Scholen om van weg te rennen

Scholen om van weg te rennen

door Bob van der Sterre

La Residencia ♦ We’ll Live Till Monday ♦ Unman, Wittering and Zigo

 

Inspirerende schoolfilms genoeg. Eigenzinnige docenten die het opnemen tegen stroperige overheidsinstanties. Type Monsieur Lazhar. Welke scholen in films zijn juist zo erg dat je ervan wilt wegrennen? Drie minder bekende films die dat verhaal vertellen.

La Residencia (1970, ook wel The House That Screamed) is een depressief makende school. Een ‘finishing school’, dus waar meisjes deugdzaam worden. Teresa mag ook naar deze school. De bazin is mevrouw Fourneau.

Lijkt wel een studentenvereniging
De dames leren vooral om elkaar te terroriseren. De favorietjes (zoals Irene) mogen een andere, stoute studente afranselen met een zweep. ‘Je weet toch dat ik dit niet kan tolereren?’, legt de hoofdleraar uit, een dame die haar zoon iets te goed probeert te beschermen tegen de hormonen van de meisjes. De vraag is of ze zelf niet ook een beetje beschermd moet worden. En de meisjes zelf? Er is namelijk ook een mysterieuze moordenaar aan de gang.

De praktijken hier doen denken aan de misstanden in studentenverenigingen. Zo krijgt Teresa te horen dat ze met ‘Henry’, de houtboer, contact kan krijgen. ‘Het enige wat je moet doen is mij gehoorzamen.’ En als ze horen dat haar moeder zingt in een nachtclub is uiteraard de hoon enorm. Geen wonder dat Teresa wil ontsnappen. Hoe gaat ze dat doen?

De Uruguayaanse regisseur Narciso Ibáñez Serrador is de man achter deze film. Misschien kent de vaste Camera Obscura-lezer hem nog van de aflevering over ‘horrorkinderen’ met Who can Kill a Child? Bijzonder wat hij neerzette met een redelijk banale scripts – dankzij goed geregisseerd acteerwerk en boeiende cinematografie.

Paar hoogtepunten: de verfilmingen van de moord in slow motion; de seksscène en de reacties van alle naar hetzelfde verlangende dames (close-ups van pruillippen).

Worstelen met domme leerlingen
In We’ll Live Till Monday (Dozhivyom do ponedelnika, 1968) zien we Ilya Semenovich worstelen met de ondraaglijke saaiheid van het bestaan. Hij worstelt met de domme leerlingen, met collega’s als Svetlana en Natasha, de docente Engels, die moeite heeft met gezag te houden in haar klas en duidelijk op hem verkikkerd is. Voor zijn vak geschiedenis is ook al geen respect. ‘Al met al is geschiedenis geen wiskunde en hoeft men er niet echt slim voor te zijn.’

Geen wonder misschien dat Ilja worstelt met een depressie. ‘Geschiedenis is een wetenschap die burgers maakt van mensen.’ En: ‘Onze zielen en die van onze kinderen zijn niet gemaakt van papier.’ Iemand anders schetst hem als: ‘Zijn brillen zijn bedekt met het stof van eeuwen. Hij is sinds Jeanne d’Arc niet meer in een vrouw geïnteresseerd.’

Ilja vraagt om verlof aan de directeur. Die zucht en komt dan met een door-en-door Russische afwijzing: ‘Ilja… kijk, principes, die brengen geen brood op de plank, ook kun je er je gezondheid niet mee verbeteren, of het er warm van krijgen.’ Ook Svetlana en Natascha worstelen met hun beroep en zichzelf. Een meisje dat in een essay schrijft hoe graag ze moeder wil worden, beschrijft Svetlana als ‘een striptease van de ziel’. En Natasha zegt over zichzelf dat ze ‘zo gelukkig is als een oester’.

Depressief raken van je werk, een zwaar thema, maar een schattige, kalme film die de zuiverste ontroering teweegbrengt. Gave dialogen en goed acteerwerk helpen daarbij. Ilja en Natasha zijn schattig samen. Ook schattig is dat een jongetje (Shestopalov) verliefd wordt op een meisje. ‘Iedereen moet verliefd zijn met iemand. Anders wordt het leven saai.’

Bovendien een aantal voortreffelijke shots – daar kijk je films voor! Het begin: flats, flats en nog meer flats. Hij, staand naast de telefooncel, omhoog kijkend naar de monsterlijke flats. Film is van Stanislav Rostotski, die twaalf films maakte in zijn loopbaan. Twee van zijn films kwamen in aanmerking voor een Oscar. Als het om sentiment gaat, belooft zijn drie uur durend hondendrama getiteld Belyy Bim Chernoe ukho (White Bim Black Ear) uit 1977 krankzinnig veel tranen.

Psychologische stress
In Unman, Wittering and Zigo (1971) komt John Ebony terecht op een Engelse kostschool op het platteland. Klinkt nog niet hels? Ebony’s eerste dag is ronduit verbazingwekkend als de klas zegt dat zij zijn voorganger van een rots hebben geduwd. ‘We hebben allemaal een perfect alibi.’

Ebony heeft moeite met orde handhaven in deze klas helse puberale klootzakjes. Ze weten ook nog eens de leraar te betrekken bij gokzaakjes. Ook de hoofdleraar wil niet echt meewerken als Ebony hem de portemonnee van de voorganger laat zien; die is besmeurd met bloed.

De klas heeft steeds minder geduld met Ebony, valt zijn vrouw lastig om hem onder druk te zetten. Ondertussen zet hij het maar op een drinken. Waar houdt het op? Alleen Wittering (zie titel, de laatste drie namen van de presentielijst) valt buiten de groep.

De film is wat aan de trage kant – heeft een curieuze titel – maar is wel behoorlijk spannend. Vooral naar het einde toe heeft de film een paar scènes die je treffen in de onderbuik. Met name de scène in de squashruimte met Ebony’s vrouw is anno nu nog schokkend. Als er ooit een school van de hel was (in dit geval meer een klas van hel), zou die hier veel weg van kunnen hebben.

Goed acteerwerk van een reeks jonge talenten, waarvan toch niemand echt een filmster is geworden. En met David Hemmings die al een filmster was (Blow-Up en Profondo Rosso). Regisseur John McKenzie zou later nog de harde misdaadfilm The Long Good Friday maken (Bob Hoskins zoals weinigen hem kennen) en A Sense of Freedom (voorloper van gangster-in-bajes-films). Hier oefende hij dus al met psychologische stress.

Nog niet genoeg? Voor de liefhebber van het genre is er nog veertig minuten genieten van deze film in het publieke domein van Jean Vigo. Ook al is de film ruim tachtig jaar oud – je herkent de Franse flair onmiddellijk. De oude Vigo deed het allemaal al eerder dan Tati en Truffaut. In zijn handen verandert een helse school in een gezellige boel. Dat zou menig docent vandaag de dag hem graag na willen doen.

 

10 juni 2019

 

La Residencia

Alle Camera Obscura

Met z’n drieën is het leuker

Met z’n drieën is het leuker

door Bob van der Sterre

Rita, Sue and Bob Too! ♦ Adieu Philippine ♦ Charlie et ses deux nénettes

 

Threesomes, triootjes, ménage à trois. Je hoort er vaak over maar hoe is dat nou precies? Gelukkig brengt film uitkomst: er zijn al filmische threesomes sinds Ernst Lubitsch’ Design for Living. Drie vriendelijke en minder bekende films die zonder moralistisch gedoe trio’s observeren.

Bob doet niet moeilijk over zijn seksuele verlangens in de Britse film Rita, Sue and Bob Too! (1987). Als hij zijn twee babysitters naar huis rijdt, vraagt hij eerst of ze een ommetje via de heide willen. Daar parkeert hij de auto. Willen ze een keer een condoom voelen? Willen ze misschien ontmaagd worden? Ze giechelen wat af maar gaan toch akkoord.

Politiek correct denken ontbreekt
Rita en Sue, twee meisjes van zestien, staan vanaf dat moment bij Bob te popelen voor a jump. Zo eenvoudig gaat het ook niet. Bob is getrouwd. Zijn vrouw voelt argwaan als hij weer lang doet over het wegbrengen van de meisjes. Hij pakt het gewiekst aan: zeggen dat hij wel een affaire heeft maar niet met de meisjes.

Niet dat het altijd soepel gaat. Soms kibbelen de meisjes wie als eerste mag. Als ze moeten wachten, luisteren ze naar vervelende tienermuziek. Op zeker moment valt Sue voor de charme van een Pakistaanse leeftijdsgenoot, verlaat Bobs vrouw hem en neemt Rita haar plaats in.

De film begint sterk – vooral omdat het te verwachten triodrama achterwege blijft – maar heeft duidelijk last van ideeënarmoede tegen het einde. Wel laat de film je redelijk vaak lachen. Dat komt doordat politiek correct denken ontbreekt – typisch voor de jaren tachtig.

We zien een spottende schets van het arbeidersmilieu (permanente dronkaards en schreeuwers), rijkaards (mannen die het met jonge meisjes doen óf de hele dag de tuin sproeien; vrouwen die alleen maar met hun uiterlijk bezig zijn), schoolmeisjes (alleen seks telt) en minderheden (de vriendelijke Pakistaan met zijn losse handjes). Deze film zou anno nu niet meer gemaakt kunnen worden. Een goed bewijs dat taboes veranderen.

Dit was een van de weinige, weinige films die Alan Clarke maakte. Ook al klinkt zijn naam als een bekende regisseur, hij was het niet. Hij maakte maar twee echte speelfilms: deze en Billy the Kid and the Green Baize Vampire (over obscuur gesproken). Hij had het denk ik wel in zich om ‘het geluid van de jaren tachtig’ te zijn – ook gezien zijn vlotte filmstijl. Nu moeten we het doen met deze ene film.

Giebelmeisjes willen actrice worden
In Adieu Philippine (1962) zijn wederom twee meisjes en een man op stap. Dit keer is de man (Michel) net zo jong als de meisjes zelf. Michel die in de tv-wereld werkt, doet heel stoer over zijn baan bij Juliette en Liliane, twee giebelmeisjes die beide actrice willen worden.

Een vreemd trio. Michel is de lompe gast die graag twee vriendinnen heeft maar zich dan geen raad weet met de twee in zijn buurt. (Je ziet ze bijvoorbeeld geen een keer elkaar beminnen.) En Juliette en Liliane zijn meer verbonden door hun vriendschap dan door een relatie met een man. Je kunt zeggen dat Michel hun vriendschap verstoort. Tegelijk lijkt het alsof ze getest willen worden.

Misschien komt het ook wel omdat boven Michel dreigend het zwaard van Damocles hangt. Hij moet immers naar de oorlog in Algerije. De meiden, ondertussen, merken dat hun vriendschap onder druk staat.

In de periferie van nouvelle vague, op afstand van Godard & kornuiten, bevonden zich figuren als Jacques Rozier. De echte purist. Daarom wordt Adieu Philippine gezien als ‘echte nouvelle vague’. Je ziet het aan veel dingen. De filmimprovisatie (mensen staren door winkelruit, in Corsica staart men de camera aan), de ongescripte dialogen, de geïmproviseerde scènes, het plot zonder plot.

De spanningsboog staat los (soms te los) maar de spontaniteit levert gekke scènes op, zoals in de club, bij het dansen, die je niet in scripts zou kunnen vastleggen. Een portret van een trio dat niet met en niet zonder elkaar kan.

Geen smeerlappenfilm
Is het een cliché dat een ménage à trois vaak in Franse films voorkomen? Want ook Charlie et ses deux nénettes (1973) gaat over dit thema. In deze film van Joël Séria duurt het exact anderhalve minuut voordat een man (vrachtwagenchauffeur, negenendertig) aan de praat raakt met twee meisjes (eenentwintig en negentien) met rode regenjasjes. Ze gaan wat drinken in een café. Hé, hebben jullie zin om mee te rijden? Tuurlijk, als je dat wilt.

Guislaine en Josyane zijn heel inschikkelijk, net als de pas gescheiden Charlie. Iedereen is vrolijk en opgewekt. Ze doen een vervoersklusje samen. Hij heeft nog een berg behang op zijn kamer. Samen op de markt verkopen? Goed idee.

De meisjes zijn jong, leuk en ze gaan graag om met Charlie – temeer hij heel gewoon tegen ze doet. Ze brengen hem een ontbijt op bed zonder dat hij erom vraagt. Gedrieën naar de kermis, gedrieën dansen, en ja, uiteindelijk gedrieën naar bed. ‘Ligt iedereen goed? Welterusten!’ Een kusje op hun hoofd. Door de bank genomen hebben de drie het erg gezellig. Dat gaat goed tot er een andere marktverkoper in het spel komt: Tony, een grote vent met een grote caravan.

Charlie et ses deux nénettes zullen sommige kijkers misschien een smeerlappenfilm noemen. Dat is onterecht. Dit is juist een schattige film. Je wacht misschien op het drama. Er gebeurt niets bijzonders. Een slimme hint is dat Charlie seksueel gezien oudere vrouwen prefereert. Schrijver/regisseur Joël Séria maakte een lichtvoetige film over een beladen onderwerp.

Verder is er kwaliteit in het tempo. De film heeft bijna geen seconde zonder dialoog of actie. De saaie stukjes zijn eruit gelaten.

Deze films zitten allemaal wel vast in hun tijd. Maar dat heeft meer met onze tijd dan die van hun te maken. Het gaat denk ik om de afwijking van het standaardplaatje. Dat gaat mensen met haastige twittermeninkjes in onze tijd al snel te ver.

 

8 mei 2019

 

Rita, Sue and Bob Too!

Alle Camera Obscura

Bunuel in the labyrinth of the turtles

****
recensie Bunuel in the labyrinth of the turtles

Hoe de Spaanse surrealist zijn antidocumentaire Las Hurdes maakte

door Bob van der Sterre

Net na baanbrekende films Un Chien Andalou en L’Age d’Or had de jonge Luis Buñuel een moment van creatieve leegte. Hij kreeg een tip over een zeer geïsoleerde streek in West-Spanje, Las Hurdes. Het bleek de opmaat van een in alle opzichten krankzinnig project in 1933. Buñuel en el laberinto de las tortugas vertelt dit interessante stukje filmgeschiedenis in de vorm van een animatie.

Allereerst: wat was Las Hurdes en wat zag Buñuel in het idee van de film? Hij kreeg het project door van regisseur Yves Allégret en schrijver Jacques Prévert. Laten we het Buñuel zelf uitleggen: “Deze streek is een van de armoedigste gebieden op de hele aardbodem, geïsoleerd van de buitenwereld door een keten hoge, onbegaanbare bergen en met in totaal zesduizend inwoners verdeeld over tweeënvijftig gehuchten.”

Bunuel in the labyrinth of the turtles

Hij gaat verder: “Landbouwwerktuigen hebben ze vrijwel niet. Vee is er niet. Er is geen folklore. De armoede, de honger en de insecten. Geografen zijn het er erover eens dat de streek onbewoonbaar is.” Problemen als inteelt, dysenterie, malaria somt hij op. “Met hun kleren aan slapen ze op bedden van rottende bladeren.” Je snapt wat Buñuel zag in deze op zichzelf haast surrealistische omgeving.

Tweede vraag: wie wil in godsnaam voor een film over dit onderwerp betalen? Ramon Acin, een vriend, zei: ‘”ls ik de loterij win, dan mag jij jouw film maken.” Hij heeft zijn belofte geweten toen hij daadwerkelijk de loterij won! De cinematograaf Eli Lotar kwam erbij, net als dichter en vriend van Buñuel, Pierre Unik. Zij bleven twee maanden in Las Hurdes. Buñuel monteerde het materiaal vervolgens op een keukentafel in Madrid en gooide in zijn onervarenheid nog wat bruikbaar celluloid weg.

Een niet-surrealistisch project dat surrealistisch aanvoelde
Buñuel zal intuïtief gevoeld hebben dat er wel wat te halen viel. Hij moest ook loskomen van het surrealisme, waar hij een jaar geleden uitgestapt was. Het harde Spaanse leven gaf hem een kader waarin hij kon experimenteren. Hij kon hier een vernieuwende antidocumentaire maken, vol armoede, dood, lelijke en zieke mensen.

Buñuel zou Buñuel niet zijn als hij ‘de documentaire’ niet zou veranderen in zijn eigen cinematografische variatie op de werkelijkheid. (Overigens deed een van de beroemdste documentaires ooit, Nanook of the North, hetzelfde.) Zelf zei hij: “Het was een ongewoon soort werkelijkheid, een werkelijkheid die de verbeelding prikkelt.” En erkende later: “Het is een tendentieuze film.”

Dus als hij las over een ezel die door bijen wordt doodgestoken, kan hij het niet nalaten om honing over een ezel te gieten en te filmen hoe het arme beest aan zijn einde komt. Als een geit volgens broodjeaapverhalen soms in een ravijn viel, moest hij de realiteit wel een handje helpen. “Daar konden we niet op wachten en dus heb ik met een revolver ervoor gezorgd dat er een naar beneden viel.” Het hanentrekken… laten we het hier maar bij houden. Het was duidelijk dat de surrealist Buñuel de mens in de weg zat. Veel meer Buñuel wordt het niet als hij zegt: “Ik geloof in oncompromisloosheid.”

En was het ook niet wat je nu noemt exploitation van de bewoners? Maar, zo schrijft publicist Francisco Aranda later terecht: “Als Buñuel liefdadigheid bedreven had in dat gebied en niet de film had gemaakt, was het lot van de bewoners nooit in deze mate verbeterd.”

Bunuel in the labyrinth of the turtles

Geamuseerde en vlotte stijl
Dankzij Buñuel en el laberinto de las tortugas van animatieregisseur Salvador Simó zien we deze interessante geschiedenis terug in een geamuseerde en vlotte animatiestijl. Geslaagd zowel in stijl als in verhaal (anekdotisch), karakteriseringen en humor. Animatie als vorm is erg bruikbaar voor deze historische films (denk aan het recente Another Day of Life).

De film heeft twee minpunten: de muziekkeuze en het sentimentele einde. Die zijn niet des Buñuels want ze zijn toegevoegd uit commercieel oogpunt – en dat was altijd zijn grote vijand. Je zou bijna vergeten dat Buñuels voor het Las Hurdes-project een soort stage had gelopen in Hollywood maar weigerde films voor zakelijke motieven te maken.

Een eigenwijze film zoals Buñuel ze maakte, is deze film dan ook niet. In dit geval is dat ook niet het doel. De film wil ons laten zien wat een echt eigenwijs artiest wel is. En in die opzet slaagt Buñuel en el laberinto de las tortugas wel.

 

17 april 2019

 

ALLE RECENSIES

Autorijden om je verveling te bestrijden

Autorijden om je verveling te bestrijden

door Bob van der Sterre

Two Lane Blacktop ♦ L’Autostop ♦ The FJ Holden

 

Nee, ik vind deel 8 van The Fast & The Furious niet hetzelfde als films als Le Mans en Grand Prix. Scheurende auto’s, 70’s films, een zondag voor jezelf. Wat wil een mannenhart nog meer? Hier drie iets minder bekende autofilms met een overeenkomst: de karakters erin vervelen zich te pletter.

In Two Lane Blacktop (1971) zien we The Driver en The Mechanic (hun echte namen leren we niet kennen) rondrijden in hun aangepaste Chevy. Ze verdienen hun geld met racen. The Mechanic ziet een Ford met een zus en zo motor en weet meteen: die kunnen we hebben. The Driver daagt de eigenaar uit. Uiteraard winnen ze de strijd.

Autorace zonder moraal
De twee krijgen een meisje in hun auto mee (legendarische scène: ze kruipt in hun auto, ze zien haar zitten, zeggen niets en rijden zo weg). Onderweg komen ze ook steeds dezelfde bestuurder van een sportauto (GTO) tegen. Een man die graag rare lifters opneemt. Hij hoeft niet meer te werken maar weet niets anders te bedenken dan eeuwig rond te rijden in zijn GTO.

De twee partijen dagen elkaar uit om naar Washington DC te rijden – maar al snel is er geen sprake meer van een wedstrijd. Ze gebruiken elkaar onderweg om andere racers uit te dagen.

Two Lane Blacktop heeft niets voor niets al decennia een speciale schare fans. Dit is de quintessential 70’s film. Geen echt verhaal, geen echte karakterontwikkeling, geen echte boodschap en helemaal geen moralisme. De film werd in 1970 in acht weken opgenomen en de laconieke sfeer komt ook door allerlei randzaken (de financiën die maar net rond kwamen, Dennis Wilson die een paar dagen voor het filmen werd gecast).

Aan de ene kant is het een soort Top Gear-episode in filmvorm, aan de andere kant heb je ook The Girl (Laurie Bird) in een essentiële rol. Iedereen wil iets met haar (zelfs regisseur Monte Hellman begon een affaire met haar). Ze pleegde zelfmoord op vijfentwintigjarige leeftijd (en dat was acht jaar na deze film, kun je nagaan hoe jong ze hier was).

En dan is er nog Warren Oates, die met zijn natuurlijke en intense acteerstijl goed paste als tegenhanger van de twee sobere hoofdrollen: James Taylors (zanger) enige filmrol en Dennis Wilson (drummer van The Beach Boys). Hun beperkte acteren is in deze film eerder een voordeel. Geloofwaardige, zwijgende autorijders.

Promotiefilm in Russisch drama
In L’Autostop (1991) is er ook al een zinloze autoreis: autocoureur Sandro die een Fiat van Italië naar Rusland rijdt. Als voormalig autocoureur is er geen liefde zo groot als die voor de auto. Ultieme decadentie om dus maar te gaan crossen naar Rusland.

Onderweg pikt Sandro leuke vrouwen op. Hij laat ze achter en ze vinden het prima. Via Moskou komt hij in het winterse Russische platteland terecht. Een hoogzwangere vrouw in een bushokje (detail: logo Olympische Spelen Moskou in 1980) krijgt van hem een lift. Ineens duikt er een motorrijder op – de partner van de dame. Ook hij krijgt een lift (handig hoe de motor in de kofferbak past). Op een zeker moment stapt de vrouw uit en wil ze in het bos bevallen.

Een bizarre combinatie van reclame voor Fiat en een Russisch drama. In 1990 moet iemand bij Fiat het een goed idee hebben gevonden dat regisseur Michalkov een korte promotiefilm zou maken. Michalkov deed die klus op zijn Michalkovs: hij maakte er een Russische drama van bijna een uur van.

Autosnufjes spelen een grote rol in het script. De autoradio (opera in het Russische landschap), de volautomatische raamvergrendeling, de ruime kofferbak, de autogordel, de verstelbare stoelen. Kijk eens hoe makkelijk de auto rond danst op de sneeuw. Dit is Sandro’s westerse, decadente cocon – een wereld waarin hij actrice Ornelia Muti aanwijst als zijn vriendin.

De film laat de tegenstelling zien tussen westerse decadentie versus Russische mystiek. Het mystieke moment van bevallen in oer-Russisch landschap tegenover de nieuwe auto vol westerse snufjes. Let op hoe de dame in het eerste hotel (dikke close-up) de man uitdaagt door telkens een noot te spelen op een piano. Decadenter kan het niet worden. En kijk Sandro helemaal opleven na de grote gebeurtenis.

Australisch raadsel
In FJ Holden (1977) zien we hoe Kevin en Bob aldoor rondrijden in een FJ Holden (Australisch automerk), bier drinken en meisjes oppikken. Een van die meisjes is Anne. Kieskeurig is ze niet: ze heeft seks met beiden, in de auto.

De Holden is een klassieke Australische 50’s bak, synoniem met de rock-‘n-rollperiode. Kevin en Bob vervelen zich graag met deze auto, waarvan er toen de film werd gemaakt nog maar 500 van de oorspronkelijk 300.000 verkochte auto’s over waren.

Een desastreuze race zorgt ervoor dat Kevin zijn humeur verliest en ook tussen hem en Anne gaat het niet goed meer (aangezien zijn maat Bob er nog steeds bij is). Tijdens een feest is hij dronken en maakt hij ruzie – de politie is naar hem op zoek.

Ik zal maar eerlijk zijn: het doel van deze film is mij een raadsel. Kevin noch Anne heeft de waarde voor een hoofdrol en wat ze meemaken, is niet boeiend. Ik vermoed dat het ging om een portret van ‘de nieuwe jeugd’ in Australië. Symbool: de ooit rebelse Holden. Dan was het wel een oninteressant portret (of een onboeiende generatie).

De hoofdpersonen Paul Couzen (Kevin) en Eva Dickinson (Anne) waren beginners en konden geen warmte in hun rollen leggen. Het is niet vaak dat een film de laatste is voor beide hoofdpersonen (zelfs de enige voor Paul Coutzen!). Vreemd misschien – maar je hoeft het acteervak natuurlijk niet echt leuk te vinden.

Aan de andere vind ik het wel altijd leuk om naar bars en supermarkten en warenhuizen te kijken in andere tijden. Daarvan genoeg in deze film. Als tijdreis slaagt de film – en dat lijkt ook het idee te zijn geweest van deze Australian Graffiti van regisseur Michael Thornhill. Ook al reist een auto makkelijk, niets reist zo prettig als een film.

 

10 april 2019

 

Two-Lane Blacktop


Alle Camera Obscura

Ash is Purest White

***
recensie Ash is Purest White

Twee decennia modern China

door Bob van der Sterre

De nieuwste film van Zhangke Jia is een soort laatste hoofdstuk van zijn films. De grootmeester van de vijfde generatie, Zhang Yimou, vond zichzelf opnieuw uit als expert in wuxiafilms. Na het zien van Ash is Purest White vraag je je af of Zhangke Jia, grootmeester van de zesde generatie, ook rijp is voor zo’n radicale stap. Comedy? Horror? Want hij lijkt nu wel klaar met zijn gigantische filmproject over mensen die worstelen met de realiteit in China.

En worstelen doen ze, het stelletje Bin en Qiao. In 2001 gaat het nog de goede kant op. Bin is nog een lokale crimineel, Qiao zijn liefje. Ze lossen allerlei zaken op in de buurt van de opkomende stad Datong. Hij lost zaken liever met hersens op dan met wapens.

Ash is Purest White

Agressieve bendes
Totdat er ineens agressieve bendes opduiken en hem uitdagen. Op een kruising levert dat een heftige vechtpartij op. Qiao pakt een wapen en schiet in de lucht. Qiao komt in de gevangenis omdat ze zegt dat het haar wapen was.

In 2006 als ze weer vrij is, staat Bin er niet om haar te bedanken. Ze reist naar de plek waar de Drieklovendam wordt gebouwd. Ze moet mannen oplichten om aan geld te komen. Daar vindt ze hem uiteindelijk, uitgeleefd en depressief. Ze rent weg. In de trein ontmoet ze een vlotte vent die ‘de toerismesector van Urumqi aan het ontwikkelen is’. Maar niets is in China wat het lijkt: ‘Sorry, ik heb alleen maar een klein winkeltje in mijn geboortedorp.’

Ze keert terug naar haar kroeg van vroeger. Tot op een dag in het heden Bin arriveert… Niet zoals ze had gehoopt.

Cinematografische verwijzingen naar jezelf
Zhangke is intussen een veteraan onder de Chinese regisseurs. De beroemdste van de zesde generatie, die – in tegenstelling tot de vijfde generatie met haar historische drama’s – het rauwe, persoonlijke leven van het heden toont. Ash is Purest White pakt uit met allerlei bekende Zhangke-thema’s. Het is een soort medley van zijn eigen werk.

Je ziet in deze film de kleine misdaad van A Touch of Sin en Xiao Wu, de Drieklovendamregio van Still Life, de verstedelijking  van The World, de veranderingen van 24 City, het portret van de vrouw in Mountains May Depart. En zoals zo vaak met redelijk forse tijdverspringing en opgeknipt in verschillende episoden.

Cinematografische verwijzingen zijn er vooral naar zichzelf. Geen genres, geen voorspelbaarheid, geen stilisme, geen makkelijke thema’s. Invloeden zijn letterlijk op een vinger te tellen: zichzelf. Hoewel hij zelf Ozu, De Sica, Fellini en Bresson noemt als voorbeelden, maar dat zie je niet zo in zijn films terug.

Ash is Purest White

Actrice Zhao Tao’s scène in Still Life keert bijna letterlijk terug in Ash is Purest White (met wederom een flesje water). Ook Shenxi, de provincie waar de eerste films zich afspelen, heeft hier ook een hoofdrol. De rauwheid van zijn vroegste films (met name Xiao Wu). En de film omspant misschien niet toevallig ook Zhangke Jia’s carrière als regisseur. Daarmee zou je een van de ergste oeuvreclichés van stal kunnen halen: er is een cirkel rondgemaakt.

Een nadeel: mensen die zich zo eigenwijs werken, kunnen behoorlijke clichés opdissen als iets verheffends. Flauw is bijvoorbeeld in deze film hoe mobieltjes symbool staan voor een bepaalde periode. Misschien heeft Zhangke Jia dat nog nooit in andere films of series gezien? Hoe kun je anders niet weten dat het intussen een cliché is?

Een flow in plaats van een verhaal
Zhangke Jia wordt vaak gewaardeerd om zijn stijl maar dat is een vergissing. Tenzij je houdt van de stijl van rauwe en eerlijke cinema. Hij gelooft niet in overstilering – waarschijnlijk niet eens in stilering zelf.

Ook in het verhaal. Je kijkt eerder naar een flow dan een verhaal met een net script. Als filmkijker moet je dus wel even je visuele verlangens terugschroeven als je zijn films gaat kijken. Maar de flow breekt je verzet. Als je soms simpel camerawerk, houterig acteerwerk en kitscherige scènes ziet, dan accepteer je dat sneller dan normaal.

Zijn karakters zijn al net zo rauw. Ze zijn overlevers in een veranderende wereld en hebben een voor film karig gevoel voor romantiek. Ze zijn figuranten van het leven die een dialect-Chinees spreken. Zhangke Jia streeft naar ‘objectieve films’, dus meer antihelden met tekortkomingen dan sterke figuren.

De prijs is dat je soms wordt verbluft door momenten van prachtige eenvoud. In deze film is de scène in het hotel hartbrekend. Niet volgens een plan. Die scène duikt plotseling op. Zoals je ook de indrukwekkende vechtscène waarin Bin het alleen tegen een hele bende opneemt niet ziet aankomen. Er is weinig wat je wel ziet aankomen bij Jia’s films.

Ash is Purest White

Zhangke Jia: de regisseur
Omdat de film een soort medley van zijn werk is en hij gretig zichzelf citeert, maak er dan meteen een feestje van en bekijk ook de masterclass van afgelopen IFFR. Al die leuke weetjes! Hij leerde veel uit een boekje van Fassbinder dat gaat over hoe je het budget van je film kunt rond krijgen. Hij studeerde montage van Eisenstein maar ‘zoiets vind je niet in mijn films’. En cameraman leek hem eigenlijk leuker – maar hij was te klein om die studie te mogen volgen.

Of zijn oeuvre met deze film nu rond is of niet – en of hij zich hierna wel eens moet vernieuwen of niet – Jia blijft een van de groten van China. Zijn gewone, weinig mysterieuze houding tegenover zijn werk bewijst dat. Voor protserigheid is hij gewoon te nuchter. En dat kenmerkt de grote artiesten.

 

25 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Erfenissen: zo dus niet

Erfenissen: zo dus niet

door Bob van der Sterre

Malpertuis ♦ The Weekend Murders ♦ Das Haus im Montevideo

 

Wanneer leveren erfenissen géén problemen op in films? Het zicht op geld maakt mensen egoïstisch en dat is mooi filmmateriaal, denk aan een klassieker als Arthur (1981). Drie films waarvan je leert hoe het niet moet: erfenissen verdelen.

In het huis Malpertuis (1972) ligt Cassavius, die een reusachtig huis en dito erfenis bezit, op sterven. Een grote groep mensen wacht tot hij eindelijk doodgaat. Een stelletje heksen, een dierenopzetter, een dame die alles al weet. En zijn neefje Jan.

Vreemde spelletjes
Cassavius vertelt op een achternamiddag wat zijn eisen voor de erfenis zijn. Iedereen moet in Malpertuis verblijven. Alleen de laatste twee overgeblevenen, een man en een vrouw, mogen de royale erfenis delen. Gevolg: iedereen stookt iedereen tegen elkaar op.

Ondertussen blijkt Malpertuis een stuk vreemder dan iedereen denkt. Het huis herbergt een geheim. Jan wil weten wat dat is. Iedereen speelt ondertussen spelletjes met hem.

Veel moois aan de film. De settings en decors bijvoorbeeld. Alleen al de overdadige aandacht voor lichtval! Het script is ook niet doorsnee. Dat is gemaakt naar een boek van Jean Ray, die korte horrorverhalen in de stijl van Lovecraft en Poe schreef. Malpertuis is ook cinematografisch interessant. Trappenlopen bijvoorbeeld is prachtig in beeld gebracht.

De versie van regisseur Harry Kümel werd door de studio (United Artists) teruggebracht tot 100 minuten én in het Engels gedubd. Die film faalde. In 1973 maakte de ontevreden regisseur er een Vlaamstalige director’s cut van die pas tien jaar geleden het daglicht zag toen de dvd-versie van de film uitkwam.

Je kunt je die aarzeling van de studio wel een beetje begrijpen. Het is een film die veel van de kijker vraagt. De eigenzinnigheden gaan ook ten koste van de karakters, die vrij eendimensionaal zijn. En van het script, dat de beloften van het begin niet weet in te lossen aan het einde. Soms ontstijgt het niet het niveau van een kinderlijk sprookje met veel gegil en gekrijs.

Buitenbeentje in het voornamelijk Frans-Vlaamse gezelschap is Orson Welles in de rol van Cassavius. In de praktijk was hij permanent bezopen voor de drie dagen die hij was ingehuurd. Hij werkte een vierde dag gratis (en sober). Hem Vlaams horen praten, is een vreemde gewaarwording. Susan Hampshire doet trouwens ook een huzarenstukje in deze film met niet minder dan vijf rollen.

Extreme cinematografie in moordmysterie
In The Weekend Murders (1970) komen ook diverse mensen bij elkaar om te luisteren hoe het testament verdeeld wordt. Ditmaal gaat het om de erfenis van Sir Henry.

Er staat veel op het spel. Een gigantisch landhuis en landgoed. Die gaan, zo blijkt, naar Barbara, die de laatste tijd op Sir Henry had gepast. Grote teleurstelling bij de overige erfgenamen. Die denken wel hardop dat hen wat moois staat te wachten als Barbara heel toevallig een ongeluk zou krijgen.

Niet Barbara, maar andere erfgenamen leggen het loodje. De butler is de eerste. ‘Die kan het in elk geval niet gedaan hebben’, grapt iemand. Ook al loopt er een detective van Scotland Yard rond en een sergeant – waarvan de eerste zich slimmer vindt, maar de tweede slimmer is – er is een moordenaar die duidelijk niet zal stoppen voor alle erfgenamen er geweest zijn. Maar wie is het?

Een zwarte komedie met giallo-elementen en verrassingen. Verrassend is bijvoorbeeld het sterke komische acteren van Gastone Moschin. Of hoe de karakters bezeten zijn, op een of andere manier, van seksualiteit.

Daar past extreme cinematografie bij. Vanaf het eerste shot van de sergeant (onderaf, diagonaal), loopt de film over van de visuele grapjes met spiegels, close-ups van ogen, verdwaasde trips, shots van onderaf. Regisseur Michele Lupo en vooral cinematograaf Guglielmo Mancori waren gepassioneerd bezig – ze doen denken aan films van Guy Ritchie.

Als het sterke punt van de film de smeuïge cinematografie is, dan is het minpunt het verhaal. Het volgen van de vele karakters en hun onderlinge verwikkelingen gaat ten koste aan de logica van het moordmysterie (zoals de man met de Ferrari, wat doet ie daar ineens?).

Een buitenechtelijk kind maken
Prof. Dr. Traugott Hermann Nägler, vader van twaalf kinderen (de tiende heette Decimus), en hoofdpersoon van Das Haus im Montevideo (1951), is een heel ander persoon dan de karakters in voorgaande films. Hij is een strenggelovige vent die zijn kinderen Griekse canons laat zingen voor de verjaardag van hun moeder. Zijn vrouw beschrijft hem als: ‘Hij kan niet bestaan zonder zijn halo.’

Een pastoor vertelt aan professor Nägler dat zijn libertijnse zus, die in Uruguay woonde en met wie hij geen contact meer had, is overleden. Ze heeft een erfenis achtergelaten. Daarvoor moet de professor met de pastoor en zijn oudste dochter, Atlanta, naar Uruguay.

Daar blijkt dat zijn zus na hard werken ‘een instituut van 45 meisjes’ had. Een bordeel, denkt professor Nägler meteen, en hij is al de deur uit gerend. Maar zijn zus is zangeres Maria Machado. Ze is voorzitter van een stichting die meisjes helpt met muziek.

Er is alleen een catch om de 750.000 dollar van de erfenis te krijgen: iemand in de familie moet een buitenechtelijk kind maken. Die gedachte is een nachtmerrie voor de brave professor. Maar het geld… De moreel superieure professor begint ineens aan Herbert, het vriendje van Atlanta, te vertellen over ‘het voordeel van het eerst hebben van een dessert’. Herbert snapt er niets van.

Deze film is een typisch voorbeeld van het werk van theaterschrijver en regisseur Curt Goetz. Hij speelt zelf de hoofdrol. Wie zegt dat Duitsers geen humor hebben, zou zich eens in zijn werk moeten verdiepen, zoals Frauenarzt Dr. Präterius, Napoleon en Hokuspokus.

Met de komedie zit het wel goed, minder met de vernieuwingsdrang van Das Haus im Montevideo. In alles (zwart-wit, theatraal, klassieke decors, muzikale ondersteuning) is het een ouderwets ogend verfilmd theaterstuk – en dat klopt ook, want dat was het oorspronkelijk.

De film is een klik van ons verwijderd op YouTube. Een plezierige creatieve erfenis voor onze grote familie van filmliefhebbers.

 

14 maart 2019


Alle Camera Obscura

 

The Weekend Murders

Pas op met die virussen!

Pas op met die virussen!

door Bob van der Sterre

Variola Vera ♦ The Hamburg Syndrome ♦ Les Raisins de la Mort

 

Virussen. Linke soep. Daarom onverminderd populair in de cinema. Outbreak is een bekende film in het genre. Maar er is meer. En interessanter.

Het kan soms beginnen met het kopen van een fluitje in een Afrikaans land. Niet zo’n slim idee als die persoon duidelijk een gemene ziekte onder de leden heeft. De pelgrim die het fluitje koopt, reist naar Joegoslavië, wordt ziek, en dan… Ja, wat dan? Dan zien we in de film Variola Vera, die in 1982 in het toenmalige Joegoslavië is gemaakt.

Pokkenlijder
Eerst vinden ze de pelgrim in een wc van het ziekenhuis, kermend van de pijn. Dan staren alle artsen naar hem. Ze hebben geen idee. Hij komt gewoon op de zaal te liggen, bij anderen.

Het virus is de nonchalance in het ziekenhuis erg dankbaar. Zo is daar de patserarts die vrouwen versieren belangrijker vindt dan zijn vak uitoefenen. Of de ontkennende baas van het ziekenhuis die vooral autoriteit wil uitstralen. Of de gevoelige zuster die emotioneel reageert op alles.

Meest schrijnende moment is als twee patiënten van de zaal van de pokkenlijder de patserarts (met broek omlaag hangend over een zuster) komt waarschuwen dat er echt wat loos is. Dan is de pokkenlijder al het hele ziekenhuis rondgerend en heeft ie overal zijn bloed gesmeerd. Het duurt vervolgens een dag maar dan beginnen de mensen in het ziekenhuis ineens te merken wat ‘in quarantaine blijven’ betekent.

Goede film, niet oversensationeel maar juist interessant om te zien hoe zoiets wordt aangepakt. En dit is echt gebeurd. Tien jaar eerder dan deze film was er sprake van een uitbraak van de pokken in Belgrado. Het ziekenhuis verandert in een dodenfabriek. Mannen in witte pakken die op bezoek komen. Dan zie je pas hoe mensen toch alleen maar aan zichzelf denken (alhoewel er ook een iets te romantische dromer in rondloopt). De spanning blijft erin dankzij het tempo en het acteerwerk.

Foetushouding
In Die Hamburger Krankheit (1979) sterven ze ook bij bosjes. Dat gebeurt in de stad Hamburg. Wat vreemd is, is dat ze na het sterven ineens in een foetushouding liggen. Niemand weet wat er aan de hand is maar niemand wil risico’s nemen. De autoriteiten sluiten de boel af.

Iedereen wordt opgepakt. Dokter Sebastian ook – hoewel hij alleen op bezoek was voor een conferentie. Samen met mede-arrestanten ontsnapt hij. Hij wil weten wat er gaande is en ontdekken wat de haard van het virus is. Dat doet hij met Ulrike, die hij onderweg leerde kennen. Ze proberen door het land te reizen. Het is overal chaos. Mensen die door elkaar heen rijden, rennen, met koffers, honden die blaffen, gegil, traangas.

Sebastian probeert zijn eigen instituut in Lüneburg te bereiken maar verliest zichzelf in filosofische overpeinzingen: ‘Wat is een virus eigenlijk? Is het niet de adrenaline van massahysterie?’

Die Hamburger Krankheit is een virusfilm die niet echt over het virus gaat. Waar komt het vandaan en hoe zit het precies? We weten het niet. Vermoedelijk geeft de film hiermee kritiek op de chaotische periode eind jaren zeventig, toen West-Duitsland met allerlei duistere zaken te maken had: misdaad, terreur, ideologische clashes, drugsoverlast. Het was de speelbal van twee grote machten.

Je moet de film dus symbolisch opvatten. De reis naar het zuiden, de foetushouding, de overheid die controle probeert te krijgen. Ook de karakters: de fysiek gehandicapte man (genaamd Ottokar, rol van schrijver Fernando Arrabal) die alsmaar aan het gillen is, de verkoper die blijft verkopen, een arts, potentiële held, die het ook opgeeft.

Dan zie je opeens in de aftiteling ‘Roland Topor’ bij de scenaristen staan. Deze provocerende kunstenaar is ook de man van het extreem merkwaardige Marquis, een poppenfilm over Markies de Sade. De samenwerking met regisseur Peter Fleischmann bracht hen tot het maken van dit curiosum, die veel baat had bij de synthesizermuziek van Jean-Michel Jarre.

Had de film maffer moeten zijn? Of juist gewoner? Het zit nu ergens in een vreemd midden. Sowieso is de film erg chaotisch; wees dus gewaarschuwd.

Zombiefilm zonder zombies
In Les Raisins de la Mort (1978) is het meteen duidelijk waar het virus vandaan komt: we zien het in de eerste beelden, als een wijnveld wordt bespoten met insecticide. Dat zorgt ervoor dat mensen de kluts kwijtraken. Maar dat weet Élisabeths nog niet als in haar coupé een creepy kerel gaat zitten. Vlekken in zijn nek, blaasjes op zijn gezicht. Het gaat niet goed met hem en Élisabeth rent met koffer de coupé uit en trekt aan de noodrem.

Ze rent naar een huis. Boven in de slaapkamer: een lijk. Élisabeth vlucht wederom, in een leuk blauw autootje, en vindt nogal wat kadavers onderweg. Het blijkt dat het wijngebied Roubles de bron van de ellende is. Twee gretig met dynamiet smijtende mannen helpen haar gelukkig te strijden tegen deze wezens.

Er is ogenschijnlijk weinig nieuws onder de zon in deze film van Jean Rollin. Je ziet overacting, gratuite naaktscènes, experimentele muziek en Brigitte Lahaie, de pornoster die later politica werd.

Zo slecht is het toch niet. Deze zombiefilm zonder zombies is typisch Frans met wijn, kleine dorpjes, verlaten boerderijen en een paar surreële momenten. Door het lage tempo, de retrobeelden en het Franse platteland komt er een apart soort horrorgevoel naar boven. Het is ook die kille, koude, mistige natuur – dat maakt de film anders dan de doorsnee zich in de stad afspelende zombiefilm.

Het was ook legendarisch koud tijdens de opnamen en soms vroor de make-up vast aan de gezichten. Daarom gilt Marie-Georges Pascal denk ik zo vaak, om het weer wat warmer te krijgen.

Virussen, zo leren deze films wel weer, kunnen nog steeds beter uitbreken in films dan in het echte leven.

 

13 februari 2019

 

Les Raisins de la Mort


Alle Camera Obscura

IFFR 2019 deel 5

IFFR 2019 deel 5:
Artiesten en buitenbeentjes

door Bob van der Sterre

In ons vijfde deel van het IFFR 2019 aandacht voor een Argentijns misdaaddrama dat niet aan de verwachtingen voldoet, een lichtvoetige Franse film over de boekenbranche en de flow van een grote Chinese filmmaker.

 

Rojo

Rojo – 70’s-misdaad in Argentinië
Een restaurant. Man, nogal bot, vraagt iemand die aan een leeg tafeltje zit om op te hoepelen. Hij wil daar eten. Het loopt uit de hand, knokpartij volgt – zelfs een schietpartij. De brutale man blijkt ‘de hippie’ te zijn, familie van vrienden van de hoofdpersoon, een advocaat.

Rojo volgt een interessante periode: als de overgang naar de dictatuur in de lucht hangt. Er zijn kleine incidenten waaruit blijkt dat de sfeer verhardt, dat mensen zich asocialer opstellen, dat een kleine misdaad niet meer telt in het grote plaatje.

Vooraf had ik wel hoge verwachtingen van Rojo op basis van de beschrijving ‘hooggestileerde film met zwarte humor’ maar de film maakt dit beide niet waar. Dat ligt met name aan het tempo. Het als bedaard bedoelde 70’s-tempo is mij hier wat al te bedaard. Als de acteurs de zoveelste sigaret opsteken en er de zoveelste pauze valt, haak ik af. Rojo had volgens mij makkelijk met een half uur minder gekund. Ook zie ik in de filmstijl geen verwijzingen naar andere 70’s-misdaadfilms en de hooggestileerdheid vond ik ook tegenvallen.

Wel heeft de film een geweldige start (eerste half uur) en laat Alfredo Castro’s (Tony Manero, Post Mortem, El Club) optreden als ‘de Chileense detective van televisie’ de film weer opleven. Al met al gemiddeld.

 

Double Vies

Double Vies – vermakelijk portret van de moderne boekenwereld
We volgen een uitgever, schrijver, de partner van de uitgever, de partner van de schrijver, een ‘hoofd digitalisering’ en hun vrienden en kennissen. Ze praten over de vernieuwingen in de boekenwereld die gevolgen heeft voor hen allemaal. De een verzet zich met alle macht – de ander wil juist voor de troepen uitlopen. En ondertussen hebben de personen op basis van hun voorkeuren affaires met elkaar.

Double Vies is een van mijn favoriete films van het festival. Waar een ander een typisch Franse film vol gepraat en overspel ziet, zie ik eindelijk een levendige film over een zeldzaam onderwerp: de boekenbranche. De lichtvoetige film zit vol dialogen over bloggen, e-books, digitalisering.

De film van schrijver/regisseur Olivier Assayas (Personal Shopper, Irma Vep) is dialogen, dialogen, dialogen. Ik geniet ervan – omdat zo weinig films dat bieden (uit de mode). Deze gaan rap, verlopen naturel en vervelen niet. Dat komt ook door de acteurs. Guillaume Canet is erg geloofwaardig als moderne uitgever, Vincent Macaigne als schrijver annex romanticus, Juliette Binoche als actrice die boeken op vakantie meeneemt in plaats van e-readers. Voeg hier en daar sterke bijrollen toe dan heb je een film die aan Woody Allens Husbands and Wives doet denken.

 

Ash Is Purest White

Ash Is Purest White – nieuw China valt niet mee
Het is 2001. Bin is een lokale crimineel, Qiao zijn liefje. Ze zijn belangrijk voor een stadje in de omgeving van Datong. Totdat er agressieve bendes opduiken. We verspringen af en toe van tijd en volgen hoe Qiao en Bin bij elkaar komen, elkaar loslaten en bij elkaar komen.

Ik herinner me nog dat Zhangke werd ingehaald als zo ongeveer de nieuwe Mozart van de cinema. Nu is hij intussen een veteraan onder de Chinese regisseurs, de beroemdste van de zesde generatie, en maker van beroemde films als A Touch of Sin en The World. Lees dit artikel in bfi om wat meer context te krijgen bij zijn werk.

Zhjangke’s films zijn ongrijpbaar. Geen genres, geen voorspelbaarheid, geen gestileerdheid, geen makkelijke thema’s. Je kijkt eerder naar een flow dan een verhaal. Dat zorgt ervoor dat je soms simpel camerawerk en houterig acteerwerk ziet en op andere momenten weer verbluft wordt door momenten van prachtige eenvoud. Zhangke zou je kunnen zien als de anti-Wes Anderson. Hij gelooft niet in overstilering – niet eens in stilering zelf.

Met dit verhaal (een snel moderniserende stad, misdaad, de Drieklovendam) komen diverse films van Zhangke terug in deze film. Dat schept de verwachting dat hij hiermee een periode afsluit.

 

4 februari 2019

 

Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 6

MEER FILMFESTIVAL

IFFR 2019 deel 3

IFFR 2019 deel 3:
Sporters en overlevers

door Bob van der Sterre

De eenzaamheid van een wielerprofessional, de profvoetballer en de vluchteling, cameraman alleen op de wereld, oplichter in de bajes, een muziekdoosje komt tot leven en het heftige leven van Fela Kuti.

 

Coureur

Coureur – een Belg in een Italiaanse epo-wielerploeg
Felix Vereecke is een ambitieuze amateur. Hij gaat wielrennen bij een Italiaanse ploeg, zijn vader en diens dubieuze connecties in de steek latend.

Mooie beelden, goede muziek, goed script. Niet al te sentimenteel en goed acteerwerk. De film kijkt naar de tragische kant van dopinggebruik (epo, amfetaminen) en de psychologische stress en eenzaamheid van wielerprofessionals. Een haantjescultuur.

Goede acteurs zijn het halve werk. Frappant is de keuze van de acteur die trainer Bruno Leone speelt: Fortunato Cerlino. Van capo di tutti capi in de tv-serie Gomorrah naar het zijn van een wielerbaas die louche zaakjes doet met doping, hij speelt ze identiek.

Ook al is Coureur op zich een prima film, voor mij gaat er geen wielerfilm boven de eveneens Belgische komedie Le vélo de Ghislain Lambert. In feite was dat hetzelfde onderwerp (wielrennen, doping) maar je kon er veel bij lachen. Dat kun je niet met Coureur. De film is – leuk om te zeggen als we het over epo hebben – bloedernstig en focust zich ook op de ellendige relatie van de hoofdpersoon met diens vader. (Er is trouwens voor de liefhebbers nóg een Belgische film over wielrennen: Un Ange, die een romantische invalshoek heeft, een soort Bobby Deerfield op een racefiets.)

 

Diamantino

Diamantino – profvoetballer van slag door vluchtelingen
Voetbalvedette ziet reusachtige roze fluffy puppies tijdens voetbalwedstrijden. Tijdens de WK-finale laten ze hem ineens in de steek en hij faalt. Hij stopt met voetbal en neemt een vluchteling in huis. Probleem 1: zijn twee bloeddorstige zussen die er ook wonen. Probleem 2: de vluchteling is een dame van de geheime dienst, op zoek naar zijn offshore accounts.

Geestige en originele film – een grote verrassing tussen al het serieuze drama op IFFR. Deze film bespot heel veel moderne dingen. Zoals Brexit, Trump, LGBT en de Panama Papers. Op een slimme manier wordt het hedendaags cynisme verbonden aan een symbool als Cristiano Ronaldo – hoewel de film vooraf meldt dat vergelijkingen toevallig zijn.

Hoe satirisch als Diamantino antwoordt op de vraag of hij weleens seks heeft gehad: ‘Nee nooit, moet geweldig zijn.’ Of dat ie slaapt onder zijn dekbed met eigen beeltenissen, zijn eigen naam draagt als onderbroekenmerk en een gigantisch kasteel bezit. Kijk hem daar als patser op zijn jacht zitten – terwijl hij niet weet dat hij een patser is. Je moet maar een acteur als Carlotto Cora vinden, die best op Cristiano Ronaldo lijkt en de kwaliteiten heeft om zo’n komische rol te spelen.

Het is trouwens de eerste keer dat ik het cynisme van deze tijd op een hoop gegooid zie worden met duistere krachten (zoals de immer op geld beluste en zwart geklede zussen). Dat maakt Diamantino een sterkere film dan als het alleen een satire op profvoetballers was geweest. Minder sterk is het spionageverhaal, vooral naar het einde toe, maar de film van regisseursduo Gabriel Abrantes en Daniel Schmidt stijgt wel uit boven de grauwe middenmoot.

 

In My Room

In My Room de laatste man op aarde – en vrouw
Een blunderende cameraman bezoekt zijn stervende oma. De nacht dat zij is gestorven, slaapt hij buiten in zijn auto. Hij wordt wakker. Er is geen mens meer op aarde. Hij rijdt rond: niemand. Hij begint ergens een boerderijtje en dan blijkt er toch nog een mens te zijn. Een Italiaanse komt in zijn leven en matcht toevallig bijna perfect (einde van de wereld werkt beter dan een datingsite).

Aanvankelijk best een aardige film van Ulrich Köhler. Begin is erg geestig. Middenstuk is ook goed (onder andere met onverwachte knipoog naar Claude Lelouch’ Rendez-Vous). Het einde vond ik wat minder en haalt wat kracht uit de film.

Frappant is dat bij dit intussen immens populaire genre ‘laatste persoon op aarde’ geen verklaring komt waarom. Meestal zijn het zombies, ziekten, klimaatverwoestingen. Deze film is geen sciencefiction, geen horror, maar ook niet duidelijk.

Is dit een ‘ideale wereld’ voor hoofdpersoon Hans? Of gaat de film stiekem over het verlies van religie in ons leven? Hij bouwt de ark van Noach (denk ook aan de boot die hij ziet) en speelt met Kirsi Adam en Eva in een Hof van Eden. Zelfs als laatste mens van de wereld blundert hij door. Ironie der mensheid. Het zou kunnen. Mijn voornaamste kritiek: de hint om het anders te zien dan wat het is, is te zwak. De film hoort bij de nieuwe ‘Berlijn-school’, bekend van films als Western en Toni Erdmann.

 

Out of Tune

Out of Tune  de grandioze verpester
In de bajes gesmeten worden: het overkomt ook de rijken der aarden. Zoals Markus Føns, een financieel oplichter. Wat dat betekent, merkt hij in de bajes. Mensen willen geld terug van aandelen die gekelderd zijn.

Markus kiest voor veiligheid: de afgesloten afdeling voor pedofielen en verkrachters. En die hebben een zangkoor, geleid door regelfan Niels. Daar begint hij vrij snel de intrigant uit te hangen. Het is de ongeschreven regel dat niemand vraagt waarvoor iemand anders zit. Die regel geldt niet voor Markus. Zijn belangrijkste doel is om Niels te verstoten als leider van het koor. Een handlanger is de assistent van de bazin die hij weet te manipuleren.

Een redelijk gewone maar ook vaardig gemaakte film, met wat geestige momenten. Het geestige zit hem in de strijd tussen Markus en Niels. Markus (Jacob Lohmann) is aanvankelijk wel sympathiek maar later ervaren we zijn ware gezicht. Anders Mathesen is ook sterk als Niels, zijn concurrent, die tegelijk een tegenpool is. Beiden zijn vervelend op hun eigen manier. En kunnen ze überhaupt sympathiek zijn, gezien hun geschiedenissen? De film verwart de kijker en legt je eigen sympathiemeter op een weegschaal.

 

Koko-di Koko-da

Koko-di Koko-da creepy Groundhog Day
Een stel verliest zijn kind plotseling aan een mysterieus buikvirus. Dat kind had een muziekdoosje. Dat speelt steeds het liedje ‘koko-di koko-da’. De twee gaan kamperen en worden vanaf dat moment lastiggevallen door het trio figuren op het muziekdoosje. Een grote man die een dode hond draagt, een vrouw met twee enorme paardenstaarten en een man met een hoedje. En een witte poes. Keer op keer gebeurt dat – als een gestoorde versie van Groundhog Day.

Deze film van Johannes Nyholm is verbluffend simpel gemaakt. Meer dan een tent, een auto en een paar acteurs waren er niet nodig. Toch is het een geslaagde film: soms werkt eenvoud heel goed.

De film vertelt redelijk origineel en fantasierijk een verhaal, speelt met folklore en sprookjes op een eigenzinnige manier. Bovendien zijn er ook mooie onderbrekingen via een silhouettenspel. Wel is het wat jammer dat het verhaal wat diepte in het mysterie mist. Dat wreekt zich vooral aan het einde.

 

My Friend Fela

My Friend Fela – een hels bestaan in Nigeria
Carlos Moore – Cubaan, Afrikaan, Amerikaan, ooit bevriend met Malcolm X – is de officiële biograaf van Fela Kuti. Voor de film springt Moore aldoor in de armen van oude Nigeriaanse bekenden. Zonen van Fela, ex-vrouwen van Fela, albumdesigners. We leren de context van Kuti’s leven. Zoals zijn jeugd in Londen (waar hij studeerde) en hoe hij vervolgens afrobeat creëerde.

Aan de ene kant een geweldig leven met een internationale zegetocht met zijn afrobeat en zijn 27 vrouwen. Zelfs vriendinnen zeggen na al die jaren dat ze ondanks al die concurrentes beslist een spirituele connectie hadden met hem. ‘Fela hield van seks. Hij sliep met drie vrouwen op een dag. Hij had niet alleen vrouwen thuis, maar ook buitenhuis.’

Aan de andere kant een moeilijke strijd met de toenmalige leiders van Nigeria. Dat leidde in 1977 tot een invasie van zijn commune. Diverse van zijn vrouwen werden verkracht en zijn moeder uit het raam gegooid (ze stierf). Vier jaar later deden ze het nog een keer over. Daarnaast werd hij diverse keren in de gevangenis gesmeten.

Zelf was Fela ook niet vies van geweld, zegt een ingewijde in deze film. Hij begon ook steeds meer paranoia te worden. ‘Er is een paradox tussen wat hij preekte en wat hij deed.’

En dan zie je in het Fela Kutimuseum plotseling een Bløf-music award hangen, wat net zo absurd is als dat je in het museum van Cat Stevens een ansichtkaart zou zien met: ‘Groeten uit Nigeria. Fela.’

 

2 februari 2019

 

Deel 1
Deel 2
Deel 4
Deel 5

 

MEER FILMFESTIVAL

IFFR 2019 deel 1

IFFR 2019 deel 1:
Mensen die het moeilijk hebben

door Bob van der Sterre

Wat hebben mensen het toch moeilijk. Althans, in films. Bij het IFFR lopen er aardig wat karakters met problemen rond.

 

Out of Sight, Out of Mind

Out of Sight, Out of Mind – vriendengroep in crisis
Een vriendengroep van dertigers. Travis wil schrijver worden. Hij neemt de tijd om tot zichzelf te komen in Mexico. ‘O Brien raakt de weg kwijt (schizofrenie) en wordt (per ongeluk) een satirische YouTube-ster. Lox is een muzikant die teleurgesteld is in zijn loopbaan. Het duo Kate en Zander gaat uit elkaar (de een gaat zich een ongeluk tinderen, de ander porno kijken). Uiteindelijk proberen ze met ‘O Brien ook hun vriendengroep te redden.

Leuke gegevens, moeizame film. Wat is er allemaal moeizaam? De karakters zijn niet echt boeiend. De voice-over. Grote thema’s die er bij de haren worden bijgesleept (schizofrenie, depressie). De lengte (ruim twee uur). Moderne thema’s ook genoeg: YouTube-beroemdheden, tinderen, internetdaten, watervasten. Alsmaar Boléro van Ravel (ironisch?).

De kracht van de film zit in het karakter Travis. Zijn episode als supporter van een socialistische revolutie in Mexico is het beste stuk van de film. De rest eruit en een keuze voor een drama over schizofrenie, of een kortere satirische film over dertigers. Dan had je een aardige film die een uur korter was. Nu tolt de film door de torenhoge ambities. De satire is daardoor aangelengd met veel water – net als de karakters in de film die aan het watervasten zijn. ‘Iedere gast op Tinder heette Greg’, is bijvoorbeeld wel een grappige zin maar dat soort zinnen zijn te spaarzaam in deze film.

 

Bloody Marie

Bloody Marie zuipende tekenares in Amsterdam
Marie (tekenares) zuipt als een kanon. Ze kan amper haar eigen huis, midden op de Wallen (Oudezijds Voorburgwal denk ik), binnen. Ze heeft haar moeder verloren en het tekenen vlot ook al niet.

Op een dag vindt ze in een buurwoning een flink bedrag en ze neemt het mee. Dat zorgt er indirect voor dat er bij het bordeel naast haar een meisje sterft. Ze gaat zich ermee bemoeien en moet zich daarna zien te ontdoen van wazige criminele figuren. En dan nog haar hond zien terug te krijgen.

Bloody Marie (film van Lennert Hillege en Guido van Driel) is best aardig. De Wallenbuurt – een keer lelijk Amsterdam – als hoofdpersoon geeft de film karakter. Met zijn hoeren, nauwe steegjes, wazige Bulgaarse buren. Mooi in beeld gebracht met zijn kleurrijke ranzigheid. Ook de hoofdrol van Susanne Wollf als tekenares Marie Winkelmut is vrij goed.

Halverwege gaat de film van drama ineens naar misdaadverhaal – een staaltje Tarantino in de polder. Dat is lef hebben en geeft de film een nieuwe energie. Het is ook het manco van de film. Het misdaadverhaal is namelijk niet echt uitgewerkt – en ik weet ook niet hoe het afloopt met het dronken leven van Marie. Verhalen over dronkaards hebben ook een dilemma: moet het verhaal dan goed aflopen, slecht, of geen van beide? De laatste is misschien het meest ‘poëtisch’ maar dan blijf je zitten met leegte (en frustratie).

 

Caminhos Magnetykos

Caminhos Magnetykos esthetiek voor alles
Raymond Vachs, een Fransman die in Portugal leeft, heeft spijt van het uithuwelijken van zijn dochter aan een of andere slijmjurk. Hij raakt dronken en bevindt zich ineens in een satansseance. Hij kan de beslissing terugdraaien maar er is wel een prijs die hij moet betalen.

Waarom ik een fan ben van Pêra; hij is een stilist, heeft een eigen beeldtaal, zoals dat heet. In deze film is het kleurrijk, creatief, mysterieus en hij gebruikt aldoor over elkaar liggende montage. Prachtige beelden, de hele film door. En nog mooier: in deze film doet hij weer heel andere dingen dan in The Baron.

Waarom ik geen fan ben van Pêra: hij gebruikt zijn talent niet voor een interessant en mysterieus verhaal. Net als bij The Baron ging de style over substance me halverwege vervelen. Het is bij anderen die ene uitzinnige scène maar dan de hele film lang. En zonder echt verhaal zijn films echt lastig uit te kijken.

Het hoogtepunt is juist een stukje acteerwerk: als de slijmjurk op het huwelijk triomfantelijk een telefoontje van ‘Donald’ opneemt. Wat een smerige glimlach, voortreffelijk. Dat soort lichte komedie – en meer mysterie in het verhaal – had de film geweldig kunnen maken. De stijl is er al, nu de rest nog.

 

Muere, monstruo, muere

Muere, monstruo, muere raar monster bijt hoofden af
Een monster vermoordt en onthoofdt mensen. Maar monsters bestaan niet, toch? De verdachte is David die immers bij alle drie de moorden betrokken was. Die zegt dat er toch een monster is. Hij zegt tegen een psycholoog: ik hoor een stem die zegt: ‘Murder me, monster. Murder.’ Cruz is de enige die een stap extra wil nemen om het mysterie te ontrafelen. Maar zijn baas gelooft niet in monsters.

Vage toestanden in deze Argentijnse film van Alejandro Fadel (Los Salvajes). Griezelige rit door een tunnel, een agent met een onwijs diepe stem, een creepy bos met lichtjes en een monster… daar zal ik niets over verklappen. Een van de meer fantasierijke films van IFFR die ook vast op Imagine straks te zien is.

Veelbelovend maar jammer dat er na afloop geen touw aan vast te knopen valt. Bij David Lynch, met wiens werk de film veel vergeleken wordt, snap je altijd wel dat er een soort onderhuidse logica is. Hier gaat het nergens heen. We gaan zelfs van een mysterieuze thriller naar een slasher B-film. Een probleem is ook dat de agenten vooral tijd kwijt zijn aan wazige, filosofische dialogen terwijl je eigenlijk van agenten verwacht dat ze gewoon hun werk doen. Je krijgt geen band met de karakters.

Daardoor weet de film niet de belofte van het eerste deel in te lossen. En wat moeten we nu met het monster zelf? Dat moeten we wel op een of andere manier opvatten (iets met seks neem ik aan?). Oftewel: wat meer nuchterheid, meer humor, een hoger tempo en een logischer plot hadden deze film veel goeds gedaan. De artdirection is wel een speciale vermelding waard.

 

A Land Imagined

A Land Imagined agent zoekt slachtoffer
Lok is een agent. Hij moet achterhalen wat er met Wang en Ajit is gebeurd – twee arbeiders van een bouwplaats. Om dat te leren, verplaatst hij zich vrij letterlijk in Wangs leven en merkt dat de sleutel ligt bij het internetcafé ertegenover. Daar werkt een meisje genaamd Mindy die een paar keer op stap is geweest met Wang. En wie is Troll562 die Wang daar in de gaten houdt?

Dit is geen makkelijk verhaal – en na Mulholland Drive te hebben beschreven vallen me ineens parallellen op. Dit doet precies denken aan hoe David Lynch in zijn script dromen en werkelijkheid door elkaar mengt. Wang en Lok zijn hier praktisch dubbelgangers, en Mindy (het punkmeisje van het internetcafé dat met seks een beetje bijbeunt) is een soort sleutelpersoon tussen de twee. Een typisch tussen goed en slecht bevindend karakter à la Lynch. Dan is er nog het decor dat net als bij Lynch veelbetekenend is. Dat is de stad Singapore dat werk verschaft, maar ook mensen uit andere landen huisvest in vieze kamers, dat land wil maken maar daarvoor zand moet halen uit Maleisië.

Siew Hua Yeo won met deze film de hoofdprijs op het Locarno-filmfestival. De film heeft al meer dan zeventig reviews van allerlei serieuze bladen op IMDb. De film raakt dan ook een snaar bij critici. Een noir politieverhaal, een sociaal-realistisch verhaal over migrantenarbeiders en een kritisch essay over de stad Singapore dat uitbreidt richting zee. (Fascinerend, maar wij hebben al decennia Flevoland.) Op wonderlijke wijze blijft dit in evenwicht; de natte droom van iedere criticus.

Er zitten ook wel wat verbazingwekkende stukken in. De overgang van heden naar flashback was er zo een – precies als agent Lok iets vaags vertelt over zijn dromen.

Toch is het door het mengen van al deze karakters en filmstijlen lastig om om je aan een karakter te hechten en het gevoel te hebben een meesterwerk te hebben gezien. Daar komt toch meer emotie bij kijken dan hier het geval is.

 

28 januari 2019

 
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6
 
MEER FILMFESTIVAL