Once Upon a Time … in Hollywood

****
recensie Once Upon a Time … in Hollywood

Virtuoze collage van feit, fictie en mediareferenties

door Alfred Bos

Heeft Quentin Tarantino nu negen of tien films gemaakt? Maakt niet uit, Once Upon a Time … in Hollywood is Tarantino ten voeten uit én laat een nieuwe kant van de regisseur zien. Fans worden niet teleurgesteld. Critici ook niet.

Quentin Tarantino is een kind van 56. Film is voor hem een spel, met het medium, met genreconventies, met de relatie tussen film en werkelijkheid, met de kijker. De openingstitels van zijn tiende film (we tellen Kill Bill voor twee en Death Proof voor een) nodigen de kijker uit zijn spel mee te spelen. Op het scherm staan naast elkaar de namen en portretten geprojecteerd van de acteurs die de hoofdrollen spelen. Alleen, Leonardo DiCaprio heet Brad Pitt en Brad Pitt heet Leonardo DiCaprio. We zijn begonnen aan een knotsgekke achtbaanrit door de fantasie van de regisseur/scenarist en we hadden het kunnen weten, want de filmtitel geeft het al weg: Once Upon a Time … in Hollywood is een sprookje.

Zoals iedereen weet zijn sprookjes bruut en gewelddadig en Once Upon a Time … in Hollywood is Tarantino ten voeten uit, dus bruut en gewelddadig. En speels. Zoals elk sprookje – en dat is nieuw voor het kind dat inmiddels 56 jaren oud is – bevat het een moraal: succes is tijdelijk, roem is leeg en uiteindelijk is een beetje menselijkheid, het kost niks, het enige wat er toe doet. De rest is, wel, spel. Al spelen sommigen het bloedserieus.

Once Upon a Time … in Hollywood

Goochelen met filmtrivia
Quentin Tarantino is een postmoderne regisseur en maakt films die naar andere films verwijzen en het medium becommentariën door het op zichzelf terug te vouwen. Wanneer zo’n Tarantino-metafilm is gesitueerd in het mekka van de filmindustrie, het commerciële hart van het medium, gaan de filmreferenties in overdrive. Once Upon a Time … in Hollywood goochelt met filmtrivia en Hollywood-folklore, is onbarmhartig eerlijk maar razend gevat, en krankzinnig gedetailleerd in zijn persiflage van Hollywood en satire op de donkere kanten van Los Angeles en haar historie. De regisseur is fan, nar en therapeut ineen. Dat laatste onderscheidt hem van al die andere fanboys die de (sociale) media bevolken. Hij toont empathie.

Once Upon a Time … in Hollywood tackelt Amerika’s meest geruchtmakende moordzaak van de afgelopen vijftig jaar. Meest geruchtmakend vanwege de weerzinwekkende details, de volstrekte willekeur en zinloosheid, en het feit dat het de droomfabriek Hollywood in het hart trof. Het lijkt op het eerste gezicht weinig kies om de moord op actrice Sharon Tate, de hoogzwangere vrouw van Roman Polanski, te gebruiken als onderwerp van een Tarantineske burleske. Maar de regisseur doet iets verrassends en op hetzelfde moment iets typisch des Tarantino’s: hij vouwt Hollywood op zichzelf terug.

Keten van misverstand
Rick Dalton (Leonardo DiCaprio) is een acteur over zijn hoogtepunt. Tien jaar daarvoor speelde hij de sheriff in de populaire tv-serie Bounty Law, een western. Hij is nog steeds onafscheidelijk met zijn filmdubbel, stuntman Cliff Booth (Brad Pitt). Daltons ster is tanende en hij scharrelt bij als Hollywood-acteur in goedkoop gedraaide Italiaanse westerns. Het is de meest opzichtige filmreferentie in deze film, naar Clint Eastwood en Sergio Leone (geen punten voor deze quizvraag).

Booth fungeert als chauffeur en klusjesman van Dalton en woont met zijn vechthond Brandy in een trailer in de San Fernando Valley, op een verlaten drive-in-cinema. Dalton maakt zich zorgen hoeveel langer hij de huur van zijn villa in het sjieke Benedict Canyon kan betalen. Hij bewondert op afstand zijn buren, Roman Polanski (Rafel Zawierucha, een Poolse acteur in een zwijgende rol), de hipste regisseur van Hollywood op dat moment, en diens hoogzwangere vrouw Sharon Tate (Margot Robbie). Dan kruist Pussycat (Margaret Qualley), een jonge vrouw uit de hippiecommune van Charles Manson (Damon Herriman), het pad van Booth. Het zet een onwaarschijnlijke keten van misverstand in gang.

Once Upon a Time … in Hollywood

Bestaande personen
Once Upon a Time … in Hollywood is in alle opzichten, op één na (en daar komen we op terug), typischTarantino. Het is een wraakfilm. Hij bestaat, net als Stanley Kubricks Full Metal Jacket en A Clockwork Orange, uit twee aparte delen. Feit en fictie zijn virtuoos vervlochten. De filmreferenties zijn te veel om op te noemen (daar kunnen studieclubs aan worden gewijd en pubquizzen mee gevuld). Het geweld, vooral gericht tegen vrouwen, is buiten proporties. De dialogen klinken spits en verrassend. Enkele scènes zijn overbodig en dienen vooral om de spraakwaterval van Tarantino’s script een bedding te geven. Vaste Tarantino-acteurs duiken op (spot Kurt Russell). Er is een cameo van een Hollywood-legende: Al Pacino als de zalig schmierende Hollywood-agent Marvin Schwarz. De soundtrack zit vol met raak gekozen B-hits (en een enkele A-kraker).

Alle Tarantino-films tot nu toe waren variaties op bestaande genrethema’s en B-filmconventies. Voor Once Upon a Time … in Hollywood gaat de regisseur uit van de tot in detail gerealiseerde werkelijkheid, die van Hollywood in 1969. We zien bestaande personen, naast de reeds genoemde zijn dat Jay Sebring (Emile Hersch), de voormalige kapper annex amant van Tate met wie zij en Polanski hun woning delen; plus Cass Elliott (Rachel Redleaf) en Michelle Phillips (Rebecca Rittenhouse) van The Mamas & The Papas die we tegenkomen op een feest in Hugh Heffners Playboy Mansion.

Er zijn er meer, zoals acteur Steve McQueen (Damian Lewis) die tien jaar daarvoor – net als Rick Dalton – beroemd werd via een westernserie op tv; Bruce Lee (Mike Moh) als karatehaantje Kato in de tv-series Batman en The Green Hornet; en George Spahn (Bruce Dern), de 80-jarige blinde eigenaar van de Spahn-ranch, de voormalige set van westernfilms en tv-series – inclusief het fictieve Bounty Law – waar de Manson Family in 1969 domicilie hield. De scène met Spahn is een soort hommage en voelt overbodig, maar is het niet (zoals later zal blijken).

Spiegeleffecten
Typerend voor Tarantino’s associatieve aanpak vol spiegeleffecten is de scène waarin Rick Dalton, de voormalige tv-sheriff, de schurk speelt in een shoot voor de (fictieve) tv-serie Lancer. Hij deelt de tv-scène met collega-acteur James Stacy, de tv-sheriff en revolverheld van de serie. In Tarantino’s film wordt die rol vertolkt door Timothy Olyphant, die bekend werd als de scherpschietende sheriff in de echte tv-series Deadwood, een western, en Justified, een eigentijdse western. De scène toont de werkelijkheid van het filmmaken, of eigenlijk het acteren. We zien een acteur die acteert dat hij acteert, het is een fenomenaal moment van Leonardo DiCaprio. Voor het verhaal van Once Upon a Time … in Hollywood is het ook een overbodige scène, maar hij ademt brille en je vergeeft het Tarantino grif.

Tarantino’s metafilm is niet alleen hommage, er is ook zwarte humor. Zoals het moment waarop Sharon Tate de bioscoop binnenstapt om zichzelf naast Dean Martin op het filmdoek te zien in The Wrecking Crew (Phil Karlson, 1968). Ze wil gratis naar binnen, ze is immers de ster van de vertoonde film. De ontmoeting van Bruce Lee en voormalig stuntman Booth op de set van The Green Hornet is hilarisch en Brandy heeft de hondenscène van het jaar.

Once Upon a Time … in Hollywood

Klassiek mannenduo
De climax is onvervalste Tarantino van de bovenste plank. Anders dan The Hateful Eight voelt de ontknoping niet gekunsteld, flauw en onsmakelijk aan. De vuurpijl is subtiel voorbereid en kundig opgezet, vol verrassing en hallucinant in zijn exces. Hij opent met wellicht de meest geraffineerde toepassing van Tarantino’s spiegelspel met referenties uit de hele film. Op de geluidsband speelt 12:30 van The Mamas & The Papas, het is in de film op dat moment half een ’s nachts en de songstekst valt samen met de handeling op het filmdoek. Het is een virtuoze collage van feit, fictie en mediareferenties, Once Upon A Time … in Hollywood in een notendop. Je zou ook bijna twee uur en drie kwartier lang vergeten dat Pitt en DiCaprio weergaloos goed zijn. Klassieke Hollywood-duo’s als Paul Newman en Robert Redford, of James Stewart en Richard Widmark, komen op het netvlies.

Once Upon a Time … in Hollywood is volbloed Quentin Tarantino, op één aspect na. De film afficheert zich als sprookje en in sprookjes leeft men na afloop nog lang en gelukkig. De verhaallijn van proloog naar epiloog is grillig, maar niet zonder betekenis. De tobberige protagonist heeft geleerd, hij is de ambities en pretenties van beroepsnarcisten voorbij, de acteur stapt uit zijn rol en wordt mens. Ironie blijkt empathie. Zou de kleuter van 56 dan toch volwassen zijn geworden?

 

13 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

Woodstock: bepalend moment van de babyboomers

50 jaar Woodstock
Bepalend moment van de babyboomers

door Alfred Bos

Het begon als een idee voor een platenstudio. Het werd het meest beroemde, ophefmakende, historisch significante popfestival ooit. Op de vijftigste verjaardag van Woodstock is de documentaire van Michael Wadleigh voor één dag opnieuw te zien.

De zomer van 1969 was een waterscheiding in de westerse cultuur. Op 20 juli zette Neil Armstrong als eerste mens voet op een ander hemellichaam, het was wereldnieuws. Diezelfde week oversteeg de rekenkracht van alle computers tezamen het rekenvermogen van de mensheid, de kranten zwegen erover.

Woodstock (50th Anniversary)

Leden van Charles Mansons sekte pleegden in de nachten van 9 en 10 augustus de geruchtmakende Tate/La Bianca-moorden en verstoorden de hippiedroom. Nog geen week later, van vrijdag 15 tot en met maandagmorgen 18 augustus, vond in Bethel, New York het Woodstock-festival plaats, aangekondigd als ‘drie dagen van vrede en muziek’. Er kwam een half miljoen bezoekers op af en de gouverneur van de staat New York riep de festivallocatie uit tot rampgebied. In luttele weken werden historische grenzen overschreden.

Voor iedereen die er niet bij kon zijn, draaide in Amerika vanaf 26 maart 1970 de documentaire die de onafhankelijke cineast Michael Wadleigh over het festival – de muziek en de bezoekers – maakte. Woodstock opende op 25 juni in Nederland; ná de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk, maar vóór de rest van de wereld. Vanaf 11 mei van dat jaar lag de driedubbelelpee met opnamen van het festival in de winkel, een jaar later gevolgd door een dubbelaar.

Voor wie er echt geen genoeg van kan krijgen, is er ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Woodstock een speciale uitgave met 38 cd’s verschenen. Daarop staan alle 432 nummers die de 32 acts en artiesten hebben gespeeld tussen vrijdagmiddag 5 uur (Richie Havens) en maandagmorgen 11 uur (Jimi Hendrix). Eén cd verzamelt alle podiumaankondigingen: “Klim niet in de torens”. “De bruine acid die rondgaat is niet bijzonder goed, we raden aan om er weg van te blijven”. “Vanaf nu is het een gratis concert”. Woodstock is een geval apart.

Festivalkoorts
Dat er überhaupt een film was te zien, is te danken aan voormalige platenbaas en muzikant Artie Kornfeld. Samen met concertpromotor Michel Lang benaderde hij de financiële adviseur Joel Rosenman en de rijke zakenman John P. Roberts. Aanleiding was een advertentie in de Wall Street Journal waarin dat tweetal zich had geafficheerd als ‘jongemannen met ongelimiteerd kapitaal’, op zoek naar zakelijke ideeën. Het idee van Lang en Kornfeld was om een opnamestudio te openen in Woodstock, in upstate New York. Het werd een meerdaags muziekfestival; niet in Woodstock (geen locatie beschikbaar), niet in Walkill (protest van bewoners), maar in Bethel, op het terrein van boer Max Yasgur.

Woodstock (50th Anniversary)

In de zomer van 1969 had Amerika last van festivalkoorts. Vanaf het eerste weekend van april (Palm Springs, Californië) tot en met het laatste weekend van augustus (Lewisville, Texas en Prarieville, Louisiana) was de kalender van oostkust tot westkust gevuld met een reeks festivals: West Hollywood (Florida), San Jose (Californië), Detroit (Michigan), Denver (Colorado), Edwardsville (Illinois), Hampton (Georgia), Laurel (Maryland), Milwaukee (Wisconsin), Woodinville (Washington) en Atlantic City (New Jersey) waren het decor van drukbezochte rockfestivals.

Woodstock leek de zoveelste in een rij, de organisatie rekende op het respectabele aantal van maximaal honderdduizend betalende bezoekers. Het werden er zo’n half miljoen, waarvan het overgrote deel zonder kaartje. Opeens was de wei in Bethel onbedoeld een stad van een kleine half miljoen inwoners, een stad zonder infrastructuur. Zonder voedsel, zonder medicijnen, zonder sanitair. Onbereikbaar ook, de wegen zaten tot ver in de omtrek verstopt, alle hulp moest worden ingevlogen. Het had zomaar kunnen uitdraaien op een humanitaire ramp.

De lokale bevolking begon voedsel in te zamelen, het leger vloog met helikopters veldartsen in, de Hog Farm-commune-activisten van Wavy Gravy (Hugh Romney) bemanden een gaarkeuken en deelden gratis eten uit. Gouverneur Rockefeller verklaarde Bethel tot rampgebied. Bovendien werkte het weer niet mee. Op zondagmiddag maakte een zomerstorm van de weide een modderpoel. Maar ondanks alle ontberingen klaagde niemand, iedereen hielp elkaar. Het gevoel van eenheid onder het publiek oogt vijftig jaar na dato nog steeds utopisch.

Woodstock Nation
Elk van de half miljoen bezoekers – en de muzikanten niet uitgezonderd – had het gevoel deel van iets unieks te zijn. Woodstock werd het bepalende moment voor de generatie van de naoorlogse baby boomers. “We zochten geen antwoorden, we zochten gelijkgestemden”, zeggen bezoekers van toen vijftig jaar later. Die vonden ze op de heuvels van Bethel.

Het gaf hen een gemeenschappelijk levensgevoel, zelfbewustzijn, een identiteit en cultureel momentum. Hun belevingswereld verschilde ingrijpend van die van hun ouders en dier conservatieve ideeën, burgerlijke waarden en zielloze bestaan. Ze noemden het ‘Woodstock Nation’, waar de verbeelding aan de macht was. Dat weekend werden babyboomers de Woodstockgeneratie.

50 jaar Woodstock

Twee dingen waren cruciaal voor het gevoel van verbondenheid dat het half miljoen vreemden op de weide van zuivelboer Max Yasgur met elkaar deelden: muziek en Vietnam. Het protest tegen de oorlog in Vietnam was de motor achter het ontstaan van de tegencultuur die de psychedelische revolutie, het ecoprotest van The Whole Earth Catalog en de alternatieve media van underground comix en tijdschriften à la Rolling Stone had voortgebracht.

Boven de babyboomers hing de dreiging van militaire dienstplicht. Wie werd opgeroepen, kon naar Vietnam worden gezonden en terugkeren in een bodybag. Ze ontvluchtten die donkere werkelijkheid in muziek, en drugs. Muziek was het cement dat alle uiteenlopende interesses en belangen van de tegencultuur tot een geheel kitte. Festivalafsluiter Jimi Hendrix bracht in zijn deconstructie van het Amerikaanse volkslied Vietnam en muziek samen.

Woodstock en al die andere festivals in de zomer van 1969 hadden Montery Pop, van juni 1967, als voorbeeld. De moeder aller rockfestivals was bedoeld om rockmuziek dezelfde culturele status als jazz en folk te geven. Lou Adler, mede-organisator van Montery Pop: “Montery draaide om de muziek. Woodstock draaide om het weer en de bezoekersaantallen.” Maar tijdens Woodstock overstegen het publiek en hun tegencultuur de betekenis van de muziek. Het festival markeert het moment waarop de tegencultuur de nieuwe mainstream werd.

Chicago maakt plaats voor Santana
Meer dan een kwart van de acts die hadden gespeeld op Montery Pop stond ook op Woodstock: Jimi Hendrix, The Who, Janis Joplin, Jefferson Airplane, Country Joe & The Fish, The Grateful Dead, Paul Butterfield Blues Band, Canned Heat en Ravi Shankar. Ze waren symbolen van de tegencultuur en vormden het hart van het Woodstock-affiche. Dat werd verder gevuld met nieuwe en minder bekende namen als Joe Cocker, The Band, Mountain, Johnny Winter, Santana en Crosby, Stills, Nash & Young (het was hun tweede optreden). Sly & The Family Stone vervulde op Woodstock de rol die Otis Redding en de Stax-revue hadden op Montery, die van excuus-soulact.

Voor de hand liggende namen ontbraken om uiteenlopende redenen. Bob Dylan vertrok op de openingsdag van Woodstock naar Engeland, om daar op 31 augustus te spelen op het Isle of Wight Festival of Music. Simon & Garfunkel werkten aan een nieuw album, dat in 1970 zou verschijnen als Bridge Over Troubled Water. The Byrds hadden hun buik vol van festivals. The Doors zegden op het laatste moment af, ze vreesden ‘een tweederangs Montery’. Love was uitgenodigd, maar paste. Chicago werd door concertpromotor Bill Graham (we zien hem in de backstagebeelden) van het affiche gemanipuleerd. De reden: zo kon hij de nieuwe groep onder zijn hoede, het op dat moment volstrekt onbekende Santana, aan het Woodstock-programma toevoegen. Santana vulde de plek van Chicago.

Woodstock (50th Anniversary)

Santana was als grote onbekende dé relevatie van het festival en levert het muzikale hoogtepunt van de documentaire. Omdat de groepsleden lsd hadden geslikt, werd hun bijdrage een uur uitgesteld. Een akoestisch optreden van Country Joe McDonald vulde het gat, zijn vertolking van Fish Cheer is een van de iconisch momenten in de film. Santana’s rock met latin-elementen was in 1969 een nieuw geluid en de verbazing en opwinding onder het publiek worden in de split screenbeelden van Woodstock raak gevangen. Mede dankzij de lsd heeft de groep vleugels en stijgt boven zichzelf en het moment uit.

De registratie van Soul Sacrafice, het slotnummer van Santana’s optreden, biedt pure magie. Het is één van de beste liveperformances uit de rockhistorie en maakte de reputatie van de groep. Twee weken na Woodstock verscheen het titelloze debuutalbum, werd een hit en de rest is geschiedenis. Geen groep heeft zoveel baat gehad bij Woodstock als Santana, het festival lanceerde de carrière van de band. Het werkte wederzijds, met Santana had Woodstock een uniek en onderscheidend moment. Het complete Woodstock-concert is terug te horen op bonus-cd bij de heruitgave uit 2004 van Santana.

Martin Scorsese
Woodstock is één van de beste concertfilms ooit, misschien wel de beste. Het is de eerste en enige documentaire van regisseur Michael Wadleigh en won in 1971 een Oscar. (Wadleigh maakte daarnaast slechts de thriller Wolfen, een film die cultfaam onder liefhebbers van horror heeft.) De cameramensen hadden in 1969 ongekende vrijheid om de optredens op en rond het podium te filmen. Ze zitten de muzikanten letterlijk dicht op de huid, wat de beelden ongewoon intiem maakt. De split screen-editing is functioneel en werkt dramatisch in het voordeel van de muziek, zo maakt de montage de registratie van The Who extra krachtig.

Voor de montage waren zeven editors verantwoordelijk, waaronder Thelma Schoonmaker en Martin Scorsese. Schoonmaker werd nadien de vaste editor van Scorsese, die tevens als assistent-regisseur aan de film heeft meegewerkt. Die ervaring heeft hij nadien benut voor zijn concertfilms en muziekdocumentaires over The Band (The Last Waltz, 1978), Bob Dylan (No Direction Home, 2005), Rolling Stones (Shine a Light, 2008), George Harrison (Living in a Material World, 2011) en opnieuw Bob Dylan (Rolling Thunder Revue, 2019).

Woodstock (50th Anniversary)

Bij het vijfentwintigjarige bestaan in 1994 kwam Woodstock in Amerika opnieuw uit. De oorspronkelijk versie uit 1970 is 184 minuten (drie uur en vier minuten) lang. De director’s cut van 1994 telt 224 minuten (drie uur en drie kwartier), aan de eerste versie zijn opnamen van Canned Heat, Janis Joplin en Jefferson Airplane toegevoegd; de laatste twee waren niet in het origineel te zien. Het segment over Jimi Hendrix is uitgebreid met een verbluffende vertolking van Voodoo Child (Slight Return). Niet in de bioscoop vertoond materiaal kwam in 2009 op dvd beschikbaar via de 40th Anniversary-uitgave van de film.

Kassucces
Woodstock was een bijgedachte en kostte 600.000 dollar om te maken. Door omstandigheden werd Woodstock een gratis toegankelijk festival, wat het kwartet organisatoren in eerste instantie een miljoenenschuld opleverde. De film bleek echter een kassucces en heeft vijftig jaar later, los van plaatverkoop en merchandise, naar schatting vijftig miljoen dollar opgebracht. Ook dat typeert de babyboomers.

Waarom werd Woodstock het kantelpunt en niet een van al die andere festivals die zomer? Woodstock haalde in Amerika de nationale pers: er ging van alles fout en toch liep het, als een mirakel en met dank aan de verdraagzaamheid van de bezoekers, niet uit op een ramp. Woodstock bracht het mirakel naar de rest van de wereld.

Maar het meest fundamentele facet van de culturele waterscheiding die in de zomer van 1969 gestalte kreeg, is dit: de film van het festival, de virtuele werkelijkheid, is lucratiever dan het festival zelf, de fysieke werkelijkheid. Zo symboliseert Woodstock via Woodstock met terugwerkende kracht de door media geschapen hyperrealiteit van de eenentwintigste eeuw.

De director’s cut van Woodstock (224 minuten lang) beleeft zaterdag 17 augustus zijn ‘première’ op Lowlands en is zondag 18 augustus eenmalig te zien in meer dan honderd bioscopen.

 

10 augustus 2019


ALLE ESSAYS

Green Fog, The

*****
recensie The Green Fog

De geest van Vertigo

door Michel Rensen

Ook zo moe van remakes? Guy Maddin laat met zijn hilarische, experimentele herinterpretatie van Hitchcocks Vertigo zien dat het ook anders kan. Met rollen voor NSYNC, Nicolas Cage en Chuck Norris.

Voor wie bekend is met Hitchcocks klassieker zal vrij snel duidelijk zijn dat The Green Fog een zeer vrije herinterpretatie van Vertigo is. Iconische scènes met James Stewart en Kim Novak, evenals herkenbare stadsplaatjes van San Francisco, met als oogappel de Golden Gate Bridge, komen allemaal langs, hetzij in een ietwat andere vorm.

The Green Fog

Puzzel
Experimentele filmmaker Guy Maddin en zijn medescheppers Evan en Galen Johnson, met wie hij eerder The Forbidden Room maakte, bouwden hun nieuwe film uit shots van honderden films en televisieseries die zich afspelen in San Francisco; als een puzzel bestaand uit enkel stukjes van andere puzzels. The Green Fog is een vervreemdende, maar ook zeer komische kijkervaring. De beelden zijn niet achter elkaar geplakt om een conventioneel narratief te creëren, maar met visuele rijm en vaak komische montage geeft The Green Fog op experimentele wijze Vertigo een nieuwe vorm, tegelijkertijd een stadssymfonie van San Francisco.

Hoewel bijna alle dialoog uit de film is geknipt en een groot aantal acteurs zich in hoog tempo opvolgen om dezelfde rollen te spelen, blijft de onspecifieke plotvoortgang goed te volgen. De film veronderstelt weliswaar dat de kijker bekend is met het verhaal uit Vertigo, maar Hitchcocks invloed zal ook een onwetende kijker een flinke duw in de juiste richting geven, hoewel het maar de vraag is of er een ‘juiste’ richting is. Tijdens het kijken van The Green Fog ben je vereist actief de puzzelstukjes tot een passend geheel te maken. Met Vertigo ligt er wel een voorbeeld klaar, maar de gelijkenis tussen de twee films is beperkt en laat nog steeds veel open. Met de non-specificiteit van The Green Fog is feitelijk elke interpretatie acceptabel. Elke kijker zal immers andere associaties bij de beelden hebben.

Meer dan een remake
Wat is een remake eigenlijk? Moet de nieuwe film het plot van het origineel trouw volgen of moet de film de essentie van het origineel vangen en in een nieuwe vorm hervertellen? The Green Fog verkort en verlengt scènes, snijdt delen uit het verhaal en voegt er elementen aan toe, waaronder de groene nevel die San Francisco langzaam binnen drijft. Precies wat je van een remake zou verwachten. Tegelijkertijd bestaat er geen Scotty en geen Madeleine, maar worden de rollen van beide personages door tientallen acteurs vertolkt. The Green Fog zet vraagtekens bij alles wat je van een remake zou verwachten.

The Green Fog

De titel verwijst niet alleen naar de nevel die in The Green Fog de stad intrekt, maar natuurlijk ook naar het befaamde shot waarin Judy in een groene waas zich verkleed als Madeleine aan Scotty toont. Haar gedwongen transformatie door Scotty is in feite ook een soort remake. Hij zet alles op alles om Madeleine opnieuw te maken. The Green Fog past Scotty’s handelswijze toe op Vertigo. De film is een bijna obsessieve poging om het origineel na te maken met knipsels uit andere films. In tegenstelling tot Scotty is The Green Fog zich ervan bewust dat een een-op-een remake niet mogelijk is. Met zijn komische, vervreemdende stijl laat de film je als kijker ook geen seconde in de waan dat je een conventionele remake zult gaan zien.

Een remake die slechts gebaseerd is op gelijkenis, is gedoemd te mislukken. Met zijn unieke vorm ontkomt The Green Fog aan dit noodlottig einde. De film brengt nog meer diepgang aan een klassieker waarover alles al geschreven is en is zelf ook een onuitputtelijke bron van ideeën.

Accidence
Ook de korte film Accidence (die vooraf aan The Green Fog wordt vertoond) van hetzelfde trio is een herinterpretatie van een Hitchcock-klassieker, ditmaal Rear Window. In hun single-takefilm wordt je als kijker in de schoenen geplaatst van Jeff (ook vertolkt door James Stewart). Enkel een flat wordt vertoond, op elk balkon speelt een eigen verhaal en het is aan jou om uit deze bron van chaos een verhaal te destilleren, zoals ook Jeff dit doet in Rear Window.

 

6 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

Midsommar

****
recensie Midsommar

Onheilspellende verlossing

door Suzan Groothuis

Na ​Hereditary​ is regisseur Ari Aster terug met ​Midsommar. Een film die duidelijk de sfeer van zijn voorganger ademt, met terugkerende thematiek: hoe verwerk je trauma? Ditmaal speelt zijn film in een zonovergoten Zweden, in een gemeenschap die aan midzomerse tradities doet. Maar onder het kleurrijke palet dat ​Midsommar​ rijk is, gaat een duistere nachtmerrie schuil.

Er ging flink wat buzz vooraf aan Asters speelfilmdebuut ​Hereditary: ​“Engste film ooit!”, kopten de media. Of dat waar is, valt te betwisten, maar Asters horror maakte indruk. Een langzame, trefzekere stijl, met veel oog voor beeld en detail. Als je goed oplette, kon je in decors prospecties zien – duistere aanwijzingen van wat komen ging. En bovenal maakte een etterende naarheid zich meester van de kijker. Want hoeveel trauma kan een mens aan?

Nu is er ​Midsommar, een zogeheten breakup movie. Persoonlijke omstandigheden inspireerden Aster tot het maken van een relatiedrama. Maar​ Midsommar​ is meer dan dat; onderliggend trauma vormt, net als in ​Hereditary,​ het uitgangspunt. Met de opening zet Aster direct de toon. De jonge Dani (een uitstekende Florence Pugh, die eerder overtuigde in haar manipulerende rol in ​Lady Macbeth) leest verontrustende berichten van haar bipolaire zusje op Facebook. Haar alertheid is gewekt. Haar zusje wil er niet meer zijn. Haar vriend Christian doet het af als aandacht zoeken. En zijn vrienden vinden duidelijk iets van de claimende Dani. Maak het uit, is hun advies.

Midsommar

Groot trauma
Zover komt het niet. Want, en daar is het een Aster-film voor, er dient zich groot trauma aan. Een uiterst beklemmende en hartverscheurende scène toont hoe Dani’s wereld in een klap verandert. Ze zoekt houvast bij haar wankele relatie, met een vriend die er maar half voor haar is. Wanneer uitkomt dat hij plannen heeft om met zijn studievrienden naar Zweden te gaan, lijkt de breakup nabij. Maar Christian kan niet de relatie beëindigen. Niet onder de omstandigheden die zijn voorgevallen. Dus hij ziet maar één uitweg: Dani meevragen.

En zo geschiedde: het koppel gaat met Christians vrienden naar een afgelegen gemeenschap in Zweden die aan midzomerse tradities doet. Vriend Pelle is er opgegroeid en wil zijn Amerikaanse vrienden iets unieks laten zien. Precies tijdens hun komst viert de gemeenschap feest, een spektakel dat zich eens in de negentig jaar voordoet.

Wat begint als een idyllische zomertrip, mondt uit – uiterst beheerst in beeld gebracht – in een ware nachtmerrie. Het landschap is verleidelijk, met gras groener dan groen en de zon die immer schijnt. Bij aankomst krijgen de Amerikanen paddo’s voorgeschoteld. Het maakt de schoonheid van het landschap nog intenser, maar er is ook een onderliggende, onverklaarbare dreiging. Dani voelt die. En met die dreiging ontstaan er scheuren in een relatie die al gebroken is.

Midsommar

Indringende spanning
Aster is een meester in het opbouwen en vasthouden van spanning. Het gevoel dat er iets niet klopt, is constant aanwezig en wordt gevoed door vreemde gebeurtenissen, zoals verdwijningen, verlokkingen en rituelen. Maar het zijn vooral beeld en geluid die overtuigen: het camerawerk van Pawel Pogorzelski, die ook de cinematografie van ​Hereditary deed, is indringend en claustrofobisch, versterkt door een onheilspellende soundtrack (de twee gaan briljant samen in de openingsscène, kippenvel gegarandeerd!). Een knappe prestatie kijkend naar de sprookjesachtige setting waarin ​Midsommar​ speelt. Ondanks al het licht is onderliggende duisternis voelbaar. Neem de ongemakkelijke tafelmomenten, de gereserveerde gastvrijheid van de commune en een aantal onverwacht bloedige scènes, waarbij je je ogen toch echt even wegdraait.

De link naar een folk-horrorklassieker als ​The Wicker Man​ is snel gelegd. Toch is ​Midsommar complexer, want de emotioneel beladen hoofdpersoon is net als in ​Hereditary​ zoekende naar catharsis. Hoewel de gemeenschap haar angst aanwakkert, is ze er ook door gegrepen. Tijdens een paddotrip zien we hoe het gras zich in haar voeten hecht, als zijnde een teken van eenwording.

Aster wordt wel verweten dat​ Midsommar qua thematiek, sfeer, opbouw en duur (een lange zit van 2,5 uur) teveel lijkt op ​Hereditary. Eerlijkheid gebiedt te zeggen: je kan duidelijk zien dat Midsommar  van zijn hand is. Het heeft wat meer komische elementen (Aster omschrijft zijn film als een donkere komedie), maar is minstens zo indringend als zijn voorganger. Belangrijker is: het werkt. Zo intens, onderhuids en aangrijpend heeft de schrijver dezes de laatste jaren geen horrorfilms gezien. Aster sleept je van begin af aan mee in een woekerende naarheid, gevoed door trauma, op weg naar een donkere verlossing. Laat de zomerse festiviteiten maar komen.

 

23 juli 2019

 

ALLE RECENSIES

Professor and the Madman, The

*
recensie The Professor and the Madman

Scherts van gekkenwerk

door Sjoerd van Wijk

In plaats van ambities waarmaken is The Professor and the Madman een onbedoelde schertsvertoning. Het onvoorstelbare in de film is eerder hoezeer Sean Penn door het ijs zakt dan de geschiedenis rond het eerste Oxford Engels woordenboek.

Het cliché dat een beeld meer zegt dan duizend woorden gaat voor de hoofdpersonages van The Professor and the Madman niet op. Zij zien het poëtische terug in elk woord, waarin altijd een rijke voorgeschiedenis zit gesloten. De voortdurende voortvloeiende evolutie van betekenis als een snapshot vastleggen is de opdracht waaraan een van hen, professor James Murray (Mel Gibson), sinds 1857 zijn leven wijdt. Rechtlijnige figuren hijgen hem namens de Universiteit van Oxford in de nek om het door hen zo gewenste eerste Oxford-woordenboek der Engelse taal af te raffelen.

The Professor and the Madman

Het is een strijd tussen de perfectionist die alle woorden wil vangen versus een intellectuele elite voor wie alledaagse woorden niet hoeven als deze lelijk zijn. Gelukkig voor Murray is er hulp in de vorm van dr. W.C. Minor (Sean Penn), die de oproep om vrijwilligerswerk met beide handen aangrijpt en duizenden contributies maakt. Het enige probleem is dat Minor zich na een onfortuinlijke moord bevindt in het gesticht, waar hij tussen zijn waanbeelden door probeert het goed te maken met de gedupeerde weduwe (Natalie Dormer).

Ontbrekende offers
De complete Engelse taal documenteren lijkt een futiliteit, zoals een van de personages tersluiks opmerkt. Het leven slaat altijd nieuwe wegen in terwijl de wetenschapper slechts tijdelijke opnamen kan maken. Gibsons gemoedelijke Murray doet het dan ook uit liefde voor de taal en vindt in Minor een onverwachte boezemvriend. Dat zo’n megalomaan project meer obsessie dan liefde is, weet regisseur Farhad Safinia met zijn co-scenarist Todd Komarnicki echter niet uit te drukken.

Murrays gezin zou er onder lijden, maar zijn voor de Bechdel Test zakkende vrouw spreekt dit met haar handelingen tegen. Voor Minor is de obsessie meer afleiding van zijn innerlijke demonen. Zo ontbreekt het offer voor beide heren, wat doet afvragen wat er nu werkelijk op het spel staat in het jarenlange werken aan het eerste Engelse woordenboek.

Karikatuur van manie
Gibson laat Murray immer galant zijn, hoezeer de andere professoren met hun karikaturale hang naar Engelse prestige hem ook tegenwerken. Eerder dit jaar imponeerde Gibson als stoïcijnse agent in Dragged Across Concrete, hier schuurt hij tegen het beschamende aan met een ongemakkelijk Schots accent. Penn gaat over deze grens heen. Minor is een karikatuur van manie die op de intense momenten doet denken aan een stuntelende Nicholas Cage.

The Professor and the Madman

Waar Penn in de door John Cassavetes geschreven She’s So Lovely met onberekenbaarheid complexiteit wist aan te brengen aan een psychiatrische patiënt, ontbreekt hier de nuance. In de afwisseling tussen excentrieke gedragingen, klungelige droombeelden en overdreven uitbarstingen, ontbreekt het aan inzicht over Minors uit de lucht gevallen taalknobbel. En daarmee is de vriendschap tussen Murray en Minor eerder ongemakkelijk dan innemend.

Incongruent en flets
De onbeholpenheid in acteren en scenario versterkt Mel Gibsons protegé Safinia (die meeschreef aan diens Apocalypto) met stuntelige regie. Incongruentie is het toverwoord van deze in elkaar geknutselde vertaalslag van het boek The Surgeon of Crowthorne (Simon Winchester) naar het grote scherm. Het houterige tempo waarmee beelden van plompverloren neergezette personages elkaar afwisselen, doet de al weinig aanwezige belangen verder teniet. En de potsierlijkheid zit niet alleen in Penns zakken door de ondergrens.

Safinia brengt de kalmte van Engelse beleefdheid dikwijls in beeld met een afleidende nervositeit. Gepaard met de alomtegenwoordige melodramatische strijkmuziek lijkt het qua vervreemdende tegenstellingen op scènes uit The Room, maar dan zonder Tommy Wiseau’s oprechtheid. Het zorgt ervoor dat gewichtige zaken als obsessie en psychiatrie flets overkomen, alsof er niks op het spel staat. The Professor and the Madman maakt daarmee onbedoeld scherts van gekkenwerk.

 

9 juli 2019

 

ALLE RECENSIES

Apollo 11

*
recensie Apollo 11

Technologische agitprop

door Sjoerd van Wijk

Apollo 11 bejubelt de triomf van de eerste reis naar de maan. Dit is weliswaar meeslepend, maar het ontzag voor de technische hoogstandjes heeft een perfide invloed. Alsof de mens slechts tot grootse dingen in staat is terwijl technologie gepaard gaat met destructie. 

Het is een optimisme dat past bij de late jaren 1960 toen ondanks de Koude Oorlog en Vietnam er nog steeds een geloof in de vooruitgang was. Het idee dat alles kan als men er maar voor werkt, ligt wellicht ook ten grondslag aan het megalomane project van de V.S. om in 1969 een tweetal personen op de maan te krijgen. Met behulp van gerestaureerde beelden en geluidsopnames die verloren waren geacht, schetst Apollo 11 een beeld van deze missie. Regisseur en editor Todd Douglas Miller slaat wijselijk de pratende hoofden over in deze documentaire en tracht zo het maximale te halen uit de schat van nog nooit eerder vertoond materiaal.

Apollo 11 

Zinderende missie
Het is bewonderenswaardig hoe zo een uitgekauwd onderwerp hiermee nieuw leven krijgt ingeblazen. Ondanks de wereldberoemde goede afloop houdt elke nieuwe aftelling naar weer een cruciale fase de spanning hoog. De vlotte schakeling tussen gezichten in opperste concentratie en het grotere plaatje tonen de hectiek tijdens deze grandioze prestatie zonder in onbegrijpelijke chaos te vervallen. Sterker nog, iedere stap doet intuïtief aanvoelen hoe enerverend de acht dagen van de missie moeten zijn geweest. De schematisch verhitte muziek op de achtergrond is welhaast overbodig bij het ritmische opzwepen naar elk spannend moment. Zo laat de kalme communicatie plus Buzz Aldrins filmen Neil Armstrongs afdaling van de ladder al afdoende zinderen. 

De mensheid als held
Daarmee lijkt Apollo 11 het laatste woord over de legendarische maanlanding te hebben. Deze symfonische vertelling brengt niet alleen de hectiek over. Zij vindt ook de spanning door het tonen van de schaal van deze missie. Dankzij het scherpe breedbeeld van de oude beelden komt een vijftig jaar oude gebeurtenis fris en overweldigend over. Of het nu gaat om de mensenmassa die de lancering ter plekke bijwonen of de astronauten die de aarde van een afstand bewonderen, de precaire situaties van laatstgenoemden zijn door het sterke detail en context des te meer onvoorstelbaar. 

Hierbij gaat de documentaire verheerlijking van het individu uit de weg. Neil Armstrong is slechts een van de velen die dit mogelijk maakten. Typerend is de aandacht voor de monteurs die nog even een schroefje aandraaien twee uur voor lancering. Zo wordt de film een machtig epos met de mensheid zelf als de grote held, voortgedreven door onbedwingbare nieuwsgierigheid. 

Apollo 11

Technologisch exceptionalisme
Dat alles leidt tot de keerzijde van deze triomftocht over technische prestaties. De voor Amerikaanse begrippen atypische visie van collectieve inzet gaat gepaard met een stuk Amerikaans exceptionalisme. De Sovjet-Unie de loef afsteken, was de voornaamste reden om met man en macht als eerste iemand op de maan te krijgen, het hoogdravende telefoontje van president Johnson aan Armstrong ten spijt. Miller benoemt dit slechts mondjesmaat en prefereert toespraken over de kracht van menselijke nieuwsgierigheid. Dat de V.S. zichzelf in de ruimte presenteert als de representant van de mensheid blijft onbenoemd. 

Dit is echter niet de voornaamste reden waarom deze epische hosanna argwaan wekt. De spanning over het onvoorstelbare leidt tot technologisch exceptionalisme. De nieuwsgierigheid krijgt hier louter zijn voeding van technisch vernuft. Dat moderne technologie vaak inherent exploitatie betekent, komt niet aan de orde, terwijl het in tijden van ecologische crisis pertinent is dit te onderkennen. Man with a Movie Camera (1929) toont eenzelfde optimisme over technologische vooruitgang als Apollo 11, maar in die documentaire ligt een speelse houding ten grondslag in tegenstelling tot een van exploitatie. De technologie is niet de oplossing zoals Apollo 11 suggereert, maar het probleem. 

Nieuwsgierigheid is geen vrijbrief om het niet-menselijke te misbruiken als middel om deze dorst naar kennis te lessen. Nieuwsgierigheid kan ook leiden tot verbondenheid met de wereld. Maar het argeloze dumpen van afval in de ruimte lijkt nu een vanzelfsprekendheid, alsof de mens het recht heeft het universum te bevuilen ter eigen glorie. Daarmee is Apollo 11 uiteindelijk agitprop voor een technologische utopie.

 

22 juni 2019

 

ALLE RECENSIES

Five Feet Apart

***
recensie Five Feet Apart

Niet aanraken a.u.b.

door Nanda Aris

Een weinig originele film vol clichés over jeugdige patiënten die voor hun taaislijmziekte onder behandeling zijn in het ziekenhuis. De kwaal belet hen elkaar aan te raken, en dat kan op zeventienjarige leeftijd een lastige opgave zijn. 

Five Feet Apart, geregisseerd door Justin Baldoni (bekend als regisseur van de tv-documentaires My Last Days en als acteur van de tv-serie Jane the Virgin), vertelt het verhaal van Stella Grant (Haley Lu Richardson, The Edge of Seventeen) een – ondanks haar ziekte – vrolijk meisje, dat een online videodagboek bijhoudt van haar ontwikkelingen in het ziekenhuis. Ze verblijft daar met vriend en medepatiënt Poe (Moises Arias, Ender’s Game) en onbekende maar interessante Will (Cole Sprouse, tv-serie Riverdale). Stella en Will worden verliefd, maar de liefde blijft door hun ziekte op afstand.

Five Feet Apart

Videodagboeken
Stella is een optimistisch meisje, doet aan yoga en heeft haar medicatie graag ordelijk gerangschikt. Ze belt en spreekt graag af (de ene aan de ene kant van de bank, de ander aan de andere kant) met haar vriend Poe. Samen bespreken ze het leven, de liefde en de voortgang. Ze maakt videodagboeken om over haar ziekte en het leven in het ziekenhuis te vertellen – een handige manier om de ziekte ook aan de kijker uit te leggen.

Wanneer ze recalcitrante Will in het ziekenhuis ontmoet, lijken ze niet direct met elkaar overweg te kunnen. Schijn bedriegt natuurlijk, en Stella maakt met Will de deal dat hij zijn medicijnen juist inneemt (het stoort haar mateloos dat hij dit niet doet) en hij haar mag schetsen – een minder erotische variant van Jack en Rose in Titanic.

Ziekte
Ze mogen elkaar niet aanraken, want dat zou kunnen betekenen dat ze elkaar besmetten met de variant taaislijmziekte die ze hebben, en zo nog minder lang leven. Voor de helft van de mensen met deze ziekte ligt de levensverwachting op ongeveer dertig tot veertig jaar. Met een nieuw paar longen kan Stella ongeveer vijf jaar toe.

Een longziekte en opgroeiende tieners zijn niet een nieuw verhaal voor een film, in 2011 maakte Hans van Nuffel Adem over twee broers die lijden aan taaislijmziekte. Ook doet Five Feet Apart denken aan The Fault in Our Stars over een verliefd, maar ziek (hij geopereerd aan een tumor, zij aan de zuurstof om niet te stikken) tienerstel dat samen op reis naar Amsterdam gaat.

Five Feet Apart

Optimistisch
Stella is bijna dwangmatig met haar medicatie bezig, Will is veel pessimistischer. Doordat ze elkaar leuk gaan vinden, ontwikkelen ze beide zin in het leven. Stella wordt minder krampachtig, Will wordt optimistischer. Ze besluiten te daten, en dat wordt zoet vertoond. Zoet en clichématig – de ballonnen, het jurkje, de striptease – ware het niet dat de hoofdrolspelers Richardson en Sprouse de geloofwaardigheid gedurende de hele film erin weten te houden. Vooral Richardson zet een vrolijke, maar ook gevoelige tiener neer.

Na een dramatische gebeurtenis in het ziekenhuis, wanneer Stella buiten staat en graag de lampjes in de stad wil gaan bekijken, zegt ze tegen Will: “This whole time I’ve been living for my treatments, instead of doing my treatments so that I can live.” Een mooie boodschap in een voorspelbare film die wordt gered door de hoofdrolspelers.

 

11 juni 2019

 

ALLE RECENSIES

Vox Lux

***
recensie Vox Lux

Zwarte zwaan wordt popicoon

door Tim Bouwhuis

In de traumatische nasleep van een school shooting zingt een tienermeisje een lied van verstilde wanhoop. Voor ze het weet heeft haar stem een natie verenigd. Zingen en dansen doet ze in de kooi van een studio, onder het toeziend oog van een producer in schaapskleren.

Celeste (‘hemels’) overleefde de schietpartij op miraculeuze wijze, maar het wordt snel duidelijk dat die ene gebeurtenis haar de rest van haar leven zal blijven achtervolgen. In het diep ongemakkelijke Vox Lux transformeert een jonge zangeres in een beroemd popicoon. Als de jonge actrice Raffey Cassidy halverwege de film van het toneel verdwijnt, neemt Natalie Portman een vlucht, met het advent van de eenentwintigste eeuw in haar kielzog. Als een zwaan die nooit wit is geweest.

Vox Lux

Misleid
Vox Lux
(‘stem van het licht’) draagt het stempel van een zelfbewuste maker. De dertigjarige Brady Corbet acteerde in films als Mysterious Skin, Funny Games U.S. en Martha Marcy May Marlene voordat hij in 2015 met een mateloos fascinerend regiedebuut kwam. The Childhood of a Leader, een onbehaaglijke vertelling over een onaards kind, heeft het effect van een donderslag bij heldere hemel. Desondanks sprak de film slechts een zeer beperkt publiek aan, laat staan dat hij in aanmerking voor een Nederlandse release kwam.

De strategie van Vox Lux is duidelijk anders, getuige de upgrade in naamsbekendheid (Portman, Jude Law als de producer) en de zorgvuldig gekanaliseerde promotie-inzet op Portmans rol als popzangeres. Het International Film Festival Rotterdam (IFFR) presenteerde Vox Lux als één van de toonaangevende titels in de als mainstream geafficheerde Voices-sectie. Op die manier had het er, kortom, de nodige schijn van dat Corbets tweede inhoudelijk ‘toegankelijker’ zou zijn dan zijn intrigerende debuut. Niets is minder waar.

Voorbereid
Op stilistisch vlak is Vox Lux, geheel gelijk haar voorganger, een stuk ambitieuzer dan ze zich ten aanzien van veel kijkers waarschijnlijk zal kunnen permitteren. Welbewuste interventies in de montage doorbreken de continuïteit van het scenario; beelden van een tweede schietpartij worden op een onderhuids ongemakkelijke manier met de vervreemdende realiteit van de film verweven. Deze waanzin is een stuk inzichtelijker als je bekend met Corbets eerder genoemde debuut. Ook in The Childhood of a Leader is de droom van een kind leidend voor de verdere afwikkeling van het verhaal.

Vox Lux

Een speciale vermelding moet uitgaan naar de onlangs overleden componist van Corbets werk, Scott Walker (ex-frontman van The Walker Brothers). Zijn schurende scores voor The Childhood of a Leader en Vox Lux scheppen majestueuze sleutelscènes, die zichzelf zonder uitzondering verheffen tot dreigende voorbodes van de dingen die komen gaan. Beide films maken een enigma van de toekomst; de beeldtaal houdt meer achter dan ze openbaart.

De regie kwijt
Het cruciale verschil tussen Corbets debuut en Vox Lux is dat die laatste film een voice-over bevat. De schrijvende cineast benut die om de kern van het mysterie boven de personages te verheffen. Op een paar gezette momenten in Vox Lux stopt het rad van chaos voor even met draaien, waarop de stem van Willem Dafoe de dingen vertelt die we anders niet zouden zien. Tenminste, dat lijkt de insteek: in feite ondermijnt de expliciete rol van de alwetende verteller de kracht van de suggestie. Die suggestie begint nog als een koortsdroom, maar kristalliseert in de tweede filmhelft als een opzichtig uitgelijnde reflectie van een popindustrie die werkelijk alles in zich opneemt. Ze rooft mensen en laat losse hulzen achter; in de slotakte danst een schmierende Portman op zielloze popbeats. De stem van het licht gaat uit als een nachtkaars.

 

14 april 2019

 

ALLE RECENSIES

Clovehitch Killer, The

***
recensie The Clovehitch Killer

De schone schijn

door Suzan Groothuis

Een klein stadje in de VS is na tien jaar nog steeds in de ban van de ‘Clovehitch Killer’, een seriemoordenaar die minstens tien moorden op zijn naam heeft staan. Wanneer tiener Tyler vermoedt dat zijn eigen vader wel eens de moordenaar kan zijn, komt zijn wereld op zijn kop te staan. 

Het begin van de film doet anders vermoeden. Tyler komt uit een typisch picture perfect gezin: christelijk opgevoed en geliefd in de gemeenschap. Zijn vader Don leidt met devotie een groep scouts, van wie Tyler er één is. En noemt zijn zoon steevast bud. Jawel, een vader en zoon met een goede band.

The Clovehitch Killer

Wanneer Tyler de truck van zijn vader leent om met een meisje op stap te gaan, ontdekt zij – net als ze een beetje willen gaan rommelen met elkaar – een verfrommelde foto. Het lijkt een knipsel uit een bondagetijdschrift. Voor het meisje een reden om de date onmiddellijk te beëindigen. De volgende dag krijgt Tyler het zwaar te verduren, want hij wordt er van beticht een viezerik te zijn. Zijn onschuld bewijzen, heeft weinig zin. Hij krijgt louter vuile blikken toegeworpen, zelfs van een goede scoutvriend. Maar wat nog schokkender is dan een pervert genoemd worden, is de gedachte dat de foto van zijn vader is.

Kinky seks
Terwijl zijn vrienden Tyler links laten liggen, zoekt hij contact met outsider Kassi. Zij blijkt zich gespecialiseerd te hebben in de ‘Clovehitch’-zaak. Getriggerd door feitjes uit het politieonderzoek gaat Tyler anders tegen zijn vader aankijken. Zo brengt Don wel heel veel tijd door in zijn schuur (Tyler’s moeder: “Your father has his own hobbies”) en is hij een expert in knopen leggen. De ‘Clovehitch’-moordenaar heeft ook iets met knopen, want hij dankt zijn naam aan de manier waarop hij zijn slachtoffers vastbond. Tyler besluit op onderzoek te gaan en vanaf dat moment gaat het hard met de verwikkelingen. Van tijdschriften over kinky seks tot een vondst die wel heel direct lieert aan een seriemoordenaar: zijn vader blijkt complexer dan Tyler dacht.

The Clovehitch Killer is niet zozeer een whodunit, maar toont de misleiding van de schone schijn. Want wat doe je als een vertrouwd iemand in je omgeving anders is dan je dacht? Dit gegeven werkt in de start van de film, waarin de relatie tussen Tyler en zijn vader goed lijkt, maar je er ook iets ongemakkelijks in bespeurt. De twee acteurs spelen overtuigend: Charlie Plummer als Tyler timide en introvert, en Dylan McDermott als Don amicaal met een voelbare onderliggende dreiging. Zo is er een sterke scène in Dons schuur, waar hij een lastig gesprek met Tyler voert over seks. Als kijker voel je dat er meer aan de hand is: Don wéét dat Tyler heeft lopen snuffelen. In zijn monoloog sijpelt het geloof in alle facetten door: aan seks denken mag, maar doen is een ander ding. Zijn woorden vormen een groot contrast met de daden van ‘The Clovehitch’-moordenaar. Na afloop van het gesprek spreekt pa de opgeluchte woorden uit: “Awkward talk with dad, over!”

The Clovehitch Killer

Monster in de mens
Meer van zulke scènes had de opbouwende spanning tussen vader en zoon goed gedaan, maar regisseur Duncan Skiles kiest voor een andere weg. Tyler en Kassie komen door hun eigen geknutselde onderzoek in situaties die de geloofwaardigheid niet ten goede komen, zoals het pijlsnel vinden van belastend bewijsmateriaal. Het grootste probleem ligt echter in Tylers loyaliteit naar zijn vader. Hoe meer tekenen er zijn dat Don ‘Clovehitch’ is, hoe makkelijker Tyler zich door hem laat manipuleren. Waar er allang politie in het spel had moeten zijn, modderen de twee tieners aan met iemand die hoogstwaarschijnlijk een meedogenloos beest is.

Tylers loyaliteitsconflict brengt ons uiteindelijk naar het einde, waar nog wat geforceerde wendingen aan vooraf gaan. The Clovehitch Killer is zeker niet zonder haken en ogen, maar beklijft door het sterke acteren en het achterliggende idee dat in ieder mens een monster kan schuilen. Het gegeven van slechtheid in de mens is niet nieuw, maar de film roept de vraag op wát we ermee doen als zoiets uitkomt. Blijven we de schone schijn ten bate van onszelf of onze gemeenschap ophouden, of doorbreken we die? Dat is iets dat in deze roerige tijden, waarin mensen met zoveel dingen wegkomen, tot nadenken stemt.

 

27 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Thunder Road

***
recensie Thunder Road

Dans voor overleden moeder

door Cor Oliemeulen

De politie kan in deze roerige tijden wel een beter imago gebruiken. Thunder Road schetst een tragikomisch portret van een agent die het allemaal heel goed bedoelt, maar wordt gehinderd door een naderende zenuwinzinking.

Jim Arnaud werkt zes jaar bij de politie in een klein Texaans stadje. Hij is gescheiden en dreigt de voogdij over zijn dochtertje te verliezen. Jim oogt erg nerveus, is soms onvoorspelbaar, praat veel en regelmatig over irrelevante zaken, en heeft sinds het recente overlijden van zijn moeder zijn emoties niet meer onder controle. Mensen die hem niet beter kennen, zouden hem compleet gestoord kunnen noemen en hem liever in een dwangbuis zien dan in een politie-uniform. Maar wij als filmkijkers leren Jim wel wat beter kennen. Hij heeft ontegenzeggelijk zijn hart op de goede plaats, maar dat hart een tikkeltje minder luchten, zou prettig zijn.

Thunder Road

Groot talent
Jim Cummings, die de hoofdrol speelt en de film regisseerde, blijkt in die beide hoedanigheden een groot talent. Als acteur creëert hij met gemak binnen tien seconden een heel arsenaal aan uiteenlopende emoties, terwijl hij als regisseur en producer zijn hele ziel en zaligheid in zijn speelfilmdebuut Thunder Road heeft gelegd. Met crowdfunding haalde hij een paar ton op, huurde vooral mensen uit zijn eigen omgeving in en distribueerde zijn film zelf naar een dertigtal Amerikaanse bioscopen. Gelukkig heeft de film nu ook de Nederlandse bioscoop bereikt.

Vanwege het gebrek aan voldoende financiële middelen maakte Cummings eerder zo’n tien korte films waarmee hij veel kon leren over narratief en techniek. Bijna alles nam hij op in één lang shot, waardoor situaties indringend worden omdat je als kijker maar één perspectief van een bepaalde, vaak absurde, gebeurtenis hebt. Dat experimenteren leidde in 2016 tot de briljante kortfilm Thunder Road (kijken!) die werd overstelpt met vele awards, zoals de juryprijs van het Sundance Film Festival. De monoloog van een man die wordt verteerd door herinneringen en verdriet tijdens zijn toespraak bij de kist van zijn overleden moeder is een klein meesterwerk van schrijven, regisseren en acteren. Het succes van de korte film smaakte naar meer en leverde Cummings’ eerste speelfilm met dezelfde titel op.

Heerlijk ongemakkelijk
Thunder Road, de prachtige openingstrack van het legendarische Bruce Springsteen-album Born to Run (1975), is het slaapliedje dat Jim Arnauds moeder vroeger altijd voor hem zong. “Iedereen rouwt op zijn eigen manier”, zegt de uitvaartleidster wanneer Jim met een roze cd-spelertje naar voren komt om iets over zijn lieve moeder te vertellen en al een idee heeft wat de komende tien minuten staat te gebeuren. Jims moeder runde een balletschool en was een vrije geest. Net zoals Springsteen zingt over gewone zielen in het andere Amerika en hen aanmoedigt om hun lusteloze levens te veranderen, kon ook zij zomaar in een auto stappen en vertrekken.

Thunder Road

Jim spreekt mooie woorden, stamelt, stottert, snottert. Zo intens aangrijpend dat de kijker voortdurend laveert tussen medelijden en verwondering. Buiten beeld wordt Jim op de moeilijkste momenten rustgevend toegesproken, getroost en aangemoedigd om zijn hart te volgen en zijn emoties de vrije loop te laten. Dan start de cd en horen we de piano en de mondharmonica. Bruce begint te zingen. En Jim zingt – door een zee van tranen en gebroken keelklanken – vol overgave met hem mee. Alsof dat nog niet confronterend genoeg is, doet Jim ook nog een maf dansje. Zelden zag je een dodelijkere combinatie van ontroering en ongerief op het scherm. Hoe jammer is het dan dat Jim in de speelfilm niet meezingt en hier ook de muziek niet is te horen (ditmaal werkt de cd-speler niet), maar gelukkig is zijn dansje wel gebleven.

Alle goede bedoelingen, originele invalshoeken en spitsvondigheden ten spijt schuilt in het uitbreiden van een korte film tot een lange film het gevaar van minder sterke fragmenten. We leren onze welwillende politieagent Jim Arnaud weliswaar een stuk beter kennen en hebben begrip voor zijn moeilijke levensfase, maar kunnen hem door enkele flauwigheden (Jim heeft ‘s nachts zijn koelkast gesloopt omdat hij dacht dat het een inbreker was) en ongepastheden (Jim slaat een zojuist overleden vrouw in het gezicht) moeilijk onze onvoorwaardelijke sympathie schenken. Echter vertolker Jim Cummings is zo oorspronkelijk, talentvol en heerlijk ongemakkelijk dat we reikhalzend uitzien naar zijn tweede speelfilm.

 

26 maart 2019

 

ALLE RECENSIES