Een glaasje teveel

Een glaasje teveel

door Bob van der Sterre

Wanda ♦ Tales of Ordinary Madness ♦ Absinthe

 

Bij de overgang naar een nieuw jaar vloeit de drank meestal rijkelijk: wijn, champagne, wat dan ook. Tijd dus voor films over drank. Daarbij ligt zelfdestructie altijd op de loer – en ook bovengemiddelde acteerprestaties. 

Wanda uit 1970 is een portret van een merkwaardige vrouw. Ze is persoonlijkheidsloos. Op een dag valt ze in slaap in de bioscoop, komt terecht in een bar die net beroofd wordt en gaat mee met de haar commanderende berover, een man met gezondheidsklachten. Ook al zegt hij nooit iets vriendelijks, ze blijft bij hem.

Verrassend somber
De film focust aldoor op haar: een verre van heldhaftige vrouwenrol. Hoe ongelooflijk nonchalant zoals ze zegt: ‘Bezwaar tegen de scheiding?’ ‘Nee hoor. De kinderen zijn beter af met hem.’

Waar doet dit me toch aan denken? Ja: het lijkt verdomd veel op de moderne arthouse. Een persoon constant in beeld. Die persoon torst veel leed met zich mee. Tempo ligt laag. Charmante karakters? Uitgesloten. Het is wel frappant dat mensen in verschillende tijden precies dezelfde stijl nastreven. Alleen was dit nog het pure werk.

Desondanks is het best een opmerkelijke film over een vrouw die alle plezier in het leven verloren lijkt en voor wie alcohol nog het enige redmiddel is. Dat is wel een bijzonder onderwerp. Verrassend somber bovendien; de treurnis spat ervan af. Iets té somber naar mijn smaak.

Barbara Loden – getrouwd met de legendarische producer Elia Kazan – schreef en regisseerde Wanda én speelde de hoofdrol. Ook dat is tamelijk uitzonderlijk. Ze had in feite maar in twee films gespeeld, tot ze plotseling met pensioen ging als actrice. Dat werd in 1970 ineens onderbroken om terug te keren met deze totaal eigenzinnige film – de enige die ze ooit maakte.

Charles Bukowski
In Tales of Ordinary Madness uit 1981 volgen we Charles Bukowski (alias dichter Charles Serking) op zijn pad van seks en drank.

Dat gaat niet altijd goed. Een vrouw, Vera, nodigt hem uit voor seks en beschuldigt hem van misbruik. Weer uit de cel komt hij Cass tegen (Ornella Muti). Ze is depressief door haar akelige huwelijk, hij door zijn situatie. Zelfdestructief zijn ze allebei. Vanaf dat moment horen ze bij elkaar als kop en schotel.

Ook al gaat de film over een dronkenlap, dat betekent niet dat menselijke gewoonten barbaars zijn. Een typische Bukowski-scène is als hij Cass meeneemt naar het huis waar zijn ex-vrouw nog woont. Voor niemand een probleem. Op een ander moment komt hij er binnen om iets alcoholisch te zoeken terwijl ze met haar nieuwe vrijer in bed ligt. Geen ruzie. De nonchalance in deze film komt heel aardig overeen met die in Wanda.

Tales of Ordinary Madness vind ik een van de betere Bukowski-romans, aangezien hij wat harder treft in de emoties dan anders. Soms erg lief en teder, soms schokkend en gewelddadig – maar nooit als je het verwacht. Even onvoorspelbaar als een dronkenlap.

Tel daarbij op het geweldige acteerwerk van Ben Gazzara (vooral bekend van zijn bijrol als Jackie Treehorn in The Big Lebowski) en je hebt een erg goede film in huis. Hij zwalkt niet alleen overtuigend, maar is ook levensecht van de wereld, zoals hij op een kantoor blikjes gaat gooien, of gewoon bij een huis binnenloopt om seks te hebben.

Gazzara (overleden in 2012) is nu zowat vergeten maar was een echte filmster in zijn tijd, in de subtop van Hollywood. Vooral met John Cassavetes was hij een sterk duo: The Killing of a Chinese Bookie, Opening Night en Husbands. Ornella Muti als Cass, vaak gebruikt als seksfilmactrice, paste ook verrassend goed in deze film.

Bukowski was zelf niet zo tevreden over deze film. Terwijl hij alle redenen had om het wel te zijn. Al was het niet om hoe Ben Gazzara speelt, dan wel om de regie van Marco Ferreri, die heel wat mafs heeft gemaakt in zijn leven (denk aan Dillinger è Morto, La Grande Bouffe of Storia di Piera) maar hier zijn talent functioneel opstelt ten opzichte van het verhaal.

Drinken voor inspiratie
En dan de (denk ik) oudste film over drankverslaving: Absinthe. De film uit 1914 – een tijdgenoot van Cabiria en Chaplins Caught in the Rain – was een poos spoorloos totdat Eye Filmmuseum het terugvond.

De film vertelt in amper twaalf minuten een verhaal over een kunstenaar, Jean Dumas, die met zijn vrienden graag meegaat naar een kroeg. Hij bezwijkt daar voor de verleidingen van absint.

Jean Dumas trouwt met een vrouw die hem bewondert. Als hij geen inspiratie heeft, is absint drinken met zijn vriendjes wederom een goede oplossing. Op een dag laat hij zijn vrouw zitten en dat vindt ze niet leuk. Ze laat haar ring liggen bij het café. ‘Bewijs maar dat je liefde voor mij groter is dan je verslaafdheid aan absint.’

Een internationale productie. Deze film van de Ierse regisseur Herbert Brenon was de eerste Amerikaanse film die in Frankrijk is gemaakt. Je ziet er overigens niet meer van dan een Frans café.

Is het goed voor 1914-begrippen? Behoorlijk theatraal, en het verhaal het niveau van een Postbus 51-spot (maar met plot!). King Baggot speelt de drankverslaafde vooral erg intens en Leah Baird speelt zijn boze vrouw, tja, boos. Baggot en Brenon waren al aan elkaar gekoppeld in het vermoedelijk wat betere Ivanhoe van een jaar eerder.

Aardig zijn de beelden van wat men toen onder een atelier verstond, vol mensen en modellen. En hoe rommelig de huizen eruitzagen!

Maar absint dus, toen het nog niet verboden was, net zoals nu weer. Dat bewijst hoe lang alcohol al is verbonden aan cinema.

 

7 januari 2020

 

Tales of Ordinary Madness

 

Alle Camera Obscura

Seksfilms die geen seksfilms zijn… of toch wel?

Seksfilms die geen seksfilms zijn… of toch wel?

door Bob van der Sterre

Le journal intime d’une nymphomane ♦ Misty ♦ Thundercrack

 

Het is een curieus genre: de artistiek bedoelde seksfilm. Zijn het films die met veel bloot een menselijk verhaal vertellen, of toch een excuus voor pornografie? Drie films die dat raadsel niet oplossen.

In Le journal intime d’une nymphomane uit 1973 is Linda Vargas stripper. Ze laat zich na haar werk trakteren door ene Ortiz. Hij valt in slaap, zij belt de politie dat er een meisje dood is aangetroffen. En snijdt vervolgens haar eigen keel door.

Een dode nymfomane
Mevrouw Ortiz gelooft in zijn onschuld. Ze bezoekt een hertogin die Linda goed kende. Linda zou nymfomane zijn geweest. Alles staat in een dagboek. Dat ligt bij een vriendin – eentje die vaker naakt rondloopt dan gekleed – en die maakt mevrouw Ortiz duidelijk dat Linda Vargas een hels leven heeft geleid. Dat kan haar daad verklaren.

De kenner van ‘eurotika’ heeft al door wie de regisseur van deze film was: de zes jaar geleden overleden Jess Franco. De man die zo’n 180 films maakte – gemiddeld zes per jaar – en ook materiaal van de ene film in de andere gebruikte.

Le journal intime d'une nymphomane

Oftewel: een (ranzige) Ed Wood van de jaren zestig en zeventig. Dus… camera (per ongeluk?) achter een glas. Mensen die in de camera staren (en zwaaien). Linda staat achter een raam, loopt naar voren, vervolgens staat ze weer achter het raam. Monserrat Prous moet een meisje spelen (draagt paardenstaarten) maar is een volwassen vrouw. Zinnen als: ‘Wanneer ik depressief ben, denk ik aan een enorme erectie.’

Is de film dan misschien wel een geslaagde studie van een nymfomane? Je leert er niets van. Een erotisch meesterwerk? Ook niet. Wat je wel ziet, is niet erotisch. Zelden zag je een regisseur met minder talent voor een genre consequent films blijven maken in dat genre.

Toch is de film ook op een bepaalde manier grandioos. Franco wist knappe vrouwen als Montserrat Prous, Jacqueline Laurent en Anne Libert aan zich te binden. De muziek is ook aantrekkelijk. Vladimir Cosma en Jean-Bernard Raiteux verspilden hun talenten aan deze film. En Gérard Brisseau biedt als cinematograaf af en toe best leuke shots. Zoals de close-up van de hertogin met haar zonnebril op en de scène in een reuzenrad met zicht op een Spaans betonnen dorp.

Een zwervende dame
Misty uit 1976 biedt een heel ander soort verhaal. Misty is een zwervende dame die op een dag komt binnenlopen in een soort commune. Ze is op zoek haar moeder die daar ooit woonde. Die is er niet maar een boel andere mensen wel.

Ze krijgt contact met een van de bewoners: een biseksuele kunstenaar. Daarna met haar vriend. En daarna met haar vriendin. En dan met nog meer mensen. Kortom: Misty maakt wat los bij mensen.

De acteurs zijn redelijk beperkt en het verhaaltje is simpel – toch is Misty bijna een hoogvlieger in het seksfilmsgenre. Dit is namelijk een film met een hart: lieve mensen en hun gevoelens. Mary Mendum speelt ook prima als Misty, zoals ze ook deed in The Image van Ralph Metzger een jaar later. Geen wonder: ze was ooit theateractrice. Frappant dat dit praktisch haar laatste rol was – kennelijk vond ze het wel genoeg.

Misty

En ja, af en toe hebben de acteurs (echt) seks met elkaar. Maar dan zonder smerige details. Een soort pornografie zonder de verplichte figuren. Bovendien heeft Misty ook van-mens-tot-mens-gesprekken en zie je karakters met passies voor kunst en religie.

Typisch een film van Joseph W. Sarno – een van de weinige seksfilmregisseurs die aandacht van critici kreeg (net als Randy Metzger trouwens). Sin in the Suburbs (1964) en Confessions of a Young American Housewife (1974) zijn een paar klassiekers van zijn hand. Zou het karakter Harvey Wasserman in de serie The Deuce op hem zijn gebaseerd?

Zes mensen op de prairie
Van het lieve Misty naar de gekte van Thundercrack! (1975). Een film die soms in de bakken van de arthouse terecht komt, soms in die van de pornografie. De kenners zijn het er nog steeds niet over eens.

Een zestal mensen is gestrand in een huis in de prairie. Ze zoeken dekking voor een wilde gorilla. Een dame, type (bijna) knettergek, belooft eten klaar te maken voor de gestrande mensen. Na een onderonsje in de huiskamer willen ze zich opfrissen in de badkamer. De een na de ander gaat tekeer op deze badkamer. Daarna vertellen ze over hun levens en gaan ze op andere plaatsen ook weer tekeer met elkaar.

Thundercrack! is soms best grappig (de over de top dialogen) en soms het materiaal van nachtmerries. Dat laatste komt door de ranzige inhoud, de immens slechte kwaliteit en de griezelige vrouw des huizes (actrice Marion Eaton met rare wenkbrauwen). Voeg daar heftig besnorde jaren zeventig mannen aan toe, een claustrofobisch gevoel, experimentele ‘muziek’, parodieën op psychologische trauma’s en je nachtmerrie is daar. Had je het zo willen maken, zou het je nooit lukken.

Het zou aanvankelijk alleen maar een korte pornofilm worden. Dat veranderde na de komst van schrijver/pornoregisseur George Kuchar. Die schreef een soort pornohorrorkomedie van bijna drie uur. Een one of a kind – vooral omdat het nauwelijks na te doen is. Neem de maffe dialogen: “What have you got against beatniks?” “Well, for one thing, their bongo drums.” / “My son… OUR son no longer exists.” “Oh, I’m really sorry. I didn’t realize that tragedy had struck you twice. Is he dead, then?” ”No. He does not exist.”

En daarnaast dus ook de combinatie van hardcore pornografie – de hele film door – met karakters die zich ontwikkelen als mensen. De Time Out noemde het treffend ‘a very horny soap’.

Een legendarische film. De regisseur, Curt McDowell, werd conciërge in een bioscoop waar zijn eigen film werd gedraaid. Een van de actrices is spoorloos sinds de jaren zeventig. Een script dat een notitieblok was van 192 handgeschreven bladzijden (in een jeugdherberg). Ga zo maar door.

Toch: de acteurs zien er gelukkig uit in deze films. En ook daar gaat het om, in de grote filmfamilie. Die wijst namelijk niemand af. Hoe bizar de smaak ook is.

 

13 december 2019


Alle Camera Obscura

De 1%

De 1%

door Bob van der Sterre

The Palm Beach Story ♦ Austernprinzessin ♦ Something for Everyone

 

Steenrijke families (de 1%) zijn het doelwit van spot zolang film bestaat. Klassieke Hollywoodkomedies zoals The Philadelphia Story, Holiday, The Lady Eve en My Man Godfrey zijn verrukkelijk dankzij die spot. Maar er is meer!

In Palm Beach Story (1942) zijn de Hackensackers de 1%. Dat maakt ze niet minder aimabel. Integendeel. JD Hackensacker III (Rudy Vallee) reist incognito tweedeklas met de trein, maar kan de trein net zo goed kopen. Hij is een bescheiden man die elke uitgave opschrijft – voor de lol. En zijn zus, prinses Centimillia (Mary Astor), is de vrolijke, vrijgevochten dame die zeer snel de namen vergeet van de mannen met wie ze is geweest. Haar nieuwste vlam, Toto, ‘uit Belujistan geloof ik’, zegt alleen maar ‘nitz’ en ‘greetz’, en is al gedegradeerd tot huisgast.

Broer en zus?
Het gaat niet om deze 1%, die woont in prachtige huizen, prachtige jachten erft en alles maar kan kopen wat ze wil. Het gaat om een man en vrouw – wier huwelijk onder druk staat door het gebrek aan inkomsten – die toevallig in aanraking komen met de Hackensackers en waarvan de vrouwelijke wederhelft ook nog eens vertelt dat ze broer en zus zijn. Dat opent de weg voor zowel de prinses als JD Hackensacker III.

Het tempo, de grapjes, de satire, de dialogen, het acteren – wie Preston Sturges alleen van horen zeggen kent, heeft een goede aan deze film. De stempel van de meester van comedy (schreef ook het script) zit in alles. Zoals in de snedige oneliners. ‘Er zijn meer onhandigheden aan het hebben van een jacht die mensen niet weten.’ ‘Ridderlijkheid is niet dood. Alleen ontbonden.’ ‘Dat is het trieste. De mannen die een pak slaag het meest verdienen, zijn altijd gigantisch.’ ‘Niets is permanent in deze wereld, behalve Roosevelt.’ ‘Ik blijf op mensen plakken als mos.’

De film is relatief bekend, maar dan vooral onder fans van screwball comedy. Mary Astor en Rudy Vallee zijn al het kijken waard. Ik ken weinig moderne acteurs die dit niveau van comedy halen. Claudette Colbert en Joel McCrea zijn ook sterk als hoofdrolspelers.

Er is veel seksuele innuendo, natuurlijk, dat hoort bij het genre. Zelfs zinnen die tien jaar later vermoedelijk niet meer mochten: ‘Seks heeft er altijd wel iets mee te maken.’ Als je houdt van komedie, hoort deze film bij je klassieken.

Vrouwen die weten wat ze willen
Die Austernprinzessin
(1919) is de dochter van een steenrijke Amerikaanse oesterkoning Quaker. Hij heeft tachtig bedienden. De een draagt zijn koffiekopje, de ander zijn sigaar; een wilde reiger loopt rond in een fontein; er is een lege salon zo groot als een gymzaal. Bedienden wensen je een ‘gelukkige reis’ als je alleen maar de slaapkamer zoekt.

Wil je baden? Twintig bediendes helpen je ermee. Jezelf afdrogen? Rare gedachte als zes bedienden dat tegelijk kunnen doen. Vader Quakers vaste opmerking is dan ook: ‘Ik ben niet onder de indruk.’

Deze 1% heeft het goed, op dochter na, die soms een aanval van razernij heeft. ‘Waarom gooi je kranten naar mijn hoofd?’ ‘Omdat de vazen allemaal al kapot zijn!’ Als duidelijk is dat ze jaloers is op een pasgetrouwde vrouw, zegt vader: ‘Oh, ik koop wel een prins voor je.’ Niet veel later mokt het verwende nest alweer. ‘Ik wacht al anderhalf uur en ik heb nog steeds geen man. Als ik niet binnen vijf minuten een man heb, maak ik het hele huis kapot!’

Moeder shopt bij een huwelijksbemiddelaar, die, als een vroege tinder de muur heeft behangen met foto’s van mannen waar je uit kunt kiezen. Maar het moet niet te veel kosten. ‘Die is scheel!’ ‘Voor die prijs hebben ze allemaal wel een klein gebrek.’ Het wordt dan maar de 26-jarige pijp rokende en monocle dragende prins Nucki, met een vermogen dat bestaat uit ‘schulden en nog eens schulden’.

Vanaf het eerste shot met de oesterkoning zuigend aan een gigantische bolknak, weet je al dat je gebeiteld zit met deze film van Ernst Lubitsch. Een grappige, spottende film over rijkdom. Fraai is bijvoorbeeld als Nucki in het park steeds op een bankje een andere kornuit achterlaat en alleen overblijft. Verder is er dans, verwarring, eten en decadentie. Victor Janson als vader Quaker en Ossi Oswalda als ‘Ossi’ zijn erg grappig in deze film.

En hoezo is 1919 oud? Hier zien we vrouwen die weten wat ze willen, aan het boksen zijn, mannen die alleen maar stompzinnig doen, en, als je erover nadenkt, een plot dat nu niemand meer durft grappig te vinden.

Failliet in een kasteel
Niet alle 1% vergaat het even voorspoedig. In Something for Everyone uit 1970 is hertogin Herthe von Ornstein een voorbeeld van de oude 1%. Wonend op een enorm kasteel, maar… zo goed als failliet. Sinds de dood van haar man verdwijnt de extreme luxe als sneeuw voor de zon. Het aantal bedienden is geslonken tot maar een handjevol. Wat een afgang!

Een jongen genaamd Konrad wil op het kasteel werken, wordt afgepoeierd, maar dan kennen ze Konrad nog niet. Een geslepen figuur. Behalve dat hij het hoofd op hol laat slaan van Anneliese Pleschke, de dochter van een steenrijke zakenman, verovert hij ook de harten van de zoon (Helmuth) en dochter (Lotte) van de hertogin. Dan bekokstooft hij zijn plannetje om de twee te koppelen en zo het geld te laten stromen in het kasteel. In geslepenheid vinden Konrad en de hertogin elkaar.

De echte rijken zijn hier de volkse Pleschkes. Zij zijn de moderne 1%, die de oude 1%, de hertogin, allang in geld hebben overvleugeld, maar de stijl noch de hersenen hebben van de oude 1%. Dat blijkt als het testament wordt getekend en het duistere opzetje van Konrad en de hertogin echt contouren krijgt.

Deze film van de dit jaar overleden Amerikaanse regisseur Harold Prince is een van de twee films die hij maakte. Hij was theaterregisseur. Dat geeft deze film ook een ongewoon theatergevoel en laat actrice Angela Lansbury schitteren zoals je haar zelden zag; namelijk alsof ze voor je staat op een podium. En het kasteel? We kijken naar het fameuze Neuschwanstein in Schwangau, bekend in filmland, want het figureerde ook in films als The Great Escape en Ludwig.

Drie films die weer eens bewijzen dat film het perfecte medium is voor wraak op mensen die hebben wat anderen niet hebben.

 

17 november 2019

 

The Palm Beach Story

 

Alle Camera Obscura

Volgt iemand me… of niet?

Volgt iemand me… of niet?

door Bob van der Sterre

Balkanski Spyjun ♦ Un papillon sur l’épaule ♦ El techo de Cristal

 

In Amerikaanse films als The Parallax View, Klute, The Conversation, Seconds ontrafelen de protagonisten cynische complotten. Welke minder bekende paranoiafilms uit andere delen van de wereld heeft iedereen over het hoofd gezien?

In Balkanski Spijun uit 1984, naam zegt het al, worden we paranoia in voormalig Joegoslavië. Ilija Cvorovic vooral. Hij krijgt een oproep om zich te melden bij de politie. Pure routine. Niet voor Ilija. Die is benauwd voor een nieuwe gevangenisstraf. Hij wil zo min mogelijk verdacht zijn.

Joegoslavisch jeugdsentiment
Ilija denkt dat hun nieuwe huurder een voor de politie verdacht figuur is omdat hij in Parijs heeft gewoond. Als de nieuwe huurder met andere mensen naar een winkelruimte zoekt, ziet Ilija plannetjes voor een aanslag. Iemand die verkeerd nummer belt? De huurder die een trui over de hoorn doet. Een orkestje voor de deur? Spionnen! Ze gaan naar de opera om daar hun geheimen te overleggen. ‘Tijdens het zingen hoort niemand ze.’

Zijn vrouw Danica gelooft het niet zo. Tijdens een presentatie van Ilija’s ‘spionagefoto’s’ waagt zij hem tegen te spreken. ‘Jij bent zo naïef!’ Zijn broer gelooft hem wel onmiddellijk.

Ilija is het klassieke voorbeeld van iemand bij wie de paranoia toeslaat. Hij weet zeker dat de huurder slinkse zaakjes doet met de Franse ambassade. De broer stopt alvast twee vrienden van de huurder in zijn kelder voor ondervragingen.

De film is mateloos populair als Joegoslavisch jeugdsentiment, net als The Marathon Family, waar hier acteurs van terugkeren. Vooral omdat de film zo genadeloos is in zijn spot. De gepassioneerde speech op het einde kan er alleen maar zo mooi uitkomen in een Balkanfilm.

Sterk is ook de schets van de neerwaartse economische spiraal. De hyperinflatie zorgt ervoor dat ze alleen een roodgekleurde gloeilamp kunnen laten branden. Eten en drinken zijn schreeuwend duur. Iemand die het Joegoslavië van 1984 heeft meegemaakt, ziet hier vast de humor van in.

Verkeerde deur op verkeerde moment
In Un Papillon sur l’épaule (1978) blijven we in Europa als Roland Fériaud, oftewel acteur Lino Ventura, aankomt in een hotel in Barcelona. Hij hoort een geluid in de kamer naast hem. Een normaal mens bemoeit zich nergens mee en belt de receptie. Niet Fériaud. Die gaat ‘een kijkje nemen’. En ziet een lijk. En wordt neergeslagen. En wordt wakker in een sanatorium.

In het sanatorium loopt een dokter rond en een verwarde patiënt – ook uit het hotel – die praat tegen een denkbeeldige vlinder op zijn schouder (zie de titel). Fériaud ontsnapt, ontmoet de vrouw van de overleden man die hem nog net de sleutel van een kluisje geeft voor ze wordt aangereden. Daarin zit een tas… die iedereen wil hebben.

Hij wil zijn spullen ophalen in het hotel en ziet weer een moord! Naar de politie gaan heeft geen zin – hij doet het toch en uiteraard geloven ze er geen snars van – ‘Twee moorden? Kidnapping?’ – en bovendien blijkt het sanatorium ineens verlaten, op de man met de vlinder op zijn schouder na.

Een mysterieuze vrouw vertelt dat Fériaud de verkeerde deur op het verkeerde moment heeft geopend.

Oef, belangrijker dan het moeilijke verhaal is dat je goed meekrijgt hoe paranoia werkt. Het script schetst alles vanuit de blik van Fériaud, die er zelf ook niets van snapt, waardoor je als kijker in het duister tast wat er nu gebeurt. Dat is aardig, gebrek aan uitleg, zouden moderne films een lesje van kunnen leren.

Fériaud is hier dan ook een aldoor zeer verbaasde man – een rol die je niet van de meestal bazige Lino Ventura gewend bent maar die wel past. Een van de beste passages van de film is het trippy stukje in het begin, waarbij Fériaud met zichzelf geconfronteerd wordt. Daar had best meer van in gemogen want de rest is wel wat voorzichtig.

De film van Jack Deray (Un Homme est Mort, script van schrijver Jean-Claude Carrière), speelt zich trouwens af in Barcelona. Wat uiteraard geregeld taalproblemen oplevert die opgelost worden door de Spanjaarden bijna allemaal vloeiend Frans te laten spreken.

Paranoia kan zomaar toeslaan
Soms kan een gebouw al genoeg zijn om paranoia te laten toeslaan. In El techo de Cristal (1976) weten we nog niet waar alles heen gaat als Marta mysterieuze voetstappen boven haar hoort. Haar buurvrouw vertelde eerder dat haar vriend uit de stad was – net als die van Marta trouwens. Wie is dit dan?

Aangezien Marta niet echt terecht kan bij haar man, krijgt ze contact met de huisbaas, een vriendelijke kunstenaar, die ook al wat heeft met het melkmeisje. Hij helpt haar, gaat met haar vissen en paardrijden.

Toch vertrouwt Marta haar buurvrouw Julia niet. Heeft ze niet haar man in stukjes gesneden en voert ze zo niet de varkens? Marta raakt steeds meer verward. Ze vindt een verdwaalde schoen in het brandhout, waar je ook een lijkengeur ruikt. ‘s Nachts gaat ze op onderzoek uit en… er valt een dode muis uit de schoen.

El techo de Cristal

De film gaat over hoe paranoia zomaar kan toeslaan. Daarbij neemt de film wel de tijd. Een paar mooie vrouwen maken nog geen film maar tegen het plot krijg je wel voldoening, want dat is best verrassend.

De regisseur hiervan is de intussen overleden Eloy de la Iglesia. Provocerende films waren zijn handelsmerk. Die gingen over drugs (waar hij ook zelf aan verslaafd was). Als je zijn andere films kent (Cannibal Man, The Creature) is dit een zeer kalme, bedaagde film.

Zou hij de vader zijn van de evenzo provocerende en tegendraadse Alex (El Dia de la Bestia)? Ik kan dat nergens bevestigd vinden. Je zou er paranoia van worden.

 

12 oktober 2019


Alle Camera Obscura

Communistische gangsterfilms

Communistische gangsterfilms

door Bob van der Sterre

Cu mâinile curate ♦ Vabank ♦ Dögkeselyü

 

Al die bergen gangsterfilms uit de VS, Verenigd Koninkrijk, Hongkong of Japan. Is het niet leuk om een keer gangsterfilms uit Roemenië, Hongarije en Polen te gaan kijken? Drie communistische gangsterfilms die de ogen van de liefhebber kunnen openen.

In Cu mâinile curate (1972) zien we wat Roemeense misdaad eind jaren veertig behelsde: met een tank een bank overvallen. Maar eerst naar het begin: Mihaj Roman krijgt de functie van hoofdcommissaris toegespeeld. Daar heeft hij maar weinig zin in. Zo komt hij in contact met de bestrijders van de harde misdaad, waaronder commissaris Miclovan. Een eigenzinnig maar eerlijk figuur.

Zoveel moois
De misdaad tierde hevig in de jaren veertig. Gangsters die vanuit een juwelier schieten met machinegeweren. Ze zijn omsingeld door de politie… En dan… ‘Godverdomme, een tank.’ ‘Waar komt die vandaan?’ ‘Misschien lieten de Duitsers die achter.’

Een commissaris blijkt ineens niet zo fris te zijn geweest in de oorlog. ‘Je liet me vier dagen en nachten niet slapen.’  ‘Ik deed mijn werk.’ ‘Je werk?’ ‘Jij haat mij, ik ben onverschillig tegenover jou.’ Later zegt Roman het zo: ‘Als mens zal ik je nooit vergeven. Als commissaris heb ik me verkeerd tegen je gedragen.’ De man moet hem helpen op jacht naar topcrimineel Scortea.

Er is zoveel moois aan deze film. Alleen al dat regisseur Sergiu Nicolaescu echt deed waar hij plezier uit haalde: het maken van stijlvolle misdaadfilms. Hij speelt zelf Miclovan, maar heeft hier een bijrol naast de rechtschapen Roman – die fraai wordt neergezet door Ilarion Ciobanu. Er is meer. Het fraaie portret van de armzaligen in de bar. Achtervolgingen op straat met Roemeense jazzmuziek.

Dan heb je nog het tweede deel van Cu mâinile curate: Ultimul Cartus (1973). En de fan is dan nog niet uitgekeken! Zo zijn er nog de prima misdaadfilms Un Comizar Acuza (1974) en Duelul (1981). Het knappe was dat Nicolaescu zijn films politiek min of meer neutraal houdt in plaats van dat het communistische pamfletten worden. Dat maakt de films op gekke manier juist realistisch.

Zwijgzame bankkraker
In Vabank (1981) komen we terecht in de jaren dertig in Warschau. De befaamde kluizenkraker Henryk Kwinto komt vrij. Slecht nieuws voor bankpresident Kramer, een oude vriend die Kwinto destijds heeft aangegeven bij de politie.

Kramer wil het goed maken met geld maar Kwinto is uit op wraak. Temeer Kramer naar hij vermoedt zijn oude vriend Tadeusz uit het raam heeft laten gooien. Het moest zelfmoord voorstellen maar Kwinto weet wel beter.

Kwinto, type zwijgzame bankkraker, vindt nieuwe medecriminelen – bewonderaars van hem. Hij wil nog een grote kraak doen in Kramers bank. Die schept immers op dat zijn bank onberoofbaar is. Zoals in elke heistfilm maakt dat de uitdaging voor Kwinto en zijn makkers er alleen maar groter op.

In Vabank is stukken meer aandacht aan stijl dan in je doorsnee-gangsterfilm. Zo hoort film te zijn, met aandacht voor cinematografie, setdecoratie, mode, muziek, details! Een stijlvolle vorm van escapisme.

Denk aan de briljant gefilmde zelfmoordpoging (vanuit het perspectief van een ondersteboven kijkende straatacrobaat); de handheldcamera met verrassende close-ups af en toe; de geweldige acteurs (Jan Machulski als Kwinto; Leonard Pietraszak als Kramer; vrijwel alle bijrollen).

Met de oude auto’s, hoeden en bossen krijg je al snel flashbacks naar een Poolse versie van Miller’s Crossing. Zouden de Coen-broers die tien jaar later hun film maakten deze film ook hebben gezien? Ze kunnen ook het vervolg uit 1985 hebben gezien: Vabank 2. Hoe dan ook: fans van misdaadfilms kunnen deze film simpelweg niet negeren. De film van Juliusz Machulski (ruim tien jaar geleden overleden) is té goed. Machulski schreef het script, speelt Kwinto en lijkt daarmee een soort Poolse variant van Nicolaescu. Ook weer persoonlijk betrokken en stijlvol.

Oude, stelende dametjes
Na Roemenië en Polen laat ook Hongarije zien dat het ten tijde van het communisme een beste misdaadfilm kon produceren. Dat gebeurt met Dögkeselyü (1982).

Een taxirit in een Lada. Het laatste wat je verwacht van twee oude kletsende dametjes is dat ze de taxichauffeur (Simon) zijn geld ongemerkt stelen. En dat terwijl hij schulden heeft.

De politie neemt Simons probleem niet zo serieus. Net zo min als zijn collega’s. Maar hij heeft het geld nodig. Met wat geslepen detectivewerk achterhaalt hij wie de oude dametjes zijn. Via chantage wil hij ze straffen, onder andere met de ontvoering van de dochter van een van de twee dames.

Spektakel. Achtervolgingen door de straten van Budapest (inclusief Naked Gun-sirene), autodiefstal, ontvoering. Simons verhaal valt ook samen met de tragische verhalen van de andere karakters, die ook in 1982 proberen te overleven in de Hongaarse maatschappij. De een met seks, de ander met kaartspelletjes, een volgende met puur verdriet.

Dögkeselyü oogt modern. De film van Ferenc András (die een keer niet in de film zelf speelt) zou ook nu nog wel succes hebben in het filmhuis. Coole Hongaren, zonnebrillen en zomerhoedjes, barretjes. Check bijvoorbeeld de prachtige, coole poster. Die is helemaal van deze tijd.

Maar ook het gewaagde subthema van ongelukkige Hongaren raakt als het drama van een moderne film. De film doet zelfs een beetje denken aan een Hongaarse versie van Falling Down. Het is dezelfde boosheid die hetzelfde drama teweegbrengt.

Wie had dat gedacht, dat communistische misdaadfilms eigenlijk verrassend goed zijn? Wie zijn vinger opsteekt, jokt, of is een echte fijnproever.

 

13 september 2019

 

Alle Camera Obscura

Zwembadfilms

Zwembadfilms

door Bob van der Sterre

The Swimmer ♦ Lac aux Dames ♦ Deep End

 

Ook behoefte aan afkoeling? Tijd om te gaan zwemmen en daarna films over zwemmers en zwembaden te kijken. Swimming Pool is intussen de moderne klassieker in dit genre (uit 2003) maar er is meer. De films zijn – misschien weinig verrassend – allemaal rete-broeierig en gaan over seksualiteit.

Op een dag in de zomer van 1968 duikt Ned Merrill ineens in zijn zwembroek op bij een oude bekende. Hij duikt ongevraagd in hun zwembad – wat een vrolijkerd is hij toch! Geintjes makend verrast hij zijn oude buurvrouw. ‘Dit is de dag dat Ned Merrill de hele county door gaat zwemmen!’ Zo begint The Swimmer.

Vrolijke ontmoetingen worden onvriendelijk
Ned gaat bij allerlei bekenden langs en duikt in al hun zwembaden. Bij de Grahams, de Lears, de Bunkers, de Biswangers, Mrs. Hammar én Shirley Abbott (ex-minnares). Hij haalt herinneringen bij hen op. ‘Herinner je dat? Dat transparante, lichtgroene water. Het voelde anders. God, wat een heerlijk gevoel. We konden de hele wereld rondzwemmen in die tijd.’

Vrouwen uit zijn leven komen langs in zijn zwemtocht. ‘Ga mee over een rivier van saffieren zwembaden!’ Zijn ex-minnares Shirley Abbott; de stilletjes verliefde babysitter Julie Ann Hooper; vriendin Joan.

De ontmoetingen rondom het zwembad beginnen vrolijk maar worden steeds minder vriendelijk. Ned oogt gepijnigd en vermoeid. Op een paar plaatsen is hij niet welkom meer. Het weer betrekt ook. Dan beginnen de puzzelstukjes in elkaar te vallen.

The Swimmer is veel meer dan alleen een interessante film over een scene, het is een duister verhaal. Mooie karakterschetsen, sterke hoofdrol en een applaus voor de dialogen. ‘Moeten we hem niet helpen?’ ‘Vrienden zijn niet aftrekbaar van de belastingen.’

De verhalen rondom de productie zijn in 2014 vastgelegd in de documentaire The Story of The Swimmer. Dit was Burt Lancasters, die Ned Merrill speelt, eigen favoriete film. En dat terwijl Lancaster – toch een legende in zijn tijd – slechts de vijfde keuze voor deze film was.

Wereld van knappe, interessante vrouwen
In Lac aux Dames (1934) gaat Eric Heller (een werkloos ingenieur) voor een zomer als zweminstructeur werken bij de Wolfgangsee in Oostenrijk. Aldaar bevindt zich een wereld van knappe, interessante vrouwen die wakker worden van zijn brede bast. De rijke Danny Lyssenhop; de zingende en artistieke Puck en zijn oude geliefde – en oplichtster – Anoutschka. Dat is ook niet moeilijk met de Playgirl-achtige poster die van hem is gemaakt als sportinstructeur.

Als Puck elke avond een vlag ophangt als signaal dat hij welkom is, wordt de zweminstructeur ‘the talk of the town’. Danny Lyssenhop blijft geduldig op hem inpraten. ‘Ik had goede redenen om afwezig te zijn, Danny.’ ‘Waren ze blond of brunette, die redenen?’

Deze verfilmde roman van Oostenrijkse schrijfster Vicki Baum (ook bekend van Grand Hotel) en dialogen van Collette draagt duidelijk een vrouwelijk stempel. Zoals mannelijke schrijvers zich vaak focussen op ideale vrouwen, is deze Eric lang, knap, blond, atletisch, goedhartig en een romantische dromer op de koop toe.

Collettes dialogen (geschreven vlak na het schrijven van haar beroemde La Chatte) schetsen geestig hoe de drie vrouwen met seksualiteit omgaan. Met name de rol van Puck, zowel naïef als wild, is interessant. Of hoe zijn ex Anouschka (rol Illa Meery) naakt in Erics bed zit en niet van plan is te vertrekken. ‘Dit is toch niet de eerste keer dat ik met jou slaap!’ Als hij Daniele in zijn handen heeft: ‘Je bent van goud. Je benen, je armen, een standbeeld van goud!’ ‘Mooi, laten we het nu meteen regelen dan.’

Een op momenten opmerkelijke film. Een zo’n moment is de onverwachte naaktscène van Illa Meery. Ook de rollen van Simone Simon (Puck) en Michel Simon (rijke zakenman Lyssenhop) verheffen de film boven het gemiddelde.

Toch mis je door het vele melodrama wel iets unieks, iets extra’s. Zoals een satirisch portret van de geportretteerde elite. Dat maakt de film van lopendebandfilmer Marc Allegret wel goed maar niet top.

Cultreputatie
In Deep End (1970) zitten we in een Londens zwembad. Een volwassen vrouw (Sue) werkt samen met een jongen van vijftien (Mike). Ze werken allebei in het plaatselijke zwembad. Bij hun werk bij de privébaden zijn seksuele dingen normaal. De jongen doet dat tegen zijn zin in en de vrouw duikt met haar minnaar af en toe mannenkleedhokjes in.

De jongen raakt al snel verslingerd aan de vrouw. Hij volgt haar en probeert haar verloofde tegen te werken. Ze vindt het best grappig en speelt het spelletje mee. De volgende dag zijn ze weer samen aan het werk. Als hij haar diamanten ring kwijt maakt, verliest het spel definitief zijn onschuld.

Deep End heeft met recht een cultreputatie. De regisseur, Jerzy Skolimowski, leek een eenvoudige, lieve coming-of-agefilm te maken tot plots de film over obsessies en seks gaat. Muziek van Cat Stevens en krautrockband Can helpt bij het neerzetten van die sfeer.

Fascinerende scènes volop. Het gesprek met de hoer met een been in het gips; als hij met een cardboard cutout van haar figuur in de metro stapt; de zwembadleraar met zijn ongewenste intimiteiten; de vrouwelijke klant die het aldoor heeft over voetbal en George Best; het bezoek aan de seksbioscoop.

Veel symboliek ook. Zoals wanneer hij ineens met haar in het zwembad zwemt, of zij hem een poster voorhoudt met een man die zwanger is, of hij aldoor hotdogs eet.

John Moulder-Brown (Mike) was pas zeventien maar is sterk in zijn rol (hij speelde een paar jaar ervoor een soortgelijke rol als Luis in La Residencia. Ook Jane Asher (Sue) heeft de losheid die nodig is bij de rol. Ze zijn ogenschijnlijk zichzelf. Daarom kun je al snel geloven in hoe ze met elkaar omgaan.

Londen speelt ook een belangrijke bijrol. Vooral de smerige kant van de stad: privéclubs, seksbioscopen, hoerenkamers. Zelfs Sue staat ergens geparkeerd (haar cardboard cutout dan). Sommige kijkers – en ik kan daar wel in meegaan – denken dan ook dat het Londen is door de ogen van een louter aan seks denkende tiener. Deep End is gelukkig geen film die maar ruimte voor één conclusie laat.

Nu een frisse duik om deze hitte weer kwijt te raken.

 

9 augustus 2019

 

Lac aux Dames


Alle Camera Obscura

Componisten in een lastig parket

Componisten in een lastig parket

door Bob van der Sterre

Delius, Song of Summer ♦ The Music Lovers ♦ Puccini

 

Muziek in film is bijna even oud als films zelf. Toch zie je niet vaak componisten zelf in de hoofdrol. Mensen denken vermoedelijk het eerst aan Amadeus (Mozart), A Song to Remember (Chopin) of Immortal beloved (Beethoven). Er zijn ook minder bekende films over componisten. Overeenkomst: ze zitten altijd in een lastig parket.

In Delius, Song of Summer (1968) is Fenby – een muzikale jongeman uit het Britse platteland – zeer onder de indruk van een muziekwerk. Het is het werk van Delius, een blinde en bijna compleet verlamde componist die tegenwoordig in Frankrijk woont. Als hij hoort dat Delius een assistent nodig heeft om zijn ogen te zijn, wacht hij niet lang. Hij schrijft een brief en krijgt dan een brief terug. Of hij wil helpen.

Hoe denkt een componist?
Aanvankelijk is Fenby erg trots dat hij Delius kan helpen. Al snel blijkt de musicus niet meer die hij is geweest. Fenby geeft niet op en leert het muzikale genie beter kennen, net als zijn vrienden, zoals Percy Granger, die ‘soms composities maakt’. Ook krijgt hij een beeld van Delius’ liberale geschiedenis en hoe hij eigenlijk weinig geeft om zijn vrouw. ‘Als je trouwt, trouw dan met iemand die van je werk houdt.’

Wat de film zo aardig maakt, is dat je getuige bent van hoe een componist denkt, omdat Delius alles aan Fenby moet uitleggen wat hij wil. Het is verder een lieve, intieme film zonder veel effectbejag, maar misschien ook zonder echt veel hoogtepunten.

De tv-film is een portret van zijn laatste vijf jaar, in 1936 geschreven door Fenby, eind jaren zestig geregisseerd door Ken Russell. Lees het boeiende levensverhaal op Wikipedia. Gelukkige keuze is de theateracteur Max Adrian als Delius. Zonder zijn spetterende optreden was de film vermoedelijk heel wat fletser geweest.

Muziek gaat beter dan huwelijk
In The Music Lovers uit 1971, eveneens van Ken Russell en met Max Adrian, zien we het levensverhaal van een andere muzikale beroemdheid: Peter Iljiltsj Tsjaikovski. We knallen er meteen in met een vorstelijke ouverture en chaotische beelden van een kermis waar meer mensen dronken zijn dan niet. Tsjaikovski en zijn vriend dansen erop los. Zijn broer waarschuwt: je moet een vrouw trouwen, anders kun je je muziek vergeten.

Tsjaikovski denkt erover na en kiest een vrouw die hem een frivole liefdesbrief stuurt. Nieuwe waarschuwingen van zijn broer: trouw die vrouw niet. Tsjaikovski heeft genoeg van een hem de les lezende broer en trouwt wel met haar.

Het is al niet makkelijk voor een vrouw om een homoseksuele partner te hebben. En in Nina’s geval nog moeilijker: ze hield van seks met veel mannen en werd geestesziek. ‘Ik heb een geschiedenis, Nina.’ ‘De geschiedenis is dood voor ons allebei.’

Muziek maken gaat Tsjaikovski beter af: hij weet dat hij niet moet kiezen voor de burgerlijke stijl die Nicholas Rubenstein (daar is Max Adrian weer) van het conservatorium wil dat hij speelt – niet ‘dat vulgaire gedoe’. Tsjaikovski weet al snel dat ‘dat vulgaire gedoe’ met de energie die erbij hoort juist bij hem past. Fans heeft hij genoeg.

Een regisseur met twee films in één Camera Obscura is misschien nog nooit voorgekomen, maar het kan want Delius, Song of Summer en The Music Lovers lijken wel films van verschillende regisseurs. Hier gaat Ken Russell (op basis van het boek van Catherine Drinker-Bowen) juist helemaal los, maakt er een soort filmopera van, elke scène eindigt met gegil en geschreeuw en bombastische klassieke muziek. Richard Chamberlain en Glenda Jackson passen er goed bij met hun uitzinnige acteerstijl. Russell zou deze stijl nog iets meer aandikken in Lisztomania (1975).

Overigens kwamen de Russen zelf pas twee decennia na deze film een beetje in het reine met Tsjaikovski’s homoseksualiteit, zie dit boeiende artikel in de Groene.

Niet één maar drie vrouwen
Ook in Puccini (1953) slaagt een componist er niet in om een rustig en ontspannen leventje te leiden. In dit geval niet door één vrouw, maar door drie vrouwen: zijn ‘provinciale’ vrouw, een formidabele zangeres met wie hij een klik heeft en een serveerster die hem treft door haar emoties. Geen enkele keer kan Puccini hun vrouwelijke charmes weerstaan. Is hem dat dan te verwijten?

In de relaties gaat veel mis. Zijn vrouw Elvira verkoopt zonder te vragen zijn piano. Hij laat haar vervolgens op een koude dag voor de deur staan met de baby. ‘Druk met de opera.’

De charmante zangeres Christina Vernini deelt de liefde voor muziek maar is een pittige tante die duidelijk maakt dat ze hem voor zichzelf wil. ‘Ik heb geen zin in een man die verdeeld is in twee levens, ook al heet hij Giacomo Puccini.’

Ondertussen heeft Elvira ook wel door dat Puccini niet bepaald ‘aan het jagen is’ zoals een vriend beweert. Elvira en Giacomo gaan uit elkaar; enter Delia. Allemaal leuk en aardig (‘Je bent ongeveer de leeftijd van mijn zoon’) maar ze past niet bij Puccini’s leven. ‘Ik wil dat je de volgende ochtend weg bent.’ Ze is zodanig weg dat ze later begraven moet worden.

De film is zo melodramatisch als wat, maar de kleuren zijn hier de oogstrelende factor. In Technicolor ziet de film er zeldzaam mooi uit. Klassieke filmsets uit de Cinecittà-studio’s in Rome ‘zoals ze die vroeger nog maakten’. Het acteerwerk is hier, zo lijkt het, meer decoratie voor de decors dan andersom.

De film is het type dat je aanzet op een druilerige zondagmiddag en dat je als kijker aangenaam doet meedeinen met het melodrama van Puccini’s leven, als het ware herverteld in de vorm van een opera (inclusief bombastisch einde). Een soap voor mensen die iets meer kwaliteit willen dan Onderweg naar Morgen.

Carmine Gallone, de regisseur, maakte trouwens ook een biografie over Giuseppe Verdi (1938) en een film: een opera van Puccini (Tosca). Het lijkt niet raar dat sommige regisseurs zich zo specialiseerden in dit onderwerp. Daardoor kun je misschien beter uiten wat je te zeggen hebt. Die boodschap is in al deze gevallen niet zo moeilijk: ook al ben je de meest beroemde componist van je tijd, het leven is nooit makkelijk.

 

The Music Lovers

 

15 juli 2019


Alle Camera Obscura

Scholen om van weg te rennen

Scholen om van weg te rennen

door Bob van der Sterre

La Residencia ♦ We’ll Live Till Monday ♦ Unman, Wittering and Zigo

 

Inspirerende schoolfilms genoeg. Eigenzinnige docenten die het opnemen tegen stroperige overheidsinstanties. Type Monsieur Lazhar. Welke scholen in films zijn juist zo erg dat je ervan wilt wegrennen? Drie minder bekende films die dat verhaal vertellen.

La Residencia (1970, ook wel The House That Screamed) is een depressief makende school. Een ‘finishing school’, dus waar meisjes deugdzaam worden. Teresa mag ook naar deze school. De bazin is mevrouw Fourneau.

Lijkt wel een studentenvereniging
De dames leren vooral om elkaar te terroriseren. De favorietjes (zoals Irene) mogen een andere, stoute studente afranselen met een zweep. ‘Je weet toch dat ik dit niet kan tolereren?’, legt de hoofdleraar uit, een dame die haar zoon iets te goed probeert te beschermen tegen de hormonen van de meisjes. De vraag is of ze zelf niet ook een beetje beschermd moet worden. En de meisjes zelf? Er is namelijk ook een mysterieuze moordenaar aan de gang.

De praktijken hier doen denken aan de misstanden in studentenverenigingen. Zo krijgt Teresa te horen dat ze met ‘Henry’, de houtboer, contact kan krijgen. ‘Het enige wat je moet doen is mij gehoorzamen.’ En als ze horen dat haar moeder zingt in een nachtclub is uiteraard de hoon enorm. Geen wonder dat Teresa wil ontsnappen. Hoe gaat ze dat doen?

De Uruguayaanse regisseur Narciso Ibáñez Serrador is de man achter deze film. Misschien kent de vaste Camera Obscura-lezer hem nog van de aflevering over ‘horrorkinderen’ met Who can Kill a Child? Bijzonder wat hij neerzette met een redelijk banale scripts – dankzij goed geregisseerd acteerwerk en boeiende cinematografie.

Paar hoogtepunten: de verfilmingen van de moord in slow motion; de seksscène en de reacties van alle naar hetzelfde verlangende dames (close-ups van pruillippen).

Worstelen met domme leerlingen
In We’ll Live Till Monday (Dozhivyom do ponedelnika, 1968) zien we Ilya Semenovich worstelen met de ondraaglijke saaiheid van het bestaan. Hij worstelt met de domme leerlingen, met collega’s als Svetlana en Natasha, de docente Engels, die moeite heeft met gezag te houden in haar klas en duidelijk op hem verkikkerd is. Voor zijn vak geschiedenis is ook al geen respect. ‘Al met al is geschiedenis geen wiskunde en hoeft men er niet echt slim voor te zijn.’

Geen wonder misschien dat Ilja worstelt met een depressie. ‘Geschiedenis is een wetenschap die burgers maakt van mensen.’ En: ‘Onze zielen en die van onze kinderen zijn niet gemaakt van papier.’ Iemand anders schetst hem als: ‘Zijn brillen zijn bedekt met het stof van eeuwen. Hij is sinds Jeanne d’Arc niet meer in een vrouw geïnteresseerd.’

Ilja vraagt om verlof aan de directeur. Die zucht en komt dan met een door-en-door Russische afwijzing: ‘Ilja… kijk, principes, die brengen geen brood op de plank, ook kun je er je gezondheid niet mee verbeteren, of het er warm van krijgen.’ Ook Svetlana en Natascha worstelen met hun beroep en zichzelf. Een meisje dat in een essay schrijft hoe graag ze moeder wil worden, beschrijft Svetlana als ‘een striptease van de ziel’. En Natasha zegt over zichzelf dat ze ‘zo gelukkig is als een oester’.

Depressief raken van je werk, een zwaar thema, maar een schattige, kalme film die de zuiverste ontroering teweegbrengt. Gave dialogen en goed acteerwerk helpen daarbij. Ilja en Natasha zijn schattig samen. Ook schattig is dat een jongetje (Shestopalov) verliefd wordt op een meisje. ‘Iedereen moet verliefd zijn met iemand. Anders wordt het leven saai.’

Bovendien een aantal voortreffelijke shots – daar kijk je films voor! Het begin: flats, flats en nog meer flats. Hij, staand naast de telefooncel, omhoog kijkend naar de monsterlijke flats. Film is van Stanislav Rostotski, die twaalf films maakte in zijn loopbaan. Twee van zijn films kwamen in aanmerking voor een Oscar. Als het om sentiment gaat, belooft zijn drie uur durend hondendrama getiteld Belyy Bim Chernoe ukho (White Bim Black Ear) uit 1977 krankzinnig veel tranen.

Psychologische stress
In Unman, Wittering and Zigo (1971) komt John Ebony terecht op een Engelse kostschool op het platteland. Klinkt nog niet hels? Ebony’s eerste dag is ronduit verbazingwekkend als de klas zegt dat zij zijn voorganger van een rots hebben geduwd. ‘We hebben allemaal een perfect alibi.’

Ebony heeft moeite met orde handhaven in deze klas helse puberale klootzakjes. Ze weten ook nog eens de leraar te betrekken bij gokzaakjes. Ook de hoofdleraar wil niet echt meewerken als Ebony hem de portemonnee van de voorganger laat zien; die is besmeurd met bloed.

De klas heeft steeds minder geduld met Ebony, valt zijn vrouw lastig om hem onder druk te zetten. Ondertussen zet hij het maar op een drinken. Waar houdt het op? Alleen Wittering (zie titel, de laatste drie namen van de presentielijst) valt buiten de groep.

De film is wat aan de trage kant – heeft een curieuze titel – maar is wel behoorlijk spannend. Vooral naar het einde toe heeft de film een paar scènes die je treffen in de onderbuik. Met name de scène in de squashruimte met Ebony’s vrouw is anno nu nog schokkend. Als er ooit een school van de hel was (in dit geval meer een klas van hel), zou die hier veel weg van kunnen hebben.

Goed acteerwerk van een reeks jonge talenten, waarvan toch niemand echt een filmster is geworden. En met David Hemmings die al een filmster was (Blow-Up en Profondo Rosso). Regisseur John McKenzie zou later nog de harde misdaadfilm The Long Good Friday maken (Bob Hoskins zoals weinigen hem kennen) en A Sense of Freedom (voorloper van gangster-in-bajes-films). Hier oefende hij dus al met psychologische stress.

Nog niet genoeg? Voor de liefhebber van het genre is er nog veertig minuten genieten van deze film in het publieke domein van Jean Vigo. Ook al is de film ruim tachtig jaar oud – je herkent de Franse flair onmiddellijk. De oude Vigo deed het allemaal al eerder dan Tati en Truffaut. In zijn handen verandert een helse school in een gezellige boel. Dat zou menig docent vandaag de dag hem graag na willen doen.

 

10 juni 2019

 

La Residencia

Alle Camera Obscura

Met z’n drieën is het leuker

Met z’n drieën is het leuker

door Bob van der Sterre

Rita, Sue and Bob Too! ♦ Adieu Philippine ♦ Charlie et ses deux nénettes

 

Threesomes, triootjes, ménage à trois. Je hoort er vaak over maar hoe is dat nou precies? Gelukkig brengt film uitkomst: er zijn al filmische threesomes sinds Ernst Lubitsch’ Design for Living. Drie vriendelijke en minder bekende films die zonder moralistisch gedoe trio’s observeren.

Bob doet niet moeilijk over zijn seksuele verlangens in de Britse film Rita, Sue and Bob Too! (1987). Als hij zijn twee babysitters naar huis rijdt, vraagt hij eerst of ze een ommetje via de heide willen. Daar parkeert hij de auto. Willen ze een keer een condoom voelen? Willen ze misschien ontmaagd worden? Ze giechelen wat af maar gaan toch akkoord.

Politiek correct denken ontbreekt
Rita en Sue, twee meisjes van zestien, staan vanaf dat moment bij Bob te popelen voor a jump. Zo eenvoudig gaat het ook niet. Bob is getrouwd. Zijn vrouw voelt argwaan als hij weer lang doet over het wegbrengen van de meisjes. Hij pakt het gewiekst aan: zeggen dat hij wel een affaire heeft maar niet met de meisjes.

Niet dat het altijd soepel gaat. Soms kibbelen de meisjes wie als eerste mag. Als ze moeten wachten, luisteren ze naar vervelende tienermuziek. Op zeker moment valt Sue voor de charme van een Pakistaanse leeftijdsgenoot, verlaat Bobs vrouw hem en neemt Rita haar plaats in.

De film begint sterk – vooral omdat het te verwachten triodrama achterwege blijft – maar heeft duidelijk last van ideeënarmoede tegen het einde. Wel laat de film je redelijk vaak lachen. Dat komt doordat politiek correct denken ontbreekt – typisch voor de jaren tachtig.

We zien een spottende schets van het arbeidersmilieu (permanente dronkaards en schreeuwers), rijkaards (mannen die het met jonge meisjes doen óf de hele dag de tuin sproeien; vrouwen die alleen maar met hun uiterlijk bezig zijn), schoolmeisjes (alleen seks telt) en minderheden (de vriendelijke Pakistaan met zijn losse handjes). Deze film zou anno nu niet meer gemaakt kunnen worden. Een goed bewijs dat taboes veranderen.

Dit was een van de weinige, weinige films die Alan Clarke maakte. Ook al klinkt zijn naam als een bekende regisseur, hij was het niet. Hij maakte maar twee echte speelfilms: deze en Billy the Kid and the Green Baize Vampire (over obscuur gesproken). Hij had het denk ik wel in zich om ‘het geluid van de jaren tachtig’ te zijn – ook gezien zijn vlotte filmstijl. Nu moeten we het doen met deze ene film.

Giebelmeisjes willen actrice worden
In Adieu Philippine (1962) zijn wederom twee meisjes en een man op stap. Dit keer is de man (Michel) net zo jong als de meisjes zelf. Michel die in de tv-wereld werkt, doet heel stoer over zijn baan bij Juliette en Liliane, twee giebelmeisjes die beide actrice willen worden.

Een vreemd trio. Michel is de lompe gast die graag twee vriendinnen heeft maar zich dan geen raad weet met de twee in zijn buurt. (Je ziet ze bijvoorbeeld geen een keer elkaar beminnen.) En Juliette en Liliane zijn meer verbonden door hun vriendschap dan door een relatie met een man. Je kunt zeggen dat Michel hun vriendschap verstoort. Tegelijk lijkt het alsof ze getest willen worden.

Misschien komt het ook wel omdat boven Michel dreigend het zwaard van Damocles hangt. Hij moet immers naar de oorlog in Algerije. De meiden, ondertussen, merken dat hun vriendschap onder druk staat.

In de periferie van nouvelle vague, op afstand van Godard & kornuiten, bevonden zich figuren als Jacques Rozier. De echte purist. Daarom wordt Adieu Philippine gezien als ‘echte nouvelle vague’. Je ziet het aan veel dingen. De filmimprovisatie (mensen staren door winkelruit, in Corsica staart men de camera aan), de ongescripte dialogen, de geïmproviseerde scènes, het plot zonder plot.

De spanningsboog staat los (soms te los) maar de spontaniteit levert gekke scènes op, zoals in de club, bij het dansen, die je niet in scripts zou kunnen vastleggen. Een portret van een trio dat niet met en niet zonder elkaar kan.

Geen smeerlappenfilm
Is het een cliché dat een ménage à trois vaak in Franse films voorkomen? Want ook Charlie et ses deux nénettes (1973) gaat over dit thema. In deze film van Joël Séria duurt het exact anderhalve minuut voordat een man (vrachtwagenchauffeur, negenendertig) aan de praat raakt met twee meisjes (eenentwintig en negentien) met rode regenjasjes. Ze gaan wat drinken in een café. Hé, hebben jullie zin om mee te rijden? Tuurlijk, als je dat wilt.

Guislaine en Josyane zijn heel inschikkelijk, net als de pas gescheiden Charlie. Iedereen is vrolijk en opgewekt. Ze doen een vervoersklusje samen. Hij heeft nog een berg behang op zijn kamer. Samen op de markt verkopen? Goed idee.

De meisjes zijn jong, leuk en ze gaan graag om met Charlie – temeer hij heel gewoon tegen ze doet. Ze brengen hem een ontbijt op bed zonder dat hij erom vraagt. Gedrieën naar de kermis, gedrieën dansen, en ja, uiteindelijk gedrieën naar bed. ‘Ligt iedereen goed? Welterusten!’ Een kusje op hun hoofd. Door de bank genomen hebben de drie het erg gezellig. Dat gaat goed tot er een andere marktverkoper in het spel komt: Tony, een grote vent met een grote caravan.

Charlie et ses deux nénettes zullen sommige kijkers misschien een smeerlappenfilm noemen. Dat is onterecht. Dit is juist een schattige film. Je wacht misschien op het drama. Er gebeurt niets bijzonders. Een slimme hint is dat Charlie seksueel gezien oudere vrouwen prefereert. Schrijver/regisseur Joël Séria maakte een lichtvoetige film over een beladen onderwerp.

Verder is er kwaliteit in het tempo. De film heeft bijna geen seconde zonder dialoog of actie. De saaie stukjes zijn eruit gelaten.

Deze films zitten allemaal wel vast in hun tijd. Maar dat heeft meer met onze tijd dan die van hun te maken. Het gaat denk ik om de afwijking van het standaardplaatje. Dat gaat mensen met haastige twittermeninkjes in onze tijd al snel te ver.

 

8 mei 2019

 

Rita, Sue and Bob Too!

Alle Camera Obscura

Autorijden om je verveling te bestrijden

Autorijden om je verveling te bestrijden

door Bob van der Sterre

Two Lane Blacktop ♦ L’Autostop ♦ The FJ Holden

 

Nee, ik vind deel 8 van The Fast & The Furious niet hetzelfde als films als Le Mans en Grand Prix. Scheurende auto’s, 70’s films, een zondag voor jezelf. Wat wil een mannenhart nog meer? Hier drie iets minder bekende autofilms met een overeenkomst: de karakters erin vervelen zich te pletter.

In Two Lane Blacktop (1971) zien we The Driver en The Mechanic (hun echte namen leren we niet kennen) rondrijden in hun aangepaste Chevy. Ze verdienen hun geld met racen. The Mechanic ziet een Ford met een zus en zo motor en weet meteen: die kunnen we hebben. The Driver daagt de eigenaar uit. Uiteraard winnen ze de strijd.

Autorace zonder moraal
De twee krijgen een meisje in hun auto mee (legendarische scène: ze kruipt in hun auto, ze zien haar zitten, zeggen niets en rijden zo weg). Onderweg komen ze ook steeds dezelfde bestuurder van een sportauto (GTO) tegen. Een man die graag rare lifters opneemt. Hij hoeft niet meer te werken maar weet niets anders te bedenken dan eeuwig rond te rijden in zijn GTO.

De twee partijen dagen elkaar uit om naar Washington DC te rijden – maar al snel is er geen sprake meer van een wedstrijd. Ze gebruiken elkaar onderweg om andere racers uit te dagen.

Two Lane Blacktop heeft niets voor niets al decennia een speciale schare fans. Dit is de quintessential 70’s film. Geen echt verhaal, geen echte karakterontwikkeling, geen echte boodschap en helemaal geen moralisme. De film werd in 1970 in acht weken opgenomen en de laconieke sfeer komt ook door allerlei randzaken (de financiën die maar net rond kwamen, Dennis Wilson die een paar dagen voor het filmen werd gecast).

Aan de ene kant is het een soort Top Gear-episode in filmvorm, aan de andere kant heb je ook The Girl (Laurie Bird) in een essentiële rol. Iedereen wil iets met haar (zelfs regisseur Monte Hellman begon een affaire met haar). Ze pleegde zelfmoord op vijfentwintigjarige leeftijd (en dat was acht jaar na deze film, kun je nagaan hoe jong ze hier was).

En dan is er nog Warren Oates, die met zijn natuurlijke en intense acteerstijl goed paste als tegenhanger van de twee sobere hoofdrollen: James Taylors (zanger) enige filmrol en Dennis Wilson (drummer van The Beach Boys). Hun beperkte acteren is in deze film eerder een voordeel. Geloofwaardige, zwijgende autorijders.

Promotiefilm in Russisch drama
In L’Autostop (1991) is er ook al een zinloze autoreis: autocoureur Sandro die een Fiat van Italië naar Rusland rijdt. Als voormalig autocoureur is er geen liefde zo groot als die voor de auto. Ultieme decadentie om dus maar te gaan crossen naar Rusland.

Onderweg pikt Sandro leuke vrouwen op. Hij laat ze achter en ze vinden het prima. Via Moskou komt hij in het winterse Russische platteland terecht. Een hoogzwangere vrouw in een bushokje (detail: logo Olympische Spelen Moskou in 1980) krijgt van hem een lift. Ineens duikt er een motorrijder op – de partner van de dame. Ook hij krijgt een lift (handig hoe de motor in de kofferbak past). Op een zeker moment stapt de vrouw uit en wil ze in het bos bevallen.

Een bizarre combinatie van reclame voor Fiat en een Russisch drama. In 1990 moet iemand bij Fiat het een goed idee hebben gevonden dat regisseur Michalkov een korte promotiefilm zou maken. Michalkov deed die klus op zijn Michalkovs: hij maakte er een Russische drama van bijna een uur van.

Autosnufjes spelen een grote rol in het script. De autoradio (opera in het Russische landschap), de volautomatische raamvergrendeling, de ruime kofferbak, de autogordel, de verstelbare stoelen. Kijk eens hoe makkelijk de auto rond danst op de sneeuw. Dit is Sandro’s westerse, decadente cocon – een wereld waarin hij actrice Ornelia Muti aanwijst als zijn vriendin.

De film laat de tegenstelling zien tussen westerse decadentie versus Russische mystiek. Het mystieke moment van bevallen in oer-Russisch landschap tegenover de nieuwe auto vol westerse snufjes. Let op hoe de dame in het eerste hotel (dikke close-up) de man uitdaagt door telkens een noot te spelen op een piano. Decadenter kan het niet worden. En kijk Sandro helemaal opleven na de grote gebeurtenis.

Australisch raadsel
In FJ Holden (1977) zien we hoe Kevin en Bob aldoor rondrijden in een FJ Holden (Australisch automerk), bier drinken en meisjes oppikken. Een van die meisjes is Anne. Kieskeurig is ze niet: ze heeft seks met beiden, in de auto.

De Holden is een klassieke Australische 50’s bak, synoniem met de rock-‘n-rollperiode. Kevin en Bob vervelen zich graag met deze auto, waarvan er toen de film werd gemaakt nog maar 500 van de oorspronkelijk 300.000 verkochte auto’s over waren.

Een desastreuze race zorgt ervoor dat Kevin zijn humeur verliest en ook tussen hem en Anne gaat het niet goed meer (aangezien zijn maat Bob er nog steeds bij is). Tijdens een feest is hij dronken en maakt hij ruzie – de politie is naar hem op zoek.

Ik zal maar eerlijk zijn: het doel van deze film is mij een raadsel. Kevin noch Anne heeft de waarde voor een hoofdrol en wat ze meemaken, is niet boeiend. Ik vermoed dat het ging om een portret van ‘de nieuwe jeugd’ in Australië. Symbool: de ooit rebelse Holden. Dan was het wel een oninteressant portret (of een onboeiende generatie).

De hoofdpersonen Paul Couzen (Kevin) en Eva Dickinson (Anne) waren beginners en konden geen warmte in hun rollen leggen. Het is niet vaak dat een film de laatste is voor beide hoofdpersonen (zelfs de enige voor Paul Coutzen!). Vreemd misschien – maar je hoeft het acteervak natuurlijk niet echt leuk te vinden.

Aan de andere vind ik het wel altijd leuk om naar bars en supermarkten en warenhuizen te kijken in andere tijden. Daarvan genoeg in deze film. Als tijdreis slaagt de film – en dat lijkt ook het idee te zijn geweest van deze Australian Graffiti van regisseur Michael Thornhill. Ook al reist een auto makkelijk, niets reist zo prettig als een film.

 

10 april 2019

 

Two-Lane Blacktop


Alle Camera Obscura