Moonage Daydream

****
recensie Moonage Daydream
Overweldigende visuele en artistieke ervaring

door Jochum de Graaf

Je zou denken dat Francis Whately met zijn documentaire-trilogie Five Years (2013), The Last Five Years (2017) en Finding Fame (2019) het leven van David Bowie al behoorlijk gedocumenteerd heeft. Brett Morgen voegt daar met Moonage Daydream een nieuwe en bijzondere kijk op leven en werk van het grote Engelse popicoon aan toe. Het resultaat van vijf jaar arbeid is een overweldigende visuele en artistieke ervaring.

Het verfrissende aan Moonage Daydream is dat het geen documentaire met pratende koppen is. Morgen vertelt zijn verhaal door Bowie zelf aan het woord te laten in de vele charmante en humorvolle interviews en met het enorme voorradige archiefmateriaal alle aspecten van zijn kunstenaarschap te belichten. Maar dan nog zou je het een en ander verwachten over zijn vriendschap met Marc Bolan, dat andere grote idool van de glamrock, en ook de samenwerking met Iggy Pop, eveneens van groot belang in Bowies carrière. Ook zijn persoonlijke leven, zijn eerste huwelijk met Angie en zijn beide zoons blijven onbelicht.

Moonage Daydream

Beatniks
Brett Morgen laat Bowie vertellen hoe hij geworden is tot de persoon die hij wilde zijn. Maar vooral werpt de documentaire een nieuw licht op de ontwikkeling van misschien wel (op The Beatles en The Stones na) de grootste superster van de rock-‘n-roll. Bowie vertelt dat hij toen hij een jaar of dertien was Fats Domino zag optreden en er niets van begreep waar die man over zong en wat hem zo populair maakte; het was wel een enorme stimulans om die voor hem geheimzinnige wereld te willen ontdekken en er zelf wat in te gaan betekenen.

In het middenklassengezin in de Londense wijk Brixton waar hij opgroeide, was halfbroer Terry van beslissende invloed: hij zette de jonge David op het spoor van de beatnikgeneratie en liet hem On the Road van Jack Kerouac lezen. Het was het begin van het avontuur waarin David zichzelf en de wereld wilde ontdekken, een nieuwe taal vinden om zich uit te drukken. Een groot deel van zijn mentaliteit ontleende Bowie aan het werk van de legendarische dichter William S. Burroughs.

Experimenten
Bowie die telkens het avontuur opzoekt, ‘het sociale leven verkennen op obscure plekken’, op zoek naar de absolute waarde van het leven. Bowie die aangeeft dat hij een enorme hekel had aan Los Angeles maar er vervolgens drie jaar ging wonen om te ontdekken of en waar die weerzin vandaan kwam. Natuurlijk komt de artistiek gezien meest interessante periode in de jaren zeventig in Berlijn aan de orde, waar hij van zijn overmatige drugsgebruik wilde afkomen, zich onderdompelde in het culturele leven van de meest opwindende stad van de Koude Oorlog.

Het waren de jaren van experimenteren met elektronische muziek, de samenwerking met inspirator Brian Eno, en de albums Low, Lodger en Heroes die tot zijn meest invloedrijke moeten worden gerekend. Op zijn 33ste had Bowie 17 albums uitgebracht, was al die tijd rusteloos bezig zichzelf te vernieuwen, constant opnieuw uit te vinden. Pas na zijn 35ste kreeg hij een beetje door wie hij werkelijk was en vertelt hij over de rust in zijn leven die hij vond na de ontmoeting met zijn tweede vrouw, Iman.

Androgyn
Moonage Daydream brengt ook de andere kanten van Bowie’s kunstenaarschap in beeld. Zoals zijn acteertalent met befaamde rollen in The Man Who Fell to Earth (1976) en Merry Christmas Mr. Lawrence (1983). We zien prachtige animaties en beeldcitaten van Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey (1968), waar zijn eerste hit Space Oddity uit voortvloeide, en uit films van Fritz Lang en Georges Mèliés, maar ook verloren gewaande beelden van Bowie in de Berlijnse Hansa Studios.

Daarnaast komt zijn voorliefde voor kunst aan de orde. Bowie was niet alleen een verwoed verzamelaar, zijn eigen schilderijen, kleurrijke en soms duistere collages en abstracte beeldhouwwerken zijn voor het eerst te zien. Het is niet onterecht dat hij zich gedurende zijn leven niet al te prominent op die kant van zijn talenten liet voorstaan.

David Bowie is natuurlijk vooral bekend door zijn extravagante kleding en make-up, het spelen met seks, zijn androgyne persoonlijkheid en de verschillende gedaanten die hij op het podium aannam. Jammer genoeg missen we een zelfanalyse van personages als Hunky Dory, Aladdin Sane, Halloween Jack, Ziggy Stardust en The Thin White Duke met een reflectie op de aantijging van diens autoritaire, vermeend rechtse karakter.

Moonage Daydream

Veel critici zien al die gedaanteverwisselingen als caleidoscopisch, als uiting van zijn eclecticisme. In de film wordt wel duidelijk dat Bowie in die personages zowel de tijdgeest wist te vatten als daar een enorme invloed op uitoefende. ‘Ik ben een goede observator’, stelt hij, ‘ik kan goed de essentie van een jaar samenvatten’. Verderop in de film omschrijft hij zichzelf als ‘canvas’, het doek waarop het leven geschilderd moet worden.

Messiasfiguur
Aan het begin en het eind van Moonage Daydream is Bowie esoterisch met zijn eigen invulling van het gedachtegoed van filosoof Nietzsche. ‘There is no beginning, there is no end’. De song Moonage Daydream, van het album The Rise and Fall of Ziggy Stardust and The Spiders from Mars, waar de film zijn titel aan ontleent, gaat over een buitenaardse messiasfiguur die de wereld komt behoeden voor een aanstaande ramp. Bowie heeft natuurlijk wel trekken van een messiaanse figuur. In de ronkende promotie van de film wordt gesteld dat de film dient ‘als een gids voor een leven dat zinvol is’ en ook ‘voldoening geeft in de 21ste eeuw’. Die kenschets is toch zwaar over de top, maar een fascinerend en overweldigend portret van de man die in navolging van Nietzsche vond dat de mens als het ware boven zichzelf moet uitstijgen om zijn overlevingskansen te vergroten, is het zeker.

 

14 september 2022

 

ALLE RECENSIES

Training Day

Tussen goed en kwaad in Training Day
De roep van de wolf

door Tim Bouwhuis

Een themamaand rond Sidney Poitier en Denzel Washington belooft automatisch een reprise van (film)thema’s die in tijden van Black Lives Matter bij voorbaat onder hoogspanning staan. Bij het (her)kijken van Training Day (Antoine Fuqua, 2001) kun je je afvragen of Denzel Washington in zijn Oscarrol als corrupte rechercheur het absolute kwaad belichaamt.

Op de ‘training day’ van een jonge, blanke agent in opleiding zorgt de roep van een wolf direct voor extreme gewetenswroeging. Niemand had Jack Hoyt (een rol van Ethan Hawke) verteld dat de (ongeschreven) wetten van zijn vak zo mogelijk nog meedogenlozer konden zijn dan de wetten van de straat. Alonzo Harris (Washington) is een daadkrachtige sleutelfiguur in het web van dealers en afnemers dat de kansarme (migranten)wijken van Los Angeles omspant, maar zijn optredens en uitspraken verraden al snel een schimmige moraal die de kloof tussen ‘wet’ en ‘wetteloos’ moeiteloos dicht. “Als je iets tegen hen wilt uitrichten, moet je één van hen zijn”, en dus inhaleert Hoyt het fijnere spul zelf ook, en wel op zijn eerste werkdag. Alonzo’s dienstwapen geeft hem weinig keus.

Training Day

Een duivels dilemma
‘De roep van de wolf’ is een karakteristiek inwijdingsmoment: Alonzo imiteert het huilen van de roedel om het kaf (‘de schapen’) van het koren (‘de wolven’) te scheiden en spoort Hoyt aan om hetzelfde te doen. Voor een ‘rookie’ met een gerijpt rechtvaardigheidsgevoel is de roep van Alonzo een duivels dilemma. Hoyt is wat eendimensionaal geïntroduceerd, als een gehoorzame agent die zijn gezin op orde houdt en een naïef vertrouwen heeft in de handhavers van het recht. Scenarist David Ayer (later als regisseur verantwoordelijk voor films als Fury en Suicide Squad) werkt zo welbewust met de kracht van contrast. Omdat het botst tussen de pragmatische wetteloosheid van Alonzo (‘speel het spelletje mee als het je zelf goed uitkomt’) en de premature goedheid van Hoyt, kan de situatie binnen een dag volledig uit de hand lopen.

Het spanningsveld van moraliteit in Training Day heeft een onmisbare raciale component, die een extra dimensie toevoegt aan de thematiek van rechtvaardigheid versus corruptie en verval. Hypothetisch gesteld zullen (nog) meer kijkers anno 2022 vraagtekens plaatsen bij de tegenstelling tussen een ‘goede’ blanke agent in opleiding en een zwarte rechercheur die het niet zo nauw neemt met de wet. Het scenario doet bovendien niets om deze schertsende tegenstelling te bevragen of ontkrachten; de doodsbedreigingen van Russische zware jongens hinten ernaar dat Alonzo zijn ‘straf’ waarschijnlijk niet zal kunnen ontlopen, terwijl Hoyt zichzelf kan louteren door zijn leidinggevende te confronteren.

Gezicht van een generatie
Regisseur Antoine Fuqua (die met Training Day definitief doorbrak in Hollywood, en later onder meer Shooter en Olympus Has Fallen maakte) heeft het in een interview over een ‘wild personage’ dat “moest sterven omdat hij een slecht mens was, een sociopaat”. Maar toch voelde dat voor Fuqua alsof hij een kind verloor. Het ‘kwaad’, absoluut of niet, heeft een vreemde aantrekkingskracht. Denzel Washington, de acteur die ook nog eens het meest tot de verbeelding spreekt als de held van het affiche (van Malcolm X tot Man on Fire en The Equalizer), staat ook als ‘bad guy’ garant voor de beste quotes (“This sh*t is chess, it ain’t checkers!”), en niet Ethan Hawke, maar hij won de Oscar voor beste hoofdrol (voor Hawke bleef het bij een nominatie voor beste bijrol).

Na Sidney Poitier is Washington het gezicht van een generatie zwarte acteurs die wordt geprezen onder de notie van zwarte ‘agency’, ofwel de kracht om te vertegenwoordigen, naar eigen hand te zetten, met Malcolm X (Spike Lee, 1992) als meest typische voorbeeld. Een blanke regisseur was er misschien niet mee weggekomen om Washington zo duidelijk het kwaad te laten belichamen, maar Fuqua is niet blank, en zo speelt Training Day met stereotypen op een manier die onder andere omstandigheden (en later dan 2001, toen de film uitkwam) ongetwijfeld strenger veroordeeld zouden zijn.

Training Day

Ironie van een veroordeling
Als advocaat van de duivel zou je kunnen stellen dat Alonzo in Training Day niet het absolute kwaad belichaamt, maar juist duidelijk maakt dat het kwaad van de (drugs)wereld alleen met kwaad bestreden kan worden. Dat de corrupte hoofdpersoon zwart is, sterkt de geloofwaardigheid van de plot: een blanke rechercheur zou zijn voeten immers niet zo stevig aan de grond kunnen krijgen in de etnisch diverse omgeving die in de film wordt getoond. De woorden van Fuqua en Washington zelf later echter weinig te wensen over. Sterker nog, Washington stond erop dat zijn personage in het definitieve scenario gestraft zou worden (“I told the director I couldn’t justify him living in the worst way unless he died in the worst way”), en dat er dus directe consequenties aan zijn wetteloze gedrag verbonden zouden zijn.

Deze houding laat zien dat grote, haast onbegrensde thema’s als racisme en goed en kwaad zich niet zomaar laten aankaarten door de lens van ‘blank en zwart’; alsof alleen scenarist David Ayer en Ethan Hawke verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de vooroordelen die Training Day in stand zou houden. De ironie is fascinerend: we kijken naar een acteur, Washington, die wordt geprezen om zijn heroïsche bijdrage aan de zwarte filmcultuur. En toch is het grotendeels aan hem te wijten dat je Training Day van een racistische blik op de ‘war on drugs’ kunt beschuldigen.

Kijk hier wanneer Training Day draait.

 

29 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

In the Heat of the Night

In the Heat of the Night
Fraai document van de roerige jaren zestig

door Jochum de Graaf

Toen onafhankelijk producent Walter Mirisch en regisseur Norman Jewison besloten om de roman ‘In the Heat of the Night’ van John Ball speciaal voor Sidney Poitier te gaan bewerken, was racisme nog een nauwelijks belicht thema in de cinema. Daar kwam nog bij dat de film een voorloper zou blijken te zijn van vele thrillers die maatschappelijke wantoestanden aan de kaak stellen.

Destijds, in 1968, was de film baanbrekend en werd hij met maar liefst vijf Oscars beloond: beste film, beste acteur (Rod Steiger), beste scenario, geluid en montage. Er waren het jaar daarvoor meer goede en misschien wel betere films gemaakt, als Bonnie and Clyde en The Graduate, maar het paste wel in de tijdgeest dat juist In the Heat of the Night werd uitverkoren door de Oscarjury. De jaren 67 en 68 betekenden het hoogtepunt voor de Amerikaanse protestbeweging, de anti-Vietnamdemonstraties, de grote marsen op Washington. Het zou zomaar kunnen dat de moord op Martin Luther King, april 68, twee dagen vóór het Oscargala, van doorslaggevende betekenis is geweest.

In the Heat of the Night

Segregatie
Het verhaal speelt zich af in Sparta, slaperig stadje in Mississippi, het diepe zuiden van de VS, waar de segregatie tussen blank en zwart openlijk heerst en politiechef Gillespie (Rod Steiger) probeert zijn niet al te wakkere manschappen een beetje scherp te houden. Wanneer op zekere nacht fabrieksondernemer Colbert wordt vermoord, speuren ze heel Sparta af en komen al gauw uit bij een zwarte man, door de agenten onbekommerd als ‘nigga’ aangeduid, die op het treinstation gestrand is.

De netjes geklede Virgil Tibbs (Sydney Poitier, in 1963 al de eerste zwarte acteur die een Oscar won, voor zijn hoofdrol in Lilies of the Field) heeft na een bezoek aan zijn moeder de laatste trein naar Philadelphia gemist en wordt zonder pardon gearresteerd en opgesloten. Gillespie is ervan overtuigd de dader gevonden te hebben. Maar nadat Tibbs zich identificeert als politieagent, maakt  een telefoontje met collega’s in het noorden al snel duidelijk dat Tibbs niet alleen Tibbs onschuldig is, maar bovendien een van de beste rechercheurs in moordzaken.

Om geen problemen te krijgen met zijn collega’s in het noorden en omdat zijn eigen amateuristische politieteam wel wat kan leren van deze specialist uit Philadelphia, stelt Gillespie Tibbs voor om samen de zaak op te lossen. Tibbs staat er niet om te springen, maar vindt de zaak té interessant om nee te zeggen.

Taboes
Er ontrolt zich een plot waarin de scherpzinnige Tibbs een paar keer aantoont dat opgepakte verdachten de moord niet gepleegd kunnen hebben, maar ook zelf op een dwaalspoor uitkomt en een rijke blanke plantagehouder, openlijk tegenstander van Colbert, beschuldigt. De blanke bevolking van Sparta is er niet van gediend dat een zwarte man openlijk blanken beschuldigt en dreigt hem te lynchen. Gillespie redt hem uit de benarde situatie, in de explosieve sfeer rest nog maar weinig tijd, maar uiteindelijk weet Tibbs de echte dader te ontmaskeren.

In 1967 was In the Heat of the Night taboe doorbrekend. De onberispelijk geklede mr. Tibbs houdt vrijwel de gehele film zijn innerlijke beschaving hoog versus de lompige agenten van het politiebureau van Sparta, om nog maar te zwijgen van de rednecks, de plaatselijke bevolking die op zeker moment Tibbs wil lynchen. Er zit een aantal iconische scènes in de film. Tibbs die in het mortuarium het lijk van Colbert onderzoekt, die zwarte handen die blanke voeten beroeren; Tibbs die uiterst zelfbewust zijn white trash belagers toebijt  ‘They call me MISTER Tibbs’ en – nooit vertoond tot dan – de zwarte Tibbs die van de blanke plantage-eigenaar Endicott een klap krijgt en gelijk een klap terug uitdeelt.

En toch is er geen sprake van een zwart-wit sjabloon, een eenduidige strijd tussen goed en kwaad. Poitiers Tibbs is in feite net zo bevooroordeeld als Steigers Gillespie. Zijn minachting voor het blanke uitschot dat hem op zijn plaats probeert te wijzen, neigt bij vlagen naar arrogantie. Steiger zet daar een heetgebakerd, ruig en tegelijkertijd subtiel optreden tegenover dat hem terecht een Oscar opleverde.

In the Heat of the Night

Acteerduel
De intrige van het verhaal, het oplossen van de moord, maakt In the Heat of the Night tot een dramatisch interessante film, en het onverbloemd aan de kaak stellen van racisme is een sterke pijler, maar zijn waarde ontleent de film ook aan de boeiende relatie die zich tussen Tibbs en Gillespie ontwikkelt, het schitterende acteerduel tussen Sydney Poitier en Rod Steiger.

Speciale aandacht verdient de soundscore van Quincy Jones, met ragfijne blues en funk, en als hoogtepunt de titelsong in die kenmerkende stijl van de geweldige Ray Charles. Het was ook de intro van politieserie In the Heat of the Night die NBC, met andere hoofdrolspelers, vanaf 1988 maar liefst acht seizoenen uitzond.

Als je met de ogen van nu naar de film kijkt, komt de nadrukkelijke politieke correctheid misschien gedateerd over, kun je vraagtekens stellen bij de rechttoe rechtaan afwikkeling van de plot, en kan een kniesoor zich storen aan de onbeholpen achtervolgingsscènes. Maar In the Heat of the Night is alleen al vanwege zijn politieke en sociale boodschap een belangrijke film, een fraai document van de roerige jaren zestig in de VS.

Kijk hier wanneer In the Heat of the Night draait.

 

25 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Cry Freedom

Denzel Washington anti-apartheidsactivist in Cry Freedom (1987)
Biko’s geest leeft voort 

door Cor Oliemeulen

September ’77
Port Elizabeth weather fine
It was business as usual
In police room 619
Yihla Moja, Yihla Moja
The man is dead, the man is dead

Zanger en muzikant Peter Gabriel bracht in 1980 zijn song Biko uit ter nagedachtenis aan de Zuid-Afrikaanse anti-apartheidsactivist Steve Biko, die op 12 september 1977 overleed aan zijn verwondingen nadat politieagenten hem na zijn arrestatie een maand eerder hadden mishandeld. De Britse regisseur Richard Attenborough maakte er de film Cry Freedom (1987) over.

Cry Freedom

Zwart bewustzijn
Even wat achtergrond. Na het bloedbad van Sharpeville in 1960, waar duizenden zwarte burgers hadden gedemonstreerd tegen de pasjeswet in Zuid-Afrika, werden het African National Congress (ANC), het Pan Africanist Congress (PAC) en de communistische partij SACP verboden. Veel activisten, zoals Nelson Mandela, belandden in de gevangenis, maar hun organisaties gingen ondergronds verder met hun strijd tegen de Apartheid en voor gelijkheid van de zwarte meerderheid. Eind jaren zestig ontstond uit een christelijke beweging The Black Consciousness Movement (BCM), geleid door de intellectueel Steve Biko.

Denzel Washington kruipt in Cry Freedom in de huid van Steve Biko. Het betekende voor de Amerikaanse acteur de eerste hoofdrol in een speelfilm, terwijl hij ten tijde van de opnamen al enorm populair was als dokter Philip Chandler in NBC’s succesvolle ziekenhuisserie St. Elswhere (1982-1988). Als de charismatische, vriendelijke, grappige, trotse en vastberaden activist Steve Biko werd hij voor een Oscar genomineerd. Tijdens de 35-jarige acteercarrière die volgde, bewees Denzel Washington zijn veelzijdigheid: van vertolkingen van andere legendarische helden in Malcolm X (1992) en The Hurricane (1999), via foute politieman in Training Day (2001) en stijlvolle wraakengel in The Equalizer (2014) tot en met zijn al even geloofwaardige toneelachtige rollen in Fences (2016) en het recente The Tragedy of Macbeth (2021) van Joel Coen.

Richard Attenborough baseerde Cry Freedom (bijna gehaal opgenomen in Zimbabwe) op twee boeken van Donald Woods. Deze witte journalist van een Zuid-Afrikaanse krant was aanvankelijk kritisch op Steve Biko, echter na een bezoek aan een township en enkele ontmoetingen met de anti-apartheidsactivist zag hij met eigen ogen het grove onrecht en raakte hij bevriend met Biko. De regisseur weet het leven van de onderdrukte zwarte meerderheid in enkele confronterende scènes krachtig neer te zetten, maar het is jammer dat niet Biko maar Woods (Kevin Kline) veruit de meeste speeltijd krijgt. Cry Freedom is, net als Attenboroughs Gandhi (1982), eerder een heiligverklaring dan het portret van een held van vlees en bloed.

Steve Biko behoorde tot een van de vele anti-apartheidsactivisten die omkwam in een Zuid-Afrikaanse cel. Het gros liet het leven door politiegeweld, hoewel de officiële verklaringen repten van zelfmoord door ophanging, uitglijden onder de douche, val van trap, et cetera. In het geval van Biko zou het zijn gegaan om een hongerstaking. De film laat er geen misverstand over bestaan dat hij door de veiligheidspolitie was mishandeld, verwaarloosd en uitgehongerd.

Klap
Biko’s arrestatie ging om een vergezochte futiliteit. We zien hem zitten in een ruimte met drie bullenbakken van witte agenten. Tijdens het draaien van deze scène liet Denzel Washington zich inspireren door zijn grote voorbeeld Sidney Poitier in diens beroemde scène uit In the Heat of the Night (1967) waarin die als de zwarte politieagent Tibbs in het racistische zuiden van Amerika een witte plantage-eigenaar terugslaat in zijn gezicht. Het was voor het eerst in de filmgeschiedenis dat een zwart persoon een wit persoon sloeg (terwijl Tibbs/Poitiers reactie niet eens in het script stond). In Cry Freedom wordt de hoofdpersoon in het gezicht gemept door een witte Zuid-Afrikaanse agent, waarna het slachtoffer opstaat en de agent op zijn beurt vol in het gezicht slaat. Aangezien Steve Biko ‘toonbaar’ voor de rechtbank moet verschijnen, blijft verdere mishandeling hem vooralsnog bespaard. De rest is geschiedenis.

Cry Freedom

You can blow out a candle
But you can’t blow out a fire
Once the flames begin to catch
The wind will blow it higher
Oh Biko, Biko, because Biko
Yihla Moja, Yihla Moja
The man is dead

“Yilha Moja” betekent: “Kom, geest!” Steve Biko is dood, maar zijn geest leeft voort.

 

Kijk hier wanneer Cry Freedom draait.

 

22 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Guess Who’s Coming to Dinner

Guess Who’s Coming to Dinner (1967) met Sidney Poitier
Lastige thema’s aansnijden als een stuk taart

door Bob van der Sterre

Een bijzondere film, Guess Who’s Coming to Dinner. Gemengde relaties als onderwerp van de film? Gewaagd! Maar is de film echt goed? En hoe zit het met de tranen van Katharine Hepburn?

Witte dochter komt bij witte ouders en toont haar nieuwe vlam: een zwarte man. Ze kennen elkaar tien dagen en willen trouwen. Niet eenvoudig te slikken voor de ouders. Ook al gaat vader Matt juist prat op zijn liberale denken. Het is wat anders als je het zelf moet doen.

Guess Who's Coming to Dinner (1967)
Ze trekken de zere pleister er maar meteen af: is dat maar gedaan. Een avond hebben de ouders om hun zegen te geven. Gelukkig is John een perfecte dokter, die en passant de wereld met VN-operaties erop vooruit helpt. Dat maakt het wel minder zuur. Maar toch. Waarom zo snel?

Eerst komt een vriend, een priester, zijn woordje doen. Dan komen de ouders van John ook op bezoek. Die twijfelen zelf ook. Zelfs de zwarte huishoudster Tilly heeft haar bedenkingen: ze is zeker dat John een oplichter is.

Spanning is om te snijden en eindigt met een speech van vader Matt waarbij hij alle reacties langsgaat.

Van mens tot mens
Guess Who’s Coming to Dinner is zo’n film die vastberaden komt aangerend om een beladen sociaal thema, gemengde huwelijken, aan te snijden als een stuk taart. Dat gebeurt eens niet onder het mom van een thriller maar gewoon, rechtstreeks: van mens tot mens. Soms luchtig, soms serieus.

Dit was ook nog 1967, een zeer woelige tijd waarbij de raciale ongelijkheid nog veel groter was. Niet voor niets zegt vader Prentice tegen zijn zoon: “In zestien of zeventien staten zou je de wet breken. Je zou een crimineel zijn.” Dat was geen overdrijving, dat was echt zo.

Hoe overleeft Guess… anno nu?
Eerst het goede nieuws: veel films missen hart en ziel: niet deze. Dit verhaal van scriptschrijver William Rose (die met het idee kwam) bevat verrassend veel krachtige monologen die je nu nog steeds raken. En bovendien nog wat wranggeestige oneliners: “Hij denkt dat je gaat flauwvallen omdat hij een zwarte man is.” “Nou ik ga niet flauwvallen, maar ik ga er wel even bij zitten.”

Het helpt dat je naar ijzersterk drama-acteerwerk kijkt van acteurs met in wezen komische aanleg, die vaak juist goed hun mannetje of vrouwtje staan in dramafilms. Laat dat maar aan Spencer Tracy, Katharine Hepburn en Sidney Poitier over. Frappant hoe ze zulke schetsmatige typetjes vrij eenvoudig tot leven krijgen. Hepburns nicht Katharine Houghton als Joey werkt verrassend goed als contrast bij deze acteerkanonnen.

En dus een paar mooie oprechte scènes waarbij je even moeten slikken. Met als hoogtepunt als Sidney Poitier tot tranens aan toe aan zijn vader uitlegt dat hij niet zijn eigendom is…

Poitier haalt echt alles uit de kast tijdens deze korte scène. Let op zijn vele blikveranderingen en toonveranderingen als hij die memorabele woorden zegt: “Pa, je bent mijn vader. Ik ben je zoon. Ik hou van jou. Heb ik altijd gedaan en zal ik altijd blijven doen. Maar jij denkt aan jezelf als een man van kleur. Ik denk aan mezelf als een man.”

Of als de ogen van Katharine Hepburn vol tranen staan… Daar komen we nog op terug.

Schematisch en voorzichtig
Dan wat minder goed werkt: de film is voorzichtig en schematisch.

Regisseur Stanley Kramer en scriptschrijver William Rose wisten de film perfect ‘hart’ te geven, maar ze wisten niet hoe ze dat vernieuwend moesten brengen. De film is schaamteloos toneelstukkerig. Alle gesprekken worden onnatuurlijk aan elkaar geregen. En de muziek is ook vrij pover. Alsof het verhaal ‘helaas’ verplicht verfilmd moest worden.

Té schematisch is bijvoorbeeld de metafoor als Matt ijs bestelt en dat hij niet kent maar hem goed smaakt. Vervolgens rijdt hij een zwarte man aan en geeft hém de schuld van de aanrijding. Voilà: hier zijn persoonlijke dilemma in een notendop.

En als liefhebber vraag je je wel een beetje af: wat blijft er over als je het beladen thema uit de film haalt? Op goed acteerwerk en enkele hartverwarmende momenten na, niet veel denk ik. Zonde. In een andere recensie las ik een vergelijking met The Graduate (ook 1967), dat ook over een taboe gaat maar dat aldoor voor minder gewone oplossingen kiest.

De film heeft ook wat eigenaardigheden als je erover nadenkt: de film gaat over wit en zwart maar de ouders van John zijn minder goed ontwikkeld in de film dan de ouders van Joey. En waarom toch die haast?! Zeker voor een stel dat elkaar tien dagen kent… Het geeft het script vaart maar is ook een beetje dwaas. En tot slot heeft John geen enkele slechte eigenschap. Dat maakt hem in feite minder geloofwaardig.

De tranen van Katharine Hepburn
Daar zijn we dan: hoe zit het met de tranen van Katharine Hepburn? Dat is puur verdriet.

Hepburn heeft deze film nooit meer gekeken. Reden: dit waren haar laatste herinneringen aan haar levensgezel Spencer Tracy, met wie ze in negen films samen speelde. Hij was heel ziek tijdens het maken van de film en stierf tien dagen nadat de film klaar was, in juni, terwijl de film pas in december in de VS in roulatie zou gaan.

Katharine Houghton die Joey speelde: “Dat wisten we allemaal. Het was helemaal geen leuke tijd.” Ze hadden zelfs twee scripts: een voor als Tracy eerder zou overlijden, en het gewone.

Misschien dat er daarom zoveel tranen vloeien in deze film. Hepburns ogen schieten iedere tien minuten wel een keer vol. Maar ook de andere acteurs laten de tranen gaan.

Er is een specifieke, bijzonder ontroerende zin aan het einde die haar zichtbaar immens ontroert. Zij dacht alleen op dat moment niet aan de situatie van haar dochter, maar aan haar en Tracy en zijn aankomende sterven. Twee keer ontroering voor de prijs van een.

Tracy zelf was opgelucht dat hij de film nog kon afmaken. De laatste scène was ook zijn laatste scène ooit. Met die wetenschap kijk je toch anders naar deze film. Het is ronduit verbijsterend wat Tracy in zijn doodzieke staat nog aan acteerwerk wist te leveren.

Guess Who's Coming to Dinner (1967)

En Sidney?
Voor Sidney Poitier zou het heel anders gaan: de laatste twintig jaar van zijn leven speelde hij niet meer in films. Anders dan Tracy (die overleed op zijn 67ste) haalde hij de respectabele leeftijd van 94 jaar. Hij overleed afgelopen januari.

Het was een eenzame wereld voor zwarte acteurs in zijn tijd. In een necrologie van NBC wordt een eerdere, schrijnende quote aangehaald: “Ik maakte films toen de enige andere zwarte man daar de schoenenpoetser was. Ik was een beetje de lone guy.”

Misschien was het in zekere zin een voordeel als acteur en als mens dat hij de ballast van Amerikaanse segregatie miste. Hij werd geboren in de VS maar groeide op in de Bahama’s – is zelfs ambassadeur geweest voor de Bahama’s – waar vrijwel iedereen zwart was. Hij ging pas op achttienjarige leeftijd naar Harlem, New York. Was even dakloos, hobbelde van baantje naar baantje. Hij oefende op zijn accent en na een paar toneelstukken ging het opeens snel en debuteerde hij op zijn 23ste in een film.

En toen ging het snel en werd hij een soort symbool als eerste bekende zwarte acteur in de jaren vijftig en zestig. Zijn rollen gingen óók over zijn uiterlijk. Pas in 1965 zou hij in een film spelen waarin zijn kleur geen rol speelde (The Bedford Incident).

Poitier was een intelligente man die kalm omging met alle raciale issues die voor zijn voeten kwamen. Luister naar deze fantastische opmerkingen van Poitier in 1968, bijna weer een speech van Guess… op zichzelf. Het was een eenzame wereld voor zwarte acteurs.

Dus de perfecte rol voor Guess Who’s Coming to Dinner… Net als zijn karakter zou hij zelf ook veel doen voor de burgerrechtenbeweging in de VS. Uiteindelijk deed niets méér voor de zwarte zaak dan meedoen aan deze film die, hoe plompverloren en conservatief ook, toch bijdroeg aan meer onderling begrip. “Hij was de Hollywoodafdeling van de burgerrechtenbeweging!” zei Wesley Morris, criticus van The New York Times.

Het blijft altijd zo vreemd als filmlevens en echte levens via een bizarre kronkel samenkomen.

 

Kijk hier wanneer Guess Who’s Coming to Dinner draait.

 

15 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Hurricane, The

The Hurricane (1999) met Denzel Washington
Onschuldig achter tralies

door Ries Jacobs

Op 17 juni 1966 hield een politieagent bokslegende Rubin Carter aan tijdens een routinecontrole. Op zich niet onalledaags, in het racistische Amerika van die tijd waren Afro-Amerikanen veelvuldig het doelwit van discriminerende wetsdienders. Het voorval zou snel vergeten zijn als er die nacht niet in een bar vlakbij drie mensen waren vermoord en de schutters bovendien geïdentificeerd waren als gekleurd.

Door op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats te zijn, brachten Carter – bijnaam The Hurricane – en zijn chauffeur John Artis de twintig jaar die volgden in de gevangenis door. Dit was niet de eerste keer dat de bokser in het gevang belandde. The Hurricane (1999) verhaalt over hoe Carter zijn tienerjaren grotendeels achter tralies doorbrengt. Hij komt er binnen als straatschoffie en gaat eruit als een vechtmachine.

The Hurricane (1999)

Daarnaast concentreert regisseur Norman Jewison zich op de geschiedenis van Lesra Martin. De zwarte tiener uit Toronto is zo geïnspireerd door het verhaal van de bokser die onterecht vastzit dat hij er zijn levenswerk van maakt om hem vrij te krijgen. Beide verhalen lopen door elkaar en worden niet altijd chronologisch verteld, wat de film in het begin soms enigszins verwarrend maakt. Het wekt de nieuwsgierigheid van de kijker, die langzaam de puzzelstukjes in elkaar kan passen.

Racistische jury
Jewison kiest ervoor om er geen rechtbankdrama van te maken (in 1979 regisseerde hij de rechtbankfilm And Justice for All), maar zich te concentreren op het institutioneel racisme dat (zeker in de tijd) diep in de Amerikaanse samenleving geworteld is. De van oorsprong Canadese filmmaker reisde in de late jaren veertig door het zuiden van de Verenigde Staten en was geschokt door de openlijke segregatie. Het thema komt vaker terug in zijn films, onder andere in In the Heat of the Night (1967) en A Soldier’s Story (1984).

De regisseur bundelt honderden jaren van onrecht en leed in het karakter Rubin Carter, een rol die Denzel Washington natuurlijk op het lijf geschreven is. Hij moest de Oscar in 2000 aan Kevin Spacey laten, maar won wel de Golden Globe. De Carter die we zien in de film is emotioneel, doorleefd en compleet geloofwaardig.

Over de geloofwaardigheid van de film als geheel is al jaren discussie. Niet vreemd als je over een dermate controversieel onderwerp verhaalt, bijna een kwarteeuw eerder kreeg Bob Dylan ook kritiek nadat hij het nummer The Hurricane uitbracht. Het lied komt meerdere malen terug in de film. Bovendien laten Jewison en zijn scripschrijvers vooral de emotie spreken en houden ze zich minder bezig met de vraag of hun verhaal de realiteit wel weerspiegelt. Zo zou Carter in 1964 door toedoen van een racistische jury een wedstrijd om de wereldtitel tegen Joey Giardello op punten hebben verloren. In werkelijkheid was Giardello die dag de betere bokser.

Levenslange vete
Vooral wat betreft het handelen van rechercheur Vincent DeSimone nemen de filmmakers een loopje met de werkelijkheid. The Hurricane suggereert dat de politieagent een levenslange vete had met Carter en hem het gevang in wilde luizen. Dit idee is eenvoudigweg niet correct. Voor die beruchte nacht in juni 1966 hadden de twee elkaar nog nooit ontmoet. Wellicht is het daarom dat de naam DeSimone in de film gewijzigd is in Della Pesca.

The Hurricane (1999)

Wel correct (genoeg) weergegeven is de geschiedenis van Lesra Martin. De begeesterde tiener speelde samen met drie vrijwilligers een belangrijke rol in de vrijlating van Carter en Artis, al krijgt het personage een wel erg prominente rol in The Hurricane. Maar ach, het is Hollywood en het verhaal van vier sympathieke progressieve Canadezen doet het goed bij het publiek. Het draagt, gecombineerd met gedreven acteerwerk en een oerdegelijk (zij het niet helemaal realistisch) script, bij aan het voortreffelijk staaltje vakmanschap dat The Hurricane is.

Kijk hier wanneer The Hurricane draait.

 

10 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Lilies of the Field

Sidney Poitier won enige Oscar in Lilies of the Field
They call me ‘Schmidt’!

door Paul Rübsaam

In de stichtelijke komedie Lilies of the Field (1963) moet de werkloze klusjesman Homer Smith (Sidney Poitier) een kapel bouwen op aandrang van een groep Oost-Europese nonnen. Het is op het eerste gezicht niet de meest memorabele rol uit Poitiers imposante oeuvre. Toch kreeg de gevierde Afro-Amerikaanse acteur uitgerekend voor zijn vertolking van het All American personage Smith zijn enige Oscar voor een hoofdrol. In retrospectief gezien is die onderscheiding niet eens onterecht.

O ja, die film waarvoor hij een Oscar kreeg. Bij velen voor wie de begin dit jaar op vierennegentigjarige leeftijd overleden Sidney Poitier een begrip, zo niet een symbool was, zal dat de eerste associatie zijn bij de titel Lilies of the Field. Voor zover men al gehoord heeft van deze komedie van regisseur Ralph Nelson.

Lilies of the Field

Het verhaal van die enige Academy Award die Poitier ontving, is vooral het verhaal van de prijzen die hij niet kreeg. Is niet zelfs de naam Virgil Tibbs, die van Poitiers personage in de politiefilm In The Heat of the Night (1967), al beroemder dan de hele Lilies? Om maar te zwijgen van de quote: ‘They call me Mister Tibbs!’

Ook Guess Who’s Coming to Dinner (1967), dat het destijds gewaagde onderwerp van het interraciale huwelijk aansneed, zal bij heel wat meer mensen op het netvlies gebrand staan dan de lotgevallen van Homer Smith en zijn nonnen. En zo kun je wel doorgaan. Titels als The Defiant Ones (1958), Porgy and Bess (1959) en A Patch of Blue (1965) vallen nog eerder op te tekenen uit de mond van een deelnemer aan een filmquiz dan Lilies of the Field.

Door God gezonden
Toch levert het herzien van die komedie in zwart-wit uit 1963 een boeiende ervaring op. Misschien wel het meest voor de niet uitgesproken Poitierfans, die met enige instemming zullen vernemen dat de zwarte toneelacteur Clifford Mason hem ooit typeerde als “showcase nigger”. Want waren Poitiers personages in films die dikwijls racisme aan de kaak stelden, zelf niet wat al te onberispelijk en onkreukbaar? Alsof je als zwarte man zonder fouten moest zijn om aanspraak te kunnen maken op een gelijkwaardige behandeling, wat toch niet helemaal strookt met de ware emancipatiegedachte.

Homer Smith is echter geen ideale, hoog opgeleide zwarte schoonzoon en ook geen scherpzinnige en rechtschapen politie-inspecteur. Hij is een doodgewone klusjesman, annex werkloze bouwvakker, die op een dag gehuld in een smetteloos wit spijkerpak met zijn Plymouth stationwagon rijdt over een verlaten snelweg door het woestijnachtige landschap van Arizona.

Omdat de motor van zijn auto droog is komen te staan, houdt hij halt bij de eerste halteplaats om daar om water te vragen. Het blijkt een nederzetting op een akker te zijn, waar een groep Duits sprekende nonnen onhandig het land bewerkt. Moeder-overste Maria (Lilia Skala) herkent in Smith (die de nonnen voortaan ‘Schmidt’ zullen noemen) de grote, sterke man waar zij om gebeden heeft, die bepaalde werkzaamheden moet gaan verrichten. De huidskleur van Smith lijkt hierbij geen rol te spelen.

Boy? Gringo!
Stukje bij beetje probeert de strenge en dominante moeder Maria de onwillige Homer ertoe te bewegen een kapel (‘shapel’, spreken de nonnen dat uit) te bouwen ten behoeve van de hoofdzakelijk Latijns-Amerikaanse geloofsgemeenschap van het nabije dorpje Piedras. Aanvankelijk is Smith slechts bereid tot het verrichten van wat kleinere diensten, waar hij afdoende voor betaald wil worden. Dat laatste blijkt echter niet in de planning te liggen.

Regisseur Ralph Nelson durfde het blijkbaar aan dat het er de schijn van zou kunnen hebben dat zijn Afro-Afrikaanse personage langzaam maar zeker in de rol van slaaf wordt gedwongen. De plotontwikkeling en niet in de laatste plaats de algehele rolbezetting neutraliseren die schijn overigens afdoende. Want eigenlijk maken de Duitssprekende nonnen een buitenissigere indruk dan de zwarte protagonist. Vooral tijdens het tot hilarische scènes leidende taalonderwijs dat ze van ‘Schmidt’ krijgen, zijn ze ronduit grotesk. Bovendien zijn ze een tikkeltje verdacht. Als de bevelen van de Oost-Duitse moeder Maria wat al te onverbiddelijk klinken, wijst Smith haar niet al te fijntjes op haar afkomst uit het land van Adolf Hitler.

Lilies of the Field is, per ongeluk of niet, zijn tijd vooruit door Amerika te laten zien als een smeltkroes van immigranten. Typische, al dan niet racistische Angelsaksen vervullen slechts een bijrol. Het enige personage dat in dit profiel past, is de bouwaannemer Mr. Ashton (een klein rolletje van regisseur Nelson zelf). Deze behandelt Homer laatdunkend en spreekt hem aan met ‘Hey, boy!’. De Mexicanen uit Piedras, met de zwaarlijvige kroegbaas Juan Aquilito als meest markante personage, bejegenen Smith daarentegen met milde ironie, maar niet onwelwillend. Voor hen is hij eenvoudigweg een ‘gringo’. Dat kan hij best als een compliment opvatten, want vreemdelingen zijn ze toch allemaal.

A-ha-ha-men
Uiteraard ligt in deze film die niemand pijn wil doen het hart van de protagonist stevig op de goede plaats verankerd. Wat niet wil zeggen dat Homer Smith zonder ‘hebbelijkheden’ is. Zo is hij trots, koppig, gulzig (zowel wat eten als drinken betreft), wispelturig en bij vlagen ongedisciplineerd. Maar juist de tekortkomingen van zijn personage bieden Sidney Poitier de kans zijn komische talenten te demonstreren.

Lilies of the Field

Kolderiek dienstvaardig treedt hij keurig in zwart pak en met een zwarte das als chauffeur op voor de nonnen, die een katholieke mis in Piedras bij willen gaan wonen. Wanneer hij een keer ergens de bloemetjes buiten heeft gezet, zien we hem terug in een vrolijk Hawaï-shirt, maar met een zwarte zonnebril op, aangezien hij door toedoen van een fikse kater het zonlicht niet verdragen kan. En bij de gospel Amen van Jester Hairston die Smith (gedubt door Hairston zelf) zingt in duet met de Duitse nonnen (als koor) brengt Poitier zijn rol van voorzanger aanstekelijk over het voetlicht.

Dat het geloof in de machten van boven de personages uiteindelijk verbindt, mag ook al geen verrassing heten. Toch gaat dat niet helemaal zonder slag of stoot. Homer denkt op een gegeven moment dat hij moeder Maria met behulp van een Bijbeltekst ervan kan overtuigen dat hij wel degelijk betaald moet worden voor zijn werk. In haar antwoord wijst ze hem echter op een fragment uit de Bergrede over de belangeloze bloei van bepaalde bloemen: “Consider the lilies of the field, how they grow; they toil not, neither do they spin…”

Maar al is Moeder Maria dan Bijbelvaster dan hijzelf, er blijft voor Homer iets wringen. Doe je mensen niet tekort als je hun oprechte inspanningen steeds maar afdoet als het werk van God? Alles bij elkaar genomen is de Oscar die Sidney Poitier kreeg voor zijn rol van het personage dat zich deze vraag stelt helemaal niet zo misplaatst. Al had hij er gedurende zijn lange filmcarrière nóg wel eentje voor een hoofdrol mogen krijgen.

Kijk hier wanneer Lilies of the Field draait.

 

7 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Elvis

***
recensie Elvis
Wervelende muziekfilm neemt loopje met de werkelijkheid

door Jochum de Graaf

De roem is de film al aardig vooruit gesneld: 12 minuten applaus bij de wereldpremière in Cannes, uitgebreide loftuitingen door de Nederlandse Elvis-adepten Henkjan Smits en Lammert de Bruin in talkshow Op1. Zeker, Elvis, de her en der bewierookte nieuwe film van Baz Luhrmann (Romeo + Juliet, Moulin Rouge), is lang niet slecht, maar in de uitwerking van de leidende personages, Elvis en zijn manager Colonel Tom Parker, blijft de film te veel aan de oppervlakte.

IJzersterk wordt Elvis’ opvoeding getoond als arme blanke jongen die opgroeit tussen arme Afro-Amerikanen in Tupelo, Mississippi en hoe hij na de verhuizing naar Memphis, Tennessee als tiener in de ban raakt van gospelmuziek, veel tijd doorbrengt in Beale Street (“the Home of the Blues”) en dan vooral in de Handy Club, waar hij de talenten en artiesten tegenkomt die een doorslaggevende invloed op hem zouden hebben.

Grote verdienste van Elvis is dat nu voor het eerst in al die films en series over The King eindelijk recht wordt gedaan aan de rol die zwarte cultuur en muziek speelden in de persoonlijke en professionele ontwikkeling van Elvis Presley. We zien artiesten en muzikale pioniers: B.B. King, Little Richard, Fats Domino, Mahalia Jackson, Arthur “Big Boy” Crudup en Big Mama Thornton allemaal als zelfstandige personages, terwijl in de soundtrack moderne remixen en nieuwe muziek van artiesten als Doja Cat te horen zijn, wat nog eens benadrukt hoe door die koppeling van culturen en generaties de muziek van Elvis de rock-’n-rollrevolutie ontketende.

Elvis

The King
Mooi tijdsbeeld ook hoe gevaarlijk Elvis (gespeeld door Austin Butler) destijds werd beschouwd wegens het overschrijden van raciale grenzen en het uitdagen van de seksuele zeden in het Amerika van de jaren vijftig en de vroege jaren zestig waar de rassensegregatie nog volop leefde en er nog onbekommerd over ‘niggers’  en ‘nigga music’ werd gesproken. Luhrmann lijkt een soort correctie te maken op het beeld van Elvis als de wat bleue, onverschillige jongen die een ongelooflijk muzikaal talent bleek te hebben dat hem tot The King of Rock & Roll deed uitgroeien en zich niet of nauwelijks voor de wereld rondom hem interesseerde. In de film zien we hem met verbijstering naar het nieuws over eerst de aanslag op Martin Luther King en vervolgens kort daarna de moord op Robert Kennedy kijken, hij is totaal aangeslagen. Je zou bijna denken dat hij zomaar meegelopen zou kunnen hebben in  de legendarische marsen van de burgerrechtenbeweging.

De film gaat evenwel volledig voorbij aan het feit dat Elvis in werkelijkheid een nogal conservatief Republikeinse inslag had, een fikse hekel aan hippies had en als een van de hoogtepunten van zijn de leven de ontvangst door Richard Nixon op het Witte Huis in 1970 ervaarde, waar hij oh, ironie, een FBI-badge wegens zijn vermeende strijd tegen drugs in ontvangst nam, terwijl hij al een aardig eind op weg was met zijn verslaving aan uppers en downers waar hij uiteindelijk aan ten onder zou gaan.

Elvis

Colonel Parker
Een zelfde verhaal bezijden de werkelijkheid zien we in de rol van Elvis’ roemruchte manager Colonel Tom Parker, die – overigens niet al te consequent – als verteller optreedt. Tom Hanks speelt overtuigend en slim het type van de manipulatieve en hebzuchtige kolonel Parker, een gladde promotor uit de circuswereld die het geluk had de manager te worden van wat hij zag als de grootste carnavalsfreakshow ooit. Parker, pseudoniem voor onze landgenoot Dries van Kuijk uit Breda. Hij ontwikkelde de Elvismania, de merchandisingmachine met, truien, vesten, kalenders, wat dies meer zij en bracht heel tekenend naast een I Love Elvis-button ook een I Hate Elvis-button op de markt, op die manier ook nog een slaatje slaand uit de Elvis-haters.

Parker trachtte vanaf het begin van hun samenwerking zorgvuldig te waken voor het imago van de blanke all-American boy, de publiekslieveling met een grote moederliefde. De vervulling van de dienstplicht in Duitsland eind jaren vijftig, de tanende populariteit door de opkomst van de Britse Beatlemania deed hem Elvis’ filmcarrière stimuleren,  ook het huwelijk met Priscilla werd door Parker commercieel uitgebuit.

Elvis

Las Vegas
Er zijn een paar fijne scènes te zien rond de Comeback Special, het tv-optreden dat Elvis in 1968 weer terug aan de top moet brengen. Parker heeft een contract afgesloten dat het eigenlijk een kerstspecial zal worden waarbij Elvis een opzichtige trui zal dragen en zoetgevooisde kerstmelodieën zal zingen. Onder invloed van de regisseurs van de show trekt Elvis zich hier echter niets van aan en rockt als nooit tevoren. In later jaren weet Parker Elvis toch weer te bewegen een contract voor een jarenlang optreden in Las Vegas te ondertekenen, waarbij Parker ter delving van zijn gokschulden vijftig procent van de revenuen weet te bedingen.

Presley is dan al langzaam maar zeker op zijn retour, de tragische ondergang, dat pafferige zwetende gezicht, de optredens zittend op het podium, de medicijnverslaving – het is in andere films (zoals Elvis: That’s the Way It Is), documentaires en series menigmaal sterker in beeld gebracht. Elvis voegt daar weinig aan toe. Daarbij is de laatste jaren meer bekend geworden over de achtergrond van de vlucht van Dries van Kuijk naar de VS, de mogelijke betrokkenheid bij de moord op een Bredaas meisje, waardoor hij nooit een verblijfsstatus kreeg en optreden van Elvis buiten de VS tegenhield, het komt niet aan de orde.

Baz Luhrmanns Elvis lijkt al met al nog het meest op een wervelende musical waar omwille van de snelheid en vaart van de show zoals wel vaker een loopje genomen wordt met de dramatische werkelijkheid.

 

22 juni 2022

 

ALLE RECENSIES

Movies that Matter 2022 – Judas and the Black Messiah

Movies that Matter Festival 2022:
Judas and the Black Messiah

door Cor Oliemeulen

De laatste jaren verschijnen steeds meer films over de positie van Afro-Amerikanen die strijden tegen racisme en discriminatie. Het biografische drama Judas and the Black Messiah vertelt het verhaal van de infiltratie door een autodief in een afdeling van de Black Panthers die wordt geleid door een charismatische jongeman.

In de jaren zestig komen steeds meer zwarte mensen in opstand. Aan het begin van het op feiten gebaseerde filmdrama van Shaka King vertelt iemand waarom revolutie voor de Black Panthers de enige oplossing is. “De Black Panthers startten in Oakland een gewapende patrouille tegen intimidatie van zwarte mensen door de plaatselijke politie. Als de politie iemand arresteerde, volgden we hem naar het bureau en kochten hem vrij, Panther of niet. We willen geen kapitalisme, maar socialisme. Wereldwijd. We dienen het volk. Gratis zorg, gratis ontbijt voor kinderen, gratis rechtsbijstand, openbaar onderwijs.”

Als scherp contrast klinken de woorden van J. Edgar Hoover, hoofd van de FBI (gespeeld door een bijna onherkenbare Martin Sheen): “De Black Panthers zijn dé bedreiging voor de nationale veiligheid. Meer dan de Chinezen, zelfs meer dan de Russen. Contraspionage moet de opkomst van een Zwarte Messias uit hun midden voorkomen.”

Judas and the Black Messiah

Badge schrikt meer af dan pistool
Die contraspionage komt er namens de FBI in de persoon van de kruimelcrimineel Bill O’Neal, die na zijn arrestatie kan kiezen uit twee opties: minimaal zes jaar gevangenis of infiltratie in de Black Panthers. Om zijn eigen hachje te redden, kiest hij voor het laatste. Acteur Lakeits Stanfield speelde in Sorry to Bother You (2018) al een rol van oplichter: zijn personage Cash meldt zich daarin met een fake-diploma en verzonnen cv bij een telemarketingbedrijf. Ondanks dat hij wordt gesnapt, mag hij zich bewijzen en schopt hij het tot topverkoper, maar weigert hij mee te doen aan stakingen voor betere arbeidsomstandigheden. In Judas and the Black Messiah gebruikt O’Neal een fake-ID van de FBI om auto’s te stelen. Want, zo zegt hij na zijn arrestatie tegen FBI-agent Roy Mitchell (Jesse Plemons): “Een badge schrikt meer af dan een pistool.”

Mitchell is de contactpersoon van O’Neal als deze in 1968 infiltreert in de Chicago-afdeling van de Black Panthers. Bill O’Neal maakt kennis met de pas 20-jarige charismatische leider Fred Hampton, gespeeld door Daniel Kaluuya, bekend geworden door het horrormysterie Get Out (2017) waarin hij op een geheel andere wijze wordt geconfronteerd met de nukken van de witte medemens. Er ontstaat zowaar een vertrouwensband tussen Bill en Fred, hoewel Bills geweten gaandeweg steeds meer begint te knagen.

Judas and the Black Messiah

Onderbelicht
De onderbelichte relatie van O’Neal met Mitchell is logisch, want hun (belevings)werelden liggen onverminderd mijlen uit elkaar, terwijl je op je klompen kunt aanvoelen dat O’Neal zal worden gedumpt zodra hij zijn judaskus heeft gegeven. Minder logisch is dat Judas and the Black Messiah nauwelijks tijd neemt om de relatie tussen Judas en de Zwarte Messias uit te diepen. We leren weliswaar dat Bill O’Neal het al snel schopt tot ‘security captain’ van de Black Panthers-afdeling, maar regisseur Shaka King heeft meer aandacht voor Hamptons liefdesrelatie met de dichteres van de groep, de toekomstige moeder van zijn zoon.

Het biografische drama etaleert de vibe van beklemmende jaren zeventig-thrillers met een mooie cinematografie, lekkere muziek en geloofwaardig spel. Vergeleken met de zeer intense reconstructie van Kathryn Bigelows Detroit (2017) en de activistische gelaagdheid van Spike Lee’s BlacKkKlansman (2018) blijft Judas and the Black Messiah te veel aan de oppervlakte. Het is veelzeggend dat de authentieke beelden tijdens de aftiteling pas de werkelijke betekenis onthullen van de relatie judas-messias met zowel schokkende als inspirerende gevolgen.

Lees hier waar deze film nog is te zien.

 

10 april 2022

 


Movies that Matter Festival 2022 – Openingsfilm Navalny
Movies that Matter Festival 2022 – Activisten
Movies that Matter Festival 2022 – Les choses humaines is genuanceerde bijdrage #MeToo
Movies that Matter Festival 2022 – Sovjet- en post-Sovjetfilms
Movies that Matter Festival 2022 – Het Grote Verzwijgen

 

MEER FILMFESTIVAL

C’mon C’mon

***
recensie C’mon C’mon
Kind en volwassene zijn volstrekt gelijkwaardig

door Cor Oliemeulen

Radiojournalist Johnny (Joaquin Phoenix) bezoekt kinderen in Amerikaanse steden en vraagt hen hoe zij over de toekomst en de wereld denken. “Ik had niet gedacht dat ik zo bang zou zijn voor de toekomst, maar nu ik erover begin na te denken, kan ik me niet voorstellen dat dieren uitsterven, vervuiling, dat de aarde in feite sterft.”

C’mon C’mon van Mike Mills is minder droefgeestig dan het soms lijkt, want de film is vooral een eerbetoon aan de relatie tussen volwassenen en kinderen. Voor zover er sprake is van een heus plot gaat die over een man van middelbare leeftijd die voor het eerst voor een kind moet zorgen tegen de achtergrond van de onbestemde uitdagingen van deze tijd.

C'mon C'mon

Inspiratie genoeg
Na zijn film Beginners (2010), waarin Mills zich liet inspireren door zijn terminale vader die uit de kast komt, en 20th Century Woman, waarin hij zich liet inspireren door zijn hippiemoeder die worstelt met de opvoeding van haar zoon, modelleerde de Amerikaanse filmmaker in C’mon C’mon de negenjarige jongen Jesse (Woody Norman) naar zijn eigen zoontje. Mills’ script maakt dankbaar gebruik van het filmdrama Alice in den Städten (1974) van Wim Wenders waarin een (Duitse) journalist zich voor een tijd ontfermt over een negenjarig meisje.

Net als die film is C’mon C’mon geschoten in stemming zwart-wit en gaat de reis van volwassene en kind door een aantal grote steden, in dit geval Detroit, Los Angeles, New York en New Orleans (om wat clichématig samen te belanden in een Mardi Gras-parade). Maar voor het zover is, dient Jesse’s moeder Viv (Gaby Hoffmann) wel in te stemmen met het feit dat de onervaren opvoeder, Johnny, zich over haar zoontje ontfermt en hem meeneemt op zijn reis door Amerika.

C'mon C'mon

Nieuwe werkelijkheid
Hun moeder is een jaar geleden overleden en uit flashbacks leren we dat de zorg en het contact de laatste tijd moeizaam waren. Momenteel kan Viv niet goed voor Jesse zorgen, omdat zijn vader kampt met ernstige psychische problemen en het de bedoeling is dat hij wordt opgenomen. Aanvankelijk zou Johnny slechts enkele dagen voor zijn neefje zorgen, maar vanwege de omstandigheden doet Viv voor langere tijd beroep op haar broer. Hun contacten gaan via telefoonsessies waarin Johnny opvoedkundige tips krijgt en broer en zus over hun gevoelens spreken.

Natuurlijk mist Jesse zijn moeder en moet hij, net als Johnny, erg wennen aan de nieuwe werkelijkheid, maar Jesse’s interesse voor Johnny’s opnameapparatuur brengt hun relatie in een stroomversnelling. Jesse is opstandig, verward, verveeld en soms brutaal. Hij maakt zich zorgen om zijn vader en moet wennen aan een nieuwe vaderfiguur. Johnny behandelt Jesse hetzelfde als de kinderen die hij interviewt: kind en volwassene zijn volstrekt gelijkwaardig. In het geval van Jesse is dat niet heel moeilijk, want het jochie is erg pienter en verbaal uitstekend onderlegd voor zijn leeftijd. Terwijl Johnny in een audiodagboek zijn avontuur met Jesse als een soort van zelfonderzoek bijhoudt, lijkt Jesse zijn hart steeds meer open te stellen voor zijn oom. Hun dialogen en omgangsvormen laveren tussen rauw en intiem.

C’mon C’mon is met veel liefde gemaakt en kent zijn sterkere en saaiere momenten. Het bijna documentaire-achtig drama gaat expliciet over relaties en impliciet over de verwachtingen over de toekomst. De keuze voor de filmtitel is een raadsel, of het moet de wens zijn om zo nu en dan het tempo wat op te schroeven.

 

30 maart 2022

 

ALLE RECENSIES