David Lynch’s nostalgietrip

The Straight Story
David Lynch’s nostalgietrip

door Sjoerd van Wijk

Omhoog kijken naar de sterren, net als vroeger. Dat is Alvin Straights doel als hij op zijn oude grasmaaier stapt om nog eenmaal zijn broer te bezoeken. Zijn tocht in The Straight Story raakt de harten van innemende zonderlingen onderweg. En het toont indirect het nostalgische hart van regisseur David Lynch.

Sinds vorige week is er een expositie over zijn werk in het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Waar iedereen het vooral zal hebben over films als Eraserhead of Mulholland Drive, is het juist in The Straight Story (1999) waar de regisseur wellicht op zijn eerlijkst is.

The Straight Story

De nachtmerries zijn verdwenen
Ogenschijnlijk is dit ondergewaardeerde werk een Disney-versie van zijn beleving. Daadwerkelijk door deze maatschappij geproduceerd, zijn de nachtmerries verdwenen uit zijn droomwereld. Maar stilistisch is het nog steeds onmiskenbaar de regie van zijn hand. Nog steeds zijn er de associatieve beelden die soepel in elkaar overlopen, van eindeloze graanvelden naar Alvin op de grasmaaier genietend van de zon. Waar normaliter het flikkerende licht een omineuze voorbode is, accentueert het hier de angsten van Alvin (Richard Farnsworth) en dochter Rose (Sissy Spacek). Doordat de griezelige angel ontbreekt, is The Straight Story een magisch-realistisch epos over ouderdom in plaats van een surrealistisch spel met de donkere kant van de mensheid.

Zoals met al Lynch zijn betere werk, heeft hij niet alleen aan de schrijftafel gezeten. Scenaristen Mary Sweeney en John Roach weten de voor hem gebruikelijke sfeer om te buigen van waan naar ideaal. De licht eigenaardige typetjes lijken zo uit Twin Peaks (1990) weggelopen te zijn. De subtiele tik van de molen werkt puur humoristisch en daarmee ook hartverwarmend. Een vreemde tweeling met markant stereotype werkkleding gaat domweg mee met Alvins afdingen. Onderweg raakt een dame theatraal overstuur door het aanrijden van een hert, wellicht het duisterste wat The Straight Story te bieden heeft. Er is zelfs een kleine rol voor Twin Peaks-acteur Everett McGill die de vergelijking met deze serie alleen maar versterkt.

The Straight Story

Het werkt allemaal charmerend met Lynch’s ingetogen opnames waar de focus niet alleen op Alvin, maar ook op zijn omgeving lijkt te liggen. De kleine dorpjes zijn ditmaal geen façade waarachter duisternis heerst. Zo herbergt het gelijknamige plaatsje in Twin Peaks tal van gruwelijke geheimen. Personages lopen rond in een kitscherige wereld, die door het kunstmatig theatrale karakter snel omslaat in een unheimisch gevoel. Het is niet alleen rozengeur en maneschijn in deze soap, want het vervreemdende heeft ook beklemmende effecten. Lynch lijkt te zeggen dat aan het oppervlak het artificiële misschien gelukzalig is, maar dat het ons losmaakt van onszelf. Van het perfecte witte hek met rozen in Blue Velvet gaat het bergafwaarts naar het naargeestige sadisme van schurk Frank.

Warm humanisme
De Amerikaanse suburb blijkt niet de Amerikaanse droom. In The Straight Story, een Twin Peaks in de Amerikaanse graanschuur, zijn er echter geen geheimen. Inwoners van het idyllische platteland delen liever hun beslommeringen met Alvin. Lynch’s finesse met onheilspellende geluiden werkt hier ontroerend als een veteraan oorlogsherinneringen ophaalt. Het obstakel op zijn reis is eerder de krakkemikkige technologie waar Alvin koppig aan vasthoudt. De ontdekkingen zijn hier de mensen die hij tegenkomt, met al hun eigenaardigheden en verhalen. Langzaam ontvouwt zich het verhaal over eenzaamheid en ouderdom. De kracht van familie drijft naar boven. Normaliter neigt Lynch naar donkere misantropie, maar hier juist naar warm humanisme.

The Straight Story

Daardoor toont The Straight Story dat David Lynch eigenlijk een nostalgische kijk op Amerika heeft. Niet voor niets droomde de hoofdpersoon van Lost Highway als ontsnapping aan zijn zonden weg naar een veilig jaren vijftig met mooie auto’s en lieflijke dames. En heeft Lynch in het verleden zijn waardering voor Ronald Reagan uitgesproken. De zonovergoten graanvelden van Iowa, waar steevast een truck oogst, zijn van een sentimentele fraaiheid. Alvins langzame grasmaaier is hier het mooie middel van vervoer, terwijl auto’s langs hem heen razen. Het weerzien na tien jaar met broer Lyle is voor Lynch’s doen prachtig ondergespeeld. De sterrenhemel betovert met een buitengewone ballad van Angelo Badalementi’s typerende hand.

Er spreekt een verlangen uit naar een rustiger tijd, waar mensen vriendelijk met elkaar omgaan en van de kleine dingen genieten. Lynch lijkt niet zozeer kritisch op een ouderwetse Amerikaanse levensstijl die waarschijnlijk nooit zo heeft bestaan. Net als Dale Cooper in Twin Peaks bezwijkt voor de kersentaart, zo lijkt Lynch in The Straight Story te mijmeren over simpele deugden en geneugten. Iets wat alleen verborgen blijft in zijn andere werken. Zo doet The Straight Story zijn titel eer aan. Rechtdoorzee, terug naar vroeger.

 

8 december 2018


ALLE ESSAYS

Elephant Man, The

The Elephant Man
Van mensen en monsters

door Rob Comans

“‘Tis true my form is something odd, But blaming me is blaming God. Could I create myself anew, I would not fail in pleasing you. If I could reach from pole to pole, Or grasp the ocean with a span. I would be measured by the soul, The mind’s the standard of the man.” 

Deze woorden van de Engelse predikant en theoloog Isaac Watts (1674-1748) waarin hij pleit voor het beoordelen van mensen op hun geest in plaats van hun uiterlijk, was naar verluidt een geliefd citaat van Joseph Casey Merrick (1862-1890).

The Elephant Man

Olifant-man
De in Leicester geboren Merrick werd bekend als de ‘olifant-man’ vanwege een zeer zeldzame aandoening die hem ernstig misvormde. Vergroeiingen van zijn schedel, ruggengraat en ledematen en vele wratachtige uitstulpingen van zijn huid gaven hem een olifantachtig uiterlijk, een feit dat hem in het Victoriaanse Engeland waarin hij leefde tot een medisch curiosum maakte en veroordeelde tot een bestaan als bezienswaardigheid.

Onverfijnd als zijn verschijning misschien geweest mag zijn, zijn geest was dit allesbehalve. Merrick was intelligent en erudiet, en een liefhebber van het theater. Zijn marginale bestaan veranderde toen de chirurg Dr. Frederick Treves hem ontmoette, en diens professionele interesse werd gewekt door Merricks zeer zeldzame aandoening (waarschijnlijk een combinatie van neurofibromatose en Proteus-syndroom). Hoewel Treves besefte dat hij niet bij machte was Merrick te helpen, besloot hij zich desondanks over de ‘olifant-man’ te ontfermen. Er ontstond een vriendschap tussen beide mannen totdat Joseph Merrick, op 11 april 1890, op 27-jarige leeftijd in het Royal London Hospital (RLH) overleed.

In 1923 verschenen Frederick Treves’ memoires, The Elephant Man and Other Reminiscences, die samen met het boek The Elephant Man: A Study in Human Dignity (1973) van Ashley Montagu de basis vormden voor het scenario dat Christopher De Vore, Eric Bergen en David Lynch schreven voor The Elephant Man (1980). Regisseur Lynch, een liefhebber van het bizarre en surreële, kiest voor een grotendeels realistische benadering van Merricks buitengewone verhaal. Toch is het een onvervalste David Lynch-film door de sympathie en fascinatie voor diegenen die als ‘anders’, ‘bizar’ of ‘monsterlijk’ worden gezien. Joseph Merrick (John Hurt), in de film steevast als John aangeduid, is ondanks zijn ‘monsterlijke’ uiterlijk tot meer menselijkheid in staat dan de meeste mensen in zijn omgeving die zich tegenover hem vaak monsterlijk gedragen.

Uitgebuit
Dat begint al met de kermisexploitant Bytes (Freddie Jones), die John uitbuit en blootstelt aan de verafschuwde blikken van Victoriaans Londen en hem mishandelt. Ook Dr. Treves (Anthony Hopkins), die John op het spoor komt en hem naar zijn werkplek RLH haalt, hoopt in eerste instantie vooral zijn carrière te bevorderen. In een kille collegezaal, gevangen in scherp lamplicht en aangegaapt door Treves’ collegae van het Anatomisch Genootschap, wordt duidelijk dat dit publiek misschien veranderd is, maar niet zijn situatie. Ook de gevierde theateractrice Madge Kendal (Anne Bancroft), die zich middels John wil profileren als barmhartige Samaritaan, brengt geen verandering. Het resulteert slechts in een stoet van societyfiguren die, noblesse oblige, de bescheiden vertrekken van John aandoet. Als de jongeman zich al bewust is van de onoprechtheid van de mensen om hem heen, laat hij hiervan niets merken.

Bij zijn opname in het RLH wordt Merrick opnieuw uitgebuit, ditmaal door een brute nachtwaker (Michael Elphick), die bezopen kroegvolk tegen betaling langs de ‘olifant-man’ leidt. Opnieuw valt John hierna in handen van Bytes, en brengt een kermistournee hem naar Frankrijk. De voortdurende mishandelingen, waaronder Johns gezondheid lijdt, leiden tot een van de mooiste scènes van de film, waarin hij wordt bevrijd door meelijdende kermisfreaks: in een vreemde optocht loodsen zijn hun mede-verschoppeling door een nachtelijk landschap en brengen hem de volgende morgen naar een boot terug naar Engeland. Bij het afscheid drukt een dwerg (Kenny Baker, R2D2 uit de Star Wars-films) John op het hart: ‘Luck, my friend! Luck, and who needs it more than we?’ Lynch maakt hier duidelijk dat de ‘freaks’ tot meer solidariteit en medemenselijkheid in staat zijn dan ‘gewone’ mensen.

The Elephant Man

Gezondheid
Dat blijkt opnieuw in de volgende scène, waarin John tijdens een opstootje op het Londense station in een hoek wordt gedreven. ‘No! I am not an elephant! I am not an animal! I am a human being! I am a man!’, schreeuwt hij. Dit hard bevochten besef van eigenwaarde en identiteit zou John hoogstwaarschijnlijk ontgaan zijn zonder dr. Treves en de positieve ervaringen in diens ziekenhuis. Uitgeput wordt Merrick uiteindelijk weer in het RLH afgeleverd, en opnieuw toevertrouwd aan de goede zorgen van dr. Treves, ziekenhuisdirecteur mr. Carr-Gomm (John Gielgud) en hoofdverpleegster Mothershead (Wendy Hiller).

De gebeurtenissen hebben emotioneel en fysiek veel van John gevergd en zijn gezondheid gaat zienderogen achteruit. Madge Kendal nodigt hem uit voor zijn eerste (en helaas ook laatste) theaterbezoek. Als ze de voorstelling van die avond opdraagt aan haar ‘vriend’ John, is de gereserveerdheid die de actrice werkelijk voelt ten opzichte van hem kort, maar duidelijk van haar gezicht af te lezen. Na zijn theaterbezoek bedankt John Treves voor zijn goede zorgen – beide mannen beseffen dat ze veel aan elkaar te danken hebben. Als John daarop zijn kartonnen model van de vlakbij gelegen kathedraal van St. Philips heeft voltooid, lispelt hij ‘It is finished’ – daarmee tevens zijn zelfgekozen dood aankondigend. Hij besluit liggend te gaan slapen, al beseft hij dat hij hierdoor zal sterven. Zonder de ondersteuning van meerdere kussens voor zijn vergrote, zware schedel zal het gewicht hiervan Johns luchtpijp afknijpen. Op de melancholische tonen van Samuel Barbers Adagio for Strings (zelden effectiever gebruikt in een film) slaapt John Merrick voorgoed in.

Make-up
Dat The Elephant Man zo’n indrukwekkende ervaring is, komt in de eerste plaats door de fenomenale acteerprestatie van John Hurt. Ondanks de grime waarachter het gezicht van de acteur bijna geheel schuilgaat, geeft hij zijn personage warmte, menselijkheid en verfijning. John Hurt bracht per draaidag maar liefst zeven à acht uur door in de grimeursstoel voor het aanbrengen van de door Christopher Tucker ontworpen maskers en make-up, en vijf uur voor het verwijderen ervan. Tuckers werk was zo uitmuntend dat het in belangrijke mate bijdroeg aan de introductie van een Oscar voor make-up effecten, uitgereikt sinds 1982.

The Elephant Man ontving acht Oscarnominaties, en vijf BAFTAS, waaronder beste regie voor David Lynch, en beste cinematografie voor Freddie Francis. Deze tovert in prachtige zwart-wit beelden het Victoriaanse Engeland om in een wereld van duistere indrukken. Hierin is Lynch’ voorliefde voor het bizarre weliswaar aanwezig  – langzaam uitdijende rookwolken, duistere industriële landschappen, droombeelden, nachtmerrieachtige scènes waarin Merricks moeder (Phoebe Nichols) wordt ‘belaagd’ door wilde olifanten – maar als context op de achtergrond. Francis toont zich ook een visuele grootmeester in het weergeven van de uitbundige kermisscènes en het rustige, door gaslicht verlichte RLH. Zijn evocatieve camerawerk ademt onheil en dreiging; fantasie en betovering – typisch ‘Lynchiaanse’ gevoelens die de Victoriaanse wereld van The Elephant Man kenmerken.

The Elephant Man

Cynisch?
Is Lynch’ film in het blootleggen van de hypocrisie, ambivalentie en exploitatiezucht die de wereld toont tegenover de ‘olifant-man’ cynisch? Of is dit simpelweg een weergave van de toen heersende, weinig verlichte moraal ten opzichte van wat als normaal/abnormaal of mooi/lelijk werd gezien? Lynch laat deze keuze grotendeels aan de toeschouwer. Hij is meer geïnteresseerd in hoe mensen zoals Joseph Merrick, wiens uiterlijke verschijning indruist tegen de heersende norm, hun weg vinden in een niet-begrijpende, afwijzende en kleingeestige wereld.

Gezien Merricks liefde voor literatuur is het treffend dat de film afsluit met een citaat uit het gedicht Nothing will Die van Alfred Tennyson, waarin het eeuwige, onvergankelijke en cyclische karakter van de wereld en haar seizoenen wordt bezongen:

Never, oh! Never, nothing will die.
The stream flows,
The wind blows,
The cloud fleets,
The heart beats,
Nothing will die. 

Een volgende strofe uit dit gedicht (niet geciteerd in de film) luidt:

The world was never made;
It will change, but it will not fade
(…)
Nothing was born;
Nothing will die;
All things will change.

Als dit klopt, is de essentie van Joseph Merrick niet vervlogen. Zijn nagedachtenis roept ons op elkaar te beoordelen op wie we zijn, niet op hoe we eruitzien, en open te staan voor datgene dat we niet begrijpen (en dus vrezen). David Lynch’ The Elephant Man is hierin een magistrale richtingwijzer.

 

27 november 2018


ALLE ESSAYS

Widows

***
recensie Widows

Vechten op drijfzand

door Alfred Bos

Oscar-winnaar Steve McQueen komt na zijn doorbraakfilm 12 Years a Slave met een atypische genrefilm, waarin de personages veelvuldig in de spiegel kijken. Wat is liefde waard in een samenleving die alles in geld uitdrukt?

Vertrouwen is wat mensen – een huwelijk, een gemeenschap, een samenleving – bijeen houdt. Wantrouwen is wat criminelen hun volgende verjaardag doet halen en Steve McQueen, de met een Oscar gelauwerde regisseur van het geëngageerde 12 Years a Slave, gebruikt de mal van de misdaadfilm om een punt te maken over menselijke verhoudingen in de wereld van vandaag. Door clichés en vaste patronen vanuit een ander gezichtspunt te belichten, morrelt hij niet zozeer aan conventies, hij trekt de vloer onder onze (schijn)zekerheden weg. Het werkt, maar ook weer niet.

Widows

De keerzijde van vertrouwen is verraad en bedrog is de zuurstof – of is het de stikstof? – waar de plot van Widows op draait. Veronica (Viola Davis) is de echtgenote van een crimineel, Harry Rawlings (Liam Neeson). Wanneer zijn bende bij een kraak gruwelijk aan zijn eind komt, draait zij op voor Harry’s openstaande schulden. Ze ronselt de weduwen van Harry’s kornuiten om de klus tegen de klippen op te klaren. Handleiding zijn Harry’s aantekeningen voor zijn volgende karwei. Widows is een heistfilm, maar niet volgens het boekje.

Politiek is business
De vrouwen weten niet van elkaars bestaan en de film maakt veel werk van hun wantrouwen tegenover Veronica en hun weerstand om met haar samen te werken. Widows telt een aanzienlijk aantal personages die elk qua psychologie net voldoende worden getypeerd om als individu herkenbaar te zijn. Van het kwartet weduwen krijgt de geestelijk en fysiek mishandelde blondine Alice (Elizabeth Debicki) naast Veronica de meeste aandacht; Linda (Michelle Rodriguez), die haar boetiek verliest, en Amanda (Carrie Coon) zijn vluchtiger geschetst. Ze worden bijgestaan door de kapster Belle (Cynthia Erivo), die eveneens haar man verloor door politiegeweld. Veronica cum suis vechten voor hun leven, op drijfzand.

Hun tegenstrevers zijn mannen, Jamal Manning (Brian Tyree Henry), de misdadiger die een politiek ambt nastreeft, en diens jongere broer en rechterhand Jatemme (Daniel Kaluuya), een psychopaat die spreekt via mes en pistool. Mannings concurrent in de verkiezingen voor een functie in het stadsbestuur is Jack Mulligan (Colin Farrell), zoon van een oligarch op leeftijd (Robert Duvall), die anders dan zijn vader meent dat politiek méér is dan zakendoen. Achter Jack staat een ambitieuze vrouw, Siobhan (Molly Kunz). Het knappe van Widows is dat het verhaal helder blijft en al die personages uit de verf komen, met een glansrol voor Farrell.

Widows

Surrealistische kronkels
Widows is gebaseerd op de gelijknamige tv-serie uit 1983 van de Britse misdaadauteur Linda de la Plata, die, in alle eerlijkheid, geen hoogvlieger in het genre is; wel populair. Het verhaal is verplaatst van Londen naar Chicago, wat de vermenging van misdaad, racisme en politiek (‘Ignorance is the new excellence’) actueel maakt; begin vorig jaar publiceerde het Amerikaanse ministerie van Justitie een vernietigend rapport over het politiekorps van de stad. Toch ontkomt de film niet aan een zekere emotionele vlakheid, die wordt versterkt door het simpele feit dat de personages hun ware emoties niet uitspreken, doch indirect tonen via machinaties en intrige. Niet alleen de filmkarakters weten niet wat ze aan elkaar hebben, dat weet de kijker ook niet.

Personages goed neergezet, enerverende opening waarin handeling en karakters knap worden geïntroduceerd via listige montage, interessante premisse—en toch blijft het allemaal een beetje bloedeloos. Het euvel zit in het script, waarvoor McQueen heeft samengewerkt met Gillian Flynn, de schrijfster van Gone Girl. De twist van Widows is in psychologisch opzicht net zo ongeloofwaardig als de surrealistische kronkels van de succesfilm die David Fincher naar haar boek maakte.

In 2012 verpakte Andrew Dominik snoeiharde kritiek op de Amerikaanse samenleving (‘America is not a country. It’s a business.’) in een bloedsterke genrefilm, Killing Them Softly. Een vergelijkbaar engagement schemert in Widows, het komt er alleen onvoldoende uit. Widows meet zich een pak aan dat net een maatje te groot is. Het wil te graag publieksfilm zijn.

 

19 november 2018

 

ALLE RECENSIES

King, The

****
recensie  The King

Van King naar Kong

door Alfred Bos

Waar is de ‘united’ in de United States of America gebleven, vraagt de Amerikaanse documentairemaker Eugene Jarecki zich af. De Amerikaanse Droom heeft hetzelfde lot ondergaan als Elvis Presley, in zijn tijd de belichaming van die droom.

Hij is al veertig jaar dood, maar leeft nog steeds—als hologram. In zijn tijd was Elvis Presley de verpersoonlijking van een droombeeld: Amerika als het land waar je van pauper kunt uitgroeien tot miljonair. De gloriejaren van Elvis – met Prince en Madonna de enige popster die we kennen bij de voornaam, anders dan Bob (Dylan/Marley), David (Bowie), Michael (Jackson) of John (Lennon) – vielen samen met de piek van Amerika als wereldmacht. Elvis leeft voort als mediabeeld en dat geldt ook voor de Amerikaanse Droom, want in werkelijkheid is die zo dood als een pier, wil Eugene Jarecki duidelijk maken in zijn documentaire The King.

Het concept is prachtig. Jarecki stapt in de zilveren Rolls Royce van Elvis en bezoekt plekken die een rol speelden in diens loopbaan: zijn geboorteplaats Tupelo; zijn thuishaven Memphis; New York waar zijn carrière in 1956 dankzij televisie een enorme boost kreeg; via Route 66 naar Hollywood waar hij in de jaren zestig een eindeloze stroom steeds beroerdere pulpfilms maakte; Las Vegas waar hij na de befaamde NBC-comebackspecial van december 1968 neerstreek als publiekstrekker extraordinaire.

The King

Met Jarecki zitten in de Rolls muzikanten (onder meer John Hiatt, Emmylou Harris, The Handsome Family en Emi Sunshine & The Rain) en acteurs (zoals Ethan Hawke, Ashton Kutcher en Alec Baldwin, hij parodieert de president in Saturday Night Live). De muzikanten maken prachtige authentieke muziek op de achterbank. De acteurs spreken over Elvis, wat hij voor hen en Amerika heeft betekend en wat er van de Droom is geworden. De Rolls Royce Silver Cloud staat met pech langs de weg, hoe treffend. Waarom de Rolls, waarom niet één van Elvis’ Cadillacs, vraagt David Simon, maker van The Wire. Het Britse statusmobiel is symbool van Amerika’s verwording, wil de film vertellen.

Verslaving
Verval is het onderliggende thema van The King. Het verval van een godenzoon tot vadsige parodie en het verval van een wereldmacht tot vulgaire plutocratie. In het geval van Elvis is zijn manager, de zelfbenoemde ‘Colonel’ Tom Parker (in werkelijkheid de illegale immigrant  Andreas van Kuijk uit Breda), de boosdoener. Die had zijn verdiensten, zelfs geniale trekjes: Parker/Van Kuijk vond de marketing, inclusief merchandise, van de popster uit; wist nationale beroemdheid uit te bouwen tot wereldfaam. Maar – en het is een enorm maar – hij bond Elvis aan Las Vegas om zijn gokverslaving te faciliteren.

De documentairemaker is niet kinderachtig. Hij trekt de parallel tussen Elvis en Amerika dóór en typeert de huidige Amerikaanse president, die man met die eekhoornstaart omgedraaid op zijn hoofd, als de belichaming van de verloederde Droom. Parker en Trump hebben veel gemeen: vulgaire, ongeletterde types; geboren verkopers, geniaal in hun mediamanipulatie; behoudzuchtig en naar binnen gericht in hun wereldbeeld; en gokverslaafd. Van onbegrensde kansen voor iedereen naar casinokapitalisme voor de rijken. Van King naar Kong. Paolo Sorrentino zou er zo Silvio Berlusconi aan toe hebben kunnen voegen. Verroest, dat is precies wat doet hij met Loro.

The King

Roem als bedrijfsziekte
Eugene Jarecki is het type intellectueel dat in het Amerika van Trump een met uitsterven bedreigde diersoort is. Hij kan abstracties vangen in termen van populaire cultuur en The King is een fraai voorbeeld. Jarecki, die een boek schreef over de buitenlandse politiek van Amerika en een actie startte voor boerenleenbanken als alternatief voor Wall Street, laat de Rolls Royce van Elvis stoppen om gewone Amerikanen aan het woord te laten. Het mozaïek van reportage en Elvis-docu is doorsneden met in de studio gedraaide interviews. Het mooiste citaat komt van Mike Myers: ‘Roem is de bedrijfsziekte van creativiteit’.

The King ontkomt niet aan de hysterie van de culturele oorlog die sedert de jaren negentig in Amerika woedt (en sindsdien naar Nederland is overgeslagen). Een zwarte intellectueel zegt dat Elvis hem niet vertegenwoordigt, want Elvis heeft de zwarte muziek gestolen en zijn roem nooit aangewend om politiek stelling te nemen. Chuck D, voorman van rapgroep Public Enemy, is genuanceerder: muziek is muziek. Deze kijker denkt: als muzikanten zich politiek moeten uitspreken, moeten politici dan muziek gaan maken? Trump doet The Chipmunk Song? I hope not.

Dat Elvis in Las Vegas ten onder ging aan vervreemding, teveel geld, een pillenverslaving en botervette banaan-met-pindakaas-cholesterolbommen symboliseert de teloorgang van de Amerikaanse Droom. Zoals Martin Scorcese verbeeldt in Casino werd Vegas in de jaren tachtig een prooi van internationaal opererende bedrijven, vastgoedbaronnen en het grootkapitaal. Krek hetzelfde is, aldus Jarecki (en niet hij alleen), de Amerikaans droom overkomen. Het enige wat je op dit filmessay kunt aanmerken is dat de regisseur niet afsluit met het slotnummer van Elvis’comeback special, If I Can Dream. Popcultuur verkoopt sprookjes.

 

6 november 2018

 

ALLE RECENSIES

Leave No Trace

****

recensie Leave No Trace

Verloren in twee werelden

door Tim Bouwhuis

De nieuwe film van Debra Granik begint als het fantasiebeeld van de moderne samenleving. Een vader en zijn dochter trekken door de bossen van Portland, de natuur is hun enige getuige. Maar hoe leef je zonder een spoor achter te laten? Het wachten is op een buitenwereld die de idylle doorbreekt.

Met haar vertelling over stad en natuur roept Granik tal van associaties op. Meer dan het prachtig minimalistische Winter’s Bone (2010) is Leave No Trace een film van thema’s, tegenstellingen. De door het leven getekende Will (Ben Foster) geeft zijn dochter (een doorbrekende Thomasin McKenzie) het soort bestaan dat we in recente varianten onder meer kennen uit Captain Fantastic en het veel minder geslaagde The Glass Castle. Die films zochten hun hang naar de natuur in uitgesproken ideeën. Verstedelijking is vervuiling, politieke eenheidsworst, gevangenschap. In dat verband is de dramatische aanpak van Granik een verademing. Ook hier is de stad een vreemd land, maar het hart van de film beweegt zich tussen kleine blikken en veelzeggende gebaren; sommige emoties blijven de volledige speelduur verstopt.

Leave No Trace

Het midden van uitersten
Leave No Trace laat de schaduwzijden van twee verschillende levens zien. Enerzijds krijgen we mee hoe het Will en Tom vergaat als ze noodgedwongen een door de lokale autoriteiten toegewezen huis betrekken op het platteland van Portland. Ze zijn, weerloos als ongewenste migranten, verwijderd uit de omgeving die ze als hun thuis beschouwden. De bossen zijn nog altijd dichtbij, maar uit de ridicule manier waarop de twee ‘gescreend’ worden, blijkt hoe doorgedraafd dominante ideeën over burgerschap zich kunnen manifesteren. En bovenal: hoe slecht Will en Tom passen in het systeem dat daaruit is voortgevloeid. ‘’Niet buiten de lijntjes tekenen’’, zegt een verantwoordelijke digitale rompslomp, ‘’dat herkent de computer niet.’’ In dezelfde bureaucratische nachtmerrie krijgt Will een computergestuurde enquête voorgelegd: 400 vragen maar.

Anderzijds is de film niet alleen een kritiek op een moderne samenleving van regels en patronen. De ambiguïteit van Leave No Trace zit hem erin dat een terugkeer naar de natuur niet altijd de oplossing is. De harmonie waar Will naar streeft is een mythe die in de marge wordt bevraagd. Vaak is de uitgespeelde tragiek ook subtieler verpakt dan de tegenstelling stad-natuur doet vermoeden. Burgerwachten hebben honden nodig om het uitgestrekte Forest Park uit te kammen, en zien het grote niets van de bossen als een bedreiging. Ondertussen is de wereld van die wachten juist de wereld waarin Will en Tom elkaar al snel kwijtraken. Tekenend is de angst die Will overvalt als Tom zonder het te laten weten een tijdje rond blijft hangen op de boerderij van de buren. Het is de overtreffende trap van verlatingsangst, verpakt in verstild sentiment.

Leave No Trace

Film als werkelijkheid
Om zulke spanningen te belichamen moet je het gelaagde sentiment van je personage niet alleen begrijpen, je moet het kunnen léven. De film is een triomf van twee acteurs die precies daarin het beste uit zichzelf naar boven halen. Ben Foster speelt zeker één van de puurste rollen uit zijn carrière. Thomasin McKenzie, op haar beurt, heeft de empathie en het inlevingsvermogen om een groot actrice te worden. De volgende vooraanstaande productie staat intussen al op de rol: in Justin Kurzels The True History of the Kelly Gang verschijnt ze zij aan zij met Nicholas Hoult, Russell Crowe en Travis Fimmel.

Uiteindelijk is Leave No Trace geen vader-dochtereditie van Into the Wild, maar een ontroerende vertelling over de sporen die onze herinneringen kunnen nalaten. Net als in Room (2015) maakt de ouder de wereld tot een kamer die zorgvuldig dichtgemetseld is; het is een kwestie van tijd voor het kind ontdekt dat het toch echt verder moet gaan.

 

5 november 2018

 

ALLE RECENSIES

First Man

***

recensie First Man

IJskonijn wint publiciteitsslag in Koude Oorlog

door Alfred Bos

First Man, de vierde speelfilm van Damien Chazelle (Whiplash, La La Land), wil twee dingen tegelijk. Een persoonlijk portret schetsen van Neil Armstrong, de eerste mens op de maan, en het drama achter het Amerikaanse ruimtevaartprogramma tonen.

De jaren zestig, dat is rock en ruimtevaart. Wat nu sociale media en kunstmatige intelligentie zijn, waren toen The Beatles en het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. De Amerikanen hadden iets te bewijzen, want de Russen waren hen in de ruimte steeds een stap voor. De Koude Oorlog werd in de media uitgevochten en de hoofdprijs in die propagandaoorlog was de maan. Wie daar als eerste zijn vlag plantte, had zijn superioriteit bewezen.

First Man

Nieuws over successen en drama in de space-race was er maandelijks. Hoe krankzinnig de onderneming – in 1962 door president Kennedy afgekondigd – vanuit wetenschappelijk, werktuigbouwkundig en waaghalserig oogpunt was, bleef voor de tv-kijkers en krantenlezers van toen lang onbenoemd. Maar het was heroïsch en een kwart van de wereldbevolking zat aan de beeldbuis gekluisterd toen Neil Armstrong in de nacht van 21 juli 1969 (Nederlandse tijd) zijn schoen in het maanstof plaatste.

Publiciteitsschuwe sfinx
Regisseur Damien Chazelle is, geheel in lijn met zijn onderwerp, ambitieus van zin. Hij wil het drama achter het Amerikaanse ruimtevaartprogramma (Mercury, Gemini, Apollo) van de jaren zestig schetsen. En hij wil Neil Armstrong, de publiciteitsschuwe sfinx, een gezicht geven. De ironie is dat de hele krankzinnige, door blind zelfvertrouwen en pure bluf gestutte onderneming nooit tot een goed einde had kunnen worden gebracht met een diva als held. Armstrong was een koele kikker die ook onder extreme stress nuchter bleef, precies de juiste persoon om het stoerste potje blufpoker van de Koude Oorlog te winnen.

Hij redde tot driemaal toe NASA’s Gemini- en Apollo-programma en daarmee het gezicht van Amerika. Gemini 8, gelanceerd op 16 maart 1966, moest voor de eerste maal twee vehikels in de ruimte aan elkaar koppelen (in de film à la Kubrick begeleid door een walsje). Dat lukte, maar vervolgens begon de combinatie van Gemini-capsule en Agena-docking station vervaarlijk te tollen; Armstrong wist – buiten de kaders denkend – een noodlottige afloop te voorkomen. Op 6 mei 1968 redde hij ternauwernood zijn leven, en de maanmissie, toen ‘het vliegende bed’, een testtype van de maanlander, onbestuurbaar bleek en crashte.

En toen hij in de nacht van 21 juli 1969 in de maanlander, met Buzz Aldrin (Corey Stoll) aan zijn zijde, boven de Mare Tranquillitatis zweefde, op zoek naar een geschikte landingsplaats, had hij nauwelijks brandstof over. Neil Armstrong had ijs in zijn bloed, anders had hij nooit op de maan gestaan. Ryan Gosling, na La La Land opnieuw verenigd met Chazelle, speelt de unverfroren astronaut met de van hem bekende pokerface. Hij heeft van non-acteren zijn specialiteit gemaakt.

Sentimenteel op zijn Spielbergs
Maar Armstrong, de koele ruimtecowboy uit Ohio, is en blijft in First Man een sfinx. Het scenario, gebaseerd op de biografie van James Hansen, tracht warm mensenbloed in het personage van de introverte ingenieur te schrijven. Het gebruikt een incident dat lang uit de publiciteit is gebleven en ook niet wordt vermeld op Armstrongs uitgebreide Wikipedia-pagina. In 1962 overleed zijn driejarige dochter Karen aan kanker, net op het moment dat hij als eerste civiele testpiloot toetrad tot NASA’s groep van toekomstige astronauten, allen voormalige testpiloten van marine en luchtmacht.

De spanning tussen de macho’s, de militaire vliegers, en de – in hun ogen – mietjes van de universiteit had First Man volop drama kunnen geven. Chazelle kiest er evenwel voor om Armstrong in stilte te laten rouwen en Karens armbandje als eerbetoon op de maan achter te laten. Historisch correct of Hollywood fantasie—het smaakt als Steven Spielberg op zijn smalst (hij is co-producent van de film). In de slotscène herenigen Armstrong, in quarantaine na zijn buitenaardse reis, en diens vrouw Janet (de Engelse actrice Claire Foy) zich zonder woorden. Het voelt als vals sentiment, ijskonijn Armstrong is domweg niet het meest uitgelezen personage voor filmdrama.

First Man

Technische triomf
Méér drama was te filteren geweest uit de persoonlijke verhoudingen tussen de astronauten; de spanning tussen de macho’s en de mietjes; de onderlinge wedijver; de buitengesloten echtgenotes; de drank en de pillen; de dodelijke ongelukken. In dat opzicht blijft First Man achter bij The Right Stuff, Philip Kaufmans film uit 1983 over testpiloot Chuck Yeager en de eerste jaren van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. De race naar de maan wordt meer in detail en met meer diepgang verteld in From the Earth to the Moon, de door Tom Hanks geproduceerde tv-serie uit 1998.

Chazelle’s film ziet er prachtig uit. Als in Christopher Nolans Dunkirk plaatst hij de camera in de besloten ruimte van de cockpit en beleeft de kijker de druk en de claustrofobie van de piloot; overdadige close-ups, snelle montage en nerveuze cameravoering suggereren stress. De lanceringen zijn spectaculair, alles trilt en dreunt (met dank aan het sound design in Dolby Atmos). In technisch opzicht is First Man een triomf, qua psychologie echter een natte vuurpijl. Macho’s zijn in het #MeToo-tijdperk niet geliefd. Maar met metro’s waren we nooit op de maan gekomen.
 

14 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Simple Favor, A

***

recensie A Simple Favor 

Erotiek en ironie in gelijke delen

door Alfred Bos

Paul Feig regisseert bij voorkeur vrouwen en zijn verfilming van de thriller A Simple Favor mengt eigentijdse noir met humor. Dankzij een fantastische soundtrack vol Franse pop blijft het genietbaar.

A Simple Favor is een thriller voor deze tijden van sociale media en #metoo. De jonge weduwe Stephanie Smothers (Anna Kendrick) probeert een online-ster te worden via haar webvlog over koken. Ze is hyperactief en een beetje nerdy, goedgelovig maar niet dom. De reallife-ster in haar leven is Emily Nelson (Blake Lively), een dandy met dorst die zich verveelt in haar huwelijk met een ooit veelbelovende Engelse auteur, Sean Townsend (Henry Golding). Wie is die vrouw die van ennui een kunstvorm heeft gemaakt? Een in gin gedrenkt genie of een bitch met borderline?

A Simple Favor

Wat is het stoutste wat je ooit gedaan hebt, wil Emily van Stephanie weten wanneer ze in Emily’s modernistische villa, met een David Hockney aan de muur, aan de martini’s zitten. Stephanie, een tikje tipsy, giechelt na uitdagend aandringen haar geheim. Ze zijn immer vriendinnen, nu Stephanie regelmatig op Emily’s zoontje Nicky past. Dan is Emily opeens verdwenen en Stephanie start via haar kookvlog een eigen onderzoek. Waar is Emily? Wat is er gebeurd?

Serge Gainsbourg
Het ligt voor de hand om Pink Floyds See Emily Play als titelmuziek te gebruiken – want Emily speelt, met Stephanie en de waarheid – maar regisseur Paul Feig (Spy, Nurse Jackie) heeft ervoor gekozen om zijn puzzelthriller, naar de gelijknamige debuutroman van Darcey Bell, te begeleiden met een geluidsband vol Franse pop uit de school van Serge Gainsbourg. Dat wil zeggen, erotiek en ironie in gelijke delen, goed geschud en afgemaakt met een toefje humor. Het is de knipoog die de film uit tilt boven het niveau van de eigentijdse paranoiathriller met verknipte vrouwen, op elkaar gestapeld verraad en surrealistische plotwendingen. Gone Girl dus, maar dan wél geslaagd.

Het thema van de verborgen motieven spiegelt zich in de beide vrouwelijke hoofdpersonages, die gaandeweg het filmverhaal meer gelaagd worden. Stephanie ontwikkelt zich van overgeorganiseerde giebelmuis tot kordate wreker en de emotionele staat van Emily wordt met elke plotwending meer verklaarbaar. Het is een van de redenen dat de film, ondanks zijn weinig sympathieke personages en gezochte verrassingen, de aandacht weet vast te houden. De humor helpt ook. De film speelt een spelletje – met de kijker, met zichzelf – en de regisseur weet het. A Simple Favor draait om mensen die zich overbewust zijn van zichzelf, heel modern.

A Simple Favor

Rolverwisseling
Zonder al teveel te verklappen: A Simple Favor draait om geheime familierelaties. Wanneer in de slotakte de verrassingen als overrijp fruit uit de lucht vallen en de film van de rails dreigt te lopen, worden de eindjes via Stephanie’s vlog aan elkaar geknoopt en privacy-issues rond digitale media terloops in het verhaal verwerkt. Het thema van de rolverwisseling vindt zijn weerslag in de finale, iedereen maakt carrière over de rug van een ander.

A Simple Favor is een film over vrouwen, maar geen vrouwenfilm. De mannen zijn of afwezig of overspelige eikels. Richard Friend maakt van modeontwerper Rupert Nylon (what’s in a name?) een kluchtige relnicht, een man die zich kleedt als een vrouw; zoals Emily een vrouw is die zich in uitbundige herenkostuums (ont)hult. Omgedraaide rollen, misbruik, onsympathieke personages en gekunstelde verwikkelingen—A Simple Favor is helemaal een film van nu, een Double Indemnity voor deze tijd.

Tip: blijf tijdens de aftiteling vooral zitten, want die wordt begeleid door de grootste verrassing van de film: de briljante cover door No Small Children van Laisse Tomber Les Filles, de hit die Serge Gainsbourg in 1964 schreef voor France Gall.
 

26 september 2018

 
MEER RECENSIES

House With A Clock In Its Walls, The

***

recensie The House With A Clock In Its Walls

Doorsnee avontuur met durf

door Sjoerd van Wijk

Met gedurfde elementen biedt The House With A Clock In Its Walls meer dan een doorsnee familieavontuur. Toveren is hier meer dan verwondering, het is ook een beetje eng. Maar de aimabele personages zitten toch vast aan een standaardstramien in deze spookhuisattractie.

Lewis (Owen Vaccaro) trekt in bij zijn vreemde oom Jonathan (Jack Black) omdat zijn ouders zijn overleden. Jonathans huis is zo mogelijk nog vreemder, want er schuilen mysterieuze magische krachten in elke hoek. Al snel hoort Lewis een grote klok tikken in de muren. Geheimzinnige buurvrouw Zimmerman (Cate Blanchett) is ook vaak over de vloer. De twee volwassenen lijken op zoek te zijn naar de plek van deze klok, want er zijn duistere krachten met snode plannen in het spel. Uiteraard weten ze hun activiteiten niet lang voor Lewis te verbergen en wordt hij meegenomen in de wereld van magie. Samen proberen de drie de duistere krachten van de oude eigenaar Isaac Izard (Kyle MacLachlan) te stoppen. Ondertussen moet Lewis zich aanpassen aan de nieuwe school en leren omgaan met zijn verlies. 

The House With A Clock In Its Walls

Elegante betovering
Het mysterieuze huis vormt een statig decor voor de goedgebekte personages. Ondanks dat de acteurs niet uitblinken in hun spel, zijn ze allen perfect geschikt voor hun rol. Owen Vaccaro is veelbelovend als het ingetogen jongetje met onverwachte kracht. Samen met Jack Black in zijn welbekende typetje als goedgemutste excentriekeling vormt hij het hart van de film. Blanchett als strenge dame met air van mysterie en MacLachlan als innemend kwaad genie completeren het ensemble. Ze brengen de magie tot leven.

Dit is mede dankzij de elegantie waarmee het huis een eigen personage lijkt te vormen. Het zit vol merkwaardigheden, al dan niet in leven, zoals een zich als hond gedragende stoel of een glas-in-loodraam dat continu iets anders toont. Alles in een warme zweem van een lang vervlogen jaren vijftig die er nooit waren, door de toevoeging van soms subtiel anachronistisch aandoende curiosa. Zo wordt bijvoorbeeld de muffe kelder vol mechanische poppen lichtelijk unheimisch. 

Duistere durf
Ondanks dat The House With A Clock On Its Walls een familiefilm is, betekent het niet dat de personages niks lugubers overkomt. Scenarist Eric Kripke (maker van Supernatural) vult het scenario, gebaseerd op het gelijknamige boek van John Bellairs, met duistere fantasieën. Zo staat de film met een been in de dageraad en het andere in de nacht. Zaken als necromantie of deals met demonen brengen de spanning in deze magische spookhuisattractie. Ondanks dat Kripke durf toont, blijft hij juist teveel bij voorspelbare ontwikkelingen waar je de klok op gelijk kan zetten.

Zo werkt de film uiteindelijk toe naar een cartooneske ontknoping van de goeden versus de slechterik die komt na een race tegen de tijd. Daarnaast worden de geheimen van het huis te snel prijsgegeven, terwijl het langzaam ontdekken van de wondere wereld van magie juist de innemende momenten oplevert. 

The House With A Clock In Its Walls

Plastische attractie
Het is niet alleen Kripke die durf toont. De keuze om deze familiefilm te geven aan een horrorregisseur als Eli Roth is een ingenieuze zet. Roth, bekend van exploitatiehorror zoals Hostel, toont zelf uiteraard ook durf door iets buiten zijn gebruikelijke oeuvre te regisseren. Of hij de aangewezen persoon was om het avontuur niet alleen spannend maar ook griezelig te maken, is echter de vraag. Waar de wereld van magie er een van verwondering is, die van de omgeving een plek met onvermoede krachten maakt, lijkt deze voor Roth te veel een kermisattractie. Subtiel griezelige scènes gaan snel ten onder in plastische vertoning van wat er precies eng is, in plaats van dit aan de verbeelding over te laten.

Daardoor leveren bijvoorbeeld de levende Halloween-pompoenen eerder kolderiek hakwerk op dan de noodzakelijke angst voor het onbekende. Het is tevens niet het goede moment om Jack Black oneliners te laten maken. Daarom smaakt The House With A Clock In Its Walls naar meer, want er ligt onder de directe regiestijl en beproefde scenarioformules een spannend avontuur begraven.
 

25 september 2018

 
MEER RECENSIES

Imagine

***

recensie Imagine

De eerste vlog, ruim voor het social media-tijdperk

door Alfred Bos

Alleen op de Amerikaanse tv vertoonde film van en over John Lennon en Yoko Ono komt digitaal opgepoetst in de bioscoop. Eerherstel voor de lang verguisde Ono die inmiddels een gevierde kunstenares is.

In 1971 waren The Beatles officieel een jaar uit elkaar, informeel al langer. John Lennon woonde met echtgenote Yoko Ono op het landgoed Tittenhurst Park, vlakbij Ascot. De relaties met zijn ex-collega’s waren wisselend. Het contact met gitarist George Harrison was warm, hij speelde mee op Lennons tweede solo-album Imagine. Drummer Ringo Starr nam landhuis en bijbehorend park over toen de Lennons in het najaar van 1971 naar New York verkasten. Paul McCartney was de gebeten hond, het onderwerp van het snerende How Do You Sleep?

Imagine

Dat nummer staat ook op Imagine en het is de tegenpool van het wereldberoemd geworden titelnummer, dat na Lennons dood in 1980 uitgroeide tot het lijflied van Amnesty International. De reflectie over universele verdraagzaamheid was Lennons droom, zijn ultieme wens, aldus Yoko Ono in de documentaire Imagine uit 1988, over het wordingsproces van Lennons meest beroemde album. Dat beeldverslag heeft dezelfde titel – tikje verwarrend – als de film van en over de Lennons die in december 1972 op de Amerikaanse televisie werd vertoond. Onder supervisie van Yoko Ono is het werkstuk digitaal opgepoetst en verschijnt, aangevuld met bonusmateriaal, alsnog in de bioscoop.

Andy Warhol
In 1971 was George Harrison de meest succesvolle solo-Beatle en Ringo Starr stond in de coulissen klaar om het stokje van hem over te nemen (met dank aan Harrison, die Starrs eerste hit, It Don’t Come Easy, schreef). Paul McCartney daarentegen hing in de touwen, uitgekotst door pers en publiek—en John Lennon. Die maakte optimaal gebruik van zijn faam en reputatie, geïnspireerd – en sommigen zeggen geregisseerd – door Yoko Ono. Want hoe de Imagine-film uit te leggen of te duiden? Amerikaanse critici noemden het de duurste homevideo ooit en al is dat een tikje vals, er zit wat in.

We zien de Lennons op het landgoed, wandelend hand in hand, elkaars lippen beroeren. We zien ze in de straten van Londen een demonstratie leiden. We zien ze in Central Park voor verbaasde omstanders een drollig dansje doen. Kortom, we zien héél veel John & Yoko die héél erg verliefd zijn. En de buitenwereld? Dat zijn de kennissen en beroemde gasten tijdens een besloten borrel op het landgoed. Kijk, daar staat Andy Warhol een paar fotomodellen te filmen. Of dat zijn Hollywood-coryfeeën als Jack Palance en Fred Astaire die opdraven in een dadaïstische beeldsonate voor kamer, deur en diva’s.

Fluxus
Voor Yoko Ono eind 1966 John Lennon ontmoette in Londen, maakte ze in New York deel uit van de avant-gardistische kunstbeweging Fluxus en haar hand is terug te zien in de absurdistische en dadaïstische beelden die in de film de nummers van Lennons album begeleiden. Potje schaak met exclusief witte stukken op een bord met uitsluitend witte vlakken? Een onder een zwarte doek (anno nu denken we boerka) verscholen personage dat door de straten van Londen doolt? Schokkerig walsje in een verlaten steeg? Het had Hans Richter kunnen zijn die een idee van Marcel Duchamps op celluloid vangt.

De film heeft eigenlijk de verkeerde titel, hij zou Imagine/Fly moeten heten. Het album Imagine duurt een kleine veertig minuten en de film ruim een uur; de extra tijd wordt gevuld met muziek van Ono. Lennons songs alterneren met nummers van Fly, Yoko Ono’s dubbelalbum uit 1971 dat indertijd werd gekraakt (in het beste geval genegeerd) maar tegenwoordig als baanbrekend wordt gehoord. Wie een ingeslapen kinderfeestje weer tot leven wil wekken, draait Mind Train; succes verzekerd, kleuters door het dolle heen. En de Duitse band Can heeft er ook naar geluisterd. Mind Train is in Imagine te horen onder de scène met Jack Palance en Dick Cavett.

Het beeld van Lennon is vertekend door de lens van de roem en Imagine is bovenal een film van Yoko Ono, met John Lennon als aanleiding en hun wederzijdse affectie tot onderwerp. Hij is overdadig en tenenkrommend, neigend naar narcisme. Maar hij is ook bruut in zijn openheid en het delen van wat nog niet zo lang geleden als privé werd beschouwd. In feite is Imagine de eerste vlog van het social media-tijdperk dat in 1972 nog niet bestond. Geheel in de geest van Andy Warhol dus en zijn tijd vooruit.
 

14 september 2018

 

Kijk hier waar en wanneer Imagine draait.

 

MEER RECENSIES

Predator, The

***

recensie The Predator

Suspense verliest van actie

door Alfred Bos

Met actieveteraan Shane Black aan het roer krijgt de Predator-franchise voor de tweede maal nieuw leven ingeblazen. Dat lukt, al zitten nostalgie en eigentijdse blockbuster elkaar nodeloos in de weg.

Homo sapiens heeft zich opgewerkt tot de top van de voedselketen op planeet Aarde; menseneters zijn verbannen naar de dierentuin of de laatste restjes wildernis. Dan is er alle gelegenheid om de fantasie los te laten op één van de zeven klassieke verhaaltypes—versla het monster. In dat geval kun je twee kanten op: dino’s of ander uitgestorven spul (in Meg, de popcornhit van deze zomer, staat een voorhistorische haai centraal) dan wel griezels van buitenaardse oorsprong.

In die categorie is de ultieme moordmachine alien gruwelijk eng, want sluw. Maar het is geen soort die vuurtjes stookt, computers bedenkt en ruimteschepen bouwt. De kosmische killer doet niet aan technologie of cultuur en daarin is hij de mindere van de mens. Zo niet predator, de topjager in het universum. Qua intelligentie en organisatietalent doet hij niet onder voor Homo sapiens; zijn fysieke kracht, atletisch vermogen én technologie zijn superieur. Predator, de ster van drie speelfilms en twee alien-crossovers, is het roofdier dat de mens voorbij is gestreefd.

The Predator

Goed gedoseerde gorigheid
The Predator, de vierde speelfilm rond de kosmische jager, komt uit de koker van de man die het genre van de actiefilm in de jaren tachtig nieuw leven inblies. Shane Black (Kiss Kiss Bang Bang, Iron Man 3, The Nice Guys) bedacht de succesvolle reeks Leathal Weapon-films (met Mel Gibson en Danny Glover als ongemakkelijk politieduo) en schreef daarnaast een paar filmavonturen voor actie-icoon Arnold Schwarzenegger. Die speelde het haantje in Predator (1987), het debuut van de lelijkerd from outer space. Black blaast de franchise nieuw leven in, nadat de vorige poging (Predators uit 2010) een natte vuurpijl bleek.

En Black levert. The Predator zal nimmer prijzen winnen voor fijnzinnigheid of vernuft, maar vermaken doet de film. Als bonus is de regisseur niet vies van een portie goed gedoseerde gorigheid, vaak met humor of (hoe kan het?) finesse gebracht, wat in deze tijden van politieke hypercorrectie en alles stuk calculerende marketing bepaald een plus is. Bloed druipt uit een gekliefd lijk en tovert onbedoeld een onzichtbare predator tevoorschijn? Ja! Predator trekt de ruggengraat uit een verslagen predator? Ja!

Stoere vrouwen
Dat laatste zet de Predator-liefhebber wellicht aan het denken – predator vecht tegen predator? – en dat raakt de kern van Blacks adaptatie. The Predator is geen herhaling van zetten, zoals Predators, noch een variatie op het origineel, zoals Predator 2 (1990), maar denkt verder langs het spoor dat in de eerste Predator-film is uitgezet. Kort gezegd, de buitenaardse jagers evolueren en wel in recordtempo. Daartoe gebruiken ze genetisch materiaal van dat andere alfa-organisme, de mens. Bovendien is klimaatverandering op een originele manier in de plot verwerkt. Het tilt de film boven de doorsnee genrefilm uit.

Waar de knullige interactie van het groepje stoere mannen dat de buitenaardse geweldenaar(s) moet bestrijden deze vermakelijke actiefilm juist terugduwt in de middelmaat. In dat opzicht zijn Black en co-scenarist Fred Dekker (de man van The Monster Squad en Robocop 3) géénTarantino. Onderwerp van de buitenaardse belangstelling is het hoogbegaafde zoontje Rory (Jacob Tremblay) van special forces-sluipschutter Quinn McKenna (Boyd Holbrook), die kan rekenen op een team van getraumatiseerde of ronduit gestoorde oorlogsveteranen.

Stoere vrouwen zijn er ook, want niet alleen de predator is geëvolueerd: Rory’s moeder (Yvonne Strahovski) en exobioloog Casey Bracket (Olivia Munn). De laatste eet predators als ontbijt, maar moet in het heetst van de strijd toch weer voor het kind zorgen.

The Predator

Storm in suburbia
Qua setting alterneert de Predator-serie tussen jungle (domein van predator) en stad (domein van mens) en regisseur Black voegt zich naar dat ritme. Hij doet à la Spielberg een Jurassic-je en verplaatst het monster van het eiland/oerwoud naar de voorstad. Daar wordt toevallig net het griezelfeest Halloween gevierd, wat bij de liefhebber van genrefilms ogenblikkelijk een gevoel van nostalgie wekt. Dat doet ook de rol van de overheid en haar geheime diensten; die houden er dubbele agenda’s op na en martelen dan wel vermoorden onschuldige burgers. Typisch jaren tachtig, want anno nu zijn het multinationals die kwaad spel spelen.

Heel onderhoudend allemaal, maar The Predator is net geen klassieker. Nog even los van de al te opzichtige sluikreclame is het een eenentwintigste-eeuwse makke die de film beentje licht. De eigentijdse kijker is overprikkeld en kan dus geen drie seconden zonder tromgeroffel of knaleffect. De film scoort hoog op enerverende actie, maar laag, zeg maar gerust nul, op suspense. Een paar scènes van nagelbijtende spanning hadden de film een niveau hoger getild en de finale biedt daartoe alle ruimte, maar het is holdedebolder naar het volgende klapstuk. En ja, alles staat klaar voor een vervolg. Dat is nu net het punt van de film.

Zo koppelt The Predator het spektakelgehalte van de eigentijdse blockbuster aan ouderwets actievermaak van de betere B-film. Het voelt bijna nostalgisch aan. Met de nadruk op bijna.
 

11 september 2018

 
MEER RECENSIES