Camera Obscura Special: Tokio in de cinema

Camera Obscura Special:
Tokio in de cinema

door Bob van der Sterre

Tokio is de meest in cinema voorkomende Japanse stad. Denk aan films als Lost in Translation of Enter the Void. Hoe zit het eigenlijk met de Japanse films zelf? Na Parijs, New York en Londen is dit de vierde aflevering over cinema in een wereldstad.

Het vreemde is dat als je aan mensen vraagt om een film die zich in Tokio afspeelt op te noemen, je vaak titels van westerse films hoort. Van Fast and the Furious Tokyo Drift tot Bill Murrays Japanse whisky-reclame in Lost in Translation; van Gaspard Noé’s Enter the Void tot James Bond-vehikel You Only Live Twice. Hedendaagse Hollywoodfilms gebruiken geregeld Tokio als achtergrond in actiefilms.

Early Spring (1956) - de beste en mooiste films in en over Tokio

Geen wonder: westerse regisseurs voelen zich al heel lang aangetrokken tot Japan en de Japanse hoofdstad. Wim Wenders maakte de documentaire Tokio-Ga over regisseur Yasujirō Ozu. Resnais maakte een portret van post-oorlog-Japan in Hiroshima mon amour. Deze liefde voor Japan bestond al voor film bestond.

Toch zal het opnoemen van een Japanse film die zich daadwerkelijk in Tokio afspeelt, geen abc’tje zijn. Een hulpmiddel is dat de stad zelf vaak in een titel voorkomt. Je zit wel goed als je iets roept als Tokyo Story, Tokyo Decadence, Tokyo Godfathers, Tokyo Zombie, Tokyo Drifter, Tokyo Family, Tokyo Twilight, Tokyo Fist, Tokyo Taxi, Tokyo Emanuelle, Tokyo Sonata, enz… Want dit zijn allemaal bestaande films.

We zien alleen niet altijd even veel van Tokio in die films. Hoe dat kan? Geen traditie van er-op-uit maar een traditie van drama’s die zich indoor afspelen. Veel epische samoeraifilms over vroegere tijden. Een dominant studiosysteem. En een hang naar de romantiek van het Japanse platteland (zinderende hitte & gezoem van krekels).

Dan is er nog de vraag: wát is Tokio? Als agglomeratie telt het een onwaarschijnlijk aantal van 37 miljoen inwoners (de stad zelf telt er ongeveer 14). Met wijken die voor de meeste mensen – waaronder ondergetekende – net zo onbekend zullen klinken als ‘Watergraafsmeer’ voor een doorsnee-Japanner. Daarom is het handig om dit kaartje op Wikipedia erbij te houden, met de 23 wijken waar Tokio in onderverdeeld is.

Let op: dit zijn geen recensies of analyses van films. Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

Dit artikel is gratis. Graag hoop ik dat de lezer zich als tegenprestatie wil opgeven voor de nieuwsbrief, of zich verdiept in culturele longreads.

 

Une rue à Tokyo (1897)

Une rue à Tokyo (1897): Flashback naar 19eeeuws Tokio

Locatie: Ginza (Chuo)

1 minuut. Zo lang duurt dit shot van een straat in Ginza, het centrum van Tokio.

We zien riksja’s met en zonder reizigers de cameraman passeren. Een riksja ontlaadt de reiziger pal voor de camera. Twee jongemannen komen het beeld ingelopen. Een jongeman probeert een appel (?) af te pakken en na een kleine pirouette lopen ze van de camera weg. De man met de riksja draait linksom en gaat uit beeld. Een paar mensen staren naar de filmer.

Dit filmpje van Constant Girel moet toch op zijn minst voor een deel afgesproken werk zijn geweest (waarom anders zou die riksja stoppen pal voor de camera…). Girel maakte de film in 1897 voor de broers Lumière. Hij filmde de wijken Nihombashi & Ginza (Chuo op de kaart) en legde daar de cultuur vast in een paar films. Veel dansers en acteurs.

Gabriel Veyre verving Girel bij de tweede trip. Samen maakten ze 18 films over Japan voor hun opdrachtgever, Lumière.

Japan was er vroeg bij in de cinema. De eerste Japanse opnamen werden in 1898 gemaakt door Shiro Asano, die in Tokio werkte bij camerawinkel Konishi (later Konica). Hij maakte in dat jaar een van de oudste horrorfilms ter wereld: Resurrection of a Corpse, naar een verhaal van Ejiro Hatta. De film is net als veel andere vroege Japanse films verwoest door óf de aardbeving van 1923 óf de bombardementen in 1945. De eerste Japanse speelfilm is Pistol Thief uit 1899.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=61UTjPmli2U
Meer lezen: https://betweenmovies.com/movie/constant-girel-au-japon-1897-1898/ en https://psychocinematography.com/2020/05/29/from-hero-to-violator-an-introduction-to-pre-war-jidai-geki-cinema-part-1/

 

Japan of Today (1915)

Japan of Today (1915): het Japan van 100 jaar geleden 

Locaties: divers

De film Japan is Today is een documentaire-achtige productie van het New Yorkse bedrijf Post Pictures. De film beschrijft een reis door Japan in 1915 in 15 minuten. We zien bezienswaardigheden, mensen en gewoontes. Een film vergelijkbaar met een item voor een tv-programma over reizen vandaag de dag. Maar dan het hele land in een kwartier.

Deze beelden fascineren je na een eeuw nog meer. Je kunt ook kiezen voor een korte, opgepoetste versie met geluid van YouTuber Guy Jones, die de beelden van Tokio nam als onderwerp. Deze beelden van Tokio zijn gerestaureerd door ons eigen Eye filmmuseum.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=uuoFKrdQ2TQ

 

Tokyo March (1929)

Tokyo March (1929): tobbende geisha 

Locaties: onbekend

‘Tokio… stad van cultuur en vooruitgang, maar ook van misdaad en ranzigheid…’ Zo begint deze zwijgende film veelbelovend. Daarna trakteert het ons op de hustle and bustle van Tokio van de jaren twintig. En de sociale ongelijkheid. De een speelt tennis op een tennisbaan, een ander woont in een sloppenwijk eronder.

De wees Michiyo is haar baan in de fabriek kwijt. Zou ze dan maar geisha moeten worden? Haar overleden moeder geeft een opmerkelijke tip in Michiyo’s droom: ‘Word nooit verliefd maar leer mannen te verleiden.’ Dat moet wel in je zitten. Ze wordt geisha (Orie is haar nieuwe naam) en de zoon van de rijke Fujimoto valt voor haar.

Deze dramatische film – er wordt flink wat gehuild en gesomberd –  van Kenji Mizoguchi oogt onevenwichtig. En dat is niet raar. Deze versie duurt een half uur, terwijl de film oorspronkelijk anderhalf uur duurde. De beginbeelden blijven desondanks subliem. We zien een aantal mooi gemonteerde beelden van Tokio vanuit vogelperspectief, afgewisseld met beelden van lopende schoenen. En de Tokiose trammetjes die we nog vaker in films tegenkomen. Ik vraag me af of nog meer expressionistische parels van Tokio verborgen waren in deze film.

Mizoguchi maakte aanvankelijk veel lopendebandwerk maar de regisseur bleek een echte groeier. Zijn films werden steeds subtieler en gevoelsvoller. In de jaren vijftig zou hij in Europa prijzen gaan oprapen. Deze film had een maatschappijkritisch hart en past in de films met een linkse, bijna communistische handtekening die eind jaren twintig in de mode waren. Die zag je zowel bij de gendaigeki (moderne tijd) en de jidaigeki (historische films over het Edo-tijdperk).

Dat films uit deze tijd zich vooral in Tokio en Kyoto afspeelden, is geen toeval. Omdat de grote studio Nikkatsu in beide steden studio’s gebouwd, waren Tokio én Kyoto dé steden van de Japanse filmgeschiedenis. Kyoto voor de oude films en Tokio voor de moderne films. Lees meer hierover in het boek What is Japanese cinema? van Inuhiko Yomota.

Uiteindelijk zou Mizoguchi maar liefst 99 films regisseren en dat is een prestatie voor een man die maar 58 werd.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=HdDC0Bs4fvw
Meer lezen: https://japanonfilm.wordpress.com/2018/08/09/tokyo-march-1929/

 

Street Without End (1934)

Street Without End (1934): het dramatische leven van een serveerster 

Locatie: Ginza (Chuo)

Sugiko, serveerster in een bar, is populair bij mannen. Een zakenman krijgt een date met haar. Ze ontvangt ook een aanbieding om in een film te spelen. Het geluk lacht haar toe.

Een aanrijding verandert dat allemaal. De zakenman keert terug naar zijn geboortedorp en zij trouwt met de aanrijder, die spijt heeft. De moeder en zus van de aanrijder vinden Sugiko maar zo-zo. Intussen wordt haar vriendin wél een filmster en krijgt zij wel een fijne relatie met de struggelende buurman-kunstenaar.

De film is een mooi gefilmd drama over jonge vrouwen in de toen rap modern wordende Japanse maatschappij. Geld maakt en breekt je bestaan. Als je actrice kan worden, helpt je dat enorm vooruit. Ze zitten hier, zoals een recensent schreef, precies tussen moderne tijd en traditie in.

Een review op IMDb legt uit dat de film van alles twee heeft: twee aanrijdingen, twee actrices, twee rijke mannen, twee keer wordt het lot gekraakt… Daarmee doet deze film aan twee films denken die veel later werden gemaakt: Mulholland Drive en Blind Chance.

Opvallend is ook de filmstijl. Regisseur Mikio Naruse stopte diverse trucs in zijn laatste zwijgende film (in Japan werden langer zwijgende films gemaakt dan elders). We beginnen al met een paar prachtige buitenscènes van de levendige wijk Ginza (dezelfde wijk waar Girel de eerste film van Tokio maakte). We kijken naar een tram en zien dan beelden van winkelstraten vanuit een rijdende auto. De film is beweeglijker dan je zou verwachten.

Daarnaast zie je subtiele scènes, zoals de film in de film, waarbij een schaakbord heen en weer wordt gegeven, of de zwevende hoed bij de crash. Voeg daaraan toe dat Naruse – van wie Akira Kurosawa even een assistent was – vermoedelijk ook door Ernst Lubitsch is geïnspireerd tijdens deze film, en je hebt een melodrama dat het gemiddelde ruim overstijgt.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=gD82MuoOcI0
Meer lezen: https://www.criterion.com/films/27548-street-without-end

 

One Wonderful Sunday (1947)

One Wonderful Sunday (1947): Kurosawa in naoorlogs Tokio 

Locaties: Ueno Park (Taito), Ginza (Chuo) en Yurakucho (Chiyoda)

Tokio 1947. Je vindt er vooral ruïnes waar je honkbal in speelt. Een koe met wagen die langshobbelt. Yuzo is somber over zijn lot, Masako blij. ‘Laat maar aan mij over. Het is een prachtige zondag.’ ‘Dromen vullen je maag niet.’ ‘Je had ook dromen voor de oorlog.’ ‘De oorlog vernietigde die droom. Ik heb het gevoel dat ik alles stuk moet slaan.’

Waar vind je een betaalbaar huis? De verhuurder raadt zijn eigen huizen af. Een oude maat uit het leger heeft geen tijd voor je. Je krijgt beledigingen naar je kop geslingerd. ‘Je bent alleen maar een ex-soldaat, niet beter dan ieder ander.’ In de dierentuin kijken ze naar het giraffenverblijf: ‘Wat een mooi huis.’ ‘En met centrale verwarming!’ Het enige wat ze vinden is een lekkend huisje. Maar soms ligt ook geluk op de loer. Een slechte, dure koffie geeft weer hoop aan het tweetal.

Deze vroege film van Akira Kurosawa mengt studiobeelden met buitenscènes. De stad, een dierentuin, een theater. Binnenstad en buitenwijken. Hier en daar komen ruïnes langs (namaak). Bekijk deze website voor de voor-en-na-beelden.

Kurosawa liet zich net als veel andere filmmakers toen inspireren door het neorealisme van De Sica’s Ladri di biciclette. Het loste twee problemen op: dat studio’s in veel steden kapot waren en dat er weinig geld was om films te maken. En het bracht de nodige vernieuwing in de cinema.

Daarnaast hadden Japanse filmmakers na de oorlog te maken met eisen van de nieuwe machthebbers: de Amerikanen. De film oogt ook wel een beetje als de Amerikaanse romantische komedies uit die tijd. Kurosawa’s script is gebaseerd op D.W. Griffiths Life is Wonderful. Soms doet het denken aan It Happened One Night van Frank Capra. Kurosawa stond sowieso bekend als de meest ‘universele’ van de Japanse regisseurs.

One Wonderful Day moest ook in de VS een succes worden. Dat lukte niet. Daarvoor was de film te somber en het einde zal commercieel ook niet geholpen hebben, omdat Kurosawa een filmtaboe aan zijn laars lapte. Dat is jammer. Want het is een mooi geschoten, menselijke film over het hebben van verbeelding in crisistijden. Een paar shots steken er bovenuit. De rijke mensen versus de ‘sloebers’ in de spiegel. Het jochie in lompen dat bij de spoorlijn hangt. De dialoog in de ruïnes van Tokio. En de out of the box-lunchplek in buizen die klaarliggen om in de grond te gaan.

Kurosawa werd later beroemd maar maakte ook verdienstelijke films in deze periode. Wil je actie, dan kun je beter Stray Dog (1949) erbij pakken. Een film noir van Kurosawa met aardig wat straatbeelden van naoorlogs Tokio. Vooral van de wijk Yodobashi (Taito). Maar ook een honkbalwedstrijd en een dansvoorstelling. Kurasawa’s Drunken Angel – een gangsterdrama – is ook een portret van post-oorlog Japan. Voor humor kun je terecht bij Five Tokyo Men (1945) van Torajirô Saitô.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=3kxAwYvgrAo
Meer lezen: https://kurosawainreview.blogspot.com/2009/05/one-wonderful-sunday-1947.html

 

House of Bamboo (1955)

House of Bamboo (1954): Amerikaanse blik op Tokio 

Locaties: Yokohama en Anakusa (Arakawa)

Eddie Kenner gaat opzichtig te werk met afpersen van kleine bedrijven. Al snel wordt hij binnengehengeld door de bende van Amerikaanse ex-soldaten, onder leiding van Sandy Dawson. Die plegen overvallen. Ze plunderen bijvoorbeeld een trein met Amerikaanse munitie. En ze hebben een regel: als een bendelid gewond raakt bij de overval, schieten ze diegene ter plekke dood.

Ze weten niet dat Eddie eigenlijk militair agent is. Hij krijgt steun van ‘kimono girl’ Shirley, een Japanse vrouw die getrouwd was met de Amerikaan wiens identiteit hij gebruikt. Er volgen meer overvallen. Eddie moet voorzichtig zijn.

Sam Fullers House of Bamboo was een remake van The Street with No Name uit 1948 en doet een beetje denken aan Donnie Brasco, met Robert Ryan als Al Pacino. Een misdaadverhaal als vele andere maar die wel grossiert in buitenlocaties van Tokio. En dat in Technicolor!

De film staat op YouTube en het is de moeite waard om deze fraaie reeks beelden mee te kijken (na 10 minuten in de film). Dat begint bij het theaterdistrict Anakusa, als Eddie lomp een kabuki-repetitie onderbreekt. Van de kleurrijke kabuki-repetitie holt Eddie langs de houten huisjes en boten bij de Sumida-rivier. Het spreekt voor zich dat die niet meer bestaan. Later zien we nog het grote Boeddhabeeld van Kamakura; Tokio centrum van bovenaf (trams en bussen) en het amusementspark op het warenhuis Ginza Matsuya. In die tijd was er nog nauwelijks hoogbouw, dat kwam pas de volgende decennia.

Fuller gebruikte verborgen camera’s om het stadsleven vast te leggen. Hij deed het meeste zonder vergunning. Hij had ook wel oog voor de gespannen verhouding tussen Amerikanen en Japanners in die tijd. (Wat historische context: in 1945 werd Tokio gebombardeerd door de Amerikanen. Bij een tapijtbombardement in maart 1945 vielen meer dan 100.000 slachtoffers. In 1945 namen de Amerikanen de leiding over. Dat eindigde in 1952. Deze film toont ook hoe de Amerikaanse militaire politie nauw samenwerkt met de politie in Tokio om de (Amerikaanse) criminelen te pakken te krijgen.)

Bij films van Sam Fuller kun je altijd wel een paar gedurfde, ongewone scènes verwachten. Eddie die tot afgrijzen van Shirley zijn ontbijt in bad consumeert bijvoorbeeld. Er is nog een andere bizarre badscène waar diverse critici zich over verwonderd hebben. Het liquideren van een van de gangsters is een bruut beeld.

Grootste minpunt is hoe duidelijk de film bedoeld was voor de Amerikaanse markt. De Japanse cultuur wordt met de westerse pet op bekeken. Zoals hoe alle vrouwen in kimono’s rondlopen en westerlingen alleen maar Engels praten. Mount Fuji is de hele film op de achtergrond aanwezig als een filmische ansichtkaart.

Er is bijna geen groter contrast mogelijk tussen Sam Fullers drukke, kleurrijke film en de ingetogen zwartwitfilm Tokyo Story van Yasujirō Ozu uit 1953. In Ozu’s beroemde film zien we een heel beleefd generatieconflict. De oudere generatie merkt dat de nieuwe generatie het vooral druk heeft. ‘Je mist je kinderen als ze niet in de buurt zijn, maar als ze er wel zijn, behandelen ze hun ouders steeds meer als een last.’

Prachtig zachtaardig drama maar van Tokio zien we (vrijwel) niets. Er is wel een mooie scène als de ouders een toer doen door Tokio. We zien hobbelende hoofden in de bus, wat hoge gebouwen op de achtergrond, dat is het.

Er gaan wel gesprekken over Tokio. ‘Als wij hier allebei gaan wandelen, raken we allebei verdwaald.’ ‘Er zijn gewoon teveel mensen in Tokio.’ En de jongere generatie? ‘Kinderen hebben hun eigen levens en verdwijnen geleidelijk uit de levens van hun ouders.’ Lees het essay over Ozu op InDeBioscoop om meer over de regisseur te leren.

Experts beschouwen de jaren vijftig als een gouden periode van de Japanse film, met Tokio vaak in een belangrijke bijrol. Denk aan films als:

  • Godzilla (de originele)
  • Tokyo Twilight (Yasujirō Ozu)
  • Early Spring (Yasujirō Ozu)
  • Streets of Shame (Kenji Mizoguchi)
  • High and Low (Akira Kurosawa)
  • The Lower Depths (Akira Kurosawa)
  • Tokyo (korte Franstalige documentaire van Hiroshi Teshigahara en 8 andere filmmakers)
  • The H-man (horror, SF én misdaad ineen van Ishirô Honda)
  • Rusty Knife (Toshio Masuda)
  • Ginza Cosmetics (Mikio Naruse)

Naast Robert Ryan zijn meer Amerikaanse acteurs te zien geweest in films die zich (deels) in Tokio afspelen. Denk aan:

  • Humphrey Bogart in Tokyo Joe (1949)
  • Cary Grant in Walk Don’t Run (1966)
  • Robert Mitchum in The Yakuza (1974)
  • Michael Keaton in Gung Ho (1986)
  • Carrie Hamilton in Tokyo Pop (1988)
  • Michael Douglas in Black Rain (1989)
  • Uma Thurman in Kill Bill 1 (2003)
  • Bill Murray en Scarlett Johansson in Lost in Translation (2003)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=TnXc15txM8Q
Meer lezen: https://www.nishikata-eiga.com/2011/03/house-of-bamboo-1955.html en https://tokyofox.net/2015/02/25/tokyo-filming-locations-pt-xiv-house-of-bamboo-1955/

 

Tokyo Drifter (1966)

Tokyo Drifter (1966): dolende ex-gangster in felle kleuren 

Locatie: Minato

Tetsu is geen gangster meer. Dat zeggen meneer Kurata en hij dus ook. Onthechten is niet makkelijk. Zeker als yakuzagangster Otsuka (altijd zonnebril op) zijn kans wil grijpen om de macht te grijpen. ‘Je misbruikt de eer van de yakuza.’ ‘Alles draait om geld en macht tegenwoordig.’

‘Ik ben een zwerver uit Tokio’, is een melancholisch liedje dat telkens terugkomt in de film. Dat slaat op Tetsu, die om ergere problemen te voorkomen gaat zwerven door Tokio en omstreken. Hij ontmoet een andere gangster die hem helpt en een ander wil hem kapot maken: Tatsu de adder.

Tokio is een sfeervol decor. De havens, een autorijleerschool, nachtclubs, bars, een bowlingcentrum, straten… We kijken naar het district Minato. Naast Tokio zijn er ook episoden in het besneeuwde Hakodate (Hokkaido) en Sasebo (Nagasaki).

Deze film en Year of the Beast uit 1963 van Seijun Suzuki hebben veel overeenkomsten. Suzuki wilde het na 27 formulefilms anders doen (‘Mijn belangrijkste zorg was eerst niet hoe ik filmregisseur moest zijn maar hoe ik mezelf kon onderhouden’). Hij maakte in 5 jaar tijd 17 de grens opzoekende films. ‘Je moet entertainende films met plezier maken.’

Deze twee films worden geroemd om hun prachtige popartstijldecors en verrassende shots. Een shot door een glazen vloer naar mensen erboven; van de zijkant kijkend naar een nachtclub achter glas; onderhandeling met een film op de achtergrond; een huis vol met modelvliegtuigen; een shot van een neergeschoten vrouw van bovenaf; een knalgele bar; een onderhandeling in roze licht; een witte schaduw die ineens uit beeld danst. De liefhebber wordt verwend met ideeën.

In interviews vertelde Suzuki dat hij zonder storyboards werkte. ‘Inspiratie maakt de film!’ Een voordeel, vond hij, want de crew en acteurs hadden ook geen idee wat er zou gebeuren.

De hoofdrolspeler van Year of the Beast (Jô Shishido met de hamsterwangen) kwam weer samen met Suzuki in het haastig gemaakte Branded to Kill in 1967. Suzuki maakte de film om de directeur van studio Nikkatsu te helpen bij financiële stress. Als dank ontsloeg hij Suzuki. Die vocht dat ontslag met succes aan maar kon lang niet meer bij een studio werken.

In de 21e eeuw maakte Suzuki nog wel twee behoorlijk maffe films: Pistol Opera en Princess Raccoon. In 2017 overleed hij.

Heb je zin in een Japanse misdaad-binge, neem dan ook deze 60’s en 70’s films mee:

  • Pigs and Battleships (Shohei Imamura)
  • A Colt Is My Passport (Takashi Nomura)
  • Cruel Gun Story (Takumi Furakawa)
  • Diary of a Shinjuku Thief (Nagisa Ôshima)
  • Big Time Gambling Boss (Kôsaku Yamashita)
  • Sympathy for the Underdog (Kinji Fukasaku)
  • Graveyard of Honor (Kinji Fukasaku)
  • Battles without Honor and Humanity (eerste van vijf delen in twee jaar; ook wel bekend als ‘de Japanse Godfather’; Kinji Fukasaku)

En bekijk deze jaren zestig films om Tokio op een andere manier te ervaren:

  • When a Woman Ascends the Stairs (Mikio Naruse)
  • The Insect Woman (Shohei Imamura)
  • Tokyo Olympiad (Kon Ichikawa, documentaire over de Olympische Spelen in Tokio)
  • The Face of Another (Hiroshi Teshigahara)
  • Make Way for the Jaguars (Yôichi Maeda)
  • Funeral Parade of Roses (Toshio Matsumoto’s beroemde cultfilm over travestieten)

Geen cinema maar wel heel leuk: deze film over het dagelijkse leven in Tokio in de jaren zestig.

Meer lezen: https://www.youtube.com/watch?v=pjk9yV4nbqI,
https://www.youtube.com/watch?v=V6e9mowbmys en
https://www.youtube.com/watch?v=tiGzzN5Gj9c

 

Dodes-ka’den (1970)

Dodes-ka’den (1970): weinig lol in sloppenwijken 

Locatie: Horiecho (Edogawa)

Ver van het centrum in Tokio vind je een sloppenwijk met bouwvallige huisjes. Ze leven rondom een afvalberg. Je kunt dat ook positief uitleggen zoals een bewoner doet: ‘Japanners houden meer van gefilterd licht dan van direct zonlicht. Daarom kiezen we altijd plekken in de schaduw en kunnen we niet wennen aan huizen van baksteen.’

Een uiteenlopende groep mensen probeert er te overleven. Veel tragische figuren. Een jonge mimespeler die zich met een denkbeeldige trein door het stukje stad voortbeweegt (‘Dodes-ka’den Dodes-ka’den’). Een lompe kerel die het op een zuipen zet. Een klaagzieke kerel die zijn adoptiedochter onderdrukt. Een man en zoon die proberen te overleven. Een vriendelijke zakenman met tics en een loeder van een vrouw. Een zwangere vrouw die een reeks mannen achter haar aan heeft.

Kurosawa maakte hiermee een type mozaïekfilm dat je kent van MASH – toevallig ook uit dat jaar. Hier ook geen echte hoofdpersonen maar wel vloeiend in elkaar overlopende portretten en dialogen. Een film die je ook heel makkelijk zou kunnen vertheateren. Met de Italiaanse film Brutti, sporchi e cattivi zou het een onvergetelijke double bill kunnen zijn over families in armoede.

Vijf jaar lang had Kurosawa geen film gemaakt toen hij deze film maakte. Het Japanse studiosysteem was in een crisis beland. Niemand kon Kurosawa’s dure films nog produceren. Kurosawa kon daardoor niet zijn normale perfectionische ik zijn. Hij gebruikte een hypotheek op zijn huis om deze film te kunnen maken.

Voor Kurosawa’s doen waren de opnamen ook erg kort: slechts 27 opnamedagen. Toch duurde de film aanvankelijk 240 minuten. Daar ging 100 minuten af (die opnamen zijn er helaas niet meer, het had nu een mooie re-release als miniserie kunnen hebben).

De film (gebaseerd op een boek van Shûgorô Yamamoto) noopte Kurosawa om zichzelf op alle gebieden her uit te vinden. Dodes-ka’den was zijn eerste film in kleur; voor het eerst sinds 1959 op 35 millimeter in plaats van widescreen; de eerste met Takai Saito als cinematograaf; de eerste met zoomlenzen; de eerste zonder acteur Mifune of componist Sato; en met veel minder actie en dynamiek dan gebruikelijk.

Deze trage, maar mooie film over mensen in moeilijkheden viel niet in de smaak van het publiek, dat juist de vroegere stijl van Kurosawa koesterde. De lastige titel (een onomatopee gebaseerd op het geluid van treinen) hielp ook niet bij het verleiden van het publiek. Het moest de eerste van vele films worden van vier regisseurs die zich hadden verenigd in Committee of the Four Knights. Die groep kwam niet verder dan deze ene film. (Ichikawa, een van hen, zou nog wel in 2000 Dora-Heita zou maken, gebaseerd op een script van vóór deze film.)

Deze desillusie paste naadloos bij Kurosawa’s leven op dat moment. Zijn ervaring bij de Amerikaanse productie Tora! Tora! Tora! was ook niet best geweest. Hij werd depressief en ondernam een jaar later een zelfmoordpoging. Lees het trieste verhaal op deze website over Kurosawa.

De wijk waar het gefilmd werd (Horiecho) is in Edogawa, Oost-Tokio. Een combinatie tussen een modderpoel en een vuilnisbelt. Daar vind je nu Tokyo Disneyland.

De Tokiose cinema beleefde in deze tijd geen grote bloei van de alternatieve cinema zoals in Parijs en New York. Toch verschenen in de jaren zeventig wel een paar opmerkelijke (en zeer uiteenlopende) films over de stad:

  • City of Beasts (Jun Fukuda)
  • Live Today, Die Tomorrow! (Kaneto Shindō)
  • Godspeed You! Black Emperor (Mitsuo Yanagimachi)
  • The Man Who Left His Will on Film (Nagisa Oshima)
  • The Man Who Stole the Sun (Kazuhiko Hasegawa)
  • Vengeance is mine (Shohei Imamura)

Film: https://vimeo.com/439263252
Meer lezen: https://www.popmatters.com/akira-kurosawa-films-1963-1970/3

 

A Taxing Woman (1987)

A Taxing Woman (1987): betaal je belastingen! 

Locaties: divers

Hideki Gondo, uitbater van sekshotels, licht de belastingen op. Bepaalde leningen staan nergens in de boeken. Via naamloze rekeningen wordt het geld bij banken bewaard. Sleuteltjes van kluizen liggen bij minnaressen.

Ryôko, een vaardige belasting-agente, ruikt haar kans als ze promotie maakt naar het belastinghoofdkantoor van Tokio. Gondo is alleen niet zo eenvoudig te pakken. Ryôko moet alles uit de kast halen om hem te betrappen. In het vuilnis vinden ze belastbaar materiaal maar het is niet genoeg.

Vermakelijke film van Jûzô Itami. Allereerst dat ongewone filmonderwerp: belastingontduiking. De film bespot in feite hoe ver mensen soms willen gaan om geen geld te verliezen. Het is een spel met de belastingdienst. Het verhaal is lichtvoetig en het acteerwerk past er goed bij. Tsutomu Yamazaki (Gondo), Nobuko Miyamoto (Itami’s vrouw als Ryôko), de gangster en Ryoko’s baas: ze hebben allemaal komisch talent. Ik dacht zelfs invloeden op Audrey Tautou’s rol in Amélie te zien in hoe Miyamoto Ryôko speelt maar dat zal wel toeval zijn.

Tokio is hier anoniem, geen wijk of straat wordt met naam genoemd. Een jaar na deze film maakte Itami nog een vervolg: A Taxing Woman’s Return – ook daarin zien we stukjes Tokio. Welke wijken het om gaat ben ik alleen niet achter gekomen.

Jûzô Itami – de regisseur – is een geval apart in de Japanse cinema. Zo was hij jarenlang acteur en ging hij pas op zijn vijftigste films maken. Hij maakte maar tien films. Allemaal satires die bepaalde (Japanse) gewoontes bespotten. Hij brak door met de beroemde eet-komedie Tampopo (1985). Dat was niet zijn debuut, dat was The Funeral van een jaar eerder, ook een grote hit.

Er was veel te doen om zijn film Minbo uit 1992. Een spottende film over yakuzaleden die een hotel willen overnemen. De yakuza was zo ongelukkig met het portret dat ze hem bij zijn huis neerstaken –  maar niet fataal. Dat zou in 1997 wel gebeuren. Toen werd hij dood aangetroffen voor een gebouw. Het zou zelfmoord zijn in verband met een affaire. Later zou een yakuzalid gezegd hebben dat de zelfmoord in scène was gezet. Itami wilde namelijk nóg een spottende film maken over een misdaadgroep. Dit tragische verhaal wordt hier verteld.

Over yakuza gesproken, in dit decennium begon Takeshi Kitano’s uiterst succesvolle misdaadfilmcarrière met Violent Cop (1989). Die speelt zich in Yokohama af, een voorstad van Tokio met 3,7 miljoen inwoners (om even te laten bezinken: Yokohama heeft al meer inwoners dan Groot-Amsterdam en Groot-Rotterdam tezamen).

Meer lezen: https://www.tokyoweekender.com/art_and_culture/entertainment-art_and_culture/movies-tv/spotlight-juzo-itami/

 

Special in een special: de pinku-film
Soms moet je de onderbuik van de cinema in. Als je de productie van de Japanse cinema van de jaren zeventig en tachtig bekijkt, valt het aantal seksfilms enorm op. Dat is het pinku-genre, of pink films. Dat had te maken met de neergang van de filmstudio’s in de jaren ‘70. Pink films vormden op zeker moment 40% van de hele filmproductie.

Ook de klassieke studio Nikkatsu ging overstag. Na zijn faillissement keerde het terug met een eigen variant, roman porno. Die films hadden een regel: om de tien minuten seks in beeld.

De pink films waren seksfilms (dus geen pornografie) met lage budgetten gericht op snel succes. Wie er meer over wilt weten, kan terecht bij de documentaire Pinku Eiga: Inside the pleasure dome of Japanese erotic cinema uit 2011 van Yves Montmayeur. Een spoedcursus pinku is ook mogelijk via deze uitleg op YouTube.

Hisayasu Satô was een van die pinku-regisseurs. Waar films als Brain Sex (1988), Survey Map of a Paradise (1988) of The Bedroom (1992) helemaal over gaan, weet ik ook niet precies, maar naast seks gaan ze ook over technologie, obsessies en fetisj. Sato blendde in feite twee filmgenres in een nieuw genre: sekshorror. Door seksscènes in een verhaal te laten passen, wordt het toch ineens cinema. En met voice-overs die je niet in een seksfilm verwacht: ‘Gisteren, vandaag en morgen zijn verschillende dagen. Maar niet voor hem. Voor hem stond elke dag vast.’

Een grote pinkunaam is Kōji Wakamatsu. Secrets behind the wall (1965), Go, Go, Second Time Virgin (1969), Ecstasy of the Angels (1972) en Endless Waltz (1995) zijn bekende werken in het pinkugenre. Bekijk dit video-essay op YouTube als je hem beter wilt leren kennen. Een van Wakamatsu’s laatste films was de historische film United Red Army (2007). Die kreeg goede kritieken van de filmpers. Net als Kurosawa nam hij hiervoor een hypotheek op zijn eigen huis (en vernietigde dat vervolgens in de film). Lees het bijzondere verhaal op deze website.

Omdat de pinkufilms zo goedkoop waren, werd er ook veel buiten in steden gefilmd. Veel dialogen op daken. Iets wat in Amerikaanse lowbudgetfilms ook soms wordt toegepast (‘Oh, hi Mark’). Pinku of niet, sowieso valt het op dat er veel seks voorkomt in een gemiddelde Japanse speelfilm. Van preutsheid –  als je die al verwacht – is in de Japanse filmcultuur weinig te merken.

Mooie brug naar…

 

Tokyo Decadence (1992)

Tokyo Decadence (1992): een wereld van perversiteiten 

Locatie: niet nader aangegeven (mogelijk Shinjuku)

Callgirl Ai start haar carrière. Ze komt in een wereld terecht van sadomasochisme, bondage, triootjes. In haar beroep draait alles om perversiteiten, merkt ze al snel. Ze is te zachtaardig om iets te weigeren. ‘Mag het gordijn alsjeblieft dicht?’ ‘Ik wil ze open, ik krijg mijn plezier uit jou te vernederen.’

Ai’s worsteling verandert als ze een ervaren callgirl tegenkomt. Die vertelt haar dat ze controle over haar leven moet nemen. Dat geeft haar de energie om naar de provincie te gaan en een oude geliefde op te zoeken. Dat loopt anders dan ze had gehoopt.

Verwacht geen sexy, erotische, kinky film. Tokyo Decadence is een moeilijk aan te ziene tocht door de onderbuik van Tokio. Neem de scène dat Ai op haar knieën met een vastgebonden vibrator door de hotelkamer rondkruipt… Dat beschouwt men niet overal als cinema. De film werd verboden in Ontario, Australië en Zuid-Korea. Er zijn zelfs twee versies gemaakt: de extreme versie en de iets meer ingekorte, gematigde versie.

Is deze film exploitatie in een filmhuisjasje? Ook al is het heel ongemakkelijk om naar te kijken, Ai’s ongezonde, meebuigende persoonlijkheid blijft de kern van het verhaal. En de vreemde passies van de perverselingen worden geobserveerd, niet afgekeurd. Daarin schiet de film duidelijk wel wat in door want van Ai’s gewone leven krijg je weinig te zien.

Misschien niet vreemd dat de schrijver van het verhaal en regisseur van de film Ryu Murakami was (niet te verwarren met bestsellerschrijver Haruki Murakami), schrijver van het al even ongemakkelijke Audition. De muziek kwam trouwens van de dit jaar overleden Ryuchi Sakamoto. En als we toch namedroppen: kunstenares Yayoi Kusuma deed mee als waarzegster.

En de stad? Aan het begin – op de grond – zien we nog wel een menselijk Tokio, met een café, gokhal, waarzegster (in een tunnel), juwelier. Zodra de film zich gaat afspelen in hoge gebouwen, verandert Tokio in een anonieme, onherkenbare wereldstad. Hoe hoger, hoe perverser allemaal.

Meer lezen: https://en.wikipedia.org/wiki/Tokyo_Decadence

 

Tokyo Godfathers (2003)

Tokyo Godfathers (2003): Tokio’s Kerstfilm 

Locatie: Shinjuku

Drie ‘experts in recycling’ (eufemisme voor daklozen) lopen rond door Tokio. Gin, een alcoholist die ooit racefietser was; travestiet Hana, die optrad tot ze te agressief werd; en de weggelopen tiener Miyuki. In een berg afval vinden ze een baby. Via een reeks toevalligheden achterhalen ze de echte ouders. Die blijken ook niet wie ze zijn.

Tokyo Godfathers is een vermakelijke Kerstfilm. Het verhaal is grappig, de animatie soms voortreffelijk (met name memorabel als Hana tekeer gaat in het ziekenhuis) en tegelijk is het ook een warm verhaal met karakterschetsen en toevalligheden. Ieder karakter in de film ontmoet iemand uit zijn of haar verleden en beleeft herinneringen.

De film gaat over bijna te veel onderwerpen om allemaal in een animatiefilm in anderhalf uur te kunnen uitwerken. Kinderloosheid, familieloosheid, dakloosheid, geldloosheid. Deze film vraagt zich af: wat maakt familie familie? Mensen geven om andere mensen: dat is hier de sleutel van een familie.

De animatie is geregisseerd door Satoshi Kon. Hij overleed in 2010 terwijl hij nog niet eens vijftig jaar was, maar wel een paar dijken van animaties had geregisseerd: Perfect Blue, Paprika, Millennium Actress en dus deze film. Hij zei: ‘Deze film wil de ‘wonderen en toevalligheden’ –  die door de wapens van de wetenschappelijke logica naar de andere wereld zijn geduwd – op een gezonde manier herstellen.’

Tokio is de moeder/vader van al deze dakloze karakters. De film speelt zich af in de westelijke wijk Shinjuku. Dat is een district met veel hoogbouw en vooral bekend van het gelijknamige station waar dagelijks meer dan 3 miljoen reizigers gebruik van maken (het drukste station ter wereld). De beroemde Tokyo Tower komt ook in beeld. Voor wie die niet kent: dat is de namaak Eiffeltoren.

De gebouwen versterken hier de emoties van de karakters, zoals bijvoorbeeld bij de aframmeling van Gin. Er valt meer over de film te vertellen, maar daarvoor verwijs ik naar onderstaand stuk in The Big Picture Magazine.

Opvallend is  de golf van films over Tokio in dit eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. Zoals Tokyo! (2007) van Leos Carax, Michel Gondry en Joon Hong-Bo. Weer perspectieven van buitenlanders op Tokio. Afgezien van het stuk van Joon Hong-Bo (van Parasite) is de stad vrij onzichtbaar.

Beter werkt Adrift in Tokyo van Satoshi Miki. Hier heeft Tokio echt een hoofdrol, want de twee hoofdpersonen lopen de hele tijd door de stad. Talloze wijken die je zelden in films ziet komen langs. Ze kijken naar plaatsen in Tokio waar ze herinneringen aan hebben. Bonus is de absurditeit.

Een andere goede film over Tokio is een documentaire over technologie en de stad: Tokyo Noise. Verder biedt Tokyo.sora uit 2002 een interessant beeld over het leven van vrouwen in de grote stad.

Meer lezen: http://thebigpicturemagazine.com/realism-and-miracles-satoshi-kons-tokyo-godfathers/

Kortom…

Net als steden als Londen en Berlijn werden getekend door de oorlog en de periode erna, gold dat ook voor Tokio. Tokio figureerde vaak in films, maar meestal als symbool: de grote anonieme wereldstad. Een stad vol seks en geweld waar geregeld rampen plaatsvinden. De wijken doen er meestal niet zo toe.

Met de komst van de hoogbouw in het straatbeeld lijkt het wel of heel Tokio eruit ziet als de kantorenwijk Shinjuku. De anime lijkt geobsedeerd door een grote, anonieme futuristische technopolis, waarin het moeilijk is om iets anders dan Tokio in te zien. De toekomstige technovariant Neo-Tokyo heeft door anime’s als Akira of Wicked City een eigen bestaan in cinema gekregen. Er zijn maar weinig steden die dat kunnen zeggen.

Hoe creatief wijken in Londen, Parijs en New York werden gebruikt in films, heb ik niet kunnen ontdekken bij Tokio. Er bestaat geen The Naked City op zijn Tokio’s. Dat heeft mogelijk ook wel te maken met het feit dat de minder bekende Japanse film moeilijker zijn weg vindt tot onze markten. Tenzij je zelf connecties hebt, is het soms moeilijk om Aziatische films te ontdekken. Maar het kan ook met een andere verhouding tot de stad te maken hebben.

Meer lezen & kijken?
Er zijn vast diverse geweldige bronnen over films in Tokio in het Japans. Alleen beheers ik zelf die taal niet. Ik maakte onder andere gebruik van deze bronnen:

Op InDeBioscoop:

Elders:

 

16 augustus 2023

 

Lees ook deel 1: Camera Obscura Special: Parijs
Lees ook deel 2: Camera Obscura Special: New York
Lees ook deel 3: Camera Obscura Special: Londen

Camera Obscura Special: Londen in voor- en tegenspoed

Camera Obscura Special:
Londen in voor- en tegenspoed

door Bob van der Sterre

Londen is dé plek in Britse films en series. Geen enkele andere Britse stad kwam zo vaak op het witte scherm. Laten we het beroemde Londen van films als Four Weddings and a Funeral, Notting Hill, Match Point even links liggen, en zoeken we het échte, rauwe film-Londen op.

Londen… Welke film of serie je ook kijkt, Londen staat voor duur, chique, posh, exclusief. Moderne wolkenkrabbers domineren de skyline. En dat klopt ook wel: in lijstjes van duurste steden in Europa staat Londen derde na Genève en Zürich. Harold Shand vertelde in The Long Good Friday (1980) al waar het heen zou gaan.

Blow-Up (1966) - de beste films in en over Londen

Dat is natuurlijk niet altijd zo geweest. Tot en met de jaren zeventig was Londen vaak nog een rommelige stad. Getekend door de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog. In Pool of London – al uit de jaren vijftig – staren we nog naar putten van bombardementen midden in Londen.

Een film als Pressure laat zien hoe Londen er uitzag als je van West-Indische afkomst was en in de jaren zeventig in een wijk als Notting Hill opgroeide.

Al deze films geven tezamen een mooi beeld van een stad die in de twintigste eeuw verschillende metamorfosen heeft doorgemaakt. Als Londen een artiest zou zijn, zou de documentaire London Nobody Knows (1967) het sleutelwerk zijn.

Let op: dit zijn geen recensies of analyses van films! Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb ook niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

Dit artikel is gratis. Graag hoop ik dat de lezer zich als tegenprestatie wil opgeven voor de nieuwsbrief, of zich verdiept in culturele longreads.

 

Westminster Bridge, London (1896)

Westminster Bridge, London (1896): paardentrams met bovenbalkonnetjes

Locatie: Westminster

Wat zou je als oudste film over Londen kunnen beschouwen? De oudste bewaarde film ter wereld, Roundhay Garden Scene uit 1888, is niet in Londen gefilmd maar in Leeds. Zijn tien frames voldoende om voor film door te gaan? Trafalgar Square in 1890. Een ultrakorte opname van wat paard en wagens van Wordsworth Donisthorpe.

Meer filmische bang voor je buck krijg je met deze video van Piccadilly Circus uit 1896 (de gebroeders Lumière). Zij waren ook verantwoordelijk voor deze film van de Westminster Bridge (ook 1896). Let op de paardentrams met bovenbalkonnetjes. Wie wat filmt, bewaart wat. Die trammetjes komen ook voor in deze heerlijke video van oude Londense straatscènes, geüpload door de British Film Institute.

 

The Unfortunate Policeman (1905)

The Unfortunate Policeman (1905): vroege achtervolgingsfilm 

Locatie: Muswell Hill (Haringey)

Tijdens een koffiepauze van schilders gaat een politieagent flirten met de vrouw die de koffie brengt. Een van de schilders trekt dat niet en werpt een pot verf over hem heen. De agent sprint achter hem aan. Ze springen over wasgoed heen, lopen een vrouw die terugkomt van shoppen omver, botsen tegen de melkman op, en zo verder.

The Unfortunate Policeman is een vroege achtervolgingsfilm, die toen zo’n beetje ontdekt werd en in de jaren erna via slapstick meer zou evolueren. Deze film van iets meer dan drie minuten wordt leuk na anderhalve minuut, als ze de stad in rennen. Dat is de wijk Muswell Hill, een buitenwijk in het noordwesten van de stad, niet ver van Hampstead Heath.

R.W. Paul maakte de film, die na 1912 niet meer gemaakt kon worden. De British Board of Film Censors bepaalde toen dat je de autoriteit niet meer zo mocht bespotten.

A Visit to the Seaside uit 1908 is een klein stukje Britse filmgeschiedenis dat we echt even moeten noemen, ook al is het Brighton en niet in Londen. Je kijkt naar kinemacolor, de voorloper van technicolor.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=KGUE0XloM4Q
Meer lezen: http://www.screenonline.org.uk/film/id/1229450/

 

The Sidney Street Siege (1911)

The Sidney Street Siege (1911): shoot-out maar dan echt

Locatie: Shadwell (Tower Hamlets)

In de periode tot 1920 werden in het Verenigd Koninkrijk veel korte films gemaakt. Check de lijst op Wikipedia. Ik kies voor de rauwe realiteit van The Sidney Street Siege van British Pathé. Ook al is het geen echte film met een verhaal, het heeft wel documentaire-achtige waarde.

In 1911 had een bende zich verschanst in Sidney Street, in de wijk Shadwell (vlakbij Whitechapel). Dat liep uit tot een schietpartij tussen hen en de politie. Winston Churchill, toen minister van Binnenlandse Zaken, bemoeide zich ermee, en is ook te zien in de opnamen (en op de foto tweede van links).

De film heeft geen geluid maar hier kun je goed zien hoe krachtig beeld kan zijn. Want je krijgt de sloppenwijk goed te zien, de mensen, de straten, de actie. Dat vertelt het verhaal beter dan een encyclopedie zou kunnen.

Nog meer geschiedenis? In 1913 moest suffragette Sylvia Pankhurst door de politie ontzet worden. Bekijk de video. Let ook op de bussen na ongeveer een minuut.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=v0wPKpAVDGE
Meer lezen: https://www.historic-uk.com/HistoryUK/HistoryofEngland/The-Siege-of-Sidney-Street/

 

Piccadilly (1929)

Piccadilly (1929): stroom van beelden in studio-Londen 

Locatie: Westminster

Een grote club aan Piccadilly Circus. De dansact Mabel en Victor trekt veel bezoekers in een club. Shosho werkt in de keuken en danst liever dan ze afwast. Als er dan een vlekje op een bord wordt gevonden, vliegt zij eruit.

Het vertrek van danser Victor verandert de zaken. Mabel kan niet alleen publiek trekken. Shosho mag terugkomen om het een keer te proberen. Directeur Valentine maakt er een serieuze Chinese dansattractie van. Natuurlijk is het een hit. Hoe moet hij dat nu alleen aan Mabel brengen, met wie hij een relatie heeft? Het wordt ingewikkelder als Valentine gevoelens krijgt voor de koude en ambitieuze Shosho, en zij ook goed geld begint te verdienen.

Het aardige van de film is dat het meer wegkijkt als een stroom van beelden. Dansen. Mabel die ondeugend van een koekje knabbelt. Een briefje dat Mabel niet mag zien. Een partner die zich onder een krant bedekt.

Regisseur E.A. Dupont hield van expressionisme maar ik zou dit zacht-expressionisme noemen want het is nergens te experimenteel of serieus voor de gemiddelde kijker (toen en nu). Het drama van de ijdele Mabel heeft ook wel iets grappigs.

Wat zien we zoal van Londen? Betoverende neonbeelden van Piccadilly Circus. Een bushalte. We rijden mee met een Londense bus. We gaan naar een huis en winkel in Limehouse, waar veel Chinezen wonen. En we zien louche straten rondom Piccadilly inclusief een volkse bar. ‘Dit is ons Piccadilly…’ zegt Valentine. Leuk maar praktisch alles is in de studio gefilmd.

De film speelt soms een beetje met het racismethema omdat Shosho Aziatisch is en ze omgaat met de rijke (en blanke) Valentine. In een bar wordt een man boos als een vrouw met een donkere man danst. ‘Je weet dat je hier niet met een blanke vrouw mag dansen!’ Gelukkig is de film bij de tijd en bijt de vrouw van zich af (zoals vrouwen in de jaren twintig zelfstandiger waren dan de meeste mensen denken, net als dat Shosho hier heel zelfbewust is).

Het was best opmerkelijk dat de Chinees-Amerikaanse actrice Anna May Wong zo’n gelaagde rol kon spelen. Een gelukkige keuze want ze past perfect bij de rol van Shosho. Het was een tijd dat Aziatisch-Amerikaanse vrouwen amper rollen kregen. Ze speelde ook in Shanghai Express van Josef von Sternberg. Lees haar biografie.

Al met al domineert het racismethema de film niet en gaat het meer over algemeen menselijke thema’s, zoals jaloezie en ambitie. Toch blijft de film af en toe ook luchtig. ‘He started this club and made it. He also started Mabel, and made her too…’ En op het laatst zien we borden langskomen die aan een zekere Monty Python-film doen denken…

Ook mooi: het beeld van ondergronds Londen in de jaren twintig in Underground (1928), uiteraard over de metro. Bekijk een klein stukje van die film.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=E-omm7T48xY
Meer lezen: http://www.screenonline.org.uk/film/id/486639/index.html

 

Sabotage (1936)

Sabotage (1936): apocalyptisch verlangen

Locaties: Westminster, Regent’s Park (Westminster/Camden) en Islington

Op een avond valt in heel Londen het licht uit. Verloc, de uitbater van Cinema Bijou, is de dader, maar doet of hij op dat moment lag te slapen. De groenteboer naast de bioscoop werkt als spion voor Scotland Yard en moet buurman Verloc in de gaten houden.

Bij films over Londen moet je toch minstens één productie van Alfred Hitchcock nemen. Hoewel Hitchcocks films meer in de studio zijn gemaakt – ook in Sabotage zien we vooral veel studiowerk – zien we hier wel een paar buitenlocaties van Londen. De London Zoo in Regent’s Park, Trafalgar Square, het warenhuis Selfridges (onderwerp van de serie Mr. Selfridge), Oxford Street en Chapel Market. Uiteraard de klassieke sprong in een rijdende stadsbus. Je krijgt het idee dat in Londen nooit iemand normaal in de bus stapt.

Hitchcock bood het publiek samen met Charles Bennett (scriptschrijver) wat meer grapjes dan in zijn vroegere werk. Een absurde dialoog over kanaries (doet denken aan Monty Pythons Dead Parrot-sketch). Verrassend mooie cinematografie (van Bernard Knowles). Zoals het aquarium dat verandert in een apocalyptisch verlangen van Verloc. Of de close-up van de opkijkende Verloc (wenkbrauw). Of de quote als de detective-sergeant wordt ontmaskerd.

De casting was ook verzorgd. Oskar Homolka is sterk als saboteur Verloc (duister Duits accent, sardonische blik); William Dewhurst alias The Professor en Sylvia Sidney (die al bij twee films voorkwam in de Camera Obscura Special over New York). Hitchcock baalde alleen wel dat hij de acteur Robert Donat niet kon krijgen voor de belangrijke Scotland Yard-rol.

Zelf vond Hitchcock de verfilming van het boek van Joseph Conrad niet zo geweldig. Hij vond de explosie in de bus ‘een enorme fout, omdat zo de suspense uit de film werd gehaald’. De bom is inderdaad behoorlijk bruut maar ik ben het toch niet eens met Hitchcock: cinema is waar het (altijd) om draait. En de beelden van de straatklokken compenseren zijn ‘fout’ meer dan genoeg. 

Film: https://www.youtube.com/watch?v=Nm0xkgHv5Ds
Web: https://www.brentonfilm.com/alfred-hitchcock-collectors-guide-sabotage-1936

 

Passport to Pimlico (1949)

Passport to Pimlico (1949): brutale volkswijk eist zelfstandigheid

Locaties: Pimlico (Westminster) en Lambeth

Pimlico: een doodgewone volkswijk ten zuiden van Westminster. Getroffen tijdens de oorlog. Op een stuk braakland ligt een nog onontplofte bom. Tot die wél ontploft.

Een schat wordt zichtbaar. Daarin vinden ze ook een oud verdrag tussen Pimlico-voorgangers en de Bourgondiërs. De rechter die de schat wil verdelen, is stomverbaasd. ‘Je bedoelt dat deze mensen Bourgondiërs zijn?’ Geen halve maatregelen bij de kersverse Bourgondiërs. Douaneposten, paspoorten, een eigen munteenheid. ‘Dit is Bourgondië, hier bepaal ik hoe laat de bar dicht gaat.’

Het klinkt geweldig maar het is al snel een stuk minder leuk als de wijk wordt overlopen door zwarte marktverkopers. ‘Echte gestolen nylons! Wie maakt me los?!’ En dat is maar het begin van de problemen.

In Passport to Pimlico valt vooral het geestige script van T.E.B. Clarke op. ‘Drink je bier eens op, waar is je gevoel voor patriottisme?’ De Bourgondiër die binnen komt lopen en onmiddellijk gaat flirten. De Engelse ministers die het probleem alsmaar doorschuiven naar elkaar. Het duel tussen de megafoons. En deze geweldige quote: ‘We waren altijd Engels, en we zullen altijd Engels blijven, en het is juist omdat we Engels zijn dat we opkomen voor ons recht om Bourgondiër te zijn!’

Met de humor zit het goed, jammer is dat de film toch iets te oubollig is om vernieuwende cinema op te leveren. De film slaagt vooral als soap. Met de wijkagent, de wijkvoorzitter, zijn dochter, een groenteboer, zijn collega (en zangeres), een kledingverkoopster, de bankdirecteur, enzovoort. En we gaan nog met ze meeleven ook, dankzij het enthousiasme van de acteurs. Bekijk eens hoeveel lol ze hadden bij het filmen.

Passport to Pimlico heeft ook een paar buitenscènes. Daarin zien we de ravage van de bombardementen op Londen. Karkassen van huizen en braakland. We zien ook min of meer iconische Londense locaties als Piccadilly Circus, Westminster Bridge en Whitehall. De film speelt zich af in de hittegolf van 1947 maar werd gefilmd tijdens de natte zomer van 1948. Regisseur Henry Cornelius hield in elk geval geen goede herinneringen over aan de film: hij zou nooit meer voor Ealing Studio’s werken.

Alleen een ding… De film werd opgenomen in Lambeth aan de andere kant van de Thames, bij de kruising van Lambeth Road en Hercules Road. Dat zorgde voor deze geestige kop op de website van BFI: Passport to… Lambeth?

Aardig feitje: dertig jaar later putten krakers inspiratie uit deze film voor hun ‘republiek’ Frestonia, in de wijk Notting Hill. En nee, dat zijn niet The Young Ones. Dát huis stond in Bristol.

Film: te zien op Netflix
Meer lezen:
https://www.bfi.org.uk/features/passport-pimlico-locations-ealing-comedy

 

Pool of London (1951)

Pool of London (1951): spanning rondom de Thames

Locaties: City of London, Westminster, Greenwich, Southwark en Docklands

Amerikaanse mariniers meren aan in Londen. Ze zitten in de Pool of London: het stuk van de Thames van de Tower Bridge tot Rotherhide. Ze hebben drie dagen verlof en er is tijd om in de stad rond te dwalen.

Een van hen (Dan) is verwikkeld in smokkelzaken. Hij moet gestolen goederen meenemen naar Rotterdam. Dat doen ze vlakbij St Paul’s Cathedral. De politie heeft het nakijken. Dan schept alleen net iets te veel op tegen zijn vriendinnetje. Dat maakt het weer lastig voor Johnny, die net leuk contact had met Pat.

Aangename film van de ervaren regisseur Basil Dearden. Verzorgde karakters en verhaallijnen. Een heist, romantiek, actie, sfeervolle finale. Acteurs die goed passen bij hun rollen.

En we krijgen ook redelijk wat Londen te zien. Vanaf minuut 35 worden we getrakteerd op 10 minuten buitenopnamen van de omgeving van St Alban’s Church en St Paul’s Cathedral. Bijzonder moment als Johnny en Pat vanaf de kathedraal uitkijken op ruïnes van de oorlog die nog steeds zichtbaar waren. De achtervolging dwars door Leadenhall Market (zie foto) is ook een prachtig plaatje. Die passage ziet er nog net zo uit.

BFI heeft een artikel met de toen en nu’s van de locaties in de film. De dvd-uitgave heeft een handige featurette over alle locaties in de film. Er is veel veranderd natuurlijk. In Tooley Street in een dubbeldekkertram springen op weg naar Tower Bridge… dat was een jaar later na de film al niet meer mogelijk. The Queen’s Theater in East End was ook al in 1965 neergehaald. En een milk bar waar je ‘s avonds laat nog wat hapjes en drankjes bestelt: dat stukje cultuur is ook weg.

De Docks versjofelden in de jaren zestig en zeventig in hoog tempo, om vanaf de jaren tachtig een nieuw (luxe) leven te worden ingeblazen (komen we nog op terug). De St George Wharf komt drie keer in beeld. Die straat ziet er nog vrijwel hetzelfde uit. Het gebied bij de Thames rondom de Tower of London is vooral veel drukker geworden.

Frappant is dat de film weer net als Piccadilly (zijdelings) over racisme gaat. Johnny (Earl Cameron) krijgt te maken met een portie onaardige opmerkingen over zijn donkere uiterlijk. Hij heeft leuk contact met Pat maar tot een affaire komt het niet. Misschien ging dat in 1951 nog te ver voor het Britse publiek?

Meer films trokken in de jaren vijftig naar buiten, zoals deze:

  • We are the Lambeth Boys (Karel Reisz; en een vervolg in 1980)
  • A Kid for Two Farthings (Carol Reed)
  • The Yellow Balloon (J. Lee Thompson)
  • Night and the City (Jules Dassin)
  • The Ladykillers (Alexander Mackendrick)
  • I vinti (Michelangelo Antonioni)
  • En vooral The Blue Lamp van wederom Basil Dearden bevat veel shots van Londen

Film: te zien op Netflix
Meer lezen: https://www.bfi.org.uk/features/pool-london-locations
Aanrader: film over de Londense tram: The Elephant Will Never Forget

 

The London Nobody Knows (1967)

The London Nobody Knows (1967): James Mason bezoekt obscure plekjes

Locaties: zie tekst

In de ‘documentaire’ The London Nobody Knows uit 1967 (uitgebracht in 1969) zien we acteur James Mason rondlopen door de stad. Met paraplu, tweedjasje en pet vertelt hij op geestige wijze over obscure plekjes in Londen.

Hij bezoekt alleen plaatsen in verval. Vrijwel overal waar hij komt, ziet het er verwaarloosd uit. Inclusief de mensen in de film (veel daklozen). De plaatsen die hij bezoekt:

  • Het oude Bedford theater in Camden
  • Tunnels onder Camden Freight Terminal
  • Restanten van een spoorwegemplacement
  • Church Street Market en Chapel Market
  • Urinalen (‘een Victoriaanse wc is een kunstobject’)
  • Begraafplaatsen
  • Leger des Heils
  • Spittalfield (waar de moorden van Jack the Ripper plaatsvonden)

Dit is een speelse film van Norman Cohen, gebaseerd op het boek van Geoffrey Fletcher uit 1962. ‘Daar is voor iedereen die er interesse in heeft een egg breaking plant.’ Vervolgens zien we hoe een pletwals een paar eieren plet. Mason staat bij een oude mannen-wc, wijst met zijn paraplu naar een tank met water. ‘Hier zaten vroeger goudvissen. Deze vissen zitten hier nu natuurlijk niet meer, we hebben ze er alleen ingestopt ter illustratie.’

Schrijver Douglas Anderson legt in 2014 in een terugblik op de film uit wat de waarde ervan is vandaag de dag: ‘De gebieden die The London Nobody Knows bezocht, waren off the beaten track en het is waardevol om ze te zien hoe ze waren.’ De film toont daarmee een uniek Londen van toch slechts vijftig jaar geleden.

De filmstijl past bij de ‘swinging sixties’ of ‘swinging London’. Voor wie er niet mee bekend is: het was een soort culturele revolutie van jongeren. De Britse bevolking was door de babyboom behoorlijk jong: bijna 50% was onder de 30 jaar. Dat schepte mogelijkheden voor nieuwe artiesten. Ze wilden het anders doen: vrijer, moderner, hedonistischer, maffer.

Die beweging stormde door de muziekscene (The Beatles, The Who, The Kinks, The Rolling Stones), de modescene (o.a. minirok) en ten slotte ook de filmscene. De invloed op de popcultuur was immens. Krijg een indruk via deze video van 7 minuten.

De Swinging Londen-films zijn duidelijk door jonge mensen gemaakt: enorm energiek, grappig en maf. Ook al waren de films komisch van toon, ze gingen toch over serieuze zaken als depressies, seksualiteit en relatieproblemen. Zelfs abortus en ongewenste zwangerschappen komen langs (Darling en Georgy Girl). Minpuntjes zijn misschien dat sommige Swinging London-films iets te hard hun best deden om eigenzinnig te zijn, en er soms wel erg makkelijk tussen komedie en drama heen en weer werd geschakeld.

De films speelden zich bijna allemaal af in Londen. Vooral rondom Carnaby Street (Soho) en the King’s Road (Chelsea). Maar ook in Hammersmith, Fulham en Notting Hill. Er valt veel meer over deze korte filmgolf vertellen, maar dat valt een beetje buiten deze rubriek. De liefhebber kan terecht bij deze website.

Mensen beschouwen Blow-Up van Michelangelo Antonioni meestal als de archetypefilm van Swinging London. Maar er zijn er meer:

  • Georgy Girl (Silvio Narezzano)
  • The Knack and How to Get It (Richard Lester)
  • The Pleasure Girls (Gerry O’Hara)
  • The Party is Over (Guy Hamilton)
  • Joanna (Michael Sarne)
  • Alfie (Lewis Gilbert)
  • Morgan, A Suitable Case for Treatment (Karl Reisz)
  • Darling (John Schlesinger)
  • I’ll Never Forget What’s’isname (Michael Winner)
  • Three Hats for Lisa (Sidney Hayers)
  • Smashing Time (Desmond Davis)
  • Bronco Bullfrog (Barney Platts-Mills; uit 1970)

De jaren zestig was een geweldige filmperiode want er was nog veel meer aan Londen te zien dan alleen de Swinging London-films:

  • The Ipcress File (Sidney J. Furie)
  • The Traitors (Robert Tronson)
  • The L-Shaped Room (Bryan Forbes)
  • A Hard Days Night (Richard Lester)
  • The Small World of Sammy Lee (Ken Hughes)
  • What a Crazy World (Michael Carreras)
  • The Servant (Joseph Losey)
  • Peeping Tom (Michael Powell)
  • Nerosubianco (Tinto Brass)
  • Repulsion (Roman Polanski)
  • Victim (Basil Dearden)
  • Piccadilly Third Stop (Wolf Rilla, door de metrotunnels)

Om meer te weten over de locaties waar de films van de jaren zestig zich afspelen, kun je luisteren naar deze presentatie van deze Britse hoogleraar (40 minuten).

Film: https://www.dailymotion.com/video/x5h8w0m
Meer lezen: https://psychogeographicreview.com/the-london-nobody-knows/ en https://www.theguardian.com/film/2003/nov/21/history

 

Pressure (1976)

Pressure (1976): Notting Hill in andere tijden

Locatie: Notting Hill

Londen ontwikkelde zich economisch in de jaren na de oorlog. Maar niet voor iedereen is economisch succes in Londen even realistisch. Voor zwarte Londenaren uit Notting Hill is een baan krijgen al moeilijk. Zelfs Tony, toch wel een intelligente jongen, raakt moedeloos van zijn afwijzingen. ‘Hoe lang ben je al in dit land?’ ‘Ik ben hier geboren, meneer.’

Aan de andere kant past Tony ook niet echt bij zijn Jamaicaanse en Trinidadiaanse straatschoffievrienden. ‘Wil je pattie?’ ‘Nee ik wil geen paté.’ Hilariteit… want pattie is slang voor fish and chips. Tony raakt betrokken bij hun winkeldiefstalletjes. Zijn broer verkondigt ondertussen black power. En snapt niet dat zijn broertje een wit vriendinnetje heeft.

Pressure is een unieke productie: de eerste film die écht het leven van een zwarte Londenaar weergaf. Met alle zaken die daarbij komen kijken: racisme, vooroordelen, verzet. De film kijkt genuanceerd: de witte mensen in deze film discrimineren niet allemaal. En dan met reggaemuziek als verrassende score.

De film is niet foutloos. Het script is vrij simplistisch. Regisseur Horace Ové, zelf in Trinidad geboren, had een documentaire-achtergrond. Dus legt hij een verhaal uit aan zijn filmpubliek, maar iets te didactisch, zoals een reviewer op IMDb treffend zegt. De hulp van romanschrijver Sam Selvon – ook afkomstig uit Trinidad – mocht ook niet baten. Alle moralisme heeft iets saais, zelfs als het terecht is.

Het acteerwerk is ook soms matig – zoals de hysterische moeder van Tony. Dat had ook te maken met de amateurs waar ze mee werkten. Selvon en Ové deden hun best om karakters op straat te vinden. Sommige acteurs in de film waren dus in het echt ook dakloos. Pressure doet daarmee ook wel denken aan Braziliaanse straatfilms als Pixote en Fábula.

De grootste uitdaging – niet vreemd – was het vinden van een budget om de film te maken. Ové: ‘Ze keken me aan of ik gek was dat ik dit verhaal wilde verfilmen.’ British film Institute (BFI) hielp uiteindelijk met de financiering maar veel was het niet. De meeste scènes werden zonder vergunning geschoten. Zelfs het stelen van appels op de markt. We zien wel een realistisch portret van Notting Hill. Met Ladbroke (lange rechte weg in Notting Hill), Portobello Road, Harrow Road. De liefhebber van locaties kan terecht op Reelstreets.

Veel van de film kwam uit Ové’s leven zelf. Hij werkte zelf als schoonmaker in een ziekenhuis, net als Tony. Ook de politie-invallen had hij zelf gezien. En vooroordelen waren hem ook niet onbekend. Hij haatte dat hij ‘zwarte filmmaker’ werd genoemd. ‘Je noemt toch ook niet iemand ‘blanke filmmaker zo-en-zo’?’ En hij werd boos als Trinidad als achterstandsland werd gezien. Ové maakte dus echt zijn eigen film en concludeerde al met al toch positief: ‘Je kunt dus toch films maken over de wereld om je heen.’

De jaren zeventig leverde een gevarieerde oogst op aan Londense films die ook de cultuur van die tijd afspiegelt: zoekende na de vernieuwende jaren zestig.

  • The Rise and Rise of Michael Rimmer (Kevin Billington)
  • Deep End (Jerzy Skolimowski)
  • Frenzy (Alfred Hitchcock)
  • Quadrophenia (Franc Roddam)
  • Melody (Waris Hussein)
  • A Touch of Love (Waris Hussein)
  • The Squeeze (Michael Apted)
  • Nighthawks (Ron Peck)
  • Una lucertola con la pelle di donna (Luciano Fulci, Britse ‘giallo’)
  • Performance (Donald Cammell en Nicolas Roeg, met Mick Jagger)
  • 11 Harrowhouse (Aram Avakian)
  • Death Line (Gary Sherman, horror in een oud metrostation, klinkt goed maar verwacht er niet te veel van)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=uqSVGSUC5CI
Meer lezen:
https://faroutmagazine.co.uk/pressure-first-film-black-british-experience/ en https://www.bfi.org.uk/lists/hidden-history-uk-punks-11-films

And now for something completely different…

Special in een special: punkfilms
De 70’s was een moeilijk decennium. Woningproblemen, economische problemen en sociale problemen. Mensen zagen weinig hoop meer in hun toekomst. Dat zou in de jaren 80 alleen nog maar erger worden.

Veel hiervan is nog terug te zien in punkfilms in die tijd. Die vormden een kortstondige Londense filmhype. Extreem laag budget, meestal documentair en ook wel ‘aapjes-kijken’: wie zijn die punkers, hoe leefden ze… De documentairemakers wilden van hun kant de mens achter de punker laten zien aan de conservatieve medemens.

Punk Can Take It is een interessante vreemde eend in deze bijt. Het was een promo voor de punkband UK Subs. Deze mockumentary (twintig minuten, parodieert de propagandafilm London Can Take It) beschrijft de strijd die échte punk moet leveren om te overleven. Daarin zijn punkers net zo trots en verheven als de Londenaren in de oorlogsfilm. De prachtig voice-over van de toen al gepensioneerde nieuwslezer John Snagge is de bonus: ‘Op de zwarte markt zwaaiden de platenmaatschappijen met hun magische chequeboekjes om de nog vrije punkbands te contracteren.’

Regisseur Julien Temple zou later zijn spotternij ook inzetten bij het bekendere Great Rock ‘n’ Roll Swindle rondom The Sex Pistols. Daarna zou hij nog veel muziekvideo’s maken.

Het British film Institute toont 11 échte punkfilms (uit die tijd) via haar player. Die kun je helaas alleen in het Verenigd Koninkrijk kijken maar sommige films kun je vinden op YouTube. Hier een paar tips:

  • Punk in London (Wolfgang Büld)
  • Don’t Dream it – See It (Phil Munnoch, tijdsbeeld van Chelsea)
  • Knights Electric (Barney Broom, uit 1980)
  • Jubilee (Derek Jarman)
  • The Punk Rock Movie (Don Letts)

Meer lezen? Bekijk deze lijst van punkfilms op Pitchfork.

 

The Long Good Friday (1980)

The Long Good Friday (1980): de Docks in opkomst 

Locaties: Docks (Southwark), Canary Wharf/Isle of Dogs (Tower Hamlets), Brixton (Lambeth), Westminster, St Katherine’s & Wapping, Harringay en Lewisham

In The Long Good Friday kijken we naar de zelfingenomen gangsterbaas Harold Shand. Hij staat op het punt om een grote deal te slaan met Amerikanen. ‘Weet je wat dit waard gaat zijn in 1988?’ Het is de kans om ‘legit’ te worden voor Harold (Mister H. voor ondergeschikten).

Er gaat iets mis. Zijn rechterhand Colin wordt vermoord in een zwembad. Overal gaan bommen af. Er is iets gaande met de IRA maar Harold weet niet precies wat. De Amerikanen worden nerveus.

Deze Londense misdaadfilm is niet voor niets beroemd. De energie in het spel van Bob Hoskins, om maar iets te noemen. Ook Helen Mirrens rol doet ertoe. En het misdaadverhaal zelf zit ook goed in elkaar.

De Londense locaties in de film van John McKenzie spelen een belangrijke rol in de film. Dat begint al met Harry’s speech op de boot tussen de torens van de Tower Bridge. Die speelden ook al zo’n grote rol in de film Pool of London. Net als in die film zien we veel van het gebied ten oosten van de Tower Bridge: Isle of Dogs, Wapping en Poplar.

Nog meer in het oog in springt de locatie van de Docks. We zien onder andere St Katharine Docks, Canary Wharf, Wapping High Street. Toen nog afgesloten gebieden waar al tien jaar niets meer gebeurde. Nu een peperdure woonlocatie.

Harolds speech in 1980 raakt de kijker anno nu best hard: ‘This is the decade in which London will become Europe’s capital, having cleared away the outdated. (…) No other city in the world has got, right at its centre, such an opportunity for profitable progress!’ Londen zou daadwerkelijk een van de duurste steden ter wereld worden. Lees een interview met scriptschrijver Barrie Keeffe in The Guardian over deze ‘voorspellende gave’ van de film. ‘Ik heb het gevoel alsof we in het schaalmodel zitten van het nieuwe Docklands op Harolds jacht, bekeken door de agenten en raadsleden.’

Groot is het contrast met Brixton (district Lambeth) dat ook nog even in de film voorkomt. Die Londense achterstandswijk met slechte reputatie wordt in deze film ook vooral geassocieerd met drugsoverlast. Brixton kreeg weinig kans in de Londense cinema maar voor de liefhebber is er wel een film die zich alleen in Brixton afspeelt: Babylon, uit hetzelfde jaar als deze film.

De jaren tachtig lieten verder een rauw en ranzig London zien:

  • The Firm (Alan Clarke)
  • Withnail & I (Bruce Robinson)
  • The Chain (Jack Gold)
  • High Hopes (Mike Leigh)
  • My Beautiful Laundrette (Stephen Frears)
  • An American Werewolf in London (John Landis)
  • 84 Charing Cross Road (David Hugh Jones)
  • Mona Lisa (Neil Jordan)

Filmclip: https://www.youtube.com/watch?v=B90zNzyFk-w
Meer lezen: https://www.bfi.org.uk/features/long-good-friday-london-locations

 

Nil by Mouth (1997)

Nil by Mouth (1997): grofgebekte familie

Locaties: Lambeth, Southwark, Brixton, Lewisham en Camberwell

In een huis woont een grofgebekte familie: Raymond, zijn vrouw Val, haar broer Billy, moeder Jane en oma Kath. Het probleem is dat Billy verslaafd is en dat Raymond daardoor een ‘pakket’ misloopt. Dat is het begin van een neerwaartse spiraal: door een mix van coke en drank wordt Raymond steeds agressiever en komt Billy op straat terecht.

Nil by Mouth toont zonder gêne de aftakeling van deze Londense familie. Drugs, drank, misdaad, mishandelingen, geschreeuw. De sfeer is akelig. Neem de anekdotes van Mark waar Raymond hysterisch om moet lachen, bijvoorbeeld over een pil tegen depressie. Aarrghh… zet twee machomannen bij elkaar en ze zetten al snel hun eigenbelang boven het belang van de familie.

Dit was een persoonlijk project van Gary Oldman. Gary Oldman? Jawel, ook deze beroemde acteur maakte een film. Oldman was schrijver en regisseur en het script was losjes gebaseerd op zijn eigen jeugdige leven in Londen. Echt losjes, benadrukte hij later regelmatig, toen iedereen er een letterlijke biografie in zag.

Waarom deze ellende bekijken? Omdat Oldman – zelf acteur natuurlijk – wel het beste uit deze club acteurs wist te halen. Met name Ray Winstone is immens. Als je het karikaturale masker van zijn rollen in latere misdaadfilms afzet, kom je uit bij deze moeilijke, tragische rol in Nil to Mouth.

Van de stad zien we in Nil by Mouth vooral korte flitsen van Zuid-Londense straten: Lambeth (ook van Passport to Pimlico), Southwark, Brixton, Lewisham en Camberwell. Districten die je nagenoeg nooit in films over Londen ziet. Dit is de achterkant van het populaire Londen ten noorden van de Thames. De website Reelstreets heeft wederom de buitenscènes op een rij gezet.

De krant The Guardian vergelijkt de film met ‘geezer-crime movies of 90s Cool Britannia’, die in het spoor van deze film een commerciëler pad zouden afslaan. In deze film in elk geval geen ‘cool’ stilisme, maar juist een opzettelijk sobere filmstijl, die soms ook irriteert met de overdadige hoeveelheid close-ups van gezichten.

Londen kwam vaak voor in cinema in de jaren negentig. Een speciale vermelding voor de ongelooflijke productie van Mike Leigh in dat decennium. Hij filmde ieder jaar door vrijwel heel Londen – in krakkemikkige huizen en armoeiige straten. Zijn Naked staat te boek als Britse filmklassieker. Ik genoot meer van het warmere Career Girls. Beide films met de veel te jong overleden actrice Katrin Cartlidge. Wie hoopt op een toen-en-nu van Mike Leighs films: BFI heeft precies dat gedaan. Zijn jaren negentig-films:

Andere films uit de jaren negentig met Londense straten: 

  • The Krays (Peter Medak)
  • Lock, Stock & Two Smoking Barrels (Guy Ritchie)
  • Velvet Goldmine (Tod Haynes)
  • Wonderland (Michael Winterbottom)
  • Scum (Alan Clarke, tv-film-versie van de film uit 1979)
  • Riff-Raff (Ken Loach)
  • Notting Hill (Roger Mitchell)

Meer lezen: https://www.theguardian.com/film/2022/nov/03/nil-by-mouth-review-gary-oldmans-overwhelming-study-of-family-violence

 

Fish Tank (2009)

Fish Tank (2009): rebelse tiener in Oost-Londen 

Locaties: Barking, Tower Hamlets en Havering

Mia – een tiener met een grote mond – moet overleven in een verpauperde Londense buitenwijk. Ze komt nogal snel in ruzies terecht. Niemand houdt van haar. Haar moeder heeft ook geen interesse en haar zusjes bekken haar altijd af.

Op een dag komt een nieuwe vriend van haar moeder (rol van Michael Fassbender) de keuken ingelopen. Hij is aardig. Ze krijgt een band met hem. Hij geeft haar een camera en probeert haar te laten geloven in haar danstalent. Maar dan…

Fish Tank van Andrea Arnold is het type film dat ik normaal mijd: het arthousedrama. De scripts ervan zijn zo algemeen dat het door een algoritme geschreven had kunnen worden.

We volgen de hele film één persoon, zittend, pratend, lopend (schokkende camera erachteraan). Die persoon komt vaak uit een verwaarloosd arbeidersmilieu, woont in een slechte buurt, volop gebroken gezinnen, te jonge moeders, mannen die zich als honden gedragen óf juist als goedzakken (zoals Connor). En dan probeert de persoon ‘stand te houden’ via een soort droom (hier het dansen) die uiteraard op het einde in gruzelementen wordt gegooid. Via lompe edits worden de deprimerende scènes aaneengeschakeld. Vergeet niet het schokeffect ergens midden in de film.

Waarom dan toch kijken? We krijgen hier een zeldzaam beeld van de Oost-Londense buurten Dagenham en Barking. Wijken tjokvol armoede (volgens dit online tijdschrift) en misdaad (volgens het forum Reddit). Buurten met verlopen flats, troep op straat en openbare ruzies.

De shots van de Tower Hamlets Estates in Dagenham en de man die daar op zijn balkonnetje zit: daarin zit de kwaliteit. Het matige verhaal moeten we dan maar op de koop toe nemen. Overigens werd niet alles daar opgenomen, ook een stuk in Essex (district ten oosten van Greater Londen).

Opvallend aan de film – zeldzaam in filmproducties – is dat het chronologisch werd opgenomen en de acteurs niet meer dan een week van te voren wisten wat er die week gefilmd werd, en geen idee hadden van het verloop van de film.

Sinds de jaren nul figureert Londen in veel bigbudgetactiefilms. Het was verder niet het beste decennium voor de Londense film. Een paar aardige films hebben nog wel scènes in de stad:

  • Snatch (Guy Ritchie)
  • Shaun of the Dead (Edgar Wright)
  • Happy-Go-Lucky (Mike Leigh)
  • 28 Days Later (Danny Boyle)
  • Kidulthood (Menhaj Huda) / Adulthood (Noel Clarke)
  • Scenes of a Sexual Nature (Ed Blum)
  • Made in Dagenham (Nigel Cole) 

Kortom…

Londen mag blij zijn dat het ook is vastgelegd in economisch mindere tijden. Als je het huidige dure Londen als maatstaf zou nemen, zou je bijna niet meer weten hoe de stad er ooit uitzag. Zelfs de scriptschrijvers van The Long Good Friday hadden zelf vermoedelijk ook niet kunnen denken dat de film zo precies op een grens van arm en rijk Londen zou zijn gemaakt.

Films hebben de diverse kanten van Londen laten zien. Van Soho tot Lambeth, van Notting Hill tot Chelsea. Het is alsof de Londense filmmakers wel geloven dat de mooie, dure stad bestaat maar dat simpelweg weigeren te bevestigen op celluloid. Een stad waar mensen leven en gebruik van maken, is immers veel interessanter om te filmen. 


Overige bronnen

 

10 maart 2023

 

Lees ook deel 1: Camera Obscura Special: Parijs
Lees ook deel 2: Camera Obscura Special: New York
Lees ook deel 4: Camera Obscura Special: Tokio

 

 

Camera Obscura Special: De cinema van New York City

Camera Obscura Special:
De cinema van New York City

door Bob van der Sterre

New York, de nooit slapende stad, was er vroeg bij in cinema. Klassiekers zijn er meer dan genoeg (Manhattan, Mean Streets, Taxi Driver, A Bronx Tale, Shadows, Do the Right Thing). Er zijn ook interessante minder bekende films. Tweede Camera Obscura Special over films in wereldsteden.

Er zijn zoveel films over New York, je zou bijna over alle straten een stuk kunnen schrijven. 42nd Street, Across 110th Street, Miracle on 34th Street, Slaughter on Tenth Avenue, The House on 56th Street, The House on 92nd Street, 29 Street, etc. Maar dit artikel gaat niet over compleetheid, daar zijn encyclopedieën voor.

New Yorkse stadsiconen kan iedere filmliefhebber intussen wel dromen: Broadway, Wall Street, Central Park, Empire State Building, Fifth Avenue, Brooklyn Bridge, Times Square. Het Vrijheidsbeeld is tot in den treure gebruikt in films, vooral als symbool in rampenfilms.

The French Connection (1971) - de beste en mooiste films over en in New York

Dat bewijst dat de meeste New York-films over maar één deel van New York gaan: Manhattan. De andere New Yorkse buurten zag je zelden, hoewel ze meer voorkwamen dan je denkt: Xanadu Castle in Citizen Kane was gefilmd in Oheka Castle in Long Island, Queens. Marilyn Monroe zat in The Seven Year Itch aan een tafeltje in Harlem. De beroemde achtervolging in The French Connection was in Brooklyn.

Pas in de jaren zeventig, tachtig ontdekte de cinema ook de andere wijken van New York als setting voor films. Aanvankelijk als decor voor apocalyptische en horrorfilms (vooral South Bronx) en Blaxploitationfilms (Harlem). Met Do the Right Thing en Clockers kwam er aandacht voor een ander New York in de cinema.

Nu zien we Manhattan vooral als decor voor vechtende Avengers of een tussen gebouwen slingerende Spiderman. Hier en daar een alternatieve film, maar daarin is New York meestal maar behang voor een persoonlijk drama.

Opmerkelijke rode draad van films over New York is misdaad. Dat weerspiegelt dat het leven in New York voor velen in de twintigste eeuw verre van makkelijk was. Voor velen was het ploeteren, husselen, hard werken. Niet het lichtvoetige en intellectuele New York dat mensen kennen uit de films van Woody Allen maar het New York van On the Bowery.

Let op: dit zijn geen recensies of analyses van films. Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

Dit artikel is gratis. Graag hoop ik dat de lezer zich als tegenprestatie wil opgeven voor de nieuwsbrief, of zich verdiept in culturele longreads.

 

What Happened on Twenty-third Street, New York City (1901)

What Happened on Twenty-third Street, New York City (1901): ondeugend begin

Locaties: Manhattan: 23rd Street, dichtbij 5th Avenue

Een van de oudste films van New York is What Happened on Twenty-third Street, New York City. De film werd voor Thomas Edisons bedrijf gemaakt en is meer een anekdote dan een film. De film van Edwin Porter (bekend van The Great Train Robbery) is in scène gezet – en dus een film – maar een speelfilm kun je het niet noemen met een lengte van nog geen twee minuten.

We kijken naar de 23rd, een lange straat in Chelsea, Manhattan. Mensen steken over, sleuren over straat. Dan is er een plot dat door Marilyn Monroe vijftig jaar later werd overgedaan.

De titel geeft al aan dat de locatie erg belangrijk is. Dit is vlakbij de Flatiron Building, bij de kruising van 23rd en 5th Street in Manhattan. Die luchtroosters waren berucht. Vermoedelijk komt het begrip ‘23rd Skidoo’ hiervandaan: mannetjes die hier rondhingen om opwaaiende jurken te zien.

Let ook op het nieuwsgierige jochie, waarvan het niet bekend is of hij tot de opnamecrew hoorde, of gewoon geboeid naar de camera stond te staren.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=mDJCCr2-Sso
Meer lezen: https://centuryfilmproject.org/2016/09/30/what-happened-on-twenty-third-street-new-york-city-1901

 

Regeneration (1915)

The Regeneration (1915): een portret van de sloppenwijken

Locaties: Manhattan: Bowery, Eastside, Chinatown en New Jersey

Jongen groeit op in een ellendige gezinssituatie en wordt gangster. Na contact met de sociaal werker Marie probeert hij zijn milieu te ontworstelen. Maar het milieu laat hém niet los.

De film is gebaseerd op het boek My Mamie Rose (1903) van Owen Kildare (en het toneelstuk dat was gebaseerd op het boek). Kildare groeide zelf op ‘in de goot’. Later werd hij verslaggever en schreef hij verhalen over de rauwe kant van New York. Marie Rose Deering heeft echt bestaan en leerde hem echt lezen en schrijven.

Later werd Kildare opgenomen vanwege geestelijke problemen. The New York Times kopte in 1908: ‘Kildare a Wreck, Sent to an Asylum’.

Deze film van Raoul Walsh is ondanks zijn leeftijd van meer dan honderd jaar nog steeds het aanzien waard. Het script zit aardig in elkaar, de montage verrast af en toe, er zijn wat trucs met bijvoorbeeld een fast forward. En best behoorlijke actiescènes (de brand op de boot in de Hudson-rivier).

Vooral het begin is sterk, als we kijken naar de vicieuze cirkel van geweld in de getto’s. De belangrijkste acteurs doen daarbij geloofwaardig hun zwijgende werk: Rockliffe Fellowes en Anna Q. Nilsson. Kildare was al overleden in 1911 maar zou vast wel tevreden zijn geweest over hoe zijn boek was verfilmd.

De locatie moet de Bowery voorstellen. Dat is een straat in het zuiden van Manhattan die leidt van Chatham Square naar Cooper Square. Het was in deze tijd al een getto, maar van de jaren veertig tot zeventig werd het pas echt een zieltogend stuk van Manhattan. Dat inspireerde filmmakers ook wel weer. Raoul Walsh zou in 1933 nóg een film maken over de straat: The Bowery. En in 1956 maakte Lionel Rogosin de ‘docufictiefilm’ On the Bowery. Ook een mooi tijdsbeeld.

De brandbare nitraatfilms uit die tijd waren niet bestemd voor lang bewaren dus nam men aan dat de film er ook niet meer was. Deze kopie werd toch nog zestig jaar later teruggevonden in een gebouw in Montana. Zo kunnen we toch nog genieten van beelden van gangsters die stoer een blik melk leegdrinken.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=8j_jlykPBkA
Meer lezen: https://www.theremightbecupcakes.com/episode-92-dollop/

 

Lonesome (1928)

Lonesome (1928): romantische kermis

Locaties: Manhattan en Brooklyn (Coney Island)

Een man staat op en gaat naar zijn werk: een fabriek. Een vrouw staat op en gaat naar haar werk: de telefooncentrale. Beiden krijgen in het weekend hetzelfde idee: Coney Island bezoeken.

Deze film wordt niet herinnerd om het verhaal. Of om de relatief onbekende acteurs: Barbara Kent en Glenn Tryon. Maar om de vernieuwende filmtechnieken.

Je ziet klokken door het beeld lopen, shots van bellende gezichten terwijl zij doorverbindt, een achtbaanrit die zelfs nu nog heftig eruitziet en een onweersbui. En dat een jaar voor baanbrekende films als The Man with the Movie Camera en Der Letzte Mann. Je ziet hier wat voor verschil montage kan maken.

Een van de eerste films met geluiden en stemmen. Die dialogen zijn er (later) door de studio toegevoegd omdat de talkies toen populair werden. Had echt niet gehoeven.

De film heeft alles te danken aan de geestelijk vader ervan: regisseur Paul Fejos. Hij vluchtte vanuit Hongarije (voor de terreur van het Horthy-regime) naar Wenen, Berlijn, Parijs en uiteindelijk de VS. Eerst New York, daarna Californië. Daar liftte hij veel. Tijdens een lifttocht kwam hij in de auto van de studiobaas Edward Spitz, sprak over dromen en films en kreeg een mini-budget om een film te maken. Hij produceerde daarmee het succesvolle The Last Moment (1927).

Voor zijn volgende film koos hij het script van Lonesome. Hij wilde een film maken over een groot probleem in steden: eenzaamheid, en tegelijk de snelheid van New York weergeven in zijn film.

Fejos maakte meer films in de VS (The Last Performance in 1928, Broadway in 1929) en het had niets gescheeld of hij had All Quiet on the Western Front geregisseerd. Na ruzies met de studio verliet Fejos Amerika weer in 1931 en maakte hij in Frankrijk nog wat films. Daarna werd hij antropoloog.

Ook van deze film dacht men dat hij spoorloos was tot er na de jaren vijftig een kopie opdook. Gelukkig maar. Zelfs na negentig jaar oogt de film fris. Misschien slaat het thema ook nog nu aan met mensen die single zijn in een coronatijdperk.

Coney Island (afgeleid van het Nederlandse woord Conyne Eylandt) in Brooklyn werd vaak gebruikt als decor in film. In de jaren twintig was de kermis van Coney Island zeer populair als uitje. En dus ook in films: The Cameraman, The Crowd, Speedy en deze film (allen uit 1928) bevatten allemaal scènes in Coney Island.

Meer experiment uit de jaren twintig? Bekijk de poëtische film Manhatta uit 1921. Een experimentele korte film (11 minuten) van Charles Sheeler en Paul Strand. Beelden van New York vergezeld van poëzie. ‘When million-footed Manhattan unpent, descends to its pavements…’

Film: https://www.youtube.com/watch?v=VJf0s9MAtCo
Meer lezen: https://www.criterion.com/current/posts/2437-the-travels-of-paul-fejos

 

Dead End (1937)

Dead End (1937): gentrificatie in de jaren dertig

Locatie: Manhattan nabij de Queensboro Bridge (in een studio in Los Angeles nagemaakt)

Vlakbij Queensboro Bridge (tegenwoordig Ed Koch Queensboro Bridge) leven de arme New Yorkers. Maar niet lang meer. Want het zicht op de brug en de East River trekt ook rijke mensen. Die laten grote huizen bouwen aan het water, maar grenzen nog steeds aan de huisjes van de mensen die er al woonden. Dat geeft problemen.

We kijken naar diverse karakters die zijn gebonden aan de locatie. Rijke mensen, arme mensen, een straatbende, een arbeider en een gangster. Ze komen tezamen in drie verhaallijnen.

Deze film van William Wyler (bekend van Ben Hur en Roman Holiday) gaat over een bekend sociaal probleem: gentrificatie. Toneelschrijver Sidney Kingsley groeide zelf ook op in New York en schreef het toneelstuk waar de film op is gebaseerd. Dead End deed het goed op Broadway. Toen zagen filmproducenten er ook brood in.

Het stuk werd door scriptschrijfster Lillian Hellman vrij rechtstreeks overgenomen voor de bioscoop. Dat geeft het gevoel alsof je naar een verfilmd toneelstuk zit te kijken. Dat pakt soms goed uit. Zoals de mooie scène tussen babyface Martin en Francey (Claire Trevor won in 4,5 minuten spel een nominatie voor een Oscar voor beste bijrol). Soms mis je de snelheid van cinema.

De al te scherpe randjes uit het stuk moesten er vanwege de Hays-code uitgehaald worden (Francey lijdt aan tbc in plaats van syfilis, Dave is arbeider, geen kunstenaar, etc.). Dat is wel een gemis.

Wyler en zijn team deden hun best om verpaupering realistisch over te brengen. Neem het moment als de rijke Kay de kakkerlakken in het vuilnis vindt: dat zijn echte kakkerlakken. Claire Trevor had verfomfaaid haar en geen make-up op. De jochies in de film waren echte Dead End Kids . Ze sloopten de halve filmset tijdens de opnamen, vertelde Wyler. Desondanks zouden ze in nog talloze andere films spelen.

Iets minder realistisch was dat de film gaat over East 53rd Street in New York maar aan de andere kant van het land is opgenomen: in een studio in Hollywood. William Wyler wilde wel in New York filmen maar de studio zag het niet zitten. Gemiste kans lijkt mij.

Het leverde wel een legendarisch mooie filmset op, gemaakt door de beroemde art-director Richard Day. En waarheidsgetrouw. Je ziet zelfs een graffiti: E 54th Place Gang Member Only. Interessant feitje: regisseur Sidney Lumet speelde als kind ook in het Broadway-toneelstuk Dead End.

Ook uit 1939: Moon over Harlem. Een melodrama als vele anderen maar toch ook een zeldzaamheid: een film die zich volledig in de wijk Harlem afspeelt met een volledige zwarte cast.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=go-Rvc1uSOY
Meer lezen: https://catalog.afi.com/Catalog/moviedetails/4244

 

The Naked City (1948)

The Naked City (1948): vernieuwing op straat

Locaties: Manhattan (diverse locaties), Queens, Bronx

‘Een stad met acht miljoen zielen’, vertelt een voice-over. Geen wonder dat er af en toe een moord plaatsvindt. Jean Dexter, een model, is vermoord. Wie zit erachter?

Een vriend van Jean heeft twijfelachtige verhalen. Via juwelen komen ze dichterbij de dader. Luitenant Dan Moldoon, een ervaren rot, gidst zijn jongere collega Jimmy Halloran op weg naar de moordenaar.

Zo studio-achtig als Dead End was, zo on-studio was The Naked City. De film schreef geschiedenis met meer dan 100 buitenlocaties. En dat in een tijd dat nog weinig filmmakers het aandurfden om de controle in filmstudio’s los te laten. We kijken naar locaties als de Squibb Building, Stillman’s Gym, Roxy Theater, Essex Street Market, Lower East Side, 30th Avenue, Jackson Heights, Times Square, Madison Avenue, Fifth Avenue, Park Avenue. En daarnaast nog beelden van een bovengrondse metrolijn: de ‘Third Avenue el’.

The Naked City is realistischer dan menig film over het politiewerk. Ze moeten saai onderzoek doen, afgaan op intuïtie, details interpreteren. Het speelt zelfs de hoofdrol.

Dat leverde de mogelijkheid op om overal in de stad te filmen. De beelden van de stad zorgen voor een enorme dynamiek. Daardoor valt het amper op hoe tam het verhaal eigenlijk wel is. Hoewel de zinderende finale op de Williamsburg Bridge (één brug ten zuiden van de Ed Koch Quensboro bridge) veel goedmaakt.

De film trok veel kijkers tijdens het filmen. Daarom stonden er geheime camera’s in busjes, kiosken. Het publiek werd afgeleid door een jongleur en iemand die op een ladder luidkeels klaagde over de maatschappij. Wat een operatie moet dat zijn geweest!

Het resultaat mocht er zijn en de invloed van The Naked City reikte ver. Stanley Kubrick was op de set voor Look-magazine en haalde er inspiratie uit voor The Killing. Film noir-filmers van de 50’s hadden allemaal ook The Naked City gezien. Dat is wel een beetje vergelijkbaar met de regisseurs van misdaadfilms in de jaren negentig die allemaal Pulp Fiction hadden gezien. Er kwam een spin-off in de vorm van een tv-serie met dezelfde titel (1958 tot 1963). De game LA Noire (2011) had een hoofdstuk gebaseerd op de film.

De film putte zelf ook weer ergens inspiratie uit: het boek Naked City van misdaadfotograaf Weegee. De film laat mooi zien hoe cynisch het is dat misdaadnieuws het lezerspubliek ‘vermaakt’. Dat verkoopt pas kranten! Daarnaast hadden Italiaanse films als Ladri di biciclette, Roma città aperta en Germania Anno Zero al de deur geopend voor meer realisme in films. Die moesten wel op straat gefilmd worden omdat de studio’s in Italië na de oorlog kapot waren. Deze films bewezen dat dat mogelijk was.

Producer Mark Hellinger die de voice-over deed, zag de film als een liefdesverklaring aan zijn favoriete stad. Met zijn geschiedenis in de krantenwereld moet de film ook een beetje zijn leven hebben verbeeld. Hij overleed voordat de film was afgerond. Dat zorgde er nog bijna voor dat de film niet werd uitgebracht. Dat zou hij ongetwijfeld een vreselijk idee hebben gevonden.

De jaren veertig lieten meer films New York zien:

  • A Tree Grows in Brooklyn (Elia Kazan)
  • The Lost Weekend (Billy Wilder)
  • The House on 92nd Street (Henry Hathaway)
  • The Dark Corner (Henry Hathaway)
  • Port of New York (Laslo Benedek)
  • East Side West Side (Mervin LeRoy; de openingsscène met monoloog van Barbara Stanwyck)
  • Force of Evil (Abraham Polonsky)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=V-W4MZI3T38
Meer lezen: https://www.popmatters.com/the-naked-city-2648106884.html

 

Sweet Smell of Success (1957)

Sweet Smell of Success (1957): cynisme in New Yorkse restaurants

Locatie: Manhattan

Columnist J.J. Hunsecker zegt dingen als: ‘Iedereen kent Manny Davis – behalve de vrouw van Manny Davis.’ Persagent Sidney Falco (Tony Curtis) bekt hij ook af waar anderen bij zijn: ‘Je bent dood, kerel. Ga jezelf begraven.’

Falco probeert artiesten in JJ’s rubriek te krijgen. JJ en Falco zijn een vreemd cynisch duo. Want JJ wil Falco alleen helpen als hij de vriend van JJ’s zuster, een muzikant, in diskrediet brengt. Dat is zelfs laag voor Falco’s begrippen. Maar succes lonkt. Falco wil het maken bij de grote jongens en moet dus alles van Hunsecker lijdzaam ondergaan.

Sweet Smell of Success valt vooral op door een intelligent script met scherpe dialogen, veel wendingen in hoog tempo, top acteerwerk en heerlijke zwart-wit cinematografie. De film gaat over roddelkoning Hunsecker. Een rol die is gebaseerd op de columnist Walter Winchell, die echt het leven van zijn dochter (zuster in de film) probeerde te controleren. Daarnaast gaat het over de grenzeloze ambities van Sidney Falco.

Dit is zo’n film waar veel verhalen aan vastzitten. Schrijver Ernest Lehman begon als regisseur maar werd te nerveus van Lancasters aanwezigheid, moest zelfs met maagklachten in het ziekenhuis worden opgenomen. Regisseur Alexander Mackendrick (bekend van The Ladykillers) was in dienst van producers Hecht, Hill & Lancaster en nam het stokje over. Hij haalde Clifford Odets erbij om het script en de dialogen aan te scherpen.

Odets leverde een wereldprestatie: hij schreef in korte tijd compleet andere dialogen dan het vrij statische script van Lehman. Dat gaf de film een totaal andere dynamiek. De film heeft dankzij al die snelle en geestige dialogen enorm veel vaart, terwijl de film eigenlijk maar weinig actie heeft. Soms herschreef hij zelfs nog tot vlak voordat scènes werden geschoten. Dat maakte Mackendrick ook wel nerveus. ‘Er was nooit een definitief script.’

De inhoud krijgt steun van de boeiende cinematografie van de cinematograaf James Wong Howe. De oogopslag, de schaduwen die zijn duisternis uitbeelden, tot en met de lege schaduwen van zijn bril… Hij kreeg van Mackendrick alle kans om zijn stijl neer te zetten.

Lancaster en Curtis zijn nagenoeg perfect in deze film. Tijdens de opnamen van Sweet Smell of Success was Burt Lancaster soms ‘griezelig’ volgens componist Elmer Bernstein. Hij had van nature al een opvliegend karakter maar werd niet vrolijker van het alsmaar herschrijven van Clifford Odets. Dat paste wel goed bij de rol van Hunsecker.

Kortom: zo’n zeldzaam project waar veel talent bij elkaar kwam. Desondanks trok de film niet veel bezoekers, tot opluchting van Walter Winchell zelf. Later kreeg de film juist wel veel waardering en hij wordt nu gezien als een Amerikaanse filmklassieker.

Veel straatscènes zijn er niet. In Sweet Smell of Success zien we Brill Building op Broadway, waar het kantoor van Hunsecker is, en een jazzclub. Het gaat hier om de interieurs van beroemde restaurants in Manhattan: 21 Club en Toots Shor’s, waar je kwam om gezien te worden. De 21 Club (in 2020 gesloten) is misschien wel recordhouder met films die er zijn opgenomen: Wall Street, Manhattan Murder Mystery, All About Eve en On the Rocks van Sofia Coppola.

Toots Shor’s in West 51st Street is een verhaal apart. Daar kwamen beroemdheden als Mickey Mantle, Jackie Gleason, Orson Welles, Frank Sinatra, Richard Nixon, Babe Ruth, Charlie Chaplin. Een mannenbar met sterke drank en matig eten. Maar iedereen die wat betekende, was er. Toots genoot immens van zijn normalemensenomgang (lekker dollen) met beroemdheden. De beroemdheid straalde op hem af. Alleen eindigde hij berooid. In 1971 sloot zijn zaak. Dat hij beroemdheden gratis consumpties gaf, hielp niet. De documentaire Toots uit 2006 laat goed zien hoe relatief roem kan zijn.

Dankzij verbeteringen in de filmtechniek werd het in de jaren vijftig makkelijker om buiten te filmen. Vooral in de tweede helft van de jaren vijftig leverde dat veel sfeervolle zwart-wit misdaadfilms op over New York, waarmee je wel een paar genietbare filmavonden kunt organiseren:

  • Somebody Up There Likes Me (Robert Wise)
  • Shadows (John Cassavetes)
  • Side Street (Anthony Mann)
  • The Wrong Man (Alfred Hitchcock)
  • Pickup on South Street (Samuel Fuller)
  • The Killer That Stalked New York (Earl McEvoy)
  • Killer’s Kiss (Stanley Kubrick)
  • Guilty Bystander (Joseph Lerner)
  • Deux hommes dans Manhattan (Jean-Pierre Melville)
  • On the Waterfront (Elia Kazan)
  • Cop Hater (William Burke)
  • Edge of the City (Martin Ritt)
  • Cry Terror! (Andrew L. Stone)

Even genoeg van misdaad en drama? Dan is er Broadway by Light (1958). Een visueel spetterend debuut van William Klein dat slechts 14 minuten duurt. Die film laat New York (Times Square) zien op een manier die je nu nog steeds ziet als mensen New York willen ‘visualiseren’. Deze film deed dat al in 1958.

Ook kort en experimenteel: de kubistisch-dadaïstische film van Francis Thompson: NY NY (15 minuten). Aldous Huxley schreef erover: ‘In this very strange and beautiful picture we see the city of New York as it appears when photographed through multiplying prisms, or reflected in the backs of spoons, polished hub caps, spherical and parabolic mirrors.’

Daarnaast werd in dit decennium de onafhankelijke cinema geboren in New York met Little Fugitives. Fotograaf Morris Engel maakte deze film buiten het studiosysteem om, wat nog ongehoord was in 1953. Een beslissing met grote gevolgen voor de cinema. Regisseur François Truffaut zei bijvoorbeeld dat de nouvelle vague in Frankrijk zonder het pionierswerk van Engel nooit tot stand zou zijn gekomen. Lees meer over dit verhaal op de website van The Film Foundation.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=etfc-XUovU8
Meer weten: https://www.youtube.com/watch?v=FS-fxXEGb_E en https://cinephiliabeyond.org/sweet-smell-of-success

 

Blast of Silence (1961)

Blast of Silence (1961): huurmoordenaar met een depressie

Locaties: Staten Island, Harlem, Lower Manhattan, Jamaica Bay

Frankie Bono is een rustige en ervaren huurmoordenaar uit Cleveland. Hij komt in New York een klusje doen: een zekere Traiano omleggen. Hij schaduwt zijn slachtoffer. ‘Je moet een man kennen als een broer om hem te vermoorden.’

Hij heeft tijd te doden en hij bezoekt ook feestjes, onderhandelt met zijn wapenleverancier, poetst zijn wapen, slentert door de stad, verveelt zich. Een voice-over (stem van acteur Lionel Stander) voorziet zijn bewegingen van commentaar. ‘De bodyguard mindert vaart. Ga er snel langs, Frankie!’

Via de innerlijke stem leren we meer van Frankie Bono. Hij groeide op als wees en staat nog steeds alleen in het leven. Als het dan toevallig Kerst is, raakt Bono helemaal de kluts kwijt. ‘Je zweet over je hele lichaam. Focus! Een moordenaar die niet moordt… wordt zelf vermoord.’

Blast of Silence is een soort New Yorkse nouvelle-vague-misdaadfilm. Begin jaren zestig werd die vergelijking ook gemaakt. Baron legde later uit dat het puur toeval was. ‘Ik had Breathless van Godard toen niet eens gezien. Ik begrijp de vergelijkingen wel. Ook een stad, ook een laag budget…’

Dat hij deze lowbudgetfilm zo visueel interessant schoot, komt misschien door zijn eerste beroep: tekenaar. Hij raakte betoverd door film en kreeg op zeker moment wat geld van lokale New Yorkse producers om ‘een keiharde misdaadfilm’ te maken. Hij wilde Peter Falk in de hoofdrol. Dat lukte niet. Om geld te besparen, deed hij (tegen zijn eigen zin) zelf de hoofdrol.

Een heel ander soort misdaaddrama dan je gewend bent. Je mist bijvoorbeeld het vaak ergerlijke melodrama van die films. Baron weet het karakter een menselijke, dubbelzinnige kant te geven. Hij had zelf ook maffiosi-ervaringen gehad en wist hoe hij het gewetensconflict van de huurmoordenaar moest uitbeelden. Een blauwdruk voor veel latere huurmoordenaarsfilms.

Mooi is ook de bijrol van ‘Big Ralph’, de rattenliefhebber. En het Robert De Niroïaanse acteerwerk van Allen Baron. Barons blikken, uitbarstingen, koele loopjes, zijn zó De Niro. Zou De Niro inspiratie hebben gehaald uit deze film?

Het chaotische einde past er goed bij. Baron wilde op locatie filmen met slecht weer. Hij moest een week wachten maar het pakte geweldig uit, want er waren uitlopers van een orkaan. Uit geldgebrek speelde hij een van zijn eigen achtervolgers: als je het beeld op pauze zet, kun je dat goed zien.

Uniek aan Blast of Silence is dat de film zo goed werkt zo goed dankzij de locaties. In de Duitse documentaire Requiem for a Killer – Making Blast of Silence gaat Baron alle locaties opnieuw af. Zo vertelt hij over Jamaica Bay in Brooklyn (de slotscène); Harlem (125th Street, nabij het Apollo-theater); Manhattan (East 30th Street, West 48th Street, 34th Street); Greenwich Village (Commerce Street); East River Waterfront; Queensboro Bridge en zijn eigen roots in Brooklyn. En alles guerrillastijl gefilmd zonder vergunningen.

De film sloeg amper aan. Baron werd regisseur van tv-shows zoals Love Boat, Cagney & Lacey en Charlie’s Angels. Iedereen moet natuurlijk geld verdienen, toch is het zonde, dat verspilling van talent. Pas bij de Criterion-uitgave in 2008 werd de film herontdekt, dus 47 jaar later. Baron maakte dat gelukkig nog mee.

Blast of Silence was niet de enige film die in de jaren zestig de stad liet zien. Andere voorbeelden zijn:

  • The Apartment (Billy Wilder)
  • Murder Inc. (Burt Balaban & Stuart Rosenberg)
  • Mirage (Edward Dmytryk)
  • Chelsea Girls (Paul Morrissey & Andy Warhol)
  • The Connection (Shirley Clarke)
  • Midnight Cowboy (John Schlesinger)
  • The Pawnbroker (Sidney Lumet)
  • You’re a Big Boy Now (Francis Ford Coppola)
  • Breakfast at Tiffany’s (Blake Edwards)
  • Barefoot in the Park (Gene Saks)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=3-D-6RXTaW0
Meer lezen: https://www.criterion.com/current/posts/546-blast-of-silence-bad-trip

 

God Told Me To (1973)

God Told Me To (1973): mysterie maakt detective waanzinnig

Locaties: Manhattan, Flushing

Als er willekeurig mensen worden neergeschoten en de daders zeggen God told me to, gaat detective Peter er achteraan. Via bekentenissen van daders komt hij bij een ‘jongen’ uit, wiens moeder net als de heilige maagd Maria zwanger wordt.

Hij ontmoet deze vrouw in een bejaardentehuis. Daar beseft hij dat hij zelf een rol speelt in het verhaal. Wat is zijn relatie tot God?

God Told Me To uit 1973 is een fascinerende cultfilm die ondanks deze periode van herontdekkingen nog steeds onbekend is. Vooral het eerste deel is sterk. De film is je filmbrein – dat meer verpest is door genreconventies dan je beseft – steeds een pas voor met onverwachte ontwikkelingen.

De film gaat een kant op die je simpelweg niet kúnt verzinnen. De film begint als een misdaadfilm en verandert later opeens een mix van horror, paranormaal en mysterie. The Rolling Stone zegt het aardig: ‘Easily the best 1970s New York noir-horror-alien-abduction-Catholic-guilt-love-triangle thriller ever made.’

De film is 100% het geesteskind van de eigenzinnige regisseur Larry Cohen (Q, The Stuff). Zoals het vaak gaat met filmmakers die durven te experimenteren, waren de reacties erg verdeeld, zoals deze recensie van Roger Ebert laat zien. Cohens producers betaalden hém geld om hun namen te laten verwijderen van de film.

Dit blog snapt beter hoe vernieuwend de film was: ‘Je vindt geen andere film die er zo goed in slaagt een kruising te zijn tussen Rosemary’s Baby, The Omen, The X-Files en Unbreakable. (…) Onder dit plot van een B-film vind je intelligent commentaar op religieuze hysterie.’ Larry Cohen vond zelf dat zijn film veel invloed heeft gehad op series als The X-Files. ‘Hoe wij sciencefiction en horror combineerden met de realiteit van politiewerk was volgens mij nog nooit gedaan.’

Daarnaast was ook de visuele stijl (alles in handheldcamera) toen anders dan anders. Halverwege de jaren nul werd deze pseudo-documentaire-stijl gebruikt voor vrijwel iedere actiefilm. Denk bijvoorbeeld aan de schokkende filmstijl in de Jason Bourne-films.

De acteurs in God Told Me To passen ook goed bij het merkwaardige verhaal: Tony Lo Bianco (tweede keuze na Robert Forster, die werd ontslagen omdat hij alsmaar kauwgom bleef kauwen); Sylvia Sidney en Richard Lynch. En komediant Andy Kaufman in zijn filmdebuut.

Een pluspunt is de hoeveelheid ongewone buitenlocaties van New York. Een watertoren in Manhattan, een draaimolen in Flushing, Broadway Station, ga zo maar door. Lees Larry Cohens amusante verhalen over de productie. Zoals het illegaal filmen tijdens St Patrick’s Day in Manhattan: ‘Iedereen ging ervan uit dat wij een vergunning hadden. Niemand zou illegaal durven te gaan filmen tussen 5.000 agenten. De agenten werden ook niet nerveus dat iemand met een pistool tussen hen inliep, want een camera was alles rustig aan het registreren.’

De chaotische film is een mooie spiegel voor de turbulente jaren zeventig in New York. De stad was failliet, de misdaad nam alsmaar toe… en dat was nog maar het topje van de ijsberg van de problemen. Lees dit artikel in The Guardian over de brochure Fear City, met 9 tips hoe je New York kunt ‘overleven’. Of bekijk deze foto’s voor een indruk.

Aan de andere kant bloeiden er ook allerlei alternatieve scenes op: muziek, kunst en cinema. Zo waren de jaren zeventig een topdecennium voor de New Yorkse alternatieve film. De ‘auteursfilm’ werd populair bij het publiek en producenten investeerden meer in kleine producties. Onder anderen Martin Scorsese en Woody Allen braken door met hun New Yorkse films. New York kreeg daardoor twee kleuren: het duistere New York van Taxi Driver het lichtvoetige, intellectuele New York van Manhattan.

Niet alleen Scorsese en Allen, maar ook andere regisseurs maakten een aantal filmklassiekers in de stad. Films die mensen nog steeds zien, citeren, liefhebben. Veel films over steden maken nog steeds gebruik van de ideeën die je in deze films voor het eerst zag langskomen.

  • Mean Streets (Martin Scorsese)
  • Taxi Driver (Martin Scorsese)
  • Annie Hall (Woody Allen)
  • Manhattan (Woody Allen)
  • Serpico (Sidney Lumet)
  • Dog Day Afternoon (Sidney Lumet)
  • Klute (Alan J. Pakula)
  • Death Wish (Michael Winner)
  • The French Connection (William Friedkin)
  • Saturday Night Fever (John Badham)

En dat is nog maar de bovenlaag. Daaronder bevinden zich nog veel meer interessante films met de stad in de jaren zeventig in de hoofdrol:

  • The Landlord (Hall Ashby)
  • Panic in Needle Park (Jerry Schatzberg)
  • Across 110th Street (Barry Shear, over de grens tussen Manhattan en Harlem)
  • Black Ceasar (blaxploitation, ook van Larry Cohen!)
  • Wolfen (Michael Wadleigh)
  • Cops and Robbers (Aram Avakian)
  • The Warriors (Walter Hill)
  • Next Stop Greenwich Village (Paul Mazursky)
  • The Taking of Pelham 1,2,3 (Joseph Sargent)
  • Ciao Maschio (Marco Ferreri)
  • Girlfriends (Claude Weill)
  • Diary of a Mad Housewife (Frank Perry)
  • An Unmarried Woman (Paul Mazursky)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=XIFPoQ0BefI
Meer lezen: Michael Doyle: Larry Cohen: The Stuff of Gods and Monsters

 

Downtown 81

Downtown 81 (1981/2000): Basquiat die door de stad kuiert

Locaties: East Village, Manhattan

Een jongeman wordt wakker in een ziekenhuis. Hij wordt onderzocht en gezond verklaard. Hij loopt door getto’s, tagt obscure teksten op muren (Origin of cotton), ontmoet Beatrice die rondrijdt in een Coupe de Ville, en hem wil onderhouden. Ondertussen wil hij een schilderij verkopen.

We horen hem in zichzelf praten: ‘Neon-literatuur. Ik wilde de stad rood en zwart verven. New York is mijn type stad. New York ziet er groot uit en ik voel me groot. Ik ben onderdeel van het landschap. Ik ben een kunstenaar. Mensen vragen meestal: wat is je medium? Dan zeg ik: extra large.’

Het acteerwerk is niet geweldig en het verhaal evenmin; maar de film is een fantastisch curiosum. De hoofdrol van kunstenaar Jean is daadwerkelijk Jean Michel Basquiat! Toen maar negentien en nog niet beroemd. Ook al is dit fictie, we kijken echt naar Basquiats leven als jonge kunstenaar en muzikant (dat na te veel drugsgebruik zeven jaar na de film zou eindigen). Dat bestond toen uit zwerven, kunst verkopen, studio’s inlopen, mensen ontmoeten.

Schrijver Glenn O’Brien (lid van Andy Warhols Factory) wilde begin jaren tachtig een film maken over de bands die hij toen zag. De film zou aanvankelijk ook New York Beat heten. Die optredens waren de rode draad van de film, dus de alternatieve kunst- en muziekscene in 1981 in de wijk East Village.

Punk, hiphop, graffiti, kunst, new wave, reggae, mode, pop: alles komt langs. Een fascinerend portret van de roots van veel muziek- en kunststromingen. We zien ook beroemde clubs als Peppermint Lounge en Mudd Club. Edo Bartoglio regisseerde de film.

Basquiat is hier meer een rode draad dan de hoofdpersoon. De film daagt uit door hem langs het Guggenheim en Metropolitan Museum of Art op de 5th avenue te laten kuieren. En te laten kliederen als een kind in een fotoboek van Man Ray. Loopt met schilderij op straat. ‘Waar moet ik het adres zetten?’ ‘Schrijf maar op de achterkant.’

De weduwe van scriptschrijver O’Brien vertelde dat de doeken waar hij mee rondzeult in de film ook de eerste doeken waren die hij maakte als kunstenaar. Basquiat was dakloos ten tijde van de film en volgens de weduwe van O’Brien zorgde de film voor geld voor zijn eerste studio. Blondie kocht ook nog een werk van hem voor 200 dollar. Over deze vroege jaren van Basquiat gaat ook de recente documentaire Boom for Real.

Downtown 81 is een portret van ‘downtown’ Manhattan. Van de deprimerende shots van de Lower East Side in Manhattan tijdens de grote saneringsperiode, tot de alternatieve scene in East Village met kunstenaars, graffitikunstenaars en muzikanten. (Raar maar waar: ook acteur Vincent Gallo zit als muzikant in de film.)

De laatste echte avant-garde kunst- en muziekscene in de VS, zeggen sommigen. Ze hadden alleen elkaar om te helpen want ze hadden geld noch sociale media. Toch is die tijd romantiseren volgens muzikant Arto Lindsay geen goed idee. ‘Ik haat het als mensen romantiseren wat praktisch een oorlogsgebied was.’

Er was alleen een probleem: door een politiek schandaal kon productiemaatschappij Rizzoli de film niet afronden in 1981. De film bleef op de plank liggen. Glenn O’Brien kreeg met kunstenares/producent Maripol (partner van regisseur Bertoglio) na juridisch getouwtrek in 1998 de film in handen.

De post-productie begon in 1999. Alleen was de audioband met dialogen verloren geraakt. Die moest dus achteraf worden gedubd. Ook Basquiats stem… Door een acteur uiteraard, want hij overleed al in 1988.

Verwarrend! En de voice-over gooit er nog een schep verwarring bovenop: ‘Elke overeenkomst tussen de karakters en de werkelijkheid is… puur magisch.’ Nog magischer is dat de vreemde, off key klok in de film een track was van Basquiats band Gray (Drum Mode). En toppunt van magie is dat nou net die klok ook een grote rol speelt in seizoen 4 van Stranger Things

Ook de jaren tachtig in New York leverden films op die veel invloed zouden hebben op andere films:

  • Raging Bull (Martin Scorsese)
  • The King of Comedy (Martin Scorsese)
  • Do the Right Thing (Spike Lee)
  • Wall Street (Oliver Stone)
  • Prince of the City (Sidney Lumet)
  • Stranger Than Paradise (Jim Jarmusch)

Films over New York waren in deze tijd een stuk duisterder en vreemder. Ook werd er gretig gebruik gemaakt van het decor van de stad in een saneringsperiode.

  • 1990: The Bronx Warriors en Escape From the Bronx (Enzo G. Castellari, rip-offs van The Warriors uit 1979, maar wel beelden van de Bronx in 1982 en 1983)
  • Fort Apache: The Bronx (Daniel Petrie)
  • Born in Flames (Lizzie Borden)
  • Liquid Sky (Slava Tsukerman)
  • Cruising (William Friedkin)
  • Times Square (Allan Moyle)
  • Q: The Winged Serpent (Larry Cohen)
  • Ms 45 (Abel Ferrara)
  • Fear City (Abel Ferrara)
  • Maniac (William Lustig)
  • Lo squartatore di New York (Lucio Fulci, giallo in New York)

Speciale vermelding voor het golfje van graffitifilms/hiphopfilms begin jaren tachtig (al was het maar vanwege jeugdsentiment van ondergetekende): 

  • Stations of the Elevated: eerste echte film die graffiti observeerde, geen interviews (1981)
  • Wild Style: speelfilm over graffiti (1982)
  • Style Wars: prima neutrale documentaire van Tony Silver en Henri Chalfant (1983) met veel interviews en beelden van Bronx en Queens
  • Beat Street: speelfilm over hiphop (1984)
  • Beat This: A Hip-Hop History (1984): Britse documentaire met veel beelden van Bronx, en ook hiphop en graffiti
  • Krush Groove: speelfilm over het eerste grote hiphoplabel: Def Jam (1985)
  • Turk 182: speelfilm die losjes is gebaseerd op de eerste echte graffitischrijver van New York: Taki 183 (1985)

Meer lezen: https://www.gq.com/story/downtown-81-will-help-you-understand-your-80s-nyc-nostalgia en https://sightlinesmag.org/downtown-81-captures-the-new-york-era-when-basquiat-was-almost-famous

 

Paris is Burning (1990)

Paris is Burning (1990): dragcultuur van arm New York

Locaties: Greenwich Village, Manhattan

Afro-Amerikaanse dragqueens strijden in ballrooms met elkaar om prijzen. Ze horen bij ‘houses’: Xtravaganza, Venus, LaBeija en Ninja. We krijgen alle ins en outs van de modeshows in de ballrooms te zien en leren over ‘readen’ en ‘shades’.

We kijken naar de verschillende houses, en ontmoeten deelnemers en ‘moeders’ van die houses. Zoals voguer Willi Ninja. Of Pepper LaBeija, een realistische dragqueen: ‘Ik kan niet als een vrouw denken. Ik kan denken als een man die er als een vrouw uit wil zien.’ Of Octavia St.Laurent en Venus Xtravaganza die dromen van succes en modellenwerk.

Latino- en Afro-Amerikaanse drags ontwikkelden hun eigen dragcultuur. Het had een eigen stijl omdat ze opgroeiden in andere, armere wijken. Rijk worden met deze passie lag niet voor de hand. Vaak was het hard werken en leven in de schaduwkant van de stad. Wederom Pepper: ‘Dit is wit Amerika. De droom en ambitie als minderheid: te leven en er zo goed uit te zien als een wit persoon.’

Naast armoede (en homofobie) had een gay in die tijd ook te maken met aids. De epidemie trof de New Yorkse gaygemeenschap keihard. Ook prominente karakters uit deze film zijn ook aan aids overleden vlak na de film uitkwam. Je kunt het allemaal zien in deze video.

Sowieso was het voor velen in de film een hard bestaan. De film is dan ook redelijk heftig op het einde – wat je helaas niet anders verwacht bij een film over de zelfkant van de maatschappij.

Paris is Burning heeft jammer genoeg weinig buitenscènes. We zien vooral indoorbeelden van de ballrooms. We moeten het doen met een paar interviews aan waterkanten (vermoedelijk bij de Hudson in Greenwich Village). Toch is het portret van deze subcultuur echt een New Yorkse aangelegenheid. Deze ballrooms stonden aan de basis van veel trends, zoals de dans vogue. De film stond ook aan de basis van de Netflixserie Pose.

De film van Jennie Livingston wordt net zo vaak gezien als klassieker als een exploitatiefilm. Zelf heb ik niet het gevoel gehad dat de documentaire de verkeerde instelling heeft maar sommige deelnemers zijn de film gaan haten.

Meer films over de New Yorkse drag-cultuur:

  • The Queen (Frank Simon, 1968)
  • Lady Divine (John Waters, 1975)
  • How Do I Look (Wolfgang Busch, 2006)

Verder keerde film in New York in de jaren negentig weer terug naar misdaad. Met name de wijken Brooklyn en Bronx – jarenlang gemeden – werden herontdekt. Denk aan films als:

  • Goodfellas (Martin Scorsese)
  • A Bronx Tale (Robert De Niro)
  • Crooklyn (Spike Lee)
  • Clockers (Spike Lee)
  • Bobby G. Can’t Swim (John Luke Montias, obscure misdaadfilm over Hell’s Kitchen)
  • Bad Lieutenant (Abel Ferrara)
  • Ghost Dog: The Way of the Samurai (Jim Jarmusch)

En sommige New Yorkse indiefilms scoorden goed in de filmhuizen:

  • Smoke (Wayne Wang)
  • State and Grace (Phil Joanou)
  • Basquiat (Julian Schnabel)
  • Night on Earth (Jim Jarmusch)
  • Kids (Larry Clark)
  • Walking and Talking (Nicole Holofcener)

Meer lezen: https://www.theguardian.com/film/2015/jun/24/burning-down-the-house-debate-paris-is-burning

 

Man Push Cart (2005)

Man Push Cart (2005): een karretje met koffie door Manhattan sleuren

Locaties: Manhattan, Brooklyn

Ahmed duwt een karretje met koffie en thee in Manhattan. Hij verkoopt ook af en toe dvd’s.

Elke dag reist hij heen en weer (’s avonds laat en ’s ochtends vroeg) naar en van een appartement in Brooklyn. Daarbij sjouwt hij overal een butagasfles mee.

Een van zijn vaste klanten is een andere, welgestelde Pakistaan die hem thuis in Manhattan ontvangt om te helpen met klussen. Die ontdekt dat Ahmed een beroemde zanger is, de ‘Bono van Lahore’. Hij wil hem met concertpromotors verbinden en betere baantjes bieden.

Intussen ontmoet hij een Spaanse verkoopster van een andere karretje die iets in hem ziet, hoewel hij nooit lacht of charmant is. Later leren we waarom hij zo zwijgzaam is: hij is vorig jaar zijn vrouw verloren.

Méér op de straten van New York komen we niet. We zitten er in: hier oogt de stad echt als een betonnen jungle. Anonieme gebouwen, straten, mensen, auto’s. Dit is het leven voor veel New Yorkers: met een bepaalde bezigheid een schamel inkomen verdienen op de straat. En hopen op verbetering. Ahmeds gesjouw met zijn kar over New Yorkse straten (dat hij echt heeft gedaan) is het sterkste beeld van de film.

Aardige film voor wat betreft hoe de stad erin voorkomt, maar ook wel een arthouse-drama als vele anderen. Commentaarloos het geploeter van één persoon volgen. Iemand zien worstelen met een depressie (inclusief kittendrama). Sobere filmstijl. De film van Ramin Bahrani heeft geen charmante dialoog, sprankelend karakter, onverwachte wending, of iets van humor.

Uniek beeld van de stad maar dat gebrek aan eigen visie is toch jammer. Hoofdpersonen die niets willen, zijn lastige hoofdpersonen om naar te kijken.

In de jaren nul is New York vooral behang in actiefilms, horrorfilms, remakes (heel veel) en romantische komedies. De stad is vaak ‘in gevaar’, wat mogelijk verwijst naar het collectieve trauma van de aanslag op 11 september 2001 in New York.

De gentrificeerde stad levert niet meer de klassiekers af zoals in de jaren zeventig en tachtig; toch waren er wel wat indiefilms die allemaal op een eigen manier de stad laten zien:

  • Sidewalks of New York (Edward Burns)
  • Pieces of April (Peter Hedges)
  • 25th Hour (Spike Lee)
  • Before the Devil Knows You’re Dead (Sidney Lumet)
  • Precious (Lee Daniels)
  • Brooklyn’s Finest (Antoine Fuqua)
  • The Notorious Betty Page (Mary Harron)
  • Keane (Lodge Kerrigan)
  • New York, I Love You (diverse regisseurs)

Over indie gesproken, de New Yorkse indiecinema (‘mumblecore’) brak ook door in deze periode:

  • Funny Ha Ha (Andrew Bujalski)
  • Quiet City (Aaron Katz)
  • Dance Party U.S.A. (Aaron Katz)
  • Manito (Eric Eason)
  • Hannah Takes the Stairs (Joe Swanberg)
  • Nights and Weekends (Joe Swanberg en Greta Gerwig)
  • Frances Ha (Greta Gerwig)

Meer lezen: https://www.criterion.com/current/posts/7292-man-push-cart-a-melancholy-pull

Kortom…

New York en films: een liefde die al een eeuw duurt. Misdaad is de duidelijkste link tussen die twee. Je kunt zo een stapel misdaadklassiekers opnoemen die er zijn opgenomen. De stad was de bakermat van diverse beroemde regisseurs die zich in dat genre ontwikkelden.

Maar er was ook cultuur. New York had broedplaatsen voordat broedplaatsen bestonden. De focus van de kunstwereld lag decennialang op New York. Graffiti, hiphop, new wave/punk kwamen hiervandaan. Alleen werd die wereld helaas minder vaak naar celluloid gebracht dan de misdaad. De muziek deed het beter en elk genre heeft zo zijn klassieken (denk aan Sid and Nancy voor punk).

Wat goed past bij de stad waar niemand zelf kookt, zijn beroemde filmrestaurants. Denk aan locaties als Katz Diner (When Harry met Sally), Tom’s Restaurant (Seinfeld), Carnegie Deli (Broadway Danny Rose), Café des Artistes (My Dinner with Andre), Lenny Pizza (Saturday Night Fever), en dus 21 Club en Toots Shor’s… Om maar een paar te noemen.

Ik denk dat er geen periode méér New York is dan het einde van de jaren zeventig en begin jaren tachtig. Rauw, vies en experimenteel, alternatief. Zelfs Manhattan had verpauperde stukken. Niet voor niets werd het half gesloopte South Bronx veel in films over apocalyptische tijden gebruikt. Het zal ook zo gevoeld hebben. De liefhebber van deze tijd kan ik de serie The Deuce aanraden: een doorleefd portret van de ‘stedelijke ecosystemen’ in een tijd dat zelfs Times Square verloederd was.

Het mooie is wel dat New York zelf zijn eigen talenten ontwikkelde. Denk bijvoorbeeld aan Alvie die in Annie Hall zegt: “Denk je niet dat de rest van het land naar New York kijkt alsof we linkse, communistische, Joodse, homoseksuele pornografen zijn? Ik denk soms ook zo over ons en ik woon hier.”

 

Overige bronnen 

 

Lees ook deel 1: Camera Obscura Special: Parijs
Lees ook deel 3: Camera Obscura Special: Londen
Lees ook deel 4: Camera Obscura Special: Tokio

 

5 september 2022

Camera Obscura Special: Het échte Parijs

Camera Obscura Special:
Het échte Parijs

door Bob van der Sterre

Parijs alias de lichtstad. Al sinds mensenheugenis een bron van inspiratie voor regisseurs. Films als Breathless, Jules et Jim, Last Tango in Paris, La Haine en Amélie maakten de stad nog beroemder. De mooiste en beste films over en in Parijs: de eerste aflevering in de serie Camera Obscura Special over films in wereldsteden.

Het valt bij films over Parijs op dat vooral Amerikanen het romantische beeld van Parijs koesteren. Denk aan Woody Allens Midnight in Paris, Linklaters Before Sunset, Baz Luhrmans Moulin Rouge, Stanley Donens Funny Face, Martin Scorsese’s Hugo, Nora Ephrons Julia & Julia of zelfs Pixars Ratatouille. Parijs is een mooie, romantische, bijzondere stad. Een oase onder de wereldsteden.

Paris, Je t’aime (2006)

Het is een Parijs dat niet echt bestaat – tenzij in de verbeelding van de Amerikaanse regisseurs. Toppunt van die liefdesverklaring is Paris, Je t’aime (2006) met over bijna elk arrondissement een korte film. Onder meer met bijdragen van de Coen-broers, Gus Van Sant, Alexander Payne en Wes Craven.

Ware liefde is ook dat je mindere punten accepteert. In Franse films over Parijs zie je vaak drukke boulevards (erfenis van Baron Haussmann, een van de meest beroemde (of beruchte) stadsplanners van de geschiedenis), de gevolgen van stadsverbouwing en zijn we ooggetuige van misdaad. Films als L.627 (Tavernier), Brief von Paris (Borowczyk) en La Haine (Kassovitz) laten een Parijs zien dat de Amerikanen zich niet kunnen voorstellen.

Dit zijn geen recensies of analyses van films! Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

 

Bassin des Tuileries (1896)

Bassin des Tuileries (1896): de gebroeders Lumière in Parijs

Locaties: Centrum, 1e arrondissement

Rondom de Lumière-broers bestaan na 125 jaar nog steeds misverstanden:

  1. Ze maakten níet de oudste film ter wereld; in Leeds was al in 1888 iemand bezig.
  2. Er bestonden al oudere opnamen van Venus (meer in de documentaire All Light Everywhere).
  3. Hun eerste films gingen níet over Parijs (ze waren geboren in Besançon en filmden hun lokale grote stad, Lyon, als eerste).
  4. De beroemde treinaankomst in Le Ciotat (vlakbij Marseille) is níet de oudste film van de Lumière-broers; daarvoor hadden ze al twintig korte films gemaakt.

Wel waren ze met hun ‘cinematographe’ verantwoordelijk voor de eerste commerciële filmvoorstelling in Parijs. Dat gebeurde in 1895 in de Salon Indien aan de Boulevard des Capucins.

De oudste film van Parijs is nog niet zo eenvoudig als het lijkt om uit te vogelen via de catalogus van de Lumière-studio. De oudste zou deze opname van de vijver van Tuileries kunnen zijn (april 1896). Of deze opnamen van de Champs Elysées (ook april 1896). Er is ook een opname van de autorit van Paris-Meudan bij Porte Maillot (mei 1896).

Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan. Deze digitaal gerestaureerde video met films van Parijs combineert diverse Lumière-films uit de periode 1896-1900. We kijken achtereenvolgens naar opnamen van de Notre-Dame, Pont de l’Alma, Avenue des Champs-Élysées, Place de la Concorde, de brandweer, Tuileries (van de titel), een rolstoep en de Eiffeltoren. De video werd gemaakt door Guy Jones en ingekleurd door Denis Shiryaev.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=fo_eZuOTBNc
Meer lezen: https://catalogue-lumiere.com/faq-movies/

 

Fantômas contre Fantômas (1914)

Fantômas contre Fantômas (1914): fragmenten van Parijs

Locaties: Parc des Buttes Chaumont en veel interieurlocaties, 19e arrondissement en elders in Parijs

De eerste speelfilms die zich (letterlijk) in Parijs afspeelden waren de Fantômas en Les Vampires-series van Louis Feuillade. Grappige, interessante films met veel snelheid en actie. De vroegste pulpfilms zou je kunnen zeggen, uit een tijd dat films net aandacht begonnen te krijgen.

Veel van Parijs zie je niet want bijna alles speelde zich binnen af in Parijse studio’s. Er waren een paar buitenlocaties. Zoals het shot van het Parc des Buttes Chaumont in Fantômas contre Fantômas (1915). In Fantômas III – Le mort qui tue (1913) zien we hetzelfde park en de daken van het Palais de Justice. Verder is er weinig te zien.

Aardig is de link met een andere Parijse film uit 1996: Irma Vep, van Olivier Assayas. Jean-Pierre Léaud worstelt daarin als regisseur met een nieuwe Vampires-film. En dat heeft ook een cinematografische link want Léaud dwaalde zelf in diverse Truffaut-films ook overal en nergens rond door Parijs.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=7tyaZ3_wnww
Meer lezen: https://traumundexzess.com/2015/03/15/fantomas-20187271/

 

Paris qui dort (1924)

Paris qui dort (1924): Parijs op de pauzeknop

Locaties: Faubourg Saint-Germain, 7e arrondissement

De eerste echte noemenswaardige outdoor-film over Parijs is de komische zwijgende film Paris qui dort van René Clair uit 1924. Albert woont en werkt bovenop de Eiffeltoren. Ga dan maar ‘even’ een krant halen. We zien hoe hij alle trappen omlaag loopt. De Parijse straten zijn opeens leeg, zelfs de Place de la Concorde. Wat is er gebeurd? Hij ziet mensen maar ze staan stil.

Dan ontmoet hij een aantal mensen die ook gewoon bewegen, waaronder een zakenman, een agent met dief en een vrouw ‘wier enige doel is om plezier te hebben’. Zij beseffen dat om 15:25 alles wat zich niet in de lucht bevond tot stilstand gekomen. Zo betrapt de zakenman zijn stilstaande vrouw met een stilstaande minnaar.

Het geeft kopzorgen. Dan beseffen ze dat alles mogelijk is: zwemmen in de vijvers van Trocadero, woningen plunderen, ergens jezelf volvreten. Ze ontmoeten vervolgens een vrouw en haar oom blijkt een straal te hebben ontworpen die de wereld stilzet. ‘Wakker worden? Daar heb ik nooit aan gedacht eigenlijk.’ Dan blijkt de pauzeknop ook een groot wapen te zijn.

Interessante speelse film over Parijs; knap werk voor een debuut (regisseur was René Clair). De lege straten: de cinema zou het nog vaak gaan terugzien. Ik genoot van de effecten met vogelperspectieven vanaf de Eiffeltoren. Doen ook denken aan het werk van Harold Lloyd in Safety Last! dat een jaar ervoor was gemaakt. Na bijna 100 jaar ziet het er nog steeds ingenieus uit.

En dit was min of meer het filmdebuut van de beroemde toren, die daarna niet meer weg te denken was in cinema over Parijs en bijna overal een ‘cameo’ maakte.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=RP6JkUdMRrE
Meer lezen: https://festival.ilcinemaritrovato.it/en/film/paris-qui-dort-2/

 

Le roi des Champs-Élysées (1934)

Le roi des Champs-Élysées (1934): Buster Keaton in Parijs

Locaties: Champs Elysees, Trocadero, 8e en 16e arrondissement

Buster Garniers baantjes gaan telkens mis. In plaats van nepgeld uitgeven, geeft hij echt geld uit. En dan wordt hij acteur, speelt hij een crimineel maar is er een verwisseling met een echte crimineel.

In 1934 had Buster Keaton in de VS weinig mogelijkheden meer. In Frankrijk zagen ze hem nog wel graag in de cinema en reisde hij daarheen met zijn vrouw met de boot (om geld te besparen). Hij deed er drie films die als redelijk obscuur de boeken zijn ingegaan.

Parijs is hier vooral in het begin in beeld, als Buster rondrijdt om het namaakgeld uit geven. We zien Buster als een ster op de Champs-Élysées vanuit de auto met geld smijten. We zien Buster ook geld uitdelen bij Café du Trocadero. Dat is nu een prachtig art deco-café vlakbij Place Trocadero en de Eiffeltoren. Verder vooral interieurscènes, de villa van de gangster en het theater.

Het is niet Keatons beste natuurlijk maar er zijn wel wat vermakelijk persoonsverwisselingen (sukkelige Buster en ruwe gangster). De beste stukjes van de film: het huwelijk dat Keaton verpest door echt geld uit te delen, de mislukte zelfmoordactie (gas wordt afgesloten), de twee vechters die geld krijgen en dan weer doorvechten, de schattigheid van zijn eerste ontmoeting met actrice Paulette Dubost, en de klassieke onnozelheid als hij op het toneel een muurtje moet beklimmen.

Gek idee: hij werd gedubd door een acteur die een raar Amerikaans accent deed. Een keer hoor je Keaton zelf zeggen: Go get me a drink. En de achtervolging doet denken aan Das Testament des Dr. Mabuse? Dat klopt! Die opnamen werden gebruikt om de kosten te drukken.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=G8jkwmVr104
Meer lezen: https://thelostlaugh.com/tag/buster-keaton-talkies/

 

Les Dames du Bois de Boulogne (1945)

Les Dames du Bois de Boulogne (1945): de bossen van Parijs

Locaties: Bois du Boulogne, Boulogne-Billancourt (nabij 16e arrondissement), 2e en 18e arrondissement

Wat doe je als je favoriete man zegt dat hij óók blij is als jij het uitmaakt? Terwijl jij dat alleen deed om zijn aandacht te krijgen. Dan bedenk je natuurlijk een gemeen plan: je biedt een prostituee een adres en laat haar jouw favoriete man zijn hoofd dol maken. En dan hopelijk rent hij weer terug in je armen. Dat is het plot van Les Dames du Bois de Boulogne. Het gaat natuurlijk altijd anders.

De jaren veertig hebben weinig films met buitenscènes te bieden. Heel veel werd (om begrijpelijke redenen) in studio’s gefilmd. Het zat in elk geval niet in de weg om klassiekers te maken: Quai des Orfèvres, Orphée, Les Portes de la Nuit, Les Enfants du Paradis. Prachtige films die zich afspelen in Parijs. Maar ‘studio Parijs’ is toch wat anders dan ‘echt Parijs’.

Deze redelijk bekende film van Robert Bresson kun je met zijn vele interieurshots ook nauwelijks een Parijse film noemen. We zien een paar shots van het Bois du Boulogne. Dat zie je niet heel vaak in films. We kijken bijvoorbeeld naar de waterval van het Bois du Boulogne, net zo kunstmatig als de twee namaakgrotten in het park. Daar houdt het verder wel mee op.

Meer lezen: https://www.criterion.com/films/451-les-dames-du-bois-de-boulogne

 

Bob le Flambeur (1956)

Bob le Flambeur (1956): nachtelijk gedoe in Montmartre

Locaties: Place Pigalle, Montmartre; 9e en 18e arrondissement (en Normandië)

Bob le Flambeur, de drinkende gokker (‘le flambeur’), is goede maatjes met de politie. Hij is een crimineel buiten dienst. Wat zulke lui doen: spelletjes kaart spelen, slempen in bars en rondrijden. Pigalle, Montmartre, toen nog een achterbuurt, is zijn wijk.

Een dame krijgt een sandwich bij de bar aangereikt. ‘Laat die sandwich’, zegt hij, ‘kom bij ons zitten voor een echte maaltijd.’ Later vraagt ze: ‘Wat gaan we doen?’ ‘We? Het is tijd om te slapen.’ ‘En? Slaap ik bij jou vanavond?’ Stopt geld in haar tasje. ‘Neem een hotel.’

Het verhaal draait om een ‘laatste job’. Als Bob een koffer met 800 miljoen franc kan stelen, kan hij mooi gebruikmaken van zijn goede reputatie bij de politie. Niemand die hem ervan verdenkt. Hij doet het met hulp van een aantal makkers. Hoe verbazingwekkend in 1956 een overval werd voorbereid: je oefende gewoon op een grasveldje.

Bob le Flambeur bouwt rustig op. Het misdaadverhaal biedt veel aandacht voor het menselijke element. En dan krijg je nog die mooie beelden erbij. Avontuurlijke shots, creatief gebruikmakend van zwart-wit-tegenstellingen. Sfeervolle beelden van kroegen vol rook. De opnamen duurden maar liefst twee jaar. Het oog voor detail betaalt zich uit want de film bulkt van de sfeer.

Daarmee wedijvert de film met de beste Amerikaanse film noirs. Geen wonder dat diverse Amerikaanse regisseurs van naam fan zijn van Bob le Flambeur, zoals Stanley Kubrick, Quentin Tarantino, Paul T. Anderson en Jim Jarmusch. Regisseur Jean-Pierre Melville ontwikkelde een eigen stijl en zou hierna het misdaadgenre een nieuwe draai geven met films als Le Samouraï, Le doulos en Le cercle rouge. Dat betekent niet dat hij een eitje had aan deze film: Melville kon zijn acteurs amper betalen; hoofdrolspeler Roger Duchesne had een drankprobleem (dus dat acteert ie niet); en de actrice was nog geen zestien…

Het 9e en 18e arrondissement in het noordwesten van de stad waren in de jaren vijftig nog wel vrij ruige wijken. ‘Montmartre is tegelijk hemel… en de hel’, begint de film. Het was in de jaren negentig mijn eigen eerste ontmoeting met Parijs: uitstappen in Gare du Nord en een hotel vlakbij Boulevard Barbès Rochechouart. En al die neonsekskitsch bij Place Pigalle – waar trouwens François Truffaut opgroeide. Als Amsterdammer uit een achterstandswijk voelde ik me daar trouwens prima op mijn gemak.

De jaren vijftig bracht meer Parijse outdoor-klassiekers voort:

  • Les quatre cent coups (de eerste van de Doinel-reeks van François Truffaut, een klassieker)
  • Pickpocket (Robert Bresson)
  • Si Paris nous était conté (Sacha Guitry)
  • Les amants (Louis Malle)
  • Du rififi chez les hommes (Jules Dassin)

Meer lezen: https://www.parisupdate.com/montmartre-decor-de-cinema/

 

La boulangère de Monceau (1963)

La boulangère de Monceau (1963): arrogante koekjespeuzelaar

Locaties: Monceau, Clichy, Batignolles; 8e en 17e arrondissement

Twee mannen – studenten – lopen over Boulevard Batignolles. Ze zien telkens een leuke vrouw passeren en op een dag trekt een de stoute schoenen aan. Ze blijkt Sylvie te heten. ‘Wil je een keer wat drinken?’ ‘Niet nu. We zien elkaar toch vaak genoeg op straat.’

De jongeman loopt rond maar ziet haar nooit meer. Tijdens zijn pauzes wandelt hij steeds verder, in de hoop een glimp van Sylvie op te vangen. We zien en horen hem voice-overend slenteren door Rue Levis, Rue Legendre, Rue Saussure en Rue Lebouteux, waar op de hoek het bakkerijtje zit dat hij binnengaat. Daar koopt hij elke dag een koekje bij hetzelfde bakkerijmeisje: Jacqueline.

Hij regelt een date met Jacqueline. Hij wil er eigenlijk niet heen maar ‘mijn groep vrienden was er niet’ en ‘Het was een tijdsbesteding zo goed als alle andere’. Later: ‘Het schokte me dat ze dacht dat ik haar leuk zou vinden. Ze moest leren om niet met vuur te spelen.’

De hoofdpersoon ergert iedere filmkijker denk ik, maar een plus is dat de film zich bijna helemaal buiten afspeelt. We kijken naar het 17e arrondissement (pal naast het arrondissement van Bob le Flambeur). Aardig dat Barbet Schroeder, ook een beroemd filmmaker (documentaire Idi Amin, speelfilms Barfly en More), de antipathieke slenteraar speelt. Triple leuk is dat regisseur Bernard Tavernier, ons helaas pas ontvallen, de voice-over doet.

Voor de vrouwen in de film liep het minder goed af: Claudine Soubrier speelde nooit meer een andere rol dan dit bakkerijmeisje; Michele Girardon, Sylvie in de film, werd maar 36 jaar (pleegde zelfmoord). Zij had de hoofdrol in Rohmers film Le Signe de Lion een jaar eerder, waarin trouwens ook half Parijs wordt doorgewandeld.

Een plus van de film is het inkijkje in de befaamde wereld van de Franse taartjeswereld. Met verrukkelijk ogende sablés, abrikozentaartjes, gâteaux Lorraines, appeltaarten en een ‘baba’ (rumcake). En hij propt het allemaal even oncharmant naar binnen op straat en flikkert de zakjes meteen in de goot (lekker milieubewust). En de bakkerij zelf? Die is er natuurlijk niet meer, hoewel er aan de huizen hier weinig is veranderd.

Eric Rohmers films zijn zo ongelooflijk gelijkmatig altijd. Statische kletspartijen, weinig emoties, maar ze prikkelen je daardoor juist wel. Dit was de eerste ‘morele vertelling’ van de uiteindelijk zes die Rohmer er zou maken. In 1963 filmde hij deel twee van de morele vertellingen: La carrière de Suzanne. Dat zit wat complexer maar ook wat rommeliger in elkaar. Het was dus het begin van een serie van zes films, waarvan ik persoonlijk Ma nuit chez Maud de mooiste vind.

De jaren zestig boden enorm veel outdoor-opnamen van Parijs: de nouvelle vague in volle bloei:

  • Paris vu par… (diverse regisseurs)
  • Adieu Philippine (Jacques Rozier)
  • Paris nous appartient (Jacques Rivette)
  • Zazie dans le Métro (Louis Malle)
  • Jules et Jim en de hele Antoine Doinel-serie (François Truffaut)
  • À bout de souffle (Jean-Luc Godard)

Meer lezen: https://www.criterion.com/films/786-the-bakery-girl-of-monceau

 

Touche pas à la femme blanche (1974)

Touche pas à la femme blanche (1974): western bij Les Halles

Locaties: Les Halles; 1e arrondissement

In Touche pas à la femme blanche van Marco Ferreri kan generaal George Custer niet wachten tot hij de indianen zal verpletteren. Hij heeft het nergens anders over. Ondertussen wordt hij verliefd op Marie-Hélène, die dus niet aangeraakt mag worden door een indiaan, Mitch, een informant van Custer. Buffalo Bill trekt zich weinig aan van Custer.

De eigengereide filmer Marco Ferreri koos ervoor om de slag om Little Big Horn – en de aanloop – op en rondom Les Halles te filmen. Dat werd in 1974 ten tijde van het filmen neergebuldozerd en vervangen door een modern (en overdekt) winkelcomplex. Wie wil weten hoe het ooit was: bekijk deze film.

Een geweldig decor en de film pakt daardoor prachtig uit. De vechtpartijen, de paarden, schermutselingen zijn allemaal op de restanten van de sloop van de gebouwen rond Les Halles. Als de toren opgeblazen wordt, verwerken ze dat in het verhaal. Twee legerleiders kijken naar een huis dat gesloopt wordt met een sloopkogel. ‘Dat is nou vooruitgang.’ Of wanneer een kanon wordt afgeschoten en daarna de hallen instorten.

Anders dan in Les visiteurs zijn er geen eindeloze grappen over de confrontatie met de moderne tijd. De karakters nemen het allemaal zoals het is. Zoals Custer die naar een Coca Cola-reclame wijst en zegt: ‘Mijn vrouw’. Veldslag in een bouwput. Indianen die wapens bekijken in een moderne wapenwinkel.

Krachtig is de spot met racisme (en kolonialisme). ‘Ik snap de indianen niet. Het is toch duidelijk dat de Heer dit land aan de blanken heeft gegeven zodat ze zich kunnen vestigen.’ ‘Soms denk ik wel eens dat ze door demonen bezeten zijn.’ De film gaat niet over waar het wél over lijkt te gaan: de Amerikaanse geschiedenis.

Het aardigste is dat je kunt genieten van de komische talenten van zowat de hele Franse acteerelite van de jaren zeventig. Ze kwamen allemaal opdraven in de bouwput van Les Halles: Serge Reggiani, Michel Piccoli, Philippe Noiret, Catherine Deneuve, Alain Cuny, Ugo Tognazzi en Marcello Mastroianni. En niemand is hier uit de toon. Allemaal voelden ze de absurde humor aan die Ferreri met zijn film beoogde. Zoals de geweldige scène waarin Catherine Deneuve en Marcello Mastroianni naar elkaar smachten en zij dan ernstig zegt: ‘Mijn arme hart is als een galopperende pony.’

De jaren zeventig was sowieso een topdecennium voor films met Parijs in een ongewone setting:

  • Brief von Paris (Valerian Borowcyk)
  • Daguerrotypes (Agnes Varda; portret van winkeliers in de straat waar zij leefde, Rue Daguerre)
  • C’était un rendez-vous (Claude Lelouch scheurt door Parijs in een korte ‘film’)
  • Last Tango in Paris (Bernardo Bertolucci)
  • Céline et Julie vont en bateau (Jacques Rivette)
  • Le grand blond avec une chaussure noire (Yves Robert)
  • Buffet Froid (Bernard Blier; komedie rondom de flats in La Defense)
  • Les Lieux d’un Fugue (Georges Perec)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=LyJbSPd-yAk
Korte documentaire over de film: https://www.dailymotion.com/video/xff7wf

 

Le Pont du Nord (1981)

Le Pont du Nord (1981): tour door Parijs

Locaties: 48 verschillende locaties door heel Parijs; 3e, 4e, 5e, 9e, 10e, 12e, 14e, 15e, 16e, 19e en 20e arrondissement

Twee vrouwen klungelen wat aan in Parijs tot ze elkaar tegenkomen via een ongeluk. Ze kopen croissantjes, bekijken standbeelden van leeuwen, posten brieven. De een houdt van vandalisme, de ander is op zoek naar iemand.

Pas na twintig minuten beginnen Marie en Baptiste met elkaar te praten. Een opmerkelijk vrouwelijk verhaal van de hoofdrolspeelsters zelf, die moeder en dochter zijn in het echt: Bulle (Marie) en Pascale Ogier (Baptiste, al heel modern aldoor met een enorme koptelefoon op). Ze schreven dat samen met Suzanne Schiffmann en regisseur Jacques Rivette.

Het script is langdradig en vaag en Pascale kan niet zo goed acteren. Toch is er veel ongewoons in details te zien. Solex en motor dagen elkaar uit als moderne paarden. Een levensgevaarlijke spurt naar de Arc de Triomphe. Flauwvallen in de metro. Wakker worden in een auto.

En natuurlijk véél Parijs: 48 locaties in verschillende arrondissementen. Iemand heeft ze allemaal opgezocht en er zelfs een kaart van gemaakt. Le Pont du Nord bevat cameragenieke locaties als de Arc de Triomphe, Place Denfert-Rochereau, Rue de Bellefon (die komt ook voor in Le Grand Blond), Place Gustave Toudouze, Rue des Eaux, Place Félix Eboué (fontein met leeuwenstandbeelden), Pont Bir-Hakeim, Place Stalingrad, Rue d’Hautpoul, de markt bij Le Carreau du Temple, Rue Perrée, La Petite Ceinture (verlaten treinspoor). Je kunt praktisch in hun voetsporen lopen.

De film hopt vrij achteloos van de ene plek naar de andere. Echt logisch is het niet maar de stad is hier een soort fraaie bijzaak in een film die zich helemaal buiten afspeelt. Passend dus bij het concept van de nouvelle vague. Rivette bleef trouwer aan dat concept dan Godard. Voor deze film maakte hij eerst nog een versie van 30 minuten, Paris s’en va. In feite dezelfde beelden maar zonder dialoog.

Ook hier het thema van de huizensloop. In Le Pont du Nord zien we in de Rue de la Croix Saint-Simon (Montreuil, 20e arrondissement) een Parijs met hekken en hijskranen, dat stinkt van de dieseldampen. Met de afbraak van de abattoirs van Vaurigard doet de film ook denken aan Touche pas à la femme blanche. En net als bij Tati wil een moderne telefooncel je liever vermoorden dan je helpen. Dit Parijs van 1981 is niet romantisch, maar ook niet cynisch; simpelweg een moderne stad.

Er zijn niet enorm veel filmklassiekers in Parijs van de jaren tachtig:

  • Diva (Jean-Jacques Beineix)
  • Les uns et les autres (Claude Lelouch)
  • Les nuits de la pleine lune (Éric Rohmer)
  • Police (Maurice Pialat)

Meer lezen: https://www.thecinetourist.net/le-pont-du-nord-locations-identified.html

 

Chacun cherche son chat (1996)

Chacun cherche son chat (1996): buurt zoekt kat

Locatie: Bastille; 11e arrondissement

In Chacun cherche son chat (1996) brengt Chloe haar kat (Gris-Gris) vanwege een vakantie tijdelijk onder bij Madame Renée. De kat loopt weg. Voor ze het weet, bemoeit de hele buurt zich ermee. Djamel gaat wel héél enthousiast zoeken terwijl Chloe juist ook driftig op zoek is naar liefde.

Mijn lievelingsfilm in hoe Parijs wordt neergezet als gemeenschap. Het idee is eenvoudig maar effectief: door een spoorloze kat worden burenrelaties ineens herontdekt. Een pure liefdesverklaring aan het arrondissement waar ik zelf ook twee weken ‘woonde’: het 11e arrondissement, ten oosten van de Place de la Bastille. Een leuke, gemengde wijk, waar de toeristen niet snel komen want er zijn geen echte attracties. In de film zien we onder andere de Passage de Taillandiers, Rue de Charonne, Avenue Ledru-Rollin. Café Pause bestaat ook nog steeds!

De film laat zien dat een komedie ook serieuze thema’s kan behandelen, zoals gentrificatie en eenzaamheid. Het eerste beeld zegt genoeg: vier hijskranen in beeld. Het barst van de gebouwen die gesloopt worden (ook hier weer een flashback naar Touche pas à la femme blanche) en braakliggende terreinen. Lokale winkeltjes worden vervangen door dure, hippe kledingzaken die niets met de buurt hebben. Madame Renée klaagt er al over: ‘Koffie is duur bij die cafés. Tien franc voor een bakje. Elders kost het maar vier franc. Dat is ook prima.’

Regisseur Cédric Klapisch heeft altijd een lichtvoetige manier van vertellen. Zo introduceert hij het 11e arrondissement met geluid van een drummer. Terwijl Chloe door de wijk loopt, gaat de drumbeat mee. Ook het shot van de kakofonie van telefoongesprekken is mooi in beeld gebracht. En hoe ze op vakantie gaat, is hilarisch. Misschien zijn alleen de droompassage en Chloe’s flirt met haar huisgenoot iets teveel van het goede.

Latere films van Cédric Klapisch werden meer soapy en langdradiger (denk aan de trilogie L’auberge espagnole (2002, Barcelona), Les poupées russes (2005, Sint-Petersburg) en Casse-tête chinois (2013, New York)). Hoofdrolspelers: Audrey Tautou en Romain Duris (die hier de drummer speelt). Toch zijn die film nog steeds goed te doen en daarnaast waren ze ook nog eens een commercieel succes. Dan is er nog Klapisch’ Paris (2008), óók met Romain Duris: een ex-danser bekijkt de stad gedwongen vanaf zijn balkon omdat hij een hartprobleem heeft.

In de jaren 90 werd meer dan ooit in Parijse straten gefilmd:

  • La Haine (Matthieu Kassovitz)
  • L.627 (Bertrand Tavernier)
  • Les amants de Pont-Neuf (Leos Carax)
  • On connaît la chanson (Alain Resnais)
  • Okno v Parizh (Yuri Mamim)
  • Louise (Take 2) (Siegfried)
  • Les rendez-vous de Paris (Éric Rohmer)

Meer lezen: https://filmkrant.nl/recensies/chacun-cherche-son-chat/

 

De battre mon cœur s'est arrêté (2005)

De battre mon cœur s’est arrêté (2005): vuist versus piano

Locatie: diverse plaatsen; 1e en 14e arrondissement

Om muziek te oefenen heb je rust in je donder nodig. Dat heeft Thomas niet. Als beroep slaat hij mensen uit hun huizen. Zijn vader is ook nog eens onhandig met geld. Als Thomas de ‘Toccata’ van Bach oefent, lijkt zijn voornaamste doel om zo snel mogelijk het einde te bereiken. En daar is zijn Chinese pianojuf niet zo blij mee.

Een drama dat goed in elkaar zit, dat zie je niet elke dag. Het is niet feilloos (het morele dilemma van de hoofdpersoon zie je van ver aankomen, er blijven wat verhaallijnen onafgerond). Het is vooral de kraak en smaak waarmee Jacques Audiard deze remake van Fingers (1978) in elkaar heeft gezet. En hoe goed Romain Duris past in de rol van Thomas Seyr: nerveus, opgejaagd, gozer van de straat, en ook een beetje kunstzinnig.

Het Parijs in deze film is volstrekt anoniem. Bars, cafés, straten, boulevards, huizen: je herkent helemaal niets. Er is geen bordje of naam van een plek te zien. We zien alleen (het intussen gesloten) Café Les Jardins d’Issoire. Parijs is misschien bedoeld als een stedelijke vertaling van New York in het origineel: dan is de Eiffeltoren niet zo gepast.

De jaren nul zijn een afspiegeling van de tijd: weinig films weten meer van Parijs te maken dan clichés. Neem een grote misdaadfilm als 36 Quai des Orfèvres. Heeft zelfs een adres als naam maar trekt toch meer tijd uit voor nietszeggende close-ups dan voor de stad zelf. The Dreamers van Bertolucci komt bij mij toch niet verder dan een krampachtige poging om Jules et Jim te evenaren.

De stad figureert meer dan ooit in grote Hollywoodfilms (The Bourne Identity, The Da Vinci Code, The Devil Wears Prada, Before Sunset, Inception, Taken). Het is meer de stad waar de film neerstrijkt, dan een film die écht over de stad gaat. Franse (indie-)cineasten filmen volgens mij juist steeds vaker in andere steden en gebieden in Frankrijk. Voor deze periode kan ik alleen de tv-serie Engrenages (2005-2020) aanraden voor meer van het échte Parijs.

Meer lezen: https://www.lemonde.fr/cinema/article/2005/03/15/de-battre-mon-c-ur-s-est-arrete-dans-la-ville-corrompue-par-l-argent-la-redemption-est-au-bout-des-doigts_401700_3476.html

 

Overige bronnen

 

Lees ook deel 2: Camera Obscura Special: New York
Lees ook deel 3: Camera Obscura Special: Londen
Lees ook deel 4: Camera Obscura Special: Tokio

 

5 juni 2022

Films om niet tijdens Kerst aan te zetten

Films om níet tijdens Kerst aan te zetten

door Bob van der Sterre

Black Christmas ♦ Le Viager ♦ The House Without a Tree

 

Ligt een verdrietige kerst op de loer? Treurige gevoelens door familieperikelen die nu naar de oppervlakte komen? Dan is er nóg een reden om treurig te worden: de voorlopig laatste Camera Obscura!

Vrolijker kan ik het sombere filmjaar 2021 niet maken. Wel treuriger. Ik heb best wat aardige films gezien op Imagine maar geen van die verrassende films kwam uit in de bioscoop, waar ik zelf ook niet meer kwam, dankzij coronaproblemen. Het filmleven ligt op zijn gat en het wordt voorlopig niet beter. Het hybridefilmfestival is een lichtje in de duisternis maar je mist wel de sfeer. Zoals in de rij staan en verplicht rare gesprekken moeten afluisteren, gekuch in de zaal, gestommel van de laatkomers die schijnend met het licht op hun mobiel hun weg proberen te vinden.

Daarom sla ik dat hoofdstuk maar snel dicht en keer ik terug naar mijn vertrouwde honk: Camera Obscura… Nadat ik in augustus 2020 besefte dat ik tien jaar alweer aan deze rubriek werkte, dacht ik: ik kan dit nog tien jaar blijven doen, maar wil ik dat? Aan de films en de onderwerpen ligt het niet. Ik heb nu pas 330 films in 110 afleveringen besproken: er is een speelfilmencyclopedie met 50.000 films. Aan mijn plezier ligt het ook niet. Het is altijd leuk om aan te werken.

Maar iets nieuws is ook leuk! En daarom begin ik in 2022 met de Camera Obscura Specials. Ik ga meer lezen, onderzoeken, uitzoeken. Dat kost meer tijd en ik zal daardoor minder regelmatig publiceren.

Wat zijn die Specials dan? hoor ik de spaarzame vaste lezer van deze rubriek vragen. Dat ga ik nog niet verklappen. Het is anders dan Camera Obscura. Maar filmgeschiedenis en obscuriteit blijven een grote rol spelen.

Wat nu te doen tijdens deze laatste aflevering rond Kerst 2021? Uit mijn Camera Obscura-oeuvre stofte ik voor deze episode nog eens twee kerstfilms af, en schrijf ik over nog één obscure laatste film die je absoluut niet moet gaan zien tijdens kerst. De laatste film van de laatste Camera Obscura.

Black Christmas (aflevering ‘Analoog Telefoonterreur’)
De eerste getroebleerde kerstfilm is Black Christmas (1974) waarin we belanden tussen de sorority girls in het studentenhuis Pi Kappa Psi. Tijdens een feestje worden de studentes opgebeld. Een hijger. Niet zomaar een hijger – het lijkt wel een geest, een paar geesten zelfs, die praat over de geslachtsdelen van de meisjes en laat weten dat ie wel even zal langskomen.

Het eerste meisje wordt al binnen tien minuten te grazen genomen. Ze schommelt in een schommelstoel met een plastic zak over haar hoofd. Dan worden ze een voor een lastiggevallen door de beller, die met verschillende stemmen tegelijk praat. Soms bizar geratel, soms ineens concreet: ‘Waar heb je Agnes gelaten, Billy?’

Wie zit hierachter? Is het Peter, de teleurgestelde vriend van Jess, die net vernomen heeft dat ze hun kind niet wil houden en de relatie beëindigt? Zijn er andere kandidaten?

Wow, deze kerstfilm is écht griezelig. Geen wonder dat Black Christmas een klassieke horrorfilm is geworden, die toen niet aansloeg, maar intussen zo zijn schare fans heeft opgebouwd. Bovendien is het de eerste echte feestdaghorrorfilm – later tot in den treure gekopieerd.

Veel is te danken aan het gevoelvolle regiewerk van Bob Clark en passend acteerwerk van de net iets minder bekende filmsterren. Keir Dullea (eerder al fenomenaal in Bunny Lake is Missing én de Dave van 2001 A Space Odyssey). Olivia Hussey, zie deze Camera Obscura. En John Saxon, die zichzelf in de jaren zeventig regelmatig uitleende voor Italiaanse pulp (Italia a mano armata bijvoorbeeld). Rechtschapen of gangster, hij deed dat allemaal even makkelijk.

Le Viager (aflevering ‘Gezondheid en cynisme’)
In Le Viager (1972) weet dokter Galipeau 100% zeker dat de 59-jarige Martinet niet lang meer te leven heeft. Hij ziet mogelijkheden. Via een financiële truc (gebaseerd op de waarde van het ‘waardeloze’ aluminium) spreken ze af dat Galipeaus broer de lijfrente van de goedgelovige Martinet overneemt. Als hij sterft, nemen ze zijn buitenhuisje in St. Tropez over, is de afspraak. Een risicoloos gokje volgens de dokter. ‘Faites moi confiance.’

Kerst verandert in een hels moment voor de familie. Want elk jaar stuur Martinet vriendelijk een kerstkaart, tot groot afgrijzen van de familie: hij is nóg niet overleden. ‘Geloof mij maar’, zegt dokter Galipeau dan steevast grijnzend tegen zijn familie, ‘dat duurt niet lang meer.’ In 1938 zweert hij: ‘Er is geen conflict, geloof mij maar.’ ‘Faites moi confiance.’ En het jaar erna zijn ze op de vlucht naar het zuiden.

Het gehucht St. Tropez, waar Martinet woont, wordt na de oorlog razend-populair. De prijs van aluminium stijgt gigantisch. Als Martinet tijdens het dansen naar zijn hart grijpt, denken ze eindelijk dat het moment daar is. ‘Is er iets?’, vragen ze huichelachtig. ‘Ja, mijn medaille is kwijt. Hij zat hier net nog!’ De complete trukendoos wordt opengetrokken: trappen lopen op de Eiffeltoren, hem uitnodigen voor heftige maaltijden en drankgelagen, zijn trap met vet bekladden. Het helpt niet. Hij blijft gezond.

Deze speelse film van Pierre Tchernia heeft de enigszins herkenbare handtekening van de scenarioschrijver van Astérix en Obelix (René Goscinny). Hij schreef namelijk dit script. Net als in Astérix en Obelix een hoog tempo, vermakelijke grappen en een paar mooie spottende karakterschetsen. Michael Galabru is buitengewoon grappig als de falende dokter en Michel Serrault is eveneens fantastisch als de oude, kwieke man.

De overgangen in jaren met kerstkaarten is een leuke vondst. Martinet als een Forrest Gump avant la lettre evenzo. Of de breaks met animaties in kinderstijl. En dan nog het komische acteerwerk van Jean Carmet en de zoon van Pierre Brasseur (Claude Brasseur). Of Gerard Dépardieu in een van zijn eerste rollen. In 2020 werd de film geremasterd en ziet er nu prachtig uit.

The House Without the Christmas Tree (ongepubliceerd)
Zin in een verdrietige kerst? Kijk dan deze film. ‘Heeft je vader geen boom gekocht?’ ‘Wij hebben geen boom. Mijn vader ziet het als geldverspilling. Staat toch alleen in de hoek, doet verder niets.’ ‘Je bent vast de enige in de stad zonder boom.’

Addie Mills houdt van haar vader maar het leven is niet makkelijk. ‘Hij knuffelt en kust me nooit. Hij had meer van mij gehouden als ik een jongetje was geweest.’ En dan wil hij geen boom terwijl kerst nadert. ‘Je hebt geen boom nodig. Het huis ziet er goed uit zonder.’ Later tegen zijn moeder: ‘Ze moet leren dat je niet alles kan hebben in het leven.’

Als papa Mills ziet dat ze met vriendjes en vriendinnetjes ‘O dennenboom’ zingt in hun huis zonder boom, krijgt hij last van wroeging.

Frappant aan deze film is dat het eigenlijk een kinderfilm is. Volwassenen hebben een bijrol zoals kinderen die vaak hebben in volwassenfilms. We volgen Addie (Adelaide) Mills en zien hoe ze het lastig heeft om zich stand te houden in de klas. Als de juf de boom van de klas weggeeft, is er toch een kans een boom te scoren.

Deze tv-film uit 1972 oogt als een verfilmd toneelstuk en is héél sober en kalm, en de muziek en de filmstijl zijn erg belegen, alhoewel de plotselinge animaties wel verrassen. De film laat de acteurs en dialogen het werk doen. De scène waarbij oma Mills en Allie Mills praten over haar depressieve vader raakt toch die ene snaar. Jason Robards heeft geen grote rol maar met één scène (als hij de boom in de kamer ziet) trekt hij de film naar zich toe.

Ik ben geen therapeut en ik zou niet weten wat ik moet zeggen tegen mensen die depressieve kerstdagen doormaken. Ik kan maar een ding zeggen: er zijn altijd nog rare, gekke, obscure films om lief te hebben.

 

15 december 2021

 

Black Christmas

 


Alle Camera Obscura

Carrière maken… voordat de bom valt

Carrière maken… voordat de bom valt

door Bob van der Sterre

The Rise and Rise of Michael Rimmer ♦ Hanno Cambiata Faccia ♦ Il Boom

 

De tekst van Doe Maar blijft nog steeds van toepassing. Hoe ga je anders die enorme hypotheken of huren betalen? Drie minder bekende films uit andere tijden die hier de draak mee steken – op een andere manier dan films als Wall Street of Boiler Room.

The Rise and Rise of Michael Rimmer is wat de film uit 1970 zegt: de alsmaar klimmende carrière van reclameman Michael Rimmer. Op een dag loopt Rimmer het kantoor van reclamebureau Fairburn binnen. Hij heeft geen afspraak, hij werkt er niet, maar hij gaat iedereen observeren. De een oefent salsa, de ander kijkt cricket.

Satirischer dan Monty Python
Michael Rimmer rapporteert de bende aan de baas: Fairburn (‘Who are you? I’ve never seen you before’). De lastposten worden ontslagen en Rimmer krijgt een enorm kantoor met een knappe secretaresse.

Als een soort vroege versie van Frank Underwood van House of Cards manipuleert hij iedereen. Zo maakt hij andere peilingbureaus kapot door voor slechte resultaten te zorgen: ’42% van de bevolking hier is praktiserend boeddhist’. Daarna volgt de Conservatieve Partij en bouwt hij een soort peilingendemocratie op, die de politiek volger in 2021 niet vreemd doet opkijken.

The Rise and Rise… is een heerlijk satire over allerlei onderwerpen. De invloed van peilingen (‘de nieuwe democratie’), de reclamewereld, de mannenwereld in de politiek, de high society, de politiek, het leger (nieuw wapen: de typisch Britse verkoudheid): ze worden allemaal belachelijk gemaakt.

Het script is strak en geestig, grappige scènes volgen elkaar in hoog tempo op. De sketches doen denken aan Monty Python, maar iets satirischer. Dat is geen toeval. Graham Chapman en John Cleese schreven mee aan het script.

De acteurs hier hebben de kwaliteiten om het bizarre materiaal vorm te geven, zoals bijvoorbeeld Arthur Lowe, James Cossins en Denholm Elliot. En natuurlijk Peter Cook die voortreffelijk is als de gladde Rimmer. Cook is minder bekend dan de Monty Python-gangers maar had wel een mooie carrière voor komedianten: hij werd verkozen als de grootste komediant in 2005 (tien jaar na zijn dood) en stichtte het beroemde satirische blad Private Eye.

Gehakt van technologie en kapitalisme
In Hanno Cambiato Faccia (‘zij zijn van gezicht veranderd’) uit 1971 zien we hoe Alberto Valle op een groot kantoor van verdieping naar verdieping gaat. Van de manager naar de vicepresident, van de vicepresident naar de president. En die stuurt hem naar de eigenaar in de bergen. Dat is nog eens carrière maken!

Op weg naar de eigenaar komt hij de halfnaakte Laura tegen (ze heeft letterlijk alleen een jas over haar blote bovenlichaam gedrapeerd). Ze wil een lift. ‘Heb je het niet koud?’ ‘Misschien een beetje.’ Voor hij de eigenaar (ene Nosferatu) bezoekt, legt ze zijn hand op haar borst. Zij: ‘Wil je met mij de liefde bedrijven?’ Hij: ‘Niet nu, ik heb geen tijd.’

Dan wordt hij door twee spierwitte Fiat cinquecento’s naar het huis van Giovanni Nosferatu gedirigeerd. Hij gaat er in een witte stoel zitten: een reclamespot begint. Nosferatu komt binnen en verklaart deze eigenaardigheid: ‘Het is een test.’ Het duurt niet lang voor Alberto knuffelt met de secretaresse van zijn baas. Dan vraagt Nosferatu opeens aan Valle: ‘Wil je president worden van het bedrijf?’

Het duizelingwekkende carrièresucces heeft ook een keerzijde. Alberto ontdekt plotseling een groot zwart boek waarin hij zijn eigen babyfoto ziet en een functie als president van het bedrijf. En dat lijk in de tuin, hoe zit dat? En die crypte? En die vreemde meeting?

Maakt niet uit hoeveel films je hebt gezien, je blijft altijd weer ontdekken. Zoals regisseur Corrado Farina. Veel films durven niets: die van Corrado Farina zijn niet zo.

Er is bloot maar dit gaat verder dan een exploitatie. Deze film en Baba Yaga – een film over SM gebaseerd op de strip van Guido Crepax (geremasterd in 2009) –  bieden ook veel verrassende beelden. Zoals de cameraperspectieven, de Fellini- en De Sade-pastiches, een reclamespot voor LSD en de moordende cinquecento’s.

En het bevat ook wel een serieus onderwerp: deze film maakt gehakt van technologie en kapitalisme. De extreme muziek van Amadeo Tommasi knalt daarbij heerlijk uit de speakers. Wat wil je nog meer? Erg succesvol werd Farina er zelf niet mee. Het waren de enige twee speelfilms die hij zou maken. Als romanschrijver had hij vanaf 1994 een tweede creatieve carrière, tot 2016, toen hij overleed.

Maakt geld gelukkig?
Succes blijft relatief, maar niet voor Giovanni in Il Boom (1963). Hij heeft schulden bij de vleet en heeft onmiddellijk geld nodig. Zijn vrouw Silvia is gewend om op grote voet te leven en hij kan geen nee zeggen. Ze eten in een druk restaurant, bezoeken paardenraces, dansen de twist, vieren feest.

Hij probeert iedereen te verleiden tot grote investeringen, want het is immers de tijd van Il boom… Smeken om een lening helpt niet. Zijn baas wil ook niet luisteren.

Dan probeert hij maar bij de steenrijke projectontwikkelaar Bausetti. Die wimpelt hem af. ‘Jullie jongeren proberen in een jaar te maken waar ik vijftig jaar over deed. Deze boom maakt jullie helemaal gek!’ Diens vrouw heeft een interessant voorstel dat Giovanni meteen de rijkste man van zijn vrienden maakt.

Met geld in zijn achterzak wint hij Silvia terug en organiseert een groot feest. Opeens is iedereen jaloers op zijn carrière dat hij een eigen bedrijf is begonnen. Er is een dramatische prijs die al dit succes kost.

Il Boom is nou echt zo’n film om in HD-kwaliteit op een groot scherm te kijken. Luchtige en zwierige zwartwitcinema van Vittorio De Sica. Sublieme beelden van Rome; spottend portret van de high society; de muziek van Piero Piccioni; het sterkte acteerwerk van Alberto Sordi in een hem zeer uitdagende rol. Vooral erg genietbaar is hoe vloeiend de scènes in elkaar overstromen.

Wat zo verrast aan Il Boom is dat je een beeld krijgt van mannen die ploeteren om te voldoen aan de eisen van de mensen om hen heen. Zo houdt Silvia alleen van Giovanni als hij geld op de plank brengt en dat is best triest. En hun vrienden mogen Giovanni ook alleen maar als hij geld heeft.

De vraag is ook wel een beetje of hij meer verdient: hij zou ook gewoon eens ‘nee’ kunnen zeggen.

Carrière maken: dat vraagt altijd om enorme persoonlijke offers, dat bewijzen deze films ook wel weer.

 

11 november 2021

 

Il Boom (1963)

 
Alle Camera Obscura

Vervreemdend communisme

Vervreemdend communisme

door Bob van der Sterre

Zerograd ♦ The Chekist ♦ Larks on a String

 

Het grimmige, vervreemdende gezicht van het communisme achter de mooie collectieve droom. Een lastig onderwerp in film. The Death of Stalin laat al een en ander zien. Drie obscure filmtitels uit oude Sovjetlanden deden dat nog eerder.

Aleksei Varakin komt aan in Zerograd (1988). De bedoeling: aanpassing van een bepaald onderdeel dat hij in zijn fabriek in Moskou gebruikt. Aleksei verwacht binnen een halfuurtje weer weg te zijn.

Het nul-epicentrum van de Sovjet-Unie
In Zerograd is niets zoals in Moskou. Bij de onderdelenfabriek weten ze van niets en de secretaresse is naakt (‘Verdomd, je hebt gelijk’). Dan een kok die van Alekseis hoofd een stuk taart maakt, en zich van kant maakt als je dat een beetje gek vindt.

Een enorm ondergronds museum, waar de hele Russische geschiedenis langskomt. En een joch dat meer van jou weet dan jijzelf.

Aleksei wil weg uit het gat, maar dat lukt alsmaar niet. Treinen stoppen er niet, wegen lopen dood, de politie wil hem spreken. Alles leidt naar een feest dat te maken heeft met een rock-‘n-roll-incident in de jaren vijftig. En dat heeft volgens de betrokkenen weer met Aleksei te maken. Aleksei gaat maar mee met de flow.

Verrassend sterke film. Zo absurd en droog als een Van Warmerdam of Kaurismäki, maar met meer grimmige, satirische momenten. Geen wonder, denk ik dan, want deze film die verwijst naar de harde Sovjet-realiteit is een en al symboliek. Aleksei zou je kunnen zien als de ‘gewone Rus’. Alle anderen in het dorp zijn tijdloos en vertegenwoordigen iets (de politie, de kunst, de overheid).

Heel pienter én met veel gevoel voor het mysterie, zo hebben Aleksandr Borodyanskiy (script) en Karen Shakhnazarov (regie) Zerograd bedacht – het nul-epicentrum van de Sovjet-Unie. Ze waren een soort Goscinny en Uderzo samen, want hun andere films Jazzman (1983), Zimniy vecher v Gagrakh (1985) en Sny (1993) zijn ook goed gewaardeerde films in Rusland.

Wat ik zo bijzonder vind, is dat de film uit 1988 stamt, maar dat het lijkt alsof de film uit bijvoorbeeld 2010 is en terugkijkt op de instorting van de Sovjet-Unie, die immers pas na deze film (drie jaar later ongeveer) ophield te bestaan. Het plot lijkt wel van een film uit de toekomst. En het is dat perestrojka net was uitgeroepen, anders was deze film sowieso nooit gemaakt.

Er is een maar: je moet wel kennis van Russische geschiedenis en cultuur hebben om de symboliek te snappen en te waarderen. Anders krijg je zoiets als deze recensie van The Washington Post.

Geoliede moordmachine
Over grimmig gesproken… The Chekist (1992) begint zo: ‘Zij gaf onderdak aan officieren in haar huis.’ ‘Vuurpeleton.’ ‘Hij schreeuwde in een zaak tegen de Tsjeka.’ ‘Vuurpeloton.’ ‘Hij verzette zich tegen confiscatie van zijn spullen. ‘Vuurpeloton.’ De lijst gaat maar door. Dit zet meteen de toon voor de film, waarvoor zelfs ‘grimmig’ een te zwak woord voor is. Een film over een geoliede moordmachine.

We volgen deze bizarre moordmachine van eind jaren tien, begin jaren twintig. De tsjeka was de geheime dienst die na de machtsovername van de bolsjewieken talloze burgers oppakte en executeerde. Intellectuelen, anticommunisten, christenen, mensen van adel.

We zien de drie leiders van de tsjeka die gedrieën rechtspraak deden: de ophalers, de leider van de executies, de soldaten die de klus moeten uitvoeren (‘Wil je ruilen? Ik schiet liever geen priester’), de opruimers van de lijken, de schoonmaakster en de slachtoffers. Soms wordt er zelfs gelachen. Zoals wanneer de ene tsjeka de andere fopt door bij diens eigen naam ‘vuurpeloton’ te laten zeggen. Over zwarte humor gesproken.

In deze film van Aleksandr Rogozhkin krijgen de tsjekisten achter dit vreselijke systeem een gezicht. De een geniet van klokken maken, een tweede filosofeert alles recht wat krom is (‘Revolutie is een enorme zwangere vrouw’), de derde salueert en wil daarna seks, een volgende doet oordopjes in en luistert opera. Srubov, het uitvoerende gezicht van de executies, lijdt het meeste onder zijn verschrikkelijke werk.

Gruwelijke film maakt ‘het systeem’ van totalitaire staten toch menselijk. Ik kan me goed vinden in het commentaar op IMDb: A great film, but hard to watch for the “average” movie-goer…. De film moet ook een bizarre ervaring voor betrokkenen zijn geweest. Veel acteurs werden ook nog eens met hun benen omhoog opgehesen en in een kar geduwd.

Vladimir Zazubrin schreef in 1923 het korte verhaal waar deze film op is gebaseerd. Hij wilde de realiteit van toen vastleggen. Bij de Grote Zuivering (die nog heftiger was dan deze) van de jaren dertig werd hij zelf geëxecuteerd. En zijn verhaal werd pas in 1989 uitgegeven.

Worstelen met het systeem in Tsjechië
In Larks on a String (1969) zitten we in begin jaren vijftig, Tsjechië. We kijken naar een aantal bewuste non-communisten. Een leraar, een saxofonist, een kapper en nog een paar ‘bourgeois’ personen moeten op een sloperij staal scheiden. De vrouwen en mannen doen gescheiden hun werk. Het doel: heropvoeding.

Ondertussen leren we karakters beter kennen, via flashbacks en onderlinge gesprekken. ‘Ik dronk vroeger Dubonnet, nu Popovice-bier.’ Ook zien we hoe de bewaker worstelt met zijn huwelijk met een Roma-dame. Tegelijkertijd begint er iets te broeien tussen sommige mannen en vrouwen.

Door censuur verscheen de film pas in 1990. Verrassend als je het ziet: want zo kritisch is de film nou ook niet. In feite is dit een goed gelukte, humanistische film over mensen die worstelen met een systeem waar ze geen zin in hebben, met wat luchtigheid hier en daar, zoals het komische bezoek van een communistisch gedrilde schoolklas. Anders dan in The Chekist is er zelfs ruimte voor wat optimisme: ‘Het onmogelijke is mogelijk in ons land.’

De film is gebaseerd op een verhaal van schrijver Bohumil Hrabal. Na 1968, einde van de Praagse Lente, verschenen zijn boeken alleen nog via samizdat (clandestiene uitgeverijen), dus gesmokkeld naar het westen.

Regisseur Jiri Menzel (hij overleed vorig jaar) liet zichzelf ook niet kisten door de censuur. In 1974 kreeg Kdo hledá zlaté dno (Who Looks for Gold) wel een normale release. Voor 1990 regisseerde hij toch nog in totaal zeven films. Deze film kreeg in 1990 alsnog de Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn.

Menzels advies: ‘Goede komedie zou over serieuze zaken moeten gaan. Als je te serieus begint te praten over serieuze dingen, ben je op het eind belachelijk.’ Ook toepasselijk advies voor mensen die te heftig geloofden in een maakbare, communistische maatschappij.

 

12 oktober 2021

 

Larks on a String

 
Alle Camera Obscura

Geen dak boven je hoofd hebben

Geen dak boven je hoofd hebben

door Bob van der Sterre

Last August at the Hotel Ozone ♦ Streetwise ♦ Mitt hem är Copacabana

 

De wereld houdt er niet van, maar cinema is er dol op: daklozen. Klassiekers genoeg: The Fisher King, My Man Godfrey, Down and Out in Beverly Hills, Sullivan´s Travels, Miracolo in Milano. In de praktijk is het natuurlijk lang niet zo leuk. Welke drie minder bekende films laten dat beeld zien?

In Last August at the Hotel Ozone (1967) is een groep vrouwen en meisjes aan het lopen, lopen en lopen… met rugtassen, paarden en bagage. De meisjes zijn nog niet zo gehaaid in overleven als de mater familias. En overleven moet wel. Iedereen op de planeet is verder gestorven aan leukemie.

Gebrek aan beschaving
Ergens molesteren ze een hond en vermoorden ze een koe. De koe is van een eenzame man, die ondanks het verlies de groep naar een gebouw brengt: Hotel Ozone. Daar krijgen ze melk. ‘Ze hebben vijftien jaar geen melk gedronken.’ Waarom vertrouwt hun mater familias hem? De meiden snappen er niets van.

De vrouw, die alsmaar zieker wordt, wil ondertussen dat de man voor nageslacht gaat zorgen. Zij zijn voor elkaar een band met de vroegere wereld die de meisjes niet eens kennen. En dat is het probleem: survival gaat bij hen voor cultuur.

Een filosofisch verhaal. Dit script van Pavel Juracek heeft een appeltje te schillen met mensen. In een apocalyptische wereld leer je beschaving al snel af. Zonder beschaving worden we beesten. Dus behoorlijk ranzig en schokkend af en toe. Zoals de koe-scène, de hond-scène en de vissen-scène. Ik snap het idee maar prettig kijken is anders.

1963 tot 1968 was een gouden tijdperk voor de Tsjechische cinema. Een explosie van interessante films die al regelmatig in Camera Obscura terecht zijn gekomen. Ook deze film kon na 1968 niet meer. Dat is ironisch omdat je in het gebrek aan beschaving en dakloosheid in deze film ook een dictatuur kunt zien…

Straatkinderen in Seattle
In Streetwise kijken we naar echte kinderen die in 1984 in Seattle aan het zwerven zijn geraakt. (Wacht even, dit is toch een rubriek voor fictiefilms? Ja ja, maar dit is er wel eentje waarover mensen al jarenlang speculeren dat het grotendeels in scène is gezet; mijn excuus om mijn eigen regels te overtreden.)

Fotografe Mary Ellen Mark en journalist Cheryl McCall bezochten Seattle in 1983 om voor Life een artikel te schrijven over straatkinderen. Dat artikel sloeg in als een bom. Later dat jaar ging Mary Ellen Mark nog eens terug met haar man, regisseur Martin Bell, en maakten ze dit filmische portret van dezelfde straatkinderen. Ze wonnen het vertrouwen van de kinderen en de ouders en dat levert een formidabel tijdsdocument op. Overleven via prostitutie, eten uit afvalbakken, bedelen: je ziet het hier allemaal.

Beste keuze: de voice-overs van de kinderen zelf. Een andere slimme keuze is dat ze geen boom gebruikten maar kleine microfoontjes hingen aan de kleding van de kinderen. Zo voelden ze zich vrijer. Via montage krijg je toch dat rauw-realistische effect.

Streetwise kreeg als kritiek dat het allemaal wel wat ’té perfect’ oogde voor een documentaire. Daar is wat voor te zeggen. De kwaliteit van de beelden en het geluid is erg goed. Het lijkt of je naar een hyperrealistische fictiefilm kijkt. Om het ingewikkelder te maken: Martin Bell maakte in 1992 daadwerkelijk van dit verhaal een fictiefilm: American Heart met Jeff Bridges.

Na afloop wil je weten wat er van ze is geworden. Van de geportretteerde kinderen leven er veel niet meer. Een dame is zelfs ten prooi gevallen aan een seriemoordenaar. Een andere meid (vijftien) liep in een gevecht dodelijke klappen op. En in de film zelf sterft al een van de hoofdpersonen.

Het kan ook anders. Tiny (gaat hier met veertien op dates met volwassen mannen) is nu moeder van tien kinderen. Martin Bell maakte in 2016 een vervolg met haar in de hoofdrol: TINY: The Life of Erin Blackwell. En op IMDb lees je dit comment bij deze film: ‘I am Rat’s wife. My husband gets embarrassed whenever I show the movie, and hides in the other room.

Overleven in Rio
Ook om overleven draait het in Mitt hem är Copacabana (1965). Drie jongetjes (Jorginho, Paulinho, Rico) en een meisje (Leila) proberen alles om dat te kunnen. Het groepje zit bij een ruïne op een heuvel tot ze door een bende worden verjaagd.

Daarna bekijken we hun mix van legale en minder legale bezigheden: oplichterij met vliegeren op het strand, bedelen om eten op de markt, afstruinen van vuilnisbelten, schoenenpoetsen, pickpocketen. Ze krijgen tips van meer ervaren daklozen.

Buitenkans om het Rio de Janeiro van 1965 van dichtbij mee te maken. Deze film kwam overal. Cafés, winkelcentra, heuvels, stranden en zelfs bij bepaalde rituelen op het strand. We krijgen ook de favela’s te zien van voor de favela’s die wij kennen (toen nog houten huisjes). Dit zijn zelfs een van de vroegste filmbeelden van de favela’s.

De film (originele titel: Fábula) is het geesteskind van de Zweedse regisseur Arne Sucksdorff. Hij werd gevraagd om les te geven in Brazilië en wilde toen ook een speelfilm maken. Zijn voice-over maakt van de speelfilm bijna een gewenste documentaire: in zekere zin dus een omgekeerde versie van Streetwise. Je ziet het aan het acteren van de kinderen. Dat is niet geweldig, maar naturel genoeg dat het niet in de weg zit.

Toch is de film erg interessant. Een geweldig mooi begin (bovenop een heuvel, je kijkt terloops de diepte van Copacabana in). Verder veel observatie en speels acteerwerk van de kinderen. Soms denk je aan Pixote, soms aan Cidade de Deus. En dat vermengd met een flinke vleug neorealisme, dat natuurlijk in de mode was in die tijd.

De film werd afgerond tijdens het begin van de militaire dictatuur en was (uiteraard) vlak na verschijning verboden. Sucksdorff (dierendocumentairemaker van oorsprong) vestigde zich later in de Pantanal. Hij raakte op zeker moment zijn land kwijt en moest terug naar Zweden, waar hij in 2001 overleed.

Sucksdorffs invloed in de Braziliaanse cinema is nog steeds maar met mate erkend. Eén historica heeft er werk van gemaakt. Hij leende zijn audio-apparatuur uit aan Braziliaanse cineasten. Verstandig was ook zijn keuze om het script van Braziliaanse schrijvers Joaõ Bethencourt en Flávio Migliaccio te gebruiken. Lees meer over zijn werk in dit Braziliaanse tijdschrift (Engelstalig) of bekijk dit interview met de historica.

Als wij voor Camera Obscura dit stukje filmgeschiedenis niet vastleggen, blijft het misschien digitaal dakloos in cyberspace.

 

12 september 2021

 

Mitt hem är Copacabana

 

Alle Camera Obscura

Originaliteit: een kwestie van smaak

Originaliteit: een kwestie van smaak

door Bob van der Sterre

Das Millionenspiel ♦ Blind Chance ♦ Angel of Vengeance

 

Sommige films lijken zoveel op andere films dat er geen toeval meer kan zijn. Bekende voorbeelden: hoe The Others (2001) lijkt op The Innocents (1961) of Drive (2011) op The Driver (1978). Hieronder drie obscure films die doen denken aan een bekendere film.

In Das Milllionenspiel (1970) kijken we naar een tv-show. Een kandidaat, Barnard Lotz, wordt achterna gezeten door de ‘Köhlerbende’. Het programma betaalt de drie criminelen om hem om te leggen.

Showbusinessprogramma met doden
Ondertussen staan er overal camera’s opgesteld. Af en toe een interview. ‘Dus judo’, zegt de showmaster tegen Lotz, ‘daarmee wil je winnen van de Köhlerbende?’ Een reporter interviewt een bendelid: ‘We wachten gewoon tot het einde, dan krijgen we meer geld.’

Een herkenbaar en kneuterig showbusinessprogramma dus – maar wel eentje waarbij mensen omgelegd mogen worden. De satire is soms leuk. De reporter ter plaatse die gewoon de kantine binnenloopt en gaat interviewen. Of een roerend interview met de vrouw die rookbommen gooit. Of de reporter die in de camera zegt: ‘Ze verdienen applaus. Wat zou een jacht zijn zonder de jagers?’

Voor wie het nog niet doorhad: dit is een The Running Man (1987) avant la lettre. Geen wonder dat veel mensen in 1970, toen de film op tv kwam, dachten dat het echt was. De ARD ontving boze telefoontjes, brieven. Gelukkig waren sociale media nog ver weg. Producer Joseph Cates wilde geen risico lopen: hij zorgde ervoor dat de film maar liefst dertig jaar niet te zien was. Pas in 2002 werd de film weer uitgezonden. Regisseur Tom Toelle kon het heugelijke moment nog net meemaken – hij stierf in 2006.

De film heeft een aantal goede dingen. De reporter ter plaatse, het venijnige tempo en een paar prachtige lelijke locaties in Keulen. Het acteerwerk had wel wat beter gekund maar enthousiasme compenseert altijd veel.

Films over mensen die jagen op andere mensen: een niche in de filmgeschiedenis. Ze komen vooral uit verhalen van sf-schrijver Robert Sheckley: The Seventh Victim was de basis van deze film en The Running Man (1987); The Prize of Peril was de basis van La decima vittima (1965) en Le Prix du Danger (1983). Dan heb je natuurlijk ook nog het boek (later film) Lord of the Flies, en diens erfgenamen: de Japanse film Battle Royale (2000) en het boek (later tv-serie) The Hunger Games.

Het ruwe talent van Kieslowski
Wie Sliding Doors (1998) heeft gezien en vervolgens Blind Chance (1981) ziet, vindt wel heel veel overeenkomsten. Hier is de gemiste metro een trein. Ook hier zie je halverwege een tweede variant.

1. Man haalt de trein wel. Ontmoet oudere man, rector. Hij introduceert de jongen bij de Partij. Ontmoeting met jeugdliefde. Zij is anti-Partij. Hij wordt wethouder. Geheime dienst pakt zijn vriendinnetje op. Conflicten.

2. Man haalt net de trein niet. Hij wordt gearresteerd, helpt met illegale literatuur te drukken, krijgt een affaire, wordt religieus.

En dan nog een verrassing.

De Kieslowski van vóór Rouge, Blanc en Bleu is mij toch dierbaarder dan die van erna. Het ruwe talent van Kieslowski vind ik interessanter dan het perfecte, gepolijste talent van zijn veel meer bejubelde arthouse-meesterwerken, die in alle filmboeken te vinden zijn.

Allereerst word je meteen vergast op een paar firstpersonshots, die ik alleen ken van 21e-eeuwse games en een film als Hardcore Henry. Een beknopte biografie. Doet aan Amélie denken. Hoe een van de trap lopende ‘slinky’ wordt gebruikt voor een dramatisch effect: heel speels. Rennen over straat (zij holt naar de bus). In het ziekenhuis bij hippies. Slow motion met een globe (prachtvondst).

Plus goed acteerwerk. Poolse acteurs uit deze periode waren toch van een andere orde (Man of Marble, Man of Iron, Vabank, The Conductor).

En een opmerkelijk hakkelige stijl. Dat komt omdat er steeds geen fatsoenlijke intro of outro is bij scènes. Je zit middenin een scène en dan gebeuren er ineens andere dingen. Gewaagd, verwarrend, maar het werkt goed.

Regisseuse Agnieszka Holland noemde Sliding Doors een ‘geamputeerde versie’ van de Poolse film, ‘waar alle psychologische diepgang en stilistische subtiliteiten uit verdwenen zijn’. Sliding Doors haalt wel het idee van Blind Chance, maar biedt alleen het entertainment van een romantische komedie. Blind Chance gaat ook nog eens over het Polen van 1981, met een almachtige communistische partij, geheime dienst, niet mogen reizen naar het buitenland, illegale persen, problematische relaties.

Vrouwenwraakfilm
Angel of Vengeance (ook uit 1981) opent met een portret van een bescheiden en stomme naaister. Haar leven verandert immens als ze op een dag niet een, maar twee keer verkracht wordt. De eerste dader ontkomt. Ze slaat het hoofd van de tweede (een inbreker) in met een strijkijzer.

Het is lastig om nog te concentreren op je werk als je weet dat thuis je koelkast vol zit met restanten van de moord die je uit zelfverdediging hebt gepleegd. Ze gaat van het zijn van een lief en bescheiden meisje naar een praktische uitvoering van de ‘Society for Cutting Up Men’. Elke man die iets te seksueel agressief is, legt het loodje.

Abel Ferrara maakte een paar filmhuisklassiekers in de jaren tachtig en negentig, waaronder Bad Lieutenant. Dit is meer een cultfilm. Het verhaal is eenvoudig. Onschuldige vrouw, kan niet spreken, doet na verkrachtingen heftige make-up op, daagt mannen uit, schiet mannen neer, verkleedt zich als non. Alles draait hier om religieuze en erotische symboliek (zoals vaker in de films van Ferrara).

Symboliek met een moker die bot gevijld is. De slotscène op het feest is over de top – maar fraai over de top. Het duurt wel te lang. Dit had een sterke film van een uur kunnen zijn. Nu is er van veel te veel. Het ondermaatse acteerwerk (de buurvrouw), de slow motion, het eindeloze getetter met de saxofoon.

Waar het de voorloper van is? Stoere, over-the-top vrouwenwraakfilms verschenen later bij de vleet. Denk aan films als Lady Vengeance, Kill Bill, The Villainess of Revenge. (Ferrara was zelf ook niet de eerste; je had al I Spit on Your Grave (1978), Foxy Brown (1974) en Shurayukihime (1973).)

Off topic maar te interessant om niet te benoemen: het bizarre leven van hoofdrolspeelster Zoe Lund. Zweeds-Roemeense achtergrond. Had zelf ook een verkrachting meegemaakt. Schreef scripts. Geloofde gepassioneerd in harddrugs. Ze werd dan ook niet oud. Op haar 37e stierf ze aan een hartaandoening door drugsgebruik. Bekijk hoe haar partner Robert Lund terugkeek op haar leven.

Dát leven wacht op een film. Misschien meer iets voor over een paar decennia. Dus de kans om nu alvast een nieuwe film avant la lettre voor de rage van morgen te maken.

 

16 augustus 2021

 

Das Milllionenspiel (1970)

 

 
Alle Camera Obscura

Journalisten in de ring

Journalisten in de ring

door Bob van der Sterre

Call Northside 777 ♦ Le Crime de Monsieur Lange ♦ Sbatti il mostro in prima pagina

 

Journalisten worden vaak heldhaftig geportretteerd, zoals in The Post. Dat is best vervreemdend voor mensen die echt met journalisten te maken hebben gehad. Ze zijn minstens even zo vaak onuitstaanbaar, cynisch en arrogant. Drie films die geen al te fraai beeld schetsen van het beroep.

In Call Northside 777 uit 1948 zien we journalist P.J. McNeal van de Chicago Times. Een cynische kerel. Een moordzaak die 11 jaar eerder plaatsvond en hij weet wel hoe het zat. ‘Ik heb de file gelezen en ze zijn hartstikke schuldig.’ Zijn chef wil dat McNeal toch de dader in de gevangenis opzoekt.

Onschuldig achter de tralies?
McNeal is de arrogante, sarcastische know-it-all, zoals we journalisten helaas maar al te goed kennen. ‘Als je schuldig bent, dan hoef je niet je moeder vloeren laten schrobben.’ Die met tegenzin schrijft over de human interest-factor, zoals: ‘Ex-vrouw gelooft in onschuld Wiecek’. Argument: ‘Met mass appeal en een sob story krijgen we aandacht!’

Wiecek is not amused en McNeal belooft dan pas echt onderzoek. Dat brengt hem in archieven van politiebureaus. Hij vindt gekke dingen. En gaat geloven in Wieceks onschuld.

Een soort Netflix true-crime drama avant la lettre. Wiecek was gebaseerd op de zaak Majczek in 1932. De vermoorde agent heette Lundy i.p.v. Bundy. En de Poolse wijk werd realistisch in beeld gebracht. Dit is ook de eerste Hollywoodfilm die helemaal in Chicago werd opgenomen. Geen gierende trompetten of scheurende auto’s, meer rustige suspense à la de films die Sidney Lumet later zou maken. Het gaat hier om puur onderzoekswerk met twee gedreven hoofdrolspelers (James Stewart en Richard Conte).

In het oog springen de mooie locaties: gevangenissen, politiebureaus, gettohuisjes en vooral de Poolse bars. De regie van de film is van Henry Hathaway. Hoewel hij groot werd met westerns, maakte hij in de jaren veertig aan de lopende band semidocumentaires in fictievorm. Dit was Hathaways vijfde film in deze stijl. Dat verklaart waarom de film niet zo noir oogt als veel andere films in die tijd; afgezien van de typische voice-over.

Hathaway had oog voor de hitech-dingen in 1948. We zien een schakelbord, een telex, een drukpers, een leugendetector (gloednieuw), een fotovergroting… En het maffe is dat hij na deze interessante film gewoon weer terugkeerde bij avonturenfilms en oorlogsfilms. Wie hem beter wil leren kennen: The Last Movie van Dennis Hopper gaat deels over zijn ervaringen met Hathaway.

Knollen voor citroenen
In Le Crime de Monsieur Lange (1936) komen we een ander journalistiek karakter tegen: bladenmaker Batala. Wat een karakter is dat! Batala accepteert voorschotten voor tijdschriften bij de vleet… maar levert ze zelden. Zulke mensen bestaan ook in de mediawereld: de mensen met een vlotte babbel die knollen voor citroenen verkopen.

Batala’s enige droom is een weekblad vol met true-crime verhalen. Het is nog niet van de grond gekomen, het geld wel al verbrast. Hij dempt leningen met andere leningen en manipuleert vrouwen voor zijn zaken. ‘Hij houdt van brunettes. Dus als je aardig wilt zijn, neem je de taxi en eh…’

Hij gebruikt ook meneer Lange om van een van zijn schuldeisers af te komen. Want die schrijft het westernverhaal Arizona Jim. Dat biedt commerciële mogelijkheden. ‘Stel je voor als Don Quixote Ranimax zou hebben kunnen slikken!’ Zonder overleg komt de pil in het verhaal voor – de enige reden dat Batala het blaadje uitgeeft.

Als Batala van het toneel verdwijnt, vinden meneer Lange en Valentine elkaar. ‘Mijn naam is Valentine.’ ‘De mijne Amedee.’ ‘Zullen we een keertje eten?’ ‘Goed.’ Ze besluiten om een coöperatie op te richten. Lang leve de gezelligheid van gelijkdenkenden! Het leven zonder baas bevalt iedereen uitstekend. De vraag is: komt Batala terug?

Een film die je best een paar keer kunt herzien. Soms zie je hier zelfs al de mozaïekstijl, veertig jaar voordat regisseur Robert Altman er bekend mee zou worden. Het socialistische ideaal van een coöperatie is best verrassend. En opvallend: de aardige hoeveelheid (geïnsinueerde) seks. Een film van Jean Renoir én een script van Jacques Prévert: dat is goud.

Acteurs zijn erg goed – Jules Berry is zelfs uitzonderlijk als de even irritante als charmante Batala – ik ken eigenlijk geen hedendaagse acteur die dit ook zo goed zou kunnen. Ook de vrouwen zijn hier heel goed, Florelle als Valentine en Sylvia Bataille in een bijrol als de verliefde Edith.

Niet alle kranten zijn nobel
De derde film móet wel een Italiaanse film uit de jaren zeventig zijn. In het spoor van La dolce vita zijn er begin jaren zeventig nogal wat mediaspeurders op celluloid vastgelegd. Il gatto a nove code (1971), La corta notte delle bambole di vetro (1971) en No il caso è felicemente risolto (1973). We kiezen voor Sbatti il mostro in prima pagina uit 1972, dat in het Engels net zo mooi klinkt: Slap the monster on page one.

Niet alle kranten en bladen zijn nobel. Vooral niet het Milanese dagblad Il Giornale. Dat is zo rechts als rechts maar rechts kan worden. Tijdens rellen van communisten vliegt er een molotovcocktail naar binnen. Hoofdredacteur Bizanti weet hoe hij dat moet misbruiken. Gauw nog even foto’s maken, dan pas blussen. En op pagina 1 uitleggen hoe dit de schuld is van de linksen.

Bizanti leert over de moord op een jong meisje. Een maagd bovendien. Hij manipuleert een oudere en psychisch instabiele vrouw. Daarna tipt hij de politie dat haar socialistische vriendje de dader is. Er volgen arrestaties. De krantenkoppen vullen zich dagelijks met beschuldigingen aan die ‘doorgeslagen’ socialisten. Het enige is dat Bizanti de jonge en ambitieuze journalist Roveda onderschat. ‘Je maakt hier een smerig beroep van.’ ’Oh, en welke beroepen zijn dan niet smerig?’

Deze film van Marco Bellocchio geeft de journalistiek verrassend realistisch weer. Redactievergaderingen waarbij iedereen even zijn zegje mag doen waarna de hoofdredacteur de knopen doorhakt. Het ruimte plannen voor artikelen, het belang van ‘boven de vouw’. Hoe kranten de waarheid sturen door redactionele keuzes. Daarnaast laat de film via verschillende locaties de krant van binnenuit zien.

De rol van de perssmiecht wordt voortreffelijk vertolt door Gian Maria Volontè. Ook deze cynische thriller past bij die andere toppers in Volontè’s loopbaan uit die tijd. En dan is dit nog niet eens zijn beste film… dat is Indagine su un cittadino al di sopra do ogni sospetto (zie Camera Obscura over prutsende agenten).

Gelukkig was Bizanti vooral een uitzondering. Hoe onuitstaanbaar journalisten soms ook zijn, ze onthullen dingen die anderen liever niet onthuld zien worden. En dat blijft bewonderenswaardig.

 

20 juli 2021

 

Sbatti il mostro in prima pagina

 
Alle Camera Obscura