Father Mother Sister Brother

***
recensie Father Mother Sister Brother
Droge gesprekken, lange stiltes en een druppelende kraan

door Cor Oliemeulen

Wie van actie houdt, is bij Jim Jarmusch aan het verkeerde adres. De Amerikaanse filmmaker, die in 1984 doorbrak met Stranger Than Paradise, laat in zijn films veel aan de kijker over. Father Mother Sister Brother, winnaar van Gouden Leeuw in Venetië, bestaat uit drie losse verhalen. Samen vormen ze een beheerste, minimalistische blik op familierelaties.

Het eerste deel, Father, is het sterkst, vooral door het uitstekende spel en de onverwachte, hilarische apotheose. Het is een tijd geleden dat Jeff (Adam Driver) en zijn zus Emily (Mayim Bialik) op bezoek gaan bij hun vader, vertolkt door Tom Waits. Zoals altijd beweegt hij zich moeiteloos als een droog, eigenzinnig en licht absurdistisch personage in het universum van Jim Jarmusch.

Father Mother Sister Brother

Vader
Vader woont in een afgelegen gebied in New Jersey aan een meer. Hij verwelkomt zijn kinderen in een ongemakkelijke sfeer. Jeff heeft een doos met voedingsmiddelen meegebracht. Of ze iets willen drinken. Ai, vader heeft alleen water in huis, maar gelukkig vindt Emily thee in de keuken. Het huis is een zooitje: een verfrommeld kleed over de bank, boeken en spullen her en der. Korte, plichtmatige gesprekjes over werk, kinderen, gezondheid. Het zwijgen overheerst. Jee, is het al zo laat? Een voorzichtige omhelzing. Jeff stopt vader nog wat geld toe. Opluchting bij alle drie dat het bezoek voorbij is.

Moeder
Het tweede deel is opnieuw traag, minimalistisch en vol stiltes. De invloed van Jarmusch’ vriend en geestverwant Aki Kaurismäki (o.a. Fallen Leaves) is duidelijk voelbaar. Net als in Father zit de kracht in kleine momenten, subtiele interacties, droge humor en aandacht voor buitenstaanders. Zo iemand is Lilith (Vicky Krieps), een vrij onaangepast punktype, die door haar moeder (Charlotte Rampling) in Dublin is uitgenodigd voor een verplichte lunch. Even later arriveert haar stijve zus Timothea (Cate Blanchett) met een bos bloemen. Ook hier hebben moeder en dochters elkaar al een tijd niet gezien. Gezeten achter duur servies en kleine, luxe hapjes kan de kijker zich laven aan heerlijk nietszeggende conversaties en ongemakkelijke stiltes van drie topactrices.

Zus en broer
In de afsluiting van het drieluik over Jarmusch’ familierelaties maken we kennis met Billy (Luka Sabbat) en Skye (Indya Moore). In Sister Brother keert deze tweeling voor even terug naar het lege appartement in Parijs waar ze opgroeiden om met behulp van oude foto’s en documenten herinneringen op te halen aan hun jeugd en hun overleden ouders.

Ditmaal kiest Jarmusch voor een voortkabbelende stroom van gesprekjes zonder noemenswaardige gebeurtenissen. Waar Father langzaam opbouwt tot een verrassende finale en Mother een duidelijke stijl heeft, lijkt Sister Brother met zijn hyperrealisme stil te blijven staan. In zijn vroege film Stranger Than Paradise was die functionele eenvoud vernieuwend. De leegte voelde toen als iets nieuws en paste bij de tijdgeest. In Jarmusch’ latere films, zoals The Limits of Control, wordt die stijl radicaler. Daarin zitten nog wel mysterieuze en absurdistische momenten, maar voor veel kijkers ontbreekt ontwikkeling. Dat geldt ook voor het derde deel van Father Mother Sister Brother, waardoor het zich loswringt van de eerste twee delen en het geheel onevenwichtig maakt.

Father Mother Sister Brother

Liever geen afgebakend plot
Het is een bewuste keuze van een filmmaker die sfeer, observatie en stilte belangrijker vindt dan een afgebakend plot. Minimalisme is wars van een min of meer verplichte onthulling. In die zin staat Jim Jarmusch in lijn met regisseurs als Aki Kaurismäki, Robert Bresson en Yasujirō Ozu, die film zien als een reeks momenten en niet als een verhaal met een duidelijk einde.

In Father Mother Sister Brother leiden familiebanden niet tot een inzicht of een oplossing, maar blijven ze bestaan in al hun onvolledigheid en imperfectie. Jarmusch trekt zijn minimalistische benadering door in de muziek, die hij zelf mee vormgeeft. Direct na afloop klinkt een sobere uitvoering van Jackson Browne’s These Days, met de tekst “These days I seem to think a lot / About the things that I forgot to do for you…”

Die regels vatten perfect samen waar Father Mother Sister Brother uiteindelijk om draait: niet wat er gebeurt, maar wat achterwege blijft.

 

14 april 2026

 

ALLE RECENSIES

CinemAsia 2026 – Deel 2: Filmmakers met perspectief

CinemAsia 2026 – Deel 2:
Filmmakers met perspectief

door Cor Oliemeulen

Van de twaalf debuutfilms op CinemAsia 2026 bespreken we in deze bijdrage drie voorbeelden van filmmakers met perspectief. Een Taiwanese coming of age over huiselijk geweld, een MeToo-drama uit India en een Indonesische Gen Z-komedie.

 

Girl

Girl – Huiselijk geweld in Taiwan
De Taiwanese Shu Qi is in eigen land een graag geziene actrice die prestigieuze prijzen won. Bij ons is ze vooral bekend van haar ingetogen hoofdrol als huurmoordenaar in het zwaardvechtdrama The Assassin (2015) van Hou Hsiao-hsien. Met het deels autobiografische coming-of-age-drama Girl maakte Shu Qi haar verdienstelijke regiedebuut. In de film zie je invloeden van Hou Hsiao-hsiens trage, observerende stijl.

Girl speelt zich af in het Taiwan van de late jaren tachtig en volgt Hsiao-lee, een meisje dat opgroeit in een gewelddadig gezin. Haar vader is een alcoholist die haar moeder mishandelt, terwijl diezelfde moeder haar frustraties op haar dochter botviert. Alleen het jongste zusje lijkt aan de spanningen te ontsnappen. Gaandeweg wordt gesuggereerd dat ook Hsiao-lee slachtoffer van misbruik is, wat haar angstige gedrag en terugkerende nachtmerries verklaart.

Een kantelpunt in haar leven komt als ze bevriend raakt met haar nieuwe klasgenootje Li Li-li, een rebels meisje met haar eigen problemen, die Hsiao-lee laat kennismaken met nieuwe vrijheden: hippe kleren, make-up, sigaretten en drank. Hier lacht ze voor het eerst. Zowel in dit avontuurlijke escapisme als in de harde realiteit en in de korte dromerige scènes blijft titelvertolkster Bai Xiao-Ying geloofwaardig, gesteund door de beklemmende cinematografie, die als een verstikkende deken over de film heen ligt.

Ook stilistisch sluit de film aan bij de traditie van Hou Hsiao-hsien, met een sobere, observerende stijl en een elliptische vertelstructuur waarin sommige cruciale gebeurtenissen buiten beeld blijven. Maar waar Hou Hsiao-hsien vaak op afstand observeert, zit bij Shu Qi de camera dichter op de huid, waardoor de film minder als observatie en meer als innerlijke ervaring aanvoelt. Het huiselijke geweld wordt niet expliciet getoond, de emotionele impact staat centraal.

Kijk hier waar deze film draait.

 

Pinch

Pinch – MeToo in Indiase familie
Met Pinch maakt Uttera Singh een persoonlijk debuut: ze schreef, regisseerde en speelt zelf de hoofdrol. In 83 minuten schetst ze een ongemakkelijk portret van hoe een ogenschijnlijk “klein” incident – een betasting – binnen de hechte omgeving van een appartementencomplex zowel schaamte en stilte als roddel en tumult veroorzaakt.

Het begint allemaal als de vrolijke reisblogger Maitri (Uttera Singh) in de nachtbus op weg naar een tempelfeest wordt betast door haar oom. Hij is ook de huisbaas en een gerespecteerd man die “altijd voor iedereen klaarstaat”. Haar moeder sust: “Hij is er altijd voor ons geweest. Iedereen maakt zoiets mee. Gelukkig ben je niet verkracht.” De angst voor roddel en reputatieschade weegt zwaarder dan Maitri’s vervelende ervaring. Stilte is de norm.

Singh kiest niet voor een aanklacht tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar voor een klein drama dat een traumatisch voorval combineert met de absurde gevolgen. Met wrange, ongemakkelijke humor legt ze de focus op de reacties van mensen in de omgeving die de situatie bagatelliseren of ontwijken. Wanneer Maitri haar oom op een ‘gepaste’ manier confronteert met zijn daad en ontkenning, ontstaat er een kettingreactie die de verhoudingen binnen de gemeenschap verder op scherp zet.

De kracht van de film zit vooral in wat niet wordt gezegd: in stiltes, blikken en halve zinnen. Zo laat de film zien hoe een systeem niet alleen draait om een dader, maar ook uit de reacties eromheen. Al even kenmerkend is het gebruik van muzikale intermezzo’s die binnen de Indiase filmtraditie passen en het ritme en de emotie van de film sturen. In Pinch werken ze vooral als korte ademhalingen tussen de vlot gesneden scènes. Dat alles neemt niet weg dat Singhs filmdebuut behoedzaam blijft, waar een scherpere aanklacht meer impact had kunnen hebben.

Kijk hier waar deze film draait.

 

Better Off Dead

Better Off Dead – Angst om onzichtbaar te zijn
De titel en premisse van het Indonesische Better Off Dead doen in eerste instantie denken aan de gelijknamige Amerikaanse cultfilm uit 1985 waarin een depressieve jongen dood wil nadat hij door zijn vriendin is gedumpt. Omara Esteghlal, die in het filmdebuut van Kristo Immanuel een weinig geziene en gewaardeerde jongeman speelt, is geen John Cusack, maar probeert toch wat te maken van deze donkere komedie, die zich vooral richt op de huidige generatie tieners.

Hij speelt de rol van Gema, enig kind en een sociaal ongemakkelijke jongen die na de dood van zijn vader – een oplichter die allang uit beeld is verdwenen – plots warme aandacht van zijn collega’s krijgt. Het gevoel van al die lieve woordjes, troostende handen en armen probeert hij koste wat koste vast te houden. Nadat de aandacht is weggeëbd, moet Gema iets nieuws verzinnen: de dood van zijn kat. Dat werkt ook goed, maar de ontvangen warmte en liefde blijkt ook ditmaal van korte duur. Uiteindelijk vraagt hij zich af of hij niet beter zelf dood kan zijn.

Volgens regisseur Immanuel is zijn film een zwarte komedie over dood, eenzaamheid en menselijke verbinding. Die insteek voel je in bijna elke scène: de humor is niet vrijblijvend, maar wringt met onderliggende thema’s als isolatie, behoefte aan erkenning en sociale druk. Wie door de kolderieke situaties en snelle dialogen (ook met een foto van Gema als kind) heen kijkt, ziet een somber portret van een generatie die moeite heeft om verbinding te maken. Toch wint de oppervlakkigheid van de inhoud. Het hoge tempo en de vele (vaak melige) grappen bieden nauwelijks ruimte voor de emotionele kant van de personages. Wel leuk genoeg om met je vriendengroep te gaan kijken.

Kijk hier waar deze film draait.

 

9 april 2026

 

CinemAsia 2026 – Deel 1: Hoop versus pessimisme
CinemAsia 2026 – Deel 3: De beste film die je nooit zag

 


MEER FILMFESTIVAL

CinemAsia 2026 – Deel 1: Hoop versus pessimisme

CinemAsia 2026 – Deel 1:
Hoop versus pessimisme

door Cor Oliemeulen

Het poëtisch-spirituele Cambodjaanse drama Becoming Human opent de achttiende editie van CinemAsia, dat van 8 tot en met 12 april wordt gehouden op drie locaties in Amsterdam. Waar deze film laat voelen wat het betekent om mens te zijn, toont het pessimistische Thaise drama Human Resource hoe moeilijk het is om mens te blijven. 

 

Becoming Human

Becoming Human – Eenzame geest zonder doel
De teloorgang van een bioscoop in films roept de vraag op wat er overblijft als er alleen nog de herinnering aan beelden bestaat. Misschien wel het bekendste voorbeeld is Goodbye, Dragon Inn (2003). De Taiwanese filmmaker Ming-liang Tsai bracht met die film niet alleen een eerbetoon aan de cinema, maar benadrukte ook het thema van een verdwijnende cultuur en geschiedenis. Precies dat doet ook de Cambodjaanse regisseur Polen Ly in zijn speelfilmdebuut Becoming Human: een langzame, dromerige verkenning van traditie versus moderne tijd en van verlies versus hoop. Het gebruik van een geest als hoofdpersoon geeft het verhaal niet alleen een spirituele lading, maar maakt ook tastbaar hoe het verleden blijft doorwerken in het heden.

Het verhaal draait om Thida (Savorn Serak), een geest van bijna 50 jaar oud in een meisjeslichaam. Ze waakt over een oude, vervallen bioscoop die dreigt te worden gesloopt. Ook al ligt het dak half in puin en hangt het vergane filmdoek nog maar aan een kant vast, fungeert de bioscoop als een spirituele ruimte waarin herinneringen blijven rondwaren. Maar tegelijkertijd lijkt Thida zelf gevangen in deze plek: een eenzame geest zonder duidelijk doel, die slechts kan blijven bestaan zolang het verleden nog niet is verdwenen. Voor de sloop moet Thida beslissen: opnieuw mens worden, of geest blijven?

Ze maakt zich zichtbaar voor twintiger Hai (Piseth Chhun), een journalist die hier steeds terugkomt omdat de bioscoop ook voor hem een emotionele betekenis heeft. Waar Thida het verleden belichaamt, staat Hai nog midden in het leven. Beide zielen voelen een leegte en zoeken verbinding. Pratend over hun levens en over de trauma’s van de oorlog (eind jaren 70 zaaide de Rode Khmer van Pol Pot dood en verderf in Cambodja) krijgen Thida en Hai een hechte band. Tegenover hun herinneringen van weemoed en verlies staan de modernisering en verstedelijking van hun land.

Becoming Human is traag, meditatief en soms hypnotisch, in de geest van Ming-liang Tsai, maar ook sterk verwant aan het werk van de gelauwerde Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul (o.a. Memoria, 2021). In een mystieke atmosfeer leven geesten bijna vanzelfsprekend naast mensen, alsof het verleden nooit helemaal verdwijnt. Dit soort cinema moet je niet consumeren, maar ervaren.

Kijk hier waar deze film draait.

 

Human Resource

Human Resource – De mens als product
Net als Becoming Human stelt Human Resource existentiële vragen zonder antwoorden te geven. In dit Thaise drama van Nawapol Thamrongrattanarit is de vraag wat het betekent om geen geest, maar een mens te zijn. De film komt voort uit zijn eigen twijfel over ouderschap en de vraag of het verantwoord is om een kind in de huidige wereld te zetten. Tegelijkertijd wilde de regisseur graag de verstikkende realiteit van het moderne kantoorleven tonen.

Daarbij kiest hij voor de afstandelijke, moeilijk te doorgronden hoofdpersoon Fren (Prapamonton Eiamchan), zodat de kijker zelf verklaringen voor haar gedrag kan zoeken. Het trage tempo en de herhalingen zijn bewust gekozen: ze laten de eentonigheid van het werkende leven voelen. Tijdens de zoveelste scène waarin Fren met haar auto de wasserette inrijdt, wordt die betekenis duidelijk: niet alleen de auto moet worden gereinigd, maar ook haar mentale gesteldheid.

Fren werkt in een bedrijf dat beveiligingsproducten op de markt brengt. Hun jongste uitvinding is een steekvest voor de politie dat verrassend goed blijkt te werken. Het bedrijf zoekt een nieuwe medewerker en Fren is de aangewezen functionaris om sollicitatiegesprekken te houden. Het blijkt een hopeloze exercitie want bijna alle kandidaten hebben wensen en eisen die het bedrijf niet kan inwilligen. In deze wereld draait alles om succes, bijna niemand heeft de behoefte om ‘gemiddeld’ te zijn. Dat geldt ook voor de man van Fren.

Het verstikkende gevoel van Fren – die niet tegen haar man zegt dat ze zwanger is, omdat ze twijfelt of ze het kind wel op de wereld wil zetten – wordt versterkt door haar omgeving. Hartje Bangkok puilt uit van kantoorgebouwen, en ergens in het midden ligt een klein groen veldje met wat bomen. Tijdens pauzes nemen de werknemers hier plaats op een stoel en binnen mum van tijd is iedereen met zijn of haar telefoon bezig, zonder contact met elkaar te maken. En thuis horen we via radio en televisie flarden van zaken waar je ook niet vrolijk van wordt. Zo vertelt een stem over toegenomen percentages microplastic in voeding, met name in appels. Alsof hij het nieuws niet tot zich wil laten doordringen, grijpt Fren’s man een appel van de schaal en neemt een flinke hap.

Human Resource schetst een lege, kapitalistische wereld vol controle en sociale druk waarin geen plaats is voor emotionele expressie, twijfel en kwetsbaarheid. In Becoming Human leeft de mens met geesten van het verleden, terwijl in Human Resource de mens een geest in het systeem wordt. De mens als product. Een lichaam dat functioneert, maar nauwelijks nog voelt.

Kijk hier waar deze film draait.

 

6 april 2026

 

CinemAsia 2026 – Deel 2: Filmmakers met perspectief
CinemAsia 2026 – Deel 3: De beste film die je nooit zag

 


MEER FILMFESTIVAL

Movies that Matter 2026 – Deel 3: Vechten tegen de bierkaai?

Movies that Matter 2026 – Deel 3:
Vechten tegen de bierkaai?

door Cor Oliemeulen

Een jaarlijks terugkerend programmaonderdeel van het Movies that Matter Festival is Activisten. Vaak is hun motivatie onwrikbaar, maar hun lot onzeker. In deze bijdrage richten we de lens op activisten in Iran, Engeland en Kenia. In alle gevallen laveert hun strijd tussen ‘alle beetjes helpen’ en ‘een hopeloze zaak’. De kijker beslist. 

 

Cutting Through Rocks

Cutting Through Rocks – Vechten tegen tradities
Dat vrouwen in Iran onderdrukt worden, is inmiddels wel bekend. Daar kunnen bommen weinig aan veranderen. Die conclusie wordt bevestigd na het kijken van Cutting Through Rocks, dat was genomineerd voor een Oscar voor beste documentaire en afgelopen november de IDFA-publieksprijs won.

Actievoeren voor gelijke rechten is in een afgelegen dorp in het noordwesten van het land, ver weg van de hoofdstad Teheran, misschien gemakkelijker dan in de grote stad. Hier is nauwelijks een politieman te zien, maar het effect van sociale controle in een kleine gemeenschap valt niet te onderschatten.

Toch doet dertiger Sara Shaverdi haar best om voor zichzelf en haar seksegenoten op te komen. De dorpsoudsten (alleen maar mannen) vinden deze vroedvrouw een rare kwibus. Zij hult zich niet in traditionele religieuze gewaden, draagt een petje op haar hoofddoek, rijdt motor, en als we voor het eerst kennis met haar maken, is ze een hek voor haar huis aan het repareren. Dat Sara niet op haar mondje is gevallen, blijkt als een van haar zussen overstuur meldt dat een van hun broers haar en de andere zussen een document heeft laten tekenen over de erfenis van hun vader. Sara gaat op hoge poten naar hem toe, trekt fel van leer en verscheurt het document.

Sara is populair bij veel vrouwen, en zelfs bij jonge mannen, die haar stoer vinden. Ze komt op voor jonge meisjes – die kunnen beter naar school gaan dan vroeg trouwen, soms al op hun elfde of twaalfde. In een scène in een klaslokaal zegt elk meisje dat ze wil studeren in plaats van trouwen, maar enkele jaren later leren we dat er uiteindelijk slechts vijf meisjes níet zijn getrouwd.

Misschien kan Sara meer bereiken als ze zich beschikbaar stelt als burgemeesterskandidaat. Ondanks de afkeer van de dorpsoudsten, wordt ze met een overweldigende meerderheid gekozen. Hoe bijzonder dat is, zien we in een opname waarin alle burgemeesters van de naar schatting 300 dorpen in de regio bij elkaar komen en Sara de enige vrouw is. Vervolgens zien we hoe ze haar verkiezingsbelofte – meer voorzieningen in het dorp – nakomt. Zo worden er gasleidingen aangelegd, maar ze stelt wel een voorwaarde: je krijgt pas gas als de echtgenote voor de helft eigenaar van het huis wordt. Een man vertelt dat hij bang is dat zijn vrouw daarna meteen een muur in het midden van het huis zal metselen om haar eigen territorium af te bakenen. Uiteindelijk gaat hij overstag, net als 150 andere mannen.

Het is uniek dat een vrouw in Iran tegen de stroom ingaat en barrières doorbreekt, zoals de filmtitel suggereert. Dat geldt ook voor de filmmakers, die Sara portretteerden. Tussen 2017 en 2023 bezochten Sara Khaki en Mohammadreza Eyni acht keer haar dorp, steeds een paar maanden, en wisten geleidelijk het vertrouwen van de dorpsbewoners en de autoriteiten te winnen. Dat leidde tot intieme opnames: ontmoetingen met de dorpsoudsten, een schoolmeisjesklas en Sara’s zussen en broers.

Er is zelfs een scène dat Sara voor de rechter moet verschijnen, omdat er irritaties en klachten over haar rol van burgemeester zijn. De afloop hiervan voorspelt weinig goeds. Maar er is een sprankje hoop, zoals blijkt uit het eindshot als Sara vrouwen en meisjes leert motorrijden, een verworvenheid die niet zo snel meer zal worden afgenomen.

Kijk hier waar deze film draait.

 

Molly Vs The Machines

Molly Vs The Machines – Vechten tegen social media
Molly Vs the Machines is een indringende en actuele documentaire over de schaduwkant van sociale media. De film vertelt het verhaal van de 14-jarige Molly Russell uit Londen, die langzaam verstrikt raakte in een online wereld vol sombere en schadelijke content. Wat begint als ogenschijnlijk onschuldige interesse, verandert door algoritmes in een negatieve spiraal waar ze niet meer zou uitkomen.

Regisseur Marc Silver kiest voor een opvallende vorm: delen van het verhaal worden verteld met behulp van AI. De voice-over is door de computer gegenereerd en ook beelden, zoals Molly’s slaapkamer waarin ze vaak alleen op haar bed zit met haar telefoon, zijn kunstmatig gemaakt. Dat zorgt voor afstand, maar past ook bij het onderwerp. Zoals de voice over zegt: “For her parents she was a child, for me she was a user.” Die zin vat pijnlijk samen hoe sociale media naar mensen kijken: niet als persoon, maar als gebruiker.

Molly Vs the Machines laat goed zien hoe kwetsbaar jongeren zijn. Op een leeftijd waarop identiteit en zelfbeeld nog volop in ontwikkeling zijn, kunnen sociale media aanvoelen als de echte wereld. Molly’s ouders en vriendinnen hadden niet door in welke fuik ze terecht was gekomen. Achter gesloten deuren, alleen met haar smartphone, werd ze steeds verder bevestigd in negatieve gedachten. Zoals een vriendin zegt: “Die negatieve gedachten zijn er ingestopt.”

De film maakt ook duidelijk hoe algoritmes werken. Wie eenmaal naar sombere content kijkt, krijgt er steeds meer van te zien – vaak ook extremer. Het systeem is niet ontworpen om te helpen, maar om aandacht vast te houden. De vergelijking met een verslaving is niet overdreven: gebruikers worden beïnvloed en vastgehouden, terwijl bedrijven blijven optimaliseren. Vooruitgang gaat voor veiligheid.

Een belangrijke rol in de film is weggelegd voor Molly’s vader, Ian Russell. Hij groeide uit tot activist en strijdt voor strengere regelgeving. Zijn uitspraak “Instagram helped to kill my daughter” is confronterend, maar kreeg uiteindelijk gewicht: in een baanbrekende rechtszaak werd vastgesteld dat online content heeft bijgedragen aan Molly’s dood. Daarmee kwam ook de verantwoordelijkheid van techbedrijven nadrukkelijk in beeld.

Molly vs the Machines laat ook zien hoe platforms als Facebook en Instagram zijn veranderd: van sociale netwerken naar systemen die gedrag sturen en monitoren. Silicon Valley, zo wordt gesteld, is anti-overheid en anti-regulatie. Steeds wordt beterschap beloofd, maar ondertussen krijgen ze steeds meer invloed op het dagelijks leven van vele miljoenen gebruikers.

De kracht van de documentaire zit in de combinatie van persoonlijke tragedie en maatschappelijk probleem. Het verhaal van Molly raakt diep, maar roept ook grotere vragen op. Wie is verantwoordelijk als technologie schade aanricht? En hoe beschermen we jongeren in een wereld waarin elke klik op het internet wordt gevolgd?

Kijk hier waar deze film draait.

 

Kikuyu Land

Kikuyu Land – Vechten tegen kolonisten
Je kunt Kikuyu Land zien als het spirituele en journalistieke vervolg op Our Land, Our Freedom, dat twee jaar geleden draaide op het Movies that Matter Festival. Beide films gaan over de landroof van de Engelse kolonisten in Kenia en de nog steeds durende strijd voor gerechtigheid.

Waar Our Land, Our Freedom vooral de juridische strijd van de Mau Mau-generatie en de verantwoordelijkheid van de Britse koloniale macht centraal stelt, verlegt filmmaakster en activiste Bea Wangondu in Kikuyu Land de aandacht van buitenlandse naar binnenlandse daders: niet alleen de Britten, maar ook de Keniaanse elite en zelfs enkele van haar familieleden blijken onderdeel van een systeem van landroof en verraad.

Haar film toont overtuigend dat de onteigening niet eindigde bij de onafhankelijkheid in 1963, maar in aangepaste vorm werd voortgezet. Ze volgt meneer Mungai die al acht jaar strijdt om het land van zijn grootouders terug te krijgen. Hij schat de huidige waarde daarvan op bijna een miljard Amerikaanse dollars. Hij heeft zijn hoop gevestigd op een commissie die voor de juridische afwikkeling kan zorgen. Inderdaad, kan zorgen.

Waar de eerdere film nog ruimte liet voor strijdlust en hoop, voelt Kikuyu Land rauwer en bitterder. De ontdekking dat ook de eigen kring medeplichtig was, maakt de roep om rechtvaardigheid alleen maar schrijnender. Kenia behoort tot de grootste theeproducenten ter wereld en de sector is van groot belang voor de export. Dat weet ook president Ruto, die tijdens zijn campagne allerlei beloftes aan de bevolking deed, maar uiteindelijk grootaandeelhouder van de theemultinational werd.

Ook visueel maakt Kikuyu Land veel indruk. De groene theevelden in het hoogland en het prachtige Keniaanse landschap ogen in eerste instantie idyllisch, maar krijgen gaandeweg iets dreigends. Onder die schoonheid schuilt een geschiedenis van uitbuiting, angst en vernedering. We zien beelden van streng bewaakte plantages waar de zoveelste generaties theeplukkers zich nog altijd uit de naad werken om hun quota te halen. Een oudere vrouw vertelt over machtsmisbruik, onderdrukking en de vele verkrachtingen door landopzichters.

De film maakt duidelijk dat dit verleden niet voorbij is. Ondanks dat Unilever geen eigenaar meer is, blijft de multinational via de inkoop betrokken en wordt het bedrijf nog steeds aangesproken op deze mensonterende praktijken. Tegelijkertijd houden politieke belangen, economische afhankelijkheid en de macht van grote bedrijven het systeem hardnekkig in stand.

Sommige gezichten in de documentaire zijn geblurd en soms zijn namen gewijzigd vanwege het risico van herkenning. Ook in een land als Kenia kan kritiek op de machthebbers leiden tot ontvoering of erger. In die zin biedt het aandeel van Stephen in het verhaal nog wat hoop. Elke ochtend neemt hij afscheid van zijn moeder bij hun huisje op de plantage om vervolgens een heel eind naar school te lopen. Hij belichaamt het verlangen naar een eerlijke toekomst.

Kijk hier waar deze film draait.

 

23 maart 2026

 

Movies that Matter 2026 – Deel 1: Gaza en Oekraïne
Movies that Matter 2026 – Deel 2: Amerika, land van tegenstellingen
Movies that Matter 2026 – Deel 4: Rusland en Hongarije


MEER FILMFESTIVAL

Blue Moon

***
recensie Blue Moon
Toneel als film

door Cor Oliemeulen

Lorenz Hart was een van de meest invloedrijke Amerikaanse songwriters van zijn tijd. Samen met componist Richard Rodgers schreef hij 28 musicals en meer dan 500 nummers, waaronder Blue Moon. Aan hun samenwerking komt abrupt een einde als Rodgers kiest voor een nieuwe tekstschrijver: Oscar Hammerstein.

Regisseur Richard Linklater – zijn Godard-reconstructie Nouvelle Vague draait sinds eind november in de bioscoop – liep al ruim tien jaar geleden met het scenario van Blue Moon onder de arm, maar vond acteur Ethan Hawke (Boyhood, Before-trilogie) toen nog te jong. Een uitstekende keuze, want een gerijpte Hawke speelt de sterren van de hemel als de tragikomische Lorenz Hart. We treffen hem in een bar op Broadway waar hij troost zoekt in een fles martini. Wanneer Rodgers, Hammerstein en hun entourage na de première van hun eerste musical, Oklahoma!, vol enthousiasme arriveren, realiseert Hart zich dat zijn succes nooit meer zal terugkeren.

Blue Moon

Scherp van geest en woord
Hawke maakt van Hart geen karikatuur van een gevallen genie, maar speelt een vat vol tegenstrijdigheden: scherp van geest en woord, maar soms ook onberekenbaar. Terwijl barman Eddie (Bobby Cannavale) een luisterend oor biedt – met zo nu en dan een weerwoord – analyseert Hart muziek, mensen en zijn eigen falen in een waterval van mooi geformuleerde zinnen en met een blik die voortdurend zoekt naar bevestiging.

Zijn onzekerheid wordt benadrukt door de manier waarop Hart, met zijn geringe lengte van ruim anderhalve meter, slim in beeld wordt gebracht. Vaak staat en zit hij letterlijk lager dan de andere personages, moet hij bijna op zijn barkruk klimmen en wordt hij gefilmd vanuit hoeken die hem nog kleiner doen lijken. Zijn oversized pak en een gebogen houding versterken dat effect. Zo is Hart een kop kleiner dan Elizabeth (Margaret Qualley), een jonge, knappe theaterstudente die van hem wil leren en hem bewondert om zijn taalgebruik en scherpte. Zij ziet hem als mentor; hij is verliefd, maar zich pijnlijk bewust van de illusie.

Blue Moon

Pijnlijke confrontatie
De emotionele kern van de film ligt echter in de relatie tussen Lorenz Hart en Richard Rodgers (Andrew Scott). Hart spreekt met diep respect over Rodgers. “Hij is een genie. Er is niemand met zijn bereik en vindingrijkheid, zijn toffe, mannelijke melodieën die aanzwellen als heimachines.” Tegelijk is hij meedogenloos eerlijk: Rodgers is volgens hem een kilhartige klootzak maar wel een die een melodie kan laten zweven.

Naarmate de avond vordert, wachten we op het moment waarop Hart het onvermijdelijke contact zoekt met Rodgers, die voortdurend wordt opgehouden door mensen die hem feliciteren met het succes van zijn musicalpremière. Hart krimpt steeds verder ineen, maar vertrouwt op zijn woorden. De confrontatie die volgt is ingetogen en pijnlijk. Nadat ze zich even hebben teruggetrokken uit de drukte zegt Rodgers: “Ik dank mijn beroepsleven aan jou. Je werk is briljant.“ Maar dan wordt duidelijk waarom hij na twintig jaar niet langer met Hart kon samenwerken. Het is geen verwijt, maar een vaststelling – en juist daardoor zo vernietigend.

Blue Moon is een hommage aan een briljante verteller die zichzelf langzaam buitenspel heeft gezet. Dankzij de tour de force van Ethan Hawke is Lorenz Hart geen voetnoot in de muziekgeschiedenis, maar een levende, tragikomische figuur die uiteindelijk zichzelf verloor.

 

14 januari 2026

 

ALLE RECENSIES

Terugblik filmjaar 2025 – Deel 1

Terugblik filmjaar 2025 – Deel 1:
Waarom Max Verstappen geen wereldkampioen werd

door Cor Oliemeulen

Het filmjaar 2025 was bijzonder leerzaam. Zo bleek dat aliens gebreide truien dragen (Bugonia), is Shakespeare hét medicijn bij traumaverwerking (Ghostlight), houden vampieren van Ierse volksdans (Sinners), dragen Italiaanse kardinalen rode onderbroeken (Parthenope), zingen The Beatles graag ABBA (The Last Viking) en mag je tijdens sabbat niet autorijden maar wel een dozijn mensen afknallen (Caught Stealing). Eén ding is zeker: Max Verstappen had met gemak zijn vijfde wereldtitel op rij gewonnen als Brad Pitt op het stoeltje van Red Bull-coureur Yuki Tsunoda had gezeten (F1: The Movie).

Bij het samenstellen van mijn persoonlijke top 5 heb ik me vooral laten leiden door verwondering: films die me verrasten en niet meer loslieten.

F1: The Movie

F1: The Movie

 

5 – A Complete Unknown
Wie een film maakt van je muzikale jeugdheld, moet van goeden huize komen. De regisseur, James Mangold, die twintig jaar geleden met Walk the Line een sterke biografie van Johnny Cash maakte, kreeg het voordeel van de twijfel. Cash en Dylan: twee muzikale genieën die pas zichzelf werden door eerst niet meer geliefd te zijn. Maar ja, Timothée Chalamet heeft vast niet dezelfde geloofwaardigheid als Joaquin Phoenix. Tenminste, dat dacht ik.

Met de zegen van Bob Dylan zelf belichaamt Timothée Chalamet overtuigend de jongen uit een mijnstadje in Minnesota die begin jaren zestig met gitaar en mondharmonica in New York arriveert. Daar gaat hij meteen op zoek naar zijn grote voorbeeld: folkzanger Woody Guthrie. Dylan is weerbarstig, gesloten en soms onaangenaam, wat aan de oppervlakte komt in zijn relaties met Sylvie (Elle Fanning) en folkicoon Joan Baez (Monica Barbaro). In het gezelschap van een al even legendarische Pete Seeger (amusante rol van Edward Norton) volgt A Complete Unknown Dylans eerste successen en zijn groeiende reputatie als protestzanger, om uiteindelijk toe te werken naar het moment waarop hij, tot schok van velen, als folkheld de elektrische gitaar omarmt.

De grootste verrassing van de film is dat Chalamet al die tientallen nummers zelf zingt en speelt. Zo nu en dan klinkt zijn stem daadwerkelijk als die van Dylan, maar knapper is dat hij zich nergens inhoudt en dezelfde energie en nonchalance aan de dag legt. Sinds ik de film heb gezien, draai ik weer regelmatig platen van Bob Dylan.

 

4 – Frankenstein
James Whale maakte in 1931 van Frankenstein een filmmythe: expressionistisch, tragisch en met een iconische rol van Boris Karloff. In The Bride of Frankenstein (1935) werd het ‘monster’ emotioneel en zelfs ironisch. In de volgende decennia mocht Frankenstein opdraven in horrorverhalen, parodieën en drama’s waar het monster een mens van vlees en bloed is – nou ja, samengesteld uit lichaamsdelen van verschillende overledenen, maar wel met een ziel. Mary Shelley’s Frankenstein (1994) van Kenneth Branagh komt – zoals de filmtitel al suggereert – het dichtst in de buurt van het boek.

Ook in de nieuwe Frankenstein toont Guillermo del Toro (The Shape of Water) het ‘monster’ als een gevoelig, intelligent en moreel bewust wezen. De horror is grotendeels verdwenen, de tragedie en een gevoel van mededogen krijgen de overhand.

“Ik kan niet sterven én niet leven”, jammert de creatie (Jacob Elordi) van dokter Victor Frankenstein (Oscar Isaac) als hij merkt dat de schoonzus van zijn schepper het monster beter wil leren kennen. Maar Frankenstein wil dat kost wat kost verhinderen, want hij vindt zijn creatie niet intelligent en bovendien gevaarlijk. In Del Toro’s epische sprookje blijkt de schepper zelf het monster en moet hij uiteindelijk afrekenen met zijn eigen hoogmoed en lafheid. Niet de creatie is ontspoord, maar de wetenschapper die weigert verantwoordelijkheid te dragen.

 

3 – One Battle After Another
Het is tien jaar geleden dat Leonardo DiCaprio zijn eerste en dusver enige Oscar won, hoewel de beer met wie hij toen een strijd op leven en dood voerde die prijs ook wel had verdiend. Met One Battle After Another krijgt de acteur een nieuwe kans, omdat regisseur Paul Thomas Anderson zich ditmaal meer dan anders richt op het grote publiek. Zijn gebruikelijke thema van macht in intieme relaties is een stuk minder zichtbaar en diepgaand dan in There Will Be Blood (vader-zoon), The Master (leider-volgeling) en Phantom Thread (kunstenaar-partner). In plaats daarvan serveert hij een plot vol tempo, dreiging, spanning en politieke satire.

Dat betekent geenszins dat DiCaprio een oppervlakkige rol speelt. Als voormalige radicale activist – die zestien jaar later wordt ingehaald door zijn verleden als een oude vijand opduikt (Sean Penn) – is zijn personage genuanceerd. Hij is verslaafd, paranoïde, chaotisch, emotioneel uitgeput en schuldbewust. Een antiheld die er alles aan doet om zijn dochter (Chase Infiniti) te beschermen, gesteund door een uiterst coole sensei (Benicio Del Toro).

Daarentegen zagen we Sean Penn zelden zo eng: een meedogenloze militaire discipline en een ongemakkelijke, dierlijke zwakte voor zwarte vrouwen. Met zijn huichelachtigheid lijkt hij kansloos voor de ballotagecommissie van de Christmas Adventures Club: een uiterst geheim genootschap van witte mannen die dromen van een alternatieve samenleving. Als het personage van DiCaprio dat clubje vroeger had gekend, had hij er vast een bom onder gelegd.

 

2 – The Brutalist
Adrien Brody won begin dit jaar al de Oscar voor beste acteur. In The Brutalist kruipt hij in de huid van László Tóth, een Hongaarse architect die na de Tweede Wereldoorlog zijn heil zoekt in de Verenigde Staten. In Europa was hij een gevierd modernist, maar in Amerika is hij onbekend en berooid: verslaafd, complex, eigenwijs en sociaal onhandig, wachtend tot zijn vrouw en nichtje de oversteek kunnen maken. Getekend door zijn verblijf in een concentratiekamp functioneert László beter via zijn werk dan via relaties.

Hij wordt ingehuurd door een snobistische rijkaard (Guy Pearce), die zichzelf ziet als weldoener en graag pronkt met de Europese kunstenaar. De opdracht is een ontmoetingscentrum voor de gemeenschap. Het resultaat is een betonnen kolos die nauwelijks iemand mooi vindt, maar die met de toevoeging van een groot kruisbeeld alsnog groen licht krijgt. Daarna stapelen de tegenslagen zich op – ook op persoonlijk vlak.

Brady Corbet giet bijna vier decennia in een indrukwekkende studie van immigratie, antisemitisme, kunst, trauma en de Amerikaanse droom, uitgespreid over ruim drieënhalf uur. Een droom die dreigt te ontaarden in een nachtmerrie. Helemaal aan het eind wordt de oorsprong van László’s brutalistische stijl onthuld, en voelt The Brutalist zelf als een architectonisch bouwwerk: groots, zwaar en onontkoombaar.

 

The Seed of the Sacred Fig

The Seed of the Sacred Fig

1 – The Seed of the Sacred Fig
Mohammad Rasoulof behoort tot een van de belangrijkste Iraanse filmmakers van zijn generatie – en tegelijk een van de meest vervolgde. Zijn films stellen morele vragen bij macht, gehoorzaamheid en verantwoordelijkheid binnen de Islamitische Republiek. Dat leverde hem internationaal prijzen op, maar in eigen land gevangenisstraffen, werkverboden en reisrestricties. Tijdens het maken van The Seed of the Sacred Fig kreeg Rasoulof opnieuw een zware veroordeling opgelegd. Hij ontvluchtte Iran en voltooide de film in Duitsland.

De film speelt zich af in Teheran en volgt een ogenschijnlijk doorsnee gezin: vader, moeder en twee tienerdochters. Op de achtergrond woedt de maatschappelijke onrust na de dood van Mahsa Amini, die in 2022 werd opgepakt omdat zij haar hoofddoek ‘onjuist’ had gedragen en kort daarna overleed in de gevangenis. Haar dood leidde tot massale protesten, ook op universiteiten, en tot hard politiegeweld. Rasoulof toont de opstand via schokkerige smartphonebeelden, gedeeld door de dochters. Zo sijpelt de buitenwereld het gezin binnen.

De spanning stijgt als vader promotie maakt tot onderzoeksrechter. Zijn eerste taak is het ondertekenen van een executiebevel, zonder inzage in het dossier. Na enige aarzeling koestert hij zijn nieuwe functie, want dat betekent meer status, kans op een ruimere woning en een afwasmachine voor zijn vrouw. Zijn dochters moeten zich terughoudender gedragen dan ooit.

Als vaders dienstpistool plotseling verdwijnt, kantelt de film. Hij weet zeker dat zijn vrouw of een van de dochters het wapen heeft weggenomen. Maar aangifte doen zou het einde van zijn carrière betekenen. Wat volgt is een sluipende escalatie waarin wantrouwen, machtsmisbruik en angst het gezin langzaam vergiftigen. Het gezinsdrama ontvouwt zich als een claustrofobische thriller. Zelden voelde cinema zo onverhuld als een daad van verzet.

 

25 december 2025

 

Deel 2 – Ralph Evers: Er was tenminste weer een regisseur zichtbaar
Deel 3 – Jochum de Graaf: De verschillende vormen van comedy
Deel 4 – Tim Bouwhuis: Door de lens van filmfestivals
Deel 5 – Bob van der Sterre: De absurde top 20
Deel 6 – Zoë van Leeuwen: Een ode aan Letterboxd
Deel 7 – Bert Potvliege: Verdrinken in werelden

Angel’s Egg (4K re-release)

****
recensie Angel’s Egg
Alsof de tijd is bevroren

door Cor Oliemeulen

Een klein meisje met droevige ogen zwerft door een verlaten, versteende stad die deels onder water staat. Onder haar jurk draagt ze een groot ei, dat ze angstvallig beschermt. Een jongen, met een wapen in de vorm van een kruisbeeld op zijn schouder, volgt haar. Hij lijkt geïnteresseerd in het ei. Soms rijden er grote machines door de stad en zien we schimmen van soldaten die op grote schaduwen van vliegende vissen jagen. We kijken naar Angel’s Egg (1985), een vergeten meesterwerk dat veertig jaar na de geboorte gerestaureerd in de bioscoop draait.

Het surrealisme van de Japanse filmmaker Mamoru Oshii doet nauwelijks denken aan dat van Salvador Dalí. Dit Spaanse boegbeeld van het surrealisme zou de beelden in Angel’s Egg fantastisch hebben gevonden, maar de pure, onafgebroken somberheid zou voor hem vast te monotoon zijn geweest. Dalí’s werk is vaak theatraal en vol (bizarre) energie, Oshii’s met de hand getekende film is stil, kil en melancholisch.

Angel's Egg

Hier steken gigantische, verlaten gebouwen willekeurig uit het water omhoog, alsof ze de restanten zijn van een lang verdwenen beschaving. De architectuur voelt onlogisch en onbewoonbaar: geen echte stad, maar een droomdecor. Er zijn slechts twee ‘levende’ mensen – het meisje en de jongen – die nauwelijks een paar zinnen met elkaar wisselen. Allebei lijken ze op een missie, een pelgrimstocht. Alles om hen heen lijkt stil te staan, alsof de tijd zelf is bevroren.

Meditatieve ervaring
Angel’s Egg laat zich kijken als een kunstwerk, begeleid door psychedelische muziek, vaak met de etherische stemmen van een koor. De sfeer is 72 minuten lang dystopisch, donker, dromerig, raadselachtig. De achtergronden zijn rijk en gedetailleerd, alsof elk beeld een schilderij is. Tegelijk zijn de personages juist eenvoudig getekend. Dit sterke contrast benadrukt hoe klein en kwetsbaar ze zijn in deze schaduwrijke wereld, die vooral existentiële vragen oproept.

Het verhaal kent geen kop noch staart. De jongen vertelt het meisje weliswaar over een zondvloed en de Ark van Noach, waardoor er een zweem van christelijke symboliek ontstaat, maar de kijker hoeft geen nadere uitleg of conclusie te verwachten. Zelfs regisseur Oshii gaf in interviews toe dat ook hij eigenlijk geen idee had waar zijn film precies over gaat. Hij koos voor langzame en schaarse bewegingen, statische shots, symboliek en stilte. Een meditatief tempo dat uitdaagt voor je eigen interpretatie. Of voor een moment van innerlijke rust.

Angel's Egg

De symboliek van water
Mamoru Oshii zei dat hij zich sterk had laten beïnvloeden door de Russische filmmaker Andrej Tarkovski. Zo staat in diens Solaris (1972) water symbool voor herinnering, schuld en een innerlijke strijd; de oceaan is zelfs een soort levend bewustzijn. En net als in Tarkovski’s Stalker (1979) is Angel’s Egg traag, mysterieus en filosofisch, met een verlaten landschap dat bijna een eigen persoonlijkheid heeft. Bij Oshii staat water niet alleen voor vernietiging, maar ook voor stilstand, reflectie en misschien zelfs wedergeboorte – zoals de slotscène doet vermoeden.

Het is bijzonder dat Paradiso Films de filmliefhebber anno 2025 deze unieke, meditatieve kijk- en luisterervaring gunt. Angel’s Egg was destijds een enorme financiële flop. Mamoru Oshii kon hierna drie jaar lang geen werk krijgen. Hij noemde de film “een beklagenswaardige dochter die ik niet goed aan de wereld kon voorstellen”.

Ook Ghibli-regisseur Hayao Miyazaki had zo zijn bedenkingen. Hij vond de film niet slecht, maar begreep dat die zó extreem en compromisloos was, dat hij nauwelijks een publiek kon vinden. Nadat ook Oshii commerciëler ging denken, bereikte hij tien jaar na Angel’s Egg met Ghost in the Shell (1995) zijn verdiende wereldsucces. Die combinatie van filosofische diepgang, actie en een helder verhaal werd later ook door de makers van The Matrix omarmd, maar de stille oorsprong daarvan ligt in Angel’s Egg.

 

9 december 2025

 

 

ALLE RECENSIES

Nouvelle Vague

***
recensie Nouvelle Vague
Een vrouw en een wapen zijn voldoende

door Cor Oliemeulen

De geboorte van de Nouvelle Vague in Frankrijk is een van de belangrijkste momenten in de filmgeschiedenis. Met zijn gelijknamige biografie brengt Richard Linklater een nostalgische ode aan de revolutionaire filmbeweging met een reconstructie van de totstandkoming van À Bout de Souffle (1960), dat op een vrije, speelse manier afrekende met de stoffige tradities van de toenmalige cinema. Maar waar de nieuwe beweging durfde te schokken, blijft Linklater binnen de lijntjes kleuren.

Al vanaf de opening van het in stemmig zwart-wit 4:3 beeldformaat geschoten Nouvelle Vague druipt de liefde voor film en de filmgeschiedenis van het scherm. Het culturele leven van het Parijs van 1959 bruist. Een hele reeks figuren van de nieuwe generatie filmmakers verschijnt voor de lens: François Truffaut – verantwoordelijk voor de allereerste film van de beweging, Le Beau Serge (1958) – en Claude Chabrol, maker van de tweede film, Les Cousins (1959). Samen met Éric Rohmer en Jacques Rivette maken zij deel uit van Cahiers du Cinéma, een invloedrijk filmtijdschrift én de broedplaats van de nieuwe generatie filmmakers. Hun boodschap: de regisseur is de belangrijkste creatieve kracht achter een film.

Nouvelle Vague

“Zolang je maar niet acteert”
Jean-Luc Godard (Guillaume Marbeck) noemt zichzelf de enige redacteur van Cahiers du Cinéma die nog niets heeft gepresteerd. Op de redactie pakt hij stiekem wat geld uit een la en rijdt naar het Filmfestival van Cannes voor de première van Truffauts meesterwerk Les 400 coups (1959). Nu moet en zal hij ook een speelfilm maken! Een producent wil hem wel steunen, maar alleen als hij een scenario van Truffaut zal verfilmen. Uiteindelijk krijgt hij toch groen licht voor zijn eigen ideeën – ook al blijft lang onduidelijk waar de film over gaat.

“Voor het maken van een film is een vrouw en een wapen voldoende,” zegt Godard tegen de producent die een “realistische, sexy film noir” voor ogen heeft. Zijn beoogde hoofdrolspeelster  vindt Godard in het gezicht van Jean Seberg (Zoey Deutch), dat hij op de cover van een magazine ziet: “Haar wil ik.” De man met het wapen moet Jean-Paul Belmondo (Aubry Dullin) zijn. De acteur speelde al in een korte film van Godard en stemt meteen toe als zijn vriend hem opzoekt in een boksschool.

De eerste ontmoeting tussen Seberg en Belmondo is de opmaat voor nog meer prettig onheil. De actrice heeft zojuist de opnames van Otto Premingers Bonjour Tristesse afgerond en zegt: “Hierna valt iedere andere regisseur wel mee.” Als ze aan haar tegenspeler vraagt of Godard iets om acteurs geeft, krijgt ze te horen: “Zolang je maar niet acteert.”

Ondoorgrondelijk personage
De productie van Godards eerste speelfilm À Bout de Souffle gaat anders dan iedereen – behalve Godard zelf – zich had voorgesteld. Linklater maakt het gebrek aan script en structuur mooi zichtbaar. Godard schrijft ideeën op papiertjes, Seberg en Belmondo krijgen hun tekst vlak voor het draaien. Vaak is één take genoeg, want de stemmen worden achteraf toch gedubd. De producent wordt met de dag nerveuzer en begrijpt amper wat Godard aan het maken is.

Ook sterk is de uiterst gedetailleerde reconstructie van de filmset en filmwereld van 1959. Linklater duikt niet zozeer in Godards psyche, maar in de energie, speelsheid en chaos waarmee zijn werkwijze ontstond. Godard oogt zelfverzekerd, maar ook ondoorgrondelijk. Die keuze is bewust en begrijpelijk, omdat de figuur Godard – met die eeuwige zonnebril – altijd door een bepaalde geheimzinnigheid werd omgeven.

In Le Redoutable (2017) van Michel Hazanavicius leer je Godard veel beter kennen. Na zijn vroege successen zien we een man vol twijfel, cynisme, zelfspot en toenemend politiek radicalisme. Hij gooit stenen naar de politie tijdens demonstraties en worstelt met zijn relatie. Hier leef je veel meer mee met Godard, en waarschijnlijk komt dat ook omdat Hazanavicius zijn hoofdrolspeler een lichter getinte zonnebril laat dragen, zodat je hem in de ogen – en ziel – kunt kijken.

Nouvelle Vague

De revolutie is een attitude
Nouvelle Vague is een must voor cinefielen en mensen die een goed idee willen krijgen over het ontstaan van À Bout de Souffle (vanaf 11 december in een 4K-restauratie in de bioscoop) – of lees deze reis in de tijd. Hoewel Linklaters film zelden echt sprankelt, blijft de onvoorwaardelijke liefde voor film van begin tot eind voelbaar. En er valt regelmatig te lachen. Bijvoorbeeld tijdens een buitenopname van Godards filmdebuut als de cameraman zich in een postkarretje moet proppen zodat voorgangers niet in de gaten hebben dat er op straat wordt gefilmd. Of het bezoek van de beroemde Italiaanse filmmaker Roberto Rossellini aan de redactie van Cahiers du Cinéma die uitlegt hoe je volgens hem een film moet maken – om bij zijn afscheid nog even wat eten van een schaal te graaien en Godard te vragen of hij geld kan lenen.

Dat À Bout de Souffle vernieuwend werd en de eerste Nouvelle Vague-film met een gigantische impact, had uiteindelijk minder te maken met wat er op de set gebeurde dan met wat er in de montagekamer ontstond. Godard ging knippen binnen de scènes, door middel van ‘jump cuts’, waardoor het lijkt alsof de film ‘haast’ heeft. Richard Linklater toont dat de revolutie niet zit in de technologie, maar in de attitude.

 

27 november 2025

 

 

ALLE RECENSIES

The Room Next Door (2024)

The Room Next Door (2024)
“Ik denk dat ik een goede dood verdien”

door Cor Oliemeulen

Het oeuvre van Pedro Almodóvar is grofweg in twee periodes in te delen. Van campy en absurdistisch in de beginjaren tot dramatisch en reflecterend in de laatste decennia. Al die tijd vormen kwetsbare maar sterke vrouwen en het eeuwige gevoel van verlangen een rode draad. Dat geldt ook voor The Room Next Door (2024), Almodóvars eerste Engelstalige film en winnaar van de Gouden Leeuw in Venetië. Een aangrijpend verhaal over vriendschap op de weg naar euthanasie.

Ingrid (Julianne Moore) hoort bij een signeersessie van haar boek dat haar oude vriendin Martha (Tilda Swinton) ongeneeslijk ziek is. Tijdens hun rendez-vous in een New Yorks ziekenhuis leren we Martha kennen als een sympathieke, maar emotioneel geremde vrouw. Haar beheersing van gevoelens komt voort uit ervaringen als oorlogsverslaggever en het gemis van het contact met haar dochter Michelle. Maar er is meer aan de hand.

The Room Next Door

Omgaan met afscheid
Martha neemt Ingrid in vertrouwen en vraagt haar om een opmerkelijke gunst. Ze vertelt dat ze euthanasie gaat plegen en dat ze zelf het juiste moment zal kiezen. Ze heeft voor een maand een huis in de natuur gehuurd en wil dat Ingrid haar daar gezelschap houdt. Martha heeft een pil gekocht in het illegale circuit en zal op de bewuste dag de deur van haar kamer dichtdoen zodat Ingrid weet dat ze is overleden. Met haar kalmte en vastberadenheid overtuigt ze Ingrid toe te stemmen. Martha heeft alles zorgvuldig voorbereid, dus Ingrid kan later nooit als medeplichtige worden beschouwd. Aangekomen in het modernistische huis in de bossen van Woodstock is Martha één ding vergeten: haar pil.

Foto: Brigitte LacombeEenmaal gesetteld halen ze herinneringen op en ontstaat er een diepe verbondenheid. Het besef van nabije sterfelijkheid slingert heen en weer tussen intense emoties en bewuste terughoudendheid, versterkt door stiltes en blikken. Martha beschermt Ingrid tegen te veel emotionele belasting door zo veel mogelijk afstand te houden, en toont tegelijk haar vastberadenheid. Martha’s overheersende ingetogenheid vertraagt het drama, maar wie goed kijkt en probeert mee te voelen, ziet de subtiliteit in Swintons spel, alles in dienst van een waardig afscheid.

Stijl en kleuren
Naast die verbondenheid en kracht van zijn vrouwelijke personages staat Pedro Almodóvar bekend om uitbundig kleurgebruik in meubels, stoffen, vazen en kunstobjecten. Felle tinten zoals rood, blauw en geel symboliseren vaak passie, identiteit en verlangen. Ze versterken een intense, theatrale sfeer en vormen een visuele taal die gevoelens uitdrukt waar woorden tekortschieten.

In The Room Next Door draagt de kleding bij aan de visuele identiteit van de film. Ingrid verschijnt vaak in ingetogen tinten als grijs en groen, wat haar kalme aard weerspiegelt. Martha daarentegen is gehuld in opvallende kleuren als roze en felgeel, die haar ultieme levenskracht benadrukken. Het contrast tussen beiden is treffend, maar niet verrassend: Tilda Swinton hult zich vaak in uitgesproken kleuren die haar expressieve uitstraling versterken.

The Room Next Door

Symboliek van de architectuur
Het huis speelt een cruciale rol, als een stille getuige van afscheid. De immense architectonische villa met zijn ongewone hoeken en schuine vlakken – in de bossen van Woodstock, maar in werkelijkheid Casa Szoke nabij Madrid – ligt op een helling en versmelt met de natuurlijke omgeving. Almodóvar gebruikt het als een derde hoofdpersoon. Door de grote ramen lopen binnen en buiten in elkaar over; ’s avonds creëren de reflecties van bomen en de lichtval een spel van zowel intimiteit als afstand.

Langzaam vervaagt de grens tussen binnen en buiten, tussen leven en dood. Binnen heerst de besloten wereld van sterfelijkheid; buiten bloeit de natuur en beweegt de tijd onverstoorbaar voort, weerspiegeld in de ramen en het zachte avondlicht. Toch gaat ook een mensenleven door. Nadat Ingrid de levenloze Martha op een ligstoel op het terras aantrof, verschijnt op precies dezelfde plek op een dag haar dochter Michelle (eveneens gespeeld door Swinton).

The Room Next Door is te zien in Eye.

 

25 oktober 2025

 

THEMAMAAND TILDA SWINTON

Filmmarathon: Jane Fonda

5 onbekende films van bekende Amerikaanse actrice
Filmmarathon: Jane Fonda
Twee redacteuren van InDeBioscoop dompelen zich een weekend lang onder in de goede dingen des levens en vijf relatief onbekende films van de Amerikaanse actrice Jane Fonda.

 

1. Tall Story (1960)

BOB:
Ja, een wespensteek, een stortbui, een defecte routeplanner, niets heeft me weerhouden om de jaarlijkse nazomerse filmmarathon te bezoeken! Jane Fonda! Van Barbarella tot Klute, van aerobics tot een hoog IQ, van activistisch tot favoriete Amerikaanse actrice van velen.

Tall Story? Wat is dat met deze titel? Een romcom over lange mensen? O, het is een film over basketballen. Met Anthony Perkins als basketballer? Dat klinkt als Sylvester Stallone als voetballer… o, wacht….

Jane Fonda speelt student June Ryder, die om een of andere reden twee professoren (docenten ethiek en wiskunde) helemaal zenuwachtig maakt met haar mind games. Ze bespeelt hen omdat ze met Anthony Perkins, de typisch Amerikaanse supersportheld, wil. En ze krijgt wat ze wil: Perkins wordt haar vriendje.

Dan wordt het lastig te volgen. Er is iets met oppassen, zijn taxibaan en een belangrijke wedstrijd die hij gedwongen wordt om te verliezen. Ingewikkeld! Het is een beetje als komische romcom bedoeld maar slaat al snel af richting een melodramatisch verhaal. De verfilming is statisch: het had ook een toneelstuk kunnen zijn.

Tall Story is een typisch voorbeeld van iets dat is blijven hangen in het jaar dat het werd uitgebracht, en die tijd was een overgang tussen twee perioden, het is niet zo heel braaf meer als de jaren vijftig maar toch veel te braaf voor wat erna zou komen. Jane Fonda heeft een leuke, tegendraadse rol, en dat gaat haar goed af, en dat in haar eerste film.

Beste quote uit de film: “Hoe zou jij het vinden als iemand jou onder de microscoop zou zien vrijen?”

 

COR:
Die eeuwige fascinatie en obsessie voor stoere sporthunks en smachtende cheerleaders in Amerikaanse films begint me al weer snel op de zenuwen te werken. Maar toch, als ik net als jij zojuist 70 kilometer met zware bepakking zou hebben gefietst, zou ik wel weten wie het melkzuur uit mijn vermoeide kuiten mocht masseren.

Dat klinkt misschien wat seksistisch, maar vergeleken met Jack Warner, de producent van Tall Story, val ik vast nog mee. Warner droeg regisseur Joshua Logan op om bij Jane Fonda (die een cheerleader speelt) aan te dringen om vullingen in haar beha te doen.

Tja Bob, in onze eerdere filmmarathons leerde ik dat jij altijd wel in bent voor juicy details, dus heb ik ondertussen maar even in Fonda’s autobiografie gebladerd. Zo lees ik dat de regisseur Jane’s wangen te dik vond, waardoor ze volgens hem te snoezig voor drama’s was en daarom nooit een groot actrice zou kunnen worden. Iemand anders zou zelfs hebben gesuggereerd om haar kaken te breken en enkele kiezen te laten trekken!

Leuk trouwens om ook Anthony Perkins in een van zijn eerste hoofdrollen te zien. Hij is de beste basketballer van het team en benadert scoren “op een wetenschappelijke manier”. Yeah, right! Voor Alfred Hitchcock geen bezwaar, want die castte Perkins hetzelfde jaar voor de psychopathische moteleigenaar in Psycho.

 

2. The Chase (1966)

COR:
The Chase is van een geheel andere orde. De lieflijke, naïeve romantiek van Jane Fonda’s debuut maakt plaats voor deze thriller van Arthur Penn, een van de pioniers van New Hollywood. Dan hebben we het over artistieke vrijheid voor de regisseur, een sociaal geëngageerd plot, opnames op locaties en expliciet geweld.

De film barst uit zijn voegen van (te veel) acteersterren, waardoor je je moeilijk kunt identificeren met hun personages.

Het verhaal is simpel: boef Buffer (Robert Redford) is ontsnapt uit de gevangenis en wordt onterecht beschuldigd van de dood van een politieagent. Buffer is op weg naar zijn liefje Anna (Jane Fonda) in een Texaans stadje, waar een industrieel de scepter zwaait en sheriff Calder (Marlon Brando) de opgefokte orde probeert te handhaven.

Het memorabele einde kon niet voorkomen dat de film flopte in Amerika. Arthur Penn brak een jaar later door met Bonnie and Clyde, waarin de rebellie en het anti-autoritaire karakter van de nieuwe Amerikaanse samenleving (in films) veel meer tot de verbeelding spraken.

En Jane Fonda? Die klaagde over haar bescheiden rolletje (wel met mooi accent) in The Chase. Ze had zoveel tijd tijdens de opnames dat ze bijvoorbeeld een groot strandfeest voor Hollywood-collega’s organiseerde en nodigde The Byrds uit die zojuist waren doorgebroken met Dylan’s Mr. Tambourine Man.

The Chase was met negen kwartier wel een lange zit. Tijd voor een wandeling.

 

BOB:
Ha, dat strandfeest had ik wel bij willen zijn om de sfeer van 1966 te proeven. Jij hebt toch connecties met Axel F. Jomich en zijn filmhuis van het verleden? Neemt hij ook bezoekers mee?

Ja jemig – negen kwartier die ik niet meer terugkrijg. Wat een langdradige film, met maar spaarzame hoogtepunten, terwijl ik best uitkeek naar een Arthur Penn-film. Het heet The Chase maar die duurt maar tien minuten.

Wat ik zo gek vind aan de film is dat na de ontsnapping van Buffer letterlijk iedereen het constant over hem heeft. 800 keer hoor je zijn naam vallen, terwijl nooit duidelijk wordt waarom ze nou allemaal precies die stress hebben. Het is ook nog een aardige dude.

En helemaal mee eens dat er weinig chemie is tussen karakters, acteurs en verhaal, zoals jij al zei. Brando als sheriff is bijna een mini-film in de film. Redford en Fonda zijn een leuk duo tezamen maar veel te kort in beeld. Edward Fox is verwarrend. Anderen zijn ronduit klootzakken. Voor wie de film het beste uitpakt, is Robert Duvall in zijn rol als slapjanus-bankassistent.

Btw: kaken laten breken om acteur te kunnen worden? Wtf?

 

3. Tout va bien (1972)

BOB:
Die pauze had ik hard nodig om de negen kwartier die ik nooit meer terugkrijg weg te spoelen. Uden is wel groener dan ik dacht maar een paar koffiebarretjes erbij zou wel leuk zijn.

Je hebt nu wat voor me? Godard? Godard én Fonda? Ik ben verbaasd.

We zien hoe echtpaar Yves Montand en Jane Fonda (ze spreekt vloeiend Frans) een vleesfabriek bezoeken die bezet wordt door boos personeel. Zij werkt bij CBS en mag een item maken met de min of meer gegijzelde directeur. Maar het personeel gijzelt hen ook. Veel kabaal en drukte.

Aan de ene kant heeft de film begrip voor de arbeiders. De twee krijgen een spoedcursus arbeiderscultuur en gaan zelfs hun werk doen. En aan de andere kant bespot de film ook wel de Parijse studentenrevolutie van ‘68 – vooral met de lange monoloog van de directeur. Mooie quote: “Er zijn boeren die boeren. Arbeiders die werken. En bourgeois die bourgeoisiën.”

Genoeg Godardiaanse momenten. We zien acteurs direct in de camera praten, horen dialogen buiten beeld en luisteren naar een monoloog over klassenstrijd. Het dwars doorgesneden decor van de fabriek is ingenieus en de film alleen al waard. Een soort groot poppenhuis.

Fonda en Montand ogen soms wat zoekende met hun spel. De onderschatte Vittorio Caprioli (ook erg vermakelijk in Le Magnifique) als opgesloten directeur steelt de show.

En ja, er is dus een link van Jane Fonda met de Franse cinema. Deze film met Godard was niet eens haar eerste Franse film. In 1964 speelde ze al in La Ronde, met Alain Delon, van Roger Vadim, met wie ze zou trouwen en een kind krijgen.

Wat is er toch veel moois te kiezen met Jane Fonda om en nabij de jaren zeventig. Toppers als Klute, They Shoot Horses, Don’t They?, Barefoot in the Park en China Syndrome. Ik ga dan toch voor Klute. Wat is jouw favoriet?

 

COR:
Tijdens onze vorige filmmarathon vroeg jij of ik voor het eerst in mijn leven een IPA-biertje wilde proberen. Hoewel ik die niet te zuipen vond, laat ik mij ditmaal verleiden tot mijn allereerste glas alcoholvrije wijn ooit. En ik moet bekennen: je gaat er al net zo veel door lullen als met echte wijn.

Tout va bien van Godard is natuurlijk een mooi voorbeeld van hoe hij destijds worstelde met het kapitalistische systeem en zijn hang naar het communisme. Opvallend is de casting van Jane Fonda, een Amerikaanse journalist die de werkvloer wil leren kennen en samen met Yves Montand worsten draait in een vleesfabriek. Met haar nieuwe, rebelse kapsel (een nonchalante, in laagjes geknipte pony) lijkt ze zo weggelopen van de set van Klute (1971).

Godard was in zijn nopjes dat hij Fonda had kunnen strikken. Hij kreeg de financiering rond omdat ze inmiddels een gevierde actrice was. Bovendien was ze activist.

Fonda had helemaal geen zin in Tout va bien, kreeg felle ruzie met Godard, maar besloot het beste ervan te maken. Ze zat met haar gedachten bij de Vietnamoorlog, waartegen ze fel protesteerde. Jane Fonda had met Donald Sutherland (haar tegenspeler in Klute) zojuist een reis gemaakt langs Amerikaanse legerbases om soldaten te steunen die zich tegen de oorlog keerden.

Na de opnames van Tout va bien vloog ze naar Hanoi, de hoofdstad van Noord-Vietnam. Fonda wilde met eigen ogen zien wat de Amerikaanse bombardementen daar aanrichtten en riep op de radio piloten op om te stoppen met bombarderen. Nadat ze werd gefotografeerd op een Noord-Vietnamese luchtafweerinstallatie, kreeg “Hanoi Jane” bij thuiskomst bakken kritiek en haat over zich heen. Later zou de actrice meermaals spijt betuigen over die foto.

Na Klute won Fonda haar tweede Oscar voor haar rol in Coming Home (1978) als vrouw van een marineofficier die verliefd wordt op een Vietnamveteraan in een rolstoel. Misschien wel haar beste rol, om jouw vraag te beantwoorden.

 

4. The Electric Horseman (1979)

COR:
Voordat ze zich in de eighties ging storten op aerobics-films (die bewaren we voor een andere marathon), sloot Fonda haar boeiende jaren 70-carrière af met The Electric Horseman. Na The Chase (1966) en Barefoot in the Park (1967) opnieuw een romance met Robert Redford.

Het personage van Redford was vijf keer allround wereldkampioen rodeo totdat hij aan de drank raakte en zijn dagen slijt als een in lichtjes gestoken paardrijder op de Las Vegas Strip. Aangemoedigd door een reporter (Fonda) wil hij een daad stellen en zijn arme paard onttrekken aan de publiciteit en verdere mishandeling.

Fonda en Redford vormen een goed koppel, hun onderlinge bewondering en aantrekkingskracht spatten er soms van af. Maar ja, de jaren 80 liggen op de loer, dus zien we al regelmatig afzichtelijke kleren, brillen en kapsels, en worden we bedolven onder het gemauw van Willy Nelson. Zeg Bob, vond jij ook dat Fonda met die foute broek, laarzen en lippenstift eruit ziet als Dustin Hoffman in Tootsie?

Het verhaal is voorspelbaar, maar gelukkig is onze voormalige rodeokampioen direct van zijn alcoholverslaving genezen nadat onze bemoeizuchtige reporter hem diep in zijn ogen heeft gekeken.

 

BOB:
Ik moet zeggen: deze film is inderdaad weinig vernieuwend maar het was het kijken waard. Redford is best goed, vond ik, vooral aan het begin als dronken en verlopen rodeoheld (en inderdaad verdomd snel sober is, misschien ging hij ook over op alcoholvrije wijn?).

Een man-hunt ontstaat en Fonda, de stadse mediavrouw, helpt hem in ruil voor een verhaal. Al kost het wat overtuiging. “Ik ben niemands verhaal, maar mijn eigen persoon.”

Natuurlijk leuk contrast. Grappen over Fonda’s stadse outfit (kan me niet herinneren of ze op Dustins Hoffmans Tootsie lijkt?). Haar onhandige laarzen en te zware koffers. Het is een soort roadmovie met een paard en een winnebago.

Aan cinema heeft deze film van Sydney Pollack (overigens de regisseur van Tootsie!) niet veel te bieden, het is vergelijkbaar met andere makkelijk wegkijkende Pollacks, zoals Bobby Deerfield en Three Days of the Condor, opnieuw met Redford, wiens recente overlijden we met deze marathon zo ook een beetje eren.

En voor de verandering véél Jane Fonda, en altijd weer intens, het lijkt alsof de automatische piloot niet bestaat in haar acteerwereld.

 

5. Et si on vivait tous ensemble? (2011)

BOB:
De laatste film begint hoopvol met de uiteenzetting van een aantal personages in een vriendenkring van vijf ouderen. Ze gaan samen in een commune wonen. En ze huren een etnograaf in (Daniel Brühl). Die ook moet dealen met de sekslevens van ouderen.

Gemakkelijk is het niet. Ruzie om een tuin (“Ik wil er een zwembad van maken”), een man die escortdames inhuurt, een affaire die uitkomt.

Het is een met veel waterig melodrama aangelengde komedie (arthouse). De humor zit hem in de soms zich anarchistisch gedragende ouderen. Het melodrama zit hem in het ouder worden, met een onvermijdelijk einde.

Niks tegen films over ouderen. Deze is redelijk eerlijk en er zijn er weinig van denk ik. Toch hoeven ze niet zo weinig verrassend te zijn, met als doel om maar een zo breed mogelijk arthousepubliek aan te boren. De film doet helaas verder niets, filosofisch of in stijl.

Fonda doet niet onder voor de vloeiende Fransozen maar ze kan ook niet echt uitblinken met dit scenario. De scènes met Daniel Brühl zijn wel vermakelijk (“Ik? Je grootmoeders leeftijd?”). Pierre Richard heeft echte komedietalenten, maar hier is hij vooral serieus.

Er is een stripboekserie waar ik ook aan moest denken: Les Vieux Fourneaux. De strip is vergelijkbaar maar iets geestiger dan deze film van Stéphane Robelin. Onvermijdelijk ook verfilmd in 2018 met… opnieuw Pierre Richard! Helaas is die verfilming ook niet echt geweldig.

De filmmarathon eindigt hiermee wel een beetje met een sof, maar goed, een marathon is ook 42.195 meter cinema, en na de dertig begint het altijd pijn te doen…

 

COR:
Ik moest bij deze film denken aan The Best Exotic Marigold Hotel – opvallend genoeg verschenen in hetzelfde jaar als Et si on vivait tous ensemble? – met daarin seniore grootheden van de Britse cinema. Ook al zo’n kluchtig verhaal met dramatische elementen over ouder worden.

Ondanks het aandoenlijke slot moeten we misschien onze volgende filmmarathon eindigen met een meer spectaculaire film – hoewel het altijd fijn is om te zien hoe een actrice of acteur zich ontwikkelt van jeugdig debuut tot de herfst van de carrière.

Om maar met Jane Fonda te spreken: “Dit is wat ik zeg over ouder worden: het lijkt echt beangstigend wanneer je er van buitenaf naar kijkt. Maar als je er eenmaal in zit, is het helemaal niet eng. Je voelt je zelfs beter.”

 
18 oktober 2025

 

 
Meer filmmarathons