Carrièremannen zonder scrupules

Carrièremannen zonder scrupules

door Bob van der Sterre

Sweet Smell of Success ♦ Life at the Top ♦ L’argent

 

Carrièremannen; ze komen vaak voor als bijrollen in films, maar zelden zelf als onderwerp. Gordon Gecko in Wall Street (1988) was een legendarische rotzak maar er waren voorgangers. Daarom nu drie films waarin de carrièreman, in al zijn slechtheid en cynisme, zich blootgeeft.

New York is de locatie waar in de jaren vijftig columnisten nog mensen konden maken en breken. Ze waren feitelijk professionele roddeltantes, wachtend op inspiratie in beroemde cafés, aan hun eigen tafeltje met hun eigen telefoon.

Gevreesde columnist
J.J. Hunsecker is de meest gevreesde columnist van allemaal. Hij weet van iedereen wel iets vervelends en zegt het rustig in ieders gezicht. ‘Iedereen kent Manny Davis – behalve de vrouw van Manny Davis.’

Soms komt er een persagent langs – zoals Sidney Falco (Tony Curtis). Falco is niet meer dan een lakei voor Hunsecker. Die bekt Falco dan ook af waar anderen bij zijn en eindigt doodleuk met de woorden: ‘Je bent dood, kerel. Ga jezelf begraven.’

Maar Falco heeft belangrijke informatie. Hij weet dat Hunseckers zus wil trouwen met een muzikant, Steve Dallas. Dat verandert Hunseckers houding want hij vindt dat verschrikkelijk nieuws. Hij laat Falco een ingewikkeld plan verzinnen om de integere muzikant en de zus uit elkaar te drijven.

Toegegeven, zo goed als het geweldige eerste half uur wordt het niet meer, maar Sweet Smell of Success (1957) is en blijft een unieke filmervaring. De dialogen zijn ongewoon sterk, het acteerwerk is geweldig (Burt Lancaster als hufter: een masterclass), het cynisme druipt van het scherm, en het script rijgt alle scènes tamelijk virtuoos aan elkaar. De rollen van de vrouwen zijn ook verrassend sterk. De vijftig jaar tussen ons en de film worden eenvoudig overbrugd.

En dat terwijl Lancaster juist zo chagrijnig was! Hij vond het vervelend dat schrijver Ernest Lehman (die klassiekers zou schrijven als North by Northwest, West Side Story, The Sound of Music) niet zélf de film ging regisseren. De Britse regisseur Alexander Mackendrick (The Ladykillers) werd aangetrokken en maakte er samen met scenarist Clifford Odets een prima film van. Misschien wel juist omdat Lancaster zo chagrijnig was?

Alle vuile kneepjes zijn nodig
Joe Lampton is een heel ander type carrièreman dan Hunsecker. Hij wil succes maar moet het schofterige nog leren. In Room at the Top (1959) was hij een jonge accountant die zijn best deed om de dochter van de baas te trouwen. Dat lukte hem. We zijn nu zes jaar verder. Zijn schoonvader is niet meer zo gediend van zijn eigenwijsheid. Wat nu?

In Life at the Top (1965) kapt Joe met zijn baan en vertrekt naar Londen. Zonder vrouw, mét vriendin. Daar moet hij heel hard vechten voor een onafhankelijk bestaan. Alle vuile kneepjes zijn ineens broodnodig.

Het sterkste zijn de charmante passages met Norah (Honor Blackman). Dan komt Joe zichzelf pas goed tegen: wil hij eigenlijk wel hard werken en zelfstandig zijn? Zij laat als een echte moderne onafhankelijke vrouw in 1964 de keus aan hem.

De tijdloze verhalen van Room at the Top en Life at the Top (naar de boeken van John Braine) geven een zeldzaam eerlijk beeld van hoe lastig het leven soms is voor mannen in zaken: je moet  succes in werk hebben om door andere mannen én vrouwen serieus te worden genomen. Dat betekent dat je iets gemeens in je moet hebben om anderen te slim af te zijn. Aan keuzes die beter zijn voor jezelf  kom je nooit toe.

Jammer misschien van de voorzichtige filmstijl van regisseur Ted Kotcheff maar verder prima acteerspel van Michael Craig als slinkse minnaar, Robert Morley als concurrent Tiffield, en Laurence Harvey (een soort jaren vijftig-versie van Jude Law) als Joe.

Geld maakt een slaaf van zijn meesters
Het is verleidelijk om de films over carrièremannen te eindigen met de échte vader van Gordon Gecko (Kirk Douglas) in zijn rol als Chuck Tatum, een over lijken gaande journalist in Ace in the Hole, 1951. Een rol die je zou kunnen beschouwen als fictieve vader van Gordon Gecko.

Maar ik ga liever nog wat jaartjes verder terug, naar L’argent uit 1928, waarin twee carrièremannen de hoofdrol hebben: ‘durfkapitalist’ Saccard en behoedzame zakenman Gunderman. Ze zijn geen goede vrienden. Zo voorkomt Gunderman dat er geld gepompt wordt in het oliebedrijf Caledonian, het bedrijf van Saccard. De laatste raakt nagenoeg failliet. ‘Een lesje’, zo praat Gunderman het goed voor zichzelf als hij een eitje leeg lepelt.

Saccard doet een publiciteitsstunt om zo de waarde van zijn aandelen op te kunnen krikken. Hij financiert een vliegreis van ingenieur Hamelin naar Guyana en verdient geld door aandelen te kopen op het moment dat iedereen denkt dat het vliegtuig is neergestort. En met de ingenieur ver weg kan hij eindelijk op zijn gemak diens vrouw, Line, versieren.

Kan de meest walgelijke carrièreman alsjeblieft opstaan? Gunderman met een zuinig mondje en pafferige Saccard zijn beiden even vreselijk – hoewel ze in niets anders denken dan zakelijke mogelijkheden. Ergens in het midden zit de society-dame, barones Sandorf (Brigitte Helm, bekend als sexy robot Maria in Metropolis ). Type dat opgewonden raakt van veel geld – en die de film ineens een vleugje erotiek meegeeft.

Al vaker is al uit de doeken gedaan hoe in deze film van Marcel L’Herbier (naar het boek van Emile Zola) iedereen een andere verhouding heeft met geld. De een wil ermee investeren, de ander ermee gokken, een volgende ziet het als een spelletje, een ander wil alles juist oppotten. De conclusie krijg je halverwege de film: Geld maakt een slaaf van zijn meesters.

De film zelf had ook een ongekend budget. Niets was te gek. Er werd zelfs drie dagen in de Parijse Beurs gefilmd. De Place de l’Opera werd tijdelijk verduisterd voor een scène. Let op de kleding, de sets, zoals het huis van Gunderman. En ook talloze experimentele en fascinerende shots, zoals een auto die vlak langs een menigte rijdt. En óók nog prachtig zwijgend acteerwerk. De hysterische muziek is een minpunt. Maar bij zwijgende films kun je gelukkig ook je eigen muziekkeuze afspelen.

En een jaar na L’Argent… de onvermijdelijke beurskrach. De cirkel van zakendoen zonder scrupules, patjepeërige carrièremannen en hebzucht is daarmee rond.

8 december 2015

 

Sweet Smell of Success

 

Alle Camera Obscura

James Bond, de karikatuur

James Bond, de karikatuur

door Bob van der Sterre

The end of agent W4C ♦ Le Magnifique ♦ Our Man Flint

 

Ruim een halve eeuw na de eerste film verschijnen er nog steeds nieuwe James Bonds. Nu dus Spectre. De buitensporige kwaliteiten van deze superspion smeekten als het ware om parodieën. In deze spoofs blijken de kwaliteiten vervolgens nog veel buitensporiger.

Het is lastig om een karikatuur te maken van een karakter dat op zichzelf al grotesk is. Toch heeft dat regisseurs en producenten nooit afgeremd. Wikipedia heeft een lijst met maar liefst vijftig titels, vooral uit de jaren zestig.

Hoe Brits James Bond ook is, de parodieën kwamen uit alle landen. Uit Frankrijk de oude OSS 117-films (van André Hunebelle) en de nieuwe OSS 117-films (met Jean Dujardin). Uit Italië OK Connery (met de broer van Sean Connery), Kiss the Girls and Make Them Die en Goldginger. En uit Engeland The spy with a cold nose, Deadlier than the male en Some girls do. Keuze genoeg dus voor een melig filmavondje.

Onnozelheid als commentaar op communisme
Maar voor een echt  goede parodie gaan we naar Tsjechië. Vaclav Vorlícek maakte The end of agent W4C (Konec agenta W4C prostrednictvím psa pana Foustky) al in 1967, vijf jaar na de eerste James Bond.

Agent W4C (van een niet nader genoemde buitenlandse geheime dienst) komt in Praag in geheime zaakjes doen. Maar zijn geheime bezoek is wat je noemt een publiek geheim. Iedere spionagedienst houdt hem in de gaten. W4C wordt er geen spat nerveuzer door. Al stormt een massa geheim agenten op hem af, hij doet niet eens zijn zonnebril af, kan messenwerpen met zijn voeten en vrouwen lopen spontaan over als ze in zijn handen vallen. In uiterste noodzaak heeft hij nog een schietende wekker.

Ook de Tsjechoslowaakse geheime dienst moet deze agent W4C in de gaten houden. Maar wie? Iedereen is bezet.

Dan maar meneer Foustky, de boekhouder, een dwaas. Hij heeft geen bijzondere kwaliteit, slechts een schattig hondje. Per toeval is hij steeds op de juiste plaats, op een vliegveld, in een zwembad, in een hotel, in een restaurant, en zit zo agent W4C flink in de weg.

Het budget zal minder dan schamel zijn geweest, zoals je kunt zien aan de achtervolgingen, toch zie je aan zo’n film dat mooie cinematografie niet altijd duur hoeft te zijn. De baas die communiceert vanachter een donkere pooltafel; de donkere straat met glasscherven; het café met alle spionnen. Het script is erg vlot en in Foutsky’s onnozele optreden kun je bovendien als commentaar zien op de communistische regering van die tijd. Kortom: een pareltje onder de Bond-parodieën.

Spionagepulpboekjesschrijver
Ook erg vermakelijk is Le Magnifique uit 1973. We zien François Merlin spionagepulpboekjes schrijven in de stijl van SAS, Jean Bruce, Charteris, Havank. In die boekjes is het karakter Bob Saint Clar een soort James Bond. Slim, rijk, brutaal en vrouwen verslindend. ‘Bob Saint Clar inroepen, is het zo erg?’ ‘We moeten wel. De vrede van de wereld staat op het spel.’

Bob Saint Clar is uiteraard nogal een mannetje – een net even grotere patser dan James Bond. Terwijl hij achteloos sluipschutters uit de bomen knalt, zegt hij tegen zijn vriendinnetje: ‘Ik ben in wezen een gevoelig type hoor.’ Het eerste wat hij doet als hij uit het zwembad klimt: zijn haar kammen. ‘De vrouwen vallen op u.’ ‘Ik zou het niet weten.’

Zijn echte leven, dus dat van François Merlin, is het tegenovergestelde. Hij rookt als een ketter, zijn huis valt uit elkaar van ellende, en het meest spectaculaire wat hij meemaakt is een file. En dan moet hij elke week weer die deadline halen. Deeltje 43 moet af.

Het verzonnen en echte leven gaan meer en meer door elkaar lopen. Als de elektricien hem in de steek laat, wordt hij in een verhaal onmiddellijk aan gort geschoten. Of midden in een spannende scène komt een jongen binnengelopen die de gevangen Saint Clar begroet: ‘Hoi, papa.’

En zijn buurvrouw, Christine, keert terug als ‘Tatiana’. Ze wil in het echt een wetenschappelijk onderzoek doen naar Merlins werk. Als zij en Merlins uitgever dan te close worden naar zijn zin, maakt hij ze als ‘Tatiana’ en ‘Karpof’ belachelijk in zijn verhalen.

De verhaaltjes van Merlin zijn  pulp en daarom kun je het zo gek maken als je wilt. Dat gebeurt dan ook volop in de film van Philippe de Broca. Soms wordt het de karakters zelfs te bar. ‘De tanden van de rat zijn met cyaankali ingespoten… Met cyaankali ingespoten?’ Ze kijken ineens verbaasd in de camera. ‘Nee’, zegt Merlin peinzend achter zijn typemachine, ’dat zou die rat natuurlijk niet overleven.’

Ballet in Moskou
In Our Man Flint (1966) hebben een paar wetenschappers een eenvoudige manier gevonden om overheden geld af te persen: ze laten de zee-temperatuur stijgen. De overheden zijn radeloos. Diverse keren stellen ze een vraag aan de computer wat de oplossing is voor hun probleem en elke keer is het antwoord hetzelfde: Derek Flint.

Dat is het begin van een film waarin werkelijk alle  parodieën aanwezig zijn, te beginnen met de parodie op Bonds eigenzinnige gedrag. ‘Ah, mijn horloge staat nog op Moskouse tijd.’ ‘Een opdracht?’ ‘Ballet.’ ’Je gaat helemaal naar Moskou om ballet te zien?’ ’Te zien? Te geven!’

De Bondgirls. Flint leeft met vier vrouwen tegelijk, die tegelijk zijn assistenten zijn.

De superkwaliteiten. ‘Het doet me altijd schrikken als hij zijn hart stopt. Het is nu al drie uur.’ ‘Ja, maar het doet hem relaxen.’

De gadgets. Hij heeft er maar een: een aansteker. ‘Deze heeft 82 functies; 83 als je een sigaar wilt aansteken.’

De superkennis. ‘Er zitten minispoortjes knoflook, saffraan en vet in de pijl. Diegene die de pijl heeft afgeschoten is onlangs nog in Marseille geweest. Alleen daar maken ze de Bouillabaisse met die ingrediënten…’

Ook weer zo vermakelijk als wat, deze parodie, hoewel James Coburn als karateka een probleem is (hij is zo houterig als een plank). Het shot dat hij ligt uit te rusten met hoofd op ene stoel en voeten op andere stoel was dan ook geen special effect. Een jaar later zouden ze het nog iets bonter maken met In Like Flint, nog iets meer parodiërend, nog iets maller.

Is het dwaas? Ja, maar James Bond die de zoveelste kidnapping of explosie overleeft, is dat dan minder dwaas?

 

2 november 2015

 

The end of agent W4C

 

Alle Camera Obscura

Religie betwist

Religie betwist

door Bob van der Sterre

La voie lactée ♦ Tartuffe ♦ Inherit the Wind

 

Religie is niet zo heilig meer dat je er nog tegenaan moet schoppen. Maar in de twintigste eeuw was dat nog niet zo vanzelfsprekend. Films, boeken en muziekstukken tegen  religie waren beladen. Neem bijvoorbeeld de heftige reacties op Life of Brian in 1979. Desalniettemin staken nogal wat filmmakers hun nek uit.

Bweehhh… Wat een saai thema! Ik zie het de vaste lezer van de rubriek al denken.

Films als Life of Brian bewijzen dat films over religie helemaal niet vervelend hoeven te zijn; integendeel, zulke satirische films spelen met vastgeroeste denkbeelden, maken je vrolijk. Zelfs als je atheïst bent.

Zo’n type film is ook La voie lactée (The Milky Way) uit 1969, waarin twee mannen naar Santiago de la Compostela reizen. De rode draad van de film vormen plotseling opduikende karakters – uit verschillende perioden van de geschiedenis – die spontaan uitbarsten in discussies over theologische kwesties.

De film kan van niemand anders zijn dan cineast Luis Buñuel, immers opgevoed met streng katholicisme, en wiens hele werk doorspekt is met kritiek op de kerk. In deze film stelt hij via karakters vragen over de logica van de christelijke moraal. We zien Maria verschijnen, jansenisten die de degens opnemen tegen de molinisten, Jezus die honger heeft, een klanten zoekende Maria Magdalena, Markies De Sade die een gevangen meisje probeert uit te leggen dat God niet bestaat en gehersenspoelde schoolmeisjes.

Buñuelesque sausje
Tamelijk serieus dus maar dit wordt uiteraard allemaal opgediend met een surrealistisch, mysterieus, Buñuelesque sausje. De restauranteigenaar die een theologische discussie houdt met zijn personeel. De man die een schot hoorde en de andere man reageert: ‘O, dat was ik, ik droomde even dat de paus werd gefusilleerd.’ De priester die wordt opgehaald door het gekkenhuis. ‘Had je hem soms tegengesproken?’

Het werkt omdat het materiaal erg goed is en iedereen met een stalen gezicht acteert. Wie net als ik de religieuze kwinkslagen een beetje mist, kan de documentaire bij de film bekijken, of deze review van The New York Times uit 1970 lezen. Mede-scenarist Jean-Paul Carrière legt uit in de documentaire dat de film vooral ketters gedachtegoed wilde bespreken, wat al een ketterse gedachte was in de hippe filmwereld van die tijd.

Prototype schijnheilige
In de zwijgende film Tartuffe uit 1925 is het allemaal een stuk simpeler: religie is teruggebracht tot slechts een dubieus personage, de mysticus genaamd Tartuffe. Een radicaal die alles afzweert, behalve streng gelovig zijn.

Miljonair Orgon is sinds kort een volger van Tartuffe. Zelfs een kusje aan Elmire, zijn vrouw, kan er niet meer af ‘want Tartuffe zegt dat kussen slecht is voor een mens’. Een ontbijt? Eerst drie kwartier gebeden prevelen. Tartuffe wil uitrusten. Dan zijn hangmat schommelen (goed voor zijn gemoedsrust). Maar Tartuffes interesse in Orgons erfenis is ronduit verdacht.

Tartuffe is een prototype schijnheilige; een type Rasputin, Lou de Palingboer, Jim Jones. Maar ver voor die tijd bedacht. Molière schreef het toneelstuk immers al in 1664.

De film was in goede handen bij F.W. Murnau, maker van diverse prachtige klassiekers. Omdat Tartuffe allergisch is voor licht speelt de film zich bijna geheel in het donker af. Een dankbare opzet voor Murnau. Dat zeggende, veel geestigheid van het origineel verdwijnt met deze film – hoewel een zwijgende film natuurlijk ook maar bar weinig heeft aan de lappen geestige dialogen op rijm van Molière.

Het gebrek aan tekst wordt gecompenseerd door de voortreffelijke hoofdrol van Tartuffe door Emil Jennings – meester in het trekken van huichelachtige koppen. Wie de dialogen wel wil horen: nota bene Gérard Depardieu heeft dit toneelstuk in 1984 verfilmd (zijn regiedebuut), en er zijn op YouTube ook tv-films met originele teksten te vinden.

En het aanvallen van schijnheiligen, welke gelovige zou daar nou iets vreselijks in zien? Nou, de aartsbisschop van Parijs van die tijd dus. Het zou wel eens een kritiek op religie zelf kunnen zijn! Molière herschreef het stuk maar ook die versie werd verboden. Uiteindelijk kreeg hij van Lodewijk de Veertiende pas in 1669 het groene licht om het stuk op te voeren.

Evolutieleer van Darwin
Inherit the Wind (uit 1960) zit juist boordevol dialogen. Een leraar biologie is in staat van beschuldiging gesteld omdat hij, o wee, de evolutieleer van Darwin in de klas vertelt! Twee topadvocaten met hun afwijkende principes (de liberale Drummond door Spencer Tracy en de christelijke Brady door Fredric March) ruiken hun kans in een rechtszaak die pers trekt uit het hele land. Gebaseerd op een echte rechtszaak, de ‘Scopes Monkey Trial’ die in 1925 in Dayton werd gehouden.

De rechtszaak roert de gemoederen flink. Stadsbewoners zingen vrolijk voor de gevangenis aan wat voor boom ze de leraar zullen ophangen. Het is ook nog eens een snikhete zomer.

De rechtszaak is een prachtig, gepassioneerd duel tussen de aan de bijbel vasthoudende Brady (de lokale held) en de rationele Drummond. Tracy geeft een topvoorstelling als gelouterde advocaat die fijnzinnig het tegenstrijdige in Brady’s denken ontrafelt.

Jammer dat de film van tijd tot tijd melodramatisch is, en de muziek extreem truttig, maar de tweede helft van de film bevat zeer aanstekelijk vlammend acteerwerk. Je ziet twee klasse-acteurs, een script vol geweldige monologen en dialogen (de belangrijkste scène is één lange take), en de typerende rust en sfeer van een film uit 1960 – waardoor je er echt in gesleurd wordt voor twee uurtjes. En dan nog de bijrol van een modern ogende Gene Kelly als journalist.

Deze films hebben een opvallende overeenkomst: ze zijn wel kritisch, maar nauwelijks moraliserend. Ze willen gewoon aan het denken zetten. Open die geest! Blijf geloven als je wilt, maar wees ervan overtuigd dat er meer is tussen hemel en aarde dan religie alleen.

8 oktober 2015

 

La voie lactée 

 

Alle Camera Obscura

Lang leve het experiment

Lang leve het experiment

door Bob van der Sterre

Che ♦ Private vices public pleasures ♦ Fando y Lis

 

De categorie bizarre experimentele films begint eind jaren zestig en eindigt eind jaren zeventig. De experimentele deur stond een decennium lang wagenwijd open. Daardoor kwam veel seks, sociale kritiek en buitenissigheid. Zie hier drie voorbeelden.

Tijdens een reis door Italië wordt een Amerikaanse dame bijna verkracht maar ze weet te ontsnappen en vlucht halfnaakt een huis binnen. Het is het huis van kunstverzamelaar Noblart met overal familieleden of vrienden (dat wordt nooit helemaal duidelijk) die daar leven op Noblarts kosten; ongewoon zijn ze in elk geval bijna allemaal.

Dwalen door een onbekend huis
Nancy eigent zich een van de kamers toe. Ineens lopen er Engels en Italiaans pratende Amerikaanse toeristen binnen. Nancy wordt met een hoofdknik opgemerkt en ze doet mee in een discussie over taal. Zo gaat dat in deze villa.

Ze ontmoet Alex, een man die ervan geniet om tafeltennisballetjes onder zijn sandaal kapot te trappen en tijgers na te doen. Een sadomasochistische affaire volgt. (Een van de meer uitzinnige rollen van Marcello Mastroianni – en hij slaagt grandioos; alleen hij kan met zoveel klasse een vunzerik spelen.)

Che? (What?) uit 1972 is met afstand Roman Polanski’s vreemdste film. Volgens de verhalen begon dat al bij de producer, die aldoor che? zei toen hij de film zag. De trailer geeft in dit geval een erg goed idee van wat je kunt verwachten:

Van zo’n film moet je anders  genieten: logica overboord zetten en je laten meevoeren naar een andere wereld. Dwalen door een onbekend huis. Een lichtzinnig sfeertje zonder plat te worden. Onpeilbare types. Leuk spelende acteurs. Een mooie vrouw die naakt rondloopt met een servetje om en  een blauw been (Sydney Rome). En natuurlijk dat mooie decor in Italië.

In feite kijk je naar Alice in Wonderland, maar een ironische, decadente, jaren zeventig versie. Voor ieder karakter uit dat boek, vind je in deze film ook een karakter. De Filmkrant haalt dan nog aan dat de film ook een beetje over Polanski’s eigen leven gaat en dat hij in deze film met zichzelf spot. Wat wil je nog meer?

Vrolijke, dansende blote mensen
In Private vices public pleasures (1976, originele titel Vizi privati, pubbliche virtù) zien we hoe een troonpretendent van het Habsburgse rijk (prins Rudolf) met zijn aristocratische vrienden zijn vrije tijd indeelt. De agenda bestaat uit seks, knuffelen, seks, zingen, lachen, opnieuw seks en eten. Hij is biseksueel en zijn bezoekers doen ook nergens moeilijk over.

Is dit een serieuze troonpretendent of een iemand die niet goed bij zijn hoofd is? Hij is in elk geval niet van plan te luisteren als een generaal hem namens de keizer komt ophalen. Die generaal kijkt moeilijk; wat moet je met deze losbandige bende? Die kun je moeilijk aan de macht brengen. ‘Hij heeft een mooie kont. Maak hem minister van oorlog!’

Mensen die naakt ronddansen; een naakte dame op een schommel; blote mensen die hand-in-hand rondrennen; dames die champagne drinken; mannen die seks hebben met kalkoenen. De generaal eet maar een augurkje.

Menig persoon zal de film interpreteren als seksfilm. Maar de film is totaal niet erotisch. Het is haast infantiel hoe de aanwezige heren en dames zingen, muziek maken, dansen, knuffelen. Deze vorm van slow seks zal nog veel vragen van de meest tantrische der geliefden.

Deze Hongaarse film van Miklós Jancsó (eind vorig jaar overleden) is eerder een soort jaren zeventig variant van Tokyo Decadence. Net als in die film is decadentie de hoofdrolspeler. Zelf noemde Jancsó zijn films ‘politieke musicals’. Wat dan een beetje lastig is, is dat er nauwelijks een dialoog is, nauwelijks enige context waarom de mensen dit doen. Je moet er al kijkend zelf wat van maken. Het is een vriendelijke film die je kunt aanzetten als rustige trip met veel vrolijke, dansende blote mensen.

Op weg naar de mythische stad Tar
Kampioen der vreemde-films-makers is Alejandro Jodorowsky. Hij had maar een modus van denken: totaal radicaal. Bevriend met surrealisten Roland Topor en Fernando Arrabal, tekende bizarre strips samen met Moebius, werkte als mime-artiest met Marcel Marceau.

Hij maakte drie speelfilms in de periode 1968 – 1973 die nog steeds een grote schare fans hebben. Dat is wonderlijk, want je zal zelden een minder toegankelijke film zien, welke van de drie je ook kiest.

Neem Fando y Lis uit 1973, naar een toneelstuk van Arrabal. Fando zeult met verlamde Lis en een grammofoonspeler in een karretje door de bergen. Ze zoeken de mythische stad Tar. Onderweg komen ze van alles tegen. Eieren, zwepen, mensen in de modder, kalfskoppen, autowrakken, travestieten, kaartende oude vrouwtjes, lijken, gaten in de grond, ga zo maar door.

Je moet je dan even voorstellen dat het 1968 is. Je bent een argeloze Mexicaan die tijdens het Acapulco Filmfestival een film van ene Jodorowsky gaat zien. ¿Que? De producer van Polanski zou er vermoedelijk een hartaanval van hebben gekregen.

Geen wonder dat Jodorowsky zich destijds op de achterbank van een limousine moest verbergen. Onthutste bioscoopgangers wilden hem stenigen. Bijna moest hij het land ontvluchten.

Hij vraagt dan ook niet weinig van de kijker. Deze film heeft geen overgangen, geen logisch verhaal, geen karakterontwikkeling, nauwelijks dialogen. Het openingsshot is typisch voor de film: een vrouw die een roos eet en geluid van bombardementen. Toch zien liefhebbers er allerlei moois in. En als je goed kijkt naar een film als Eraserhead dan moet je toch erkennen dat uit deze radicale cinema iets moois is voortgevloeid. Het zit alleen niet in deze  film.

Eresaluut
Het is makkelijk om deze films te bespotten maar de vrijheid die ze nemen dwingt beslist respect af. In ons commerciële tijdperk nemen regisseurs, al dan niet gedwongen, meestal te weinig vrijheid. Daarom, hier nog eenmaal een eresaluut voor nog een paar van cinema’s meest radicale filmmakers: Hans Richter, José Mojica Morins, Marco Ferreri en Dusan Makavejev. Ze proberen betekent soms pijn lijden als filmkijker… Maar het is voor een goed doel: het ervaren van wat dat nou is, totale vrijheid.

 

6 september 2015

 

Private vices public pleasures

 

Alle Camera Obscura

Waardeloze agenten

Waardeloze agenten

door Bob van der Sterre

Freebie and the bean ♦ Roma Violenta ♦ Indagine su un cittadino al di sopra di ogni sospetto 

 

In films zijn we gewend om naar buitengewoon capabele agenten te kijken. Ze zijn slim, kunnen met scherp schieten, draaien hun hand niet om voor wat karate of jiujitsu, rollen complete misdaadorganisaties op. Maar waar zijn de prutsers onder de dienders?

Agenten Freebie en Bean – dat zijn pas prutsers. Ze moeten gangster Red Meyers beschermen. De maffia heeft een prijs op zijn hoofd gezet. Tijdens dit beschermen verwoesten de twee bijna de hele stad. Schietpartijen overal, aanrijdingen, achtervolgingen. De man in de wc die zijn jasje laat vallen, daar blijft niet veel van over. Een achtervolging eindigt in een slaapkamer. ‘Hé, Fred. We hebben een klein ongelukje gehad. Kun je een sleepwagen sturen, naar 618 Elm Street? Het is, eh, de derde verdieping.’

Aanstekelijk en politiek incorrect
Freebie en The Bean (1974) is een lastig te definiëren film. Soms erg kolderiek, soms gewelddadig, soms subtiel geestig, met het gekibbel van James Caan (Freebie) en Alan Arkin (Bean) als rode draad. De helm die Bean opzet omdat hij Freebie gevaarlijk vindt rijden. In een kledingzaak rukt Freebie Beans blouse los om te laten zien hoe matig de knopen zijn. Bean die zijn vrouw verdenkt van vreemdgaan. ‘Waarom zit je panty achterstevoren?’ Prachtige stukjes cinema.

Na wat improvisaties wilden de twee acteurs een meer komische draai geven aan het verhaal. Dat is gelukt. De chemie van de twee is aanstekelijk. Maar ook de actiescènes zijn erg goed gedaan (een mooie midden in de film eindigt met een pan tomatensaus).

De film bevat veel korte passages op veel verschillende locaties. De crew was dus aldoor aan het rondreizen door San Francisco (er zijn ergere banen denkbaar). Met al die terloopse beelden krijg je een leuke impressie van het dagelijks leven destijds.

De film is gek genoeg nooit populair geweest. ‘Je krijgt het idee dat een auto deze film heeft geregisseerd’, schreef The New York Times. Zelfs Alan Arkin vond de film waardeloos en acteert met zichtbare tegenzin – wat grappig genoeg goed past bij zijn karakter.

Tegenwoordig wordt de film gekraakt omdat ie nogal politiek incorrect uit de bocht vliegt, wat wel weer bewijst dat men daar in de jaren zeventig niet zo mee bezig was. Maar er zijn ook fans. Quentin Tarantino is dol op de film en vertoonde hem zelfs tijdens zijn eigen filmfestival in Austin. Geen wonder. Als je naar Jules en Vincent kijkt, herken je daar best wat in van Freebie en Bean.

Té rechtvaardige agent
Commissaris Betti in Roma Violenta (1976) is een ander soort agent: hij is te  rechtvaardig. Hij heeft moeite met al die boeven die steeds weer ongestraft ontsnappen. Het lijkt hem logischer om een paar meppen uit te delen. Terwijl Betti een crimineeltje aftuigt in een tram, en andere agenten tussenbeide willen komen, houdt zijn collega hen tegen. ‘Wacht even, de commissaris is nog niet klaar met de ondervraging.’

Zijn meerderen verzoeken hem rustig aan te doen. Kansloos. Iemand als Betti kan niets met een ‘nee’ als antwoord. ‘Wat doet de wet voor de vrijheid vandaag de dag? Mijn beroep is het om de misdadigers het zo moeilijk mogelijk te maken.‘

Natuurlijk moet hij na de zoveelste overtreding opkrassen. Maar dat komt Betti eigenlijk wel gelegen want nu kan hij zijn wie hij echt is: een vigilante. Samen met een groepje slaat hij zich een weg door de misdaad om een bende op te rollen.

Een orgie van geweld volgt en dat is nog zachtjes uitgedrukt. Deze (ex-)agenten kijken niet op een dode meer of minder. Typisch Italiaanse pulp, zoals halverwege de jaren zeventig aan de lopende band verscheen.

Toch, kijk eens naar de trailer, wie kan dat nou weerstaan? Een verbijsterend hoog tempo. De eerste moord valt al na een minuut. En toch ook is er ruimte voor een perspectief op de Italiaanse samenleving van 1975 (supermarkten, cafés, openbaar vervoer, straten) die je niet ziet in serieuzere films. En Maurizio Merli – de man die Betti tot leven brengt. De agressie valt van zijn gezicht te lezen; zijn snor is zo alfa als het maar kan.

Morele corruptie
‘Il dottore’ maakt het ook bont, nog bonter dan de anderen. In Indagine su un cittadino al di sopra di ogni sospetto uit 1976 is hij hoofd van de afdeling moordzaken. Betti geloofde tenminste nog in rechtvaardigheid, maar Il dottore is dat station ver voorbij. Hij is totaal cynisch geworden over politiewerk. ‘De stad is ziek.’

Hij vindt het schandalig hoe makkelijk iedereen wegkomt met morele corruptie. Om zijn punt te maken, of omdat hij gewoon gek is, vermoordt hij zijn minnares. Hij loopt met zijn schoenen door het bloed heen, laat opzettelijk sporen achter, hint naar agenten en bekent aan getuigen.

‘Misschien was je in gedachten’, zegt een mede-agent als zijn sporen werkelijk overal in het huis teruggevonden worden tot aan de glazen toe. Bewijsstukken worden opzettelijk niet  gevonden, getuigen bewerkt. De film werkt naar een sterk plot toe.

Hoe moeilijk is het om onthuld  te worden als je boven de wet staat? Heel moeilijk dus. Het is daarentegen niet zo moeilijk om in het verhaal van ‘il dottore’ het Italië van de jaren zestig en zeventig te zien. Dat was nou niet bepaald de staat waarin politiek uitblonk in eerlijkheid.

Elio Petri blijft een wonderlijke regisseur, die in de schaduw van Fellini, Visconti en Antonioni de ene na de andere interessante film maakte. Sterke, satirische scripts, mooi gefilmd. Ook hier weer. Let op de recht in de camera kijkende close-ups, de mysterieuze intermezzi met de gedode minnares, en de van arrogantie stralende Gian Maria Volonté. Wat is hij onaangenaam!

Je hoeft maar een paar minuten van deze uitstekende film te zien om te begrijpen waarom zelfs de doorgaans zo voorzichtige Academy Awards de Oscar van de beste buitenlandse film van 1971 aan deze film schonk. Prutsende agenten kunnen dus soms ook iets moois opleveren.

 

11 augustus 2015

 

Indagine su un cittadino al di sopra di ogni sospetto

 

Alle Camera Obscura

Pure heksen

Pure heksen

door Bob van der Sterre

Viy ♦ Witchhammer ♦ Black Sunday

 

Een paar jaar geleden was het ineens een rage. Heksenfilms en wiccaboeken waren niet aan te slepen, en verschenen in talloze gedaantes, tot en met Hansel and Gretel: Witch Hunters. Maar sindsdien is het weer wat stiller geworden rondom het heksenthema. Een mooi moment om de ‘pure’ heksenfilm af te stoffen.

Drie priesterstudenten zijn aan de zwier geweest. Ze hebben overnachting nodig. Bij een huisje laat een oude vrouw ze toe, mits ze gescheiden gaan slapen. Beetje vreemd verzoek, maar vooruit dan maar.

Het meisje wil wraak
De jonge priester Khoma, hoofdpersoon van Viy (1967), wordt in de schuur wakker gemaakt. De oude vrouw neemt hem mee op een vliegende bezemtocht over land. Hij is haar ‘paard’. Bij de landing grijpt hij zijn kans en slaat hij haar lens. Maar het is ineens geen lelijke oude heks meer die hij lens slaat, maar een beeldschoon meisje.

Niet veel later sijpelen er in het klooster waar hij studeert berichten door dat een meisje is overleden. Ze heeft voor haar overlijden specifiek hem aangewezen de wake te doen. Khoma voelt de bui al hangen: het meisje was de heks en wil wraak. Maar ontsnappen zit er niet in. Hij moet die drie nachten van de wake doorstaan.

In het griezelige houten kerkje waar het meisje ligt opgebaard, trekt Khoma meteen een heilige cirkel om zich heen. En niet voor niets, zodra ze opstaat uit haar dood beukt ze op de denkbeeldige koepel, net zo lang tot hij er bijna krankzinnig van wordt. Maar daar kraait gelukkig de haan! Hij drinkt zijn ellende weg want de volgende avond moet hij weer aan de bak.

De roots  van deze heksenfilm liggen bij romanschrijver Nikolaj Gogol, van wie meer verhalen zijn verfilmd dan je denkt. Hij zei dat Viy ooit een Oekraïens folkloristisch karakter is geweest maar bij Gogol weet je het nooit, er zijn in elk geval geen bewijzen van.

Regisseur Konstantin Ershov maakte er eind jaren zestig een prachtig luchtig horrorverhaal van. Het eerste gedeelte zet de karakters neer, en tegen het einde, met de waken, wordt het pas echt bizar. Dat gedeelte doet denken aan de Underworld-films. In deze tijden is het de moeite waard om eens te kijken hoe men dat deed in tijden toen men nog nooit had gehoord van green screens en CGI.

Heksenjacht na gestolen hostie
De Tsjechoslowaakse film Witchhammer (Kladivo na carodejnice) uit 1967 pakt het thema heksen een stuk serieuzer aan. Hier kijken we naar mensen die tegen hun zin tot heks worden gebombardeerd. Een historisch drama.

De aanleiding van de heksenjacht is een gestolen hostie. De dievegge verzint een verhaal over hoe sommige inwoners in het stadje aan heksenpraktijken doen. Dat moet uitgezocht worden. De hertogin kan kiezen tussen de verstandige priester Lautner, die in dit geval een standje genoeg vindt, en priester Boblig, die de zaak graag tot op de bodem wil uitpluizen. Boblig krijgt de klus en gaat voortvarend aan de slag.

De bekentenissen stromen binnen. Dat betekent ook steeds méér werk want ook de volgende reeks opgepakte mensen bekent ook aan hekserij te hebben gedaan. Er is maar een probleem: de bekentenissen komen altijd pas na een flinke portie martelen.

De film is verrassend realistisch. En dat is geen wonder. Echte uittreksels van inquisitierechtbanken hebben aan de basis gestaan van deze film – veel griezeliger kan een heksenfilm niet worden. Het acteerwerk is bovendien van grote klasse. Bad guy Vladimir Smeral geeft zijn Boblig de juiste arrogantie mee. Wat een smeerlap! De toon van de film is cynisch, donker, grimmig, zwart-wit.

En dan is ook nog de dubbele lading van de werkelijkheid. Zoals bij meer Tsjechische films die tijdens het creatieve kwartiertje van de Praagse Lente verschenen, is het niet moeilijk om de parallel te zien tussen de inquisitie en de geheime diensten – die hun eigen heksenjachten hielden. De film is sowieso een indrukwekkende aanklacht tegen alle soorten misdragingen van autoriteit. Het is verbazingwekkend dat de film in 1970 nog uit kon komen in de Tsjechoslowaakse bioscopen.

Pulpfilm als excuus voor kunstwerkje
In Black Sunday (Mario Bava, 1960) zien we een heel ander soort heks: eentje die echt  een heks is en dat bekent  in de eerste minuut van de film. Zij, Katia Vajda, krijgt ergens op het platteland van Moldavië een masker met spijkers in haar gezicht geramd. Maar ze belooft dat ze ooit zal terugkeren.

Het gaat eeuwenlang goed maar er is maar een onnozele dokter nodig om het te verpesten. Hij schrikt van een vleermuis en breekt dan per ongeluk het glas waaronder haar lichaam ligt. Hij tilt even het masker op. Een wit gezicht met gaatjes. Het krioelt van de maden, schorpioenen, torren. ‘Weet je wat, laten we gaan.’

Maar een heks die net wakker is, heeft altijd een to do list. Bovenaan staat het veroveren van het lichaam van haar klein-klein-klein-kleindochter: prinses Asa Vajda (beide rollen zijn van Barbara Steele). Die dochter weet nog van niets maar er begint iets te dagen als er steeds vreemdere dingen gebeuren in hun kasteel. Gelukkig dan maar dat een nobele adonisdokter verliefd wordt op Asa en haar beschermt met een kruisje om haar hals.

Als je van mening bent dat een heksenfilm geen inhoud hoeft te hebben maar wel artistiek interessant zou moeten zijn, dan betekent Black Sunday een perfecte avond. Een pulpfilm als excuus voor een cinematografisch kunstwerkje. Mario Bava – die schilder was voor hij regisseur werd – in topvorm.

Het opmerkelijkste aan deze film is hoe Bava en zijn crew gedacht hebben aan verschillende dimensies in de decors, met een duidelijke scheiding tussen stukken op de voor- en achtergrond, als een soort analoge versie van het 3D-effect. Hieruit blijkt eens te meer dat ook pulpfilms een artistieke aanpak verdienen.

En blijkt dan als basis voor deze film te zijn gebruikt: wederom Viy van Gogol! Maar het is een typisch voorbeeld van ‘losjes gebaseerd op’ want de twee films kunnen niet méér van elkaar verschillen. De heksencirkel is in elk geval wel rond.

 

8 juli 2014

 

Witchhammer

 

Alle Camera Obscura

Commercie in zijn hemd gezet

Commercie in zijn hemd gezet

door Bob van der Sterre

Äppelkriget ♦ Schtonk! ♦ La decima vittima

 

We leven misschien wel in het meest commerciële tijdperk van de geschiedenis. Kapitalisme zegeviert alom. Maar waar blijven de satires over de lelijke kanten van commercie? Een film als 99 Francs (2007) is zeldzaam. De filmgeschiedenis heeft genoeg goede voorbeelden om je als filmmaker aan op te kunnen trekken.

Op de plaats van het landelijke Zweeds dorpje Anglamark moet het pretpark Deutschnyland komen. De gemeente doet alsof ze niet anders kan. De gelikte presentatie van Sten Wahl van de Swedish Public Relations zou zijn werk moeten doen. ‘Old motherland will be… future motherland!’ Maar in het dorp zijn de mensen niet zo overtuigd. ‘Die mensen uit Midden-Europa, moeten die soms ook hun schoenen laten repareren?’

Pretpark in Zweden
Tore Gustafsson, de superondernemer van het stadje en de drijvende kracht achter Deutschnyland, schiet uit zijn slof: ‘Het betekent vooral geld, veel geld.’ Zijn vrouw is dan ook de CEO van Deutschnyland. En hij kan meteen zijn stempel op het stadje zetten. ‘Dit kasteel kunnen we ook eindelijk in de hens steken.’

Een rebelse jongen, een boerin met heksengaven en een uitvinder besluiten zoveel mogelijk het project tegen te werken. Het lijkt wel Asterix en Obelix tegen de Romeinen. Ook zij maken gebruik van een tovermiddel: de heksentalenten van de boerin. Zo eindigt de pr-man met een hoed die net zo groot is als hijzelf.

Äppelkriget (1971)  is een geestige lowbudgetfilm, die het moet hebben van creatieve oplossingen en acteurs die er erg veel zin in hebben. Daarmee doet het denken aan films van Michel Gondry. Een Duitser staat voor een soort Stonehenge. ‘Ik heb een geweldig idee!’ In het volgende shot is van dit Stonehenge een soort casino gemaakt: mannen in pak staan bij de stenen en doen alsof het gokhalautomaten zijn.

Bovendien tegen het sprookjesachtige aan zittend. Zoals de episode met drie zwakzinnige broers (een van hen is Max von Sydow, twee jaar voordat hij met The Exorcist zou doorbreken). Een man met een baard die zo lang is dat ie tegen de muren aangroeit. Een reus die een brand uit plast.

De film blijft tot het einde toe satirisch. Het aantrekkelijke van de film is dat hij met zoveel zelfvertrouwen is gemaakt. Het komische duo Tage Danielsson en Hans Alfredson werkte al sinds 1956 samen aan tv-programma’s en films, dus waren ze in 1971 intussen flink ervaren.

De dagboeken van Adolf Hitler
Commercie kan soms nóg lelijker zijn. Fritz Knobel, een meestervervalser, probeert in Schtonk! (1992) geld te verdienen aan goedgelovigheid met zogenaamde nazi-parafernalia. Als hij een vervalst schilderij van Hitler aanbiedt, moet de echtheid wel gecontroleerd worden. Dat ziet hij natuurlijk niet zitten maar een expert komt spontaan voor hem op: ‘Ik hoef dit werk niet te controleren. Ik was er namelijk zelf bij toen Hitler dit schilderde.’

Dit succes doet hem overtuigen dat hij iets ambitieuzer te werk moet gaan. Waarom niet de dagboeken van Adolf Hitler schrijven? Hij schrijft er een. Als die tijdens een geheimzinnige avond in een kasteel wordt gepresenteerd beseft Willié, journalist bij een groot weekblad, dat dit de ‘knaller’ is die hij zocht.

De zwendel begint. Knobel belooft zestig delen. Willié betaalt, Knobel levert. De kluis van het weekblad raakt leger en leger. Knobel accepteert het geld gretig maar hij zit ook met een probleem: wat te schrijven? Hij begint zijn eigen privéleven te verwerken in de dagboeken. Als hij ruzie heeft met zijn vriendinnetje, heeft dagboek-Adolf ook ruzie met Eva. ‘Adolf Hitler als mens. Dit is een wereldsensatie…’

Regisseur Wolfgang Dietl maakte maar vijf films in zijn carrière maar die zijn dan wel met veel smaak gemaakt. Door zijn mooie cinematografie stijgt deze film ver boven zijn verhaal uit. Hij had ook voortreffelijke acteurs tot zijn beschikking: George Götz als Willié, Uwe Ochsenknecht als Knobel, en Ulrich Mühe (die later in Das Leben der Anderen furore zou maken) als baas van het blad. Duitsers kunnen dus best komedies maken, ze doen het alleen te weinig.

Het mooiste is dat dit echt is gebeurd. Het tijdschrift Stern heeft negen miljoen mark betaald voor zestig vervalste dagboeken. Het is dus een geweldige sneer naar sensatiebladen die liever verkopen dan feiten controleren. Maar zij waren niet de enigen die erin tuinden. In dit artikel in The New Yorker kun je lezen welke rol The Sunday Times destijds speelde.

Brood en spelen in de moderne tijd
Kan commercie nóg lelijker en nóg platter afgebeeld worden? Ja dus. Ver voordat Schwarzenegger de hoofdrol in The Running Man zou krijgen, had je al La decima vittima (The Tenth Victim) van Elio Petri. In deze film uit 1965 jaagt een jager op een opgejaagde (die niet weet wie de jager is). Ze worden aan elkaar gekoppeld door een computer in Genève. De ene keer ben je de jager, de volgende keer de opgejaagde. Degene die overleeft, gaat een ronde verder. De overheid accepteert het fenomeen, mits je je kunt identificeren als deelnemer.

De sluwste spelers blijven over. In dit geval Poletti (Marcello Mastroianni) en Meredith (Ursula Andress). Zij jaagt op hem. Het is wat je in baanwielrennen een ‘sur place’ noemt. Meredith speelt het slim maar Poletti is ook buitengewoon gewiekst. Ze merken beiden dat ze een waardige opponent hebben.

En óf het een commercieel evenement is. Als iemand is vermoord in een club komt een presentator in beeld. ‘Alleen in de Masoch Club kun je zulke buitengewone shows zien! Een oprechte achtervolging, een oprecht slachtoffer en een oprechte moord!’

Vanuit een helikopter bekijken Meredith en haar team boven Rome wat commercieel gezien een interessante moordplek zou zijn. ‘Wat dacht je van dat plein daar?’ ‘Ja, stel je voor, Poletti in die fontein.’ Ming Tee wil bovendien de tiende jacht van Caroline gaan sponsoren. Een lucratief contract want de Ming Tee-reclames worden bekeken door miljoenen mensen.

La decima vittima slaagt eigenlijk op alle punten  als satire. Brood en spelen in de moderne tijd. Er is veel aandacht voor geloofwaardigheid. Zo is de film documentaire-achtig gefilmd. En terloops horen we bijvoorbeeld dat iemand in de gevangenis belandt voor een ‘illegale’ moord.

Er is ook de formidabele vormgeving. De film wordt niet voor niets soms een popart film genoemd. De scène van het restaurant op het dak is een prachtig voorbeeld. Een handige ondernemer zou van dit restaurant een successtory kunnen maken…

 

8 juni 2015

 

Äppelkriget

 

Alle Camera Obscura

Geblokkeerde schrijvers

Geblokkeerde schrijvers

door Bob van der Sterre

I’ll Never Forget What’s’isname ♦ Il tuo vizio è una stanza chiusa e solo io ne ho la chiave ♦ Una pura formalità

 

Het is opvallend hoe vaak schrijvers in films worstelen met een writer’s block. Je hebt in films vermoedelijk meer schrijvers die niet schrijven  dan schrijvers die wel schrijven. Ze zijn gefrustreerd, boos, gewelddadig. Goed voorbeeld is uiteraard The Shining (1980). Maar er zijn er meer. Hier nog drie gefrustreerde schrijvers.

Andrew Quint is een schrijver, geen reclamejongen. Tenminste, dat vindt hijzelf. Hij wil doorbreken met een roman. Daarom gaat hij met een bijl naar zijn werk en sloopt symbolisch zijn bureau.

Hij moet en zal die roman schrijven. Maar beseft hij wel wat dat is: stilzitten en woorden op papier zetten? Is hij daarvoor niet te rusteloos? Zijn goede vriend Jonathan probeert hem wel te begeleiden maar ook die weet eigenlijk al: dat gaat niets worden.

Succesvolle reclameman
Afscheid nemen van het rijke leventje als succesvolle reclameman is bovendien niet zo makkelijk als het lijkt. En al die vriendinnetjes? En het getreiter van vroegere schoolmaatjes, wat moet hij daarmee? Hij moet dus eerst ‘met zichzelf in het reine komen’ om een roman te kunnen schrijven.

Onverwacht interessante film: I’ll Never Forget What’s’isname (1967). Duister, satirisch (het old boys network) en de betere dialogen. ‘Ik wil een eerlijke baan.’ ‘Maar mijn beste vriend, die bestaan niet!’ Hij ontknoopt een blouse van een vrouw. Zij: ‘Alles is zo opmerkelijk bereikbaar in deze tijd, vind je niet?’ Quint hangt aan een touw in een gymzaal en antwoordt op een vraag over relaties: ‘Ik ben een man, geen matchmaking kandidaat.’

Deze film van Michael Winner (Scorpio, Death Wish) heeft veel chemie tussen de belangrijke personages. We geloven best dat Oliver Reed dat boek wil schrijven, maar we geloven het pas echt als Orson Welles, als Jonathan, hem tips geeft. Zo’n moment als Jonathan zijn masseuse op bezoek heeft, of cornflakes met druiven mixt, en tegelijk praat met Andrew: onbetaalbare cinema.

De ‘schaduw’ van The Shining
Een ander gefrustreerd mannetje is Oliviero. Hij heeft al talloze boeken geschreven maar de laatste tijd is de fut eruit. Een typemachine staat werkloos te wachten op zijn inspiratie. Gedachten aan zijn overleden moeder belemmeren de creativiteit. Misschien was hij ooit een aardige vent. Nu niet meer.

Zijn frustratie leeft hij uit op zijn vrouw, Irina. Oliviero leeft met haar samen in een verlaten landhuis nabij Venetië. Hij slaat haar; gaat vreemd; organiseert zuipfestijnen. Tijdens zo’n festijn maakt hij haar belachelijk te midden van alle aanwezigen. Maar Irina durft niet bij hem weg te gaan. ‘Hij zou me nooit laten gaan.’

En wie vindt deze akelige vent niet verdacht als opeens een jonge vrouw is vermoord? Oliviero’s reactie op de verdachtmaking is zo laconiek als het maar kan. Een eigengereid nichtje komt op bezoek en neemt zich voor de moordenaar te vinden. Zij zorgt voor de nodige seksuele spanningen. Irina: ‘Wat hij echt wil, is naar bed gaan met jou.’ Floriana: ‘Maar dat heeft hij al gedaan.’ Ze geeft Irina een paar gezellige tips hoe ze van hem af kan komen. ‘Een picknick met een tragisch einde bijvoorbeeld.’

De karakters in deze film zijn perfect in evenwicht. Tegenover de botte Oliviero (Luigi Pistilli) heb je de zachte Irina (Anita Strindberg). Daartussen zit het zelfverzekerde nichtje, Floriana (Edwige Fenech). De drie spelen ‘genre-onwaardig’ goed. Goed werk van het castingbureau van destijds dus, al hoefden ze voor Fenech niet ver te zoeken, die kwam zo’n beetje in elke giallo voor.

Bovendien, zoals gebruikelijk in giallo’s (Uitleg giallio), een enorm tempo. Zo blijft de film onderhoudend tot het einde. En dan de titel! De Italianen hebben zich in het giallo-tijdperk uitgeleefd met titels, maar Il tuo vizio è una stanza chiusa e solo io ne ho la chiave (Your Vice Is a Locked Room and Only I Have the Key) uit 1972 is wel van een zeer zeldzame buitenissigheid.

De schaduw van The Shining hangt jammer genoeg een beetje over deze film. Er zijn talloze overeenkomsten, zoals de werkloze typemachine midden in de kamer. Alleen is Il tuo vizio… wel acht jaar gemaakt vóór The Shining. Regie van Sergio Martino, die prima mysterieuze thrillers (The case of the scorpion’s tail; Torso) afwisselde met totale kitsch (2019, after the fall of New York; The mountain of cannibal God).

Mistroostig politieverhoor
Onaangenaam, deze schrijvers. Onoff is er nog zo een. Van de drie is hij het meest de weg kwijt.

In Una pura formalità (1994) treffen politieagenten Onoff aan op een provinciale weg tijdens een forse regenbui. Hij weet zelf ook niet goed meer wat hij er aan het doen was. Ze nemen hem mee naar het bureau.

In een surrealistische sfeer wachten ze op de commissaris. Die verschijnt dan eindelijk en heeft maar een paar vraagjes. ‘Slechts een formaliteit.’ Waarom in de regen gaan lopen? ‘Het is niet verboden in de regen te banjeren.’ Waarom heeft hij geen papieren bij zich? ‘Zeker thuis laten liggen.’ En waarom eet hij een bebloed stuk shirt op als niemand kijkt?

Onoff, een beroemde schrijver, draait eromheen, liegt dat hij barst, maar is andere zaken compleet vergeten. Hij heeft nog een afspraak met de minister van Cultuur, dus of ze even kunnen opschieten. De frustratie van de commissaris wordt groter en groter. Ondertussen blijft het deze nacht zachtjes regenen. Het gebouw is zo lek als een vergiet dus drupt het overal.

Wat was het ook alweer, een echte acteursfilm? Da’s dus een film als deze. Depardieu zet die arrogante Onoff neer als een ‘tweede karakter’, zoals sommigen een tweede huis hebben. Maar hij krijgt het prima tegenspel van iemand met minstens net zo’n roemrucht cinematografisch verleden: Roman Polanski. Deze twee strijden niet alleen in hun rollen, maar ook als acteurs om wie de film ‘wint’. Genieten geblazen dus.

En geregisseerd worden ze door Giuseppe Tornatore, iemand met immens oog voor detail. In dit geval heeft hij zelf het spannende, intrigerende script geschreven, dat soms wat wegheeft van Garde à vue (1981). Tornatore slaagt met vlag en simpel in het schetsen van een mistroostige sfeer op het politiebureau.

Voeg daar de trippy muziek van Ennio Morricone aan toe, regenbuien en onweersbuien die komen en gaan aan de hand van Onoffs stemmingen, en een spannende avond ligt in het verschiet. Want, verdomme, hoe zit het nou met die kerel?

 

5 mei 2015

 

Una pura formalità

 

Alle Camera Obscura

Luchtig tijdreizen

Luchtig tijdreizen

door Bob van der Sterre

Tomorrow I’ll Get Up And Scald Myself With Tea ♦ Ivan Vasilievich: Back to the Future ♦ Non ci resta che piangere

 

Er is bijna geen ander onderwerp waar cinema zo dol op is: tijdreisfilms. Het is misschien wel de enige filmtak waaraan nog interessante blaadjes groeien (Primer, Timecrimes, Looper, Interstellar, Predestination). Maar dat zijn nogal serieuze films. De echte klassieker in dit genre (Back to the Future) is een komische film. En omdat deel twee van die trilogie zich afspeelt in 2015, doen wij ook nu een Camera Obscura met drie luchtige tijdreisfilms.

Een trip met een opgevoerde DeLorean is toch wel even wat anders dan het rustige tijdreistochtje in Tomorrow I’ll Get Up And Scald Myself With Tea. Dit is het nog toekomstige Tsjechië, namelijk… 1990 (de film is uit 1977). Hier kun je rustig via een ruimteschip heen en weer reizen in de tijd. ‘Voor de slag bij Waterloo meldt u zich in hal 8.’

Terug in de tijd om Hitler te waarschuwen
De dinosauriërs staan op het programma. Een routinevlucht. De bestuurder zou rokkenjager Karel Bures moeten zijn. Hij is net die ochtend overleden aan een ongelukje (stikte in een broodrol). Tweelingbroer Jan grijpt zijn kans en laat iedereen weten dat hij  is overleden. Hij wil graag ruilen met het veel interessantere leven van Karel.

Jan weet alleen niet dat Karel zich heeft laten omkopen door een paar duistere figuren die naar de Tweede Wereldoorlog willen reizen om Hitler te waarschuwen, en de oorlog alsnog te winnen met formules van de waterstofbom. Dankzij pillen zien ze er nog zo uit als toentertijd.

Maar het plan van de schurken verloopt rampzalig. Ze komen te vroeg uit, in 1941. Ze irriteren Hitler mateloos met Amerikaanse toeristen die het als een leuk uitje zien (‘Oh, Patrick, het is Hitler! Maak snel een foto!’) en met beelden uit een nabije toekomst waar Duitsland in de as ligt.

Een heerlijk gevat script van schrijver Josef Nesvadba en scriptschrijver Milos Macourek zorgt voor veel kijkplezier. Abard die zijn jongere ik de les leest: ‘Je staat op punt om jezelf te executeren, idioot!’ Ook Jan moet met zichzelf praten: ‘Ja, Jan, jij bent Jan, ik ben ook Jan. Dat betekent dat we beiden Jan zijn. Ik ben jou, maar jouw ik van gisteren, jij bent mijn mij van vandaag.’ En als ze een dag eerder terugkeren, geeft dat ook problemen: ‘Hoe kunnen er twee van mezelf leven van één salaris?’

Ivan de Verschrikkelijke
Uit Rusland kwam vier jaar daarvoor al een andere vrolijke tijdreisfilm. In Ivan Vasilievich: Back to the Future (1973) is George Miloslavsky een geweldige uitvinder. Hij staat op het punt om zijn tijdmachine (ogend als een scheikundeset met veel rokende erlenmeyers) te testen.

Miloslavsky experimenteert met de tijd van Ivan de Verschrikkelijke. Maar het gaat een beetje mis. Ivan de Verschrikkelijke wandelt zijn huis in en twee mannen, die op dat moment net bij Miloslavsky op bezoek waren (een dief en een conciërge), komen in zijn paleis terecht.

Ivan de Verschrikkelijke wil graag terug maar dat lukt niet want de machine is door een speer gekliefd. Dan maar de moderne wereld leren kennen. Een koelkast, een cassetterecorder, een lift. Wat een teleurstelling. Er zijn niet eens voorproevers meer!

De huismeester en Ivan de Verschrikkelijke lijken ook nog eens vreselijk op elkaar. De vrouw van de huismeester belt overstuur een psychiatrisch centrum op: ‘Hallo? Mijn man is gek geworden. Hij loopt met een mes te zwaaien!’ En tegelijk is de tsaar (de huismeester dus) een weifelende persoonlijkheid geworden.

Veel grappig bedoeld acteerwerk, versnelde passages en slapstick. Toch erg interessant vanwege de talentrijke acteurs en de grappige beeldideeën. Regisseur Leonid Gayday wist hiermee destijds zes miljoen Russische kijkers te trekken. Die moesten ongetwijfeld hard lachen om grapjes dat winkels, als ze al open zijn, een eigen zwarte marktverkoper hebben in de winkel. Het verhaal van deze film werd al een paar decennia eerder geschreven door Michael Boelgakov.

Clownesk gedrag in Italiaanse komedie
Soms is reizen door de tijd zo simpel als lang moeten wachten voor een spoorbaan, een zijweg insteken en je ineens in het jaar 1492 bevinden. In Non ci resta che piangere (1984) overkomt dat de twee vrienden, Mario en Saverio.

In een dorpje leren ze de gewoonten van het jaar 1492. Je kunt met een speer gespiesd worden door radicale gelovigen als je niet oppast. Je gaat naar de kerk om naar vrouwen te kijken. En je draagt bizarre kleding.

Kennis van de moderne tijd is soms praktisch om te gebruiken. Als troubadours zingen ze ‘Volare o-o-o-o’. Ze bedenken dat ze met een gloeilamp de markt kunnen veroveren (maar hoe die te maken?). Ze leggen Leonardo da Vinci even een paar uitvindingen uit (‘Kijk, zo werkt een rails. Heb je een papiertje?’). Bij een versierpoging neurie je Yesterday  van The Beatles en zeg je dat het je eigen creatie is.

Deze film is niet voor mensen die een stevig verhaal zoeken, maar voor mensen die dol zijn op het clowneske gedrag van het duo dat de hoofdrol speelt, Roberto Benigni (Saverio) en Massimo Troisi (Mario). Menig persoon zal aanvankelijk met een geërgerd gezicht de film beginnen te kijken, maar er komt ergens het moment dat de kolder van Benigni en Troisi onweerstaanbaar wordt.

Italiaanse humor betekent veel uitbundige dialogen over niets, improvisatie en druk gedoe. Soms is het erg grappig (Saverio als paard) en soms net te veel (de brief aan Savonarola). De rommelige filmstijl doet soms denken aan hoe Life of Brian werd gefilmd. Dat is geen toeval. John Cleese legde ooit uit waarom hij liever filmde met Terry Jones dan met Terry Gilliam. De beste humor komt door in een ‘flow’ te zitten. Een perfectionist achter de camera (Gilliam dus) zit die ‘flow’ dan in de weg.

Bonus
Als bonus nog deze drie links: een overzichtje over de drie meest voorkomende typen tijdreisfilms; een artikel over de toekomstige spullen in Back to the Future II (hoverboard bijvoorbeeld) in The Guardian; en werkelijk alle tijdreisfilms in een oogopslag. Lees ook de bijzondere tijdreizen naar filmsets van onze medewerker Axel F. Jomich. En voor wie wil tijdreizen vanuit zijn luie stoel: lang leve internet! Een druk op de knop en hup terug naar Nederland in 1972…

 

6 april 2015

 

Non ci resta che pianger

 

Alle Camera Obscura

Wraakzuchtige gebouwen

Wraakzuchtige gebouwen

door Bob van der Sterre

Buffet froid ♦ Wolfen ♦ The Belly of an Architect

 

Afgezien van klassiekers als Metropolis en Play Time zijn films niet zo geïnteresseerd in architectuur. De gebouwen zijn pure figuranten. Maar als je goed zoekt, vind je meer films die wel de belangrijke rol van een gebouw erkennen. En wat blijkt? Gebouwen zijn vooral sinister. 

La Défense is de Zuidas van Parijs, maar groter. Het gebied werd in de jaren zestig en zeventig ontwikkeld in het verlengde van de Avenue des Champs-Élysées. In het jaar van de film Buffet froid, 1974, was het nog een kille, lege bedoeling. Dat leverde natuurlijk wel een mooi decor op.

La Défense als moordmachine
Alphonse Tram (Gérard Depardieu) woont met zijn vrouw in een bijna lege flat in La Défense. De schaarse flatbewoners (een dakloze moordenaar, een commissaris die leeft tussen onuitgepakte kisten en Alphonse) komen bij elkaar als blijkt dat de vrouw van Alphonse is neergestoken.

En dan is er nog de weduwe. Ze ligt dan weer in het ene dan weer in het andere bed. Ze heeft koorts en roept mannennamen. De onderzoekend arts misbruikt haar en wordt vervolgens kordaat neergeknald door de commissaris. Vervolgens komen we terecht in een huis waar de commissaris geterroriseerd wordt door een kamerorkest – uitgerekend datgene waar hij een gloeiende hekel aan heeft.

Het verhaal is toch, in de kern, simpel: de architectuur van La Défense blijkt een moordmachine. De moderne tijd ingaan? Buffet froid waarschuwt ons voor optimisme. Moderne gebouwen zijn kil en gemeen.

De film vertelt dat verhaal gelukkig met een heerlijk lichtvoetige stijl. Alphonse komt op bezoek bij de commissaris. ‘Er ligt een dode man in de metrotunnel. Ik heb dus geen idee of ik die man heb vermoord. Ik bedoel, het was wel mijn mes.’ Reactie commissaris: ‘Kom eh, ik heb de hele dag al die ongein aan mijn hoofd, nu even niet.’

Een man belt aan bij Alphonse en erkent: ‘Ik heb net uw vrouw vermoord.’ Alphonse: ‘Oh, eh, kom binnen. Wil je wat wijn?’

De film heeft zo ook zijn eigen logica. Alle stadscènes spelen zich ’s nachts af. Iedereen vermoordt iemand en wordt zelf vermoord. De nachtmerrie van Alphonse. En het rood. De koffer, de boot, de lift, de nagellak. De dood zit die kleur achterna, lijkt het. En de natuur, ten slotte, troost niets maar maakt deze lieden nog gewelddadiger dan ze al waren.

Wat kun je ook anders verwachten van regisseur Bertrand Blier, maker van filmpareltjes als Préparez vos mouchoirs en Les valseuses.

Wolven in New York
Ook in Wolfen (1981) lijken gebouwen aan te zetten tot moorden. Mensen verdwijnen in South-Bronx. Merkwaardig genoeg ook een steenrijke ondernemer die daar gebouwen wilde neerhalen. Al deze mensen hebben dierenbeten en de sporen wijzen richting… wolven. Wolven in New York?

De gebouwen zijn een half gesloopte wijk in South-Bronx. Het lijkt alsof er een bombardement heeft plaatsgevonden. De locatie was toch echt niet in scène gezet, alleen het bouwvallige kerkje. Het is een droomlocatie voor een film.

Je verwacht een horrorfilm maar het is iets veel originelers: een politieverhaal met ‘bovennatuurlijke elementen’. Indianen, wolven, zielen. Weerwolven komen er niet aan te pas.


Voor regisseur Michael Wadleigh was Wolfen zijn enige film die niet over het festival van Woodstock gaat. Hij nam het project uiterst serieus. Hij weigerde zelfs het aanbod van Dustin Hoffman om de hoofdrol te spelen, want hij wilde per se Albert Finney. Het resultaat: een esoterische film van ruim vier uur. De studio ontsloeg Wadleigh, liet reshoots doen en voegde meer dialogen toe.

Aanpassingen of niet, Wolfen is nog steeds een goede film. Het verhaal neemt de tijd, de effecten zijn uitstekend, het spel is gepassioneerd. Zo zien we Edward James Olmos (bekend geworden in de jaren 80-serie Miami Vice) die een wolf nadoet op een strand, Albert Finney die met vrees een brug beklimt, Gregory Hines die met plezier een patholoog nadoet, en Diana Venora, een debutante die verrassend sterk is als leading lady.

De techniek verbijstert nog het meest. Vooral de thermografische beelden waarin je mensen en dieren ziet bewegen in het duister. Dan zie je ineens waar Predator (1987) de mosterd vandaan heeft.

Vier uur klinkt wel erg aan de lange kant, maar het is toch zonde dat we die versie van Wadleigh nooit gezien hebben, want er bestaat geen director’s cut. Wadleigh heeft hierna nooit meer een film gemaakt.

Bizar verhaal van Peter Greenaway
Gebouwen spelen ook een hoofdrol in The Belly of an Architect uit 1987. In Rome komt een overzichtstentoonstelling over Étienne-Louis Boullée, een architect die al modernistische gebouwen ontwierp in de achttiende eeuw. Een van zijn projecten was de Cénotaphe à Newton. Nooit gebouwd maar alom bewonderd.

Zo’n bewonderaar is ook Stourdey Kracklite. Als beroemd Amerikaans architect is het niet anders dan logisch dat hij de leiding krijgt over de tentoonstelling. Maar wat een feest voor de architect had moeten zijn, wordt een lijdensweg. Zijn vrouw gaat vreemd. De mede-organisatoren mogen hem niet. En het ergste van alles: enorme pijnen in zijn buik. Haalt ie de tentoonstelling wel?


Dit bizarre verhaal komt uit de koker van regisseur Peter Greenaway. Je kunt geen Greenaway aanzetten zonder een reeks filosofische commentaren op de menselijke natuur te zien. De gebouwen van Boullée blijken tamelijk fascistisch. Dan verbaast het ook niet zo dat Kracklite blijkt te kraken onder zijn enorme ego. Gaat de tentoonstelling over Boullée of over hemzelf? En dan de platheid van de elitaire Romeinse cultuur: veel seks, platheid, geroddel, verdorvenheid. Je denkt vrijwel meteen aan La grande bellezza.

Je moet bij Greenaway ook houden van zijn overdreven vormgeving. Geen wonder dat hijzelf ook doorschiet met zijn obsessie met symmetrie in deze film. Dit is Wes Anderson avant la lettre. De perfecte symmetrie weeft zich een weg door alle scènes, alle decors, alle karakters. Alle scènes zijn eraan ondergeschikt.

Zeker geen film voor iedereen maar wel een aanrader voor de liefhebber van auteurscinema. De film speelt met meer dan een handvol interessante ideeën, de filmstijl past als gegoten bij het onderwerp, de acteurs acteren in harmonie met het bizarre verhaal en ten slotte is er nog de muziek van Wim Mertens. Je hoort onmiddellijk de invloed op de muziek die Yann Tiersen maakte voor Amélie.

 

5 maart 2015

 

The Belly of an Architect

 

Alle Camera Obscura