Zwembadfilms

Zwembadfilms

door Bob van der Sterre

The Swimmer ♦ Lac aux Dames ♦ Deep End

 

Ook behoefte aan afkoeling? Tijd om te gaan zwemmen en daarna films over zwemmers en zwembaden te kijken. Swimming Pool is intussen de moderne klassieker in dit genre (uit 2003) maar er is meer. De films zijn – misschien weinig verrassend – allemaal rete-broeierig en gaan over seksualiteit.

Op een dag in de zomer van 1968 duikt Ned Merrill ineens in zijn zwembroek op bij een oude bekende. Hij duikt ongevraagd in hun zwembad – wat een vrolijkerd is hij toch! Geintjes makend verrast hij zijn oude buurvrouw. ‘Dit is de dag dat Ned Merrill de hele county door gaat zwemmen!’ Zo begint The Swimmer.

Vrolijke ontmoetingen worden onvriendelijk
Ned gaat bij allerlei bekenden langs en duikt in al hun zwembaden. Bij de Grahams, de Lears, de Bunkers, de Biswangers, Mrs. Hammar én Shirley Abbott (ex-minnares). Hij haalt herinneringen bij hen op. ‘Herinner je dat? Dat transparante, lichtgroene water. Het voelde anders. God, wat een heerlijk gevoel. We konden de hele wereld rondzwemmen in die tijd.’

Vrouwen uit zijn leven komen langs in zijn zwemtocht. ‘Ga mee over een rivier van saffieren zwembaden!’ Zijn ex-minnares Shirley Abbott; de stilletjes verliefde babysitter Julie Ann Hooper; vriendin Joan.

De ontmoetingen rondom het zwembad beginnen vrolijk maar worden steeds minder vriendelijk. Ned oogt gepijnigd en vermoeid. Op een paar plaatsen is hij niet welkom meer. Het weer betrekt ook. Dan beginnen de puzzelstukjes in elkaar te vallen.

The Swimmer is veel meer dan alleen een interessante film over een scene, het is een duister verhaal. Mooie karakterschetsen, sterke hoofdrol en een applaus voor de dialogen. ‘Moeten we hem niet helpen?’ ‘Vrienden zijn niet aftrekbaar van de belastingen.’

De verhalen rondom de productie zijn in 2014 vastgelegd in de documentaire The Story of The Swimmer. Dit was Burt Lancasters, die Ned Merrill speelt, eigen favoriete film. En dat terwijl Lancaster – toch een legende in zijn tijd – slechts de vijfde keuze voor deze film was.

Wereld van knappe, interessante vrouwen
In Lac aux Dames (1934) gaat Eric Heller (een werkloos ingenieur) voor een zomer als zweminstructeur werken bij de Wolfgangsee in Oostenrijk. Aldaar bevindt zich een wereld van knappe, interessante vrouwen die wakker worden van zijn brede bast. De rijke Danny Lyssenhop; de zingende en artistieke Puck en zijn oude geliefde – en oplichtster – Anoutschka. Dat is ook niet moeilijk met de Playgirl-achtige poster die van hem is gemaakt als sportinstructeur.

Als Puck elke avond een vlag ophangt als signaal dat hij welkom is, wordt de zweminstructeur ‘the talk of the town’. Danny Lyssenhop blijft geduldig op hem inpraten. ‘Ik had goede redenen om afwezig te zijn, Danny.’ ‘Waren ze blond of brunette, die redenen?’

Deze verfilmde roman van Oostenrijkse schrijfster Vicki Baum (ook bekend van Grand Hotel) en dialogen van Collette draagt duidelijk een vrouwelijk stempel. Zoals mannelijke schrijvers zich vaak focussen op ideale vrouwen, is deze Eric lang, knap, blond, atletisch, goedhartig en een romantische dromer op de koop toe.

Collettes dialogen (geschreven vlak na het schrijven van haar beroemde La Chatte) schetsen geestig hoe de drie vrouwen met seksualiteit omgaan. Met name de rol van Puck, zowel naïef als wild, is interessant. Of hoe zijn ex Anouschka (rol Illa Meery) naakt in Erics bed zit en niet van plan is te vertrekken. ‘Dit is toch niet de eerste keer dat ik met jou slaap!’ Als hij Daniele in zijn handen heeft: ‘Je bent van goud. Je benen, je armen, een standbeeld van goud!’ ‘Mooi, laten we het nu meteen regelen dan.’

Een op momenten opmerkelijke film. Een zo’n moment is de onverwachte naaktscène van Illa Meery. Ook de rollen van Simone Simon (Puck) en Michel Simon (rijke zakenman Lyssenhop) verheffen de film boven het gemiddelde.

Toch mis je door het vele melodrama wel iets unieks, iets extra’s. Zoals een satirisch portret van de geportretteerde elite. Dat maakt de film van lopendebandfilmer Marc Allegret wel goed maar niet top.

Cultreputatie
In Deep End (1970) zitten we in een Londens zwembad. Een volwassen vrouw (Sue) werkt samen met een jongen van vijftien (Mike). Ze werken allebei in het plaatselijke zwembad. Bij hun werk bij de privébaden zijn seksuele dingen normaal. De jongen doet dat tegen zijn zin in en de vrouw duikt met haar minnaar af en toe mannenkleedhokjes in.

De jongen raakt al snel verslingerd aan de vrouw. Hij volgt haar en probeert haar verloofde tegen te werken. Ze vindt het best grappig en speelt het spelletje mee. De volgende dag zijn ze weer samen aan het werk. Als hij haar diamanten ring kwijt maakt, verliest het spel definitief zijn onschuld.

Deep End heeft met recht een cultreputatie. De regisseur, Jerzy Skolimowski, leek een eenvoudige, lieve coming-of-agefilm te maken tot plots de film over obsessies en seks gaat. Muziek van Cat Stevens en krautrockband Can helpt bij het neerzetten van die sfeer.

Fascinerende scènes volop. Het gesprek met de hoer met een been in het gips; als hij met een cardboard cutout van haar figuur in de metro stapt; de zwembadleraar met zijn ongewenste intimiteiten; de vrouwelijke klant die het aldoor heeft over voetbal en George Best; het bezoek aan de seksbioscoop.

Veel symboliek ook. Zoals wanneer hij ineens met haar in het zwembad zwemt, of zij hem een poster voorhoudt met een man die zwanger is, of hij aldoor hotdogs eet.

John Moulder-Brown (Mike) was pas zeventien maar is sterk in zijn rol (hij speelde een paar jaar ervoor een soortgelijke rol als Luis in La Residencia. Ook Jane Asher (Sue) heeft de losheid die nodig is bij de rol. Ze zijn ogenschijnlijk zichzelf. Daarom kun je al snel geloven in hoe ze met elkaar omgaan.

Londen speelt ook een belangrijke bijrol. Vooral de smerige kant van de stad: privéclubs, seksbioscopen, hoerenkamers. Zelfs Sue staat ergens geparkeerd (haar cardboard cutout dan). Sommige kijkers – en ik kan daar wel in meegaan – denken dan ook dat het Londen is door de ogen van een louter aan seks denkende tiener. Deep End is gelukkig geen film die maar ruimte voor één conclusie laat.

Nu een frisse duik om deze hitte weer kwijt te raken.

 

9 augustus 2019

 

Lac aux Dames


Alle Camera Obscura

Componisten in een lastig parket

Componisten in een lastig parket

door Bob van der Sterre

Delius, Song of Summer ♦ The Music Lovers ♦ Puccini

 

Muziek in film is bijna even oud als films zelf. Toch zie je niet vaak componisten zelf in de hoofdrol. Mensen denken vermoedelijk het eerst aan Amadeus (Mozart), A Song to Remember (Chopin) of Immortal beloved (Beethoven). Er zijn ook minder bekende films over componisten. Overeenkomst: ze zitten altijd in een lastig parket.

In Delius, Song of Summer (1968) is Fenby – een muzikale jongeman uit het Britse platteland – zeer onder de indruk van een muziekwerk. Het is het werk van Delius, een blinde en bijna compleet verlamde componist die tegenwoordig in Frankrijk woont. Als hij hoort dat Delius een assistent nodig heeft om zijn ogen te zijn, wacht hij niet lang. Hij schrijft een brief en krijgt dan een brief terug. Of hij wil helpen.

Hoe denkt een componist?
Aanvankelijk is Fenby erg trots dat hij Delius kan helpen. Al snel blijkt de musicus niet meer die hij is geweest. Fenby geeft niet op en leert het muzikale genie beter kennen, net als zijn vrienden, zoals Percy Granger, die ‘soms composities maakt’. Ook krijgt hij een beeld van Delius’ liberale geschiedenis en hoe hij eigenlijk weinig geeft om zijn vrouw. ‘Als je trouwt, trouw dan met iemand die van je werk houdt.’

Wat de film zo aardig maakt, is dat je getuige bent van hoe een componist denkt, omdat Delius alles aan Fenby moet uitleggen wat hij wil. Het is verder een lieve, intieme film zonder veel effectbejag, maar misschien ook zonder echt veel hoogtepunten.

De tv-film is een portret van zijn laatste vijf jaar, in 1936 geschreven door Fenby, eind jaren zestig geregisseerd door Ken Russell. Lees het boeiende levensverhaal op Wikipedia. Gelukkige keuze is de theateracteur Max Adrian als Delius. Zonder zijn spetterende optreden was de film vermoedelijk heel wat fletser geweest.

Muziek gaat beter dan huwelijk
In The Music Lovers uit 1971, eveneens van Ken Russell en met Max Adrian, zien we het levensverhaal van een andere muzikale beroemdheid: Peter Iljiltsj Tsjaikovski. We knallen er meteen in met een vorstelijke ouverture en chaotische beelden van een kermis waar meer mensen dronken zijn dan niet. Tsjaikovski en zijn vriend dansen erop los. Zijn broer waarschuwt: je moet een vrouw trouwen, anders kun je je muziek vergeten.

Tsjaikovski denkt erover na en kiest een vrouw die hem een frivole liefdesbrief stuurt. Nieuwe waarschuwingen van zijn broer: trouw die vrouw niet. Tsjaikovski heeft genoeg van een hem de les lezende broer en trouwt wel met haar.

Het is al niet makkelijk voor een vrouw om een homoseksuele partner te hebben. En in Nina’s geval nog moeilijker: ze hield van seks met veel mannen en werd geestesziek. ‘Ik heb een geschiedenis, Nina.’ ‘De geschiedenis is dood voor ons allebei.’

Muziek maken gaat Tsjaikovski beter af: hij weet dat hij niet moet kiezen voor de burgerlijke stijl die Nicholas Rubenstein (daar is Max Adrian weer) van het conservatorium wil dat hij speelt – niet ‘dat vulgaire gedoe’. Tsjaikovski weet al snel dat ‘dat vulgaire gedoe’ met de energie die erbij hoort juist bij hem past. Fans heeft hij genoeg.

Een regisseur met twee films in één Camera Obscura is misschien nog nooit voorgekomen, maar het kan want Delius, Song of Summer en The Music Lovers lijken wel films van verschillende regisseurs. Hier gaat Ken Russell (op basis van het boek van Catherine Drinker-Bowen) juist helemaal los, maakt er een soort filmopera van, elke scène eindigt met gegil en geschreeuw en bombastische klassieke muziek. Richard Chamberlain en Glenda Jackson passen er goed bij met hun uitzinnige acteerstijl. Russell zou deze stijl nog iets meer aandikken in Lisztomania (1975).

Overigens kwamen de Russen zelf pas twee decennia na deze film een beetje in het reine met Tsjaikovski’s homoseksualiteit, zie dit boeiende artikel in de Groene.

Niet één maar drie vrouwen
Ook in Puccini (1953) slaagt een componist er niet in om een rustig en ontspannen leventje te leiden. In dit geval niet door één vrouw, maar door drie vrouwen: zijn ‘provinciale’ vrouw, een formidabele zangeres met wie hij een klik heeft en een serveerster die hem treft door haar emoties. Geen enkele keer kan Puccini hun vrouwelijke charmes weerstaan. Is hem dat dan te verwijten?

In de relaties gaat veel mis. Zijn vrouw Elvira verkoopt zonder te vragen zijn piano. Hij laat haar vervolgens op een koude dag voor de deur staan met de baby. ‘Druk met de opera.’

De charmante zangeres Christina Vernini deelt de liefde voor muziek maar is een pittige tante die duidelijk maakt dat ze hem voor zichzelf wil. ‘Ik heb geen zin in een man die verdeeld is in twee levens, ook al heet hij Giacomo Puccini.’

Ondertussen heeft Elvira ook wel door dat Puccini niet bepaald ‘aan het jagen is’ zoals een vriend beweert. Elvira en Giacomo gaan uit elkaar; enter Delia. Allemaal leuk en aardig (‘Je bent ongeveer de leeftijd van mijn zoon’) maar ze past niet bij Puccini’s leven. ‘Ik wil dat je de volgende ochtend weg bent.’ Ze is zodanig weg dat ze later begraven moet worden.

De film is zo melodramatisch als wat, maar de kleuren zijn hier de oogstrelende factor. In Technicolor ziet de film er zeldzaam mooi uit. Klassieke filmsets uit de Cinecittà-studio’s in Rome ‘zoals ze die vroeger nog maakten’. Het acteerwerk is hier, zo lijkt het, meer decoratie voor de decors dan andersom.

De film is het type dat je aanzet op een druilerige zondagmiddag en dat je als kijker aangenaam doet meedeinen met het melodrama van Puccini’s leven, als het ware herverteld in de vorm van een opera (inclusief bombastisch einde). Een soap voor mensen die iets meer kwaliteit willen dan Onderweg naar Morgen.

Carmine Gallone, de regisseur, maakte trouwens ook een biografie over Giuseppe Verdi (1938) en een film: een opera van Puccini (Tosca). Het lijkt niet raar dat sommige regisseurs zich zo specialiseerden in dit onderwerp. Daardoor kun je misschien beter uiten wat je te zeggen hebt. Die boodschap is in al deze gevallen niet zo moeilijk: ook al ben je de meest beroemde componist van je tijd, het leven is nooit makkelijk.

 

The Music Lovers

 

15 juli 2019


Alle Camera Obscura

Les Valseuses: van schandaalfilm tot topcarrière

Les Valseuses
Van schandaalfilm tot topcarrière

door Bob van der Sterre

Les Valseuses. Een van die Franse schandaalfilms die nog steeds heftige reacties oproepen. Isabelle Huppert, twintig jaar oud ten tijde van de film, droeg maar voor een klein beetje bij aan de reputatie van de film, maar het opstandige karakter van de film bleek haar goed te liggen.

Huppert begon zoals veel sterren al jong te acteren in films. In 1971 en 1972 speelde ze vooral studentes in tv-films. Als we even de tijdmachine nemen en haar volgen in die tijd, zien we haar vermoedelijk als leergierige tiener staren naar Jacques Brel in Le Bar de la Fourche en Yves Montand en Romy Schneider in César et Rosalie.

Les Valseuses

In 1974 werd het nog iets interessanter met een bijrol in de bizarre horrorfilm Glissements Progressifs du Plaisir van romanschrijver/filmmaker Alain Robbe-Grillet. Het zal haar geest definitief rijp hebben gemaakt voor deze bijrol in Les Valseuses in 1974. Controversiële films bleken haar goed te liggen en moeilijke rollen vond ze niet snel lastig. Later in de jaren zeventig speelde ze bijvoorbeeld lastige vrouwenrollen in Sauve Qui Peut, Loulou en Violette. Een lijn die je kunt doortrekken naar bijvoorbeeld La Pianiste (2001) en Elle (2016).

De bijdrage van Huppert
Het is lastig om iets te schrijven over de bijdrage van Isabelle Huppert aan Les Valseuses aangezien ze maar zeven minuten in beeld is. Huppert komt pas na 1 uur en 43 minuten in de film als Jacqueline, een zestienjarige dochter van een burgerlijk gezin, dat aan het picknicken is in een droge rivierbedding (wat je kennelijk toen deed). Twee mannen en een vrouw komen ineens langs om de auto van het gezin te ruilen voor hun auto.

Jacqueline, met blauw hoedje en Mickey Mouse-T-shirt, kijkt eerst verward, dan geamuseerd toe. Anders dan haar ouders kan ze erom lachen en aangezien ze toch genoeg heeft van de vaderlijke brave dictatuur, loopt ze heel eigenwijs bij hen weg, om zich bij het vrijzinnige groepje aan te sluiten. De twee mannen bleken al in hun vakantiehuisje aan de bh van Jacqueline te hebben gesnuffeld. Een van hen, Jean-Claude (Gérard Depardieu), wist na het snuffelen zeker dat ze ‘minstens zestien’ is.

Hupperts karakter en wat ermee gebeurt, heeft wezenlijke betekenis voor het plot. Dat kan ik hier niet verklappen voor de lezers die de film nog niet hebben gezien. Wat opvalt is dat haar brutale acteerwerk hier al wel sprankelt en dat ze zeker niet terugdeinst voor lastige scènes. Het is alsof ze zelf een beetje wegloopt van een braaf acteursbestaan en definitief kiest voor het zijn van een vrije en liberale actrice.

De bron van eigenwijze karakters waar ze later nog veel meer uit zou putten, zoals in Elle, is in feite hier al te zien in een zwakkere schittering. De heldere Huppert-ogen verraden al een plezier in haar vak waar ze later veel gebruik van zal maken.

Bruut begin, lief einde
Terug naar Les Valseuses. Wat is dan die film die haar wat meer op de kaart zette (maar nog niet veel meer, want hierna ging het nog een poos door met bijrollen)? Het is wel te begrijpen dat er na ruim veertig jaar mensen nog steeds geschokt kunnen zijn door de film. Het begin is opmerkelijk bruut en vrouwonvriendelijk, met drie aanrandingen in een half uur tijd. En dan nog wat afpersingen, berovingen, autodiefstallen, moorden. Het is heel lastig om deze twee vervelende gasten, die zich eigenlijk geen raad weten met hun levens, sympathiek te vinden.

Toch, wie dit lastige stuk uithoudt, krijgt een moedige en eigenzinnige film te zien. Het verhaal van regisseur Bertrand Blier, gebaseerd op zijn eigen roman, verandert dan langzaam van koers. Je ziet het al een beetje in hoe de karakters steeds meer een soort kwetsbaarheid laten zien, zoals wanneer Patrick Dewaere tijdens een aanranding als een baby aan een borst gaat zuigen. Die aanranding, die zich onverwacht ontwikkelt, verandert de film. Ze gaan dan, meer onbewust dan bewust, andere mensen helpen met hun bevrijding. Dat eindigt met een paar onverwachte, lieve scènes. Daarmee heeft de film een evenwicht die doet denken aan yin yang.

Zwakheden van mannen en vrouwen
Les Valseuses is zeker geen film om als drama op te vatten. Dit is een filosofische film die lichtzinnig en geestig de zwakheden van mannen en vrouwen bespot. Eerlijkheid is soms al schokkend genoeg – zeker als het over seks gaat. En dat is een kenmerk van veel films van Blier.

Over Bertrand Blier valt verder nog heel veel te vertellen, veel van zijn films behoren tot mijn favoriete films (denk aan Calmos, Buffet Froid, Trop Belle pour Toi, Preparez vos Mouchoirs). De typische verlaten architectuur, de dagelijkse dingen, de man-vrouwverhoudingen, de karakters die eigenlijk te vriendelijk zijn voor conflicten.

Les Valseuses

Deze film zou je kunnen opvatten als het afkeuren van het oude, burgerlijke Frankrijk en het invoeren van nieuwe sociale regels (in de geest van de Franse revolutie van ’68). Dat bewaren we voor het moment dat er een retrospectief komt voor deze, in ons land helaas nog minder bekende regisseur.

We bekijken hier vooral de gelukkige bijrol van Huppert en zien dan de eerste, trefzekere stappen van een getalenteerde actrice die hard gevochten heeft om haar plekje in de cinema te veroveren. Ze heeft altijd een goede hand van films en regisseurs kozen haar ook gretig. Helaas zijn er ook veel films die de sterke persoonlijkheid van Huppert hebben misbruikt. Dat zijn Huppert-vehikels – films die erg leunen op haar star power maar die daardoor, net als een voetbalteam met maar een sterspeler, te veel leunen op die vedette om echt goed te kunnen worden.

Zelf zei ze: ‘It’s just a desire to work. A desire and a need, like eating.’ Des te aardiger is het daarom om haar weer eens in een piepkleine bijrol te zien waar het allemaal begon.

Kijk hier het landelijke draaischema van Les Valseuses.

10 juli  2018

 
MEER ISABELLE HUPPERT
 
 
ALLE ESSAYS

Scholen om van weg te rennen

Scholen om van weg te rennen

door Bob van der Sterre

La Residencia ♦ We’ll Live Till Monday ♦ Unman, Wittering and Zigo

 

Inspirerende schoolfilms genoeg. Eigenzinnige docenten die het opnemen tegen stroperige overheidsinstanties. Type Monsieur Lazhar. Welke scholen in films zijn juist zo erg dat je ervan wilt wegrennen? Drie minder bekende films die dat verhaal vertellen.

La Residencia (1970, ook wel The House That Screamed) is een depressief makende school. Een ‘finishing school’, dus waar meisjes deugdzaam worden. Teresa mag ook naar deze school. De bazin is mevrouw Fourneau.

Lijkt wel een studentenvereniging
De dames leren vooral om elkaar te terroriseren. De favorietjes (zoals Irene) mogen een andere, stoute studente afranselen met een zweep. ‘Je weet toch dat ik dit niet kan tolereren?’, legt de hoofdleraar uit, een dame die haar zoon iets te goed probeert te beschermen tegen de hormonen van de meisjes. De vraag is of ze zelf niet ook een beetje beschermd moet worden. En de meisjes zelf? Er is namelijk ook een mysterieuze moordenaar aan de gang.

De praktijken hier doen denken aan de misstanden in studentenverenigingen. Zo krijgt Teresa te horen dat ze met ‘Henry’, de houtboer, contact kan krijgen. ‘Het enige wat je moet doen is mij gehoorzamen.’ En als ze horen dat haar moeder zingt in een nachtclub is uiteraard de hoon enorm. Geen wonder dat Teresa wil ontsnappen. Hoe gaat ze dat doen?

De Uruguayaanse regisseur Narciso Ibáñez Serrador is de man achter deze film. Misschien kent de vaste Camera Obscura-lezer hem nog van de aflevering over ‘horrorkinderen’ met Who can Kill a Child? Bijzonder wat hij neerzette met een redelijk banale scripts – dankzij goed geregisseerd acteerwerk en boeiende cinematografie.

Paar hoogtepunten: de verfilmingen van de moord in slow motion; de seksscène en de reacties van alle naar hetzelfde verlangende dames (close-ups van pruillippen).

Worstelen met domme leerlingen
In We’ll Live Till Monday (Dozhivyom do ponedelnika, 1968) zien we Ilya Semenovich worstelen met de ondraaglijke saaiheid van het bestaan. Hij worstelt met de domme leerlingen, met collega’s als Svetlana en Natasha, de docente Engels, die moeite heeft met gezag te houden in haar klas en duidelijk op hem verkikkerd is. Voor zijn vak geschiedenis is ook al geen respect. ‘Al met al is geschiedenis geen wiskunde en hoeft men er niet echt slim voor te zijn.’

Geen wonder misschien dat Ilja worstelt met een depressie. ‘Geschiedenis is een wetenschap die burgers maakt van mensen.’ En: ‘Onze zielen en die van onze kinderen zijn niet gemaakt van papier.’ Iemand anders schetst hem als: ‘Zijn brillen zijn bedekt met het stof van eeuwen. Hij is sinds Jeanne d’Arc niet meer in een vrouw geïnteresseerd.’

Ilja vraagt om verlof aan de directeur. Die zucht en komt dan met een door-en-door Russische afwijzing: ‘Ilja… kijk, principes, die brengen geen brood op de plank, ook kun je er je gezondheid niet mee verbeteren, of het er warm van krijgen.’ Ook Svetlana en Natascha worstelen met hun beroep en zichzelf. Een meisje dat in een essay schrijft hoe graag ze moeder wil worden, beschrijft Svetlana als ‘een striptease van de ziel’. En Natasha zegt over zichzelf dat ze ‘zo gelukkig is als een oester’.

Depressief raken van je werk, een zwaar thema, maar een schattige, kalme film die de zuiverste ontroering teweegbrengt. Gave dialogen en goed acteerwerk helpen daarbij. Ilja en Natasha zijn schattig samen. Ook schattig is dat een jongetje (Shestopalov) verliefd wordt op een meisje. ‘Iedereen moet verliefd zijn met iemand. Anders wordt het leven saai.’

Bovendien een aantal voortreffelijke shots – daar kijk je films voor! Het begin: flats, flats en nog meer flats. Hij, staand naast de telefooncel, omhoog kijkend naar de monsterlijke flats. Film is van Stanislav Rostotski, die twaalf films maakte in zijn loopbaan. Twee van zijn films kwamen in aanmerking voor een Oscar. Als het om sentiment gaat, belooft zijn drie uur durend hondendrama getiteld Belyy Bim Chernoe ukho (White Bim Black Ear) uit 1977 krankzinnig veel tranen.

Psychologische stress
In Unman, Wittering and Zigo (1971) komt John Ebony terecht op een Engelse kostschool op het platteland. Klinkt nog niet hels? Ebony’s eerste dag is ronduit verbazingwekkend als de klas zegt dat zij zijn voorganger van een rots hebben geduwd. ‘We hebben allemaal een perfect alibi.’

Ebony heeft moeite met orde handhaven in deze klas helse puberale klootzakjes. Ze weten ook nog eens de leraar te betrekken bij gokzaakjes. Ook de hoofdleraar wil niet echt meewerken als Ebony hem de portemonnee van de voorganger laat zien; die is besmeurd met bloed.

De klas heeft steeds minder geduld met Ebony, valt zijn vrouw lastig om hem onder druk te zetten. Ondertussen zet hij het maar op een drinken. Waar houdt het op? Alleen Wittering (zie titel, de laatste drie namen van de presentielijst) valt buiten de groep.

De film is wat aan de trage kant – heeft een curieuze titel – maar is wel behoorlijk spannend. Vooral naar het einde toe heeft de film een paar scènes die je treffen in de onderbuik. Met name de scène in de squashruimte met Ebony’s vrouw is anno nu nog schokkend. Als er ooit een school van de hel was (in dit geval meer een klas van hel), zou die hier veel weg van kunnen hebben.

Goed acteerwerk van een reeks jonge talenten, waarvan toch niemand echt een filmster is geworden. En met David Hemmings die al een filmster was (Blow-Up en Profondo Rosso). Regisseur John McKenzie zou later nog de harde misdaadfilm The Long Good Friday maken (Bob Hoskins zoals weinigen hem kennen) en A Sense of Freedom (voorloper van gangster-in-bajes-films). Hier oefende hij dus al met psychologische stress.

Nog niet genoeg? Voor de liefhebber van het genre is er nog veertig minuten genieten van deze film in het publieke domein van Jean Vigo. Ook al is de film ruim tachtig jaar oud – je herkent de Franse flair onmiddellijk. De oude Vigo deed het allemaal al eerder dan Tati en Truffaut. In zijn handen verandert een helse school in een gezellige boel. Dat zou menig docent vandaag de dag hem graag na willen doen.

 

10 juni 2019

 

La Residencia

Alle Camera Obscura

Met z’n drieën is het leuker

Met z’n drieën is het leuker

door Bob van der Sterre

Rita, Sue and Bob Too! ♦ Adieu Philippine ♦ Charlie et ses deux nénettes

 

Threesomes, triootjes, ménage à trois. Je hoort er vaak over maar hoe is dat nou precies? Gelukkig brengt film uitkomst: er zijn al filmische threesomes sinds Ernst Lubitsch’ Design for Living. Drie vriendelijke en minder bekende films die zonder moralistisch gedoe trio’s observeren.

Bob doet niet moeilijk over zijn seksuele verlangens in de Britse film Rita, Sue and Bob Too! (1987). Als hij zijn twee babysitters naar huis rijdt, vraagt hij eerst of ze een ommetje via de heide willen. Daar parkeert hij de auto. Willen ze een keer een condoom voelen? Willen ze misschien ontmaagd worden? Ze giechelen wat af maar gaan toch akkoord.

Politiek correct denken ontbreekt
Rita en Sue, twee meisjes van zestien, staan vanaf dat moment bij Bob te popelen voor a jump. Zo eenvoudig gaat het ook niet. Bob is getrouwd. Zijn vrouw voelt argwaan als hij weer lang doet over het wegbrengen van de meisjes. Hij pakt het gewiekst aan: zeggen dat hij wel een affaire heeft maar niet met de meisjes.

Niet dat het altijd soepel gaat. Soms kibbelen de meisjes wie als eerste mag. Als ze moeten wachten, luisteren ze naar vervelende tienermuziek. Op zeker moment valt Sue voor de charme van een Pakistaanse leeftijdsgenoot, verlaat Bobs vrouw hem en neemt Rita haar plaats in.

De film begint sterk – vooral omdat het te verwachten triodrama achterwege blijft – maar heeft duidelijk last van ideeënarmoede tegen het einde. Wel laat de film je redelijk vaak lachen. Dat komt doordat politiek correct denken ontbreekt – typisch voor de jaren tachtig.

We zien een spottende schets van het arbeidersmilieu (permanente dronkaards en schreeuwers), rijkaards (mannen die het met jonge meisjes doen óf de hele dag de tuin sproeien; vrouwen die alleen maar met hun uiterlijk bezig zijn), schoolmeisjes (alleen seks telt) en minderheden (de vriendelijke Pakistaan met zijn losse handjes). Deze film zou anno nu niet meer gemaakt kunnen worden. Een goed bewijs dat taboes veranderen.

Dit was een van de weinige, weinige films die Alan Clarke maakte. Ook al klinkt zijn naam als een bekende regisseur, hij was het niet. Hij maakte maar twee echte speelfilms: deze en Billy the Kid and the Green Baize Vampire (over obscuur gesproken). Hij had het denk ik wel in zich om ‘het geluid van de jaren tachtig’ te zijn – ook gezien zijn vlotte filmstijl. Nu moeten we het doen met deze ene film.

Giebelmeisjes willen actrice worden
In Adieu Philippine (1962) zijn wederom twee meisjes en een man op stap. Dit keer is de man (Michel) net zo jong als de meisjes zelf. Michel die in de tv-wereld werkt, doet heel stoer over zijn baan bij Juliette en Liliane, twee giebelmeisjes die beide actrice willen worden.

Een vreemd trio. Michel is de lompe gast die graag twee vriendinnen heeft maar zich dan geen raad weet met de twee in zijn buurt. (Je ziet ze bijvoorbeeld geen een keer elkaar beminnen.) En Juliette en Liliane zijn meer verbonden door hun vriendschap dan door een relatie met een man. Je kunt zeggen dat Michel hun vriendschap verstoort. Tegelijk lijkt het alsof ze getest willen worden.

Misschien komt het ook wel omdat boven Michel dreigend het zwaard van Damocles hangt. Hij moet immers naar de oorlog in Algerije. De meiden, ondertussen, merken dat hun vriendschap onder druk staat.

In de periferie van nouvelle vague, op afstand van Godard & kornuiten, bevonden zich figuren als Jacques Rozier. De echte purist. Daarom wordt Adieu Philippine gezien als ‘echte nouvelle vague’. Je ziet het aan veel dingen. De filmimprovisatie (mensen staren door winkelruit, in Corsica staart men de camera aan), de ongescripte dialogen, de geïmproviseerde scènes, het plot zonder plot.

De spanningsboog staat los (soms te los) maar de spontaniteit levert gekke scènes op, zoals in de club, bij het dansen, die je niet in scripts zou kunnen vastleggen. Een portret van een trio dat niet met en niet zonder elkaar kan.

Geen smeerlappenfilm
Is het een cliché dat een ménage à trois vaak in Franse films voorkomen? Want ook Charlie et ses deux nénettes (1973) gaat over dit thema. In deze film van Joël Séria duurt het exact anderhalve minuut voordat een man (vrachtwagenchauffeur, negenendertig) aan de praat raakt met twee meisjes (eenentwintig en negentien) met rode regenjasjes. Ze gaan wat drinken in een café. Hé, hebben jullie zin om mee te rijden? Tuurlijk, als je dat wilt.

Guislaine en Josyane zijn heel inschikkelijk, net als de pas gescheiden Charlie. Iedereen is vrolijk en opgewekt. Ze doen een vervoersklusje samen. Hij heeft nog een berg behang op zijn kamer. Samen op de markt verkopen? Goed idee.

De meisjes zijn jong, leuk en ze gaan graag om met Charlie – temeer hij heel gewoon tegen ze doet. Ze brengen hem een ontbijt op bed zonder dat hij erom vraagt. Gedrieën naar de kermis, gedrieën dansen, en ja, uiteindelijk gedrieën naar bed. ‘Ligt iedereen goed? Welterusten!’ Een kusje op hun hoofd. Door de bank genomen hebben de drie het erg gezellig. Dat gaat goed tot er een andere marktverkoper in het spel komt: Tony, een grote vent met een grote caravan.

Charlie et ses deux nénettes zullen sommige kijkers misschien een smeerlappenfilm noemen. Dat is onterecht. Dit is juist een schattige film. Je wacht misschien op het drama. Er gebeurt niets bijzonders. Een slimme hint is dat Charlie seksueel gezien oudere vrouwen prefereert. Schrijver/regisseur Joël Séria maakte een lichtvoetige film over een beladen onderwerp.

Verder is er kwaliteit in het tempo. De film heeft bijna geen seconde zonder dialoog of actie. De saaie stukjes zijn eruit gelaten.

Deze films zitten allemaal wel vast in hun tijd. Maar dat heeft meer met onze tijd dan die van hun te maken. Het gaat denk ik om de afwijking van het standaardplaatje. Dat gaat mensen met haastige twittermeninkjes in onze tijd al snel te ver.

 

8 mei 2019

 

Rita, Sue and Bob Too!

Alle Camera Obscura

Bunuel in the labyrinth of the turtles

****
recensie Bunuel in the labyrinth of the turtles

Hoe de Spaanse surrealist zijn antidocumentaire Las Hurdes maakte

door Bob van der Sterre

Net na baanbrekende films Un Chien Andalou en L’Age d’Or had de jonge Luis Buñuel een moment van creatieve leegte. Hij kreeg een tip over een zeer geïsoleerde streek in West-Spanje, Las Hurdes. Het bleek de opmaat van een in alle opzichten krankzinnig project in 1933. Buñuel en el laberinto de las tortugas vertelt dit interessante stukje filmgeschiedenis in de vorm van een animatie.

Allereerst: wat was Las Hurdes en wat zag Buñuel in het idee van de film? Hij kreeg het project door van regisseur Yves Allégret en schrijver Jacques Prévert. Laten we het Buñuel zelf uitleggen: “Deze streek is een van de armoedigste gebieden op de hele aardbodem, geïsoleerd van de buitenwereld door een keten hoge, onbegaanbare bergen en met in totaal zesduizend inwoners verdeeld over tweeënvijftig gehuchten.”

Bunuel in the labyrinth of the turtles

Hij gaat verder: “Landbouwwerktuigen hebben ze vrijwel niet. Vee is er niet. Er is geen folklore. De armoede, de honger en de insecten. Geografen zijn het er erover eens dat de streek onbewoonbaar is.” Problemen als inteelt, dysenterie, malaria somt hij op. “Met hun kleren aan slapen ze op bedden van rottende bladeren.” Je snapt wat Buñuel zag in deze op zichzelf haast surrealistische omgeving.

Tweede vraag: wie wil in godsnaam voor een film over dit onderwerp betalen? Ramon Acin, een vriend, zei: ‘”ls ik de loterij win, dan mag jij jouw film maken.” Hij heeft zijn belofte geweten toen hij daadwerkelijk de loterij won! De cinematograaf Eli Lotar kwam erbij, net als dichter en vriend van Buñuel, Pierre Unik. Zij bleven twee maanden in Las Hurdes. Buñuel monteerde het materiaal vervolgens op een keukentafel in Madrid en gooide in zijn onervarenheid nog wat bruikbaar celluloid weg.

Een niet-surrealistisch project dat surrealistisch aanvoelde
Buñuel zal intuïtief gevoeld hebben dat er wel wat te halen viel. Hij moest ook loskomen van het surrealisme, waar hij een jaar geleden uitgestapt was. Het harde Spaanse leven gaf hem een kader waarin hij kon experimenteren. Hij kon hier een vernieuwende antidocumentaire maken, vol armoede, dood, lelijke en zieke mensen.

Buñuel zou Buñuel niet zijn als hij ‘de documentaire’ niet zou veranderen in zijn eigen cinematografische variatie op de werkelijkheid. (Overigens deed een van de beroemdste documentaires ooit, Nanook of the North, hetzelfde.) Zelf zei hij: “Het was een ongewoon soort werkelijkheid, een werkelijkheid die de verbeelding prikkelt.” En erkende later: “Het is een tendentieuze film.”

Dus als hij las over een ezel die door bijen wordt doodgestoken, kan hij het niet nalaten om honing over een ezel te gieten en te filmen hoe het arme beest aan zijn einde komt. Als een geit volgens broodjeaapverhalen soms in een ravijn viel, moest hij de realiteit wel een handje helpen. “Daar konden we niet op wachten en dus heb ik met een revolver ervoor gezorgd dat er een naar beneden viel.” Het hanentrekken… laten we het hier maar bij houden. Het was duidelijk dat de surrealist Buñuel de mens in de weg zat. Veel meer Buñuel wordt het niet als hij zegt: “Ik geloof in oncompromisloosheid.”

En was het ook niet wat je nu noemt exploitation van de bewoners? Maar, zo schrijft publicist Francisco Aranda later terecht: “Als Buñuel liefdadigheid bedreven had in dat gebied en niet de film had gemaakt, was het lot van de bewoners nooit in deze mate verbeterd.”

Bunuel in the labyrinth of the turtles

Geamuseerde en vlotte stijl
Dankzij Buñuel en el laberinto de las tortugas van animatieregisseur Salvador Simó zien we deze interessante geschiedenis terug in een geamuseerde en vlotte animatiestijl. Geslaagd zowel in stijl als in verhaal (anekdotisch), karakteriseringen en humor. Animatie als vorm is erg bruikbaar voor deze historische films (denk aan het recente Another Day of Life).

De film heeft twee minpunten: de muziekkeuze en het sentimentele einde. Die zijn niet des Buñuels want ze zijn toegevoegd uit commercieel oogpunt – en dat was altijd zijn grote vijand. Je zou bijna vergeten dat Buñuels voor het Las Hurdes-project een soort stage had gelopen in Hollywood maar weigerde films voor zakelijke motieven te maken.

Een eigenwijze film zoals Buñuel ze maakte, is deze film dan ook niet. In dit geval is dat ook niet het doel. De film wil ons laten zien wat een echt eigenwijs artiest wel is. En in die opzet slaagt Buñuel en el laberinto de las tortugas wel.

 

17 april 2019

 

ALLE RECENSIES

Autorijden om je verveling te bestrijden

Autorijden om je verveling te bestrijden

door Bob van der Sterre

Two Lane Blacktop ♦ L’Autostop ♦ The FJ Holden

 

Nee, ik vind deel 8 van The Fast & The Furious niet hetzelfde als films als Le Mans en Grand Prix. Scheurende auto’s, 70’s films, een zondag voor jezelf. Wat wil een mannenhart nog meer? Hier drie iets minder bekende autofilms met een overeenkomst: de karakters erin vervelen zich te pletter.

In Two Lane Blacktop (1971) zien we The Driver en The Mechanic (hun echte namen leren we niet kennen) rondrijden in hun aangepaste Chevy. Ze verdienen hun geld met racen. The Mechanic ziet een Ford met een zus en zo motor en weet meteen: die kunnen we hebben. The Driver daagt de eigenaar uit. Uiteraard winnen ze de strijd.

Autorace zonder moraal
De twee krijgen een meisje in hun auto mee (legendarische scène: ze kruipt in hun auto, ze zien haar zitten, zeggen niets en rijden zo weg). Onderweg komen ze ook steeds dezelfde bestuurder van een sportauto (GTO) tegen. Een man die graag rare lifters opneemt. Hij hoeft niet meer te werken maar weet niets anders te bedenken dan eeuwig rond te rijden in zijn GTO.

De twee partijen dagen elkaar uit om naar Washington DC te rijden – maar al snel is er geen sprake meer van een wedstrijd. Ze gebruiken elkaar onderweg om andere racers uit te dagen.

Two Lane Blacktop heeft niets voor niets al decennia een speciale schare fans. Dit is de quintessential 70’s film. Geen echt verhaal, geen echte karakterontwikkeling, geen echte boodschap en helemaal geen moralisme. De film werd in 1970 in acht weken opgenomen en de laconieke sfeer komt ook door allerlei randzaken (de financiën die maar net rond kwamen, Dennis Wilson die een paar dagen voor het filmen werd gecast).

Aan de ene kant is het een soort Top Gear-episode in filmvorm, aan de andere kant heb je ook The Girl (Laurie Bird) in een essentiële rol. Iedereen wil iets met haar (zelfs regisseur Monte Hellman begon een affaire met haar). Ze pleegde zelfmoord op vijfentwintigjarige leeftijd (en dat was acht jaar na deze film, kun je nagaan hoe jong ze hier was).

En dan is er nog Warren Oates, die met zijn natuurlijke en intense acteerstijl goed paste als tegenhanger van de twee sobere hoofdrollen: James Taylors (zanger) enige filmrol en Dennis Wilson (drummer van The Beach Boys). Hun beperkte acteren is in deze film eerder een voordeel. Geloofwaardige, zwijgende autorijders.

Promotiefilm in Russisch drama
In L’Autostop (1991) is er ook al een zinloze autoreis: autocoureur Sandro die een Fiat van Italië naar Rusland rijdt. Als voormalig autocoureur is er geen liefde zo groot als die voor de auto. Ultieme decadentie om dus maar te gaan crossen naar Rusland.

Onderweg pikt Sandro leuke vrouwen op. Hij laat ze achter en ze vinden het prima. Via Moskou komt hij in het winterse Russische platteland terecht. Een hoogzwangere vrouw in een bushokje (detail: logo Olympische Spelen Moskou in 1980) krijgt van hem een lift. Ineens duikt er een motorrijder op – de partner van de dame. Ook hij krijgt een lift (handig hoe de motor in de kofferbak past). Op een zeker moment stapt de vrouw uit en wil ze in het bos bevallen.

Een bizarre combinatie van reclame voor Fiat en een Russisch drama. In 1990 moet iemand bij Fiat het een goed idee hebben gevonden dat regisseur Michalkov een korte promotiefilm zou maken. Michalkov deed die klus op zijn Michalkovs: hij maakte er een Russische drama van bijna een uur van.

Autosnufjes spelen een grote rol in het script. De autoradio (opera in het Russische landschap), de volautomatische raamvergrendeling, de ruime kofferbak, de autogordel, de verstelbare stoelen. Kijk eens hoe makkelijk de auto rond danst op de sneeuw. Dit is Sandro’s westerse, decadente cocon – een wereld waarin hij actrice Ornelia Muti aanwijst als zijn vriendin.

De film laat de tegenstelling zien tussen westerse decadentie versus Russische mystiek. Het mystieke moment van bevallen in oer-Russisch landschap tegenover de nieuwe auto vol westerse snufjes. Let op hoe de dame in het eerste hotel (dikke close-up) de man uitdaagt door telkens een noot te spelen op een piano. Decadenter kan het niet worden. En kijk Sandro helemaal opleven na de grote gebeurtenis.

Australisch raadsel
In FJ Holden (1977) zien we hoe Kevin en Bob aldoor rondrijden in een FJ Holden (Australisch automerk), bier drinken en meisjes oppikken. Een van die meisjes is Anne. Kieskeurig is ze niet: ze heeft seks met beiden, in de auto.

De Holden is een klassieke Australische 50’s bak, synoniem met de rock-‘n-rollperiode. Kevin en Bob vervelen zich graag met deze auto, waarvan er toen de film werd gemaakt nog maar 500 van de oorspronkelijk 300.000 verkochte auto’s over waren.

Een desastreuze race zorgt ervoor dat Kevin zijn humeur verliest en ook tussen hem en Anne gaat het niet goed meer (aangezien zijn maat Bob er nog steeds bij is). Tijdens een feest is hij dronken en maakt hij ruzie – de politie is naar hem op zoek.

Ik zal maar eerlijk zijn: het doel van deze film is mij een raadsel. Kevin noch Anne heeft de waarde voor een hoofdrol en wat ze meemaken, is niet boeiend. Ik vermoed dat het ging om een portret van ‘de nieuwe jeugd’ in Australië. Symbool: de ooit rebelse Holden. Dan was het wel een oninteressant portret (of een onboeiende generatie).

De hoofdpersonen Paul Couzen (Kevin) en Eva Dickinson (Anne) waren beginners en konden geen warmte in hun rollen leggen. Het is niet vaak dat een film de laatste is voor beide hoofdpersonen (zelfs de enige voor Paul Coutzen!). Vreemd misschien – maar je hoeft het acteervak natuurlijk niet echt leuk te vinden.

Aan de andere vind ik het wel altijd leuk om naar bars en supermarkten en warenhuizen te kijken in andere tijden. Daarvan genoeg in deze film. Als tijdreis slaagt de film – en dat lijkt ook het idee te zijn geweest van deze Australian Graffiti van regisseur Michael Thornhill. Ook al reist een auto makkelijk, niets reist zo prettig als een film.

 

10 april 2019

 

Two-Lane Blacktop


Alle Camera Obscura

Ash is Purest White

***
recensie Ash is Purest White

Twee decennia modern China

door Bob van der Sterre

De nieuwste film van Zhangke Jia is een soort laatste hoofdstuk van zijn films. De grootmeester van de vijfde generatie, Zhang Yimou, vond zichzelf opnieuw uit als expert in wuxiafilms. Na het zien van Ash is Purest White vraag je je af of Zhangke Jia, grootmeester van de zesde generatie, ook rijp is voor zo’n radicale stap. Comedy? Horror? Want hij lijkt nu wel klaar met zijn gigantische filmproject over mensen die worstelen met de realiteit in China.

En worstelen doen ze, het stelletje Bin en Qiao. In 2001 gaat het nog de goede kant op. Bin is nog een lokale crimineel, Qiao zijn liefje. Ze lossen allerlei zaken op in de buurt van de opkomende stad Datong. Hij lost zaken liever met hersens op dan met wapens.

Ash is Purest White

Agressieve bendes
Totdat er ineens agressieve bendes opduiken en hem uitdagen. Op een kruising levert dat een heftige vechtpartij op. Qiao pakt een wapen en schiet in de lucht. Qiao komt in de gevangenis omdat ze zegt dat het haar wapen was.

In 2006 als ze weer vrij is, staat Bin er niet om haar te bedanken. Ze reist naar de plek waar de Drieklovendam wordt gebouwd. Ze moet mannen oplichten om aan geld te komen. Daar vindt ze hem uiteindelijk, uitgeleefd en depressief. Ze rent weg. In de trein ontmoet ze een vlotte vent die ‘de toerismesector van Urumqi aan het ontwikkelen is’. Maar niets is in China wat het lijkt: ‘Sorry, ik heb alleen maar een klein winkeltje in mijn geboortedorp.’

Ze keert terug naar haar kroeg van vroeger. Tot op een dag in het heden Bin arriveert… Niet zoals ze had gehoopt.

Cinematografische verwijzingen naar jezelf
Zhangke is intussen een veteraan onder de Chinese regisseurs. De beroemdste van de zesde generatie, die – in tegenstelling tot de vijfde generatie met haar historische drama’s – het rauwe, persoonlijke leven van het heden toont. Ash is Purest White pakt uit met allerlei bekende Zhangke-thema’s. Het is een soort medley van zijn eigen werk.

Je ziet in deze film de kleine misdaad van A Touch of Sin en Xiao Wu, de Drieklovendamregio van Still Life, de verstedelijking  van The World, de veranderingen van 24 City, het portret van de vrouw in Mountains May Depart. En zoals zo vaak met redelijk forse tijdverspringing en opgeknipt in verschillende episoden.

Cinematografische verwijzingen zijn er vooral naar zichzelf. Geen genres, geen voorspelbaarheid, geen stilisme, geen makkelijke thema’s. Invloeden zijn letterlijk op een vinger te tellen: zichzelf. Hoewel hij zelf Ozu, De Sica, Fellini en Bresson noemt als voorbeelden, maar dat zie je niet zo in zijn films terug.

Ash is Purest White

Actrice Zhao Tao’s scène in Still Life keert bijna letterlijk terug in Ash is Purest White (met wederom een flesje water). Ook Shenxi, de provincie waar de eerste films zich afspelen, heeft hier ook een hoofdrol. De rauwheid van zijn vroegste films (met name Xiao Wu). En de film omspant misschien niet toevallig ook Zhangke Jia’s carrière als regisseur. Daarmee zou je een van de ergste oeuvreclichés van stal kunnen halen: er is een cirkel rondgemaakt.

Een nadeel: mensen die zich zo eigenwijs werken, kunnen behoorlijke clichés opdissen als iets verheffends. Flauw is bijvoorbeeld in deze film hoe mobieltjes symbool staan voor een bepaalde periode. Misschien heeft Zhangke Jia dat nog nooit in andere films of series gezien? Hoe kun je anders niet weten dat het intussen een cliché is?

Een flow in plaats van een verhaal
Zhangke Jia wordt vaak gewaardeerd om zijn stijl maar dat is een vergissing. Tenzij je houdt van de stijl van rauwe en eerlijke cinema. Hij gelooft niet in overstilering – waarschijnlijk niet eens in stilering zelf.

Ook in het verhaal. Je kijkt eerder naar een flow dan een verhaal met een net script. Als filmkijker moet je dus wel even je visuele verlangens terugschroeven als je zijn films gaat kijken. Maar de flow breekt je verzet. Als je soms simpel camerawerk, houterig acteerwerk en kitscherige scènes ziet, dan accepteer je dat sneller dan normaal.

Zijn karakters zijn al net zo rauw. Ze zijn overlevers in een veranderende wereld en hebben een voor film karig gevoel voor romantiek. Ze zijn figuranten van het leven die een dialect-Chinees spreken. Zhangke Jia streeft naar ‘objectieve films’, dus meer antihelden met tekortkomingen dan sterke figuren.

De prijs is dat je soms wordt verbluft door momenten van prachtige eenvoud. In deze film is de scène in het hotel hartbrekend. Niet volgens een plan. Die scène duikt plotseling op. Zoals je ook de indrukwekkende vechtscène waarin Bin het alleen tegen een hele bende opneemt niet ziet aankomen. Er is weinig wat je wel ziet aankomen bij Jia’s films.

Ash is Purest White

Zhangke Jia: de regisseur
Omdat de film een soort medley van zijn werk is en hij gretig zichzelf citeert, maak er dan meteen een feestje van en bekijk ook de masterclass van afgelopen IFFR. Al die leuke weetjes! Hij leerde veel uit een boekje van Fassbinder dat gaat over hoe je het budget van je film kunt rond krijgen. Hij studeerde montage van Eisenstein maar ‘zoiets vind je niet in mijn films’. En cameraman leek hem eigenlijk leuker – maar hij was te klein om die studie te mogen volgen.

Of zijn oeuvre met deze film nu rond is of niet – en of hij zich hierna wel eens moet vernieuwen of niet – Jia blijft een van de groten van China. Zijn gewone, weinig mysterieuze houding tegenover zijn werk bewijst dat. Voor protserigheid is hij gewoon te nuchter. En dat kenmerkt de grote artiesten.

 

25 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Erfenissen: zo dus niet

Erfenissen: zo dus niet

door Bob van der Sterre

Malpertuis ♦ The Weekend Murders ♦ Das Haus im Montevideo

 

Wanneer leveren erfenissen géén problemen op in films? Het zicht op geld maakt mensen egoïstisch en dat is mooi filmmateriaal, denk aan een klassieker als Arthur (1981). Drie films waarvan je leert hoe het niet moet: erfenissen verdelen.

In het huis Malpertuis (1972) ligt Cassavius, die een reusachtig huis en dito erfenis bezit, op sterven. Een grote groep mensen wacht tot hij eindelijk doodgaat. Een stelletje heksen, een dierenopzetter, een dame die alles al weet. En zijn neefje Jan.

Vreemde spelletjes
Cassavius vertelt op een achternamiddag wat zijn eisen voor de erfenis zijn. Iedereen moet in Malpertuis verblijven. Alleen de laatste twee overgeblevenen, een man en een vrouw, mogen de royale erfenis delen. Gevolg: iedereen stookt iedereen tegen elkaar op.

Ondertussen blijkt Malpertuis een stuk vreemder dan iedereen denkt. Het huis herbergt een geheim. Jan wil weten wat dat is. Iedereen speelt ondertussen spelletjes met hem.

Veel moois aan de film. De settings en decors bijvoorbeeld. Alleen al de overdadige aandacht voor lichtval! Het script is ook niet doorsnee. Dat is gemaakt naar een boek van Jean Ray, die korte horrorverhalen in de stijl van Lovecraft en Poe schreef. Malpertuis is ook cinematografisch interessant. Trappenlopen bijvoorbeeld is prachtig in beeld gebracht.

De versie van regisseur Harry Kümel werd door de studio (United Artists) teruggebracht tot 100 minuten én in het Engels gedubd. Die film faalde. In 1973 maakte de ontevreden regisseur er een Vlaamstalige director’s cut van die pas tien jaar geleden het daglicht zag toen de dvd-versie van de film uitkwam.

Je kunt je die aarzeling van de studio wel een beetje begrijpen. Het is een film die veel van de kijker vraagt. De eigenzinnigheden gaan ook ten koste van de karakters, die vrij eendimensionaal zijn. En van het script, dat de beloften van het begin niet weet in te lossen aan het einde. Soms ontstijgt het niet het niveau van een kinderlijk sprookje met veel gegil en gekrijs.

Buitenbeentje in het voornamelijk Frans-Vlaamse gezelschap is Orson Welles in de rol van Cassavius. In de praktijk was hij permanent bezopen voor de drie dagen die hij was ingehuurd. Hij werkte een vierde dag gratis (en sober). Hem Vlaams horen praten, is een vreemde gewaarwording. Susan Hampshire doet trouwens ook een huzarenstukje in deze film met niet minder dan vijf rollen.

Extreme cinematografie in moordmysterie
In The Weekend Murders (1970) komen ook diverse mensen bij elkaar om te luisteren hoe het testament verdeeld wordt. Ditmaal gaat het om de erfenis van Sir Henry.

Er staat veel op het spel. Een gigantisch landhuis en landgoed. Die gaan, zo blijkt, naar Barbara, die de laatste tijd op Sir Henry had gepast. Grote teleurstelling bij de overige erfgenamen. Die denken wel hardop dat hen wat moois staat te wachten als Barbara heel toevallig een ongeluk zou krijgen.

Niet Barbara, maar andere erfgenamen leggen het loodje. De butler is de eerste. ‘Die kan het in elk geval niet gedaan hebben’, grapt iemand. Ook al loopt er een detective van Scotland Yard rond en een sergeant – waarvan de eerste zich slimmer vindt, maar de tweede slimmer is – er is een moordenaar die duidelijk niet zal stoppen voor alle erfgenamen er geweest zijn. Maar wie is het?

Een zwarte komedie met giallo-elementen en verrassingen. Verrassend is bijvoorbeeld het sterke komische acteren van Gastone Moschin. Of hoe de karakters bezeten zijn, op een of andere manier, van seksualiteit.

Daar past extreme cinematografie bij. Vanaf het eerste shot van de sergeant (onderaf, diagonaal), loopt de film over van de visuele grapjes met spiegels, close-ups van ogen, verdwaasde trips, shots van onderaf. Regisseur Michele Lupo en vooral cinematograaf Guglielmo Mancori waren gepassioneerd bezig – ze doen denken aan films van Guy Ritchie.

Als het sterke punt van de film de smeuïge cinematografie is, dan is het minpunt het verhaal. Het volgen van de vele karakters en hun onderlinge verwikkelingen gaat ten koste aan de logica van het moordmysterie (zoals de man met de Ferrari, wat doet ie daar ineens?).

Een buitenechtelijk kind maken
Prof. Dr. Traugott Hermann Nägler, vader van twaalf kinderen (de tiende heette Decimus), en hoofdpersoon van Das Haus im Montevideo (1951), is een heel ander persoon dan de karakters in voorgaande films. Hij is een strenggelovige vent die zijn kinderen Griekse canons laat zingen voor de verjaardag van hun moeder. Zijn vrouw beschrijft hem als: ‘Hij kan niet bestaan zonder zijn halo.’

Een pastoor vertelt aan professor Nägler dat zijn libertijnse zus, die in Uruguay woonde en met wie hij geen contact meer had, is overleden. Ze heeft een erfenis achtergelaten. Daarvoor moet de professor met de pastoor en zijn oudste dochter, Atlanta, naar Uruguay.

Daar blijkt dat zijn zus na hard werken ‘een instituut van 45 meisjes’ had. Een bordeel, denkt professor Nägler meteen, en hij is al de deur uit gerend. Maar zijn zus is zangeres Maria Machado. Ze is voorzitter van een stichting die meisjes helpt met muziek.

Er is alleen een catch om de 750.000 dollar van de erfenis te krijgen: iemand in de familie moet een buitenechtelijk kind maken. Die gedachte is een nachtmerrie voor de brave professor. Maar het geld… De moreel superieure professor begint ineens aan Herbert, het vriendje van Atlanta, te vertellen over ‘het voordeel van het eerst hebben van een dessert’. Herbert snapt er niets van.

Deze film is een typisch voorbeeld van het werk van theaterschrijver en regisseur Curt Goetz. Hij speelt zelf de hoofdrol. Wie zegt dat Duitsers geen humor hebben, zou zich eens in zijn werk moeten verdiepen, zoals Frauenarzt Dr. Präterius, Napoleon en Hokuspokus.

Met de komedie zit het wel goed, minder met de vernieuwingsdrang van Das Haus im Montevideo. In alles (zwart-wit, theatraal, klassieke decors, muzikale ondersteuning) is het een ouderwets ogend verfilmd theaterstuk – en dat klopt ook, want dat was het oorspronkelijk.

De film is een klik van ons verwijderd op YouTube. Een plezierige creatieve erfenis voor onze grote familie van filmliefhebbers.

 

14 maart 2019


Alle Camera Obscura

 

The Weekend Murders

Pas op met die virussen!

Pas op met die virussen!

door Bob van der Sterre

Variola Vera ♦ The Hamburg Syndrome ♦ Les Raisins de la Mort

 

Virussen. Linke soep. Daarom onverminderd populair in de cinema. Outbreak is een bekende film in het genre. Maar er is meer. En interessanter.

Het kan soms beginnen met het kopen van een fluitje in een Afrikaans land. Niet zo’n slim idee als die persoon duidelijk een gemene ziekte onder de leden heeft. De pelgrim die het fluitje koopt, reist naar Joegoslavië, wordt ziek, en dan… Ja, wat dan? Dan zien we in de film Variola Vera, die in 1982 in het toenmalige Joegoslavië is gemaakt.

Pokkenlijder
Eerst vinden ze de pelgrim in een wc van het ziekenhuis, kermend van de pijn. Dan staren alle artsen naar hem. Ze hebben geen idee. Hij komt gewoon op de zaal te liggen, bij anderen.

Het virus is de nonchalance in het ziekenhuis erg dankbaar. Zo is daar de patserarts die vrouwen versieren belangrijker vindt dan zijn vak uitoefenen. Of de ontkennende baas van het ziekenhuis die vooral autoriteit wil uitstralen. Of de gevoelige zuster die emotioneel reageert op alles.

Meest schrijnende moment is als twee patiënten van de zaal van de pokkenlijder de patserarts (met broek omlaag hangend over een zuster) komt waarschuwen dat er echt wat loos is. Dan is de pokkenlijder al het hele ziekenhuis rondgerend en heeft ie overal zijn bloed gesmeerd. Het duurt vervolgens een dag maar dan beginnen de mensen in het ziekenhuis ineens te merken wat ‘in quarantaine blijven’ betekent.

Goede film, niet oversensationeel maar juist interessant om te zien hoe zoiets wordt aangepakt. En dit is echt gebeurd. Tien jaar eerder dan deze film was er sprake van een uitbraak van de pokken in Belgrado. Het ziekenhuis verandert in een dodenfabriek. Mannen in witte pakken die op bezoek komen. Dan zie je pas hoe mensen toch alleen maar aan zichzelf denken (alhoewel er ook een iets te romantische dromer in rondloopt). De spanning blijft erin dankzij het tempo en het acteerwerk.

Foetushouding
In Die Hamburger Krankheit (1979) sterven ze ook bij bosjes. Dat gebeurt in de stad Hamburg. Wat vreemd is, is dat ze na het sterven ineens in een foetushouding liggen. Niemand weet wat er aan de hand is maar niemand wil risico’s nemen. De autoriteiten sluiten de boel af.

Iedereen wordt opgepakt. Dokter Sebastian ook – hoewel hij alleen op bezoek was voor een conferentie. Samen met mede-arrestanten ontsnapt hij. Hij wil weten wat er gaande is en ontdekken wat de haard van het virus is. Dat doet hij met Ulrike, die hij onderweg leerde kennen. Ze proberen door het land te reizen. Het is overal chaos. Mensen die door elkaar heen rijden, rennen, met koffers, honden die blaffen, gegil, traangas.

Sebastian probeert zijn eigen instituut in Lüneburg te bereiken maar verliest zichzelf in filosofische overpeinzingen: ‘Wat is een virus eigenlijk? Is het niet de adrenaline van massahysterie?’

Die Hamburger Krankheit is een virusfilm die niet echt over het virus gaat. Waar komt het vandaan en hoe zit het precies? We weten het niet. Vermoedelijk geeft de film hiermee kritiek op de chaotische periode eind jaren zeventig, toen West-Duitsland met allerlei duistere zaken te maken had: misdaad, terreur, ideologische clashes, drugsoverlast. Het was de speelbal van twee grote machten.

Je moet de film dus symbolisch opvatten. De reis naar het zuiden, de foetushouding, de overheid die controle probeert te krijgen. Ook de karakters: de fysiek gehandicapte man (genaamd Ottokar, rol van schrijver Fernando Arrabal) die alsmaar aan het gillen is, de verkoper die blijft verkopen, een arts, potentiële held, die het ook opgeeft.

Dan zie je opeens in de aftiteling ‘Roland Topor’ bij de scenaristen staan. Deze provocerende kunstenaar is ook de man van het extreem merkwaardige Marquis, een poppenfilm over Markies de Sade. De samenwerking met regisseur Peter Fleischmann bracht hen tot het maken van dit curiosum, die veel baat had bij de synthesizermuziek van Jean-Michel Jarre.

Had de film maffer moeten zijn? Of juist gewoner? Het zit nu ergens in een vreemd midden. Sowieso is de film erg chaotisch; wees dus gewaarschuwd.

Zombiefilm zonder zombies
In Les Raisins de la Mort (1978) is het meteen duidelijk waar het virus vandaan komt: we zien het in de eerste beelden, als een wijnveld wordt bespoten met insecticide. Dat zorgt ervoor dat mensen de kluts kwijtraken. Maar dat weet Élisabeths nog niet als in haar coupé een creepy kerel gaat zitten. Vlekken in zijn nek, blaasjes op zijn gezicht. Het gaat niet goed met hem en Élisabeth rent met koffer de coupé uit en trekt aan de noodrem.

Ze rent naar een huis. Boven in de slaapkamer: een lijk. Élisabeth vlucht wederom, in een leuk blauw autootje, en vindt nogal wat kadavers onderweg. Het blijkt dat het wijngebied Roubles de bron van de ellende is. Twee gretig met dynamiet smijtende mannen helpen haar gelukkig te strijden tegen deze wezens.

Er is ogenschijnlijk weinig nieuws onder de zon in deze film van Jean Rollin. Je ziet overacting, gratuite naaktscènes, experimentele muziek en Brigitte Lahaie, de pornoster die later politica werd.

Zo slecht is het toch niet. Deze zombiefilm zonder zombies is typisch Frans met wijn, kleine dorpjes, verlaten boerderijen en een paar surreële momenten. Door het lage tempo, de retrobeelden en het Franse platteland komt er een apart soort horrorgevoel naar boven. Het is ook die kille, koude, mistige natuur – dat maakt de film anders dan de doorsnee zich in de stad afspelende zombiefilm.

Het was ook legendarisch koud tijdens de opnamen en soms vroor de make-up vast aan de gezichten. Daarom gilt Marie-Georges Pascal denk ik zo vaak, om het weer wat warmer te krijgen.

Virussen, zo leren deze films wel weer, kunnen nog steeds beter uitbreken in films dan in het echte leven.

 

13 februari 2019

 

Les Raisins de la Mort


Alle Camera Obscura