Vervreemdend communisme

Vervreemdend communisme

door Bob van der Sterre

Zerograd ♦ The Chekist ♦ Larks on a String

 

Het grimmige, vervreemdende gezicht van het communisme achter de mooie collectieve droom. Een lastig onderwerp in film. The Death of Stalin laat al een en ander zien. Drie obscure filmtitels uit oude Sovjetlanden deden dat nog eerder.

Aleksei Varakin komt aan in Zerograd (1988). De bedoeling: aanpassing van een bepaald onderdeel dat hij in zijn fabriek in Moskou gebruikt. Aleksei verwacht binnen een halfuurtje weer weg te zijn.

Het nul-epicentrum van de Sovjet-Unie
In Zerograd is niets zoals in Moskou. Bij de onderdelenfabriek weten ze van niets en de secretaresse is naakt (‘Verdomd, je hebt gelijk’). Dan een kok die van Alekseis hoofd een stuk taart maakt, en zich van kant maakt als je dat een beetje gek vindt.

Een enorm ondergronds museum, waar de hele Russische geschiedenis langskomt. En een joch dat meer van jou weet dan jijzelf.

Aleksei wil weg uit het gat, maar dat lukt alsmaar niet. Treinen stoppen er niet, wegen lopen dood, de politie wil hem spreken. Alles leidt naar een feest dat te maken heeft met een rock-‘n-roll-incident in de jaren vijftig. En dat heeft volgens de betrokkenen weer met Aleksei te maken. Aleksei gaat maar mee met de flow.

Verrassend sterke film. Zo absurd en droog als een Van Warmerdam of Kaurismäki, maar met meer grimmige, satirische momenten. Geen wonder, denk ik dan, want deze film die verwijst naar de harde Sovjet-realiteit is een en al symboliek. Aleksei zou je kunnen zien als de ‘gewone Rus’. Alle anderen in het dorp zijn tijdloos en vertegenwoordigen iets (de politie, de kunst, de overheid).

Heel pienter én met veel gevoel voor het mysterie, zo hebben Aleksandr Borodyanskiy (script) en Karen Shakhnazarov (regie) Zerograd bedacht – het nul-epicentrum van de Sovjet-Unie. Ze waren een soort Goscinny en Uderzo samen, want hun andere films Jazzman (1983), Zimniy vecher v Gagrakh (1985) en Sny (1993) zijn ook goed gewaardeerde films in Rusland.

Wat ik zo bijzonder vind, is dat de film uit 1988 stamt, maar dat het lijkt alsof de film uit bijvoorbeeld 2010 is en terugkijkt op de instorting van de Sovjet-Unie, die immers pas na deze film (drie jaar later ongeveer) ophield te bestaan. Het plot lijkt wel van een film uit de toekomst. En het is dat perestrojka net was uitgeroepen, anders was deze film sowieso nooit gemaakt.

Er is een maar: je moet wel kennis van Russische geschiedenis en cultuur hebben om de symboliek te snappen en te waarderen. Anders krijg je zoiets als deze recensie van The Washington Post.

Geoliede moordmachine
Over grimmig gesproken… The Chekist (1992) begint zo: ‘Zij gaf onderdak aan officieren in haar huis.’ ‘Vuurpeleton.’ ‘Hij schreeuwde in een zaak tegen de Tsjeka.’ ‘Vuurpeloton.’ ‘Hij verzette zich tegen confiscatie van zijn spullen. ‘Vuurpeloton.’ De lijst gaat maar door. Dit zet meteen de toon voor de film, waarvoor zelfs ‘grimmig’ een te zwak woord voor is. Een film over een geoliede moordmachine.

We volgen deze bizarre moordmachine van eind jaren tien, begin jaren twintig. De tsjeka was de geheime dienst die na de machtsovername van de bolsjewieken talloze burgers oppakte en executeerde. Intellectuelen, anticommunisten, christenen, mensen van adel.

We zien de drie leiders van de tsjeka die gedrieën rechtspraak deden: de ophalers, de leider van de executies, de soldaten die de klus moeten uitvoeren (‘Wil je ruilen? Ik schiet liever geen priester’), de opruimers van de lijken, de schoonmaakster en de slachtoffers. Soms wordt er zelfs gelachen. Zoals wanneer de ene tsjeka de andere fopt door bij diens eigen naam ‘vuurpeloton’ te laten zeggen. Over zwarte humor gesproken.

In deze film van Aleksandr Rogozhkin krijgen de tsjekisten achter dit vreselijke systeem een gezicht. De een geniet van klokken maken, een tweede filosofeert alles recht wat krom is (‘Revolutie is een enorme zwangere vrouw’), de derde salueert en wil daarna seks, een volgende doet oordopjes in en luistert opera. Srubov, het uitvoerende gezicht van de executies, lijdt het meeste onder zijn verschrikkelijke werk.

Gruwelijke film maakt ‘het systeem’ van totalitaire staten toch menselijk. Ik kan me goed vinden in het commentaar op IMDb: A great film, but hard to watch for the “average” movie-goer…. De film moet ook een bizarre ervaring voor betrokkenen zijn geweest. Veel acteurs werden ook nog eens met hun benen omhoog opgehesen en in een kar geduwd.

Vladimir Zazubrin schreef in 1923 het korte verhaal waar deze film op is gebaseerd. Hij wilde de realiteit van toen vastleggen. Bij de Grote Zuivering (die nog heftiger was dan deze) van de jaren dertig werd hij zelf geëxecuteerd. En zijn verhaal werd pas in 1989 uitgegeven.

Worstelen met het systeem in Tsjechië
In Larks on a String (1969) zitten we in begin jaren vijftig, Tsjechië. We kijken naar een aantal bewuste non-communisten. Een leraar, een saxofonist, een kapper en nog een paar ‘bourgeois’ personen moeten op een sloperij staal scheiden. De vrouwen en mannen doen gescheiden hun werk. Het doel: heropvoeding.

Ondertussen leren we karakters beter kennen, via flashbacks en onderlinge gesprekken. ‘Ik dronk vroeger Dubonnet, nu Popovice-bier.’ Ook zien we hoe de bewaker worstelt met zijn huwelijk met een Roma-dame. Tegelijkertijd begint er iets te broeien tussen sommige mannen en vrouwen.

Door censuur verscheen de film pas in 1990. Verrassend als je het ziet: want zo kritisch is de film nou ook niet. In feite is dit een goed gelukte, humanistische film over mensen die worstelen met een systeem waar ze geen zin in hebben, met wat luchtigheid hier en daar, zoals het komische bezoek van een communistisch gedrilde schoolklas. Anders dan in The Chekist is er zelfs ruimte voor wat optimisme: ‘Het onmogelijke is mogelijk in ons land.’

De film is gebaseerd op een verhaal van schrijver Bohumil Hrabal. Na 1968, einde van de Praagse Lente, verschenen zijn boeken alleen nog via samizdat (clandestiene uitgeverijen), dus gesmokkeld naar het westen.

Regisseur Jiri Menzel (hij overleed vorig jaar) liet zichzelf ook niet kisten door de censuur. In 1974 kreeg Kdo hledá zlaté dno (Who Looks for Gold) wel een normale release. Voor 1990 regisseerde hij toch nog in totaal zeven films. Deze film kreeg in 1990 alsnog de Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn.

Menzels advies: ‘Goede komedie zou over serieuze zaken moeten gaan. Als je te serieus begint te praten over serieuze dingen, ben je op het eind belachelijk.’ Ook toepasselijk advies voor mensen die te heftig geloofden in een maakbare, communistische maatschappij.

 

12 oktober 2021

 

Larks on a String

 
Alle Camera Obscura

Geen dak boven je hoofd hebben

Geen dak boven je hoofd hebben

door Bob van der Sterre

Last August at the Hotel Ozone ♦ Streetwise ♦ Mitt hem är Copacabana

 

De wereld houdt er niet van, maar cinema is er dol op: daklozen. Klassiekers genoeg: The Fisher King, My Man Godfrey, Down and Out in Beverly Hills, Sullivan´s Travels, Miracolo in Milano. In de praktijk is het natuurlijk lang niet zo leuk. Welke drie minder bekende films laten dat beeld zien?

In Last August at the Hotel Ozone (1967) is een groep vrouwen en meisjes aan het lopen, lopen en lopen… met rugtassen, paarden en bagage. De meisjes zijn nog niet zo gehaaid in overleven als de mater familias. En overleven moet wel. Iedereen op de planeet is verder gestorven aan leukemie.

Gebrek aan beschaving
Ergens molesteren ze een hond en vermoorden ze een koe. De koe is van een eenzame man, die ondanks het verlies de groep naar een gebouw brengt: Hotel Ozone. Daar krijgen ze melk. ‘Ze hebben vijftien jaar geen melk gedronken.’ Waarom vertrouwt hun mater familias hem? De meiden snappen er niets van.

De vrouw, die alsmaar zieker wordt, wil ondertussen dat de man voor nageslacht gaat zorgen. Zij zijn voor elkaar een band met de vroegere wereld die de meisjes niet eens kennen. En dat is het probleem: survival gaat bij hen voor cultuur.

Een filosofisch verhaal. Dit script van Pavel Juracek heeft een appeltje te schillen met mensen. In een apocalyptische wereld leer je beschaving al snel af. Zonder beschaving worden we beesten. Dus behoorlijk ranzig en schokkend af en toe. Zoals de koe-scène, de hond-scène en de vissen-scène. Ik snap het idee maar prettig kijken is anders.

1963 tot 1968 was een gouden tijdperk voor de Tsjechische cinema. Een explosie van interessante films die al regelmatig in Camera Obscura terecht zijn gekomen. Ook deze film kon na 1968 niet meer. Dat is ironisch omdat je in het gebrek aan beschaving en dakloosheid in deze film ook een dictatuur kunt zien…

Straatkinderen in Seattle
In Streetwise kijken we naar echte kinderen die in 1984 in Seattle aan het zwerven zijn geraakt. (Wacht even, dit is toch een rubriek voor fictiefilms? Ja ja, maar dit is er wel eentje waarover mensen al jarenlang speculeren dat het grotendeels in scène is gezet; mijn excuus om mijn eigen regels te overtreden.)

Fotografe Mary Ellen Mark en journalist Cheryl McCall bezochten Seattle in 1983 om voor Life een artikel te schrijven over straatkinderen. Dat artikel sloeg in als een bom. Later dat jaar ging Mary Ellen Mark nog eens terug met haar man, regisseur Martin Bell, en maakten ze dit filmische portret van dezelfde straatkinderen. Ze wonnen het vertrouwen van de kinderen en de ouders en dat levert een formidabel tijdsdocument op. Overleven via prostitutie, eten uit afvalbakken, bedelen: je ziet het hier allemaal.

Beste keuze: de voice-overs van de kinderen zelf. Een andere slimme keuze is dat ze geen boom gebruikten maar kleine microfoontjes hingen aan de kleding van de kinderen. Zo voelden ze zich vrijer. Via montage krijg je toch dat rauw-realistische effect.

Streetwise kreeg als kritiek dat het allemaal wel wat ‘té perfect’ oogde voor een documentaire. Daar is wat voor te zeggen. De kwaliteit van de beelden en het geluid is erg goed. Het lijkt of je naar een hyperrealistische fictiefilm kijkt. Om het ingewikkelder te maken: Martin Bell maakte in 1992 daadwerkelijk van dit verhaal een fictiefilm: American Heart met Jeff Bridges.

Na afloop wil je weten wat er van ze is geworden. Van de geportretteerde kinderen leven er veel niet meer. Een dame is zelfs ten prooi gevallen aan een seriemoordenaar. Een andere meid (vijftien) liep in een gevecht dodelijke klappen op. En in de film zelf sterft al een van de hoofdpersonen.

Het kan ook anders. Tiny (gaat hier met veertien op dates met volwassen mannen) is nu moeder van tien kinderen. Martin Bell maakte in 2016 een vervolg met haar in de hoofdrol: TINY: The Life of Erin Blackwell. En op IMDb lees je dit comment bij deze film: ‘I am Rat’s wife. My husband gets embarrassed whenever I show the movie, and hides in the other room.

Overleven in Rio
Ook om overleven draait het in Mitt hem är Copacabana (1965). Drie jongetjes (Jorginho, Paulinho, Rico) en een meisje (Leila) proberen alles om dat te kunnen. Het groepje zit bij een ruïne op een heuvel tot ze door een bende worden verjaagd.

Daarna bekijken we hun mix van legale en minder legale bezigheden: oplichterij met vliegeren op het strand, bedelen om eten op de markt, afstruinen van vuilnisbelten, schoenenpoetsen, pickpocketen. Ze krijgen tips van meer ervaren daklozen.

Buitenkans om het Rio de Janeiro van 1965 van dichtbij mee te maken. Deze film kwam overal. Cafés, winkelcentra, heuvels, stranden en zelfs bij bepaalde rituelen op het strand. We krijgen ook de favela’s te zien van voor de favela’s die wij kennen (toen nog houten huisjes). Dit zijn zelfs een van de vroegste filmbeelden van de favela’s.

De film (originele titel: Fábula) is het geesteskind van de Zweedse regisseur Arne Sucksdorff. Hij werd gevraagd om les te geven in Brazilië en wilde toen ook een speelfilm maken. Zijn voice-over maakt van de speelfilm bijna een gewenste documentaire: in zekere zin dus een omgekeerde versie van Streetwise. Je ziet het aan het acteren van de kinderen. Dat is niet geweldig, maar naturel genoeg dat het niet in de weg zit.

Toch is de film erg interessant. Een geweldig mooi begin (bovenop een heuvel, je kijkt terloops de diepte van Copacabana in). Verder veel observatie en speels acteerwerk van de kinderen. Soms denk je aan Pixote, soms aan Cidade de Deus. En dat vermengd met een flinke vleug neorealisme, dat natuurlijk in de mode was in die tijd.

De film werd afgerond tijdens het begin van de militaire dictatuur en was (uiteraard) vlak na verschijning verboden. Sucksdorff (dierendocumentairemaker van oorsprong) vestigde zich later in de Pantanal. Hij raakte op zeker moment zijn land kwijt en moest terug naar Zweden, waar hij in 2001 overleed.

Sucksdorffs invloed in de Braziliaanse cinema is nog steeds maar met mate erkend. Eén historica heeft er werk van gemaakt. Hij leende zijn audio-apparatuur uit aan Braziliaanse cineasten. Verstandig was ook zijn keuze om het script van Braziliaanse schrijvers Joaõ Bethencourt en Flávio Migliaccio te gebruiken. Lees meer over zijn werk in dit Braziliaanse tijdschrift (Engelstalig) of bekijk dit interview met de historica.

Als wij voor Camera Obscura dit stukje filmgeschiedenis niet vastleggen, blijft het misschien digitaal dakloos in cyberspace.

 

12 september 2021

 

Mitt hem är Copacabana

 

Alle Camera Obscura

Originaliteit: een kwestie van smaak

Originaliteit: een kwestie van smaak

door Bob van der Sterre

Das Millionenspiel ♦ Blind Chance ♦ Angel of Vengeance

 

Sommige films lijken zoveel op andere films dat er geen toeval meer kan zijn. Bekende voorbeelden: hoe The Others (2001) lijkt op The Innocents (1961) of Drive (2011) op The Driver (1978). Hieronder drie obscure films die doen denken aan een bekendere film.

In Das Milllionenspiel (1970) kijken we naar een tv-show. Een kandidaat, Barnard Lotz, wordt achterna gezeten door de ‘Köhlerbende’. Het programma betaalt de drie criminelen om hem om te leggen.

Showbusinessprogramma met doden
Ondertussen staan er overal camera’s opgesteld. Af en toe een interview. ‘Dus judo’, zegt de showmaster tegen Lotz, ‘daarmee wil je winnen van de Köhlerbende?’ Een reporter interviewt een bendelid: ‘We wachten gewoon tot het einde, dan krijgen we meer geld.’

Een herkenbaar en kneuterig showbusinessprogramma dus – maar wel eentje waarbij mensen omgelegd mogen worden. De satire is soms leuk. De reporter ter plaatse die gewoon de kantine binnenloopt en gaat interviewen. Of een roerend interview met de vrouw die rookbommen gooit. Of de reporter die in de camera zegt: ‘Ze verdienen applaus. Wat zou een jacht zijn zonder de jagers?’

Voor wie het nog niet doorhad: dit is een The Running Man (1987) avant la lettre. Geen wonder dat veel mensen in 1970, toen de film op tv kwam, dachten dat het echt was. De ARD ontving boze telefoontjes, brieven. Gelukkig waren sociale media nog ver weg. Producer Joseph Cates wilde geen risico lopen: hij zorgde ervoor dat de film maar liefst dertig jaar niet te zien was. Pas in 2002 werd de film weer uitgezonden. Regisseur Tom Toelle kon het heugelijke moment nog net meemaken – hij stierf in 2006.

De film heeft een aantal goede dingen. De reporter ter plaatse, het venijnige tempo en een paar prachtige lelijke locaties in Keulen. Het acteerwerk had wel wat beter gekund maar enthousiasme compenseert altijd veel.

Films over mensen die jagen op andere mensen: een niche in de filmgeschiedenis. Ze komen vooral uit verhalen van sf-schrijver Robert Sheckley: The Seventh Victim was de basis van deze film en The Running Man (1987); The Prize of Peril was de basis van La decima vittima (1965) en Le Prix du Danger (1983). Dan heb je natuurlijk ook nog het boek (later film) Lord of the Flies, en diens erfgenamen: de Japanse film Battle Royale (2000) en het boek (later tv-serie) The Hunger Games.

Het ruwe talent van Kieslowski
Wie Sliding Doors (1998) heeft gezien en vervolgens Blind Chance (1981) ziet, vindt wel heel veel overeenkomsten. Hier is de gemiste metro een trein. Ook hier zie je halverwege een tweede variant.

1. Man haalt de trein wel. Ontmoet oudere man, rector. Hij introduceert de jongen bij de Partij. Ontmoeting met jeugdliefde. Zij is anti-Partij. Hij wordt wethouder. Geheime dienst pakt zijn vriendinnetje op. Conflicten.

2. Man haalt net de trein niet. Hij wordt gearresteerd, helpt met illegale literatuur te drukken, krijgt een affaire, wordt religieus.

En dan nog een verrassing.

De Kieslowski van vóór Rouge, Blanc en Bleu is mij toch dierbaarder dan die van erna. Het ruwe talent van Kieslowski vind ik interessanter dan het perfecte, gepolijste talent van zijn veel meer bejubelde arthouse-meesterwerken, die in alle filmboeken te vinden zijn.

Allereerst word je meteen vergast op een paar firstpersonshots, die ik alleen ken van 21e-eeuwse games en een film als Hardcore Henry. Een beknopte biografie. Doet aan Amélie denken. Hoe een van de trap lopende ‘slinky’ wordt gebruikt voor een dramatisch effect: heel speels. Rennen over straat (zij holt naar de bus). In het ziekenhuis bij hippies. Slow motion met een globe (prachtvondst).

Plus goed acteerwerk. Poolse acteurs uit deze periode waren toch van een andere orde (Man of Marble, Man of Iron, Vabank, The Conductor).

En een opmerkelijk hakkelige stijl. Dat komt omdat er steeds geen fatsoenlijke intro of outro is bij scènes. Je zit middenin een scène en dan gebeuren er ineens andere dingen. Gewaagd, verwarrend, maar het werkt goed.

Regisseuse Agnieszka Holland noemde Sliding Doors een ‘geamputeerde versie’ van de Poolse film, ‘waar alle psychologische diepgang en stilistische subtiliteiten uit verdwenen zijn’. Sliding Doors haalt wel het idee van Blind Chance, maar biedt alleen het entertainment van een romantische komedie. Blind Chance gaat ook nog eens over het Polen van 1981, met een almachtige communistische partij, geheime dienst, niet mogen reizen naar het buitenland, illegale persen, problematische relaties.

Vrouwenwraakfilm
Angel of Vengeance (ook uit 1981) opent met een portret van een bescheiden en stomme naaister. Haar leven verandert immens als ze op een dag niet een, maar twee keer verkracht wordt. De eerste dader ontkomt. Ze slaat het hoofd van de tweede (een inbreker) in met een strijkijzer.

Het is lastig om nog te concentreren op je werk als je weet dat thuis je koelkast vol zit met restanten van de moord die je uit zelfverdediging hebt gepleegd. Ze gaat van het zijn van een lief en bescheiden meisje naar een praktische uitvoering van de ‘Society for Cutting Up Men’. Elke man die iets te seksueel agressief is, legt het loodje.

Abel Ferrara maakte een paar filmhuisklassiekers in de jaren tachtig en negentig, waaronder Bad Lieutenant. Dit is meer een cultfilm. Het verhaal is eenvoudig. Onschuldige vrouw, kan niet spreken, doet na verkrachtingen heftige make-up op, daagt mannen uit, schiet mannen neer, verkleedt zich als non. Alles draait hier om religieuze en erotische symboliek (zoals vaker in de films van Ferrara).

Symboliek met een moker die bot gevijld is. De slotscène op het feest is over de top – maar fraai over de top. Het duurt wel te lang. Dit had een sterke film van een uur kunnen zijn. Nu is er van veel te veel. Het ondermaatse acteerwerk (de buurvrouw), de slow motion, het eindeloze getetter met de saxofoon.

Waar het de voorloper van is? Stoere, over-the-top vrouwenwraakfilms verschenen later bij de vleet. Denk aan films als Lady Vengeance, Kill Bill, The Villainess of Revenge. (Ferrara was zelf ook niet de eerste; je had al I Spit on Your Grave (1978), Foxy Brown (1974) en Shurayukihime (1973).)

Off topic maar te interessant om niet te benoemen: het bizarre leven van hoofdrolspeelster Zoe Lund. Zweeds-Roemeense achtergrond. Had zelf ook een verkrachting meegemaakt. Schreef scripts. Geloofde gepassioneerd in harddrugs. Ze werd dan ook niet oud. Op haar 37e stierf ze aan een hartaandoening door drugsgebruik. Bekijk hoe haar partner Robert Lund terugkeek op haar leven.

Dát leven wacht op een film. Misschien meer iets voor over een paar decennia. Dus de kans om nu alvast een nieuwe film avant la lettre voor de rage van morgen te maken.

 

16 augustus 2021

 

Das Milllionenspiel (1970)

 

 
Alle Camera Obscura

Journalisten in de ring

Journalisten in de ring

door Bob van der Sterre

Call Northside 777 ♦ Le Crime de Monsieur Lange ♦ Sbatti il mostro in prima pagina

 

Journalisten worden vaak heldhaftig geportretteerd, zoals in The Post. Dat is best vervreemdend voor mensen die echt met journalisten te maken hebben gehad. Ze zijn minstens even zo vaak onuitstaanbaar, cynisch en arrogant. Drie films die geen al te fraai beeld schetsen van het beroep.

In Call Northside 777 uit 1948 zien we journalist P.J. McNeal van de Chicago Times. Een cynische kerel. Een moordzaak die 11 jaar eerder plaatsvond en hij weet wel hoe het zat. ‘Ik heb de file gelezen en ze zijn hartstikke schuldig.’ Zijn chef wil dat McNeal toch de dader in de gevangenis opzoekt.

Onschuldig achter de tralies?
McNeal is de arrogante, sarcastische know-it-all, zoals we journalisten helaas maar al te goed kennen. ‘Als je schuldig bent, dan hoef je niet je moeder vloeren laten schrobben.’ Die met tegenzin schrijft over de human interest-factor, zoals: ‘Ex-vrouw gelooft in onschuld Wiecek’. Argument: ‘Met mass appeal en een sob story krijgen we aandacht!’

Wiecek is not amused en McNeal belooft dan pas echt onderzoek. Dat brengt hem in archieven van politiebureaus. Hij vindt gekke dingen. En gaat geloven in Wieceks onschuld.

Een soort Netflix true-crime drama avant la lettre. Wiecek was gebaseerd op de zaak Majczek in 1932. De vermoorde agent heette Lundy i.p.v. Bundy. En de Poolse wijk werd realistisch in beeld gebracht. Dit is ook de eerste Hollywoodfilm die helemaal in Chicago werd opgenomen. Geen gierende trompetten of scheurende auto’s, meer rustige suspense à la de films die Sidney Lumet later zou maken. Het gaat hier om puur onderzoekswerk met twee gedreven hoofdrolspelers (James Stewart en Richard Conte).

In het oog springen de mooie locaties: gevangenissen, politiebureaus, gettohuisjes en vooral de Poolse bars. De regie van de film is van Henry Hathaway. Hoewel hij groot werd met westerns, maakte hij in de jaren veertig aan de lopende band semidocumentaires in fictievorm. Dit was Hathaways vijfde film in deze stijl. Dat verklaart waarom de film niet zo noir oogt als veel andere films in die tijd; afgezien van de typische voice-over.

Hathaway had oog voor de hitech-dingen in 1948. We zien een schakelbord, een telex, een drukpers, een leugendetector (gloednieuw), een fotovergroting… En het maffe is dat hij na deze interessante film gewoon weer terugkeerde bij avonturenfilms en oorlogsfilms. Wie hem beter wil leren kennen: The Last Movie van Dennis Hopper gaat deels over zijn ervaringen met Hathaway.

Knollen voor citroenen
In Le Crime de Monsieur Lange (1936) komen we een ander journalistiek karakter tegen: bladenmaker Batala. Wat een karakter is dat! Batala accepteert voorschotten voor tijdschriften bij de vleet… maar levert ze zelden. Zulke mensen bestaan ook in de mediawereld: de mensen met een vlotte babbel die knollen voor citroenen verkopen.

Batala’s enige droom is een weekblad vol met true-crime verhalen. Het is nog niet van de grond gekomen, het geld wel al verbrast. Hij dempt leningen met andere leningen en manipuleert vrouwen voor zijn zaken. ‘Hij houdt van brunettes. Dus als je aardig wilt zijn, neem je de taxi en eh…’

Hij gebruikt ook meneer Lange om van een van zijn schuldeisers af te komen. Want die schrijft het westernverhaal Arizona Jim. Dat biedt commerciële mogelijkheden. ‘Stel je voor als Don Quixote Ranimax zou hebben kunnen slikken!’ Zonder overleg komt de pil in het verhaal voor – de enige reden dat Batala het blaadje uitgeeft.

Als Batala van het toneel verdwijnt, vinden meneer Lange en Valentine elkaar. ‘Mijn naam is Valentine.’ ‘De mijne Amedee.’ ‘Zullen we een keertje eten?’ ‘Goed.’ Ze besluiten om een coöperatie op te richten. Lang leve de gezelligheid van gelijkdenkenden! Het leven zonder baas bevalt iedereen uitstekend. De vraag is: komt Batala terug?

Een film die je best een paar keer kunt herzien. Soms zie je hier zelfs al de mozaïekstijl, veertig jaar voordat regisseur Robert Altman er bekend mee zou worden. Het socialistische ideaal van een coöperatie is best verrassend. En opvallend: de aardige hoeveelheid (geïnsinueerde) seks. Een film van Jean Renoir én een script van Jacques Prévert: dat is goud.

Acteurs zijn erg goed – Jules Berry is zelfs uitzonderlijk als de even irritante als charmante Batala – ik ken eigenlijk geen hedendaagse acteur die dit ook zo goed zou kunnen. Ook de vrouwen zijn hier heel goed, Florelle als Valentine en Sylvia Bataille in een bijrol als de verliefde Edith.

Niet alle kranten zijn nobel
De derde film móet wel een Italiaanse film uit de jaren zeventig zijn. In het spoor van La dolce vita zijn er begin jaren zeventig nogal wat mediaspeurders op celluloid vastgelegd. Il gatto a nove code (1971), La corta notte delle bambole di vetro (1971) en No il caso è felicemente risolto (1973). We kiezen voor Sbatti il mostro in prima pagina uit 1972, dat in het Engels net zo mooi klinkt: Slap the monster on page one.

Niet alle kranten en bladen zijn nobel. Vooral niet het Milanese dagblad Il Giornale. Dat is zo rechts als rechts maar rechts kan worden. Tijdens rellen van communisten vliegt er een molotovcocktail naar binnen. Hoofdredacteur Bizanti weet hoe hij dat moet misbruiken. Gauw nog even foto’s maken, dan pas blussen. En op pagina 1 uitleggen hoe dit de schuld is van de linksen.

Bizanti leert over de moord op een jong meisje. Een maagd bovendien. Hij manipuleert een oudere en psychisch instabiele vrouw. Daarna tipt hij de politie dat haar socialistische vriendje de dader is. Er volgen arrestaties. De krantenkoppen vullen zich dagelijks met beschuldigingen aan die ‘doorgeslagen’ socialisten. Het enige is dat Bizanti de jonge en ambitieuze journalist Roveda onderschat. ‘Je maakt hier een smerig beroep van.’ ’Oh, en welke beroepen zijn dan niet smerig?’

Deze film van Marco Bellocchio geeft de journalistiek verrassend realistisch weer. Redactievergaderingen waarbij iedereen even zijn zegje mag doen waarna de hoofdredacteur de knopen doorhakt. Het ruimte plannen voor artikelen, het belang van ‘boven de vouw’. Hoe kranten de waarheid sturen door redactionele keuzes. Daarnaast laat de film via verschillende locaties de krant van binnenuit zien.

De rol van de perssmiecht wordt voortreffelijk vertolt door Gian Maria Volontè. Ook deze cynische thriller past bij die andere toppers in Volontè’s loopbaan uit die tijd. En dan is dit nog niet eens zijn beste film… dat is Indagine su un cittadino al di sopra do ogni sospetto (zie Camera Obscura over prutsende agenten).

Gelukkig was Bizanti vooral een uitzondering. Hoe onuitstaanbaar journalisten soms ook zijn, ze onthullen dingen die anderen liever niet onthuld zien worden. En dat blijft bewonderenswaardig.

 

20 juli 2021

 

Sbatti il mostro in prima pagina

 
Alle Camera Obscura

Jaartallen

Jaartallen

door Bob van der Sterre

1871 ♦ 1984 ♦ 1. April 2000

 

Er is iets enorm stijlvols van een jaartal als filmtitel. 1917 was echt niet de eerste. Er zijn er véél meer. Zijn er ook minder bekende varianten? Ja dus.

Jaartallen en filmtitels: een gouden duo. Je ziet die vier cijfers en denkt: dat moet wel iets goeds zijn. Denk aan redelijk bekende titels als 1870 (uit 1972), 1900 (1976), 1941 (1979), 1984 (1984), 2010 (1984), 1969 (1988), 1939 (1989). Allemaal klassetitels.

Communes in Parijs
De eenentwintigste eeuw melkt het trucje uit: 2046, 1408, 1981, 2012, 2084, 1987, 1945, 1922, 1985, 2050, 1986, 3022, 1917, en nog veel meer. Zelfs series, zoals de Italiaanse serie 1992, 1993 en 1994. Er is nóg een serie genaamd 1994 en eentje genaamd 1986. En dan heb je tegenwoordig ook filmtitels met een jaartal erachter, zoals Wonder Woman 1984 en Blade Runner 2049.

Laten we beginnen met 1871 (oftewel 1990, immers jaar van opname).

In deze film kijken we naar het verhaal over de communes in Parijs. Wat dat was? Lees het hier terug. We volgen deze roerige Parijse jaren aan de hand van één theater. Dat begint met burleske shows en vrolijke komedies, afglijdt via oorlog ophitsende musicals en eindigt als basis van de lokale commune.

Een Britse aristocraat en een Schotse socialist houden intussen van dezelfde Franse vrouw, actrice en communestrijder. ‘Ik hou van haar.’ ‘Maar ik kan haar betalen.’ Wat wil zij?

Film van Ken McMullen is geen film die je voor het verhaal kijkt, maar voor de sfeer en de artistieke ambities, die verrassend goed lukken. Een film die theater en film mengt op een manier die ik niet vaak heb gezien. Het theater is hier zelf de hoofdrolspeler: hier komen alle karakters tezamen, vinden alle scènes plaats, zie je zowel het drama als de komedie, begint en eindigt de opstand. De film is ook in akten ingedeeld.

Interessant maar taalkundig wel tricky. Je hoort Engels, Frans en Duits door elkaar. Portugese actrices Maria de Medeiros en Ana Padrão spelen Franse vrouwen. Mannenrollen zijn Britten, uitgezonderd Fransman Dominique Pinon (bekend van Amélie) als Napoleon III. Film werd ook door Britten in Portugal opgenomen. Wat een chaos moet dat zijn geweest op de set! Je hebt er gelukkig geen last van bij het kijken.

Big Brother propageert de haat
In 1984 keren we terug naar de toekomst in 1956. Partijmedewerker Winston Smith krijgt te maken met toenemende irritatie over Big Brother. Die hem niet alleen tijdens werk in de gaten houdt, maar ook thuis, met een ‘telescreen’.

Als uitvlucht schrijft hij een dagboek. Big Brother propageert de haat (zoals haat-twee-minuten en de haatweek) naar eigen zeggen omdat de Euraziërs aan de poorten van hun fraaie Oceanië staan te rammelen.

Op een dag ontdekt hij dat een vrouw (Julia) hem leuk vindt. Zeer tegen de wensen van het ministerie van Liefde in gaan ze samen hokken, in een kamertje boven een antiekzaak. Winston wil strijden tegen Big Brother, en beseft op een dag dat zijn baas O’Connor dat ook wil. Via hem treden ze toe tot de ondergrondse. Dat is gevaarlijk, want Big Brother, en met hem de Thought Police, is overal.

De bekende 1984 van Michael Radford, uit 1984 zelf, met John Hurt, Richard Burton en Suzanna Hamilton, had een voorganger uit 1956. Film van Michael Anderson was zeven jaar na het schrijven van het boek gemaakt (1948, de laatste cijfers draaide George Orwell om voor de titel).

1984 uit 1984 is veel griezeliger. Meer aandacht voor set-design en grimmige details. Daar zien we al decors die we later gewoon zijn gaan vinden in films (green screens) en games. De psychologische stress uit 1956 was niet genoeg meer in 1984 (het jaar). Maar bij 1984 uit 1956 hoef je niet naar John Hurt te kijken (wel een solide Edmond O’Brien) en in 1956 was de oorlog maar tien jaar voorbij, Stalin maar drie jaar geleden overleden en stond het communisme nog niet op instorten – meer realistische angst dus.

Deze 1984 uit 1956 had trouwens twee eindes: een Britse en een Amerikaanse versie. Hoe dan ook zijn het begin en einde verrassend sterk (je ziet invloeden op diverse films, bijvoorbeeld A Clockwork Orange) en is juist het middenstuk waar iets te flinke stappen worden genomen. Nog een grappig feitje over deze film: waarom heet Winstons baas O’Connor in de ene film en O’Brien in de andere? Antwoord: omdat acteur Edmond O’Brien toevallig al zo heette.

Oostenrijkse toekomstvisie van 1952
En 1. April 2000, herinnert u zich die datum nog? Toen de Global World Union aan de macht was en Oostenrijk niet zelfstandig? Toen de Global World Union President persoonlijk in een vliegende schotel naar Oostenrijk kwam vliegen om de rebelse president in het gareel te brengen? En dat de president tijdens de rechtszaak die volgt diverse video’s laat zien over de geschiedenis van Oostenrijk.

We zien historische scènes met Maria Theresia, keizer Maximiliaan, het tegenhouden van de Turken. En dan alle Oostenrijkse evergreens: Mozart, wijn, walsen, volksliedjes. Ondanks alles blijven alle Oostenrijkers goedgemutst, positief en vrolijk. Topvolk!

Uiteindelijk is de Global World Union ook niet ongevoelig voor al die charme. De Oostenrijkse president is zo’n innemende persoonlijkheid en het volk zo zelfstandig en aardig. Al die gemütlichkeit!

Huh, welke krant heb ik niet gelezen? Nee, dit was de Oostenrijkse toekomstvisie van 1952. De Oostenrijkse overheid van toen vond de situatie met vier mogendheden belabberd. En bedacht deze nationalistische film om hun zaak te bepleiten. Anders dan ze dachten zou de Oostenrijkse onafhankelijkheid drie jaar na de film volgen (maar dat wisten ze toen nog niet)… Lees het boeiende verhaal over de productie van de film.

Het is wel echt een raaaaaare film… Neem hoe geschiedenis, toekomst en heden in deze film door elkaar lopen. Satirische sciencefiction als politiek middel, ongewoon. Michelinmannetjes als soldaten. Na 28 minuten doet een verslaggever reportage door in zijn horloge te praten (vroege smartwatches?). Pijnlijk: alle acteurs zijn gewoon Oostenrijkers, dus is de afgevaardigde van Afrika een blackface en de dame van Latijns-Amerika superwulps…

De propaganda zit de film in de weg. De film is oubollig, traag, gedateerd en veel té nationalistisch voor niet-Oostenrijkers, die hiermee juist overtuigd moesten worden (dacht ik?).

Toch blijft toekomst een raar ding – misschien vinden mensen deze film in 2121 weer geniaal. En natuurlijk heeft iemand al een serie bedacht met die titel…

 

12 juni 2021

 

1871

 
Alle Camera Obscura

Burgerwachten met vuisten

Burgerwachten met vuisten

door Bob van der Sterre

Badge 373 ♦ Un Condé ♦ Vigilante

 

Wat als de wet niet werkt? Dan ben je zelf maar rechter en beul tegelijk. Puik materiaal voor films en genoeg klassiekers in dit genre (Point Blank, Get Carter, Death Wish). Uiteraard zijn er ook een paar minder bekende films.

In Badge 373 uit 1973 wordt Eddy eervol ontslagen nadat hij een man van het dak laat vallen. Hij wordt barman. Zijn oude maat komt wat drinken. En wordt die avond vermoord.

Robert Duvall neemt wraak
Dat kan Eddy niet over zich heen laten gaan. Badge of geen badge (het laatste dus), hij wil weten zitten hoe het zit. Er is iets met een Puerto Ricaanse bende, geleid door een Puerto Ricaanse onafhankelijkheidsstrijder. En ene Sweet Williams, een twijfelachtige zakenman (doet ook in wapens), ook al van Puerto Ricaanse afkomst. Eddy moet hem te grazen nemen.

Robert Duvall speelt de hoofdrol in Badge 737, maar dat maakt deze film nog niet goed. Eerder het tegenovergestelde. Robert Duvall had er duidelijk geen zin in. Af en toe schreeuwt hij ineens heel hard om zijn twijfelachtige acteerwerk te compenseren.

De film overleeft alleen dankzij zijn cultreputatie. Dialogen zijn moeizaam. De film is gemonteerd alsof de editor met vakantie was. En al die onbedoeld hilarische che?-momenten. Dat hij met zijn linkerhand leert schieten (rechts zit in het gips). Dat de badguy zijn zonnebril niet afdoet zelfs als hij ’s avonds een hijskraan beklimt. Dat Duvall uit een raam springt en meteen in de Hudson belandt (praktisch). En hij kaapt een complete stadsbus om te ontkomen aan zijn belagers.

Mr. Egan alias Popeye een bekende karakternaam? Dat klopt, dat was een echte detective uit New York die de inspiratie was voor Doyle in The French Connection (1971). Betwijfel of hij ooit een stadsbus heeft gekaapt voor een achtervolging.

Franse Dirty Harry
In Un Condé (1970) loopt het ook allemaal de spuigaten uit met een paar brutale gangsters. Die werken voor misdaadbaas Tavernier en smijten Robert Dassa van het dak van zijn nachtclub. Zus Hélène Dassa neemt de nachtclub over. Ook zij wordt lastiggevallen door dezelfde gangsters, die haar meer dood dan levend achterlaten in de nachtclub.

Hélènes vriend Dan Rover (was bevriend met Robert) gaat met zijn maat Viletti als echte burgerwachten op zoek naar wraak. De gangsters moeten eraan! Ze pompen Tavernier vol lood. Dan begint de ellende pas. Want twee detectives (Favenin en Barnero) zitten ze achterna. Een van de burgerwachten schiet inspecteur Barnero neer. Dat vindt Favenin niet leuk. Hij gaat op een wraaktocht zonder weerga. ‘Weet je wat dit is?’ ‘Een silencer?’ ‘Ja, en daarmee ga ik je neerschieten.’ ‘Ik heb kinderen!’ ‘En Barnero? Hij had ook kinderen.’

Een clusterfuck van wraakcomplexen. De burgerwachten die achterna worden gezeten door een ‘tough cop’. Favenin hangt zelfs een man op in zijn badkamer om namen uit te slaan.

Vrijwel elk artikel over deze film noemt Dirty Harry, omdat je dit nauwelijks anders kunt zien dan een Franse Dirty Harry. Bouquets emotieloze blik maakt het heel intens en geloofwaardig, misschien wel geloofwaardiger dan de overdreven stoere rol van Clint Eastwood. Thuis is hij nog steeds de brave burgerman, die tevreden knort bij de gerechten van zijn vrouw. Pas ‘s avonds, als hij op stap gaat, verandert hij in een agent-beest.

De film (naar een boek van Pierro Lesou) is grof en intens. Steeds op onverwachte momenten. Met de sobere filmstijl (Yves Boisset, fan van Melville) komen die scènes wel aan. Je moet wel een beetje in de stemming zijn voor bot geweld van een typische ‘tough cop’. Want de martelscène was zo schokkend dat ie werd gecensureerd (en de Franse censuur was toch redelijk liberaal) en is pas sinds de blu-ray-release te zien.

Fabrieksarbeider pakt tuig
In Vigilante (1982) zien we het scum van de aarde: figuren die voor de lol de akeligste dingen uithalen. Zelfs betalen voor tanken, vinden ze onder hun niveau. Ze spuiten de tankeigenaar onder de benzine. Een vrouw die ze dan een klap geeft, staat meteen op een lijst om nog eens iets tegen te ondernemen. En dat gebeurt dan ook.

Fabrieksarbeider Eddie Martino, de man van deze moedige vrouw, krijgt geen genoegdoening via het recht. Hij wil het tuig terugpakken. Dan blijkt dat collega-arbeiders een ‘vigilantengroep’ zijn begonnen. Ze staan onder leiding van ene Nick. Die heeft al lang zijn ogen gericht op de hoogste baas in het wereldje: ‘Mr. T’ Stokes. Die verdient goed aan de ellende in deze New Yorkse wijken.

Ja, deze film gaat er goed in hoewel het plot op vakantie is. Pluspunten voor de vele geweldige locaties in Brooklyn en de Bronx. De film is dan ook van Bronx-New Yorker William Lustig, die ook al in Maniac (1980) oog voor zulke locaties had. Die slasherfilm is veel bekender dan deze film (mede door de remake uit 2012). Lustig (toen pas 25) bewijst dat je ook een normale filmloopbaan kunt beginnen als pornoregisseur, want dat soort films maakte hij hiervoor.

De film heeft minpunten. Robert Forster is de binnenvetter der binnenvetters. Die emotieloze acteerstijl paste beter bij de latere rollen die hij speelde (zoals Jackie Brown en Better Call Saul). Bij dit drama verwacht je toch wat meer emotie dan wat je nu ziet. Soms neigt de film ook wel naar geweldskitsch (doorzeven van auto’s in slow motion).

Vigilante is ook weer zo’n productie vol verhalen. Neem de acteur die Eddie lastig valt in de bajes: hij werd later echt veroordeeld wegens moord. De advocaat die te laat komt, was echt veel te laat voor de opnamen (ze hadden voor hem talloze hotels afgezocht). De auto-achtervolging, geïnspireerd door The French Connection, was gefilmd zonder vergunningen. Populaire salsazanger Willie Colon (gangster Rico) deed vooral mee voor de soundtrack.

En hoewel de film het goed deed, verdiende Lustig er geen cent aan. De producent ervan vluchtte in 1985 met het geld uit de VS. Door rechtszaken verloor Lustig er zelfs geld op.

Zo zijn er vast nog honderden gevallen. Je zou er bijna filmvigilant van worden.

 

9 mei 2021

 

Un Condé (1970)

 
Alle Camera Obscura

Archeologen die iets te diep graven

Archeologen die iets te diep graven

door Bob van der Sterre

L’etrusco uccide ancora ♦ Secret of the Inca’s ♦ El coyote emplumado

 

Dankzij films, games en boeken (zoals Lara Croft, Indiana Jones en The Mummy) leven we met de misvatting dat het beroep van archeoloog enorm spannend is. Best ironisch voor een van de saaiste beroepen ter wereld: graven, niet vinden, wel vinden, afstoffen, catalogiseren. Drie obscure films die het beroep ook al geen recht doen (want die films bestaan niet).

L’Etrusco uccide ancora oftewel The Dead Are Alive uit 1972 begint met serieus archeologiewerk. Draadjes spannen, een sensor uitrollen, een sonde laten dalen. Dan foto’s maken van een nieuwe Etruskische tombe.

Dode lichamen op Etruskische graven
De volgende dag liggen twee jonge mensen dood op (andere) Etruskische graven. Hun lichamen bebloed. Het meisje draagt schoentjes van de opera. Hun manier van liggen doet denken aan een van de foto’s van een muurschildering (sgraffito) in de tombe.

Een bont gezelschap heeft hier indirect mee te maken. Jason: de besnorde en bezonnebrilde projectleider, drinkt en heeft een psychiatrische geschiedenis. Dirigent Nikos Samarakis: leidt het orkest op dictatoriale wijze. Zijn vrouw Myra: had een affaire met Jason. Stephen: danshulp van het orkest. Bewaker Otello: molt dieren voor de lol. Leni Samarakis: officieel nooit gescheiden. En hun zoon en ladykiller Igor.

Meer lichamen worden gevonden. De politie vindt Jason verdacht omdat hij telkens in de buurt was. Waarom horen getuigen trouwens steeds een bepaalde opname van Verdi’s requiem?

De archeologie heeft een nuttige bijrol in de film. Vooral ruimtes vol oude Etruskische artefacten, die ook inderdaad in deze omgeving van Umbrië (Spoleto en Perugia) veel voorkomen.

Verder vooral veel heerlijke seventies onzin van regisseur Armando Crispino waar je op een onbedoelde manier kunt lachen. Een uitzinnige gay met poedels; een stoere alfaman met snor en pilotenzonnebril; een mensen hatende dirigent en zijn slaaf (‘Als je wilt dat ik je schoenen lik, doe ik dat’); een auto-achtervolging zonder enig nut voor het verhaal; hysterische flashback met uitbundige close-ups; en de typische giallo-opmerking ontbreekt niet (‘Het is vast het werk van een seksmaniak’).

Er is te weinig respect voor pulp. Het montagetempo ligt hier bijvoorbeeld erg hoog. Er zijn zoveel scènes in zo weinig tijd dat de montage soms genoopt werd tot (gedwongen) virtuoze overgangen tussen scènes. Daar kun je als beginnend filmer nog wat van leren, want hoeveel films zijn te traag voor woorden tegenwoordig?

En het wordt niet nog Europeser dan deze Duits-Italiaans-Joegoslavische productie, met acteurs uit al deze landen.

Inspiratiebron Indiana Jones
In The Secret of the Inca’s (1954) gaan we naar Cuzco in Peru. Harry Steele (Charlton Heston) is daar een soort combinatie van reisgids en oplichter. Het scheelt weinig of hij zou hier zelfs een crimineel zijn (alhoewel een vliegtuig stelen toch een vrij criminele daad is).

Tijdens zijn rondleidingen ontmoet hij de Roemeense Elena, steelt het vliegtuig van de Roemeense ambassademedewerker die naar haar op zoek is. Ze wil vluchten maar ze vliegen eerst naar Machu Picchu. Er is nog een enorme gouden plak nooit gevonden, weet Harry.

Toevallig zijn er net opgravingen op Machu Picchu. Maakt het vinden van de plak makkelijker. Alleen krijgen ze te maken met de onschuldige lokale bevolking en een dief waar Harry niet op had gerekend.

Een soort sarcastische oudoom van Indiana Jones, deze Harry Steele-rol van Charlton Heston. Vrouwen raken door de war door zijn combinatie van stoerheid en wittiness: ‘Als je je afvraagt hoe je gaat betalen zonder mijn gevoelens te kwetsen… vergeet het maar. Haal die biljetten er maar uit en begin te tellen.’ ‘Je bent niet timide hè.’ ‘Niet over geld. Geld zingt en ik hou van muziek.’

Het archeologische werk wordt hier gedaan door ene Moorehead. Hij opent de tombe en houdt zich netjes aan de spelregels. Dan zijn er nog de Andesbewoners, die in feite erfgenamen zijn van Machu Picchu, en toch aan projectleider Moorehead vragen: ‘Mag ik de tombe in om iets uit te zoeken, meneer Moorehead?’

The Secret of the Inca’s staat vooral bekend als inspiratiebron voor de Indiana Jones-films. Harry Steele draagt dezelfde leren jas, fedora, schoudertas, revolver. Je mist alleen de zweep. En de tombescène… Dit was de eerste keer dat Hollywood direct op een archeologische vindplaats filmde – iets wat deze film ook al gemeen heeft met Indiana Jones (Petra in The Last Crusade).

Toch is het een heel ander soort film. Indiana Jones is een actiekomedie, dit is een melodramatische romcom. Met een paar bonuspunten: zangeres Yma Sumac als Kori-Tica en een paar geestige dialogen. Wat minpunten ook: de Roemeense met een vet Frans accent (immers Franse actrice Nicole Mauray).

Wie heeft de echte coyote?
Van Peru door naar Mexico. In El coyote emplumado (1983) gaan de indianen María en opa Don Lupe naar Acapulco. Daar is een internationale archeologische conventie gaande. Zij willen daar hun regionale aardewerk showen.

Een bijzondere ‘coyote’ wordt geëxposeerd. Eentje die van 1.500 tot 850 voor Christus is gemaakt. De coyote is ‘enorm veel waard’, zegt archeoloog Villegas. Hij vermoedt dat bandieten het beeld willen stelen, verstopt het in een grote teddybeer en vraagt dan zijn oude vriend Don Lupo om een kopie te maken. Natuurlijk worden de kopieën en het origineel omgewisseld, en weet niemand meer wie de originele coyote heeft.

Aardig om te zien hoe de archeoloog enthousiast vertelt over de culturele waarde van het object: ‘De Mexicanen begrijpen er niets van, houden er niet van en interesseren zich er niet voor hun eigen cultuur.’

Verder is het vooral rennen en sjezen in deze als komedie bedoelde film. Het probleem is vooral dat het script niet echt grappig is. En nogal leunt op het gegeven van Ilf en Petrovs klassieke komische roman De Twaalf Stoelen. María moet alle kopers opsnorren en komt in allerlei kluchtige situaties terecht (parachute, zwembad, disco, hotel).

Wel boeiende beelden van de Mexicaanse cultuur begin jaren tachtig. De invasies van de Pizza Huts en Kentucky Fried Chickens beginnen. Ook het begin van de Mexicaanse georganiseerde misdaad. Die hier nog opereert met lachgas.

En ook frappant: María Elena Velasco die de hoofdrol van María speelt, regisseerde ook de film. De onhandige indiaanse vrouw met nasale stem lijkt op Mexploitation. Het doel was juist om de vooroordelen ten opzichte van indianen te laten zien. Dat doet ze ook met het (mannelijke) seksisme van de Mexicanen. Als de professor op het strand verlekkerd kijkt naar jonge vrouwen in bikini, kijkt María verlekkerd naar een groep mannelijke gewichtheffers.

María Elena Velasco’s typetje La India María wordt het meest succesvolle vrouwelijke filmkarakter in de Mexicaanse cinema genoemd. In de film Tonta, tonta, pero no tanto (1972) begon ze ermee en speelde het typetje in diverse tv-series en zestien films, waarvan ze er vijf zelf regisseerde. Ze overleed in 2015.

Er is ook een boek over La india María gepubliceerd. Het is even graven in de digitale bodems van het internet, maar dan vind je ook wat.

 

11 april 2021

 

El coyote emplumado

 
Alle Camera Obscura

Sport en misdaad

Sport en misdaad

door Bob van der Sterre

Delitto al circolo del tennis ♦ The Basketball Fix ♦ Pilkarski Poker

 

Geen duo dat je snel verwacht. Toch is er verwantschap. Denk bijvoorbeeld aan de film I, Tonya. Of aan matchfixing. Zijn er ook obscure voorbeelden?

In Delitto al circolo del tennis (1969) heeft Riccardo Dossi, een belangrijke zakenman, een affaire met een jonge vrouw, Benedetta. Zij is de dochter van een vriend van Riccardo. Allen weet hij een ding niet: dat zij bevriend is met Riccardo’s eigen dochter (Lilla) en háár vriend (tennisleraar Sandro). En dat zij drieën een smerig afpersingsplannetje hebben bekokstoofd met Benedetta in de hoofdrol.

Afpersing
Alle ellende begint bij een tenniswedstrijd van Riccardo. Bij de kledingruimte ziet hij Sandro een afpersingsbrief met foto’s in zijn zak stoppen. Sandro zegt ertoe gedwongen te zijn en hij wil Riccardo graag helpen. ‘Laten we de politie bellen!’ zegt hij als hij toch al weet dat Riccardo antwoordt: ‘Nee, ben je gek!’

Het gaat van kwaad tot erger als Riccardo het huis van de directeur van de tennisclub leent voor een date met Benedetta. Ze krijgt het opeens heet en sterft in Riccardo’s handen. Riccardo snelt naar zijn vakantiehuisje om daar depressief te zijn. ‘Zij hield van mij. Ik hield van haar.’

Benedetta’s dood was nep natuurlijk en de drie houden hem in de gaten vanuit een soort bunker. Ze persen hem af via de immer ‘hulpvaardige’ Sandro. Die stookt het vuurtje op: ‘Het is een misdaad, weet je, om een stoffelijk overschot te verbergen.’ De drie houden alleen geen rekening met het feit dat Riccardo houdt van wandelen en koekeloeren.

De film begint met prachtige sixtiesbeelden en fijne muziek. Plastic stoelen, gordijnreepjes, vette close-ups: we gaan er even goed voor zitten. Zoals andere critici al hebben aangekaart, ontvouwt zich daarna een kletsfilm zonder weerga. De boot van een soort Charade op zijn Italiaans is snel vertrokken, de boot voor uiterst langzame dialogen (inclusief uitzinnige close-ups) meert juist aan.

Pas bij het bizarre einde leeft het weer op. Wat een finale! De maffe soundtrack van Peter Chilton en Peter Smith zorgde er niet voor dat ze méér soundtracks gingen maken. Was dat jammer? Een goede vraag.

Basketballer
Méér sport en misdaad in The Basketball Fix (1951). Johnny Long is helemaal geen onaardige collegebasketballer. Integendeel: hij heeft talent. Sportschrijver Pete Ferreday koppelt hem aan coach Nat Becker. Zo deden ze dat vroeger.

Op een locatie waar hij bijverdient als zweminstructeur, ontmoet hij niet alleen Pat, een leuke dame, maar ook ‘zakenman’ Mike Taft. Die laatste weet wel hoe hij Johnny Long uit de geldzorgen moet krijgen: ‘Je krijgt 500 dollar voor als je wat punten mist.’ Shaving points in jargon.

Johnny bedankt maar het zaadje in zijn hoofd is geplant. Hij wil ook werk maken van zijn relatie, hoewel dat voor Pat niet eens nodig is: ‘Johnny… er zit geen prijskaartje op mijn hoofd.’ Hij twijfelt maar zijn vriend blijkt het ook te doen. ‘Het is niet alsof je de wedstrijd verliest, het gaat er alleen om dat je wat punten morst.’

Johnny gaat overstag en voor hij het weet is hij ‘een investering’ van Taft. Die beschermt die investering, zelfs als hij die zelfde basketballer moet laten afrossen. Het wordt een kwestie van nog een wedstrijd en dan nooit meer. Is dat een wedstrijd te veel?

Een basketbal-noir? De film noir-saus is in elk geval onmiskenbaar aanwezig: de gekwelde held, de karakteristieke voice-over en gangsters met regenjassen. Als dat al niet frappant is, zijn dat wel de compleet blanke basketbalteams; de erg uitbundige glimlach van Pat; de wallen onder de ogen van John Ireland; de moddervette moraal (‘Ga niet in zee met matchfixers’).

De film is verder redelijk voorspelbaar afgezien van een running joke: het karakter Lily (Hazel Brooks) dat alsmaar over astrologie begint. ‘Ik ben niet moeilijk, ik ben waterman.’ ‘Pardon?’ ‘Ik ben onder de vis geboren.’ ‘Oh.’ Zij is hier de komische noot, maar eentje die weinig geluid maakt.

Polen in 1989
In de Poolse film Pilkarski Poker (1989) zien we in feite hetzelfde gebeuren. Deze directeurs van Poolse voetbalclubs pakken het alleen wat grondiger aan dan Mike Taft. Via scheidsrechters bepalen ze uitslagen in de hele competitie. Een soort voetbalkartel.

Ze toosten op hun wanstaltige onderneming, waarbij scheidsrechters omgekocht worden met prostituees, wodka en geld. Wedstrijden worden meer op de tribunes en in vage hotels, bars en striptenten beslist dan op het veld.

Hun favoriete kop-van-jut is de naïeve scheidsrechter Jan Laguna (rol van Janusz Gajos, bekend van Trois couleurs: Blanc van Krzysztof Kieślowski). Iedereen neemt zijn moment om hem te manipuleren. Zelfs vriendin Irena.

Op zeker moment krijgt Jan in de gaten dat er iets vreemds gaande is. Uiteraard is hij net de scheidsrechter van een belangrijke wedstrijd. Wat beslist hij als een jonge speler die scoorde hem met pure voetbalogen aankijkt?

Je raakt nooit uitgekeken op de Poolse cinema van de jaren zeventig en tachtig. Al die uitstekende films, goed presterende acteurs, scripts die je verbazen en fraaie cameravoeringen. Voor deze film kreeg regisseur Janusz Zaorski zelfs echte voetballers zo gek om mee te doen en het verhaal is tamelijk spottend en volks en zal wel in Polen een bepaalde snaar hebben geraakt.

Het aardige van deze film is het portret van het Polen van 1989, dus tijdens het jaar dat de Berlijnse Muur viel (op 4 juni van dat jaar won Solidarność de verkiezingen). Een ‘provinciaal Polen’ nog volgens Zaorski, met ranzige trekjes. Zoals de man die in een bar in een teug een een achtergelaten glas wodka soldaat maakt. De asociale familie. De lompe stripbar. Seks in een auto op een parkeerplaats (je moet toch wat doen als je de tijd moet doden).

1989 was geen gelukkig moment om een film uit te brengen in Polen en de film liep z’n publiek mis. In 1993 werd de film ineens weer populair toen Legia Warszawa het kampioenschap werd ontnomen. Bij ieder nieuw schandaal piekte de aandacht voor de film. Zoals toen in 2005 het Poolse voetbal werd opgeschrikt door een serieus corruptieschandaal.

Pilkarski Poker is intussen een cultfilm geworden, vertelt regisseur Janusz Zaorski in een interview. ‘Er zijn weinig wedstrijden en goals. Wel veel achterkamertjes, kantoren van presidenten, geheime vergaderingen. In principe is dit een misdaadfilm.’

Een vervolg kwam er nooit van, tot spijt van Zaorski. Helemaal zonde in een tijd dat wedkantoren bijna op ieder voetbalshirt te zien zijn, en matchfixing een groter probleem is dan ooit.

 

13 maart 2021

 

Pilkarski Poker

Alle Camera Obscura

Acteurs in de hoofdrol

Acteurs in de hoofdrol

door Bob van der Sterre

The Shipwrecker ♦ Gypsy ♦ Rhinoceros

 

Hoezo acteurs in de hoofdrol? Hebben ze niet altijd de hoofdrol? Soms gaan films echt over de acteurs zelf. Zoals Being John Malkovich en The Congress (Robin Wright). De drie hieronder waren ook nog eens slachtoffers van McCarthy en de zijnen in de jaren vijftig.

In de Duitse film The Shipwrecker uit 1975 is Sterling Hayden de hoofdpersoon. De film speelt zijn kleurrijke geschiedenis na. Groot geworden in de scheepvaart. Daarna oorlog. Vocht naast de partizanen in Joegoslavië. Keerde terug als oorlogsheld. Interesse in de Joegoslavische politiek. Sloot zich aan bij de communisten.

Sterling Hayden-obsessie
Hollywood. Asphalt Jungle. Meer films. En dan, onvermijdelijk: de McCarthy-processen. Oftewel het comité dat ‘on-Amerikaanse praktijken’ onderzocht en (te) linkse acteurs werkloos maakte. Die processen vormen een ommekeer in Haydens leven. Hij moet namen geven, worstelt ermee, veracht zichzelf, eindigt depressief bij de psycholoog.

In de film zien we Sterling Hayden zelf niet. Zijn rol wordt gespeeld door drie andere acteurs. Alles in het Duits. Ondertussen vertelt een rondwandelende man een kleine biografie over Sterling.

Heel vaak denk je bij zulke films: hoe kom je op dit idee, hoe kom je aan het geld om het te maken en voor wie is het bedoeld? Regisseur Wolf Eckart Buhler kun je wel een Hayden-obsessie toeschrijven: hij maakte in 1983 nóg een film over Hayden, de documentaire Pharos of Chaos. Twee uur onsamenhangende interviews met Sterling Hayden op een aak in Besançon (want hij voer later in zijn leven alleen nog maar rond), waarbij Hayden permanent dronken en/of stoned was. Een bizarre kijkervaring.

De reden (vermoedelijk) van de film: er is een link met Duitsland. Links/rechts spelen in de Duitse geschiedenis ook een grote rol – zeker in die jaren. Jammer genoeg is de film niet zo spannend. Dit is een degelijke (en iets te langdradige) Duitse productie. Dat maakt het ook wel maf want met de VS of Sterling Hayden heeft het allemaal weinig te maken.

Musical over danseres
Niet alleen mannen vonden ze gevaarlijk bij de McCarthy-processen. Eigengereide vrouwen met ‘gevaarlijke’ linkse sympathieën ook. Bijvoorbeeld de burleske danseres Gypsy Rose Lee. Zij was met afstand de meest beroemde burleskedanseres in haar tijd.

Gypsy Rose Lee schreef een autobiografie over haar leven: Gypsy, dat met haar hulp werd verbroadwayd en in 1962 verfilmd. De film toont in musicalvorm haar leven. Dat begint met haar moeders passie voor toneel en vaudeville. ‘Ik wil dat de meisjes een leuk leven kunnen leiden, kunnen rondreizen, wat ik ook altijd had willen doen.’ Is dat de droom van moeder of van de kinderen? Dat boeit haar niet zo.

Van de twee dochters (June en Louise) heeft alleen June echt talent voor het toneel. Maar die kiest voor haar eigen burgerlijke leven. Louise (Natalie Wood) moet de dromen voor moeder waarmaken. Een probleem: er is geen vraag meer naar vaudeville. Zo rollen ze het wereldje in van burlesketheater. Louise ziet er zelf wel de lol van in.

Lekker romantisch genieten van het brave verhaal met sfeer inkoppende musicalliedjes en theateroptredens! De film draait op de acteerpower van Rosalind Russell als moeder (bekend van His Girl Friday). Een vrouwenfilm bovendien, mannen hebben alleen bijrollen.

Met de werkelijkheid had deze film weinig te maken. Rose Lee had zelf al veel verzonnen (zoals het karakter Herbie). Tegelijk was de film ook wel gekuist. Je mist veel interessants. Bijvoorbeeld dat ze een humoristische stripteasestijl had bedacht, affaires had met een aantal beroemdheden (zoals Otto Preminger, vader van haar zoon Erik), kunstwerken cadeau kreeg van bewonderaars (Picasso, Miró en Max Ernst), worstelde met haar hebberige moeder, en haar eigen talkshow kreeg. Daarnaast had ze een uitgesproken linkse politieke mening (ze bezocht meetings van het Communist United Front) en kwam daardoor op de zwarte lijst van McCarthy. Rose Lee was zelf ook niet zo tevreden over de film.

Een geestige en zelfstandige vrouw die dingen zei als: Men aren’t attracted to me by my mind. They’re attracted by what I don’t mind. Er ligt trouwens nog steeds een kans om een remake te maken van haar smeuïge detective uit 1943 (The G-String Murders). Waar wachten de mensen in Hollywood op!

Zero Mostel
Ongeveer tien jaar later (1974) werd Rhinoceros gemaakt. Daarin zien we dat John en Stanley voor lunch hebben afgesproken in een restaurant. Dandy John probeert de drinkende Stanley op te voeden. ‘Ik weeg meer dan jij maar ik voel me zo licht als een veertje.’

Opeens is er herrie buiten. Een rinoceros dendert door de wijk. Stanley is de enige die niet gaat kijken. John verwijt hem apathie. ‘Een rinoceros rent over straat en je knippert niet eens met je ogen. De misdaad van de tijd waarin we leven!!’

Een paar dagen later gaat Stanley naar werk. Daar komt ‘meneer Bingham’ binnen als een rinoceros en sloopt het kantoor. ‘De ergste tijd om meneer Bingham te verliezen. Net voor de belastingen.’ De een na de andere persoon verandert in een rinoceros.

Rhinoceros (naar het toneelstuk van Eugène Ionesco) is geen eenvoudige film om te zien. Je moet hardcore van absurdisme houden om dit te waarderen. Een logisch verhaal is er niet. De film is op zijn mafst als Zero Mostel langzaam van een dandy in een rinoceros verandert. Hij speelde deze rol al talloze keren op Broadway en was dus goed ingespeeld. Vandaar ook de scherpe dialogen met toneelkwaliteiten: ‘Doe eens wat aan cultuur! Heb je wel eens een toneelstuk gezien van Eugène Ionesco?’

Geen biografie van Zero Mostel natuurlijk, maar er is toch wel een link. Want Mostel was juist zo aan het theater verbonden geraakt omdat hij werkloos was geworden als filmacteur in de jaren vijftig en begin jaren zestig. Uiteraard weer door die McCarthy-processen. Anders dan Sterling Hayden noemden hij geen namen en bespotte hij het comité met hun ‘waarheidsvinding’.

Met het winnen van een toneelprijs voor zijn rol in Fiddler on the Roof halverwege de jaren zestig eindigde zijn paria-status in Hollywood. Daarna domineerde hij met zijn bijrollen zowat alle films waarin hij speelde… The Producers, A funny thing happened on the way to the forum, Fiddler on the Roof, The Front en dus Rhinoceros. Zijn theatrale bewegingen, mimiek en stem waren goud waard voor comedy.

Zijn strijd met zijn vervolgers past helemaal bij het thema van deze film: als de massa te groot wordt, verplettert die jouw individualiteit. Zo werden hij, Sterling Hayden en Rose Lee verpletterd door de rinocerossen van hun tijd. En zo waren er velen met hen!

 

16 februari 2021

 

Gypsy

 
Alle Camera Obscura

80’s kitsch!

80’s kitsch!

door Bob van der Sterre

Hard Ticket to Hawaii ♦ Night of the Comet ♦ Mauvais Sang

 

Geen decennium in de twintigste eeuw wist zijn kitsch zo goed uit te buiten als de jaren tachtig. De verwijzingen naar die tijd zijn nu ook alom (denk aan Kung Fury, Gareth Marengi, Wonder Woman 1984), maar de jarentachtigkitsch is veelzijdiger dan je had gedacht.

In Hard Ticket to Hawaii (1987) kijken we naar twee zeer luchtig geklede dames van Molokai Cargo (waarvan een ook nog voor de geheime dienst werkt). Op een dag stuurt een maffiabaas een mini-helikopter naar het eiland. Daarin: een doosje met diamanten. Twee DEA-agenten worden vermoord. Een besmette slang ontsnapt.

De beste B-film aller tijden
De dames veroveren de diamanten maar moeten ze al snel uit handen geven. De criminelen en smokkelaars hebben weinig moeite met moorden. Dat betekent dat het oorlog wordt op dit eiland. Echt haast hebben de agenten daarbij niet. Er is altijd tijd voor seks en surfen.

Wie bij het horen van de naam Andy Sidaris begrijpelijk knikt, moet wel houden van pulp en cult. Waarom anders zou je Sidaris-films kijken? Malibu Express in 1985, deze in 1987, Picasso Trigger in 1988, Savage Beach in 1989, Gun in 1990 (en hij ging door tot 1998).

Normaal zeg je dat iemand iets goed fout doet, maar Sidaris deed het fout goed. Hard Ticket to Hawaii is de guilty pleasure van elke 80’s kitschfanaat. Rondborstige vrouwen die in de jacuzzi springen want ‘daar kan ik beter nadenken’. Een toxische slang (inclusief de arm in de slang). Frisbee met scheermesjes. Het toppunt: een huurmoordenaar al schietend op een skateboard met een sekspop in zijn handen. Die moet je gezien hebben om te geloven. Voeg daarbij dialogen van het niveau The Room: ‘De droom van de een, is de lunch van een ander.’

En dat met de zéér tijdsgebonden muziek van Gary Stockdale. Geen parodie, hoewel je dat misschien wel denkt als je naar deze score luistert, een soort waterige blend van Phil Collins en Tina Turner.

Toch moet de kliek rondom Andy Sidaris en zijn vrouw producer Arlene Sidaris het gezellig hebben gehad. Ten eerste zijn al deze films een soort vervolgverhaal (ze wijzen in deze film naar de filmposter van Malibu Express). Dona Speir speelde bijvoorbeeld zeven keer Donna, Hope Marie Carlton drie keer Taryn, Cynthia Brimhall zes keer Edy. En Rodrigo Obregon – de man die hier niet aan truien doet – speelde vijf keer in verschillende rollen.

Speir was permanent dronken in deze film maar kreeg toch een herkansing van Arlene Sidaris en liet die niet liggen. Zo’n soort familie was het. Liefhebbers noemen deze film zelfs Sidaris’ meesterwerk. Hijzelf overleed in 2007 en maakte niet meer mee dat de film in 2014 ‘de beste B-film aller tijden’ werd genoemd.

Parodie in de film zelf
In Night of the Comet uit 1984 draait het niet om een komeet, niet om zombies en niet om het last-man-standing-thema… Dat moet je er duidelijk bij zeggen omdat er een komeet valt, zombies rondlopen en een aantal mensen de laatsten op aarde zijn.

Als de komeet op aarde knalt, verpulvert men in zand. Behalve de mensen die waren beschermd door staal. Zoals de twee ‘valley girls’. Anderen waren half beschermd en raken langzaam hun mens-zijn kwijt. Zoals de bende in een warenhuis. En een groep wetenschappers. Die laatste probeert de overlevenden op te sporen om ze te ontdoen van hun bloed, dat ze nodig hebben om te blijven leven.

Vergis je niet: Night of the Comet heeft van dat acteerwerk en die dialogen die aan Ed Wood doen denken. ‘Who wants to eat a dead cat?’ ‘Beats the hell out of me!’ De totale nonchalance over de hoeveelheid doden in deze wereld. De maquettes… Het budget voor de film was niet veel. Vandaar dat de schitterende zin over een weigerend wapen: “See that’s the problem with these things, Daddy would have gotten us uzi’s,” echt geïmproviseerd is.

De kracht van de cultfilm van Thom Eberhardt is dat de 80’s al geparodieerd lijken te worden in de film zelf. Haar: 80’s kitsch op zijn best. Muziek: de film is een 80’s playlist met een film eronder. Kleding: kauwgom kauwende cheerleader en man die mouwen van jasje opstroopt. Een soort foto-opname van de kitsch van dat moment. Iemand zei over de film: ‘Het loopt niet voor op zijn tijd, maar ook niet achter.’

Je ziet hier overal de roze, rode en paarse neon-tl-buizen die je associeert met hedendaagse parodieën op de 80’s films. De badkamer, radiostudio en het warenhuis zijn grandioze 80’s locaties.

En de maatschappijkritiek kan natuurlijk niet missen. Denk aan details als de foto van de Kennedy’s die ergens van de muur valt, of de sneer naar ‘een denktank’ die een winkelcentrum een monument van consumentisme noemt. 80’s kitsch met maatschappijkritiek!

Pretentieus en poëtisch jasje
Van weer een heel andere slag is Mauvais Sang (1986). Deze film van Leos Carax is de artistieke broeder in de 80’s kitsch-familie, maar in een pretentieus en poëtisch jasje.

Alex doet een crimineel klusje van de ex-zakenpartner van zijn overleden vader. Die man, Marc, heeft mot met ‘de Amerikaanse’, een oudere vrouw. Ondertussen ontmoet hij zielsverwant Anne en wordt hoteldebotel.

Mauvais Sang is een van de bekendste voorbeelden van de 80’s stroming cinéma du look. Dus veel stijl, kleur, armoedige karakters, beklemmende liefdes. Met met name een passage bleek memorabel: als je plotseling Modern Times van David Bowie hoort en Alex op een uitzinnige manier over straat loopt en rent.

De film is een soort intellectuele legpuzzel. Met veel stukjes te leggen. Het vaak vreemde acteerwerk (Juliette Binoche, Denis Lavant), de artistieke shots (mensen van achteren gefilmd, soms half in beeld), de opvallende kleuren (rood en blauw), de overdadige belichting (met veel schaduwen), de muziek (David Bowie, Serge Reggiani, Prokofjev), de symboliek (de kruisen, de dubbelgangers), de voice-overs.

Veel boeiend beeld, maar emotioneel raakt er niet veel. Leos Carax was rond de 25 toen hij deze film maakte (zijn tweede). En dat zie je hier ook terug: een eigenzinnig talent dat zich erg graag wil bewijzen. Dat gaat wel een beetje ten koste aan de karakters en het verhaal, die nu weinig voorstellen, en dat laat de film leeg aanvoelen.

Pretentieuze kitsch of een meesterwerk? Iedereen zal hier een andere mening over hebben. Maar Cinéma du look bewijst opnieuw dat 80’s kitsch veelzijdiger is dan je denkt.

 

12 januari 2021

 

Hard Ticket to Hawaii

 
Alle Camera Obscura