Als de kraanvogels overvliegen

****
recensie Als de kraanvogels overvliegen
Vervlogen geluk

door Tim Bouwhuis

Een idyllisch beeld: kraanvogels nemen een vlucht boven Moskou terwijl twee gezworen minnaars de liefde vieren. En dan de oorlog, als ruwe verstoorder van “te mooi om waar te zijn”. Als de kraanvogels overvliegen wordt vandaag de dag geëerd als het vroegste hoogtepunt van de Russische nieuwe golf (1957-1968).

Hij moet gaan, zij blijft achter. De plot van Als de kraanvogels overvliegen (Letjat zjoeravli) is er één uit het boekje, maar de filmische uitwerking is een huzarenstuk van regie en camera. Bijna vijfenzestig jaar na dato ligt het blijvende belang van deze productie dan ook vooral besloten in de stilistische kenmerken en het toenmalige momentum van verschijnen.

Als de kraanvogels overvliegen

De twee geliefden van de film, Veronika en Boris (rollen van glorieuze debutante Tatyana Samoylova en Aleksey Batalov), belichamen namelijk een kruispunt in de Russische (film)geschiedenis. Eens Stalin (1878-1953) begraven was (bekijk zeker de dit najaar uitgebrachte archiefdocumentaire State Funeral), ontstond er geleidelijk een sociaal-cultureel klimaat waarin met een andere blik kon worden teruggekeken op het recente (oorlogs)verleden. Dat klimaat mocht nooit een utopie worden: films als Dear Comrades! (Andrey Konchalovskiy, 2020) laten duidelijk zien dat er ook onder Nikita Chroesjtsjov (aan de macht tussen 1953 en 1964) beslist geen heilstaat werd gecreëerd. Toch presenteert Als de kraanvogels overvliegen een bijzonder open en kritische beschouwing van de Russische oorlogsinspanning en de visie die daar mede aan ten grondslag ligt.

Perpectieven
De films van Michail Kalatozov (na Als de kraanvogels overvliegen maakte hij De brief die nooit verzonden werd, die ook gerestaureerd is), hoe rijk aan propaganda ook (zie het verleidelijke meesterwerk Soy Cuba, dat zonder geld van de Sovjet-overheid nooit gemaakt had kunnen worden), wijken qua benadering af van de meer collectief georiënteerde films van het tijdperk Stalin. De beste filmmakers (Sergei Eisenstein, Vsevolod Pudovkin en anderen) van die periode moesten te allen tijde rekening houden met de straffe censuur en eisen van het regime.

Een van de pijlers van de communistische heilstaat was de arbeider, die zich onvoorwaardelijk in dienst stelde van het ideaal en als zodanig opging in de massa. Vertaald naar de periode van de Tweede Wereldoorlog betekende dat dat mannen zonder pardon gescheiden werden van hun geliefden, en dat het vooral een eer moest heten om voor het vaderland ten strijde te trekken.

Het tijdperk Chroesjtsjov was zogezegd geen onvervalst positieve perestrojka (‘herbouwing’), maar er ontstond wel ruimte om (onder andere door middel van film) andere perspectieven op de Russische beleving van oorlog en maatschappelijke verandering uit de doeken te doen. Terwijl Boris de wapens opneemt aan het oostfront, heeft Kalatozov alle aandacht voor de ervaringen van Veronika in een verscheurd Moskou. Het wordt haar bepaald niet makkelijk gemaakt om de terugkeer van haar geliefde eerbiedig af te wachten: haar neef (een rol van Aleksandr Shvorin) staat te trappelen om Boris’ plek in te nemen. Veronika loopt gekwetst weg als haar baas in het ziekenhuis (waar ze tijdelijk dienst doet als verpleegster) schande spreekt van vrouwen die hun heroïsche echtgenoten niet onvoorwaardelijk opwachten. Haar neef slaat ze wanhopig van zich af, maar ondertussen schuift de vrees voor een tragisch lot als een schaduw voor de horizon. De kraanvogels worden in dat licht dubbelzinnige symbolen: ze zijn richtpunten van zowel hoop als vervlogen geluk.

Als de kraanvogels overvliegen

Visuele motieven
Een film als I am Twenty (Marlen Khutsiev, 1965), deze zomer nog terecht onder de aandacht gebracht door het IFFR (in het online 50/50 programma van Unleashed), is in zijn lyrische weergave van liefde in vrije tijden duidelijk geïnspireerd door Als de kraanvogels vliegen. De film van Kalatozov combineert de anticipatie van een meer optimistische toekomst (die nog veel zichtbaarder is in I am Twenty) met een overheersend gevoel van rouw ten aanzien van het verleden. Deze spanning tussen uitersten heeft ook betrekking op de persoon van Andrej Tarkovsky, die in I am Twenty figureert als een beleerde student maar een paar jaar daarvoor doorbrak met De Jeugd van Ivan (1962, in 2019 nog in de Nederlandse zalen).

Als de kraanvogels overvliegen en De Jeugd van Ivan zijn niet alleen vergelijkbaar in hun kernachtige pacifisme, maar ook in hun dynamische beeldvoering en onorthodoxe camerastandpunten. Sergey Urusevskiy, een vaste medewerker van Kalatozov in zijn beste werk, combineert zijn gedurfde gevoel voor perspectief (de zogeheten ‘high angle’-shots zou hij later perfectioneren in Soy Cuba) met duizelingwekkende tracking shots die menigmaal eindigen in dramatische close-ups.

De stilistische keuzes en filmlocaties zijn cruciaal, aangezien Kalatozov betekenis uitdrukt via slimme visuele motieven die in een andere context plots een andere lading krijgen. Zo zijn de kraanvogels te zien op twee contrastrijke momenten. Een doodgewone trappengalerij verandert in oorlogstijd in een brandende ruïne. En de lange sprint naar boven, een eindeloze opwaartse spiraal, eindigt pas als het de tragische held aan het front langzaam zwart wordt voor de ogen.

Als de kraanvogels overvliegen zou in de gerestaureerde versie vanaf 2 december in een aantal bioscopen draaien, maar wegens de huidige coronamaatregelen is dat uitgesteld. De film is momenteel te zien op YouTube. De nieuwe versie is inmiddels verschenen op Criterion.

 

30 november 2021

 

ALLE RECENSIES

Great Dictator, The

The Great Dictator (1940)
Joodse kapper met geheugenverlies

door Jochum de Graaf

In aanmerking genomen dat The Great Dictator de eerste geluidsfilm van Chaplin is, dat hij het scenario in 1938/39 schreef en dat de film in mei 1940 in New York in première ging op een moment dat de ergste verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog nog moesten komen, is de genialiteit van Chaplin het beste te beschrijven aan de hand van een aantal iconische scènes uit de film.

Allereerst is er de taal, beter nog het gebruik van taal en het taalgebruik. Als dictator Adenoid Hynkel van het imaginaire land Tomania – gemodelleerd naar Adolf Hitler en nazi-Duitsland – steekt Chaplin een donderende speech voor een grote schare idolate aanhangers af: een combinatie van nagebootste Duits/Jiddisch/Katzenjammer-keelklanken, ‘frie sprekken sjtoonk’ , vrij vertaald ‘vrijheid van meningsuiting stinkt’. Na de speech wordt Hynkel per ongeluk door oorlogsminister Herring (Goering) omvergeduwd en belandt onderaan de trap. Herring moet dat natuurlijk beboeten en terwijl Hynkel de batterij aan medailles en andere eretekens van zijn uniform rukt, krijgt hij een enorme scheldkannonade over zich: ‘Straff! Straff da fluten flavin, da tjiezen krekken! Booben, banana!

The Great Dictator (1940)

Pantomime en slapstick
Maar ook in scènes zonder taal betoont Chaplin zich weer de grote meester van pantomime en slapstick. Op de tonen van Wagners Lohengrin, Hitlers favoriete opera, voert Hynkel een sierlijk, verleidelijk ballet met een wereldbol uit, symbool van zijn maniakale droom om de heerschappij over de wereld te krijgen. Net op het moment dat hij denkt die binnen bereik te hebben, zijgt de globe als een zeepbel ineen. Het is een scène die zich met de beste uit de tijd van de stomme film kan meten.

Het staatsbezoek van de dictator van het naburige Bacteria, Benzini Napaloni (Jack Oakie), overduidelijk naar Mussolini gemodelleerd, is een aaneenschakeling van hilariteit. De ontvangst op het station met het telkens moeten verplaatsen van de rode loper, de begroeting met de rechterarm gestrekt omhoog of overdwars waardoor ze elkaar bijna om de oren slaan, dat haantjesgedoe als ze met zijn tweeën naast elkaar in kappersstoelen zitten en om de beurt hun stoelen omhoog krikken om toch op de ander neer te kunnen kijken.

En er is de bijzondere scène in het getto waarin vijf mannen in een taartje moeten bijten nadat hen is verteld dat degene die een muntstuk vindt, is aangewezen om Hynkel te vermoorden. Geen van hen wil de munt vinden en er wordt vals gespeeld, het is te leuk om de uitkomst te verklappen.

Nazi-Duitsland
Het navertellen van de plot is weinig zinvol; van belang is dat Chaplin een dubbelrol vervult. Naast dictator Hynkel speelt hij een Joodse barbier, die met geheugenverlies uit de Eerste Wereldoorlog is teruggekeerd, een rustig leven in het getto probeert op te bouwen, maar door persoonsverwisseling in de positie komt om de dictator voor gek te zetten.

Dat spel met die twee totaal verschillende types die als twee druppels water op elkaar lijken, verschaft Chaplin de mogelijkheid om de opkomst van Hitler en de nazidictatuur zo geniaal te ontmaskeren.

De levens van een van de meest geliefde en van een van de meest gehate personen uit de wereldgeschiedenis vertonen een paar opmerkelijke overeenkomsten. Chaplin werd in april 1889 vier dagen voor Adolf Hitler geboren. Beiden kenden een moeilijke jeugd. Hitler was bekend met het werk van Chaplin, er gaat een hardnekkig gerucht dat hij zijn kenmerkende snorretje ontleende aan ‘The Tramp’. Hij had een aantal films van Chaplin gezien en uit onderzoek na de oorlog is komen vast te staan dat Hitler, terwijl de film in bezet Europa streng verboden was, waarschijnlijk twee keer The Great Dictator gezien heeft, zonder dat we weten wat hij ervan vond, helaas.

Chaplin heeft de opkomst van Hitler en nazi-Duitsland bijzonder goed bestudeerd en geanalyseerd. Behalve de briljante persiflage op Hitler in woord en gebaar, zijn maniertjes, zien we het leven in het getto, er is een aantal referenties aan de Kristallnacht, het bestaan van concentratiekampen wordt genoemd, en meest bijzonder is de wetenschapper die het kantoor van Hynkel binnenstormt en geëxalteerd uitroept dat er een ‘most wonderful, most marvellous’ gifgas ontdekt is ‘that will kill everybody’. Let wel, Chaplin schreef het script in 1938/39 toen de ergste verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog nog moesten komen en de omvang van de holocaust nog nauwelijks gestalte had gekregen.

The Great Dictator (1940)

Slottoespraak
En dan is er de apotheose, de bijna vijf minuten durende Final Speech. Volgens sommigen doet deze slottoespraak met zijn geëngageerd beroep op medemenselijkheid, de rede afbreuk op het voorgaande en toegegeven het is ook een stijlbreuk, geen tijd meer voor comedy, ironie of satire. Het lijkt ook wat knullig dat in eerste aanleg Hynkel de toespraak zal houden en bij nader inzien de Joodse barbier achter de microfoon plaatsneemt.

Maar langzaam wordt het beeld ontdaan van alle randverschijnselen, het publiek verdwijnt uit beeld, de entourage verdwijnt naar de achtergrond en de camera komt in close-up uit op zijn gezicht. Het is uiteindelijk Chaplin zelf die de gloedvolle woorden uitspreekt die vandaag net zo relevant zijn als in 1940, helaas.

Dictators free themselves but they enslave the people! Now let us fight to fulfill that promise! Let us fight to free the world – to do away with national barriers – to do away with greed, with hate and intolerance. Let us fight for a world of reason, a world where science and progress will lead to all men’s happiness. Soldiers! in the name of democracy, let us all unite!

Je zou Chaplin met terugwerkende kracht er de Nobelprijs voor de Vrede voor geven.

 

14 oktober 2021

 

THEMAMAAND CHARLIE CHAPLIN

Slag om de Schelde, De

****
recensie De Slag om de Schelde

Beste Nederlandse oorlogsfilm ooit

door Jochum de Graaf

Het had de grote blockbuster van kerst 2020 moeten worden: half december een grootse première in Vlissingen en vervolgens uitbreng in 166 bioscopen. Maar 17 december begon de tweede lockdown en werd keer op keer de bioscooprelease uitgesteld, tot nu, zaterdag 5 juni 2021.

De Slag om de Schelde was bedacht als afsluiting van het herdenkingsjaar 2020, 75 jaar na de Bevrijding, die vooral de jongeren zou moeten aanspreken. Maar de film heeft momentum gemist, vertoning in de herdenkingsmaand mei zat er niet in en nu kan het grote publiek – nou ja, maximaal 50 personen per bioscoopzaal op anderhalve meter afstand op 162 locaties – op een tamelijk willekeurig door het coronavirus bepaald moment genieten van de beste Nederlandse oorlogsfilm ooit.

De Slag om de Schelde

Miserabele vergeten veldslag
Het kan natuurlijk nog verkeren, maar in vergelijking met de uitbreng van De Oost, waar geen dag voorbijgaat voor er weer iets nieuws gemeld wordt, gebeurt er rond De Slag om de Schelde vooralsnog weinig. Net als De Oost is De Slag om de Schelde medegefinancierd door een van de grote streamingdiensten: bij De Oost is dat Amazon, later dit jaar zal Netflix De Slag om de Schelde (als The Forgotten Battle) uitbrengen. Maar bij De Oost waren ze zo slim om het om te draaien, eerst uitbreng via Amazon en daarmee op een doodstil moment in het anders zo drukke mediageweld van de filmwereld enorm veel publiciteit te genereren, met een kort geding van Indië-veteranen, items in talkshows, aankondiging in het NOS Journaal. En dan heeft De Oost natuurlijk een ‘actueel’ thema te pakken, na ruim zeventig jaar aandacht voor de vermeende oorlogsmisdaden van ‘onze jongens’ in Indonesië, waar met het NIOD-onderzoek naar de politionele acties op komst, nog lang niet het laatste woord over gezegd is.

Intussen denken we over de Tweede Wereldoorlog in Europa zo onderhand alles wel te weten. Maar dan doe je De Slag om de Schelde ernstig tekort: het verhaal over de halfvergeten gruwelijke veldslag in Zeeland herfst 1944 om de toegang tot de haven van Antwerpen was cruciaal voor de eindstrijd tegen nazi-Duitsland. Het beeld van die eindstrijd is tot nu toe vooral bepaald door een film als A Bridge Too Far (1977), de spectaculaire maar mislukte strijd om een bruggenhoofd over de Rijn, met luchtaanvallen, parachutisten, man-tegen-mangevechten rond de Rijn. Uitgevoerd met een Hollywood-sterrencast is dat aanmerkelijk sexyer dan de miserabele vergeten veldslag in het modderige Zeeuwse achterland om de Sloedam. Daar kan dus nu verandering in komen.

De Slag om de Schelde

Natuurlijker dan Zwartboek
Het Britse 1917, door velen beschouwd als de beste film van 2019, zette een nieuwe internationale norm voor het genre oorlogsfilms neer. In ons land is Zwartboek (2006), in 2008 uitgeroepen tot de beste Nederlandse film aller tijden, de standaard. Het zijn niet de minste voorbeelden waarmee De Slag om de Schelde – met een budget van veertien miljoen euro de op een na duurste Nederlandse oorlogsfilm – vergeleken zal worden.

In 1917 voel je je onderdeel van de oorlogshandelingen, je loopt als het ware zelf door de Britse loopgraven, achter korporaal Schofield door het niemandsland en de Duitse linies. Met een beperkter budget en minder technische mogelijkheden is die reallife ervaring nauwelijks te evenaren. Maar de raid op de Sloehaven, wanneer gliderpiloot William Sinclair (Jamie Flatters) in zijn Spitfire temidden van een enorm luchtgevecht in de Zeeuwse klei en wateren neerstort, nadert het werkelijk zelf meemaken zeer behoorlijk.

Zwartboek is een zwaar overschatte film. Paul Verhoeven heeft nogal de neiging om de karakters in zijn films clichématig uit te vergroten en een scenario te hanteren waarbij de hoofdrolspelers op opvallend toevallige ontmoetingen en soms onwaarschijnlijke verwikkelingen een tamelijk ingewikkelde plot afwikkelen. De verhaallijnen die Paula van der Oest voor De Slag om de Schelde bedacht, zijn veel natuurlijker, staan op zichzelf, raken elkaar zijdelings, maar horen toch heel goed en gevoelsmatig bij elkaar en geven zonder pathetisch of larmoyant te worden een heel goed en breed beeld van de nadagen van de oorlog.

De Slag om de Schelde

Menselijke karaktertrekken in tijd van oorlog
We volgen de Britse avonturier, piloot William Sinclair, de ontgoochelde Nederlandse SS’er Marinus van Staveren (Gijs Blom), teruggestuurd van het Oostfront, en het Zeeuwse meisje, secretaresse van de burgemeester van Vlissingen, Teuntje Visser (Susan Radder) die in eerste instantie denkt dat neutraliteit een optie is. De losse verhaallijnen – William die zich door de Zeeuwse modder en klei een weg naar zijn eenheid moet vinden, Marinus die ernstig met zijn loyaliteit gaat worstelen en Teuntje die door een onbezonnen daad van haar jongere broer meer en meer bij het verzet betrokken raakt – staan op zichzelf maar vullen elkaar gevoelsmatig toch steeds aan. Bij iedere decorwisseling voel je opnieuw de spanning.

De kracht is dat die drie perspectieven (geallieerden, Duitsers, verzet) niet zwart-wit worden uitgewerkt, maar er alle ruimte is voor bijzondere tinten grijs, zoals in de rol van de vader van Teuntje die met de Duitse Ortskommandantur gaat heulen in een vergeefse poging zijn zoon vrij te krijgen. Nee, De Slag om de Schelde is geen geijkt heldenepos over de WOII, geen verslag van een veldslag waarvan je de afloop van verre ziet aankomen. Het laat onopgesmukt de gruwelijkheden, maar ook de onverschrokkenheid en drang naar vrijheid, de sterke en zwakke menselijke karaktertrekken die in tijden van oorlog naar boven komen in al zijn aspecten en accenten zien. Niet veel vaker het gevoel gehad dat de werkelijkheid zo dicht benaderd werd.

 

3 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

Veilige sciencefiction in bang interbellum – Deel 4

Deel 4 (slot): Uitzonderingen die de regel bevestigen
Veilige sciencefiction in bang interbellum

door Paul Rübsaam

Alleen de Britse films High Treason (1929) en Things to Come (1936) wisten de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Waren dit visionaire hoogstandjes of toevalstreffers? En waarom ontbraken de wereldoorlogen in andere sciencefictionfilms van het interbellum? In dit vierde en laatste deel uitzonderingen die de regel bevestigen.

Eerder typeerde ik het interbellum als een tijdperk van dreiging, waarin je sciencefictionfilms met de nodige wereldoorlogen zou verwachten. Toch kwamen die slechts in twee van dergelijke films voor: High Treason uit 1929 en Things to Come uit 1936, zoals uitgebreid beschreven in het eerste deel van dit essay. Wat is de conclusie van deze constatering?

High Treason

High Treason

Het sciencefictiongenre dat zich gedurende het interbellum nog uitkristalliseerde, blijkt in die jaren moeilijk af te bakenen van andere genres als horror en fantasy. Niet een reële toekomstverwachting was de norm die de inhoud van de films bepaalde, maar de behoefte aan spektakel, special effects, imposante decors en de modes van het jaar van vervaardiging van de film. Ook uitdrukkelijk in een toekomstjaar gesitueerde films doen meer hun best om aan deze normen te voldoen, dan om een realistische, aan dat toekomstjaar gekoppelde verwachting te schetsen.

Sta-in-de-weg
Hoewel de dreiging van een Tweede Wereldoorlog al vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog aanwezig was, veroorzaakte die eerste Grote Oorlog een zekere hang naar pacifisme, die ook in speelfilms gestalte kreeg. Voorts blijkt met name in de jaren dertig van de vorige eeuw dat de werkelijke oorlogsdreiging juist een sta-in-de-weg is voor films die zo’n oorlog voorspelden. In de sterk geïnternationaliseerde filmwereld van die jaren was men gedreven door economische motieven bang om elkaar voor het hoofd te stoten. Verschijnselen als nazicensuur werden indirect begunstigd door bijvoorbeeld de filmcensuur zoals die vanaf 1934 gold in de Verenigde Staten.

De Britse films High Treason en Things to Come moeten je dus beschouwen als uitzonderingen die de algemene regel van de sciencefiction-praktijk van het interbellum bevestigen. Maar ze bevestigen die regel niet alleen door de uitzondering die ze erop vormen: ondanks hun oorlogsvoorspellingen passen die films naadloos in het totaalbeeld van escapistisch spektakel dat sf-films uit die tijd bieden.

Metropolis

Metropolis

Uitgaansleven en massachoreografie
In High Treason houdt de geschetste internationale politieke situatie geen enkel verband met de werkelijke toestand van 1929 en 1940.

De protagonisten Evelyn Seymour (Benita Hume), dochter van de geestelijk leider van de zogeheten World League of Peace en haar verloofde Michael Deane (Jameson Thomas), majoor bij de Britse luchtmacht, storten zich in een mondain uitgaansleven dat herinneringen oproept aan Fritz Langs Metropolis (1927). Naarmate de oorlogsdreiging in de film toeneemt, komen Evelyn en Michael lijnrecht tegenover elkaar te staan. Als Evelyn een grote groep vrouwen oproept zich te verzetten tegen het uitrukken van de Britse luchtmacht doet dat opnieuw sterk denken aan een scène uit Metropolis, namelijk die waarin een op de heldin Maria lijkende vrouwelijke robot (een dubbelrol in Metropolis van Brigitte Helm) de onder de grond werkende arbeiders aanzet om in opstand te komen.

In de zorgvuldig gechoreografeerde massascène die volgt, waarin zwart geklede, mannelijke militairen in conflict komen met de door Evelyn aangevoerde dienstplichtige, maar vredelievende vrouwen, zien de laatsten er met hun witte overalls, korte haardracht en badmutsachtige witte hoofddeksels uit als een futuristische uitvoering van de voor de jaren twintig van de vorige eeuw kenmerkende ‘flapper-girls’. Ook dit voor de kijker van toen ongetwijfeld fraaie spektakel demonstreert dat de modegevoeligheid van de film wezenlijker is dan de schijnbare visionaire kwaliteiten ervan.

Eerder wees ik al op de verwantschap tussen High Treason en het eveneens door Maurice Elvey geregisseerde The Tunnel (1935), een film die op zijn beurt een remake was van het Duitse Der Tunnel (1933, Kurt Bernardt). Deze Duitse film vertoonde weer aanmerkelijke verwantschappen met het met meertalige cast opgenomen F.P.1. antwortet nicht (Karl Hartl, 1932), waarin het draait om een ten behoeve van trans-Atlantische vluchten opgetrokken drijvend gasstation in de Atlantische Oceaan. High Treason past dus in meerdere opzichten in een traditie waarbij niet-Duitse films eerder producten uit filmland Duitsland nabootsten dan dat zij de door (nazi-)Duitsland veroorzaakte bedreiging van de wereldvrede onder de aandacht brachten.

F.P.1. antwortet nicht

F.P.1. antwortet nicht

Heerlijk andere toekomst
Het zou onjuist zijn te beweren dat ook Things to Come de door Fritz Lang ingeslagen wegen bleef volgen. Wat betreft de vormgeving van de toekomst als fantasie-object was de film van Wells, regisseur William Cameron Menzies en set-designer Vincent Korda zijn tijd op eigen wijze ver vooruit. De gigantische vensterloze gebouwen met glazen wanden en liftschachten, de megagraafmachines en de buitenissige luchtvaartuigen in Things to Come roepen associaties op met James Bond-films als Dr. No (1962), en de Supermarionationserie Thunderbirds (1965-1966), maar met echte mensen in plaats van marionetten.

Het post-apocalyptisch tijdperk dat Things to Come in de jaren zestig dateert, met voortwaggelende zombies als slachtoffers van een pestepidemie (’the wandering sickness’), lijkt in cinematografisch opzicht school te hebben gemaakt. De in 2017 overleden George A. Romero (Night of the Living Dead, 1968) en George Miller (Mad Max,1979 en sequels) moeten Things to Come in hun jonge jaren welhaast gezien hebben.

Van ‘Wings over the World’, die organisatie van elitaire piloten, kun je als retrofuturist zelfs fan worden. Niet alleen de onbestaanbare uitvinding van ‘vredesbommen’, waarmee ze anno 1970 Everytown inlijven bij de nieuwe wereldorde, maar ook het ‘ruimtekanon’, waarmee de nazaten van de oprichter van de organisatie in de 21e eeuw astronauten de ruimte inschieten, geven gestalte aan een ’toekomst’ die heerlijk anders is.

Things to Come

Things to Come

Tot heil van de mensheid
Het neemt niet weg dat reeds negen jaar na het verschijnen van Things to Come met de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki de naïeve opvatting ten grave werd gedragen dat ontwikkelingen in de wetenschap steeds tot heil van de mensheid dienen, waarvan de film doortrokken is. De eerste reis naar de maan vindt volgens de film bovendien pas in 2036 plaats, terwijl radio in datzelfde jaar nog altijd het belangrijkste medium zou zijn. Voorts leunt Things to Come op spectaculaire gedaanteveranderingen van grote objecten als auto’s, luchtvaartuigen, gebouwen en machines, alsook de veranderde aanblik van de openbare ruimte die daar het gevolg van is, terwijl technologische vooruitgang zich in werkelijkheid eerder manifesteert in kleine apparatuur, die voor cinematografische vormgevers nu eenmaal niet zo interessant is.

In september 1939, drie jaar na het verschijnen van Things to Come en tien jaar na High Treason, vallen de Duitsers Polen binnen. Deze en andere militaire gebeurtenissen (om over de Holocaust maar te zwijgen), die gestalte geven aan wat uiteindelijk de Tweede Wereldoorlog zou gaan heten, kenden in de bioscopen geen voorbodes van betekenis. Ook niet in de twee behandelde Britse films, wier oorlogsvoorspellingen toevalstreffers lijken in een bang interbellum waarin sciencefictionfilms weliswaar de zinnen wisten te verzetten, maar op veilig speelden.

 

11 februari 2021

 

Deel 1: Visionaire hoogstandjes of toevalstreffers?

Deel 2: Dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors

Deel 3: Pacifistische boodschappen en nazicensuur

 

ALLE ESSAYS

Veilige sciencefiction in bang interbellum – Deel 1

Deel 1: Visionaire hoogstandjes of toevalstreffers?
Veilige sciencefiction in bang interbellum

door Paul Rübsaam

Alleen de Britse films High Treason (1929) en Things to Come (1936) wisten de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Waren dit visionaire hoogstandjes of toevalstreffers? En waarom ontbraken de wereldoorlogen in andere sciencefictionfilms van het interbellum?

Niets zo prikkelend als oude, al dan niet verouderde sciencefictionfilms. Ze kunnen imponeren, fascineren, vertederen, de lachlust opwekken of de tenen doen krommen. Hun toekomstvoorspellingen waren vanuit ons retrospectieve standpunt gezien soms visionair. Maar vaak hadden de filmmakers van weleer geen enkel oog voor de elementen van hun eigen tijd die aan een realistische toekomstverwachting ten grondslag zou kunnen liggen. Of ze zich daarom bekommerden, is maar de vraag. Want sciencefiction is niet per se een serieuze aangelegenheid.

1984

1984

Oorlogsvoorspellingen
Een jaartal als 1984 staat los van wat er 37 jaar geleden werkelijk plaatsvond nog altijd symbool voor een dystopische ’toekomst’. George Orwell draaide toen hij in 1948 zijn beroemde roman schreef de laatste twee cijfers van dat jaartal om. Mogelijk dateerde hij zijn dystopie 1984 daarmee te vroeg. Gevleugelde begrippen uit de roman, die door Michael Radford in het titeljaar verfilmd werd, winnen nog altijd aan zeggingskracht. Zo is onze huidige corona-app een voorbeeld van hoe een alom aanwezige overheid middels de modernste technologie ons overal kan volgen om onze persoonlijke gegevens in kaart te brengen: ‘Big Brother is watching you’. Het laat zien hoe toekomstvisioenen uit het verleden een blijvend instrument kunnen zijn bij het begrijpen van onze dagelijkse werkelijkheid.

Inmiddels zijn we nog maar vijf jaar verwijderd van het jaar 2026, dat als toekomstjaar het decor vormde van Fritz Langs Metropolis. Dat toekomstjaar werd verkregen door al even simpel een eeuw op te tellen bij het jaar van productie van de film (1926). Maar ook de strikte scheiding tussen de maatschappelijke klassen in een hoogtechnologische, gedehumaniseerde maatschappij, zoals Fritz Lang en co-scenarist Thea von Harbou ons voorschotelde, kan nog altijd als een tot nadenken stemmend referentiepunt dienen.

Films als Metropolis stammen uit een tijd waarin het medium film aan grote veranderingen onderhevig was. Al snel na het verschijnen van deze monumentale zwijgende film zou de geluidsfilm (talkie) zich aandienen. De jaren twintig van de vorige eeuw onderscheidden zich sowieso al van het voorafgaande decennium door het toenemend gebruik van bewegende camera’s. Bovendien maakten decorbouw en gebruik van special effects stormachtige ontwikkelingen door.

Kijkend naar de grotere, geopolitieke wereld van toen kunnen we het eeuwfeest vieren van het zogeheten interbellum (1918-1939). Dat tijdperk geldt als een periode van vrede in een tijd dat oorlog de norm was. Het einde van de Eerste Wereldoorlog met het Duitsland aan banden leggende Verdrag van Versailles, de economische recessies en het opkomend fascisme in Europa droegen tezamen de kiem van de Tweede Wereldoorlog reeds in zich. Het was een tijd waarin je zou verwachten dat films die een nieuwe wereldoorlog voorspelden met grote regelmaat de bioscopen aandeden. Maar opmerkelijk genoeg bestaan er slechts twee van dergelijke films: High Treason uit 1929 van de Britse regisseur Maurice Elvey en het eveneens Britse Things to Come uit 1936 van William Cameron Menzies.

High Treason

High Treason

Beeldtelefonie en Kanaaltunnel
High Treason is een vrije adaptatie van een toneelstuk van Noel Pemberton-Billing, gebaseerd op een scenario van L’Estrange Fawcett. De film, die destijds zowel in een zwijgende als geluidsversie werd vervaardigd, opent met een grensincident tussen twee grote mogendheden in het toekomstjaar 1940 (1950 in sommige versies van de film). Tegenover elkaar staan het Rijk van de Atlantische Staten (Zuid-Amerika, grootste deel Noord-Amerika, Japan en China) en de Federatie van Europese Staten (plus de rest van de wereld). Duitsland en de Sovjet-Unie schijnen in de film niet te bestaan.

De opdeling van de wereld volgens High Treason vertoont dus maar weinig overeenkomsten met de geopolitieke realiteit van het productiejaar 1929 en het toen nog toekomstige 1940. Nog minder aan de werkelijkheid ontleend, is de zogeheten World League of Peace, een miljoenen leden tellende vredesbeweging die in de film als derde machtsblok fungeert en als bemiddelaar optreedt als het grensincident escaleert en een wereldoorlog onafwendbaar lijkt.

Toch wordt High Treason door filmcritici nog altijd geprezen om zijn visionaire kwaliteiten. Het min of meer juist voorspellen van het jaar waarin een tweede wereldoorlog (bijna) uitbreekt (die oorlog wordt in de film op het allerlaatst nog afgewend), is niet het enige dat daartoe heeft bijgedragen. Ook wordt er in de film gebruik gemaakt van een vorm van beeldtelefonie en is er reeds sprake van een Kanaaltunnel die Engeland met het vasteland van Europa verbindt.

Vredesbommen
De Amerikaan William Cameron Menzies regisseerde de Britse productie Things to Come uit 1936. Maar meestal wordt de vermaarde Britse sciencefictionschrijver Herbert George Wells (vooral bekend met zijn voorletters H.G.) aangemerkt als de geestelijk vader van de film. Anders dan bij films die eveneens op boeken van hem gebaseerd zijn The Invisible Man (1933), The War of the Worlds (1953) en The Time Machine (1960) schreef Wells voor de verfilming van zijn roman The Shape of Thing to Come tevens het scenario. Met het boek én het scenario had de schrijver serieuze bedoelingen. Wells maakte zich zorgen over het in de periode tussen de wereldoorlogen door economische crises geteisterde Europa en schetste zijn toekomstvisie om het publiek wakker te schudden.

Things to Come

Things to Come

In Things to Come krijgt Everytown, een fictieve stad die doet denken aan Londen, rond kerstmis 1940 een luchtaanval van een ongeïdentificeerde vijandelijke macht te verduren. Het markeert het begin van een nieuwe wereldoorlog. Voor wat betreft het werkelijke begin van de Tweede Wereldoorlog zat Wells er maar vijftien maanden naast. De echte Duitse luchtaanval op Londen voorspelde hij zelfs minder dan een half jaar te laat.

Anders dan in High Treason wordt de nieuwe wereldoorlog niet op het laatst nog afgewend. Aan die eenmaal ontketende oorlog lijkt in Things to Come zelfs maar geen einde te komen. Die duurt maar liefst dertig jaar, tot aan het toekomstjaar 1970. In 1970 vestigt ‘Wings over the World’, een vredesbeweging van verheven piloten die even onbestaanbaar is als ‘The World League of Peace’ in High Treason, de nieuwe wereldorde door zogeheten vredesbommen te werpen. Die verspreiden een gas dat oorlogszuchtigen tijdelijk in een weldadig slaapje sust, waarna ze zich van hun agressieve aanvechtingen niets meer herinneren.

Zoals gezegd zijn de twee hier summier besproken films (ze zullen later opnieuw tegen het licht worden gehouden) de enige twee sciencefictionfilms uit het interbellum die een nieuwe wereldoorlog voorspelden en dat zelfs op een redelijk korte termijn deden. Het valt echter te bezien in hoeverre ze zich wezenlijk onderscheidden van de andere sciencefictionfilms uit dat tijdperk (die aan bod komen in deel 2 van dit essay).

Wat was voorts de invloed van het idealistische pacifisme op films uit die tijd? En gold er in de internationale filmwereld censuur die films met een realistische oorlogsverwachting verbood (deel 3)? Deze vragen moeten we eerst beantwoorden alvorens de twee ogenschijnlijke witte raven in het juiste kleurenpalet te plaatsen (deel 4).

 

23 januari 2021

 
Deel 2: Dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors

Deel 3: Pacifistische boodschappen en nazicensuur

Deel 4 (slot): Uitzonderingen die de regel bevestigen
 
 
ALLE ESSAYS

Painted Bird, The

*
recensie The Painted Bird

Groteske geweldsorgie

door Michel Rensen

The Painted Bird schetst een verdorven, gewelddadige samenleving waarin de holocaust onvermijdelijk lijkt. Bij de opeenstapeling van grotesk geweld verstomt enige vorm van gevoel of reflectie.

Gehijg. Met zijn huisdier in de hand probeert het Joodse jongetje Joska aan zijn belagers te ontkomen, maar zijn leeftijdsgenoten zijn hem te slim af. Nadat hij tegen de grond gewerkt wordt, gieten zijn belagers een brandbare vloeistof over het dier heen voor ze het levend verbranden. De openingsscène zet de toon voor de rest van de film. De gruwelijke dood van het beestje zal snel overstemd worden door nog veel ergere geweldsuitbarstingen.

The Painted Bird

Joska blijkt op weg te zijn naar zijn tante, waar zijn ouders hem uit voorzorg naar toe hebben gestuurd. Wanneer zijn tante snel overlijdt en Joska per ongeluk de hele boerderij in de fik zet, staat hij er helemaal alleen voor. De weg terug naar huis zoekend, struikelt hij van de ene in de andere nare situatie. Van dorpelingen die hem met alle vooroordelen proberen te verdrijven tot religieuze fanatici en seksueel verdorven vrouwen. En dan liggen ook het Duitse en het Russische leger telkens op de loer.

Wereld vol geweld
De lang aanhoudende, zwart-witcinematografie is een wonder voor het oog, maar ook het geweld wordt met dezelfde schoonheid vastgelegd. De film is een kruisbestuiving tussen Tarkovski’s Ivan’s Childhood, waar ook een kind in zwart-wit door oorlogsgebied trekt, en de rauwe anti-oorlogsfilm Come and See, wiens hoofdrolspeler Aleksey Kravchenko in deze film een Russische officier speelt. The Painted Bird mist echter de filosofische reflecties die van deze twee voorgangers tijdloze meesterwerken maken.

Wanneer Udo Kier uit jaloezie de ogen van een man uit zijn oogkassen lepelt, omdat hij naar zijn vrouw zou hebben geloerd, begin je je af te vragen wat deze film probeert te zeggen. Is de film een kritiek op de geweld verheerlijkende samenleving waar de holocaust uit voortkwam? Of is de film net zo hard aan het genieten van zijn geweldsfantasieën als je van een slasherfilm zou verwachten? De film blijft vasthouden aan een realistische verfilming, terwijl de geweldsuitspattingen dusdanig overdreven worden dat ze niet binnen een realistisch kader te vatten zijn. De opeenstapeling van exploitatief, grotesk geweld verstomt het relatief gematigde, antisemitische geweld van de Duitse soldaten. Noch als kritiek, noch als emotioneel beladen film weet The Painted Bird te raken.

The Painted Bird

Historisch besef
Het wrange aan deze film is dat het iets oprechts lijkt te willen zeggen over de samenleving in Europa waar de holocaust kon gebeuren, maar de film presenteert een wereld die zo doorgrond is van geweld dat er geen onderscheid is tussen verschillende vormen van geweld. Het verbranden van een dier door tieners, het verblinden uit jaloezie en de moorden van nazi’s zijn allemaal het gevolg van deze verdorven samenleving.

Hierdoor trekt The Painted Bird de holocaust los van zijn context. De Tweede Wereldoorlog en al zijn uitspattingen zijn slechts het onoverkomelijke gevolg van deze gewelddadige wereld en niet een gerichte genocide opgezweept door nationalisme, antisemitisme en vreemdelingenhaat. Dat The Painted Bird zo blind is voor de politieke context is niet alleen zorgwekkend, maar toont vooral een heel groot gebrek aan historisch besef.

 

13 oktober 2020

 

ALLE RECENSIES

Atlantis

***
recensie Atlantis

Als de oorlog voorbij is

door Ries Jacobs

We are still in the desert.’ Doelend op de Eerste Golfoorlog die voortduurt in het hoofd van soldaten, eindigde Jake Gyllenhaal met deze woorden Jarhead (2005). Atlantis gaat door waar het oorlogsdrama van Sam Mendes eindigt. Hoe gaat een met PTSS kampende veteraan door met leven?

Sergiy werkt na de recente Oekraïense burgeroorlog in een staalfabriek. Nadat zijn vriend zelfmoord pleegt en de fabriek sluit, vindt hij een baan als vrachtwagenchauffeur. De oorlogsveteraan brengt schoon drinkwater naar plaatsen die hij enkele jaren eerder doorkruiste met het geweer in de hand. In deze gebieden is het water door de oorlog zo verontreinigd dat het niet meer drinkbaar is.

Atlantis

Op een van zijn tochten ontmoet hij Katya, een vrouw die werkt voor de vrijwilligersorganisatie Black Tulip, die als doel heeft om opgegraven oorlogsdoden te identificeren en een waardig graf te geven. Sergiy meldt zich aan als vrijwilliger en weet zo zijn leven weer wat zin te geven.

Opgegraven oorlogsslachtoffers
Veel scènes schoot regisseur en scenarioschrijver Valentyn Vasyanovych op bestaande locaties in het voormalige oorlogsgebied. Met name de gedateerde staalfabriek en zijn grauwe omgeving brengt hij mooi in beeld. Hoofdrolspeler Andriy Rymaruk, in werkelijkheid een oorlogsveteraan die werkt voor de Come Back Alive Foundation, tipte de regisseur vooraf over enkele mogelijke filmlocaties. De regisseur en de acteur creëren een sfeer die perfect bij het verhaal past en de film, mede door het gebruik van deze bestaande locaties, een rauw realisme geeft.

Door dit realisme, vormgegeven door lange en sobere scènes waarbij de camera nauwelijks van positie wisselt, heeft Atlantis soms iets weg van een documentaire. De regisseur zegt deze stijl bewust te hebben gekozen. De traagheid van de beelden symboliseert natuurlijk de doelloosheid van het leven van de met een trauma kampende veteraan Sergiy, maar traagheid moet je als regisseur beheersen. Dat doet Vasyanovych niet altijd; meer dan eens lukt het hem niet om de spanning vast te houden.

Atlantis

Zelfs in de wetenschap dat de lijken nep zijn, zijn de scènes waarin de camera minutenlang gericht is op in staat van ontbinding verkerende oorlogsslachtoffers niet alleen tergend traag, maar ook ronduit stuitend. Het lijkt soms alsof de regisseur door de scènes uit te rekken van een korte film een volwaardige bioscoopfilm wil maken, maar daarvoor leent het verhaal zich eenvoudigweg niet.

Rituele reiniging
Bovendien zijn de scènes onderling soms onsamenhangend. Bij meerdere beelden vraag je je af wat deze in de film doen. Een voorbeeld hiervan is het moment dat Sergiy een achtergelaten schep van een graafmachine met water vult en deze als bad gebruikt. Je kunt dit interpreteren als een rituele reiniging of als een poging van de oorlogsveteraan om tot rust te komen, maar het is niet relevant voor de ontwikkeling van de plot of de karakters en vertraagt de boel daarom vooral.

Toch is de film als geheel de moeite waard. Atlantis laat zien dat je een trauma soms beter verwerkt door het verleden op te zoeken, dan door ervoor weg te lopen. Dit klinkt als een moraal die zo uit de televisieserie Full House had kunnen komen, maar Vasyanovych brengt deze boodschap rauw en zonder franje in beeld. Hij doet dit zo geloofwaardig dat zelfs de traagheid van de film hem vergeven is.

 

15 september 2020

 

ALLE RECENSIES

Kleine, persoonlijke verhalen rond de bevrijding

Kleine, persoonlijke verhalen rond de bevrijding

door Bob van der Sterre

Landscape After Battle ♦ Le Vieux Fusil ♦ Arnhem: Het Verhaal van een Ontsnapping

 

75 jaar vrijheid! Soldaten en vrijheidsstrijders gaven hun levens om hier en elders de nazi’s weg te jagen. Camera Obscura wil er ook bij stilstaan. Dat doen we met drie films die persoonlijke verhalen van de oorlog vertellen. Ze spelen zich af rondom de bevrijding.

In Landscape After Battle (1970) beginnen we met triomfantelijke klanken van Vivaldi’s Vier Seizoenen. De Poolse bewoners van een concentratiekamp in Duitsland zijn door het dolle heen: ze zijn net bevrijd door de Amerikanen.

Wachten op de echte bevrijding
Zo makkelijk is het vervolgens niet om bevrijd te zijn. Want ze mogen niets. Wachten tot je weg mag gaan, geen wraak nemen, je niet ongans eten. ‘Geen gevangenis, geen vrijheid.’

Een van hen is Tadeusz Borowski. Een chaotische, intellectuele dichter. Zwaar getraumatiseerd door wat hij in het kamp heeft meegemaakt. Een al even getraumatiseerd meisje komt uit een ander kamp. In hun weirdness zijn ze voor elkaar gemaakt.

Hij beschrijft zijn wrange ervaringen. ‘De muziek in het kamp was geweldig, de nazi’s brachten de beste musici.’ En: ‘Ik herinner me de geur van haar haar toen ze me afranselde bij de nazi’s.’ Ze vertelt over de hare: ‘We zaten achter een kast verstopt. Ik maakte 28 razzia’s mee.’

Zoals veel van Andrzej Wajda’s films is ook deze zeer eigenzinnig. Het is deprimerend, dat zeker. Niemand wordt gespaard. Zelfs de kampbewoners niet. Maar van tijd tot tijd is de film schattig, romantisch en op een wrange manier grappig. Als ze vrijen, beschrijft ze haar vreselijke ervaringen en roept hij uit: ‘Om te leven, moet je vergeten!’

De desoriënterende film biedt verrassend veel close-ups. De acteurs hebben expressieve gezichten. Daniel Olbrychski (acteert nog steeds) als Tadeusz (schrijver van deze verhalen) en Stanislawa Celinska als Nina. Verder veel rook en kleur in de gewaagde cinematografie van Zygmunt Samosiuk.

En Polen was natuurlijk na de oorlog zo vrij nog niet. Dat bewees wel het lot van deze film. De geheime politie nam het materiaal in beslag want twee dissidenten hadden bijrolletjes gehad om wat geld te verdienen. De film verscheen pas in 1978 in de VS in de bioscoop. In Nederland zelfs nooit.

Tragedie in Frans dorp
Twee andere personen van wie de levens overhoop worden gegooid door de oorlog: Julien en Clara Dandieu in Le Vieux Fusil (1975).

Julien is chirurg in Montauban. Het is 1944 en de bevrijdingsstrijd rondom Montauban staat op punt om los te barsten. Daarom stuurt hij zijn vrouw en dochter naar Barberie. Daar heeft hij een landhuis. Daar komt toch nooit iemand.

Zal je net zien: vallen de SS’ers die ochtend het dorpje binnen om wraak te nemen op een verzetsdaad. Ze vermoorden iedereen. Daarna plunderen ze Juliens eigen landhuis.

Julien die nog moet bekomen van een enorme traumatische ervaring, ziet vervolgens de SS in zijn eigen huis lol trappen, zijn champagne drinken en zijn privéfilms bekijken. En hij wilde alleen maar zijn eigen vrouw verrassen met een bezoekje.

Hoe wraak te nemen? Julien is een mollige chirurg, geen superfitte rambo. Een voordeel: hij kent zijn huis als geen ander. Hij pakt zijn dubbelloops en posteert zich bij de waterput. Dat is een het begin van een duel tussen Julien en de SS’ers.

Wie de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk kent, herkent misschien waar dit incident op gebaseerd is: de tragedie in het dorp Oradour-sur-Glâne. De SS nam wraak op een verzetsactie door alles en iedereen in het dorp plat te branden. Ik ben er zelf ook geweest. Het is onthutsend om daar te lopen waar de misdaad plaatsvond en tegelijkertijd fascinerend omdat het dorp tegelijk een tijdmachine is: alles is zoals het was in 1944. Overigens is dit dorp in de film niet dat dorp: dat is Bruniquel.

De film is een prettige manier van geschiedvervalsing: nu komen de SS’ers er niet zo goed van af. Verder is het een redelijk recht-door-zee film van Robert Enrico (een regisseur die buiten Frankrijk nauwelijks bekend is). De film werkt vooral dankzij twee prettige acteurs, die bijna elke film waarin ze speelden sjeu gaven: Philippe Noiret en Romy Schneider. De grap is dat bij de opnamen destijds Schneider Noiret nauwelijks kon luchten.

Prettig acteren en echte Nederlandse boeren
We eindigen in Nederland. In Arnhem: het Verhaal van een Ontsnapping uit 1976 zien we ze eindelijk een keer correct: Duitsers die Duitsers acteren, Engelsen die Engelsen spelen en Nederlanders als Nederlanders.

De film verhaalt het persoonlijke avontuur van legerarts Graeme Warrack die na de mislukte operatie Market Garden in september 1944 gevangen werd genomen. Hij komt in een gevangenenkamp. De Duitsers vertrekken, hij verstopt zich, als de bevrijding te lang op zich laat wachten, vertrekt hij, komt bij een boerderij, krijgt een schuilplaats, probeert met een groep Britten te ontsnappen (mislukt), keert terug bij de boerderij (band met boerendochter), vertrekt opnieuw, om na talloze onderduikplaatsen eindelijk te ontsnappen.

Het plot verklappen is hier nauwelijks schokkend aangezien het hier verfilmde boek van Warrack in de winkel kwam. Dan weet je wel dat hij het er goed van afbrengt.

Een unieke productie: de omroepen NOS en de BBC produceerden in 1976 deze film samen. En zo authentiek als wat. Alles op locatie (Veluwe en Apeldoorn) met echte Nederlandse boeren – dat zie je al niet vaak in Engelstalige films. Toen het opeens ging sneeuwen, moesten ze dus ineens winterse scènes schieten.

Prettige acteurs ook. De actrice Marie-Louise Stheins acteert hier stukken menselijker dan Renée Soutendijk en Monique van de Ven dat ooit zouden doen. En ze was pas negentien. Stheins vertelde dat ze veel leerde van John Hallam die Warrack speelde. “Ik wist niet zo goed hoe met de camera om te gaan, of met het geluid, maar dat gaf hij me allemaal mee. Een lieve man en een geweldig acteur.” Het artikel over de film (en de film zelf) staat op NOS.

Al deze kleine drama’s geven ons een kans om te beseffen hoe belangrijk die bevrijding wel was. Misschien hebben we wat aan die moed en doorzettingsvermogen van toen als nu we balen dat we nu vanwege het coronavirus even niet meer op een terrasje kunnen zitten..

 

4 mei 2020

 

Arnhem: Het Verhaal van een ontsnapping


Alle Camera Obscura

Malèna (2000)

REWIND: Malèna (2000)
Perfect cliché van puberfantasie

door Cor Oliemeulen

Renato weet het zeker: Malèna is de mooiste vrouw op aarde. In ieder geval heeft ze de lekkerste kont van de stad. Hij begluurt haar, steekt kaarsjes op en bidt tot een heilige dat zij op hem wacht totdat hij ouder is.

Daar loopt ze. We weten niet hoe ze heet, maar we noemen haar Natasja. Een meisje van een jaar of twintig, engelachtig gezicht, lange donkere haren. Ze is kleuterleidster, maar ditmaal is ze alleen en loopt ze naar het dorp. Mijn vriendje en ik springen op de fiets en rijden haar achterna. Natasja stapt een kledingwinkel binnen. Wij volgen. Mijn hart bonst in mijn keel. Ze vraagt iets aan de verkoper, ook haar stem is mooi. Wij verbergen ons half achter een rekje. Als ze naar buiten loopt en wij haar willen volgen, vraagt de verkoper plots achter ons wat wij wensen. Met een setje knopen van dertig cent lopen we een minuut later de winkel uit om nog een glimp van Natasja op te vangen. Het was de laatste keer dat ik haar zag.

Malèna

Malèna

De eerste ontmoeting
Zinnenprikkelend puberverlangen is mooi verbeeld in Summer of ’42 van Robert Mulligan, een komisch opgroeidrama uit 1971. Onder de nostalgische, romantische klanken van Michel Legrand blikt de voice-over van een man terug op zijn onvergetelijke zomervakantie op een Amerikaans eiland. De 15-jarige Hermie (Gary Grimes) lummelt daar met zijn twee vriendjes wat rond in de stad of in de duinen. Totdat hij Dorothy (Jennifer O’Neill) ziet. Een slank, gebruind lijf en een stralende glimlach. Hermie ziet hoe zij afscheid neemt van haar man, een legerpiloot, die moet dienen in de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk heeft Hermie gemengde gevoelens over Dorothy, niet gehinderd door puberale opmerkingen van zijn vriendjes, maar al snel raakt hij gefascineerd en geobsedeerd door dit wonderschone vrouwelijke schepsel.

Rond dezelfde tijd in een Siciliaans stadje worstelt de 12-jarige Renato in Malèna (2002) met zijn ontluikende seksuele gevoelens. “Mussolini verklaarde de oorlog aan Engeland en Frankrijk en ik kreeg een nieuwe fiets”, zo blikt zijn volwassen voice-over terug. Renato (Giuseppe Sulfaro) showt zijn aanwinst aan zijn vijf vriendjes op de boulevard. Dan fluit iemand op zijn vingers omdat Malèna (Monica Bellucci) in aantocht is. In haar strakke witte jurk, de lange zwarte haren op en neer deinend elke keer als haar hakken de stenen raken, komt ze dichterbij geflaneerd. De vriendjes op het muurtje slaan haar onbeweeglijk gade, terwijl de kleine Renato wat moeilijk kijkt hoe in zijn broek een tent wordt opgezet. Zodra Malèna voorbij is, springen de jongens op hun fietsjes, nemen een sluiproute naar de stadspoort en stellen zich daar opnieuw op om de uiterlijk onbewogen Malèna een tweede keer te kunnen zien passeren. “De mooiste kont van Castelcuto”, verzucht een van hen.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Sensuele fantasieën
Vanaf dat moment is Renato hopeloos verloren en dagdroomt er op los. Hij klimt op een afdakje en kan via een kijkgat in de kamer van Malèna gluren. Hij ziet haar sensueel dansen. Een dag later koopt hij de plaat met dezelfde muziek, legt die op de draaitafel en fantaseert dat zij zijn slaapkamer binnenkomt. Zijn vader die boven een krakend en piepend bed hoort, schreeuwt naar Renato dat hij vast blind wordt van al die onzedelijke handelingen. Een andere keer heeft Renato een onderbroek van Malène van haar waslijn gegrist en treft zijn vader hem ’s morgens vroeg slapend in bed aan met dat kledingstuk op zijn gelukzalige gezicht. Het huis is te klein.

Summer of '42

Summer of ’42

Het romantische komische drama van Giuseppe Tornatore heeft soms de sfeer van zijn meesterwerk Cinema Paradiso (1988), waarin een puberjongen niet zozeer de liefde voor een vrouw maar de magie van de cinema ontdekt. Ook gebruikt Tornatore in Malèna ideeën uit zijn eerdere werk, leent hij opvallend veel van Summer of ’42 en grijpt hij, mogelijk als eerbetoon, terug naar de jeugdherinneringen van zijn Italiaanse collega Federico Fellini in diens thematisch verwante Amarcord (1973), echter zonder diens gebruikelijke extravaganza.

Seksistisch en jaloers
Hierin vergaapt puberjongen Titta zich aan een hoertje, een hete nymfomane en aan de mooiste derrière van Rimini. Op een dag mag hij zelfs zijn hoofd begraven tussen de enorme borsten van de tabaksverkoopster die zegt dat hij niet op haar tepels moet blazen maar eraan moet zuigen. Net als in Malèna wisselen opgroeiperikelen en onschuldig kattenkwaad elkaar af met de machtsgreep van de fascisten in Italië op de achtergrond. En ook in Amarcord is de familie van het jonge hoofdpersonage een tikkeltje hysterisch. Zo roept Titta’s vader voortdurend Maria aan als er ruzie in huis is en kan opa niet met zijn handen van de huishoudster afblijven.

Hoe karikaturaal, macho en seksistisch de mannen (en jongens) ook in Malèna mogen worden geportretteerd, ze bezigen vooral woorden, maar geen daden. De al even onverwisselbare vrouwen zijn voortdurend stikjaloers op Malèna en roddelen mogelijk nog harder, echter zij stellen uiteindelijk wel een daad, een mensonterende daad.

Voor andere volwassenen dan liefdesobject Dorothy is in Summer of ’42 geen plek. In plaats van enkel stoere praat, proberen de puberjongens hier in ieder geval wel de daad bij het woord te voegen. Zo gaat Hermie met een meisje naar de bioscoop en is er tijdens de film van overtuigd dat hij minutenlang een borst van zijn date heeft betast. Echter na afloop krijgt hij te horen dat het haar schouder was. Overdag bladeren de vriendjes in het geniep, kwijlend en met rode oortjes in een medisch handboek met foto’s van de geslachtsgemeenschap. In feite zijn zij nog even groen en onwetend als hun kompaantjes op Sicilië.

Lichamelijk contact
Maar dan ziet Hermie dat Dorothy voor een winkel stoeit met haar tassen met boodschappen. Hij schiet onmiddellijk te hulp en staat erop om alles alleen te dragen, helemaal tot haar huis op een heuveltje. Hij hoeft geen geld en verslikt zich vervolgens in de aangeboden zwarte koffie omdat hij die zogenaamd altijd drinkt. Met haar man aan het front vraagt Dorothy later aan Hermie of hij zware dozen op zolder wil zetten. Als de verbeeldingen van Dorothy’s lichaam door zijn hoofd schieten, krijgt hij slappe knieën en dreigt hij pardoes van het wankele trapje te vallen. Gelukkig houdt hij stand en krijgt een kus op zijn voorhoofd als dank.

Malèna

Malèna

Renato is weliswaar een paar jaar jonger, maar ook hij wil zich als een man gedragen. Hij weigert het kinderstoeltje van de kapper en wil ook geen korte broek meer aan. Hij neemt stiekem het beste pak van zijn vader naar de kleermaker om de pijpen wat korter te laten maken. Als het nieuws komt dat Malèna’s man is gesneuveld in de oorlog en dat zij nu “beschikbaar” is, droomt Renato dat hij haar troost. Hij probeert op komische wijze enkele volwassen concurrenten te ontmoedigen en steekt in de kerk een kaars op, biddend dat Malèna op hem wacht totdat hij wat ouder is.

In Summer of ’42 sneuvelt ook de man van Dorothy, maar zij zoekt troost in bed met Hermie die maar al te graag bij haar zijn maagdelijkheid verliest. In Malèna moet Renato het tot het eind doen met enkel fantasieën. Hoewel. Ook Malèna laat op een gegeven moment boodschappen vallen, en Renato is er als de kippen bij om haar te helpen sinaasappelen terug in haar tas te doen. Heel even beroeren zijn vingers haar hand. Voor hem is dat genoeg. Voorlopig dan.

Weg met de diepgang!
Malèna is in de eerste plaats een coming of agedrama over de kracht van verbeelding en fantasie. Het verhaal draait om de obsessie van een puberjongen, maar net zo goed om de obsessie van een bijzonder kleinburgerlijk stadje aan zee. Wellicht een enigszins voorspelbaar verhaal, vol clichés over de Italiaanse volksaard. Maar ondertussen beweegt het bloedmooie titelpersonage, hoe eendimensionaal dan ook, zich onverminderd stijlvol in de mediterrane couleur locale. Passief, bijna zonder woorden. Als een vloek van schoonheid en eenzaamheid.

Niet voor niets mist de film gelaagdheid en diepgang (pas in de finale ontdekken we iets van Malèna’s karakter), want dat gemis is helemaal niet relevant. Puberjongens hebben niets met gelaagdheid en diepgang. Het enige dat telt zijn die onbekende spannende gevoelens die plotsklaps opborrelen, en waarvan je nooit genoeg kunt krijgen. Het mysterie van de opwindende vrouw, die hopelijk ook een keer zal hunkeren om bij jou te zijn. Die perfecte rondingen, die betoverende aanblik, de ultieme seksfantasie. Wie wil er nou de beweegredenen of de achtergrond van zo’n volmaakte vrouw doorgronden? Zij hoeft alleen maar aanwezig te zijn, meer niet! Of ze nu Dorothy, Malèna of Natasja heet.

 

MALÈNA KIJKEN: hier en hier.

 

Meer REWIND

Beanpole

****
recensie Beanpole

Meedogenloos leed

door Ralph Evers

Terwijl Leningrad herstellende is van een vreselijke oorlogstijd, zoeken de vriendinnen Masha en Iya troost en uitzicht bij elkaar. 

Als er één stad geleden heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog is het wel Leningrad. De stad (tegenwoordig Sint-Petersburg) werd geteisterd door strenge winters en een aanhoudende hongersnood, die vele duizenden slachtoffers maakte. De trotse cultuurstad heeft met zijn noordelijke ligging een aanzienlijk nadeel tijdens bezettingen. Wanneer de eerste herfst na de oorlog aanbreekt, leren we Iya en Masha kennen. Beiden streden aan het front: Masha is zelfs tot aan Berlijn doorgestoten. Iya keerde terug met shellshock-symptomen, uitende in een vorm van epilepsie. Haar lichaam schokt en verstijft, haar ogen zijn leeg, als in een absence. Iya is zuinig met woorden en moet niet teveel mensen om zich heen hebben. Masha daarentegen lijkt vooral behoefte te hebben aan afleiding, dansen, uitgaan en behoudt afstand tussen de wereld en haar gevoelsleven.

Beanpole

Het lijkt er vooral op dat hun lichamen wedergekeerd zijn uit de oorlog, hun ziel is vooralsnog niet terug. Een schrijnend voorbeeld hiervan is wanneer Masha’s zoontje Pashka door een tragisch lotgeval met Iya komt te overlijden. Het lijkt haar nauwelijks te raken. In plaats van geraakt te zijn door dit immense verdriet is haar reactie zoals je die wel vaker ziet: dierbare dood? Neuken! Eros en Thanatos zitten knus naast elkaar op de sofa film te kijken en waar nodig te seksen. Take Me Somewhere Nice en Antichrist kenden ook een dergelijke reflex.

De ondraaglijke traagheid van de ellende
Wat de film gemeen heeft met Kantemir Balagovs eerste speelfilm Tesnota is het tempo. In Tesnota staat een ontvoering van twee Joodse mensen centraal tegen een achtergrond van financiële instabiliteit, religieuze conflicten en de worsteling van de jongere generatie met de oudere, traditionele generatie. In Beanpole (Dylda) is het sociale conflict vervangen door persoonlijke tragedies, tegen een achtergrond van collectieve ellende. Beide films hebben gemeen dat het tempo laag is.

Soms werkt dat wanneer er meer gezegd wordt door de context – de gezichtsuitdrukking en lichaamshouding (zoals lege ogen of een breekbaar lijf – maar niet altijd. De jonge Balagov (hij is pas 28) heeft nog te zoeken naar een afgestemde balans tussen tempo en emotie. Zowel in Tesnota als in Beanpole heeft de traagte nogal eens het effect dat je onthecht raakt van wat de mensen overkomt. Vermoedelijk het laatste wat de regisseur voor ogen heeft in het vertellen van dit aangrijpende verhaal.

Stijl
Wat opvalt aan Beanpole is de duidelijke keuze voor stijl. Ofwel een gouden, ofwel een gele gloed die over de film hangt, met daarbij de kleuren rood en groen opvallend aanwezig. Iya is veelal in het groen gekleed, een kleur die onder andere samenhangt met het nieuwe, frisse, jonge. Het gebruik van kleur en licht doet regelmatig denken aan de schilderkunst van Johannes Vermeer (zoals het beeld van Iya met hoofddoek in een keuken), Rembrandt van Rijn en bovenal Gerrit van Honthorst (een Caravaggist die speelde met kaarslicht zoals in zijn schilderij De Koppelaarster. Een stijl die chiaroscuro genoemd wordt).

Beanpole

Volgens Balagov is het gebruik van kleur voor de hand liggend. Uit de vele dagboeken die hij las om de film vorm te geven, kwam telkens naar voren dat – ondanks de akelige omstandigheden waarin de mensen zich bevonden – ze omringd werden door kleuren, die enige troost en sereniteit geven. En inderdaad in de film werken de kleuren schoonheidsbevorderend en geven de omgeving soms dat beetje extra verbeeldingskracht, zodat je als kijker wat kunt ontsnappen aan de ellende.

Waarom kijken?
Want grote kans dat je na het zien van deze film een bezwaard gemoed overhoudt. Het roept de vraag op waarom je hier naartoe zou gaan. De film is eigenzinnig genoeg, anders dan je gewend bent en toont een rauwheid die zelfs een onafhankelijke filmstudio en filmmaker uit bijvoorbeeld de Verenigde Staten niet gauw zou maken. Hoewel de film eindigt met een greintje verlossing (die in sommige onafhankelijke films uit de VS of Denemarken achterwege blijft, als een puberaal statement of iets dergelijks, zoals in Adam Wingards You’re Next of Von Triers The House That Jack Built) blijven de heftige gebeurtenissen, zoals de dood van Pashka, je nog lang bij.

Dit plus de bij tijden onnodige traagheid maakt Beanpole geen gemakkelijke zit. Dit Russische oorlogsdrama, met voldoende oogstrelende scènes, is in ieder geval wel gedurfd.

 

17 februari 2020

 

ALLE RECENSIES