Manglehorn

***

recensie Manglehorn

Opgesloten in emoties

door Cor Oliemeulen

Manglehorn is typisch zo’n film die met een andere acteur zomaar zou kunnen mislukken. Al Pacino speelt een slotenmaker die al veertig jaar treurt om een vrouw die hem heeft verlaten.

Het idee voor Manglehorn ontstond in 2011 toen regisseur David Gordon Green bezig was met de voorbereiding van een Chrysler-commercial die halfweg de Super Bowl zou worden uitgezonden. Al Pacino was gevraagd om de auto aan te prijzen, maar hij haakte gedurende de onderhandelingen af (en werd vervangen door Clint Eastwood). Desalniettemin was er een klik tussen de regisseur en de acteur en Green beloofde Pacino dat hij hem binnen een jaar een interessant script (van Greens jeugdvriend en buurman Paul Logan) voor een speelfilm zou leveren.

Manglehorn

Geïsoleerd
Een jaar voordat Al Pacino in en als Danny Collins een flamboyant popidool op leeftijd zou neerzetten, verscheen hij dan ook in (en als) Manglehorn, ditmaal als een teruggetrokken slotenmaker in een Texaans stadje. Hoewel ook de slotenmaker een aardige babbel heeft, had het contrast tussen beide rollen bijna niet groter kunnen zijn, echter in beide gevallen is er sprake van een beladen verleden en een moeizame verhouding met een ongewenste zoon. Ditmaal is de zoon een egoïstische investeringsbankier (of is dat een pleonasme?) met wie hij noodgedwongen contact heeft als hij met zijn kleindochtertje wil gaan wandelen.

Net als in zijn vorige films, het droogkomische Prince Avalanche en het drama Joe, plaatst David Gordon Green zijn hoofdpersoon in een geïsoleerde setting. De slotenmaker opent sloten van klanten, maar heeft zelf iedereen buitengesloten. Hij eet in een buurtcafetaria en elke vrijdag maakt hij een praatje met Dawn (Holly Hunter), een baliebediende van de bank. Voor de rest vertoeft hij in zijn sobere huisje in het gezelschap van zijn kat (die ziek is na het doorslikken van een sleutel) en treurt hij om Clara, die hem veertig jaar geleden verliet.

Manglehorn

Minimalistisch
Het script van Manglehorn is (net als de soundtrack) minimalistisch: het wordt niet duidelijk waarom zijn grote liefde de benen nam en ook blijft het verleden van de slotenmaker gehuld in mysterie. Ook al weet de opdringerige pooier Gary (een rol van Harmony Korine van o.a. Spring Breakers) rond te bazuinen dat de slotenmaker vroeger zijn populaire honkbalcoach was, werkelijk niets kan het mijmeren over het verlies van diens grote liefde naar de achtergrond duwen. Dat heeft geresulteerd in het schrijven van ontelbare onbeantwoorde brieven aan Clara vol diepe emoties die hij aan geen enkele andere ziel kan uiten. Zelfs als hij schoorvoetend heeft toegestemd om met de veel jongere Dawn een hapje te gaan eten, praat hij alleen maar over hoe geweldig Clara was.

Hopelijk kan de rustige, verliefde Dawn de slotenmaker uiteindelijk van zijn roze wolk trekken en hem zijn levenslust in het hier en nu teruggeven, want als iemand met minder acteertalent en uitstraling als Pacino zo’n lang verloren liefde voortdurend op een voetstuk zou plaatsen, zou dat op den duur wel heel erg gaan irriteren. Manglehorn is als het ware het omgekeerde van Hal Ashby’s klassieker Harold and Maude (1971), waarin een depressieve jongeman zijn levenslust terugvindt bij een veel oudere dame. Hoewel minder boeiend is Manglehorn een oprecht klein drama over twee verloren zielen die je al het geluk van de wereld gunt.
 

11 juli 2016

 
MEER RECENSIES

5 films waarin iemand met een bijl een deur aan diggelen slaat

Vijf films waarin iemand met een bijl een deur aan diggelen slaat

Seed of Chucky

De bijlscène met Jack Nicholson in The Shining is iconisch. Toch is dit niet de eerste – en de laatste – keer dat iemand met een bijl een deur aan diggelen slaat.

door Cor Oliemeulen

1. – The Shining (Stanley Kubrick, 1980)

De scène is meer dan eens het meest griezelige fragment uit de filmgeschiedenis genoemd: Jack Nicholson slaat in The Shining met een bijl een badkamerdeur aan gruzelementen, steekt zijn hoofd in het gat en roept ‘Here’s Johnny!’ In deze adaptatie van het gelijknamige boek van Stephen King speelt Nicholson de conciërge van een ingesneeuwd hotel in de Rocky Mountains die tijdens de wintermaanden, waarin er geen gasten zijn, de verwarmingsinstallatie moet onderhouden.

Terwijl hij een boek probeert te schrijven, zijn zoontje geesten ziet en zijn vrouw eenzaam is, raakt de conciërge in de ban van een moordpartij die zich jaren geleden in het hotel heeft afgespeeld en slaan bij hem uiteindelijk de stoppen door. Voor deze beroemde scène werd een extra stevige deur gebruikt, omdat Nicholson, die destijds actief was bij de vrijwillige brandweer, het originele exemplaar te snel had verbrijzeld.

 

2. – Körkarlen (Victor Sjöström, 1921)

Stephen King was niet te spreken over Kubricks verfilming, met name de afloop van de film was in het verkeerde keelgat geschoten. Ook is er in het boek geen sprake van een bijl maar van een croquethamer. In een interview liet Kubrick zich ontvallen dat de bijlscène een ode is aan de vader van de Zweedse cinema, Victor Sjöström. Het fragment met de bijl lijkt inderdaad verdacht veel op een sleutelscène uit de stomme horrorfilm Körkarlen (The Phantom Carriage).

Ook die film is een bewerking van een gelijknamig boek, in dit geval van Selma Lagerlöf, de eerste vrouw die de Nobelprijs voor de Literatuur won. Het baanbrekende Körkarlen (Sjöström maakte al gebruik van overvloeiende beelden en flashbacks in flashbacks) volgt Georges. Hij is de laatste persoon die sterft tijdens Oudjaar en heeft als taak het komende jaar de zielen van alle overledenen op te halen met zijn rijtuig. Zo komt hij terecht bij zijn zojuist overleden vriend David en brengt hem terug in de tijd. David blijkt alcoholist en is in een agressieve bui door zijn vrouw Anna opgesloten in de keuken. Gelukkig voor hem ligt daar een bijl.

 

3. – Broken Blossoms or The Yellow Man and the Girl (D.W. Griffith, 1919)

Alcohol en bijlen gaan ook niet goed samen in de allereerste speelfilm waarin iemand zich met een bijl toegang verschaft tot een andere ruimte. In het klassieke melodrama Broken Blossoms van de Amerikaanse filmpionier D.W. Griffith en zijn muze Lillian Gish (dit succesvolle koppel kwam eerder ruimschoots aan bod in Vijf melodrama’s uit de oude doos) gaat een alcoholistische vader zwaar door het lint als hij merkt dat zijn dochter (Gish) een relatie met een Chinese jongen heeft. De deur van de kast waarin zij zich heeft opgesloten blijkt in de verste verte niet bestand tegen het brute geweld van haar vader, een notoire prijsvechter.

Niks geen happy ending: de finale van Broken Blossoms is mogelijk de meest sentimentele en ontroerende uit het tijdperk van de stomme film.

 

4. – Seed of Chucky (Don Mancini, 2004)

Sommige klassieke filmscènes schreeuwen om parodieën. Neem nu Chucky, de roodharige pop uit de Child’s Play-serie, die in 1988 in het leven kwam van het jongetje Andy en die bezeten bleek te zijn van de ziel van een seriemoordenaar. In deze horrorkomedie – bedacht en geschreven door Don Mancini, die zelf Seed of Chucky regisseerde – hakt het hoofdpersonage met hetzelfde bijltje.

Ook dit vijfde deel van de franchise is voer voor liefhebbers van creepy onzin. Zo zien we ‘The Pope of Trash’ John Waters als fotograaf, Britney Spears die wordt vermoord en zowaar een masturberende Chucky. Wanneer Chucky zijn hoofd in het vermorzelde gat van de deur steekt, weet hij niet meer wat hij moet roepen.

 

5. – Finding Nemo (Andrew Stanton, 2003)

In een animatiefilm over Nemo verwacht je niet direct een geweldsuitbarsting. Maar als het lieve clownsvisje uit nieuwsgierigheid het vredige leven in het Groot Barrièrerif achter zich heeft gelaten, ligt het gevaar in de grote open zee al snel op de loer.

Samen met de blauwe doktersvis Dory gaat vader Marlin op zoek naar Nemo, die uiteindelijk zal belanden in het aquarium van een tandarts in Sidney. In hun zoektocht naar Nemo ontmoeten Marlin en Dory drie haaien, die beweren dat ze vegetariërs zijn, maar wel agressief worden nadat Dory een bloedneus heeft opgelopen. De gevaarlijkste haai, Bruce, schroomt niet om zijn kop als bijl te gebruiken.

 

5 juni 2016

 

Alle leuke filmlijstjes

Race

**

recensie Race

Marathon zonder kleur

door Cor Oliemeulen

Jesse Owens is een van de meest aansprekende atleten uit de geschiedenis. Met zijn vier gouden medailles op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn zette hij Adolf Hitler met zijn idee over het superieure Arische ras finaal te kakken. Hoog tijd voor een biografisch drama.

Race neemt ruim de tijd om zowel het unieke sporttalent in het zonnetje te zetten als het gekonkel over een eventuele Amerikaanse boycot uit solidariteit met de door de nazi’s onderdrukte joden op te tekenen. Maar zelfs 134 minuten blijken te weinig om enige nuance in deze zwart-wit registratie aan te brengen, waarmee de hapklare brok zich veilig op het grote publiek richt. Met soms wat digitale beeldeffecten zodat we ons terug in de tijd wanen, midden in de sportarena.

Race

Het grote manco van Race is karakterontwikkeling. Een filmdrama dat men biografie durft te noemen, zou op zijn minst een paar keer diep op de persoonlijke beleving en omstandigheden van de hoofdrolspeler moeten ingaan. Het feit dat de stevige roker Jesse Owens in de film nooit met een sigaret is te zien en dat het sporticoon op zijn zesenzestigste zou overlijden aan een agressieve vorm van longkanker, hoeft weliswaar weinig betoog, want dat is minder van belang dan de verhouding met zijn vader, zijn vrouw, de blanke atleet en zijn trainer (Jason Sudeikis in een serieuze rol). Voor elke relatie heeft het scenario een paar gemeenplaatsen en volzinnen paraat en de kijker hoeft zich geen moeite te getroosten deze verhoudingen verder in te kleuren.

Sprint
Ook wanneer de stugge Avery Brundage (Jeremy Irons) namens het Amerikaanse Olympische Comité wordt afgevaardigd om met nazipropagandaminister Joseph Goebbels te onderhandelen over deelname is het beeld stereotiep. Terwijl de Amerikaan naar de plaats van afspraak wordt gereden, ziet hij in één minuut het actuele Jodenleed aan zijn oog voorbijtrekken: leuzen, marcherende soldaten en natuurlijk wordt er precies op dat moment een joodse familie vanuit het huis in een legertruck gemanoeuvreerd en afgevoerd.

Carice van Houten had ook een beter lot verdiend. Zij kwijt zich prima van haar taak om de eigenzinnige en feministische kant van documentairemaakster Leni Riefenstahl uit te beelden, maar wordt regelmatig dwars gezeten door de haastige spoed van regisseur Stephen Hopkins die deze neiging mogelijk heeft overgehouden aan zijn jarenlange productie van tv-series (24, House of Lies, 24: Legacy). Riefenstahl heeft de opdracht een propagandafilm over de Olympische Spelen van 1936 te maken en conflicteert enkele malen met Goebbels. De regisseuse wil 45 camera’s in het Olympisch stadion en geen enkele restrictie. Goebbels: “Het zijn míjn Spelen!” Riefenstahl: “Het is míjn film! Zonder mijn film zullen uw Spelen volgend jaar vergeten zijn.” (Ze zou gelijk krijgen: haar tweedelige documentaire Olympia uit 1938 geldt ook nog in 2016 als artistiek sterk en historisch waardevol.)

Race

Kapstok
Verder dan terechte bewondering voor de atleet Jesse Owens komt Race nauwelijks. Zijn optreden op een atletiekwedstrijd op 25 mei 1935 in Michigan leverde een ongeëvenaarde sportprestatie op: drie wereldrecords in drie kwartier tijd (200 yards, 200 yards hordelopen en verspringen). Maar zijn prestaties op de baan overvleugelen spijtig genoeg zijn karakterontwikkeling. Dus kan het zomaar gebeuren dat het belangrijkste personage, zeker niet onsympathiek vertolkt door de Canadese acteur Stephan James in zijn eerste hoofdrol, in feite wordt gemarginaliseerd als bijrol – een kapstok om de politieke en maatschappelijke discussie over wel of geen boycot van de Olympische Spelen aan op te hangen. Gelukkig verschijnt er op de valreep nog wel een dik uitroepteken achter de Amerikaanse hypocrisie: wel begaan met de overzeese Jood, maar ondertussen ongegeneerd doorgaan met stelselmatige discriminatie van de eigen zwarte burger – zelfs van Olympisch kampioen Jesse Owens.

Het verschrikkelijk afgezaagde liedje onder de aftiteling onderstreept de oppervlakkigheid van Race, dat met de erg voor de hand liggende titel (‘race’ betekent zowel ‘wedstrijd’ als ‘ras’) sowieso niet in aanmerking komt voor de originaliteitsprijs. Met het jankerige deuntje en strofes als ‘Let the games begin, let the best one win’ zou zelfs een finaleplaats op het Songfestival nog hoog gegrepen zijn. Op de redactie van Indebioscoop zouden we Race bestempelen als ‘pizza-film’: een cinematografisch tussendoortje zonder kraak of smaak. Hap, slik, weg.

 

16 juni 2016

 
MEER RECENSIES

In memoriam: Paul Cox

Bij de dood van de Nederlandse filmregisseur Paul Cox

door Cor Oliemeulen

Paul Cox (Venlo, 1940) belandde in het kader van een studentenuitwisseling als fotograaf in 1965 in Australië en ontpopte zich als ‘de vader van de onafhankelijke Australische cinema’. Hij laat negentien speelfilms en twaalf documentaires na – volgens kenners gaan ze allemaal over ‘het echte leven’.

Paul Cox

Zijn eigenzinnige aanpak en uitgesproken mening vond waardering vanaf het moment dat Cox in 1981 de prijs van de beste Australische film won met Lonely Hearts, het portret van een oudere, verlegen pianostemmer die zich aanmeldt bij een datingbureau en op zoek gaat naar romantiek. Veel van Cox’ films zijn erg persoonlijk en gaan over eenzaamheid (in relaties), liefde en de dood. Vaak met subtiele humor, soms satirisch, met een afkeer van hypocrisie, de nepwereld van Hollywood en exploitatie van religie. En vaak met een voorliefde voor kunst, zoals in zijn documentaire Vincent (1987) over de gelijknamige Nederlandse schilder.

Vorig jaar schreef en regisseerde Paul Cox zijn laatste film: Force of Destiny. We volgen een man die, wachtend op een levertransplantatie, liefde vindt bij een lotgenoot. Het romantische drama is losjes gebaseerd op Cox’ eigen strijd tegen kanker. De filmmaker kreeg in 2009 zelf een nieuwe lever, echter vorig jaar kwam de kanker terug, in zijn nieuwe lever.

Ziekte is ook het thema van het filmessay The Remarkable Mr. Kay (2005), een portret van zijn zieke vriend Norman Kaye die acteert in maar liefst zestien films van Paul Cox, zoals Lonely Hearts en Man of Flowers, waarmee hij voor het eerst internationale bekendheid verwierf.

Man of Flowers
Man of Flowers (1983) is misschien wel de mooiste erfenis van Paul Cox. Charles Bremer (Norman Kaye) is een excentrieke, gevoelige man van middelbare leeftijd die leeft in een groot huis vol kunst. Hij raakt opgewonden van naakte bronzen standbeelden en de geur van bloemen, die hij in grote getale laat aanslepen. Iedere woensdag laat hij het volkse meisje Lisa strippen voor geld, maar direct nadat zij al haar kleren heeft uitgetrokken, spoedt hij zich naar de overkant van de straat om in de kerk vol extase het orgel te bespelen.

Man of Flowers

In sfeervol opgenomen flashbacks met een Super 8-camera ontdekken we langzaam de oorzaak van Charles’ seksuele incompetentie. Als klein jongetje raakt hij gefascineerd door het evakostuum van zijn moeder, het decolleté van zijn welgevormde tante en de geur van vrouwenlichamen. Telkens zien we zijn strenge vader (Werner Herzog) afkeurend reageren en de kleine Charles straffen. Nu, tientallen jaren later, schrijft Charles zijn inmiddels overleden moeder brieven, die hij laat retourneren, zodat contact met de postbode hem wat uit zijn isolement haalt.

Hoewel Paul Cox sensualiteit en het incidenteel praten over seksualiteit niet schuwt, wordt Man of Flowers nergens plat of ongemakkelijk, maar kan de kijker zich laten meeslepen in de bijzondere wereld van de fijnzinnige, maar gefrustreerde Charles. Hij wekt uiteindelijk compassie op bij Lisa, die samenwoont met een aan cocaïne verslaafde wannabe-Karel Appel, waarmee het contrast tussen de twee belevingswerelden en het benaderen van kunst knap is neergezet.

Liefhebbers van intense opera komen uitstekend aan hun trekken met prachtige aria’s en cantates van Montserrat Caballé en José Carréras uit Donizetti’s ‘Lucia Di Lammermoor’, terwijl de slotscène van de film – vier naar de zee gekeerde statische gestaltes met tientallen rondvliegende vogels in mooi licht gevangen – Cox’ fotografische achtergrond verraadt.

Molokai: The Story of Father Damien
In interviews vertelde Paul Cox hoe moeilijk het soms was om als onafhankelijk cineast financiers voor zijn films te vinden. Een jaar voor zijn veel bejubelde Innocence wist hij eindelijk een aardig budget van ruim zeven miljoen bij elkaar te sprokkelen voor zijn verfilming van het leven van de Belgische Pater Damiaan. In Molokai: The Story of Father Damien (1999) zien we dan ook een keur van internationaal bekende acteurs (Peter O’Toole, Sam Neill, Derek Jacobi, Jan Decleir), maar jammer genoeg werd het inspirerende verhaal over de katholieke priester die zich eind negentiende eeuw op het Hawaiiaanse eiland Molokai ontfermt over honderden afgeschreven leprapatiënten, ondanks de mooie fotografie en het gedegen acteerwerk, geen commercieel succes.

Molokai: The Story of Father Damien

Wanneer de priester na aankomst op het eiland heeft geconstateerd hoe veel van de honderden leprapatiënten zich staande proberen te houden met drank en ontucht en het vervallen kerkje betreedt, zegt hij vol toewijding tegen Jezus aan het kruis: “U ging dood op uw drieëndertigste, mijn leven begint op mijn drieëndertigste.”

De bisschop had hem nog gezegd om elk lichamelijk contact met de patiënten te vermijden, maar het duurt niet lang voordat de goedgelovige Damiaan handen schudt, knuffelt en uit dezelfde fles drinkt als iemand die is besmet. Hoewel hij “zijn gezondheid in de handen van God en de Maagd Maria” legt, krijgt hij jaren later zelf ook lepra, sterft en zou Pater Damiaan een eeuw later worden heiligverklaard (en uitgroeien tot meest populaire Belg).

Molokai is beduidend minder onconventioneel dan veel van Cox’ andere werken en lijkt vooral een eerbetoon aan Pater Damiaan, die aanvankelijk vecht tegen de hypocrisie van de kerk en de politiek, en kiest voor totale zelfopoffering. Het is een humanistische film over lijdende mensen in moeilijke omstandigheden, een thema dat als een rode draad loopt door het oeuvre van de geboren Nederlander Paul Cox.
 

21 juni 2016

 
MEER NIEUWS EN ACHTERGROND

Ma Loute

***

recensie Ma Loute

Van toeristen kun je eten

door Cor Oliemeulen

Na het succes van zijn absurdistische komedie P’tit Quinquin, vooral in eigen land, flikt de Franse regisseur Bruno Dumont met Ma Loute deels hetzelfde kunstje.

Achterlijke, afzichtelijke autochtonen op het Franse platteland figureren tegen de achtergrond van mysterieuze misdaden die nooit en te nimmer zullen worden opgelost omdat de politieagenten zo gek zijn als een looien deur. Waar we in het experimentele P’tit Quinquin konden kennismaken met een onverstaanbare, motorisch gestoorde commissaris en zijn al even snuggere hulpje met een fietsenrek en een voorliefde voor autorijden op twee wielen, ontmoeten we in Ma Loute karikaturen van Sherlock Holmes en Doctor Watson, of beter: Laurel en Hardy. De Dikke, inspecteur Machin, is zo volumineus dat de Dunne, assistent Malfoy, hem regelmatig overeind moet helpen – hier in de duinen onder Calais waar toeristen spoorloos verdwijnen.

Ma Loute

Vallende ziekte
Bijna iedereen valt weleens in Ma Loute. Zoals de emotioneel en lichamelijk ingesnoerde rijke dame Isabelle van Peteghem (Valeria Bruni Tedeschi: Il capitale umano), de nerveuze, bekakt sprekende André Van Peteghem (Fabrice Luchini: Gemma Bovery) en de extatische snob Aude van Peteghem (Juliette Binoche: Clouds of Sils Maria). Samen met drie kinderen en een al even curieuze neef viert deze welgestelde familie uit Lille in de zomer van 1910 vakantie in en om een prachtig wit huis bovenop een duin aan de baai van Slack.

In contrast met deze incestueuze familie – “industriële verbintenissen: neef trouwt met nicht, zo doen families dat in het noorden” – staan de leden van de teruggetrokken familie Brufort. Zij moeten zien rond te komen met het vangen van mosselen en het overzetten van toeristen bij wassend water (bij voorkeur dragend) en blijken liefhebbers van mensenvlees (bij voorkeur toeristen). Terwijl vader Brufort in zijn authenticiteit door de rijkaards wordt beschouwd als de belichaming van perfectie en totale schoonheid, krijgt zijn oudste zoon, Ma Loute, te maken met de avances van de oudste telg van de Van Peteghems. Het blijft lang onduidelijk of deze Billie een meisje is dat zich als jongen kleedt of een jongen die zich als meisje vermomt.

Ma Loute

Kansen
Anders dan in P’tit Quinquin heeft Bruno Dumont begrijpelijkerwijs gekozen voor enkele professionele acteurs, die zich met zichtbaar plezier uitleven in hun groteske rollen (met name Binoche speelt totaal over de top), maar gelukkig zijn de plattelandslieden ook in Ma Loute heerlijk streekgebonden boers en ongecompliceerd. Maar nog meer dan in zijn absurdistische voorganger is het gemis van enig plot en noodzakelijke twists voelbaar. Met alleen bijzondere typetjes, droogkomische scènes, aardige cinematografie en een soundtrack waarin het piepen en kraken van (vooral menselijke) bewegingsapparaten wordt afgewisseld met klassieke muziek, laat de regisseur uitgelezen kansen voor een werkelijk oorspronkelijk filmjuweeltje liggen.

In P’tit Quinquin zit een vette knipoog naar Federico Fellini’s La Dolce Vita: als een koe (vol mensenresten) met een helikopter door de lucht wordt getransporteerd; de finale van Ma Loute doet sterk denken aan een andere klassieker van deze Italiaanse meesterregisseur, 8 ½: als een rariteitenkabinet zich in polonaise over het strand beweegt en iemand als een vlieger in de lucht zweeft met een touw aan een been. Met het genre drama (L’humanité, Flandres) bewees Dumont over veel eigenzinnig talent te beschikken, met zijn absurde komedies valt nog de nodige winst te behalen.
 

18 juni 2016

 
MEER RECENSIES

Ogres, Les

****

recensie Les Ogres

Het theater van het leven

door Cor Oliemeulen

Les Ogres is een filmdrama met een toneelsetting dat gaat over de drang naar vrijheid en botsende relaties. Een levendig authentiek schouwspel, puur en zonder oordelen.

In een wereld waar niets meer hoeft dan het opvoeren van een theaterspel en het liefdevol als een grote familie met elkaar omgaan, ontmoeten we de leden van Le Davaï. Samen met hun kroost trekken ze in auto’s, busjes en caravans van plaats naar plaats om de bevolking te verblijden en te verrassen met een stuk van Tsjechov. Elke avond is een feest van verleiding en ongebreideld enthousiasme waarvan het publiek met volle teugen deelgenoot kan worden. De kunst van het leven in dit stemmige verhaal mogen ze doortrekken naar de realiteit, wat aardig lijkt te lukken – totdat de komst van een oude bekende de aanleiding vormt voor een reeks dramatische verwikkelingen.

Les Ogres

Uitbundig
We begrijpen al snel dat de mannen, vrouwen en jongvolwassenen, zoals dat gaat, al de nodige perikelen achter de rug hebben, maar een ex-geliefde die allengs wordt opgetrommeld nadat een van de theateractrices tijdens een voorstelling uit een lamp is gevallen, zet onbedoeld een aantal verhoudingen op scherp. Identiteitscrisis, ontrouw, minderwaardigheidscomplex, onuitgesproken gevoelens. Maar steeds als de lucht is geklaard, keert het uitbundige leven terug, resulterend in de liefde en waardering voor de ander. Men danst, men zingt en ’s morgens spelen de kinderen buiten aan tafel tussen de lege flessen en worden de volwassenen gewekt door wat ontsnapte koeien.

In haar tweede boreling laat de Franse filmmaakster Léa Fehner de camera heel toepasselijk en sfeervol door het veelal uitzinnige gezelschap zwieren. Maar we beleven ook de onstuimigheid en onrust van mensen met hun onzekerheden en onverwerkt leed, wat zo nu en dan leidt tot groot, sterk geacteerd drama, waarvan je stil wordt. De balans is evenwel uitstekend en het is maar goed dat de film eindigt zoals hij begint: een onbeteugelde drang om onbekommerd en in alle vrolijkheid te leven.

Les Ogres

Verlossing
Zelf opgegroeid in een rondreizend theatergezelschap lukt het Fehner uitstekend die boodschap over te brengen. Ze laat zowaar haar bloedeigen vader en zus, verdienstelijk en geraffineerd, figureren in deze geschiedenis die is gecentreerd rond de teruggekeerde Lola (de ervaren Spaanse actrice Lola Dueñas: Volver, Hable con ella, Alléluia) en de zwangere Mona (het intrigerende talent Adèle Haenel: Naissance des pieuvres, Les combattants). De een fungeert zowel als splijtzwam als katalysator, de ander creëert verlossing door het brengen van aards leven.

Les Ogres is een welhaast nostalgische trip, wetende dat er in de huidige wereld, waarin veel zekerheden zijn weggevallen, nog steeds ruimte is voor de begeerte naar vrijheid, wars van autoriteit en burgerlijke mores. Maar je moet er wel naar zoeken, en mensen blijven mensen.

 

6 juni 2016

 
MEER RECENSIES

5 melodrama’s uit de oude doos

Vijf melodrama’s uit de oude doos

Sunrise

Bij een melodrama wordt vaak gedacht aan een film met een bedenkelijk niveau: een voorspelbaar verhaal over stereotiepe personages waarin een strijkorkestje de emoties versterkt. Dat is lang niet altijd terecht. Muziek speelt inderdaad een wezenlijke rol in dit theatrale genre, met name in de allereerste fantastische filmklassiekers waarin nog niet werd gesproken.

door Cor Oliemeulen

1. – Way Down East (D.W. Griffith, 1920)

Birth of a Nation van D.W. Griffith gold in 1915 als het vertrekpunt van de Amerikaanse filmgeschiedenis. Nieuwe montagetechnieken, camerabewegingen, massascènes, actieshots, dramatische close-ups én het geweldige melodramatische acteren van Lillian Gish leverde Griffith de bijnaam ‘De vader van de filmgrammatica’ op en Gish de titel ‘First Lady of American cinema’. Het duo, dat het ook op persoonlijk vlak goed met elkaar kon vinden, maakte nog meer noemenswaardige films.

Way Down East (1920) was een van Griffiths duurste en succesvolste films. Het verhaal gaat over de arme Anna die trouwt met de rijke Lennox, echter het blijkt een nephuwelijk. Anna komt alleen te zitten met een baby, die overlijdt. Ze vindt werk als huishoudhulp bij een boer, wiens zoon David haar wel ziet zitten, maar Anna wil hun liefde niet opzadelen met haar verleden. Als een roddeltante de boer over Anna’s verleden vertelt, vlucht ze de sneeuwstorm in en valt ze uitgeput op een op hol geslagen ijsschots. De grote vraag is of David haar kan redden voordat Anna in een waterval naar beneden stort. De opzwepende orkestratie in deze bloedstollende finale maakt van Way Down East een van de eerste geweldige klassieke melodrama’s.

 

2. – Orphans of the Storm (D.W. Griffith, 1921)

In een zwijgende film gebeurt het acteren meestal met grote gebaren omdat er nog niet hoorbaar werd gesproken. In de vroege films van Griffith is sprake van Victoriaans melodrama. Dat wil zeggen: stereotiepe karakters: vaak een slimme gemenerik en een dommige held én bijna altijd een dame in nood. Lillian Gish was de belichaming van zo’n damsel in distress.

In Orphans of the Storm (1921) spelen Lillian Gish en de oudere Dorothy Gish ook zusjes. Als wezen groeien ze op aan de vooravond van de Franse Revolutie. Helaas wordt één van de meisjes blind en worden ze voor lange tijd van elkaar gescheiden. De blinde zus belandt bij een boze vrouw die haar dwingt te bedelen, de ander wordt gevangen gehouden door een aristocraat. Het moment dat de zussen elkaar op een dag weer signaleren is hartverscheurend en ongekend melodramatisch: de een schreeuwt vanaf het balkon, de ander hoort dat beneden op straat en raakt buiten zinnen, maar helaas wordt hen de weg versperd en kunnen ze elkaar na al die tijd niet omhelzen. De guillotine fungeert uiteindelijk voor één van de zussen als eindpunt.

 

3. – Foolish Wives (Erich von Stroheim, 1922)

De extravagante geboren Oostenrijker Erich von Stroheim werd regieassistent van D.W. Griffith, maar bleek al snel ambitieus genoeg om zelf films te gaan maken. In zijn eerste wezenlijke drama speelt hij zelf de hoofdrol van een oplichter die zich in de Monegaskische jetset voordoet als Russische aristocraat. Met een zielig verhaal probeert hij geld van een Amerikaanse diplomatenvrouw af te troggelen. Von Stroheim, die naar zeggen moeilijk werkelijkheid van fantasie kon onderscheiden en in zijn privéleven regelmatig rond paradeerde als het personage uit zijn film, maakte met Foolish Wives de duurste film die tot dan toe was gemaakt. De protagonist, die naast bedrieger ook een enorme lafaard blijkt, krijgt gelukkig zijn verdiende loon.

Dreef Von Stroheim met de buitensporige aankleding (hij liet in de studio’s het casino van Monte Carlo nabouwen) de bazen van filmmaatschappij Universal tot waanzin, met zijn monumentale drama Greed (1924) zou hij zijn megalomane persoonlijkheid onderstrepen: een film met een lengte van negen uur (!) vond men wel al te gortig.

 

4. – The Crowd (King Vidor, 1928)

Met The Crowd (1928) maakte King Vidor de hooggespannen verwachtingen na het succes van de grensverleggende oorlogsfilm The Big Parade meer dan waar. De sleutelscène halfweg is te melodramatisch voor woorden, maar wél zeer geloofwaardig, ijzersterk geacteerd en belangrijk voor het vervolg van de schrijnende liefdesgeschiedenis.

We volgen de levenswandel van de op de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag van 1900 geboren John waarop zijn vader hem een gouden toekomst voorspelt. Niets is minder waar. Als hij zijn heil zoekt in New York om het te gaan maken, blijkt John één van de zeven miljoen zielen en lukt het hem niet om uit te stijgen boven de massa (de crowd). Vidor legt Johns anonimiteit vast met enkele inventieve, vernieuwende cameratechnieken, zoals in de beroemde scène waarin we John zien zitten achter zijn bureau en de camera van bovenaf langzaam uitzoomt, zodat we uiteindelijk honderden werknemers in de immense ruimte achter hun bureau waarnemen. In The Crowd leidt prachtig tranentrekkende misère tot oprechte liefde en toewijding.

 

5. – Sunrise: A Song of Two Humans (F.W. Murnau 1927)

Nadat hij enkele hoogtepunten van het Duits Expressionisme had afgeleverd, zoals Nosferatu (1922), Der Letzte Mann (1924) en Faust (1926) stak F.W. Murnau de Atlantische Oceaan over om in Amerika met behulp van een groot budget en volledige artistieke vrijheid een van de mooiste films uit het stomme tijdperk te maken: Sunrise: A Song of Two Humans (1927).

Door de artistieke hoogstandjes op het gebied van montage en belichting, alsook de rake sfeertekeningen, zou je bijna vergeten hoe fantastisch tijdloos Sunrise is. Een jonge boer laat zich verleiden door een femme fatale uit de stad om zijn vrouw te vermoorden tijdens een boottochtje en het op een ongeluk te laten lijken. Het conflict mondt uit in een meeslepend drama waar angst en schuld langzaam vervagen en waar de liefde en romantiek vanaf spatten. Met de regisseur liep het overigens niet zo goed af: Murnau maakte nog twee films voordat hij in 1931 omkwam bij een auto-ongeluk.

 

5 juni 2016

 

Alle leuke filmlijstjes