maar ook soldaten die wisten dat ze geen kans zouden hebben tegen het Duitse leger. De film geeft af en toe een spottend portret van de eetlustige, formele en volkse Duitstalige Zwitsers. Die zie en hoor je ook niet vaak in films: ‘Ich haab nichts gefunden dass besser smek as esse’.

De eerste Zwitserse widescreenfilm (regie Franz Schnyder) is een curiositeit die Zwitsers ongetwijfeld koesteren, maar in 1957 waren andere landen natuurlijk al een stuk verder op hun filmontdekkingstocht. Hoe Zwitsers sindsdien kijken naar hun oorlogsperiode kan ik niet zeggen, maar mijn instinct zegt dat ze steeds kritischer zijn geworden op hun eigen verleden.

 

La Suisse s’interroge

La Suisse s’interroge – Zelfreflectie in 1964
Eveneens een Zwitserse curiosum is het twintig minuten durende La Suisse s’interroge uit 1964. De film van Henry Brandt was onderdeel van de nationale expositie in Lausanne. De bedoeling was om met vijf filmpjes zelfreflectie te tonen aan de bezoekende Zwitsers. De film werd in 2017 gerestaureerd door Cinematheque Suisse.

We beginnen met teksten als ‘Zwitserland is mooi’, ‘Zwitserland kent voorspoed’, ‘Alles loopt op rolletjes’… om dan een paginagrote vraag tegen te komen: Maar loopt alles echt op rolletjes? En dan de screen title: Problemen. Die zijn er ook genoeg in 1964: discriminatie; bejaardenoverschot; dure woningen; gebrek aan allerlei beroepen: ingenieurs, artsen, zusters, wetenschappers, docenten, technici; milieuproblemen.

Het mooiste segment is ‘De weg naar geluk’, waarbij ik meteen een Tosca Niterink en Arjan Ederveen-gevoel bij krijg. Het kan bijna niet uit 1964 komen maar dat doet het toch. Die kinderogen op het einde en dan die tekst…

De film heeft iets tijdloos en zit tegelijk ook muurvast in het wereldbeeld van 1964 (dat was ook de opzet natuurlijk). Goed werk, vooral met de interessante montage.

 

The Deer

The Deer – Kritisch over bewind sjah
Ook heden en verleden zien we in Masoud Kimiai’s The Deer uit 1974. Een Iraans misdaaddrama van de new wave-generatie (zie The Cow) is weliswaar gerestaureerd maar nog steeds verboden in Iran.

De misdaadfilm neemt de tijd met en een kalm verteltempo met veel dialogen. De bankovervaller Ghodrat is gewond en bezoekt zijn oude vriend, Seyed. Die is tegenwoordig een junkie. Hij wil hem wel helpen met zijn wond. Daarvoor moet hij zijn vriendin bij het theater ophalen. Die helpt hem en ze praten over Seyeds problemen. De huisbaas moet ook nog afbetaald worden en een dealer mee afgerekend.

Een klassieker in Iran, hoewel de film zwaar gecensureerd was. De film voelt aan als een soort Waiting for Godot. Sterk punt: de close-ups, de gezichten, de uitdrukkingen. De drie hoofdpersonen hebben mooie gezichten. De film die over loyaliteit en vriendschap gaat, buit alle drama uit. De sterfscène van de dealer duurt bijvoorbeeld rustig tien minuten. Het omstreden originele einde werd vervangen in de Iraanse versie.

De film is vooral beroemd om z’n sociale betekenis: het was kritisch over het sjahbewind. Dat had veel gevolgen, want er was al veel onrust. Hoe? Dat zien we in de laatste film van dit verslag.

 

Careless Crime

Careless Crime – Bioscopen doel brandstichting
In de jaren zeventig waren bioscopen in Iran regelmatig doelwit van brandstichting. Daarmee wilden de daders protesteren tegen de invloed van westerse cultuur en de regering van de sjah. En de pech was dat ze al vaak overbezet waren omdat ze hun prijzen niet mochten verhogen. Bij een brand in Cinema Rex in Abadan in 1978 vielen bijna 500 slachtoffers. Tijdens het kijken van welke film? Juist… The Deer.

De film van Shahram Mokri zit boordevol cinematografische verwijzingen met drie verhaallijnen die door elkaar lopen. Niet zomaar een film dus, maar een soort Christopher Nolan-achtige mindfuck op zijn Iraans, die bovenstaande film als kern heeft. De film won dan ook de prijs voor het beste script bij het filmfestival in Venetië vorig jaar.

Een verhaallijn is die van Takbali, die een middel zoekt tegen zijn angsten. Hij is een van de vier mannen die brand willen stichten in een bioscoop. Dan kijken we naar de bioscoop waar The Deer vertoond gaat worden. Jongeren discussiëren over de film. En we zien deze film (Careless Crime uit 2020), over een raket die midden in het landschap is gevonden, soldaten die vastzitten door een lekke band, en twee goochelende vrouwen die The Deer willen vertonen in het bos.

Het is onduidelijk welke tijd waarbij hoort en of er echt logica achter alles schuilt, weet ik ook niet. Dat is denk ik ook de bedoeling: de tijden en logica van de diverse momenten zijn vloeiend, meer tijdloos dan tijdsgebonden. Een soort mysterieuze soep van heden en verleden. Zoals het begin als Takbali in het museum van Cinema zijn middel komt ophalen en dan in het museum het verhaal hoort over het drama van de brandstichting. We zien dan ook een volledige zwijgende film over brand in de film. En dan komt hij terecht in een duistere kelder (met spiegelbeeld).

Een complexe film voor geduldige mensen… Dat zijn de mensen die Tenet kijken net zo goed. Al denk ik niet dat ze deze film gaan kijken, hoewel de film ook in de VS gedistribueerd gaat worden, dus je weet maar nooit.

 

6 juni 2021

 

IFFR 2021 (juni-editie) – Terug naar de bioscoop (?)
IFFR 2021 (juni-editie) – Dicht op elkaar

 
MEER FILMFESTIVAL

Burgerwachten met vuisten

Burgerwachten met vuisten

door Bob van der Sterre

Badge 373 ♦ Un Condé ♦ Vigilante

 

Wat als de wet niet werkt? Dan ben je zelf maar rechter en beul tegelijk. Puik materiaal voor films en genoeg klassiekers in dit genre (Point Blank, Get Carter, Death Wish). Uiteraard zijn er ook een paar minder bekende films.

In Badge 373 uit 1973 wordt Eddy eervol ontslagen nadat hij een man van het dak laat vallen. Hij wordt barman. Zijn oude maat komt wat drinken. En wordt die avond vermoord.

Robert Duvall neemt wraak
Dat kan Eddy niet over zich heen laten gaan. Badge of geen badge (het laatste dus), hij wil weten zitten hoe het zit. Er is iets met een Puerto Ricaanse bende, geleid door een Puerto Ricaanse onafhankelijkheidsstrijder. En ene Sweet Williams, een twijfelachtige zakenman (doet ook in wapens), ook al van Puerto Ricaanse afkomst. Eddy moet hem te grazen nemen.

Robert Duvall speelt de hoofdrol in Badge 737, maar dat maakt deze film nog niet goed. Eerder het tegenovergestelde. Robert Duvall had er duidelijk geen zin in. Af en toe schreeuwt hij ineens heel hard om zijn twijfelachtige acteerwerk te compenseren.

De film overleeft alleen dankzij zijn cultreputatie. Dialogen zijn moeizaam. De film is gemonteerd alsof de editor met vakantie was. En al die onbedoeld hilarische che?-momenten. Dat hij met zijn linkerhand leert schieten (rechts zit in het gips). Dat de badguy zijn zonnebril niet afdoet zelfs als hij ’s avonds een hijskraan beklimt. Dat Duvall uit een raam springt en meteen in de Hudson belandt (praktisch). En hij kaapt een complete stadsbus om te ontkomen aan zijn belagers.

Mr. Egan alias Popeye een bekende karakternaam? Dat klopt, dat was een echte detective uit New York die de inspiratie was voor Doyle in The French Connection (1971). Betwijfel of hij ooit een stadsbus heeft gekaapt voor een achtervolging.

Franse Dirty Harry
In Un Condé (1970) loopt het ook allemaal de spuigaten uit met een paar brutale gangsters. Die werken voor misdaadbaas Tavernier en smijten Robert Dassa van het dak van zijn nachtclub. Zus Hélène Dassa neemt de nachtclub over. Ook zij wordt lastiggevallen door dezelfde gangsters, die haar meer dood dan levend achterlaten in de nachtclub.

Hélènes vriend Dan Rover (was bevriend met Robert) gaat met zijn maat Viletti als echte burgerwachten op zoek naar wraak. De gangsters moeten eraan! Ze pompen Tavernier vol lood. Dan begint de ellende pas. Want twee detectives (Favenin en Barnero) zitten ze achterna. Een van de burgerwachten schiet inspecteur Barnero neer. Dat vindt Favenin niet leuk. Hij gaat op een wraaktocht zonder weerga. ‘Weet je wat dit is?’ ‘Een silencer?’ ‘Ja, en daarmee ga ik je neerschieten.’ ‘Ik heb kinderen!’ ‘En Barnero? Hij had ook kinderen.’

Een clusterfuck van wraakcomplexen. De burgerwachten die achterna worden gezeten door een ‘tough cop’. Favenin hangt zelfs een man op in zijn badkamer om namen uit te slaan.

Vrijwel elk artikel over deze film noemt Dirty Harry, omdat je dit nauwelijks anders kunt zien dan een Franse Dirty Harry. Bouquets emotieloze blik maakt het heel intens en geloofwaardig, misschien wel geloofwaardiger dan de overdreven stoere rol van Clint Eastwood. Thuis is hij nog steeds de brave burgerman, die tevreden knort bij de gerechten van zijn vrouw. Pas ‘s avonds, als hij op stap gaat, verandert hij in een agent-beest.

De film (naar een boek van Pierro Lesou) is grof en intens. Steeds op onverwachte momenten. Met de sobere filmstijl (Yves Boisset, fan van Melville) komen die scènes wel aan. Je moet wel een beetje in de stemming zijn voor bot geweld van een typische ‘tough cop’. Want de martelscène was zo schokkend dat ie werd gecensureerd (en de Franse censuur was toch redelijk liberaal) en is pas sinds de blu-ray-release te zien.

Fabrieksarbeider pakt tuig
In Vigilante (1982) zien we het scum van de aarde: figuren die voor de lol de akeligste dingen uithalen. Zelfs betalen voor tanken, vinden ze onder hun niveau. Ze spuiten de tankeigenaar onder de benzine. Een vrouw die ze dan een klap geeft, staat meteen op een lijst om nog eens iets tegen te ondernemen. En dat gebeurt dan ook.

Fabrieksarbeider Eddie Martino, de man van deze moedige vrouw, krijgt geen genoegdoening via het recht. Hij wil het tuig terugpakken. Dan blijkt dat collega-arbeiders een ‘vigilantengroep’ zijn begonnen. Ze staan onder leiding van ene Nick. Die heeft al lang zijn ogen gericht op de hoogste baas in het wereldje: ‘Mr. T’ Stokes. Die verdient goed aan de ellende in deze New Yorkse wijken.

Ja, deze film gaat er goed in hoewel het plot op vakantie is. Pluspunten voor de vele geweldige locaties in Brooklyn en de Bronx. De film is dan ook van Bronx-New Yorker William Lustig, die ook al in Maniac (1980) oog voor zulke locaties had. Die slasherfilm is veel bekender dan deze film (mede door de remake uit 2012). Lustig (toen pas 25) bewijst dat je ook een normale filmloopbaan kunt beginnen als pornoregisseur, want dat soort films maakte hij hiervoor.

De film heeft minpunten. Robert Forster is de binnenvetter der binnenvetters. Die emotieloze acteerstijl paste beter bij de latere rollen die hij speelde (zoals Jackie Brown en Better Call Saul). Bij dit drama verwacht je toch wat meer emotie dan wat je nu ziet. Soms neigt de film ook wel naar geweldskitsch (doorzeven van auto’s in slow motion).

Vigilante is ook weer zo’n productie vol verhalen. Neem de acteur die Eddie lastig valt in de bajes: hij werd later echt veroordeeld wegens moord. De advocaat die te laat komt, was echt veel te laat voor de opnamen (ze hadden voor hem talloze hotels afgezocht). De auto-achtervolging, geïnspireerd door The French Connection, was gefilmd zonder vergunningen. Populaire salsazanger Willie Colon (gangster Rico) deed vooral mee voor de soundtrack.

En hoewel de film het goed deed, verdiende Lustig er geen cent aan. De producent ervan vluchtte in 1985 met het geld uit de VS. Door rechtszaken verloor Lustig er zelfs geld op.

Zo zijn er vast nog honderden gevallen. Je zou er bijna filmvigilant van worden.

 

9 mei 2021

 

Un Condé (1970)

 
Alle Camera Obscura