Onverfilmbare boeken

Onverfilmbare boeken

door Bob van der Sterre

Ulysses ♦ Zazie dans le Métro ♦ Majstor i Margarita

 

Ze hebben sommige regisseurs toch niet afgeschrikt om het toch eens te proberen. Denk aan de trilogie van Lord of the Rings. Hier films van drie andere boeken waarvan je niet begrijpt dat iemand het toch durfde.

Een onverfilmbaar boek is een boek waarbij de nadruk ligt op stijl of een ander literair idee. Zaken die niet te vertalen zijn naar het scherm. Tegenwoordig zijn romans netter, meer gepolijst, als het ware hebben de schrijvers ervan de contracten voor de film- of tv-productie al in het achterhoofd. In vroegere tijden golden andere wetten.

Niet achttien uur lang
Neem Ulysses, James Joyces roman uit 1922. De kortste synopsis: Stephen Dedalus, Leopold Bloom en Molly Bloom beleven een dag in Dublin. Hun karakters zijn gebaseerd op de karakters van Homerus’ Odyssee. Ulysses is een niet makkelijk te lezen boek. Meer literaire stijlen en grillige associaties vind je zelden in een roman.

In de jaren zestig kocht Joseph Strick toch de filmrechten van James Joyce’ Ulysses. Niet voor niets dat mensen er nog niet voor in de rij stonden om dat te doen. Zelden was een roman onverfilmbaarder.

In 1967 verscheen de film eindelijk. De reacties waren positief. En met recht. De film ademt veel zelfvertrouwen met z’n visuele vondsten en de combinatie van ernst en speelsheid – die heel goed past bij Ulysses. Bloom loopt een restaurant binnen, je ziet mensen eten en je hoort varkensgeluiden. Soms moet je zelfs denken aan Monty Python.

Het knappe is het evenwicht van vondsten en mensenportretten. In de kern blijven Bloom en Dedalus echte mensen met echte issues. Hoewel het budget laag was, hebben Strick en zijn crew zich overtroffen met het acteren en het camerawerk. Terwijl hij toch vond dat hij veel te weinig tijd had om het echt goed te doen.

Hoewel de film tammer lijkt dan Stricks The Balcony had Ulysses meer last van censuur. Daarmee was het een echo van de publicatieverboden rondom het boek destijds. Ierland hield het vertoningsverbod zelfs vol tot zo’n tien jaar geleden. De Britse censor in 1967 eiste 29 cuts in de film. Strick verving ze door blanco stukken met gruwelijke geluiden. De verbaasde censor liet de film toen maar compleet vertonen.

Godzijdank voor al die mensen heeft Strick niet vastgehouden aan zijn oorspronkelijke idee om de film achttien uur te laten duren. Wat een werk had dat wel opgeleverd voor censors? Er hadden er 100 alleen voor deze film moeten worden aangenomen.

Lichtvoetige coming of age
Een ander onverfilmbaar boek is Zazie dans le Métro. De lichtvoetige coming-of-ageroman van schrijvende wiskundige Raymond Queneau is een van de grappigste boeken die ik ken.

Zazie komt op bezoek bij haar oom, Gabriel, die misschien wel ‘hormoseksueel’ is. In elk geval is hij nachtclubdanser en woont hij samen met Albertine. Zazie bezorgt hem hoofdbrekens met moeilijke vragen over volwassenenonderwerpen en het aldoor weglopen, waarna ze in contact komt met Pedro de Dumpkoning en weduwe Mouaque.

En dan wil ze per se met de metro. Maar die staakt.

Wat er onverfilmbaar is aan Zazie dans le Métro uit 1959, is de schrijfstijl. Anders dan de sobere Nederlandse romans die al praktisch scriptklaar zijn*, zit deze roman barstensvol geestige stilistische vondsten die je niet in beeld kunt samenvatten. En dan is de roman gebaseerd op een haast onzichtbare wiskundige structuur (de Oulipogroep).

In 1960 waagde Louis Malle zich toch aan een verfilming. Hij was nog geen dertig en besloot brutaal dat hij het boek niet letterlijk wilde verfilmen, maar ‘filmisch hervertellen’.

De nadruk kwam te liggen op stijl. Neem de passage waarbij Zazie en Gabriel over straat lopen. De camera is 12 frames per seconde (in plaats van de gebruikelijke 24), de twee lopen extra langzaam, zodat het net lijkt of ze door hypersnel Parijs lopen.

Je ziet de invloed van deze film op bijvoorbeeld Jean-Pierre Jeunets Amélie. Dat is grensverleggend maar ook wel vermoeiend. De stripversie die een paar jaar geleden verscheen, blijft dichter bij het boek. Daarin komen de dialogen beter uit de verf.

Leuk om te weten: Queneau was zelf een groot filmfan en werkte mee aan diverse films, zoals een verfilming van zijn eigen roman La dimanche de la vie (regie Jean Herman) en films als La Grande Frousse en Un Couple (Jean-Pierre Mocky); Monsieur Ripois (René Clement) en Le Mort en ce Jardin (Buñuel).

De frustratie van een schrijver
Majstor i Margarita (1972) was een Italiaans-Joegoslavisch project van Aleksandar Petrovic om het beroemde boek van Michael Boelgakov te verfilmen.

Het boek, voltooid tijdens Michael Boelgakovs sterfbed, gaat over de frustratie van de schrijver om te leven in een literaire doodse periode als de jaren dertig in de Sovjet-Unie. De ‘meester’ is een toneelschrijver wiens toneelstukken nooit het daglicht zullen zien (zoals Boelgakov ook regelmatig overkwam). Hij heeft een toneelstuk over Jezus Christus en Pontius Pilatus geschreven. Tegelijk loopt Satan (Woland) met zijn vazallen (Azazello, Behemoth) rond in Moskou en straft hij alle bureaucraten.

Voor een geestig en fantastisch boek als De Meester en Margerita blijft er in deze filmversie jammer genoeg weinig enerverends over. De meester heet hier ineens Maksomoedov en succesvol, en het Pontius Pilatus-verhaal is praktisch afwezig. De film springt ook te saai om met de satire en humor van het boek.

Wat wel positief is, zijn de hoofdrollen van Ugo Tognazzi (de juiste integriteit), Alain Cuny (Woland: ‘Ze noemen me ook wel Beëlzebub of Lucifer’) en Mimsy Farmer (Margerita), hoewel die rol erg afwijkt van het boek.

De verfilmingen van dit boek lijken vervloekt. In 1994 maakte Yuri Kara een versie die pas in 2011 verscheen – nadat de kleinzoon van Boelgakov de verschijning alsmaar tegenhield. In 1996 maakte Sergey Desnitsky een andere versie, die zulke negatieve reacties opriep dat ze de film nooit in omloop lieten gaan. In 2008 verscheen een Italiaanse versie, zich afspelend in een hedendaags Florence (?). Ten slotte werd een animatieversie nooit uitgevoerd door geldgebrek.

Ik zie de komende jaren nog wel een ‘echte verfilming’ van een beroemde naam (Guillermo del Toro?). Als het maar niet wordt uitgevoerd door de mannen die nu de creativiteit remmen op basis van andere ideologie: de keiharde knaken. Dus de Berliozzen, Bobovs en Rimski’s van deze tijd. Laat die nou maar eens enorm opdonderen!

 

* Mompelde hier iemand Het leven is verrukkulluk van Remco Campert? Dat boek, dat hij schreef in 1961, is een regelrechte Queneau-rip-off! (Net als hoe Het Diner ‘sprekend’ lijkt op de film Festen, het boek meldt dat zelfs trots op de cover.)

 

6 juli 2020

 

Ulysses

 

Alle Camera Obscura

About Endlessness

****
recensie About Endlessness

Het is moeilijk om mens te zijn

door Bob van der Sterre

‘Het is al september.’
‘Hmmm.’
Met deze typische sketch van Roy Andersson begint zijn nieuwe film About Endlessness. Dat is sowieso een belevenis (zijn vierde in twintig jaar). Het was ook al zes jaar sinds zijn laatste film, het geweldige A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence.

Andersson films zijn onmogelijk uit te leggen. Geen films die de van ‘gewone’ films houdende kijkers zullen bekoren. Ze moeten zich voorbereiden op: 1. Vrijwel geen verhaal. 2. Trage scènes. 3. Amper bewegende beelden. 4. Karakters die figureren in de sketches (geen emotievolle close-ups). 5. De Zweedse zelfspot. 6. Zeer subtiele humor. 7. Zowel comedy als drama, mensen weten niet zeker welke van de twee. 8. Scènes in een take. 9. Immens gedetailleerde decors. 10. Vleugjes maatschappijkritiek. 11. Veel amateuracteurs. Ga zo maar door.

About Endlessness

Poëtisch? Filosofisch? Absurd?
Gelukkig hoeft film er niet alleen voor de grote gemene deler te zijn. Roy Andersson is daar duidelijk niet mee bezig. Hij maakte in 1970 en 1974 wel twee ‘normale’ films, nam toen een pauze als regisseur van 25 jaar (maakte vooral commercials voor tv), en maakte toen in 2000 (na vier jaar voorbereiding) het revolutionaire Songs from the Second Floor. Een artistieke hit. De film won de juryprijs in Cannes.

Songs from the Second Floor was de voorloper van de intussen vier films in dezelfde stijl. ‘Een slapstick-Ingmar Bergman’, typeert Village Voice hem, en dat is best aardig gevonden. Zijn eigen filosofie in een zin: ‘Het publiek moet zich niet te comfortabel voelen bij een film.’

De een noemt Anderssons stijl poëtisch, de ander filosofisch, en sommigen gebruiken een vaak misbruikt begrip als absurd. Wat het meest opvalt, is de hypercontrole op decor en acteurs. De acteurs zijn strikt geregisseerde figuranten in bewegende schilderijen. Filmschilderijtjes de vaak iets triests schetsen in een mensenbestaan. Het past dus ook dat zijn werk geëxposeerd is geweest in het MOMA in New York.

Tussen subtiele humor en triestheid
In About Endlessness borduurt Andersson verder op zijn vorige drie films. Ook hier weer een reeks sketches die gaan over onder anderen religie, oorlog, liefde en commercie. En ook hier het verbazingwekkende evenwicht tussen subtiele humor en triestheid.

Deze keer horen we een voice-over commentaar geven: ‘Ik zag vandaag een jongen op zoek naar liefde.’ Met weer een paar ijzersterke Anderssonesque scènes, zoals de man die bij een slager zijn ex-vrouw aanvalt en huilt: ‘Je weet toch dat ik van je hou?’ Haar antwoord: ‘Dat weet ik.’ Dan duiken de andere klanten op hem. Let op hoe de slager probeert mee te krijgen wat er gebeurt.

About Endlessness

Ook een prachtig beeld uit deze film: de twee mensen die boven een ruïnestad zweven. Of de scène dat nazi’s luisteren naar bombardementen terwijl een platenspeler aan blijft tikken (gebaseerd op het schilderij The End van Kukrynisky, een trio karikaturisten uit de Sovjettijd). De scène met de kruisdrager in de binnenstad doet dan weer denken aan Anderssons eigen film Songs from the Second Floor.

Is de film beter of minder dan zijn voorgangers? Het is niet te doen om zijn films met elkaar te vergelijken omdat ze zo gelijkwaardig zijn. Wie ze nog niet kende: beloon jezelf en ga ze kijken. Als je geduld hebt, krijg je er veel voor terug. Aan de andere kant is het misschien nu ook tijd voor Andersson om een nieuwe, revolutionaire stap in het duister te zetten. Andersson is weliswaar bijna tachtig, maar echt veel revolutionairen hebben we niet meer in de cinema. Probeer een keer een close-up of een ‘gewoon verhaal’. Verandering is gezond!

 

15 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

Strips en films

Strips en films

door Bob van der Sterre

Jeu de Massacre ♦ Kdo chce zabit Jessii? ♦ Condorman

 

De Marvelhausse van het afgelopen decennium heeft op gigantische filmschaal comics populair gemaakt. Van Thor tot Spiderman, van Daredevil tot Iron Man. Met strips hebben ze alleen weinig meer te maken. Anders dan deze drie obscure voorbeelden.

Strips: dan kunnen we niet zonder Frankrijk. De beste kandidaat: Jeu de Massacre (1967). Een film van de onderschatte Alain Jessua, die eerder in Camera Obscura figureerde met Traîtement de Choc.

Playboy Bob
De hoofdpersoon van dit verhaal is playboy Bob. Hij is superrijk maar heeft het brein van een kind. Dat merken striptekenaars Pierre en Jacqueline, op bezoek bij zijn moeders landhuis in Zwitserland, waar hij nog woont.

Bob is wat getroebleerd. Hij speelt spionagespelletjes met Pierre en Jacqueline. Hij heeft een aparte schietkamer. Vaart ie op een motorboot, scheert hij langs zwemmers en vissers.

Als hij dan gaat meedenken met de nieuwste strip van het duo, met in de hoofdrol een gewapende playboy, genaamd Le tueur de Neuchâtel (‘de killer van Neuchatel’), zou je op je hoede moeten zijn. Als dan de portemonnee wordt getrokken, overtuigt Pierre dat voldoende (Jacqueline haar mening doet er niet toe, dit is 1967). Maar wie A zegt, moet ook B zeggen.

Jessua maakte volle en intense films zonder compromissen. Dat maakt ze nog steeds de moeite waard om te zien. Jeu de Massacre won in 1967 de prijs voor het beste scenario in Cannes.

Een plus zijn de kleurrijke strips die af en toe langskomen. Die doen denken aan Iris, de legendarische Nederlandse strip van Lo Hartog van Banda en The Tjong Khing.

Ook sterk: de montage. Die is van het type dat iemand zegt ‘Ik ga naar hem toe’, om vervolgens meteen op een deur te kloppen. Daarmee ontstaat ook een stripeffect. En je kunt meer vertellen in je film.

Tweedimensionaal scherm
Kdo chce zabít Jessii
(of: Who Wants to Kill Jessie?) is van een jaar eerder, 1966 dus, uit Tsjechië. Om maar meteen de titel te beantwoorden: dat zijn de bad guys ‘Superman’ en ‘Pistolnik’. En dat doen ze in een strip voor een blad voor wetenschappers.

De sullige wiskundeleraar Jindrich Beránek leest die strip op een achternamiddag. Vervolgens droomt hij over de sexy Jessie. Zijn vrouw dokter Ruzenka komt net thuis met de wetenschap dat ze met een serum dromen kan manipuleren. Ze checkt Jindrich’ droom, ziet dat hij droomt over Jessie, en spuit hem in met het serum om hem beter te laten dromen.

Er gaat iets fout. Jindrich’ droom ‘ontstaat’ in het gewone leven. Heldin Jessie en ‘Superman’ en ‘Pistolnik’ lopen ineens hun appartement te slopen.

Het knappe van Who Wants to Kill Jessie? is dat de strip op grappige wijze is overgebracht naar het tweedimensionale scherm. Dat gebeurt met stripfiguren die praten via echte tekstballonnetjes (‘ploeesjj’ klinkt dan). Ze blijven ook dezelfde eendimensionale figuren als in de strip. Veel meer dan hun stripwereld snappen ze niet.

De vakkundige komedieregisseur Václav Vorlícek (vorig jaar overleden) wist wel hoe hij de grappen uit zo’n script moest uitbuiten, zoals hij ook deed met andere films (Konec Agenta 4WC en Pane, vy jste vdova!). Hoog tempo, veel geestigheid.

Maar ook subtiele geestigheid. Zoals bij de rechtszaak: ‘Ze zijn niet echt mensen. Noem ze visioenen. We kunnen de visioenen niet aanklagen maar wel hun dromers.’ Andere politieke grapjes: het omkopen van de gevangenisbewaarder, de nutteloze agent bij de rioolput, de van het overtollig bier profiterende medewerker (die het vuile werk mag opknappen).

De film begint met echte striptekeningen van striptekenaar Kája Saudek, die nog een echte strip zou maken (Muriel) op basis van de actrice die Jessie speelt (Olga Schoberová). Later kwam ze nog op de cover van de Playboy terecht.

Ja, de film is wat conventioneel maar de creativiteit in deze film (kleding, montage, sets) maakt dat goed. Een Amerikaanse filmversie met Jack Lemmon zou er nooit meer van komen toen de Sovjettanks eenmaal weer rondreden in Praag.

Spionageparodie
Wel Amerikaans is Condorman uit 1981. Woody Wilkins, de hoofdrolspeler van de film, springt van de Eiffeltoren in een poging ‘condorman’ te zijn, zijn eigen stripkarakter. Zoals het meer gekken vergaat: hij verzuipt bijna (in de Seine).

Woody mag al blij zijn dat hij wat simpel koerierswerk mag doen voor zijn CIA-vriend Harry. Hij moet iets naar Istanbul brengen. Wie zou niet een half krankzinnige dromer vertrouwen met zo’n klusje? Alleen een beste vriend, die zegt: ‘Woody, je bent een goede tekenaar, en je bent een goede striptekenaar, maar je bent waardeloos als vogel.’

Uiteraard komt Woody terecht in maffe avonturen als Sovjet-spionne Natalia wil overlopen. Ze wil ook dat Woody de overstap regelt. Daardoor krijgt Woody de CIA zo gek om hem echt zijn eigen stripheld condorman te laten zijn. Compleet met condorwagens en condorboten.

Aan de andere kant wil de Sovjet-spion Sergey Krokov juist alles voorkomen. Temeer Natalia zijn oude liefje is. ‘Heb je dit rapport over deze Condorman gezien? Deze man Wilkins? Hij is een amateur, hoor je? Hij is geen agent van de CIA! Hij is striptekenaar!’

Klinkt wel aardig, en de geanimeerde intro belooft wel wat leuks, maar de uitvoering laat veel te wensen over. Hoewel het verhaal gebaseerd is op de spionageparodie van Robert Shackley (The Game of X), hoewel Michael Crawford (erg geestig in The Knack…) condorman speelt, hoewel Barbara Carrera (Never say Never Again) zijn tegenspeelster is, en hoewel Oliver Reed Krokov is, en hoewel Disney een redelijk budget had, is het bij elkaar niet echt geslaagd en is het niet raar dat de film destijds flopte.

Een ding is wél memorabel: de achtervolgingsscène met vier zwarte Porsches. En de speedboatachtervolging met lasers gaat voor de cultprijs.

Oliver Reed liet zich tijdens de opnamen van zijn meest oliverreedsiaanse kant zien toen hij de deur van de helikopter opendeed om Barbara wat angstiger te laten kijken (dat lukte) en stomdronken zijn smoking in zee smeet (werd gered door een assistent).

Toegegeven, Condorman heeft diverse stripachtige actiescènes. Desondanks is de film niet veel strip. Laten we daarom eindigen met een uur lang hysterische Spaanse striphumor met Mortadelo y Filemón (1971). Wie weet nog hoe dit stripduo in het Nederlands heet?

 

6 juni 2020

 

Kdo chce zabit Jessii?

 


Alle Camera Obscura

Kleine, persoonlijke verhalen rond de bevrijding

Kleine, persoonlijke verhalen rond de bevrijding

door Bob van der Sterre

Landscape After Battle ♦ Le Vieux Fusil ♦ Arnhem: Het Verhaal van een Ontsnapping

 

75 jaar vrijheid! Soldaten en vrijheidsstrijders gaven hun levens om hier en elders de nazi’s weg te jagen. Camera Obscura wil er ook bij stilstaan. Dat doen we met drie films die persoonlijke verhalen van de oorlog vertellen. Ze spelen zich af rondom de bevrijding.

In Landscape After Battle (1970) beginnen we met triomfantelijke klanken van Vivaldi’s Vier Seizoenen. De Poolse bewoners van een concentratiekamp in Duitsland zijn door het dolle heen: ze zijn net bevrijd door de Amerikanen.

Wachten op de echte bevrijding
Zo makkelijk is het vervolgens niet om bevrijd te zijn. Want ze mogen niets. Wachten tot je weg mag gaan, geen wraak nemen, je niet ongans eten. ‘Geen gevangenis, geen vrijheid.’

Een van hen is Tadeusz Borowski. Een chaotische, intellectuele dichter. Zwaar getraumatiseerd door wat hij in het kamp heeft meegemaakt. Een al even getraumatiseerd meisje komt uit een ander kamp. In hun weirdness zijn ze voor elkaar gemaakt.

Hij beschrijft zijn wrange ervaringen. ‘De muziek in het kamp was geweldig, de nazi’s brachten de beste musici.’ En: ‘Ik herinner me de geur van haar haar toen ze me afranselde bij de nazi’s.’ Ze vertelt over de hare: ‘We zaten achter een kast verstopt. Ik maakte 28 razzia’s mee.’

Zoals veel van Andrzej Wajda’s films is ook deze zeer eigenzinnig. Het is deprimerend, dat zeker. Niemand wordt gespaard. Zelfs de kampbewoners niet. Maar van tijd tot tijd is de film schattig, romantisch en op een wrange manier grappig. Als ze vrijen, beschrijft ze haar vreselijke ervaringen en roept hij uit: ‘Om te leven, moet je vergeten!’

De desoriënterende film biedt verrassend veel close-ups. De acteurs hebben expressieve gezichten. Daniel Olbrychski (acteert nog steeds) als Tadeusz (schrijver van deze verhalen) en Stanislawa Celinska als Nina. Verder veel rook en kleur in de gewaagde cinematografie van Zygmunt Samosiuk.

En Polen was natuurlijk na de oorlog zo vrij nog niet. Dat bewees wel het lot van deze film. De geheime politie nam het materiaal in beslag want twee dissidenten hadden bijrolletjes gehad om wat geld te verdienen. De film verscheen pas in 1978 in de VS in de bioscoop. In Nederland zelfs nooit.

Tragedie in Frans dorp
Twee andere personen van wie de levens overhoop worden gegooid door de oorlog: Julien en Clara Dandieu in Le Vieux Fusil (1975).

Julien is chirurg in Montauban. Het is 1944 en de bevrijdingsstrijd rondom Montauban staat op punt om los te barsten. Daarom stuurt hij zijn vrouw en dochter naar Barberie. Daar heeft hij een landhuis. Daar komt toch nooit iemand.

Zal je net zien: vallen de SS’ers die ochtend het dorpje binnen om wraak te nemen op een verzetsdaad. Ze vermoorden iedereen. Daarna plunderen ze Juliens eigen landhuis.

Julien die nog moet bekomen van een enorme traumatische ervaring, ziet vervolgens de SS in zijn eigen huis lol trappen, zijn champagne drinken en zijn privéfilms bekijken. En hij wilde alleen maar zijn eigen vrouw verrassen met een bezoekje.

Hoe wraak te nemen? Julien is een mollige chirurg, geen superfitte rambo. Een voordeel: hij kent zijn huis als geen ander. Hij pakt zijn dubbelloops en posteert zich bij de waterput. Dat is een het begin van een duel tussen Julien en de SS’ers.

Wie de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk kent, herkent misschien waar dit incident op gebaseerd is: de tragedie in het dorp Oradour-sur-Glâne. De SS nam wraak op een verzetsactie door alles en iedereen in het dorp plat te branden. Ik ben er zelf ook geweest. Het is onthutsend om daar te lopen waar de misdaad plaatsvond en tegelijkertijd fascinerend omdat het dorp tegelijk een tijdmachine is: alles is zoals het was in 1944. Overigens is dit dorp in de film niet dat dorp: dat is Bruniquel.

De film is een prettige manier van geschiedvervalsing: nu komen de SS’ers er niet zo goed van af. Verder is het een redelijk recht-door-zee film van Robert Enrico (een regisseur die buiten Frankrijk nauwelijks bekend is). De film werkt vooral dankzij twee prettige acteurs, die bijna elke film waarin ze speelden sjeu gaven: Philippe Noiret en Romy Schneider. De grap is dat bij de opnamen destijds Schneider Noiret nauwelijks kon luchten.

Prettig acteren en echte Nederlandse boeren
We eindigen in Nederland. In Arnhem: het Verhaal van een Ontsnapping uit 1976 zien we ze eindelijk een keer correct: Duitsers die Duitsers acteren, Engelsen die Engelsen spelen en Nederlanders als Nederlanders.

De film verhaalt het persoonlijke avontuur van legerarts Graeme Warrack die na de mislukte operatie Market Garden in september 1944 gevangen werd genomen. Hij komt in een gevangenenkamp. De Duitsers vertrekken, hij verstopt zich, als de bevrijding te lang op zich laat wachten, vertrekt hij, komt bij een boerderij, krijgt een schuilplaats, probeert met een groep Britten te ontsnappen (mislukt), keert terug bij de boerderij (band met boerendochter), vertrekt opnieuw, om na talloze onderduikplaatsen eindelijk te ontsnappen.

Het plot verklappen is hier nauwelijks schokkend aangezien het hier verfilmde boek van Warrack in de winkel kwam. Dan weet je wel dat hij het er goed van afbrengt.

Een unieke productie: de omroepen NOS en de BBC produceerden in 1976 deze film samen. En zo authentiek als wat. Alles op locatie (Veluwe en Apeldoorn) met echte Nederlandse boeren – dat zie je al niet vaak in Engelstalige films. Toen het opeens ging sneeuwen, moesten ze dus ineens winterse scènes schieten.

Prettige acteurs ook. De actrice Marie-Louise Stheins acteert hier stukken menselijker dan Renée Soutendijk en Monique van de Ven dat ooit zouden doen. En ze was pas negentien. Stheins vertelde dat ze veel leerde van John Hallam die Warrack speelde. “Ik wist niet zo goed hoe met de camera om te gaan, of met het geluid, maar dat gaf hij me allemaal mee. Een lieve man en een geweldig acteur.” Het artikel over de film (en de film zelf) staat op NOS.

Al deze kleine drama’s geven ons een kans om te beseffen hoe belangrijk die bevrijding wel was. Misschien hebben we wat aan die moed en doorzettingsvermogen van toen als nu we balen dat we nu vanwege het coronavirus even niet meer op een terrasje kunnen zitten..

 

4 mei 2020

 

Arnhem: Het Verhaal van een ontsnapping


Alle Camera Obscura

Rare jongens, die aliens

Rare jongens, die aliens

door Bob van der Sterre

Doorways ♦ Luci Lontane ♦ El extraño caso del doctor Fausto

 

Natuurlijk, zegt de complotdenker, zijn er allang aliens onder ons. O ja, waar dan? Ze maken zich niet bekend, is dan het antwoord – in elk geval niet zoals in First Contact. Het kan ook anders. Drie obscure films waarin de aliens geen moeite hebben met hun aanwezigheid.

In Doorways (1993) zien we hoe ‘Cat’ plotseling op de aarde terechtkomt: midden op een snelweg. Niet zo handig. Dus belandt ze in een ziekenhuis.

Parallel universum
Dokter Mark beseft dat dit niet zomaar een patiënt is. Ze is bijvoorbeeld beresterk. En als hij even later bij de FBI is uitgenodigd en haar wapen ziet, weet hij het zeker. ‘Om dit te bedienen, moet je inktvishanden hebben.’

Cat is dus een alien. Eentje met een Frans accent ook nog. Ze ontsnapt en sleurt de dokter mee in het avontuur. Via een portal in de plee van een krottig gebouwtje leidt ze hem terug naar haar planeet… ook aarde! (Maar net even anders.) We zien dezelfde mensen. Ze doen ander werk dan op onze aarde.

Een mal gegeven, geënt op de theorie van parallelle universums. Je bent dus een alien en ook weer niet. Daar zijn ook mensen. En hier ook. Alleen zijn de mensen daar net even anders dan de mensen hier. En verloopt de geschiedenis net even anders. ‘Hoe oud was je toen het gebeurde?’ ‘Wat?’ ‘Die olieramptoestand in Australië natuurlijk.’ ‘O, die.’

Aardig idee, maar rommelige film en matig acteerwerk. De casting van Anne le Guernec als Cat is erg vreemd, met haar simpele alientaal in Frans accent, maar de hoofdrol van George Newbern is ook niet best. Het is praktisch cult. Het maanlicht en dan tellen met de vingers. ‘Twee… drie… vijf.’  ‘Je vergat vier.’ Vingers die elkaar strelen. Type fantasyfilm die zichzelf kwetsbaar opstelt en daardoor regelmatig belachelijk is. Kijk maar naar de Hells Angels op fietsen.

Opvallend is de aanwezigheid van een paar latere beroemdheden, zoals Robert Knapper (Carnivale, Cult en Twin Peaks: Return) als ex-alien-vriendje en Carey-Ann Moss, een paar jaar voor The Matrix, als partner van de dokter.

Wat is dan wel interessant aan deze film? Wel: het script is van… George R.R. Martin! De intussen superberoemde schrijver van The Game of Thrones had, als hij in 1993 had kunnen bevroeden hoe steenrijk hij later zou worden, deze film vermoedelijk links laten liggen (die hij ook nog produceerde).

Geen herinnering
Meer onhandige aliens zien we in Luci Lontane (Distant lights) uit 1987. Hier blijkt dat de aliens in een Italiaans stadje ineens het lichaam van recente overleden personen overnemen.

Dat merkt ook Barnardo Barnardi. Zijn zoontje zegt contact met zijn overleden moeder te hebben. Bernardo ziet zijn overleden vrouw in een of andere vage kelder, samen met een andere man die net is overleden. En die later opgepakt wordt omdat hij rauwe vis eet op een markt.

Bernardo raakt de kluts kwijt en zoekt naar de waarheid met vriendin Renata. Politie wil er ook meer van weten. Een auto-ongeluk. Silvia overlijdt voor de tweede keer. En Renata sterft ook.

De buitenaardse entiteit die Silvia bewoonde, bewoont nu Renata, en gaat bij Bernardo de vrouw spelen. Dus was ophangen (ze doet het steeds fout tot zijn ergernis) en lief zijn. Een kind op de wereld zetten. Bernardo is blij met haar aanwezigheid – ook al is ze dus eigenlijk een alien.

Ondertussen keren steeds meer aliens op aarde in lichamen van lijken. De politie en de dokter/burgemeester raken meer en meer de kluts kwijt. De oplossing: ze allemaal verzamelen en in een afgesloten ruimte douwen. Alleen: hoe weet je zeker dat iemand een alien is? Er is een check: ze hebben geen herinneringen.

Best aardige Italiaanse sciencefiction, had wel wat maffer gekund, maar in elk geval onderhoudend. Een remake van deze film zou goed passen bij onze tijd. Denk aan een fraaie scène dat ze waadt door een bad van blauw licht (The Neon Demon), het morbide en mysterieuze idee (Les revenants), of alle sombere toestanden (Dark). Voordeel: de 80’s muziek van Angelo Branduardi is toch al in de mode.

Tomas Milian speelt Bernardo Bernardi. Hij is ons drie jaar geleden ontvallen maar heeft als Amerikaans-Cubaans acteur in ontelbaar veel genrefilms gespeeld. Vooral westernfilms en keiharde misdaadfilms (Milano Odia, Roma A Mano Armata). Hij is ten onrechte totaal onbekend bij ons. Zijn biografie is de moeite van het lezen waard.

Hij zou Tomas Milian niet zijn zonder zijn hyperintense blikken. In het verhaal is zijn vrouw ook net overleden, dus het past hier. Laura Morante (La Stanza del Figlio) is trouwens ook best verdienstelijk als Laura.

Jongleren met Griekse mythen
In El extraño caso del doctor Fausto uit 1969 duikt de alien als een knappe dame op uit zee. Ze vertelt een verhaal, geen raadsel, zegt de voice-over specifiek, over waar ze vandaan komt.

Dr. Fausto ziet dat met een verrekijker. En dan ineens staat ze voor hem. ‘De sfinx.’ Dr. Fausto hoort stemmetjes zeggen dat hij de vrouw moet negeren maar dat kan hij niet. Ze is dan ook van een grote schoonheid.

Fausto wil wel een pact met de duivel sluiten om zijn leven wat vrolijker te maken. Figuren uit de ruimte bekijken hem en geven commentaar.

Que? zal het in 1969 in de filmzaal hebben geklonken. Je kunt het Faustverhaal nauwelijks pretentieuzer filmen dan regisseur, schrijver, acteur en verteller Gonzalo Suarez deed in 1969. Deze film is er zo een waarvan Suarez dacht: ik ga geen enkele concessie doen aan het publiek. Lekker jongleren met Griekse mythen. Mephistopheles, Heleen van Troje, enz.

Aan eigenzinnigheid dan ook geen gebrek. Je ziet een oud vrouwtje klappen terwijl een violist bij het hoofd van een vrouw speelt in een krappe ruimte behangen met lappen. Close-up van een giraffe. ‘Toen ontdekte hij dat de nek van de giraffe van de binnenkant groeide.’ Man doet radslagen op een dak. Faust voert vrouw sigaret. Mephistopheles tafeltennist minutenlang met alienvrouw.

In hun poging mysterieus te zijn, maken dit soort films letterlijk alles bevreemdend. Met een zwabberige cameravoering en maffe montage ziet alles er al snel suggestief uit.

Vooruit, er is ook wel wat te genieten: in de montage zit veel vrijheid en vrolijkheid (alleen al de tafeltennisscène). En zulke radicale eigenzinnigheid zie je niet elke dag. Iemand als David Lynch heeft deze film vast bij zijn favorieten staan. Wie zich sterk genoeg voelt, kan zelfs misschien genieten van deze film.

Moraal van het verhaal: aliens zijn rare snuiters maar mensen… nog veel vreemder.

 

11 april 2020

 

Luci Lontane

 


Alle Camera Obscura

Exotische Sherlocks

Exotische Sherlocks

door Bob van der Sterre

Priklyucheniya Sherloka Kholmsa i doktora Vatsona: Sobaka Baskerviley ♦ O Xango de Bakerstreet ♦ Sherlock Holmes and a Study in Scarlet

 

Al die Amerikaanse Sherlocks! Twee jaar geleden zagen we Will Ferrell als Sherlock en John C. Reilly als Holmes. Je vergeet bijna dat Sherlock Brits is. Er is meer heiligschennis, en wat opvalt: die films zijn helemaal niet slecht. Drie exotische Sherlocks.

Priklyucheniya Sherloka Kholmsa i doktora Vatsona: Sobaka Baskerviley (oftewel het niet minder lange The Adventures of Sherlock Holmes and Dr. Watson: Hound of the Baskervilles) is het beroemde mysterie van de ‘Hound of Baskervilles’. Twee delen, 151 minuten, in 1981 voor de Sovjet-Russische tv gemaakt.

De beste vertolkers van Sherlock en Watson
Het verhaal van de hound van Baskervilles is menigeen wel bekend. Het is Conan Doyles bekendste verhaal van Sherlock Holmes. Toch maar een kleine synopsis. Sir Charles Baskerville is pas overleden. Een dokter die Holmes bezoekt, vertelt dat hij werd achtervolgd door een enorme hond. De Hond van Baskervilles dus. Die doolt al eeuwen rond in de heidegebieden rondom het familiehuis.

De bedienden gedragen zich merkwaardig, ontdekt Watson, die door Sherlock Holmes vooruit is gestuurd. Holmes lost het raadsel later op zijn eigen, typische wijze op.

Het is aanvankelijk vreemd om Russen te horen praten over cockerspaniëls, Charing Cross Station, Charles Baskervilles. Als een soort alternatief universum waar Russen Brits zijn geworden. Het went.

De film is sowieso een uitstekende kandidaat om een winterzondag aan te offeren. Want het ziet er prachtig uit. Door het lage tempo (en het sterke acteerwerk) krijg je die ouderwetse Conan Doyle-sfeer die je vaak mist in de meer populair bedoelde westerse producties. Dit verhaal laat ook geen detail onbenut. Zeker het stuk met de hond en de heide zijn mooi gedaan. De hound is trouwens slim gecreëerd met een geverfde schedel op een hoofd van een hond.

En Vasily Livanov is een topcast als Zherlokkolmz. Hij is een klassieke Holmes. Zonder de maniertjes van bijvoorbeeld Basil Rathbone, die Holmes wereldberoemd maakte. Vitali Solomin is ook niet verkeerd als Watson. Geen wonder dat beiden door liefhebbers worden beschouwd als de beste vertolkers van Sherlock en Watson.

En dan is er nog Nikita Michalkov als ‘Sir Genry’, dus de Henry Baskerville om wie het allemaal gaat. Michalkov is altijd uitzinnig in zijn rollen. Hij past hier goed als tegenspeler van de ingetogen Sherlock en Watson.

Word je net zoals veel Russen in de jaren tachtig fan van deze Sherlock? In 1980, 1983 en 1987 zijn drie andere series gemaakt. Ook met Livanov en Solomin. Nog meer zondagen om aan te spenderen! Lees het verhaal over al deze producties in ‘het curieuze incident van de Russische Sherlock’.

Braziliaanse Sherlock
Is een Russische Sherlock al vreemd, wat te denken van een Braziliaanse? Dat is O Xangô de Bakerstreet (‘De samba van Baker Street’).

In 1885 is een bepaalde Stradivarius-viool spoorloos. Een seriemoordenaar doodt jonge vrouwen met de snaren van de Stradivarius. Sarah Bernhard, die in Brazilië optreedt, raadt aan om Sherlock Holmes in te huren.

De Braziliaanse zon en salsa zijn wel wat anders dan de motregen op Baker Street. Je krijgt een opgewekte Braziliaanse komedie (met een paar grimmige momenten). De film is dan ook niet gebaseerd op een verhaal van Conan Doyle, maar op een boek van Jô Soares. Dat is een Braziliaanse schrijver. Hij gebruikte het Sherlockverhaal als kussentje om satirische speldenprikken over de Braziliaanse cultuur op te kunnen prikken.

Joaquim de Almeida (Desperado en Clear and Present Danger) is hier de Sherlock Holmes. Even vloeiend in Engels en Portugees, charismatisch acteur, een logische keuze. De film is best grappig, zelfs geregeld over de top – wat je mag verwachten van een parodie.

De liefhebber moet wel klaar zijn voor wat Sherlock-zelfspot. Heel wat heilige Sherlockhuisjes worden hier omver getrapt. Deze klunzige Sherlock Holmes vindt zijn minnares belangrijker dan de zaak (ze doen het midden in een park) en zoekt steun bij sjamanen. Watson is nóg klunziger dan normaal. En Mello Pimento is nu eens geen domme Lestrade.

De film vermaakt maar had wel een stuk korter gekund (het boek schijnt beter te zijn). Het meest opmerkelijke is dat dit een tweetalige film is. In 1997 al gereleased als Engelstalige film A Samba for Sherlock (en Sarah Bernhard praat trouwens Frans).

Geanimeerde Sherlock
Maar het kan nog exotischer! Letterlijk aan de andere kant van de wereld van waar Sherlock vandaan komt: een geanimeerde Australische Sherlock uit 1983… We hebben het over Sherlock Holmes and a Study in Scarlet.

In dit verhaal moet de moord op een rijke kerel worden opgelost. Die is vergiftigd. Door wie? En waarom staat er Rache in bloed op de muur? Is dat omdat het een moord is door ene Rachel, zoals Lestrade vermoedt?

Sherlock zal Sherlock niet zijn als hij alles al snel in de smiezen heeft (dankzij voetsporen) en al weet wie de dader is. Alles draait om wraak. In het tweede deel van deze animatie zien we de ontstaansgeschiedenis van deze wraak. Die begint helemaal in Salt Lake City.

De verfilming is redelijk trouw aan het verhaal, ook al zit er een groot verschil in: in dit Conan Doyle-verhaal ontmoetten Sherlock en Watson elkaar voor het eerst, maar dat zien we hier niet. En dus Australisch, maar verwacht geen Sherlock met een Aussi-accent. Deze Sherlock is ingesproken door Peter O’Toole. Naast deze episode zijn er nog drie andere te vinden.

Kan het exotischer? Ja, want zelfs het land van Der Alte en Derrick deed ooit een witty detective in Baker Street! Kijk en geniet/huiver (doorstrepen wat niet van toepassing is).

Misschien is het nu wel tijd voor Sherlock om eens terug te keren naar huis voor een prachtig stukje Britse slow-cinema. Kom op, Britten!

 

9 maart 2020

 

Priklyucheniya Sherloka Kholmsa i doktora Vatsona: Sobaka Baskerviley

 

Alle Camera Obscura

Ben ik de dader?

Ben ik de dader?

door Bob van der Sterre

Le Voleur des Crimes ♦ The Blue Gardenia ♦ Nightmare

 

Je hebt veel domme moordenaars in films, maar een van de allerdomste soort is wel de man of de vrouw die het niet heeft gedaan maar ervan overtuigd is dat hij of zij het wel heeft gedaan. Met name Amerikanen blijken goed overweg te kunnen met zulke verhalen.

In Le Voleur des Crimes uit 1969 zien we de geesteszieke Jean (Jean-Louis Trintignant) een jonge vrouw bespieden. Ze hadden een vaag afspraakje gemaakt, vandaar dat hij daar staat. Dan pleegt ze zelfmoord door haar auto in een ravijn te rijden.

Opscheppende maniak
Jean schrijft brieven naar de krant waarin hij opschept over de moord, waarschuwt de politie dat bij een zwembad weer een moord gepleegd wordt (en hij is daar dan ook) en oefent alvast hoe het is om met zijn handen geboeid te zijn. ‘Ik kan jullie onderdanigheid niet meer verdragen, jullie zijn allemaal slaven.’ Zulke gedachten gaan door het asociale hoofd van Jean. Het helpt natuurlijk niet dat sommige vrouwen gefascineerd raken door ‘de romantische geest’ van de maniak.

Jean betrekt zelfs zijn beste vriend in zijn misdadige fantasietjes. Hij droomt van een heldenrol tijdens een rechtszaak. Krantenkoppen met chocoladeletters: ‘De politie heeft de maniak omsingeld.’ Hij geniet ervan. Als hij een vrouw achtervolgt, zegt hij: ‘Haar angst was de mijne, we waren partners in haar moord.’ Aardig om te zien hoe hij zijn eigen getekende profielschets aanpast in een versie die meer gelijkenis heeft.

De film, geschreven en gefilmd door Nadine Trintignant – de vrouw van Jean-Louis – is redelijk maf maar toch net niet briljant. Toch, in een door mannen gedomineerde wereld, is het wel eens aardig om een thriller van een vrouw terug te zien. De score met Latijnse gezangen in een jarenzestigrockjasje is in elk geval eigenzinnig genoeg.

Verrassend actueel is de film ook – sinds Netflix een hausse van series over twijfelachtige bekentenissen over ons uitstort. Een ander pluspunt is de sleutelrol van Florinda Balkan (in de film ook Florinda, lekker makkelijk) – die zo’n mooie en belangrijke rol had in Indagine su un cittadino al di sopra di ogni sospetto. Haar oogopslag behoort tot het meest sensuele die cinema te bieden heeft.

Vergeetachtige vrouw
In The Blue Gardenia (1953) zien we hoe Norah Larkin (Anne Baxter) na een lange nacht twijfelt of zij misschien de dader is. Op een avond eet ze alleen, maar met de foto van haar verloofde (in Korea gestationeerd). Dat is gezellig tot ze een brief van hem leest dat hij met een ander is.

Het romantische ideaal is zo kapot geknald dat ze spontaan een date accepteert met Harry Prebble. Tekenaar van vrouwen op haar werk (telefooncentrale) en geroutineerde vrouwenversierder. Een date in de Blue Gardenia, waar ze een gelijknamige bloem krijgt uitgereikt. Ze raakt stomdronken door de cocktails die Prebble aan de lopende band blijft trakteren.

De volgende dag is Prebble dood. Norah weet vrijwel zeker dat zij hem vermoord heeft, want toen hij haar wilde kussen, verzette zij zich. Maar het moment van de moord kan ze zich niet herinneren. Ze praat erover met de beroemde journalist Casey Mayo. ‘Kan ik je vertrouwen?’ ‘Natuurlijk kun je me vertrouwen!’

In deze film van Fritz Lang vind je een paar verrassende beelden van onder invloed zijn (spel met lenzen), mooie zwart-witstudioshots, sterke vrouwenrollen, een paar grappige dialogen, een klassieker van Nat King Cole en de drie telefonistes die samen in een huis wonen: een film die dus erg prettig wegkijkt. Niet echt briljant, Fritz Lang heeft betere films gemaakt, meer ‘aardig’. Hier en daar word je wel verrast met snedige oneliners: ‘Lucky girl… living a life of passion and violence.’ Of: ‘What’s the problem with your modern men… you can’t hold your liquor.’ En natuurlijk de klassieke zin: ‘Polynesian Pearl Diver and don’t spare the rum’ (gequoot in Django Unchained).

Melodie in nachtmerrie
In Nightmare (1956) denkt jazzmuzikant Stan Grayson (Kevin McCarthy) dat hij een moordenaar is na een nachtmerrie om u tegen te zeggen: een ruimte met alleen spiegels, waar hij een man met het stelen van iets betrapt, in gevecht raakt, hem doodt, zichzelf verbergt, in een zwart gat valt en… badend in het zweet wakker wordt.

Hield Grayson het maar bij een droom, maar nee, hij ‘gaat op onderzoek uit’, wat wij horen via zijn gedachten. Dat komt door duimafdrukken die hij bij zijn keel vindt, beetje bloed op zijn pols en het vinden van een onbekende sleutel. Gelukkig is zijn zwager detective Rene Bressard (Edward G. Robinson). Die reageert nuchter: ‘Je bent zo’n kunstenaar met een artistiek temperament, je drinkt te veel.’ Advies: ‘Neem een vakantie.’

Grayson hoorde ook een melodie in de nachtmerrie. Hij gaat alle bars langs: geen succes. In een huis waar ze zich verbergen tegen de regen, hoort hij toevallig die tune als de plaat langzamer wordt afgespeeld. En daar ook ineens de kamer met de spiegels! Heeft Grayson misschien toch een moord gepleegd? En heeft zijn mysterieuze buurman er toevallig iets mee te maken?

De titel is weliswaar te gewoon voor woorden en de film leunt hevig op het toen populaire noir-genre; toch is er ook veel moois. Een fantastische opening. Originele locatie: New Orleans. De film imiteert soms een swingende stijl (diagonale shots, hysterische jazzmuziek, losse dialogen) en ook al is het allemaal verre van Orson Welles, vergelijk het eens met The Stranger van tien jaar ervoor, vind ik dat voor 1956 toch al heel wat.

En dan nog wat smakelijke dialogen:
– Sorry, ik dacht dat je iemand anders was.
– Niet echt origineel, maar voor een begin is het oké.
– Nee, ik dacht echt dat je…
– …iemand anders was. En dan zeg ik: is dat zo? En dan zeg jij: ja. Die kennis van mij lijkt sprekend op jou.
– Van de rug gezien.
– Van de rug gezien, natuurlijk! En snel daarna zit je naast me en drinken we een glaasje samen. Waarom slaan we de opening niet gewoon over?

De zelfbeschuldigers van moord zijn er als de kippen bij om de schuld op zich te nemen, maar een gratis drankje slaat niemand af.

 

10 februari 2020

 

The Blue Gardenia


Alle Camera Obscura

Een glaasje teveel

Een glaasje teveel

door Bob van der Sterre

Wanda ♦ Tales of Ordinary Madness ♦ Absinthe

 

Bij de overgang naar een nieuw jaar vloeit de drank meestal rijkelijk: wijn, champagne, wat dan ook. Tijd dus voor films over drank. Daarbij ligt zelfdestructie altijd op de loer – en ook bovengemiddelde acteerprestaties. 

Wanda uit 1970 is een portret van een merkwaardige vrouw. Ze is persoonlijkheidsloos. Op een dag valt ze in slaap in de bioscoop, komt terecht in een bar die net beroofd wordt en gaat mee met de haar commanderende berover, een man met gezondheidsklachten. Ook al zegt hij nooit iets vriendelijks, ze blijft bij hem.

Verrassend somber
De film focust aldoor op haar: een verre van heldhaftige vrouwenrol. Hoe ongelooflijk nonchalant zoals ze zegt: ‘Bezwaar tegen de scheiding?’ ‘Nee hoor. De kinderen zijn beter af met hem.’

Waar doet dit me toch aan denken? Ja: het lijkt verdomd veel op de moderne arthouse. Een persoon constant in beeld. Die persoon torst veel leed met zich mee. Tempo ligt laag. Charmante karakters? Uitgesloten. Het is wel frappant dat mensen in verschillende tijden precies dezelfde stijl nastreven. Alleen was dit nog het pure werk.

Desondanks is het best een opmerkelijke film over een vrouw die alle plezier in het leven verloren lijkt en voor wie alcohol nog het enige redmiddel is. Dat is wel een bijzonder onderwerp. Verrassend somber bovendien; de treurnis spat ervan af. Iets té somber naar mijn smaak.

Barbara Loden – getrouwd met de legendarische producer Elia Kazan – schreef en regisseerde Wanda én speelde de hoofdrol. Ook dat is tamelijk uitzonderlijk. Ze had in feite maar in twee films gespeeld, tot ze plotseling met pensioen ging als actrice. Dat werd in 1970 ineens onderbroken om terug te keren met deze totaal eigenzinnige film – de enige die ze ooit maakte.

Charles Bukowski
In Tales of Ordinary Madness uit 1981 volgen we Charles Bukowski (alias dichter Charles Serking) op zijn pad van seks en drank.

Dat gaat niet altijd goed. Een vrouw, Vera, nodigt hem uit voor seks en beschuldigt hem van misbruik. Weer uit de cel komt hij Cass tegen (Ornella Muti). Ze is depressief door haar akelige huwelijk, hij door zijn situatie. Zelfdestructief zijn ze allebei. Vanaf dat moment horen ze bij elkaar als kop en schotel.

Ook al gaat de film over een dronkenlap, dat betekent niet dat menselijke gewoonten barbaars zijn. Een typische Bukowski-scène is als hij Cass meeneemt naar het huis waar zijn ex-vrouw nog woont. Voor niemand een probleem. Op een ander moment komt hij er binnen om iets alcoholisch te zoeken terwijl ze met haar nieuwe vrijer in bed ligt. Geen ruzie. De nonchalance in deze film komt heel aardig overeen met die in Wanda.

Tales of Ordinary Madness vind ik een van de betere Bukowski-romans, aangezien hij wat harder treft in de emoties dan anders. Soms erg lief en teder, soms schokkend en gewelddadig – maar nooit als je het verwacht. Even onvoorspelbaar als een dronkenlap.

Tel daarbij op het geweldige acteerwerk van Ben Gazzara (vooral bekend van zijn bijrol als Jackie Treehorn in The Big Lebowski) en je hebt een erg goede film in huis. Hij zwalkt niet alleen overtuigend, maar is ook levensecht van de wereld, zoals hij op een kantoor blikjes gaat gooien, of gewoon bij een huis binnenloopt om seks te hebben.

Gazzara (overleden in 2012) is nu zowat vergeten maar was een echte filmster in zijn tijd, in de subtop van Hollywood. Vooral met John Cassavetes was hij een sterk duo: The Killing of a Chinese Bookie, Opening Night en Husbands. Ornella Muti als Cass, vaak gebruikt als seksfilmactrice, paste ook verrassend goed in deze film.

Bukowski was zelf niet zo tevreden over deze film. Terwijl hij alle redenen had om het wel te zijn. Al was het niet om hoe Ben Gazzara speelt, dan wel om de regie van Marco Ferreri, die heel wat mafs heeft gemaakt in zijn leven (denk aan Dillinger è Morto, La Grande Bouffe of Storia di Piera) maar hier zijn talent functioneel opstelt ten opzichte van het verhaal.

Drinken voor inspiratie
En dan de (denk ik) oudste film over drankverslaving: Absinthe. De film uit 1914 – een tijdgenoot van Cabiria en Chaplins Caught in the Rain – was een poos spoorloos totdat Eye Filmmuseum het terugvond.

De film vertelt in amper twaalf minuten een verhaal over een kunstenaar, Jean Dumas, die met zijn vrienden graag meegaat naar een kroeg. Hij bezwijkt daar voor de verleidingen van absint.

Jean Dumas trouwt met een vrouw die hem bewondert. Als hij geen inspiratie heeft, is absint drinken met zijn vriendjes wederom een goede oplossing. Op een dag laat hij zijn vrouw zitten en dat vindt ze niet leuk. Ze laat haar ring liggen bij het café. ‘Bewijs maar dat je liefde voor mij groter is dan je verslaafdheid aan absint.’

Een internationale productie. Deze film van de Ierse regisseur Herbert Brenon was de eerste Amerikaanse film die in Frankrijk is gemaakt. Je ziet er overigens niet meer van dan een Frans café.

Is het goed voor 1914-begrippen? Behoorlijk theatraal, en het verhaal het niveau van een Postbus 51-spot (maar met plot!). King Baggot speelt de drankverslaafde vooral erg intens en Leah Baird speelt zijn boze vrouw, tja, boos. Baggot en Brenon waren al aan elkaar gekoppeld in het vermoedelijk wat betere Ivanhoe van een jaar eerder.

Aardig zijn de beelden van wat men toen onder een atelier verstond, vol mensen en modellen. En hoe rommelig de huizen eruitzagen!

Maar absint dus, toen het nog niet verboden was, net zoals nu weer. Dat bewijst hoe lang alcohol al is verbonden aan cinema.

 

7 januari 2020

 

Tales of Ordinary Madness

 

Alle Camera Obscura

Deerskin

****
recensie Deerskin

Praten met je jas

door Bob van der Sterre

Na Realité (film van het jaar 2014 bij Indebioscoop.com) waren de verwachtingen rondom muzikant/regisseur Quentin Dupieux hooggespannen. De misdaadkomedie Au Poste (met Benoit van Poelvoorde) is redelijk geruisloos langs iedereen geslopen maar met Deerskin (originele titel Le Daim) keert hij weer terug op zijn inmiddels vertrouwelijke absurdistische plek in het filmhuis.

Georges koopt een jas van origineel hertenleer à € 7.500. ‘Wow! Geweldig! Godverdomme!’ Hij krijgt er een camera bij. Georges is net gescheiden en neemt in een dorp in de Alpen een kamer in het lokale hotel. ‘Wat ben je van beroep?’ ‘Filmmaker.’

Deerskin

In de kamer begint de jas tegen hem te praten – met de stem van Georges zelf. Hij wil het enige jack van de planeet zijn. ‘Ik wil met jou over straat lopen zonder andere jacks tegen te komen.’ ‘Dat is grappig: ik wil de enige persoon ter wereld zijn die een jack draagt.’

Wel een lastige missie voor Georges, maar hij houdt zo van zijn jas dat hij voor een film mensen hun jassen laat uitdoen (en ermee wegrijdt). Alle jassen ter wereld verzamelen, gaat wel tijd kosten, legt hij aan zijn eigen ongeduldige jas uit.

Hij laat zijn resultaten van zijn filmpjes zien aan afgestudeerd filmstudent Denise. Ze ‘snapt waar hij heen wil’ en doet hem een broek van hertenleer cadeau. ‘Wow! Geweldig! Godverdomme!’

Absurdisme en symboliek
De film zal vooral in de smaak vallen bij mensen die dol zijn op absurdisme en symboliek. De film gaat over jagen – zoveel is duidelijk. Neem het incident met de hotelreceptionist, of het uitschakelen van het toekijkende joch, het volgen van mensen, of wat er later in de film allemaal gebeurt.

Daar past ook bij hoe wereldvreemd Georges is. Hij begrijpt niets van dingen als seks, kunst, geld. Je ‘normaal’ gedragen als mens; hij weet niet hoe hij dat moet doen. Het lijkt of hij voor het eerst hoort over computers. Eten? Hij voedt zichzelf met wat hij hier en daar bij elkaar schooiert. Georges lijkt langzaam van een angstig hert te veranderen in een predator – juist nu hij zijn hertenleer aan heeft.

Hoe je alles moet interpreteren – en hoe fatalistisch dit einde wel weer is – dat is aan de kijker zelf. Een bekwaam essayist kan hier denk ik wel wat met thema’s als man/vrouw, kapitalisme, filmkunst (ook hier weer een film in film), lichaam/vacht. Met de jas als mensenvacht en ‘eten of gegeten worden’ (dog-eat-dog-world) kun je ook leuk spelen in je essay.

Details zijn goed verzorgd, zoals acteurs en muziek. Jean Dujardin speelt een gedenkwaardige hoofdrol als jassenprater Georges. De rol laat zien dat hij veel soorten komedie aan kan, na rollen als simpele surfer in Brice de Nice, uitgerangeerd filmster in The Artist, dwaze spion in de OSS-films en dronken schrijver in Le Bruit Des Glacons. Adèle Haenel past ook goed in de film als zijn vlijtige student. En Dupieux, als muzikant, kiest ook geweldige muziek uit. Dit keer een hoofdrol voor de fraaie track The Long Wait van Morton Stevens (1969).

Deerskin

Loop
De verbazingwekkende scripts trekken toch de meeste aandacht. Het is frappant hoe in films van Quentin Dupieux het einde sterk met het begin te maken heeft – alsof het alsmaar blijft doorgaan in een loop. Dat zag je ook in Realité en in Wrong. Een film verloopt chronologisch maar je hoeft het niet chronologisch te vertellen. De verwijzing naar Pulp Fiction in deze film is ook allerminst toevallig.

Is Deerskin dan de film van 2019 zoals Realité dat was in 2014? Nee. Misschien is het jammer dat er maar een dominante scriptlijn is (het verhaal van de jas) waar er in Realité veel meer scriptlijnen waren, wat meer tempo en variatie bood. Deerskin is in dat opzicht wat trager. Toch werkt Dupieux zo gestaag verder aan een fascinerend oeuvre van absurde, mysterieuze verhalen als ‘De David Lynch van de comedy’, zoals zijn bijnaam luidt. Je kunt toch niet snel een andere film verzinnen over een hertenleerverslaafde gek die met jassen praat.

 

16 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Seksfilms die geen seksfilms zijn… of toch wel?

Seksfilms die geen seksfilms zijn… of toch wel?

door Bob van der Sterre

Le journal intime d’une nymphomane ♦ Misty ♦ Thundercrack

 

Het is een curieus genre: de artistiek bedoelde seksfilm. Zijn het films die met veel bloot een menselijk verhaal vertellen, of toch een excuus voor pornografie? Drie films die dat raadsel niet oplossen.

In Le journal intime d’une nymphomane uit 1973 is Linda Vargas stripper. Ze laat zich na haar werk trakteren door ene Ortiz. Hij valt in slaap, zij belt de politie dat er een meisje dood is aangetroffen. En snijdt vervolgens haar eigen keel door.

Een dode nymfomane
Mevrouw Ortiz gelooft in zijn onschuld. Ze bezoekt een hertogin die Linda goed kende. Linda zou nymfomane zijn geweest. Alles staat in een dagboek. Dat ligt bij een vriendin – eentje die vaker naakt rondloopt dan gekleed – en die maakt mevrouw Ortiz duidelijk dat Linda Vargas een hels leven heeft geleid. Dat kan haar daad verklaren.

De kenner van ‘eurotika’ heeft al door wie de regisseur van deze film was: de zes jaar geleden overleden Jess Franco. De man die zo’n 180 films maakte – gemiddeld zes per jaar – en ook materiaal van de ene film in de andere gebruikte.

Le journal intime d'une nymphomane

Oftewel: een (ranzige) Ed Wood van de jaren zestig en zeventig. Dus… camera (per ongeluk?) achter een glas. Mensen die in de camera staren (en zwaaien). Linda staat achter een raam, loopt naar voren, vervolgens staat ze weer achter het raam. Monserrat Prous moet een meisje spelen (draagt paardenstaarten) maar is een volwassen vrouw. Zinnen als: ‘Wanneer ik depressief ben, denk ik aan een enorme erectie.’

Is de film dan misschien wel een geslaagde studie van een nymfomane? Je leert er niets van. Een erotisch meesterwerk? Ook niet. Wat je wel ziet, is niet erotisch. Zelden zag je een regisseur met minder talent voor een genre consequent films blijven maken in dat genre.

Toch is de film ook op een bepaalde manier grandioos. Franco wist knappe vrouwen als Montserrat Prous, Jacqueline Laurent en Anne Libert aan zich te binden. De muziek is ook aantrekkelijk. Vladimir Cosma en Jean-Bernard Raiteux verspilden hun talenten aan deze film. En Gérard Brisseau biedt als cinematograaf af en toe best leuke shots. Zoals de close-up van de hertogin met haar zonnebril op en de scène in een reuzenrad met zicht op een Spaans betonnen dorp.

Een zwervende dame
Misty uit 1976 biedt een heel ander soort verhaal. Misty is een zwervende dame die op een dag komt binnenlopen in een soort commune. Ze is op zoek haar moeder die daar ooit woonde. Die is er niet maar een boel andere mensen wel.

Ze krijgt contact met een van de bewoners: een biseksuele kunstenaar. Daarna met haar vriend. En daarna met haar vriendin. En dan met nog meer mensen. Kortom: Misty maakt wat los bij mensen.

De acteurs zijn redelijk beperkt en het verhaaltje is simpel – toch is Misty bijna een hoogvlieger in het seksfilmsgenre. Dit is namelijk een film met een hart: lieve mensen en hun gevoelens. Mary Mendum speelt ook prima als Misty, zoals ze ook deed in The Image van Ralph Metzger een jaar later. Geen wonder: ze was ooit theateractrice. Frappant dat dit praktisch haar laatste rol was – kennelijk vond ze het wel genoeg.

Misty

En ja, af en toe hebben de acteurs (echt) seks met elkaar. Maar dan zonder smerige details. Een soort pornografie zonder de verplichte figuren. Bovendien heeft Misty ook van-mens-tot-mens-gesprekken en zie je karakters met passies voor kunst en religie.

Typisch een film van Joseph W. Sarno – een van de weinige seksfilmregisseurs die aandacht van critici kreeg (net als Randy Metzger trouwens). Sin in the Suburbs (1964) en Confessions of a Young American Housewife (1974) zijn een paar klassiekers van zijn hand. Zou het karakter Harvey Wasserman in de serie The Deuce op hem zijn gebaseerd?

Zes mensen op de prairie
Van het lieve Misty naar de gekte van Thundercrack! (1975). Een film die soms in de bakken van de arthouse terecht komt, soms in die van de pornografie. De kenners zijn het er nog steeds niet over eens.

Een zestal mensen is gestrand in een huis in de prairie. Ze zoeken dekking voor een wilde gorilla. Een dame, type (bijna) knettergek, belooft eten klaar te maken voor de gestrande mensen. Na een onderonsje in de huiskamer willen ze zich opfrissen in de badkamer. De een na de ander gaat tekeer op deze badkamer. Daarna vertellen ze over hun levens en gaan ze op andere plaatsen ook weer tekeer met elkaar.

Thundercrack! is soms best grappig (de over de top dialogen) en soms het materiaal van nachtmerries. Dat laatste komt door de ranzige inhoud, de immens slechte kwaliteit en de griezelige vrouw des huizes (actrice Marion Eaton met rare wenkbrauwen). Voeg daar heftig besnorde jaren zeventig mannen aan toe, een claustrofobisch gevoel, experimentele ‘muziek’, parodieën op psychologische trauma’s en je nachtmerrie is daar. Had je het zo willen maken, zou het je nooit lukken.

Het zou aanvankelijk alleen maar een korte pornofilm worden. Dat veranderde na de komst van schrijver/pornoregisseur George Kuchar. Die schreef een soort pornohorrorkomedie van bijna drie uur. Een one of a kind – vooral omdat het nauwelijks na te doen is. Neem de maffe dialogen: “What have you got against beatniks?” “Well, for one thing, their bongo drums.” / “My son… OUR son no longer exists.” “Oh, I’m really sorry. I didn’t realize that tragedy had struck you twice. Is he dead, then?” ”No. He does not exist.”

En daarnaast dus ook de combinatie van hardcore pornografie – de hele film door – met karakters die zich ontwikkelen als mensen. De Time Out noemde het treffend ‘a very horny soap’.

Een legendarische film. De regisseur, Curt McDowell, werd conciërge in een bioscoop waar zijn eigen film werd gedraaid. Een van de actrices is spoorloos sinds de jaren zeventig. Een script dat een notitieblok was van 192 handgeschreven bladzijden (in een jeugdherberg). Ga zo maar door.

Toch: de acteurs zien er gelukkig uit in deze films. En ook daar gaat het om, in de grote filmfamilie. Die wijst namelijk niemand af. Hoe bizar de smaak ook is.

 

13 december 2019


Alle Camera Obscura