Erfenissen: zo dus niet

Erfenissen: zo dus niet

door Bob van der Sterre

Malpertuis ♦ The Weekend Murders ♦ Das Haus im Montevideo

 

Wanneer leveren erfenissen géén problemen op in films? Het zicht op geld maakt mensen egoïstisch en dat is mooi filmmateriaal, denk aan een klassieker als Arthur (1981). Drie films waarvan je leert hoe het niet moet: erfenissen verdelen.

In het huis Malpertuis (1972) ligt Cassavius, die een reusachtig huis en dito erfenis bezit, op sterven. Een grote groep mensen wacht tot hij eindelijk doodgaat. Een stelletje heksen, een dierenopzetter, een dame die alles al weet. En zijn neefje Jan.

Vreemde spelletjes
Cassavius vertelt op een achternamiddag wat zijn eisen voor de erfenis zijn. Iedereen moet in Malpertuis verblijven. Alleen de laatste twee overgeblevenen, een man en een vrouw, mogen de royale erfenis delen. Gevolg: iedereen stookt iedereen tegen elkaar op.

Ondertussen blijkt Malpertuis een stuk vreemder dan iedereen denkt. Het huis herbergt een geheim. Jan wil weten wat dat is. Iedereen speelt ondertussen spelletjes met hem.

Veel moois aan de film. De settings en decors bijvoorbeeld. Alleen al de overdadige aandacht voor lichtval! Het script is ook niet doorsnee. Dat is gemaakt naar een boek van Jean Ray, die korte horrorverhalen in de stijl van Lovecraft en Poe schreef. Malpertuis is ook cinematografisch interessant. Trappenlopen bijvoorbeeld is prachtig in beeld gebracht.

De versie van regisseur Harry Kümel werd door de studio (United Artists) teruggebracht tot 100 minuten én in het Engels gedubd. Die film faalde. In 1973 maakte de ontevreden regisseur er een Vlaamstalige director’s cut van die pas tien jaar geleden het daglicht zag toen de dvd-versie van de film uitkwam.

Je kunt je die aarzeling van de studio wel een beetje begrijpen. Het is een film die veel van de kijker vraagt. De eigenzinnigheden gaan ook ten koste van de karakters, die vrij eendimensionaal zijn. En van het script, dat de beloften van het begin niet weet in te lossen aan het einde. Soms ontstijgt het niet het niveau van een kinderlijk sprookje met veel gegil en gekrijs.

Buitenbeentje in het voornamelijk Frans-Vlaamse gezelschap is Orson Welles in de rol van Cassavius. In de praktijk was hij permanent bezopen voor de drie dagen die hij was ingehuurd. Hij werkte een vierde dag gratis (en sober). Hem Vlaams horen praten, is een vreemde gewaarwording. Susan Hampshire doet trouwens ook een huzarenstukje in deze film met niet minder dan vijf rollen.

Extreme cinematografie in moordmysterie
In The Weekend Murders (1970) komen ook diverse mensen bij elkaar om te luisteren hoe het testament verdeeld wordt. Ditmaal gaat het om de erfenis van Sir Henry.

Er staat veel op het spel. Een gigantisch landhuis en landgoed. Die gaan, zo blijkt, naar Barbara, die de laatste tijd op Sir Henry had gepast. Grote teleurstelling bij de overige erfgenamen. Die denken wel hardop dat hen wat moois staat te wachten als Barbara heel toevallig een ongeluk zou krijgen.

Niet Barbara, maar andere erfgenamen leggen het loodje. De butler is de eerste. ‘Die kan het in elk geval niet gedaan hebben’, grapt iemand. Ook al loopt er een detective van Scotland Yard rond en een sergeant – waarvan de eerste zich slimmer vindt, maar de tweede slimmer is – er is een moordenaar die duidelijk niet zal stoppen voor alle erfgenamen er geweest zijn. Maar wie is het?

Een zwarte komedie met giallo-elementen en verrassingen. Verrassend is bijvoorbeeld het sterke komische acteren van Gastone Moschin. Of hoe de karakters bezeten zijn, op een of andere manier, van seksualiteit.

Daar past extreme cinematografie bij. Vanaf het eerste shot van de sergeant (onderaf, diagonaal), loopt de film over van de visuele grapjes met spiegels, close-ups van ogen, verdwaasde trips, shots van onderaf. Regisseur Michele Lupo en vooral cinematograaf Guglielmo Mancori waren gepassioneerd bezig – ze doen denken aan films van Guy Ritchie.

Als het sterke punt van de film de smeuïge cinematografie is, dan is het minpunt het verhaal. Het volgen van de vele karakters en hun onderlinge verwikkelingen gaat ten koste aan de logica van het moordmysterie (zoals de man met de Ferrari, wat doet ie daar ineens?).

Een buitenechtelijk kind maken
Prof. Dr. Traugott Hermann Nägler, vader van twaalf kinderen (de tiende heette Decimus), en hoofdpersoon van Das Haus im Montevideo (1951), is een heel ander persoon dan de karakters in voorgaande films. Hij is een strenggelovige vent die zijn kinderen Griekse canons laat zingen voor de verjaardag van hun moeder. Zijn vrouw beschrijft hem als: ‘Hij kan niet bestaan zonder zijn halo.’

Een pastoor vertelt aan professor Nägler dat zijn libertijnse zus, die in Uruguay woonde en met wie hij geen contact meer had, is overleden. Ze heeft een erfenis achtergelaten. Daarvoor moet de professor met de pastoor en zijn oudste dochter, Atlanta, naar Uruguay.

Daar blijkt dat zijn zus na hard werken ‘een instituut van 45 meisjes’ had. Een bordeel, denkt professor Nägler meteen, en hij is al de deur uit gerend. Maar zijn zus is zangeres Maria Machado. Ze is voorzitter van een stichting die meisjes helpt met muziek.

Er is alleen een catch om de 750.000 dollar van de erfenis te krijgen: iemand in de familie moet een buitenechtelijk kind maken. Die gedachte is een nachtmerrie voor de brave professor. Maar het geld… De moreel superieure professor begint ineens aan Herbert, het vriendje van Atlanta, te vertellen over ‘het voordeel van het eerst hebben van een dessert’. Herbert snapt er niets van.

Deze film is een typisch voorbeeld van het werk van theaterschrijver en regisseur Curt Goetz. Hij speelt zelf de hoofdrol. Wie zegt dat Duitsers geen humor hebben, zou zich eens in zijn werk moeten verdiepen, zoals Frauenarzt Dr. Präterius, Napoleon en Hokuspokus.

Met de komedie zit het wel goed, minder met de vernieuwingsdrang van Das Haus im Montevideo. In alles (zwart-wit, theatraal, klassieke decors, muzikale ondersteuning) is het een ouderwets ogend verfilmd theaterstuk – en dat klopt ook, want dat was het oorspronkelijk.

De film is een klik van ons verwijderd op YouTube. Een plezierige creatieve erfenis voor onze grote familie van filmliefhebbers.

 

14 maart 2019


Alle Camera Obscura

 

The Weekend Murders

Pas op met die virussen!

Pas op met die virussen!

door Bob van der Sterre

Variola Vera ♦ The Hamburg Syndrome ♦ Les Raisins de la Mort

 

Virussen. Linke soep. Daarom onverminderd populair in de cinema. Outbreak is een bekende film in het genre. Maar er is meer. En interessanter.

Het kan soms beginnen met het kopen van een fluitje in een Afrikaans land. Niet zo’n slim idee als die persoon duidelijk een gemene ziekte onder de leden heeft. De pelgrim die het fluitje koopt, reist naar Joegoslavië, wordt ziek, en dan… Ja, wat dan? Dan zien we in de film Variola Vera, die in 1982 in het toenmalige Joegoslavië is gemaakt.

Pokkenlijder
Eerst vinden ze de pelgrim in een wc van het ziekenhuis, kermend van de pijn. Dan staren alle artsen naar hem. Ze hebben geen idee. Hij komt gewoon op de zaal te liggen, bij anderen.

Het virus is de nonchalance in het ziekenhuis erg dankbaar. Zo is daar de patserarts die vrouwen versieren belangrijker vindt dan zijn vak uitoefenen. Of de ontkennende baas van het ziekenhuis die vooral autoriteit wil uitstralen. Of de gevoelige zuster die emotioneel reageert op alles.

Meest schrijnende moment is als twee patiënten van de zaal van de pokkenlijder de patserarts (met broek omlaag hangend over een zuster) komt waarschuwen dat er echt wat loos is. Dan is de pokkenlijder al het hele ziekenhuis rondgerend en heeft ie overal zijn bloed gesmeerd. Het duurt vervolgens een dag maar dan beginnen de mensen in het ziekenhuis ineens te merken wat ‘in quarantaine blijven’ betekent.

Goede film, niet oversensationeel maar juist interessant om te zien hoe zoiets wordt aangepakt. En dit is echt gebeurd. Tien jaar eerder dan deze film was er sprake van een uitbraak van de pokken in Belgrado. Het ziekenhuis verandert in een dodenfabriek. Mannen in witte pakken die op bezoek komen. Dan zie je pas hoe mensen toch alleen maar aan zichzelf denken (alhoewel er ook een iets te romantische dromer in rondloopt). De spanning blijft erin dankzij het tempo en het acteerwerk.

Foetushouding
In Die Hamburger Krankheit (1979) sterven ze ook bij bosjes. Dat gebeurt in de stad Hamburg. Wat vreemd is, is dat ze na het sterven ineens in een foetushouding liggen. Niemand weet wat er aan de hand is maar niemand wil risico’s nemen. De autoriteiten sluiten de boel af.

Iedereen wordt opgepakt. Dokter Sebastian ook – hoewel hij alleen op bezoek was voor een conferentie. Samen met mede-arrestanten ontsnapt hij. Hij wil weten wat er gaande is en ontdekken wat de haard van het virus is. Dat doet hij met Ulrike, die hij onderweg leerde kennen. Ze proberen door het land te reizen. Het is overal chaos. Mensen die door elkaar heen rijden, rennen, met koffers, honden die blaffen, gegil, traangas.

Sebastian probeert zijn eigen instituut in Lüneburg te bereiken maar verliest zichzelf in filosofische overpeinzingen: ‘Wat is een virus eigenlijk? Is het niet de adrenaline van massahysterie?’

Die Hamburger Krankheit is een virusfilm die niet echt over het virus gaat. Waar komt het vandaan en hoe zit het precies? We weten het niet. Vermoedelijk geeft de film hiermee kritiek op de chaotische periode eind jaren zeventig, toen West-Duitsland met allerlei duistere zaken te maken had: misdaad, terreur, ideologische clashes, drugsoverlast. Het was de speelbal van twee grote machten.

Je moet de film dus symbolisch opvatten. De reis naar het zuiden, de foetushouding, de overheid die controle probeert te krijgen. Ook de karakters: de fysiek gehandicapte man (genaamd Ottokar, rol van schrijver Fernando Arrabal) die alsmaar aan het gillen is, de verkoper die blijft verkopen, een arts, potentiële held, die het ook opgeeft.

Dan zie je opeens in de aftiteling ‘Roland Topor’ bij de scenaristen staan. Deze provocerende kunstenaar is ook de man van het extreem merkwaardige Marquis, een poppenfilm over Markies de Sade. De samenwerking met regisseur Peter Fleischmann bracht hen tot het maken van dit curiosum, die veel baat had bij de synthesizermuziek van Jean-Michel Jarre.

Had de film maffer moeten zijn? Of juist gewoner? Het zit nu ergens in een vreemd midden. Sowieso is de film erg chaotisch; wees dus gewaarschuwd.

Zombiefilm zonder zombies
In Les Raisins de la Mort (1978) is het meteen duidelijk waar het virus vandaan komt: we zien het in de eerste beelden, als een wijnveld wordt bespoten met insecticide. Dat zorgt ervoor dat mensen de kluts kwijtraken. Maar dat weet Élisabeths nog niet als in haar coupé een creepy kerel gaat zitten. Vlekken in zijn nek, blaasjes op zijn gezicht. Het gaat niet goed met hem en Élisabeth rent met koffer de coupé uit en trekt aan de noodrem.

Ze rent naar een huis. Boven in de slaapkamer: een lijk. Élisabeth vlucht wederom, in een leuk blauw autootje, en vindt nogal wat kadavers onderweg. Het blijkt dat het wijngebied Roubles de bron van de ellende is. Twee gretig met dynamiet smijtende mannen helpen haar gelukkig te strijden tegen deze wezens.

Er is ogenschijnlijk weinig nieuws onder de zon in deze film van Jean Rollin. Je ziet overacting, gratuite naaktscènes, experimentele muziek en Brigitte Lahaie, de pornoster die later politica werd.

Zo slecht is het toch niet. Deze zombiefilm zonder zombies is typisch Frans met wijn, kleine dorpjes, verlaten boerderijen en een paar surreële momenten. Door het lage tempo, de retrobeelden en het Franse platteland komt er een apart soort horrorgevoel naar boven. Het is ook die kille, koude, mistige natuur – dat maakt de film anders dan de doorsnee zich in de stad afspelende zombiefilm.

Het was ook legendarisch koud tijdens de opnamen en soms vroor de make-up vast aan de gezichten. Daarom gilt Marie-Georges Pascal denk ik zo vaak, om het weer wat warmer te krijgen.

Virussen, zo leren deze films wel weer, kunnen nog steeds beter uitbreken in films dan in het echte leven.

 

13 februari 2019

 

Les Raisins de la Mort


Alle Camera Obscura

Gezondheid en cynisme

Gezondheid en cynisme

door Bob van der Sterre

HealtH ♦ The Stuff ♦ Le Viager

 

Is het slikken van bijenpollenwas echt goed voor je gezondheid? Het slikken van omega 3-pillen blijkt ook onzin. Mensen deden eeuwenlang aan aderlaten voor ze besloten dat het niet werkte. Cynisme en gezondheid blijken ook een geolied duo in films – en niet alleen in een film als Sicko. Hier drie voorbeelden.

In HealtH (1980) kijken we naar een verkiezing van de voorzitter van een organisatie genaamd ‘HealtH’ (Happiness, Energy And Longevity Through Health). Wordt het weer Esther Brill? Is het dit keer nieuwkomer Isabella Garnell? De beslissing valt tijdens een conventie in een luxehotel in Florida.

Niet commercieel genoeg
De hoofdrol is voor Harry Wolff, de mannetjesmaker, in dit geval vrouwtjesmaker, van Esther. Dat is wel nodig. Ook al is ze 86 en ziet ze er jonger uit, soms valt ze stil alsof iemand op een pauzeknop heeft gedrukt. En daar is ook zijn ex, Gloria. Die steunt namens het Witte Huis beide kandidaten maar heeft zelf een duidelijke voorkeur voor de visionaire intellectueel Isabella.

Veel films van Robert Altman leven door in het collectieve filmgeheugen. HealtH is daar niet een van. Het is een soort M*A*S*H of The Player waarbij alles mislukt. Ook hier satire, ook hier een mozaïekfilm (voor de niet ingewijde: het wervelend door elkaar observeren van diverse karakters), ook hier prima acteurs en zelfs een boeiend onderwerp. Toch werkt het niet zoals in die andere films.

De film is in de eerste plaats niet zo geestig als je van Altman verwacht. Vooral het begin is zwak. Het heeft vermoedelijk te maken met het feit dat Altman haastig moest werken. Door een contract werd hij gedwongen om de film vóór 1980 af te ronden. 20th Century Fox had vervolgens ineens geen haast meer door negatieve reacties van previewers. ‘Niet commercieel genoeg.’ Twee jaar lag de film nog op de plank en toen ging Altman de film zelf maar vertonen tijdens festivals.

Niet álles is vervelend. De hoofdrollen van James Garner en Carol Burnett laten zien hoe acteurs opbloeien in Altmans handen. Er zijn ook wel grappige dialogen. ‘Was he in politics?’ ‘No, he was a republican.’ ‘Oh, I am sorry.’ En de satire: de behoorlijk gestoorde ‘onafhankelijke kandidaat’ is dan de enige die iets zinnigs zegt: hij wil de tussenpersoon tussen mensen en voeding zijn.

Yoghurt leeft
Ook satirisch, of misschien gewoon horror, is The Stuff uit 1985, een film van cultregisseur Larry Cohen (Q en God Told Me To). Van de een op andere dag gaat iedereen ineens het nieuwste yoghurtproduct eten. Het heet the stuff.

De tienjarige Jason wantrouwt het yoghurtproduct nadat hij het zag bewegen in de koelkast. Hij slaat het uit de handen van zijn moeder en sloopt de supermarkt in een poging om het product te vernietigen.

Ook Mo Rutherford, een bedrijfsspion, vindt het maar raar dat een zoektocht naar de tests van het bedrijf stuklopen in een dorp in Virginia waar niemand meer woont. En als er al iemand is, komt er witte foam uit hun mond. Dat stroomt uit het raam.

Mo gaat samen met Jason en Nicole (die de PR van ‘the stuff’ doet) op zoek naar de fabriek waar ze het product maken. Ze komen erachter dat ‘the stuff’ opborrelt in grotten. De fabriek is alleen maar een dekmantel. ‘The stuff’ wordt direct uit de grot in melkwagens gespoten.

Een raar verhaal met best wat cultcharme. Het is ook niet elke dag dat yoghurt de boosdoener is in een film. En de hype van ‘gezonde producten’ krijgt er in deze film genadeloos van langs. ‘Het leeft.’ ‘Dat heet bacteriën, Jason, die leven en helpen je darmen.’ Het beste stukje: de familie van Jason die aan the stuff verslaafd is geraakt.

Ja, het budget was laag, de montage doet soms pijn aan de ogen, het verhaal slaat ook regelmatig kant noch wal. De acteurs zorgen toch voor een paar redelijk grappige scènes. Michael Moriarty speelt zijn hoofdrol verrassend laconiek, hoewel ik nog nooit eerder van hem had gehoord. Ook Andrea Marcovicci was mij onbekend. Beide gingen na 1985 voornamelijk door met acteren in B-films.

Het gehucht St. Tropez
Eveneens spottend is de Franse komedie Le Viager (1972). Dokter Galipeau weet honderd procent zeker dat de 59-jarige Martinet niet lang meer te leven heeft. Hij ziet mogelijkheden. Via een financiële truc (gebaseerd op de waarde van het ‘waardeloze’ aluminium) spreken ze af dat Galipeaus broer de lijfrente van de goedgelovige Martinet overneemt. Als hij sterft, nemen ze zijn buitenhuisje in St. Tropez over, is de afspraak. Een risicoloos gokje volgens de dokter. ‘Faites moi confiance.’

Elk jaar stuur Martinet braaf een kerstkaart. Tot afgrijzen van de familie. ‘Geloof mij maar’, zegt Galipeau grijnzend tegen zijn familie, ‘dat duurt niet lang meer.’ Hij beweert dat vaak. In 1938 zweert hij: ‘Er is geen conflict, geloof mij maar.’ En het jaar erna zijn ze op de vlucht naar het zuiden.

Het gehucht St. Tropez, waar Martinet woont, wordt na de oorlog razend populair. De prijs van aluminium stijgt gigantisch. Kortom: het geduld begint op te raken. Als Martinet tijdens het dansen naar zijn hart grijpt, denken ze eindelijk dat het moment daar is. ‘Is er iets?’, vragen ze huichelachtig. ‘Ja, mijn medaille is kwijt. Hij zat hier net nog!’

De complete trukendoos wordt opengetrokken: trappen lopen op de Eiffeltoren, uitnodigen voor heftige maaltijden en drankgelagen, zijn trap met vet bekladden. Het helpt niet.

Leuke, speelse film. Deze film van Pierre Tchernia heeft de herkenbare handtekening van de scenarioschrijver van Astérix en Obelix (René Goscinny). Hij schreef namelijk dit script. Hoog tempo, vermakelijk acteerwerk en een paar mooie spottende karakterschetsen. Michael Galabru is buitengewoon grappig als de falende dokter en Michel Serrault is eveneens fantastisch als de oude, kwieke man.

Het geestige script laat Martinet soms figureren als een soort Forrest Gump avant la lettre. Let ook op de breaks met animaties in kinderstijl die je vandaag de dag op YouTube ziet langskomen. De overgangen in jaren met kerstkaarten. Of Gerard Dépardieu in een van zijn eerste rollen. En het acteerwerk van Jean Carmet en de zoon van Pierre Brasseur (Claude Brasseur). Dit team (Goscinny, Tchernia, Serrault en Galabru) maakte twee jaar later ook nog Les Gaspards en die moet ook bezienswaardig zijn.

De vraag na dit alles is alleen: is passie voor film ook een gezondheidsprobleem?

 

14 januari 2019

 

The Stuff


Alle Camera Obscura

Luchtige hippiefilms

Luchtige hippiefilms

door Bob van der Sterre

Loving and Laughing ♦ Skidoo ♦ The Strawberry Statement

 

Hippies waren een inspiratiebron eind jaren zestig. Nog steeds maken films gretig hun subcultuur belachelijk. Wat blijkt? Hippiefilms uit de hippietijd waren zelf ook behoorlijk luchtig.

In Loving and Laughing (1971) heeft een rijdende Canadese hippiecommune dikke pret. Drugs, seks, samen douchen. Gewoon een heerlijk ontspannen hippieleventje.

Iedereen is verliefd op iedereen
Reggie – van goede afkomst – krijgt autopech. Passanten bieden hem een lift aan. Hij wordt meteen opgenomen in de groep. De joviale Lucien Lapalme helpt hem daarbij. ‘Kruip bij haar in bed.’ ‘Maar ik ken haar niet.’ ‘Soms worden bedden ook gewoon gebruikt om in te slapen.’

Zowel Reggie als Lucien Lapalme ruiken een kans. Reggie zou namelijk Franse les gaan geven in Vermont. Lucien wordt achterna gezeten in verband met een drugszaak. Dus neemt Lucien Reggies plek in. In pak, kort haar, snor eraf. Toch kun je een man wel een andere look geven, je zal de hippie er nooit helemaal uit halen. Niet alleen de dochter die Lucien lesgeeft, ziet hem wel zitten, ook haar zuster, haar moeder, de huishoudster en zelfs de homoseksuele broer.

Loving and Laughing is pure hippie-exploitation. Ja, ook dat is een genre. De kleding wordt gretig uitgetrokken. Anders dan de meeste exploitationfilms heeft de film geen naargeestig onderbuikgevoel. Het is juist een lichte satire op het hippiebestaan. Met bijpassende quotes. ‘Iedereen is hier verliefd op iedereen.’ ‘Niemand houdt van mij.’ ’Ik hou van jou, ik hou van iedereen!’ ‘Als je van me houdt, dan streel je me en scheur je mijn bloesje kapot.’

Deze Quebecoise productie werd onder andere in St. Albans gefilmd, waar ze toen geen idee hadden dat de film min of meer een seksfilm was. Quebecoise films? Ja: dat is de Franse cultuur in Canada waar je in Europa bijna nooit wat over hoort. Kijken dus om het te leren kennen.

Eigenzinnige Otto Preminger
Ietsje ouder en maffer is Skidoo (1968). Daarin krijgt Tony Banks, maffiagangster in ruste, op een avond onaangekondigd bezoek van oud-gangsters. Ze moeten hem overhalen om in een gevangenis een moord te plegen. Opdracht van ‘God’.

Ondertussen raakt Tony’s dochter Darlene in de ban van een hippie. Zolang Tony weg is, mag de commune van haar moeder tijdelijk verblijven in het huis van de Banks’.

Regisseur Otto Preminger had een prettige eigenzinnige smaak en dat zie je ook wel aan Skidoo. De film verlegt grenzen. Een lsd-trip zoals je niet eerder zag. De originele aftiteling (doet denken aan Monty Python). Een actiescène in een splitscreen: wow.

Mensen die vol gas hun eigen creativiteit volgen, vergeten soms wel een beetje het publiek waar ze het voor doen. Dat is ook het geval met Skidoo. Creativiteit alom maar als kijker mis je betrokkenheid. Het warrige script is aan de ene kant niet grappig genoeg (ik bedoel Life of Brian-grappig) en aan de andere kant is het ook geen boeiende misdaadfilm. De bejaarde Groucho Marx inzetten als topgangster was ook al geen gelukkige zet. Groucho Marx zonder de rest van de Marx Brothers is als Joey zonder Friends.

Als je het geslaagde scheidt van het minder geslaagde zijn er ook passages die wél de moeite waard zijn. De maffiosi in hun zwart-oranje outfits. De parodie op de slang van de hippies: ‘If you can’t dig nothing, you can’t dig anything, you dig?’ En acteurs met allemaal een andere achtergrond en acteerstijl. Mickey Rooney, Jackie Gleason, Richard Kiel (dé Jaws), Austin Pendleton (piepjong).

Preminger haalde inspiratie uit zijn eigen leven. Zo experimenteerde hij zelf met lsd. En de hippies komen uit verhalen van zijn zoon. Die hing met ze rond in New York. Shots worden niet méér hippie dan die ene in de hippiecamper, van binnen en van buiten in felle kleuren geverfd, waar naakte vrouwen worden geschilderd (‘Het menselijk lichaam is mooi!’) terwijl de joints rondgaan en iemand op een sitar speelt.

Aldoor draaiende camera’s
Neil Young; The Beatles; Crosby, Stills, Nash & Young; Joni Mitchell; de soundtrack van 2001: A Space Odyssey. Blote mensen, stakende studenten, gezeur over Mao, San Francisco. Niet veel films ademen 1970 meer dan The Strawberry Statement.

En toch: ook al zit hij er middenin, Simon heeft niet zoveel interesse in die hippie-achtige opstandigheid. Hij houdt gewoon van roeien. Totdat hij toch een keer naar de stakers gaat en daar Linda ontmoet. Leuke meid.

Linda is er wel van en ze betrekt Simon steeds meer bij de vreedzaam protesterende studenten. Want hippies waren niet alleen aan het blowen – de bekende clichéhippie – ze waren ook bezig de wereld te veranderen. Dat deden ze door in een peace-teken te protesteren. Zoals hier op de universiteit van Berkeley.

Een prettige, spontane film. Al dat experiment! De cameraman ging helemaal los. Een staking monteren op het tempo van roeiers. Ik noem maar wat. Een gesprek vanuit het perspectief van iemand die op de grond ligt. Draaiende shots bovenop een torentje. Gefilmd van bovenaf een gymkluisje. De camera vanuit een helm.

Het is wel vernieuwend in een ouderwets jasje. Het verhaal is lastig te volgen en je wordt zeeziek van de bijna aldoor draaiende camera’s. En ronduit problematisch is het vervelende karakter van Simon (rol van Bruce Davison), waar je geen sympathie voor kunt voelen.

Wel luchtig, maar veel minder hippie-exploitation dan pak hem beet films als I Love You, Alice B.Toklas en Psych-out, die iets te bekend zijn voor deze rubriek. Deze film neemt een vriendelijke afslag richting romantische komedie. Je ziet hoe jongeren half hippie, half student waren en zochten naar meer eerlijkheid.

Het leukste is het om later min of meer bekende acteurs aan het begin van hun loopbaan maf te zien doen: Bob Balaban, James Coco, Kim Darby, Bud Cort. Want in mafheid doet geen van de hippiefilms voor elkaar onder.

 

16 december 2018

 

The Strawberry Statement

 


Alle Camera Obscura

Mannen en vrouwen en moeilijke vriendschappen

Mannen en vrouwen en moeilijke vriendschappen

door Bob van der Sterre

Where is Miss Young ♦ Georgy Girl ♦ Love and Pain and the Whole Damn Thing

 

Vriendschappen tussen (heteroseksuele) mannen en vrouwen zijn zelden zonder problemen. De serie Friends maakte er tien jaar mee vol. Er zijn veel minder bekende films over het grijze gebied tussen vriendschap en relaties.

In de eerste scène van Where is Miss Young (1975) zien we een jonge vrouw, Nan-Yhang, haastig de straat oversteken. Dat mag niet in Zuid-Korea. Ze wordt opgepakt. De agenten zetten haar achter een geel spandoek. Daar staat ze tussen andere verkeersovertreders, waaronder Jin-Ho. Ze hebben een klik… Een vriendschappelijke klik.

Vluchten voor familiedrama’s
Waar moeten ze heen? Hij heeft een vriend, Min-Su, en die heeft een appartement. Gezelligheid alom in het huis. Eten, drinken, slapen – zonder dat er seks bij komt kijken. Min-Su vindt het ook allemaal prima.

Alle drie vluchten ze voor hun familiedrama’s. Min-Su heeft een rijke moeder die geen tijd heeft voor haar studerende zoon. Nan-Yhang heeft genoeg van de ruzie tussen haar vader en moeder, die bazin is van een uitgeverijtje. En Jin-Ho is het zwarte schaap van een familie, die niets met de luilak te maken wil hebben.

Geen van drieën werkt en al snel is het geld op. Jin-Ho heeft een korte loopbaan als geldeiser en Nan-Yhang beleeft de grenzen van beschaving als animeermeisje. Vooral dat laatste, waarbij veel handtastelijkheden zijn en drank rijkelijk vloeit, schept verwarring tussen het trio. Het kan niet anders dan dat de drie ‘jules et jim-end’ afstevenen op een crisis.

Where is Miss Young is volslagen onbekend in het westen. Toch is deze film uit 1975 minstens zo los, leuk en speels als soortgelijke films van Truffaut uit die tijd. Gekke karakters als de man die alsmaar geld wil hebben voor zijn Gogol-vertaling of een dochter die liever intiem is met kittens dan mannen. Een film met flair.

Charlotte Rampling op haar arrogantst
In Georgy Girl (1966) alweer drie jongvolwassenen. Allereerst de prettig gestoorde Georgy (rol Lynn Redgrave), die een vriendje wil. Alleen ziet niemand haar zitten. De enige date die ze heeft is met haar cursus Italiaans.

Ze vindt het vriendje (Jos, Alan Bates) van haar knappe vriendinnetje (Meredith, piepjonge Charlotte Rampling) wel leuk. Georgy scrabbelt met Jos. Uiteindelijk gaat hij met Meredith naar bed. ‘Het probleem is dat ik niet met jou naar bed kan zoals met haar. Dan pak ik nog een tomatensandwich en haal ik nog net bus 72. Met jou zou het langdradig drama betekenen. Al dat gehuil de hele tijd! Het probleem voor jou is dat je een lief meisje bent.’

Ze wordt dan wel achterna gezeten door een man van middelbare leeftijd (James ‘I am not fifty yet’ Mason) maar daar heeft zij weer geen zin in.

Georgy Girl bevat voor een luchtige film behoorlijk pittige thema’s. Terloops komen zaken langs als ongewenst zwangerschap; een ingewikkelde driehoeksverhouding; kinderbescherming. Goede tragikomedies pakken zulke thema’s op alsof het verloren handschoenen zijn.

Ook bijzonder van Georgy Girl is dat een origineel denkend meisjeskarakter de hoofdrol heeft. Ze is een vrouw met eigenaardigheden en dat zie je niet zo vaak in cinema. Bovendien hoef je je niet te vervelen dankzij goede, vlotte, op maat geschreven dialogen. ‘Wij moeten trouwen. We kunnen het goed vinden in bed en hebben geen ruzie. Dat is genoeg.’ ‘Je bent zeker zwanger.’ ‘Ja.’

De acteurs zitten ook dicht op de huid van de karakters die ze spelen – wat het een (soms iets te) improv-gevoel geeft. Lynn Redgrave is subliem. Ze won er ook de Golden Globe voor en de New York Film Critics Circle Award. Het was het hoogtepunt van haar acteercarrière, die verder vooral uit frustraties bestond, in de schaduw van haar bekende zus Vanessa. Ook Alan Bates kon zich hier lekker uitleven. En Charlotte Rampling op haar arrogantst. God, wat is ze hier arrogant!

Geloofwaardige romantiek
In Love and Pain and the Whole Damn Thing (1973) gaat het om twee mensen, van een totaal verschillende leeftijd. De iets oudere dame Lila (Maggie Smith) zit half depressief in een bustour door Spanje – achterin de bus. De jongeman Walter (Timothy Bottoms) is door zijn vader op een fietstour door Spanje gestuurd en zit half depressief op de fiets. Op zeker moment heeft hij geen zin meer en stapt hij ook in de bus, die toevallig hetzelfde stadje aandoet als de fietsers.

Als Lila zichzelf op een toilet opsluit, en hij haar redt, gaan ze praten… over taal. En alleen maar over taal… Walter is op een gegeven moment de taallessen zat. Een Spaans dansfeest, wat drank en hij bespringt haar. Ze stuurt hem weg, hij slaat boos een gat in de muur en daar achter zit nou net haar kamer.

De zich ontwikkelende relatie tussen Walter en Lila verveelt geen seconde. Twee karakters die niet bepaald op hun fraaist worden neergezet en daarom des te charmant zijn. Walter energiek en niet zo nadenkend. Lila zacht maar benepen. Ze zijn moeilijk maar passen daardoor bij elkaar. Als vrienden of geliefden? Walter: ‘Ik hou van jou, Lila, ik hou echt van jou. Je bent een pain in the ass maar ik hou van jou.’

Bovendien heeft deze film ook nog twee hilarische bijrollen als bonus. De Spaanse acteur Emilio Redondo – ons vier jaar geleden ontvallen – is geestig gecast als gepassioneerde man met grote kennis van zangvogeltjes. Zijn hart wordt gebroken door Lila. En de broer van de Belgische koningin Fabiola, Don Jaime de Mora y Aragón, speelt zichzelf als hertog met een enorm kasteel in de Spaanse woestijn.

Maggie Smith en Timothy Bottoms dragen deze charmante film, die doet denken aan Bobby Deerfield met Al Pacino en Marthe Keller. De ene film is van Alan J. Pakula en de ander van Sidney Pollack. Geen kleine namen maar beide films worden nauwelijks serieus genomen in hun oeuvres. Zonde want het zijn beide lieve films met vriendelijke mensen en geloofwaardige romantiek. Dat is moeilijker om te maken dan veel filmcritici denken.

 

13 november 2018

 

Georgy Girl

 
Alle Camera Obscura

Gekkenhuizen-cinema

Gekkenhuizencinema

door Bob van der Sterre

Don’t look in the basement ♦ Shock Corridor ♦ La Tête Contre les Murs

 

Ieder genre heeft wel zijn klassieker. Neem One Flew Over the Cuckoo’s Nest. Klassieker in het subgenre van gezonde personen die in een psychiatrische instelling terechtkomen. Er zijn er meer – en uiteraard een stuk minder bekend.

Hoezo maniakaal? In Don’t Look in the Basement (1973, originele titel The Forgotten) zien we een sergeant van wie de stoppen zijn doorgeslagen; een rechter die niet met bijlen kan omgaan; een volwassen kerel die altijd sabbelt op lolly’s; een nymfomane; een zwijgende vrouw die je af en toe aanvalt met een mes; een pestkop en een griezelige rijmpjes makende oude vrouw. Gezellige boel daar!

Close-ups van de krankzinnigen
De rechter die niet met bijlen kan omgaan, slaat dus per ongeluk het hoofd in van de eigenaar van het sanatorium, meneer Stephens. Mevrouw Masters blijft over. De volgende dag staat een verpleegster voor de deur. Puur toeval maar komt wel handig uit.

De zuster krijgt na diverse incidenten steeds meer twijfel of ze daar zo blij mee moet zijn. Wie twijfelt niet als er iemand met een mes uit een kast komt rennen? Of een nymfomane ontmoet die wil trouwen met een lijk?

Het verhaal is niet zo sterk maar de cultreputatie van de film is wel begrijpelijk. Allemaal extreem low budget gefilmd, toch passeren er een paar fraaie shots en krijg je experimentele muzikale ondersteuning die de film een eigen karakter geven.

Vooral de close-ups van de krankzinnigen zijn goed gelukt. Misschien wel juist omdat de film intussen wat aan kwaliteit heeft verloren. Extra griezelig dus. De oude vrouw heeft een paar fascinerende close-ups, die doen denken aan zwijgende films.

Het laatste kwartier is wel permanent gegil. Niet bepaald een gevoelig verhaal à la One Flew Over the Cuckoo’s Nest maar wel entertainend voor de liefhebber.

Je laten opsluiten voor de Pulitzer-prijs
In Shock Corridor (1963) komt alweer een gezond persoon tussen ongezonde mensen terecht: journalist Johnny. Johnny wil zo graag een Pulitzer-prijs voor een moordmysterie dat hij zich laat opnemen in een psychiatrische inrichting. Je moet wat over hebben voor je carrière! Zijn vriendin Cathy moet vervolgens acteren dat ze zijn zus is en dat ze een incestueuze relatie hebben gehad. Ze speelt het spelletje mee. Alles voor de carrière van je partner!

Johnny doet zijn werk. Hij spreekt met getuigen van de moord. De eerste is een man die denkt dat de burgeroorlog nog steeds bezig is. Moest de vijand brainwashen tijdens de Korea-oorlog maar overkwam het zelf. De volgende man heeft vreselijke racistische dingen meegemaakt. Zo erg, dat hij nu ook denkt een racist te zijn. Hij heeft altijd een capuchon van de Ku-Klux-Klan bij zich.

Johnny schiet op met zijn onthulling maar persoonlijk gaat het niet zo goed. Hij krijgt shocktherapie. Zijn stem werkt af en toe niet meer. Iedereen raadt hem af om door te gaan. Maar die Pulitzer-prijs blijft lonken!

Een titel als Shock Corridor én een regisseur als Sam Fuller, dat kan bijna niet misgaan. En het is ook een interessante film geworden. Je ziet bizarre droomsequenties, stukken in kleur (het is een zwart-witfilm) en een scène, mocht je die opnemen en drie uur achter elkaar kijken, je echt gek van zal worden (ik wil niemand op ideeën brengen).

Saaie films maken kon Sam Fuller gewoon niet. Hij maakte smeuïge films met – binnen de Hollywoodmarges – avontuur op cinematografisch gebied. Ook de dubbelzinnigheid druipt er soms vanaf (de patiënt met gestrekte arm). Zoiets is bij Sam Fuller geen toeval.

Luie motorcrosser met vaderhaat
De derde gezonde persoon die in een gekkenhuis komt, zien we in La Tête Contre les Murs (1959). Daarin krijgt de jonge François het aan de stok met zijn vader. Die ziet François als een luie motorcrosser die geld van hem steelt. Dus maar opsluiten in het gekkenhuis (pardon, psychiatrische instelling, ‘want hier wonen geen gekken,’ aldus de arts).

Gek is François niet, maar dat zou je wel kunnen worden van een vader die zegt: ‘De samenleving is een spel, en je moet weten hoe je dat moet spelen.’ Dokter Varmont ziet ‘een duidelijke vaderhaat’. Dus toch patiënt?

De instelling heeft twee verschillende artsen. Dokter Varmont denkt anders over het vak dan dokter Emery, die moderne geneeskunde nastreeft, en denkt dat gekken te genezen zijn. Iedereen is vrij en mag doen wat ie wilt. Varmont ziet dat anders: ‘Een mooi verkooppraatje. Ik denk alleen niet dat waanzin zo makkelijk is op te lossen.’

We zien François meedoen met alles. Zijn enige troost: een lieve vrouw die soms op bezoek komt. Na een poos heeft hij er genoeg van. Zijn pa wil hem nog steeds niet vrijlaten. Zelfs niet als hij gaat smeken. Dan maar ontsnappen!

Ook hier volop gekken in actie. ‘Ik hoef geen Spaans te leren! Ik hoef geen Spaans te leren!’ Een zaag als wapen. Charles Aznavour, van de week nog aan ons ontvallen, zag je niet eerder zo plotseling een toeval krijgen. Dit was zijn eerste, echte rol.

La Tête Contre les Murs was het project van Jean-Pierre Mocky. Het was zijn script, zijn idee en hij speelt zelf de hoofdrol. Waar het vandaan kwam: Mocky’s Poolse familieleden die concentratiekampen hadden overleefd, werden later gek en moesten naar psychiatrische instellingen.

Mocky vroeg documentairemaker Franju om de film te regisseren en die deed als regisseur wat hij moest doen tot er een incident plaatsvond. Hij zag tijdens opnames bij een echte psychiatrische instelling een gestoorde de keel doorsnijden van een andere gestoorde. Mocky en Franju’s assistent Rouffio maakten de film af. Die aparte mix is juist de charme van de film.

Ook Mocky raakte depressief. Verliefd op zijn tegenspeelster Anouk Aimée, die er, zoals het in de realiteit wél gaat, er met een ander vandoor ging. Liet hem versomberd achter.Gek door deze tegenslagen werden ze geen van beiden. Mocky maakte een jaar later Les Dragueurs, ook met Aznavour, en Franju zou twee jaar later zijn meesterwerk Les yeux sans visage maken. Cinema heelt wonden.

 

19 oktober 2018

 

La Tête Contre les Murs

 

Alle Camera Obscura

Edele wilden

Edele wilden

door Bob van der Sterre

Walkabout ♦ The Gods Must Be Crazy ♦ The Emerald Forest

 

Rousseau’s ‘edele wilden’ hebben een romantiek die nooit verloren gaat. Neem Avatar. Het edele van wezens die niet zijn verpest door de westerse maatschappij. Onverslijtbare romantiek. Drie minder bekende films over dit onderwerp.

Walkabout (1972) opent met prachtige straatbeelden van Sydney. Een jongetje, een volwassen man, een meisje, een didgeridoo, een salamander. Allemaal hebben ze met elkaar te maken.

Grensverleggend in de woeste natuur
Dan. Auto in woestijn. Krankzinnige vader die opeens begint te schieten. Meisje en haar broertje die ontsnappen. Aangezien ze uit een Britse kostschool komen, zegt het meisje: ‘Je blazer moet er wel goed uitzien. Je wilt toch niet dat mensen denken dat wij zwervers zijn?’ Broertje: ‘Welke mensen?’

Waar is Crocodile Dundee als je die nodig hebt? Dan vergeten we voor het gemak even de aboriginals. Tijdens een ‘walkabout’ moet een aboriginal zichzelf maandenlang redden in de woeste natuur van Australië. Een zo’n aboriginaljongen neemt ze onder hun hoede want dat is wat edele wilden doen.

Ze leren overleven. En zien dat voor de meeste westerse dingen ook een aboriginalversie bestaat (zonnebrandcrème, viltstiften, wapens, aanstekers). De aboriginaljongen gaat ondertussen het westerse meisje steeds leuker vinden.

‘Cultdrama’ wordt Walkabout vaak genoemd. De film heeft duidelijk de eigenzinnige signatuur van zijn maker, Nicholas Roeg. Dit was zijn tweede film. Een film met grensverleggend karakter. Extravagant in geluid, montage en beeld. Meisje zwemt sierlijk, de aboriginal doodt op de achtergrond een flinke kangoeroe. Bovendien, en dat is het knappe van zo’n film, leef je erg mee met de karakters.

Verder een belangrijke bijrol voor de vele beesten die er als een dierendocumentaire in figureren en een plot dat je niet snel vergeet. Veel edeler zal je de wilden niet vinden – en dat maakt van Walkabout een prachtfilm over onschuld en romantiek.

Door-en-door Afrikaans
Van Australië naar de Karoo, want dat is de locatie van The Gods Must Be Crazy uit 1980. Daar leven Bosjesmannen. Alleen die kunnen daar overleven. Dat doen ze dankzij besjes, wortels, water en vruchten. De Bosjesmannen hebben geen rechtspraak, geen geld, geen wetten, geen eigendom, geen klokken. Ze verontschuldigen zich aan de gazelle die ze gaan eten.

Eerst zien we de ontwikkelde mens in diens omgeving. ‘8:00 means everybody has to look busy. 10:30 means you can stop looking busy for 15 minutes. And then you have to look busy again.’

Een blanke dame ziet die drukte niet meer zitten en wil onderwijzeres worden in een dorpje in Botswana. De man die haar begeleidt kan met de Tswana praten, weet dat je moet oppassen voor de wtapaboom, snapt dat rinocerossen vuurtjes uitstampen en schrikt zelfs niet van een jeep zonder handrem. Met dames kan hij niet opschieten. ‘Het is een interessant psychologisch fenomeen’, zegt hij zelf.

Bosjesman Xi wil ondertussen een uit een vliegtuig geworpen colaflesje ‘aan het einde van de wereld’ weggooien. Dan zijn er nog de vluchtende guerrillastrijders van Sam Boga. Ze willen een communistische revolutie plegen.

Behoorlijk wat verhaallijnen verpakt in een komedie. Jamie Uys trok gelukkig zijn eigen plan, inclusief uitglijden over een banaan en fastforward Benny Hill-slapstick. Toch hou ik van deze film vooral omdat ie zo all out is en ook zo door-en-door Afrikaans is. Hyena’s, wilde zwijnen, communistische guerrillastrijders, geiten op een bus, een baviaan die vanuit een boom toekijkt. Briljant is het moment van de man die een cocktail klaarmaakt terwijl zijn toerbus zonder bestuurder recht vooruit rijdt over een zandvlakte.

De film deed het goed in 1980. Leverde wereldwijd 100 miljoen dollar op. Is dat nog obscuur! Maar wie kent deze film nu nog? Het soort Smokey and the Bandit-achtige film, toen immens populair, is blijven hangen in zijn eigen tijd. En dit is per definitie een obscure film. Waarom? Deze film is gemaakt in Botswana. Zuid-Afrika had toen namelijk nog te maken met een boycot.

Een onvermijdelijk (maar minder leuk) vervolg kwam in 1989. Beter kun je Uys’ Animals are beautiful people gaan kijken. Een keer een vrolijke variant van een dierendocumentaire. Uys vond het arrogant om boodschappen in films te stoppen. ‘Je belet je publiek om er zelf een boodschap in te zien.’

Westerse wilden
Wat zou Uys zich dan ook kapot hebben verveeld bij het serieuze The Emerald Forest uit 1985. Houthakkers kappen bomen in de Amazone voor een fraai stukje westerse beschaving: een dam. Vind je het gek dat inboorlingen een beetje boos worden. Hoe beter te treiteren dan het kind van de ingenieur van de dam te ontvoeren?

Tien jaar later zit Tomme, de blanke indiaan, lekker te jagen, te zwemmen bij een waterval en te flirten met knappe meisjes. Hij hoort bij de stam die zichzelf de eerlijke scheidsrechters van het oerwoud vinden. Weten precies welke prooi je moet vangen en welke je beter met rust kunt laten. Ze helen je met wat tovenarij. En zijn onzichtbaar tijdens de jacht.

Dan moet Tomme een kerel worden. Dus… pitbullmieren over je heen laten lopen en niet bezwijken aan hun beten. En dan overleven in de jungle. En wie ziet hij dan plotseling na tien jaar?

The Emerald Forest voorkomt het bewieroken van de edele wilden in deze film op een slimme manier. Door het optrommelen van andere, minder edele wilden. Tijdens het kijken merk je dat je erin wilt geloven. Zouden indianen van het Amazonewoud echt zo puur en natuurminnend zijn? Of is dat ons verlangen naar een volk dat nog zo is? Het verhaal zou gebaseerd zijn op feiten maar dat zegt nog niet zoveel over hoe die feiten afgebeeld worden.

De film is weggezakt in het cinematografische geheugen omdat ie 1985 niet achter zich heeft kunnen laten (vooral in de schietscènes). Opmerkelijk was dat John Boorman (Point Blank, Zardoz, Deliverance) zijn zoon Charley de belangrijke rol van Tomme gaf nadat een andere acteur niet kon. Opmerkelijk was ook dat Charley later met Ewan McGregor de wereld zou rondreizen op een motor. Als twee edele westerse wilden.

 

8 september 2018

 

The Gods Must Be Crazy

 

Alle Camera Obscura

Eerste- en tweedeklas oplichters

Eerste- en tweedeklas oplichters

door Bob van der Sterre

Opasen char ♦ Masque ♦ Mijn vriend

 

Oplichters heb je in vele vormen. Ze inspireren moderne films nog steeds, met Catch Me If You Can als goed voorbeeld. Wat hebben obscure films te brengen op dit gebied?

De echte, pure oplichter is Gencho Gunchov. Dat is geen Bulgaarse vertaling van Lucky Luke maar de hoofdpersoon in de Bulgaarse komedie Opasen char (1984). En wat voor een oplichter! Een accountant die zijn baan verruilt om charmante zwendelaar te zijn, die precies weet wat vrouwen aantrekkelijk vinden: champagne, juwelen, lieve woordjes. Hij bespeelt eenzame vrouwen zoals een ander een gitaar.

Bulgaarse kameleon
Soms dreigt hij gesnapt te worden maar hij wisselt eenvoudig van gedaanten. Een gepassioneerde architect, een arme verkoper, een kruier, een politieagent; het gaat hem allemaal even gemakkelijk af. De politie arresteert hem zelfs. Het helpt niets. Hij doet of hij ziek is en vlucht naar de havenstad Burgas om zijn praktijken voort te zetten.

Toch hebben oplichters ook emoties. Als ‘Moonlight Sonata’ van Beethoven klinkt, breekt de beste man. Dan gaat hij letterlijk geld in de lucht gooien. En wat als je echt verliefd wordt als oplichter? Gunchov worstelt ermee.

Destijds was Opasen Char een hit in Bulgarije. De Bulgaren beschouwen de film zelfs als een van de beste komedies ooit gemaakt. Todor Kolev is dan ook sensationeel geestig in zijn rol als Gencho Gunchov. Zijn maniertjes als oplichter zijn een voorbeeld van hoe je zo’n rol moet spelen: droogkomisch zonder effectbejag. Misschien dat iemand als Marcello Mastroianni het had gekund? Dustin Hoffman in zijn beste jaren?

Voor ons vermakelijk zijn de plaatjes van Sofia en Burgas in 1984, met een paar fascinerende opnamen van parkjes, straten, trams. En een snackbar, waar de door Gunchov gestolen worst wordt afgepakt door een andere dief. Film is van Ivan Andonov, een van de weinige Bulgaarse regisseurs die ook buiten Bulgarije nog wel eens een prijs won.

Showmaster Philippe Noiret
In Masques (1987) zien we showmaster Christian met zijn prachtige plastic glimlach à la Fred Oster. Hij deelt op televisie reizen uit aan zingende oudjes. ‘Het leven is een spel en ik ben de baas van de speelgoedafdeling’, oordeelt hij over zijn geluk.

Op een dag nodig Christian schrijver Wolf uit op zijn landhuis. Hij mag zijn biografie schrijven. Daar zijn ook een aantal andere gasten. Onder andere een wijnkenner, een masseuse en een chagrijnig manusje-van-alles (zowel kok als chauffeur). Maar ook een zieke peetdochter genaamd Catherine.

Men zit lekker aan de dis en babbelt met elkaar. Christian steelt elke show met zijn charisma. Alleen Catherine is voortdurend humeurig. Wolf wil haar beter leren kennen. Ze worden al snel intiem.

Op een dag ontdekt Wolf dat Catherine niet over haar eigen geld mag beschikken. Bovendien gelooft ze hardnekkig dat ze ziek is. Christian maant haar dan ook aldoor om voorzichtig te zijn. Dan vindt Wolf papieren waaruit blijkt dat de showmaster plannen heeft om haar fikse erfenis te stelen met een doortrapte vorm van oplichterij.

De film van Claude Chabrol oogt stilistisch wat lomp, zoals de meeste van zijn films, maar een plus is dat de film erg relaxed oogt voor een thriller. Zelfs tegen het plot aan is men nog allervriendelijkst tegen elkaar. Dat geeft deze thriller een evenwichtig gevoel. Doet zelfs weer een beetje denken aan het betere werk van Chabrol eind jaren zestig, begin jaren zeventig.

Philippe Noiret is daarvoor de perfecte acteur. Vriendelijk, vrolijk, begripvol voor de hele wereld – een beetje over de top – maar dat past wel bij een showmaster. Anne Brochet als de gekwetste Catherine had je ook nauwelijks beter kunnen casten. En Robin Renucci, wiens hele voorkomen het jaar 1987 schreeuwt, is degelijk in de rol als Wolf (die ik overigens nergens ook maar iets zie schrijven).

Masques is geen film om lang over na te denken – maar als je er wel over nadenkt, stel je jezelf de vraag: waarom nodigde Christian die Wolf eigenlijk uit als hij dat geheim had te verbergen?

Vlaams of Hollands?
In Mijn vriend uit 1979 zien we een andere man met een plastic glimlach: sjacheraar Jules Depraeter. Depraeter is een Gentse ‘zakenman’, een meestermanipulator, een typische con man. Vlotte babbel, Porsche, ‘vrienden’ bij de politie en rechtbank. Hij kent iedereen dus neemt iedereen aan dat de vrijheden die hij neemt geoorloofd zijn.

Depraeter verpatst ondertussen een onzinproduct: Ozopur. Daarmee wil hij onderzoeksrechter Jensens inpalmen want diens zoontje heeft tbc. Waar het om te doen is? Een ton ‘investering’ aftroggelen.

De beloofde Ozopurfabriek is geen velden en wegen te bekennen maar het belet Jensens niet om nog geld te pompen in ‘zijn vriend’. Ondertussen troggelt Depraeter ook geld af van een voormalige operazangeres. Depraeter kan zijn eigen oplichterij nauwelijks meer volgen. Het is wel duidelijk dat Jensens de fall guy van Depraeters misdaden gaat worden. Als Jensens vrouw plotseling sterft, komt alles in een stroomversnelling.

Een typisch Belgische politieke affaire, echt gebeurd. Leent zich goed voor een spannend verhaal. Die Depraeter bedenkt zulke ingewikkelde plannen – dat laat zich wel filmen.

Mijn vriend

Het probleem hier: Peter Faber. Hij zegt soms ‘salut’ en ‘gij’ en ‘nondeju’. Voor de rest is hij zo Hollands als het maar kan. Onderzoeksrechter John Jensens (André van den Heuvel) is ook al zo Hollands als het maar kan. Regisseur Fons Rademakers en scriptschrijver Gerard Soeteman zijn zo Hollands als het maar kan. Voor een Vlaming moet zoiets overkomen als wanneer Stijn Coninx een film zou maken met Jules Decleir als Amsterdammer.

Dit had gewoon een compleet Vlaamse film moeten zijn, met echte Vlamingen in de rol van Depraeter en Jensens. Shots als twee paarden die seks gaan hebben of de orale seksscène aan het begin maken meteen duidelijk dat dit een Nederlandse film is. Meer subtiliteit is niet aan ons besteed.

Een Vlaams politiek schandaal is iets om van te smullen, maar dan moet er wel een goede kok aan het gasfornuis staan, niet een groep Hollandse oplichters die doen alsof hun gerecht door-en-door Vlaams is.

 

11 augustus 2018

 

Alle Camera Obscura

Snertkinderen

Snertkinderen

door Bob van der Sterre

Alice Sweet Alice ♦ Mais ne nous délivrez pas du mal ♦ Pin

 

Kinderen zijn vaak goed in films. Denk aan de helden van Stranger Things of hun voorgangers in The Goonies. Toch zijn er ook uitzonderingen. Hieronder drie minder bekende voorbeelden.

Oei, wat is Alice in Alice Sweet Alice (ook wel bekend als Communion, 1976) jaloers! Een kreng eerste klas, een rotkind van het rottigste soort. Blèren als het haar zin niet krijgt, ongevoelig voor welke opvoedgids dan ook. Altijd klaar om mensen een loer te draaien.

Haar zin niet krijgen, nee, dat staat niet in haar woordenboek. Manipuleren wel. Met koeienletters.

Ouders willen zien dat hun kind gezond is
Het kind zorgt altijd voor problemen. Het laatste probleem is nog het ergste: ze vermoordt haar zusje. Althans, we zien iemand met haar postuur en haar gele regenjasje (en een masker op) die moord plegen dus zij móet het wel zijn.

Als genrefilm (horror) doet Alice Sweet Alice wat hij moet doen. Om te beginnen laat de film er geen gras over groeien. Wat een sensationeel begin! Geïnspireerd door Nicholas Roegs Don’t Look Now, die toen drie jaar uit was. En toch geen ordinaire rip off. Want er zijn ook nog andere stilistische vondsten, zoals mooie close-ups van recht in de camera starende mensen. En die rare buurman, die had zo in Delicatessen gepast.

Het aardige van de film is dat je ziet hoe graag de ouders willen zien dat hun kind gezond is. Politie, psychologen, vrienden waarschuwen dat Alice geestelijk iets mankeert. Het doet de ouders niets. Misschien omdat de film zich in 1960 afspeelt (weliswaar in 1976 gemaakt) en psychologie zijn grote doorbraak nog moest maken? Of gewoon omdat liefde blind maakt?

Het verre van logische plot moet je dan maar even voor lief nemen. Daar staat wel (min of meer) het filmdebuut van Brooke Shields tegenover. En een nog veel indrukwekkender rol van Paula E. Sheppard, die als negentienjarige een twaalfjarige speelt, maar toch hierna slechts in één film speelde.

Net zo verbazingwekkend is dat de duidelijk getalenteerde Alfred Sole na deze film nog maar vier speelfilms zou regisseren. Hij verdiende verder zijn brood als production designer. Alweer een gemiste kans voor de filmindustrie!

Alleen maar plagen
Meer ergerlijke meisjes in Mais ne nous délivrez pas du mal uit 1971. Wat is er erger dan de verveelde rijke meisjes Anne en Lore die in hun dagboek schrijven: ‘Wij offeren onze levens op voor Satan, onze heer en meester’. Anne en Lore maken beschaving ondergeschikt aan hun eigen pleziertjes. Het onafscheidelijke duo terroriseert daarvoor jan en alleman.

Hun spelletjes lopen uit de hand. Geen hosties willen eten is een ding, maar een boer uitdagen om je te verkrachten, is een tweede. Droge hooibalen in de fik steken: compleet mesjokke. Andermans vogeltjes een voor een vermoorden… ziekelijk. Plagen, plagen, plagen: meer noten hebben ze niet op hun zang.

Ze zijn dan ook dolgelukkig als een man autopech heeft en bij hen in het kasteel moet overnachten. In no-time trekken ze hun kleding uit en gaan ze voor hem dansen. Echt doordacht is hun plan niet. Want dan blijkt dat je een volwassen man ook té veel kunt uitdagen en dan ontwaakt ook in hem het beest.

Het zou het script voor een slappe softseksfilm of coming of age-drama kunnen zijn (vandaag de dag is het verschil niet zo groot meer) maar dit gaat veel verder. Je moet denken aan een vroege versie van Heavenly Creatures. Een opmerkelijk cynische film, die je wél raakt, temeer meisjes in veel hedendaagse films zo goed, verstandig, wijs en alwetend zijn. Hier trekt de schaal eens naar de andere kant.

En niet alleen zij, maar ook de andere karakters laten zich van hun meest hypocriete kant zien. Dat geeft de film een eerlijk maar ook een cynisch karakter. Donker is daar geloof ik het modewoord voor.

De film ademt de ziel van de maker, Joel Seria, die het script schreef en de regie deed, zoals in al zijn films. Een statische filmer – filmde ook graag half ontblote meisjes. Bekendste films: Marie Poupée en Charlie et Ses Deux Nenettes, die beide vermoedelijk in ieder ander land dan Frankrijk een schandaal zouden hebben opgeleverd. Wat je er ook van vindt: hij had zijn eigen stijl. Traag: ja (thee zetten tijdens zijn films is geen probleem) maar ze balanceren iets over de rand van de goede smaak en dat is interessant.

Buikspreektalenten
Ten slotte nog een vreselijk snertkind in Pin (1988). Het is misschien wel vragen om snertkinderen als je je kinderen opvoedt met een (zogenaamd) pratende pop. De pop – Pin genaamd – is gemaakt om spieren in het lichaam te herkennen. In deze familie zit ie in een stoel levenslessen te verkondigen. Dat is te danken aan de vader des huizes: een dokter met buikspreektalent.

De twee kinderen, meisje en jongetje, veranderen in een jongeman en een jonge vrouw. Zij (Ursula) gaat gewoon leven (en hoe, duikt met de ene en de andere jongen in bed). Hij (Leon) wordt een teruggetrokken moralist met poëtische ambities. De levenslessen van Pin hebben een onverwoestbare indruk op hem gemaakt.

Hun leven staat op hun kop als nota bene Pin op een rare manier zorgt voor een auto-ongeluk van hun ouders. De twee kinderen mogen vanaf dat moment het grote huis bewonen. Met Pin in een grote stoel.

De buikspreektalenten gaan over van vader tot zoon. Dat is lastig als Ursula een vriendje mee naar huis neemt. ‘Je weet dat hij zelf buikspreekt in gesprek met die pop?’ ‘Natuurlijk!’

Als horrorfilm is Pin (1988) beter dan je zou denken. Het feit dat er geen enkel special effect aan te pas komt, maakt de film al zoveel beter dan al die dertien in dozijn horror van tegenwoordig. Ja, de tand des tijds is duidelijk zichtbaar (kleding, haar, kleuren, filmstijl). Toch is dit voor mensen met fobieën voor menselijke poppen nog steeds een film waar je nachtenlang niet van kunt slapen. En als portret van een snertkind is er nauwelijks een beter te bedenken dan de halve krankzinnige Leon. Rol van David Hewletts leven (in The Shape of Water te bewonderen als Fleming).

Aan Leon, Anne, Lore en Alice zie je waar het begon, die waanzinnigheid, waar je bij krankzinnige volwassenen in films maar moet accepteren dat ze ergens al die afslag hebben genomen.

 

8 juli 2018

 

Mais ne nous délivrez pas du mal

 

Alle Camera Obscura

De moderne vrouw (vroeger)

De moderne vrouw (vroeger)

door Bob van der Sterre

A Female Boss ♦ Roughly Speaking ♦ Die bitteren Tränen der Petra von Kant

 

Vrouwen kloppen steeds dwingender tegen diverse mannendeuren. De moderne vrouw: eindelijk los? Fabeltje, blijkt. De moderne vrouw bestaat al heel wat langer. Hier zien we drie moderne vrouwen in onbekende films. De bazige, de ambitieuze en de succesvolle.

De Koreaanse film A Female Boss (1959) begint met een chique dame die ergens bij een winkelcentrum in Seoul aan het bellen is. Een ‘pay phone’ in een steeg. Lange rij wachtenden achter haar. Ze babbelt dat ze haar haren gaat laten doen en nog veel meer ditjes en datjes. De een na de ander verlaat de rij.

Tijd voor wraak
Als iemand er wat van zegt, haalt ze haar schouders op en zegt ze: ‘Wat, dit is toch een betaaltelefoon? En ik betaal ervoor.’ Ze geeft al bellend rustig haar hondje een koekje.

Een man is zo boos dat ze kennelijk mensenkoekjes geeft aan een hond dat hij dat hondje een trap geeft. Ze is verbijsterd, legt de hoorn neer en de man slaat toe. Bellen dus. Hij praat over een sollicitatie. Een paar dagen later zit de dame in kwestie, de feministische directrice van het modeblad De Moderne Vrouw, te wachten op mannelijke sollicitanten en raad eens wie binnen komt lopen? Tijd voor wraak!

Een vriendelijke en lichtvoetige film (zoetsappig op een prettige manier) over man-vrouw-dynamiek in een tijdschriftredactie. Koreanen hebben altijd al meer een knack voor komedies gehad dan hun buurlanden. Het decor is bovendien opmerkelijk: de film speelt zich af in 1959. Een Korea vol Amerikaanse invloeden (basketbal, golf, auto’s). De moderne vrouw was dus toen al iets heel normaals – want nergens in deze film reageert men verbaasd over haar positie.

En het plot is verrassend politiek-incorrect. Of juist heel erg 1959. Wat ingewikkeld allemaal! De film is in elk geval dankzij het Koreaanse filminstituut gratis te zien op YouTube.

Ambitie voor tien
Vrouwen met ambitie – zo één is ook Louise Randall Pierson in Roughly Speaking (1945). ‘Hou je er altijd zo van tegen de stroom in te zwemmen?’, vraagt de lerares van de school waar ze het vak van typiste leert. Louise Randall is dan al weer de kamer uitgevlogen van blijdschap. Ze mag weg!

‘Denkt u dat ik niet zo goed kan werken als een man?’ Ook al is het 1910 en moeten maatschappijen nog niet veel hebben van vrouwentalenten, Randall heeft ambitie voor tien. De eerste klus lukt en dan gaat ze naar vriendin Alice. ‘We zijn carrièrevrouwen, we moeten goed op ons uiterlijk letten.’

De mannen in deze tijd zijn nog zo hoffelijk dat ze ‘nooit zouden toestaan dat mijn vrouw zou moeten werken’. Randall trouwt, vier kinderen volgen. Zo’n superpositieve huisvrouw kan soms ook wel op de zenuwen werken. Hij: ‘Als ik doodga, zie je dat alleen maar als een kans voor jezelf om karakter te ontwikkelen.’

Dan ontmoet ze Harold – een ander karakter dan haar ex-man. ‘Oh, ik heb alles, de looks, de hersenen, het geld, persoonlijkheid.’ ‘Jij bent gek.’ ’We zijn allebei gek. Soulmates!’

Een nadeel: hun relatie speelt zich af tijdens een economische crisis en een wereldoorlog. Het effect hiervan is gigantisch. Aldoor verhuizen en opnieuw beginnen. ‘Thuis is een gevoel, geen plaats.’

Dit tragikomische portret van Michael Curtiz (o.a. Casablanca) had beter het eerste uur kunnen samenvatten in vijf minuten en meteen kunnen beginnen met het leukste deel: de relatie tussen Randall en Harold. Die zijn enorm leuk samen – zoals wanneer hij bij haar gaat oefenen voor stofzuigerverkoper.

De charme spat geregeld van het beeld af. Dat komt ook door de acteurs. Randall en Harold worden gespeeld door de snel van tongriem gesneden acteurs Rosalind Russell (subliem in His Girl Friday) en Jack Carson (Arsenic and Old Lace).

Het leven volop consumeren
En hoe modern is Petra wel in Die bitteren Tränen der Petra von Kant in 1972. Petra von Kant is een succesvolle modeontwerpster én (daardoor?) ontstellend arrogant.

Karin, een 23-jarig model in spé, komt in Petra’s huis. Petra is hup, verliefd. Ze is best een ziekelijke vrouw. Het type moderne vrouw die het leven volop consumeert. Anderen zijn daarin figuranten.

Alles draait om haar impulsieve en emotionele consumptiegedrag. Wat als wat je begeert daar niet in meegaat?

Fassbinder maakte hier een portret van een succesvolle vrouw zoals je zelden zag – en nog steeds zelden ziet. Het is namelijk géén positief portret en ook heel wat anders dan een femme fatale. Petra is een verrijking voor vrouwenkarakters in films – de decadente, succesvolle krijgt-alles-wat-ze-wil-vrouw. Dat is ook te danken aan hoe Margit Carstensen haar neerzet. Maar ook Hanna Schygulla past haar rol als Karin als gegoten.

De film is bovendien een soort erfgenaam van het Kammerspiel-drama. Amper een handjevol scènes met een statische camera in een kamer. Zo traag als stroop!

Toegegeven: de film is niet voor de ongeduldigen. Lange camerashots, intense dialogen en soms een claustrofobisch gevoel waaraan je wilt ontsnappen. Toch, en dat is de kunst van Fassbinder, het verveelt niet snel. Omdat het een gepassioneerd gemaakte film is. In tien energieke dagen gefilmd: stel je voor.

En wie giftig uitroept dat deze moderne vrouw niet zó gemeen kan zijn, ha, die heeft nog gelijk ook! Deze vrouwenkarakters waren gebaseerd op… mannen.

Geniale zet van Fassbinder! Iedereen dus even vervelend! Nu kan niemand meer mopperen!

 

11 juni 2018

 

Die bitteren Tränen der Petra von Kant

 

Alle Camera Obscura