High Life

****
recensie High Life

Alfa-aap van het niets

door Alfred Bos

De voorlaatste film van de Franse regisseur Claire Denis draaide om gemis van liefde. Ook in haar nieuwe, eerste Engelstalige werkstuk, een sciencefictionfilm, staat afwezigheid centraal. Ditmaal ontbreekt de zin van het leven.

High Life speelt zich geheel af in een ruimteschip met een respectabel aantal kilometers op de teller. Het vehikel is uitgewoond en metaalmoe, het begint kuren te vertonen en de voorraden zijn niet eindeloos herbruikbaar. Ook de bemanning (spreken we in politiek correcte tijden, met excuses aan robots, van bemensing?) van deep space vehicle 7 is niet okselfris meer. Nooit geweest overigens, want het team bestaat uit terdoodveroordeelde misdadigers.

High Life

Het schip is onderweg naar een zwart gat, om daar de energie af te tappen die op een uitgeputte aarde wordt begeerd—een bestaande wetenschappelijke theorie, vernoemd naar fysicus Roger Penrose. De reis is een experiment uit nood, in feite een zelfmoordmissie. De thuisplaneet en het leven aldaar zijn ver weg. Het ruimteschip is een eiland in de immense leegte, het vroegere bestaan een vage herinnering. De veroordeelden zijn op elkaar aangewezen, bijgestaan door een arts, Dr. Dibs (Juliette Binoche krijgt wederom een hoofdrol van Denis), met een strafblad en een sinistere agenda.

Existentiële leegte
High Life is de eerste Engelstalige productie van Claire Denis (Un Beau Soleil Intérieur, Les Salauds) en het is, met haar genadeloze kijk op de menselijke natuur en de compromisloze wijze waarop ze die verbeeldt, onmiskenbaar een Denis-film. High Life staat in een lange sciencefictiontraditie, maar wijkt daar niettemin op een wezenlijk punt vanaf. Geen weidse avonturen in deep space van een heroïsch gezelschap, zoals in de boeken van A. Bertram Chandler en James Blish; geen claustrofobe horror à la Alien of Event Horizon; niet de spirituele bespiegeling van Tarkovsky’s Solaris of Kubricks 2001, geen vertoon van menselijk vernuft zoals verbeeld in Interstellar en The Martian noch de ecologische boodschap van begin jaren zeventigfilms als Silent Running en Soylent Green.

High Life heeft een ironische titel. Hij staat voor drama van het existentiële soort. Wat rest er van het bestaan als alles – zekerheid, toekomst, verwanten en vrienden, cultuur, schoonheid, inspiratie, tijd – is weggevallen en de wereld is gekrompen tot een buitenmodel koekblik met ouderdomskuren? Het antwoord is seks.

Waar die seks toe leidt, is minder duidelijk. Het slot van de film laat zich op tegengestelde manieren uitleggen. Als ode aan wilskracht en liefde, schakels die bestand zijn tegen het bruutste wat het universum heeft te bieden. Of als ultieme ontgoocheling: alles, ook liefde, verdwijnt in een zwart gat. Uiteindelijk is er niets. We hebben enkel elkaar.

High Life

Zwart gat als metafoor
Het punt van High Life is niet het verhaal van Monte (Robert Pattinson, Maps to the Stars) , Dr. Dibs en het gezelschap van gestoorde, gebroken en door het leven gekneusde lotgenoten op reis naar het niets. Het punt van de film is dat hij draait om alles wat er niet is, wat het bestaan glans geeft. Die afwezigheid, dat metaforische zwarte gat, doet duidelijker uitkomen wat wezenlijk is. Door het gemis wint het aan gewicht. Maar wat betekent gewicht in een omgeving van gewichtsloosheid?

Een film die het niet moet hebben van plot of spektakel, waarin de personages vaag blijven en de sfeer – opgeroepen via de geluidsband: de brommende machines en het gekreun van het ruimteschip creëren een sluier van ruis – centraal staat, zo’n film steunt in de eerste plaats op de acteurs. Denis heeft een fraai stel bij elkaar gebracht. Pattinson is geknipt voor de rol van gevaarlijke, maar sensitieve man. Hij wordt ongewild de alfa-aap van de groep verstotenen, waarin we onder meer André Benjamin (André 3000 van het hiphopduo OutKast), Mia Goth (Suspiria) en Claire Tran (Valerian and the City of a Thousand Planets) herkennen.

In het totale isolement komen de diepmenselijke trekken boven. De reizigers zijn tot elkaar veroordeeld, maar harmonieus is het gezelschap allerminst en de kilheid van hun situatie kan de extremen niet dempen. Al het dierlijke dat de mens eigen is, komt tijdens de reis naar buiten. En bepaalt uiteindelijk het lot van Monte. Is hij een Kaïn, een Lazarus, een Jezus of een Adam? Hij is bovenal menselijk, ook in de peilloze leegte van het heelal.

High Life

Niet-lineair verteld
High Life is arthouse-sciencefiction. De film gebruikt de situaties en tropen van het genre en herschept ze tot een reflectie op levensvragen. Het verhaal in het ruimteschip wordt niet-lineair verteld, inclusief flashbacks naar het leven vóór de missie, waardoor het gebrek aan dialoog nauwelijks opvalt. De kijker moet de situatie, de personages en hun onderlinge relaties samenstellen uit de informatie die stilaan wordt prijsgegeven, en details die in het voorbijgaan niet direct opvallen maar betekenisvol zijn.

Claire Denis gebruikt een breed scala van beelden, van horror en gore tot niet zo pastorale natuur (ze echoën Solaris). Er zijn briljante momenten, zoals de scène met Dr. Dibs in de masturbatiekamer, de Fuckbox. En de lege handschoen die gewichtsloos door het vacuüm zweeft en een spook suggereert, iemand die er niet is. Of het zeemansgraf van dode teamleden die in formatie en in slow motion over het scherm schuiven—een beeld dat even poëtisch als verontrustend is. Net als de film.

 

12 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

CinemAsia: Fatale obsessies en dodelijke ambities

CinemAsia crime:
Fatale obsessies en dodelijke ambities

door Alfred Bos

Het programma van Cinemasia 2019 telt veel films over voedsel en identiteitspolitiek. Dat zijn trendy topics, maar misdaad is van alle tijden. 

De crimethrillers op het menu van CinemAsia dit jaar passen evenzeer in een trend, die van ‘gebaseerd op een waargebeurd verhaal’. Dat ze draaien rond verongelijkte mannen die het hebben voorzien op vrouwen is in MeToo-tijden mooi meegenomen. Wat ook is meegenomen: ze variëren op de bekende genreconventies en zoeken, met wisselend succes, naar een nieuwe invulling.

De debuterende regisseur Kim Tae-gyoon – hij schreef tevens het scenario – werkte naar verluidt vijf jaar aan de voorbereiding van Dark Figure of Crime (Zuid-Korea, 2018), een psychologische thriller rond een rechercheur die door een veroordeelde moordenaar op een vossenjacht wordt gestuurd. De boef (Ju Ji-Hoon) bekent in het gevang tegen de speurder (Kim Joon-Seok) dat hij meer op zijn kerfstok heeft dan de autoriteiten weten.

Dark Figure of Crime

Verborgen moorden
De film is gebaseerd op een aflevering van een populair en langlopend tv-programma over misdaad, de Zuid-Koreaanse Opsporing Verzocht, en de oorspronkelijke filmtitel laat zich vertalen als ‘verborgen moorden’. Naast de ongemakkelijke waarheid dat er meer onopgeloste moordzaken zijn dan gevallen waarin de dader achter de tralies verdwijnt, zijn er de moorden die nimmer als zodanig zijn herkend. Het is een origineel uitgangspunt.

Dark Figure of Crime draait om de confrontatie van de rechercheur en de moordenaar. Het is een psychologisch steekspel tussen een man met moreel besef die obsessief naar de waarheid graaft (dat laatste soms letterlijk), ook al kost het hem zijn reputatie en zijn baan, en een nihilistische manipulator die de waarden van zijn opponent gebruikt om zijn eigen situatie te verbeteren. Hij strooit met nepnieuws, een actueel thema.

Het onderzoek naar de restanten en identiteit van de al dan niet fictieve slachtoffers vormt het vlees van deze politieprocedurefilm rond het skelet van de clash tussen twee attitudes. Het mysterie is intrigerend, maar de film slaagt er slechts gedeeltelijk in om de kijker te engageren. Dark Figure of Crime (***) presenteert zich als karakterstudie, maar de personages blijven, ondanks uitstekende vertolkingen, vreemdelingen voor de toeschouwer. Wie ze zijn en wat hen drijft, blijft ongewis.

Het jaar van de ommekeer
The Looming Storm, het regiedebuut van de cinematograaf Dong Yue, op basis van een eigen script, gebruikt de kapstok van de misdaadfilm om sociaal drama aan op te hangen. The Looming Storm (China, 2017) plaatst scherp getekende karakters in een historische context die binnen China zelf is weggemoffeld en in de westerse media onderbelicht is gebleven: de omslag van communisme naar staatskapitalisme en de teloorgang van de zware industrie. En de sociale ellende die daaruit voortkwam.

De film is gesitueerd in de zuidelijke provincie Hunan, niet ver gelegen van Hong Kong. Het jaar is 1997: Hong Kong wordt door Engeland overgedragen aan China en de nieuwe leider Jiang Zemin, opvolger van Deng Xiaoping, sluit onrendabele staatsbedrijven. Daartoe behoort Smelt Factory Nr. Four in een naamloos provinciestadje waar het altijd regent en het leven even grauw is als de vervuilde woonomgeving.

The Looming Storm opent in 2008, wanneer Hunan een extreme winter doormaakt. De hoofdpersoon, Yo Guowei (Duan Yi-Hong), is uit de gevangenis ontslagen en vraagt een identiteitskaart aan. In zijn naam zit de thematiek van de film verscholen: ‘yu’ betekent ‘overbodige restanten’, ‘guo’ is ‘natie’ en ‘wei’ staat voor ‘roemrijk’. Waarom hij heeft vastgezeten, leert een lange flashback, de film.

The Looming Storm

Sfeervolle film noir
Guowei ontmaskert als veiligheidsmedewerker van de staalfabriek stelende arbeiders. Daarvoor wordt hij in een schitterende – en zwaar ironische – scène door de directie beloond als Werknemer van het Jaar. Tijdens zijn dankwoord voor de zaal met het braaf applaudisserende personeel begint het opeens te sneeuwen: de verouderde koelinstallatie heeft het begeven. ‘Don’t rain om my parade’ zingt een bekende Broadway-klassieker, hier is het ‘Don’t snow on my parade’.

Maar eigenlijk wil Guowei bij de politie werken. Hij dringt zich op aan de vermoeide en ongeïnteresseerde chef Zhang (Du Yuan), die een reeks moorden op jonge vrouwen onderzoekt, maar hem afwijst. Hij gaat met zijn assistent Xiao Liu (Wei Zheng) zelf op onderzoek en begint een relatie met een prostituee, Yanzi (Jiang Yiyun), die fantaseert over een kapsalon in Hong Kong. Maar de realiteit is een maatje te groot voor de dromen van de aspirant-speurder en zijn werkelijkheid desintegreert in crescendo. Hij raakt alles kwijt, inclusief zijn baan en zijn vrijheid. Zijn toekomst dus.

Lang weet de debuterende regisseur te imponeren. De psychologie is ijzersterk: ambitie maakt blind, Guowei’s obsessie kost levens. De humor is fijntjes en gitzwart. Context en plot vullen elkaar naadloos aan. Sociaal en psychologisch drama gaan hand in hand. De cinematografie is fraai en er zijn meer dan een paar ijzersterke scènes, met als hoogtepunt een achtervolging – in de stromende regen – op een verlaten rangeerterrein. Maar op driekwart glipt de film hem uit handen, de romance is te zwaar aangezet en het contrast tussen fantasie en realiteit wordt schimmig.

The Looming Storm (****) lijkt bij oppervlakkige beschouwing op de geniale Zuid-Koreaanse misdaadfilm Memories of Murder uit 2003 – de film die de tv-serie True Detective en de perfecte Spaanse genrefilm La Isla Minima inspireerde – maar doet iets heel eigens met het gegeven van een seriemoordenaar die het in de verre provincie op jonge vrouwen heeft gemunt. Het is een intense en sfeervolle film noir die, ondanks zijn gebreken, de komst van een oorspronkelijk talent verkondigt.

Dark Figure of Crime: zaterdag 9 maart, Kriterion (21:50)

The Looming Storm: zondag 10 maart, Rialto (16:30)

 

9 maart 2019


MEER FILMFESTIVAL

Sterft analoge film uit of toch niet?

This Is Film: Film Formats
Sterft analoge film uit of toch niet?

door Alfred Bos

In de eerste van zes lezingen in de reeks This Is Film, door filmmuseum EYE te Amsterdam dit jaar voor de vijfde maal georganiseerd, werd negative cutter Mo Henry geïnterviewd over haar beroep. Ze sneed in de originele filmrollen van onder meer Jaws, The Matrix en Interstellar. Ook was ze nauw betrokken bij de reconstructie en release van Orson Welles’ onvoltooide film The Other Side of the Wind.

Mo Henry is negative cutter van beroep, wellicht de minst bekende discipline van het filmproductieproces. Wanneer de editor uit het ruwe filmmateriaal het eindproduct, de film, heeft gemonteerd, gaat ze aan de slag.

Films worden niet gemonteerd met het originele materiaal, maar met kopieën. Met de gemonteerde film als uitgangspunt snijdt Mo Henry wél in het originele materiaal, het filmnegatief. Ze knipt uit de rollen ruwe film de benodigde beelden en plakt die aan elkaar tot de film zoals de regisseur die wenst. Van haar knip- en plakwerk uit de negatieve filmrollen worden de kopieën gemaakt die in de bioscoop zijn te zien.

Van het negatief – de belichte film uit de camera’s die draaien op de filmset – bestaat maar één exemplaar, het is de bron van alle kopieën. En anders dan in de digitale wereld zijn kopieën in de ‘ouderwetse’ wereld van analoge technologie steevast minder van kwaliteit dan het origineel. (Geen nood filmkijker, in de bioscoop draaien digitale kopieën die digitaal worden geprojecteerd.)

Mo Henry

Mo Henry

Op de schouders van Mo Henry rust druk. Ze kan zich geen fouten veroorloven, want dan is het origineel verknald. Secuur werkje, derhalve. Mo Henry lijdt naar eigen zeggen aan een obsessieve dwangstoornis. Dat is in haar specialistische werk een voordeel.

Al is het beroep van negative cutter een vak, het is geen ambacht. Het wordt met de handen gedaan, maar geen handwerk. Het is manuele arbeid—subtiel verschil. “Ik ben niet creatief”, zegt ze zelf. “Behalve als ik een fout maak.” Bij het snijden van Jaws brak ze enkele fragmenten van het negatief. “Maar dat heeft niemand gemerkt.”

IMAX vangt het meeste licht
Jaws was Mo Henry’s eerste klus als negative cutter. Voor de betrokken filmstudio was het geen belangrijke film, dus dat werk kon aan een beginner worden overgelaten. Sindsdien heeft ze gesneden in het originele materiaal van meer dan driehonderd films, waaronder The Matrix-trilogie, Mulholland Drive en The Other Side of the Wind, recentelijk voltooid uit de honderden filmblikken die Orson Welles heeft nagelaten.

Ze sneed ook in de negatieven van Interstellar, de sciencefictionfilm van Christopher Nolan. De Britse regisseur is een bekend voorstander van het draaien op analoge film – de computeranimaties worden daar later ingeplakt – en bepaald kieskeurig als het aankomt op lenzen, filmstock (het analoge filmmateriaal) en beeldformaten. Het afwijkende IMAX heeft zijn voorkeur, dat heeft het grootste oppervlak en vangt bijgevolg het meeste licht.

Beeldformaten voor film is het onderwerp van de eerste in een reeks van zes This Is Film-lezingen en interviews met speciale gasten die het filmmusuem EYE dit jaar, voor de vijfde maal, houdt. De film na afloop van deze This Is Film-sessie is Interstellar, vertoond in een speciale (breedbeeld)kopie op 70 millimeter. EYE is het enige filmtheater in de Benelux dat beschikt over een 70 millimeter-projectielens en de film is daar beperkt te zien (zie data hieronder).

Resolutie
Beeldformaat en filmstock hebben veel met elkaar te maken; een afwijkend beeldformaat vraagt om een ander soort filmrol. Vuistregel: hoe breder de filmrol, hoe breder het beeld op het doek. Het beeld van het kleinst gangbare formaat, 8 millimeter (super-8), is bijna vierkant; dat van het grootste formaat, 70 millimeter, is het breedst. Daartussen zitten 16 millimeter en het gangbare formaat voor de bioscoopfilm, 35 millimeter. IMAX wijkt daar van af, het is breed én lang.

In de jaren negentig zijn delen van het filmproductieproces gedigitaliseerd, ook de montage. De analoge film wordt digitaal gescand en met behulp van software gemonteerd in speciale apparatuur; het bekendste niet-lineaire montagesysteem is van het Amerikaanse bedrijf Avid. Sinds de brede introductie van de digitale filmcamera in 2007 schieten veel regisseurs hun film als bestand van enen en nullen.

Ook die zijn gestandaardiseerd, in dit geval naar resolutie (informatiedichtheid per beeldeenheid). Aanvankelijk werden digitale films in de bioscoop vertoond met een resolutie van 2K (2000 pixels per beeldregel), inmiddels is 4K de standaard en 8K komt er aan. Ruwweg correspondeert 2K met 16 millimeter-film, 4K met 35 millimeter-film en 8K met 70 millimeter-film.

Interstellar

Interstellar (2014)

Verdwijnt analoge film?
Het bedrijf van Mo Henry is het laatste in zijn soort in de Verenigde Staten, en wellicht in de wereld. Door de digitalisering van het filmbedrijf verdwijnt het vak van negative cutter. Henry vertegenwoordigt de vierde generatie van een familie die zich in het vak heeft gespecialiseerd. Haar zoon is in haar voetsporen getreden en vormt de vijfde generatie. “En wellicht de laatste.”

Al zijn er regisseurs als Christopher Nolan, Quentin Tarantino en J.J. Abrams die analoog verkiezen boven digitaal en zich inzetten voor behoud van analoog filmmateriaal. Ze maakten in 2015 afspraken met Kodak, de fabrikant van filmstock, voor de fabricage van een partij ‘ouderwetse’ filmrollen. Die raken inmiddels op en het is onzeker of Kodak de productie zal herhalen. Henry heeft al meegemaakt dat speciale filmstock voor dissolves (overvloeiers) niet meer beschikbaar bleek; via een oproep op Facebook werd het gevonden in Duitsland.

Zelf is Mo Henry enigszins verbaasd dat regisseurs op speciale filmformaten willen draaien. “Er zijn in Hollywood maar drie theaters die 70 millimeter-film kunnen projecteren en slechts één IMAX-theater.” Vooral in de montagefase biedt digitaal voordelen, zo werkt het veel sneller. “Waar je twee tot drie dagen nodig had om één filmrol te monteren, gebeurt dat digitaal in drie uur”. Resultaat: in de jaren negentig werd er veel sneller gemonteerd dan daarvoor. “Van 200 naar 700 fragmenten per filmrol.” De Avid-machine maakte dat mogelijk.

Al zijn Mo Henry en haar zoon de laatsten der Mohikanen en is er in Hollywood nog maar één bedrijf dat film ontwikkelt, het is goed mogelijk dat analoge film – net als vinyl, de cassette en de zwart-witfilm – een comeback maakt. Beide methodes, analoog en digitaal, kunnen goed naast elkaar bestaan, elk met hun eigen voordelen. Ze wijst ook op India en Bollywood, de grootste filmindustrie ter wereld, waar analoge film verre van uitgestorven is. En, vraagt Mo Henry zich hardop af: “Blijft digitale film wel goed bewaard?”

De 70 millimeter-kopie van Interstellar is te zien in EYE op woensdag 13 maart (aanvang 20:00) en zaterdag 16 maart (aanvang 20:45).

De lezingen in de reeks This Is Film van EYE vinden plaats op woensdagmiddag, aanvang 15:30.

 

8 maart 2019


ESSAYS

Fotograaf Richard Billingham over Ray & Liz

Fotograaf Richard Billingham over debuut Ray & Liz:
“Binnenkort is er geen enkele link meer met het verleden”

door Alfred Bos

Ray & Liz is de eerste speelfilm van de internationaal vermaarde fotograaf Richard Billingham (Cradley Heath, 1970). Daarin portretteert hij zijn alcoholistische vader Ray en zijn obese, kettingrokende moeder Liz. De film geeft een weinig flatteus, maar betrokken beeld van een armlastig Engels arbeidersgezin dat stuntelend door het leven gaat. Het is autobiografisch kitchen sink drama zonder moralistische boodschap. “Ik wilde geen film als pamflet maken. Dan wordt het eendimensionaal.” Ray & Liz was genomineerd voor de BAFTA Award (de Britse filmprijs) en werd onderscheiden op vele filmfestivals.

In Ray & Liz klinkt Dusty Springfields Some Of Your Lovin’ niet één, maar tweemaal uit de radio. Wat suggereert dat Richard Billingham fan is van de beste Britse soulzangeres aller tijden. “Niet als kind, tegenwoordig wel”, zegt hij. “Tegen het einde van de film zit een scène waarin Ray luistert naar muziek. Ik wilde iets waar de acteur, Patrick Romer, met zijn emoties op kon reageren. Ik vroeg hem: ‘waar ga je van huilen?’ Hij koos dat nummer. Het is een manier om terug te gaan in de tijd.”

Richard Billingham

Richard Billingham maakte in 1996 naam als fotograaf met het boek Ray’s A Laugh. Voor de foto’s van zijn drankzuchtige vader (geboren in 1931, werkloos sinds 1979) en zijn getatoeëerde, steevast in bloemetjesjurken gestoken moeder (geboren in 1950), gebruikte hij het goedkoopste fotomateriaal dat verkrijgbaar was. Een aantal van die portretten hingen een jaar later op de geruchtmakende Sensation-expositie, waarin reclamemiljonair en kunstverzamelaar Charles Saatchi stukken uit zijn collectie toonde. Sindsdien is Billingham, voormalige arbeiderszoon en om geld verlegen kunststudent, een internationaal gevierde kunstenaar. Hij doceert fotografie aan de universiteiten van Gloucestershire en Middlesex.

Billingham behoort ruwweg tot dezelfde generatie vermaarde Britse kunstenaars als Damien Hirst, Jeremy Deller en Banksky. Maar verwantschap voelt hij niet. “Ik sta op mezelf”, zegt hij grinnikend. “Ik kan geen kunstenaar bedenken die ik kan bellen om samen iets te gaan drinken. Ik sta volledig buiten het wereldje. Ik woon in Swansea, in Wales. Weinig kunstenaars met een duidelijk profiel wonen buiten Londen. Daar zitten ze dicht bij vliegvelden en galeries en agenten. Dicht bij de kunstwereld en de media.”

Oog voor compositie
Ray & Liz werd gemaakt voor 760 duizend Engelse ponden. Wisselgeld voor Hollywood, maar een fortuin voor een regisseur zonder ervaring of contacten. Het British Film Institute haakte aan nadat Billingham in 2016 de kortfilm Ray had gedraaid. Die vormt de eigentijdse episode in Ray & Liz, naast episodes die spelen in 1979 en 1986.

Net als bijvoorbeeld Stanley Kubrick en Anton Corbijn maakte Richard Billingham de overstap van fotografie naar film. Wat neemt hij als fotograaf mee naar de filmset?

Billingham: “Oog voor compositie. De manier waarop je door de lens kijkt. Wanneer ik een foto maak, kijk ik niet zozeer naar het onderwerp. Ik kijk naar de relatie van het onderwerp met de ruimte, positieve en negatieve ruimte. De cinematograaf die ik voor deze film heb gekozen, componeert op een manier die veel lijkt op de mijne. Daniel Landin (die Under The Skin fotografeerde, red.) is me aangedragen door mijn producer. Ik ken geen mensen in de filmindustrie. Ik ga niet zelf op zoek, dat doet mijn producer. Zij doet suggesties en ik ga met hen praten.”

Ziet u het als een voordeel dat u zonder die voorkennis films maakt?

“Misschien. Ik weet het niet. Ik doe mijn composities op van het kijken naar reproducties van schilderijen in de boeken die ik als kind in de bibliotheek zag. Daar komt mijn oog voor beeld vandaan. Toen ik ging schilderen kostte het me dertig jaar eer de schilderijen er goed uitzagen. Op mijn negentiende pakte ik een camera en het fotograferen ging me moeiteloos af. Ik had al die reproducties van schilderijen in me opgezogen. Motieven, patronen, ritmes. Het ging als vanzelf. Ik wist niets af van fotografie. Ik wist iets van belichting, maar ik kende geen werk van fotografen, helemaal niets.”

Landschappen
Naast zijn familie fotografeert Richard Billingham landschappen, ook in opdracht. Hij publiceerde een fotoboek over de Black Country, de geïndustrialiseerde streek in Noord-Engeland waar hij opgroeide. En maakte een reeks over het grensgebied tussen Essex en Suffolk in Zuid-Engeland, waar zijn lievelingsschilder John Constable landschappen in verf vastlegde.

“Schilders maken schetsen, als voorstudie”, zegt Billingham. “Zo werkt het fotograferen van landschappen voor mij, als oefening, als voorstudie. Ik ben veel buiten, in de natuur. We zijn als mens tenslotte ook onderdeel van de natuur. De natuur is er, het is gratis. Het kost niets.”

Het hangt allemaal af van je blik. Of je het ziet of niet.

“Klopt, het draait om wat je als kijker op het landschap projecteert. In de beste landschapsfotografie projecteert de kunstenaar een idee op het landschap.”

Van Gogh is beroemd om zijn landschappen. Hij begon met het schilderen van zijn familie, arme boeren in Brabant: De Aardappeleters. Is daar een overeenkomst met u?

“Van Gogh was een van de schilders naar wie ik veel heb gekeken toen ik schilder wilde worden. Hij schilderde het dagelijkse leven, hij wilde een gevoel van realisme overbrengen. Zijn schilderijen waren aanvankelijk ook enigszins naïef. Maar de kunstenaar die me het meest heeft beïnvloed is Constable.”

In de film hangt er in uw vroegere thuis een schilderij van Constable aan de muur.

“Constable is mijn favoriete schilder. Hij wilde schilderijen maken die echt leken. Schilderijen waarin het gras groen was en de lucht blauw. Het waren niet de vuilbruine landschappen die en vogue waren in zijn tijd. Het is voor ons nauwelijks voor te stellen hoe lastig het toen was om realistische afbeeldingen te willen maken. Nu hebben we kleurfotografie, dat was er nog niet.”

Ray & Liz

Van gemeenschap naar isolement
Ray & Liz heeft een afwijkende, rigide vorm. De film is gedraaid op 16 millimeter, in het 4:3 beeldformaat, en gebruikt extreme close-ups. Het geeft de film een afstandelijke, vervreemdende sfeer die weet te ontroeren en ruimte laat voor absurde humor. Het 4:3 aspect ratio verbeeldt de technologie van de jaren zeventig en tachtig, de tijd waarin de film grotendeels speelt.

Billingham: “Alle landschapsfotografie die ik de afgelopen vijf jaar heb gedaan, is panoramisch. Voor deze film koos ik voor dit formaat, omdat ik als kleine jongen veel televisie keek en dat was in 4:3 beeldformaat. Super 8-filmmateriaal was 4:3 ratio. De ramen van de flat waren 4:3 ratio. Ook de kamers in de flat zijn in 4:3 ratio. Voor mij was het makkelijker om terug te gaan in de tijd en de illusie van herinneringen te geven via dat beeldformaat.”

Het kitchen sink realisme van Ray & Liz past in een Britse traditie, de fel realistische en vaak sociaal geëngageerde films van regisseurs als Ken Loach, Mike Leigh, Terence Davies, Lynne Ramsey en Andrea Arnold. Maar als Billinghams eerste speelfilm aan iemand herinnert, is het wel Yasujirō Ozu. De overeenkomsten met het werk van de Japanse regisseur zijn frappant: familie als onderwerp, de spanning tussen traditie en moderniteit, de atypische en strak volgehouden vorm, de afstandelijke maar liefdevolle blik, de shots van panorama’s en wolkenpartijen om scènes te markeren.

Richard Billingham kijkt verbaasd. “Ozu? Die ken ik niet. Leeft hij nog? Heeft hij iets gemaakt dat ik zou kennen of gezien hebben?”

Tokyo Story wordt vaak genoemd als een van de beste films ooit gemaakt.

“Ik kom vanuit de beeldende kunst; schilderen en fotografie. Ik ben nieuw in cinema en leer nog veel. Toen ik de film draaide, heb ik niet gekeken naar andere regisseurs. Je moet die naam voor me opschrijven. Daar moet ik meer van weten.”

In Ray & Liz zit ook die spanning tussen traditie en moderniteit: de verhuizing van de arbeiderswoning naar de sociale hoogbouw. Van gemeenschap naar isolement.

“Dat element zit inderdaad in Ray & Liz. Het verval van de binnenstad en de overgang naar een diensteneconomie. Hun isolement komt aan de oppervlakte nadat ze zijn verhuisd naar een sociale huurwoning in een flat. Toen kwamen ze niet meer buiten. Ik had het erg naar mijn zin in onze oude arbeiderswijk, ook al waren de huizen klein en zonder moderne voorzieningen. Je had dagelijks contact met de buren.”

“Terwijl ik opgroeide zag ik die buurten verdwijnen, hele wijken werden gesloopt. Ik vond het idioot. De nieuwe woningen, de flats, vragen meer grond en ruimte. Het zou beter zijn geweest om die oude buurten te renoveren. Dat proces gaat nog steeds door. De paar arbeidersbuurten die nog overeind staan, gaan ook tegen de vlakte. Binnenkort is er geen enkele link meer met het verleden.”

Dit is wellicht het moment om te vragen naar uw ideeën over Brexit.

“Ik heb niet voor Brexit gestemd. Een jaar geleden ben ik naar Sunderland, in Noord-Engeland, nabij Newcastle, gereisd. Daar ging ik naar de kunstacademie. Ik was gevraagd om een gastcollege te geven en ben een paar dagen gebleven. Ik wilde zien hoe het er nu uitzag. Ik reed rond door het centrum en de buitenwijken. De fabrieken en kroegen zijn vervallen. De gebouwen worden niet meer gebruikt, ze hebben geen nieuwe bestemming gekregen. Ze staan er maar, als monumenten van een vervlogen tijd. Er is geen leven meer, de trots is verdwenen. Toen ik zag wat zij dagelijks zien, begreep ik waarom sommige mensen voor Brexit hebben gestemd.”

“De meeste mensen die in Londen leven, komen weinig buiten de stad. Ze hebben geen idee wat er leeft in het land en vragen zich af waarom mensen voor Brexit hebben gestemd. Maar als je door Engeland reist kun je het met eigen ogen zien.”

“Ik denk ook dat een aantal mensen in de provincie voor Brexit hebben gestemd omdat ze naijver voelen tegenover Londen. Ze zijn jaloers. Daar zit het geld, denken ze, terwijl hun gemeenschappen verkommeren.”

Is dat klassennijd?

“Nee, het gaat om de verdeling van geld. En om identiteit.”

Ray & Liz

Uw film zal door sommige kijkers worden weggezet als poverty porn. Wat is uw reactie?

“Ik wilde een film maken over het dagelijkse leven, niet alleen van mijzelf, maar van veel vrienden op school. Ik wilde díe wereld laten zien. Ik weet niet precies wat men bedoelt met de term poverty porn. Ik wilde een authentieke wereld tonen die doorgaans buiten beeld blijft.”

“Ik maak ook portretten van dakloze mensen die ik tegen kom. Ik woon in Swansea, een post-industriële stad in Wales, aan de kust. Er zijn heel veel daklozen in Swansea, ze zijn overal. Misschien hebben ze mentale problemen, misschien zijn ze door hun ouders op staat gezet. Tegenwoordig vind je ook dakloze mensen in de dorpen op het platteland.”

“Het publiek probeert niet naar hen te kijken. Ze negeren hen, alsof ze er niet zijn. Mijn portretten maakt hen zichtbaar. Dan is het vervolgens de vraag of een galerie die portretten wil exposeren. Mijn status helpt, maar mogelijk is die gesubsidieerde galerie bang voor negatieve publiciteit. Men is tegenwoordig bang voor alles. We zien daklozen in de krant, maar dat is omgeven met clichés. We zien het thema niet op de gepaste wijze.”

Ik begrijp dat er geen politiek motief achter Ray & Liz schuilt.

“Toch wel, alleen is het impliciet, het zit verstopt in de film. Ik wilde geen polemische of pamflettistische film maken. Dan wordt het eendimensionaal. Ik wilde tonen, niet vertellen.”

 

25 februari 2018

 

MEER INTERVIEWS

Cinema en geweld

Cinema en geweld
Door de kogels kun je de film niet meer zien

door Alfred Bos

Geweld op het scherm heeft een complexe relatie met de werkelijkheid. Regisseurs denken er genuanceerd over. “Als je teveel geweld gebruikt, verliest het zijn kracht.”

Om kwart over negen in de ochtend van 28 februari 1997 stapten twee zwaarbewapende overvallers, Larry Phillips Jr. en Emil Mătăsăreanu, de Bank of America aan de Laurel Canyon Boulevard in Noord Hollywood binnen. Ze droegen zelfgemaakte bepantsering en hadden meer dan drieduizend stuks ammunitie klaar liggen in de koffer van hun vluchtauto.

Heat (Michael Mann, 1995)

Heat (Michael Mann, 1995)

Toen ze acht minuten later buiten kwamen stond de politie te wachten. Er volgde een vuurgevecht van drie kwartier waarvan een flink deel door de lokale televisie live werd uitgezonden. Overvallers en politie – uiteindelijk ruim driehonderd man sterk, inclusief SWAT-team – vuurden meer dan tweeduizend kogels af. Twaalf agenten en acht burgers raakten gewond, beide overvallers werden gedood.

Het heftigste vuurgevecht uit de geschiedenis van de Amerikaanse politie is bekend geworden als de North Hollywood Shoot-Out. Het was de directe aanleiding om (semi)automatische vuurwapens toe te voegen aan de standaarduitrusting van de politie in heel Amerika, niet alleen Los Angeles.

Onderzoek wees uit dat de overvallers zich hadden laten inspireren door Heat, de film van Michael Mann uit 1995. In het huis van Phillips werd een videoband van de film aangetroffen.

Het vuurgevecht vormde de inspiratie voor de laatste aflevering van seizoen 1996-1997 van de politieserie High Incident. Op 1 juni 2003 zond tv-kanaal FX de tv-film 44 Minutes uit, een gedramatiseerde weergave van het voorval. Dit jaar draaide ook in Nederland de speelfilm 211, met Nicolas Cage als politieagent, die is gebaseerd op de North Hollywood Shoot-Out.

Heat als instructiefilm
Niet in de Nederlandse bioscoop te zien geweest is Hold The Dark, de meest recente film van Jeremy Saulnier (wiens Blue Ruin in 2014 wél in Nederland draaide). Het is een soort eigentijdse acid western, gesitueerd in Alaska, met indianen, oorlogsveteranen, sjamanisme en geweld. Heel veel geweld. Excesssief, extreem geweld. Het vuurgevecht tussen een indiaan en de lokale politie overtreft Heat in bruutheid en intensiteit. De North Hollywood Shoot-Out heeft school gemaakt.

Geweld op het filmdoek en geweld op het televisiescherm hebben een complexe relatie met de werkelijkheid. De North Hollywood Shoot-Out, het historische voorval, was live op de televisie te zien. Het nagespeelde voorval, 44 Minutes, eveneens. Dat werkt verwarrend. Wat is echt en wat is nep?

Mediafilosoof Marshall McLuhan constateerde in de jaren zestig: the medium is the message. Het kanaal vormt de boodschap. Op televisie en in de bioscoop wordt fictie feit en feit fictie—het onderscheid vervaagt. Daar zijn ze allebei even echt of onecht. Van de werkelijkheid wordt een media-uiting gemaakt en media creëren een nieuwe realiteit. Werkelijkheid en mediarepresentatie wisselen ongemerkt van plaats. En wee degene die het verschil niet meer ziet. Zouden de bankovervallers in Hollywood Heat heus als instructiefilm hebben bekeken?

Gestileerd geweld
Anders dan de schietgrage bankovervallers ziet de Noorse regisseur Erik Poppe scherp het verschil tussen realiteit en mediarepresentatie. En benut dat onderscheid om een punt te  maken. Hij gebruik de mediawerkelijkheid van het filmdoek om de bioscoopbezoeker duidelijk te maken hoe het voelt om in werkelijkheid slachtoffer te zijn van geweld.

Utøya 22. Juli (Erik Poppe, 2018)

Utøya 22. Juli (Erik Poppe, 2018)

Zijn speelfilm Utøya 22. Juli toont in realtime de moordaanslag op een groep Noorse scholieren van 22 juli 2011, gezien door de ogen van een overlevende. Poppe zet waargebeurd geweld in om het publiek wakker te schudden. Zijn boodschap: zo ziet geweld er uit als je middenin een aanslag zit, dit is hoe het werkelijk is.

“Onze westerse cultuur is zo doordrongen van geweld dat we er bijna immuun voor zijn geworden”, stelt Poppe. “We reageren er nauwelijks meer op. We stellen er ons geen vragen meer bij.” Hij benadrukt dat geweld zoals dat wordt getoond in films anders is dan geweld er in werkelijkheid uitziet. Het wordt esthetisch voorgesteld, ontdaan van zijn rauwste kanten. Het is gladgestreken, gestileerd.

In de bioscoop introduceerde Sam Peckinpah het gestileerde geweld, geweld als filmballet, met zijn western The Wild Bunch (1969). Tijdens de mislukte bankoverval waarmee de film opent, spat het bloed op wanneer de kogels inslaan in hoofden en ledematen; slow motion esthetiseert het geweld, maakt het hallucinant. Het geweld is spektakel geworden, met als klapstuk de shoot-out tussen cowboy met Gatling-gun en leger huurlingen van een Mexicaanse bandiet. De langgerekte scène heeft iets orgiastisch, geweld als porno. Het is lekker gemaakt.

Peckinpah’s gestileerde filmgeweld werd in 1969 ervaren als revolutionair. Inmiddels is de kijker blasé geworden van alle agressie die hem sindsdien op het filmdoek is voorgeschoteld.

Peckinpah versus Hawks
Haaks op de opvatting van Peckinpah over filmgeweld staat de visie van een andere Hollywood-regisseur, Howard Hawks. In diens westernsRed River (1948), Rio Bravo (1959), Rio Lobo (1970) – is het geweld plots, bruut en voorbij eer het is begonnen. Zo ziet geweld er in werkelijkheid uit, meende Hawks, die een afkeer had van onnodig geweld op het filmdoek. Hij staat voor realistisch filmgeweld.

Het is niet moeilijk om te constateren welke van die twee opvattingen school heeft gemaakt. Quentin Tarantino is de kampioen van het compleet over de top, groteske filmgeweld. Kill Bill is een ballet van bloed, een symfonie van schokkend geweld. Tarantino’s gestileerde geweld is een cartoon. Het is zo onrealistisch dat je er onmogelijk in kunt geloven. Door zijn overdrijving zingt het geweld zich los van de werkelijkheid en wordt aldus onschuldig. In de handen van Tarantino is geweld vermaak geworden.

Valeska Grisebach, regisseur van Western, weet niet waarom de school Peckinpah het heeft gewonnen van de school Hawks. “Dat is een grote vraag. Ik weet niet of Peckinpah heeft gewonnen. Ik weet niet waarom er een behoefte is aan het tonen en het zien van geweld.”

Ze vraagt zich regelmatig af: wat kan cinema nog meer dan geweld? “Het is in de mode om verhalen te vertellen via geweld. Het is interessant dat je woorden als ballet en symfonie gebruikt in connectie met geweld. Ik kijk liever naar films die geen geweld nodig hebben om hun verhaal te vertellen. Er is meer op deze planeet dan geweld.”

Grisebach: “Ik wil niet zeggen dat het verboden zou moeten zijn om geweld te tonen in films. Film heeft zijn eigen redenen om geweld te laten zien, soms is het karikaturaal en refereert het aan de behoefte van het publiek aan geweld. Een regisseur als Haneke laat niet zoveel geweld zien, maar creëert daarentegen veel mentaal geweld. En het horrorgenre is een viering van geweld.”

Awe, geen shock
Quentin Tarantino heeft zelf ook school gemaakt en een reeks klonen geïnspireerd, zijn kompaan Robert Rodriguez voorop. Die heeft het cartooneske aspect van Tarantino’s filmgeweld letterlijk genomen en uitgewerkt in de op een strip gebaseerde Sin City (2005) en het vervolg Sin City: A Dame to Kill For (2014). De Engelse regisseur Ben Wheatly, wiens Kill List (2011) en High-Rise (2015) niet vies zijn van een portie aan horror grenzend geweld, heeft met Free Fire (2016) het cartoongeweld tot zijn grenzen opgerekt. De film offert personages en plot op aan het spektakel, geweld als vermaak. De film is weinig meer dan één lange shoot-out. Door de kogels kun je de film niet meer zien.

Sin City (o.a. Robert Rodriguez, 2005)

Sin City (o.a. Robert Rodriguez, 2005)

De Nederlandse regisseur Victor D. Ponten is niet per se tegen geweld in films, maar vindt het vaak overbodig. Hij heeft bewust geweld en wapens geweerd uit Catacombe, zijn film over een profvoetballer die verstrikt raakt in het warnet van de matchfixing. “Er is een enorme druk op het personage, maar het is allemaal psychologie.”

De superheldenfilm is bij uitstek het genre dat geweld als spektakel biedt. De films kunnen Ponten maar matig boeien, omdat het geweld in die films “nooit impact op het lichaam heeft”. Het is geweld zonder consequenties, met in de laatste akte steevast een duel annex veldslag waarbij complete steden in puin worden gelegd, shock and awe. Ponten nuanceert dat: “Het is alleen maar awe, geen shock.”

Voor een gangsterfilm zitten er opmerkelijk weinig wapens in The Godfather. “Maar is die film minder gewelddadig of spannend? Nee, het is allemaal psychologie”, stelt Ponten. Hij noemt Wolf (2013), de film van zijn vriend en collega Jim Taihuttu, als voorbeeld van een film uit de school van Howard Hawks. “Het geweld in die film is zo voorbij, als je even niet oplet heb je het gemist. Zo is het in het echte leven ook.”

Gestileerd realistisch geweld
Er is een middenweg tussen het gestileerde geweld van Sam Peckinpah en het realistische geweld van Howard Hawks: het gestileerde realistische geweld van Heat. Victor D. Ponten herkent dat bij de Deense regisseur Nicolas Winding Refn, de man van Drive (2011) en The Neon Demon (2016). “Die doet het allebei. Hij stileert het geweld, maar houdt het ook realistisch.”

Ponten meent dat er twee scholen van filmmaken zijn. “Ik hou van fantasie, maar ik moet vanuit een soort realisme wel mee kunnen gaan in de fantasie. Als ik dat niet heb, kan ik me niet verbinden met een film. Dat weerhoudt mij ervan om in superheldenfilms mee te kunnen gaan.” Als de held onkwetsbaar is, is ook het drama verdwenen. En rest alleen spektakel.

Als je teveel geweld gebruikt verliest het zijn kracht, stelt Tommy Palotta, regisseur van de documentaire More Human Than Human, over robotten en kunstmatige intelligentie. Zelf haat hij geweld in films. “Ik begrijp het niet. In Amerika mag je in een film iemands hoofd afschieten, maar je mag geen naakt laten zien. Hoe leg ik dat uit aan mijn kinderen?”

Geweld op het filmdoek scoort, weet Palotta, maar het geeft hem een ongemakkelijk gevoel. Hij denkt dat gratuit filmgeweld iets Amerikaans is. “Je gelooft het misschien niet, maar Tarantino is de favoriete regisseur van mijn moeder, die toch echt een hele lieve vrouw is.”

Geweld als uitlaatklep
Palotta heeft geen probleem met realistisch geweld dat voortkomt uit de filmpersonages. Taxi Driver en Raging Bull behoren tot zijn favoriete films. “In Raging Bull is het geweld in de buitenwereld een reflectie van het geweld in de binnenwereld van de hoofdpersoon.Tegenwoordig is het vaak andersom. Het geweld wordt gebruikt om een personage te introduceren.” Hoe fraai gefilmd ook, excessief geweld is realistisch in situaties die naar hun aard extreem gewelddadig zijn, zoals de openingsscène van Saving Private Ryan (1998).

Is de overdaad aan filmgeweld geaccepteerd omdat het geweld in gestileerde vorm wordt gepresenteerd? “Dat is het argument dat Tarantino gebruikt”, zegt Palotta. “Film vertelt ons iets over de wereld waarin we leven. Dat is hun kracht. Misschien is het cartoongeweld een uitlaatklep voor het geweld dat men in het dagelijkse leven tegenkomt.”

Taxi Driver (Martin Scorsese, 1976)

Taxi Driver (Martin Scorsese, 1976)

Dat geldt wellicht voor de Amerikaan Palotta, die constateert dat Amerikaanse films doorgaans veel gewelddadiger zijn. Maar de Palestijn Muayad Alayan, die als inwoner van Jeruzalem feitelijk leeft onder een bezetting, heeft weinig behoefte aan geweld op het filmdoek. “Veel filmmakers stoppen bewust geweld in hun films om het publiek te vermaken. Een publiek dat wellicht verveeld is in hun kalme dagelijkse leven zonder al teveel opschudding.”

Gewelddadige dromen
Film werkt als de droom – het plaatst je in een denkbeeldige realiteit – en helpt ons aldus om onze ervaringen te verwerken, meent Tommy Palotta. Wat zegt dat over onze gewelddadige dromen op het filmdoek?

Gestileerd of realistisch, filmgeweld bevredigt onze behoefte aan drama en spektakel. Je kunt zeggen dat het een behoefte van onze cultuur uitdrukt, zoals Erik Poppe meent. Je kunt ook zeggen dat de menselijke natuur haakt naar geweld, zoals de Romeinen met hun bloedige voorstellingen in het Colosseum al wisten.

Gestileerd geweld als vermaak is onschuldiger dan het zich voordoet omdat het volstrekt onrealistisch is, een cartoon van de werkelijkheid. Het is spektakel.

Realistisch geweld vermaakt niet, omdat het rauw en onsmakelijk is. Het is drama. Erik Poppe: “Geweld gaat over het maken van slachtoffers. Niet over het maken van helden.”

De problematische categorie van filmgeweld is die waarin Heat en de films van Refn vallen, het gestileerde realistische geweld. Het betovert met drama én spektakel.

Refn is zich daar van bewust. De betovering is onderwerp van zijn films, waarin de personages het onderscheid tussen feit en fantasie niet meer kunnen maken. Realiteit en stilering zijn onontwarbaar verknoopt. De werkelijkheid gaat ongemerkt over in de fictie van film en wordt surrealistisch. In het gestileerde realistische geweld zijn fysieke werkelijkheid en mediarepresentatie uitwisselbaar. De droom wordt als realiteit gepresenteerd.

De North Hollywood Shoot-Out leert dat niet iedereen ontwaakt uit die droom.

 

31 december 2018


ALLE ESSAYS

Top 5 en miskleun 2018

Deel 4: Alfred Bos
Top 5 en miskleun van 2018

Shoplifters

Zeven recensenten van InDeBioscoop bespreken hun vijf favoriete films die dit jaar in Nederland in première gingen. Traditioneel kiest iedereen ook de Miskleun van het Jaar én een film die een bioscooprelease had verdiend. Tot en met Oudjaarsdag lees je hier elke dag een persoonlijke terugblik op het filmjaar 2018.

Alfred Bos door Alfred Bos

Dit was het filmjaar van de kleine meisjes. Kwetsbare kinderen, al dan niet met draken van ouders die opgroeien in een kansloze omgeving. Meisjes van vijf of zes die nog geloven in sprookjes. Voor wie de werkelijkheid, ondanks alle dagelijkse ellende, betoverd is. Wier verbeeldingskracht en levenslust louterend werkt, ook voor de kijker. Zelfs The Meg, het Chinese antwoord op Jaws, tegelijk actiekraker en familiefilm, kan niet zonder de onschuld van een spelend meisje. Ze ontdooit zelfs de stoerste mannenman, Jason Statham. Maar dat is gecalculeerd sentiment uit de koker van marketeers. Het zal toch niet alleen toeval zijn dat enkele van de intelligentste en begaafdste regisseurs van dit moment vertrouwen op niet-professionele acteurs die de kleuterschool nauwelijks zijn ontgroeid. Verbeelding als overlevingsmechanisme. Daar is kennelijk meer dan ooit behoefte aan.

 

5. – CALL ME BY YOUR NAME

Luca Guadagnino’s verfilming van een roman over een vakantieliefde tussen een puber en een jongvolwassen man draaide vanaf de release in week 2 tot aan week 51 – and counting -onafgebroken in de Nederlandse bioscoop. Het is daarmee de langst lopende film van dit jaar en één van die curieuze gevallen dat kwaliteit en diepgang aanspreken bij een groot en breed publiek. Het laatste voorbeeld was La Grande Bellezza, vijf jaar geleden. Het succes van de film onderstreept een sluipende trend: er gaan in absolute aantallen meer vijftigplussers dan jongeren en jongvolwassenen naar de bioscoop. En de bezoekersaantallen evenaren inmiddels de piekcijfers van de jaren zestig. In Engeland trouwens ook. Lees hier de recensie.

 

4. – COLD WAR

Uitgeroepen tot de beste Europese film van 2018, alom onthaald met laaiende enthousiaste kritieken en – heus waar – ondersteund door een tv-reclamecampagne. En dat alles voor een in ‘ouderwets’ zwart-wit gedraaide film in een exotische taal, Pools. Het lijkt wel 1970, alsof de nieuwe Fellini of Truffaut in circulatie gaat. Is het nostalgie? Is Pawel Pawlewski de Jan Němec of Tadeusz Konwicki van onze tijd? Het schitterende Ida van een paar jaar terug blijkt geen toevalstreffer en Cold War wordt de langst draaiende film van 2019, daar durf ik wel een fles champagne op te zetten. Lees hier de recensie.

 

3. – THE FLORIDA PROJECT

Sean Baker moet op dit moment de interessantste regisseur zijn van de Amerikaanse indie-film. Zijn stijl is on-Amerikaans, eerder Europees – noem het neo-realisme – maar setting en verhaal van The Florida Project, en het in de slipstream daarvan uitgebrachte Tangerine uit 2015, zijn heel erg Amerikaans; een zelden vertoonde, overrompelende combinatie. In een reeks losse scènes schetst Baker hoe een zesjarig meisje, gespeeld door de debuterende Brooklynn Prince, en haar verslaafde moeder, vertolkt door de eveneens debuterende Bria Vinaite, de schoolvakantie doorkomen op een woonkazerne in Orlando, Florida, gelegen op een steenworp van Disneyland. The Florida Project, met een Willem Dafoe op zijn best, vangt de wrange realiteit in poëzie. Deze ode aan de fantasie maakte van Brooklynn Prince een veelgevraagde ster.

 

2. – BURNING

Hae-Mi, de jonge vrouw die het scharnier vormt van een mysterieuze driehoeksverhouding, staat op eigen benen, maar heeft de geest van een kind. Fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar en dat geldt tevens voor de levens van haar minnaars, de introverte boerenzoon Jong-su en de hippe kakker Ben. Mensen vertellen elkaar van alles, ook over zichzelf, maar wat is daarvan waar? Burning, de eerste film in acht jaar van de Zuid-Koreaanse schrijver/regisseur Chang-dong Lee, is zowel psychologisch drama als thriller en studie in vervreemding. De droge, quasi-documentaire vertelstijl en de allengs surrealistischer verwikkelingen werken hypnotiserend. Een koortsdroom van een film.

 

1. – SHOPLIFTERS

Soms verschijnen er films die eigenlijk niet kunnen bestaan, omdat ze onmogelijke zaken verenigen. Shoplifters is betrokken, maar niettemin onthecht. Het is rauw realistisch en tevens poëtisch. Het kijkt liefdevol naar mensen die leven zonder moraal. Het hekelt de eigentijdse samenleving en schetst een alternatief, dat bij nadere beschouwing ook niet blijkt te deugen. Hirokazu Koreeda is vaak vergeleken met de Japanse meester van het familiedrama, Yasujirō Ozu. Hier overtreft hij zichzelf, en evenaart zijn voorganger. Volgens de Belgische regisseur Jan Matthys is familie het meest universele thema. Dan is Shoplifters de meest universele én meest actuele film van het jaar. Lees hier de recensie.

 

Ready Player One

Miskleun van 2018:

READY PLAYER ONE

Zo ongeveer alles wat een film niet moet zijn is Steven Spielbergs laatste sciencefictionwerkstuk. Het boek waar Ready Player One op is gebaseerd is retro-SF voor young adults, één lange ejaculatie van game-fetisjisme. De film doet er nog een schepje bovenop, met visuele en filmische verwijzingen naar de jaren tachtig, toen computergames de voorhoede van de toekomst waren. Een film die speelt in de virtuele wereld van de computer wordt onvermijdelijk zelf een game, alleen zit de kijker niet zelf aan de stuurknuppel. Wel wordt hij zeeziek van de overkill aan visuele informatie, de psychische stress die montage en tempo genereren, en het doorlopend zwalkende beeld zonder horizon of ijkpunt. Ready Player One had beter uitgebracht kunnen worden als game, niet als film. Lees hier de recensie.

 

Gemist in de bioscoop:

THE GREAT BUDDHA+

Zwart-wit film uit Taiwan die dit jaar te zien was tijdens Cinemasia, waar regisseur Huang Hsin-yao de prijs kreeg voor de beste debuutfilm. The Great Buddha+ is speels en laat zich niet in een genre vangen. Het is sociaal drama met elementen van misdaadfilm en thriller, en heeft een eigen, originele beeldtaal. Hij zou in de smaak zijn gevallen bij liefhebbers van arthouse en Aziatische cinema, wanneer die in de gelegenheid waren geweest om kennis te nemen van de film. Met de release van het ernstig overschatte The Assassin nog vers in het geheugen is dat bepaald een gemiste kans.
 
28 december 2018 

Deel 1: Cor Oliemeulen
Deel 2: Sjoerd van Wijk
Deel 3: Yordan Coban
Deel 5: Ralph Evers
Deel 6: Bob van der Sterre
Deel 7 (slot): Tim Bouwhuis

Ilse Werner: de Nederlandse diva van de nazi-cinema

Ilse Werner: de Nederlandse diva van de nazi-cinema

door Alfred Bos

Ilse Werner was voor de Duitse film van de oorlogsjaren wat Ingrid Bergman voor de vrije wereld was. Na de oorlog werd ze in ´die Heimat´ een tv-ster.

De Duitse cinema uit de jaren 1933 tot 1945, de tijd van het nazi-regime, is weinig bekend. Film was voor Joseph Goebbels, minister van propaganda in het Derde Rijk, het voornaamste middel om de emoties van de massa te kneden. Onder zijn toezicht (censuur) produceerde de vermaarde UFA Studio in Babelsberg, Berlijn ruim duizend films. Die waren bestemd voor de thuismarkt: Duitsland, en vanaf 1938, de door de nazi’s bezette en bestuurde landen. Daarbuiten is het merendeel van de films niet te zien geweest. Na de val van Hitlers regime waren ze besmet met het nazi-odium en verdwenen uit de filmgeschiedenis.

Ilse Werner

Zo verdween ook Nederlands grootste filmster van dat moment uit het collectieve bewustzijn. Ilse Werner was het gezicht van de Duitse cinema tijdens de oorlogsjaren. Die rol viel haar toe nadat Marlene Dietrich niet inging op Hitlers invitatie om Hollywood te verruilen voor Berlijn en Ingrid Bergman na één film, Die Vier Gesellen (1938), had bedankt voor de eer om als uithangbord van Goebbels´ propagandamachine te fungeren. Ilse Werner, in 1921 in Batavia (tegenwoordig Djakarta) als Ilse Still geboren uit een Nederlandse koopman-planter en een Duitse huisvrouw, verbeeldde het Arische ideaal.

Wat Ingrid Bergman werd voor de vrije wereld, werd Ilse Werner voor nazi-Duitsland: vergelijkbare iconen, ook qua uiterlijk, in parallelle universa. Met dit verschil dat Bergman nimmer de radio of hitlijsten heeft gedomineerd als zangeres en kunstfluiter. Werner was een multitalent, geknipt voor de musicals waar de nazi-top, Goebbels voorop, zo verzot op was.

Nieuwe Bergman
Acteren had Werner geleerd aan het Max Reinhardt Seminar in Wenen. Daar was haar familie in 1934 neergestreken, na in 1931 naar Frankfurt te zijn geëmigreerd. Ze debuteerde in februari 1938 als 16-jarige in de Oostenrijkse productie van regisseur Géza von Bolváry, Die unruhigen Mädchen, en werd vrijwel direct geadopteerd door UFA. De studio zag in haar een nieuwe Bergman; die hield haar contract voor drie films na één hoofdrol voor gezien en vertrok naar Hollywood. Werner kreeg al snel hoofdrollen in musicals en komedies, zoals Bal paré (Karl Ritter, 1940).

Beslissend voor de populariteit van Ilse Werner was haar hoofdrol in Wunschkonzert (Eduard von Borsody, 1940), een propagandafilm vermomd als romantisch driehoeksdrama rond twee militairen die, zonder het van elkaar te weten, op verschillende momenten een relatie hebben gehad met dezelfde vrouw, gespeeld door Werner. De film is geconstrueerd rond de Berlijnse olympiade van 1936 en het populaire radioprogramma Wunschkonzert für die Wehrmacht, waarin iedere zondagmiddag vanuit de studio in Berlijn (vermeende) verzoeken van frontsoldaten werden gespeeld.

Wunschkonzert zou in Duitsland uitgroeien tot de op één na populairste film van de oorlogsjaren, na Die grosse Liebe, met Zarah Leander. De film haakte aan bij de populariteit van het radioprogramma; alle medewerkers waren op nadrukkelijk verzoek van propagandaminister Goebbels bij de film betrokken en speelden zichzelf. Ilse Werner liftte mee op de faam van de film.

Die swedische Nachtigall

Zingende actrice, acterende zangeres
Dat Werner meer kon dan acteren staat centraal in haar volgende film. Die swedische Nachtigall (Peter Paul Brauer, 1941) is een musical over de liefdesrelatie van de Deense auteur Hans Christian Andersen en de Zweedse zangeres Jenny Lind (Ilse Werner). Al is de film een romantisch sprookje, het is niet lastig om er politieke motieven in te lezen. Duitsland hield op dat moment Denemarken bezet en probeerde de relatie met het neutrale Zweden op kamertemperatuur te houden. Werner speelt de rol die Ingrid Bergman op het lijf was geschreven. En ontdooit al zingend versteende mannenharten.

Rijksminister Goebbels had met de UFA Studio naast een praktische reden – film als propaganda – een artistiek ideaal, de droomfabriek van Hollywood naar de kroon steken en zo mogelijk overtreffen. De revue Wir machen Musik (Helmut Käutner, 1942) toont Werners talenten ten volle, als actrice maar vooral als zangeres en kunstfluiter. Ze speelt een voor de nazi-cinema atypische rol, een sterke vrouw die succesvoller is dan haar serieuze muziek componerende echtgenoot. Moraal: er is niets mis met populaire muziek. En van populaire muziek was Ilse Werner in het Duitsland van 1942 zo ongeveer de belichaming.

Haar succes als zangeres liep gelijk op met haar loopbaan als actrice. Ze zong het lied Das ist Berlin op de geluidsband van Es leuchten die Sterne (Hans H. Zerlett, 1938), een musical over een secretaresse die naar Berlijn verhuist om filmster te worden. Tijdens de oorlogsjaren nam ze een aantal hits op voor het Odeon-label, waaronder Otto, en vertoonde haar zang- en fluitkunsten ook buiten de filmstudio, zoals in een experimentele televisie-uitzending uit 1942. In Wir machen Musik kan Werner uitpakken met haar zang- en fluitkunsten. Het is háár portret als Anni Pichler, de geslaagde zangeres en echtgenote van een minder succesvolle componist, dat de hoes van het soundtrackalbum siert.

Spektakel in kleur
Met haar status kon Ilse Werner niet ontbreken in Münchhausen (Josef von Báky, 1943), de spektakelfilm in Agfacolor – de Duitse tegenhanger van Hollywoods Technicolor – waarmee Goebbels het zilveren jubileum van de UFA Studio luister bijzette, net op het moment dat aan het oostfront de oorlogskansen kantelden. De film (die onder dit artikel in zijn geheel is te zien) is een pronkstuk van kostuums, decors en effecten; het UFA-antwoord op kleurrijke fantasieën uit Hollywood als The Wizard of Oz en The Thief of Bagdad. Werner speelt de bijrol van prinses Isabella d´Este, die uit het harem van de Turkse sultan wordt gered door de ondernemende baron, een rol van de populaire karakteracteur Hans Albers.

Zijn aan al Werners films tot dat moment openlijke dan wel verdekte aspecten van propaganda toe te kennen, haar – naast haar bijdrage aan Wir machen Musik – meest beklijvende rol is in Duitsland onder het nazi-regime niet te zien geweest. In Grosse Freiheit Nr. 7 (1944) is ze herenigd met Hans Albers en speelt Gisa Häuptlein, de vrouw die moet kiezen tussen twee aanbidders, burgerman Willem en zingende zeebonk Hannes Kroeger (Hans Albers), die met zijn accordeon optreedt in een club in het havenkwartier van Hamburg, zie de filmtitel. Gisa kiest uiteindelijk voor zekerheid, niet voor avontuur.

Grosse Freiheit Nr. 7 herenigt Werner ook met Helmut Käutner, de regisseur van Wir machen Musik. De film is in 1943 gedraaid – in Hamburg en Berlijn, waarna de opnamen wegens dreigende bombardementen werden verplaatst naar Praag – maar was pas laat in 1944 gereed voor release. De reden: Goebbels was er niet blij mee. De film was niet geproduceerd door UFA, maar door het onafhankelijke Terra, en werd uiteindelijk verboden voor vertoning in Duitsland. Tijdens de oorlogsjaren konden alleen de bioscoopbezoekers in Tsjecho-Slowakije er kennis van nemen.

Beroepsverbod
Münchhausen
was niet alleen de laatste film waarin Ilse Werner onder het nazi-regime in Duitsland acteerde, het was tevens haar laatste ´nazi-film´, als we de films die onder het toeziend oog van Joseph Goebbels tot stand zijn gekomen zo mogen noemen. Pas na de oorlog verscheen Sag´ Die Warheit (Helmut Weiss, 1946), een komedie waarvan de opnamen al in het voorjaar van 1945 waren begonnen. De Russische inval in Berlijn legde de productie stil en de film werd na de oorlog voltooid in de Britse sector.

Niet alle films uit de koker van Goebbels en UFA propageren een bedenkelijke moraal en de beste van de politiek neutrale films zijn in technisch en esthetisch opzicht minstens gelijkwaardig aan het beste wat Hollywood op dat moment had te bieden. De films uit het nazi-tijdperk maken helder dat film noir het Amerikaanse equivalent van het Duitse expressionisme is. De documentaire Hitler´s Hollywood (Rüdiger Suchsland, 2017) is er duidelijk over.

Ilse Werner was pas in 1949 weer op het witte doek te zien, als de vrouwelijke hoofdrol in Geheimnisvolle Tiefe van Georg Wilhelm Pabst, de regisseur van Die 3 Groschen Oper die in het stomme filmtijdperk met Greta Garbo en Leni Riefenstahl had gewerkt. Ze had vanwege haar bijdrage aan ´nazi-films´ een beroepsverbod gekregen, maar bouwde nadien – net als haar Grosse Freiheit-collega´s Hans Albers en Helmut Käutner – een bloeiende naoorlogse loopbaan op.

Maar niet als filmactrice, dat succes vervloog allengs in de jaren vijftig; ze was de dertig inmiddels gepasseerd. Werner bleef evenwel zingen. En fluiten. In 1960 had ze ook in Nederland een hit met Baciare. In de jaren zestig werd Ilse Werner in Duitsland een gevierd televisie-actrice. Het medium waarin ze in 1942 al te zien was geweest gaf haar een tweede (of is het een derde?) carrière. Ze is tot kort voor haar dood in 2005 op de beeldbuis actief gebleven, ook als gast van showprogramma´s.

Maar niet als Nederlandse. De diva van de Duitse oorlogscinema, de ´Duitse Ingrid Bergman´ die eigenlijk een immigrant was, heeft zich in 1955 laten naturaliseren.

 

27 december 2018


ALLE ESSAYS

Shoplifters

*****
recensie Shoplifters

Kleine vissen verweren zich tegen de tonijn

door Alfred Bos

In het sociaal bewogen Shoplifters – Gouden Palm van Cannes 2018 – toont de Japanse regisseur Hirokazu Koreeda zich wederom als de eigentijdse tegenhanger van Ozu. De film is diep ontroerend, stelt indringende vragen, maar wordt nimmer sentimenteel.

Wat is er onschuldiger dan een dagje nietsnutten aan het strand met het gezin? Weinig, maar niet in de handen van Hirokazu Koreeda, de Japanse regisseur die als een eigentijdse nazaat van Yasujirō Ozu röntgenfoto’s maakt van families die traditionele waarden proberen te handhaven in een samenleving in flux. Eerder dit jaar verscheen The Third Murder in de Nederlandse bioscoop, een meesterlijke, zij het enigszins cerebrale film. Met Shoplifters, in mei van dit jaar winnaar van de Gouden Palm van het filmfestival van Cannes, appelleert Koreeda vol aan het gevoel, zonder sentimenteel te worden.

Shoplifters

Shoplifters handelt over een pseudo-gezin dat is gecentreerd rond een oude weduwe, vertolkt door Kirin Kiki, de ster van het ook in Nederland succesvolle An; Koreeda werkte eerder met haar in After the Storm. Kiki overleed een paar maanden na de première van de film in Cannes. Dat voorziet het dagje aan het strand, onmiskenbaar een sleutelscène in de film, op onvoorziene wijze van een extra laag betekenis.

Matriarchaat
De weduwe is het hart, ook letterlijk, van een bont gezelschap dat door vage en complexe familierelaties is verbonden. Haar zoon Osamu (Lily Franky) en diens echtgenote Nobuyo (Sakura Ando, die in een ondervragingsscène werkelijk briljant onuitspreekbare emoties weet te uiten) hebben slechtbetaalde baantjes; het inwonende nichtje Aki (Mayu Matsuoka) scharrelt als animeermeisje. In het eerste half uur van Shoplifters handelen alle dialogen over geld. Het is een echo van Flowing, de film uit 1956 van Mikio Naruse, die speelt rond een pseudo-familie die los staat van de samenleving, een geisha-huis. Ook dat is een matriarchaat.

De sjoemelaars vullen het schamele pensioen van oma aan door proletarisch te winkelen. In de door vederlichte cocktailjazz begeleide opening zien we hoe Osamu en diens aangenomen zoontje Shota (Jyo Kairi) hun ambacht tot kunst hebben verheven. Onderweg naar huis vinden ze in de vrieskou een meisje, de hartendief Yuri (Miyu Sasaki), die door haar ouders buiten de deur is gezet, en nemen haar mee. Het kind heeft littekens op haar armen en plast in bed, signalen van mishandeling. Ze wordt door de pseudo-familie geadopteerd en leert de kneepjes van winkeldiefstal.

Familieloyaliteit
Shoplifters toont de sociaal bewogen Koreeda van Nobody Knows (2004) – over kinderen die in de steek worden gelaten door hun moeder – en stelt indringende vragen. Hoe moreel is het om een verwaarloosd kind te ontvoeren, ook al doen de onverschillige ouders geen aangifte? Hoe moreel is het om te stelen van kleine middenstanders die net zoveel moeite hebben om het hoofd boven water te houden als de dieven? Wat zijn de normen waard van een samenleving die mensen voor hun arbeid onvoldoende beloont om de basisbehoeften te kunnen betalen? Hoe zinvol is de oplossing van de kinderbescherming? Hoe ver gaat loyaliteit aan familie als die familie zelf niet loyaal is?

Shoplifters

De lijm die het pseudo-gezin bijeenhoudt is afwijzing, door familie, door de maatschappij. Het zijn kleine vissen die samenwerken om het op te nemen tegen een tonijn. Koreeda idealiseert de verstotenen niet, zoals Akira Kurosawa deed in diens Dodesukaden (1970). Wel heeft hij oog voor het menselijke: Yuri is zo blij met haar nieuwe zwempak dat ze het ook in bad aanhoudt; Osamu en Nobuyo vrijen tijdens een zomerse stortbui en worden gestoord door hun ‘kinderen’. De regie is loepzuiver.

Echo’s van Ozu
Het valt allemaal uit elkaar wanneer oma overlijdt. De omslag wordt aangekondigd in een scène die herinnert aan Ozu’s Early Summer (1951), het familie-uitje naar het strand. Zelf je familie kiezen is beter, zolang je er maar niet teveel van verwacht, reflecteert oma. Terwijl ze naar haar ‘familie’ in de vloedlijn kijkt, herhaalt ze voor zichzelf: “Bedankt voor alles.” Het is een magisch moment.

In rap tempo wordt de pseudo-familie ontmanteld en wachten er verrassingen die de onderlinge verhoudingen in een ander – en moreel nog twijfelachtiger – daglicht plaatsen. Bij wie ben je beter af: bij je natuurlijke familie of de familie die je zelf kiest? De kinderbescherming weet het wel en het laatste shot is, net als de film zelf, zowel wrang als poëtisch. En stelt nog een laatste vraag. Is dit wat we willen?

 

11 december 2018

 

ALLE RECENSIES

Cold War

*****
recensie Cold War

Scènes uit een relatie

door Alfred Bos

Pawel Pawlikowski, de regisseur van het fenomenale Ida, heeft met Cold War een beeldschone film over een gedoemde liefde gemaakt. Het drama is tevens een metafoor voor zijn vaderland, Polen.

De Poolse regisseur Pawel Pawlikowski is een dichter met beelden. Zijn beeldtaal is van een poëtische schoonheid en hij gebruikt het beeld niet als symbool, maar als metafoor. Dat laatste onderscheidt hem van het gros der cineasten en maakt hem tot dichter. Die kwaliteiten kwamen het eerst tot volle bloei is zijn internationaal uitbundig gelauwerde (Oscar beste buitenlandse film, BAFTA beste niet-Engelstalige film, European Film Award), vijfde speelfilm, Ida (2013), over een jonge vrouw die op het punt staat in te treden als non.

Cold War

Dat was geen toevalstreffer, want alles wat Ida zo bijzonder maakt – de schitterende, in afwijkende kaders gevangen zwart-wit cinematografie; de elliptische vertelling; de levensvragen; de rol van trouw en verraad; de emotionele diepgang – kleeft ook aan Pawlikowski’s nieuwe film. Zimna wojna, die internationaal verschijnt onder de titel Cold War, is gesitueerd in het communistische Polen van na de Tweede Wereldoorlog en heeft als hoofdpersoon een jonge vrouw die twijfelt over haar roeping.

Vlucht naar de vrijheid
De eigenzinnige boerendochter Zula (Joanna Kulig, ze werkte eerder met Pawlikowski in La femme du Vème uit 2011) wordt ontdekt door Wiktor (Tomasz Kot). Hij reist het platteland af om geluidsopnamen te maken van ongeschoolde muzikanten; daaruit worden de talenten geselecteerd voor een cultuuracademie die onderwijst in volkskunst. Ze krijgen een relatie en wanneer het gezelschap op tournee wordt gestuurd om de communistische idealen te propageren besluiten ze in Berlijn te vluchten naar de overkant, het lonkende vrije Westen. Ze treffen elkaar pas jaren later weer in Parijs.

Daar blijkt hun relatie – of eigenlijk hun wederzijdse identiteit – niet opgewassen tegen de druk van de vrijheid, met al zijn verlokkingen, wedijver en gedelegeerde verantwoordelijkheden. Ondanks alle kansen en succes als respectievelijk zangeres en pianist in de jazzclubs van Parijs hunkert Zula naar de vertrouwde omgeving van haar adolescentie en keert terug naar het moederland. Wiktor volgt haar, wordt opgepakt en als spion veroordeeld tot vijftien jaar strafkamp. Ze ritselt hem vrij.

Cold War

Tijdloos filmuniversum
In Cold War staat de Koude Oorlog voor de strijd tussen plicht en verlangen, bindingsangst en trouw, authenticiteit en decadentie. De regisseur vertelt het verhaal in een reeks losse episodes die spelen tijdens de eerste jaren van de Koude Oorlog, jaren vijftig en begin zestig, en springt van Oost naar West. De stijlfiguur van de ellips – cruciale voorvallen wel benoemen maar niet laten zien, de Japanse regisseur Yasujirō Ozu was er een meester in – nodigt de kijker uit zich met de film en haar personages te engageren. Het middel past naadloos bij de afwijkende vorm en plaatst Cold War in een tijdloos filmuniversum waar Antonioni en Godard meer betekenis hebben dan Spielberg of Tarantino.

Cold War is ook een poëtische reflectie op de rol die historische omstandigheden, tijd en plaats, spelen in een mensenleven. “Tijd doet er niet toe als je van elkaar houdt”, zegt Wiktor tegen Zula. De film is te lezen als metafoor voor het huidige Polen, dat na de communistische jaren moeite heeft om zich aan de passen aan de nieuwe omstandigheden, de vrije markteconomie van de Europese Unie, en haakt naar de wereld van toen.

Cold War opent in de Poolse winter van 1949 en eindigt vijftien jaar later in de zomer met de fraaiste slotzin van dit filmjaar: “Neem me mee naar de overkant, daar is het uitzicht mooier.” Het is in meer dan één betekenis de ultieme metafoor van een film die zelf één grote metafoor is. Welke betekenis die zin nog meer heeft gaan we hier niet verklappen, maar zet u schrap voor een hoek waarin woord en beeld vervloeien.

 

5 december 2018

 

ALLE RECENSIES

Mary Shelley

***
recensie Mary Shelley 

Feministe en vrijdenker avant la lettre

door Alfred Bos

Speelfilm over de tienerjaren van Mary Shelley (geboren Godwin), haar relatie met de dichter Percy Bysshe Shelley en diens vriend Lord Byron, en de wording van haar wereldberoemde roman, Frankenstein.

Het minste wat je van een biopic mag vragen is dat de film zich aan de elementaire feiten houdt. Dat zit wel snor met Mary Shelley, de speelfilm van de Saudi-Arabische regisseur Haifaa Al-Mansour over de schrijfster van een van de beroemdste romans uit de wereldliteratuur, Frankenstein; or, The Modern Prometheus. De beslissende jaren uit het nog jonge leven van de auteur – Shelley was 18 toen ze Frankenstein schreef – en haar omgang met de literaire kopstukken in het Engeland van haar tijd, de vroege negentiende eeuw, worden als kostuumdrama op het filmdoek gebracht.

Mary Shelley

En aan drama geen gebrek in het leven van Mary Shelley. Moeder, filosofe en eerste feministe Mary Wollstonecraft, overleden in het kraambed. Opgevoed door haar vader, de politiek filosoof, uitgever en boekhandelaar William Godwin, in de film vertolkt door Stephen Dillane. Eerste kind, gebaard op haar zeventiende, kort na de geboorte overleden. (Ook haar twee volgende kinderen overleden op zeer jeugdige leeftijd, maar dat valt buiten het kader van de film die stopt na de publicatie van Frankenstein in 1818.)

Daar bleef het niet bij. Affaire met de getrouwde dichter Percy Bysshe Shelley (verdronken in 1822), die tevens haar zus Claire Claremont bezwangerde. Financiële nood. Tegengewerkt door het literaire establishment. Maar ondanks al die tegenslag en misère: succes. Opgevoed als intellectueel en belichaming van de Verlichting, was Mary Shelley de eerste vrouwelijke auteur die via haar pen een onafhankelijk bestaan kon opbouwen.

Verlatingsangst
Als een biopic meer wil zijn van een verfilmde Wikipedia-pagina is het mooi als de film ook iets van een visie op zijn onderwerp heeft, of een andere (nieuwe?) kijk op dat leven biedt. Al-Mansour suggereert dat Shelley’s vrees om emotioneel in de steek te worden gelaten – in haar geval door naaste dierbaren die overlijden – een rol in de schepping van haar wereldberoemde roman heeft gespeeld. Aldus valt Frankenstein niet te lezen als het verhaal van de mens die voor god speelt en leven maakt uit dode materie, maar als de zielsklacht van een schepsel in existentiële nood, bang om afgewezen te worden. Die uitleg is zo gek nog niet; het maakt duidelijk hoeveel diepgang Shelley’s roman heeft en hoe rijk het boek is aan (nog steeds actuele en prangende) ideeën.

Tegenwoordig is Mary Shelley een rolmodel voor jonge vrouwen – ze werd door Percy Shelley ontmaagd op het graf van haar moeder, hoe cool is dat? Dat toont de film dan weer niet – en ze kan worden gezien als een van de eerste moderne denkers, ze was als onafhankelijke geest haar tijd ver vooruit. De kring rond de Engelse dichters uit de periode die in de literatuurgeschiedenis bekend staat als de Romantiek (eind achttiende, begin negentiende eeuw) legde de basis voor de levensvisie en levensstijl van de latere bohemiens in Frankrijk, en, in de twintigste eeuw, de Amerikaanse beatniks. Daar gaat deze film uiteraard niet over, maar iedere hippie, punk of vrijdenker kan zich in Mary Shelley herkennen.

Mary Shelley

Hypocriete vrijdenkers
Deze biopic past dus perfect in het #metoo-tijdperk. De film besteedt relatief weinig aandacht aan de beroemde ontstaansgeschiedenis van Frankenstein: in 1816 geschreven tijdens een verregende vakantie in een villa aan het meer van Genève, waar Mary (Elle Fanning) en Percy (Douglas Booth) te gast waren bij Lord Byron (Tom Sturridge) en diens lijfarts John William Polidori (Ben Hardy); de laatste schreef tijdens die gelegenheid het klassiek geworden vampierverhaal The Vampyre, gepubliceerd op naam van – godbetert – Lord Byron.

Meer aandacht is er voor de emotionele en amoureuze relaties tussen Mary en Percy, en Lord Byron en Mary’s zus Claire Claremont (Bel Powley). Byon wordt neergezet als seksistische narcist (‘vrouwen hebben minder verbeelding dan mannen’) en abjecte philanderer die vrouwen beschouwt als seksspeeltjes. De Romantische dichters mochten zich dan wel vrijdenkers wanen, als het op de vrije liefde aankwam, waren ze traditioneel hypocriet. Laat je niet foppen door de prachtige kostuums. Zoveel is er in tweehonderd jaar ook weer niet veranderd.

 

20 november 2018

 

ALLE RECENSIES