Volgt iemand me… of niet?

Volgt iemand me… of niet?

door Bob van der Sterre

Balkanski Spyjun ♦ Un papillon sur l’épaule ♦ El techo de Cristal

 

In Amerikaanse films als The Parallax View, Klute, The Conversation, Seconds ontrafelen de protagonisten cynische complotten. Welke minder bekende paranoiafilms uit andere delen van de wereld heeft iedereen over het hoofd gezien?

In Balkanski Spijun uit 1984, naam zegt het al, worden we paranoia in voormalig Joegoslavië. Ilija Cvorovic vooral. Hij krijgt een oproep om zich te melden bij de politie. Pure routine. Niet voor Ilija. Die is benauwd voor een nieuwe gevangenisstraf. Hij wil zo min mogelijk verdacht zijn.

Joegoslavisch jeugdsentiment
Ilija denkt dat hun nieuwe huurder een voor de politie verdacht figuur is omdat hij in Parijs heeft gewoond. Als de nieuwe huurder met andere mensen naar een winkelruimte zoekt, ziet Ilija plannetjes voor een aanslag. Iemand die verkeerd nummer belt? De huurder die een trui over de hoorn doet. Een orkestje voor de deur? Spionnen! Ze gaan naar de opera om daar hun geheimen te overleggen. ‘Tijdens het zingen hoort niemand ze.’

Zijn vrouw Danica gelooft het niet zo. Tijdens een presentatie van Ilija’s ‘spionagefoto’s’ waagt zij hem tegen te spreken. ‘Jij bent zo naïef!’ Zijn broer gelooft hem wel onmiddellijk.

Ilija is het klassieke voorbeeld van iemand bij wie de paranoia toeslaat. Hij weet zeker dat de huurder slinkse zaakjes doet met de Franse ambassade. De broer stopt alvast twee vrienden van de huurder in zijn kelder voor ondervragingen.

De film is mateloos populair als Joegoslavisch jeugdsentiment, net als The Marathon Family, waar hier acteurs van terugkeren. Vooral omdat de film zo genadeloos is in zijn spot. De gepassioneerde speech op het einde kan er alleen maar zo mooi uitkomen in een Balkanfilm.

Sterk is ook de schets van de neerwaartse economische spiraal. De hyperinflatie zorgt ervoor dat ze alleen een roodgekleurde gloeilamp kunnen laten branden. Eten en drinken zijn schreeuwend duur. Iemand die het Joegoslavië van 1984 heeft meegemaakt, ziet hier vast de humor van in.

Verkeerde deur op verkeerde moment
In Un Papillon sur l’épaule (1978) blijven we in Europa als Roland Fériaud, oftewel acteur Lino Ventura, aankomt in een hotel in Barcelona. Hij hoort een geluid in de kamer naast hem. Een normaal mens bemoeit zich nergens mee en belt de receptie. Niet Fériaud. Die gaat ‘een kijkje nemen’. En ziet een lijk. En wordt neergeslagen. En wordt wakker in een sanatorium.

In het sanatorium loopt een dokter rond en een verwarde patiënt – ook uit het hotel – die praat tegen een denkbeeldige vlinder op zijn schouder (zie de titel). Fériaud ontsnapt, ontmoet de vrouw van de overleden man die hem nog net de sleutel van een kluisje geeft voor ze wordt aangereden. Daarin zit een tas… die iedereen wil hebben.

Hij wil zijn spullen ophalen in het hotel en ziet weer een moord! Naar de politie gaan heeft geen zin – hij doet het toch en uiteraard geloven ze er geen snars van – ‘Twee moorden? Kidnapping?’ – en bovendien blijkt het sanatorium ineens verlaten, op de man met de vlinder op zijn schouder na.

Een mysterieuze vrouw vertelt dat Fériaud de verkeerde deur op het verkeerde moment heeft geopend.

Oef, belangrijker dan het moeilijke verhaal is dat je goed meekrijgt hoe paranoia werkt. Het script schetst alles vanuit de blik van Fériaud, die er zelf ook niets van snapt, waardoor je als kijker in het duister tast wat er nu gebeurt. Dat is aardig, gebrek aan uitleg, zouden moderne films een lesje van kunnen leren.

Fériaud is hier dan ook een aldoor zeer verbaasde man – een rol die je niet van de meestal bazige Lino Ventura gewend bent maar die wel past. Een van de beste passages van de film is het trippy stukje in het begin, waarbij Fériaud met zichzelf geconfronteerd wordt. Daar had best meer van in gemogen want de rest is wel wat voorzichtig.

De film van Jack Deray (Un Homme est Mort, script van schrijver Jean-Claude Carrière), speelt zich trouwens af in Barcelona. Wat uiteraard geregeld taalproblemen oplevert die opgelost worden door de Spanjaarden bijna allemaal vloeiend Frans te laten spreken.

Paranoia kan zomaar toeslaan
Soms kan een gebouw al genoeg zijn om paranoia te laten toeslaan. In El techo de Cristal (1976) weten we nog niet waar alles heen gaat als Marta mysterieuze voetstappen boven haar hoort. Haar buurvrouw vertelde eerder dat haar vriend uit de stad was – net als die van Marta trouwens. Wie is dit dan?

Aangezien Marta niet echt terecht kan bij haar man, krijgt ze contact met de huisbaas, een vriendelijke kunstenaar, die ook al wat heeft met het melkmeisje. Hij helpt haar, gaat met haar vissen en paardrijden.

Toch vertrouwt Marta haar buurvrouw Julia niet. Heeft ze niet haar man in stukjes gesneden en voert ze zo niet de varkens? Marta raakt steeds meer verward. Ze vindt een verdwaalde schoen in het brandhout, waar je ook een lijkengeur ruikt. ‘s Nachts gaat ze op onderzoek uit en… er valt een dode muis uit de schoen.

El techo de Cristal

De film gaat over hoe paranoia zomaar kan toeslaan. Daarbij neemt de film wel de tijd. Een paar mooie vrouwen maken nog geen film maar tegen het plot krijg je wel voldoening, want dat is best verrassend.

De regisseur hiervan is de intussen overleden Eloy de la Iglesia. Provocerende films waren zijn handelsmerk. Die gingen over drugs (waar hij ook zelf aan verslaafd was). Als je zijn andere films kent (Cannibal Man, The Creature) is dit een zeer kalme, bedaagde film.

Zou hij de vader zijn van de evenzo provocerende en tegendraadse Alex (El Dia de la Bestia)? Ik kan dat nergens bevestigd vinden. Je zou er paranoia van worden.

 

12 oktober 2019


Alle Camera Obscura

Communistische gangsterfilms

Communistische gangsterfilms

door Bob van der Sterre

Cu mâinile curate ♦ Vabank ♦ Dögkeselyü

 

Al die bergen gangsterfilms uit de VS, Verenigd Koninkrijk, Hongkong of Japan. Is het niet leuk om een keer gangsterfilms uit Roemenië, Hongarije en Polen te gaan kijken? Drie communistische gangsterfilms die de ogen van de liefhebber kunnen openen.

In Cu mâinile curate (1972) zien we wat Roemeense misdaad eind jaren veertig behelsde: met een tank een bank overvallen. Maar eerst naar het begin: Mihaj Roman krijgt de functie van hoofdcommissaris toegespeeld. Daar heeft hij maar weinig zin in. Zo komt hij in contact met de bestrijders van de harde misdaad, waaronder commissaris Miclovan. Een eigenzinnig maar eerlijk figuur.

Zoveel moois
De misdaad tierde hevig in de jaren veertig. Gangsters die vanuit een juwelier schieten met machinegeweren. Ze zijn omsingeld door de politie… En dan… ‘Godverdomme, een tank.’ ‘Waar komt die vandaan?’ ‘Misschien lieten de Duitsers die achter.’

Een commissaris blijkt ineens niet zo fris te zijn geweest in de oorlog. ‘Je liet me vier dagen en nachten niet slapen.’  ‘Ik deed mijn werk.’ ‘Je werk?’ ‘Jij haat mij, ik ben onverschillig tegenover jou.’ Later zegt Roman het zo: ‘Als mens zal ik je nooit vergeven. Als commissaris heb ik me verkeerd tegen je gedragen.’ De man moet hem helpen op jacht naar topcrimineel Scortea.

Er is zoveel moois aan deze film. Alleen al dat regisseur Sergiu Nicolaescu echt deed waar hij plezier uit haalde: het maken van stijlvolle misdaadfilms. Hij speelt zelf Miclovan, maar heeft hier een bijrol naast de rechtschapen Roman – die fraai wordt neergezet door Ilarion Ciobanu. Er is meer. Het fraaie portret van de armzaligen in de bar. Achtervolgingen op straat met Roemeense jazzmuziek.

Dan heb je nog het tweede deel van Cu mâinile curate: Ultimul Cartus (1973). En de fan is dan nog niet uitgekeken! Zo zijn er nog de prima misdaadfilms Un Comizar Acuza (1974) en Duelul (1981). Het knappe was dat Nicolaescu zijn films politiek min of meer neutraal houdt in plaats van dat het communistische pamfletten worden. Dat maakt de films op gekke manier juist realistisch.

Zwijgzame bankkraker
In Vabank (1981) komen we terecht in de jaren dertig in Warschau. De befaamde kluizenkraker Henryk Kwinto komt vrij. Slecht nieuws voor bankpresident Kramer, een oude vriend die Kwinto destijds heeft aangegeven bij de politie.

Kramer wil het goed maken met geld maar Kwinto is uit op wraak. Temeer Kramer naar hij vermoedt zijn oude vriend Tadeusz uit het raam heeft laten gooien. Het moest zelfmoord voorstellen maar Kwinto weet wel beter.

Kwinto, type zwijgzame bankkraker, vindt nieuwe medecriminelen – bewonderaars van hem. Hij wil nog een grote kraak doen in Kramers bank. Die schept immers op dat zijn bank onberoofbaar is. Zoals in elke heistfilm maakt dat de uitdaging voor Kwinto en zijn makkers er alleen maar groter op.

In Vabank is stukken meer aandacht aan stijl dan in je doorsnee-gangsterfilm. Zo hoort film te zijn, met aandacht voor cinematografie, setdecoratie, mode, muziek, details! Een stijlvolle vorm van escapisme.

Denk aan de briljant gefilmde zelfmoordpoging (vanuit het perspectief van een ondersteboven kijkende straatacrobaat); de handheldcamera met verrassende close-ups af en toe; de geweldige acteurs (Jan Machulski als Kwinto; Leonard Pietraszak als Kramer; vrijwel alle bijrollen).

Met de oude auto’s, hoeden en bossen krijg je al snel flashbacks naar een Poolse versie van Miller’s Crossing. Zouden de Coen-broers die tien jaar later hun film maakten deze film ook hebben gezien? Ze kunnen ook het vervolg uit 1985 hebben gezien: Vabank 2. Hoe dan ook: fans van misdaadfilms kunnen deze film simpelweg niet negeren. De film van Juliusz Machulski (ruim tien jaar geleden overleden) is té goed. Machulski schreef het script, speelt Kwinto en lijkt daarmee een soort Poolse variant van Nicolaescu. Ook weer persoonlijk betrokken en stijlvol.

Oude, stelende dametjes
Na Roemenië en Polen laat ook Hongarije zien dat het ten tijde van het communisme een beste misdaadfilm kon produceren. Dat gebeurt met Dögkeselyü (1982).

Een taxirit in een Lada. Het laatste wat je verwacht van twee oude kletsende dametjes is dat ze de taxichauffeur (Simon) zijn geld ongemerkt stelen. En dat terwijl hij schulden heeft.

De politie neemt Simons probleem niet zo serieus. Net zo min als zijn collega’s. Maar hij heeft het geld nodig. Met wat geslepen detectivewerk achterhaalt hij wie de oude dametjes zijn. Via chantage wil hij ze straffen, onder andere met de ontvoering van de dochter van een van de twee dames.

Spektakel. Achtervolgingen door de straten van Budapest (inclusief Naked Gun-sirene), autodiefstal, ontvoering. Simons verhaal valt ook samen met de tragische verhalen van de andere karakters, die ook in 1982 proberen te overleven in de Hongaarse maatschappij. De een met seks, de ander met kaartspelletjes, een volgende met puur verdriet.

Dögkeselyü oogt modern. De film van Ferenc András (die een keer niet in de film zelf speelt) zou ook nu nog wel succes hebben in het filmhuis. Coole Hongaren, zonnebrillen en zomerhoedjes, barretjes. Check bijvoorbeeld de prachtige, coole poster. Die is helemaal van deze tijd.

Maar ook het gewaagde subthema van ongelukkige Hongaren raakt als het drama van een moderne film. De film doet zelfs een beetje denken aan een Hongaarse versie van Falling Down. Het is dezelfde boosheid die hetzelfde drama teweegbrengt.

Wie had dat gedacht, dat communistische misdaadfilms eigenlijk verrassend goed zijn? Wie zijn vinger opsteekt, jokt, of is een echte fijnproever.

 

13 september 2019

 

Alle Camera Obscura

Zwembadfilms

Zwembadfilms

door Bob van der Sterre

The Swimmer ♦ Lac aux Dames ♦ Deep End

 

Ook behoefte aan afkoeling? Tijd om te gaan zwemmen en daarna films over zwemmers en zwembaden te kijken. Swimming Pool is intussen de moderne klassieker in dit genre (uit 2003) maar er is meer. De films zijn – misschien weinig verrassend – allemaal rete-broeierig en gaan over seksualiteit.

Op een dag in de zomer van 1968 duikt Ned Merrill ineens in zijn zwembroek op bij een oude bekende. Hij duikt ongevraagd in hun zwembad – wat een vrolijkerd is hij toch! Geintjes makend verrast hij zijn oude buurvrouw. ‘Dit is de dag dat Ned Merrill de hele county door gaat zwemmen!’ Zo begint The Swimmer.

Vrolijke ontmoetingen worden onvriendelijk
Ned gaat bij allerlei bekenden langs en duikt in al hun zwembaden. Bij de Grahams, de Lears, de Bunkers, de Biswangers, Mrs. Hammar én Shirley Abbott (ex-minnares). Hij haalt herinneringen bij hen op. ‘Herinner je dat? Dat transparante, lichtgroene water. Het voelde anders. God, wat een heerlijk gevoel. We konden de hele wereld rondzwemmen in die tijd.’

Vrouwen uit zijn leven komen langs in zijn zwemtocht. ‘Ga mee over een rivier van saffieren zwembaden!’ Zijn ex-minnares Shirley Abbott; de stilletjes verliefde babysitter Julie Ann Hooper; vriendin Joan.

De ontmoetingen rondom het zwembad beginnen vrolijk maar worden steeds minder vriendelijk. Ned oogt gepijnigd en vermoeid. Op een paar plaatsen is hij niet welkom meer. Het weer betrekt ook. Dan beginnen de puzzelstukjes in elkaar te vallen.

The Swimmer is veel meer dan alleen een interessante film over een scene, het is een duister verhaal. Mooie karakterschetsen, sterke hoofdrol en een applaus voor de dialogen. ‘Moeten we hem niet helpen?’ ‘Vrienden zijn niet aftrekbaar van de belastingen.’

De verhalen rondom de productie zijn in 2014 vastgelegd in de documentaire The Story of The Swimmer. Dit was Burt Lancasters, die Ned Merrill speelt, eigen favoriete film. En dat terwijl Lancaster – toch een legende in zijn tijd – slechts de vijfde keuze voor deze film was.

Wereld van knappe, interessante vrouwen
In Lac aux Dames (1934) gaat Eric Heller (een werkloos ingenieur) voor een zomer als zweminstructeur werken bij de Wolfgangsee in Oostenrijk. Aldaar bevindt zich een wereld van knappe, interessante vrouwen die wakker worden van zijn brede bast. De rijke Danny Lyssenhop; de zingende en artistieke Puck en zijn oude geliefde – en oplichtster – Anoutschka. Dat is ook niet moeilijk met de Playgirl-achtige poster die van hem is gemaakt als sportinstructeur.

Als Puck elke avond een vlag ophangt als signaal dat hij welkom is, wordt de zweminstructeur ‘the talk of the town’. Danny Lyssenhop blijft geduldig op hem inpraten. ‘Ik had goede redenen om afwezig te zijn, Danny.’ ‘Waren ze blond of brunette, die redenen?’

Deze verfilmde roman van Oostenrijkse schrijfster Vicki Baum (ook bekend van Grand Hotel) en dialogen van Collette draagt duidelijk een vrouwelijk stempel. Zoals mannelijke schrijvers zich vaak focussen op ideale vrouwen, is deze Eric lang, knap, blond, atletisch, goedhartig en een romantische dromer op de koop toe.

Collettes dialogen (geschreven vlak na het schrijven van haar beroemde La Chatte) schetsen geestig hoe de drie vrouwen met seksualiteit omgaan. Met name de rol van Puck, zowel naïef als wild, is interessant. Of hoe zijn ex Anouschka (rol Illa Meery) naakt in Erics bed zit en niet van plan is te vertrekken. ‘Dit is toch niet de eerste keer dat ik met jou slaap!’ Als hij Daniele in zijn handen heeft: ‘Je bent van goud. Je benen, je armen, een standbeeld van goud!’ ‘Mooi, laten we het nu meteen regelen dan.’

Een op momenten opmerkelijke film. Een zo’n moment is de onverwachte naaktscène van Illa Meery. Ook de rollen van Simone Simon (Puck) en Michel Simon (rijke zakenman Lyssenhop) verheffen de film boven het gemiddelde.

Toch mis je door het vele melodrama wel iets unieks, iets extra’s. Zoals een satirisch portret van de geportretteerde elite. Dat maakt de film van lopendebandfilmer Marc Allegret wel goed maar niet top.

Cultreputatie
In Deep End (1970) zitten we in een Londens zwembad. Een volwassen vrouw (Sue) werkt samen met een jongen van vijftien (Mike). Ze werken allebei in het plaatselijke zwembad. Bij hun werk bij de privébaden zijn seksuele dingen normaal. De jongen doet dat tegen zijn zin in en de vrouw duikt met haar minnaar af en toe mannenkleedhokjes in.

De jongen raakt al snel verslingerd aan de vrouw. Hij volgt haar en probeert haar verloofde tegen te werken. Ze vindt het best grappig en speelt het spelletje mee. De volgende dag zijn ze weer samen aan het werk. Als hij haar diamanten ring kwijt maakt, verliest het spel definitief zijn onschuld.

Deep End heeft met recht een cultreputatie. De regisseur, Jerzy Skolimowski, leek een eenvoudige, lieve coming-of-agefilm te maken tot plots de film over obsessies en seks gaat. Muziek van Cat Stevens en krautrockband Can helpt bij het neerzetten van die sfeer.

Fascinerende scènes volop. Het gesprek met de hoer met een been in het gips; als hij met een cardboard cutout van haar figuur in de metro stapt; de zwembadleraar met zijn ongewenste intimiteiten; de vrouwelijke klant die het aldoor heeft over voetbal en George Best; het bezoek aan de seksbioscoop.

Veel symboliek ook. Zoals wanneer hij ineens met haar in het zwembad zwemt, of zij hem een poster voorhoudt met een man die zwanger is, of hij aldoor hotdogs eet.

John Moulder-Brown (Mike) was pas zeventien maar is sterk in zijn rol (hij speelde een paar jaar ervoor een soortgelijke rol als Luis in La Residencia. Ook Jane Asher (Sue) heeft de losheid die nodig is bij de rol. Ze zijn ogenschijnlijk zichzelf. Daarom kun je al snel geloven in hoe ze met elkaar omgaan.

Londen speelt ook een belangrijke bijrol. Vooral de smerige kant van de stad: privéclubs, seksbioscopen, hoerenkamers. Zelfs Sue staat ergens geparkeerd (haar cardboard cutout dan). Sommige kijkers – en ik kan daar wel in meegaan – denken dan ook dat het Londen is door de ogen van een louter aan seks denkende tiener. Deep End is gelukkig geen film die maar ruimte voor één conclusie laat.

Nu een frisse duik om deze hitte weer kwijt te raken.

 

9 augustus 2019

 

Lac aux Dames


Alle Camera Obscura

Componisten in een lastig parket

Componisten in een lastig parket

door Bob van der Sterre

Delius, Song of Summer ♦ The Music Lovers ♦ Puccini

 

Muziek in film is bijna even oud als films zelf. Toch zie je niet vaak componisten zelf in de hoofdrol. Mensen denken vermoedelijk het eerst aan Amadeus (Mozart), A Song to Remember (Chopin) of Immortal beloved (Beethoven). Er zijn ook minder bekende films over componisten. Overeenkomst: ze zitten altijd in een lastig parket.

In Delius, Song of Summer (1968) is Fenby – een muzikale jongeman uit het Britse platteland – zeer onder de indruk van een muziekwerk. Het is het werk van Delius, een blinde en bijna compleet verlamde componist die tegenwoordig in Frankrijk woont. Als hij hoort dat Delius een assistent nodig heeft om zijn ogen te zijn, wacht hij niet lang. Hij schrijft een brief en krijgt dan een brief terug. Of hij wil helpen.

Hoe denkt een componist?
Aanvankelijk is Fenby erg trots dat hij Delius kan helpen. Al snel blijkt de musicus niet meer die hij is geweest. Fenby geeft niet op en leert het muzikale genie beter kennen, net als zijn vrienden, zoals Percy Granger, die ‘soms composities maakt’. Ook krijgt hij een beeld van Delius’ liberale geschiedenis en hoe hij eigenlijk weinig geeft om zijn vrouw. ‘Als je trouwt, trouw dan met iemand die van je werk houdt.’

Wat de film zo aardig maakt, is dat je getuige bent van hoe een componist denkt, omdat Delius alles aan Fenby moet uitleggen wat hij wil. Het is verder een lieve, intieme film zonder veel effectbejag, maar misschien ook zonder echt veel hoogtepunten.

De tv-film is een portret van zijn laatste vijf jaar, in 1936 geschreven door Fenby, eind jaren zestig geregisseerd door Ken Russell. Lees het boeiende levensverhaal op Wikipedia. Gelukkige keuze is de theateracteur Max Adrian als Delius. Zonder zijn spetterende optreden was de film vermoedelijk heel wat fletser geweest.

Muziek gaat beter dan huwelijk
In The Music Lovers uit 1971, eveneens van Ken Russell en met Max Adrian, zien we het levensverhaal van een andere muzikale beroemdheid: Peter Iljiltsj Tsjaikovski. We knallen er meteen in met een vorstelijke ouverture en chaotische beelden van een kermis waar meer mensen dronken zijn dan niet. Tsjaikovski en zijn vriend dansen erop los. Zijn broer waarschuwt: je moet een vrouw trouwen, anders kun je je muziek vergeten.

Tsjaikovski denkt erover na en kiest een vrouw die hem een frivole liefdesbrief stuurt. Nieuwe waarschuwingen van zijn broer: trouw die vrouw niet. Tsjaikovski heeft genoeg van een hem de les lezende broer en trouwt wel met haar.

Het is al niet makkelijk voor een vrouw om een homoseksuele partner te hebben. En in Nina’s geval nog moeilijker: ze hield van seks met veel mannen en werd geestesziek. ‘Ik heb een geschiedenis, Nina.’ ‘De geschiedenis is dood voor ons allebei.’

Muziek maken gaat Tsjaikovski beter af: hij weet dat hij niet moet kiezen voor de burgerlijke stijl die Nicholas Rubenstein (daar is Max Adrian weer) van het conservatorium wil dat hij speelt – niet ‘dat vulgaire gedoe’. Tsjaikovski weet al snel dat ‘dat vulgaire gedoe’ met de energie die erbij hoort juist bij hem past. Fans heeft hij genoeg.

Een regisseur met twee films in één Camera Obscura is misschien nog nooit voorgekomen, maar het kan want Delius, Song of Summer en The Music Lovers lijken wel films van verschillende regisseurs. Hier gaat Ken Russell (op basis van het boek van Catherine Drinker-Bowen) juist helemaal los, maakt er een soort filmopera van, elke scène eindigt met gegil en geschreeuw en bombastische klassieke muziek. Richard Chamberlain en Glenda Jackson passen er goed bij met hun uitzinnige acteerstijl. Russell zou deze stijl nog iets meer aandikken in Lisztomania (1975).

Overigens kwamen de Russen zelf pas twee decennia na deze film een beetje in het reine met Tsjaikovski’s homoseksualiteit, zie dit boeiende artikel in de Groene.

Niet één maar drie vrouwen
Ook in Puccini (1953) slaagt een componist er niet in om een rustig en ontspannen leventje te leiden. In dit geval niet door één vrouw, maar door drie vrouwen: zijn ‘provinciale’ vrouw, een formidabele zangeres met wie hij een klik heeft en een serveerster die hem treft door haar emoties. Geen enkele keer kan Puccini hun vrouwelijke charmes weerstaan. Is hem dat dan te verwijten?

In de relaties gaat veel mis. Zijn vrouw Elvira verkoopt zonder te vragen zijn piano. Hij laat haar vervolgens op een koude dag voor de deur staan met de baby. ‘Druk met de opera.’

De charmante zangeres Christina Vernini deelt de liefde voor muziek maar is een pittige tante die duidelijk maakt dat ze hem voor zichzelf wil. ‘Ik heb geen zin in een man die verdeeld is in twee levens, ook al heet hij Giacomo Puccini.’

Ondertussen heeft Elvira ook wel door dat Puccini niet bepaald ‘aan het jagen is’ zoals een vriend beweert. Elvira en Giacomo gaan uit elkaar; enter Delia. Allemaal leuk en aardig (‘Je bent ongeveer de leeftijd van mijn zoon’) maar ze past niet bij Puccini’s leven. ‘Ik wil dat je de volgende ochtend weg bent.’ Ze is zodanig weg dat ze later begraven moet worden.

De film is zo melodramatisch als wat, maar de kleuren zijn hier de oogstrelende factor. In Technicolor ziet de film er zeldzaam mooi uit. Klassieke filmsets uit de Cinecittà-studio’s in Rome ‘zoals ze die vroeger nog maakten’. Het acteerwerk is hier, zo lijkt het, meer decoratie voor de decors dan andersom.

De film is het type dat je aanzet op een druilerige zondagmiddag en dat je als kijker aangenaam doet meedeinen met het melodrama van Puccini’s leven, als het ware herverteld in de vorm van een opera (inclusief bombastisch einde). Een soap voor mensen die iets meer kwaliteit willen dan Onderweg naar Morgen.

Carmine Gallone, de regisseur, maakte trouwens ook een biografie over Giuseppe Verdi (1938) en een film: een opera van Puccini (Tosca). Het lijkt niet raar dat sommige regisseurs zich zo specialiseerden in dit onderwerp. Daardoor kun je misschien beter uiten wat je te zeggen hebt. Die boodschap is in al deze gevallen niet zo moeilijk: ook al ben je de meest beroemde componist van je tijd, het leven is nooit makkelijk.

 

The Music Lovers

 

15 juli 2019


Alle Camera Obscura

Scholen om van weg te rennen

Scholen om van weg te rennen

door Bob van der Sterre

La Residencia ♦ We’ll Live Till Monday ♦ Unman, Wittering and Zigo

 

Inspirerende schoolfilms genoeg. Eigenzinnige docenten die het opnemen tegen stroperige overheidsinstanties. Type Monsieur Lazhar. Welke scholen in films zijn juist zo erg dat je ervan wilt wegrennen? Drie minder bekende films die dat verhaal vertellen.

La Residencia (1970, ook wel The House That Screamed) is een depressief makende school. Een ‘finishing school’, dus waar meisjes deugdzaam worden. Teresa mag ook naar deze school. De bazin is mevrouw Fourneau.

Lijkt wel een studentenvereniging
De dames leren vooral om elkaar te terroriseren. De favorietjes (zoals Irene) mogen een andere, stoute studente afranselen met een zweep. ‘Je weet toch dat ik dit niet kan tolereren?’, legt de hoofdleraar uit, een dame die haar zoon iets te goed probeert te beschermen tegen de hormonen van de meisjes. De vraag is of ze zelf niet ook een beetje beschermd moet worden. En de meisjes zelf? Er is namelijk ook een mysterieuze moordenaar aan de gang.

De praktijken hier doen denken aan de misstanden in studentenverenigingen. Zo krijgt Teresa te horen dat ze met ‘Henry’, de houtboer, contact kan krijgen. ‘Het enige wat je moet doen is mij gehoorzamen.’ En als ze horen dat haar moeder zingt in een nachtclub is uiteraard de hoon enorm. Geen wonder dat Teresa wil ontsnappen. Hoe gaat ze dat doen?

De Uruguayaanse regisseur Narciso Ibáñez Serrador is de man achter deze film. Misschien kent de vaste Camera Obscura-lezer hem nog van de aflevering over ‘horrorkinderen’ met Who can Kill a Child? Bijzonder wat hij neerzette met een redelijk banale scripts – dankzij goed geregisseerd acteerwerk en boeiende cinematografie.

Paar hoogtepunten: de verfilmingen van de moord in slow motion; de seksscène en de reacties van alle naar hetzelfde verlangende dames (close-ups van pruillippen).

Worstelen met domme leerlingen
In We’ll Live Till Monday (Dozhivyom do ponedelnika, 1968) zien we Ilya Semenovich worstelen met de ondraaglijke saaiheid van het bestaan. Hij worstelt met de domme leerlingen, met collega’s als Svetlana en Natasha, de docente Engels, die moeite heeft met gezag te houden in haar klas en duidelijk op hem verkikkerd is. Voor zijn vak geschiedenis is ook al geen respect. ‘Al met al is geschiedenis geen wiskunde en hoeft men er niet echt slim voor te zijn.’

Geen wonder misschien dat Ilja worstelt met een depressie. ‘Geschiedenis is een wetenschap die burgers maakt van mensen.’ En: ‘Onze zielen en die van onze kinderen zijn niet gemaakt van papier.’ Iemand anders schetst hem als: ‘Zijn brillen zijn bedekt met het stof van eeuwen. Hij is sinds Jeanne d’Arc niet meer in een vrouw geïnteresseerd.’

Ilja vraagt om verlof aan de directeur. Die zucht en komt dan met een door-en-door Russische afwijzing: ‘Ilja… kijk, principes, die brengen geen brood op de plank, ook kun je er je gezondheid niet mee verbeteren, of het er warm van krijgen.’ Ook Svetlana en Natascha worstelen met hun beroep en zichzelf. Een meisje dat in een essay schrijft hoe graag ze moeder wil worden, beschrijft Svetlana als ‘een striptease van de ziel’. En Natasha zegt over zichzelf dat ze ‘zo gelukkig is als een oester’.

Depressief raken van je werk, een zwaar thema, maar een schattige, kalme film die de zuiverste ontroering teweegbrengt. Gave dialogen en goed acteerwerk helpen daarbij. Ilja en Natasha zijn schattig samen. Ook schattig is dat een jongetje (Shestopalov) verliefd wordt op een meisje. ‘Iedereen moet verliefd zijn met iemand. Anders wordt het leven saai.’

Bovendien een aantal voortreffelijke shots – daar kijk je films voor! Het begin: flats, flats en nog meer flats. Hij, staand naast de telefooncel, omhoog kijkend naar de monsterlijke flats. Film is van Stanislav Rostotski, die twaalf films maakte in zijn loopbaan. Twee van zijn films kwamen in aanmerking voor een Oscar. Als het om sentiment gaat, belooft zijn drie uur durend hondendrama getiteld Belyy Bim Chernoe ukho (White Bim Black Ear) uit 1977 krankzinnig veel tranen.

Psychologische stress
In Unman, Wittering and Zigo (1971) komt John Ebony terecht op een Engelse kostschool op het platteland. Klinkt nog niet hels? Ebony’s eerste dag is ronduit verbazingwekkend als de klas zegt dat zij zijn voorganger van een rots hebben geduwd. ‘We hebben allemaal een perfect alibi.’

Ebony heeft moeite met orde handhaven in deze klas helse puberale klootzakjes. Ze weten ook nog eens de leraar te betrekken bij gokzaakjes. Ook de hoofdleraar wil niet echt meewerken als Ebony hem de portemonnee van de voorganger laat zien; die is besmeurd met bloed.

De klas heeft steeds minder geduld met Ebony, valt zijn vrouw lastig om hem onder druk te zetten. Ondertussen zet hij het maar op een drinken. Waar houdt het op? Alleen Wittering (zie titel, de laatste drie namen van de presentielijst) valt buiten de groep.

De film is wat aan de trage kant – heeft een curieuze titel – maar is wel behoorlijk spannend. Vooral naar het einde toe heeft de film een paar scènes die je treffen in de onderbuik. Met name de scène in de squashruimte met Ebony’s vrouw is anno nu nog schokkend. Als er ooit een school van de hel was (in dit geval meer een klas van hel), zou die hier veel weg van kunnen hebben.

Goed acteerwerk van een reeks jonge talenten, waarvan toch niemand echt een filmster is geworden. En met David Hemmings die al een filmster was (Blow-Up en Profondo Rosso). Regisseur John McKenzie zou later nog de harde misdaadfilm The Long Good Friday maken (Bob Hoskins zoals weinigen hem kennen) en A Sense of Freedom (voorloper van gangster-in-bajes-films). Hier oefende hij dus al met psychologische stress.

Nog niet genoeg? Voor de liefhebber van het genre is er nog veertig minuten genieten van deze film in het publieke domein van Jean Vigo. Ook al is de film ruim tachtig jaar oud – je herkent de Franse flair onmiddellijk. De oude Vigo deed het allemaal al eerder dan Tati en Truffaut. In zijn handen verandert een helse school in een gezellige boel. Dat zou menig docent vandaag de dag hem graag na willen doen.

 

10 juni 2019

 

La Residencia

Alle Camera Obscura

Met z’n drieën is het leuker

Met z’n drieën is het leuker

door Bob van der Sterre

Rita, Sue and Bob Too! ♦ Adieu Philippine ♦ Charlie et ses deux nénettes

 

Threesomes, triootjes, ménage à trois. Je hoort er vaak over maar hoe is dat nou precies? Gelukkig brengt film uitkomst: er zijn al filmische threesomes sinds Ernst Lubitsch’ Design for Living. Drie vriendelijke en minder bekende films die zonder moralistisch gedoe trio’s observeren.

Bob doet niet moeilijk over zijn seksuele verlangens in de Britse film Rita, Sue and Bob Too! (1987). Als hij zijn twee babysitters naar huis rijdt, vraagt hij eerst of ze een ommetje via de heide willen. Daar parkeert hij de auto. Willen ze een keer een condoom voelen? Willen ze misschien ontmaagd worden? Ze giechelen wat af maar gaan toch akkoord.

Politiek correct denken ontbreekt
Rita en Sue, twee meisjes van zestien, staan vanaf dat moment bij Bob te popelen voor a jump. Zo eenvoudig gaat het ook niet. Bob is getrouwd. Zijn vrouw voelt argwaan als hij weer lang doet over het wegbrengen van de meisjes. Hij pakt het gewiekst aan: zeggen dat hij wel een affaire heeft maar niet met de meisjes.

Niet dat het altijd soepel gaat. Soms kibbelen de meisjes wie als eerste mag. Als ze moeten wachten, luisteren ze naar vervelende tienermuziek. Op zeker moment valt Sue voor de charme van een Pakistaanse leeftijdsgenoot, verlaat Bobs vrouw hem en neemt Rita haar plaats in.

De film begint sterk – vooral omdat het te verwachten triodrama achterwege blijft – maar heeft duidelijk last van ideeënarmoede tegen het einde. Wel laat de film je redelijk vaak lachen. Dat komt doordat politiek correct denken ontbreekt – typisch voor de jaren tachtig.

We zien een spottende schets van het arbeidersmilieu (permanente dronkaards en schreeuwers), rijkaards (mannen die het met jonge meisjes doen óf de hele dag de tuin sproeien; vrouwen die alleen maar met hun uiterlijk bezig zijn), schoolmeisjes (alleen seks telt) en minderheden (de vriendelijke Pakistaan met zijn losse handjes). Deze film zou anno nu niet meer gemaakt kunnen worden. Een goed bewijs dat taboes veranderen.

Dit was een van de weinige, weinige films die Alan Clarke maakte. Ook al klinkt zijn naam als een bekende regisseur, hij was het niet. Hij maakte maar twee echte speelfilms: deze en Billy the Kid and the Green Baize Vampire (over obscuur gesproken). Hij had het denk ik wel in zich om ‘het geluid van de jaren tachtig’ te zijn – ook gezien zijn vlotte filmstijl. Nu moeten we het doen met deze ene film.

Giebelmeisjes willen actrice worden
In Adieu Philippine (1962) zijn wederom twee meisjes en een man op stap. Dit keer is de man (Michel) net zo jong als de meisjes zelf. Michel die in de tv-wereld werkt, doet heel stoer over zijn baan bij Juliette en Liliane, twee giebelmeisjes die beide actrice willen worden.

Een vreemd trio. Michel is de lompe gast die graag twee vriendinnen heeft maar zich dan geen raad weet met de twee in zijn buurt. (Je ziet ze bijvoorbeeld geen een keer elkaar beminnen.) En Juliette en Liliane zijn meer verbonden door hun vriendschap dan door een relatie met een man. Je kunt zeggen dat Michel hun vriendschap verstoort. Tegelijk lijkt het alsof ze getest willen worden.

Misschien komt het ook wel omdat boven Michel dreigend het zwaard van Damocles hangt. Hij moet immers naar de oorlog in Algerije. De meiden, ondertussen, merken dat hun vriendschap onder druk staat.

In de periferie van nouvelle vague, op afstand van Godard & kornuiten, bevonden zich figuren als Jacques Rozier. De echte purist. Daarom wordt Adieu Philippine gezien als ‘echte nouvelle vague’. Je ziet het aan veel dingen. De filmimprovisatie (mensen staren door winkelruit, in Corsica staart men de camera aan), de ongescripte dialogen, de geïmproviseerde scènes, het plot zonder plot.

De spanningsboog staat los (soms te los) maar de spontaniteit levert gekke scènes op, zoals in de club, bij het dansen, die je niet in scripts zou kunnen vastleggen. Een portret van een trio dat niet met en niet zonder elkaar kan.

Geen smeerlappenfilm
Is het een cliché dat een ménage à trois vaak in Franse films voorkomen? Want ook Charlie et ses deux nénettes (1973) gaat over dit thema. In deze film van Joël Séria duurt het exact anderhalve minuut voordat een man (vrachtwagenchauffeur, negenendertig) aan de praat raakt met twee meisjes (eenentwintig en negentien) met rode regenjasjes. Ze gaan wat drinken in een café. Hé, hebben jullie zin om mee te rijden? Tuurlijk, als je dat wilt.

Guislaine en Josyane zijn heel inschikkelijk, net als de pas gescheiden Charlie. Iedereen is vrolijk en opgewekt. Ze doen een vervoersklusje samen. Hij heeft nog een berg behang op zijn kamer. Samen op de markt verkopen? Goed idee.

De meisjes zijn jong, leuk en ze gaan graag om met Charlie – temeer hij heel gewoon tegen ze doet. Ze brengen hem een ontbijt op bed zonder dat hij erom vraagt. Gedrieën naar de kermis, gedrieën dansen, en ja, uiteindelijk gedrieën naar bed. ‘Ligt iedereen goed? Welterusten!’ Een kusje op hun hoofd. Door de bank genomen hebben de drie het erg gezellig. Dat gaat goed tot er een andere marktverkoper in het spel komt: Tony, een grote vent met een grote caravan.

Charlie et ses deux nénettes zullen sommige kijkers misschien een smeerlappenfilm noemen. Dat is onterecht. Dit is juist een schattige film. Je wacht misschien op het drama. Er gebeurt niets bijzonders. Een slimme hint is dat Charlie seksueel gezien oudere vrouwen prefereert. Schrijver/regisseur Joël Séria maakte een lichtvoetige film over een beladen onderwerp.

Verder is er kwaliteit in het tempo. De film heeft bijna geen seconde zonder dialoog of actie. De saaie stukjes zijn eruit gelaten.

Deze films zitten allemaal wel vast in hun tijd. Maar dat heeft meer met onze tijd dan die van hun te maken. Het gaat denk ik om de afwijking van het standaardplaatje. Dat gaat mensen met haastige twittermeninkjes in onze tijd al snel te ver.

 

8 mei 2019

 

Rita, Sue and Bob Too!

Alle Camera Obscura

Autorijden om je verveling te bestrijden

Autorijden om je verveling te bestrijden

door Bob van der Sterre

Two Lane Blacktop ♦ L’Autostop ♦ The FJ Holden

 

Nee, ik vind deel 8 van The Fast & The Furious niet hetzelfde als films als Le Mans en Grand Prix. Scheurende auto’s, 70’s films, een zondag voor jezelf. Wat wil een mannenhart nog meer? Hier drie iets minder bekende autofilms met een overeenkomst: de karakters erin vervelen zich te pletter.

In Two Lane Blacktop (1971) zien we The Driver en The Mechanic (hun echte namen leren we niet kennen) rondrijden in hun aangepaste Chevy. Ze verdienen hun geld met racen. The Mechanic ziet een Ford met een zus en zo motor en weet meteen: die kunnen we hebben. The Driver daagt de eigenaar uit. Uiteraard winnen ze de strijd.

Autorace zonder moraal
De twee krijgen een meisje in hun auto mee (legendarische scène: ze kruipt in hun auto, ze zien haar zitten, zeggen niets en rijden zo weg). Onderweg komen ze ook steeds dezelfde bestuurder van een sportauto (GTO) tegen. Een man die graag rare lifters opneemt. Hij hoeft niet meer te werken maar weet niets anders te bedenken dan eeuwig rond te rijden in zijn GTO.

De twee partijen dagen elkaar uit om naar Washington DC te rijden – maar al snel is er geen sprake meer van een wedstrijd. Ze gebruiken elkaar onderweg om andere racers uit te dagen.

Two Lane Blacktop heeft niets voor niets al decennia een speciale schare fans. Dit is de quintessential 70’s film. Geen echt verhaal, geen echte karakterontwikkeling, geen echte boodschap en helemaal geen moralisme. De film werd in 1970 in acht weken opgenomen en de laconieke sfeer komt ook door allerlei randzaken (de financiën die maar net rond kwamen, Dennis Wilson die een paar dagen voor het filmen werd gecast).

Aan de ene kant is het een soort Top Gear-episode in filmvorm, aan de andere kant heb je ook The Girl (Laurie Bird) in een essentiële rol. Iedereen wil iets met haar (zelfs regisseur Monte Hellman begon een affaire met haar). Ze pleegde zelfmoord op vijfentwintigjarige leeftijd (en dat was acht jaar na deze film, kun je nagaan hoe jong ze hier was).

En dan is er nog Warren Oates, die met zijn natuurlijke en intense acteerstijl goed paste als tegenhanger van de twee sobere hoofdrollen: James Taylors (zanger) enige filmrol en Dennis Wilson (drummer van The Beach Boys). Hun beperkte acteren is in deze film eerder een voordeel. Geloofwaardige, zwijgende autorijders.

Promotiefilm in Russisch drama
In L’Autostop (1991) is er ook al een zinloze autoreis: autocoureur Sandro die een Fiat van Italië naar Rusland rijdt. Als voormalig autocoureur is er geen liefde zo groot als die voor de auto. Ultieme decadentie om dus maar te gaan crossen naar Rusland.

Onderweg pikt Sandro leuke vrouwen op. Hij laat ze achter en ze vinden het prima. Via Moskou komt hij in het winterse Russische platteland terecht. Een hoogzwangere vrouw in een bushokje (detail: logo Olympische Spelen Moskou in 1980) krijgt van hem een lift. Ineens duikt er een motorrijder op – de partner van de dame. Ook hij krijgt een lift (handig hoe de motor in de kofferbak past). Op een zeker moment stapt de vrouw uit en wil ze in het bos bevallen.

Een bizarre combinatie van reclame voor Fiat en een Russisch drama. In 1990 moet iemand bij Fiat het een goed idee hebben gevonden dat regisseur Michalkov een korte promotiefilm zou maken. Michalkov deed die klus op zijn Michalkovs: hij maakte er een Russische drama van bijna een uur van.

Autosnufjes spelen een grote rol in het script. De autoradio (opera in het Russische landschap), de volautomatische raamvergrendeling, de ruime kofferbak, de autogordel, de verstelbare stoelen. Kijk eens hoe makkelijk de auto rond danst op de sneeuw. Dit is Sandro’s westerse, decadente cocon – een wereld waarin hij actrice Ornelia Muti aanwijst als zijn vriendin.

De film laat de tegenstelling zien tussen westerse decadentie versus Russische mystiek. Het mystieke moment van bevallen in oer-Russisch landschap tegenover de nieuwe auto vol westerse snufjes. Let op hoe de dame in het eerste hotel (dikke close-up) de man uitdaagt door telkens een noot te spelen op een piano. Decadenter kan het niet worden. En kijk Sandro helemaal opleven na de grote gebeurtenis.

Australisch raadsel
In FJ Holden (1977) zien we hoe Kevin en Bob aldoor rondrijden in een FJ Holden (Australisch automerk), bier drinken en meisjes oppikken. Een van die meisjes is Anne. Kieskeurig is ze niet: ze heeft seks met beiden, in de auto.

De Holden is een klassieke Australische 50’s bak, synoniem met de rock-‘n-rollperiode. Kevin en Bob vervelen zich graag met deze auto, waarvan er toen de film werd gemaakt nog maar 500 van de oorspronkelijk 300.000 verkochte auto’s over waren.

Een desastreuze race zorgt ervoor dat Kevin zijn humeur verliest en ook tussen hem en Anne gaat het niet goed meer (aangezien zijn maat Bob er nog steeds bij is). Tijdens een feest is hij dronken en maakt hij ruzie – de politie is naar hem op zoek.

Ik zal maar eerlijk zijn: het doel van deze film is mij een raadsel. Kevin noch Anne heeft de waarde voor een hoofdrol en wat ze meemaken, is niet boeiend. Ik vermoed dat het ging om een portret van ‘de nieuwe jeugd’ in Australië. Symbool: de ooit rebelse Holden. Dan was het wel een oninteressant portret (of een onboeiende generatie).

De hoofdpersonen Paul Couzen (Kevin) en Eva Dickinson (Anne) waren beginners en konden geen warmte in hun rollen leggen. Het is niet vaak dat een film de laatste is voor beide hoofdpersonen (zelfs de enige voor Paul Coutzen!). Vreemd misschien – maar je hoeft het acteervak natuurlijk niet echt leuk te vinden.

Aan de andere vind ik het wel altijd leuk om naar bars en supermarkten en warenhuizen te kijken in andere tijden. Daarvan genoeg in deze film. Als tijdreis slaagt de film – en dat lijkt ook het idee te zijn geweest van deze Australian Graffiti van regisseur Michael Thornhill. Ook al reist een auto makkelijk, niets reist zo prettig als een film.

 

10 april 2019

 

Two-Lane Blacktop


Alle Camera Obscura

Erfenissen: zo dus niet

Erfenissen: zo dus niet

door Bob van der Sterre

Malpertuis ♦ The Weekend Murders ♦ Das Haus im Montevideo

 

Wanneer leveren erfenissen géén problemen op in films? Het zicht op geld maakt mensen egoïstisch en dat is mooi filmmateriaal, denk aan een klassieker als Arthur (1981). Drie films waarvan je leert hoe het niet moet: erfenissen verdelen.

In het huis Malpertuis (1972) ligt Cassavius, die een reusachtig huis en dito erfenis bezit, op sterven. Een grote groep mensen wacht tot hij eindelijk doodgaat. Een stelletje heksen, een dierenopzetter, een dame die alles al weet. En zijn neefje Jan.

Vreemde spelletjes
Cassavius vertelt op een achternamiddag wat zijn eisen voor de erfenis zijn. Iedereen moet in Malpertuis verblijven. Alleen de laatste twee overgeblevenen, een man en een vrouw, mogen de royale erfenis delen. Gevolg: iedereen stookt iedereen tegen elkaar op.

Ondertussen blijkt Malpertuis een stuk vreemder dan iedereen denkt. Het huis herbergt een geheim. Jan wil weten wat dat is. Iedereen speelt ondertussen spelletjes met hem.

Veel moois aan de film. De settings en decors bijvoorbeeld. Alleen al de overdadige aandacht voor lichtval! Het script is ook niet doorsnee. Dat is gemaakt naar een boek van Jean Ray, die korte horrorverhalen in de stijl van Lovecraft en Poe schreef. Malpertuis is ook cinematografisch interessant. Trappenlopen bijvoorbeeld is prachtig in beeld gebracht.

De versie van regisseur Harry Kümel werd door de studio (United Artists) teruggebracht tot 100 minuten én in het Engels gedubd. Die film faalde. In 1973 maakte de ontevreden regisseur er een Vlaamstalige director’s cut van die pas tien jaar geleden het daglicht zag toen de dvd-versie van de film uitkwam.

Je kunt je die aarzeling van de studio wel een beetje begrijpen. Het is een film die veel van de kijker vraagt. De eigenzinnigheden gaan ook ten koste van de karakters, die vrij eendimensionaal zijn. En van het script, dat de beloften van het begin niet weet in te lossen aan het einde. Soms ontstijgt het niet het niveau van een kinderlijk sprookje met veel gegil en gekrijs.

Buitenbeentje in het voornamelijk Frans-Vlaamse gezelschap is Orson Welles in de rol van Cassavius. In de praktijk was hij permanent bezopen voor de drie dagen die hij was ingehuurd. Hij werkte een vierde dag gratis (en sober). Hem Vlaams horen praten, is een vreemde gewaarwording. Susan Hampshire doet trouwens ook een huzarenstukje in deze film met niet minder dan vijf rollen.

Extreme cinematografie in moordmysterie
In The Weekend Murders (1970) komen ook diverse mensen bij elkaar om te luisteren hoe het testament verdeeld wordt. Ditmaal gaat het om de erfenis van Sir Henry.

Er staat veel op het spel. Een gigantisch landhuis en landgoed. Die gaan, zo blijkt, naar Barbara, die de laatste tijd op Sir Henry had gepast. Grote teleurstelling bij de overige erfgenamen. Die denken wel hardop dat hen wat moois staat te wachten als Barbara heel toevallig een ongeluk zou krijgen.

Niet Barbara, maar andere erfgenamen leggen het loodje. De butler is de eerste. ‘Die kan het in elk geval niet gedaan hebben’, grapt iemand. Ook al loopt er een detective van Scotland Yard rond en een sergeant – waarvan de eerste zich slimmer vindt, maar de tweede slimmer is – er is een moordenaar die duidelijk niet zal stoppen voor alle erfgenamen er geweest zijn. Maar wie is het?

Een zwarte komedie met giallo-elementen en verrassingen. Verrassend is bijvoorbeeld het sterke komische acteren van Gastone Moschin. Of hoe de karakters bezeten zijn, op een of andere manier, van seksualiteit.

Daar past extreme cinematografie bij. Vanaf het eerste shot van de sergeant (onderaf, diagonaal), loopt de film over van de visuele grapjes met spiegels, close-ups van ogen, verdwaasde trips, shots van onderaf. Regisseur Michele Lupo en vooral cinematograaf Guglielmo Mancori waren gepassioneerd bezig – ze doen denken aan films van Guy Ritchie.

Als het sterke punt van de film de smeuïge cinematografie is, dan is het minpunt het verhaal. Het volgen van de vele karakters en hun onderlinge verwikkelingen gaat ten koste aan de logica van het moordmysterie (zoals de man met de Ferrari, wat doet ie daar ineens?).

Een buitenechtelijk kind maken
Prof. Dr. Traugott Hermann Nägler, vader van twaalf kinderen (de tiende heette Decimus), en hoofdpersoon van Das Haus im Montevideo (1951), is een heel ander persoon dan de karakters in voorgaande films. Hij is een strenggelovige vent die zijn kinderen Griekse canons laat zingen voor de verjaardag van hun moeder. Zijn vrouw beschrijft hem als: ‘Hij kan niet bestaan zonder zijn halo.’

Een pastoor vertelt aan professor Nägler dat zijn libertijnse zus, die in Uruguay woonde en met wie hij geen contact meer had, is overleden. Ze heeft een erfenis achtergelaten. Daarvoor moet de professor met de pastoor en zijn oudste dochter, Atlanta, naar Uruguay.

Daar blijkt dat zijn zus na hard werken ‘een instituut van 45 meisjes’ had. Een bordeel, denkt professor Nägler meteen, en hij is al de deur uit gerend. Maar zijn zus is zangeres Maria Machado. Ze is voorzitter van een stichting die meisjes helpt met muziek.

Er is alleen een catch om de 750.000 dollar van de erfenis te krijgen: iemand in de familie moet een buitenechtelijk kind maken. Die gedachte is een nachtmerrie voor de brave professor. Maar het geld… De moreel superieure professor begint ineens aan Herbert, het vriendje van Atlanta, te vertellen over ‘het voordeel van het eerst hebben van een dessert’. Herbert snapt er niets van.

Deze film is een typisch voorbeeld van het werk van theaterschrijver en regisseur Curt Goetz. Hij speelt zelf de hoofdrol. Wie zegt dat Duitsers geen humor hebben, zou zich eens in zijn werk moeten verdiepen, zoals Frauenarzt Dr. Präterius, Napoleon en Hokuspokus.

Met de komedie zit het wel goed, minder met de vernieuwingsdrang van Das Haus im Montevideo. In alles (zwart-wit, theatraal, klassieke decors, muzikale ondersteuning) is het een ouderwets ogend verfilmd theaterstuk – en dat klopt ook, want dat was het oorspronkelijk.

De film is een klik van ons verwijderd op YouTube. Een plezierige creatieve erfenis voor onze grote familie van filmliefhebbers.

 

14 maart 2019


Alle Camera Obscura

 

The Weekend Murders

Pas op met die virussen!

Pas op met die virussen!

door Bob van der Sterre

Variola Vera ♦ The Hamburg Syndrome ♦ Les Raisins de la Mort

 

Virussen. Linke soep. Daarom onverminderd populair in de cinema. Outbreak is een bekende film in het genre. Maar er is meer. En interessanter.

Het kan soms beginnen met het kopen van een fluitje in een Afrikaans land. Niet zo’n slim idee als die persoon duidelijk een gemene ziekte onder de leden heeft. De pelgrim die het fluitje koopt, reist naar Joegoslavië, wordt ziek, en dan… Ja, wat dan? Dan zien we in de film Variola Vera, die in 1982 in het toenmalige Joegoslavië is gemaakt.

Pokkenlijder
Eerst vinden ze de pelgrim in een wc van het ziekenhuis, kermend van de pijn. Dan staren alle artsen naar hem. Ze hebben geen idee. Hij komt gewoon op de zaal te liggen, bij anderen.

Het virus is de nonchalance in het ziekenhuis erg dankbaar. Zo is daar de patserarts die vrouwen versieren belangrijker vindt dan zijn vak uitoefenen. Of de ontkennende baas van het ziekenhuis die vooral autoriteit wil uitstralen. Of de gevoelige zuster die emotioneel reageert op alles.

Meest schrijnende moment is als twee patiënten van de zaal van de pokkenlijder de patserarts (met broek omlaag hangend over een zuster) komt waarschuwen dat er echt wat loos is. Dan is de pokkenlijder al het hele ziekenhuis rondgerend en heeft ie overal zijn bloed gesmeerd. Het duurt vervolgens een dag maar dan beginnen de mensen in het ziekenhuis ineens te merken wat ‘in quarantaine blijven’ betekent.

Goede film, niet oversensationeel maar juist interessant om te zien hoe zoiets wordt aangepakt. En dit is echt gebeurd. Tien jaar eerder dan deze film was er sprake van een uitbraak van de pokken in Belgrado. Het ziekenhuis verandert in een dodenfabriek. Mannen in witte pakken die op bezoek komen. Dan zie je pas hoe mensen toch alleen maar aan zichzelf denken (alhoewel er ook een iets te romantische dromer in rondloopt). De spanning blijft erin dankzij het tempo en het acteerwerk.

Foetushouding
In Die Hamburger Krankheit (1979) sterven ze ook bij bosjes. Dat gebeurt in de stad Hamburg. Wat vreemd is, is dat ze na het sterven ineens in een foetushouding liggen. Niemand weet wat er aan de hand is maar niemand wil risico’s nemen. De autoriteiten sluiten de boel af.

Iedereen wordt opgepakt. Dokter Sebastian ook – hoewel hij alleen op bezoek was voor een conferentie. Samen met mede-arrestanten ontsnapt hij. Hij wil weten wat er gaande is en ontdekken wat de haard van het virus is. Dat doet hij met Ulrike, die hij onderweg leerde kennen. Ze proberen door het land te reizen. Het is overal chaos. Mensen die door elkaar heen rijden, rennen, met koffers, honden die blaffen, gegil, traangas.

Sebastian probeert zijn eigen instituut in Lüneburg te bereiken maar verliest zichzelf in filosofische overpeinzingen: ‘Wat is een virus eigenlijk? Is het niet de adrenaline van massahysterie?’

Die Hamburger Krankheit is een virusfilm die niet echt over het virus gaat. Waar komt het vandaan en hoe zit het precies? We weten het niet. Vermoedelijk geeft de film hiermee kritiek op de chaotische periode eind jaren zeventig, toen West-Duitsland met allerlei duistere zaken te maken had: misdaad, terreur, ideologische clashes, drugsoverlast. Het was de speelbal van twee grote machten.

Je moet de film dus symbolisch opvatten. De reis naar het zuiden, de foetushouding, de overheid die controle probeert te krijgen. Ook de karakters: de fysiek gehandicapte man (genaamd Ottokar, rol van schrijver Fernando Arrabal) die alsmaar aan het gillen is, de verkoper die blijft verkopen, een arts, potentiële held, die het ook opgeeft.

Dan zie je opeens in de aftiteling ‘Roland Topor’ bij de scenaristen staan. Deze provocerende kunstenaar is ook de man van het extreem merkwaardige Marquis, een poppenfilm over Markies de Sade. De samenwerking met regisseur Peter Fleischmann bracht hen tot het maken van dit curiosum, die veel baat had bij de synthesizermuziek van Jean-Michel Jarre.

Had de film maffer moeten zijn? Of juist gewoner? Het zit nu ergens in een vreemd midden. Sowieso is de film erg chaotisch; wees dus gewaarschuwd.

Zombiefilm zonder zombies
In Les Raisins de la Mort (1978) is het meteen duidelijk waar het virus vandaan komt: we zien het in de eerste beelden, als een wijnveld wordt bespoten met insecticide. Dat zorgt ervoor dat mensen de kluts kwijtraken. Maar dat weet Élisabeths nog niet als in haar coupé een creepy kerel gaat zitten. Vlekken in zijn nek, blaasjes op zijn gezicht. Het gaat niet goed met hem en Élisabeth rent met koffer de coupé uit en trekt aan de noodrem.

Ze rent naar een huis. Boven in de slaapkamer: een lijk. Élisabeth vlucht wederom, in een leuk blauw autootje, en vindt nogal wat kadavers onderweg. Het blijkt dat het wijngebied Roubles de bron van de ellende is. Twee gretig met dynamiet smijtende mannen helpen haar gelukkig te strijden tegen deze wezens.

Er is ogenschijnlijk weinig nieuws onder de zon in deze film van Jean Rollin. Je ziet overacting, gratuite naaktscènes, experimentele muziek en Brigitte Lahaie, de pornoster die later politica werd.

Zo slecht is het toch niet. Deze zombiefilm zonder zombies is typisch Frans met wijn, kleine dorpjes, verlaten boerderijen en een paar surreële momenten. Door het lage tempo, de retrobeelden en het Franse platteland komt er een apart soort horrorgevoel naar boven. Het is ook die kille, koude, mistige natuur – dat maakt de film anders dan de doorsnee zich in de stad afspelende zombiefilm.

Het was ook legendarisch koud tijdens de opnamen en soms vroor de make-up vast aan de gezichten. Daarom gilt Marie-Georges Pascal denk ik zo vaak, om het weer wat warmer te krijgen.

Virussen, zo leren deze films wel weer, kunnen nog steeds beter uitbreken in films dan in het echte leven.

 

13 februari 2019

 

Les Raisins de la Mort


Alle Camera Obscura

Gezondheid en cynisme

Gezondheid en cynisme

door Bob van der Sterre

HealtH ♦ The Stuff ♦ Le Viager

 

Is het slikken van bijenpollenwas echt goed voor je gezondheid? Het slikken van omega 3-pillen blijkt ook onzin. Mensen deden eeuwenlang aan aderlaten voor ze besloten dat het niet werkte. Cynisme en gezondheid blijken ook een geolied duo in films – en niet alleen in een film als Sicko. Hier drie voorbeelden.

In HealtH (1980) kijken we naar een verkiezing van de voorzitter van een organisatie genaamd ‘HealtH’ (Happiness, Energy And Longevity Through Health). Wordt het weer Esther Brill? Is het dit keer nieuwkomer Isabella Garnell? De beslissing valt tijdens een conventie in een luxehotel in Florida.

Niet commercieel genoeg
De hoofdrol is voor Harry Wolff, de mannetjesmaker, in dit geval vrouwtjesmaker, van Esther. Dat is wel nodig. Ook al is ze 86 en ziet ze er jonger uit, soms valt ze stil alsof iemand op een pauzeknop heeft gedrukt. En daar is ook zijn ex, Gloria. Die steunt namens het Witte Huis beide kandidaten maar heeft zelf een duidelijke voorkeur voor de visionaire intellectueel Isabella.

Veel films van Robert Altman leven door in het collectieve filmgeheugen. HealtH is daar niet een van. Het is een soort M*A*S*H of The Player waarbij alles mislukt. Ook hier satire, ook hier een mozaïekfilm (voor de niet ingewijde: het wervelend door elkaar observeren van diverse karakters), ook hier prima acteurs en zelfs een boeiend onderwerp. Toch werkt het niet zoals in die andere films.

De film is in de eerste plaats niet zo geestig als je van Altman verwacht. Vooral het begin is zwak. Het heeft vermoedelijk te maken met het feit dat Altman haastig moest werken. Door een contract werd hij gedwongen om de film vóór 1980 af te ronden. 20th Century Fox had vervolgens ineens geen haast meer door negatieve reacties van previewers. ‘Niet commercieel genoeg.’ Twee jaar lag de film nog op de plank en toen ging Altman de film zelf maar vertonen tijdens festivals.

Niet álles is vervelend. De hoofdrollen van James Garner en Carol Burnett laten zien hoe acteurs opbloeien in Altmans handen. Er zijn ook wel grappige dialogen. ‘Was he in politics?’ ‘No, he was a republican.’ ‘Oh, I am sorry.’ En de satire: de behoorlijk gestoorde ‘onafhankelijke kandidaat’ is dan de enige die iets zinnigs zegt: hij wil de tussenpersoon tussen mensen en voeding zijn.

Yoghurt leeft
Ook satirisch, of misschien gewoon horror, is The Stuff uit 1985, een film van cultregisseur Larry Cohen (Q en God Told Me To). Van de een op andere dag gaat iedereen ineens het nieuwste yoghurtproduct eten. Het heet the stuff.

De tienjarige Jason wantrouwt het yoghurtproduct nadat hij het zag bewegen in de koelkast. Hij slaat het uit de handen van zijn moeder en sloopt de supermarkt in een poging om het product te vernietigen.

Ook Mo Rutherford, een bedrijfsspion, vindt het maar raar dat een zoektocht naar de tests van het bedrijf stuklopen in een dorp in Virginia waar niemand meer woont. En als er al iemand is, komt er witte foam uit hun mond. Dat stroomt uit het raam.

Mo gaat samen met Jason en Nicole (die de PR van ‘the stuff’ doet) op zoek naar de fabriek waar ze het product maken. Ze komen erachter dat ‘the stuff’ opborrelt in grotten. De fabriek is alleen maar een dekmantel. ‘The stuff’ wordt direct uit de grot in melkwagens gespoten.

Een raar verhaal met best wat cultcharme. Het is ook niet elke dag dat yoghurt de boosdoener is in een film. En de hype van ‘gezonde producten’ krijgt er in deze film genadeloos van langs. ‘Het leeft.’ ‘Dat heet bacteriën, Jason, die leven en helpen je darmen.’ Het beste stukje: de familie van Jason die aan the stuff verslaafd is geraakt.

Ja, het budget was laag, de montage doet soms pijn aan de ogen, het verhaal slaat ook regelmatig kant noch wal. De acteurs zorgen toch voor een paar redelijk grappige scènes. Michael Moriarty speelt zijn hoofdrol verrassend laconiek, hoewel ik nog nooit eerder van hem had gehoord. Ook Andrea Marcovicci was mij onbekend. Beide gingen na 1985 voornamelijk door met acteren in B-films.

Het gehucht St. Tropez
Eveneens spottend is de Franse komedie Le Viager (1972). Dokter Galipeau weet honderd procent zeker dat de 59-jarige Martinet niet lang meer te leven heeft. Hij ziet mogelijkheden. Via een financiële truc (gebaseerd op de waarde van het ‘waardeloze’ aluminium) spreken ze af dat Galipeaus broer de lijfrente van de goedgelovige Martinet overneemt. Als hij sterft, nemen ze zijn buitenhuisje in St. Tropez over, is de afspraak. Een risicoloos gokje volgens de dokter. ‘Faites moi confiance.’

Elk jaar stuur Martinet braaf een kerstkaart. Tot afgrijzen van de familie. ‘Geloof mij maar’, zegt Galipeau grijnzend tegen zijn familie, ‘dat duurt niet lang meer.’ Hij beweert dat vaak. In 1938 zweert hij: ‘Er is geen conflict, geloof mij maar.’ En het jaar erna zijn ze op de vlucht naar het zuiden.

Het gehucht St. Tropez, waar Martinet woont, wordt na de oorlog razend populair. De prijs van aluminium stijgt gigantisch. Kortom: het geduld begint op te raken. Als Martinet tijdens het dansen naar zijn hart grijpt, denken ze eindelijk dat het moment daar is. ‘Is er iets?’, vragen ze huichelachtig. ‘Ja, mijn medaille is kwijt. Hij zat hier net nog!’

De complete trukendoos wordt opengetrokken: trappen lopen op de Eiffeltoren, uitnodigen voor heftige maaltijden en drankgelagen, zijn trap met vet bekladden. Het helpt niet.

Leuke, speelse film. Deze film van Pierre Tchernia heeft de herkenbare handtekening van de scenarioschrijver van Astérix en Obelix (René Goscinny). Hij schreef namelijk dit script. Hoog tempo, vermakelijk acteerwerk en een paar mooie spottende karakterschetsen. Michael Galabru is buitengewoon grappig als de falende dokter en Michel Serrault is eveneens fantastisch als de oude, kwieke man.

Het geestige script laat Martinet soms figureren als een soort Forrest Gump avant la lettre. Let ook op de breaks met animaties in kinderstijl die je vandaag de dag op YouTube ziet langskomen. De overgangen in jaren met kerstkaarten. Of Gerard Dépardieu in een van zijn eerste rollen. En het acteerwerk van Jean Carmet en de zoon van Pierre Brasseur (Claude Brasseur). Dit team (Goscinny, Tchernia, Serrault en Galabru) maakte twee jaar later ook nog Les Gaspards en die moet ook bezienswaardig zijn.

De vraag na dit alles is alleen: is passie voor film ook een gezondheidsprobleem?

 

14 januari 2019

 

The Stuff


Alle Camera Obscura