Eten en zwarte humor

Eten en zwarte humor

door Bob van der Sterre

Who Is Killing the Great Chefs of Europe? ♦ La grande bouffe ♦ Macario

 

Romantische kookfilms zijn heel normaal geworden. Compleet met eigen receptenboekjes. Maar allemaal zo serieus! Ze deden een paar decennia geleden heel wat minder ernstig over eten. Drie eetfilms met volop zwarte humor.

In Who Is Killing the Great Chefs of Europe? (1978) vragen wij dat als kijker ook af: wie is nu de chef-koks in Europa aan het vermoorden? Een voor een gaan ze eraan, geheel in stijl van hun gruwelijk klinkende specialiteiten. Geperste eend; ‘the bomb’ (dessert); gebakken duif.

Toen al een hype
De vier koks zijn gekozen omdat ze in één bepaald artikel voorkwamen in het blad The Epicurist. Maar ze vermoorden gaat dan wel ver. Wie zou dat op zijn geweten hebben?

Dankzij deze film zien we Londen, Parijs en Venetië van hun gastronomische kant. De film werpt een blik met liefdevolle spot in de toekomst. We herkennen onmiddellijk de zichzelf overschattende chef-koks, tv-shows over koken en zelfs een bijna letterlijke Gordon Ramsey-achtige rol (Kohner). In 1978 was de hype dus niet veel minder.

Who Is Killing the Great Chefs of Europe? is een vrolijke film maar soms ineens mysterieus en spannend. Een film die het in de huidige kookhype vermoedelijk veel beter had gedaan dan in 1978. Je kijkt ook naar prettige acteurs in hun beste tijd: Robert Morley, Jacqueline Bisset, George Segal, Philippe Noiret, Jean Rochefort, en de vader van Vincent Cassel, Jean-Pierre.

Iedereen met ervaring in whodunnits raadt de dader al zo’n beetje na de eerste moord. Maar dan kun je ook genieten van de chemie tussen de twee die gescheiden zijn en samen de moorden moeten oplossen: Jacqueline Bisset en George Segal.

Het eten was geen geintje. De recepten stonden in het oorspronkelijke kookboek van Nan en Ivan Lyons en Paul Bocuse was de kooksupervisor voor deze film. Uit het boek zijn overigens het einde en de erotische passages verdwenen, wat een knieval lijkt naar het brede publiek. Desalniettemin is het resultaat vermakelijk genoeg.

Schandaalfilm
Philippe Noiret zal in die tijd vermoedelijk wel eens misselijk zijn geweest, want hij speelde ook in La Grande Bouffe (1973), een film die niet mag ontbreken als het gaat om zwarte humor en eten. Daarin verzamelen vier succesvolle mannen, Philippe, Marcello, Ugo en Michel, zich in een grote villa. Ze gaan daar lekker eten want Ugo is een topkok. En nog meer, en nog meer, en nog meer! Is zo’n berg aardappelpuree lekker of ranzig?

Ze nodigen dames uit. Vreten en seks: dat is een beetje wat er van de man overblijft als hij de top heeft behaald. Ugo is een topkok, Marcello een toppiloot, Philippe een toprechter en Michel een top-mediafiguur. Alle vier zijn ze zo depressief als wat.

Uiteindelijk blijft er een vrouw plakken, Agnes, een juf. Op een of andere manier snapt ze de ellende van deze stakkers en wordt ze hun muze.

Een schandaalfilm was in 1973 wel wat anders dan nu. De film trof echt doel, zoals de filmontvangst in Cannes destijds bewijst. Prachtige beelden van een zichtbaar van de chaos genietende Marco Ferreri.

Het schandaal destijds rondom deze film heeft misschien afgeleid van het feit hoe sterk de zwarte humor wel is. Het beeld van de in de vriezer meekijkende Marcello. Ugo’s einde. De vele grappen over en met het eten zelf. Zelfbevrediging met een uitlaat. Een schandalige film voor de een, maar er valt heel wat te lachen als je niet een al te tere ziel bent.

La Grande Bouffe is een jaar geleden gerestaureerd dus een mooi kansje om de schandaalfilm van 1973 nog eens onder ogen te komen. Bovendien een van de meest toegankelijke Ferreri’s. Maar niet om tijdens het eten aan te zetten.

Nooit meer eten
Van veel te veel eten naar helemaal niets te eten hebben. Macario (1960) draait om een persoon met dezelfde naam, een armoedige brandhoutraper. Er is altijd te weinig eten voor zijn familie. Als pater familias geeft hij zijn portie gewoonlijk aan de kinderen.

De ‘dag van de dood’ komt eraan, een soort Mexicaans Halloween. Macario ziet overal heerlijke kippen en kalkoenen gebraden worden – zelfs in zijn dromen. Hij kan net zo goed doodgaan, zegt hij, en neemt het besluit om nooit meer te eten.

Dan heeft zijn vrouw eindelijk een kalkoen voor hem gescoord. Maar zelfs als hij die in het bos wil eten krijgt hij geen rust. Zo staat er ineens een vent met een sombrero die ‘in duizend jaar geen hap heeft gegeten’. Macario twijfelt maar deelt dan zijn eten. Als dank krijgt hij de gave om levens te redden.

Als genezer verdient hij goed geld. Moeilijk doen over een kalkoen hoeft hij nooit meer. Maar zijn rijkdom brengt hem ook onder de aandacht van de inquisitie. Dat is minder prettig.

Prima geacteerd, hoog tempo en een mooi magisch-realistisch verhaal. Verrassend dat Luis Buñuel niet de film heeft gemaakt (maar Roberto Gavaldon). De film heeft wel wat van zijn stijl en hij maakte in dezelfde periode films in Mexico.

Schrijver van het oorspronkelijke boek was B. Traven, een mysterieuze Duits-Amerikaanse schrijver, het tegenovergestelde van de openhartige schrijvers die nu aanschuiven bij De Wereld Draait Door. Hij, een Duitser die na de mislukte radenrevolutie van 1918 in Mexico terecht kwam, is een van de meest anonieme schrijvers uit de literatuur. Hij was zo mysterieus dat in 1979 de BBC zijn hele levenswandel ging uitpluizen in deze documentaire.

We weten dus ook niet wat de beste man at en of hij daarom zo’n obsessie met eten had in dit verhaal. Maar we danken aan hem het bijzondere karakter van Macario die niet zomaar van lekker eten kan genieten. Wat is er wranger dan dat?

 

10 oktober 2016

 

Alle Camera Obscura

 

 

La grande bouffe

Wraak in stijl

Wraak in stijl

door Bob van der Sterre

The Abominable Dr. Phibes ♦ Que la bête meure ♦ La campana del infierno

 
Er zijn dit millennium al heel wat gewelddadige films die puur over wraak gaan (Oldboy, Kill Bill) maar het thema is niet nieuw. Er zijn films die wat minder bloederig omgaan met het thema. Wraak in stijl. Al is het doel hetzelfde, de weg is anders.

Dr. Phibes, de hoofdrolspeler in The Abominable Dr. Phibes, is een fanatiek organist én wetenschapper. Hij worstelt met een tragedie: zijn vrouw is enige tijd geleden overleden na een mislukte operatie. Hij heeft nagedacht en vindt nu dat de verantwoordelijke artsen om zeep geholpen moet worden. Daarbij heeft hij een hulpje, een doofstomme dame. Zelf draagt hij een masker van zijn eigen gezicht (na een ongeluk).

The Abominable Dr. Phibes

Bijbelse plagen in verrukkelijke gothic-horrorkitsch
De een wordt nog creatiever vermoord dan de ander. Het eerste slachtoffer laat hij door vleermuizen aangevreten worden. Het volgende slachtoffer geeft hij op een gemaskerd bal een masker dat steeds strakker gaat zitten. Van de derde tapt hij al het bloed af. Enzovoort.

Het lijkt verdomd veel op de Bijbelse plagen. En dat is geen toeval. Dat is precies waar Dr. Phibes heen wil. De gemeenste en mooiste wraak bewaart hij voor de toentertijd falende chirurg.

Wie het gedaan heeft weten we dus al vanaf de eerste seconde. The Abominable Dr. Phibes gaat ook niet diep maar is niettemin verrukkelijke gothic-horrorkitsch. De decors van Phibes’ ondergrondse paleis zijn simpel maar ook bizar en griezelig. Met eenvoudige middelen kun je best iets mysterieus maken.

En ondanks al het moorden is de toon van de film luchtig. Een arts wordt opgehaald in een chique gentlemen’s club, waar hij wordt getroffen door een eenhoorn. Ze draaien hem vervolgens met eenhoorn en al uit de muur. Commentaar van een snob: ‘Kan het niet eens een keertje stil zijn in deze club?’

De film geeft ook de kans om nog eens oude helden te zien, zoals Vincent Price, Terry-Thomas, Joseph Cotten en minder bekende namen te ontdekken zoals Virginia North en Peter Jeffrey. Voor de liefhebber is er nog een vervolg gemaakt, een jaar later.

Op zoek naar veroorzaker ongeluk
In Que la bête meure uit 1967 is het allemaal een stuk serieuzer. Charles Thenier wil wraak wil nemen. En wie geeft hem ongelijk? Zijn zoon is aangereden, hit and run-stijl.

Hij gaat op pad, vraagt hier en daar na bij ooggetuigen, en weet vrij snel te achterhalen wie er achter het stuur heeft gezeten. Een van de betrokkenen is een actrice. Hij doet alsof hij scenarioschrijver is en komt met haar in contact. Vervolgens is het meer dan alleen in contact komen.

Dan komt hij haar zwager tegen: de onuitstaanbare hufter Paul Decourt. Hij is Charles’ echte doel want hij zat achter het stuur tijdens het ongeluk. Nu nog een goed moment uitkiezen.

Thenier beraamt zijn plannen maar dat is niet het interessante van de film. Interessant is dat heerlijke, zalige, lome verteltempo, ideaal om je tijdens een zondagmiddag helemaal in te kunnen verliezen.

Een film van Claude Chabrol is (mijn ervaring) meestal een rechttoe-rechtaan spannend verhaal met een suggestie van psychologische diepgang. Een film die er slimmer uitziet dan ie eigenlijk is. Nu een overbekend genre (denk aan literaire thrillers) maar in 1969 was het nog iets nieuws.

En toch beslist de moeite waard. Dat is te danken aan de acteurs. Die geven zoveel sjeu aan hun rollen dat de film erg prettig wegkijkt. Met name hoofdrolspelers Michel Duchaussoy (destijds overal in te zien maar nu vrijwel vergeten) en Jean Yanne, die hier een masterclass hufterigheid geeft. Er zit veel spanning in hoe de twee met elkaar omgaan. Que la bête meure is daarmee een fijne uitschieter naar boven in Chabrols oeuvre.

Opmerkelijk dat juist deze film zo onbekend is want het kan best meten met werk van Hitchcock (Chabrols voorbeeld). Het script is gebaseerd op een boek uit de jaren dertig maar met een opmerkelijke verandering: de hoofdpersoon, een detective, is eruit gelaten. Een keuze die goed uitpakt.

Spaanse horror van het betere soort
In La campana del infierno (ook wel A Bell From Hell) uit 1973 krijgen we te maken met een heel ander soort wraak. Juan wordt voorwaardelijk vrijgelaten uit een psychiatrisch instituut. Hij reist naar huis. Een rare vogel. Daar leeft hij ook mee samen, een kraai, en een aap, schildpad, duiven, en nog veel meer, want ‘Ik hou van dieren, ze zijn echt’. Dan is er nog een geheime achterkamer met martelwerktuigen.

Na wat mensen uit zijn verleden te hebben ontmoet, nodigt hij zijn tante en zijn drie nichtjes uit. Tijd voor wraak. Deze tante en nichtjes hebben hem namelijk krankzinnig laten verklaren. Zo konden ze de erfenis van zijn moeder stelen. Ze arriveren, zonder al te veel argwaan te hebben.

De nichtjes vinden Juan zelfs wel interessant. Ook seksueel (een incestueus hoekje van de film waar weinig uitleg voor wordt gegeven). De tante is meer op haar hoede maar probeert toch geduldig aan Juan uit te leggen wat er is gebeurd. Juan weet niet of hij echt gestoord is. Terwijl de film vordert, blijft het voor ons ook duister.

Spaanse horror van het betere soort. Vroeger namen ze nog rustig een uur de tijd voor de opbouw, maar dan wordt het ook echt goed. De acteurs passen er goed bij, zoals Viveca Lindfors, Renaud Verley en Alfredo Mayo. Perverse horror zonder dat het te ranzig wordt want al te bloederige details sloegen ze vroeger nog over in dit soort films.

Bovendien scriptwendingen die niet al te makkelijk te raden zijn. Een nieuwe kerkbel gaat een rol spelen, maar hoe? Dat script is van Juan Antonio Bardem, schrijver van de klassieker Bienvenido Mr. Marshall (en oom van Javier).

Is dat nog niet gruwelijk genoeg? Dan dit: Claudio Guerin regisseerde de film. En tijdens de laatste dag van de opnamen van de film, viel (of sprong) hij van de toren die voor de film was gemaakt. Hij werd maar 34 jaar. Bardem maakte de film vervolgens af. Wie Spaans kan lezen, hier staat het bizarre verhaal. Wraak van een onderbetaalde figurant?

 

8 september 2016

 

Alle Camera Obscura

 

WO I van de kritische kant

WO I van de kritische kant

door Bob van der Sterre

Uomini Contro (Many Wars Ago) ♦ Oh! What a Lovely War ♦ Outskirts

 

Honderd jaar geleden had de Eerste Wereldoorlog zich muurvast gegraven in een loopgravenoorlog. De uitzichtloosheid hiervan is de laatste tijd vaak in beeld gebracht (zoals in War Horse, The Red Baron, The Silent Mountain, Paesschendale). Hoe zit het met de antioorlogsfilms van deze wereldoorlog? In andere tijden blijken de films een stuk sarcastischer dan nu. Deel 2 van Camera Obscura’s over de Eerste Wereldoorlog.

Een generaal bij een oorlogsfront tussen Italianen en Oostenrijkers kijkt niet op een mannetje of duizend meer of minder aan slachtoffers. Dat is niet vreemd voor generaals in die tijd, die nauwelijks een idee hadden van moderne oorlogsvoering. Gewoon recht op de machinegeweren afrennen, dat is de tactiek. Werkt het niet, dan moeten er gewoon méér op af rennen.

Niet vrijwillig het prikkeldraad doorknippen
In Uomini Contro (Many Wars Ago) van Francesco Rosi (1970) is er gelukkig nog de pragmatische luitenant Ottolenghi (Gian-Maria Volontè, Rosi’s vaste hoofdrolspeler). Hij wil het iets draaglijker maken voor zijn manschappen. Luitenant Sassu, een jonge vent die steeds minder gelooft in de oorlog, raakt met hem bevriend.

De deserteurs zijn talrijk in de Eerste Wereldoorlog. Geen wonder. De staf toont geen interesse in de gevaren aan het front. ‘Ga je vrijwillig dat prikkeldraad doorknippen?’ ’Nee.’ ‘Nee? Dat is laf.’ ‘Geen kwestie van lafheid. U stelde me een vraag en ik geef eerlijk antwoord.’

‘Het was een poging om een retorisch beeld van die oorlog belachelijk te maken’, zei Rosi zelf over deze film. De generaal die denkt dat bizarre stalen outfits de mannen onoverwinnelijk maakt. Of de mannen in de ziekenboeg die een militair tribunaal aan hun broek krijgen. Of als er zoveel worden neergemaaid dat zelfs de vijand hen smeekt om terug te keren. Of de bureaucraat die liever eigen mannen neerknalt dan de vijand. Oorlog is absurd en er is niets heroïsch aan.

Rosi als regisseur betekent dat er satirische speldenprikken worden uitgedeeld. Dit is oorlog met een wrangheid die je als het ware door het beeld voelt, dankzij het lichtspel, de montage en de muziek.

Iedere leider staat op zijn eigen landje
In de antioorlogsmusical Oh! What a Lovely War in 1969 staan de vijf leiders van de grootste Europese landen samen in een kamer. Een soort kleuterklasje, waarbij iedereen op zijn eigen landje staat. Een ruzie. Het loopt ontstellend snel uit de hand. In een notendop is dit hoe deze oorlog begon.

Met veel enthousiasme betreedt men in Brighton de speciale kermis ‘World War One’. Een Franse kapitein, met soldaten op carrouselpaarden, geeft er een wervelende show. Een burlesk musicaloptreden volgt. Jongens hollen naar voren om zich aan te melden voor het leger. ‘Maak je verloofde trots, jongeman!’

Ook hier komen maniakale generaals voor. ‘Het is schaakmat, Sir.’ ‘We gaan lopend door de vijandelijke linies heen.’ ‘We hebben er gisteren 30.000 verloren, voor lunchtijd.’ ‘Het offer van laat ons zeggen nog eens 300.000 man kan leiden tot geweldige resultaten.’

Ik ken geen film die hier op lijkt: een satirische oorlogsmusical. De voorgeschiedenis is ook al uniek. Een radioprogramma werd overgezet naar een theaterstuk en vervolgens verfilmd door een beginner (dit was de eerste film van Richard Attenborough, de broer van David). Met hulp van topacteurs die voor lage salarissen wilden werken zoals John Mills, Maggie Smith, Dirk Bogarde, Edward Fox, Laurence Olivier, Vanessa Redgrave, Cecil Parker.

De film vermijdt de valkuil die veel musicals hebben: gebrek aan stijl en aan humor. De montage is bijvoorbeeld zo goed, die alleen al is een blik op de film waard. Scènes zijn gebaseerd op werken van de schilder Nevinson. De geestige liedjes. Of de vermakelijke anekdotes rondom de film, zoals de kerstmisscène die op de heetste dag van het jaar op de vuilnisbelt van Brighton werd geschoten.

En niet te vergeten hoe geweldig de film werkt als antioorlogsprotest. Iemand ligt zwaargewond op een draagbaar. ‘Maak je niet druk, je bent zo weer terug aan het front.’ De Engelse adel op een feestje: ‘Saai hè, helemaal niet zoals vorig kerstmis.’ Of de frontsoldaten die zingen: ‘Gassed last night… and gassed the night before…’ Misschien is het wat veel zang voor de niet zo musicalliefhebber maar een bijzondere film is het absoluut.

Perfect tragikomisch evenwicht
Ook aan het oosten zijn er vraagtekens bij het fenomeen oorlog. In 1914, aan de grens van het Russische en Pruisische rijk, barst de oorlog in alle hevigheid los. De ene fabrieksarbeider gaat naar het front, de ander blijft thuis. Twee vrienden, een Duitser en een Rus, zijn geen vrienden meer. Een Russisch meisje vindt een Duitse krijgsgevangene leuk, tot afgrijzen van haar vader.

We zien het front zelf. Het regent er granaten (met een gek ploppend geluid). De tegenstander heeft machinegeweren. Hoe te overleven? En alsof dat niet genoeg is, is het land in revolutie, en volgt er nog een revolutie!

Voor de echte filmliefhebber is Okraina (Outskirts), die over deze tijd gaat, niet zo’n obscure film. De film uit 1933 is er immers eentje die wel in het filmcanon terecht is gekomen en duidelijk de stempel draagt van zijn maker, Boris Barnet. Die werd geroemd door regisseurs als Tarkovski en Godard.

Aan de andere kant is het wel redelijk obscuur als een paard ineens begint te praten in een oorlogsfilm. Maar het past. In Okraina heb je een perfect tragikomisch evenwicht. Slapstick, actie, romantiek: het zit er allemaal in. Genres deden er in vroegere tijden niet zo toe. De beelden van het front zijn ook fraai.

Barnet schildert zijn cynische wereldvisie met een soort duivels plezier. Hij had deze visie nota bene in een tijd dat Stalin aan de macht was. Wie meer wil weten van Barnets geschiedenis, kan bij dit essay terecht.

Het zijn mooie films maar het is treurig te beseffen dat deze absurde meesterwerkjes de bizarre werkelijkheid van zulke oorlogen niet eens bij benadering kunnen schetsen. Een antioorlogsfilm is een moment dat je je even kunt verplaatsen de vreselijke situaties waar soldaten en burgers zich toen in bevonden, en dat je boos kunt worden om een van de domste dingen die een mens kan doen.

 

8 augustus 2016

 

Oh! What a Lovely War

 

Alle Camera Obscura

 

 

WO I op locatie

WO I op locatie

door Bob van der Sterre

Noirs et Blancs en Couleur ♦ Shout at the Devil ♦ The Lighthorsemen 

 

Deze week was het honderd jaar geleden dat de bloederige Slag aan de Somme plaatsvond. Die Eerste Wereldoorlog met zijn loopgravenstrijd blijft een onuitputtelijke inspiratiebron in cinema. Maar het was óók een wereldoorlog. Dus hoe zit het met andere locaties in de wereld?

Ivoorkust 1914. In Noirs et Blancs en Couleur (1976) druppelt het nieuws binnen bij de Franse kolonisten: de Eerste Wereldoorlog is uitgebroken. Een mooi moment om de oorlog te verklaren aan hun drie Duitse buren. Dat vechten laten ze graag over aan de lokale bevolking. Zelf gaan ze picknicken. Dan horen ze een machinegeweer…

Tussen de volkse kolonisten bevindt zich ook de student Fresnoy. Een rationele, intelligente vent. ‘De inferioriteit van het Afrikaanse ras heeft niet zoveel te maken met de grote van de schedels, meer met onze eigen overtuiging van superioriteit.’

Een leger van Afrikanen
Hij wil de strijd tegen de Duitsers wel leiden. De kolonisten wantrouwen zijn kritische noten maar leggen graag de leiding bij hem neer. Hij bouwt een leger op van Afrikanen. Het enige is: wie spreekt hem nog tegen nu hij een minigeneraal is geworden? Prachtrol van de onbekende Jacques Spiesser.

De film won de Oscar voor beste buitenlandse film in 1976. Toch relatief onbekend. Het script zit goed in elkaar en is geestig. Sneren naar de domheid van kolonisatie en oorlog. Sneren naar het schaapachtige gedrag van mensen (nu niet veel anders, denk aan Brexit). Helden op sokken.

De mooiste sneer gaat naar de paternalistische houding van de kolonisators. Prachtige Afrikaanse maskers gooien ze in het vuur. ‘Wat een rommel. Je kunt ze niet eens weggeven aan goede doelen.’ Aan dit soort satirische speldenprikjes zie je dat het een film is uit 1976, toen dit soort satire veel meer geduld werd dan bijvoorbeeld de jaren vijftig (of nu, neig ik soms te zeggen).

Geweldig acteerwerk maar veel eer moet gaan naar regisseur Jean-Jacques Annaud, die later uiteenlopende films zou maken als The Name of the Rose, The Bear, Seven Years in Tibet. Met deze film is zijn zucht naar avonturen begonnen – in Ivoorkust om precies te zijn.

Ouderwetse avonturenfilm
Zanzibar is een half continent van Ivoorkust vandaan – en toneel van de film Shout at the Devil, ook uit 1976. In 1913 bezetten de Duitsers er een stuk land. De Amerikaanse avonturier Flynn (Lee Marvin) wil er ivoor verhandelen en ronselt de Britse bezoeker Sebastian Oldsmith (Roger Moore).

Ze worden dwars gezeten door een onverschrokken Duitse generaal genaamd Fleischer en eindigen als schipbreukelingen. Op een eiland worden ze opgepikt en ze belanden bij Flynn thuis. Oldsmith ontmoet Flynns dochter Rosa (Barbara Parkins van Peyton Place, mooie stem!) die wel wat ziet in de man die een jaar later James Bond zou worden.

Een jaar verstrijkt en het is oorlog. De Britten verzoeken ze vriendelijk om op zoek te naar een Duitse kruiser, die zich ergens daar in Zanzibar bevindt. De Duitsers gaan ondertussen op zoek naar hen.

Een ouderwetse avonturenfilm van tweeënhalf uur waar je niet te veel over moet nadenken, maar je in moet verliezen. Behoorlijk melig af en toe (Marvin die onophoudelijk rolt met zijn ogen) en ook soms behoorlijk grimmig. Opgehangen soldaten, gekidnapte baby’s, olifanten die worden afgeschoten, je ziet het allemaal. Misschien kun je ook niet meer verwachten van pulpschrijver Wilbur Smith, op wiens boek dit verhaal is gebaseerd.

De film zou nu denk ik niet meer heelhuids door online klopjachten komen. Al helemaal niet omdat Shout at the Devil gemaakt was in het omstreden Zuid-Afrika met apartheidsregime (dus weer een half continent van Zanzibar vandaan). Roger Moore deed daar niet moeilijk over. Hij maakte in deze periode drie films in Zuid-Afrika. Een filmvariant van de voetballersuitspraak: ‘Ik doe niet aan politiek, ik doe aan voetbal.’

Australiërs in Palestina
Palestina is ook geen locatie waar je de Eerste Wereldoorlog verwacht. En al helemaal geen Australische soldaten die aan het front tegen de Turken vechten. En toch was er een tijd dat Duitsers en Turken gezamenlijk een fort verdedigden in Gaza en de Australiërs daar waren om de Engelsen te helpen.

In The Lighthorsemen (1987) is dit moment vereeuwigd. Deze figuren zijn enorm goed op paarden en een stuk handiger in woestijnduels dan Engelsen. Zelfs de Duitsers hebben bewondering voor hun moed.

Een verhaal dat niet al te veel uitblinkt in originaliteit want logisch dat een regiment stoere Australiërs sceptisch reageert op een nieuweling, David Mitchell. Hij is wat zachtaardig en durft niet zo goed te schieten op andere soldaten. Dan weten we al: hij zal later nog wel heroïsch worden.

Als hij dan een keer wel dapper is, raakt hij gewond en komt hij in de ziekenboeg. Entree: knappe verpleegster die met hem gaat flirten. Een beetje kussen en hup weer terug naar het front.

Aan The Lighthorsemen (regie Simon Wincer, bekend van Free Willy) kun je zien hoe 1987 onze cinema nog steeds is (of is geworden). Bijna drie decennia later is er maar weinig veranderd op het gebied van muziek, script, acteren. Nog sterker, het enige wat nu anders zou zijn, zijn de hysterisch gemonteerde gevechten. Fluitende kogels, realistisch stervende soldaten en overdreven geluid van bajonetten in vers vlees (sjjjliiiipp).

Verder is het nu vooral meer van hetzelfde: nog meer actie, nog meer voorspelbaarheid, nog sentimenteler, nog bombastischer muziek à la Hans Zimmer. Vergelijk maar eens met Passchendaele uit 2008!

The Lighthorsemen is daarom nog niet mislukt. Buitensporig sentimenteel en patriottisch op momenten, maar de cinematografie van soldaten in een woestijn is erg fraai. Vooral het laatste half uur met de aanval op Beersheba is vakmanschap. Hard rennende paarden, in galop, goed gemonteerd (de Turken die afstanden op hun geweren instellen). Een spannende en epische scène.

Dus vergeet de karakters, vergeet het verhaal, maar kijk op groot scherm, en je bent ook een van die Australische woestijnsoldaten van de Eerste Wereldoorlog.

 

9 juli 2016

 

The Lighthorsemen
 

Alle Camera Obscura

 

Oosterse westerns

Oosterse westerns

door Bob van der Sterre

Deadlock ♦ Lemonade Joe ♦ At Home Among Strangers, a Stranger among his own

 
Stoffige landschappen, coole cowboys, saloons, duels. Films hebben altijd veel plezier gehad aan westerns. Maar ze kwamen uit meer landen dan Italië en Verenigde Staten alleen. Wat te denken bijvoorbeeld van onderstaande ‘easterns’ uit Duitsland, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie?

Eerste shot in Deadlock (1970): man in pak, met koffer en machinegeweer, strompelt door de woestijn. Montage op het ritme van de muziek. Close-ups van de zon. Prachtige analoge filmbeelden: je zit er meteen in.

Getrokken pistolen in een mijndorpje
De man met de koffer is te verzwakt om te voorkomen dat zijn vinder, Charles Dump, de rollen omdraait. Hij steelt de koffer maar is niet van plan het mijnstadje te verlaten. Dan treft hij de bezoekende Anthony Sunshine, een oudere dief die ook al op de koffer uit is. Wie trekt aan het langste eind?

Het psychologische duel wijkt niet echt af van de meeste westerns. Maar het is een rauwe film, een stuk smeriger dan de gemiddelde western, en herinnert aan moderne films die wat minder westernromantiek hebben en wat meer willen uitbeelden hoe het echt was.

Is Deadlock een Duitse western? Ja en nee. De film speelt zich af in de moderne tijd, gezien de auto’s en wapens. Maar de Israëlische Negev-woestijn, de rotsen, het verlaten mijndorpje, de zes karakters en het dwarrelende stof zeggen maar een ding: het lijkt er wel verdomd veel op.

De quasiwestern ontleent zijn kracht aan zijn eenvoud. Een bijzondere locatie bijvoorbeeld. Want Deadlock werd vlak na de Zesdaagse Oorlog gefilmd in een mijndorpje, gelegen in een niemandsland tussen Jordanië en Israël. Overal (echte) getrokken pistolen. Ten tweede slechts zes acteurs. Dialogen zijn minimalistisch.

Het geringe budget borduurde alle betrokken partijen aan elkaar. Atypische westernacteurs, zoals Mario Adorf, samen met Anthony Dawson, die juist een typische westernkop heeft (ooit spelend als Ernst Blofeld). Het camerawerk is van Robert van Ackeren, hoewel hij eigenlijk alleen ervaring had als regisseur van seksfilms. En muziek komt van Krautrockband Can (vooral bekend van een track in Inherent Vice).

Regisseur Roland Klick hield sowieso van zijn kont tegen de krib te gooien. Tegen de culturele mode van zijn tijd in (links, geëngageerd en maatschappijkritisch) maakte hij ‘zomaar wat genrefilms’, want ‘ik hou veel van avontuur’. Schandalig! Hier vertelt hij erover.

Cowboy kan niet tegen sterke drank
Lemonade Joe
(Tsjechoslowakije, 1964) is zo mogelijk het tegendeel. Een vrolijke komedie met veel grappige dialogen. Hier is de western gestileerd, aan kant, luchtig, snel.

We beginnen in Stetson City, 1885. Een bar. Een en al bezopen lui. Een man in een wit pak bestelt ‘Kolaloka limonade’. Mensen deinzen achteruit. ‘Ben je Limonade Joe?’ ‘So what.’ En hij schiet een vlieg doormidden.

De saloon met whisky loopt leeg en de Kolaloka-saloon van Winnifred en haar vader loopt ineens als een trein. Tot ene Hogofogo de boel komt verpesten. Hij weet dat er maar een ding is dat Lemonade Joe kan verslaan: sterke drank.

De satire is messcherp. Lemonade Joe is een commerciële vertegenwoordiger voor Kolaloka en hoopt dat hij de morele strijd kan winnen van de sterke drank (frisse commerciële cola versus muffe communistische wodka zou je kunnen denken). Geen wonder dat deze film in Tsjechië en Slowakije wordt beschouwd als een stukje cultureel erfgoed. In totaal gingen er destijds 4,5 miljoen mensen heen.

Lemonade Joe van Oldrich Lipsky (en de vele anderen die hem hielpen) is een van de minder bekende komische pareltjes uit de filmgeschiedenis. Er gebeurt zoveel in deze film – een en al uitzinnige vrolijkheid – en het verveelt geen seconde. Uitermate grappig acteerwerk en grappige animatietechnieken – waar Tsjechen toch al een traditie in hebben. Het hoge stemmetje van de lelieblanke Lemonade Joe; de schietpartij in ‘Main street’; de vrouwen die spontaan verliefd worden als ze Lemonade Joe zien. Het is onmogelijk om er geen goed humeur van te krijgen.

Net als in de komedies van de Marx Brothers ligt het tempo zo hoog dat er tijd overblijft. En net als bij de Marx Brothers wordt tijd volgemaakt met zang.

Ambitieus mannetje van de Sovjet-school
De western uit Oost-Europa werd ‘red western’ genoemd. De context van een van de mooiste red westerns, At Home Among Strangers, a Stranger among his own (1974), is uiteraard politiek. De jaren twintig tijdens de burgeroorlog tussen de Roden en de Witten. Moskou verordonneert dat al het goud naar Moskou moet worden gebracht. Logisch niet? Geld voor een veilig transport is er niet. Dat betekent dat een groep robuuste kerels even erg heldhaftig moet zijn.

Het onvermijdelijke gebeurt: de transporttrein wordt overvallen. De Tsjeka (Russische geheime dienst in die tijd) gaat erachter aan en leert dat de dienst met een verrader kampt. Ondertussen hebben bandieten het goud in bezit – maar zonder te weten waar het precies is gebleven.

Dit regiedebuut van de toen pas 27-jarige Nikita Michalkov buitelt over de ambities waarmee hij te werk ging. Een en al fraaie shots, uitbundig lichtspel, mooie close-ups, figuranten, interessante cameraperspectieven. Je kijkt je ogen uit. Dit is nog eens debuteren. Opnamen in desolate gebieden in Tsjetsjenië en Azerbeidzjan. Typisch voor de film is het terloops laten zien van diepte in de achtergrond van het beeld, een erg mooi effect.

Je ziet aan alles af dat Michalkov zijn kans greep en meteen een legendarische film à la Orson Welles wilde maken. Was het verhaal saai geweest, had dit stijlvertoon irritant kunnen uitpakken, maar de film is behoorlijk spannend.

En die zwart-witbeelden dan, is dat geen artistiek snobisme? Hij kreeg gewoon niet meer kleurenfilm van producent Mosfilm. Te duur. Dus dan maar overstappen op zwart-wit. En dat we het nu ineens chique vinden, is alleen maar mooi meegenomen.

Hoe hij op zijn 27e die kans kreeg in dit rigide systeem? Misschien kon hij op het juiste moment net zo goed bluffen als de vrijbuitende cowboys. Michalkov speelt zelf de bandiet met verve, zoals iedereen knap acteert.

Michalkov zou zijn geïnspireerd door de westerns van Sergio Leone. Zo kan het zijn dat Italiaanse films, meestal gefilmd in Joegoslavië, over de geschiedenis van de Verenigde Staten, van invloed waren op een ambitieus mannetje van de Sovjet-school..

 

7 juni 2016

 

Lemonade Joe

 

Alle Camera Obscura

 

 

Inbreken in Amsterdam

Inbreken in Amsterdam

door Bob van der Sterre

10:32 ♦ De Inbreker ♦ Rififi in Amsterdam 

 

Ocean’s Twelve gezien? Niet echt een uitdaging, lijkt het, inbreken in Amsterdam. Oude grachtenpanden zijn bepaald geen forten. Maar vroeger waren ze ook al zo lek als een mandje. Drie obscure Nederlandse inbraakklassiekers, zich afspelend in Amsterdam.

Peter Hartman, de schilder, staat met een pistool in zijn handen in de werkkamer van de heer Martens, advocaat en klokkenliefhebber. Het is 10:32 (eigenlijk 22:32 maar toen deed men nog niet zo modern). De kluis staat open. Martens ligt dood op de vloer. Op heterdaad betrapt!

Hartman wil niets zeggen over wat er is gebeurd, of wat zijn relatie is met Ellen Martens, de kersverse weduwe. Maar commissaris Stroomer vertrouwt het zaakje niet.

Amsterdam toen het nog niet zo druk was
Hij gaat alle sporen na van Hartman en ontdekt dat hij mevrouw Martens een keertje naakt geschilderd heeft. Oei oei oei. Ze legt uit dat hij haar probeerde af te persen. We zien haar verhaal: wat een ploert die Hartman, zo eentje die geniet van machtsspelletjes.

10:32

Maar is dat de waarheid? Als Hartman hoort van het verraad van mevrouw Martens, doet hij zijn verhaal. In deze variant is Hartman een dapper en verliefd man; lijdend onder de gemene plannen van Ellen om van haar man af te komen.

Wie heeft er gelijk? Stroomer moet er even goed over nadenken.

De ontrafeling van dit plot verloopt ontstellend traag maar er zijn prachtige stukjes onderweg. De ondervraging in de zaak Blom. Het beatoptredentje in de nachtclub, waar je nog rustig je drankjes kon laten staan als je naar de wc ging. De jazz-tunes, waarmee de film zelfs iets wegheeft van de Franse nouvelle vague. En natuurlijk: Amsterdam anno 1966 toen het nog niet zo druk was. 10:32 is zo slecht nog niet.

Klussie met een luggie
In De Inbreker is het duidelijk wie er inbreekt: Willem ‘Glimmie’ Burg. Deze semiprofessionele inbreker moet voor de poen een klusje aannemen waar een luchtje aan zit (in de taal van deze film: een klussie doen waar een luggie aan zit). Hij moet de dochter van Van Borsen zien te vinden. Dat doet hij dan maar, samen met ‘Bonk’, zijn maat.

Maar Burgs instinct geeft hem gelijk. Het zaakje stinkt. En ze belanden van het ene drama in het andere. Ze vinden de dochter, ja, maar die moet ook afkicken, en sommigen willen haar dood hebben, en dan ook maar Glimmie. Met inbreken heeft het weinig meer te maken.

Hetzelfde groepje als van Naakt over de schutting maakte deze film, maar een jaar eerder, in 1973. Wederom Frans Weisz, Rijk de Gooyer, Jon Bluming, Jennifer Willems. De film heeft ook weer een grappig bedoeld misdaadverhaal, speelt zich ook weer af in Amsterdam, en is ook weer die kneuterige imitatie van veel betere Amerikaanse films, hoewel die ook zo zijn eigen charme heeft.

Het script is al net zo warrig. Inbraak, hoeren, achtervolging, moord, en je begrijpt er de hele tijd de ballen van. Neem nu de ingewikkelde ontwikkelingen tijdens de rechtszaak. Wie kan daar nou kaas van maken? Moeder gaat met beste vriend van Glimmie en Glimmie heeft iets (of niets?) met een meisje van zestien. Dieptepunt is de auto die in de gracht rijdt en… ontploft.

Toch is de film ontzettend genietbaar! Waar anders zie ik de Zeedijk, de Brouwersgracht, de Damstraat in die tijd? De trams, de interieurs, de bars, de Amsterdammers? Rijk de Gooyer, routineus de ster spelend, Frits Lambregts als brutale rechercheur, Sylvia de Leur in een leuke bijrol? En een sfeervolle score van Ruud Bos.

Handige jongens
En sommige Amsterdamse inbrekers zullen het nooit afleren. Zoals Bert, juwelendief. Hij komt vrij uit de Haarlemse koepelgevangenis, keert terug naar huis, verzint plannetjes om de juwelen (‘de poet’) op te halen van de vroegere kraak, krijgt een andere crimineel achter zich aan, probeert de politie om de tuin te leiden, wordt verliefd.

Rififi in Amsterdam (uit 1962) is een schaamteloze poging om mee te liften met de hype van  Rififi-films, die ontstonden na de Franse heist-kraker uit 1955 (Rififi in Tokyo, Rififi en la cuidad en zelfs twee Rififi in Amsterdam). Rififi is Franse slang voor ‘slagveld’.

Over de originele Rififi schreef François Truffaut: ‘Van een van de allerslechtste misdaadromans die ik ooit heb gelezen, heeft Jules Dassin een van de beste films ooit gemaakt.’ Die vlieger gaat niet op bij deze Rififi in Amsterdam.

De film is namelijk een haastig in elkaar geflanst rommeltje van allerlei bekende ingrediënten. Ergens een touw aan vastknopen in dit script is knap. Zeker als men bij elkaar de deur plat begint te lopen en in de val begint te lokken. Leg er eens de originele Rififi naast en het kneuterige, Hollandse spat van de schermen af.

Karakters dragen bovendien namen als Manke Karel, De Mug, De Bijenkorf, Blauwbaard, Blonde Nellie, De Yank, Lauwe Freek. Heel gevat vonden ze dat denk ik toen tijdens het scenarioschrijven. In sommige gevallen is voor een eenvoudiger oplossing gekozen. Judoka Anton Geesink heet ‘Geesink’ en zanger Willy Alberti ‘Willy’.

Overslaan dan maar? Nee! Het is juist een erg vermakelijke film met prachtig uit-de-tijd-zijnd taalgebruik. ‘Wat ik je brom’, hoor je wel een keer of tien. ‘Het zit niet snor met de poet.’ ‘De russen zitten erachteran.’ (Russen = rechercheurs.) ‘Zonde van de jajem.’ ‘Dat was voor de gloeiende knijp.’

Of deze parel van een dialoog: ‘Je hebt hem toch niet doodgeslagen?’ ‘Weet ik veel, ik moest niezen.’

Een mooi beeld van de tijd van ‘handige jongens’, in een tijd dat misdaad nog ongeorganiseerd was. Voortreffelijke beelden van Amsterdam in de jaren zestig, pre-stadsvernieuwing getto’s. Mooie zwart-witbeelden van grachten, straten en bruggetjes. Een feestje waar de twist wordt gedanst. Maxim Hamel vol zelfvertrouwen als ras-Amsterdammer Oliemans; een jonge Rijk de Gooyer; de onderschatte Ton van Duinhoven. Alle drie overleden (voor zover ik kan nagaan zijn alle acteurs uit deze film intussen overleden).

Blijft nog over: de mysterieuze regisseur John (Giovanni) Korporaal. Hij bleef na de Spelen van 1968 in Mexico plakken om daar obscure documentaires te maken en overleed in 2004 in Mexico Stad. Belangrijke vraag: wat is er met zijn cinematografische erfenis gebeurd?

 

7 mei 2016

 

De Inbreker

 

Alle Camera Obscura

Eigenwijze ministaatjes

Eigenwijze ministaatjes

door Bob van der Sterre

Passport to Pimlico ♦ The Mouse That Roared ♦ The Wicker Man

 

Een van de leukste dingen die je kunt doen met film is fantaseren. Zoals fantaseren over ministaatjes met compleet andere regels. Er zijn er niet veel, maar toch een paar, voornamelijk uit Groot-Brittannië.

Na het ontploffen van een bom ontdekt men een schat in de grond van de Londense wijk Pimlico. In die schat vinden ze ook een oud verdrag tussen Pimlico-voorgangers en de Bourgondiërs. De rechter die de schat wil verdelen is stomverbaasd. ‘Je bedoelt dat deze mensen Bourgondiërs zijn?

Een kans om je eigen staat te maken, wie laat die liggen? Geen halve maatregelen bij de kersverse Bourgondiërs. Douaneposten, paspoorten, een eigen munteenheid. Je kunt je eigen wetgeving verzinnen. ‘Dit is Bourgondië, hier bepaal ik hoe laat de bar dicht gaat.’

Volkse mensen
Het klinkt geweldig maar het is al snel een stuk minder leuk als zwarte marktverkopers massaal gebruik maken van de wetteloosheid in het ministaatje. Een soort San Marino midden in Londen. De Engelsen zelf weten er ook geen raad mee. Op het bordje van welke minister ligt dit probleem?

Passport to Pimlico (1949) is een film met een opvallend optimistische moraal: volkse mensen kunnen best hun eigen staat runnen, als het moet. Een film die ook nog het hart op de goede plaats heeft, want Passport to Pimlico verwijst ondubbelzinnig naar de blokkade van Berlijn die een jaar ervoor plaatsvond. De film zit sowieso vol subtiele grapjes. ‘Drink je bier eens op, waar is je gevoel voor patriottisme?’ De Bourgondiër die binnen komt lopen en onmiddellijk gaat flirten. Het loont de moeite om na het kijken even de trivia over de film te lezen.

De film is laten we zeggen mild komisch, maar slaagt beter als soap. Zo leren we iedereen kennen: de wijkagent, de wijkvoorzitter, zijn dochter, een visverkoper, zijn collega (en zangeres), een kledingmaakster, de bankdirecteur. En we gaan nog met ze meeleven ook, dankzij het enthousiasme van de acteurs.

Maar twintig boogschutters
In The mouse that roared (1959) is het betreffende staatje niet veel groter. Great Fenwick, een Engelssprekend miniland ergens in de Alpen, wordt bestuurd door mensen die allemaal veel weg hebben van de acteur Peter Sellers: de baas van het leger en boswachter (Tully Bascombe), de minister-president (Rupert Mountjoy) en de gravin (Gloriana XII).

Great Fenwick leeft van de wijnverkoop. Frauduleuze Amerikaanse handelaren zijn een handel begonnen in Great Enwick  pinot noir. Grof schandaal.

De minister-president bedenkt een plan om Amerika de oorlog te verklaren. Het leger zal bij het ter land gaan meteen opgepakt worden. Een publiciteitsstunt. Het leger van Great Fenwick bestaat ook maar uit twintig boogschutters.

Maar het toeval wil dat in verband met een dreiging van een zekere ‘Q-bom’ iedereen in New York aan het schuilen is. De boogschutters lopen dus door een lege stad. Al snel komen er meldingen binnen over ‘aliens’ die in New York zouden zijn aangekomen. Het lijkt op het spelletje van de basisschool: je fluistert een zin in het oor van de eerste persoon en het eindigt aan het einde van de kring in een compleet ander verhaal.

De film is een Peter Sellers one-man-show. Net als in Dr. Strangelove zien we hem hier in drie rollen, uiteraard met veel komisch effect. Gloriana XII zou gebaseerd zijn op zijn oma. Veel van Sellers’ acteerwerk is bestand gebleken tegen de tand des tijds, ook in deze film. Hij was magisch in eerste takes en veel daarvan zijn in deze film terecht gekomen. Alsof drie rollen nog niet genoeg waren, ging hij tijdens deze filmopnamen ook elke avond naar het theater om in een toneelstuk te spelen.

Het script is satirisch, maar mild, en gebaseerd op het boek van Leonard Wibberley, die ook The Mouse on the Moon schreef (verfilmd door Richard Lester). En Wibberley’s boeken waren weer geïnspireerd door… Passport to Pimlico.

Veelbesproken plot
The Wicker Man (1973) gaat in alle opzichten een stapje verder dan de vorige twee. Ook weer een ministaatje en ook weer het Verenigd Koninkrijk, om precies te zijn een Schots eiland.

Sergeant Howie krijgt de opdracht uit te zoeken hoe het zit met een vermissing van een meisje aldaar. Hij kan zijn ogen nauwelijks geloven als hij van de boot komt. Moeders stoppen dochters een kikker in de mond, kinderen leren een fallussymbool te aanbidden, de dochter van de hoteleigenaar werkt met medeweten van de vader alle  mannen af, ’s nachts wordt er gepaard op het strand, in een park rennen blote vrouwen zingend rond, in een kroeg zingen mensen obscene liedjes.

Waar de dominee is? Er wordt alleen maar gelachen om die vraag. Het bevolkingsregister inzien? Alleen maar na bedreiging.

Het is dan ook een heidense cultuur – christendom en zijn preutsheid is hier een gepasseerd station. Evolutie of devolutie? Sektarisch of oprecht? Lastig te zeggen maar voor Howie is het eenvoudig: deze mensen zijn krankzinnig. Hij is zelf diep christelijk en deze afwijking op de norm kwetst hem enorm.

Het schandaal moet meteen gemeld worden aan het vasteland. Maar het is nog niet zo simpel om daar te komen. Zijn vliegtuig is onschadelijk gemaakt. En het is toevallig 1 mei, de belangrijkste feestdag op het eiland.

The Wicker Man is een uitzonderlijke film, om talloze redenen. Allereerst is er veel bloot voor een Britse film. Dan de cult-uitstraling, mede te danken aan het lage budget. Laag budget of niet, de filmmaatschappij moest een paar maanden na deze film opdoeken. De versie van 102 minuten is toen teruggebracht tot 87 minuten (volgens hoofdrolspeler Christopher Lee ‘een misdaad tegen film’).

En dan nog het veelbesproken plot… De stilzwijgende afspraak onder iedereen die de film heeft gezien, is om nooit en te nimmer dat einde door te vertellen. Alleen dan kun je bij de The Wicker Man-fanclub horen.

Voor diegene die er niet genoeg van kan krijgen, is er nog de tv-film Die Dubrow Krise uit 1969. Een echt curiosum over hoe een Oost-Duits dorpje zich aansluit bij West-Duitsland.

Wel lastig aan te komen, al deze films. Kleine filmproducties in de ware zin des woord.

9 april 2016

 

Passport to Pimlico

 

Alle Camera Obscura

Apocalyptisch kijkvoer

Apocalyptisch kijkvoer

door Bob van der Sterre

Whoops… Apocalypse ♦ A Boy and his Dog ♦ The Last Man on Earth

 

Het einde der tijden is al eeuwenlang een interessant thema in de kunst. Cinema leent zich er goed voor. Tegenwoordig is het onderwerp weer helemaal in, zelfs Mad Max is weer terug, maar we hebben nog een paar betere voorbeelden.

Hét decennium voor de apocalyptische film was de jaren tachtig (Mad Max, Escape from L.A., The Quiet Earth). Gewelddadig, schokkend, over de top. Maar niet alle films waren even gewelddadig. Whoops… apocalypse (1986) bijvoorbeeld is een satirische kijk op (post)apocalyptische tijden.

Het begint met een revolutie op een onbetekenend eilandje in de Cariben. De Britse kolonie Santa Maya is onder de voet gelopen door de regering van Maguador. De Britten veroveren de kolonie weer terug. De revolutionairen hebben een kaart in de mouw: Lacrobat, een goochelaar en vermommingskunstenaar die zich voor veel geld laat inhuren. Hem lukt het om de vredesonderhandelingen te frustreren en voor veel Maguadoriaans geld een Britse prinses te ontvoeren.

Kabouters oorzaak economische crisis
Het werkt niet mee dat de premier van Groot-Brittannië intussen batshit crazy is geworden. Hij wijt de economische crisis aan gnomen en kabouters. Zijn oplossing tegen werkloosheid is even radicaal als gestoord: er moeten minder mensen in het land zijn. Andere ministers proberen hem subtiel om zeep te helpen maar hij heeft uiteraard alle geluk van de wereld.

Je zou denken dat een combinatie van dit thema en de mindere filmjaren tachtig alleen maar iets vervelends kan opleveren. Maar de film verrast. De acteurs zijn gepassioneerd, het tempo ligt hoog, het script is vermakelijk (‘Hebben wij echt elf soldaten verloren in een schietpartij in een wassenbeeldenmuseum?’) en soms zelfs mysterieus (het dubieuze eiland). Het is ook nog eens een film met bravoure: de koude oorlog was nog warm, de Falkland-oorlog pas vier jaar oud.

Whoops… Apocalypse is ondanks alle onzin een vermakelijke satire over hoe fataal wereldpolitieke zaken kunnen uitpakken. Sowieso is het leuk om al die getalenteerde komedianten samen in een film te zien: Alexi Sayle (The Young Ones), Rik Mayall (idem), Peter Cook (originele Bedazzled), Herbert Lom (Pink Panther-films) en Michael Richards, die toen nog geen idee had dat hij een paar jaar later wereldberoemd zou worden als Kramer in Seinfeld.

Chaos regeert na de Vierde Wereldoorlog
Van de ene acteur die nog niet wist dat hij een held in een serie zou worden, naar een andere: Don Johnson, de ster van A Boy and His Dog, wist in 1975 nog niet dat hij tien jaar later in belachelijke flashy  outfits de straten van Miami veilig (of onveilig) zou maken. Het contrast van zijn rol als blitse Sonny Crockett met zijn rol als Vic in deze film is groot. Hij loopt in lompen, schreeuwt meer dan hij praat en slaapt op elk matras dat hij ziet liggen.

De apocalyps is hier in tegenstelling tot Whoops… Apocalypse al geweest. Dit is de maatschappij na de Vierde Wereldoorlog in 2024. Postapocalyptisch  dus. Geen uitgestorven steden, maar woestijnen, vieze mensen, lijken her en der, een survivor (Vic) en zijn pratende hond (Blood). Hoezo pratende hond? Dat is nu eenmaal zo.

Deze primitieve ‘maatschappij’ draait om seks en geweld. De hond helpt hem daarbij door nuttige tips te geven. Ergens ontmoet hij een vrouw. Na een wilde nacht met haar wil hij wel weten wat er te doen is in ‘the underground’, waar ze het aldoor over heeft, ook al moet hij dan Blood achterlaten.

Het is in geen enkel opzicht wat hij ervan verwachtte. Iedereen draagt clownsmake-up en lijkt te leven naar de grillen van ‘the committee’. Een wereld die zich niets lijkt aan te trekken van het postapocalytische gedoe bovengronds. De leiders zijn, op zijn zachtst gezegd, niet goed snik.

Het opmerkelijkste van A Boy and His Dog is hoe je kunt zien dat men in 1975 veel minder aanstoot nam aan gewaagde onderwerpen. In deze film zien we slavenarbeid, is een pornofilm een vorm van ontspanning, worden vrouwen vanzelfsprekend misbruikt en veranderen mannen in een fokstier. Om nog maar te zwijgen over het plot. Maar die aanpak getuigt vermoedelijk wel van inzicht in hoe het echt  zal zijn in een postapocalyptische maatschappij, als chaos regeert.

Een vreemde film die de stempel draagt van de maker, L.Q. Jones, een westernacteur die slechts twee films regisseerde. De sfeer zou ondertussen zijn hergebruikt in de beroemde game Fallout. L.Q. Jones zal dus toch ergens de juiste apocalyptische snaar hebben getroffen.

Dat moment dat we alleen overblijven
Wat we nu nog missen, is de ‘klassieke’ postapocalyptische film. Die krijgen we in de vorm van The Last Man on Earth (1964). Er zijn niet minder dan drie mogelijkheden om Richard Mathesons klassieke SF-boek over een eenzame man in een stad te herleven. The Omega Man (1971), I Am Legend (2007) en deze film. En de liefhebber kan zelfs terecht bij een gloednieuwe tv-serie met een gelijknamige titel.

We kijken naar de eenzame dokter Robert Morgan en herleven via flashbacks hoe de situatie is ontstaan. Afscheid nemen van dochter en vrouw door de plaag en ruzies met collega’s op het laboratorium waar iedereen in allerijl een serum probeerde te ontwikkelen.

Het oogt niet eens zo onaangenaam, deze postapocalyptische samenleving. Elke dag een nieuw autootje uitzoeken. Rondrijden waar je maar wilt. Af en toe een filmpje kijken (zelf even de spoel aanzetten). Goede whisky drinken. Jammer van de vampiers die ‘s avonds tegen je ramen aan lopen te slaan en roepen dat ze je gaan doden.

Maar als je eigen vampiervrouw ‘Let me in…’ fluistert bij je voordeur is het allemaal wat minder vrolijk.

Waarom krijgt The Last Man on Earth de voorkeur boven de anderen? Hier geen halfblote Charlton Heston die uzi’s leegt op mannen in zwarte pakken, maar een tot op het bot verdrietige Vincent Price die met blote vuisten en een spiegeltje de vampiers verslaat. Het script is bovendien geschreven door Matheson zelf. En Vincent Price in de hoofdrol betekent luisteren naar een van de mooiste stemmen van de filmindustrie.

Al met al zou je kunnen zeggen dat wij er als mens een preoccupatie mee hebben, dat moment dat we alleen overblijven. De ironie is dat als het moment dan echt daar is, niemand de film erover nog kan kijken.

5 maart 2016

 

Whoops… Apocalypse

 

Alle Camera Obscura

Vrouwen met een steekje los

Vrouwen met een steekje los

door Bob van der Sterre

Gone to Earth ♦ Possession ♦ Symptoms 

 

Gestoorde vrouwen in films zijn geruststellend. Ook het perfecte, intelligente en gevoelige deel van de mensheid blijkt niet perfect te zijn. Er zijn deze eeuw films over vrouwelijke serial killers (Monster, 2003) maar in het filmarchief zijn er interessantere vrouwenkarakters met loszittende steekjes.

Zigeunerzangeres Hazel Woodus treedt graag op bij feestjes. Dan is ze op haar gemak. Vind je het gek dat zo’n vrouw zich door muziek en stemmen laat leiden op belangrijke momenten?

Haar moeder heeft ze niet gekend en haar vader is de botheid zelve. Ze heeft een gevoelsmatige natuur. Ze is net zo naïef en zacht als ruig en ongetemd.

Geen vrouw zo puur als zij
Ze laat dan ook de harten van twee uiteenlopende mannen op hol slaan. De ene man, priester, valt op haar pure, naïeve kant, en de vlot gebekte veroveraar, de jager, houdt van haar ongetemde seksualiteit. Zelf gaat ze altijd op haar gevoel af. En dat geeft aan dat ze beide mannen leuk vindt.

De boodschap van Gone to Earth (1950) is duidelijk: de natuurlijke, gevoelsmatige aard van de vrouw wordt verpletterd door sociale codes. Een vrouw moet op een bepaalde manier zijn  en zo gedraagt ze zich ook. Is ze een keer niet zo; dan is ze een outcast. Zie Hazel. Maar tegelijk kennen deze beide mannen geen vrouw zo puur als zij en verliezen ze beiden hun hoofd.

Tjokvol symboliek. De kleur van haar kleding. De twee mannen die in contact komen met de tegenpool van zichzelf. De stoere wordt zacht; de kalme raakt woest.

Een erg mooie film – zoals je Powell & Pressburger niet op een lelijke film kunt betrappen. Maar zet je deze film voor een groep jongeren neer en ze zullen na vijf minuten al verveeld zijn. Te traag. Zo zonde! Want geef je het lage tempo toch een kans, dan zie je mooie beelden, prima acteerspel (Jennifer Jones, David Farrar, Cyril Cusack, en bijrollen) en een pure romantiek die in moderne films niet meer bestaat.

Relatiedrama ontwikkelt zich als horrorfilm
In Possession (1981) zien we hoe Mark (een piepjonge Sam Neill) problemen heeft met zijn vriendin Anna (Isabelle Adjani). Als hij terugkeert van een klus, doet ze vaag. Wil ze dat hij bij haar terugkeert? ‘Ik weet het niet.’ Waarom is ze de hele dag weg? ‘Ik heb tijd nodig om na te denken.’ Ze bevinden zich in West-Berlijn.

Het is maar het begin van het mysterie rondom Anna. Soms komt ze langs, gooit ze met spullen en vertrekt ze weer. Mark in tranen. Het blijkt niet de invloed van esoterische meester Heinrich, met wie ze een affaire heeft gehad, want die is al net zo verdrietig om haar ontsporing.

Hier is geen steekje los, maar een steek van heb ik jou daar. Anna (Isabelle Adjani in overdrive) is zo ongeveer permanent razend. In een metrotunnel loopt ze te gillend tegen de muur aan te lopen en wit spul uit te braken. Vlees door de gehaktmolen doen, verloopt bij haar uiteraard ook abnormaal. Een privédetective, ingezet door Mark, ontdekt de waarheid. In een ander huis heeft ze een bloeddorstig monster, met paranormale gaven, als huisdier.

Eigenaardige film. Een relatiedrama dat zich ontwikkelt als horrorfilm. Niet een normale, rustige scène. Een flinke portie overacting. Met name Sam Neill, gewoonlijk zo rustig, gaat hier helemaal uit zijn dak, schijnbaar op verzoek. De film had vlotter gemonteerd kunnen worden.

Tegelijk is het intrigerend. Soms beelden met Dogma-achtige natuurlichteffecten. Fraaie close-ups. Opmerkelijke symboliek (beide huizen staan naast de muur).

De film is dan ook gemaakt door Andrzej Zulawski, die opgroeide in Polen maar later in Frankrijk zijn films maakte. Hij was assistent van Andrzej Wajda en deze film kun je, naar men zegt, opvatten als cynisch commentaar op zijn communistische verleden. Dan is de locatie nabij de Berlijnse Muur (we zien de echte vopo’s met hun verrekijker) ineens een stuk begrijpelijker.

Zulawski beschreef zijn vijftien jaar durende filmloze periode (tussen 2000 en 2015) als het beste deel van zijn leven. Daar valt wel iets van te begrijpen bij het zien van deze film, die een zware bevalling moet zijn geweest voor alle betrokkenen.

Zo ziet waanzin eruit
Bloed, erotiek en horror was ook het specialisme van de Catalaanse regisseur/tekenaar José Ramón Larraz (in 2013 overleden). Black Candles (1982) is zijn bekendste werk en dat zegt wat over zijn onbekendheid. Maar in Symptoms (1974) deed hij wat anders: ook horror, maar veel subtieler.

In deze Britse film zien we hoe Ann is uitgenodigd in een Engels landhuis door een vriendin (Helen) waar vermoedelijk een flink steekje aan los zit. Maar dat weten we dan nog niet. Al merken we het snel. Helen kijkt naar een meer en zegt: ‘Iemand is hier verdronken.’ Ze kijkt in een haardvuur en zegt: ‘Denk je wel eens aan de dood?’

Je gaat even boodschappen doen en later zit ze met een pop in haar handen op de trap te kniezen. ‘Beloof je me dat je me nooit meer alleen laat?’

Helen worstelt met rare geluiden en heeft bovendien een blik in haar ogen waarvan je denkt: die spoort niet. Geweldig acteerwerk dus van Angela Pleasence, dochter van Donald Pleasence. De beste rol van haar carrière, kun je gerust zeggen. Wijd opengesperde ogen, ingevallen gezicht, haar klevend aan haar gezicht. Zo ziet waanzin eruit.

Het verhaal is niet zo origineel maar wat een sfeer krijg je te zien! Het is echt griezelen hier – anders dan met moderne griezelfilms, die vooral draaien om flauwe foefjes.

Die spanning komt door de rustige opbouw, zoals veel films uit de jaren zeventig. De griezeligheid komt van het huis, het acteerwerk en de kalme cinematografie.

Liever deze film een keer goed restaureren dan de zoveelste nieuwe horrorproductie uitbrengen. José Ramón Larraz verdient dat. Interessante vrouwenkarakters met een steekje los zijn namelijk een zeldzaamheid in de filmwereld.

8 februari 2016

 

Possession

 

Alle Camera Obscura

Astronauten in moeilijkheden

Astronauten in moeilijkheden

door Bob van der Sterre

Moscow-Cassiopeia & Otroki vo vselennoy ♦ Dark Star ♦ Wings of the Honneamise

 

Met de première van de nieuwe Star Wars kunnen we natuurlijk niet achterblijven in deze rubriek. Is er misschien een vier uur durend Hongaars meesterwerk uit 1962 dat Star Wars vooraf ging? Om eerlijk te zijn: nee. Wél zijn er obscure SF-films over astronauten te vinden.

Rip-offs van Star Wars zijn er meer dan genoeg. Hier is bijvoorbeeld een uitzinnige Braziliaanse versie te zien. Niets is meer rip-off dan de Turkse versie. Maar rip-offs horen niet in deze rubriek thuis, dus we verruimen onze blik en kijken naar obscure SF-films over astronauten. Zoals bijvoorbeeld de tandemfilm Moscow – Cassiopeia (1973) en Otroki vo vselennoy (1974): De eerste film gaat over de reis erheen, de tweede film over het verblijf op de planeet, maar in feite is het een lange film van drie uur.

Kinderen in de ruimte
Op aarde komen signalen binnendruppelen uit de omgeving van Schedar, een ster in het sterrenbeeld Cassiopeia. Geniale nerd Victor, amper twaalf, wil er wel heen om de betreffende beschaving te ontmoeten. Omdat de reis heen en weer ongeveer 52 jaar duurt, moeten er kinderen worden gestuurd, legt hij uit.

Zijn leraar ziet er wel wat in. ‘Het enige probleem is dat de tijd op aarde sneller verstrijkt. In die periode is hier vijfhonderd jaar verstreken.’

De Sovjet-overheid bouwt een ruimteschip en benoemt Victor tot expeditieleider. Hij neemt een paar klasgenoten mee. Een grappenmaker met secondelijm – ook klasgenoot – lift mee als verstekeling. Paradepaardje van het ruimteschip is de extra kamer die met een druk op de knop verandert in wat je maar wilt, het Russische platteland dan wel je eigen huiskamer.

Bij Schedar blijkt de planeet te zijn overgenomen door robots, die een wereld zonder emoties hebben geschapen. De oorspronkelijke bevolking leeft in ballingschap. Onze tienerastronauten begrijpen dat ze de robots moeten verjagen om de oorspronkelijke bevolking te kunnen laten terugkeren. Zo makkelijk gaat dat niet.

Niet moeilijk om kritiek te leveren op deze twee films. De kinderen zijn uiteraard niet geweldig als acteurs – maar het had erger gekund. Sommige passages zijn traag. Bovendien neigt de film soms ook iets te veel naar cult, zoals de robots met hun bizarre, swingende discoloopjes.

Maar de film verbijstert soms ook wel weer. Sommige gewichtsloze scènes doen denken aan Kubricks trucage met 2001: A Space Odyssey. Met name dit shot in de gang is verbijsterend. Je ziet opnamen met handheld camera. Hier en daar een paar prachtige SF-beelden. Nog meer inventiviteit had de film goed gedaan.

Opblaasbare tomaat
Geen kinderen, maar vier zich vervelende mannen spelen de hoofdrol in Dark Star (1974). In het Dark Star-ruimteschip zijn de astronauten op zoek naar instabiele planeten om op te kunnen blazen. Een werkje dat ze van de straat houdt, zeg maar. Als ze daar niet mee bezig zijn, zitten ze een beetje te roken in hun ranzige slaapkamer.

Je vraagt je af wie deze prutsers kandidaat heeft gesteld. Of is het de lange reis die ze zo afgestompt heeft gemaakt? We krijgen geen antwoorden. Maar Pinback weet zelfs het eten geven van de alien aan boord te verprutsen (een opblaasbare tomaat met witte stippen).

De film van John Carpenter (Escape from New York, Halloween) en Dan O’Bannon (die ook astronaut Pinback speelt) is het voorbeeld van een lowbudgetruimtefilm met flair. Carpenter deed de regie en muziek, O’Bannon de montage en special effects. Een vriendenproductie.

Het leverde een film op die je op zijn eigen manier moet liefhebben. De groenrode borden, de nauwe gangetjes, knorrende sciencefictiongeluiden, slechte effecten (een muffin-dienblad als ruimtepak), houterige dialogen en filosofisch getinte bommen. Sciencefiction voor stonede hippies.

Toch heeft de film zo zijn eigen stijl en doet zelfs af en toe denken een soort Alien  met grapjes. Die link is niet toevallig. O’Bannon bedacht het idee voor Alien  naar aanleiding van deze scènes met de opblaasbare tomaat en schreef vervolgens het script voor de SF-klassieker.

Visueel verbluffend
Een stuk serieuzer is Wings of the Honneamise (1987), waar we kijken naar een op Japan (jaren veertig) lijkend keizerrijk. Daar is men al decennia bezig om een bemande raket de ruimte in te schieten.

Niemand gelooft er echt in. De raket is namelijk meer fictie dan werkelijkheid. Er is geen geld, er zijn geen onderdelen. Terwijl het toch handig zou zijn in verband met ‘de Republiek’, de agressieve buurstaat van het Koninkrijk.

Totdat astronaut Shiro op een dag tijdens een briefing zijn collega-astronauten van hun stoelen laat vallen door te zeggen dat hij zich vrijwillig opgeeft als astronaut. Niemand is er echt blij mee. Ze moeten ineens aan de slag. Bovendien moeten de twee generaties, de oude en de jonge, gaan samenwerken. Die oude lui zijn types die over de motoren zeggen: ‘Het zijn mijn kinderen!’

Zijn training, op zijn best, is onbeholpen. ‘Ik verwachtte weinig van je trainingsresultaten, maar het viel mee, misschien overleef je het wel. En heb je wel eens gevlogen?’ ‘Nee. Hoe kom ik aan een vliegtuig?’ ‘Weet ik veel, leen er een van de luchtmacht. Maar maak hem niet kapot!’

Tegenslag alom. Rebellen die sabotage plegen. Politieke spelletjes op de achtergrond. Tot overmaat van ramp krijgt Shiro een oogje op een onversierbare vrouw die niet zoveel heeft met wetenschap, des te meer met religie.

Visueel is Wings of the Honneamise een verbluffende film. Geen wonder, het was tot Akira de duurste animeproductie ooit. De bedachte architectuur, de steden, de kleding, de compleet verzonnen analoge technologie. De aandacht voor detail is immens. Deze film is perfect voor een rustige zondagmiddag, ook om de eigenzinnige muziek van Ryuichi Sakamoto helemaal in je op te kunnen nemen.

De inhoud zet ook aan het denken. Het lijkt alsof de film een ‘foute’ periode uit de Japanse geschiedenis bewust probeert te herscheppen in een eerlijke, romantische variant, ontdaan van nationalisme.

Wat zal het vervolg (Aoki Uru, te verschijnen in 2018) ons brengen? Een film waarvan al sinds 1992 sprake is. Is het toeval dat dat bijna synchroon loopt met de echte pogingen om mensen commercieel de ruimte in te schieten? Als het maar beter afloopt dan met al deze prutsers.

8 januari 2016

 

Moscow-Cassiopeia

 

Alle Camera Obscura