Interview met Oscar-winnaar Michael Dudok de Wit

Oscar winnende regisseur Michael Dudok de Wit over The Red Turtle:
“Mensen zijn onderdeel
van de natuur”

door Alfred Bos

Klauterend applaus klonk er na de wereldpremière van The Red Turtle op het filmfestival van Cannes. ‘Animatiefilm van het jaar’ was de teneur van de reacties op de eerste lange tekenfilm van Michael Dudok de Wit. Na in 2000 te zijn beloond met een Oscar voor zijn korte animatiefilm Vader en Dochter (Father and Daughter) maakt de vanuit Londen werkende animator (Abcoude, 1953) opnieuw indruk. The Red Turtle is een allegorie over de mens en diens plaats in de natuur, verteld via het verhaal van een schipbreukeling.

The Red Turtle is de eerste productie die de vermaarde Studio Ghibli uit Tokio uitvoert met een niet-Japanse animator. Niet alleen de visuele stijl, ook de toon van de film past naadloos bij meesterwerken van animatie als The Wind Rises en The Tale of the Princess Kaguya. Dudok de Wit en zijn team werkten zes jaar aan de film, met schitterend resultaat. Wie dit verhaal met universele zeggingskracht – zonder dialoog en geschikt voor alle leeftijden – onbewogen uitzit, is van beton.

Michael Dudok de Wit

Wat kan animatie wat andere vormen van cinema of visuele kunsten niet kunnen?

“Ah, leuke vraag”, reageert Dudok de Wit. ”Animatie stileert meteen heel veel, ook al is het realistische animatie. The Red Turtle is relatief realistische animatie. Dat was ook de bedoeling en we hebben acteurs gevraagd om te spelen voor de animator. Dat is gefilmd en vormde de inspiratie voor de animators. Maar het is gestileerd. Alleen het feit al dat er een lijn om je heen is, dat elke tekening een kader heeft, dat de schaduw van een lichtbron komt, dat de kleuren gestileerd zijn. Daarmee geef je er al direct een persoonlijk karakter aan. Al wordt de film gemaakt door een groep mensen, het idee komt uit mijn keuze. Dus je geeft er een persoonlijke smaak aan. Live action doet dat ook, maar animatie kan dat veel sterker. Dat gebeurt automatisch, je kunt het niet vermijden.”

“Onze lichaamstaal is heel expressief,
veel meer dan mensen zich realiseren”

Want het is een soort abstractie van de werkelijkheid.

“Heel mooi gezegd. Veel makers van live action films, vooral documentairemakers, zeggen dat het de werkelijkheid is, maar het is altijd een abstractie. Je maakt altijd een keuze. Maar het is meestal subtieler, minder opvallend.”

“Dat is één verschil. Een ander verschil is dit: mensen – en nu heb ik het over de animatie van mensen en dieren die zich als mensen gedragen – hebben spreektaal en lichaamstaal, dat laatste vooral via gezichtsuitdrukkingen. Onze lichaamstaal is heel expressief, veel meer dan mensen zich realiseren. Zeker het gezicht en de ogen, maar ook de handen. We communiceren voortdurend subtiele boodschapjes. Daar zijn we van nature heel gevoelig voor, daar zijn we voor geprogrammeerd, al vanaf de baby-fase.”

Baby’s zijn er zelfs heel erg goed in.

“In live action kun je daar mee spelen, met close-ups en goede acteurs. Met animatie kun je dat niet. Zeker niet met het gezicht, want dat zijn platte oppervlaktes. De ogen moeten vereenvoudigd worden. De kleine spiertjes in het gelaat kun je niet allemaal animeren, dat is onmogelijk veel werk. Zelfs met motion capture. Dus je moet er iets heel eenvoudigs van maken. Een acteur of een mens drukt verschillende emoties tegelijk uit. In animatie blijven we zoveel mogelijk op één emotie, welke dat ook is. Eventueel, als we heel goed zijn, blijven we op twee emoties tegelijk, maar niet meer. Omdat we die rijke taal van het gezicht, de ogen en de handen niet kunnen gebruiken, moeten we dat op een andere manier compenseren.”

Hoe doet u dat? Hoe compenseert u dat gemis?

“Dat doen we automatisch, bijna onbewust, omdat we weten dat de film anders te saai wordt. De meest voor de hand liggende oplossing is: we leggen muziek op de film. Die gebruiken we heel bewust. Geluidseffecten, niet opgenomen maar speciaal gecreëerd voor de film. We kunnen alles maken wat we willen.”

“In animatie worden sterke kleuren gebruikt
om met de emotie van de kleur te spelen”

Dus als de oplossing niet via het beeld kan, dan via het geluid.

“Maar het kan ook via het beeld, via kleur. Dat is, denk ik, de reden dat veel animatiefilms de kleuren zo opduwen. In werkelijkheid zijn de dingen veel grijzer. In animatie worden sterke kleuren gebruikt om met de emotie van de kleur te spelen. Eigenlijk wordt alles een beetje overdreven. Ook de gebaren worden overdreven. Voor The Red Turtle was mijn verzoek aan de animators: blijf zoveel mogelijk bij de dagelijkse, normale bewegingen. Maar alle animators weten dat je zelfs de dagelijkse bewegingen, zoals de hoek van een hoofd en een gebaar met de hand, moet overdrijven. Dat maakt het toch mooier.”

The Red Turtle

The Red Turtle

In dat opzicht doet animatie denken aan de stomme film.

“En aan mime. Een mime-artiest pakt een glas op en drinkt water, maar hij doet het niet zoals u en ik. Hij doet het op een grafische manier die veel interessanter is. Een groot gebaar, een mooie gekromde hoek, enzovoorts. In de stomme film ging het net zo, maar dan wat sneller, om technische redenen: het aantal beeldjes per seconde. In de allervroegste films gebeurde alles net iets sneller dan in het echt. Dat was opwindend, dat was leuk.”

“Ik realiseerde me dat je in animatie ook met muziek
kunt werken, dat is toch een enorme nieuwe dimensie”

Het belangrijkste verschil tussen strips en getekende animatie is de dimensie tijd. Dus: beweging.

“En het andere belangrijke verschil tussen animatie en live action is de muziek en het geluid. Dat is de reden waarom ik animator ben geworden en niet striptekenaar. Als tiener en student maakte ik in mijn vrije tijd stripverhalen. De narratieve kant van tekenen vond ik juist zo mooi. Dat je een verhaaltje kunt vertellen, zelfs al heb je maar twee of drie beelden. Ik dacht er serieus over na om stripartiest te worden. Maar ik realiseerde me dat je in animatie ook met muziek kunt werken, dat is toch een enorme nieuwe dimensie.”

The Red Turtle opent met een schipbreuk in een kolkende zee. Ik moest gelijk denken aan De grote golf van Kanagawa, de beroemde houtsnede van de Japanse kunstenaar Hokusai. Is dat de bedoeling?

“Nee, dat is niet de bedoeling. Maar voor Hokusai’s Golf geldt hetzelfde als wat voor de Mona Lisa opgaat. Dat beeld is teveel gebruikt, dus als artiest krijg je een soort anti-reactie.”

“Hokusai is voor mij niettemin een inspiratie, ook een persoonlijke inspiratie. Zijn carrière begon vrij laat in zijn leven. Tegen de tijd dat hij tachtig was, zei hij zoiets als: Ik denk dat ik nu eindelijk een beetje goed begin te tekenen. Dat zeggen niet veel artiesten en dat vind ik leuk: dat ze pas aan het einde van hun leven ontdekken dat ze goed worden.”

“Hokusai is een inspiratie, want Japanners hebben een gevoeligheid voor de leegte in hun kunst. Dat proberen we te imiteren in het westen, maar we kunnen het niet goed. Dat is filosofisch-religieus, maar zeker ook cultureel. En ze doen het goed, ze doen het met smaak. Je ziet het zelfs aan de Japanse tuinen. Ik vind het prachtig en heel veel van mijn collega’s ook. In die zin is Hokusai een inspiratie.”

De grote Golf van Kanagawa (Katsushika Hokusai)

De grote golf van Kanagawa (Katsushika Hokusai)

Dat is een mooi bruggetje naar het volgende: ik zie veel overeenkomsten tussen de films van Yasujirô Ozu en The Red Turtle, of uw werk in het algemeen.

“Dat is een groot compliment. Ozu heeft andere camerahoeken dan ik.”

Het is vooral de leegte.

“Mijn eerste Japanse film zag ik pas toen ik volwassen was. Ik ben in 1953 geboren en toentertijd waren er weinig Japanse films in mijn omgeving. Dat was Seven Samurai. Ik vond het prachtig en ik zat er meteen helemaal in. Wat me heel erg opviel was de kwaliteit van de natuur. Van wind in de bamboes, het gebruik van regen en modder. Ik ben gelijk meer films van Kurosawa gaan zien en toen merkte ik dat ze in Japan een relatie met de natuur hebben die we wel kunnen herkennen, maar zelf niet hebben.”

“Ik weet niet wat het precies is, maar Japanners
bewonderen de kwaliteiten van de natuur” 

“Ik weet niet wat het precies is, maar Japanners bewonderen de kwaliteiten van de natuur. Ze maken ook geen onderscheid tussen mooi of lelijk. Ze hebben een diepe eerbied voor de natuur. Het is ironisch dat de natuur in hun steden opvallend afwezig is, terwijl wij van bomen en bloemen houden, Maar als je in Japan uit de stad gaat – en soms is het verschil tussen stad en natuur vrij klein, vanuit Kyoto ben je zo in het bos – snap je waarom ze zo van de natuur houden. Die is, samen met het klimaat, heel aanwezig. Dat zocht ik ook in The Red Turtle. Dat was ook een inspiratie.

De tussenshots van Ozu zijn beroemd: een wolkenpartij, een bloesemtak. Dat zit ook in The Red Turtle.

“Het is niet opvallend creatief. Heel veel andere filmmakers doen dat ook…”

Sinds Ozu…

“…en ik doe het heel graag. Veel scènes in The Red Turtle zijn scènes van insecten of van een detail van de natuur. Dat waren vaak de scènes waar ik het meeste plezier mee had.”

The Red Turtle

The Red Turtle

In The Red Turtle vervullen de krabbetjes op het strand de rol van clown. Doet u speciale research naar de manier van bewegen en het gedrag van krabben?

“Ja, ik heb heel veel materiaal gevonden op internet en ook op dvd’s. Ik heb heel veel zelf gefilmd. De krabbetjes heb ik zelf bekeken op een strand van La Digue, een van de Seychellen eilanden in de Indische Oceaan. Daar vielen de krabbetjes me op. Van tevoren wist ik dat ik ze wilde gebruiken, ik zocht naar ze. Ze zijn heel expressief en tegelijkertijd heel eenvoudig. Ze hebben maar één doel in het leven en dat is eten.”

“Het was belangrijk voor de film dat de
dood een alledaagse aanwezigheid is”

“De krabben zijn komisch en ook een beetje eng. Het zijn grote spinnen met grote klauwen. Dat vind ik interessant, dat het niet gaat over eekhoorntjes en vogeltjes. Ze zijn grafisch ook interessant, want ze kunnen alle richtingen uit lopen. De ogen op steeltjes kunnen in alle richtingen kijken, dus ze kunnen ook in alle richtingen lopen die ze willen.”

“Ik zag gelijk hun komische kwaliteit voor de kleine pauzes in het verhaal. Maar er is ook interactie tussen de hoofdpersoon en de krabben. En er zijn een paar scènes waarin de krabben de dood tonen. Het was belangrijk voor de film dat de dood een alledaagse aanwezigheid is.”

De hoofdpersoon overlijdt en je weet als kijker ook meteen dat zijn moment van sterven is gekomen.

“Ik ben heel blij met wat u daar zegt. Je voelt het, dat maakt het spannender. Gaat hij nu sterven of nog niet? De dood is interessant, op zich. Het is eng, we zijn bang voor de dood. Maar het is ook interessant, je bent benieuwd. Want we weten dat het onvermijdelijk is. Het is eng, maar het geeft ook vertrouwen, het heeft zijn plaats.”

De dood geeft urgentie.

“Dat is mooi gezegd. De dood geeft urgentie. Dus ik denk dat we in de hoofdpersoon van The Red Turtle zijn geïnteresseerd vanwege het feit dat hij dood kan gaan. Dat in onze film de mens doodgaat, dat alles dood kan gaan, vind ik heel mooi. Niet op een gruwelijke of een sadistische manier.”

“We overleven eenzaamheid niet.
We hebben andere mensen nodig”

Dat is de cyclus van het leven. Zo kom ik weer terug bij Ozu. Zijn films gaan over de eenzaamheid van de mens. Dat zit ook sterk in uw film. Was dat het uitgangspunt?

“Ik moet even denken. Hier is een tegenstelling in wat ik ga zeggen. Het gaat heel duidelijkheid over de eenzaamheid. Ik heb research gedaan naar mensen die alleen zijn in de natuur of alleen op een vlot. Je wordt gek. We overleven eenzaamheid niet. We hebben andere mensen nodig. Dat wilde ik ook in het verhaal gebruiken: hij wil van het eiland af, hij wil naar huis. Dat geeft spanning aan het verhaal, hij is niet in de goede omgeving. Tegelijkertijd vertelt de film hoe mooi het is om met anderen te zijn, hoe een diepe band we hebben met anderen. Maar het gaat verder: toch behoren we in de natuur. Die man hoort op dat eiland, dat is hem. De film zegt: ja, we zijn alleen, maar eigenlijk zijn we niet geïsoleerd.”

Vader en Dochter

Vader en Dochter

Buiten de natuur kan de mens niet existeren?

“Nee. Ik denk niet dat de boodschap van de film is: wat zijn we allemaal eigenlijk eenzaam. De film speelt ook met verbeelding en fantasie. Dat is bewust gedaan. Elke kijker kan er zijn of haar uitleg aan geven, die zijn allemaal goed. Het verhaal is open voor interpretatie, dat heb ik ook gedaan in mijn korte films. Maar daar moet je mee oppassen. Dat probleem moet je niet doorschuiven naar de toeschouwer, die zoekt het maar uit. Je moet de kijker helpen, zodat die zich vrij voelt zijn eigen uitleg te geven.”

Zou je kunnen zeggen dat deze film, uw eerste lange animatiefilm, de optelsom is van uw korte films? In Tom Sweep gaat het over de mens en de dingen, in The Monk and the Fish over de mens en de dieren, en in Father and Daughter over de mens en de mens. The Red Turtle verenigt al die thema’s.

“Ja, in zekere zin. Het mooie van de korte film is dat je je op één ding kunt concentreren. Deze film onderzoekt verschillende thema’s, dat vond ik het moeilijke maar ook het interessante. Dus ja, dat klinkt mooi. Daar had ik niet aan gedacht. Vader en Dochter en The Monk and the Fish eindigen met een unie, een stille unie die natuurlijk is. The Red Turtle heeft die conclusie niet. Deze film vertelt dat we onderdeel zijn van de natuur, dat is een andere unie.”

 

2 juli 2016

 

Alle interviews