Father Mother Sister Brother

***
recensie Father Mother Sister Brother
Droge gesprekken, lange stiltes en een druppelende kraan

door Cor Oliemeulen

Wie van actie houdt, is bij Jim Jarmusch aan het verkeerde adres. De Amerikaanse filmmaker, die in 1984 doorbrak met Stranger Than Paradise, laat in zijn films veel aan de kijker over. Father Mother Sister Brother, winnaar van Gouden Leeuw in Venetië, bestaat uit drie losse verhalen. Samen vormen ze een beheerste, minimalistische blik op familierelaties.

Het eerste deel, Father, is het sterkst, vooral door het uitstekende spel en de onverwachte, hilarische apotheose. Het is een tijd geleden dat Jeff (Adam Driver) en zijn zus Emily (Mayim Bialik) op bezoek gaan bij hun vader, vertolkt door Tom Waits. Zoals altijd beweegt hij zich moeiteloos als een droog, eigenzinnig en licht absurdistisch personage in het universum van Jim Jarmusch.

Father Mother Sister Brother

Vader
Vader woont in een afgelegen gebied in New Jersey aan een meer. Hij verwelkomt zijn kinderen in een ongemakkelijke sfeer. Jeff heeft een doos met voedingsmiddelen meegebracht. Of ze iets willen drinken. Ai, vader heeft alleen water in huis, maar gelukkig vindt Emily thee in de keuken. Het huis is een zooitje: een verfrommeld kleed over de bank, boeken en spullen her en der. Korte, plichtmatige gesprekjes over werk, kinderen, gezondheid. Het zwijgen overheerst. Jee, is het al zo laat? Een voorzichtige omhelzing. Jeff stopt vader nog wat geld toe. Opluchting bij alle drie dat het bezoek voorbij is.

Moeder
Het tweede deel is opnieuw traag, minimalistisch en vol stiltes. De invloed van Jarmusch’ vriend en geestverwant Aki Kaurismäki (o.a. Fallen Leaves) is duidelijk voelbaar. Net als in Father zit de kracht in kleine momenten, subtiele interacties, droge humor en aandacht voor buitenstaanders. Zo iemand is Lilith (Vicky Krieps), een vrij onaangepast punktype, die door haar moeder (Charlotte Rampling) in Dublin is uitgenodigd voor een verplichte lunch. Even later arriveert haar stijve zus Timothea (Cate Blanchett) met een bos bloemen. Ook hier hebben moeder en dochters elkaar al een tijd niet gezien. Gezeten achter duur servies en kleine, luxe hapjes kan de kijker zich laven aan heerlijk nietszeggende conversaties en ongemakkelijke stiltes van drie topactrices.

Zus en broer
In de afsluiting van het drieluik over Jarmusch’ familierelaties maken we kennis met Billy (Luka Sabbat) en Skye (Indya Moore). In Sister Brother keert deze tweeling voor even terug naar het lege appartement in Parijs waar ze opgroeiden om met behulp van oude foto’s en documenten herinneringen op te halen aan hun jeugd en hun overleden ouders.

Ditmaal kiest Jarmusch voor een voortkabbelende stroom van gesprekjes zonder noemenswaardige gebeurtenissen. Waar Father langzaam opbouwt tot een verrassende finale en Mother een duidelijke stijl heeft, lijkt Sister Brother met zijn hyperrealisme stil te blijven staan. In zijn vroege film Stranger Than Paradise was die functionele eenvoud vernieuwend. De leegte voelde toen als iets nieuws en paste bij de tijdgeest. In Jarmusch’ latere films, zoals The Limits of Control, wordt die stijl radicaler. Daarin zitten nog wel mysterieuze en absurdistische momenten, maar voor veel kijkers ontbreekt ontwikkeling. Dat geldt ook voor het derde deel van Father Mother Sister Brother, waardoor het zich loswringt van de eerste twee delen en het geheel onevenwichtig maakt.

Father Mother Sister Brother

Liever geen afgebakend plot
Het is een bewuste keuze van een filmmaker die sfeer, observatie en stilte belangrijker vindt dan een afgebakend plot. Minimalisme is wars van een min of meer verplichte onthulling. In die zin staat Jim Jarmusch in lijn met regisseurs als Aki Kaurismäki, Robert Bresson en Yasujirō Ozu, die film zien als een reeks momenten en niet als een verhaal met een duidelijk einde.

In Father Mother Sister Brother leiden familiebanden niet tot een inzicht of een oplossing, maar blijven ze bestaan in al hun onvolledigheid en imperfectie. Jarmusch trekt zijn minimalistische benadering door in de muziek, die hij zelf mee vormgeeft. Direct na afloop klinkt een sobere uitvoering van Jackson Browne’s These Days, met de tekst “These days I seem to think a lot / About the things that I forgot to do for you…”

Die regels vatten perfect samen waar Father Mother Sister Brother uiteindelijk om draait: niet wat er gebeurt, maar wat achterwege blijft.

 

14 april 2026

 

ALLE RECENSIES

Romería

***
recensie Romería
De camera naar binnen gericht

door Bert Potvliege

Wat zou er in de navel van Carla Simón te vinden zijn? In Romería keert de cineaste nadrukkelijk naar binnen waardoor haar film dreigt te verzanden in zelfbeklag. Hoewel ze gezegend is met flair en kan rekenen op een sterk team voor en achter de camera, ondermijnen fundamentele problemen in het scenario het geheel. Wat overblijft voelt meer als therapie dan als cinema: een sterke dramatische ruggengraat ontbreekt.

Met haar derde film breit de cineaste een sluitstuk aan haar onofficiële trilogie. Na Estiu 1993 en Alcarràs (Gouden Beer op het Filmfestival van Berlijn in 2022) verschijnt nu Romería. Het zijn stuk voor stuk autobiografisch-geïnspireerde verkenningen in een Spaanse context, met een nadruk op familie en identiteit. Ook Romería is een duik in een warm bad van nostalgie, waarin havenstad Vigo en de couleur locale een niet te onderschatten rol spelen.

Romería

Vervlogen tijden
De film volgt de jonge studente Marina (Llúcia Garcia) – voelbaar geïnspireerd op Simón zelf – die de vervreemde familie van haar al lang overleden vader opzoekt aan de Galicische kust. Ze heeft van hen een verklaring van verwantschap nodig om een studiebeurs aan te vragen. Tijdens haar verblijf ontmoet ze familieleden – niet in het minst haar strenge grootouders – en probeert ze via gesprekken een beeld te vormen van wie haar ouders waren en hoe ze haar heimat meedraagt. De film duikt via homevideo’s geregeld het verleden in, en voegt naar het einde enkele fantasierijke toetsen toe.

De makers presenteren Romería in een knap jasje. De Spaanse sfeer van het dagelijks leven schemert er aangenaam door: een net gevangen vis op de barbecue, een zwoele zon als warme deken, serene blauwe zeevista’s die de kijker doen wegdromen. Simón nestelt zich even graag en goed in de Zuid-Europese sfeer als Luca Guadagnino (Call Me by Your Name) en Alice Rohrwacher (La Chimera). Ook de cast draagt bij aan die toon: fraai zijn de door de zon gebeitelde gezichten, een oud besje met perkamenten huid in een knalgeel, spuuglelijk bloesje. Kleine momenten, zoals opa die centjes uitdeelt aan de kleinkinderen, zijn sprekend voor Simóns streven naar enige waarachtigheid.

Gedreven door formaliteit
De verpakking van Romería is fraai, maar het geschenk zelf stelt licht teleur. Autobiografisch onderzoek is welkom in de kunsten, maar een goed verhaal vertellen blijft een basisvoorwaarde in narratieve cinema. Het is hier dat Simón struikelt, want haar relaas blijft steken bij therapeutische nobiliteit. Een protagonist die het verleden opzoekt om inzicht in zichzelf en haar familie te krijgen, is een veelgebruikte insteek voor een plot – recente voorbeelden zijn Past Lives, Aftersun en All of Us Strangers. Wat Romería mist, is originaliteit, lef en dramaturgische diepgang. Dat Marina zichzelf en haar familie leert beter begrijpen, door vele gesprekken te voeren met figuren uit het verleden, is narratief te mager.

Romería

Een volgend voorbeeld van verhalende droogte is het conflict dat alles in gang zet: Marina heeft een document nodig. Niet liefde of emotionele nood, maar een administratieve formaliteit drijft haar naar Vigo. Dat voelt verhaaltechnisch goedkoop: zolang het doel maar bereikt wordt, lijkt het weinig uit te maken wat haar werkelijk beweegt. Ze meldt bovendien dat het document nodig is voor een studiebeurs voor een filmopleiding – een overduidelijke manier om haar autobiografische representatie aan de kijker te benadrukken. Het leidt tot een rollen met de ogen.

De kijker terzijde geschoven
Het gemak waarmee tussentitels worden ingezet, is problematisch. Half-filosofische mijmeringen zoals ‘Wie zou ik zijn als mijn vaders familie me had opgevoed?’ of ‘Betekent hetzelfde bloed delen dat je deel uitmaakt van dezelfde familie?’ vertellen de kijker wat bevraagd zou moeten worden door de scènes die erop volgen. Beeldend vertellen wordt overbodig wanneer de intentie vooraf letterlijk wordt meegedeeld. Zo wordt actief meedenken uitgeschakeld en verliest het verhaal nog meer kracht.

De cruciale tekortkomingen nemen niet weg dat het nostalgische voorkomen van Romería zalft. Naar het einde toe introduceert Simón bovendien enkele fantasierijke toetsen die enthousiasmeren (de scène met de trapladder aan het flatgebouw). De cineaste gaat ook intrigerend aan de slag met de sensualiteit van jeugd – de naakt door het land lopende ouders van Marina doen aan de fotografie van Ryan McGinley denken. Mooi om te zien, maar het geheel is narratief te flets om een aanrader te noemen.

 

7 april 2026

 

ALLE RECENSIES

I Swear

****
recensie I Swear
Leren omgaan met onbegrip

door Zoë van Leeuwen

Met een BAFTA en de publieksprijs op het IFFR bevestigt regisseur Kirk Jones zijn plek in de Britse filmwereld. In I Swear schetst hij een bitterzoet portret van de Schotse Tourette-activist John Davidson, waarbij de oprechte kern de film verheft boven een doorsnee biografische feelgood. 

“Fuck the queen!”, schreeuwt John tijdens een ontmoeting met hare majesteit en zet zo binnen de eerste vijf minuten de perfecte toon voor de rest van de film. We keren terug naar het Schotland van 1983, waar John (Ellis Watson) nog een zelfverzekerde, maar vooral doodgewone tiener is. De sfeer van dit tijdperk wordt ondersteund door een fijne soundtrack vol nostalgische Britse new wave- en post-punknummers. Wanneer hij op een dag vreemde tics begint te krijgen, weet eigenlijk niemand hoe ze daarmee om moeten gaan. Hierdoor wordt John vaker gestraft dan geholpen. Zijn vader verlaat het gezin, omdat hij de situatie niet langer aankan en op school ziet zijn rector de tics als ongehoorzaamheid.

I Swear

Humor als leidraad
Regisseur Kirk Jones, die vooral bekend is van publiekslievelingen als Waking Ned en Nanny McPhee, laat met I Swear zien dat hij meer in zijn mars heeft dan familiefilms en zachtaardige Britse humor. Wanneer de film een sprong maakt van dertien jaar naar de volwassen John (Robert Aramayo) probeert hij in een wereld vol vooroordelen en anti-psychotische medicijnen zijn weg te vinden. Toch schuwt Jones niet weg van zijn kenmerkende humor en laat hij zien dat Johns tics, en vooral de timing ervan, soms ook gewoon erg komisch kunnen zijn, zonder dat de ernst van de situatie daarbij verloren gaat. De film is niet bang voor humor, en zo wordt het leven van Davidson ook niet weggezet als een tragedie.

Wanneer hij voor de zoveelste keer een lantaarnpaal moet kussen, omdat hij scheef staat, of wanneer hij op een wat ongelukkig moment tegen de politie zegt dat hij pedofiel is, lach je als kijker met John mee. Desondanks blijft de ernst van Johns problemen niet onopgemerkt. Vooral zijn eigen moeder (Shirley Henderson) weet na al die jaren nog steeds niet om te gaan met haar zoon en lijkt te uitgeput om het nog een kans te geven. Henderson vertolkt de uitputting en machteloosheid van een moeder die ten einde raad is op een tragisch overtuigende wijze.

Drijfkracht
Het leven van John neemt een positieve wending wanneer hij de moeder van een vriend ontmoet. Dottie (Maxine Peake) heeft snel door dat het niet goed gaat met John en verwelkomt hem met open armen. Ter ergernis van zijn moeder, die het niet kan laten om jaloers te zijn, omdat Dottie John daadwerkelijk lijkt te helpen.

Het indrukwekkende acteerwerk van de hoofdrolspelers is de drijvende kracht van de film. Met name Aramayo’s vertolking van John voelt authentiek en emotioneel, zonder dat de komische timing verloren gaat. De tics voelen niet als een ingestudeerd kunstje, maar als een reflex, alsof Aramayo in de huid van de echte John is gekropen. Het is een topprestatie die hem terecht een BAFTA opleverde.

I Swear

Elkaar beter begrijpen
John en Dottie worden steeds betere vrienden. Voor het eerst voelt hij onvoorwaardelijke liefde en acceptatie zonder dat iemand hem wil ‘repareren’. “If you do anything you can’t help, don’t apologize”, drukt ze hem op het hart wanneer hij voor de zoveelste keer sorry zegt door een van zijn tics. Haar nuchtere advies markeert het punt waarop John stopt met het vechten tegen zijn tics en een poging doet om een normaal leven te leiden. Toch beseft hij langzaam dat zijn versie van normaal simpelweg anders is dan voor de meeste mensen.

Wanneer Tommy (Peter Mullan) hem een baan aanbiedt bij het gemeenschapscentrum en John zijn hond slaat, verliest hij bijna meteen zijn baan. Hier zit ook een punt van kritiek. De film komt hier en daar nogal voorspellend uit de hoek door de repetitieve scenario’s. Telkens als er iets goed gaat in zijn leven, wacht je als kijker tot zijn tics het verpesten.

Toch gaat I Swear uiteindelijk minder over Tourette zelf dan over de reactie van de samenleving erop. De film laat goed zien dat de maatschappij neurodiversiteit liever bestraft dan probeert te begrijpen. Met een einde dat hoopvol is voor de toekomst, maakt I Swear duidelijk dat mensen zoals John pas tot bloei kunnen komen als hun omgeving begint te veranderen.

 

24 maart 2026

 

 

ALLE RECENSIES

La Grazia

***
recensie La Grazia
De ondraaglijke twijfel van lafheid

door Ralph Evers en Małgorzata Zielińska

La Grazia, de nieuwste film van Paolo Sorrentino, probeert enkele complexe en ingewikkelde ethische onderwerpen aan te snijden: euthanasie, lijden, huiselijk geweld en het recht op vergeving. Daarnaast onderzoekt hij de mate waarin we degenen die ons het meest nabij staan, waarlijk kunnen kennen – een echtgenote, een dochter en een jeugdvriend.  

Maar wat we krijgen is een gelimiteerde schijnwerper op de hoofdrolspeler, Mariano de Santis, een weduwnaar, een katholiek, een gerespecteerde jurist en bovenal een vaardig en populaire politicus, de president van Italië. Iemand die in de laatste maanden van zijn presidentschap voor een dilemma zit: het eventueel verlenen van gratie aan twee veroordeelde moordenaars en het wel of niet tekenen van een nieuwe euthanasiewet.

La Grazia

De hoofdrol van Mariano de Santis wordt vertolkt door de karakteristieke Toni Servillo, een geliefd acteur van regisseur Sorrentino. Telkens die kop die je uit duizenden herkent: van de doorbraakfilm uit 2004, Le conseguenze dell’amore, tot de onverschillige intellectueel in de De Grote Schoonheid en de hedonistische Berlusconi in Loro. Ditmaal speelt Servillo een emotioneel bevroren, eenzame, zich wat teruggetrokken oudere man. Hij draagt voortdurend onberispelijk op maat gesneden zwarte pakken, die als een harnas zitten en bijdragen aan zijn bijnaam ‘Gewapend Beton’. Hij voelt aan als een Byzantijnse monarch uit oude tijden, omgeven door volgelingen die ook allen hun afstand bewaren en weloverwogen spreken.

Vervagende signatuur
La Grazia is traag en geschoten in een elegante, doch ingehouden stijl, veelal donker in de gepolijste, klinische kamer van het presidentiële paleis. Hiermee zit de film en zijn visuele stijl regelmatig te dicht op de hoofdpersoon, wat het koude, afstandelijke en onthechte van diens persoon te veel kracht bijzet. Evenals bij Mariano de Santis ontbreekt het de film aan moed, licht, levenslust en ademruimte. De donkere, benauwende hoofdmoot van de film wordt slechts sporadisch onderbroken door dat typische, flamboyante of verstillende van Sorrentino.

Er is de scène met de zwarte paus, compleet met dreadlocks, een oorbel en een pausmotor, de haast misplaatste rapmuziek in de majesteitelijke, grootse, lege ruimten van het paleis, de herinneringen aan zijn verloren liefde Aurora, die hem in de liefde verraadde, en misschien nog wel het meest des Sorrentino’s: de lange wandeling door de straten na het afscheid van zijn presidentschap. Het is deze scène, begeleid door bezinnende muziek, die onmiskenbaar Sorrentino is en die zijn vorige film Parthenope juist dat extra’s gaf in een verder toch wel wat oppervlakkige film. Diezelfde oppervlakkigheid dreigt ook in deze film, die zijn twee uur en een kwartier niet weet te rechtvaardigen.

La Grazia

Stemmige leegheid
De twijfel en stilte, de nostalgie voor zijn overleden vrouw en de daarbij gepaard gaande pijnlijke herinneringen komen helaas onbewogen en weinig levendig over op de kijker. Dit terwijl de lijdende onderwerpen en de beslissing over hun ongeneeslijke pijn – of het nu zijn vrouw, een geliefd paard of zijn onderdanen betreft – toch de nodige emoties en strijdige meningen zouden moeten oproepen. Doordat ze voornamelijk als een theoretische en koud juridische vraag worden geponeerd, is deze levendigheid effectief kaltgestellt.

En dat is jammer, want de film richt zich op een aantal actuele, lastige thema’s, die moed, gevoeligheid en doortasting vragen. Door dit te laten uitvoeren door een weinig moedig en inmiddels weinig verheffende man, is ofwel een gemakkelijke uitweg, ofwel een statement tegen een snel veranderende wereld, gedomineerd door oude, conservatieve, grijze mannen, die hooguit moedig in woord, maar niet in daden, zijn. Het lijkt toch meer op het eerste. Door het gebrek aan betrokkenheid interesseert het je als kijker nog nauwelijks of hij nu wel of niet gratie gaat verlenen of de euthanasiewet gaat tekenen. 

Zo blijft er voor de liefhebbers van de films van Sorrentino, zijn stijl en acteurs, een film over, die als beginpunt voor belangrijke discussies over existentiële zaken kan dienen. Een film die je tegelijkertijd weinig inzichten zal geven, behalve het belang dat deze thema’s aangesneden worden en in het nagesprek met de benodigde moed, vitaliteit, lef en passie behandeld worden.

 

17 maart 2026

 

 

ALLE RECENSIES

Joe Speedboot

****
recensie Joe Speedboot
Film blijft dicht bij boek

door Jochum de Graaf

Met ruim 450.000 verkochte exemplaren in meer dan tien talen is Joe Speedboot (eerste druk 2005) van Tommy Wieringa een moderne klassieker in de Nederlandse literatuur. Na een mislukt project waar een jarenlange slepende rechtszaak aan te pas kwam, is er nu de film. Regisseur Sam de Jong, vanwege De drie Musketiers (2021), Met mes (2022) en de videoclip voor Drank & Drugs van Lil’Kleine en Ronnie Flex goed bij het onderwerp passend, is dicht bij het verhaal gebleven en brengt heel sterk de ontwikkelingsroman in beeld.

De coming of age van Fransje Hermans (Daan Buringa) in het provinciaalse Lomark wordt in het begin van de film licht nostalgisch in de tijd geplaatst: huizen, gebouwen, interieurs, auto’s, brommers, kleding, haardracht, cultuur; eind jaren tachtig, begin jaren negentig van de vorige eeuw: van moderne telefoons en internet nog geen spoor, en er wordt nog gewoon met guldens betaald.

Joe Speedboot

Maaidorser
Fransje is tijdens een oogstfeest in het dorp onder een maaidorser gekomen, raakt in coma en belandt voor de rest van zijn leven in een rolstoel. Hij kan niet meer lopen en praten, alleen met mimiek en gebaren iets van zijn gevoelens uiten. Een arm gebruiken gaat nog wel, hij leert zichzelf schrijven waardoor hij in dagboekjes het leven op kan tekenen. Hij slijt zijn dagen met het monomaan in elkaar persen van briketten in een schuurtje naast de sloperij van zijn vader. Een eentonig bestaan in het slaperige Lomark, in de film gesitueerd in het saaie rivierenlandschap van de Betuwe, waar verder geen ruk te beleven is.

Dat verandert wanneer op zekere dag de branie Joe Speedboot (Tobias Kersloot) in het dorp verschijnt. Een energieke jongen, complete tegenpool van Fransje, gek van motoren en snelheid, die zijn grote dromen najaagt en bezig gaat met het bouwen van een eigen vliegtuig en later bedenkt dat een shovel misschien ook erg van nut kan zijn. Er is gelijk een goede chemie met Fransje die in het roekeloze avonturisme van Joe herkent dat ook hij misschien ongedachte dromen kan verwezenlijken.

Armworstelaar
Joe is de ontdekker van Fransje als armworstelaar. Op de kermis blijkt hij met zijn door de briketten tot Popeye-achtige omvang opgezwollen biceps met het grootste gemak alle tegenstanders de arm op tafel te kunnen drukken. Onder leiding van Joe en een geheel Lomarks begeleidingsteam van vrienden en assistenten gaan ze alle kermissen in binnen- en buurlanden af en komen uiteindelijk in de finale van het ‘Championnat d’Europe de bras de fer’.

Das Ungeheuer, het monster, is Fransjes bijnaam in het circuit. Zijn tegenstander is de regerende kampioen Mansur, een nogal geblokt type, kale schedel, brede schouders, donkerder dan Mohammed Ali.  Een donkere rokerige gymzaal in Poznan, met tafels vol bierglazen en waar je met forse bedragen kunt gokken op de uitslag. Flyers en affiches van eerdere wedstrijden, een publiek van getatoeëerde spierbundels en een opkomst van de matadoren zoals je die tegenwoordig bij de kickboksgala’s van Nico Verhoeven ziet. De afloop betekent een omslagpunt in de verhouding tussen Fransje en Joe.

Mooiste meisje van de klas
En dan is er de intrige rond Picolien Jane, ofwel PJ, het ‘mooiste meisje van de klas’ van Lomark, waar alle jongens en zeker ook Fransje heimelijk verliefd op zijn. Ook zij is in eerste instantie een buitenstaander als ze vanuit Zuid-Afrika in het dorp arriveert. Ze is wat mysterieus, zowel aantrekkelijk als afstotend. Ze speelt een eigenzinnige rol op het examenfeest van de middelbare school, het moment dat het einde van de jeugd en voor de meesten het begin van het volwassen leven buiten Lomark markeert.

Joe Speedboot

Samen met klasgenoot Christof zingt ze het melancholische duet Wêr Bisto van Twarres, zo goed passend bij de nostalgie naar de jaren negentig. Voor Fransje is dat wat pijnlijk in het besef dat hij fysiek niet in staat is om met haar te praten en te zingen. Fransjes liefde kan niet anders dan platonisch zijn, PJ is zijn grote muze. Voor Joe Speedboot is ze daarentegen een goede partner in crime en gaat volop mee met zijn avontuurlijke fratsen. Wanneer Joe en PJ hun verloving aankondigen is dat voor Fransje extra pijnlijk. Hij heeft PJ altijd op een voetstuk geplaatst en voelt zich nu verraden door zijn beste vriend.

Rolstoel
In het boek is de meeste tijd Fransje aan het woord die zijn leven en de verwikkelingen met Joe Speedboot beschrijft. Het is een sterke vondst om PJ (goede rol van QiQi van Boheemen) in de film de rol van voice-over te geven, voorlezend uit de dagboekjes waarin Fransje Joe’s leven heeft opgetekend. Dat geeft haar meer reliëf dan het meisje dat alleen maar mooi staat te wezen.

Geen geschiktere acteur voor de rol van Fransje Hermans dan Daan Buringa, de eerste student aan de toneelacademie die in een rolstoel afstudeerde. Behalve zijn leeftijd en provinciale afkomst heeft hij met Fransje ook gemeen dat hij bij een partijtje armworstelen zijn onderarm brak. Daan Buringa liep toen hij in zijn jeugd vanwege een zeldzame erfelijke aandoening aan zijn ruggengraat geopereerd moest worden een dwarslaesie op. Zijn ziekte is progressief en een van de gevolgen kan zijn dat hij langzaam maar zeker zijn stem zal verliezen. Toen hij zijn lot eenmaal aanvaardde, bedacht hij dat hij zo lang hij maar heeft  alleen nog maar wilde schitteren op het toneel en in films. Dat is het met zijn eerste grote filmrol in Joe Speedboot alvast behoorlijk gelukt.

 

11 maart  2026

 

 

ALLE RECENSIES

Sound of Falling

*****
recensie Sound of Falling
Echo van een eeuw

door Bert Potvliege

Er huist zodanig veel cinema in Sound of Falling dat de film uit zijn voegen dreigt te barsten. Cineaste Mascha Schilinski levert met haar tweede langspeler een verpletterende film – een uitdaging én een loutering, voor zij die zich openstellen. De film moest het stellen met een gedeelde Juryprijs in Cannes (samen met het uitstekende Sirât), wat een gemiste kans lijkt. Het zou een ontzettend mooie en terechte Gouden Palm geweest zijn.

In de beginjaren van de 20ste eeuw jaagt een speelse keukenhulp op enkele plagende kinderen, tot ze verdwijnen in het niets. In de jaren 1940 likt een jonge vrouw een druppel zweet uit de navel van een man met geamputeerd been. Het keukenschort van een ouder wordende huisvrouw – haar jeugd diep begraven in de blik – toont haar plaats in het bestaan van de jaren 1980. Decennia later delen twee tienermeisjes AirPods terwijl ze bij de beek naar muziek luisteren.

Dit zijn de verhalen van Anna, Erika, Angelika en Lenka – verspreid over een honderdtal jaren, verbonden door de Duitse boerderij waar dit alles zich afspeelt. Deze vrouwen staren het leven in de ogen. Ze hunkeren naar een verlossing. De dood is altijd vlakbij.

Sound of Falling

Mistige flarden
Sfeer staat centraal in Sound of Falling, vertaald in beelden die spreken over het potentieel van poëzie in cinema – een geconcentreerde, ritmische en uiteraard verbeeldende manier om gevoelens, gedachten of ervaringen uit te drukken. Schilinski gebruikt haar camera als de blik van een onzichtbare observator, een door de tijd glijdende geest, voor eeuwig gebonden aan die boerderij. Weemoed en nostalgie zijn de kenmerken van die schim.

Cinematograaf Fabian Gamper (echtgenoot van de cineaste) merkte op dat de visuele stijl het gevoel van een wazige herinnering wou oproepen. Onscherpe beelden, vage randen, tonale nevel, een camera in vrijelijke en ongemotiveerde bewegingen – de beeldenpracht is van wereldschokkende schoonheid.

Er is een link met het werk van Terrence Malick (The Thin Red Line, The Tree of Life), in de zin dat beide filmmakers de camera benaderen als een op zichzelf staande figuur, in observatie van alle andere personages. Bij Malick ligt de nadruk op de goddelijke blik van de camera: zalvend, ongenaakbaar en in een vitale relatie met dat wat zich voor de camera afspeelt. Vervang het sublieme door het nostalgische, en je hebt een idee van Schilinski’s esthetiek.

Een camera glijdt langzaam over een zandbank, naar een moeder die ligt te zonnebaden bij de beek – een zomerse luiheid, een welgekomen ontkoppeling van al wat moet. Langzaam schuifelend langs haar huid beweegt het beeld terug verder, naar iets verderop bij het water en haar kinderen in de buurt. Geen boodschap, geen opbouw, geen betekenistoekenning, enkel het stralende zijn. Het brak ons in twee, maar vraag niet waarom. Het antwoord hebben we niet.

De onverklaarbare vlammen
De nadruk bij film ligt doorgaans op de dramaturgische laag, waarbij plot en personages de essentie zijn. De intentie van een werk schuilt in die laag en een publiek wil dit ontcijferen; die drang te willen begrijpen zit ingebakken in onze kunstbeleving. Maar sommige filmmakers wijken af van dit pad en dagen de kijker uit, op manieren die niet noodzakelijk aangenaam zijn. Een onduidelijke intentie ontneemt het publiek kansen op enige houvast. Sound of Falling is hier radicaal in, en lijkt gemaakt om niet te doorgronden.

Schilinski nodigt je uit voor een ervaring, als een lied bij het kampvuur dat een moment van introspectie in het leven roept. Beleef! Meer wordt niet van je verwacht.

De thema’s van het werk identificeren lukt (de impact van het verleden op het heden, de kwetsbaarheid van opgroeien, seksualiteit en vrouwelijkheid, de rol van de dood), maar veel sterker voel je Schilinski’s aandacht verschuiven naar andere en meer mysterieuze zaken, naar onderstromen. De film is hierdoor geen evidente zit. Een kijker moet zich al bewust zijn van de geplogenheden van filmtaal en narratieve structuren om te kunnen waarderen dat een cineast het creatieve recht heeft ervan weg te sturen. Cinema is zoveel meer dan een verhaal vertellen.

Sound of Falling

Zij die naar films kijken om op hun wenken bediend te worden met een goed verteld verhaal, komen hier bedrogen uit. De afwezigheid van richtlijnen en ankerpunten zal sommigen woedend maken. Vele verzuchtingen en beschuldigingen van een zinloze saaiheid zijn het gevolg. Een speelduur van 150 minuten helpt niet. Schrik niet als sommigen halfweg de film de bioscoopzaal verlaten.

Liefde is een bliksemschicht
Zelden kon je zo verliefd worden op dat wat zich niet laat kennen. Maar is dat niet net de schoonheid van een coup de foudre – overdonderde adoratie voelen maar niet begrijpen. Tegen elke prijs willen ontcijferen, kan de beleving van een werk kapotmaken. Beschouw Sound of Falling gerust als een invitatie voor onverklaarbare schoonheid.

We willen het waarom niet weten. Laat het eenvoudigweg zijn. Met de overdondering die op dat loslaten volgt, toont Schilinski de ware kracht van cinema.

 

4 maart 2026

 

 

ALLE RECENSIES

The Wizard of the Kremlin

***
recensie The Wizard of the Kremlin
Cynische mediamanipulator in vlakke politieke thriller

door Jochum de Graaf

‘Als de Tsaar eenmaal het besluit had genomen, heb ik er alles aan gedaan om het te laten slagen. Hoewel ik het vaak niet met hem eens was, deed ik het toch, uit gewoonte, uit trots, en gewoon omdat ik het kon.’ Vadim Baranov (Paul Dano) kijkt aan het eind van de film terug op zijn carrière in de schaduw van Vladimir Poetin.

Baranov is de ‘Wizard van het Kremlin’ uit het boek Le mage du Kremlin van Giuliano da Empoli, een fictief en geromantiseerd verhaal gebaseerd op Vladislav Soerkov, de man die Vladimir Poetin groot maakte. Soerkov is de grondlegger van het concept van de ‘soevereine democratie’: een doctrine, die, met een sterk beroep op de Russisch-orthodoxe kerk en een teruggrijpen op het groot-Russische tsarenrijk van de 19e eeuw, een autoritair Russisch model ontwikkelde als tegenwicht tegen wat hij zag als decadente westerse democratische normen en waarden.

The Wizard of the Kremlin

Duistere kracht
Hij was, met een achtergrond als toneelregisseur en tv-producent, betrokken bij de zoektocht naar een opvolger voor Jeltsin, die uitkwam bij FSB-baas (opvolger van KGB) Poetin. Hij ontwikkelde het Kremlin-beleid ten aanzien van Oekraïne en de afvallige regio’s in de Donbas en was de drijvende kracht achter de annexatie van de Krim. Na de coronatijd werd hij ontslagen en leeft sindsdien onder de radar.

Soerkov had als bijnaam de ‘grijze kardinaal’ van het Kremlin, en ook wel ‘de puppet master’, de poppenspeler die aan vele touwtjes trekt. De ‘wizard’, de tovenaar of de ‘Kremlinfluisteraar’ – het klinkt wat mysterieus, niet per se negatief. En het ligt voor de hand om in de Russische verhoudingen te spreken over een nieuwe Raspoetin, de duistere kracht achter de echte Poetin, maar voor de Vadim Baranov in The Wizard of the Kremlin, zijn deze bijnamen toch iets te veel eer. Hij is eerst en vooral een cynische mediamanipulator, een fixer achter de schermen die zonder scrupules menig vuil werkje voor zijn baas opknapt.

Hoe het Poetinsysteem gestalte kreeg
Wanneer je de recente geschiedenis van Rusland en de opkomst van Poetin een beetje gevolgd hebt, zul je weinig nieuws ontdekken. De film neemt je mee in de neergang van de zieke president Boris Jeltsin in de jaren negentig en de gelijktijdige opkomst van de oligarchen die in FSB-chef Vladimir Poetin de man zien die hun macht en rijkdom kan veiligstellen.

Eenmaal aan de macht ontketent hij de Tweede Tsjetsjeense Oorlog, ontwikkelt hij zijn keiharde meedogenloosheid bij de ondergang van de Koersk-onderzeeër, schakelt zijn kingmaker oligarch Berezovsky uit, zet zijn grote tegenstrever oligarch Chodorovski op een zijspoor, poetst zijn imago op met de Olympische Winterspelen in subtropisch Sotsji, versterkt het Russische nationalisme inclusief de renaissance van de Stalinverheerlijking en ontwikkelt een sterke haat tegen Oekraïne, met de  interventie in de Majdan-revolutie, het binnenvallen van de Donbas en de annexatie van de Krim.

We zien ook hoe Baranov een conglomeraat van tegenstrijdige en excentrieke stromingen –  van ultraorthodoxe gelovigen en extremistische motorbendes tot een ‘Nationaal-Bolsjewistische Partij’ onder leiding van het literaire icoon Eduard Limonov – manipuleert tot een soort ‘officiële oppositie’, bedoeld om het Poetinregime van een democratische façade te voorzien. Hij ontwikkelt ook Ruslands cyberstrategie en het concept van hybride oorlogvoering, met sabotage- en ontwrichtingsacties die tot doel hebben permanente chaos en verwarring te zaaien in het Westen. Samen met nota bene Wagner-leider Jevgeni Prigozjin, die dan nog vooral bekendstaat als Poetins ‘chef-kok’, brengt Baranov een bezoek aan een ‘trollenfabriek’ in Sint-Petersburg.

Zo op een rijtje geeft The Wizard of the Kremlin een huiveringwekkend beeld hoe het Poetinsysteem gestalte kreeg: met zijn hedendaags populisme, de minachting voor de objectieve waarheid en de uitholling van de democratie en rechtsstaat.

The Wizard of the Kremlin

Veel blijft buiten beschouwing
De vergelijking met The Apprentice dringt zich op, met een glansrol voor Jeremy Strong als de roemruchte advocaat Roy Cohn die Trump de levenslessen van de immoraliteit bijbracht. Hoewel beide films de werking van de autocratie blootleggen is The Wizard of the Kremlin een stuk minder indringend. Dat heeft er deels mee te maken dat regisseur Olivier Assayas (Carlos, Wasp Network) noodgedwongen voor een compleet Engelstalige cast heeft gekozen wat de authenticiteit niet ten goede komt.

Daar komt bij dat Paul Dano (There Will be Blood) de rol van Baranov nogal matig invult, met een eentonige neuzelende stem waarmee hij ook nog eens in de veelvuldige voice-over alle gebeurtenissen en verwikkelingen becommentarieert. Het levert een nogal vlakke politieke thriller met een pathetisch einde op.

Jude Law (The Talented Mr. Ripley, Cold Mountain) als de ‘Tsaar’ is daarentegen wel sterk. Hoewel hij fysiek niet op hem lijkt, heeft hij heel goed de mimiek van gluipkop Poetin bestudeerd, de dunne glimlach, het parmantige loopje, de korte handdruk met de al bij voorbaat geïntimideerde bezoeker, het afgemeten gebaar naar de stoel waar ze moeten gaan zitten.

In tegenstelling tot de Trump uit The Apprentice krijgen we helaas geen diepgaande verkenning van de persoonlijkheid van Poetin: hoe hij van relatief onbekende spionagechef uitgroeide tot de machtswellusteling en gezochte oorlogsmisdadiger. Het brute, meedogenloze optreden in Tsjetsjenië, in Syrië, in Oekraïne, het uitschakelen en vermoorden van tegenstanders, het blijft buiten beschouwing.

En ook de toch wel sterke aanwijzingen dat Trump bij de Russen in de zak zit, de oligarchen die zijn zakenimperium in de jaren negentig van de ondergang hebben gered, de Russische beïnvloeding van de Amerikaanse presidentsverkiezingen te zijner gunste, het komt niet aan de orde. Wat zou daar zou een interessante film over gemaakt kunnen worden.

 

25 februari 2026

 

ALLE RECENSIES

L’Étranger en het absurde bestaan

L’Étranger en het absurde bestaan
Man zonder voornaam stuit op ‘Arabier’

door Paul Rübsaam

Een jongensachtige Meursault is even wennen voor de ouderen onder ons die Albert Camus’ wereldberoemde roman over die vreemde man (een mán toch en geen jongen?) al lazen op de middelbare school. Toch weet François Ozons mysterieuze zwart-witfilm L’Étranger dat gelijknamige boek uit 1942 effectiever te herladen dan Luchino Visconti’s Lo Straniero uit 1967, met de toen al middelbare Marcello Mastroianni in de hoofdrol.

De film en niet het boek bespreken valt nog niet mee als het gaat om een adaptatie van de roman L’Étranger (De Vreemdeling) van Albert Camus. Want voor velen die (zoals ik) pakweg geboren zijn tussen 1955 en 1970 gold de in 1960 op 46-jarige leeftijd verongelukte existentialistisch-absurdistische Franse schrijver zo’n beetje als een cultheld. Als een soort James Dean voor boekenwurmen.

L'Étranger en het absurde bestaan

Een stille mooie jongen?
Om toch te voorkomen dat dit al te veel een boekrecensie wordt, zal ik proberen de uitweg te bewandelen van een vergelijking van de nu in de bioscopen verschijnende film L’Étranger van de Franse regisseur François Ozon met een eerdere verfilming van Camus’ roman: Lo Straniero van Luchino Visconti uit 1967.

Maar eerst toch even naar dat boek van Camus en een belangrijke reden waarom dat bij pubers zo aansloeg. Volgens mij had dat te maken met de ondoorgrondelijkheid en onbewogenheid van de hoofdpersoon in combinatie met de ik-vorm waarin de roman geschreven was. Meursault vond niets en voelde niets, pleegde een moord (leek het) en was ondertussen steeds zelf aan het woord. Op een ondefinieerbare manier was dat heel spannend.

De gehele eerste helft van zijn film echter trekt Ozon zich anders dan Visconti, die Mastroianni regelmatig voice-overs liet inspreken, niets aan van die ik-vorm van de roman. Terwijl de onbewogenheid van zijn erg jonge Meursault (Benjamin Voisin) ondertussen naar het apathische neigt. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat deze persoon in staat zou zijn om als waardig Camus-personage een gloedvol betoog te houden. Nadat hij onaangedaan getuige is geweest van zijn moeders begrafenis rolt hij niettemin amper boe of ba zeggend als vanzelf in de armen van de verleidelijke Marie (Rebecca Marder). Omdat hij knap is om te zien, laat zich dat nog wel enigszins verklaren. Maar was onze Meursault dan niet meer dan een stille mooie jongen?

Verblindend licht en duisternis 
Hoe het ook zij, Ozon slaagt er ondanks de twijfels die je als ooit jeugdige lezer van de roman aanvankelijk bekruipen gaandeweg steeds beter in om het boek op zijn eigen manier voor je te heropenen. Dat doet hij met zijn keuze voor filmen in zwart-wit, waarmee hij naar eigen zeggen de ambiance wilde herscheppen van Algiers in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen veel mensen daar witte of juist uitgesproken donkere kleding droegen. Ook los daarvan vormen in zwart-wit het licht van de felle zon op de schijnbaar paradijselijke stranden nabij de Algerijnse hoofdstad en de donkere tinten die de representanten kunnen zijn van het verbijsterende lot dat de hoofdpersoon wacht een passend, bijna abstract decor.

Bij nader inzien is zelfs welhaast groteske ondoordringbaarheid van Ozons Meursault niet geheel misplaatst bij iemand die evenals de hoofdpersoon in het boek geen voornaam lijkt te hebben. Anders dan de door Mastroianni vertolkte veel te levendige, bijna gezellige Arturo Meursault in Lo Straniero wordt de protagonist van l’Étranger immers consequent eenvoudigweg Meursault genoemd, alsof hij het vleesgeworden naambordje is naast zijn deurbel.

Juist die gebondenheid van dit op het gedepersonaliseerde af neutrale wezen aan zijn woning, die hij uiteindelijk zal moeten inruilen voor een gevangeniscel, is medebepalend voor de opbouw van het verhaal. Belangrijke bijrollen zijn namelijk weggelegd voor zijn buren. Zoals de oude, mopperende Salamano, die een haat-liefdesrelatie heeft met zijn schurftige hond en vooral Raymond Sintès (Pierre Lottin), een souteneur die zich uitgeeft voor magazijnbeheerder in een fabriek en de onverschillige Meursault voor zijn karretje weet te spannen.

Dissonant
Het kan de hoofdpersoon namelijk weinig schelen dat de louche, maar joviale Sintès een onduidelijke relatie heeft met een vrouw, die hij klaarblijkelijk mishandelt. Hij vindt het best om in naam van zijn buurman aan haar een brief te schrijven en een verklaring af te leggen op het politiebureau.

L'Étranger en het absurde bestaan

Tevreden nodigt Sintès zijn nieuwe ‘maatje’ Meursault en diens vriendin Marie vervolgens uit in het strandhuisje van zijn vriend Massin, waar het jonge stel zich de geneugten van zon, zee en strand niet laat ontzeggen. Een zich al eerder aankondigende dissonant begint zich echter steeds scherper af te tekenen. Een groepje Arabieren, waaronder de broer van de door Sintès mishandelde Djemilla blijkt de Franse badgasten naar het strand gevolgd te zijn. Sintès deelt zijn orders uit aan Massin en Meursault, voor als het tot een afrekening mocht komen. Het mes van de broer van Djemilla, het zonlicht dat daarin reflecteert en een revolver die Sintès bij Meursault in bewaring heeft gegeven, zullen uiteindelijk het lot bepalen van Djemilla’s broer en dat van Meursault zelf.

Mysterie
Niet alle handelingen van Meursault die tot zijn uiteindelijke gevangenneming leiden zijn helemaal begrijpelijk. De verklaring voor dat door Ozon terecht in stand gehouden mysterieuze aspect in de roman is vermoedelijk dat het strafproces tegen Meursault niet meer dan een door Camus gekozen constructie was. Als Meursault naar het oordeel van de lezer (of kijker) te schuldig of onschuldig is (dat laatste bijvoorbeeld omdat hij zich onmiskenbaar kan beroepen op zelfverdediging of een tijdelijke psychose), zou een te klassiek rechtbankdrama ontstaan in plaats van het beoogde verhaal over een man die zich tegenover de samenleving verantwoorden moet voor zijn algehele levenshouding.

Toch vult de film L’Étranger de 84 jaar oude roman hier en daar aan. In zowel boek als film gaat het tijdens het proces nauwelijks om Meursaults vermeende misdrijf, maar hoofdzakelijk om zijn gedrag tijdens zijn moeders begrafenis. Nog minder aandacht is er echter voor de slechts als ‘De Arabier’ aangeduide persoon van het slachtoffer van het misdrijf. Ozon geef die broer van Djemilla in navolging van de Algerijnse schrijver Kamel Daoud een naam (Moussa Hamdani) en kent zijn rouwende zuster een iets prominentere bijrol toe. Enigszins tegendraads en nog los van de vereisten van de 21ste-eeuwse politieke correctheid weet de Franse regisseur hiermee de aandacht te vestigen op de fascinerende, maar ook eigenaardige kaalheid van het boek.

Ook actrice Rebecca Marder weet dat te doen door Meursaults geliefde Marie meer tot leven te brengen. Anders dan Anna Karina die in Visconti’s Lo Straniero maar wat heen fladdert om vrolijke Frans Arturo Meursault met zijn diepzinnige voice-overs weet Marder ons deelgenoot te maken van Marie’s toch niet alleen fysieke belangstelling voor die ondoorgrondelijke jongeman Meursault, die uiteindelijk in de meest uitzichtloze situatie de onverbiddelijke absurditeit van het bestaan zal omarmen.

 

24 februari 2026

 


ALLE ESSAYS

Sirât

****
recensie Sirât
Zanderige Danse Macabre

door Bert Potvliege

Sirât, de nieuwe film van de getalenteerde Frans/Spaanse cineast Oliver Laxe, legt een boeiende weg af. Deze spirituele roadmovie focust zich op een intrigerende plot, maar werpt gaandeweg narratieve vertakkingen als een ballast van zich af. Zo ontstaat een zinnenprikkelende ervaring. 

Laxe spreekt tot de verbeelding. De veertiger oogt als een gestileerde sjamaan, en doet zo vermoeden dat hij ooit deel uitmaakte van de ravers zoals die aan bod komen in zijn film. Er huist een boeiende stem in de nog pril ogende man, die met Sirât bewijst in het juiste medium te werken.

Sirât

In Mimosas (2016) behandelde Laxe de woestijn als een spirituele ruimte die zijn personages test. In Sirât gebruikt hij deze setting nogmaals, om verder onderzoek uit te voeren naar ons omgaan met de dood. Dit doet hij niet belerend, maar wel door een voedingsbodem te creëren die de kijker toelaat in dialoog te gaan met zichzelf. Zo doet Sirât wat goede kunst zou moeten doen: vragen stellen.

De film legde sinds zijn première op het Festival van Cannes een mooi parcours af. Hij won er de Juryprijs (gedeeld met het binnenkort te verschijnen Sound of Falling). De film kende een aantal succesvolle maanden in de bioscopen (in Nederland verschijnt deze vrij laat). De fans zijn van de rabiate soort – popster Charli XCX heeft de prent geprezen. En ook twee Oscarnominaties vielen de film te beurt.

Hunkeren op de dansvloer
Vader Luis (de uitstekende Spaanse acteur Sergi López: Pan’s Labyrinth en Lazzaro Felice) loopt uit de toon bij de ravegemeenschap in de Marokkaanse woestijn. Hij is op zoek naar zijn verdwenen dochter, die zou deelnemen aan een van de dansfeesten in de buurt. Algauw moet hij rekenen op enkele feestvierders, die hem kunnen helpen haar terug te vinden. Luis blijft hoopvol, terwijl de ravers het hunne denken van de wat pafferige man die tegengesteld lijkt aan hun rebelse bestaan. Samen trekken ze de woestijn in.

Wat zich aanvankelijk presenteert als het verhaal van een vader op zoek naar zijn dochter, evolueert naar een metaforische droomstaat, waarin het vinden van die verdwenen persoon haar relevantie lijkt te verliezen. De dood komt in de plaats. Laxe’s verbeelding van ons omgaan met het heengaan zalft en schokt evenzeer. De woestijnsetting is als ‘sirât’ – een Arabische term voor de brug over de hel, dunner als een haar en scherper als een zwaard. Laat het aan de film om je mee te slepen naar deze beproeving. Wat je daar krijgt, benadert dat waar de ravers naar hunkeren op de dansvloer: een transcendente ervaring.

Er is een groot verwantschap met het vijftien jaar oude Altiplano van Peter Brosens & Jessica Woodworth. Beide films benutten een natuurlijke setting als een spirituele metafoor – bij Altiplano gaat het over teloorgang en rouw; bij Sirât gaat het over het landschap als een mystieke arena die je uitdaagt. Beide films positioneren initieel een plot, waarbij geleidelijk aan duidelijk gemaakt wordt dat wat voorbij de plot schuilt van groter belang is: hoe verder in de film, hoe meer alles op losse schroeven komt te staan. Dramaturgie verhuist naar de achterbank; het sensorische neemt plaats aan het stuur. Beide films zijn woordeloos in hun laatste ogenblikken. En beide steunen hard op muziek om hun doel te bereiken.

Sirât

Onmacht als een donsdeken
Ga kijken op het grote scherm. Niet noodzakelijk omdat je de beelden zo groot mogelijk moet zien, of omdat je dit moet delen met vreemden. Rep je naar de bioscoop voor de intense cocon die de ravemuziek tot leven roept, want zelden waren muziek en intentie zo intrinsiek verweven als hier (een van de Oscarnominaties is voor beste klank – terecht).

De omgeving neemt stelselmatig een groter thematisch belang in, tot enkel ontzag overblijft. Het decor overtroeft de plot – de machteloosheid van de personages tegenover de elementen bepaalt de connectie met de schepping. Alle intenties, alle doelen, alle vragen die een antwoord verdienen, worden ondergesneeuwd door de weerloosheid waarin dit landschap je onderdompelt. Een uitgetelde Luis kan enkel lusteloos neerzijgen op de droge woestijngrond terwijl de zanderige wind uit alle richtingen lijkt te blazen.

Wij hebben ons te buigen naar de grillen van de natuurlijke wereld, net zoals we ons moeten neerleggen bij de onvermijdelijke dood. Sirât spreekt over de existentiële onmacht die dit tot leven roept. Laxe lijkt te zeggen dat een overgave er de juiste benadering van is. Vrede sluiten met die onafwendbaarheid leidt tot spirituele bevrijding.

Het doet denken aan de houding van acteur Harry Dean Stanton in de laatste film voor zijn dood, Lucky: je kan enkel lachen wanneer je de dood in het gezicht kijkt.

 

17 februari 2026

 

ALLE RECENSIES

The Secret Agent

****
recensie The Secret Agent
Meesterlijke magisch realistische thriller

door Jochum de Graaf

Met prijzen in Cannes en twee Golden Globes op zak is het meesterlijke The Secret Agent in maart een grote kanshebber voor een of meer Oscars. Regisseur Kleber Mendonça Filho maakte met acteur Wagner Moura een magisch realistische spionagethriller over Brazilië onder de militaire dictatuur van de jaren zeventig.

De geweldige openingsscène zet de toon. Once upon a time in Brazil, een bloedhete dag op het stoffige Braziliaanse platteland, komt een knalgele VW Kever aanrijden bij een vervallen tankstation. Een man die we leren kennen als Marcelo stapt uit, kijkt rond en ontwaart onder een wapperend karton een lijk, een zwerm vliegen erboven, agressieve straathonden die het dode lichaam willen aanvallen.

De dikbuikige pompeigenaar vertelt hem dat het om een doodgeschoten overvaller gaat en dat hij nu al dagenlang op de politie wacht. Wanneer die na een tijdje het terrein opdraait, hebben de agenten geen enkele interesse in de plaats delict. Nee, ze onderwerpen Marcelo aan een uitgebreid onderzoek: zijn zijn identiteitspapieren in orde, heeft de verplichte brandblusser in de auto nog wel een geldige vergunning? Als ze met de grondige inspectie klaar zijn, krijgt Marcelo het verzoek om een donatie te doen aan het carnavalsfonds van de politie, wat hij met een pakje sigaretten weet af te kopen.

The Secret Agent

Militaire dictatuur
Het is 1977, de hoogtijdagen van de militaire dictatuur. De goed bekend staande linkse docent en wetenschappelijk onderzoeker Armando, zoals hij werkelijk heet, is op de vlucht.

Armando (steracteur Wagner Moura, weergaloos als Pablo Escobar in de serie Narcos en een Gouden Beer voor zijn rol in Tropa de Elite, 2007) arriveert met zijn gele VW Kever in de noordelijke havenstad Recife, tijdens het carnaval.

Hij neemt zijn intrek in een appartementencomplex bij de bejaarde Dona Sebastiana, een klein, vogelachtig vrouwtje met een door drank en nicotine aangetaste raspende stem die Armando af en toe van een geheime opdracht voorziet. Zij is ook het aanspreekpunt voor een handjevol andere politieke vluchtelingen in het gebouw, een levendige ontmoetingsplaats van voor hen benarde tijden.

Weduwnaar Armando hoopt het land te kunnen ontvluchten met zijn zoontje Fernando dat bij zijn schoonouders in de stad woont. Opa en schoonvader Seu Alexandre is filmoperateur in de iconische Cinema São Luiz in de wijk Boa Vista. Armando heeft een vals paspoort nodig en gaat bij het Instituut voor Identificatie werken.

Wraakzuchtige industrieel
Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat hij met een wraakzuchtige industrieel van doen heeft, zeer verbonden met het militaire regime. Een aantal jaren geleden kregen ze een hoog oplopend conflict over het eigendom op patenten dat deze Ghirotto zich uit naam van het regime wil toe-eigenen. Armando klaagt hem aan wegens corruptie, maar de invloed en macht van Ghirotto dwingt hem op de vlucht te slaan. Het conflict loopt zo hoog op dat Ghirotto hem definitief wil uitschakelen en een paar gangsters inhuurt om hem op te sporen en te liquideren. In de straten van Recife komt het tot een spannende apotheose.

Die intrige met achtervolging, moord en doodslag kan leiden tot een donker en somber verhaal. Maar regisseur Kleber Mendonça Filho (vorige speelfilm Bacurau, juryprijs Cannes 2019) grijpt met allerlei droogkomische voorvallen, absurdistische taferelen, mysterieuze personages en bijzondere zijverhaallijnen de gelegenheid aan om de magisch realistische werkelijkheid van het Brazilië in de jaren zeventig te laten zien. En zijn liefde voor de filmkunst ten toon te spreiden.

De zolder van São Luiz met het archief van de bioscoop is de geheime ontmoetingsplaats voor de politieke ballingen. We zien filmposters van Le Magnifique met Jean Paul Belmondo en Pasquolino Settebellezze van Lina Wertmüller aan de muur. De bioscoop vertoont films als Jaws en The Omen. We horen de huiveringwekkende reacties uit de zaal. 

The Secret Agent

Het afgesneden been
Jaws
speelt een bijzondere rol. De jonge Fernando is sinds hij de filmposter in de krant gezien heeft een enorme fan, hij tekent alleen nog maar haaien. We hebben dan al de hallucinante scène in een mortuarium gezien: uit de opengesneden buik van een haai verschijnt eerst een voet en later een compleet afgesneden menselijk been. Dat is geen vreemde gebeurtenis omdat tijdens de dictatuur met regelmaat lijken van politieke tegenstanders in het water worden gegooid. Om het onderzoek van wie dit ‘harige been’ is te frustreren, wordt dat uit het mortuarium gestolen en terug in de rivier gedumpt.

Het been gaat vervolgens een nieuw eigen leven lijden, komt stuiterend aan wal, valt mensen aan en maakt de nodige slachtoffers, waaronder homo’s in het park, waar avond aan avond seksorgies plaatsvinden. Althans dat is wat een lokale journalist in een serie krantenberichten publiceert en enorme ophef in Recife veroorzaakt. Hij doet het later af als broodje aapverhalen, maar het is een geniale greep om buiten de militaire censuur om allerlei misstanden aan de kaak te stellen.

De manier waarop de gangsters en de huurmoordenaar onder het oogluikend toestaan van de corrupte politie hun gang kunnen gaan, werpt ook een bijzonder licht op de werking van de dictatuur.

Soundtrack
De sfeer en mentaliteit van die jaren wordt goed getroffen door de soundtrack met populaire Braziliaanse klassiekers als Samba no Arpège, Chicago’s If You Leave Me Now, Love to Love You Baby van Donna Summer en Ennio Morricone’s Guerra e pace, pollo e brace.

Die komen nog meer tot hun recht door het sublieme camerawerk en het gebruik van de in die tijd populaire Panavision-breedbeeldlens: dicht op de huid, beeldvullende gezichten, een individu op de voorgrond met op de achtergrond wriemelende mensenmassa’s in het verkeer. Alsof je er zelf bij was toen het in 1977 allemaal zo gebeurde.

 

11 februari 2026

 

ALLE RECENSIES