Kantoren en computers in vroegere tijden

Kantoren en computers in vroegere tijden

door Bob van der Sterre

Desk Set ♦ Hot Millions ♦ The Battle of the Sexes

 

Symbolisch voor moderne filmkantoren zijn saaie cubicles, incompetente managers en niet werkende printers. Die inspiratieloze kantoren zijn vereerd met vermakelijke films (Office Space) en een vermakelijke serie (The Office). Maar ook vroeger bleken de kantoren niet te deugen. Alleen waren de computers toen een stuk groter.

Een groot Amerikaans bedrijf, jaren vijftig. Consultant Richard Sumner loopt binnen en kijkt rond. Zijn taak: ontdekken hoe afdelingen efficiënter gerund kunnen worden.

Vooral de kennisafdeling is een doorn in zijn oog. De afdeling beantwoordt vragen van particulieren, maar dan echt moeilijke vragen. Bunny Watson, het hoofd van die afdeling, kan gedichten compleet reciteren en weet alles over de politiek van Hawaï als het moet. Anders vindt ze wel het boek met de juiste informatie.

Computer bespaart werk van vijf mensen
Sumner beslist: overbodig, weg ermee, en wel nu. Een computer kan het werk besparen van vijf mensen. Als het nu nog een moderne Apple notebook was geweest, maar dit is een film uit 1957. De computer waarmee Sumner op de proppen komt is zo groot als een vrachtwagen. Tapes, blikkerende lichtjes en een akelig ratelend geluid.

Bunny wil boos worden maar dat lukt haar niet goed. Op persoonlijk gebied klikt het namelijk wonderbaarlijk goed. Spijtig, voor beiden…

Desk Set is verrassend profetisch. Is Emmy, de supercomputer in deze film, niet net Google? En Bunny niet net een levende Wikipedia? Nu is alle informatie een klik weg maar in 1957 had je nog levende orakels nodig. En profetisch was ook de blik op de moderne arbeidscultuur, waarbij het draait om bezuinigingen en efficiëntie. Toen nog nieuw, nu de gewoonste zaak van de wereld. Zie het verschil tussen de ‘meedogenloze’ Sumner en de zakenlieden in een moderne film als Margin Call.

De film is een romantische komedie zoals vele anderen, maar toch aangenaam kijkvoer. Katherine Hepburn (Bunny) en Tracy (Richard) waren, als echt stel, perfect op elkaar ingespeeld. Erg komisch bijvoorbeeld is de scène waarbij Tracy in de regen op bezoek komt bij Hepburn en dan haar verbouwereerde vriendje een hand schudt. Er is nog grappig gedoe met trommeltjes en ontslagbrieven, en een paar mooie groepsdialogen.

Ex-gedetineerde kraakt computer
Waar Sumner en Bunny nog het belang van het bedrijf voorop hebben, heeft Marcus Pendleton vooral zijn eigenbelang voorop staan. Hij komt kakelvers uit de gevangenis. Zijn eerste actie: een sollicitatie bij een verzekeringsbedrijf als Caesar Smith, computerspecialist. Dat is een man die hij heeft ontmoet en die écht computerprogrammeur is. Pendleton bluft zich een weg in het bedrijf en heeft maar een doel: het kraken van de onkraakbaar geachte computer.

Ook deze computer is een groot log ding, volgehangen met tapes. Er is een hele kamer voor ingericht. Bediener is hielenlikker Gnatpole. Pendleton: ‘Wat doe je met deze computer?’ Gnatpole: ‘Ik laat hem procedures uitzoeken.’ Pendleton: ‘Ach ja, dat is echt iets wat je met zo’n mooie machine wilt doen, procedures uitzoeken.’

De computer doet transacties uit zichzelf. Maar zó goed beveiligd! Want zolang een blauw lampje aan is, kan niemand ermee knoeien. Pendleton, hacker avant la lettre, doet zijn best om na werktijd het vermaledijde blauwe lampje te verslaan. Het kost hem veel energie maar het lukt.

Pendleton gaat vervolgens zaken doen met zijn eigen brievenbusfirma’s. Dat zijn een kapper in Italië, een bakker in Duitsland en een lege zolderkamer in Parijs. Hij reist heen en weer om zijn geld op te halen. En dan kiest zijn onhandige secretaresse (en buurvrouw), Patty, ook nog eens voor hem. Hun relatie is prettig maf. ‘Waarom trouw je niet met me?’ ‘Stel je me nu dé vraag?’ ‘Die moest wel gesteld worden, of niet?’ ‘Ja, als je het zo stelt, ik denk het wel.’

Hot Millions (1968) laat zien dat je een misdaadfilm ook losjes en vrolijk kunt maken, zonder dat het al te dwaas wordt. Dat is te danken aan het tongue-in-cheek script maar ook aan twee acteurs met komisch talent. Peter Ustinov (Pendleton) heeft zo zijn eigen acteerstijl (inslikken van zinnen) en Maggie Smith (Patty) als alleenstaande vrouw is een verrassend origineel vrouwenkarakter. ‘Ik ben zo eenzaam dat ik het wel van de daken kan schreeuwen.’ Voor de huidige generatie filmkijkers is ze bekend als roddeltante in Gosford Park (2001).

Dwangmatig vernieuwen en slopen
In The Battle of the Sexes (1959) zitten we opnieuw in een Brits kantoor en opnieuw beslist een nieuwe manager dat het kantoor efficiënter moet worden. Maar deze Amerikaanse Angela is anders dan Richard Sumner in Desk Set. Zij heeft nog nooit van tact gehoord. Ze vindt bijvoorbeeld dat alle boeren, rustig wevend op hun Schotse boerderijtjes, voortaan maar in een fabriek moeten weven. ‘Dit is toch niet efficiënt?’

Mr. Martin, een van de kantoorarbeiders, vindt haar ideeën stuitend. Hij ziet vernieuwing helemaal niet zitten. Klerken moeten in een donkere ruimte de hele dag documenten ondertekenen, om die vervolgens in een van de vele laadjes op te bergen. Dat is het echte kantoorwerk! Je kunt natuurlijk niet zomaar de ramen open zetten, zoals Angela doet als ze het muf vindt ruiken.

De strijd is niet eenvoudig. Zeker niet als ook ineens efficiënte machines hun intrede doen. Zo zien we een ‘volautomatische’ rekenmachine. Wow! Dat niet alleen: er komt ook een heuse intercom.

Mr. Martin weet wel hoe hij daarmee om moet gaan: kapot maken dus. Jammer genoeg was zijn daad maar een druppel op de gloeiende plaat van dwangmatige vernieuwers. Een standbeeld voor deze Mr. Martin is er nooit gekomen.

De film heeft iets te schematische tegenpolen als karakters, maar ook hier krijg je topvermaak dankzij het acteerspel. Constance Cummings speelt met flair de typische carrièrevrouw aan wie mannen zo’n hekel hebben, omdat ze opereert zonder gevoel voor mannenhiërarchie. Robert Morley is net zo uitstekend als de baas die alle lastige keuzes doorspeelt aan Mr. Martin. En Peter Sellers heeft zo te zien ook echt plezier in de rol. Als progressief acteur is het vermoedelijk erg aantrekkelijk om juist een uiterst conservatief persoon te spelen.

Soms doet Mr. Martin me in deze film denken aan dat mompelende mannetje uit Office Space dat zo intens houdt van zijn nietapparaat. Ook weer zo’n klassiek kantoorapparaat waar vermoedelijk intussen ook elektrische varianten van zullen bestaan. Met digitale informatie over de nietjesvoorraad. Want lang leve de efficiëntie…

 

7 februari 2015

 

Hot Millions

 

Alle Camera Obscura

Nederland in buitenlandse films

Nederland in buitenlandse ogen

door Bob van der Sterre

One of Our Aircraft Is Missing ♦ Operation Amsterdam ♦ Trafic

 

Het is altijd leuk, zoals in Ocean’s Twelve, als Nederland ineens in beeld is. En meer dan alleen maar als de plek waar je friet in de mayo verdrinkt. Ons land speelde vaker in buitenlandse films een hoofdrol. En elke keer moest er weer een oplossing worden gevonden voor het probleem: in welke taal laten we de karakters praten?

Foreign Correspondent van Hitchcock uit 1940 is een goed voorbeeld van hoe het niet moet. Nederland is daarin slechts een decor voor een spannend verhaal. Je hoort praktisch geen echt Nederlands, wel iets fonetisch dat net zo goed Duits als Deens zou kunnen zijn. Een afslag bij een gracht en daar zijn de molens. Een aanfluiting vanuit Nederlands perspectief.

Geallieerd vliegtuig stort neer bij Hilversum
In One of Our Aircraft Is Missing (1942) is het al wat beter gedaan. In de film komt een Brits toestel terug van een bombardement in Stuttgart en stort neer vlakbij Hilversum. Het groepje vindt elkaar terug na de parachutesprong. Ze krijgen steun van de lokale bevolking. Met Nederlandse kleding hopen ze in een paar dagen bij zee aan te komen.

Powell en Pressburger, de regisseurs van deze film, staken meer energie in realisme dan Hitchcock twee jaar ervoor. Kinderen spreken bijvoorbeeld echt Nederlands. En de volwassen karakters spreken redelijk goed fonetisch Nederlands. Maar een Nederlandse kijker hou je niet voor de gek. De juf, de burgemeester, de verrader, de predikant (Peter Ustinov in een klein rolletje): het is het allemaal niet.

De burgemeester lost het taalprobleem op door snel te praten en aldoor opwinding in zijn stem aan toe te voegen (waardoor je pas beseft hoe ‘lijzig’ Nederlands wel klinkt). Nota bene verrader De Jong heeft een rimpelloos accent maar je hoort dat hij niet weet wat hij zegt. Ironisch voor een verrader.

Het is meer dan accent alleen waar je een Nederlander aan herkent, besef je ineens. De spreekwoorden prevelende Els Meertens (‘Wie het water eert, die het water keert’) is beslist níet Nederlands. Haar dictie verraadt haar. En Jo de Vries? Veel te streng voor een Nederlandse.

Maar goed, het was 1942, en je kon niet even gaan filmen in Nederland. Hoe bizar moet het zijn geweest dat tijdens de oorlog ergens in Engeland mensen hun best deden op een rol als Duitse soldaat voor een serieuze film over bezette Nederlanders. De film is overigens prima geslaagd. Films van Powell en Pressburger werden pas echt interessant na deze film, maar ook One of Our Aircraft Is Missing zit vol cinematografisch interessante momenten, zoals de vlucht tussen het luchtafweergeschut door.

Diamanthandel in Amsterdam
Ook Operation Amsterdam (1959) gaat over de Tweede Wereldoorlog. Het speelt zich zogenaamd af in 1940, op het punt als de Duitsers Nederland binnenvallen. Amsterdam heeft een behoorlijke diamantenhandel. De Britten willen de diamanten uit Duitse handen houden. Ze sturen er drie man op af: twee Nederlandse diamantairs en een straffe Britse kolonel.

Het verhaal wordt spannend gebracht, aldoor met de klokken in beeld en drums op de achtergrond. Maar niet alles is even geloofwaardig. Terecht werd in 1960 al in The New York Times afgevraagd: moet je echt met je diamanten in een open auto dwars door een stad scheuren?

Voor ons is de film vooral interessant vanwege Amsterdam ten tijde van de oorlog. Nooit eerder zag ik de stad zo midden in de vuurlinie. De achtervolging door de stad is er ook eentje om nog eens terug te spoelen.

Maar de taal is wederom een probleem. Volgens de logica in deze film is het doodnormaal dat we in een café met vrienden of thuis met familie Engels praten. Als er geschoten wordt, roepen we ‘Take cover!’ De film heeft wel een jonge Peter Finch, die leuk paart met Eva Bartok, die als een voorloper van Bonnie uit Bonnie & Clyde erop los maait met haar machinegeweer. Op Nederlands valt ook deze zogenaamde Amsterdamse niet te betrappen, wel vloeiend Engels (en ze is Hongaars).

Met Tati naar de Autorai
In Trafic (1971) zien we hoe het Franse autobedrijf Altra een campingcar probeert te transporteren. Ze moeten naar de Autorai in Amsterdam. Maar onderweg stapelen de problemen zich op. Een lekke band. Een file. Een grootschalig auto-ongeluk. Een aanhouding.

Ondertussen staan de mensen bij de stand van Altra in Amsterdam wortel te schieten en doet de pr-dame haar best iedereen op te jagen.

Het complexe talenverhaal van deze film (Nederlanders en Fransen die aldoor Engels met elkaar praten) wordt prima opgelost. Ze spreken wat ze normaal ook zouden spreken. De acteurs die Nederlanders moeten spelen, zijn daadwerkelijk Nederlanders. Er wordt veel Nederlands gesproken. ‘Mag ik even in dat tasje kijken!’

Een paar rake observaties van de Nederlandse cultuur. Neem lompe Bernd en zijn gevoel voor gezelligheid. Of de typische rijtjeshuizen. Of de melige receptionistes (erg Hollands besef je ineens). De agenten die even brutaal als vanzelfsprekend de campingcar willen testen. Dat typische gebrek aan bescheidenheid: zo Hollands!

Dat komt vermoedelijk allemaal omdat Trafic aanvankelijk een vrucht was van een lange vriendschap tussen twee filmers: Jacques Tati en Bert Haanstra. Tati (failliet na Playtime) was dolblij met de kans om nog een film te maken. De twee regisseurs leverden evenveel input aan het werkstuk. Maar Haanstra worstelde met Tati’s grillige karakter en stopte na twee jaar de samenwerking. Het smeuïge verhaal staat hier te lezen.

Een ondergewaardeerde film, vermoedelijk omdat Tati veel betere films heeft gemaakt. Maar toch is het erg amusant voor ons Nederlanders. Bijzondere beelden van mensen en gewoonten van begin jaren zeventig – en dat op de bekende stijlvolle manier van Jacques Tati. Let bijvoorbeeld eens op de choreografie in het politiebureau. En wie heeft ooit de Nederlandse automobilisten van vroeger onbekommerd zien neuspeuteren? Deze stiekeme beelden komen uit de koker van Haanstra.

Tati’s kritische boodschap is ook nooit ver weg. Hier zien we hoe raar de band is tussen mens en auto. En hoe ver was hij zijn tijd vooruit met zijn campingcar? Campings staan er tegenwoordig vol mee. Al komt er dan meestal geen gas uit de kraan en water uit het gasstel.

 

7 januari 2015

 

One of Our Aircraft Is Missing

 

Alle Camera Obscura

Mannen met issues

Mannen met issues

door Bob van der Sterre

Casanova ‘70 ♦ Bunny Lake Is Missing ♦ The Offence

 

Ooit was een loserprotagonist nog wel grappig. Woody Allen in Annie Hall, Jack Lemmon in The Apartment. Maar het is intussen een cliché van jewelste. Vrouwen zijn onverslaanbare vechtmachines en mannen sukkelen er aldoor achteraan, ‘Pas nou op!’ roepend. Maar dat zijn sukkels zonder reliëf. In de jaren zestig en zeventig waren er échte mannen met échte issues.

Je hebt versierders, maar ook versierders als Navo-majoor Andrea Rossi-Colombotti, die alleen in staat is om vrouwen lief te hebben onder de allerlastigste omstandigheden. Denk dan bijvoorbeeld aan wat hij doet met zijn eigen vrouw. Hij zet haar thuis af, doet alsof hij vertrekt, breekt in, om haar vervolgens proberen te beminnen, wat zij niet zo op prijs stelt.

Maar dat is nog relatief gewoon in zijn wereld. Een andere keer loopt hij een leeuwenkooi binnen om daar een gepassioneerde kus te geven aan een vrouwelijke leeuwentemmer voor een tjokvolle circustent.

De impotente majoor
Buiten deze gepassioneerde momenten is hij impotent. Hij gaat naar de psycholoog om zich te laten behandelen. Daar beschrijft hij zijn gestreste avonturen. Zoals die ene keer op Sicilië. Hij zit te eten in een bar. Achter hem vindt een discussie plaats. Een man wil onder het huwelijk uitkomen omdat zijn vrouw niet ‘puur’ meer zou zijn. Rossi-Colombotti staat op en zegt dat hij als dokter haar wel zal controleren. De familie akkoord. In een kamertje bekent zij aan hem welke mannen ze allemaal wel heeft gehad. Dan slaat bij hem de vonk over en wil hij zichzelf onmiddellijk toevoegen aan het illustere rijtje…

Casanova ‘70 (1965) is vooral leuk voor Italianen zelf. Zij zullen hard lachen als Rossi-Colombotti (Marcello Mastroianni) ‘la mama’ blijft stamelen als zijn vriendin het ineens een goed idee lijkt om met haar moeder kennis te maken. Wij nuchtere noorderlingen zien daar de humor niet van in. Dat zegt helaas meer over ons dan over hen.

De film is half geestig en half niet. Een paar geestige bijrollen, zoals de agent (Bernard Blier), de Zen-psychiater (Enrico Maria Salerno), de beeldenverzamelaar (regisseur Marco Ferreri). Maar in een niet al te kritische bui gaat de film er prima in. Dan zie je een reeks vermakelijke seks-anekdotes met veel mooie vrouwen, en een mooie sixties-vormgeving. Zoals in het stuk over de Alpen, waar regisseur Mario Monicelli kiest voor een verhaal via fotoshots en funky muziek. Zo zie je opeens waar Stephen Soderbergh inspiratie voor zijn montagekunsten heeft opgedaan.

De havermout liefhebbende inspecteur
In Bunny Lake Is Missing (1965) raakt, zoals de titel al zegt, een kleuter genaamd Bunny Lake plotseling spoorloos. Ze bevond zich in een kinderdagverblijf maar daar weet niemand ergens van. De moeder, Ann Lake, en haar broer Steven roepen de hulp in van de politie. De inspecteur kan niets vinden. Er is geen snipper bewijs zichtbaar dat er werkelijk  een kind is.

Er zijn nogal wat aparte karakters die de situatie met Bunny aan lijken te grijpen om hun eigen merkwaardigheid ten toon te stellen. Zo ook doen Ann en Steven erg merkwaardig. Wie is er eigenlijk niet merkwaardig? Zelfs de inspecteur gaat bij een ondervraging zomaar een bordje met havermout leeg eten.

De film is spannend zonder het nadrukkelijk te willen zijn. Dat werkt vooral dankzij de prima cast. Laurence Olivier speelt de havermout liefhebbende inspecteur met achteloos gemak. Let eens op zijn gebaren en oogopslagen als hij de broer aan het interviewen is. Een en al natuurlijkheid. Keir Dullea is ook prima als beschermende broer.

Het is door het plot lastig om iets te zeggen over de man met issues in deze film. Maar laten we zeggen dat zijn issues nog pathetischer zijn dan die van Rossi-Colombotti. Die ging tenminste nog naar een psycholoog!

De film is door en door Brits. Dat zie je aan aparte bijrollen, zoals de geestige dame in het kinderdagverblijf (Martita Hunt), of de kamerverhuurder (Noël Coward), poserend met een zweepje naast de schedel van markies De Sade. Otto Preminger stond aan de basis van deze smaakvolle film (ook de man van Anatomy of a Murder en Advise & Consent) en dat betekent dat je verzekerd bent van kwaliteit.

De doorgedraaide commissaris
In The Offence (1972) is het duidelijker wie kampt met de issues: dat is hoofdcommissaris Johnson. Wie kent hem niet, de commissaris die aan het doordraaien is? Het is een vaak gebruikt thema. Waar de commissaris zich vroeger nog professioneel kon gedragen, lukt hem dat steeds minder. Zijn twintigjarige carrière maakt hem rijp voor de mentale sloop.

Hij is op zoek naar een kindermoordenaar annex misbruiker. Als ze dan eindelijk een verdachte genaamd Baxter vangen, kan Johnson zijn agressie nauwelijks beheersen. Hij ondervraagt Baxter met de agressie van een beul. Is die Baxter niet de dader? Vast wel, het is zo’n schoft. Waarom mogen Johnsons vuisten dan geen recht spreken?

Het broeit en het kraakt in deze film van Sidney Lumet. Aanvankelijk beginnen we met een gewone moordzaak maar we eindigen met een stevige uitbarsting. The Offence was ooit een statig toneelstuk van John Hopkins maar Lumet heeft het cinematografisch aangekleed. Neem het mooie slow motion-begin of de opkomende waanzinnigheid van Johnson.

Maar dat is ook te danken aan het acteerwerk. Je aandacht wordt door deze film gegrepen dankzij een van Sean Connery’s beste acteerprestaties. Hij is werkelijk voortreffelijk als de commissaris die op punt staat zijn verstand te verliezen. Oei, wat is hij gemeen en kwaadaardig als hij zijn vrouw de les leest! Hij had ook geen betere tegenspeler kunnen hebben dan Ian Bannen als de sarrende Kenneth Baxter.

The Offence is een film die de kijker met geduld in het verhaal betrekt (vermoedelijk véél te langzaam voor veel moderne kijkers). De kalmte is evenwel zalig voor wie de door en door voorspelbare superheldenfilms van vandaag de dag helemaal zat is. Een winterse zondagmiddag, deze film en een goede kop erwtensoep, wat wil je nog meer? Maar laten de mannen met issues dan buiten blijven.

 

7 december 2014

 

Casanova ‘70

 

Alle Camera Obscura

Seances

Contacten met gene zijdes

door Bob van der Sterre

Seance on a Wet Afternoon ♦ I Walked with a Zombie ♦ The Medusa Touch

 

Het bovennatuurlijke is nog steeds ongelooflijk populair. Esoterische boeken zijn de enige soort boeken die goed verkopen. Woody Allens nieuwste film, Magic in the Moonlight, gaat ook over contact met de gene zijde. Heeft de filmgeschiedenis eigenlijk iets origineels over dit onderwerp te bieden?

Mediums: per definitie niet het meest betrouwbare volk ter wereld. Een medium genaamd Myra maakt het wel heel bont. Haar idee is: als ik nou een kind ontvoer, en mensen op weg help met aanwijzingen, bewijst dat hoe goed ik ben als medium.

Droom met verborgen boodschappen
De dag na de ontvoering van het kind nodigt ze zichzelf uit bij de ongeruste ouders en vertelt over een droom met verborgen boodschappen. ‘Een wat? Een droom? Ons kind is sinds gisteren spoorloos en u komt praten over een droom?’

Maar de moeder van het ontvoerde dochtertje ziet toch wat in dat medium. Zij heeft immers meer informatie dan de politie. Maar je kunt toch moeilijk blind varen op een paranormaal kompas? Maar ach, wat voor kwaad schuilt er in het bezoeken van een seance?

Seance on a Wet afternoon (1964) draait niet om de spanning, maar om de verknipte persoonlijkheid die Myra is. Ze is grenzeloos egocentrisch, maar lijkt oprecht te denken dat mensen haar nodig hebben. Haar gevoel van superioriteit maakt haar blind voor andere opvattingen. ‘We kidnappen geen kind, Billy, we lenen  er een.’

De film gaat net zo goed over het gebrek aan karakter van haar man, Billy, die zich voor het karretje van haar dwaze plannen laat spannen. Als hij tegensputtert, zegt ze: ‘Weet je wat ik wel eens zou willen? Soms zou ik wel eenvoudig willen zijn als jij.’

Regisseur Bryan Forbes – vorig jaar overleden – was een echte boekverfilmer. Je zou het niet zeggen, maar hij heeft lang geworsteld met het script. Uiteindelijk is Seance on a Wet afternoon vermoedelijk zijn meesterwerk geworden. De stijl, de sfeer en de spot: allemaal erg goed gelukt. Een heerlijke film voor een loze zondag.

Zombies van een heel andere kant
Een spirituele film over zombies? Kan dat? I Walked with a Zombie (1943) van Jacques Tourneur laat zombies van een heel andere kant zien dan hoe wij ze kennen uit pulpfilms. Dit is een serieuze film over voodooïsme en mensen die geestelijk dood zijn. De film is bijna zonder actie.

Verpleegster Betsy solliciteert naar een baan op Haïti. Gelokt door visioenen van zon en zachtjes ruisende palmbomen, gaat ze er werken als de huisverpleegster van de vrouw (Jessica Holland) van een Amerikaanse plantage-eigenaar (Paul Holland).

Paul haalt haar al snel uit haar droom. ‘Alles lijkt hier mooi, maar dat is alleen omdat u het niet begrijpt. Er is geen schoonheid hier. Alleen dood en vergankelijkheid.’ Hartelijk welkom, het zal je maar gezegd worden.

Het probleem is dat Jessica rondloopt als een zombie. Ze is ‘dood in haar eigen leven’. Het vond allemaal plaats na een griepje. De familie geeft geen verklaring en houdt het liever onder de pet.

Betsy raakt verliefd op Paul en zoals het gaat met overspannen verliefde hersenen: ze wil hem helpen. Iemand fluistert Betsy in dat een voodoodokter de ziekte kan herstellen. Het is een griezelig stuk wandelen langs geitenkarkassen, mensenschedels, talismannen, maar ze bereikt uiteindelijk de wonderdokter.

De mensen van 1943 hadden misschien shockhorror verwacht en konden niet veel met de goed uitgewerkte karakters. Dat werkt anders voor ons, zeventig jaar later. Sympathiseren met Betsy en Paul is ook niet moeilijk. Hoe vaak zie je in soortgelijke situaties wel de bekende bordkartonnen karakters?

De griezeligheid is opvallend gedoseerd. Overdag is het rustig en vriendelijk op het  landgoed. ’s Nachts wordt het dankzij subliem lichtspel bizar en griezelig. Dat doet denken aan Twin Peaks. De mysterieuze show wordt gestolen door een grote, sinistere man met uitpuilende ogen, die onder begeleiding van monotoon djembégetrommel over de plantage loopt.

Amerikaanse astronauten
Ook in The Medusa Touch (1978) is de hoofdpersoon niet wezenlijk slecht. Schrijver John Morlar (Richard Burton) maakt zich alleen druk waarom er overal ongelukken gebeuren die verband houden met zijn gemoedstoestand? Hij moet behandeld worden, vindt hij zelf.

Als Amerikaanse astronauten vast zitten in een ronde om de maan, wordt Morlar diverse keren met een beeldje op zijn hoofd geslagen door een onbekende. Het is een paar dagen nadat een jumbojet midden in Londen is neergestort. Commissaris Brunel (Lino Ventura) ontdekt het slachtoffer – dat niet dood blijkt te zijn. Hij wordt meer dood dan levend in het ziekenhuis opgenomen.

Terwijl Morlar in het ziekenhuis ligt, probeert Brunel meer te weten te komen over het slachtoffer. Die blijkt in psychoanalyse te zijn na een moeilijk leven. Zijn ouders, platgewalst onder hun eigen auto. Een leraar, omgekomen in een brand. Een ex-vrouw, verongelukt. Ga zo maar door.

Waar het verhaal eigenlijk over gaat: telekinese. Andere zaken kunnen laten bewegen door transportatie van energieën. In de meeste gevallen: theelepeltjes. In het geval van John Morlar (misschien) jumbojets.

In eerste instantie oogt het een beetje als een doorsnee thriller, maar je ziet als je goed kijkt toch veel ongewoons in deze film. Bijvoorbeeld Lino Ventura in een van zijn zeldzame optredens in Engelstalige films. Dat die carrière niet zo gelukt is, komt door zijn belabberde accent. Ook ongewoon is Richard Burton, want perfect gecast. Met zijn doorleefde gelaat, fraaie stem, intense acteren en duivelse ogen maakt hij deze vreemde John Morlar geloofwaardig. En ten slotte ongewoon is het einde; zo cynisch dat je daarna meteen een film met happy end gaat kijken.

Velen tekenen aan dat deze film met de jaren sfeervoller is geworden. Oftewel: het verhaal is niet veel anders als de huidige generatie thrillers, alleen is de film veel leuker door het gebrek aan glim en glans. Het blijft spannend en mysterieus tot aan het einde waar het kijken naar een moderne film al is verpest door talloze CGI-actiescènes met superdonkere groezeligheid. Ontspanning versus overspanning.

 

8 november 2014

 

The Medusa Touch

 

Alle Camera Obscura

Hypnose als moordwapen

Hypnose als moordwapen

door Bob van der Sterre

Man on a Swing ♦ The Reincarnation of Peter Proud ♦ Los ojos azules de la muñeca rota 

 

Waar met films als Paranormal Activity (deel 5 intussen, ik heb het opgezocht) het paranormale intussen is verworden tot ingeblikte standaardhorror, heeft de filmgeschiedenis nog wel enkele originele films over contacten met gene zijdes. Deze aflevering gaan we in op hypnose – volgende maand komen andere onderwerpen aan bod. 

Man on a Swing (1974, gebaseerd op ware feiten) begint als vele, vele andere films met een moord. Een zekere Maggie Dawson wordt in het stadje Laurel levenloos teruggevonden in haar Volkswagen. Apart is dat haar kleding netjes is opgevouwen in de auto.

Ontdekken in een staat van trance
Commissaris Lee Tucker loopt al snel vast met zijn onderzoek, tot hij op een dag een mysterieus telefoontje krijgt van ene Franklin Wills. Eenmaal op het bureau weet Wills niets meer te herinneren. Hij moet eerst in trance komen om ontdekkingen te doen. En dat bereikt hij door zelfhypnose.

Hij draait een paar keer met zijn nek, gooit zijn hoofd naar achteren, en ‘herbeleeft’ momenten. En dan weet hij ineens van alles te vertellen: de kleur van haar broekje, hoe ze vastgebonden was, dat er een andere auto bij betrokken was, en dat ze ongesteld was.

Maar hoe betrouwbaar is Wills? Met die vraag worstelt de zelf erg nuchtere Tucker. Hij laat hem testen door een hoogleraar occulte zaken en bij die test faalt hij. Hij vraagt om publiciteit en maakt ronduit een slechte beurt door Tuckers vrouw de stuipen op het lijf te jagen.

Voor een film over hypnose is het geweldig als de hoofdrol wordt gespeeld door iemand als Joel Grey, de master of ceremonies van Cabaret (1972). Sinister, vriendelijk, mysterieus in een persoon. Cliff Robertson is als Lee Tucker zijn ideale nuchtere tegenpool. Hij fronst vaak. Robertson was in 1974 natuurlijk een beetje over zijn beste tijd heen (jaren vijftig en zestig) maar dit is een typisch voorbeeld van less is more.

Levend proefkonijn
Peter Proud – hoofdpersoon in The Reincarnation of Peter Proud uit 1975 – praat ’s nachts met een andere stem. Hij ratelt dan dat hij met en roeispaan wordt geslagen en naar de bodem zinkt. Hij droomt over een naakte man die in een meer duikt. En soms schiet het in zijn heup.

Zijn arts kan hem niet helpen, zijn psycholoog staat voor raadsels. Een droomexpert wil dan nog wel een poging wagen met hypnose. Tijdens die sessies ziet hij steeds dezelfde dingen: een groot landhuis, een man die een vrouw bemint, bepaalde gebrandschilderde ramen. Geen dromen maar visioenen.

Peter wil van de visioenen af. Op goed geluk rijdt hij door de staat New England. Eindelijk vindt hij het betreffende stadje en het oude huis. Bij een krant spit hij de microfiches door en vindt eindelijk een lead: de schoonzoon van een bankier is op de bodem van een meer gevonden. Het is de naakte man uit zijn nachtmerries. Het spoor leidt naar Ann, dochter van de mysterieuze man, en via haar naar haar moeder, Marcia.

De film is niet bepaald foutloos. Marcia die er even oud ziet als Ann (en in werkelijkheid jonger is!). Ann die extatisch zegt dat ze een geweldige avond heeft, terwijl Peter Proud de hele tijd kijkt of zijn favoriete kat net is overleden. Verder een oubollige filmstijl en iets te laag tempo.

De acteurs compenseren dat en maken dat je aangenaam meeleeft met de aanwezige karakters. Paul Hecht als de ambitieuze droomexpert. Marcia als overspannen moeder die door Margot Kidder (Loïs Lane in de oorspronkelijke Superman-reeks) nét niet over de top wordt gespeeld. Michael Sarrazin, een nu vergeten acteur, past ook prima bij Peter Proud met zijn houterige acteerstijl.

En dan nog de knappe Jennifer O’Neill (geboren en getogen Braziliaanse). Als uiterst sensuele aanstaande oorlogsweduwe in Summer of ’42 (1971) bracht ze al heel wat puberhoofden op hol. Ze zou later nog spelen in uiteenlopende films als L’innocente (1976) en Scanners (1981). Ze trouwde niet minder dan acht keer, het ene huwelijk was nog rampzaliger dan het andere. Smakelijk genoeg om even te lezen op IMDb.

Zwiepen met medaillons
Vaak draait het in films over hypnose dat iemand heen en weer zwiept met medaillons en anderen onder hypnose misdaden laat plegen. Zo ook in de Spaanse ‘giallo’ Los Ojos Azules de la Muñeca Rota (ook wel bekend als Blue Eyes of the Broken Doll of House of Psychotic Women) uit 1974.

In het stadje wordt de ene na de andere moord gepleegd. Alle slachtoffers hebben blond haar en blauwe ogen. De moordenaar heeft de naargeestige passie om de ogen uit hun oogkassen mee te nemen als souvenir.

Zeggen wie er hypnotiseert, is het plot verraden. Maar iedereen die niet dood is, is een verdachte. En verdacht zijn er nogal wat. Drie zusters om mee te beginnen. Een lijkt ervan te genieten als ze een duif de nek omdraait en heeft een bizarre namaakhand. Een andere zus zit in een rolstoel om psychosomatische redenen en ten slotte is daar ‘sloeriezuster’ Nicole (Eva León), die iedere man wel moet versieren.

Verder een dubieuze arts die immer blijft rouwen om zijn blonde dochter, een dubieuze verpleegster die dingetjes in drankjes druppelt, een minstens zo dubieuze tuinman met verkrachtingsverleden en een ex-tuinman die rond rent en mensen in elkaar slaat. Is er iemand wel integer in deze film?

De dader is dus niet Gilles, de stoere tuinman met seksuele problemen. Dat voelt iedereen wel aankomen, aangezien hij agressief is, en niet eens een medaillon zou kunnen vasthouden. Hij is een ex-gevangene, die denkt  dat hij vrouwen gaat wurgen als hij ze omhelst. Rol van Paul Naschy, die nogal eens van narcisme is beschuldigd omdat hij in dit zelfgeschreven script aldoor knappe vrouwen bemint en met blote bast ronddraaft.

Hypnose kan geweldig uitpakken in griezelfilms en deze film, hoe bizar ook, is een perfect voorbeeld. Filmkarakters zijn ook altijd zo hopeloos naïef als iemand opvallend zwaait met een medaillon. Kijken ze zelf dan geen films?

 

7 oktober 2014

 

The Reincarnation of Peter Proud

 

Alle Camera Obscura

Hoog in de hemel

Films hoog in de hemel

door Bob van der Sterre

The Dead Mountaineer Hotel ♦ Downhill Racer ♦ Black Narcissus 

 

Bergen zijn nogal impopulair in de cinema. Te rotsig, te weinig mensen, te geïsoleerd, te lastig om te filmen. Maar als je goed zoekt, vind je ook films die zich afspelen op grote hoogten, en niet alleen maar films over bergsport, zoals Touching the Void. Op die grote filmhoogten zijn een paar totaal uiteenlopende pareltjes te vinden.

In The Dead Mountaineer Hotel (originele titel ‘Hukkunud Alpinisti’ hotell) uit 1979 gaat commissaris Peter Glebsky naar een verlaten hotel midden in de Alpen. De politie heeft een bericht ontvangen dat er iets vreemds is gebeurd. Een desolaat, winters gebied. De wegen zijn niet begaanbaar. Een The Shining-achtig probleem.

De melding blijkt vals alarm. De hoteleigenaar weet van niets. Maar Glebsky kan door de storm ook niet meer vertrekken en maakt van de gelegenheid gebruik om met de gasten kennis te maken.

Mysterieuze thriller met bizarre ontknoping
De gasten zijn nogal rare snuiters. De TBC-lijder Hinckus die iets te verbergen lijkt te hebben. De wetenschapper Simon Simonet die juist verklapt dat hij iets te verbergen heeft (‘Ik werk bij project Midas, echt topgeheim’) en ervan houdt om tegen muren op te klimmen. Het jonge verliefde stelletje Olaf Andvarafors en Brun. En ten slotte de heer en mevrouw Moses. Dan komt nog ene Luarvik Luarvik binnenzeilen.

De eerste maaltijd in het hotel begint met een gesprek over Erich von Däniken, de schrijver van wilde theorieën over buitenaards leven. Wilde theorieën worden besproken. Glebsky, de nuchterheid zelve, weet niet goed wat hij ermee moet.

Opeens wordt Olaf levenloos aangetroffen. Dus toch een moord. Glebsky probeert uit te vogelen wie erachter zit. Maar dat valt niet mee. De karakters lopen over van mysterie. Olafs vriendin Brun is nauwelijks benaderbaar en ook de andere karakters lijken niet oprecht te zijn.

Een prettige, mysterieuze thriller met bizarre ontknoping. Wat je vooral niet ziet aankomen bij een Estische film uit 1979 is deze frivole filmstijl. Het is lichtspel voor gevorderden. De close-ups van angstige blikken zijn intens. De muziek is ronduit geweldig. (Muzikant Sven Grünberg, toen tweeëntwintig, was op dat moment dé hippe elektronica-artiest van de Sovjet-Unie.)

De film doet wat denken aan Diva (1981) van Jean-Jacques Beineix, met dezelfde schitterende neonkitsch. De film zal met al het uitbundige licht en overdreven acteerspel moeilijk te verdragen zijn voor de liefhebbers van soberheid. Die kijken even de andere kant op wanneer Simon Simonet hysterisch begint te gillen als hij de kamer van mevrouw Moses binnenloopt.

Geen wonder dat mensen zeggen dat het verfilmde boek van Boris Strugatsky een stuk beter moet zijn. Maar toch kan ik me moeilijk voorstellen dat mensen zich vervelen bij deze helaas vergeten film. Voor wie liever gaat gamen: dat kan ook. In een Russische game met dezelfde naam uit 2011 kun je Glebsky spelen.

Het leven van een topskiër
David Chappellet leeft ook in de bergen. Hij moet wel, hij is een skivedette. Hij kauwt kauwgom, zegt weinig, koopt nonchalant broodjes in de trein met ski’s op de schouders, kan niet slapen als hij een slecht startnummer krijgt.

Downhill Racer (1969) is een documentaireachtige beschrijving van twee seizoenen in het leven van een topskiër. Chappellet (Robert Redford) skiet met zijn team afdalingswedstrijden in Kitzbühel. Het uiteindelijke doel: een gouden medaille op de Olympische Spelen.

Hij is de dark horse van de Amerikaanse skiselectie. Snel maar roekeloos. Een individualist met arrogante rafelrandjes.

Chappellet wint hier en daar wat maar verpest ook wat wedstrijden met zijn roekeloosheid. Zijn coach, gespeeld door Gene Hackman, is aldoor nogal geïrriteerd. Chappellet is verre van de modelskiër als bijvoorbeeld Johnny Creech, de andere vedette in het Amerikaanse team. Maar als Creech geblesseerd raakt, moeten de coach en de skivedette door een deur zien te kunnen.

Het draait om wedstrijden winnen, reizen van A naar B. Het gaat dus niet om een eigen leven hebben. Wat heeft een topsporter daaraan? Vrouwen interesseren hem dus ook maar matig. Ze verdwijnen allemaal plotseling uit zijn leven, net zoals die interviewster, of dat vriendinnetje van thuis. Hij moet winnen, of het nu om een vrouw of een wedstrijd gaat, maar wat hij daarna  moet, hij heeft geen idee.

Een aangename film om op een winterdag de tijd voor te nemen. Wat prettig dat de actiefilms van de jaren zeventig in de eerste plaats over mensen gingen – oeh, wat ouderwets! Gene Hackman is aangenaam als aldoor lichtelijk geïrriteerde coach. Velen roemen ook het heerlijke acteerwerk van Camilla Sparv als een vriendinnetje van Chappellet. Charmante vrouw? Hier, een blauwdruk.

En Redford is hier goed op dreef als arrogant mannetje. Dat vind ik zo mooi aan film, die illusie dat het Redford is die je ziet afdalen. Je gelooft het wel doordat je hem eerder in de skilift naar beneden zag kijken, met de nonchalante blik van de topsporter.

Maar het is de montage die echt zegeviert in deze debuutfilm van Michael Ritchie (die compleet andere films zou gaan regisseren, zoals Fletch en The Golden Child). Neem het begin. Alles loopt naadloos in elkaar over en ieder beeld voegt iets toe. En zo blijft het de hele film doorgaan. Omdat Downhill Racer toen al een snelle film moest zijn, is de film nú niet verouderd. Zelfs in het YouTube-tijdperk is die impressie vanuit het perspectief van de skiër (hoge snelheden en snelle ademhaling) nog griezelig.

Ik vroeg me af of het verhaal expres zo oppervlakkig is. Dat is precies wat ik me voorstel bij het leven van een topsporter. Chappellet weet zich geen raad met interviews. Hij spreekt met zijn benen. Dat is immers wat van sporters verlangd wordt. Deze film zou wel eens over de spreekwoordelijke leegheid der overwinnaars kunnen gaan: die hebben immers verder weinig andere idealen dan de top bereiken, eerste zijn, met de gele trui rondfietsen, de wereldbeker vasthouden.

Zo zou je dit verhaal ironisch kunnen opvatten. De grootste leegte zit hem dus bij de mensen die de grootste krantenkolommen vullen.

Zelden was kleur zo essentieel
Black Narcissus is weer een totaal ander soort film. Geen kleurenkitsch, geen actie, maar rust en sereniteit; dat wat je eigenlijk met bergen associeert. Maar als je beter kijkt, zie je dat er van alles gaande is.

Een aantal zusters vestigt zich in het Indiase hooggebergte om zieltjes voor hun geloof te winnen. In het hooggelegen klooster lopen de spanningen tussen de zusters Clodagh (Deborah Kerr), Philippa (Flora Robson), en Ruth (Kathleen Byron) al snel op. Ze hebben hard de hulp nodig van Mr. Dean, een doorgewinterde Himalaya-ganger. Een intelligente en vrijzinnige kerel die de perfecte tegenpool is voor de rigide nonnen. Zowel zuster Ruth als zuster Clodagh worden tot hem aangetrokken.

Ondertussen hebben de zusters steeds grotere problemen met de geïsoleerde locatie in de bergen. ‘Er zit iets in de lucht dat alles zo op de spits laat drijven’, zegt Mr. Dean. De lokale cultuur geeft ook niet bepaald mee. Zij worden de vreemden in een andere cultuur – een cultuur die ze juist willen overwinnen met hun eigen geloof.

Mr. Dean adviseert ze dan ook meermalen om te vertrekken. Maar zuster Clodagh wil er niets van weten. Je bent op een missie of niet.

Michael Powell en Emeric Pressburger, die de film regisseerden in 1947, waren de Kubricks van hun tijd. Veel prachtig gestileerde boekverfilmingen. Black Narcissus is ook zo’n boekverfilming, naar Rumer Goddens roman uit 1939. Ook al gaan hun films over onderwerpen die me lang niet altijd aanspreken (oorlog, balletdanseressen, zigeuners, alleenstaande vrouwen), ze zijn allemaal het aanzien waard.

Black Narcissus is in hun handen – anders dan je bij dit onderwerp gewend bent – een toonbeeld van subtiele erotiek. Wie wordt niet meegesleurd door de verhouding van Mr. Dean, zuster Clodagh en zuster Ruth? Het gaf Black Narcissus, niet voor het eerst bij films van regisseurs Powell & Pressburger, een schandalig karakter. The Life and Death of Colonel Blimp (1943) schoot tijdens de oorlog in zo’n verkeerd keelgat bij Churchill dat hij de film probeerde te laten verbieden.

De echte prestatie zit hem in de illusie van het hooggebergte. De film werd grotendeels in een Londense studio geschoten, met uitzondering van sommige scènes die in een park werden gefilmd. En als je soms denkt: ‘zijn die bergen geschilderd?’ is het antwoord: Ja. De bergen zijn geschilderd, op glas, zodat Powell en Pressburger meer controle over de kleuren in de film konden houden.

De prachtige Technicolor-kleuren hebben de film zijn bijzondere reputatie gegeven. Ze zijn bewonderd, niet alleen door de filmbezoekers van die tijd, ook door critici en filmmakers later. Martin Scorsese putte er bijvoorbeeld inspiratie uit voor de kleuren in The Color of Money. En het is waar, je hoeft de film er maar voor aan te zetten: zelden was kleur zo essentieel voor een film.

Ja, het is een melodrama van jewelste, maar voortreffelijk melodrama, dankzij alle oog voor detail. De acteurs zijn ook geweldig. De film heeft een fraaie joker in de vorm van David Farrar als de onconventionele Mr. Dean. Een charisma-kanon in zijn tijd. Maar je ziet ook Deborah Kerr in een van de beste rollen in haar loopbaan, Jean Simmons in een verrassende rol en wie kent er een betere vertolking van een geflipte vrouw als deze variant van Kathleen Byron? Die waanzinnige blik, die vergeet je niet snel meer.

 

8 september 2014

 

Black Narcissus

 

Alle Camera Obscura

Godard niet in Frankrijk

Godard niet in Frankrijk

door Bob van der Sterre

Abschied von gestern – (Anita G.) ♦ A Report on the Party and the Guests ♦ Mickey One

 

Een film met robuuste montage? Met een verhaal dat nergens over gaat? Ogenschijnlijk totale improvisatie? Atypische filmmuziek? Onnavolgbare dialogen? Jean-Luc Godard wierp de meeste bestaande filmregels overboord en pleegde een fluwelen filmrevolutie met zijn nouvelle vague in de jaren vijftig en zestig. Het was fijn dat Godard de spits eraf had gebeten; nu konden de regisseurs her en der ook experimenteren.

Veel van deze Godard-navolgers zijn nu bij liefhebbers bekend maar niet bij het grote publiek. Zonde! Het is heerlijk om je in zo’n conservatief tijdperk als het huidige te kunnen verbazen over de vernieuwingsdrang van de twintigste eeuw.

Duits antwoord op À bout de souffle 
Meisje van in de twintig – gevlucht uit de DDR – probeert overal te werken, als kamermeisje, talencursussenverkoopster, administratiemedewerkster. Ze heeft helaas een talent om aldoor in contact te komen met de rechterlijke macht. En af en toe komt ze getrouwde mannen tegen. Anita G., zoals ze heet, leidt zo haar leventje.

Abschied von gestern – (Anita G.) is overduidelijk het Duitse antwoord op À bout de souffle (zes jaar eerder uitgebracht) van Godard. Nog sterker: het is net of Godard de film zelf heeft gemaakt. Het is die hak-snij-montage, de snelheid van de gebeurtenissen, het experiment voor alles, Neue Welle!

Ik noem maar even wat verbazingwekkende staaltjes cinema die vaak niet voor niets geen gemeengoed zijn geworden: na een abrupte overgang foto’s (of tekeningen) tonen; voice-overs invoegen tijdens een dialoog; volume van het geluid opzettelijk wisselen tijdens een scène; acteurs die teksten lezen van een briefje; een scène met speelgoedsoldaten. Ga zo maar door.

Verder zien we een onduidelijke moord (droom?) en een vinger die door een naaldhak wordt doorgeprikt en waar melk uit stroomt (surrealisme?, parodie op special effects?). Wat het betekent in de film? Het is sneller voorbij dan je er over kunt nadenken.

Regisseur Alexander Kluge heeft in elk geval verrukkelijk veel vrijheid genomen met zijn eerste echte film. Hij kreeg zijn acteurs mee, waaronder zijn zus Alexandra, die Anita G. speelt. Ze pakken mee wat ze zoal tegenkomen: een hondentraining, een cafébezoek, scènes op straat. Vermoedelijk ging het steeds zo: ‘Alexander, ik ga even uitrusten in een parkje.’ ‘Nee, wacht, ik neem de camera mee, kunnen we nog een mooie scène schieten.’ Het was natuurlijk ook nog de tijd dat mensen niet hysterisch reageerden op camera’s.

De film mist het frivole en intuïtieve van het origineel (Godard dus) maar treft toch soms af en toe verrassend doel, dankzij zijn spontaniteit. De affaire die in twee seconden wordt geschetst. Op een trap een intiem gesprekje tussen man en Anita G., en dan de vrouw die vraagt aan de etenstafel: ‘Is ze roodharig?’ Reactie van de overspelige man: ‘Het is niets bijzonders.’ Ook mooi zijn de slotbeelden, als ze sjouwt met een koffer over een brug.

De film is niet moeilijk te volgen. Gebrek aan structuur is er volop maar er is toch een rode draad: zij die steeds verkast. Gaat ze weer met haar koffertjes. Het interessante van de film is dat het de geschiedenis even stilzet: dit is het leven van zomaar een avontuurlijke vrouw in de jaren zestig in Duitsland.

Dit is de enige echte film waarin Alexandra zou spelen. Alexander kreeg hierna een carrière als schrijver annex criticus, startte een filmschool (Ulm Institut für Filmgestaltung) en zijn eigen tv-zender met onafhankelijk geproduceerde programma’s. Kluge is ondertussen de tachtig gepasseerd.

Sneer naar het communisme
Het Tsjechische antwoord op Godard was Jan Němec. Zijn A report on the party and the guests (O slavnosti a hostech) uit 1966 was de belangrijkste film van de Tsjechoslowaakse nouvelle vague, die zich in de milde politieke situatie van die tijd snel ontwikkelde, tot de Sovjet-Unie er in 1968 via een contrarevolutie een einde aan maakte.

In A report on the party and the guests zit een groepje, dat op weg is naar een feestje, rustig te picknicken. Vervolgens worden ze plotseling ‘gevangen’ gezet door ene Rudolf, die spelletjes met ze speelt. Ze moeten met zijn allen in een vakje staan. Weglopen is er niet bij, dan word je in elkaar geramd.

De groep wordt bevrijd door wat de leider van het ‘feestje’ blijkt. Een man in een wit pak, die ze meeneemt naar een maaltijd aan een meer. Excuses zijn gemaakt, de sfeer is vriendelijk, en de maaltijd wordt vrolijk geconsumeerd. Maar ineens slaat de boosheid toe bij de leider als hij ontdekt dat een gast ontbreekt. Rudolf en zijn mannen gaan met een herdershond op onderzoek uit.

Stilistisch lijkt het dan misschien niet zo op Godard – hier geen grillige montage bijvoorbeeld – maar de politieke lading maakt veel goed. Politiek is bij Godard ook altijd aanwezig. Het is niet moeilijk om de film dubbelzinnig op te vatten. Němec gaf met A report on the party and the guests een sneer naar het communisme van die tijd. Iemand die de baas is omdat ie bevelen uitdeelt aan boeven. De willekeur van ‘de leider’. De aanpassing van de gasten.

De politieke lading in deze film is geen intellectueel maniertje. De persoon die plotseling ontbreekt op het feest, is in het echte leven een regisseur. Hij zegt niets in de film en wat hij doet gebeurt buiten beeld. In veel rollen zijn persoonlijkheden uit de Tsjechische cultuur te zien. En die Rudolf, nou, hoe kun je de geheime dienst beter bespotten dan met zo’n geniepige hielenlikker?

De film kostte Němec zelfs zijn filmcarrière. Hij maakte weliswaar nog Martyrs of Love maar  A report on the party and the guests werd ondertussen verboden ‘voor altijd’ in Tsjechoslowakije. Zijn eerstvolgende film na 1968 maakte hij pas in 1990. Even moedig was trouwens Němecs vrouw, Ester Krumbachová, die het script schreef en opzien baarde met dialogen die ogenschijnlijk onaffe gesprekken zijn.

Te ver voor het conservatieve Amerika
Godards stijl waaierde zelfs over de continenten uit. Het Japanse antwoord is Funeral Parade of Roses (1969). Een prachtfilm, volledig in de geest van Godard, maar nog heel wat versnellingen eigenzinniger, en daardoor lastig af te kijken. Het Amerikaanse antwoord, Mickey Onea Noia (1965), met filmster Warren Beatty, is beter te behapstukken.

Het begin van Mickey One zet de toon. Rommelige beelden die zonder uitleg aan elkaar worden geplakt. Pas na een kwartier begint de eerste dialoog. Jazz is hier het sleutelwoord. Getracht wordt de swing van de jazz van Stan Getz in beelden om te zetten. Een beetje À bout de souffle maar wat voorzichtiger.

Het verhaal doet er al net zo min toe als bij Godard. Mickey heeft schulden. Grote schulden bij de maffia. Hij vlucht naar Chicago. Probeert te overleven als komediant, slachter, fabriekswerker, vuilnisman bij een restaurant, kerkganger, en opnieuw als komediant. Hij blijkt het beste in het laatste. Maar hoe dat te doen zonder op te vallen?

Het is aangenaam om je te verliezen in een niets-te-verliezen-hebbend leven als dat van ‘Mickey one’, de naam die hij krijgt als hulpje in een restaurant. Hij is de ultieme mannelijke held: moedig, levendig, charmant, getalenteerd, geestig. ‘Je talent is een brug. Loop er overheen.’ Maar Mickey durft niet goed. Hij is bang voor veel aandacht. De schuldeisers zitten achter hem aan.

De film treft met een paar onvergetelijke passages. De ontmoeting in de kamer; de scène met de lampen op het podium; de vechtpartij met de verklede mannen; het kunstwerk ‘Yes’ (overigens niet gemaakt door de kunstenaar Kamatari Fujiwara, zoals uit de film lijkt, maar door een design-student genaamd Robert Fields).

Hoewel de film nog wat voorzichtig is in zijn beeldenstormerij, ging dit al veel te ver voor het conservatieve Amerika. De regie lag in handen van Arthur Penn – die vermoedelijk een keer doorzakte met Beatty en zei: ‘Weet je wat jij moet doen? Jij moet je eigen Franse film maken met mij. Voice-over, teksten met niet overlappende beelden, stiltes, grillige montage. Heb je enige idee hoe stoer dat is?’

Het zou nooit gemaakt kunnen zijn zonder Beatty, natuurlijk, en hij steekt hier dan ook zijn nek uit, want het is geen flauwe poging tot een experiment maar werkelijk een aparte film, en de Brad Pitts van deze tijd zouden daar nog wat van kunnen leren. Hij paart leuk met Alexandra Stewart, die hij ontmoet omdat zijn Poolse kamerverhuurster hem er graag uit wil hebben en haar er alvast in zet. Aandoenlijk en romantisch, hun verhouding.

Toch is de film slechts bekend onder liefhebbers. Waarom? Te Frans voor Amerikanen, denk ik, en te Amerikaans voor Fransen. Wat ik zelf jammer vind, is dat er niet méér mooie shots in zitten. Arthur Penn was wel vernieuwend, ja, maar geen Orson Welles. Hij had eigenlijk een Fransman moeten zijn die deze film had gemaakt. Godard bijvoorbeeld!

 

10 augustus 2014

 

Abschied von gestern – (Anita G.)

 

Alle Camera Obscura

Jonge vriendinnetjes

Jonge vriendinnetjes

door Bob van der Sterre

La Noia ♦ Girl with Green Eyes ♦ Bob le flambeur

 

Wat is er in de cinema gebeurd met de zeer jonge vriendinnetjes? Door de politiek correcte wind die er waait zijn vriendinnetjes in films tegenwoordig stoere vrouwen van dik in de dertig. Saai. Vroeger deden ze er minder moeilijk over. Afgezien van beroemde films als Lolita (1962) en Manhattan (1979) zijn er nog wel wat meer films waarin de vriendinnetjes maar net (en soms net niet) meerderjarig zijn. 

Groot drama. Balestrieri, een kunstenaar, sterft in de armen sterft van Cecilia, een meisje van zeventien. Dino bezoekt het huis van Balestrieri en ontmoet daar Cecilia. Ze is het type dat je verstand doet verliezen, jaloers doet maken. Alsof het haar beroep is, muze, zo gedraagt ze zich. En ook Dino, een kunstenaar met een painter’s block, en een steenrijke moeder, raakt door haar gefascineerd.

Dino en Cecilia krijgen een affaire. Het duurt niet lang voor hij ook al zo verzot is geworden op Cecilia dat hij zijn fortuin voor haar zou willen opgeven. Wat kun je nog meer doen dan haar van top tot teen bedekken met geld en een vleugel van een kasteel en een supersnelle auto aanbieden?

De sensualiteit proef je tussen de beelden
Maar ze is na alle cadeaus nog steeds te verveeld om ja te zeggen voor een huwelijk. Nog sterker, ze vraagt Dino zelfs om geld voor haar andere vriendje, Luciani. ‘We hebben het nodig voor ons tripje naar Capri.’ Ze snapt niet wat jaloezie voor een hartstochtelijke man betekent. Het interesseert haar ook niet.

Vermakelijke film, La Noia (1963, naar een boek van Alberto Moravia). De explosieve Horst Bucholtz is namelijk erg passend als de geobsedeerde man, en Catherine Spaak is echt dat meisje dat niet weet wat ze wil, maar in elk geval moet het steeds iets anders zijn dan wat ze ervoor deed. ‘Je hoeft niet te wachten’, zegt ze als ze er weer eens vandoor gaat, of, ook zo’n mooie: ‘Ik weet niet, ik heb gewoon niet zo’n zin om te trouwen.’

Dan is er dus nog de moeder van Dino, die zo ver gaat om huishoudsters te betalen om haar zoon te verleiden, om hem maar onder haar vleugels te krijgen. Een verrassende rol van Betty Davis (het dubben van Italiaanse stemmen doet wonderen). Terwijl Cecilia hem zo om haar vinger windt, krijgt zijn moeder het met alle geld van de wereld niet voor elkaar om hem zijn beslissingen te laten overdenken.

Een warme, rustige film over liefde en seks, gemaakt door de minder bekende regisseur Damiano Damiani. Allemaal heel kuis, zoals het gewoon nog kon in 1963. De sensualiteit is iets wat je tussen de beelden door proeft.

Cynisme van de ouderdom en romantiek van de jeugd
Een minder gevaarlijk meisje is Kate, een jonge, dromerige, romantische verkoopster in een drogisterij in Dublin, met mooie, onschuldige ogen. Ze woont samen met een vriendin, een type dat een boekhandel omschrijft als een mortuarium.

Kate zoekt een speciale man. Op een uitje met vrienden komt ze de schrijver Eugene Gaillard tegen. Hij is twee keer zo oud maar dat kan haar niet schelen, ze vindt hem interessant. In een boekhandel ziet ze hem opnieuw. Ze drinken thee. Aldus begint een rustige, vriendelijke, schattige affaire in Girl with Green Eyes (1964).

De dialogen tussen de twee zijn heerlijk. Zij: ‘Als ik naar je luister, is het alsof ik een boek van je lees.’ Hij: ‘Je doet me denken aan een lemur. Een mooi nachtdier met grote, hongerige ogen.’ Hij: ‘Jonge meisjes maken me verdrietig. Ze willen zoveel.’ Zij: ’Ik wil niets.’

Hij is net zo gemeen als lief tegen haar. ‘Er is geen altijd  in menselijke relaties’, waarschuwt hij haar al. ‘Je bent gesteld op mensen maar je wilt ze niet altijd ontmoeten. Niets is permanent.’ En als ze dan eindelijk de deur van zijn slaapkamer open doet: ‘Als moeder overste je nu eens kon zien.’

De relatie van Eugene en Kate beschrijft mooi hoe het cynisme van de ouderdom nauwelijks met de romantiek van de jeugd te verenigen valt. ‘Je hebt nooit iets gedaan om te laten zien dat je van me houdt.’ ‘Wat moet ik doen, de Hongaarse opera voor je zingen?’

Het is de combinatie van Eugenes ervaring en Kates gevoeligheid die de film zo ongelooflijk schattig maakt. Je kunt zeggen dat Rita Tushingham de rol geweldig speelt. Ze is inderdaad een zeldzaam charmante actrice – een jaar later zou ze iets minder verliefd maar iets grappiger zijn in The Knack …or How to Get It. Maar dat zou Peter Finch als laconieke schrijver te kort doen. Zijn schrijverskarakter loopt eens niet over van de clichés, en lijkt Michael Caines koele karakters van een paar jaar later te hebben beïnvloed (The Ipcress File, Alfie, Gambit).

Bovendien, dit is 1964, katholiek Ierland. Alleen al de omgang met een oudere, gescheiden vent is recept voor een schandaal. ‘Die man is gevaarlijk!’ Het maakt Kate alleen maar koppiger.

Geen seks maar bescherming
Zéér jong is Anne, Bob Montagné’s vriendinnetje in Bob le flambeur, een misdaaddrama uit 1956. Te jong zelfs om de film te maken; nog geen zestien lentes. Er is gesmokkeld met haar leeftijd om het uiteindelijk voor elkaar te krijgen. Geen wonder, dit dilemma, want hier en daar moet ze nogal sensueel zijn.

Dat was niet het enige probleem voor Melville, regisseur van de film. Hij had grotendeels geen geld en kon zijn acteurs amper betalen. Roger Duchesne, de hoofdrolspeler, had bovendien een drankprobleem (dus dat acteert ie niet). Maar het is hem toch gelukt.

Bob ‘le flambeur’, de hoofdrolspeler van de film, is een drinkende gokker. Hij is dikke maatjes met de politie. Hij is al jaren een crimineel buiten dienst en doet wat zulke lui doen: spelletjes kaart spelen, slempen in bars en soms rondrijden met zijn mooie auto. Pigalle, Montmartre, toen nog een ranzige achterbuurt, is zijn wijk. Niet voor niets is hij ‘le flambeur’, de speler.

Als zich een gelegenheid voordoet om een grote slag te slaan (een koffer met 800 miljoen franc van een casino in Dauville) kan hij mooi gebruikmaken van zijn goede reputatie. Niemand die hem ervan verdenkt. En hij stelt een team samen. Hoe verbazingwekkend in 1956 een overval werd voorbereid: je oefende gewoon op een grasveldje.

In een van de bars in Montmartre komt hij Anne tegen. Waar Cecilia mannen bespeelt, Kate een gevoelig typje is, is Anne het naïeve gansje. Bob is een krachtig, besluitvaardig type. Ze krijgt een sandwich bij de bar aangereikt. ‘Laat die sandwich’, zegt hij, ‘kom bij ons zitten voor een echte maaltijd.’

Maar Bob is geen minnaar en ook geen schurk. Hun verhouding draait niet om seks, maar om bescherming. Ze vraagt: ‘Wat gaan we doen?’ ‘We? Het is tijd om te slapen.’ ‘En? Slaap ik bij jou vanavond?’ Hij stopt geld in haar tasje. ‘Neem een hotel.’

Vanaf het begin schitteren hun dialogen in absurditeit. ‘Wat doe je hier in Montmartre? Heb je geen werk?’ ‘Ik had werk. Maar de baas beantwoordde niet aan mijn ideaal van mannelijkheid.’ ‘En wat doet een meisje als jij om vijf uur ’s nachts op straat? Ik zag je laatst in Pigalle met een Amerikaan. Jullie aten friet.’ ‘Ik hou van friet.’ Bob, geïrriteerd: ‘Maar wat doet een meisje als jij hier?’ Ze haalt haar schouders op.

Is het wel zo slim om zo’n meisje te willen beschermen? Al snel duikt ze het bed in met Paolo, het hulpje van Bob, en trekt bij hem in. Ze verveelt zich natuurlijk al snel met zijn romantiek. ‘Zie je niet hoe gek ik op je ben?’, zegt Paolo. ‘Niemand heeft je iets verplicht.’ ‘Wat heb jij dan nodig?’ ’Grote dingen.’ ‘Zoals?’ ‘Geef me de maan cadeau.’

Is het een goed idee om bij zo’n gansje op te scheppen over koffers met miljoenen? De hele nobele daad van Bob zou wel eens flink kunnen terugslaan. Waarmee de cirkel met Cecilia en Kate rond is: jonge vriendinnetjes, die brengen alleen maar ellende.

 

8 juli 2014

 

Bob le flambeur

 

Alle Camera Obscura

Beschaafde gekken

Beschaafde gekken

door Bob van der Sterre

Audrey Rose ♦ The Collector ♦ Deadly Strangers

 

Amerikaanse creeps zijn vaak een stuk saaier dan hun Britse evenknieën. Henry van Henry: Portrait of a Serial Killer is een gevoelloos en gewelddadig beest. Britse creeps zijn juist in staat om tegelijkertijd beschaafd als gemeen te zijn. Het is ook veel lastiger om hun bedoelingen te raden. In deze Camera Obscura behandelen we drie fraaie voorbeelden.

Wat doe je als je dochter ziek is, je alle wegen al hebt bewandeld, en er een man zich meldt die meent te weten wat de oorzaak is van de ziekte? Hij beweert dat zijn dochter Audrey Rose is gereïncarneerd in het meisje. Na in eerste instantie afwijzend te hebben gereageerd, nodigen de ouders hem toch thuis uit. Dat is alsof je een intrigant een vrijkaartje geeft in je huishouden.

Anthony Hopkins geeft een galavoorstelling
Hoover is een extraverte creep. Scènes maken doet hij voor zijn lol; schaamte kent hij niet om zijn doel te bereiken. Hij is zo’n type dat zijn rare daden achteraf goed praat. Dat maakt hem griezelig vastberaden en van enig verzet blijft al snel geen spoor meer over.

Anthony Hopkins geeft in Audrey Rose (1977) een galavoorstelling als Hoover, die mensen achterna loopt zonder wat te zeggen en dan vader gaat spelen van hún kind. Het is allemaal van fluweel, dat spel van hem. Zo scherp, zo ontspannen, iets zeldzaams om zo’n performance te zien. Het enge is dat hij er zelf écht in schijnt te geloven.

Zijn creep zou je een ‘voorstudie’ kunnen noemen van zijn beroemde rol, veertien jaar later, als Dr. Hannibal Lecter. Jammer dat hij meer op de achtergrond komt naarmate het verhaal vordert. De film van Robert Wise is ook een beetje aan de langdradige kant. Wel gaat iedereen uit zijn dak: schreeuwend, gillend, brullend. Voor de liefhebbers van dat soort toneel is dat goud waard.

Vlinders en vrouwen verzamelen
Freddie Clegg uit Reading is een ander type dan Hoover. Hij is introvert en verzamelaar van vlinders. Op een dag besluit hij zijn werkveld aan te passen en ook vrouwen te gaan verzamelen. Maar alleen een vrouw veroveren is al niet makkelijk – laat staan als je haar tegenstribbelend meeneemt.

The Collector (1965) is een psychologisch portret van een introverte, autistische man. Hij is een type ontvoerder dat bezorgd is of zijn gekidnapte dame wel genoeg eet en drinkt. Hij zorgt ervoor dat ze kan schilderen wat ze wil en laat haar een kaartje sturen naar haar moeder. Hij is serieus als hij zegt: ‘Je kunt verliefd worden als je maar je best doet.’

Met zijn vriendelijkheid (‘Ik heb weer geen misbruik van je gemaakt’) is Freddie op zich geen onsympathieke vent. Het is alleen jammer dat hij zijn vrouwen met chloroform versiert. Hij is eerder immens treurig dan een echte sadist. Daar zullen de kijkers die hem gewoon ‘eng’ vinden toch overheen kijken.

Het verhaal (naar de roman van John Fowles) schetst een boeiend dilemma tussen de seksen. Het zegt wat interessants over de zwakten van mannen: die willen iets bereiken en doen dat desnoods kwaadschiks. Het zegt ook wat boeiends over zwakten van vrouwen: die gaan zich aan wie dan ook hechten, zelfs degene die ze onderdrukt. Te veel agressie versus te veel empathie.

Bijna vijftig jaar oud maar de onderhuidse spanning is nog steeds zinderend. Het zijn allemaal stille, zwijgende momenten die je ziet. Weg zijn de violen die je vermoedelijk in andere films zou horen. Terence Stamp is bovendien grandioos als halfmaniakale en halflieve vlinderverzamelaar. Veel goeds zal zijn rol niet doen voor de sociale positie van introverten. Maniakken zijn het, vertrouw ze vooral nooit. De film houdt dit soort clichés levend.

Deadly Strangers (1975) is een beetje vreemde eend in de bijt; hier is het namelijk niet zeker of de man wel een creep is. Maar Stephen Slade heeft wel alle kenmerken. Hij pikt tijdens een heftige regenbui Belle Adams op en neemt haar mee naar een hotel, want ze heeft net de trein gemist. En maakt het niet juist een creep als je het niet helemaal zeker weet?

Ontsnapte geestelijk gestoorde
Of hij heeft alle schijn tegen zich, of Stephen is werkelijk die ontsnapte geestelijk gestoorde. Waarom anders liegt hij over een vertrekkende trein, heeft hij spullen in zijn auto die hij niet kent, en wil hij per se niet door de politie gepakt worden?

Op zeker moment raken ze elkaar uit het oog, komt er zelfs een andere man tussen, de zwierige Malcolm Robarts (Sterling Hayden), tot ze weer bij elkaar komen, en hun weg naar het hotel vervolgen.

Stephen wordt gespeeld door de onlangs overleden Simon Ward, die met zijn fijnzinnige gezicht en dandyachtige uitstraling de Britse creep naar een hoger niveau tilt. Hij heeft iets van een Jude Law maar nog listiger. Je kunt met iemand als Stephen alle kanten uit.

De film is tamelijk ‘gewoon’ en leent zijn kracht vooral aan de plot. Dit soort plots zijn tegenwoordig bijna gemeengoed geworden in spannende films maar was in 1975 nog best origineel. Het spel is verder degelijk, het script evenzo, dus zou ik de kans om jezelf te entertainen met een gewone, spannende film niet laten ontzeggen.

 

9 juni 2014

 

Audrey Rose

 

Alle Camera Obscura