Sleepwalk

**
IFFR Unleashed – 1987: Sleepwalk
Slaapwandelen door Manhattan

door Cor Oliemeulen

Onafhankelijk filmmaakster Sara Driver brengt in haar speelfilmdebuut Sleepwalk (1986) een ode aan Lower East Side, New York waar ze opgroeide. Denk niet aan een luchtig, hilarisch eerbetoon als Manhattan (1979) van Woody Allen, maar aan in het halfduister verscholen personages en een mysterieus Chinees manuscript in een fantasieverhaaltje.

Sleepwalk mag worden gerekend tot de zogenaamde New Cinema, die medio jaren 70 ontstond. Onafhankelijke filmmakers in Lower East Side, New York spraken liever van ‘no wave’, een stroming die min of meer parallel liep met de opkomst van de (art)punk en new wave in de muziek. Zo zie je in de eerste undergroundfilm van die beweging, The Blank Generation (1976), optredens van Blondie, The Ramones, Iggy Pop, Television en Talking Heads.

Sleepwalk

Blauwdruk Jim Jarmusch
Een van de bekendste filmmakers aldaar, Jim Jarmusch, die in 1980 debuteerde met Permanent Vacation (zijn afstudeerfilm), voelde zich als een vis in het water in het New York van de late jaren 70. “Alles leek mogelijk. Je kon een film of een plaat maken, parttime werken en een appartement voor 160 dollar per maand huren. Gesprekken gingen over ideeën. Niemand sprak over geld. Het was fantastisch en ik ben blij dat ik daar was.”

Ondertussen had Jim Jarmusch een relatie gekregen met Sara Driver (met wie hij 20 jaar zou samenwonen), die Permanent Vacation (en een aantal andere van zijn films) produceerde. Op zijn beurt deed Jarmusch het camerawerk van Drivers korte filmdebuut You Are Not I (dat draaide op het IFFR van 1982) en ook deels voor Sleepwalk. Je kunt er gif op innemen dat hij de beelden schoot van de uitgestorven straten vol rommel, oude panden vol graffiti en glimpen van een brug en een rivier bij nacht. De zon lijkt er letterlijk en figuurlijk nooit te schijnen. Zo vormen Drivers eerste films qua atmosfeer een blauwdruk van die van Jarmusch.

Maar in diezelfde films gebeurt er ook verdomd weinig en hangen de personages ogenschijnlijk maar een beetje rond. Jarmusch verkent de contouren van existentialisme en nihilisme (op een droogkomische manier), terwijl Driver haar karakters laat ronddwalen in een spookachtige droomwereld. Hoofdrolspeelster Nicki (Suzanne Fletcher) van Sleepwalk werkt op een schimmig, slecht verlicht kantoor. Ze verwerkt medische data in een bakbeest van een computer, haar zweterige baas heeft drie telefoons op zijn bureau en eet tussen de gesprekken door een zak chips leeg en een collega scheurt met een liniaal repen van een rol computerpapier (let ook op een van de eerste rolletjes van Steve Buscemi). Alles is ogenschijnlijk doelloos, met de nadruk op mysterieus.

Sleepwalk

Stijloefening
De geheimzinnigheid neemt toe nadat een Chinese man en zijn lange, donkere assistent (met een paar afgehakte vingers in een bebloed verband) plotseling voor Nicki staan met een Chinees manuscript, dat zij tegen betaling mag vertalen in het Engels. Nicki heeft een Chinees zoontje, dus dat moet vast wel gaan lukken. Hoewel. Vanaf het moment dat ze ’s avonds na haar werk op het verlaten kantoor aan de klus begint, gaat een vinger spontaan bloeden en worden haar pupillen af en toe groen. In haar omgeving ruikt men een amandellucht. Een geslaagd magisch-realistisch ritje in een goederenlift en de nachtelijke gang naar haar al even miserabele appartementje versterken de onheilspellende, droomachtige sfeer.

Films kunnen in beginsel zonder plot, echter Sleepwalk blijft hangen in die sfeer zonder maar een enkele van de schaarse handelingen of gebeurtenissen te verklaren. Dat mag de kijker natuurlijk doen. Als vriendin en flatgenootje Isabelle na een bezoek aan de manuscript vertalende Nicki al haar haren verliest, gaat ze niet naar de dokter (ze is een illegaal) om de oorzaak te achterhalen, maar wil ze zich gewoon een tijdje terugtrekken in de hoop dat haar haren gaan aangroeien. En als in de tussentijd ook nog eens Nicki’s zoontje per ongeluk wordt ontvoerd, denkt niemand aan de politie. Het abrupte open einde past prima in deze bescheiden stijloefening van suspense, die blijft steken in de experimentele fase.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

20 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Bovennatuurlijke wezens in IJslandse films – Deel 2: Trollen, spoken, dwergen en zeemeerminnen

Bovennatuurlijke wezens in IJslandse films – Deel 2:
Trollen, spoken, dwergen en zeemeerminnen

door Maaike Mulder

In het eerste deel van dit tweeluik besprak ik de elfen in de IJslandse cinema. In dit tweede deel komen andere bovennatuurlijke wezens aan de orde: trollen, dwergen, spoken en zeemeerminnen.

De verhalen waarin de bovennatuurlijke wezens voorkomen, zijn heel oud. Hun geboortegrond lijkt Scandinavië te zijn. Het geloof in trollen was zelfs zo sterk dat er in Noorwegen wetgeving tegen bestond. Mensen die trollen uitlokten tot het plegen van een misdrijf, werden streng veroordeeld. Zij moesten de gemeenschap verlaten en in de wildernis zien te overleven.

Als IJsland in de negende eeuw door de Noren wordt gekoloniseerd, komen de mythologische verhalen in hun kielzog mee. In de Edda van Snorri Sturluson, geschreven in de dertiende eeuw, maar gebaseerd op oudere verhalen, komen niet alleen de Germaanse goden voor, maar zijn ook deze bovennatuurlijke wezens al volop van de partij.

Tröllaskagi: het schiereiland waar trollen leven

Tröllaskagi: het schiereiland waar trollen leven.

Mensen die door de omgeving als trol of heks gezien worden, zijn geen bovennatuurlijke wezens. Dus Grendel in de film Beowulf & Grendel (2005) valt buiten de boot, ondanks dat hij door de Deense koning als een trol-achtig wezen wordt gezien.

Dan zijn er nog de films waarin de hoofdpersoon een dreiging ervaart die vooral te maken lijkt te hebben met de eigen psychische labiliteit. De bedreigende monsters of geesten van gestorvenen bestaan alleen in de eigen verbeelding en komen dan in de film meestal ook niet tot leven. Hierbij kun je denken aan films als Blóðrautt sólarlag (The Crimson Sunset, 1977) en Skammdegi (Deep Winter, 1985).

Ook de tilberi, een specifiek IJslands monster, laat ik buiten beschouwing, omdat deze ‘koerier’ een product is van menselijke activiteit en niet een bewoner van ‘de andere wereld’. Viðar Vikingsson heeft een film gemaakt over een dergelijk monster: Tilbury (1987), te bekijken op YouTube. (Wel de naam van de regisseur ook invoeren, want er zijn meerdere films met die naam.)

Wat houden we dan over? Trollen, dwergen, spoken en zeemeerminnen.

Trollen
Trollen (tröll) zijn in de Scandinavische mythologie reusachtige, kwaadaardige wezens. Ze worden beschreven als oud en heel sterk, maar ook traag en dom. Ze kunnen het geluid van kerkklokken niet verdragen en moeten daarom ver van de beschaving leven. Ze ontvoeren soms eenzame reizigers om ze daarna op te eten. Vaak worden ze beschreven als nachtwezens die geen zonnestraaltje kunnen verdragen. Als ze zich ´s morgens niet op tijd hebben teruggetrokken in hun holen, verstenen ze. Zowel Tolkien (The Lord of the Rings) als Rowling (Harry Potter) hebben zich gebaseerd op deze oude beschrijvingen van de trollen: wezens die het goede bestrijden en voor het kwade kiezen.

Ieder kind in IJsland krijgt al op jonge leeftijd het verhaal te horen van Grýla, een vrouwelijk monster dat in de IJslandse bergen leeft. Haar naam wordt al in de Edda genoemd. Ze is een vreselijk wezen, deels trol en deels dier, en sinds de zeventiende eeuw ook de moeder van de dertien trollen of jólasveinar (kerstmannetjes). Met kerst komen Grýla en haar zonen uit de bergen: ze gaan op zoek naar stoute kinderen om die mee te lokken en op te eten. Tegenwoordig zijn de jólasveinar gelukkig getransformeerd tot vriendelijke trollen die weliswaar kattenkwaad uithalen, maar ook lekkers in de schoen van de kinderen stoppen.

Trollen zijn oersterk, dom en vraatzuchtig.

Trollen zijn oersterk, dom en vraatzuchtig.

Zij mogen hun boosaardige karakter in de loop der eeuwen dan wel zijn kwijtgeraakt, dat geldt niet voor de trollen die we in verhalen en films tegenkomen. Daar blijven ze de afzichtelijke wezens die ze van oorsprong zijn. Soms nemen ze de vorm aan van een vriendelijke man of vrouw, maar dat gebeurt dan enkel en alleen om op die wijze de mensen in hun macht te krijgen. Een oplettend iemand kan ze herkennen aan hun kracht en hun enorme eetlust.

Dwergen
In de oude verhalen komen dwergen (dvergar) wel regelmatig voor, maar in de films treffen we ze nauwelijks aan. Ik ken maar één film waarin een dwerg voorkomt, en dat is Síðasti bærinn í dalnum (The Last Farm in the Valley, 1950). Deze dwerg is een vriendelijk mannetje dat contact onderhoudt met de elfen en dat de mensen behulpzaam is. Deze karakterisering geldt ook voor de dwergen in de verhalen. Ze zijn een soort kabouters die de mensen soms plagen, maar in wezen niet boosaardig zijn.

Elfen
In de hierboven genoemde film komen naast dwergen ook trollen en elfen voor. Het voorkomen van elfen in de IJslandse films is in het voorgaande artikel besproken. Hier nog even een korte karakterisering. Elfen zijn in de IJslandse verhalen vrijwel altijd vrouwelijke wezens die een bijzondere uitstraling hebben en over bovennatuurlijke krachten beschikken. Ze leven in heuvels, rotsen of steenpartijen, maar kunnen ook als mens onder de mensen leven. Ze zijn in het algemeen behulpzaam tegenover de mensen. Er zijn ook verhalen waarin elfen demonische wezens zijn, die de mensen ellende brengen, maar dit type elf komt in de IJslandse films niet voor.

Síðasti bærinn í dalnum
De eerste en tevens belangrijkste film waarin trollen en bovendien ook elfen en dwergen een rol spelen, is de in 1950 verschenen familiefilm Síðasti bærinn í dalnum (The Last Farm in the Valley) van Óskar Gíslason, met daarbij speciale filmmuziek, gecomponeerd door Jórunn Viðar.

Het is Óskars eerste film en het is pas de tweede speelfilm die in IJsland is gemaakt. Het is enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog en IJsland is pas sinds zes jaar onafhankelijk. Het leven op het platteland is hard voor de boeren en dat blijkt ook uit de filmbeelden. We zien vervallen boerderijen die geen eigenaar meer hebben, verwilderd land en met gras overwoekerde paden.

The Last Farm in the Valley (1950)

Síðasti bærinn í dalnum (1950)

Toch heeft Óskar een sprookjesachtige film weten te maken waaruit vooral hoop spreekt. In de strijd van het goede tegen het kwade zal het goede uiteindelijk winnen. De film is een groot succes, zowel in binnen- als buitenland. De regisseur heeft zijn naam hiermee voorgoed gevestigd. De film, waarvan slechts één exemplaar bestond, is als gevolg van de vele vertoningen verschillende keren gebroken en weer aan elkaar gelijmd. Daardoor liep de muziek na een aantal jaren niet meer synchroon met het beeld. In 2010 is de film gerestaureerd en gedigitaliseerd en het IJslands symfonieorkest heeft toen de muziek van Jórunn Viðar opnieuw uitgevoerd, passend bij de gerestaureerde versie.

De inhoud van de film is een raamvertelling: een grootmoeder vertelt aan haar kleindochter het volgende verhaal:

Alle boeren uit een dal met vruchtbare grond zijn door een trollenechtpaar verjaagd, behalve eentje, Björn. Zijn moeder heeft namelijk een ring van de elfenkoningin gekregen die de familie beschermt tegen alle kwaad. De trollen proberen natuurlijk de ring te stelen. Eerst verandert de mannelijke trol zich in een arbeider die Björn op de boerderij komt helpen. Hij blijkt heel sterk en kan enorme hoeveelheden eten en drinken. Als het hem niet lukt de ring te stelen, komt ook zijn vrouw in de vorm van een dienstmeisje naar de boerderij. Dankzij de oplettendheid van de kinderen van Björn lukt het ook haar niet de ring te pakken te krijgen. Deze twee kinderen hebben vriendschap gesloten met een dwerg, die zichzelf onzichtbaar kan maken, en met de elfenkoningin, die kan toveren. Met behulp van deze vrienden weet de familie de twee trollen voorgoed uit het dal te verjagen. Nu zullen ook andere boeren zich weer in het dal kunnen vestigen.

Naast de bijzondere muziek is ook de elfendans die opgevoerd wordt in de elfengrot het vermelden waard. Óskar heeft gekozen voor een dans die in het begin van de twintigste eeuw door Isadora Duncan, de pionier van de moderne dans, is bedacht. Zij hield niet van de stijve techniek van het ballet en liet haar acteurs op blote voeten dansen (in Griekse gewaden) waarbij de bewegingen gebaseerd waren op de natuurlijke ritmes van het lichaam.

Síðasti bærinn í dalnum (1950)

De film is een klassieker en een van de meest geliefde films in IJsland. Toen de gerestaureerde film in 2010 opnieuw werd vertoond, stonden de mensen rijen dik voor de kassa om kaartjes te bemachtigen.

Ik noem nog twee andere films waarin trollen voorkomen. Árni Thor Jónsson maakte een korte film over de kersttrollen in hun oorspronkelijke boosaardige gedaante, Örstutt jól (Unholy Night, 2007). En in Gilitrutt (1957), een bewerking van het sprookje Repelsteeltje door Jónas Jónasson, ontmoeten we een vrouwelijke trol als vervangster van de dwerg in het sprookje.

Zeemeerminnen
Zeemeerminnen (hafmeyjur) zijn misschien wel de beroemdste mythische wezens ter wereld. Ze zijn een soort watergeesten, half vrouw en half vis. Het zijn onsterfelijke, jonge, aantrekkelijke vrouwen die de mannen naar zich toe lokken. Ze zijn niet afkomstig uit Scandinavië, maar uit het Midden-Oosten. De kerk gebruikte afbeeldingen van de zeemeermin om de mensen te waarschuwen voor de verleidingen van het kwaad. Zeemeerminnen zouden volgens de kerk geen ziel hebben en deze alleen maar kunnen verkrijgen door een man te trouwen en een kind te krijgen. Daarna zouden ze echter hun onsterfelijkheid hebben verloren.

Hoewel IJsland omringd wordt door de zee, komen zeemeerminnen niet veel voor in verhalen en films, in tegenstelling tot elfen en trollen. De enige film waarin een zeemeermin een hoofdrol speelt is Í faðmi hafsins (In the Arm of the Sea, 2001) van Jóskim Reynisson. Het verhaal is losjes gebaseerd op het bekende sprookje De Kleine Zeemeermin van Andersen. In deze film, die bol staat van de symboliek, lijkt de zeemeermin er inderdaad op uit om een kind te krijgen. Of ze daarna ook haar onsterfelijkheid verliest, vermeldt de historie niet.

Vlakbij het stadhuis van Reykjavik staat dit standbeeld van een zeemeermin.

Vlakbij het stadhuis van Reykjavik staat dit standbeeld van een zeemeermin.

Í faðmi hafsins
Deze film begint met de voorbereidingen voor de bruiloft van Valdimar (Hinrik Ólafsson) en Unnur (Margrét Vilhjálmsdóttir). Enige tijd geleden is Unnur zomaar op een dag in het dorp verschenen en Valdimar, de kapitein van een vissersschip, is van plan met deze mooie vrouw te trouwen. Unnur krijgt op de ochtend van het huwelijk haar trouwjurk cadeau van de oude Ægir (Sigurður Kristjánsson), een witte jurk versierd met schelpen. Weet Ægir soms wie Unnar werkelijk is? (Ægir is de naam van de zeegod in de Noorse mythologie.)

In de huwelijksnacht verdwijnt Unnur om nooit meer terug te keren. Valdimar is ontroostbaar. Met zijn zaken gaat het evenwel voorspoedig. Niemand vangt vanaf dat moment zoveel vis als Valdimar. Na ruim een jaar vindt hij een baby op het strand. Hij weet dat dit het kind van hem en Unnur is. Hij voedt het zoontje, dat hij Mar noemt, op.

In de nacht vóór Mar’s zevende verjaardag zien we Unnur wadend door het water op weg naar haar zoon. Als Mar wakker wordt, ligt er zeewier op zijn bureautje. Een cadeautje van zijn moeder. Als het jongetje na het verjaardagsfeest naar bed wil gaan, kan hij niet meer lopen. Valdimar realiseert zich wat dit betekent. Hij zal het kind aan zijn moeder moeten overdragen. Hij haalt Ægir op en brengt hem en Mar naar een roeiboot. Hij legt zijn zoon naast de oude man in de boot en samen varen de twee de zee op.

Spoken
Spoken (draugar) of geesten zijn wezens die gestorven zijn maar in hun dood nog geen rust kunnen vinden omdat ze nog iets moeten afronden. Zij kunnen zich vrijelijk bewegen en worden niet tegengehouden door deuren of muren. Een ontmoeting van een mens met een spook betekent meestal een spoedige dood voor de mens en dus is een spook een ideale figuur voor een horrorfilm.

Het mooiste voorbeeld van een film waarin een spook met een ‘unfinished business’ figureert, is mijns inziens de jeugdfilm Duggholufólkið (No Network, Geen bereik, 2007) van Ari Kristinsson die ook in Nederland is vertoond, zowel in de bioscoop als op de televisie.

Duggholufólkið (2007)

Duggholufólkið (2007)

Duggholufólkið
Kalli (Bergþor Þorvaldsson) is een twaalfjarige computerfreak, die met zijn moeder in Reykjavik woont. Omdat hij een foto van zijn leraar in de schoolkrant heeft bewerkt, wordt hij van school gestuurd. Hij moet van zijn moeder enkele weken bij zijn vader en diens nieuwe gezin in de Westfjorden gaan logeren. Hij heeft het daar helemaal niet naar zijn zin, vooral niet omdat hij het grootste deel van de dag ‘geen bereik’ heeft en dus niets kan met zijn mobieltje. Bovendien botert het niet tussen hem en zijn paranormaal begaafde stiefzus Ellen (Þordis Hulda Árnadóttir).

Op een ochtend als Kalli en Ellen alleen thuis zijn, breekt er een sneeuwstorm los. Het huis is volledig van de buitenwereld afgesloten. Kalli is het verblijf in de Westfjorden inmiddels al helemaal zat. Hij loopt weg en probeert het netwerk in de zendmast te repareren zodat hij een taxi kan bellen om hem naar de stad te brengen. Zijn stiefzus is hem gevolgd. Tijdens de hevige sneeuwstorm belanden ze in een onbewoond huis dat heeft toebehoord aan de familie van ene Lárus. Ellen weet te vertellen dat deze Lárus zijn familie tijdens een sneeuwstorm naar de Dugg-klif (Dugghola) heeft geleid, waarop zij allemaal naar beneden zijn gestort en zijn omgekomen.

Ze krijgen in het huis te maken met de geest van deze Lárus. De geest (een jongen met een doorzichtig lichaam) volgt Kalli overal in het huis, tot op de wc. Hij wordt immers niet door muren tegengehouden. Hij weerspreekt het verhaal van Ellen: hij heeft juist geprobeerd zijn familie ervan te weerhouden om over de klif te gaan, maar ze wilden niet luisteren. Hij is als enige achtergebleven en in een kloof terechtgekomen (en daar doodgevroren). Hij vraagt Kalli nu zijn botten te zoeken op de plaats waar hij is gestorven en die op het graf van zijn verwanten te leggen zodat hij bij hen begraven kan worden. Het feit dat zijn botten in de kloof zullen zijn gevonden, zal meteen duidelijk maken dat hij onschuldig is aan de tragedie. Als Kalli en Ellen zijn opdracht uitvoeren, zal hij hen niet doden.

Aanvankelijk heeft Kalli weinig zin in dit avontuur, maar de geest plaagt hem zozeer (kaarsen uit laten gaan, mobieltje in een glas water stoppen, etc.) dat Kalli uiteindelijk belooft het te doen. Samen met Ellen gaat Kalli naar de kloof. Ze vinden de botten inderdaad, graven ze uit en brengen ze naar het kerkhof in Isafjörður. Daar leggen ze de botten op het graf van Lárus’ familie.

Enkele andere films met spoken zijn Drauga Saga (Ghost Story, 1985), de komedie Ófeigur gengur aftur (Spooks and Spirits, 2013) en Ég man þig (I Remember You, 2017). De laatste film is een bewerking van het gelijknamige boek van de populaire thrillerschrijfster Yrsa Sigurðardóttir, dat in het Nederlands is vertaald als Ik vergeet je niet.

Rotsen
Rotsen met hun grillige vormen hebben altijd sterk tot de verbeelding gesproken. Ze worden vaak beschouwd als de woonplaats van de bovennatuurlijke wezens. In de film Síðasti bærinn í dalnum wonen zowel de trollen als de elfen in een rots, respectievelijk in de Tröllaborg en de Fögrubjörg.

Daarnaast worden alleenstaande rotsen in de verhalen vaak beschouwd als versteende trollen. In de detective-serie Hamarinn (The Cliff, 2009-2010) lijkt de rotspartij echter een zelfstandig bovennatuurlijk wezen.

In 1992 wordt er in IJsland een verhalenwedstrijd uitgeschreven. Het verhaal moet geschikt zijn als leesmateriaal voor de schoolkinderen. Guðrún Kristín Magnúsdóttir, die veel kinderboeken en televisieseries op haar naam heeft staan, wint de wedstrijd met Tröllabarn (Het kind van de trollen).

In dit verhaal vertelt een grootvader aan zijn kleinzoon het verhaal van een kleine trol die de tijd vergeten was toen hij schelpen aan het zoeken was. Vader, moeder en zusje gingen hem zoeken, maar de zoektocht duurde te lang en ze werden door het daglicht verrast. Alle vier versteenden ze tot rotsen. Vlak voor het noodlot toesloeg schreeuwde de grote trol nog: Als iemand ons kwaad doet, laat ik uit de berg stenen naar beneden storten, grote en kleine brokken steen, die hem zullen vernietigen die ons schade toebrengt.

Leven rotsen?

Leven rotsen?

Hamarinn
In de detective-serie Hamarinn heeft regisseur Reynier Lyngal een verhaal als dat van Guðrún als basis gebruikt. Hierin komt het oude IJsland met zijn geloof in bovennatuurlijke wezens in botsing met het nieuwe IJsland, dat net zo modern wil zijn als alle andere landen in de westerse wereld.

Midden in de nacht raakt Snorri (Thorir Sæmundsson) zwaargewond als hij met zijn graafmachine over de rand van een klif naar beneden stort. Het lijkt in eerste instantie te gaan om een bizar ongeluk, maar al gauw blijkt dat er meer aan de hand is.

De rots waar de graafmachine vóór staat, zal namelijk opgeblazen worden omdat daar een mast voor een elektriciteitscentrale moet komen. Daar zitten de meeste dorpsbewoners niet op te wachten. Zij zijn bang dat de mooie natuur rond hun dorp vernietigd zal worden. Een groep milieuactivisten strijdt voor het behoud van de rots. Zij beschouwen, net als vele bewoners, de rots als een heilige plaats, waarvan je de rust niet mag verstoren. En ook de rots zelf lijkt het niet eens te zijn met de bouwplannen. Kan hij het ongeluk veroorzaakt hebben?

De rots lijkt veel op zijn geweten te hebben. Het werk was nog maar nauwelijks gestart toen er een bekroonde merrie van Snorri’s ouders dood ging. Vervolgens kreeg zijn vader een splinter in zijn hand en die wond wil maar niet genezen. Bovendien zijn er allerlei machines stuk gegaan. En nu is het maar de vraag of Snorri dit ernstige ongeluk overleeft. En om het nog erger te maken komt er de dag na het ongeluk ook nog een rotsblok naar beneden gevallen waardoor een auto van een van de werkmannen verpletterd wordt, terwijl de chauffeur erin zit. Nee, er rust beslist geen zegen op dit project.

Inga (Dóra Jóhannsdóttir), die de plaatselijke politie vertegenwoordigt, krijgt hulp van Helgi (Björn Hlynur Haraldsson), een inspecteur van politie uit Reykjavik. Helgi is vertrouwd met de omgeving, waar hij een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht, en hij weet dat veel dorpsbewoners de rots als een heilige plaats beschouwen. Toch gaat hij niet zover dat hij de rots de schuld wil geven van Snorri’s ongeluk.

Inga lacht om al die verhalen over een zogenaamde heilige plaats. Ze schopt zelfs tegen de rots en als er een stuk steen afbreekt, legt ze dat op de passagiersstoel van haar auto om het mee naar huis te nemen. Zoiets kan natuurlijk niet onbestraft blijven. Eerst wil de auto niet starten en vervolgens, als ze uiteindelijk rijdt, verschijnt er ineens een man vóór haar op de weg. Ze moet hard remmen. Als ze hevig geschrokken uit de auto stapt, is er evenwel niets te zien. Ze gooit nu toch de steen maar uit de auto.

Er komt een inspraakavond in het dorp waar een medium contact legt met de bewoners van de andere wereld om aan hen te vragen of de rots opgeblazen mag worden. Het antwoord is duidelijk: Nee. Het gemeentebestuur dat het dorp zo graag een nieuwe tijd in wilde loodsen, moet zijn plan terugtrekken. Er komt geen mast, er zal niets worden opgeblazen. De rots is, met behulp van de milieuactivisten, als overwinnaar uit de bus gekomen.

Deze populaire detective-serie – die in Nederland op televisie is geweest en daarna enkele jaren op Netflix – heet niet voor niets Hamarinn. De rots is de ‘hoofdpersoon’. De natuur, waar de bewoners van ‘de andere wereld’ hun woonplaats hebben, moet gerespecteerd worden. En wat de mensen verder allemaal verzinnen, en welke menselijke drama´s zich voltrekken, dat is voor de rots niet van belang. Voor de politie zijn evenwel de menselijke relaties en de drijfveren die de handelingen sturen, hoogst interessant en alleen als ze die weten te ontrafelen, zullen ze het mysterie kunnen oplossen.

Conclusie
Elfen en trollen vertegenwoordigen het goed en het kwaad, verbeeld als krachten buiten de mens. Trollen bezorgen de mens alleen maar ellende. De elfen daarentegen zijn de mensen gunstig gezind, ook al treden ze soms streng op als er sprake is van onrechtvaardigheid. Soms worden ze geholpen door dwergen. Een zeemeermin zou je een elf van de zee kunnen noemen, die de mens ertoe verleidt om voor een droomwereld te kiezen.

Trollen, dwergen, elfen en zeemeerminnen vallen óf mensen lastig, óf helpen mensen. Bij de spoken ligt dat anders. Zij hebben de mensen juist nodig om onrecht dat hen in het verleden is aangedaan, recht te zetten.

In IJsland zetten meerdere films en boeken van de laatste decennia het geloof in de andere wereld in als wapen in de strijd tegen de verwoesting van de natuur. Gebeurt dat alleen in IJsland?

In De Vierklank, een regionale krant in Bilthoven en omgeving, las ik op 6 januari 2021 het volgende ingezonden stuk:

Mijn naam is Olly, ik ben een boskabouter van 317 jaar oud. Ik woon in het bos tussen Hollandsche Rading en de Lage Vuursche, op een geheime plek. Ik hoop dat jullie begrijpen dat ik mijn adres niet kan geven. […] en daarom schrijf ik een brief, want ik zie de bewoners verdrietig, er gebeuren dingen die ik niet zo goed begrijp en het is onrustig in een van de laantjes… er komt een nieuwe woning, een soort resort, gigantisch zo (te) groot! Niemand begrijpt waarom de gemeente zo een vergunning heeft kunnen geven, in het bos! […] ik zag hoe tientallen bomen werden gekapt … zonder toestemming of nut!

En nadat de kabouter ook nog heeft aangekaart dat er misschien een windmolenpark bij zijn huis komt, besluit hij met:

Gemeente, dit is een natuurgebied!! Hier zouden jullie trots op moeten zijn, stop alsjeblieft met het brengen van de stad naar het bosleven, ons meest kwetsbare gebied. Olly, de boskabouter.

Ik hoop van harte dat Olly’s noodkreet wordt gehoord. Of lukt zoiets alleen in IJslandse films?

 

Maaike Mulder was docent taalkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na haar pensioen heeft zich toegelegd op de studie van de IJslandse taal en cultuur. Geïnteresseerden in de IJslandse filmgeschiedenis kunnen terecht op haar website www.talengek.nl.

 

24 januari 2021

 

Deel 1: Elfen streven naar rechtvaardige wereld

 

ALLE ESSAYS

Bovennatuurlijke wezens in IJslandse films – Deel 1: Elfen

Bovennatuurlijke wezens in IJslandse films (deel 1):
Elfen streven naar rechtvaardige wereld

door Maaike Mulder

In oude verhalen lees je regelmatig over elfen, trollen, dwergen en spoken. De IJslandse cinema staat bol van verwijzingen naar bovennatuurlijke wezens. In het eerste deel van dit tweeluik aandacht voor elfen. Elfen streven naar een rechtvaardige wereld en bieden ontsnapping naar een droomwereld. Maar dat is nog lang niet alles!

Het geloof in elfen, trollen, dwergen en spoken was vroeger meer algemeen dan vandaag de dag. De oude saga’s, mythen en sprookjes kennen deze bovennatuurlijke wezens al eeuwenlang. Toch komen we ze ook in de jongere literatuur nog regelmatig tegen. Niet alleen in IJsland en de Scandinavische landen, maar in heel de (westerse) wereld. Een schrijver als Tolkien (The Hobbit en The Lord of the Rings) heeft zijn elfen, dwergen en trollen voornamelijk aan de oude Scandinavische verhalen ontleend. En veel van de magische wezens bij J.K. Rowling (Harry Potter) zijn óf uit de Griekse mythologie óf uit de Britse en Scandinavische folklore voortgekomen.

Aangezien films hun motieven en verhaallijnen vaak ontlenen aan oude verhalen, of directe verfilmingen zijn van boeken, zullen we deze bovennatuurlijke wezens dus ook in films aantreffen. Wie de films van Harry Potter of van The Lord of the Rings heeft gezien, is al min of meer vertrouwd met de aanwezigheid van zulke wezens in de film.

Huldufólk 102

Huldufólk 102: Verhalen over ‘de parallelle wereld’.

Het verborgen volk
In IJsland gelooft volgens recent onderzoek nog steeds het overgrote deel van de bevolking in het bestaan van bovennatuurlijke wezens of houdt het in ieder geval voor mogelijk dat ze bestaan. Slechts 10% van de mensen geeft aan er beslist niet in te geloven.

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er juist in IJsland een documentaire over ‘het verborgen volk’ is gemaakt, genaamd Huldufólk 102. Deze begint met:There is no doubt in my mind anymore that there are two nations living in this country: the Icelandic nation and this invisible nation.” En iets later wordt deze ‘invisible nation’ aangeduid als the parallel world.

In deze documentaire uit 2006 vertellen mensen hoe de bewoners van ‘de parallelle wereld’ in de afgelopen jaren van zich hebben laten horen.

Een mooi voorbeeld is een voorval dat zich in Kópavogur heeft afgespeeld. Er was een weg gepland waarlangs huizen zouden worden gebouwd. Maar een groep stenen stond in de weg: volgens sommigen woonden daarin elfen. Er werd een petitie aan de gemeenteraad aangeboden met het verzoek een bocht in de weg te leggen en de stenen niet te verwijderen, zodat de elfen niet gestoord zouden worden. Dat verzoek werd ingewilligd. Tussen de huisnummers 100 en 104 maakt de weg nu een bocht en de hoop stenen die daar ligt, heeft als adres Álfhólsvegur nr. 102.

Een ander voorbeeld: In 2013 heeft het IJslandse Hooggerechtshof de plannen voor de aanleg van een weg afgekeurd, omdat door deze weg een elfenkerk verwoest zou worden. Na overleg is de weg op die plaats versmald en de elfenkerk iets verplaatst. Zowel mensen als elfen waren tevreden.

Elfen (álfar of huldufólk) zijn de meest voorkomende wezens van de andere wereld. Zij wonen in stapels stenen of rotsen, die dan elfenstenen worden genoemd. Deze stenen geven toegang tot een andere dimensie, die slechts weinig mensen kunnen waarnemen en waar slechts een enkeling toegang toe heeft. De elfen kunnen heel oud worden en zijn over het algemeen hulpvaardig tegenover mensen. Als ze echter worden dwarsgezeten of van hun woningen worden beroofd, kunnen ze ook boosaardig zijn. Ze kunnen dan schade toebrengen aan gebruiksvoorwerpen (aan een ploeg bijvoorbeeld), ze kunnen dieren en mensen ziek maken of zelfs hun dood veroorzaken. En soms stelen ze een pasgeboren kind, waarvoor dan een eigen kind in de plaats gelegd wordt (een zogenaamd wisselkind).

Ik bespreek vier films waarin elfen een min of meer prominente rol spelen.

Sóley
De arthousefilm Sóley (The Hidden People of the Shadowy Rocks, 1982) is geschreven en geregisseerd door de avantgardistische kunstenaar Róska, samen met haar man, de Italiaan Manrico Pavelottino. Het is de eerste speelfilm van een vrouw in IJsland. Róska (1940-1996) was niet alleen kunstenaar, maar ook politiek actief, streed voor een rechtvaardiger samenleving en was een overtuigd communist. Ze streed in haar werk voor de positie van de vrouw en voor een rechtvaardige behandeling van de sociaal minder bedeelden. Haar ideeën waren destijds controversieel in IJsland.

Sóley

Sóley: De elfen staan symbool voor een vrije en rechtvaardige wereld.

Róska’s film speelt in de 18e eeuw op het IJslandse platteland. De (Deense) kerk eist veel belasting van de arme keuterboertjes en als die beweren dat ze geen geld hebben, stuurt de dominee zijn mannen naar de boerderijtjes en die nemen mee wat ze aan kostbaarheden kunnen vinden. En als er geen kostbaarheden zijn, nemen ze de paarden mee. Ondertussen houdt de dominee in de kerk donderpreken: dienstmeisjes die zich net zo willen kleden als hun mevrouw, knechten die denken zich te kunnen gedragen als hun heer, mensen die in het bestaan van elfen geloven – allen wacht de eeuwige verdoemenis.

Thor (Rúnar Guðbrandsson), een boerenzoon, is vier van zijn paarden kwijt. Paarden staan voor vrijheid. Thor gaat op zoek naar de dieren en passeert de rotsen, waarna hij in het land komt waar de elfen wonen. Men heeft hem geleerd dat deze elfen, die altijd een dolk in hun hand hebben, wreed zijn en dat zij de mensen bestelen. Maar dan ontmoet hij Sóley (Tina Hagedorn Olsen), een jonge elfenvrouw, die helemaal niet wreed is, maar vriendelijk, en die hem helpt bij zijn zoektocht naar de paarden.

Hij raakt in de ban van deze geweldige jonge vrouw en brengt enkele maanden met haar door in de elfengemeenschap. Sóley heeft een directe band met de natuur: haar geloof is gevestigd in de aarde en de rotsen, zij spreekt met het water als een vriend en ze beheerst de kracht van het vuur. Van haar leert Thor de gewoonten van haar volk en zij legt hem uit waarom de elfen altijd in het donker opereren: net als de trollen zullen ze verstenen als er licht op hen schijnt. Ze vertelt hem ook dat de elfen alleen stelen van de rijken en niet van de armen, omdat de menselijke samenleving zo onrechtvaardig is.

De film eindigt tijdens de langste nacht van het jaar, de midwinternacht. Dan komen de elfen op paarden en met brandende toortsen in hun handen de nachtkerkdienst verstoren. Niemand luistert meer naar de dominee, iedereen is in de ban van de elfen die symbool staan voor een vrije en rechtvaardiger wereld. Sóley neemt afscheid van Thor, die zijn paarden inmiddels terug heeft, en belooft hem dat ze hun zoon waarvan ze zwanger is, op zesjarige leeftijd naar hem toe zal sturen.

Helaas is het negatief van Sóley verloren gegaan. In 2019 hebben twee IJslandse kunstenaars de film ‘gerestaureerd’ en gedigitaliseerd op basis van enkele slechte kopieën.

Kristnihald undir jökli
Kristnihald undir jökli (Under the Glacier, 1982) is een verfilming door Guðny Halldórsdóttir van de gelijknamige roman van haar vader, Halldór Laxness, die in het Nederlands is vertaald als Aan de voet van de gletsjer. Het boek – geschreven in 1968, de tijd van de flowerpower – vertelt een kostelijk absurdistisch verhaal dat je kunt zien als een satire op elk soort geloof: christendom, boeddhisme, geloof in de bovennatuurlijke krachten van de vulkaan, de gletsjer en bovennatuurlijke wezens. Of dat laatste misschien toch niet?

Kristnihald undir jökli

Kristnihald undir jökli: De elfen scheppen een droomwereld, die een ontsnapping uit de alledaagse werkelijkheid biedt.

Het verhaal speelt zich af in een klein dorpje aan de voet van de vulkaan en de gletsjer op het uiterst westelijke puntje van het schiereiland Snæfellsnes. De dochter volgt het boek van haar vader heel trouw; veel van zijn dialogen kan zij zo in de film gebruiken. De hoofdpersoon is de jonge, pas afgestudeerde theoloog Umbi, de afkorting van umboðsmaður biskups (afgevaardigde van de bisschop). Hij doet namens de bisschop onderzoek naar de kerkelijke gemeenschap in dit dorp waar de kerk is dichtgetimmerd, de dominee zijn brood verdient met paarden beslaan en primussen repareren, waar kinderen niet gedoopt worden, waar lijken niet worden begraven en waar men aan de gletsjer bovennatuurlijke krachten toekent.

Umbi (Sigurður Sigurjónsson: Hrútur (Rams, 2015), Undir trénu (Under the Tree, 2017)) maakt kennis met een bijzondere verzameling mensen waaronder de dominee (Baldvin Halldsórsson) die zijn eigen utopische versie van het geloof uitdraagt, zijn huishoudster (Kristbjörg Kjeld), die Umbi op een dieet van koffie en taarten zet, de ouderling met zijn eigen gezonde boerenlogica en de mysterieuze vriend en zakenman, professor Góðman Sýngmann, die na jarenlange afwezigheid net nu terugkeert om enkele mysterieuze experimenten in de gletsjer te doen. In opdracht van de bisschop neemt Umbi alle gesprekken op een bandrecorder op. Die kan de bisschop dan later afluisteren.

De dominee is dertig jaar geleden getrouwd geweest met Úa, die kort na haar huwelijk is ‘overgenomen’ door zijn vriend Góðman. Úa (Margrét Helga Jóhannsdóttir) heeft de professor trouwens ook weer verlaten en heeft een turbulent leven geleid, zoals Umbi later hoort, waarin ze onder meer bordeelhoudster in Zuid-Amerika en non in een Spaans klooster is geweest. De dominee beschrijft haar als een van die mysterieuze vrouwen uit het zuiden van wie je niet kunt zeggen of ze luchtgeesten of aardbewoners zijn. Deze vrouwen worden nooit oud, ze blijken een soort koninginnen die de mensen volledig in hun ban hebben; ze wassen zich nooit want zijn altijd rein, ze lezen nooit een boek want weten alles wat er te weten valt, ze eten nooit want zijn altijd verzadigd, en bovendien hebben ze geen slaap nodig.

Tijdens Umbi´s verblijf in het dorp arriveert Úa en hij raakt onmiddellijk volledig in de ban van deze bijzondere vrouw. Hoewel hij eigenlijk terug zou moeten om de bisschop verslag uit te brengen, blijft hij in het dorp. Alle besef van tijd is verdwenen. Door Úa leert Umbi het mysterie van de liefde kennen. Hij is bereid met deze ‘godin’ naar het einde van de wereld te trekken! Aan het einde van de film vertrekken ze inderdaad samen, maar of ze het einde van de wereld halen?

Zowel boek als film zijn bestemd voor de fijnproever, die er van het eerste tot het laatste moment van zal genieten.

Mávahlátur
Mávahlátur (The Seagull´s Laughter, 2001) is een verfilming door Ágúst Guðmundsson van de gelijknamige roman van Kristín Marja Baldursdóttir die in het Nederlands is vertaald als De lach van de meeuw (1995). Het boek, en dus ook de film, geeft een beeld van de jaren ’50 in Hafnarfjörður, toen nog een vissersdorp, nu inmiddels een voorstad van Reykjavik. Het is de periode vlak na de oorlog waarin het land een enorme omwenteling doormaakt. Door de aanwezigheid van de Amerikanen tijdens en na de oorlog, maken de IJslanders kennis met de ‘moderne’ wereld van cola, kauwgum, lippenstift, nylons en rock-‘n-roll.

Mávahlátur

Mávahlátur: De elfen bestraffen onrecht dat hen is aangedaan.

Deze moderne wereld doet in het dorp zijn intrede via Freyja (Margrét Vilhjálmsdóttir), een mondaine jonge vrouw die getrouwd is geweest met een Amerikaanse officier. Na de oorlog is zij met hem naar Amerika vertrokken, maar nu keert ze terug naar IJsland omdat hij is overleden. Maakt ze een grapje als ze zegt dat ze hem vermoord heeft? Ze trekt in bij haar oudtante Juliana (Kristbjörg Kjeld). De man van Juliana is visser en bijna nooit thuis. Alle gebeurtenissen spelen zich dan ook af rond de vrouwen in het huis: Juliana, haar twee dochters, een schoonzuster, kleindochter Agga, en nu dan ook nog deze nicht Freyja.

Het hele verhaal wordt verteld door de ogen van Agga (Ugla Egilsdóttir: maakt later deel uit van comedygroep Mid-Iceland) die uiterst nieuwsgierig is, iedereen afluistert, kasten en laden doorzoekt en brieven van anderen open maakt. Agga vertrouwt Freyja niet. Is ze een incarnatie van de godin Freya? Is ze een lid van de elfenfamilie die in de rotsen buiten het dorp woont? Of is ze alleen maar een vrouw met boze ogen, een soort wraakgodin, een moordenares wellicht?

Freyja voelt zich niet thuis in het bekrompen, koude en donkere IJsland. En op de momenten dat het haar allemaal teveel is, gaat ze naar de rotsen om daar de elfen te bezoeken. Al in het begin van de film zien we haar via een spleet bij een groep rotsen naar binnen gaan en als ze binnen is, bewegen de rotsen alsof ze haar welkom heten. Agga volgt haar tot vlakbij de rotsen, maar is niet in staat haar naar binnen te volgen. Als ze haar oma vertelt dat Freyja de elfen bezoekt, blijkt deze dat de gewoonste zaak van de wereld te vinden.

Als er in het dorp een toneelstuk over elfen opgevoerd zal worden, lijkt Freyja de aangewezen persoon voor de rol van de elfenkoningin, maar door de intriges van een jaloerse mededingster wordt deze rol haar niet gegund. Dat is niet erg, zegt Freyja: zij speelt dan wel niet de elfenkoningin, zij is de elfenkoningin.

Op een gegeven moment hoort Freyja dat haar vriendin door haar man wordt mishandeld. Ze haalt haar en de kinderen uit het huis. Die nacht, als de man alleen thuis is, brandt het huis op raadselachtige wijze af. Haar vriendin is weduwe geworden. Agga vermoedt, nee, weet zeker, dat Freyja hier de hand in heeft gehad. Zij vertelt aan Magnus, een bevriende agent, wat ze weet, namelijk dat Freyja die nacht een fles spiritus en lucifers heeft meegenomen toen ze een wandeling ging maken. Magnus (Hilmir Snær Guðnason) gelooft haar niet en lacht haar uit.

Freyja brengt het hart van alle mannen op hol, ook dat van Magnus. Maar een agent is Freyja te min. Ze laat haar oog vallen op Björn, de knapste (en rijkste) man van het dorp, en deze vraagt haar dan ook ten huwelijk. Als het huwelijk na enige tijd spaak loopt omdat de man vreemdgaat, keert Freyja weer terug naar het huis van Juliana. Als een dronken Björn daar aanbelt en zijn vrouw opeist, nemen de vrouwen wraak. Freyja slaat haar man met de bronzen vlaggenstandaard van de IJslandse tafelvlag op zijn hoofd. Dat overleeft hij niet. Haar tweede (of derde?) moord, volgens Agga.

De politie doet onderzoek naar de toedracht van deze plotselinge dood, maar de vrouwen staan als één man achter Freyja en ze beweren dat Björn van de trap is gevallen. Als Agga aan Magnus het ware verhaal vertelt, wordt ze aanvankelijk weer niet geloofd. Maar als Magnus na enige tijd dan toch de mogelijkheid van moord overweegt en haar duidelijk maakt dat in dat geval alle vrouwen naar de gevangenis zullen gaan, krabbelt ze terug en zegt dat ze alleen maar wat heeft verzonnen, omdat ze zo´n hekel aan Freyja heeft. En dus komt de ‘elfenkoningin’ Freyja ook met deze moord weg.

Sumarlandið
De komische film Sumarlandið (Summerland, 2010), geschreven en geregisseerd door Grímur Hákonarson, is uitsluitend in IJsland vertoond. Het verhaal speelt in Kópavogur, een buitenwijk van Reykjavik, die sterk geassocieerd wordt met de verhalen over elfen. Het is de plaats waar, zoals we boven gezien hebben, een weg moest worden omgelegd vanwege een elfensteen. De naam Sumarlandið verwijst naar de wereld waar de geesten na hun dood zullen vertoeven (een soort hemel dus).

Sumarlandið

Sumarlandið: De elfen maken ons duidelijk dat de waarde van de ‘natuurlijke’ wereld en haar bewoners niet in geld is uit te drukken.

In de tuin van Óskar (Kjartan Guðjónsson) staat een elfensteen die door Lára elke dag wordt verzorgd en waarbij ze kaarsjes brandt en bloemen neerlegt. Lára is een medium: ze heeft contact met geesten van overledenen en met de elfen die in de steen wonen. Óskar, die volstrekt niet in geesten en elven gelooft, is werkzaam in de toeristenindustrie. Hij heeft een busje waarmee hij toeristen een sightseeing-tour biedt en ondertussen ter vermaak mooie verhalen over elfen en trollen vertelt. Het echtpaar heeft twee kinderen: een zoon die net als zijn moeder in het bestaan van de elfen gelooft en een dochter die er net als haar vader volstrekt niets van moet hebben.

De toeristenbusiness gaat slecht en het gezin dreigt failliet te gaan. Op een dag arriveert een Duitse handelaar die Óskar 50.000 euro voor de elfensteen biedt. Óskar accepteert het bod en de dreiging van een faillissement is afgewend. Hij kan nu zelfs een breedbeeld-tv kopen! De steen wordt weggetakeld en verhuist naar Duitsland. Lára is woedend omdat Óskar haar en haar contact met de elfen blijkbaar niet serieus neemt. De elfen zijn inmiddels naar een andere steen verhuisd, maar ze nemen wraak: de zoon van Lára en Óskar is verdwenen en Lára raakt in coma. Óskar krijgt enorme spijt van zijn daad.

Als de gemeente enige tijd later de ‘nieuwe’ elfensteen voor een flink bedrag wil verkopen, is er een breed protest van de bevolking. Ook Óskar protesteert en hij gaat voor de steen staan die door een bulldozer zal worden weggetild. De remmen van de bulldozer weigeren en Óskar wordt verpletterd. Tijdens de begrafenis van Óskar zegt de priester: “Deze vreselijke gebeurtenis zal de IJslanders lang heugen. We moeten erkennen dat we niet alleen leven in dit land. We moeten de wereld van de natuur met liefde en respect behandelen en deze niet verkwanselen voor geldelijk gewin. Óskar die zijn idealen met zijn leven heeft betaald, moet een voorbeeld zijn voor ons allen.

Dit lijkt inderdaad de serieuze boodschap van deze film uit 2010 (twee jaar na de bankencrisis!): IJsland, blijf jezelf en verkoop je niet aan wie dan ook. Niet aan de toeristen die de natuur en de natuurwezens niet het vereiste respect betonen en ook niet aan grote ondernemingen die gretig azen op de delfstoffen die in je bodem te vinden zijn.

Conclusies
De elfengemeenschap streeft naar een rechtvaardige wereld waarin ieder wezen wordt gerespecteerd (Sóley en Sumarlandið), en ze neemt op hardvochtige wijze wraak als er iemand of iets onrecht wordt aangedaan (Mávahlátur en Sumarlandið).

De elfenvrouwen zijn heel bijzondere wezens. Soms leven ze gewoon in de mensenwereld zonder dat men weet dat zij elf zijn (Mávahlátur en Kristnihald). Zij oefenen een grote aantrekkingskracht uit op mannen (Sóley, Mávahlátur en Kristnihald) en ze beschikken over bijzondere eigenschappen: ze kunnen spelen met tijd en ruimte, ze hebben macht over de elementen en ze verouderen niet (Sóley en Kristnihald).

Er zit 30 jaar tussen de eerste en de laatste van de films. Zowel in de eerste film (Sóley) als in de laatste (Sumarlandið) strijden de elfen voor een rechtvaardiger wereld. In de eerste film is de vijand die bestreden moet worden de sociale ongelijkheid, die door de kerk in stand wordt gehouden. In de laatste film is het de hebzucht van de mens die geen waarde hecht aan de natuur en de eigenheid van het land.

En de andere twee films? In Mávahlátur strijdt de elfenkoningin Freyja op haar manier (door haar wraakacties) ook voor een rechtvaardiger samenleving. En in Kristnihald tenslotte schept Úa, net als Sóley in de gelijknamige film, een droomwereld die toegankelijk is voor ieder die aan de grauwe werkelijkheid van alledag wil ontsnappen.

‘Streven naar een rechtvaardige wereld’ en ‘ontsnapping bieden naar een droomwereld’ lijken tot de kerntaken van de elfen te behoren. In onze tijd heeft de milieuproblematiek het streven naar een rechtvaardige wereld uitgebreid met: ‘bescherming van de natuur en al wat daarin leeft’.

 

Maaike Mulder was docent taalkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na haar pensioen heeft ze zich toegelegd op de studie van de IJslandse taal en cultuur. Geïnteresseerden in de IJslandse filmgeschiedenis kunnen terecht op haar website www.talengek.nl.

 

10 januari 2021

 

Deel 2: Trollen, spoken, dwergen en zeemeerminnen

 
ALLE ESSAYS

Pinocchio

***
recensie Pinocchio

Van marionet tot vrije geest

door Cor Oliemeulen

Als je braaf, eerlijk en aardig bent, word je op een dag een echte jongen. Pinocchio van Matteo Garrone is veel meer dan deze voorspelling van de blauwe fee. Het dramatische fantasieverhaal kent vele lagen en ziet er bovendien oogstrelend en verzorgd uit. Toch mist deze met liefde gemaakte film een ziel, net als de houten pop zelf.

De Italiaanse regisseur Matteo Garrone brak in 2008 door met de maffiafilm Gomorra en excelleerde tien jaar later opnieuw met een goedzak tussen crimineel gespuis in Dogman. Wat bezielt de maker van bejubelde misdaaddrama’s om een klassiek kinderverhaal te verfilmen? Een eeuwige fascinatie, aldus Garrone, die al op zijn zesde een stripverhaaltje over Pinocchio tekende en opgroeide met een tv-serie over de houten pop. Die onweerstaanbare charme leidde in 2015 tot zijn verfilming van drie fabels in Tale of Tales en mondt nu uit in een portret van zijn kinderheld. Verwacht geen deugdzame aanpak als in de animatieklassieker van Disney uit 1940, maar een fantasieavontuur met rauwe randjes.

Pinocchio

Verleidingen
Van de talrijke filmbewerkingen blijft Garrone misschien wel het dichtst bij het originele verhaal van Carlo Collodi, Le avventure di Pinocchio uit 1883. Het gegeven is genoegzaam bekend. Ambachtsman Gepetto – gespeeld door een opvallend ingetogen, maar immer expressieve Roberto Benigni (ooit zelf Pinokkio in zijn familiefilm uit 2002) – snijdt een pop uit een stuk hout. Wanneer de pop ineens begint te bewegen en te praten, noemt Gepetto hem Pinocchio en schreeuwt hij van de daken dat hij een zoon heeft gekregen. Terwijl vader het beste met zijn zoon voorheeft en hem naar school brengt, valt Pinocchio (Federico Lelapi) ten prooi aan de ene na de andere verleiding.

Zo bezoekt hij stiekem een rondreizend poppentheater, waar hij vervolgens gevangen wordt genomen, ontmoet hij de Vos en de Kat die hem geld afhandig proberen te maken en wordt hij samen met een karrenvracht andere kinderen naar een speeleiland gelokt, waar hij in een ezel wordt betoverd. Pinocchio’s (soms wel heel lange) zoektocht naar zijn vader, die op zijn beurt Pinocchio zoekt, leidt tot het binnenste van een walvis. Maar zoals dat gaat in sprookjes komt alles gelukkig op zijn pootjes terecht.

Pinocchio

Moraal
Dat brengt ons bij de vraag of Garrone’s Pinocchio een kinderfilm is. Ja, dat klopt, hoewel deze versie een aantal grimmige en duistere elementen kent. Uiteraard krijgt het houten jochie een lange neus als hij jokt, maar het is misschien wel even schrikken als Pinocchio aan een boom wordt opgehangen. In het boek gebeurt dat omdat hij wordt gestraft voor zijn fouten, in deze film gebeurt dat vooral omdat de Vos en de Kat definitief met hun slachtoffertje willen afrekenen. Overigens zal Pinocchio later in het verhaal in figuurlijke zin een lange neus naar zijn belagers trekken.

Volwassenen hebben ongetwijfeld meer oog voor de satire, zoals in de scène als Pinocchio aan een rechter, de Aap, wordt voorgeleid. Als de verdachte zegt dat hij onschuldig is, wordt hij veroordeeld tot de gevangenis, echter nadat Pinocchio zegt dat hij heel veel slechte dingen heeft gedaan, wordt hij onmiddellijk vrijgesproken. Misdaad loont dus in de wereld waarin de originele Pinocchio opgroeit.

Zoals dat gaat in fabels, waarin elk dier een typisch menselijke eigenschap etaleert, zijn de personages in de Pinocchio van Garrone aan de vlakke kant omdat ze slechts ten dienste van de moraal staan. Ook met Pinocchio zelf valt moeilijk te vereenzelvigen, hoewel zijn sarcasme over de stijve heersende zeden als een verademing voelt. De brutale en eigenwijze houten pop fungeert nu eenmaal als een naïeve creatie die door schade en schande moet zien wijs te worden om zich, eenmaal bevrijd van zijn lichamelijke en geestelijke beperkingen, als een voorbeeldig kind in de uitnodigende armen van zijn sympathieke schepper te kunnen storten. Niet als een marionet van anderen, maar als een zelfstandige vrije geest.

 

18 juli 2020

 

ALLE RECENSIES

Lighthouse, The

****
recensie The Lighthouse

Misère op de vierkante meter

door Cor Oliemeulen

Een oudere en een jonge man onderhouden een vuurtoren in New England laat negentiende eeuw en worden langzaam krankzinnig. The Lighthouse is een bijzondere combinatie van drama, zwarte humor, fantasie en thriller.

We maken kennis met betweter Thomas Wake (Willem Dafoe) die al jaren een vuurtoren en bijbehorende woning op een bijna onbereikbare rots onderhoudt en aanvankelijk wel raad weet met groentje Thomas Howard (Robert Pattinson) die hij graag als een hond behandelt. Alle noeste werkzaamheden die de nieuweling op het mini-eilandje verricht, worden met een kritisch oog bekeken. Zelfs de zeemeeuwen zijn Howard niet welgezind.

The Lighthouse

Isolement
Door het voortdurende isolement en het gebrek aan fijne menselijke verhoudingen zoekt Howard ’s avonds zijn toevlucht tot een klein stenen beeldje van een mooie zeemeermin, die hij later in het verhaal ook buiten tijdens hallucinaties zal ontmoeten. Hij merkt dat ook Wake zich soms overgeeft aan lust, nadat die zich heeft opgesloten bij het licht van de vuurtoren, een ruimte waar Howard beslist niet mag komen. Terwijl Wake overdag pseudo-Shakespeareaanse teksten oplepelt en verhaalt over oude zeemansmythen, kruipt Howard langzaam onder het juk van zijn meerdere uit. Hij zal immers binnenkort vertrekken van deze godvergeten plek.

Maar als op de bewuste dag de boot door slecht weer de rots niet kan bereiken, blijft Howard geconfronteerd met de dominantie en onhygiënische gewoonten van Wake, die op zijn beurt het gezelschap van Howard niet wil missen. Verhoudingen beginnen te veranderen, grenzen en normen vervagen. Als hun woning na een heftige storm zwaar is geteisterd en de voorraden opraken, dreigen beide mannen af te stevenen op een onstuitbare teloorgang en zijn ze – versterkt door overmatig drankgebruik – aan elkaars gezelschap, menselijke warmte en machismo overgeleverd.

Claustrofobisch
De claustrofobische atmosfeer van The Lighthouse wordt bepaald door de technische keuzes van regisseur Robert Eggers (The VVitch: A New-England Folktake, 2015) en cinematograaf Jarin Blaschke. Het duo koos voor de beeldverhouding van 1,19:1, zoals je die veel ziet in de gotische stijl van de zwijgende cinema en die Fritz Lang bijvoorbeeld in 1939 had ingezet om de opgejaagde stemming in zijn misdaadfilm M te versterken. Dit oude formaat blijkt zeer geschikt voor verticale structuren, zoals de vuurtoren, en maakt bovendien de ruimten waarin de personages verkeren nog enger. Tijdens de talrijke veelzeggende close-ups van Dafoe en Pattinson is de ruimte om hen heen niet relevant.

The Lighthouse

De contrastrijke, soms korrelige, look-and-feel van de vroege cinema (denk ook aan de latere film noir) kwam tot stand door lenzen met een op maat ontwikkeld orthochromatische filter. De belichting is schamel en het materiaal waarop The Lighthouse is geschoten, is Kodak Double-X, een weinig gebruikte zwart-witfilm die bijvoorbeeld ook Martin Scorsese aanwendde voor zijn boksfilm Raging Bull (1980). Dat alles, aangevuld met de minimalistische soundtrack, maakt de weergave grimmig en sinister.

Symboliek
The Lighthouse heeft geen noemenswaardig plot, maar kent wel interessante metaforen en symboliek (zien we daar plots een bovennatuurlijk wezen?), waarmee de kijker zelf naar hartenlust mag interpreteren. De focus op de verhouding tussen twee zeer verschillende mannen die zowel de omstandigheden als de ander dienen te trotseren en uiteindelijk moeten zien te overleven, wordt steeds spannender en blijft tot het eind toe overeind door de goede chemie en het ijzersterke spel van Dafoe en Pattinson. Door de opeenstapeling van huiveringwekkende gebeurtenissen, valt ook een lach in deze macabere wereld nauwelijks te onderdrukken.

 

22 februari 2020

 

ALLE RECENSIES

Blade Runner: Over ogen en poppen

Sf-klassieker speelt zich af in november 2019
Blade Runner: Over ogen en poppen

door Alfred Bos

Blade Runner, Ridley Scotts scifi-meesterwerk uit 1982, speelt in de maand november van het jaar 2019. Op 1 november verschijnt de final cut uit 2007 opnieuw in de bioscoop, onder meer in een IMAX-versie. De heruitgave is opgedragen aan Rutger Hauer (1944-2019), Neerlands internationaal meest succesvolle acteur die als kunstmens Roy Batty de rol van zijn leven speelde.

Blade Runner is een meesterwerk dat met Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssee kan wedijveren als beste sciencefictiontitel in de filmcanon. Ridley Scott zelf slaat zijn scifi/horrorklassieker Alien hoger aan, maar daar, meent deze kijker althans, raakt de regisseur zijn duim, niet de plank. Blade Runner laat zich eindeloos herkijken – in de ogen van de regisseur herzien: hij leverde na de release in 1982 meerdere versies af – en telkens openbaart de film nieuwe details, thema’s en ideeën.

Blade Runner: The Final Cut

Blade Runner is ongekend rijk, niet alleen in het detail waarmee een dystopische toekomst is verbeeld. De filosofische concepten achter het verhaal zijn existentieel en intrigerend. Is er kunstmatige intelligentie mogelijk die organisch – dus niet mechanisch, elektronisch of digitaal – van aard is? Is namaak nog namaak als je het niet van echt kunt onderscheiden? Als nep en echt verwisselbaar zijn, wat is dan de werkelijkheid? Wat is authentiek? En de hamvraag: wat betekent het om mens te zijn?

Die laatste vraag is het centrale thema in de ruim dertig sciencefictionromans die de Amerikaanse auteur Philip K. Dick tussen 1953 en 1981 schreef. Do Andoids Dream of Electric Sheep?, het boek waarop Blade Runner is gebaseerd, verscheen in 1968, het jaar waarin de wereld op zijn kop stond. Amerika werd opgeschrikt door de politieke moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy, na massale demonstraties en rellen viel in Parijs het regime van Charles De Gaulle en in Praag vermorzelde Rusland de ontluikende democratie met een legerinval.

Het boek speelt in 1991 (in latere edities 2021) en de wereld is verwoest door een nucleaire oorlog. Het gros van de mensheid is verscheept naar buitenaardse kolonies. Dieren, door radioactieve straling grotendeels uitgestorven, zijn een statussymbool. Rick Deckard moet zes ontsnapte replicanten, androïde robotten van het type Nexus-6, ‘pensioneren’, een eufemisme voor elimineren. Aan het slot vindt hij een pad, een uitgestorven dier. Het blijkt namaak te zijn.

Blade Runner: The Final Cut

De term Blade Runner komt niet voor in de roman van Dick. De film is vernoemd naar een novelle uit 1979 van William S. Burroughs, oorspronkelijk bedoeld als diens scenariobewerking van The Bladerunner, een minder bekende sciencefictionroman uit 1974 van Alan E. Nourse; het handelt over een smokkelaar van medische goederen, waaronder scalpels (blades).

Voor Philip K. Dick, tijdens zijn leven miskend als schrijver, was Blade Runner de eerste erkenning door de massamedia. Hij ontmoette Ridley Scott, was verrukt over de eerste rushes, maar heeft de filmrelease – op 25 juni 1982 in Amerika, 11 november in Nederland – niet meegemaakt. Hij overleed op 2 maart van dat jaar, 53 jaar oud.

Digitale toekomst zonder smartphones
Inmiddels heeft de fantasie van 1982 over het jaar 2019 plaatsgemaakt voor de werkelijkheid van nu. Wat is er over van dat toekomstbeeld? Wat is realiteit geworden en wat niet? Blade Runner visualiseert een toekomst met papieren kranten; iedereen rookt en er zijn geen smartphones. De film toont beeldschermen en computers, maar hét apparaat van het nieuwe millennium is afwezig. Er is wel een betaaltelefoon met beeldscherm. Technologie van dat moment en toekomstidee ineen, het is een hybride en die voorspellen zelden raak.

In 1982 had de digitale revolutie, de omwenteling in informatie- en communicatietechnologie (ICT), het leven van alledag nog niet bereikt. De computerspelletjes van Atari waren de meest zichtbare aankondiging dat er een ingrijpende verandering voor de deur stond. De personal computer was nog nauwelijks doorgedrongen tot kantoor en woonhuis. Het idee van een mobiele telefoon was toekomstmuziek. Teksten tikte je op een schrijfmachine en van internet had buiten een handvol academici niemand gehoord.

Blade Runner: The Final Cut

Daarmee is het belangrijkste verschil genoemd tussen de fantasie over 2019 en de werkelijkheid van 2019—de wereld van Blade Runner is een wereld zonder internet. Er zijn vliegende auto’s (ons beloofd door Über); er is een spraakgestuurde computer (waarmee Deckard als het ware in een foto kruipt); de straten van de stad zijn bevolkt door freaks; de gevels van de hoogbouw bekleed met beeldschermen; de samenleving is multiculturele mierenhoop; de invloed van Azië doorgedrongen tot in de keuken. En de planeet bevindt zich in een deplorabele staat, het uitsterven van dier en plantensoorten is massaal.

Eldon Tyrell (Eldon Rosen in het boek), de geestelijke vader van de replicanten, staat als techneut aan het hoofd van een multinational en is puissant rijk. Sinds de jaren negentig heeft het type Tyrell in Silicon Valley opgang gemaakt. In de film is kunstmatige intelligentie een feit, maar dan in de vorm van synthetische mensen. Geen algoritmes, zoals in de realiteit van nu. Blade Runner toont de wereld na een biotechnische revolutie, niet die van de ICT-omwenteling en later.

De pop als motief
Kunstmatigheid is een kernthema in het werk van Philip K. Dick. In veel van zijn boeken is de werkelijkheid zelf een nabootsing: virtueel, geregisseerd. Do Androids Dream of Electric Sheep? draait om kunstmatig leven. In Blade Runner is de leefomgeving radicaal omgevormd tot een technosfeer; de natuur is verdwenen, alles is artificieel. Het openingsshot van de film – het panorama van een immense, vuurspuwende technopolis – verbeeldt de hel. Daar mengen synthetische mensen, niet van echt te onderscheiden, zich onder de massa. Ook dieren zijn kunstmatig: de uil van Eldon Tyrell, de slang van replicante Zhora.

Het kunstmatige van het bestaan in een technosfeer wordt uitgedrukt door het motief van de pop, de nagebootste mens. Eldon Tyrell is een poppenmaker, hij produceert tot leven gewekte poppen. De Nexus-6 is een namaakmens, een simulacrum. Hij past bij een wereld waarin alles synthetisch is, niet-organisch.

Blade Runner: The Final Cut

De replicanten benaderen Tyrell via zijn werknemer J.F. Sebastian. Die is een gemankeerde versie van zijn baas. Hij woont in het vervallen Bradbury Building, niet in een imposante ziggoerat. Hij produceert geen replicanten, als hobby maakt Sebastian bewegende en pratende poppen; zijn appartement staat er vol mee. Als replicante Pris zich wil verbergen wanneer Deckard het appartement doorzoekt, vermomt ze zich—als pop. De perfecte nabootsing verhult zich als de herkenbare nabootsing.

J.F. Sebastian heeft iets gemeen met de replicanten: hij is gedoemd. Zijn levensduur is beperkt, hij veroudert onnatuurlijk snel. Hij is vervallen, net als het Bradbury Building, waarvan de entree is gevuld met afgedankte etalagepoppen. Ridley Scott wilde Blade Runner laten ogen als een film noir en het gebouw is vaak gebruikt als filmlocatie. Het is onder meer te zien in film noir-klassiekers als Double Indemnity (Billy Wilder, 1944), D.O.A. (Rudolph Maté, 1949) en de Amerikaanse remake van Fritz Langs M (Joseph Losey, 1951).

Deckard jaagt op kunstmensen, is hij zelf een replicant? Het boek oppert dat idee, maar is er duidelijk over: Deckard is geen namaak. Oorspronkelijk speelde die vraag niet in de film, fans begonnen erover. Ridley Scott reageerde in eerste instantie neutraal, maar suggereert in de final cut van Blade Runner dat Deckard zelf ook een synthetische mens is. Hij voegde een korte droomscène met een eenhoorn toe en suggereert dat het een geheugenimplantaat is. Het is een overbodige toevoeging, die de makers van Blade Runner 2049 heeft geïnspireerd tot een onzinnig idee: de replicanten krijgen nageslacht. Poppen die poppen baren, heus?

Het oog als motief
Naast de pop zijn ogen het voornaamste motief van Blade Runner. Ogen zijn de spiegel van de ziel en aan de pupilreactie meet de Voight-Kampff-test de gevoelsreactie af; empathie is wat mensen onderscheidt van replicanten. Deckard gebruikt de test om de replicanten te identificeren en ogen zijn de focus van de film.

Dat blijkt direct in de eerste scène, waarin replicant genoemde test ondergaat. Hij is de simpele ziel van de twee mannelijke replicanten, de dommekracht van het duo. Leon is onzeker, zijn ogen schieten onrustig heen en weer; hij reageert met geweld. Roy, de leider, daarentegen is intelligent en heeft een koele blik. Hij charmeert en slaat vervolgens toe.

Blade Runner: The Final Cut

Roy en Leon beginnen hun zoektocht naar Eldon Tyrell bij de wetenschapper die hun ogen heeft ontworpen. In die scène speelt het tweetal good cop, bad cop. Roy houdt als grap twee kunstogen voor zijn ogen, Leon intimideert de wetenschapper door hem te versieren met ogen.

Wanneer Deckard de vrouwelijke replicant Zhora heeft ‘gepensioneerd’, wordt hij geconfronteerd door Leon. Die ontwapent Deckard en wil hem de ogen uitdrukken. Leon’s ‘time to die’ loopt vooruit op de klassiek geworden sterfscène van Roy, waarmee Rutger Hauer zich in de filmgeschiedenis heeft gespeeld.

Inlevingsvermogen
Blade Runner staat in de traditie van Mary Shelley’s Frankenstein: de door de wetenschap gecreëerde kunstmens keert zich tegen zijn schepper. Roy confronteert Eldon Tyrell: de replicanten willen langer leven, een menselijke wens. Wanneer dat niet mogelijk blijkt, vermoordt hij Tyrell door zijn ogen uit te drukken en zijn schedel te kraken.

Het oogmotief wordt tot het slot van de film volgehouden. In het Bradbury Building wacht Pris op Roy, ze meet zich het uiterlijk aan van een pop en spuit een zwarte streep over haar ogen. Wanneer Roy arriveert, communiceert ze met hem zonder woorden, via de ogen. De uil, het artificiële huisdier van Tyrell, wordt getoond in een close-up van de ogen. Blade Runner is een film over poppen en ogen.

Voor Philip K. Dick betekent mens te zijn: te beschikken over verbeelding, het vermogen om zich in te leven in de ander en compassie te voelen. Empathie is wat mensen tot mens maakt en het zal niet helemaal toevallig zijn dat uitgerekend Do Androids Dream of Electric Sheep? als eerste van zijn dik dertig romans werd verfilmd. Mensen zijn gefascineerd door poppen. En, zoals Blade Runner onderstreept, door ogen.

 

29 oktober 2019


ALLE ESSAYS

The Matrix: blauwdruk van de superheldenfilm

The Matrix: blauwdruk van de superheldenfilm

door Alfred Bos

The Matrix was in 1999 de verrassingshit van een spectaculair filmjaar, waarin onder meer Eyes Wide Shut, Magnolia, American Beauty, The Sixth Sense, Being John Malkovich en Fight Club verschenen. De film was toen al een rare mix van nieuw en gedateerd. En is dat bij de hernieuwde kennismaking, nu hij opnieuw wordt uitgebracht, nog meer dan toen.

Niets veroudert zo snel als het bedoeld aparte, het bewust afwijkende, het nieuwe dat zichzelf als nieuw afficheert. Wat hip wil zijn, raakt snel gedateerd. Kijk naar sciencefictionfilms uit de jaren vijftig en je wordt bevangen door een zekere gêne. De deken van nostalgie kan de knulligheid van de verbeelde toekomst wel verzachten, maar niet verhullen. Daarom steken films als 2001: A Space Odyssey, Solaris en Blade Runner met kop en schouder boven de doorsnee-genrefilm uit. Het is hun tijdloosheid, hun niet-gedateerd zijn. Ze staan los van de mode en het moment waarop ze zijn gemaakt.

The Matrix

The Matrix verscheen in de zomer van 1999 en sloeg bij menige kijker in als een granaat. Het verbijsterende verhaal: de dagelijkse belevingswereld blijkt een geregisseerde constructie. De vernieuwende vorm: vechtscènes als kung fu-balletten. De visuele effecten: kogels die in slow motion over het doek vliegen, de bullit time. Het was verbluffend, een technisch hoogstandje. The Matrix – plus de vervolgdelen Reloaded en Revolutions – werd een cultfenomeen en de Wachowski-broers Larry en Andy (zussen Lana en Lilly, sinds respectievelijk 2003 en 2016) groeiden uit tot cultheld(inn)en.

Twintig zomers na de première is de bruis voor een flink deel platgeslagen. The Matrix is nog steeds een onderhoudende actiefilm met originele momenten en treffende effecten. Maar één van de beste sf-films ooit, passend in het eerder genoemde rijtje?

Wat nu vooral opvalt zijn de clichés. En dan niet wat inmiddels cliché is geworden: de kung fu in een westerse setting, de virtuele nepwereld, het ultrageweld. Maar de clichés die in 1999 al cliché waren, zoals de romance tussen de lotgenoten, en het verraad van de insider, of het slotgevecht waarin de bijna verslagen David op het allerlaatste moment de onoverwinnelijke Goliath vloert. Afijn, we kennen het van een miljoen andere films. The Matrix is door en door Hollywood. Maar toch ook weer niet. Het verpakt ideeën uit de tegencultuur in een mainstreamjas.

De wereld als simulatie
The Matrix is een film van zijn tijd, de jaren negentig van de vorige eeuw. Cyberpunk is van oorsprong een literair subgenre dat in de jaren tachtig zijn vorm werd gegeven door sciencefictionauteurs Bruce Sterling (The Artificial Kid, 1980) en William Gibson (Neuromancer, 1984). Cyberpunk verbeeldt een wereld waarin punks achter de computer zitten en zich als hacker verweren tegen de corporate wereld die de rol van de staat heeft overgenomen. Het genre leeft nog steeds, ook in de bioscoop: zie Upgrade (2018). En op televisie, blijkens Mr. Robot (USA Network, 2015) en Altered Carbon (Netflix, 2018).

Midden jaren negentig – en kort na de CGI (computer generated imagery)-revolutie – maakte cyberpunk de sprong van papier naar het het grote scherm via films als Johnny Mnemonic (Robert Longo, 1995), Strange Days (Kathryn Bigelow, 1995), Dark City (Alex Proyas, 1998) en eXistenZ (David Cronenberg, 1999). Die laatste verscheen in Amerika een paar weken na The Matrix en werd, onverdiend, geheel overschaduwd door het bravourestuk van de Wachowski’s.

De wereld als simulatie, buiten de onwetende hoofdpersoon om geregisseerd door een derde partij, is een idee van sf-schrijver Philip K. Dick. Hij introduceerde het concept in zijn roman Time out of Joint uit 1959. De digitale schijnwereld is een troop van het cyberpunkgenre: in zijn roman Neuromancer koppelt William Gibson de gesimuleerde wereld van Philip K. Dick aan het concept internet en noemde het—de matrix. Een virtuele wereld die bestaat uit data, uit enen en nullen. Gibson visualiseert computerbestanden als gebouwen, een quasi-werkelijkheid.

Geregisseerde namaakrealiteiten staan centraal in Strange Days en Dark City. David Cronenbergs eXistenZ speelt met hetzelfde concept. De tv-serie Wild Palms deed dat al in 1993. William Gibson schreef een op zichzelf staande aflevering van The X-Files, in Amerika uitgezonden op 15 februari 1998. In Kill Switch beleeft Mulder gruwelijke avonturen in een virtuele werkelijkheid die wordt geregisseerd door een kunstmatige intelligentie. Nieuw was het idee van de wereld als gemanipuleerde neprealiteit bepaald niet niet toen The Matrix op 31 maart 1999 in Amerika, en in Nederland op 17 juni, in de bioscoop verscheen.

The Matrix

Technologische overkill
‘Alles is bestemd om opnieuw te verschijnen als simulatie’, schreef de Franse filosoof Jean Baudrillard in America (1986). In cyberpunk staat de simulatie centraal; namaak is gewoon, bedrog de norm. De markt heeft de staat vervangen, internationaal opererende bedrijfsconglomeraten staan buiten de wet. De ultra-rijken leven in een bubbel van exorbitante luxe, geïsoleerd van de verpauperde massa. De wereld is een ecologische ruïne, de paleizen van het bedrijfsleven contrasteren scherp met de verloederde leefomgeving van de havenots. Steriel minimalisme – of opulente overdaad – versus de bouwval van het industriële, pre-digitale tijdperk.

De hyperrealiteit van The Matrix verhult een gruwelijke werkelijkheid. De mens is onderworpen door intelligente machines en verworden tot biologische batterij die de robotten van stroom voorziet. Hij wordt als pluimvee gekweekt in incubatiecellen, door de Wachowski’s verbeeld via een architectuur die technologische overkill op een onmenselijke schaal suggereert. Het kunstmatige ei waarin men virtueel droomt, is gedetailleerd beschreven in Halo, de eerste en enige roman van Tom Maddox uit 1991. Dat boek was weer geïnspireerd door Count Zero (1987) van William Gibson.

Ook typisch jaren tachtig is de aankleding van de werelden, reëel en virtueel, die de Wachowski’s de kijker voorschotelen, de werelden waarin de rebellen van The Matrix hun overheersers te lijf gaan. De straatbeelden van New York, met hun trottoirs vol anoniem maar vlot geklede consumenten en werkbijen, hadden uit Wall Street (1987) kunnen komen. Dat is de schijnwereld van de virtuele nabootsing. In de niet-gesimuleerde werkelijkheid van The Matrix bewegen de rebellen zich in een onderwereld vol metaal die eerder industrieel dan digitaal aandoet, evenveel tank is als computer.

The Matrix

Die onderwereld is de visuele pendant van de muziek die is gemaakt door industriële rockbands uit de jaren tachtig als Front 242, The Young Gods, Front Line Assembly, Nurse With Wounds en Ministry. De laatste is op de geluidsband van de film te horen, naast jaren negentig acts als Marilyn Manson, Meat Beat Manifesto en Rammstein. De muziek op de soundtrack is industrial en big beat, genres die in 1999 hip zijn in rockkringen waar met synthesizers wordt geflirt. De grunge van Nirvana en Pearl Jam is opvallend afwezig.

Nostalgische romantiek
De technologie van de rebellen doet ouderwets aan. In 1999 bestaat de smartphone nog niet, in de gesimuleerde wereld belt men met klassieke dumbphones voorzien van antennespriet; ze worden open en dichtgeklapt. Om van de gesimuleerde wereld terug te keren naar hun dystopische realiteit gebruiken de rebellen archaïsche telefoons met draaischijf of, in het beste geval, druktoetsen.

Telefoons en dus niet computers zijn de poort tussen de virtuele realiteit en de fysieke wereld: het is alsof de digitale revolutie en internet nog niet zijn gebeurd. De gesimuleerde wereld van The Matrix, die volgens het filmverhaal is gesitueerd in de late tweeëntwintigste eeuw, is die van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Het moment waarop cyberpunk zich presenteerde als de nieuwe voorhoede.

The Matrix

Om van hun eigen wereld naar de simulatie te reizen, gebruiken de rebellen een andere cyberpunktroop, de plug die als breincomputerinterface in de nek wordt gestoken, door William Gibson geïntroduceerd in Neuromancer. De Wachowski’s hadden ook kunnen kiezen voor elektrodes die via de oogzenuw het brein verbindt met de computer en diens simulatie, zoals Pat Cadigan deed in haar roman Mindplayers uit 1987. Moet je wel eerst je kunstogen –simulaties – uitdoen.

William Gibson heeft in zijn essay Will we have computer chips in our heads? kanttekeningen bij die chirurgisch ingebrachte implantaten geplaatst. Hij ziet ze als ‘nostalgische romantiek’, vergelijkbaar met verouderde technologie als de vacuümbuis en de diaprojector. Biotechnologie en nanotechnologie zullen dergelijke invasieve ingrepen overbodig maken, stelde hij in het Amerikaanse weekblad Time. Internet was in 1999 niet langer het speeltje van academici en hackers, maar een massamedium. Cyberpunk begon al een beetje nostalgisch te voelen.

Morpheus’ monologen
Gibsons artikel verscheen op 19 juni 2000, zodat de Wachowski’s het niet gelezen kunnen hebben. De vervaarlijk ogende pluggen die de rebellen in hun nek steken om de virtuele wereld binnen te treden, herinneren eraan dat The Matrix, à la David Cronenberg, de nodige body horror bevat. Dat geldt ook voor de broedcellen waarin mensen worden gehouden als batterij. Nadat Neo heeft gekozen voor de rode pil (de waarheid), wordt hij wakker uit zijn gesimuleerde droom. De scène had van de Japanse horror-regisseur Shin’ya Tsukamoto (Tetsuo, 1989) kunnen zijn.

The Matrix

Het meest ouderwetse en het meest clichématige Hollywood-aspect van The Matrix is de verteltechniek. De expositie van het buitenissige achtergrondverhaal – de aard van het bestaan en de manipulatie – nodig om de pointe van de film te kunnen bevatten, gebeurt via monologen van Morpheus (Laurence Fishburne), de ziener, of zo men wil, de sjamaan van het verhaal.

Over de held-tegen-wil-en-dank, Thomas Anderson/Neo (Keanu Reeves, die eerder de hoofdrol speelde in het verwante Johnny Mnemomic, naar het gelijknamige verhaal van William Gibson), stort Morpheus een vloed aan informatie uit. Het is vermoeiend, niet alleen voor Neo, ook voor de kijker. Het doet ronduit onbeholpen aan.

In de klassieke mythologie is Morpheus een shapeshifter die in mensengestalte in dromen verschijnt. Zijn vader is Hypnos (slaap), zijn oom Tanathos (dood). Morpheus is als Dream het hoofdpersonage van The Sandman. Dat stripverhaal van Neil Gaiman hebben de Wachowski’s, comicfans en liefhebbers van popcultuur, zeker gelezen. Dream/Morpheus personifieert dromen en verhalen: de verbeelding. Hij bij uitstek kan het verschil maken tussen fictie en feit.

Geleende ideeën
The Matrix
gebruikt een interessant idee (de wereld als simulatie) en verpakt het in een vergezochte premisse (de mens als biologische batterij) om een kreupel uiteengezet verhaal (Morpheus’ monologen) via vernieuwende actie (kung fu) en dito beeldtaal (bullit time) een standaardvertelling te serveren (rebellen versus overheerser) die uitmondt in een clichéslot (David verslaat Goliath nipt). Het publiek reageerde enthousiaster (IMDb-waardering 8,7) dan critici en beroepskijkers (Metacritic-waardering 73).

The Matrix

The Matrix is een collage van ideeën die al geruime tijd leefden in sciencefiction en popcultuur. Het idee van de werkelijkheid als geregisseerde constructie hing in de lucht: een jaar voor de film over Neo, Morpheus en Trinity (Carrie-Anne Moss) in première ging, draaide in de bioscoop The Truman Show (Peter Weir, 1998), met Jim Carrey als verzekeringsagent die zich er niet van bewust is de hoofdpersoon te zijn van een reality tv-show. Ook qua vorm is de film van de Wachowski’s niet oorspronkelijk. Het idee van de bullit time komt van Michael Gondry, die het in 1997 gebruikte voor zijn clip van de Rolling Stones en hun cover van Bob Dylans Like a Rolling Stone.

Een vergaarbak van andermans ideeën, knip- en plakwerk van fanatieke fanboys—de Wachowski’s zijn meer dan eens beschuldigd van plagiaat. Dat is op zich niet opzienbarend, de populaire cultuur zit vol met me too-creaties die bestaan uit geleende ideeën. Ondanks zijn gebreken is de film invloedrijk gebleken. Dat komt niet door het basisidee van de wereld als constructie ten behoeve van parasiterende . Dat was eerder – en is vaker – en beter gedaan. Het komt ook niet door de regie, want die is niet van bijzondere kwaliteit. Het komt door de visuele flair van de actiescènes.

Toevalstreffer?
The Matrix
heeft de Amerikaanse actiefilm veranderd. Vóór 1999 was kung fu het domein van de Aziatische cinema. De Wachowski’s integreerden het in de Hollywood-modus en een jaar later maakte Ang Lee met Croughing Tiger, Hidden Dragon de spectaculair gechoreografeerde vechtkunst tot deel van de beeldtaal die iedere filmkijker verstaat. Quentin Tarantino nam het gretig over voor diens Kill Bill-films van 2003 en 2004. The Matrix heeft de toon gezet voor de golf superheldenfilms van het nieuwe millennium.

The Matrix

De acteurs hebben het meest geprofiteerd van het succes van The Matrix. Voor fotomodel en tv-actrice Carrie-Anne Moss was haar rol als Trinity de springplank naar een bloeiende filmloopbaan. Kenau Reeves groeide uit tot een ster en zowel Laurence Fishburne als Hugo Weaving (die de rol speelt van Agent Smith, de antagonist) zaten nadien geen dag zonder werk.

Na de vervolgdelen Reloaded en Revolutions, kort na elkaar uitgebracht in 2003, hebben de Wachoswki’s niets meer van vergelijkbare invloed of kwaliteit gemaakt. Hun laatste film, Jupiter  Ascending, is een warrige mislukking. De aanvankelijk veelbelovende tv-serie Sense8, geschreven in samenwerking met stripauteur J. Michael Straczynski, is na twee seizoenen van de buis verdwenen: weidse visie, torenhoge ambities, een overdaad aan personages, chaotische verhaallijn, geen focus.

Zo lijkt The Matrix een toevalstreffer. Of heeft de film zijn makers opgebrand?

The Matrix draait vanaf 29 augustus opnieuw in de bioscoop.

 

26 augustus 2019


ALLE ESSAYS

Tigers Are Not Afraid

***
recensie Tigers Are Not Afraid

Kinderlijke onschuld, volwassen reactie

door Cor Oliemeulen

Tijgers vergeten nooit iets, kunnen goed zien in het donker, hebben scherpe hoektanden om hun prooi te verscheuren en zijn nooit bang. De tijger is het symbool van kracht voor de vijf weeskinderen die proberen te overleven in een verlaten stadsdeel in Mexico waar een drugsbende mensen ontvoert.

De kinderen moeten vluchten als een van hen, Chino, de telefoon met een belastend filmpje van een drugsbendelid heeft gestolen. Het elfjarige meisje Estrella, wier moeder is verdwenen na een schietpartij bij school, heeft zich aangesloten bij de jochies, maar moet zich eerst op een extreme manier bewijzen. Gewapend met drie wensen (in de vorm van drie krijtjes, gekregen van de juf), gekweld door horrorbeelden van dode mensen en achtervolgd door een stroompje bloed, gaat zij op zoek naar haar moeder, terwijl zij haar kinderlijke onschuld probeert te bewaren door te vluchten in fantasie.

Tigers Are Not Afraid

Liever meeleven dan lachen
Volgens de Mexicaanse regisseur Issa López valt er in haar als donker sprookje vermomde drama soms best te lachen, maar de mate waarin is afhankelijk van het publiek. Mensen in Latijns-Amerika – gevormd door een gewelddadige geschiedenis waar de dood nooit ver weg was – zien eerder de lol door alle ellende om zich heen, met de bloedige drugsoorlog in Mexico als jongste treurige voorbeeld. In hun betrekkelijke onschuld zijn het vooral kinderen die overleven door de schoonheid van de menselijke geest. Eenzelfde soort relativerend vermogen ontdekte López in Belfast, in het verleden vaak ook niet bepaald een vrolijke boel, waar de zaal soms dubbel lag. In Nederland lachte niemand, maar desondanks werd Tigers Are Not Afraid vorig jaar gekozen als beste film op het Imagine Film Festival in Amsterdam.

Net als overal ter wereld zullen kijkers vooral worden geraakt door het emotionele component van de film. Het gevoel van medelijden voor het weinig hoopvolle perspectief van de kinderen is niet meer dan menselijk, maar net als zij wordt de kijker door het gebruik van magisch-realistische en fantasierijke elementen soms afgeschermd van de gruwel. Kinderen zijn immers kwetsbaarder dan volwassenen en kunnen onvoorwaardelijk rekenen op betrokkenheid van het publiek. Terwijl de kijker van de gemiddelde thriller of actiefilm is murw geslagen door de weinig benijdenswaardige bestemming van volwassenen die op al dan niet beestachtige wijze worden vermoord, kan het onheilspellende lot van kinderen gelukkig nog een potje breken.

Tigers Are Not Afraid

Ongelukkig happy end
Is Tigers Are Not Afraid dan wereldwijd overspoeld met waardering en filmprijzen omdat juist argeloze kinderen worden geteisterd door die irritante drugsoorlog? Zou het publiek schouderophalend reageren als slechts volwassenen onder al die gewelddadigheden gebukt gingen? En accepteren we het wanneer volwassenen diezelfde harde realiteit proberen te verzachten door te vluchten in fantasie, of verwijzen we die liever naar pillendraaiers?

Natuurlijk zijn er genoeg films over de greep van de Mexicaanse drugsoorlog op volwassenen, denk aan Heli (2014) waarin nota bene kinderen de meest verschrikkelijke capriolen (zoals marteling) uithalen. In plaats van het rauwe sociaalrealisme in dit deprimerende drama van Amat Escalante, of bijvoorbeeld het neorealisme van Luis Buñuels klassieker Los Olvidados (1950) waarin straatschoffies in Mexico-Stad morele grenzen overschrijden, kiest Issa López in Tigers Are Not Afraid voor een mooi uitgebalanceerde combinatie van drama, magisch-realisme en een vleugje horror. Qua motivatie en uitvoering afgekeken van haar landgenoot Guillermo del Toro in diens superieure Pan’s Labyrinth (2006), waarin een meisje tijdens een fascistisch regime vlucht in haar fantastische doolhof.

Lachen of niet, ook in Tigers Are Not Afraid zitten fragmenten van vrolijke speelsheid (die je bij de meeste volwassenen mist). Dat neemt niet weg dat Estrella’s verzuchting – ‘Elke keer als ik een wens doe, gebeurt er iets ergs’ – zal leiden tot een ongelukkig happy end. Ondanks de authentieke setting en het sterke acteren van de jonge cast beklijft dit donkere sprookje minder dan het eveneens met minimale middelen geschoten, beklemmende Russische oorlogsdrama Anna’s War.

 

23 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

Rocketman

*****
recensie Rocketman

Liberace gereïncarneerd als Elvis Presley

door Alfred Bos

Wat hebben Elton John en Queen gemeen? Hun voormalige manager, John Reid. En de regisseur van hun beider biopic, Dexter Fletcher. Rocketman slaat Bohemian Rhapsody op alle fronten. Kwestie van vorm die bij de inhoud past.

Zijn muziekfilms – biopics over muzikanten, films rond muzikanten, documentaires – bezig uit te groeien tot een modeverschijnsel? In de bioscoop draaien Wild Rose en Vox Lux, speelfilms over zangeressen die worden geplaagd door persoonlijke demonen. Deze zomer komt de nieuwe Danny Boyle, Yesterday, waarin de muziek van The Beatles centraal staat. In het najaar volgt Beats, een film die speelt in de ravescene van de vroege jaren negentig.

Rocketman

Dan hebben we de later dit jaar nog te verwachten films over een reality-tv-wannabe-ster (Teen Spirit), een gefokte punkmuzikante (Her Smell), een Brits-Pakistaanse fan van Bruce Springsteen (Blinded by the Light) en de biopic van Judy Garland (Judy) nog niet eens genoemd.

Vorig jaar waren er A Star is Born en de tweede hitmusicalfilm rond ABBA, Mamma Mia: Here We Go Again. Die trok net iets minder bezoekers dan de publieksmagneet van 2018, de Queen-biopic Bohemian Rhapsody. De baan ligt ruim open – het is wellicht een yellow brick road – voor Rocketman, het in fictie navertelde verhaal van jaren zeventig glamrockster Elton John, in 1947 geboren als Reginald Dwight. Hij staat momenteel in concertzalen wereldwijd voor zijn afscheidstournee (8 en 17 juni in Ziggo Dome, Amsterdam).

Optelsom van gelukkige keuzes
Rocketman is geregisseerd door Dexter Fletcher, de man die Bohemian Rhapsody redde van schipbreuk, en de film doet precies wat de Queen-biopic jammerlijk naliet. Hij brengt het verhaal niet als droge, lineair vertelde nabootsing van de werkelijkheid, maar – geheel in de uitzinnige camp-geest van zijn onderwerp – als musical, compleet met imposante dansscènes. Elton John is Liberace gereïncarneerd als Elvis Presley, dus hoe bonter hoe beter. En bont is een eufemisme met betrekking tot Rocketman.

Rocketman is een aaneenschakeling van gelukkige keuzes. De film herenigt regisseur Fletcher met acteur Taron Egerton, die de titelrol vervulde in Eddie The Eagle, eveneens een biopic over een excentrieke Engelsman. Egerton lijkt niet alleen treffend op John, hij zingt diens repertoire – dat kwistig en, ook heel handig, niet synchroon met de tijdlijn, maar thematisch door de film is gestrooid – meer dan adequaat. Hij is niet alleen in de huid, maar ook in de stembanden van zijn onderwerp gekropen.

Daarnaast is het een geïnspireerd idee om auteur Lee Hill te vragen voor het script. Hill heeft affiniteit met muziek, musical en camp – en schrijft nu aan het scenario voor de verfilming van Cats – en doet niet lastig over de seksuele geaardheid van zijn onderwerp. Waar Bohemian Rhapsody nuffig een morele vinger hief, is Rocketman volstrekt eerlijk over drugs, seks en exces. Je kunt er kapot aan gaan, maar het is niet iets om je over te schamen.

Rocketman

Glitterduivel
De beste keuze evenwel is om Elton Johns levensverhaal te vertellen als een collectie muziek- en dans-set pieces, afgewisseld met realistische scènes. In de concertscènes komen ze samen, het indrukwekkendst, en minst realistisch, wanneer John in september 1970 als anonieme nieuweling in de Troubadour (Los Angeles) optreedt voor een zaal met gekende muziekhelden – we zien Neil Diamond, Leon Russell en een paar Beach Boys aan de bar hangen – en het publiek orgiastisch reageert. John heeft in interviews te kennen gegeven dat die respons hem het gevoel gaf van de grond te komen. Die emotie maakt de film letterlijk zichtbaar: hij zweeft gestrekt achter de toetsen.

Goed passend bij de mengvorm van historisch realisme en uitbundige verbeelding is de keuze om Johns verhaal te visualiseren als raamvertelling. De film opent in stijl met een Elton John die in vol ornaat als glitterduivel een AA-meeting binnenstapt om zijn persoonlijke verhaal te vertellen. Flashbacks maken duidelijk dat een liefdeloze jeugd met een vaak afwezige moeder en een harteloze, soms ronduit vijandige vader het getalenteerde jochie heeft doen opgroeien tot onzekere, naar liefde hunkerende misfit.

Zijn talent voor het improviseren van pakkende melodieën, ze rollen bijna achteloos uit zijn vingers, komt tot bloei wanneer hij door muziekuitgever Dick James, de man die in 1962 The Beatles de deur wees, volstrekt willekeurig aan tekstschrijver Bernie Taupin (Jamie Bell) wordt gekoppeld. Extra ster voor Rocketman, dat diens kwaliteiten en vitale rol in het verhaal eindelijk goed voor het voetlicht brengt. Johns homoseksualiteit komt aan de oppervlakte via zijn latere manager John Reid (Richard Madden), nadien tevens manager van Queen.

Absolute Beginners
De film concentreert zich op de eerste helft van de jaren zeventig, de periode waarin rockmuziek evolueerde van tegencultureel bindmiddel tot big business en Elton John in Amerika uitgroeide tot de grootste muziekster van dat moment, een regelrecht fenomeen. Het is hoogst verwarrend voor wie in korte tijd van nobody tot idool wordt gekatapulteerd. Met het succes komen de roem en het geld. En steeds uitbundiger podiumuitdossingen, onmatige consumptie van drank en drugs, seksuitspattingen. En de koopverslaving. En de zelfmoordpogingen. Alleen liefde kan het gat in zijn ziel vullen. Hij vindt het, ondanks zichzelf.

Rocketman

Rocketman voegt zich in een traditie van Engelse muziekfilms waarin subcultuur als musical wordt gerepresenteerd. Hij is even uitbundig als Ken Russells verfilming van The Who’s rockopera Tommy, waarin Elton John indertijd te zien was, of diens Franz Liszt-biopic Lisztomania (beide uit 1975) en gebruikt dezelfde vorm als Julian Temple’s Absolute Beginners (1986), met David Bowie en The Kinks-voorman Ray Davies. Russell pionierde in Tommy de beeldtaal van MTV en Temple is de meest vermaarde clipregisseur van zijn generatie.

De film van Dexter Fetcher is in feite een als speelfilm verpakte videoclip, een cocktail van Vincente Minnelli en Ken Russell, en sluit raak af met een dansscène die naadloos overgaat in de originele videoclip van I’m Still Standing, Elton Johns laatste artistiek relevante hit uit 1983. Fantasie switcht moeiteloos naar realiteit, het donkere sprookje heeft een gelukkig eind. Als gerechtigheid en goede smaak bestaan – en muziekfilms inderdaad in de mode zijn – wordt Rocketman de bioscoopklapper van 2019.

 

29 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

Good Manners

**
recensie Good Manners

Futloze fabel

door Sjoerd van Wijk

Het rommelige sprookje Good Manners propageert levenloos strijdlust in plaats van verzoening. Futloos zet het een bovennatuurlijke allegorie op die aansluit bij het huidige Braziliaanse politieke klimaat, waar de nieuwe president Jair Bolsonaro minachting voor mens en milieu uitstraalt.

Het is daarmee wel een tijdige film, die aangeeft wat een ieder die afwijkt van de destructieve norm te doen staat de komende tijd. De verschillen tussen Clara en de zwangere Ana kunnen niet groter zijn. Clara is een kinderoppas zonder opleiding en een lesbienne van Afrikaanse afkomst. Ana een verwende dame uit een welvarende familie, die door de dubieuze omstandigheden van haar zwangerschap er alleen voor staat. Er ontwikkelt zich al snel een hechte band tussen de twee, maar er lijkt iets mis met de baby. Goed, bovennatuurlijk mis. Clara’s leven neemt dan ook een onverwachte wending in dit tweeluik.

Good Manners

Afwijkende zwangerschap
Regisseurs Marco Dutra en Juliana Rojas (die vaker hebben samengewerkt) nemen uitgebreid de tijd om alle puzzelstukken op hun plaats te laten vallen. São Paolo is hier op de achtergrond een feeërieke metropolis, die geen massale drukte maar serene mystiek uitstraalt. In het claustrofobische appartement ontwikkelen de twee ondanks de tegenstellingen een aparte verstandhouding met elkaar. Het desolate maakt echter gaandeweg plaats voor het lethargische. De lichte griezel van Ana’s afwijkende zwangerschap staat snel vast, maar Dutra en Rojas blijven lang dwepen met de relatie, die overtuigingskracht mist doordat Isabél Zuna als Clara weinig passie uitstraalt.

Zij weet pas te overtuigen in het tweede deel, als de aard van de baby duidelijk is en het vreemde de wereld betreedt. Met het groeien van haar kapsel en haar unheimische adoptiezoontje Joel komt er meer vuur in haar. Het al eerder weinig subtiele motief van vlees of groente wat de pot schaft, legt er extra dik bovenop dat afwijken van de status quo het leven zelf is, met alle risico’s van dien. Clara’s pogingen Joels ware karakter te verbergen, voelen wel oprecht aan.

Dat Joel met ouder worden ook eigenwijzer bij de anderen wil horen, leidt tot de verwachte bonje, maar het lijzige tempo is hier adequaat. Good Manners verzandt echter continu in uitstapjes van bodyhorror tot musical. De eclectische mix van stijlen kent een lusteloze behandeling met stoïcijnse opnames, die gegeven het spannende materiaal niet voor de hand ligt. De druk loopt op, terwijl São Paolo immer vreedzaam doet denken dat het toverachtige in elke hoek te vinden is. 

Good Manners

Barbaarsheid tegenover domesticatie
Het barbaarse andere, wat vlees verslindt en huilt naar de volle maan, komt hiermee tegenover domesticatie te staan. Niet toevallig bevindt Clara zich in een christelijke goegemeente, een gemeenschap die de autocratische Jair Bolsonaro steunde in de Braziliaanse presidentsverkiezingen.  In het echt is het hij die anderen wil verslinden, zoals de inheemse bevolking in de Amazone. Good Manners blijkt dus een ironische titel en komt daarmee op voor de achtergestelden. In de verwachte ontknoping komt de strijdlust naar voren, als Clara en Joel hechter dan ooit tevoren worden.

Het doet in de verte denken aan het Mexicaanse Tigers Are Not Afraid, dat ook via een kind met bovennatuurlijke gaven de strijd met sociale misstanden aangaat. Daar is het sprookjesachtige echter vernuftiger verbonden met de omringende wereld, wat de emotionele binding ten goede komt. Tevens is daar ruimte voor verzoening, die alle narigheid doet vergeven en vergeten. Good Manners gaat voor de confrontatie in plaats van een beroep op christelijke naastenliefde te doen. Het is sociale kritiek, maar laat in haar apathische behandeling kansen op compassie liggen.

 

3 november 2018

 

ALLE RECENSIES