Goldie

***
recensie Goldie

Coming of age met kanariegele jas

door Nanda Aris

Flitsende, energieke en optimistische film over een achttienjarige die droomt van haar grote doorbraak, maar tegelijkertijd voor haar jongere zusjes moet zorgen. 

Sam de Jong studeert in 2012 af aan de filmacademie en breekt in 2015 door met zijn eerste film Prins, die opzien baart, niet alleen in eigen land. De Jong onderzoekt in zijn films wat identiteit en erkenning betekenen in een samenleving waarin popcultuur de nieuwe religie is. Er is interesse vanuit Amerika, en daarom verhuist De Jong niet veel later daarheen. Het aanbod van 21st Century Fox: een film over jongeren, budget twee miljoen dollar. Zijn idee: een film over jongeren met een instabiele thuissituatie en de hoofdrol moet gaan naar iemand die in werkelijkheid daarin verkeert.

Goldie

Hij ontmoet in 2016 Slick Woods (echte naam Simone Thompson, maar doordat ze goed jointjes kan rollen krijgt ze haar bijnaam Slick Woods), de beoogde hoofdrolspeelster van Goldie, nog voordat haar carrière als model een vlucht neemt. Ze ziet Prins, is enthousiast, en met haar aangrijpende jeugd – op haar zesde wordt haar moeder veroordeeld voor moord, haar broer komt om door geweld en ze leeft een tijd op straat – als inspiratie besluiten ze samen te werken.

Geel
Goldie woont met haar dealende moeder (Marsha Stephanie Blake), diens vriend (Danny Hoch) en haar twee zusjes Supreme (Jazmyn C Dorsey) en Sherrie (Alanna Renee Tyler-Tompkins) in een studio in New York. Ze hoopt te mogen dansen in een nieuwe videoclip van Tiny (A$AP Ferg) en denkt dat een bloeiende carrière hierna niet kan uitblijven – het grootse dromen van een achttienjarige.

We worden meegenomen is haar droom en begrijpen dat ze daarvoor die ene outfit nodig heeft. Ze steelt een minuscuul kanariegeel broekpakje en droomt van een kanariegele bontjas die ze in de etalage van een winkel ziet. Onbetaalbaar, en daarom des te meer aantrekkelijk. Hoeveel de klus eigenlijk betaalt, weten we niet. Goldie ook niet, de overtuiging dat het haar doorbraak zal betekenen is doorslaggevend.

Vluchten
Wanneer haar moeder gearresteerd wordt, vlucht Goldie met haar twee jongere zusjes. Ze vertrekken naar personen bij wie ze hopen onderdak te kunnen krijgen. Maar in plaats van onderdak krijgen ze vaak iets te eten en het advies met jeugdzorg contact op te nemen. Elke persoon bij wie ze om onderdak vragen wordt geïntroduceerd met uitgetypte en (door de zusjes) uitgesproken naam. De Jong maakt die keuze om zo de zusjes van Goldie in het verhaal te houden, als tegenpool voor de harde realiteit van de film. 

Goldie

De Jong incorporeert animaties op meerdere momenten, wat enigszins doet denken aan Lola rennt (1998) en de opening van de film Juno (2007). Sommige pakken beter uit dan andere, want alhoewel het uitspreken van de namen door de zusjes als tegenpool voor de harde realiteit geldt, hangt het luchtige karakter ervan nauw samen met het kinderlijke. De animaties werken bijvoorbeeld beter wanneer ze de muziek (van Nathan Halpern) kracht bij zetten en zo Goldie nog meer onoverwinnelijke, jeugdige fling meegeven.

Cabrio
Goldie neemt liever geen contact op met jeugdzorg, omdat ze niet wil dat haar zusjes uit elkaar gehaald worden. Ze verkoopt de pijnstillers van haar moeder en probeert het geld voor de jas bij elkaar te harken, terwijl ze haar zusjes moet onderhouden.

Zittend in een cabrio lacht Goldie haar tanden – inclusief flinke spleet tussen haar voortanden – bloot. De wind waait door haar haren, haar geel opgemaakte ogen stralen en we proeven het geluk. Zowel van Goldie, als dat van debutante Slick Woods, die de show steelt met haar markante uiterlijk en knappe acteerwerk in deze tweede speelfilm van De Jong.

 

14 januari 2020

 

ALLE RECENSIES

Marianne & Leonard: Words of Love

****
recensie Marianne & Leonard: Words of Love

Captain Mandrax op de loop voor leven en liefde

door Alfred Bos

De film van de Britse documentairemaker Nick Broomfield over de romantische relatie van de Canadese singer-songwriter Leonard Cohen en diens Noorse muze Marianne Ihlen is soms pijnlijk intiem en vaak pijnlijk eerlijk.

Hij was de dichter van de quasi-depressieve vrouwen van zijn tijd, aldus zijn producer. Leonard Cohen – singer-songwriter, zanger, gitarist, schrijver, maar vooral dichter – maakte donkere muziek voor mensen met een donkere ziel. Nick Cave, zelf geen toonbeeld van joi de vivre, ziet hem als zijn grote voorbeeld. Halleluja, Cohens befaamdste compositie, is hemelse grafmuziek. Op zijn tong smaakt melancholie als ambrosium.

Marianne & Leonard: Words of Love

Leonard Cohen (1934-2016) had zijn tijd mee. Hij was een romanticus in een rationele eeuw, maar net toen hij besloot om als zingende dichter zijn brood te verdienen omdat het schrijven van romans geen kruimel betaalde, zette een culturele revolutie de ideeën over vrijheid en levensvervulling op de kop. Cohen is geen product van de tegencultuur van de jaren zestig, eerder het uithangbord dat ook het culturele establishment kon behagen.

Leonard Cohen had meer mee. Geboren in Montreal, Canada als zoon van een welgestelde Joodse familie. Opgegroeid in een cultureel milieu. Opgeleid als student letteren. Een elegante man met een markante kop en een donkere stem—in combinatie met zijn poëtische ziel woest aantrekkelijk voor vrouwen. Hij brak harten met een flair die voor vergelijkbare hippieminstrelen als James Taylor en Cat Stevens onbereikbaar is gebleken. Zie ze backstage zwijmelen aan zijn voeten, Cohens gêne is vertederend.

Zuurstof voor mannelijk vuur
Maar als de documentaire Marianne & Leonard: Words of Love één ding duidelijk maakt, is het dat Leonard Cohen niet was geboren voor het geluk dat al die meevallers doorgaans brengen. Hij werd gedreven door existentiële onrust. Cohen speelde regelmatig en voor eigen plezier in instellingen voor geesteszieken. Zijn moeder was zo gek als een deur, volgens mensen die haar hebben gekend. Hij was op de loop voor zichzelf.

Marianne & Leonard: Words of Love

Vrouwen zijn het favoriete gezelschap van Leonard Cohen en staan centraal in zijn leven, blijkt uit de film van de Britse documentairemaker Nick Broomfield (1948). Vrouwen als prikkelend gezelschap, als zuurstof voor mannelijk vuur, als muze. Marianne & Leonard: Words of Love vertelt het verhaal van de Canadese dichter-zanger en diens grote liefde, de Noorse Marianne Ihlen (1935-2016). Ze is het onderwerp van So Long, Marianne; het lied Bird on a Wire is tot haar gericht. Marianne had de zorg voor het huishouden terwijl Leonard op het Griekse eiland Hydra zijn romans The Favourite Game (1963) en Beautiful Losers (1966) schreef. Ook toen ze uit elkaar waren, hielden ze contact.

Broomfield neemt, al is het zijdelings, deel aan de vertelling. Hij had een affaire met Marianne en bleef met haar bevriend. Aldus behoort de regisseur tot de kring van intimi en het geeft hem toegang tot persoonlijk, niet eerder vertoond beeldmateriaal en brengt insiders voor de camera die ongeremd – en niet altijd even vleiend – hun indrukken en herinneringen verwoorden. Veel dichter op de huid van de bronstige bard en diens muze zullen we als buitenstaander niet komen.

Ontsnappen aan het leven
De documentaire is meerdere films ineen. Hij schetst de geliefden en hun relatie. Het is tevens een biografisch portret en graaft naar Cohens beweegredenen. En hij geeft in het voorbijgaan een minidocumentaire over Hydra, het paradijselijke eiland in de Egeïsche Zee waar Cohen in 1960 een woning kocht. Het was een toevluchtsoord voor existentialisten en artistieke bohemiens, de Europese tegenhangers van de beatniks en voorlopers van de hippies. Ze waren “vluchtelingen”, aldus Marianne Ihlen. Het liep zelden goed af, Cohen is een uitzondering. Ihlens biografe Helle Goldman: “Er was teveel vrijheid op Hydra.”

De ontsnapping – aan een academische loopbaan, een burgerlijk bestaan, een bindende liefde, het leven zelf? – staat centraal in de film. Het is een terugkerend motief in het werk van Cohen, denk aan The Partisan: “the frontiers are my prison”. De depressies, waarin hij werd verteerd door twijfel grenzend aan zelfhaat, worden in poëzie gegoten: ‘I stepped into an avalanche, it covered up my soul’ (Avalanche, van Songs of Love and Hate, gecoverd door Nick Cave). Het succes als zingende dichter viel hem in de schoot. Maar hij was niet gemaakt voor een carrière in de muziekindustrie, meent gitarist Ron Cornelius, jarenlang Cohens vaste begeleider.

Marianne & Leonard: Words of Love

Romantiek op zijn meest romantisch
Dichters – en creatievelingen in het algemeen – zijn geen goede echtgenoten, merkt Aviva Layton, de vrouw van een huisvriend, op: ze zijn getrouwd met hun muze. De gave van Leonard Cohen was dat hij goed kon luisteren en vrouwen het gevoel gaf aantrekkelijk te zijn. Dat stofgoud streek ook neer op Marianne Ihlen, toen ze hem als gescheiden vrouw met baby en minderwaardigheidscomplex ontmoette op Hydra. Ze kwam gebutst maar ongebroken uit de langzaam dovende knipperlichtrelatie met Cohen, altijd die ene maar nimmer de enige. Het verhaal van Marianne en Leonard is romantiek op zijn meest romantisch, maar zoon Alex betaalde de tol voor de passie.

Het verhaal van Captain Mandrax, zoals zijn bijnaam rond 1970 luidde, en zijn Noorse nimf wordt tamelijk abrupt schetsmatig wanneer Marianne Ihlen is teruggekeerd naar Oslo. Zij hertrouwt en leidt een anoniem maar gelukkig bestaan als secretaresse. Hij raakt in een crisis, het briljante Halleluja wordt afgewezen door de platenmaatschappij en hij trekt zich terug in een klooster. Financieel aan de grond wanneer zijn manager zijn persoonlijke vermogen blijkt te hebben verduisterd, maakt hij een verbluffende comeback en groeit uit tot de artistieke opa die iedereen zich wenst.

Marianne Ihlen overlijdt op 27 juli 2016. Cohen stuurt haar een liefdevol en ontroerend afscheidsbericht. De filmkijker ziet Marianne op haar sterfbed terwijl de woorden van haar voormalige amant worden voorgelezen en het is een knappe jongen die zijn kaken strak weet te houden. Hij overlijdt amper drie maanden later. Het is het sobere slot van een film over een diepgevoelde liefde en de man die die liefde liet schieten voor “an education in the world”. Marianne & Leonard: Words of Love is niet de definitieve documentaire over Leonard Cohen, wel de intiemste. En wellicht de raakste. So long, Leonard.

 

7 januari 2020

 

ALLE RECENSIES

Elvis: That’s the Way It Is

*****
recensie Elvis: That’s the Way It Is 

Eén been in Memphis, het andere in Las Vegas

door Alfred Bos

Elvis Presley’s tweede live-registratie vangt de zanger op een kantelpunt in zijn carrière. Het is een magisch moment.

Elvis: That’s the Way It Is is de eerste niet-speelfilm in de loopbaan van The King. De film documenteert een serie optredens van augustus 1970 in het International Hotel in Las Vegas, inclusief de voorbereidingen van de concertreeks. De film van regisseur Denis Sanders verscheen in november van dat jaar in de Amerikaanse bioscoop, gelijktijdig met de gelijknamige langspeelplaat, Elvis’ twaalfde. In 2001 werd een opnieuw gemonteerde versie uitgebracht: minder documentaire en meer concertfilm. In 2007 volgde de dvd. Op 8 januari, de verjaardag van Presley, draait de film, voor het eerst en voor één dag, in de versie van 2001 in de Nederlandse bioscoop.

Elvis: That’s the Way It Is

Voor zijn fans, en muziekliefhebbers in het algemeen, is dat een buitenkans, want Presley heeft nooit buiten Amerikaans grondgebied opgetreden. (We tellen de hologramconcerten niet mee, dat spreekt.) De tv-registratie Elvis: Aloha from Hawaii van 4 april 1973 – die via satelliet naar de kijkers van betaaltelevisie werd uitgestraald – laat een showbizz-ster zien die druk doende is zijn publiek, maar vooral zijn manager te behagen.

Elvis: That’s the Way It Is toont Elvis op een vork in zijn loopbaan en leven. Hij is 35 jaar oud, een gelouterde ster. Hij is ook een overrijpe vrucht, smaakvol en sappig; op zijn beste moment, kort voor de rot inzet. Met zijn ene been staat hij nog in Memphis, met het andere in Vegas. Het is een onmogelijke pose, zijn karate-splits kunnen het nakende bederf niet verhullen. Zijn cool staat op het punt van smelten.

Creatief bevrijd
Maar nu nog even, heel even niet, in het strijklicht van het uur voor zonsondergang wordt alles goud. In de zomer van 1970 was Elvis nog steeds bevrijd. Van het bestaan van een idool dat wordt geleefd door management en entertainmentindustrie. Van het juk van zakelijke verplichtingen en veilige keuzes. Van een verloederde reputatie. Met Elvis: The Comeback Special had hij op 3 december 1968 in een uur tv-tijd zijn faam én creatieve ruimte teruggewonnen.

Met als resultaat: het beste album uit zijn carrière, From Elvis In Memphis, een plaat waarop country, soul, gospel en rock versmelten. Plus een reeks hits, waaronder In The Ghetto, Suspicious Minds, zijn eerste Amerikaanse nummer 1-hit in zeven jaar, en The Wonder of You, nummer 1 in Engeland. En een terugkeer naar het podium. De verloren jaren in Hollywood en een eindeloze reeks steeds lamlendiger exploitatiefilms waren voorbij.

Elvis: That’s the Way It Is

Op 31 juli 1969 stond Elvis voor de eerste keer sinds 1956 op een podium in Las Vegas, dat van het International Hotel. Op dat engagement van vier weken volgden halfjaarlijkse verplichtingen in Vegas, daags na zijn terugkeer in Vegas onderhandeld door zijn manager: jaarlijks in februari en augustus een maand lang twee shows per dag in het International. Zakelijk gezien een briljante zet – het publiek reist naar de artiest, niet andersom – maar al snel een verstikkende sleur, zou blijken.

Aanstekelijke energie
Van sleur is nog weinig te merken in de aanloop naar de concerten van augustus 1970, zijn derde reeks in Vegas. We zien Elvis grollen tijdens de repetities in Culver City, Californië. Hij is het centrum van de aandacht. Zijn band, onder leiding van gitarist James Burton, volgt gedwee. Hij doet een geweldige Little Sister (een B-kant uit 1961). Hij stoeit met Words van de Bee Gees en Get Back van The Beatles. Hij doet wat in hem opkomt. Hij wipt rusteloos met zijn been. Heeft Elvis ADHD? Zijn energie is aanstekelijk. Zijn overhemd oogverblindend. Elvis bruist. Hij is de god die alle vrouwen en veel mannen in hem zien.

Hij stoeit met de jongens en is hoffelijk tegen de meiden, de soulzangeressen van The Sweet Inspirations die met de mannen van The Imperials zijn gospelkoor vormen. Tijdens de zaalrepetities klinken ze prominent in Bridge Over Troubled Water en even is de hotelzaal een kerk. Eenmaal in zijn karateshowkostuum gehesen – speciaal voor hem ontworpen door Bill Belew, de man die hem in het leer stak voor de comeback-tv-special – blijft hij ook voor een zaal met filmsterren, opgedirkte huisvrouwen van onbestemde leeftijd en gehypnotiseerde bakvissen de charme zelve. Er is tijd voor een kussessie met vrouwelijke fans.

Elvis heeft er trek in. Hij weet wie hij is en wat men van hem verwacht. Hij zingt hits van toen (Heartbreak Hotel), hits van nu (In The Ghetto) en toekomstige hits (Dusty Springfields You Don’t Have to Say You Love Me). Hij stoeit met broeierige soulrock, Poke Salad Annie. De majestueuze countrygospel van Just Pretend doet de studioversie (van het album Elvis: That’s the Way It Is) vergeten. Hier klinkt een reus.

Elvis: That’s the Way It Is

Onmogelijke spagaat
Op 10, 11, 12 en 13 augustus van 1970 (de dagen waarop Elvis: That’s the Way It Is werd gedraaid) is Elvis nog even de muziekfan die door de wereld werd aanbeden als popidool en sekssymbool. Maar wie goed luistert, hoort het onheil naderen. De rock, country, gospel en soul worden geserveerd naast muzikaal fondant, gladgestreken middle of the road-repertoire als het weeïge The Wonder of You en de orkestrale pop van You Don’t Have To Say You Love Me. De powerballad lonkt.

En wie goed kijkt, kan de eerste glimp van verval niet ontgaan. De rockheld van weleer staat op het punt plaats te maken voor de allemansvriend die in Las Vegas audiëntie houdt. Roots-muziek en gepolijst entertainment, het gaat niet samen. Maar ergens middenin die veeleisende spreidsprong doet Elvis Presley in de tweede week van augustus 1970 op het podium van het International Hotel een laatste, onmogelijke spagaat.

Hij is de Elvis van zijn toenmalige tienerpubliek, dertigers inmiddels. Hij is de herboren Elvis van de Comeback Special, de Elvis op de toppen van zijn kunnen. En hij is de Elvis die, gehuld in rhinestonepakken, langzaam zal wegzinken in pillenverneveling, junkfood-postuur en middelbare leeftijd; de Elvis die een karikatuur van zichzelf werd. Hij is al die Elvissen op dat ene, door goudlicht bestreken moment dat door Denis Sanders op film werd gevangen. Het is pure magie.

 

4 januari 2020

 

ALLE RECENSIES

Star Wars: The Rise of Skywalker

**
recensie Star Wars: The Rise of Skywalker

Geest van het verleden

door Michel Rensen

Na het wisselend ontvangen The Last Jedi keert JJ Abrams terug in de regiestoel. Net als The Force Awakens bouwt ook de laatste film in de reeks sterk op herkenbare elementen uit de franchise. Een risicoloze nostalgierace door de ruimte. 

Na het overlijden van Luke Skywalker en het verlies van de held waar het verzet zo naar verlangde, is het aan Rey om zijn rol in te gaan vullen. Eindelijk herenigd met Finn en Poe is het trio weer samen om voor eens en altijd af te rekenen met Kylo Ren en de First Order. Een bericht met de stem van Palpatine leidt Rey en haar mede-rebellen naar de verborgen planeet Exegol om de onbekende, duistere macht te confronteren. Aangezien Kylo Ren geen macht boven zich duldt, is ook hij op weg naar Exegol om zijn concurrent uit te schakelen. De wegen van Rey en Kylo lijken onvermijdelijk weer samen te komen.

Star Wars: The Rise of Skywalker

Op zoek naar de route die hen naar de verborgen planeet zal leiden, rolt het trio van mini-plot naar mini-plot waarin doorlopende elementen nauwelijks een rol spelen. De plotselinge introductie van nieuwe en bekende personages en het gebruik van Reys Force-krachten duwen het verhaal zeer kunstmatig voort. Van spanning valt nauwelijks te spreken, de personages zijn vooral een hoop aan het rennen.

Net als de personages staat ook de camera vrijwel nooit stil. De film neemt helaas niet de tijd om een dramatisch element in te laten werken. Waar het ontvluchten van hun situatie in The Force Awakens een cruciaal onderdeel van het verhaal is, voelt het hier vooral als het uitstellen van het onoverkomelijke eindgevecht.

Star Wars: The Rise of Skywalker

Nostalgische fanservice
JJ Abrams gooit de toekomstgerichte visie van The Last Jedi met het badwater weg. De film is doordrenkt met nostalgische fanservice. George Lucas is waarschijnlijk de enige nog levende medewerker van de originele trilogie die niet zijn steentje aan deze film heeft mogen bijdragen. Zelfs Luke’s X-Wing wordt voor een laatste erevlucht uit het water gevist. Ongeacht wat je favoriete Star Wars-moment is, zal er een moment in deze film zijn die er naar verwijst. Niet alleen Rey krijgt advies van de geesten van haar overleden mentoren, maar ook JJ Abrams lijkt het verleden niet los te kunnen laten.

Reys verleden is weer een centraal thema in The Rise of Skywalker. In The Last Jedi bleken haar ouders onbelangrijke figuren, maar zoals het een Star Wars-film betaamt, gooien verdorven familierelaties toch roet in het eten. Rey kan alleen de uitverkorene zijn door uit een Force-familie te komen. De rebellen pleiten wel steeds voor samenwerking als enige middel om de Sith te kunnen verslaan, maar uiteindelijk hangt alles af van de ene heldin.

Star Wars: The Rise of Skywalker

Overtreffende trap
Nieuw is het allemaal niet. De conflicten zijn steeds een stap groter en meer dan in voorgaande episodes. De First Order maakt plaats voor de Final Order. De Death Star uit de originele trilogie werd in The Force Awakens al overschaduwd door een veel grotere Death Star, maar nu hebben de Sith zelfs een hele vloot aan ruimteschepen tot hun beschikking die stuk voor stuk een planeetvernietigend wapen aan boord hebben.

Door de hoge plotvoortgang kijkt de film lekker weg, maar je vraagt je wel steeds af wat The Rise of Skywalker aan het Star Wars-universum heeft toe te voegen. Misschien is het verstandiger die stoffige dvd’s of videobanden met de originele films deze Kerst maar weer eens uit de kast te pakken.

 

18 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Peanut Butter Falcon, The

****
recensie The Peanut Butter Falcon

Aaibare bromance met gouden hart

door Sjoerd van Wijk

De opeenstapeling van clichés mag voor deze ene keer in The Peanut Butter Falcon dankzij het hart van goud. De bromance is te hartverwarmend en het optimisme te aanstekelijk om te sikkeneuren. 

Deze roadmovie kleurt netjes binnen de lijntjes. Het scenario van het debuterende regieduo Tyler Nilson en Michael Schwartz is een grote invuloefening binnen een standaardverhaalstructuur over de vluchtende brandstichter Tyler die zich noodgedwongen ontfermt over de uit het verzorgingshuis ontsnapte Zak met het syndroom van Down. Zaks droom is worstelaar worden. De vluchtende Tyler heeft uiteraard geen zin Zak mee op reis te nemen, maar doet dat toch met de belofte hem onderweg af te leveren bij de worstelschool van The Salt Water Redneck. Het moge duidelijk zijn dat zij gaandeweg een band krijgen. Ondertussen zit een stel boeven achter Tyler aan en zoekt de nette verzorgster Eleanor naar Zak. 

The Peanut Butter Falcon

Vertedering
Hun hechte band is van een integere schoonheid die vertedert. Net als in het hautaine American Honey speelt Shia LaBeouf een vrijgevochten vagebond en doet dat deze keer op ingetogen wijze. Zijn tegenspeler Zack Gottsagen, een acteur met syndroom van Down, heeft een ontwapenende oprechtheid. De ontluikende bromance is daarmee hartverwarmend in hoe naturel deze overkomt.

Zodra de initiële weifeling van Tyler verdwijnt, is hun reis een aaneenschakeling van joviale momenten. Een geheime vriendengroet vergroot de aaibaarheidsfactor van dit olijke duo. Dat er vanaf dan op een hachelijke oversteek van een rivier na geen spanning is, kan niet deren, want LaBeouf en Gottsagen brengen de innige band met verve.

Romantiserend avontuur
Deze bromance was eigenlijk al voldoende voor The Peanut Butter Falcon, maar een overbodige romance voor Tyler verstoort de idylle. Dakota Johnson (van de Fifty Shades-reeks) als de deftige Eleanor valt niet alleen voor het leven als vagebond maar tevens voor Tyler als zij de twee eindelijk op het spoor komt. Zaks queeste komt er zo enigszins bekaaid van af, wat tevens zonde is van Thomas Haden Church’s komische bijrol als de theatrale Salt Water Redneck. 

Buiten de expliciete romance om is The Peanut Butter Falcon sowieso een romantiserende film. Het kat-en-muisspel kabbelt te allen tijde lieflijk op de achtergrond. Zwerven door de wildernis lijkt vooral erg leuk, inclusief vlotten bouwen bij een vrome excentriekeling. Nilson en Schwartz weten de hoogtepunten van de tocht snedig in elkaar over te laten vloeien, waardoor deze aanvoelt als een jongensboekavontuur.

The Peanut Butter Falcon

Amerikaans optimisme
Het zuiden van de Verenigde Staten vormt een prettige arena voor een typisch Amerikaanse invalshoek. Waar in Willy 1er de hoofdpersoon met verstandelijke beperking vooral een slachtoffer is gefilmd met exploitatieve insteek, vertelt The Peanut Butter Falcon een verhaal van emancipatie. Zak put kracht uit zijn vriendschap met Tyler en vindt daardoor autonomie. Ook Eleanor leert dat zelfstandigheid beter is dan alles maar te willen regelen en controleren. The Peanut Butter Falcon lijkt zo filosoof Ralph Waldo Emersons klassieke essay Self-Reliance ter harte te hebben genomen. Hierin schetst Emerson een blauwdruk van het Amerikaanse libertaire individualisme en neemt hij stelling tegen conformisme. 

Dit gedachtegoed zit in de film met een onbevangen idealisme wat dit Amerikaanse optimisme zo aantrekkelijk maakt. Zak brengt het tegen het einde in de praktijk door een zogenaamd volgens The Salt Water Redneck onmogelijke worstelbeweging te maken, een stuk voorspelbare bombast inclusief slow motion, wat snel vergeven is. Want tegen de bromance van The Peanut Butter Falcon is maar weinig opgewassen.

 

14 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Farewell, The

****
recensie The Farewell

Slecht nieuws niet delen met zieke

door Nanda Aris

Wanneer de zus van oma het slechte nieuws over de uitgezaaide longkanker te horen krijgt van de arts, zegt ze oma dat er niks aan de hand is. De familie respecteert het besluit, ook al vinden sommige familieleden het lastig. Een bruiloft moet ervoor zorgen dat de familie samenkomt in China, om samen het leven te vieren, en in stilte afscheid te nemen van oma.

Regisseuse en schrijfster Lulu Wang maakte eerder de films Touch (2015) en Posthumous (2014). The Farewell is gebaseerd op een ‘echte leugen’, ook de oma van de filmmaakster werd verzwegen dat ze ziek was.

The Farewell

Billi (een mooie rol van Awkwafina: Ocean’s Eight, Crazy Rich Asians, waarin ze een hysterischer type speelt) is een rustige, wat dwalende dertiger die vanaf haar zesde in New York woont. Ze heeft nog altijd veel contact met Nai Nai (Zhao Shuzhen), haar oma in China. Zij is de wijze matriarch van de familie, ook al wonen haar kinderen en kleinkinderen verspreid over de wereld. Wanneer het slechte nieuws via de zus van Nai Nai (Lu Hung, in werkelijkheid de tante van Wang) Amerika bereikt, reizen Billi’s vader (Tzi Ma: Rush Hour, Arrival) en moeder (Diana Lin: Australia Day) af naar China en vertellen hun dochter niet te komen, omdat ze geen geheim zou kunnen bewaren. Billi negeert dit en vliegt haar ouders achterna.

Samenzijn
In China is de familie sinds vijfentwintig jaar weer compleet. Billi’s oom uit Japan is er ook, evenals haar neefje met zijn Japanse verloofde, een houterig stel, wier bruiloft ze gaan vieren. Het wordt een melancholisch, grappig en soms ook verdrietig samenzijn. Er wordt gegeten, nagedacht en gepraat over hoe het is om Chinees te zijn en om in het buitenland te wonen. Het is een bekend thema voor emigranten: in het thuisland voelen zij zich niet meer thuis, omdat ze er al zo lang weg zijn, maar in het nieuwe land worden ze nog altijd gezien als de buitenlander.

Soms komt deze worsteling duidelijk naar voren, bijvoorbeeld wanneer Billi huilend aan haar moeder vertelt hoe ze zich voelde toen ze vanuit China naar Amerika verhuisde. Vaker nog zijn de aanwijzingen subtieler, en daarin blinkt de film uit, zoals wanneer Billi in haar hotel door een deur die op een kier staat, een groep rokende en spelende mannen omringd door sexy geklede vrouwen ziet. Ze vindt verschrikt oogcontact met een leeftijdsgenootje – zou dat ook haar leven in China geweest kunnen zijn?

The Farewell

Ziekte
Billi blijft het lastig vinden dat Nai Nai van niks weet, maar haar oom herinnert haar eraan dat men in het westen niet op dezelfde manier tegen ziekte aankijkt. Hier ben je zelfs strafbaar als je zulke informatie achterhoudt, laat staan dat je een brief van de dokter vervalst. Doordat men in het westen individualistischer is, draagt de zieke de last van het ziek zijn zelf. In China ben je onderdeel van een groter geheel, en wordt de last van de ziekte gedragen door naasten.

Bovendien, zo zegt Billi’s moeder, is er in China een gezegde: ‘Wanneer mensen kanker krijgen, gaan ze dood’. Niet door de kanker zelf, maar door de angst sterven ze. De dood is in China geen omarmd thema. Zo gelooft men dat een testament schrijven, jezelf vervloeken is. Aanvankelijk is het onbegrijpelijk dat zulk groot nieuws niet gedeeld wordt met de zieke, maar gaandeweg krijgen we, net als Billie zelf, meer begrip voor de situatie.

 

20 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Irishman, The

*****
recensie The Irishman

Knecht van twee meesters

door Alfred Bos

Het matige filmjaar sluit meeslepend af met dit meesterwerk van Martin Scorsese. The Irishman draait een paar dagen in de bioscoop, eer de film op 27 november uitgaat via streamingdienst Netflix. Zo’n grootse film moet je zien op het grote doek.

The Irishman voelt als een afscheid. Van een generatie acteurs, van een bepaald soort film en een bepaald soort filmbeleving, van een tijdperk. Martin Scorsese behoort met Francis Ford Coppola, Brian de Palma, George Lucas en Steven Spielberg tot de coterie van aanstormend filmtalent dat in de jaren zeventig de Amerikaanse cinema, met Hollywood voorop, behoedde voor aderverkalking. Film was voor hen kunst, méér dan louter vermaak. Film moest iets vertellen over mensen, de wereld, het leven.

The Irishman

Van het kwintet jonge honden is Martin Scorsese het dichtst bij dat uitgangspunt gebleven. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij door afkomst – zoon van Italiaanse immigranten, en milieu, het straatleven in de Italiaanse buurt van New York – was voorbestemd om te kiezen tussen kerk en crime. Het werd een loopbaan als cineast die films maakte over misdaad en geloof. Een van de redenen waarom The Irishman oogt als Scorsese’s magnum opus, het uitroepteken achter een uitzonderlijke carrière, is dat de film beide thema’s samenbrengt. Maar niet op de manier die je zou verwachten.

De boefjes en boeven van Mean Streets (1973), Goodfellas (1990) en Casino (1995) – Scorsese’s eigentijdse films over misdaad en maffia – zijn vrijgevochten en kennen wet noch moraal. Ze ambiëren aanzien en zijn boos op de wereld, vooral op iedereen die zich niet naar hun hand laat zetten. Die films schetsen de georganiseerde misdaad als familie, met alle naijver die daar bijhoort. De maffia zorgt voor je. Behalve als je Frank Sheeran heet.

Verdorven vaderfiguren
Frank Sheeran is de protagonist van The Irishman, een emotieloze vrachtwagenchauffeur die in het criminele milieu belandt, vertolkt door Scorsese-veteraan Robert De Niro. De oorlogsveteraan is een karakterloze windvaan die door tegenstrijdige loyaliteiten in een gewetensknoop raakt. De prijs is hoog, hij wordt verstoten. Niet door zijn criminele kornuiten, want die zijn dood of zitten in de bak. Maar door zijn familie. Schrijnender lot bestaat er in de ogen van de filmmaker niet. The Irishman is geen noodlotsdrama, het is een karakterstudie.

De film van drie-en-een-halfuur lengte is episch van opzet en intiem qua uitwerking. Hij is gecentreerd rond de moord op Jimmy Hoffa, een corrupte vakbondsman met een monsterego die in 1975 verdween; zijn lijk is nimmer gevonden. Hoffa is een glansrol van Al Pacino, die iedere scène dreigt te stelen waarin zijn personage optreedt. The Irishman schetst en passant het reilen en zeilen van de maffia, en de rol die de georganiseerde misdaad heeft gespeeld in de Amerikaanse politiek van na de oorlog. Het is een filmische tegenhanger van James Ellroys Underworld USA-trilogie.

The Irishman

Rond 1960 wint de georganiseerde misdaad aan invloed, het wordt een internationaal opererend bedrijf dat zijn tentakels uitslaat naar politiek en vakbond. In het oog van de storm schuilt Frank ‘The Irishman’ Sheeran, een ex-soldaat die in de Tweede Wereldoorlog op commando krijgsgevangenen doodschoot. Via een toevallige samenloop van omstandigheden is hij gerekruteerd door Russell Bufalino, capo van de machtigste misdaadfamilie in Pennsylvania; Joe Pesci onderbrak zijn pensioen voor de rol van Bufalino, hij speelt hem als een gelooide varaan. Het zijn de verdorven vaderfiguren Bufalino en Hoffa die de ‘soldaat’ Sheen corrumperen. The Irishman is een film over (on)trouw en solidariteit: tussen arbeiders, familieleden, vrienden en maffiosi. Over fatsoen in een immorele wereld.

Breed canvas
De kracht van The Irishman is de vervlechting van Frank Sheerans persoonlijke verhaal met de geschiedenis van de Amerikaanse politiek in jaren zestig: de verkiezing van John F. Kennedy tot president, de opkomende macht van de vakbond voor vrachtwagenchauffeurs (de International Brotherhood of Teamsters) en de inspanningen van Kennedy’s broer Robert, minister van justitie, om de macht van de maffia te breken. Politiek en misdaad gaan in Amerika sinds de drooglegging van de jaren twintig hand in hand, misdaadauteur James Ellroy heeft er zijn levenswerk van gemaakt om feit te verdichten met fictie.

The Irishman toont de psychologie – of psychopathologie – achter de feiten. Met de moord op president Kennedy (Dallas, 22 november 1963) slaat de maffia drie vliegen in één klap. Ze bestraffen JFK voor diens verraad: hij heeft zijn verkiezingsoverwinning te danken aan de ‘familie’, die stemmen voor hem heeft geronseld; als dank laat hij zijn broer de georganiseerde misdaad aanpakken. Met de eliminatie van de president zijn ze tevens van die vervelende horzel Robert Kennedy af en komt de rijkgevulde pensioenkas van de Teamsters-vakbond vrij voor de schaduweconomie van de misdaad.

De film spant een breed canvas, van de jaren vijftig tot deze eeuw. Het hart vormt de reis per auto die Sheenan, Bufalino en hun echtgenotes in 1975 ondernemen om het huwelijk van Bufalino’s dochter in Detroit bij te wonen, althans dat denkt Sheeran. Die scènes worden afgewisseld met flashbacks over hun voorgeschiedenis en de opkomst van Jimmy Hoffa. Dat alles is ingebed in waar het werkelijk om draait: de proloog en epiloog met Frank Sheeran in het bejaardenhuis.

Netflix
Het boek waarop The Irishman is gebaseerd, I Heard You Paint Houses van de voormalige aanklager Charles Brandt, verscheen in 2004 en het kostte Scorsese vijftien jaar om zijn project te realiseren. Naar verluidt is co-producer Robert De Niro er verantwoordelijk voor dat de film ondanks alle praktische perikelen toch is gemaakt. De tijd begon te dringen: regisseur en het trio hoofdrolspelers – naast De Niro, Pacino en de eenmalig teruggekeerde Pesci zijn er bijrollen voor onder meer Harvey Keitel, Ray Romano, Bobby Cannavale, Anna Paquin, Stephen Graham en Jesse Plemons – werden er niet jonger op. De digitale technologie om de acteurs te verjeugdigen, heeft een flink deel van het budget van 160 miljoen dollar opgesoupeerd.

The Irishman

De regisseur vond geen enkele filmproducent bereid om zo’n bedrag voor zo’n film op te hoesten. Het project kreeg de zegen van Netflix, dat The Irishman vanaf 27 november via haar streamingdienst aanbiedt. De consequentie is dat de film slechts luttele dagen op het grote bioscoopdoek is te zien. Ook in dat opzicht voelt The Irishman als een elegie voor een vervlogen tijdperk. Films van een dergelijk brede opzet en psychologische finesse kunnen naar het oordeel van de Amerikaanse filmindustrie niet meer gemaakt worden voor een bioscooppubliek.

Soundtrack met periodemuziek
Het is een ander soort gangsterfilm dan Goodfellas, dat zonder te oordelen mores en milieu van de maffia observeert. Het is ook geen Casino, dat de verstrengeling van onderwereld en bedrijfsleven illustreert aan de hand van Las Vegas in de jaren zeventig en tachtig. Met zijn historische zwier is het zeker geen Mean Streets, dat de psychologie van de crimineel toont op buurtniveau. De periodemuziek, de doowop van de Five Satins (In the Still of the Night), de rhythm & blues van Jimmy Reed (Baby What Do You Want Me to Do) en de proto- rock-’n-roll van Fats Domino (The Fat Man), speelt een bescheiden rol op de geluidsband en wordt niet ingezet om het verhaal voort te stuwen.

The Irishman is een rijke, grootse, oeuvre omspannende en laat in de loopbaan geplaatste krachtoer à la Kurosawa’s Ran of Bergmans Fanny en Alexander. Het had zomaar een miniserie voor tv kunnen zijn, maar net als Bergman indertijd kiest Scorsese voor het grote scherm. Drie-en-een-halfuur lijkt een hele zit en de epiloog kan voelen als een onnodige appendix. Maar juist in die slotscènes met een hoogbejaarde en schuldbewuste Frank Sheeran in het verzorgingshuis, afgewezen door zijn favoriete dochter, zit de kern van de film en betoont Scorsese zich de priester die hij aanvankelijk dacht te worden. Wie zal je troosten wanneer iedereen je heeft verlaten?

 

12 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Report, The

*
recensie The Report

De held die de deur sluit

door Tim Bouwhuis

In The Report resulteren de inspanningen van onderzoeksjournalist Daniel J. Jones in een monumentaal verslag van de martelpraktijken die de CIA na 9/11 dichterbij vermeende Al Qaida-terroristen bracht. De wanstaltig eenzijdige film roept in een veel breder kader vragen op over propaganda en politieke invloed.

The Report is een perfect voorbeeld van een film die door zijn complexe politieke context tot veel meer discussie en reflectie oproept dan de uiterst simpele plot doet vermoeden. Regisseur Scott Z. Burns debuteerde in 2006 met het fascinerende door HBO voor televisie geproduceerde PU-239 (ook wel The Half Life of Timofey Berezin). Hierna werkte hij met name als scenarist, onder meer voor The Bourne Ultimatum (2007), meerdere films van Steven Soderbergh en volgend jaar ook voor de nieuwe titel in de James Bond-franchise, No Time To Die. Voor zijn tweede regieklus in twaalf jaar strikte hij als hoofdrolspeler Hollywoodacteur in de lift Adam Driver (Star Wars: The Last Jedi, BlacKkKlansman).

The Report

Film en overheid
Het is nagenoeg onmogelijk in het wegen en beoordelen van The Report te ontsnappen aan politieke en morele vragen over het Amerikaanse beleid in contra-terrorisme en de publieke communicatie daarvan. Hierbij gaat het niet alleen om je blik op het politieke handelen van de Verenigde Staten in de nasleep van 9/11, maar ook om de manier waarop films die blik kunnen beïnvloeden. De oeuvres van regisseurs als Michael Bay en Peter Berg laten zich niet loskoppelen van de vraag wanneer film niet langer propaganda lijkt maar propaganda is, om op dat punt nog maar te zwijgen over de daadwerkelijke invloed van instanties als de CIA en het Pentagon in dit soort projecten. In dat laatste verband is het al geen publiek geheim dat Michael Bay in zijn films maar wat graag de nieuwste snufjes van het vaderlandse militaire bastion uitprobeert. Sinds er voor het eerst een Amerikaanse oorlogsfilm logistiek ondersteund werd door, in dit geval, de Amerikaanse luchtmacht (Wings, 1927), kent de Hollywoodgeschiedenis voorbeelden te over van dit soort zichtbare verbintenissen, waarvan wervingscampagne Top Gun (1986) in afwachting van de sequel (juni 2020) waarschijnlijk het meest tot de verbeelding spreekt.

De traditioneel clandestiene operaties van de CIA en aanverwante instanties laten zich zonder passend onderzoek moeilijker met concrete films in verband brengen. Het is één ding om te analyseren hoe de CIA in Hollywoodcinema gerepresenteerd wordt, maar wanneer gaat die representatie over in (bewijzen van) concrete betrokkenheid? Zeker sinds het advent van de Koude Oorlog en het bijbehorende hoogtij van films vol politieke paranoia vinden we genoeg prikkelende titels die de vraag naar de grenzen tussen fictie en werkelijkheid tot het uiterste oprekken, van The Manchurian Candidate (1962) tot The Parallax View (1974) en Three Days of the Condor (1975). Van die laatste twee films geeft Burns al gretig toe dat ze door hun visuele stijl inspiratiebronnen voor The Report waren (en van Sydney Pollacks Three Days of the Condor weten we ook dat toenmalige CIA-directeur Richard Helms destijds de set heeft bezocht en hoofdrolspeler Robert Redford van advies heeft voorzien). Dat The Report de vergelijking door de fletse, inspiratieloze cinematografie nauwelijks doorstaat, onderschrijft vast hoeveel sterker laatstgenoemde film uiteindelijk inzet op de communicatie van zijn (politieke) inhoud.

The Report

De olifant in de industrie
Of en in welke mate die politieke inhoud ingegeven en/of gecontroleerd is door hogere overheidsinstanties kan ondergetekende in het specifieke geval van The Report (een productie van Amazon Studios) niet bewijzen, hooguit vermoeden. Vast staat wel dat Hollywood en de CIA vanaf de vroege jaren negentig nauwer en intenser zijn gaan samenwerken. Tony Shaw en Tricia Jenkins (tevens de auteur van het boek The CIA in Hollywood, uit 2012), twee Amerikaanse academici, schreven in 2017 dat Chase Brandon (een neef van acteur Tommy Lee Jones) vanaf deze periode Hollywoodfilmmakers en producers onderwees over de rol van de CIA en hen actief stimuleerde CIA-successen in hun films op te nemen. Dit proces loopt tot de dag van vandaag en anderen hebben Brandons rol overgenomen; in veel gevallen worden scriptschrijvers, producenten en regisseurs concreet in contact gebracht met CIA-functionarissen, die vervolgens een grote invloed uitoefenen op het definitieve film- of serieproduct en daarbij een (overwegend) positief beeld van de instantie propageren. Alhoewel hier verbluffend weinig (en kritisch) over geschreven is, zijn deze samenwerkingen wel degelijk een stuk beter gedocumenteerd dan verstrengelingen van vóór de jaren negentig, die explicieter in een zweem van geheimhouding gehuld bleven en zich daardoor een stuk lastiger laten traceren. Bekende voorbeelden van relatief recente samenwerkingen zijn Showtime-serie Homeland (2011-), Ben Afflecks Oscarwinnaar Argo (2012) en Kathryn Bigelows veelbesproken politieke thriller Zero Dark Thirty (2012).

Fascinerend genoeg speelt er in de verhaalwereld van The Report op een gegeven moment een kort trailerfragment uit de film van Bigelow. Beide titels tonen de gewelddadige martelpraktijken van de CIA in de jacht op kopstukken van Al Qaida, en laten het niet na te tonen welke fouten in dat proces begaan zijn. Zero Dark Thirty verdeelde critici tot op het bot. Hier zijn vooral de negatieve kanttekeningen interessant: werden de martelpraktijken van de CIA hier impliciet gerechtvaardigd of zelfs verheerlijkt, omdat ze uiteindelijk leidden tot de eliminatie van Osama Bin Laden? En kan een film als deze eigenlijk wel een ‘onthullend’ boekje opendoen over de martelpraktijken van de CIA als deze in die periode gewoon al publiek belicht waren? Het uiten van zelfkritiek is zo in verhouding al een stuk ‘veiliger’. De eerder aangehaalde Shaw en Jenkins bevestigen dit als ze schrijven dat de CIA op een pragmatische manier met Zero Dark Thirty omgingen, en er vooral op inzetten een ‘zo positief mogelijk beeld’ van de CIA te schetsen. Dat een film op een aantal vlakken ambigu en kritisch is, wil dus nog lang niet zeggen dat de overkoepelende intentie van de makers niet propagandistisch kan zijn. Sterker nog: propaganda werkt het best als ze niet direct als zodanig door haar publiek herkend wordt.

Waar komt de nood van de industrie vandaan om films te maken met een politiek onthullend en kritisch karakter, als we weten dat diezelfde industrie onmogelijk politieke onafhankelijkheid kan claimen? Kunnen deze films de beloftes van heroïsche klokkenluiders (Snowden, 2016) eigenlijk wel nakomen, of zitten ze in feite vast in een verreikend web van invloed dat de grenzen van kritische representatie bepaalt en échte artistieke en politieke vrijheid zo onmogelijk maakt?

The Report

Het probleem van de held
The Report
presenteert in de persoon van Daniel Jones een held die de feitelijke waarheid, inclusief morele rechtvaardiging, koste wat het kost op tafel wil brengen en daar – spoilers onvermijdelijk inbegrepen – glorieus in slaagt. Hierdoor is er nauwelijks ruimte voor nuance en sleept de film zich nogal plichtmatig voort – het “hoe” is al vanaf het begin ondergeschikt aan het “wat”. Burns doet zo sterk zijn best om de CIA tegen de inspanningen van Jones af te zetten dat iedere vorm van ambiguïteit ontbreekt. Dit roept ook de vraag op waarom deze film gemaakt moest worden en, dat vooral, waarom nu.

“Democratie is rommelig”, zegt de stafchef van Barack Obama (een rol van Jon Hamm) in de loop van de rechtszaak rond het martelrapport. Welke rommel moet er in The Report opgeruimd worden? In de meest extreme interpretatie van deze film wekt Burns de indruk dat hij de ernstige en systematische insteek van de martelpraktijken in de periode post-9/11 van tafel wil vegen; (wederom) niet omdat daar enig bewijs voor is, maar omdat de film het juist doet voorkomen alsof een deel van de kopstukken geen idee hadden waar ze nu echt mee bezig waren en de ernst van hun praktijken bagatelliseerden – alles voor de veiligheid van het vaderland.

Dat The Report een kritische toon handhaaft, mag duidelijk zijn, maar de filmische schets van de CIA in verhouding tot Jones, een sympathieke goedzak die zichzelf verliest in zijn werk, is schematisch, opzichtig en dramatisch ongeloofwaardig. Door in de slotakte in te zoomen op het zegevierende recht, mogelijk gemaakt door het morele plichtsbesef van een enkeling, stuurt Burns maar wat eenvoudig aan op een patriottistische conclusie. De wandaden van de CIA zijn in dat kader relatief gemakkelijk vergeten, ook omdat de falende instantie door de weergave van haar wanbeleid nauwelijks serieus genomen is: de film sluit nadrukkelijk een hoofdstuk af. Net als Zero Dark Thirty buigt hij negatieve representatie om naar een overwinning; in de film van Bigelow is dat een overwinning voor de CIA, in The Report ligt de nadruk op mentaliteit en op het schild geheven waarheidsdrang. Dat is niet alleen curieus in het licht van de manier waarop Hollywood in dit stuk eerder gelinkt werd aan propaganda en (concrete) politieke invloed. Het onderstreept ook dat een integere hoofdpersoon nog niet automatisch een integere film oplevert.

 

2 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Blade Runner: Over ogen en poppen

Sf-klassieker speelt zich af in november 2019
Blade Runner: Over ogen en poppen

door Alfred Bos

Blade Runner, Ridley Scotts scifi-meesterwerk uit 1982, speelt in de maand november van het jaar 2019. Op 1 november verschijnt de final cut uit 2007 opnieuw in de bioscoop, onder meer in een IMAX-versie. De heruitgave is opgedragen aan Rutger Hauer (1944-2019), Neerlands internationaal meest succesvolle acteur die als kunstmens Roy Batty de rol van zijn leven speelde.

Blade Runner is een meesterwerk dat met Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssee kan wedijveren als beste sciencefictiontitel in de filmcanon. Ridley Scott zelf slaat zijn scifi/horrorklassieker Alien hoger aan, maar daar, meent deze kijker althans, raakt de regisseur zijn duim, niet de plank. Blade Runner laat zich eindeloos herkijken – in de ogen van de regisseur herzien: hij leverde na de release in 1982 meerdere versies af – en telkens openbaart de film nieuwe details, thema’s en ideeën.

Blade Runner: The Final Cut

Blade Runner is ongekend rijk, niet alleen in het detail waarmee een dystopische toekomst is verbeeld. De filosofische concepten achter het verhaal zijn existentieel en intrigerend. Is er kunstmatige intelligentie mogelijk die organisch – dus niet mechanisch, elektronisch of digitaal – van aard is? Is namaak nog namaak als je het niet van echt kunt onderscheiden? Als nep en echt verwisselbaar zijn, wat is dan de werkelijkheid? Wat is authentiek? En de hamvraag: wat betekent het om mens te zijn?

Die laatste vraag is het centrale thema in de ruim dertig sciencefictionromans die de Amerikaanse auteur Philip K. Dick tussen 1953 en 1981 schreef. Do Andoids Dream of Electric Sheep?, het boek waarop Blade Runner is gebaseerd, verscheen in 1968, het jaar waarin de wereld op zijn kop stond. Amerika werd opgeschrikt door de politieke moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy, na massale demonstraties en rellen viel in Parijs het regime van Charles De Gaulle en in Praag vermorzelde Rusland de ontluikende democratie met een legerinval.

Het boek speelt in 1991 (in latere edities 2021) en de wereld is verwoest door een nucleaire oorlog. Het gros van de mensheid is verscheept naar buitenaardse kolonies. Dieren, door radioactieve straling grotendeels uitgestorven, zijn een statussymbool. Rick Deckard moet zes ontsnapte replicanten, androïde robotten van het type Nexus-6, ‘pensioneren’, een eufemisme voor elimineren. Aan het slot vindt hij een pad, een uitgestorven dier. Het blijkt namaak te zijn.

Blade Runner: The Final Cut

De term Blade Runner komt niet voor in de roman van Dick. De film is vernoemd naar een novelle uit 1979 van William S. Burroughs, oorspronkelijk bedoeld als diens scenariobewerking van The Bladerunner, een minder bekende sciencefictionroman uit 1974 van Alan E. Nourse; het handelt over een smokkelaar van medische goederen, waaronder scalpels (blades).

Voor Philip K. Dick, tijdens zijn leven miskend als schrijver, was Blade Runner de eerste erkenning door de massamedia. Hij ontmoette Ridley Scott, was verrukt over de eerste rushes, maar heeft de filmrelease – op 25 juni 1982 in Amerika, 11 november in Nederland – niet meegemaakt. Hij overleed op 2 maart van dat jaar, 53 jaar oud.

Digitale toekomst zonder smartphones
Inmiddels heeft de fantasie van 1982 over het jaar 2019 plaatsgemaakt voor de werkelijkheid van nu. Wat is er over van dat toekomstbeeld? Wat is realiteit geworden en wat niet? Blade Runner visualiseert een toekomst met papieren kranten; iedereen rookt en er zijn geen smartphones. De film toont beeldschermen en computers, maar hét apparaat van het nieuwe millennium is afwezig. Er is wel een betaaltelefoon met beeldscherm. Technologie van dat moment en toekomstidee ineen, het is een hybride en die voorspellen zelden raak.

In 1982 had de digitale revolutie, de omwenteling in informatie- en communicatietechnologie (ICT), het leven van alledag nog niet bereikt. De computerspelletjes van Atari waren de meest zichtbare aankondiging dat er een ingrijpende verandering voor de deur stond. De personal computer was nog nauwelijks doorgedrongen tot kantoor en woonhuis. Het idee van een mobiele telefoon was toekomstmuziek. Teksten tikte je op een schrijfmachine en van internet had buiten een handvol academici niemand gehoord.

Blade Runner: The Final Cut

Daarmee is het belangrijkste verschil genoemd tussen de fantasie over 2019 en de werkelijkheid van 2019—de wereld van Blade Runner is een wereld zonder internet. Er zijn vliegende auto’s (ons beloofd door Über); er is een spraakgestuurde computer (waarmee Deckard als het ware in een foto kruipt); de straten van de stad zijn bevolkt door freaks; de gevels van de hoogbouw bekleed met beeldschermen; de samenleving is multiculturele mierenhoop; de invloed van Azië doorgedrongen tot in de keuken. En de planeet bevindt zich in een deplorabele staat, het uitsterven van dier en plantensoorten is massaal.

Eldon Tyrell (Eldon Rosen in het boek), de geestelijke vader van de replicanten, staat als techneut aan het hoofd van een multinational en is puissant rijk. Sinds de jaren negentig heeft het type Tyrell in Silicon Valley opgang gemaakt. In de film is kunstmatige intelligentie een feit, maar dan in de vorm van synthetische mensen. Geen algoritmes, zoals in de realiteit van nu. Blade Runner toont de wereld na een biotechnische revolutie, niet die van de ICT-omwenteling en later.

De pop als motief
Kunstmatigheid is een kernthema in het werk van Philip K. Dick. In veel van zijn boeken is de werkelijkheid zelf een nabootsing: virtueel, geregisseerd. Do Androids Dream of Electric Sheep? draait om kunstmatig leven. In Blade Runner is de leefomgeving radicaal omgevormd tot een technosfeer; de natuur is verdwenen, alles is artificieel. Het openingsshot van de film – het panorama van een immense, vuurspuwende technopolis – verbeeldt de hel. Daar mengen synthetische mensen, niet van echt te onderscheiden, zich onder de massa. Ook dieren zijn kunstmatig: de uil van Eldon Tyrell, de slang van replicante Zhora.

Het kunstmatige van het bestaan in een technosfeer wordt uitgedrukt door het motief van de pop, de nagebootste mens. Eldon Tyrell is een poppenmaker, hij produceert tot leven gewekte poppen. De Nexus-6 is een namaakmens, een simulacrum. Hij past bij een wereld waarin alles synthetisch is, niet-organisch.

Blade Runner: The Final Cut

De replicanten benaderen Tyrell via zijn werknemer J.F. Sebastian. Die is een gemankeerde versie van zijn baas. Hij woont in het vervallen Bradbury Building, niet in een imposante ziggoerat. Hij produceert geen replicanten, als hobby maakt Sebastian bewegende en pratende poppen; zijn appartement staat er vol mee. Als replicante Pris zich wil verbergen wanneer Deckard het appartement doorzoekt, vermomt ze zich—als pop. De perfecte nabootsing verhult zich als de herkenbare nabootsing.

J.F. Sebastian heeft iets gemeen met de replicanten: hij is gedoemd. Zijn levensduur is beperkt, hij veroudert onnatuurlijk snel. Hij is vervallen, net als het Bradbury Building, waarvan de entree is gevuld met afgedankte etalagepoppen. Ridley Scott wilde Blade Runner laten ogen als een film noir en het gebouw is vaak gebruikt als filmlocatie. Het is onder meer te zien in film noir-klassiekers als Double Indemnity (Billy Wilder, 1944), D.O.A. (Rudolph Maté, 1949) en de Amerikaanse remake van Fritz Langs M (Joseph Losey, 1951).

Deckard jaagt op kunstmensen, is hij zelf een replicant? Het boek oppert dat idee, maar is er duidelijk over: Deckard is geen namaak. Oorspronkelijk speelde die vraag niet in de film, fans begonnen erover. Ridley Scott reageerde in eerste instantie neutraal, maar suggereert in de final cut van Blade Runner dat Deckard zelf ook een synthetische mens is. Hij voegde een korte droomscène met een eenhoorn toe en suggereert dat het een geheugenimplantaat is. Het is een overbodige toevoeging, die de makers van Blade Runner 2049 heeft geïnspireerd tot een onzinnig idee: de replicanten krijgen nageslacht. Poppen die poppen baren, heus?

Het oog als motief
Naast de pop zijn ogen het voornaamste motief van Blade Runner. Ogen zijn de spiegel van de ziel en aan de pupilreactie meet de Voight-Kampff-test de gevoelsreactie af; empathie is wat mensen onderscheidt van replicanten. Deckard gebruikt de test om de replicanten te identificeren en ogen zijn de focus van de film.

Dat blijkt direct in de eerste scène, waarin replicant genoemde test ondergaat. Hij is de simpele ziel van de twee mannelijke replicanten, de dommekracht van het duo. Leon is onzeker, zijn ogen schieten onrustig heen en weer; hij reageert met geweld. Roy, de leider, daarentegen is intelligent en heeft een koele blik. Hij charmeert en slaat vervolgens toe.

Blade Runner: The Final Cut

Roy en Leon beginnen hun zoektocht naar Eldon Tyrell bij de wetenschapper die hun ogen heeft ontworpen. In die scène speelt het tweetal good cop, bad cop. Roy houdt als grap twee kunstogen voor zijn ogen, Leon intimideert de wetenschapper door hem te versieren met ogen.

Wanneer Deckard de vrouwelijke replicant Zhora heeft ‘gepensioneerd’, wordt hij geconfronteerd door Leon. Die ontwapent Deckard en wil hem de ogen uitdrukken. Leon’s ‘time to die’ loopt vooruit op de klassiek geworden sterfscène van Roy, waarmee Rutger Hauer zich in de filmgeschiedenis heeft gespeeld.

Inlevingsvermogen
Blade Runner staat in de traditie van Mary Shelley’s Frankenstein: de door de wetenschap gecreëerde kunstmens keert zich tegen zijn schepper. Roy confronteert Eldon Tyrell: de replicanten willen langer leven, een menselijke wens. Wanneer dat niet mogelijk blijkt, vermoordt hij Tyrell door zijn ogen uit te drukken en zijn schedel te kraken.

Het oogmotief wordt tot het slot van de film volgehouden. In het Bradbury Building wacht Pris op Roy, ze meet zich het uiterlijk aan van een pop en spuit een zwarte streep over haar ogen. Wanneer Roy arriveert, communiceert ze met hem zonder woorden, via de ogen. De uil, het artificiële huisdier van Tyrell, wordt getoond in een close-up van de ogen. Blade Runner is een film over poppen en ogen.

Voor Philip K. Dick betekent mens te zijn: te beschikken over verbeelding, het vermogen om zich in te leven in de ander en compassie te voelen. Empathie is wat mensen tot mens maakt en het zal niet helemaal toevallig zijn dat uitgerekend Do Androids Dream of Electric Sheep? als eerste van zijn dik dertig romans werd verfilmd. Mensen zijn gefascineerd door poppen. En, zoals Blade Runner onderstreept, door ogen.

 

29 oktober 2019


ALLE ESSAYS

Amazing Grace

*****
recensie Amazing Grace

Ziel, zaligheid en Aretha

door Alfred Bos

Amazing Grace documenteert de opnamen voor het gelijknamige gospelalbum uit 1972 van Aretha Franklin. Helaas moest de bejubelde soulzangeres overlijden om deze schitterende concertfilm voor openbare vertoning vrij te kunnen geven.

Aretha Franklin, volgens velen de grootste soulzangeres die de wereld heeft gekend, was een kind van de kerk. Vader C.L. Franklin, dominee van de New Bethel Baptist Church in Detroit, reisde in de jaren vijftig als prediker door Amerika en zijn dochter werd onderdeel van de muzikale eredienst. Thuis kwam Mahalia Jackson, de Queen of Gospel, geregeld over de vloer en fungeerde gospelzangeres Clara Ward als stiefmoeder. Aretha Franklin is gospel tot in haar merg.

Amazing Grace

Nadat ze in de late jaren zestig een reeks pophits had gescoord en was uitgegroeid tot de Queen of Soul, wilde Franklin met het dubbelalbum Amazing Grace, verschenen in 1972, laten horen waar ze vandaan kwam. Zo’n plaat kon volgens haar alleen worden opgenomen met publiek in een kerk. De sessies werden gefilmd door Sidney Pollack, maar door technische problemen – beeld en geluid bleken niet te synchroniseren – bleef het materiaal opgeborgen in de archieven.

Nadat de film vele jaren later door middel van nieuwe technologie alsnog kon worden voltooid, hield Franklin openbare vertoning tot tweemaal toe via de rechter tegen. Na haar overlijden in 2018 gaven de erven toestemming en is Amazing Grace, de weergave van twee bevlogen avonden in de New Temple Missionary Baptist Church te Los Angeles, met 47 jaar vertraging in de bioscoop te zien.

Verlossing
In zijn introductie noemt dominee James Cleveland gospel ‘the greatest sound in the world’ en daar kunnen niet de minste muzikanten zich in vinden. Het was het favoriete genre van Elvis Presley. Ambient-producer Brian Eno is een verklaard liefhebber. Voor Johnny Cash was zijn wekelijkse tv-show ondenkbaar zonder gospel. En Mick Jagger en Rolling Stones-drummer Charlie Watts stonden tijdens de tweede avond in de doopsgezinde kerk gebiologeerd toe te kijken en te luisteren.

Veel is er niet voor nodig om het vuur te ontsteken, zo blijkt. Zangeres, koor, muzikanten en het publiek, zo’n tweehonderd voornamelijk Afro-Amerikaanse vrouwen en een enkele blanke man (plus twee Rolling Stones), waren er op 13 en 14 januari 1972 klaar voor. Eerst achter de piano, daarna vanaf de kansel, zingt Aretha Franklin een selectie van traditionals en meer recent gospelrepertoire. Aan bezieling geen gebrek, haar vader zit pal voor haar neus. Naast hem zien we stiefmoeder en inspiratie Clara Ward, wier How I Got Over de kwintessens van gospel vangt: verlossing van aardse ellende door de liefde van de hemelse vader.

Typerend voor de invloed van gospel op de populaire muziek van na de oorlog is de medley van Precious Lord, Take My Hand en You’ve Got A Friend, twee ogenschijnlijk breed verschillende nummers die naadloos in elkaar overgaan. Het eerste is een compositie van Thomas A. Dorsey, de vader van de gospel, en vaak vertolkt door Mahalia Jackson. De tweede is een nummer van singer-songwriter Carol King, zelf diepgaand beïnvloed door zwarte kerkmuziek. De beste popmuziek heeft de bezieling van gospel, Motown is er een instituut mee geworden. Tijdens Amazing Grace, een krachttoer van elf minuten, gebeurt er iets. Het publiek roert zich en dominee Cleveland krijgt het te kwaad.

Amazing Grace

Huldebetoon
Amazing Grace documenteert niet alleen een eredienst, het is evenzeer een huldebetoon aan Aretha Franklin zelf. De zangkwaliteit is boven elke twijfel verheven, de intensiteit ongekend, de repertoirekeuze raak—niet voor niets groeide de dubbelelpee uit tot het best verkochte gospelalbum ooit. Maar het is ook een geconstrueerde setting, met geregisseerde beleving. De voor gospel zo kenmerkende vraag-en-antwoorddynamiek tussen voorzanger en koor is grotendeels afwezig. De interactie tussen voorganger en publiek – die tijdens verhitte diensten kan leiden tot extase – is voor deze gelegenheid eerder routineus dan begeesterd. Al inviteert dominee Cleveland het publiek vooraf om zich te roeren, de omstandigheden zijn wellicht te intimiderend om alle gêne te laten varen.

Ondanks die kanttekening is Amazing Grace een spektakel. Het toont in volle glorie een bezieling die uit de eenentwintigste-eeuwse muziek nagenoeg is vervlogen. Zoals Marvin Gaye’s Wholy Holy met zijn oproep ‘people we’ve got to come together’ actueler is dan ooit, zo kunnen eigentijdse zangeressen als Beyoncé en Rihanna – die soul hebben verruild voor marketing – een dosis bevlogenheid node gebruiken. En zij niet alleen.

Sidney Pollack heeft in januari 1972 tijdens repetities en uitvoeringen twintig uur aan materiaal geschoten. Daaruit is deze concertfilm van 87 minuten samengesteld, hij dekt slechts een deel van de plaatopnamen. Naar verluidt wordt er gewerkt aan een langere versie, die volgend jaar moet uitkomen. Wie verstandig is, wacht daar niet op.

 

28 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES