Never Rarely Sometimes Always

***
recensie Never Rarely Sometimes Always

Roadtrip naar abortus

door Cor Oliemeulen

De filmtitel slaat op de vragenlijst die Autumn in de abortuskliniek moet invullen. ‘Voelde je druk toen je seks met die jongen had? Nooit, Zelden, Soms of Altijd?’ Autumn antwoordt niet. Haar gezicht spreekt boekdelen.

Autumn (Sidney Flanigan) is een 17-jarig meisje in een stadje in Pennsylvania dat veel haar leeftijdsgenoten een alto zou noemen. Ze zingt en speelt gitaar, zonder succes, maar dat lijkt haar nauwelijks te deren. Als ze besluit een neuspiercing te nemen, pakt ze gewoon een veiligheidsspeld, ontsmet weliswaar de punt, en steekt die dwars door haar neusvleugel. Na school werkt ze, net als haar nichtje en beste vriendin Skylar (Talia Ryder), als caissière in een supermarkt. Op een dag ontdekt Autumn tot haar grote schrik dat ze zwanger is. Ze voelt dat ze niet terecht kan bij haar moeder, die sowieso weinig aandacht aan haar lijkt te schenken, en zeker niet bij haar stiefvader die haar zeker niet serieus neemt, wat overigens geheel wederzijds is.

Never Rarely Sometimes Always

Magisch geluid
“Dit is het meest magische geluid dat je ooit hebt gehoord”, zegt de verpleegster als zij tijdens de echo de snelle hartslag van Autums ongeboren kind laat horen. De moeder lijkt niet erg onder de indruk, want ze bezoekt de kliniek om te informeren naar een abortus. Een andere, oudere medewerkster vraagt waarom Autumn haar kindje niet wil houden en probeert haar op andere gedachten te brengen. Pennsylvania blijkt een conservatieve omgeving waarin het moederschap juist wordt toegejuicht en abortus wordt verafschuwd, ook gezien het wrede filmpje over de verwijdering van een embryo dat Autumn (maar niet de kijker) krijgt voorgeschoteld.

Eliza Hittman is een onafhankelijke filmmaakster die zich graag richt op jongeren die hun identiteit zoeken. Ze debuteerde met It Felt Like Love (2013) waarin ook al een jong meisje de keerzijde van seksualiteit ontdekt, en Beach Rats (2017) waarin een jongen experimenteert met drugs en op het internet contact met oudere mannen zoekt. Voor Never Rarely Sometimes Always liet Hittman zich inspireren door de 28-jarige Ierse tandarts Savita Halappanavar die in 2012 zwanger van haar eerste kind was, complicaties kreeg, smeekte om een abortus, die werd geweigerd omdat de Ierse wetgeving dat niet toestaat, en een week later in het ziekenhuis overleed.

Never Rarely Sometimes Always

Griezelige precisie
Hittman was zo aangeslagen dat ze zich in de materie ging verdiepen en onderdook in de mentaliteit van het kleine stadsleven in de Amerikaanse staat Pennsylvania waar de wetgeving abortus slechts onder strikte omstandigheden toestaat, zodat veel meisjes en vrouwen uitwijken naar New Jersey en New York. Met een soms griezelige precisie toont Hittman de procedures die Autumn moet ondergaan en de emotionele weerslag in haar gelaat en lichaamshouding. Natuurlijk suggereert Hittman dat Autumn onder een bepaalde druk zwanger is geraakt, maar ze maakte Never Rarely Sometimes Always met zoveel toewijding en begrip dat de regisseur iets meer aandacht voor de gevolgen van onveilig vrijen bij jongeren had mogen hebben. Cynici zouden na afloop zelfs kunnen beweren dat het maar goed is dat je zoveel moeite voor een abortus moet doen.

Hoewel Autumn door de hulpverleners in New York wel met heel veel liefde wordt omringd, gaat het verblijf aldaar namelijk niet zonder slag of stoot. Autumn blijkt in haar thuisstaat verkeerd te zijn voorgelicht, zodat de behandeling niet dezelfde dag kan worden verricht. Zonder slaapplek en met nog weinig geld op zak ontdekken Autumn en Skylar het leven in de grote stad. Verwacht geen schokkende gebeurtenissen, maar wel een kalme, meeslepende trip, waarin de twee geloofwaardig acterende meiden nauwelijks een woord wisselen, maar altijd weten dat hun solidariteit en vriendschap onvoorwaardelijk is. Vooral dat maakt de film aantrekkelijk.

 

26 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

King of Staten Island, The

***
recensie The King of Staten Island

Overjarige onvolwassene ontwaakt

door Cor Oliemeulen

De hoofdpersonages in films van Judd Apatow nemen het leven meestal niet zo serieus. Vaak is een externe prikkel nodig om zich aan de lamlendigheid van drank en blowen te kunnen onttrekken. Zo vergaat het ook Scott in The King of Staten Island, dat in eigen land door de coronacrisis slechts online werd uitgebracht, maar bij ons gewoon in de bioscoop verschijnt.

De films van de Amerikaanse regisseur worden gekenmerkt door een hoog awkward gehalte: ongemakkelijk, pijnlijk, gênant, raar, tenenkrommend. Denk maar aan The 40-Year-Old Virgin (2005), Knocked Up (2007) en Funny People (2009). Zonder al teveel fantasie zou je Judd Apatow het zwakker begaafde neefje van Woody Allen kunnen noemen. Er zijn ontegenzeggelijk overeenkomsten tussen de twee filmmakers: beide van joodse komaf, opgegroeid in New York en begonnen als schrijver voor tv-comedy’s. De verschillen zijn opmerkelijker: Allen figureert in veel van zijn films (bijna niemand anders kan immers beter zijn eigen grappen vertolken), terwijl Apatow nauwelijks in zijn eigen films acteert, maar op zijn manier ook de lach aan zijn kont heeft hangen.

The King of Staten Island

Kansloos
Bij Allen herken je snel een ‘Woody Allen’-karakter, waar je in films waarbij Apatow is betrokken diens signatuur moeiteloos ontdekt, ook in films die hij produceerde, zoals The Cable Guy (1996), de twee Anchor-films (2004 en 2013), Superbad (2007) en Forgetting Sarah Marshall (2008). Veel van die komedies zijn over de top en worden bevolkt door onconventionele types als Seth Rogen of Jason Segel en blinken uit in ongerieflijke situaties, structureel drank- en drugsgebruik en obsceniteiten. Maar uiteindelijk zit het hart op de goede plaats en belooft een happy end beterschap voor de overjarige onvolwassenen. In de films van Woody Allen zijn het vaak artistieke jongeren uit een kansrijker milieu die worstelen met hun identiteit en neuroses, maar ook daar komt alles meestal wel op zijn pootjes terecht.

De hoofdpersoon van The King of Staten Island is de 24-jarige Scott, gespeeld door stand-upcomedian Pete Davidson, wiens karakter voor een deel uit zijn eigen leven is gegrepen. Scott is depressief, blowt en drinkt met zijn al even kansloze vrienden en heeft geen idee wat hij met zijn leven aanmoet. Hij klust wat als ‘tattoo artist’ en droomt van een ‘tattoo-restaurant’, want de formule van je laten tatoeëren tijdens het eten van een kipmenu bestaat immers nog niet.

The King of Staten Island

Ontdekkingstocht
Gezien het merendeel van de afbeeldingen op zijn eigen lijf en die van zijn vrienden werkt Scotts impulsieve en naïeve gedrag niet direct bevorderlijk om als gerespecteerd kunstenaar door het leven te gaan. Toch blijkt hij wel degelijk talent te hebben, hoewel niet iedereen daar in eerste instantie oog voor heeft. Zo laat Scotts moeder Margie (Marisa Tomei) iemand haar bovenarm zien. ‘Ah, een cockerspaniël.’ ‘Nee, het is mijn dochter.’

Veel dialogen en situaties zijn levensecht en regelmatig grappig. De lamlendigheid van het bestaan als jongvolwassene die geen flauw idee heeft hoe hij onderwerp van een hoopvolle toekomst moet worden. Scott: ‘Wat is dit voor een slechte wiet, ik merk niks.’ Vriend: ‘Ik word ook niet meer high, maar blowen is wel een lifestyle.’ Margie, die na zeventien jaar weduwe zijn een nieuwe liefde krijgt, gooit Scott na een ruzie het huis uit en dwingt hem zo om zelfstandig te worden. Dat proces gaat natuurlijk met horten en stoten, maar uiteindelijk ontdekt Scott dat hij meer in zijn mars heeft dan hij dacht en krijgt hij van heel dichtbij de kans om zijn overleden vader beter te leren kennen. The King of Staten Island is wat aan de lange kant, maar soms hebben mensen nu eenmaal veel tijd nodig zichzelf te ontdekken.

 

21 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

Honey Boy

****
recensie Honey Boy

Shia LaBeoufs therapie

door Sjoerd van Wijk

Honey Boy is uit het hart gegrepen dankzij Shia LaBeoufs imponerende aanwezigheid. De film krijgt een therapeutische lading door het intens gebrachte autobiografische verhaal, wat het simpele scenario doet vergeten. 

“Honey boy” is namelijk het koosnaampje dat LaBeoufs eigen vader gebruikte toen de acteur zijn eerste stappen als kindfilmster zette. Hij schreef de film over de traumatische verhouding met zijn vader tijdens zijn verblijf in de verslavingszorg. In Honey Boy is de 22-jarige Otis Lort (gespeeld door Lucas Hedges) LaBeoufs alter ego: een filmster die na een auto-ongeluk in de verslavingszorg belandt. Zijn jeugd besluipt hem daar als de psycholoog een jeugdtrauma constateert.

Honey Boy

Terug naar het verleden dus, waar Noah Jupe als 12-jarige Otis te maken heeft met LaBeouf (American Honey, The Peanut Butter Falcon) als vader James die vooral van de alcohol moet wegblijven en zijn frustraties op zijn zoon botviert. James als mislukte rodeoclown kan alleen maar met Otis omgaan omdat deze hem als assistent heeft aangenomen.

Salonpsychologie
Deze getroebleerde vader-zoonrelatie is een typisch gegeven waar LaBeoufs scenario weinig van afwijkt. Na lange flashback-episodes reageert de volwassen Otis weer boos. Natuurlijk ontkent hij de manipulatie van zijn vader maar geeft uiteindelijk toch schoorvoetend toe dat zijn jeugd niet zo gelukkig was. Bij het duiden van Otis’ trauma vervalt Honey Boy regelmatig in salonpsychologie.

Elk moment uit het verleden moet resoneren in het heden, als Otis gebroken de dialogen herhaalt. De stugge psychologen blijven graven in de slechte jeugd waarbij de bank om languit op te liggen ontbreekt. Een van hen adviseert Otis om eens lekker hard te schreeuwen in z’n eentje; een nichetherapie in het echte leven, maar in films een cliché. Gelukkig blijkt de scenariostructuur een grote MacGuffin voor de werkelijke therapie: die van LaBeouf zelf.

LaBeouf doet het
Want Honey Boy beklijft dankzij zijn krachtsinspanning. De vader is de oorzaak van het trauma en eist vanzelfsprekend alle aandacht op in beeld. De film raast door dankzij Natasha Braiers geagiteerde camerawerk, waar de als door een duivel bezeten LaBeouf een flinke schep bovenop doet. Het is zijn van het internet bekende Just Do It-bombast waar het theatrale aankomt als een gedecideerde mokerslag.

Elk handgebaar, elke oogopslag barst welhaast van de spanning met een intensiteit die doet denken aan het acteergeweld in John Cassavetes’ films. LaBeouf evenaart de iconische acteurs uit die films met spel à la Peter Falk in Husbands die uit man en macht probeert bij de groep te horen en daarbij over de schreef gaat. Het brengt de intimiderende persoonlijkheid die LaBeoufs vader moet zijn geweest tot leven.

Honey Boy

Verbazing
Ogenschijnlijk simpel opgezette films kunnen af en toe toch verbazen en daar is Honey Boy er een van. Het echte graven vindt niet plaats met Hedges maar in elke scène waar LaBeouf zijn eigen vader tracht te doorgronden. Een zoektocht die continu enerveert. LaBeouf put zo met zijn acteerprestatie waarheid uit het clichématige scenario.

De kommer en kwel krijgt een gepast nostalgische toon op selecte momenten. Regisseuse Alma Har’el, die een overstap van documentaire naar fictiefilm maakt, brengt in zachte tinten de spaarzame toenadering tussen vader en zoon die door de tederheid Otis’ herinnering compliceren. Het zijn welkome adempauzes in alle razernij, die het eindeloze conflict tussen vader en zoon benadrukken. Uiteindelijk vertelt Otis in een droom aan zijn vader dat hij een film over hem gaat maken. Dat is door LaBeoufs imposante aanwezigheid goed voor te stellen.

 

1 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

I See You

***
recensie I See You

Zaken die niet te verklaren zijn (of toch wel?)

door Ries Jacobs

Een huis vol vreemde geluiden, waar de televisie plotseling aanspringt en spullen even mysterieus verdwijnen als ze weer tevoorschijn komen. Is I See You de zoveelste bovennatuurlijke Hollywoodproductie in de stijl van Gothika (2003) en What Lies Beneath (2000)?

Los van een mooie sfeerimpressie van het ietwat vervallen stadje begint de film met weinig meer dan Hollywoodclichés. Rechercheur Greg Harper woont met zijn vrouw Jackie en hun tienerzoon Connor in een slaperig Amerikaans stadje. De sfeer in huis is niet al te best nadat Greg ontdekte dat zijn echtgenote een buitenechtelijke relatie heeft.

I See You

Terwijl op zijn werk het onderzoek naar twee op mysterieuze wijze verdwenen kinderen vastloopt en de relatie met zijn vrouw ijskoude diepten bereikt, verandert zijn huis langzaamaan in een broeinest van onverklaarbare zaken. Het zilveren bestek verdwijnt uit de besteklade om later op te duiken in de wasmachine en de pick-up speelt uit het niets langspeelplaten af. Als klap op de vuurpijl staat Jackie’s minnaar plots op de stoep.

Kleine producties en televisieseries
Naast regisseur Adam Randall drukt scriptschrijver Devon Graye zijn stempel op de film. Graye, van oorsprong een acteur die nooit verder kwam dan rollen in kleine producties en televisieseries, koos ervoor om het verhaal van zijn eerste script in tweeën te knippen. Het tweede deel verklaart de vreemde gebeurtenissen die in het voorgaande deel plaatsvonden.

Randall laat zien prima met dit script overweg te kunnen. Hij laat scènes uit het eerste deel van de film een aantal keer vanuit een andere camerahoek zien om te verklaren wat er gebeurt. De kijker ontdekt op deze wijze zelf wat er werkelijk aan de hand is in huize Harper. Steeds licht Randall een extra tipje van de sluier op en naarmate de film zijn einde nadert, komt alles op knappe wijze bij elkaar. De regisseur jast het verhaal er in minder dan anderhalf uur doorheen, maar dit gaat niet ten koste van het verhaal of de karakters. Deze zijn goed genoeg uitgewerkt, hoewel de verhouding tussen de echtelieden Jackie en Greg meer aandacht zou mogen krijgen.

I See You

Puisterige onruststokers
Na een handvol korte films en de matig ontvangen lowbudgetfilms Level Up (2016) en iBoy (2017) blijkt Randall meer in zijn mars te hebben dan alleen eendimensionale actie. Hij laat zien sfeer te kunnen creëren en het beste uit onbekend filmtalent te kunnen halen. Acteurs Libe Barer en Owen Teague transformeren schijnbaar moeiteloos in de puisterige onruststokers Mindy en Alec.

De regisseur toont dat hij met een budget van slechts drie miljoen dollar en zonder sterrencast (Oscarwinnares Helen Hunt is de bekendste naam op het affiche) een puike film in de bioscoopzalen krijgt. I See You heeft zijn spannende momenten en goed gevonden plotwisselingen, maar ook de mistroostige sfeer van Amerikaans provincialisme. De film laat velen van zijn in Hollywood gemaakte evenknieën achter zich. Deze regisseur beheerst zijn vak en is na drie independents klaar voor het grote werk. Dit viel de grote jongens van Netflix ook op. De streamingdienst contracteerde Randall om de thriller Night Teeth te regisseren.

 

27 mei 2020

 

ALLE RECENSIES

Planeet van de sensatiebelusten?

Ondertussen, op de redactie:

Planeet van de sensatiebelusten?

RALPH:

Hoe kun je een kikker die in een put leeft de grootsheid van de oceaan duidelijk maken? Hij zal je niet begrijpen – Taoïstisch gezegde.

Ik zag onlangs Planet of the Humans en heb daarna e.e.a. gelezen over de film. Een film die veel (fijn)stof heeft doen opwaaien en ook onze recensent Sjoerd meekrijgt in het aanstippen van de kritiek die de film spuit op hernieuwbare energie.

Het zou de ogen van de ‘groenen’, de ‘duurzaamheidshippies’ en klimaatactivisten hebben moeten openen, maar zij worden nu weggezet als fundamentalisten die niet tegen kritiek kunnen. Want de film is sterk bekritiseerd vanuit de klimaat-activistische hoek. En terecht. Van Michael Moore is bekend dat hij jokt, bedriegt en op grote schaal manipuleert. Hij verstaat de kunst als geen ander om middels selectieve montage menig emotie op te roepen en het kritische denken bij de niet-ingewijden te doen versuffen en je mee te krijgen voor zijn boodschap. (In Bowling for Columbine leek het alsof hij bij het openen van een bankrekening een jachtgeweer kreeg en zijn Sicko is eveneens zeer selectief).

Jeff Gibbs doet weinig anders. Evenals Ozzie Zehner, ze hebben geld in de docu gestoken, zijn overtuigd van hún boodschap, dus hoppatee, open die registers! Het past naadloos binnen de factfree, posttruth samenleving onder Trump, de grootste jokkebrok van allen. Ik laat het  factchecken over aan degenen die er verstand van hebben, zoals Jasper Vis: https://jaspervis.wordpress.com/2020/05/01/ik-zocht-de-feiten-bij-de-film-planet-of-the-humans-van-jeff-gibbs-michael-moore-en-gooide-halverwege-mijn-laptop-in-de-tuin/

Mij gaat het hier over een ander punt. En niet eens het punt dat Jan Rotmans aansnijdt: https://www.trouw.nl/opinie/en-toch-heeft-michael-moore-een-punt-met-planet-of-the-humans~b639b0b4/

Evenals de makers stipt ook Rotmans de voortdurende groei aan. De filmmakers lijken zich vernieuwend te wanen in dat ze de bevolkingsgroei aankaarten en dat dit begrensd zou moeten worden, alsmede onze consumptie. Maar dit is inmiddels al gemeengoed om hierover te spreken.

Planet of the Humans

Ik bemerk in Sjoerds recensie eenzelfde cynisme als in de film. Haha niks werkt, we zijn gewoon met teveel en de energietransitie is onzin. Achter alle bewegingen zit uiteindelijk het grote (corrupte) geld. Kijk eens hoe ‘evil’ ze zijn en ze geloven ook nog in biomassa en moet je eens zien hoe slecht dat is! Lekker kort door de bocht, zodat je niet hoeft na te denken en ook niet hoeft te veranderen, want cynisme impliceert machteloosheid en machteloosheid geeft al aan hoeveel je er aan kan doen: niets. En met een nieuw sprookje gaan we het dan ook niet redden, want sprookjes zijn sprookjes en geen realiteit.

Daar die groeigedachte verweven is met het neoliberale gedachtegoed, zou een kritiek juist in moeten gaan op dat neoliberale doen en laten. Maar men lijkt de eigen kaders niet te zien, zoals de kikkers in de put die horen van een ‘oceaan’. Je kunt de groeigedachte letterlijk toepassen op de bevolkingsgroei of consumptie, maar da’s binnen het kader (erg slap trouwens dat er geen woord is gerept over de vleesproductie en consumptie in de VS. Dat zou van enige durf hebben getuigd, maar net als bij Al Gore, niets over deze ‘olifant’ in de Amerikaanse kamer) van het neoliberalisme.

De andere weg zit hem niet in het afzeiken van nieuwe technologie middels gedateerde beelden, maar in het ter discussie stellen van ons (economische) denken en te zoeken naar alternatieven of ten diepste te beseffen waar we inzitten en je dit niet ongemoeid laten.

PS: Ik moest ‘agitprop’ effe opzoeken trouwens. Wellicht een idee om sommige woorden van iets meer context te voorzien in onze recensies.

 

SJOERD:

Ik ben geen cynicus, maar een optimistische realist. In tijden van rampspoed komt naar mij idee het beste in de mens naar boven. Ik geloof dan ook meer in een Frank Capra-einde dan een Mad Max-dystopie, helaas wel met vele mensen minder op aarde.

Wat ik in de vele reacties op de film bespeur is een defensieve houding. Voorbij al het factchecken maakt de film invoelbaar hoe destructief ons industrieel systeem is. Dat kan nogal rauw op het dak komen van mensen die hun hoop hadden gevestigd op technologische oplossingen voor de ecologische crisis of als activist hun identiteit daaraan hadden verbonden. Ik kan me voorstellen dat mensen dan boos worden, zich verliezen in de details van de film of drogredeneringen in de strijd werpen. Interessant om te zien dat dat laatste vooral gebeurt door mensen werkzaam in de energiesector.

Planet of the Humans

Dan lijkt me dat Planet of the Humans dus toch iets goed doet. Het confronteert mensen met het feit dat de huidige levensstijl niet meer door kan gaan. En daarmee een handreiking om de ecologische ramp een nieuwe plaats in je leven te geven en na te denken over alternatieven.

PS: Wat er ‘neoliberaal’ is aan het bekritiseren van de groeigedachte ontgaat mij. Volgens mij is bijvoorbeeld de degrowth beweging beïnvloed door onder andere E.F. Schumacher toch verre van dat.

 

COR:

Net als politici moeten documentairemakers het hebben van hun geloofwaardigheid. Het is daarom nooit handig (ook al zijn het misschien details) onnauwkeurigheden en gedateerde info gepaard te laten gaan met de boodschap van je verhaal.

 

TIM:

Kritische deconstructies van kapitalisme en hypocrisie juich ik alleen maar toe – daar kun je immers over praten, of het argument nu volledig sluitend is of niet. Het is van groot belang dat thema’s bespreekbaar blijven. Dus natuurlijk moet een documentaire als deze gemaakt kunnen worden. Dat sommige klimaatactivisten (https://www.nrc.nl/nieuws/2020/04/30/klimaatactivisten-eisen-verbod-op-nieuwe-film-michael-moore-a3998390) Planet of the Humans klaarblijkelijk willen laten verbieden, is waanzin.

De documentaire raakte mij ten dele kwijt door de duidelijke Moore-trucjes (ja, Jeff Gibbs, maar onder de mantel van Moore is de vraag naar de autonomie van deze regisseur een interessante), die afdoen aan de argumentatie. Ik moest stiekem ook even grinniken toen een door Gibbs bezocht festival een grote dieselgenerator achter had staan, maar daar win je geen enkele oorlog mee.

An Inconvenient Truth

De échte nekslag: het schuldgevoel dat het publiek wordt opgelegd, in een argumentatief kader dat zich gemakkelijk zou lenen voor eugenetische praktijken en ecofascisme. “We zijn met te veel”, stelt Gibbs letterlijk; nadat hij zijn vizier heeft gericht op corporaties en machtsmisbruik, richt hij zich in zijn slotbetoog impliciet tot de kijker. Toen was ik er direct klaar mee. Houd je dialectische antwoord op An Inconvenient Truth (kennelijk zijn daar nu zelfs twee delen van) voor jezelf en had je beperkt tot een meer volwassen vormgegeven discours rond de rol van grote spelers.

 

ALFRED:

Overtuigen op basis van een enkelvoudig gezichtspunt noemt men framing.

Overtuigen op basis van geselecteerde informatie noemt men spin.

Overtuigen op basis van positieve (nieuwe) kenmerken noemt men marketing.

Overtuigen op basis van negatieve (bekende) kenmerken noemt men agitprop.

Overtuigen op basis van bewust onvolledige informatie noemt men propaganda.

Overtuigen op basis van onjuiste informatie noemt men nepnieuws.

De begrippen kunnen elkaar uiteraard overlappen. Agitprop is een vorm van propaganda, marketing gebruikt vaak spin. Met betrekking tot Jeff Gibbs’ De planeet der mensen: kiest u maar.
Eén ding is duidelijk, de kijker wordt schaamteloos gemanipuleerd.

Blijf gezond, en kritisch.

 

SJOERD:

Tim, overbevolking in een adem noemen met ecofascime is een vrij gemakkelijk stromannetje.

 

TIM:

Precies wat ik zeg: Gibbs’ lompe, als spontane meditatie verpakte slotbetoog laat zich in potentie ‘oppikken’ in deze kaders. Of dat daadwerkelijk ook gebeurt, is een andere kwestie, maar ik had de suggestie in spe er liever niet in gelezen.

 

SJOERD:

Het lijkt er op dat je zelf meteen die link legt. Overbevolking is echter naast overconsumptie ook een serieus probleem.

 

YORDAN:

Ik sluit me aan bij Gibbs sceptische houding tegenover technologie. Technologie als oplossing voor ons ecologisch probleem is te vergelijken met iemand die wil afvallen en stopt met het eten van koek en chocola, om vervolgens zoveel “gezondere” snacks te gaan eten dat het eigenlijk geen effect heeft. Als je wilt afvallen, moet je minder eten. Zo simpel is het. We kunnen onszelf niet uit de problemen kopen.

Ik ben het verder ook eens met het idee dat overbevolking de drijvende kracht achter het probleem van overconsumptie is. Het demografische transitiemodel biedt ons wel een antwoord op dat probleem: verdeelde welvaart zorgt voor een bevolkingsafname. De VN voorspelt dat de 12 miljardste mens nooit geboren zal worden.

Mad Max: Fury Road

Als corona mij iets duidelijk gemaakt heeft is dat we allemaal in het zelfde schuitje zitten en je blind staren op nationale verhoudingen en nationalisme nergens toe leidt. De problemen van onze tijd vragen om internationalisme. Inkomensongelijkheid aanpakken op internationaal niveau is denk ik niet alleen een morele verantwoordelijkheid historisch gezien, maar ook waarschijnlijk één van de belangrijkste oplossingen voor onze ecologische en geopolitieke problemen.

En ja, anders gaan we naar een wereld zoals in Children of Men of Mad Max. Ik ben dan wel bang dat in zo een cinematische wereld, documentaires over de realiteit veel interessanter zullen zijn dan fictie. Fantasieverhalen zullen dan gaan over die saaie oude wereld waarin je nog zorgeloos onnodig kon consumeren.

 

RALPH:

Mijn idee was om aan te kaarten dat fakenews kwalijke vormen aanneemt, met name in sensationele docu’s. Hoewel ik de boodschap onderschrijf, is een ander voorbeeld daarvan The Game Changers, waar de vegan-lifestyle als absoluut beter wordt voorgesteld dan de carnivore lifestyle, waarbij aardig wat wetenschap aangepast werd en voorbarige conclusies getrokken werden (heb wel een maand lang vegan geprobeerd, maar vega is zoveel gemakkelijker en de mens is gesteld op diens comfort).

The Game Changers

Daarnaast dient een recensent (voor zover mogelijk) kritisch tegenover dergelijke docu’s te staan en moet deze misschien wel wat factchecken (niet alles, maar voldoende om diens punt te onderbouwen).

Enfin, wellicht zitten er goede reacties tussen, al heb ik ook op die van Yordan weer de meer inhoudelijke neiging om tegen dat idee van overbevolking in te gaan, want dat besteden we aan anderen uit. Indien jezelf een kinderwens hebt, dan geldt de roep om minder mensen ineens niet. De mens is hopeloos inconsequent.

 

18 mei 2020

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Open Five 2 (2012)

REWIND: Open Five 2 (2012)
Nonchalant maar resoluut

door Sjoerd van Wijk

Openhartig kijkt Open Five 2 naar de perikelen van verantwoordelijkheid nemen, de basis van autonomie. Ogenschijnlijk draaien de hoofdpersonages om de hete brij heen. De gelijkgestemde nonchalance van de film prikkelt dankzij een resolute benadering om kritischer naar de levens te kijken. 

Daarmee overtreft dit vervolg het eerste deel Open Five (2010), waar muzikant Jake en regisseur Kentucker Audley als zichzelf een gedoemd romantisch weekend doorbrengen in Memphis met twee bezoekende jongedames. Hier is het duo een paar maanden ouder en wijzer. Een abortus van Kentuckers scharrel zet wat op het spel in die romantische verhouding. Een telefoongesprek daarover opent de film confronterend gefixeerd op haar grimas. Kentucker moet zich een houding in die relatie geven, terwijl Jake meer finesse aan de dag brengt bij zijn verschillende vrouwelijke kameraden.

Open Five 2 (2012)

Documentaire en fictie
Audley bewandelt in beide films achteloos de grens tussen documentaire en fictie. In zijn Holy Land breekt een personage met monoloog erg uitdagend de vierde muur, hier zit die metatekstuele spanning subtieler in de onderonsjes. In Open Five was zijn fictieve zelf bezig met de productie van een film zonder budget: Open Five zelf. Dit vervolg trekt de waarheid van alle gebeurtenissen in het eerste deel verder in twijfel, want de regisseur zit met Jake achter de montagetafel om die film af te maken. Open Five 2 bevat zelfs de daadwerkelijke première van Open Five, waar de personages vol trots naar het scherm kijken in een indringend shot.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Zo speelt Audley tersluiks met de werkelijkheid. Daarmee zit deze net zo in limbo als de personages zelf. In de tegenwoordige vermoeide samenleving kan alles en móet daarom alles, iets wat sluimert op de achtergrond van alle oeverloze gesprekken over koetjes en kalfjes. De personages leven niet, maar zijn een samenraapsel van vignetten. Ze brengen de dag door à la Slacker (het regiedebuut van Richard Linklater).

Rondzwerven
De film lijkt zoekende naar een houding in dat lukraak aanboren van fragmenten uit hun levens.  Open Five 2 zwerft daarbij zo mogelijk nog meer dan Jake, Kentucker en hun vriendinnen. Tal van innige momenten dobberen langs om vervolgens weer uit zicht te drijven. Het lijkt wel een compilatie van de mooiste momenten uit een making-of door de fictie versus documentaire onzekerheid. Als Jake een akoestisch duet speelt, voelt het daarom bijzonder intiem aan, met de camera op respectvolle afstand. Improvisatie en deliberatie zijn niet uit elkaar te houden.

Een vergelijkbaar moment is Kentucker die op puberale wijze grapt in de auto onderweg met Jake’s vriendin Z. De speelse gezichten komen verre van ingestudeerd over. Hun ervaringen meanderen met meditatieve inwerking, versterkt door de droogkomische humor van Audley, al present vanaf debuutfilm Team Picture. Die humor lijkt een extra verdedigingsmechanisme om een dagelijks leven waar alles uit moet worden gehaald wat er in zit te ontwapenen van haar tirannie.

Open Five 2 (2012)

Prikkelende nonchalance
De onderliggende nonchalance prikkelt wel. Uit de dialogen, knipogende humor en de obsessie met elk minuscuul detail van het leven spreekt een narcisme. Dat komt overweldigend naar voren als Jake in bed ligt met een van zijn vrouwen. De tijd vertraagt sterker dan dat zij indommelen, terwijl Jake een poging tot openhartig gesprek om zeep helpt door geraffineerd empathie voor de ander op zichzelf te betrekken. Het meditatieve van Open Five 2 is derhalve geen kwestie van mee indommelen.

In Open Five werkte alle besluiteloosheid verstikkend, versterkt door Joe Swanbergs (Hannah Takes the Stairs) zwalkende cinematografie. Maar Rob Leitzells resoluter camerawerk suggereert dat de jongvolwassenen nu wel iets voor elkaar willen krijgen. Erkenning sijpelt langzaam maar zeker binnen in Kentuckers verhouding nadat beiden wegliepen voor de verantwoordelijkheid van zwangerschap. Ironisch genoeg schenkt een levenseinde leven aan hun relatie. Audley legt hiermee de angst voor verantwoordelijkheid nemen via de tragiek van abortus op scherpe wijze bloot.

Zijn montage zat altijd al op het scherpst van de snede als in de films van Éric Rohmer. Ook Audley knipt minutieus getimed van actie naar actie. Het is exemplarisch voor de gedecideerdheid van Open Five 2 om uit de spagaat tussen vermoeide samenleving en vermoeiend navelstaren te komen. Dat gaat gepaard met spannende ironie tijdens het intiemste moment dankzij het zingen van Disney-liedjes. Open Five 2 groeit met haar personages mee. Het transformeert daarmee nonchalance tot iets resoluuts.

 

OPEN FIVE 2 KIJKEN: Open Five en Open Five 2 op Kentucker Audley’s NoBudge videokanaal.

 

Meer REWIND

Idiocracy (2006)

REWIND: Idiocracy (2006)
Domheid als het nieuwe normaal

door Tim Bouwhuis

In de Amerikaanse cultkomedie Idiocracy (2006) slingert een curieus militair experiment een modelburger vijfhonderd jaar de toekomst in. Anno 2505 is domheid het ‘nieuwe normaal’, maar het IQ van tijdreiziger Joe blijkt ‘Messias-waardig’. Hoog tijd voor een REWIND-artikel dat deze bijna vijftien jaar oude, als bron van irritatie vermomde profetie herwaardeert in het licht van het heden.

De Amerikaanse filmmaker en schrijver Mike Judge maakte in de loop van de jaren negentig vooral naam als bedenker van de animatieserie Beavis and Butt-Head. De titelfiguren zijn twee niet al te intelligente tieners die, zodra ze zich vervelen, nogal eens tot idiote fratsen overgaan. Dit uitgangspunt bleek effectief: tussen 1993 en 2011 verschenen er in totaal acht seizoenen. Het is geen grote stap van de twee animatie-karikaturen naar de platvloerse populatie die je in Idiocracy aantreft. Judge deed het initiële idee voor zijn film dan ook al op tijdens de productie van het uit de serie voortgevloeide Beavis and Butt-Head Do America (1996), nog voor hij Office Space (1999, met Ron Livingston en Jennifer Aniston) regisseerde.

Idiocracy

Staakt het voortplanten
Idiocracy
begint met een rechtvaardiging van de titel. Hoe monden democratie en technocratie in het universum van Judge uiteindelijk uit in ‘idiocratie’? De scenarioschets is misschien wat kortzichtig, maar de aangevoerde hoofdreden is warempel bijzonder actueel: de intelligente laag van de bevolking ziet wat betreft zwangerschap te veel leeuwen en beren op de weg. Het stel dat Judge opvoert, stipt de ongunstige huizenmarkt aan (typisch, zo richting de beurskrach van 2008), en vandaag de dag zou je daar, naast het carrièreperspectief, een eco-politiek motief bij kunnen denken.

Judge’s filmische conclusie is snel en functioneel: als intelligente burgers het voortplanten staken, terwijl de dommen zich zorgeloos blijven voortplanten, is er over vijfhonderd jaar met zekerheid geen slimme geest meer over. In dit ideale tijdreisscenario ontwaakt officier Joe Bauers (Luke Wilson), proefkonijn voor een vergeten Pentagon-project, precies uit zijn cryo-slaap op het moment dat zijn modale IQ broodnodig is geworden.

Torenhoge bergen afval zijn het aanzicht van 2505. Wie Pixar-hit Wall*E (Andrew Stanton, 2008) zag, kan beide eco-rampen naadloos aan elkaar spiegelen: waar er in de animatie een eenzame afvalrobot door het vuil struint, vindt er in de puinhopen van Idiocracy een heuse afvallawine plaats. De aardverschuiving laat Joe’s cryo-doodskist vrij letterlijk met de deur in huis vallen bij de onnozele Frito (Dex Shepard), die aan een collage beeldbuizen gekluisterd zit terwijl hij schier onophoudelijk vocht en fastfood krijgt aangevoerd (vergelijkbaar met de bewoners van het ruimteschip in Wall*E). De ontmoeting tussen Frito en zijn gast uit het verleden zet een keten van surreële, hysterische en boud aangezette taferelen in gang. Judge neemt zijn neologisme op zijn woord: de domheid van de burgers valt zo mogelijk nog in het niet bij die van de bestuurders.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Brave New World
Deze bestuurders blijken anderzijds nog wel slim genoeg te zijn geweest om een registratieplicht in te voeren. Op bevel stopt Joe zijn rechterarm in een plompe machine, om er met een barcode-tattoo weer uit te komen. De wereld van Idiocracy begeeft zich zo in het huiveringwekkende verlengde van een volledig gerealiseerde technocratie. Het is niet uit te sluiten dat Judge goed naar sciencefictionklassieker Demolition Man (1993, met Sylvester Stallone) heeft gekeken, dat op zijn beurt overduidelijk geïnspireerd is door Aldous Huxley’s literaire technotopie Brave New World (1932).

Op het moment van schrijven vraagt ondergetekende zich nog altijd af hoe de karikaturen van Judge er in vredesnaam in geslaagd zijn een functionele politiestaat uit de grond te stampen. Als Joe ergens halverwege de film met twee metgezellen (Frito en mede-tijdreiziger Rita, gespeeld door Maya Rudolph) op de vlucht slaat, duurt het niet al te lang voor de in het straatbeeld geïntegreerde scanapparatuur hard begint te loeien. Joe’s enige voordeel is dat zijn strafpleiters een stuk naïever zijn dan de autoriteiten in het hedendaagse China.

Idiocracy

Laat er geen verwarring over bestaan: de kans dat Idiocracy je snel op de zenuwen gaat werken, is door de jolige opzet van het geheel bijzonder groot. Tegelijkertijd is de toonzetting extreem functioneel: in een interview naar aanleiding van het tienjarig bestaan (2016) gaf Judge zelfs aan dat hij sommige elementen misschien niet eens genoeg had overdreven. Als je bedenkt dat 2016 Trumps (vorige) verkiezingsjaar was, en je vervolgens het geschmier van fictioneel president Camacho (Terry Crews) gadeslaat, kun je je daar wellicht al enigszins een voorstelling bij maken. De gretig gemediatiseerde excessen in politiek en entertainment – permanente parades van maskers – zijn de afgelopen decennia geleidelijk steeds verder genormaliseerd, betoogt de Britse documentairemaker Adam Curtis in Hypernormalisation (2016).

Op den duur heb je nog maar twee keuzes: je geeft je (bewust of onbewust) over aan de waanzin, of je probeert tot de laatste seconden tegen de stroom in te zwemmen. In een idiocratie is ook die keuze op voorhand van de burgers weggenomen: zij weten gewoonweg niet beter dan dat ze in hun leven geen groter meesterwerk gaan zien dan ‘Ass’, een negentien minuten aangehouden close-up van de titelfiguur. Judge vertelt er terloops bij dat de film in zijn jaar een Oscar voor beste scenario won.

Idiocracy

Zo zijn er meer toepasselijke vondsten: Joe wordt geridiculiseerd om zijn beheersing van een dialectloos Engels, het volk wordt gemend in een arena (lees: brood en spelen) en Starbucks heeft zich in de loop van de eeuwen toegespitst op een zeker mannelijk genot. Het scherpst uitgewerkte kenmerk van deze idiocratie is een naar Gatorade gemodelleerde vloeistof, die water blijkt te hebben vervangen als dorstlesser en voornaamste voedingsbron van gewassen. Het marktmonopolie van de betrokken corporatie, Brawndo, doet denken aan de hegemonie van het merk Soylent Green in de gelijknamige sciencefictionklassieker van Richard Fleischer, met Charlton Heston (1973). Soylent Green is gebaseerd op een ronduit macaber recept: in het universum van Judge moet Joe land en volk vooral verlossen van de milieudepressie die het middel teweeg heeft gebracht.

Een kritieke aanklacht
In het eerder aangehaalde interview kreeg Judge de fascinerende vraag of hij zich herkende in de marginale kritiek dat zijn film impliciet zou oproepen tot de politieke overweging van eugenetische praktijken (met betrekking tot de voortplantingsdrang van de ‘dommen’). De regisseur ontkent dat op een losse, relatief luchtige manier, die past bij de toon van de satire. Toch onderstreept de vraag nog maar eens dat Idiocracy politiek een stuk gevoeliger is dan alle schijtlolligheid aan de oppervlakte mag doen vermoeden. Het beste, maar ook meest curieuze argument tegen de vragende beschuldiging volgt in de slotakte van de film zelf: uiteindelijk blijken de twee tijdreizigers ineens permanent in idiocratie te willen leven. In extremis ontmantelt Idiocracy zichzelf zo op ironische wijze als een aanklacht tegen de even verre als nabije toekomst.

IDIOCRACY KIJKEN: huur op Google Play en YouTube; koop op Amazon en Bol.  

 

Meer REWIND

Planet of the Humans

****
recensie Planet of the Humans

Met de neus op de feiten

door Sjoerd van Wijk

Planet of the Humans drukt met de neus op de feiten. Dit vlammende exposé toont hoe zonne-, wind- en biomassa-energie valse hoop bieden om een duurzame wereld te creëren. De documentaire agiteert met een oncomfortabele waarheid dat het klimaat geen probleem met oplossingen is, maar een regelrechte catastrofe. 

Een van de grote mysteries van deze tijd is dat groene bewegingen het gebruik van zonnepanelen en windmolens propageren. Daar moet een hele hoop marketing van fabrikanten achter hebben gezeten, zo doet ook Planet of the Humans vermoeden. Regisseur Jeffrey Gibbs gaat op onderzoek uit en ziet hoe zogenaamd hernieuwbare energie afhankelijk is van fossiele brandstoffen en net zo goed voor milieuvervuiling zorgt. Achter alle investeringen staan vooral megacorporaties en rijke durfkapitalisten die en passant ook aan elke relevante milieubeweging hebben gedoneerd. Zo spannen zij het potentieel revolutionaire gedachtegoed van die bewegingen voor hun eigen karretje, iets om in het achterhoofd te houden bij de hype rondom de Green New Deal.

Planet of the Humans

Klimaat concreet
Normaliter is Gibbs de producent van documentairemaker Michael Moore, dit keer zijn de rollen omgedraaid. Hij prikt recht door zijn raap door de illusie van zonne-, wind- en biomassa-energie heen met monotone voice-over. Schaapachtig lachen directeurs voordat ze weglopen nadat Gibbs vraagt waar de stroom van een elektrische auto vandaan komt. Ritjes naar een woestijn vol zonnepanelen over de houdbaarheidsdatum of een biomassacentrale waar bomen aan de lopende band in de fik gaan, zeggen waar het op staat, ‘hernieuwbaar’ is ook gewoon ecologische destructie. Boze bewakers jagen de filmploeg weg, alsof dit een geheim is.

Het debat over het klimaat verzandt vaak in een abstract verhaal over emissiereductie, maar Gibbs slaagt er in om de onoplosbaarheid van de catastrofe concreet te maken. Met het directe tonen van de schadelijke gevolgen van bijvoorbeeld zonnepaneelproductie komt dit over als een poging groenen hardhandig uit de hernieuwbare droom wakker te schudden.

Oppepper
Dat gebeurt met een dosis ironie. Gibbs hakt als een recalcitrante punker in op de illusies. Rap gaat het heen en weer tussen hoogdravende speeches van een durfkapitalist of milieugoeroe en het resultaat van hun initiatief, omvallende bomen of meren vol blubber. Nonchalante deuntjes begeleiden montages van ecocide wat extra het bloed onder de nagels vandaan haalt. Enigszins smalend predikt Gibbs tegen het einde een cliché-boodschap over minder spullen willen, om vervolgens het laatste optimisme de kop in te drukken met hartverscheurende beelden van een in chemicaliën gedrenkte orang-oetan.

Planet of the Humans

Dat agiteert. In het opruien zit een diepe teleurstelling in de groene beweging, die niet gevrijwaard blijft van Gibbs’ spot. Tegelijkertijd pept de onderliggende woede, een veelvoorkomende emotie bij klimaatangst, op. Zoveel vernietiging zien terwijl hypocriete groenen joelen op een festival gerund op zonne-energie (Gibbs vindt echter de dieselgenerator) laat kriebelen om een effectievere vuist te maken.

Open agenda
Hoe precies laat Gibbs in het midden. Over de oorzaak is het opgeroepen contingent experts in Planet of the Humans eensgezind: overconsumptie en overbevolking. Zolang men deze olifant in de kamer niet erkent, gaat het van kwaad tot erger met een Vierde Industriële Revolutie van ‘hernieuwbare’ energie in plaats van de nodige de-industrialisering. Maar zoals Ted Kaczynski al dertig jaar geleden opmerkte, zijn de consequenties van de Industriële Revolutie een ramp voor het menselijk ras gebleken.

Gibbs hamert door over de olifant en de schijnoplossing van zogenaamd hernieuwbare energie. Zijn agenda schreeuwt luid en duidelijk, waar hij af en toe drogredeneringen niet schuwt zoals schuld door associatie. Hij speelt ongelijk op de man gegeven de buitenproportionele aandacht voor activist Bill McKibben. En zijn recalcitrantie zal de factcheckers in het verkeerde keelgat schieten. De kernboodschap blijft echter overeind. Deze samenleving kan niet zonder fossiele brandstoffen en voor de klimaatcatastrofe is geen magische oplossing.

Sociale horzel
Deze agitprop voelt met haar ironische montages in de verte als een Russische film uit de jaren 1920. Maar waar een Battleship Potemkin vooral bekrompen goed en slecht scheidt door middel van vlees met maden, werkt Planet of the Humans eerder bevrijdend. Het idee aan de basis drukt met de neus op oncomfortabele feiten. Gibbs is zo bezien een sociale horzel die bubbels doorprikt. De onvermijdelijke catastrofe onder ogen komen, vergt initieel moed, maar daagt uit nieuwe betekenis aan het leven te geven. Dat dit euforisch kan werken, bewijst bijvoorbeeld Enter Shikari met hun onlangs verschenen album Nothing Is True & Everything Is Possible.

Veiligheid zoeken in randzaken die Gibbs fout zou hebben, houdt de illusie in stand. Het is ook voor groenen moeilijk toe te geven dat het huidige materieel comfortabele leven niet door kan gaan. Belangrijker nog is dat de agitatie die de film oproept, uitnodigt om het begrip duurzaamheid opnieuw vorm te geven. Planet of the Humans is een tijdige waarschuwing niet in het sprookje van een energietransitie te geloven maar een nieuw sprookje te maken.

Planet of the Human is gratis te zien op YouTube.

 

27 april 2020

 

ALLE RECENSIES

Dance Party, USA (2006)

REWIND: Dance Party, USA (2006)
Mompelend door het leven

door Sjoerd van Wijk

Dance Party, USA is een van de meesterwerken van de mumblecore, een onvolprezen beweging in de onafhankelijke Amerikaanse cinema. Het is een integer portret waar kwetsbaarheid juist krachtig blijkt.

Een stoere jongen (de koele Cole Pensinger als Gus) raakt buiten aan de praat met Jessica (Anna Kavan) tijdens een 4th of July-feestje, weg van de bonkende Jay Z-muziek. Hij dropt de casanova-façade en deelt pardoes een groot geheim: een tijdje terug heeft hij een meisje aangerand. Hier start een proces van wroeging, heling en uiteindelijk lief samenzijn in de fotoautomaat.

Dance Party, USA

Toewijding aan twijfel
De Amerikaanse cinema is net als de Amerikaanse keuken geplaagd door een onvolledig stereotype. Uiteraard is er de restauratie met overgrote porties fastfood, maar daarbuiten is een breed scala aan verfijnde smaken van Jambalaya tot Cincinatti Chili. Op eenzelfde wijze biedt de Amerikaanse cinema meer dan hap-slik-weg Hollywood of Sundance-producten. In de achterkamertjes van de Amerikaanse bioscoop waart een onafhankelijke geest rond in eigenzinnige films.

Een van de voorvechters van de onafhankelijke Amerikaanse cinema is professor Ray Carney. Het is dan ook geen toeval dat zijn naam veelvuldig voorkomt in de bedankjes van films uit de mumblecore-beweging. Deze bestaat uit een losse groep filmmakers die allen rond dezelfde periode begin 21e eeuw in de geest van scenius John Cassavetes met de handcamera karakterstudies schoten. Bij Cassavetes gebeurde dat met een expressieve geestdrift, bij mumblecore is de leidraad een toewijding aan twijfel. Het gaat steevast over jongvolwassenen die niet weten wat ze met hun leven aan moeten en derhalve er zich een weg doorheen mompelen.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Tussen schip en wal
Regisseur Aaron Katz hield zich in tweede film Quiet City aan dat stramien, maar zijn debuut Dance Party, USA past de mumblecore-techniek het sterkste toe dankzij het portretteren van tienerslevensangst. Vrij lukraak slenteren de tieners van plek naar plek, begeleid door ad hoc intermezzo’s van het desolate industriële landschap. Het beruchte feestje enerveert terwijl onbehouwen rap een stommelende cameraman in realtime begeleidt. Ongemakkelijk zit Gus daar stoer te doen met zijn maat in het bijzijn van een potentiële scharrel. De bierflesjes blokkeren houtje-touwtje gezichten telkens als die de bek opentrekken om te blaten. Zo nonchalant als Katz alle beweging stuurt, zo kwetsbaar zijn de personages.

Dance Party, USA

Dit zijn waarlijk mensen tussen schip en wal, meer nog dan het Kids-achtige scenario doet vermoeden. Het is de ongemakkelijkheid van langzaamaan mentaal ingekapseld te worden in de technische samenleving. Dat wat men volwassenen noemt. Het schip de onbevangen kindertijd en de wal het eindpunt van hersenspoeling, zo mooi bezongen op Lorde’s Pure Heroine-album van wiens teksten Gus en Jessica de personificaties lijken te zijn.

Kracht in kwetsbaarheid
In een grandioze scène banjert Gus rond op de kermis. Gevolgd gelijk een computerspel terwijl de mensen achteloos door beeld lopen alsof Dance Party, USA er niet toe doet. De ambiance van keuvelaars op een zonnige dag zindert met Life Is Strange-achtige mystiek. Gus als de mannelijke Max Caulfield op zoek naar zijn Chloë. Dit is een stilte na de storm wanneer Gus fouten probeerde recht te trekken zoals in een verward bezoek aan het slachtoffer dat beklemt in intimiteit. Juist door zijn stoere masker te laten vallen, vindt hij kracht in kwetsbaarheid. Het geeft het selfiemoment met Jessica een ontroerende schoonheid, als ze samen de onzekere toekomst tegemoet durven te gaan.

 

DANCE PARTY, USA KIJKEN: op aanvraag bij de schrijver van dit stuk.

 

Meer REWIND

This is Film! Een stad als een masker

This is Film! Heritage in Practice in EYE Filmmuseum
Een stad als een masker

door Tim Bouwhuis

Sinds een aantal jaren presenteert EYE Filmmuseum in de lente een reeks lezingen en filmvertoningen rond het koepelthema restauratie, archivering en filmerfgoed. This is Film! Heritage in Practice is niet alleen een verdiepend programma voor een geïnteresseerd publiek, het versterkt ook de relatie tussen het museum en de filmeducatie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Copyright’ was dit jaar een logisch eerste deelonderwerp, en een perfecte gelegenheid om Thom Andersens epische collagefilm Los Angeles Plays Itself (2003) te vertonen.

This is Film! is een kijkje in de keuken, een handreiking om mee te denken over processen die veel filmliefhebbers doorgaans zullen ontgaan. Eén van die processen is de ontwikkeling van copyright-wetgeving en de toepassing daarvan. Copyright is de perfecte olifant in de kamer, stelt academicus en filmconservator Claudy Op den Kamp (Bournemouth University) aan het begin van haar lezing op 11 maart. Als ze haar publiek vraagt wie er allemaal copyright bezitten, steekt misschien net de helft van de bezoekers een hand op. De misvatting laat zich raden: iederéén bezit copyright, al is het al over ons eigen, volstrekt ‘unieke’ boodschappenlijstje. De vraag is in de meeste gevallen dan ook niet of er sprake is van copyright, maar of het beoogde effect van een schending zo ingrijpend is dat de auteur zijn copyright besluit te claimen. Met dat enkele gedicht dat ondergetekende als middelbare scholier schreef, gaat niemand de Nobelprijs winnen.

Los Angeles Plays Itself

Los Angeles Plays Itself

Fair Use en het publieke domein
Natuurlijk ligt dat bij film anders. We beschouwen het (terecht) als vanzelfsprekend dat een erkend kunstwerk niet zomaar hergebruikt mag worden zonder toestemming van de maker of de instantie die hem of haar vertegenwoordigt. Op het moment van schrijven ligt de algemeen gehandhaafde duurgrens van copyright nog altijd op zeventig jaar (de invloed van de sterfdatum van de maker even niet inbegrepen). Na de vervaldatum van de copyright betreden films het publieke domein. Als gevolg daarvan kun je nu min of meer doen wat je wilt met titels als Safety Last! (Harold Lloyd, 1923) en Das Kabinett des Doktor Caligari (Robert Wiene, 1919).

Het wordt lastiger wanneer je als filmmaker clips uit een grotere hoeveelheid films wilt gebruiken. Hoe zorg je ervoor dat je voor al die titels toestemming krijgt, en wat doe je als makers of eigenaars gewoonweg niet thuis geven? In de Verenigde Staten bestaat voor die en andere schappelijk geachte omstandigheden het zogeheten ‘Fair Use’-beleid. Fair Use is geleidelijk voortgevloeid uit een Britse parlementaire regeling (1740), die nog voor de stichting van de eerste dertien Staten toestond dat auteursrechtelijk beschermd materiaal onder specifieke voorwaarden in secundaire bronnen verwerkt werd. Vandaag de dag komt het Amerikaanse Fair Use-beleid er in het algemeen op neer dat je materiaal over kunt nemen als je daar toestemming voor hebt óf als je antwoord kunt geven op een stel voor de gelegenheid geformaliseerde vragen. Die vragen maken dan het verschil tussen eerlijk gebruik en misbruik.

Rodeo of dressuurstage?
De meeste internetgebruikers zullen zich maar beperkt van copyright-wetgeving bewust zijn, laat staan dat ze uit de losse pols Fair Use-voorwaarden kunnen opdreunen. Gretig trekken ze filmclips van YouTube om hun eigen compilaties en video-essays vorm te geven. Het is goed om te weten dat de vrijheid die zij bij het verrichten van zulke handelingen kunnen ervaren een direct gevolg is van de globalisering (of beter, Amerikanisering) van internetdiensten, die Fair Use ook in Nederland een onvermijdelijk begrip maken – ook al is het een regeling die hier landelijk helemaal niet geldt. Dat we Fair Use met (relatief) gebruiksgemak kunnen associëren, betekent overigens niét automatisch dat copyright in de Verenigde Staten een rodeo is, en hier een dressuurstage. Zo kun je je afvragen of een vrijer beleid de kans op verwarring (en daarmee op grote claims) niet juist groter maakt, omdat mensen er in allerlei specifieke gevallen ten onrechte vanuit gaan dat ze materiaal mogen overnemen.

Das Kabinett des Doktor Caligari

Das Kabinett des Doktor Caligari

Vanuit historisch perspectief geldt daarnaast dat het gerust ook anders had kunnen lopen met Fair Use. Op den Kamp stelt in haar lezing dat als er in de jaren zeventig geen bevestigend beleid zou zijn vastgesteld voor het tapen (opnemen – aan de hand van de Betamax-recorder, in 1975 door Sony op de markt gebracht) en later via een indirecte bron bekijken van materiaal, we diensten als Netflix een grove veertig jaar later mogelijk ook op onze buik hadden kunnen schrijven. Anders dan de wetten van Draco of de stenen tafelen zijn de meeste regelingen van deze tijd niet langer in denkbeeldig graniet gehouwen.

Een kritische bewoner
Zonder een Fair Use-stempel had de Amerikaanse academicus en filmmaker Thom Andersen (1943) zijn epische collagefilm Los Angeles Plays Itself nooit kunnen voltooien. De documentaire bestaat uit aaneen gemonteerde clips van meer dan 150 films die zich in dan wel nabij Los Angeles afspelen, of dat in ieder geval pretenderen. De clips zijn op zichzelf al een omvattende visuele geschiedenis van stedelijke representatie, maar Andersen gaat duidelijk nog een stap verder: zijn film is een kritiek op de manier(en) waarop Los Angeles in (met name) Hollywoodcinema is verbeeld. Andersen rechtvaardigt zijn stellige houding door zichzelf in de eerste tien minuten expliciet te identificeren als een geëngageerde bewoner van de stad die hij onder het voetlicht houdt.

Los Angeles is wellicht de enige plaats ter wereld die niet alleen films voortbrengt, maar zelf ook een film beoogt te zijn. Als Andersens weide observaties één algemeen punt onderstrepen, dan is het wel de algehele weigering van de filmindustrie om de stad als een eenheid weer te geven. Los Angeles is chaotisch. Gefragmenteerd. Incoherent. Onoverzichtelijk. De talloze rampenfilms die de afgelopen paar decennia zijn uitgebracht, doen daar nog een schepje bovenop. Hollywood lijkt er een mateloos genoegen in te scheppen zijn eigen creatie keer op keer te vernietigen.

Los Angeles Plays Itself

Los Angeles Plays Itself

De stad en het masker
De vraag is of de chaos van Los Angeles enkel de spiegel is die de films ons voorhouden, of dat er ook momenten zijn waarop de stad zijn eigen film uitstapt en zich overgeeft aan een stukje realiteitszin. In andere woorden: Los Angeles is een stad die een masker draagt, maar zouden we de waarheid eigenlijk wel te zien krijgen als dat masker af zou gaan? Of is de schijnvoorstelling zodanig de norm geworden dat ze zich niet langer van een beoogde ‘realiteit’ laat onderscheiden?

In het werk van de Franse filosoof Jean Baudrillard (1929-2007) werd deze verregaande versmelting aangeduid met de term ‘simulacrum’. In Los Angeles Plays Itself blijft de hyperrealiteit achterwege, misschien ook omdat er nog een flinke kloof zit tussen het releasejaar van de documentaire en de ver(der)reikende technologische achtbaan van het hier en nu. Toch is die hyperrealiteit het belangrijkste uiterste van Andersens mijmeringen: de potentiële grenzeloosheid van fictie en de daaraan gekoppelde macht van representatie.

Gelukkig vereisen de snedige voice-overs die de film rijk is nu juist ook bij uitstek geen theorie om analytisch waardevol te zijn. De filmmaker gebruikt zijn grote kennis van de stad en zijn (film)geschiedenis om dingen op te merken die zelfs het meest geoefende oog nog zouden kunnen ontgaan. Naarmate de film vordert, gaat de door Andersen ingezette ironie steeds sterker in zijn voordeel werken. Zo gebruikt de maker humor om het gebruik van humor in Hollywoodcinema te ontmantelen. Hij ontmantelt filmisch cynisme, maar is zelf ook cynisch. Noem Andersen gerust eclectisch: zijn observaties zijn niet alleen scherpe stellingen over Los Angeles en Hollywood, maar ook kanttekeningen bij de gemiddelde bioscoopbezoeker, die misschien claimt films te kijken, maar doorgaans vooral verhalen van het beeld leest.

Wie zich overmatig fixeert op personages en hun concrete handelingen, mist vaak de helft, laat deze documentaire zien. Het vereist een geheel andere focus om je blik niet te laten leiden door de camera en de beeldregie, maar zelf de hoeken van het frame op te zoeken. Precies daarom heeft Los Angeles Plays Itself de potentie om je zoveel nieuwe dingen te leren dat je de film zo nog twee of drie keer wilt zien.

Het copyright-festival
Tussen de oorspronkelijke uitbreng (in 2003) en de commerciële release (in 2013) van de film is de globale context voor de vertoning en verspreiding van het geïncorporeerde videomateriaal verder veranderd. Filmfestivals zijn belangrijke spelers in deze dynamiek, omdat zij in hun internationale allures vaak impliciet afrekenen met landelijke beperkingen. Kort na de online publicatie van het Documentary Filmmakers’ Statement of Best Practices in Fair Use (november 2005) ging op Sundance (voorjaar 2006) This Film is Not Yet Rated (Kirby Dick) in première. De documentaire (over de Amerikaanse keuringsdienst MPAA) zat vol gerecycleerde filmclips. In 2012 deed de Hongaarse filmmaker Györgi Pálfi met zijn Final Cut: Ladies and Gentlemen nog een extra duit in het zakje. De film bestaat volledig uit clips die door Pálfi van YouTube en van fysieke dragers waren geplukt. Hoewel de regisseur bij lange na geen toestemming had om het materiaal uit alle 450 (!) titels te gebruiken, besloot Cannes Final Cut te programmeren als slotfilm van de klassieke sectie. In 2013 bracht het Amerikaanse label The Cinema Guild op veler verzoek Los Angeles Plays Itself uit.

Los Angeles Plays Itself is verkrijgbaar via het label The Cinema Guild 

In verband met de getroffen maatregelen rond het Coronavirus gaat de tweede This is Film!-sessie, die gepland stond op 25 maart, in ieder geval niet door. Houd de website van EYE in de gaten voor informatievoorziening over de verdere verloop van het programma.

 

15 maart 2020


ALLE ESSAYS