Sisters Brothers, The

****

recensie The Sisters Brothers 

Nieuwe kijk op klassiek genre

door Alfred Bos

De Franse regisseur Jacques Audiard maakt met Amerikaanse topacteurs en een Franse filmploeg een western die de genreclichés bevestigt om ze subtiel te ontkrachten. Met een klassiek cowboykoppel in de hoofdrol is The Sisters Brothers zowel komedie als tragedie.

Drie jaar geleden vertelde Thomas Bidegain dat hij een grote fan is van het meest Amerikaanse aller filmgenres en werkte aan een western. Bidegain, al jaren vast scenarist van de Franse topregisseur Jacques Audiard (Un prophète, De rouille et d’os), vertelde ook dat je genreclichés kunt vermijden door bekende patronen in een afwijkende omgeving te situeren. The Sisters Brothers, geregisseerd door Audiard naar een scenario van Bidegain, is een western die afwijkt qua personages, plot en psychologie. Alsof het genre een nieuwe verflaag krijgt.

The Sisters Brothers

Eli (John C. Reilly) en Charlie Sisters (Joaquin Phoenix) zijn de fixers van de Commodore (Rutger Hauer), de potentaat van een pioniersstadje in de wildernis van Oregon. Het is 1851 en in het naburige Californië is goud ontdekt. De broers maken jacht op een chemicus, Hermann Warm (Riz Ahmed), die een methode heeft bedacht om het edelmetaal versneld te winnen; het blijkt een Duitser met een getinte huid. Hij wordt voor de Commodore opgespoord door een detective, de artistiek aangelegde intellectueel John Morris (Jake Gyllenhaal). De broers moeten het karwei voltooien, na Warm zijn geheim te hebben ontfutseld. ‘Dus eerst martelen en dan doodmaken’, vraagt Eli als Charlie de opdracht aan hem doorgeeft. Zo is het, een routineklus.

John C. Reilly speelde een voorname rol in Les Cowboys, het regiedebuut van Thomas Bidegain. Joaquin Phoenix speelt, na de getraumatiseerde oorlogsveteraan van You Were Never Really Here, Jesus in Maria Magdalena en de invalide dwarskop van Don’t Worry, He Won’t Get Far on Foot zijn vierde sterke rol van dit filmjaar. Het tweetal is een genot om naar te kijken, de interactie van hun botsende maar elkaar aanvullende karakters geeft de film frisson.

The Sisters Brothers

Archetype van de vrije markt
De broers zijn een tragikomisch koppel, een kijvend stelletje dat niet zonder elkaar kan. Eli, de oudste, is de bijrijder; een twijfelaar vol zelfverwijt, hunkerend naar de liefde die hij nooit heeft gekregen. Charlie, de benjamin, is de baas; hij heeft de grillen en agressie van zijn vader, een gewelddadige alcoholist, en hij weet het en is daar niet blij mee. De broers zijn overlevers; opportunisme is hun tweede natuur, geweld hun taal. Die korte typering maakt duidelijk dat Eli en Charlie geen bordkartonnen personages zijn, maar gelaagde karakters. Ze zijn zowel Bud Spencer en Terence Hill in de Italiaanse westernkomedies van de jaren zeventig als het boevenkoppel uit de klassieker Butch Cassidy and the Sundance Kid.

Ook het verhaal heeft meer dan één dimensie, het is gepeperd met betekenisvolle terzijdes en hilarische momenten. De allianties wisselen waar dat uitkomt en iedereen staat iedereen naar het leven, gedreven door hebzucht, gek gemaakt door goud. Het ongetemde Westen is het archetype van de vrije markt: stadjes worden gesticht én bestuurd door privéondernemers, niet door staat of gezag. De broers jagen op Warm en Morris, inmiddels een gelegenheidskoppel dat de barbarij (Warm tegen Morris: ‘Deze wereld is weerzinwekkend’) wil ontvluchten door gezamenlijk een mijnbedrijf te beginnen.

Onbeschaafde broers
De Commodore heeft een tegenstrever in Mayfield (Rebecca Root), burgemeester van het gelijknamige Californische stadje en tevens eigenaar van de lokale saloon, die eveneens op Warms formule aast. Rebecca – voorheen Graham – Root is een transgenderactrice (bekend van The Danish Girl en Colette), een hint dat de regisseur en zijn scenarist hun publiek uitnodigen om met een andere blik naar vaste patronen en clichés te kijken.

Morris en Warm hebben een opleiding genoten en vertegenwoordigen de vooruitgang. Warms vondst blijkt een gevaar voor het welzijn van mens en natuur, het is symbolisch voor de impact van industriële ontwikkeling, de ‘beschaving’, op de leefomgeving. Ze staan voor naïef idealisme, het tegendeel van de praktische en ongeletterde broers.

The Sisters Brothers

Eli en Charlie staan buiten de beschaving of wat daar voor doorgaat. Hun contact met de samenleving beperkt zich tot het uitvoeren van hun klussen, zonder omhaal en waar nodig met geweld. Hun buitenmaatschappelijke positie geeft de regisseur (en cinematograaf Benoît Debie) alle gelegenheid de schitterende natuur van Oregon en Noord-Californië in breedbeeld te tonen. We zien zelfs even de kust van de Stille Oceaan, een speelse verwijzing naar One-Eyed Jacks, de enige speelfilm die Marlon Brandon regisseerde en tevens de enige western waarin de oceaan tot het decor behoort. ‘Dit is Babylon’, constateren ze tijdens een rustpauze in de grootstad San Francisco. Daar vallen de schellen van hun ogen.

Inktzwart wereldbeeld
In die natuur vindt ook de ontknoping plaats, waarin mooie plannen het afleggen tegen domheid. Het zijn niet de mannen van Mayfield of de Commodore die de buitenstaanders doen buigen, het zijn de aangeboren driften van de pionierende goudzoekers die het drama bekrachtigen. The Sisters Brothers schetst een inktzwart wereldbeeld – en geeft en passant commentaar op onze eigen tijd – maar heeft ook oog voor de komische, om niet te zeggen absurdistische kanten van het menselijke bestaan.

Charlie en Eli vinden uiteindelijk wat alle anderen in de film, van Warm en Morris tot de Commodore en Mayfield, ten koste van ziel en zaligheid najoegen: goud. En dat is de zin van al die uitputtende tochten en dodelijke confrontaties—ze vinden wie ze zijn. Het voelt als balsem na een speelfilm lang te zijn bestookt met het slechtste wat de mens heeft te bieden, van blinde hebzucht tot moord en milieuvervuiling.

The Sisters Brothers wordt getypeerd door de afstand die de regisseur en diens scenarist als betrokken buitenstaanders innemen tegenover het onderwerp van hun belangstelling; de filmtitel is zowel humoristisch als spiritueel uit te leggen. Mede daarom is het de meest geslaagde western sinds The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford en die is al dik tien jaar oud.
 

23 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Hostiles

****

recensie Hostiles

Reis door land en ziel

door Alfred Bos

In deze western staat niet gebrek aan gezag centraal, maar gebrek aan empathie. Vertolkt door een sterke ensemble-rolbezetting trekt een multicultureel gezelschap door de Amerikaanse wildernis en wordt geconfronteerd met zichzelf.

De western is van alle tijden want hij gaat met zijn tijd mee. Het genre blijft regisseurs en publiek boeien omdat het een elementaire setting biedt: de menselijke natuur in een omgeving zonder regels. In de western bestaat er geen samenleving – hooguit in embryonale vorm: de ranch, de postkoetsherberg, het mijnstadje – en regeert het eigenbelang van het individu. Het gezag is afwezig, wetteloosheid regeert. Hoe te overleven?

Hostiles

In Hostiles (‘vijanden’) stelt regisseur Scott Cooper een andere vraag: hoe om te gaan met anderen? Zijn western gaat over moreel gedrag in een immorele wereld. Kapitein Joseph Blocker (Christian Bale) is een veteraan van de oorlog die het Amerikaanse leger in het laatste kwart van de negentiende eeuw voerde tegen de oorspronkelijke bewoners van het wilde westen. Hij heeft verschrikkelijke dingen gezien. En, in reactie daarop, gedaan. Hij haat indianen, punt. “Men heeft geen idee wat oorlog doet met een man”, mompelt hij.

Blockers laatste opdracht is om een krijgsgevangen Cheyenne-opperhoofd, Yellow Hawk (Wes Studi, Magua in The Last of the Mohicans), en diens familie te verplaatsen naar het land van zijn voorouders in Montana; de chief heeft terminale kanker. De tocht van Fort Beringer in de woestijn van New Mexico naar de Berenvallei aan de voet van de Rocky Mountains leidt door ongerept, dus wetteloos gebied. Een reeks van incidenten onderweg wrikt het morele anker van de kapitein los. De reis is – heel klassiek, we kennen het al van middeleeuwse ridderromans – een transformatie. Het is een reis door de ziel.

Hostiles

Revisionistische western
Hostiles is een variant op de revisionistische western die in de jaren zestig opgang deed. Daarin waren de indianen het slachtoffer van blanke agressie en niet andersom, zoals in de traditionele western. In Coopers film gaat iedereen gebukt onder het geweld. De kapitein is getekend door zijn verleden, het Cheyenne-opperhoofd wordt in de blanke blik gereduceerd tot primitieve wilde, pelsjagers verkrachten net zo vrolijk blanke als indiaanse vrouwen, Comanche-indianen zijn sadistische slangen en blanke landeigenaren vegen met het gezag, zelfs dat van de Amerikaanse president, hun reet af. Het is allemaal historisch correct.

In Hostiles zijn alle personages gegijzeld door hun rol in de primitieve samenleving. Ze hebben de waarden van hun stereotype geïnternaliseerd, ze zijn geworden wat de omgeving in hen ziet. Het heeft hun identiteit gevormd en misvormd. De film heeft als motto een citaat van D.H. Lawrence, in parafrase: Amerika is een hard land, want de Amerikaanse ziel is nooit ontdooid. Iedereen is de vijand van iedereen.

Kapitein Blocker wordt tijdens de reis gaandeweg zichzelf door de morele waarden die passen bij zijn stereotype – de matrix van vooroordelen waarin iedereen gevangen zit – laag voor laag af te schaven. Hij wordt daarbij geholpen door een weduwe, Rosalie Quaid (Rosamund Pike), wier familie in de proloog van de film door een bende Comaches is uitgemoord. En door een vroegere strijdmakker, Charles Wills (Ben Foster), zijn sergeant van dienst bij de slachtpartij van Wounded Knee. Die moordt na de oorlog nog steeds indianen uit en wordt tijdens een tussenstop in Fort Winslow in Colorado als gevangene aan het reisgezelschap toegevoegd.

Hostiles

Romeinse code
Zo heeft regisseur Cooper een microversie van de Amerikaanse samenleving op reis gestuurd door het overweldigende landschap: man, vrouw en kind (Little Bear, de kleinzoon van de chief, gespeeld door Xavier Horsechief); blank, indiaan en neger (Blockers korporaal Woodson, gespeeld door Jonathan Majors). De moraal van kapitain Blocker wordt gespiegeld in de gefossiliseerde ideeën van de blanke psychopaat, Wills; de ethiek van de Cheyenne in de wreedheid van de Comanches. De moraal van de film komt uit de mond van Blockers eerste sergeant, Thomas Metz (Rory Cochrane): “Wat we de indianen hebben aangedaan is onvergeeflijk.”

Kapitein Blocker is een moderne man, al beseft hij dat aan het begin van de film nog niet. Hij vertrouwt blind op zijn korporaal, een Afro-Amerikaan, die zijn flank dekt. Hij spreekt met de Cheyenne in hun taal. En zijn code is, interessant genoeg, niet de christelijke moraal van de bijbel. Zijn held is Julius Caesar, hij leest diens beschrijving van de veldtochten in Gallië in het latijn. De Romeinen beschaafden barbaren door ze op te nemen in het Romeinse Rijk, niet door dwang en genocide. Aan het slot van de film stapt Blocker, in burgerkloffie, op dat westernsymbool van de beschaving, de trein.

Scott Coopers vierde film (de regisseur viel eerder op met de psychologisch sterke en maatschappelijk geëngageerde films Crazy Heart, Out of the Furnace en Black Mass) is net te schetsmatig van opzet om te verbluffen. De film wil, heel politiek correct, alle ethische kwesties met evenveel gewicht aansnijden, maar houdt daardoor meer ballen in de lucht dan de verhaallijn aan kan. Dat is wellicht het resultaat van snoeiwerk in de montagekamer, waar de vier uur die de film aanvankelijk duurde is teruggebracht tot twee uur en een kwartier. We zien Hostiles graag nog eens terug op oorspronkelijke lengte, als tv-serie.
 

26 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Sweet Country

**

recensie Sweet Country

Het recht van de sterksten

door Sjoerd van Wijk

Een Aboriginal slaat op de vlucht nadat hij uit zelfverdediging een witte rancher doodschiet. Sweet Country komt over als een klassieke western, maar brengt uiteindelijk te weinig nieuws.

De ene bevolkingsgroep overheerst de andere en reduceert laatstgenoemde tot niets meer dan goedkope werkkracht. Zulke mensonterende omstandigheden kunnen goed aan de kaak worden gesteld in de western. In de loop der tijd is het genre geëvolueerd van een mythologisering van Amerikaanse onafhankelijkheid tot een revisionistische kritiek op sociale misstanden. Waar Rio Bravo een heldhaftige eenling volgt die de slechteriken van zich af moet houden, presenteert The Hateful Eight een nihilistisch Amerika gebouwd op racistische politiek. De revisionistische western hoeft echter niet beperkt te blijven tot Amerika. 

Sweet Country

Sweet Country verhaalt over een vrije Aboriginal in de Australische Outback van de twintiger jaren van de vorige eeuw die uit zelfverdediging een witte rancher neerschiet. Bang voor de gevolgen zit er niets anders op dan met zijn vrouw te vluchten voor de sergeant die met een groep een klopjacht begint. De Outback blijkt in deze film een meedogenloos niemandsland waar de rechtvaardigheid in eigen hand wordt genomen. Sweet Country komt over als een klassieke western, maar niets is minder waar. Kritiek op het institutionele racisme voert de boventoon in een met spanning gebracht verhaal, maar de film toont geen nieuwe inzichten over wat dit met een mens kan doen.

Het niets van de Outback
Het landschap vormt een onmiskenbaar onderdeel van de film. Zoals de Grand Canyon verbonden is aan de Amerikaanse western, zo geeft de Outback een eigen karakter aan Sweet Country. De stoffige savanne vormt een fraai decor waarin de harde werkelijkheid inkomt als een mokerslag. De weidse beelden van het dorre land krijgen extra schoonheid doordat deze dikwijls gepaard gaan met bijzondere lichtbronnen, zoals de volle maan en een zonsopgang, zorgvuldig geschoten door regisseur Warwick Thornton, die ook het camerawerk voor zijn rekening neemt. Alle karakters komen hierin over als pionnen en gaan op in het niets. Net zoals zij allen in hun gedrag pionnen van de onrechtvaardige instituties zijn. In dit landschap loert de dood, maar laat hij wel op zich wachten.

Strakke suspense
Langzaam maar zeker wordt toegewerkt naar elk doorslaggevend moment wat leidt tot de klopjacht en de nasleep. We voelen al feilloos aan wat een persoon gaat overkomen, maar toch gebeurt het maar niet. Alles lijkt een duidelijke oorzaak en gevolg te hebben, alsof de genadeloze wereld van de Outback het laatste woord heeft. Het doet hierin denken aan The Proposition, een andere Australische western over de gruwelijkheden die kunnen gebeuren als iemand het recht in eigen hand neemt.

Sweet Country

De suspense is niet in de laatste plaats te danken aan de zorgvuldige geluidloze flashbacks en flashforwards die elk karakter een eigen tragiek lijken te geven. De spanning wordt nog meer opgevoerd door de meeslepende zooms op de stoïcijnse gezichten die de hardheid van dit leven verraden. Het onderliggende determinisme wordt verder onderstreept door een breed scala aan karakters, die als een mozaïekstuk het scenario in elkaar laten vallen.

Karikaturen, geen karakters
Helaas kan de geraffineerde regie niet volledig het basale verhaal verbloemen. Het basale zit niet zozeer in het basisgegeven van de man op de vlucht noch in de enigszins voorspelbare hoofdstukken, als wel in de typering van de karakters. Het merendeel van het ensemble dat tegen elkaar wordt uitgespeeld komt al snel karikaturaal over. Elk persoon lijkt ofwel aan de goede kant te staan, ofwel aan de slechte kant van het institutionele racisme.

Deze simplistische goed-kwaadverhouding doet echter afbreuk aan het kritische gehalte van de film. Het zou interessanter zijn geweest om te zien hoe een ieder omgaat met een onrechtvaardig systeem, in plaats van hen elk stellig partij te laten kiezen. De interne strubbelingen van de racistische rancher Kennedy, die worstelt met vaderlijke gevoelens voor zijn halfbloed slavenzoon Philomac en de jongen zelf, die een keuze moet maken tussen beide bevolkingsgroepen, lijken meer te bieden. Toch is dit een gemiste kans, omdat deze verhaallijnen summier worden aangestipt.

De prachtige setting, het karakteristieke fraaie landschap en de meeslepende suspense van Sweet Country vallen in het niet omdat het onderliggende verhaal te bekend aanvoelt en weinig nuance kent.
 

11 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Brimstone

****

recensie Brimstone

Gereformeerde spaghettiwestern

door Alfred Bos

In de eerste western van Nederlandse makelij spreekt een internationale cast Engels met een Nederlands accent. Dat is opzet: Brimstone gaat over Nederlandse kolonisten in de Nieuwe Wereld. En godsdienstwaanzin.

Aan het genre van de western hebben Nederlandse cineasten zich nauwelijks gewaagd. Het is meer dan een halve eeuw geleden dat Rudi Falkenhagen als Tim Tatoe op de zwart-witte tv-schermen van toen met zijn pistool zwaaide. Die kort lopende serie (één seizoen, acht afleveringen) was een western voor het hele gezin. Als familievermaak kun je Brimstone van Martin Koolhoven – volgens het filmaffiche Koolhoven’s Brimstone – onmogelijk typeren. Het geweld is extreem, de psychopathie eveneens.

Brimstone

Brimstone is een verhaal over Nederlandse kolonisten in de Nieuwe Wereld. Het is vooral een film over obsessie en weerbaarheid. Een stomme vrouw (sterke rol van Dakota Fanning) wordt belaagd door een sinistere predikant (dito Guy Pearce). Hoe de vrouw haar tong verloor en waarom de dominee zo van haar bezeten is, wordt niet-lineair verteld in de twee-en-een-half uur durende film die is opgedeeld in vier afzonderlijke, naar Bijbelboeken vernoemde segmenten.

Niet alleen toon, thema en vorm verraden ambitie, dat doet ook de internationale rolbezetting, met prominente bijrollen voor Carice van Houten, de Zwitserse actrice Carla Juri en Games of Thrones-ster Kit Harington. De 14-jarige Emilia Jones speelt de jeugdige versie van Fannings personage.

Inspiratiebronnen
Het filmtijdschrift Schokkend Nieuws vroeg Koolhoven welke films hem voor Brimstone, de eerste Nederlandse speelfilm die zich een western mag noemen, hebben geïnspireerd. De regisseur, cinefiel pur sang, verduidelijkte zijn keuze mondeling voorafgaand aan de voorpremière in EYE.

De troop van de stomme hoofdpersoon heeft Brimstone gemeen met Il Grande Silenzio (1968) van Sergio Corbucci, de man van Django en na Sergio Leone de meest prominente regisseur van spaghettiwesterns, een genre dat Koolhoven na aan het hart ligt. Il Grande Silenzio is overigens ook een western die zich voornamelijk afspeelt in de sneeuw, zoals het slothoofdstuk van Brimstone. De obsessieve western-fan noemt daar Das Finsterne Tal (wraakwestern in de Alpen van de Oostenrijker Andreas Prochaska) direct achteraan.

De verteltruc die in de voice-over zit verstopt, ontleende Koolhoven aan The Road Warrior, de tweede Mad Max-film (1981) van George Miller. De belaagde (anti)heldin heeft parallellen met Brian de Palma’s Carrie (1976) en de seksbeluste pathologische belager die zich aan het gezin opdringt kennen we reeds van Martin Scorsese’s Cape Fear (1991, met Robert de Niro), overigens een remake van het origineel uit 1962 met Robert Mitchum.

Existentiële terreur
Robert Mitchum speelt tevens de duistere dominee in The Night of the Hunter (1955), de belangrijkste inspiratiebron voor Brimstone, zo bevestigde Koolhoven tijdens de voorpremière. Het is een van zijn favoriete films. Dat is ook Once Upon a Time in the West, waarin de vrouwelijke hoofdpersoon eenzelfde ontwikkeling doormaakt als de heldin van Brimstone: hoer, weduwe, zakenvrouw.

Brimstone

Al deze filmtrivia worden uitgerold om iets over Brimstone te vertellen zonder al te veel te verklappen, want het is tevens een thriller die stukje bij beetje de intrige onthult. De verteltechniek is afwijkend, maar functioneel; de klap van de ontknoping komt des te harder aan, helemaal omdat hij aansluit om de ronduit verbluffende proloog. Die is van een serene schoonheid en tevens brute wreedheid die de kijker op scherp zet voor 150 minuten van inktzwarte existentiële terreur. Je kunt de film ook verkopen als horror.

Calvinistische western
Brimstone
toont de wereld van politiek filosoof Thomas Hobbes, waarin de mens de mens tot wolf is. Het tweede deel, Exodus, speelt zich af in het bordeel Frank’s Inferno. Mannen zijn alleen belust op geld en seks, vrouwen worden genadeloos geëxploiteerd en beestachtig behandeld; het geweld neemt groteske vormen aan. Deel drie, Genesis, verduidelijkt de onderlinge relatie van de belangrijkste personages. Het is het moment waarop Carice van Houten schittert en Kit Harington in een sterke scène excessief geweld een kolderieke kwaliteit meegeeft.

De weinig opbeurende kijk op de menselijke natuur heeft Brimstone gemeen met de films van Paul Verhoeven. Het stompzinnige geweld, zowel fysiek als geestelijk, is zo hardvochtig, zo dwangmatig dat het de schijn krijgt van Koolhovens persoonlijke afrekening met een gereformeerde jeugd. En zo past Brimstone naadloos in dat eenentwintigste-eeuwse, typisch Noord-Europese subgenre van de calvinistische western, zie het Deense The Salvation. Wie donder zaait, zal bliksem oogsten.
 

10 januari 2017

Het grote Martin Koolhoven interview, deel 1

 
MEER RECENSIES

Pillen en pistolen

In de acid western is iedereen gestoord

Pillen en pistolen

door Alfred Bos

De acid western is het product van de Amerikaanse tegencultuur die midden jaren zestig opkwam. Het subgenre breekt met de traditionele waarden van de klassieke western. Dat deed ook de zogenaamde revisionistische western die op hetzelfde moment in zwang raakte. Gedeeld kenmerk: indianen zijn niet automatisch fout, blanken deugen vaak niet.

Maar de acid western is anders. Hij gelooft niet meer in de samenleving als sociale constructie. Die is onbetrouwbaar en corrupt. De personages leven – denkbeeldig en in werkelijkheid – in een emotionele wildernis waarin alles ongewis is. De acid western visualiseert een hallucinant, naar absurdisme hellend wereldbeeld.

De term werd in 1971 gemunt door de Amerikaanse filmcriticus Pauline Kael in een artikel in het tijdschrift The New Yorker over de knotsgekke western El Topo (1970). Ze typeerde de film als ‘een spaghettiwestern in de stijl van Luis Buñuel’.

El Topo

El Topo was de tweede feature film van Alejandro Jodorowsky, die we hieronder nogmaals zullen tegenkomen. Zijn surrealisme gaf de acid western zijn naam en dat surreële aspect wordt vaak opgeroepen door geestverruimende middelen, drugs. De acid western is psychedelisch en verbeeldt het bestaan als een bad trip.

In westerns wemelt het van outsiders, individuen buiten de orde; zo ook in de acid western. De (anti)held van de acid western heeft een persoonlijke code, een besef van moraliteit dat in de maatschappelijke orde ontbreekt. Hij staat buiten de orde omdat er geen orde is. Vaak is de distantie tot de rest van de mensheid zo diep dat het leidt tot psychische vervreemding. In zeker opzicht is de (anti)held van de acid western psychotisch. Zo’n psychose kun je ook oproepen, of bevestigen, met drugs.

The Shooting
Drugs komen er nog niet aan te pas in wat met de blik achteraf als de eerste acid western kan worden aangemerkt, The Shooting (1966) van Monte Hellman, een regisseur uit de school van B-film kampioen Roger Corman. Die hoestte de 75.000 dollar op die de film heeft gekost.

De vervreemding is in The Shooting eerder psychologisch dan psychedelisch. Door een dor woestijnlandschap trekt een vreemd trio. Een voormalige premiejager (Warren Oates) en diens zwakbegaafde sidekick (Will Hutchins) helpen een mysterieuze vrouw (Millie Perkins). Wat de anonieme vrouw, ze blijft in de film naamloos, drijft en waarom het ongemakkelijke gezelschap door die desolate woestijn trekt, blijft lange tijd onzeker.

De premiejager begint iets te dagen wanneer een trekkerheld, Billy Spear (Jack Nicholson), zich bij het drietal voegt. Spear is onberekenbaar, een psychopaat. Hij zou het personage na zijn doorbraak met Easy Rider vaker spelen, onder meer in Kubricks The Shining. De vrouw blijft een raadsel, tegen haar helpers verandert ze voortdurend haar verhaal.

De vrouw en Spear spelen onder een hoedje, ze jagen op een eenzame ruiter die het kwartet in de woestijn vooruit is. Wat maakt The Shooting tot een acid western? Dat is de existentiële leegte, van de woestijn en van de personages. Spear en de vrouw zijn vraagtekens, personages zonder achtergrond of context, monomaan en manipulatief van aard.

The Shooting was in 1966 – toen de acid western als subgenre nog niet bestond – allesbehalve een doorsnee-western. De film is doortrokken van vervreemding en bijna anti-Hollywood qua stijl. In het commentaar bij de dvd-release van 2014 wordt verwezen naar Wachten op Godot, het toneelstuk van Samuel Beckett over de zinloosheid van het bestaan.

Bij verschijning in het najaar van 1966 werd de film in Amerika nauwelijks opgemerkt, maar de Franse critici van ‘Cahiers du cinema’ waren verrukt. Nadat Jack Nicholson dankzij Easy Rider (1969) was uitgegroeid tot een internationale ster ging The Shooting in 1971 in Amerika opnieuw in roulatie en is sindsdien uitgegroeid tot cultklassieker. De dvd-uitgave getuigt daarvan.

Dead Man
Easy Rider is de brug tussen The Shooting en een krankzinnige, eigenlijk totaal mislukte maar niettemin fascinerende film uit 1971. The Last Movie is de tweede speelfilm van Dennis Hopper, gemaakt op de vleugels van zijn baanbrekende regiedebuut Easy Rider dat in Hollywood de Franse nouvelle vague modieus maakte. The Last Movie flopte jammerlijk – Hopper maakte negen jaar lang geen films meer – maar het is een intrigerend tijdsdocument, vaak omschreven als acid western.

Of het een western is, is de vraag (de handeling speelt op het platteland van Peru, waar een Amerikaanse crew een western draait), maar acid is de film zeker. Fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar, de mens toont zijn gewelddadige natuur, gekte en vervreemding zetten de toon. The Last Movie is ook een film over film, en wel een van de vreemdste. Hoppers tegenspeler in Easy Rider, Peter Fonda, maakte datzelfde jaar de acid western The Hired Hand.

Honderd procent acid western is Jim Jarmusch’s Dead Man, met Johnny Depp in de hoofdrol. In 1995, toen Dead Man verscheen, was de western als bioscoopgenre op sterven na dood en alles aan deze film is subversief. Het is een in zwart-wit gedraaide vertelling over een man die rondloopt met een kogel naast zijn hart en in feite al dood is, gespeeld door een Hollywood-ster, in een genre dat op dat moment al jaren passé is. Veel meer afstand van de Hollywood-orde kun je als onafhankelijke Amerikaanse filmmaker niet nemen.

Dead Man is (als we willen goochelen met filmgenres) een postmoderne neo-revisionistische western van de acid soort. De maatschappelijke orde van de blanken, voor zover die bestaat, wordt à la El Topo neergezet als een immorele burleske grol en de (anti)held – William Blake genaamd en de referentie aan de Engelse graficus-dichter-ziener van die naam blijkt geen toeval – is een buitenstaander die dwaalt door de schemerwereld tussen leven en dood.

Zijn gids in het vagevuur is een indiaan (Gary Farmer) die zich Nobody noemt. Wanneer Nobody hem verlaat trekt Blake zonder idee of plan door de existentiële wildernis en raakt meer en meer vervreemd van zijn voormalige bestaan als brave burger. Het zijn de blanken die zich als beesten gedragen – in één geval letterlijk – terwijl de indianen een toonbeeld van respect zijn en hem begeleiden op zijn reis naar de wereld van de geesten.

Dead Man toont de barbaarsheid van een ontzielde wereld, niet als aanklacht, ook niet als satire, maar als een absurdistische klucht. Ook zonder slapstick zit er een vleugje Buster Keaton en Charlie Chaplin in de film en niet omdat Jarmusch terugvalt op het sjabloon van zijn tweede speelfilm Stranger Than Paradise: korte scènes gedraaid in zwart-wit, onderbroken door zwarte schermen. De wereld van Dead Man is inderdaad geen paradijs, hij is veel vreemder. De film is existentieel én psychedelisch.

Blueberry
Europese westerns hebben sinds de jaren zestig een belangrijke bijdrage geleverd aan de westerncanon en er zijn ook Europese acid westerns gemaakt. In Walker (Alex Cox, 1987) voert de titelheld, gespeeld door Ed Harris, voor een Amerikaanse miljonair een staatsgreep uit in een Midden-Amerikaans land. Walker is absurdistisch: de film is geplaatst in het midden van de negentiende eeuw, maar er rijden vrolijk auto’s rond.

Het scenario van Cox’s film is geschreven door Rudy Wurlitzer, de man die het script aanleverde voor Sam Peckinpah’s revisionistische western Pat Garrett & Billy The Kid (1973). Wurlitzer is de onzichtbare spin in het web van de acid western. Hij debuteerde als scenarist met Two-Lane Blacktop, de absurdistische roadmovie van Monte Hellman, regisseur van The Shooting, uit 1971. Zijn nooit verfilmde script met de titel Zebulon diende als basis voor Jim Jarmusch’s Dead Man.

Uitgesproken psychedelisch is Blueberry (2004) van regisseur Jan Kounen, in 1964 in Utrecht geboren als Jan Coenen. De Franse productie ontleent de naam van de titelpersonage aan de reeks in het Amerikaanse westen gesitueerde stripverhalen van de Franse illustrator Jean Giraud, ook bekend als Moebius.

En daar duikt Jodorowsky weer op. De Chileense filmmaker, die wordt gezien als belangrijke inspirator van Dennis Hopper, David Lynch en Nicolas Winding Refn, leverde het scenario voor de fameuze Incal-strip van Moebius/Jean Giraud, die werd gepubliceerd in de jaren tachtig. In dat sciencefictionverhaal staat de spirituele queeste centraal en de surrealistische geest van Jodorowsky waait ongehinderd door Kounens filmadaptie van Blueberry.

Net als Dead Man handelt Blueberry (vertolkt door Vincent Cassel) over een buitenstaander, een paria eigenlijk, die onder de hoede komt van een indiaan, de Apachi Runi (de Nieuw-Zeelandse acteur Temuera Morrison). De wereld van Blueberry is, net als die van Dead Man en El Topo, chaotisch, willekeurig en gewelddadig.

Het onmiskenbare acid-element is de ayahuasca-trip die Blueberry onder begeleiding van medicijnman Runi doorleeft. Het is de visuele climax van de film en volgens ayahuasca-priesters uit het Amazone-oerwoud verbeeldt de dertien minuten durende beeld-trip nauwkeurig wat de gebruiker van het sacrament in zijn roes ziet. De scène is vergeleken met de sterrenpoort-sequentie uit 2001: A Space Odyssey en heeft nachtmerrie-achtige trekjes. Blueberry wordt geconfronteerd met zijn onderbewustzijn en daar is het geen feest.

In Ron Howards western The Missing (2003) speelt een blanke vrouw de rol van sjamaan; er zijn enkele scènes rond psychedelische kruiden en zinsbegoocheling. Maar de enige andere film die naast Blueberry een ayahuasca-trip realistisch verbeeldt is El abrazo de la serpiente (Omhelzing van de slang), eerder dit jaar in de Nederlandse bioscoop te zien geweest. In de acid western draait het om verlichting en verlossing.

Het altijd obscuur gebleven subgenre is inmiddels doorgedrongen tot het tv-scherm. De serie Preacher, gebaseerd op de gelijknamige strip van Garth Ennis en Steve Dillon, speelt in West-Texas, zit vol hoeden en guns, is zeer gewelddadig en ronduit surrealistisch, en speelt rond de strijd tussen goede en kwade geesten. De serie wordt verkocht als horror, maar is in feite een acid western. Waarmee het wantrouwen tegen de orde van de tegencultuur uit de jaren zestig de mainstream van nu heeft bereikt. In de wereld van vandaag is iedereen gestoord.

 

20 december 2016

 
 
MEER ESSAYS

De western als zen-opera

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Wraak verdampt tot karma

door Alfred Bos

Ook digitaal opgelapt is de eerste rol van Henry Fonda als schurk, 48 jaar na de eerste vertoning van Sergio Leone’s monumentale spaghettiwestern, nog steeds gedenkwaardig. Betere westerns zijn er niet gemaakt. Betere filmmuziek ook niet.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Is Once Upon a Time in the West de beste western ooit gemaakt? Het verhaal is simpel: geheimzinnige vreemdeling met mondharmonica en schurk met lokale reputatie beschermen weduwe tegen lafhartige moordenaar die werkt voor spoorbaron. De uitwerking is groots: een kleine drie uur durende breedbeeldcollage van westerntropen en nouvelle vague-technieken (lange tracking shots, techniek als stijl, speciale aandacht voor geluid, de regisseur als auteur) in tergend traag tempo, ondersteund door een majestueuze soundtrack. Sergio Leone’s vierde spaghettiwestern is een meesterwerk.

En niet zijn eerste. Toen Once Upon a Time in the West vlak voor kerst 1968 in de Italiaanse bioscoop verscheen, had de wereld er een chaotisch jaar op zitten. De politieke moorden van Martin Luther King en presidentskandidaat Robert Kennedy (broer van JFK) in Amerika, de escalatie van de oorlog in Vietnam, de studentenrellen in Parijs, Berlijn en andere westerse steden, de inval van de Russen in Praag—de wereld snakte naar een moment van bezinning en eenheid. Dat kwam op kerstavond, toen Apollo 8 rondjes om de maan vloog en het publiek thuis achter de buis trakteerde op de eerste ruimte-selfie: planeet aarde gezien van buitenaf. Wat ontbrak was de soundtrack van Ennio Morricone.

Die was te horen onder Sergio Leone’s vierde spaghettiwestern. De regisseur had een naam hoog te houden, want zijn vorige film, The Good, The Bad and The Ugly (1966), was een epos op een schaal waarbij de doorsnee western van dat moment – en zijn eigen A Fistful of Dollars (1964) en For A Few Dollars More (1965), gedrieën de Dollars Trilogie met Clint Eastwood als de man zonder naam – bleekjes afstaken. Alles aan Once Upon a Time in the West ademt ambitie.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Moreel besef
Het verhaal komt uit de koker van collega-regisseurs Benardo Bertolucci en Dario Argento, plus Leone zelf. Het basisgegeven is dat van The Good, The Bad and The Ugly: drie mannen, geharde individuen, strijden met en tegen elkaar. De inzet is geen verborgen schat, zoals in het slotstuk van de Dollars Trilogie, maar een goede zaak. Een jonge weduwe, Jill McBain (Claudia Cardinale), wordt belaagd door de sterke man, Frank (Henry Fonda, in zijn eerste rol als schurk), van treinbaron Morton (Gabriele Ferzetti). Die aast op de boerderij van haar familie, door Frank vermoord. Er zit water onder de grond, daar moet het station komen te staan.

De motieven van de mannen die haar te hulp schieten, elk om zijn eigen redenen, maken dat Once Upon a Time in the West ondanks overeenkomsten in plot en beeldtaal een gans andere film is dan The Good, The Bad and The Ugly. Cheyenne (Jason Robards), de beruchtste outlaw van het stadje Flagstone en omgeving, krijgt de schuld voor de moord op de McBains in zijn laarzen geschoven. De man met de harmonica, domweg Harmonica geheten (Charles Bronson), heeft met Frank een rekening te vereffenen.

Eer en reputatie zijn de inzet, niet geldgewin; moraliteit is de prettige bijvangst. Dat moreel besef, plus de aanwezigheid van een vrouw in het kwartet hoofdrollen, maken Once Upon a Time in the West tot een rijkere film dan zijn directe voorganger, met een emotionele diepgang die de Dollars Trilogie mist.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Gletsjer-tempo
Welke rekening er voor Frank openstaat ontvouwt zich langzaam. En langzaam is het sleutelwoord aangaande Once Upon a Time in the West. Waar veel regisseurs het verhaal er in anderhalf uur doorheen zouden jassen, neemt Leone bijna drie uur de tijd. De film heeft het tempo van een gletsjer en dat dient een doel.

De openingsscène op het station van Cattle Corner middenin de leegte van een winderige prairie – twee jaar terug nog gekopieerd in de Deense western The Salvation – zet de toon. Tien minuten lang gebeurt er hoegenaamd niets. Drie langjassen (na deze film een index van slechteriken) wachten op hun prooi. De tijd wordt gevuld met geluid en extreme close-ups; triviale voorvallen – een hinderlijke vlieg, druppelend water – uitvergroot tot epische proporties.

Leone rekt de tijd, die daardoor zijn normale betekenis verliest. Het geeft de regisseur tevens de gelegenheid om het medium film in te dikken tot zijn kern: beeld en geluid. De scène is nagenoeg woordloos, zoals de dialogen van deze 175 minuten lange film passen op tien A-viertjes. Ook het beeld wordt van zijn gangbare betekenis ontdaan, de close-ups abstraheren het getoonde tot textuur. Temidden van alle zwijgzaamheid krijgen de spaarzame dialogen extra lading. Verschillende zijn klassiek geworden, zoals deze: “Je ziet, we komen een paard te kort.” “Nee, jullie hebben er twee teveel.”

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Zen-cowboy
Al oogt Once Upon a Time in the West oppervlakkig gezien als een voorbeeld van naturalisme, alles aan de film is gestyleerd. Niet wat zich vóór de camera afspeelt, maar hoe de regisseur het op het filmdoek brengt is van a tot z geësthetiseerd. In dat opzicht loopt de film vooruit op het hyperrealisme dat in zwang kwam na de introductie van de digitale camera.

De visuele stijl is een voortzetting en verfijning van de beeldtaal die Leone gebruikt in The Good, The Bad and The Ugly: breedbeeldformaat, telelens, close-ups; de laatste vaak extreem. Al is zijn film hoogst gestileerd, de regisseur past een stijlmiddel toe dat het Italiaanse neorealisme regelmatig hanteert: de flashback die visualiseert wat zich in het hoofd van het personage afspeelt, een gedachte of een herinnering. Hij gebruikt het meesterlijk in de finale, wanneer voor Frank – en de kijker – met een schok duidelijk wordt wie Harmonica is en wat hem drijft.

Dan wordt ook duidelijk waarom de film zo’n tergend traag tempo heeft. Dat is de gemoedstoestand van Harmonica, de man die zo onthaast, zeg maar gerust onthecht is dat hij een zen-cowboy is geworden. Once Upon a Time in the West handelt niet om wraak, zoals talloze westerns—hij gaat over karma. Harmonica is geen wreker, hij is het noodlot dat Frank over zichzelf heeft afgeroepen.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Operateske soundtrack
Filmcomponist Ennio Morricone heeft voor zijn soundtrack veel lof gekregen; die heeft de allure van een opera. Morricone geeft twee van de drie mannelijke hoofdrollen zijn eigen muzikale motief dat hun personage typeert en hun karakter schetst. De man met de harmonica gaat vergezeld van drie omineuze dissonanten uit, hoe kan het anders, de harmonica. Cheyenne wordt geïntroduceerd met een klossende deun, wat de blanke pit in de ruwe bolster verraadt. Frank is zielloos en moet het dus zonder muziek doen.

Het hoofdthema met de woordloze vrouwenzang is het motief van de weduwe. Die keuze van de regisseur benadrukt haar centrale rol in het verhaal: de voormalige hoer uit New Orleans fungeert als de beschavende factor in de vertelling. Leone en Morricone waren bevriend sinds hun schooltijd; de componist voorzag alle films van Leone van muziek, met uitzondering van diens debuut, de sword & sandal-film Il Colosso di Rodi (1961). Na de release van Once Upon a Time in the West belde Stanley Kubrick met Rome: hoe had zijn Italiaanse collega beeld en geluid zo perfect op elkaar weten te laten aansluiten? Eenvoudig, de muziek was al geschreven en de scènes waren gedraaid terwijl Morricone’s soundtrack speelde.

Maar meer nog dan de dramatische orchestraties blinkt Once Upon a Time in the West uit door zijn gebruik van omgevingsgeluid. Ook daarin was de film vernieuwend, het zet ambient geluid in als textuur. Zoals Leone flashbacks hanteert om de gedachten van Harmonica zichtbaar te maken, zo gebruikt hij sfeergeluid om te tonen wat er rondgaat in het hoofd van treinbaron Morton, voor hij zijn laatste adem uitblaast. Voor de filmsoundtrack is 1968 een sleuteljaar, Stanley Kubrick gebruikte bestaande opnamen op revolutionaire wijze als filmmuziek in 2001: A Space Odyssey.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Ongenaakbare klassieker
Once Upon A Time In The West, de meest onthaaste, bijna ambient, anti-actiefilm die Leone maakte, werd net als de Dollars Trilogie gedraaid in het Zuid-Spaanse Almería. Voor een film die textuur centraal stelt is het landschap van beslissende betekenis en Leone schoot Jills reis van het stadje Flagstone per kar naar de McBain-boerderij Sweetwater in Amerika. De camera glijdt over de iconische Monument Valley, bekend van talloze westerns van John Ford. Die liet na het zien van Leone’s spaghettiwestern aan zijn collega weten dat hij in hem zijn meerdere erkende.

Once Upon a Time in the West is de diamant in het kleine, maar gave oeuvre van de Italiaanse regisseur. De film werd indertijd in Europa beter ontvangen dan in Amerika, waar distributeur Paramount complete scènes uit het verhaal sneed. Hij groeide – net als de Dollar Trilogie en The Good, The Bad and The Ugly in het bijzonder – in de loop der jaren uit tot ongenaakbare klassieker. De Engelse auteur Barry Stone beschouwt die twee Leone-films in zijn eerder dit jaar verschenen boek The 50 Greatest Westerns met Seven Samurai (Akira Kurosawa, 1954) en The Wild Bunch (Sam Peckinpah, 1969) als de beste westerns ooit gemaakt. Daar valt weinig tegen in te brengen.
 

30 oktober 2016

 
Alle essays

Waar is het onvervalste plezier van de vroegere westerns gebleven?

Ondertussen, op de redactie:

Waar is het onvervalste plezier van de vroegere westerns gebleven?

BOB:

Een tijdje geleden mailde ik met Alfred over westerns, naar aanleiding van mijn stukje over oostelijke westerns. Ik vroeg me toen af: waar is het onvervalste plezier van de vroegere westerns gebleven? Waarom mag je als kijker niet meer genieten van een bargevecht, een schietpartij of een overdreven handgemeen? Artistieke pulp als Faccia a Faccia of They call him Trinity (of een vrolijke western als Cat Ballou!) is toch heel wat anders dan de ernst van deze film of deze film, die ogen als realistisch psychologisch drama.

Is dit broodnodige vernieuwing van een genre of is dit vernieuwing met een gebroken kompas? Of zijn er meerdere kompassen in omloop, zoals de moderne bewerking van The Magnificent Seven laat zien? ‘Is de western terug van nooit helemaal weggeweest?’, vraagt Alfred zich af in zijn recensie. Je kunt misschien ook denken aan de serie Deadwood (tien jaar oud) en True Grit van de gebroeders Coen (zes jaar oud).

Als het gaat om vermaak versus ‘de werkelijkheid schetsen’ citeer ik graag Karel van het Reve: ‘Overigens is escape, de vlucht uit de werkelijkheid, juist een morele rechtvaardiging van de kunst. Gaf zij de werkelijkheid weer, dan was zij overbodig. Werkelijkheid is immers in onbeperkte hoeveelheid voor een ieder altijd en overal te krijgen. Waartoe al die moeite om iets te maken dat er al is?’

Wie kan er meer over vertellen?

 

The Magnificent Seven (2016)

 

GEORGE:

Check dit: http://www.imdb.com/title/tt1895315/
Van onze Eigen Martin Koolhoven.

Maar Bob, hoe zit het dan met Wild Wild West? ;-)
https://www.youtube.com/watch?v=_zXKtfKnfT8

Volgens mij kan je westerns ook onderverdelen in andere genres:
-Horror: http://www.imdb.com/title/tt2494362/
-Sci-fi: http://www.imdb.com/title/tt0409847/?ref_=nv_sr_1
-Animatie: http://www.imdb.com/title/tt1192628/?ref_=nv_sr_1
-Komedie: http://www.imdb.com/title/tt2479478/?ref_=nv_sr_1

Probleem is misschien dat veel Western-tropes zijn verworden tot clichés (standoff, bargevecht, kaartspelletjes) die tot in den treure zijn uitgemolken en hun kracht hebben verloren.

 

ALFRED:

Over de western zijn boeken volgeschreven, academische studies zelfs. Er zijn sinds D.W.Griffiths The Birth of a Nation (1915) zo’n achtduizend westerns gemaakt, van Amerika tot Rusland en Zuid-Korea aan toe; dit najaar verwelkomen we de eerste ‘kaaswestern’, Martin Koolhovens Brimstone. Alleen de misdaadfilm komt in de buurt van die cijfers.

Brimstone

Wat is een western? Is The Birth of a Nation (1915) een western? Griffiths film speelt in het Zuiden van Amerika, op het platteland; in de jaren na de Burgeroorlog en handelt over wetteloosheid; er zijn geen indianen te bekennen. Ik zou zeggen: western. Op zijn minst: de kraamkamer van de western. Wie het daar niet mee eens is, heeft aan Hell’s Hinges (Charles Swickard, 1916) de eerste film die onmiskenbaar ‘western’ is.

Is The Revenant, van eerder dit jaar, een western? Alejandro Iñárritu’s film speelt in de Amerikaanse wildernis, waar geen gezag of justitie is te bekennen; telt bloeddorstige indianen en blanke bandieten; en speelt in de jaren twintig van de negentiende eeuw. Ik zou zeggen: geen western. Zo gezien vallen Michael Manns The Last of the Mohicans (1992) en Terrence Malicks The New World (2005) ook buiten het genre.

Het verschil: de periode. De western is gesitueerd in de jaren tussen het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog en het notoire bloedbad van Wounded Knee dat de definitieve onderwerping van de indianen markeert, ruwweg van 1865 tot 1890; doorgaans – maar niet exclusief – in de prairies van het Mid-Westen of de woestijn van het Zuid-Westen, in een omgeving waar orde en gezag zich nog niet hebben gevestigd. De strijd tegen de natuur, ook de menselijke natuur, staat centraal.

Die achtduizend westerns sinds The Birth of a Nation zijn op te splitsen in een groot aantal subgenres. Ik noem de bekendste: de wraakwestern, de cavalerie western, de cattle drive western, de mountain man western, de gold rush western, de rodeo western, de Freudiaans getinte family western, de eigentijdse western, de revisionistische western, de spaghettiwestern, de acid western en de komische western. De mythe rond Wyatt Earp en de historische shoot-out in de OK Corral is bijna een subgenre op zich geworden. Dito de verhalen rond Billy The Kid en Jesse James.

Begin jaren vijftig was in Amerika de musical-western – of is het de western-musical? – populair: Oklahoma!, Annie Get Your Gun, Calamity Jane (met Doris Day) en Seven Brides for Seven Brothers. Na Paint Your Wagon (1969) is er van het subgenre niets meer vernomen. Ik treur niet.

Anders dan film noir is de western geen stijl, maar een genre. Een genre dat zo archetypisch is dat het niet vastzit aan de begrenzingen van tijd (1865-1890) en ruimte (het Amerikaanse Westen). Ook buiten prairie en woestijn blijft de pioniersproblematiek herkenbaar als western: Distant Drums (Raoul Walsh, 1951) speelt in de moerassen van Florida. Daar is ook een eastern western van Budd Boetticher, Seminole (1953), gesitueerd.

Er is een western zonder pistolen, Four Faces West (Alfred E, Green, 1948) en meerdere westerns met vrouwen in de hoofdrollen, zoals Woman They Almost Lynched (Allan Dwan, 1953) en Johnny Guitar (Nicholas Ray, 1954). John Sturges’ Backlash (1956) verkiest spanning boven actie en 5 Card Stud (Henry Hathaway, 1968) is een moordmysterie vermomd als western.

Winchester '73

En natuurlijk is de western noir gedraaid, Blood on the Moon (Robert Wise, 1948) bijvoorbeeld. Ook de reeks westerns die Anthony Mann in de jaren vijftig maakte, beginnend met Winchester ’73, zijn te bestempelen als noir.

Zelfs als de western uit zijn natuurlijke ecotoop wordt getild en verplaatst naar het heden blijft het herkenbaar als western. Martin Ritt introduceerde in 1963 de eigentijdse western met Hud (Paul Newman in de titelrol). Het subgenre is doorgaans gesitueerd in Texas, met John Sayles’ meesterwerk Lone Star (1996) als absolute hoogtepunt: het is een eigentijdse western, een film noir moordmysterie én een Italiaans romantisch drama uit de jaren zeventig ineen. Over enkele weken verschijnt de eigentijdse western Hell or High Water in de Nederlandse bioscoop, mensen die hem al hebben gezien zijn verrukt.

Er bestonden dus al vele soorten westerns toen het genre na de flop van Heaven’s Gate (Michael Cimino, 1980) uit de gratie viel. Nadat de western grotendeels – maar nooit helemaal – uit de bioscoop was verdwenen, zijn daar nog postmoderne subgenres als de horror western (Near Dark, de vampier western van Kathryn Bigelow uit 1987) en de sciencefiction western (Back To The Future III,1990) bijgekomen. George noemde al enkele recente voorbeelden van die postmoderne mengvormen.

Exclusief postmodern is het mengen niet. De cavalerie western is in feite een mix van de genres western en oorlogsfilm: het Amerikaanse leger tegen de indianen, zie Walter Hills Geronimo: An American Legend (1993).

‘De’ western bestaat dus niet. En wat is het verschil tussen de western en de gangsterfilm? In feite weinig meer dan tijd en plaats, de setting en de periode. De western speelt in de natuur, ver van de beschaving; de gangsterfilm in de grote stad, onder de neus van de autoriteiten. De genres zijn al vroeg gekruist, Gun Smoke (1931) was de eerste. Walter Hill, die van Geronimo, deed het in 1996 met Last Man Standing, zijn gangster-meets-western pastiche van Kurosawa’s Yojimbo (1961). Die had eerder al model gestaan voor A Fistful of Dollars (1964), de eerste van Sergio Leone’s vermaarde Dollars-trilogie met Clint Eastwood.

Unforgiven

Al waren ze de afgelopen 35 jaar dun gezaaid, de western is nooit verdwenen. Clint Eastwoods Unforgiven (1992) is de ultieme wraakwestern. Er was de 2007 remake van de jaren vijftig klassieker 3:10 to Yuma en de Coen Brothers deden het John Wayne-vehikel True Grit (1969) opnieuw. Ron Howard vermengde de wraak en acid western en voegde er een scheut horror aan toe in The Missing (2004). Zelfs de cattle drive western (archetype: Red River van Howard Hawks, 1948) bereikte de 21st-eeuwse bioscoop in de vorm van de lang niet verkeerde Open Range (2003).

George noemde al The Ridiculous 6, een parodie op de klassieke western en een duidelijk bewijs dat het genre onverwoestbaar is. En de western is onverwoestbaar omdat hij meegroeit met zijn tijd en zich voegt naar nieuwe omstandigheden.

Dat doet ook Antoine Fuqua’s nieuwe interpretatie van The Magnificent Seven die nu in de bioscoop draait. Anno 2016 bestaat het team vrijbuiters uit een Afro-Amerikaan, een indiaan, een Aziaat en een Mexicaan; dan zijn er nog drie blanken: een zuipschuitende Ier, een maffe mountain man en een Zuidelijke gentleman met oorlogstrauma. Deze versie van Kurosawa’s Seven Samurai is een multiculturele western, een nieuwe variant op het subgenre van de revisionistische western waarin de cowboy niet automatisch goed en de indiaan niet automatisch slecht is.

De plooibaarheid van de western maakt dat het genre is te zien als barometer van de Amerikaanse samenleving, betoogde socioloog Will Wright in zijn klassiek geworden studie, Six Guns and Society (1975). De nieuwe versie van The Magnificent Seven past naadloos in zijn betoog.

Onderweg naar de persvoorstelling kwam ik André Waardenburg tegen, filmcriticus van NRC Handelsblad, en we fietsten samen op. Ik verwees naar het boek van Wright, hij noemde Jim Kitses’ studie van de western, Horizons West, vernoemd naar de 1952 klassieker van de archetypische Amerikaanse western-regisseur Budd Boetticher.

André zag na afloop in het geboefte terroristen die de samenleving onveilig maken. Voor mij staat de mijnindustrieel voor de neoliberale variant van het kapitalisme.

Ik wil maar zeggen: aan de western valt zo veel meer te beleven dan fluitende kogels en zoevende pijlen. Het is vermaak én het zegt iets over de werkelijkheid waarin we leven. Dat maakt het ook een beetje kunst. Ik ben het dus roerend eens met Karel van het Reve.

Meer westerns, graag! Ik maak me op voor de re-release van Once Upon a Time in the West. Al zijn ze Rio Bravo vergeten, hier de favoriete tien van andere liefhebbers.

 

Stagecoach

 

COR:

The Birth of a Nation (1915) is wat mij betreft eerder het vertrekpunt van de Amerikaanse filmgeschiedenis dan een western. Of je moet de strijd tussen de Ku Klux Klan (volgens Griffith destijds ‘de redder van de natie’) en de zwarte bevolking in het Zuiden die na de Burgeroorlog meer rechten had gekregen, zien als een bloeddorstig treffen tussen cowboys en indianen.

Hij duurt maar elf minuten, maar volgens mij kan The Great Train Robbery (1903) worden beschouwd als de allereerste western. Na die tijd werden ‘cowboyfilms’ niet echt meer serieus genomen en waren ze veroordeeld tot B-film: klein budget, onbekende acteurs en weinig publiciteit.

John Ford, die zojuist een Oscar had gewonnen met zijn drama The Informer (1935) zorgde met Stagecoach (1939) met John Wayne voor een sensationele opleving van het genre. Ford filmde voor het eerst in het indrukwekkende rotsenlandschap van Monument Valley, waar later nog veel meer films werden opgenomen, zoals Back to the Future 3, door Alfred sciencefictionwestern genoemd. Het was nog de tijd dat shoot-outs door de (zelf)censuur zich buiten beeld afspeelden.

Aan het imposante rijtje subgenres zou ik graag de kung fu-western willen toevoegen (over B-films gesproken) met als dubieus hoogtepunt Kung Fu Brothers in The Wild West, dat het mogelijk kan schoppen tot de Camera Obscura van Bob. Waarschijnlijk geïnspireerd op de wereldberoemde tv-serie met David Carradine als Shaolin-monnik die enkel wijze woorden – en in uiterste gevallen met zijn handen en voeten – sprak. Toen al was de western een barometer van de Amerikaanse samenleving; sindsdien is het veel moeilijker om goed van kwaad te onderscheiden.

 

27 september 2016

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Magnificent Seven, The

***

recensie The Magnificent Seven

Seven Samurai als multiculturele western 

door Alfred Bos

De moderne bewerking van Akira Kurosawa’s meesterwerk Seven Samurai is in alle opzichten een klassieke western, op één na. Hij introduceert een nieuwe variant, de multiculturele western.

Is de western terug van nooit helemaal weggeweest? Dit najaar valt er voor de liefhebber genoeg te halen: de opgepoetste heruitgave van een genre-hoogtepunt (Once Upon A Time in the West), de eerste Nederlandse western, een internationale productie met een internationale rolbezetting (Martin Koolhovens Brimstone), een eigentijdse western die cinefielen in verrukking brengt (Hell or High Water) en dan is er, om de hete herfst af te trappen, een eigentijdse versie van een onvervalste klassieker, The Magnificient Seven.

The Magnificent Seven

Het origineel verscheen in 1960, toen het genre qua populariteit piekte. Een op de drie series die de Amerikaanse televisie vertoonde was een western en er hing routine in de lucht. John Sturges’ The Magnificent Seven bracht iets nieuws naar het genre van het vrijgevochten individu en de onbegrepen buitenstaander: teamgeest.

In zijn tot western geadapteerde interpretatie van Kurosawa’s meesterwerk Seven Samurai (die zijn bewondering voor westernregisseur John Ford goot in een samoeraifilm) brengt Sturges zeven loners samen om voor weinig meer dan de eer een boerengemeenschap, Mexicanen nota bene, te verlossen van parasiterende bandieten. Als de stof is opgetrokken staan er slechts drie helden overeind, maar de boeven zijn verpletterd. En de boeren ploegen voort. De gemeenschap is de winnaar.

Multiculti-team
Antoine Fuqua, regisseur van actiethrillers als Olympus Has Fallen, Brooklyn’s Finest en King Arthur, bewerkt respectvol Kurosawa’s origineel – befaamd als de moeder aller actiefilms – en plaatst de handeling in Rose Creek, een pioniersdorpje in een afgelegen vallei. Mijnindustrieel Bartholomew Bogue (Peter Sarsgaard) dwingt de bewoners met harde hand om hun grond voor een appel en een ei te verkopen. Zeven buitenstaanders, bijeen gebracht door de rondreizende pistoolheld Chisolm (Denzel Washington), brengen redding.

Er is meer dan een halve eeuw verstreken sinds de eerste Hollywood-versie van Seven Samurai in de bioscoop verscheen en dat terug te zien in de samenstelling van het team. Het is multicultureel: een Afro-Amerikaan (Washington), een Ier (Chris Pratt), een Zuiderling (Ethan Hawke), een Mexicaan (Manuel Garcia-Rulfo), een mountain man (Vincent D’Onofrio), een Aziaat (Byung-hun Lee) en een indiaan (Martin Sensmeier). De laatste vervult de rol van de buitenstaander binnen de buitenstaanders die Toshirô Mifumes boerenzoon tussen de samoerai van Kurosawa innam.

The Magnificent Seven

Overbodig wraakmotief
Fuqua blijft dicht bij Kurosawa’s plot, met aardige variaties. De overval op het kamp van de tegenstander vervangt hij door een bliksembezoek aan een van Bogues mijnen, waarbij een partij dynamiet wordt geroofd. Die zal een prominente rol spelen in de verdediging van het dorp, wanneer de schurken, inclusief Gattling gun, zich melden voor de afrekening. Een kleffe romance tussen een der helden en de stoerste dame van het dorp blijft de kijker godlof bespaard en de adrenaline vretende slotacte – met veel vaart en zonder speciale effecten gefilmd – is klassiek westernvermaak, met een toefje Rio Bravo als garnering. Over de aftiteling citeert de soundtrack Elmer Bernsteins themamuziek voor de Sturgess-film.

Wanneer de pistolen zwijgen zijn vier helden gesneefd. Het is de 21ste eeuw en blanken niet langer de gevierde held van de regenboogcoalitie. De overlevers zijn: de Afro-Amerikaan, de Mexicaan en de indiaan—het is een nieuwe wereld. Het slot is een regelrechte hommage aan Kurosawa en benadrukt dat in tijden van nood het individu zicht opoffert voor de gemeenschap. Maar toch niet helemaal, want Fuqua heeft geheel onnodig en totaal overbodig het meest cliché der clichés, het wraakmotief, in het script gewurmd. Dat kost een ster.

En dan nog dit. In zijn klassiek geworden studie over de western, Six Guns and Society, betoogt socioloog Will Wright dat de ontwikkeling van de Amerikaanse samenleving zich laat aflezen aan de western. Het genre verdween na de peperdure flop Heaven’s Gate (1978) goeddeels uit de bioscoop, maar is dit najaar prominent aanwezig. De absentie valt samen met de hoogtijdagen van het neoconservatisme, geïnitieerd door Ronald Reagan. Als Wrights theorie nog steeds staat, signaleert deze nieuwe versie van The Magnificent Seven het einde van de bestaande orde. Op 9 november zal Amerika het weten.
 

20 september 2016

 
MEER RECENSIES

Oosterse westerns

Oosterse westerns

door Bob van der Sterre

Deadlock ♦ Lemonade Joe ♦ At Home Among Strangers, a Stranger among his own

 
Stoffige landschappen, coole cowboys, saloons, duels. Films hebben altijd veel plezier gehad aan westerns. Maar ze kwamen uit meer landen dan Italië en Verenigde Staten alleen. Wat te denken bijvoorbeeld van onderstaande ‘easterns’ uit Duitsland, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie?

Eerste shot in Deadlock (1970): man in pak, met koffer en machinegeweer, strompelt door de woestijn. Montage op het ritme van de muziek. Close-ups van de zon. Prachtige analoge filmbeelden: je zit er meteen in.

Getrokken pistolen in een mijndorpje
De man met de koffer is te verzwakt om te voorkomen dat zijn vinder, Charles Dump, de rollen omdraait. Hij steelt de koffer maar is niet van plan het mijnstadje te verlaten. Dan treft hij de bezoekende Anthony Sunshine, een oudere dief die ook al op de koffer uit is. Wie trekt aan het langste eind?

Het psychologische duel wijkt niet echt af van de meeste westerns. Maar het is een rauwe film, een stuk smeriger dan de gemiddelde western, en herinnert aan moderne films die wat minder westernromantiek hebben en wat meer willen uitbeelden hoe het echt was.

Is Deadlock een Duitse western? Ja en nee. De film speelt zich af in de moderne tijd, gezien de auto’s en wapens. Maar de Israëlische Negev-woestijn, de rotsen, het verlaten mijndorpje, de zes karakters en het dwarrelende stof zeggen maar een ding: het lijkt er wel verdomd veel op.

De quasiwestern ontleent zijn kracht aan zijn eenvoud. Een bijzondere locatie bijvoorbeeld. Want Deadlock werd vlak na de Zesdaagse Oorlog gefilmd in een mijndorpje, gelegen in een niemandsland tussen Jordanië en Israël. Overal (echte) getrokken pistolen. Ten tweede slechts zes acteurs. Dialogen zijn minimalistisch.

Het geringe budget borduurde alle betrokken partijen aan elkaar. Atypische westernacteurs, zoals Mario Adorf, samen met Anthony Dawson, die juist een typische westernkop heeft (ooit spelend als Ernst Blofeld). Het camerawerk is van Robert van Ackeren, hoewel hij eigenlijk alleen ervaring had als regisseur van seksfilms. En muziek komt van Krautrockband Can (vooral bekend van een track in Inherent Vice).

Regisseur Roland Klick hield sowieso van zijn kont tegen de krib te gooien. Tegen de culturele mode van zijn tijd in (links, geëngageerd en maatschappijkritisch) maakte hij ‘zomaar wat genrefilms’, want ‘ik hou veel van avontuur’. Schandalig! Hier vertelt hij erover.

Cowboy kan niet tegen sterke drank
Lemonade Joe
(Tsjechoslowakije, 1964) is zo mogelijk het tegendeel. Een vrolijke komedie met veel grappige dialogen. Hier is de western gestileerd, aan kant, luchtig, snel.

We beginnen in Stetson City, 1885. Een bar. Een en al bezopen lui. Een man in een wit pak bestelt ‘Kolaloka limonade’. Mensen deinzen achteruit. ‘Ben je Limonade Joe?’ ‘So what.’ En hij schiet een vlieg doormidden.

De saloon met whisky loopt leeg en de Kolaloka-saloon van Winnifred en haar vader loopt ineens als een trein. Tot ene Hogofogo de boel komt verpesten. Hij weet dat er maar een ding is dat Lemonade Joe kan verslaan: sterke drank.

De satire is messcherp. Lemonade Joe is een commerciële vertegenwoordiger voor Kolaloka en hoopt dat hij de morele strijd kan winnen van de sterke drank (frisse commerciële cola versus muffe communistische wodka zou je kunnen denken). Geen wonder dat deze film in Tsjechië en Slowakije wordt beschouwd als een stukje cultureel erfgoed. In totaal gingen er destijds 4,5 miljoen mensen heen.

Lemonade Joe van Oldrich Lipsky (en de vele anderen die hem hielpen) is een van de minder bekende komische pareltjes uit de filmgeschiedenis. Er gebeurt zoveel in deze film – een en al uitzinnige vrolijkheid – en het verveelt geen seconde. Uitermate grappig acteerwerk en grappige animatietechnieken – waar Tsjechen toch al een traditie in hebben. Het hoge stemmetje van de lelieblanke Lemonade Joe; de schietpartij in ‘Main street’; de vrouwen die spontaan verliefd worden als ze Lemonade Joe zien. Het is onmogelijk om er geen goed humeur van te krijgen.

Net als in de komedies van de Marx Brothers ligt het tempo zo hoog dat er tijd overblijft. En net als bij de Marx Brothers wordt tijd volgemaakt met zang.

Ambitieus mannetje van de Sovjet-school
De western uit Oost-Europa werd ‘red western’ genoemd. De context van een van de mooiste red westerns, At Home Among Strangers, a Stranger among his own (1974), is uiteraard politiek. De jaren twintig tijdens de burgeroorlog tussen de Roden en de Witten. Moskou verordonneert dat al het goud naar Moskou moet worden gebracht. Logisch niet? Geld voor een veilig transport is er niet. Dat betekent dat een groep robuuste kerels even erg heldhaftig moet zijn.

Het onvermijdelijke gebeurt: de transporttrein wordt overvallen. De Tsjeka (Russische geheime dienst in die tijd) gaat erachter aan en leert dat de dienst met een verrader kampt. Ondertussen hebben bandieten het goud in bezit – maar zonder te weten waar het precies is gebleven.

Dit regiedebuut van de toen pas 27-jarige Nikita Michalkov buitelt over de ambities waarmee hij te werk ging. Een en al fraaie shots, uitbundig lichtspel, mooie close-ups, figuranten, interessante cameraperspectieven. Je kijkt je ogen uit. Dit is nog eens debuteren. Opnamen in desolate gebieden in Tsjetsjenië en Azerbeidzjan. Typisch voor de film is het terloops laten zien van diepte in de achtergrond van het beeld, een erg mooi effect.

Je ziet aan alles af dat Michalkov zijn kans greep en meteen een legendarische film à la Orson Welles wilde maken. Was het verhaal saai geweest, had dit stijlvertoon irritant kunnen uitpakken, maar de film is behoorlijk spannend.

En die zwart-witbeelden dan, is dat geen artistiek snobisme? Hij kreeg gewoon niet meer kleurenfilm van producent Mosfilm. Te duur. Dus dan maar overstappen op zwart-wit. En dat we het nu ineens chique vinden, is alleen maar mooi meegenomen.

Hoe hij op zijn 27e die kans kreeg in dit rigide systeem? Misschien kon hij op het juiste moment net zo goed bluffen als de vrijbuitende cowboys. Michalkov speelt zelf de bandiet met verve, zoals iedereen knap acteert.

Michalkov zou zijn geïnspireerd door de westerns van Sergio Leone. Zo kan het zijn dat Italiaanse films, meestal gefilmd in Joegoslavië, over de geschiedenis van de Verenigde Staten, van invloed waren op een ambitieus mannetje van de Sovjet-school..

 

7 juni 2016

 

Lemonade Joe

 

Alle Camera Obscura

 

 

Hateful Eight, The

***

recensie  The Hateful Eight

Reservoir Dogs in een blokhut

door Alfred Bos

Sneeuw is het nieuwe zand: The Hateful Eight verruilt de traditionele westernwoestijn voor de winter in de godverlaten wildernis van Wyoming. Tarantino’s achtste toont het neoliberale wereldbeeld waarin mensen koopwaar zijn, moraal niet bestaat en iedereen uitsluitend aan zichzelf denkt.

Met een Ultra Panavision 70 (millimeter-lens) release, een speelduur van dik drie uur, een Dr. Zhivago-achtige ouverture, een dissonante soundtrack van Ennio Morricone en een midfilmse pauze van exact 12 minuten (nodig voor het verhaal, aldus de regisseur) komt Quentin Tarantino’s achtste (eigenlijke achtenenhalfste) film met wapperend banier de bioscoop binnen gegaloppeerd. Dat banier schreeuwt: hier ben ik; groot, groter, grootst. Motormouth is back.

The Hateful Eight

The Hateful Eight is Tarantino uit het boekje. Zeven mannen en een vrouw zitten ingesneeuwd in een blokhut, ergens in de godverlaten bergen van Wyoming. De mannen hebben allemaal een eigen agenda die draait rond de vrouw, de misdadigster Daisy Domergue (Jennifer Jason Leigh). Premiejager John Ruth (Kurt Russell) gaat haar afleveren bij de sheriff van Red Rock, Chris Mannix (sterke rol van Walton Goggins, die schitterde in de tv-serie Justified). Ruth heeft een gelegenheidsverbond gesloten met collega-premiejager Major Marquis Warren (Samuel L. Jackson), die drie diepgevroren lijken wil verzilveren.

Dodelijk schaakspel
In Minnie’s Haberdashery, de blokhut, regeert het wantrouwen. In omstandige dialogen draaien de acht rond elkaar en iedereen speelt een spel. De Britse beul Oswaldo Mobray (Tim Roth), de cowboy op familiebezoek Joe Gage (Michael Madsen), de oude generaal Sandy Smithers (Bruce Dern) en de waard van de blokhut, Bob (de Mexicaanse acteur Demián Bichir), zijn paarden en lopers in een dodelijk schaakspel. Tarantino gebruikt anderhalf uur om de premisse op te zetten. Na de pauze volgt de climax, opgerekt tot nog eens anderhalf uur: een orgie van kots, bloed en weggeschoten hoofden. Liefhebbers van gorigheid zullen smullen.

Maar de film voelt ook als een herhaling van zetten. Voor een ‘actieregisseur’ praten de karakters in Tarantino’s films uitzonderlijk veel, nu nog meer dan in Death Proof (de Tarantino-helft van Grindhouse) en Inglourious Basterds. Het tweede van de zes ‘hoofdstukken’ is één lange driespraak in een postkoets, nodig om een niet wezenlijk plotdetail op te zetten. Je zit er, ongewoon voor een Tarantino-film, bij te geeuwen. Hier heeft de regisseur Tarantino de scenarist Tarantino niet in de hand. Teveel tekst, te verliefd op zijn verbale cool.

The Hateful Eight

Gekunstelde structuur
Ook de regisseur Tarantino weet zich op beslissende momenten niet in te houden. Er zijn vlagen van brille, zoals aan het begin van het vierde hoofdstuk, direct na de pauze, wanneer de dieptefocus van de camera de blik van Daisy volgt. Ze weet iets wat de kijker dankzij een onverwachte voice-over ook weet, maar de personages niet: zinderende spanning. Wanneer de plot van bedrog en tegenbedrog ten langen leste is ontvouwd valt Tarantino nogal kinderachtig terug op cartoonesk geweld. Vooral de vrouw, Daisy, moet het ontgelden: ze wordt geïntroduceerd met een blauw oog en eindigt, diverse ellebogen en rechtse hoeken later, als Brian de Palma’s Carrie met een gelaat vol braaksel, bloed en hersenresten. Na drie uur van eindeloos gekonkel is de climax ronduit zwak.

The Hateful Eight is een steroïde versie van ’s mans debuutfilm Reservoir Dogs, een claustrofobisch mensen-opgesloten-in-een-kamer toneelstuk – veel scènes zijn in werkelijke tijd gedraaid, vandaar de lengte van de film – dat zijn toneelmatigheid nimmer weet af te schudden. De filmstructuur doet gekunsteld aan, met zijn merkwaardige voice-over als introductie na de pauze, de lange flashback (een compleet hoofdstuk) en de deus ex machina om de climax in gang te zetten. Laat je niet bedotten door alle fanfare. The Hateful Eight is een exploitatiefilm vermomd als blockbuster, niet de nieuwe Once Upon A Time in the West.

 

5 januari 2016

 

MEER RECENSIES