Can You Ever Forgive Me?

**
recensie Can You Ever Forgive Me?

Lee Israel neemt de boel in de maling

door Yordan Coban

Leugens zijn een invloedrijke bron van veel kwaad in de wereld. Mensen nemen elkaar voortdurend in de maling. Films behandelen dit onderwerp vaak op dezelfde manier. Valt Can You Ever Forgive Me? te vergeven ondanks het gebruik van dit veelgebruikte format?

Lee Israel (gespeeld door Melissa McCarthy) heeft in het verleden succes behaald met het schrijven van biografieën. Ze heeft een afkeer tegen de wijze waarop de meeste schrijvers zich profileren om zo interessant over te komen. Ze doet niet mee aan het commerciële circus rond de literatuur. Dit is mede de reden voor haar stagnerende succes als schrijfster. Door brieven van beroemde schrijvers te vervalsen, probeert ze financieel haar hoofd boven water te houden.

Can You Ever Forgive Me?

Lee Israel is in Can You Ever Forgive Me? bepaald geen warm mens. Melissa McCarthy speelt overtuigend haar personage, dat een leven vol teleurstelling heeft gekend. De actrice laat Lee Israel lijken op de vrouwelijke versie van Bill Murray in zijn hoogtijdagen als acteur (Groundhog Day, Lost in Translation en Broken Flowers).

Leugens
De ethiek in films die leugens behandelen, is vaak kwalijk kort door de bocht. In negen van de tien keer liegt het personage voor eigen gewin; de leugen komt uit waardoor het personage een korte periode van onfortuin kent; het personage verontschuldigt zich en wordt verlost van de zonde en alles komt goed. Om dit allemaal te laten werken, heeft de film op zijn minst een sterke karakterontwikkeling nodig.

In Can You Ever Forgive Me? zien we dat Lee moeite heeft om zich open te stellen in haar schrijfwerk (vandaar dat ze biografieën schrijft) en in haar persoonlijke leven. Aan het einde van de film heeft zij dit geleerd omdat zij aan een roman over haarzelf begonnen is. Er is een sterk geacteerde scène in de rechtbank, waarin Lee stelt dat ze is gefaald als schrijfster. Voor even laat ze het achterste van haar tong zien. Lee zegt met tranen in haar ogen dat de afgelopen tijd de gelukkigste periode uit haar leven was en dat ze er geen spijt van heeft. Het klinkt ontroerend maar ze slaat de plank mis. Geen moment lijkt Lee werkelijk gelukkig. Ze is continu eenzaam, gestrest en verbitterd. Dat is niet erg, maar als de film achteraf meent dat ze al die tijd gelukkig was, voelt de kijker zich in de maling genomen. Haar vervalsingen hebben haar alleen maar ellende bezorgd.

Een film die dit gegeven wel goed aanpakt, is L’emploi du temps (2001) van Laurent Cantet. In dit drama komt wat betreft de leugen alles uiteindelijk goed in oppervlakkige zin. Maar de diepere oorzaak van de problemen van het hoofdpersonage blijven aan het einde zichtbaar onopgelost. Problemen die iets fundamenteels zeggen over onze samenleving en waaraan het hoofdpersonage zich machteloos moet overgeven. De leugen was een ontsnappingspoging maar ontsnappen is voor hem onmogelijk. Voor Lee komt daarentegen alles voorspoedig plompverloren samen.

Can You Ever Forgive Me?

Onverdiend gejuich
Naast het feit dat het verhaal cliché is, doet de climax van de film erg denken aan de afhandeling van het geschiede kwaad door Dixon (Sam Rockwell) in het onterecht geprezen Three Billboards Outside Ebbing, Missouri (2017). Als Dixon (een gewelddadige racistische man die van zijn daden niks geleerd heeft) besluit om iemand om te leggen waarvan hij niet eens weet of diegene ook werkelijk een misdadiger is, is gejuich niet op zijn plek. Hoe erg de film dit ook probeert te verkopen. Zo extreem is het gelukkig niet in Can You Ever Forgive Me? De daden van Lee Israel zijn beduidend geringer van aard. Toch blijft het onderliggende sentiment tenenkrommend.

Leugens zijn een hardnekkige wortel der kwaad in de wereld. Donald Trump confronteert ons daar elke dag mee. Can You Ever Forgive Me? bevestigt dat als iemand sympathiek genoeg is, je er wel mee weg kan komen als je er een feelgood-einde aan draait.

 

17 februari 2019

 

ALLE RECENSIES

Mid90s

**
recensie Mid90s

Onschuldige skaters in LA

door Cor Oliemeulen

Dat kids ook in de jaren negentig hadden te maken met opgroeiperikelen en graag bij een groep hoorden, wilde acteur Jonah Hill graag laten zien in zijn regiedebuut.

In een aantal episoden volgen we vijf tieners in Los Angeles die hun zomerdagen slijten met skateboarden, rondhangen en stoere taal. Het magere plot draait om de hiërarchie in de groep met als middelpunt de dertienjarige Stevie (Sunny Suljic), die door leergierigheid en lef langzaam zijn plekje en enig aanzien verkrijgt. Stevie’s oudere broer Ian (Lucas Hedges) slaat hem regelmatig, vooral omdat het hemzelf niet lukt in een groepje te belanden, terwijl zijn alleenstaande moeder Dabney (Katherine Waterston) lange tijd niet weet met wie haar zoontje optrekt en wat hij allemaal uitvreet. Steeds als Stevie thuiskomt, spuit hij luchtverfrisser op zijn kleren en spoelt hij zijn mond met zeep om de rooklucht te camoufleren.

Mid90’s

Authentieke look-and-feel
Het lijkt soms alsof je een documentaire zit te kijken. Dat komt omdat Mid90s is geschoten op Super 16mm met een ouderwetse beeldratio van 4:3, er heel natuurlijk wordt geacteerd en de aankleding en het taalgebruik authentiek overkomen, zonder te overdrijven. In de huidige MeToo-periode is het even wennen aan tijden waarin racistische en homofobe opmerkingen veel meer tot een stoer gesprek behoorden. Maar die waren veel onschuldiger dan het lijkt, zeker uit de mond van puisterige tieners die hun eigen identiteit zoeken en een veilig plekje in een groep proberen te bemachtigen.

Volgens Jonah Hill (vooral bekend van een reeks Judd Apatow-komedies en als de mollige jongen die in The Wolf of Wall Street tijdens een stout feestje opgewonden zijn lul uit zijn broek laat hangen) is zijn zelfgeschreven regiedebuut niet autobiografisch. Hij groeide weliswaar op in het Los Angeles van de jaren negentig, echter lag zelf meer naast het skateboard dan dat hij erop stond. Maar ook hij herinnert zich zijn gevoelens over hoe te overleven in een groep: de onzekerheid om je als jonkie te bewijzen en de machtspositie van het oudere groepslid dat de groentjes met plezier laat worstelen. Dat idee komt in Mid90s aardig uit de verf.

Mid90’s

Onderhoudend maar oppervlakkig
De film is met zijn 85 minuten aan de korte kant, maar precies lang genoeg om onderhoudend te blijven. Het louter registreren van Stevie’s opgroeibelevenissen en zijn snelle ontwikkeling ten opzichte van zowel de skategroep als van zijn broer en moeder, is te weinig om Mid90s op te hemelen. De karakters, hoe goed gekozen dan ook, blijven oppervlakkig en het verhaal houdt in feite op waar betere films met dezelfde thematiek beginnen. Hill liet de jonge acteurs verplicht kijken naar de groepsdynamiek in This Is England (2006), waarin een jochie aansluiting zoekt bij een groep skinheads, maar zijn eigen film blijft in alle opzichten inferieur daaraan en verstoken van een enkele overrompeling. Misschien komt dat omdat de meeste skaters lief en onbedorven zijn.

Wat is dat toch dat acteurs en actrices zo graag zelf een film willen maken? Natuurlijk zijn er aardige recente voorbeelden: Greta Gerwig met Lady Bird, John Krasinski met A Quiet Place en Bradley Cooper met A Star Is Born, maar je ziet ook minder geslaagde pogingen, zoals Brie Larson met Unicorn Store en Ryan Gosling met Lost River. Het imiteren van regisseurs onder wie je acteerde ligt al snel op de loer. Het siert Jonah Hill dat hij zich met zijn eerste regiefilm niet heeft laten verleiden om een voorspelbare komedie te maken. Maar we zijn benieuwd of we hem in de toekomst mogen betrappen op een origineel wereldbeeld of een pakkende visie.

 

15 februari 2019

 

ALLE RECENSIES

Green Book

***
recensie Green Book

De zwarte pianist en zijn witte chauffeur

door Cor Oliemeulen

Twee films over rassendiscriminatie dingen naar de Oscar: het enerverende BlacKkKlansman draait al in de bioscoop, het grappige Green Book beleeft komende week zijn première. De eerste film gaat over een infiltratie in de Ku Klux Klan, de tweede is een roadmovie waarin een lompe uitsmijter wordt ingehuurd om een verfijnde zwarte meesterpianist te begeleiden tijdens een tournee door het racistische zuiden van Amerika begin jaren zestig. Wie gaat het worden?

Recente Amerikaanse films over racisme kun je in drie categorieën verdelen: documentaire, drama en feelgood. Het non-fictieve I Am Not Your Negro (2016) over het leven van James Baldwin, een van de grootste Amerikaanse schrijvers na de Tweede Wereldoorlog, is een historisch document over segregatie en racisme. De naar Parijs uitgeweken Afro-Amerikaanse schrijver ventileert zijn zinnige gedachten en opvattingen over de menselijke conditie, terwijl regisseur Raoul Peck archiefbeelden, proza, poëzie, drama, scènes uit speelfilms, nieuwsflitsen, sfeerbeelden en politiegeweld tegen de zwarte burger doeltreffend aan elkaar monteert. Prachtig, en leerzaam.

Green Book

Racisme in films
Een film als Fruitvale Sation (2013) voelt als een docudrama met fictieve verhaalelementen en is een reconstructie van het laatste etmaal van de 22-jarige Oscar Grant, die overleed als gevolg van een schotwond in de rug na een fatale inschattingsfout van een blanke agent in de vroege morgen van nieuwjaarsdag 2008. In het effectieve rassendrama voor jongeren, The Hate U Give (2018), draait de plot eveneens om de nerveuze vinger van een witte agent die een zwarte jongeman doodschiet wanneer deze in zijn auto reikt naar een … haarborstel. Enige nuancering over etnisch profileren door de politie komt van een zwarte agent die zegt dat hij bij gerede twijfel eerder op een zwarte in een slechte wijk schiet dan op een blanke in een Mercedes.

Het historische drama 12 Years a Slave (2013) won drie Oscars en is net als Green Book een publiekstrekker en een verdienstelijk eerbetoon aan een geniale, maar onbekende muzikant. Violist Solomon Northup is in het New York van 1841 een van de weinige welgestelde kleurlingen die gelukkig leeft met vrouw en kinderen en zich ongehinderd en gerespecteerd beweegt in sociale en politieke kringen. Maar nadat hij in Washington na een optreden wordt ontvoerd, belandt hij als slaaf in het racistische zuiden van Amerika. Hoewel we met Green Book 120 jaar verder zijn, lijkt ook in deze film dat er elders in de natie nauwelijks rassendiscriminatie bestaat. Een enkel scheldwoord kan niet verhinderen dat de zwarte pianist (genaamd Don Shirley) alsnog mag aanschuiven aan de dis, ook al wordt die omringd door louter Italiaanse immigranten.

Opgewekt
Het zal niemand verbazen dat de bioscoopbezoeker – net als bij het gros van al die andere feelgoodfilms over racisme met een voorspelbaar verloop en een sentimentele finale – ook na Green Book opgewekt de zaal zal verlaten. Denk bijvoorbeeld aan de verfilmde keukenmeidenroman The Help (2011) die heerlijk wegkijkt ondanks, en dankzij, het stereotiepe beeld van de mammy en de blanke bazin. Hoe systematisch het racisme in deze broeierige periode van de Amerikaanse geschiedenis ook is, lijkt het enige ongemak van de huishoudster dat ze niet het familietoilet mag gebruiken, maar buiten in een hok haar behoefte moet doen.

Hetzelfde lot is het drietal zwarte rekenwonders van ruimtevaartbedrijf NASA beschoren in Hidden Figures (2016) waar de vrouwen in de stromende regen honderden meters verderop de pot op kunnen. Natuurlijk kennen deze feelgoodfilms korte fragmenten van segregatie in bussen, bibliotheken en scholen, of nieuwsflitsen van demonstraties en oproer op tv, maar van enige diepgang, karakterontwikkeling en originele invalshoeken is zelden sprake. De kijker dient de film met een fijn gevoel te verlaten en op een overmatige aanslag op het denkvermogen zit niemand te wachten.

Green Book

Geen risico’s
Green Book verwijst naar een groen boekje met adressen van etablissementen waar negroïde mensen wél welkom zijn. Dat de zwarte pianist als eregast van een grote bijeenkomst absoluut niet in hetzelfde restaurant als zijn fans mag eten, is weliswaar even tenenkrommend als ridicuul (net zoals de gevierde atleet Jesse Owens, die als viervoudig Olympisch kampioen in Race na zijn thuiskomst uit nazi-Berlijn in 1936 in een zijkamertje wordt gezet), maar tot meer dan stereotiepe beelden en situaties strekt ook deze feelgoodfilm niet. Het is niet verwonderlijk dat de overigens uitstekende actrice Octavia Spencer (The Help, Fruitvale Station, Hidden Figures) als uitvoerend producer van Green Book een flinke vinger in de pap heeft en geen onnodige risico’s neemt.

Over eten gesproken: een van de grappigste fragmenten in Green Book is het weigeren van de aanvankelijk snobistische pianist op de achterbank om zijn eetlust te stillen met een ordinaire kippenvleugel van Kentucky Fried Chicken, terwijl zijn chauffeur zich ongegeneerd aan een hele emmer vergrijpt. Een opvallend staaltje ‘product placement’ voor een bedrijf dat gigantisch kon groeien in Louisville in de periode onder de Jim Crow-wetten, waarin rassenscheiding was vastgelegd. Bovendien zijn KFC-oprichter Colonel Harland Sanders en zijn bedrijf meerdere malen in verband met racistische uitingen gebracht.

Amusement versus confrontatie
Als je Green Book beschouwt als puur amusement schiet je middenin de roos. Het ‘odd couple’ Viggo Mortenson (The Lord of the Rings, Captain Fantastic) als chauffeur/bodyguard en Maharshala Ali (Moonlight, Hidden Figures) als meesterpianist is uitstekend op elkaar ingespeeld. Natuurlijk leren de twee tegenpolen tijdens het maandenlange samenzijn on the road veel van elkaar. Zo haalt de uitsmijter de klassieke pianist uit zijn comfortzone door hem spontaan in een kroeg een ander repertoire te laten spelen en leert de welopgevoede Afro-Amerikaan de rouwdouwende Italo-Amerikaan enkele fijne kneepjes voor het schrijven van romantische brieven aan zijn achtergebleven vrouw in New York.

Green Book

Hoe anders van opzet en toon is BlacKkKlansman van Spike Lee (Malcolm X) die al in het broeierige Do the Right Thing (1989) het discrimineren van Afro-Amerikanen veel onomwondener aan de kaak stelde. Hoewel er in die film genoeg te lachen valt, culmineert hij in opstand en geweld waarbij de eettent van een Italo-Amerikaan uiteindelijk met de grond wordt gelijkgemaakt en de witte politie een einde aan de rellen maakt. Ook BlacKkKlansman, waarin een (zwarte!) politieagent begin jaren zeventig weet te infiltreren in de Ku Klux Klan, kent zijn grappige momenten, maar is veel realistischer en geloofwaardiger dan het leeuwendeel Amerikaanse films over rassendiscriminatie, Green Book incluis.

Het is de vraag of de Academy het aandurft om regisseur Spike Lee eindelijk eens met een Oscar te belonen, ondanks de onverbiddelijke toegift van BlacKkKlansman die – weliswaar een tikkeltje kort door de bocht – via de actuele geschiedenis van de rassenrellen in Charlottesville het gedachtengoed van de Ku Klux Klan en Donald Trump gewiekst en resoluut op één hoop gooit. Hierna kan Green Book-regisseur Peter Farrelly zich weer met een gerust gemoed toeleggen op het maken van ongecompliceerde flauwekulkomedies als Dumb and Dumber (1994) en There’s Something About Mary (1998).

 

26 januari 2019

 

ALLE RECENSIES

Hate U Give, The

****
recensie The Hate U Give

Effectief rassendrama voor jongeren

door Paul Rübsaam

De zestienjarige Afro-Amerikaanse Starr Carter woont in het arme dorpje Garden Heights, waar haar vader een kleine kruidenierszaak runt. Ondertussen probeert ze een modelleerling op een blanke particuliere school te zijn. Totdat ze na een feestje met oude vrienden bij een schietincident betrokken raakt en de vicieuze cirkel van rassenhaat leert kennen. 

Aan de eettafel pleegt kruidenier Maverick Carter zijn drie kinderen op de toon van een drilsergeant te doceren dat ze trots moeten zijn op hun zwarte identiteit. Maar ze moeten wel op hun tellen passen. Dus demonstreert vader hoe je je handen gespreid op het dashboard van je auto moet leggen bij een verkeerscontrole. Zodat die blanke politieagenten kunnen zien dat je ongewapend bent.

The Hate U Give

Starr luistert wel naar haar vader. Maar ze is ook een gewoon meisje van zestien dat wel tien paar fonkelnieuw ogende sneakers in haar kast heeft staan en graag in de smaak valt bij haar medeleerlingen op de deftige Williamson Preparatory School. Zich onberispelijk gedragend geeft ze daar in haar eigen woorden ‘Starr version two’ gestalte. Haar aanpassingsvermogen werpt zijn vruchten af, want ze heeft zelfs een blank vriendje, de knappe, dromerige Chris, waar menig wit meisje haar om benijdt.

In het weekend is er weer ruimte voor ‘Starr version one’. Op een dansfeestje waar Starr haar Afro-Amerikaanse vrienden ontmoet, gaat er echter iets fout. Een paar jongens krijgen ruzie, waarbij een schot valt. Khalil, een jeugdvriend van Starr, geeft haar een lift met zijn auto om haar in veiligheid te brengen. Als hij wordt aangehouden en zijn papieren moet tonen, laat Khalil zich provoceren door het botte optreden van de blanke politieagent. Hij stapt op diens bevel uit de auto, maar steekt zijn arm door het raampje om bij wijze van grap een haarborstel te pakken. De agent ziet het voorwerp aan voor een wapen aan en vuurt met zijn haastig getrokken pistool drie keer. Khalil overleeft het niet.

Gelukkige mix
George Tillman Jr. heeft als filmregisseur zijn sporen verdiend als ambachtsman, niet vanwege zijn artistieke hoogstandjes. Zo vervaardigde hij in 2010 Faster, een actiefilm met veel schietgeweld waarin een ex-gedetineerde zijn vermoorde broer wil wreken en in 2015 The Longest Ride, een zwijmeldrama waarin een New Yorkse kunststudente verliefd wordt op een plattelandsjongen annex cowboy. Met The Hate U Give laat de Afro-Amerikaanse Tillman een mix zien van eerder getoonde vaardigheden in een relatief zachtaardige film die zich afspeelt in een wereld waarin haat, wrok, vooroordelen en geweld de toon zetten.

Die mix werkt goed. Tevens is dat de verdienste van de twintigjarige actrice Amandla Stenberg, die Starr Carter aanvankelijk eerder neerzet als een piepjonge, aaibare everywoman dan als een geëngageerd zwart meisje. Als verbijsterde getuige van de dood van haar vriend Khalil stort Starr zich bepaald niet hals over kop in de Black Lives Matter-beweging. Niet alleen omdat ze haar imago op school wil beschermen. Maar ook omdat ze om recht te doen aan haar onschuldige, vermoorde vriend het liefst alles over hem zou willen vertellen, inclusief de minder onschuldige dingen die hij deed. Dat laatste zou drugsdealer King, leider van The King Lords, een bende die in Garden Heights de lakens uitdeelt, niet bepaald leuk vinden. Juist door die twijfels van Starr, die zich pas gaandeweg meer durft uit te spreken, kan iedere kijker met haar meeleven. 

The Hate U Give

Iedereen verneukt?
De titel van de film en het gelijknamige boek van Angie Thomas verwijst naar Thug Life, de naam van de hiphopband met de fameuze Tupac Shakur als voorman. Shakur flirtte niet alleen met een crimineel imago, maar vroeg met het acroniem voor ‘The Hate U Give Little Infants Fucks Everybody’ ook aandacht voor de vicieuze cirkel waarin veel zwarte jongeren (en met hen de hele Amerikaanse samenleving) gevangen zitten. Ze groeien op met een negatief zelfbeeld in een wereld vol geweld, wat er vaak toe dat leidt dat ze in hun latere leven met al dan niet criminele activiteiten snel geld willen verdienen en dat versterkt dan weer de vooroordelen jegens hen.

Thomas schreef haar boek naar aanleiding van de dood van Oscar Grant, een 22-jarige, ongewapende Afro-Amerikaan die in 2009 door politiekogels om het leven kwam, en over wie de film Fruitvale Station werd gemaakt. Het uitspellen van het hele acroniem van Shakur zou een te lange titel opleveren. Bovendien vond Thomas’ uitgever het F-woord vermoedelijk niet geschikt voor het beoogde lezerspubliek van young adults, die eerder tot nadenken moesten worden aangezet dan opgehitst.

Maar nadenken of niet, Oscar Grant is wel dood. Datzelfde geldt voor onder anderen Trayvon Martin, Michael Brown en de twaalfjarige Tamir Rice, die eveneens slachtoffer werden van ongerechtvaardigd politiegeweld. Het filmpersonage Khalil kan niet worden losgezien van hun nagedachtenis. Alleen daarom al hoop je als kijker dat Starr Carter alsnog op de barricaden zal klimmen en dat ze Shakurs vicieuze cirkel, al was het maar in het klein, weet te doorbreken.

 

19 januari 2019

 

ALLE RECENSIES

David Lynch’s nostalgietrip

The Straight Story
David Lynch’s nostalgietrip

door Sjoerd van Wijk

Omhoog kijken naar de sterren, net als vroeger. Dat is Alvin Straights doel als hij op zijn oude grasmaaier stapt om nog eenmaal zijn broer te bezoeken. Zijn tocht in The Straight Story raakt de harten van innemende zonderlingen onderweg. En het toont indirect het nostalgische hart van regisseur David Lynch.

Sinds vorige week is er een expositie over zijn werk in het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Waar iedereen het vooral zal hebben over films als Eraserhead of Mulholland Drive, is het juist in The Straight Story (1999) waar de regisseur wellicht op zijn eerlijkst is.

The Straight Story

De nachtmerries zijn verdwenen
Ogenschijnlijk is dit ondergewaardeerde werk een Disney-versie van zijn beleving. Daadwerkelijk door deze maatschappij geproduceerd, zijn de nachtmerries verdwenen uit zijn droomwereld. Maar stilistisch is het nog steeds onmiskenbaar de regie van zijn hand. Nog steeds zijn er de associatieve beelden die soepel in elkaar overlopen, van eindeloze graanvelden naar Alvin op de grasmaaier genietend van de zon. Waar normaliter het flikkerende licht een omineuze voorbode is, accentueert het hier de angsten van Alvin (Richard Farnsworth) en dochter Rose (Sissy Spacek). Doordat de griezelige angel ontbreekt, is The Straight Story een magisch-realistisch epos over ouderdom in plaats van een surrealistisch spel met de donkere kant van de mensheid.

Zoals met al Lynch zijn betere werk, heeft hij niet alleen aan de schrijftafel gezeten. Scenaristen Mary Sweeney en John Roach weten de voor hem gebruikelijke sfeer om te buigen van waan naar ideaal. De licht eigenaardige typetjes lijken zo uit Twin Peaks (1990) weggelopen te zijn. De subtiele tik van de molen werkt puur humoristisch en daarmee ook hartverwarmend. Een vreemde tweeling met markant stereotype werkkleding gaat domweg mee met Alvins afdingen. Onderweg raakt een dame theatraal overstuur door het aanrijden van een hert, wellicht het duisterste wat The Straight Story te bieden heeft. Er is zelfs een kleine rol voor Twin Peaks-acteur Everett McGill die de vergelijking met deze serie alleen maar versterkt.

The Straight Story

Het werkt allemaal charmerend met Lynch’s ingetogen opnames waar de focus niet alleen op Alvin, maar ook op zijn omgeving lijkt te liggen. De kleine dorpjes zijn ditmaal geen façade waarachter duisternis heerst. Zo herbergt het gelijknamige plaatsje in Twin Peaks tal van gruwelijke geheimen. Personages lopen rond in een kitscherige wereld, die door het kunstmatig theatrale karakter snel omslaat in een unheimisch gevoel. Het is niet alleen rozengeur en maneschijn in deze soap, want het vervreemdende heeft ook beklemmende effecten. Lynch lijkt te zeggen dat aan het oppervlak het artificiële misschien gelukzalig is, maar dat het ons losmaakt van onszelf. Van het perfecte witte hek met rozen in Blue Velvet gaat het bergafwaarts naar het naargeestige sadisme van schurk Frank.

Warm humanisme
De Amerikaanse suburb blijkt niet de Amerikaanse droom. In The Straight Story, een Twin Peaks in de Amerikaanse graanschuur, zijn er echter geen geheimen. Inwoners van het idyllische platteland delen liever hun beslommeringen met Alvin. Lynch’s finesse met onheilspellende geluiden werkt hier ontroerend als een veteraan oorlogsherinneringen ophaalt. Het obstakel op zijn reis is eerder de krakkemikkige technologie waar Alvin koppig aan vasthoudt. De ontdekkingen zijn hier de mensen die hij tegenkomt, met al hun eigenaardigheden en verhalen. Langzaam ontvouwt zich het verhaal over eenzaamheid en ouderdom. De kracht van familie drijft naar boven. Normaliter neigt Lynch naar donkere misantropie, maar hier juist naar warm humanisme.

The Straight Story

Daardoor toont The Straight Story dat David Lynch eigenlijk een nostalgische kijk op Amerika heeft. Niet voor niets droomde de hoofdpersoon van Lost Highway als ontsnapping aan zijn zonden weg naar een veilig jaren vijftig met mooie auto’s en lieflijke dames. En heeft Lynch in het verleden zijn waardering voor Ronald Reagan uitgesproken. De zonovergoten graanvelden van Iowa, waar steevast een truck oogst, zijn van een sentimentele fraaiheid. Alvins langzame grasmaaier is hier het mooie middel van vervoer, terwijl auto’s langs hem heen razen. Het weerzien na tien jaar met broer Lyle is voor Lynch’s doen prachtig ondergespeeld. De sterrenhemel betovert met een buitengewone ballad van Angelo Badalementi’s typerende hand.

Er spreekt een verlangen uit naar een rustiger tijd, waar mensen vriendelijk met elkaar omgaan en van de kleine dingen genieten. Lynch lijkt niet zozeer kritisch op een ouderwetse Amerikaanse levensstijl die waarschijnlijk nooit zo heeft bestaan. Net als Dale Cooper in Twin Peaks bezwijkt voor de kersentaart, zo lijkt Lynch in The Straight Story te mijmeren over simpele deugden en geneugten. Iets wat alleen verborgen blijft in zijn andere werken. Zo doet The Straight Story zijn titel eer aan. Rechtdoorzee, terug naar vroeger.

 

8 december 2018


ALLE ESSAYS

Elephant Man, The

The Elephant Man
Van mensen en monsters

door Rob Comans

“‘Tis true my form is something odd, But blaming me is blaming God. Could I create myself anew, I would not fail in pleasing you. If I could reach from pole to pole, Or grasp the ocean with a span. I would be measured by the soul, The mind’s the standard of the man.” 

Deze woorden van de Engelse predikant en theoloog Isaac Watts (1674-1748) waarin hij pleit voor het beoordelen van mensen op hun geest in plaats van hun uiterlijk, was naar verluidt een geliefd citaat van Joseph Casey Merrick (1862-1890).

The Elephant Man

Olifant-man
De in Leicester geboren Merrick werd bekend als de ‘olifant-man’ vanwege een zeer zeldzame aandoening die hem ernstig misvormde. Vergroeiingen van zijn schedel, ruggengraat en ledematen en vele wratachtige uitstulpingen van zijn huid gaven hem een olifantachtig uiterlijk, een feit dat hem in het Victoriaanse Engeland waarin hij leefde tot een medisch curiosum maakte en veroordeelde tot een bestaan als bezienswaardigheid.

Onverfijnd als zijn verschijning misschien geweest mag zijn, zijn geest was dit allesbehalve. Merrick was intelligent en erudiet, en een liefhebber van het theater. Zijn marginale bestaan veranderde toen de chirurg Dr. Frederick Treves hem ontmoette, en diens professionele interesse werd gewekt door Merricks zeer zeldzame aandoening (waarschijnlijk een combinatie van neurofibromatose en Proteus-syndroom). Hoewel Treves besefte dat hij niet bij machte was Merrick te helpen, besloot hij zich desondanks over de ‘olifant-man’ te ontfermen. Er ontstond een vriendschap tussen beide mannen totdat Joseph Merrick, op 11 april 1890, op 27-jarige leeftijd in het Royal London Hospital (RLH) overleed.

In 1923 verschenen Frederick Treves’ memoires, The Elephant Man and Other Reminiscences, die samen met het boek The Elephant Man: A Study in Human Dignity (1973) van Ashley Montagu de basis vormden voor het scenario dat Christopher De Vore, Eric Bergen en David Lynch schreven voor The Elephant Man (1980). Regisseur Lynch, een liefhebber van het bizarre en surreële, kiest voor een grotendeels realistische benadering van Merricks buitengewone verhaal. Toch is het een onvervalste David Lynch-film door de sympathie en fascinatie voor diegenen die als ‘anders’, ‘bizar’ of ‘monsterlijk’ worden gezien. Joseph Merrick (John Hurt), in de film steevast als John aangeduid, is ondanks zijn ‘monsterlijke’ uiterlijk tot meer menselijkheid in staat dan de meeste mensen in zijn omgeving die zich tegenover hem vaak monsterlijk gedragen.

Uitgebuit
Dat begint al met de kermisexploitant Bytes (Freddie Jones), die John uitbuit en blootstelt aan de verafschuwde blikken van Victoriaans Londen en hem mishandelt. Ook Dr. Treves (Anthony Hopkins), die John op het spoor komt en hem naar zijn werkplek RLH haalt, hoopt in eerste instantie vooral zijn carrière te bevorderen. In een kille collegezaal, gevangen in scherp lamplicht en aangegaapt door Treves’ collegae van het Anatomisch Genootschap, wordt duidelijk dat dit publiek misschien veranderd is, maar niet zijn situatie. Ook de gevierde theateractrice Madge Kendal (Anne Bancroft), die zich middels John wil profileren als barmhartige Samaritaan, brengt geen verandering. Het resulteert slechts in een stoet van societyfiguren die, noblesse oblige, de bescheiden vertrekken van John aandoet. Als de jongeman zich al bewust is van de onoprechtheid van de mensen om hem heen, laat hij hiervan niets merken.

Bij zijn opname in het RLH wordt Merrick opnieuw uitgebuit, ditmaal door een brute nachtwaker (Michael Elphick), die bezopen kroegvolk tegen betaling langs de ‘olifant-man’ leidt. Opnieuw valt John hierna in handen van Bytes, en brengt een kermistournee hem naar Frankrijk. De voortdurende mishandelingen, waaronder Johns gezondheid lijdt, leiden tot een van de mooiste scènes van de film, waarin hij wordt bevrijd door meelijdende kermisfreaks: in een vreemde optocht loodsen zijn hun mede-verschoppeling door een nachtelijk landschap en brengen hem de volgende morgen naar een boot terug naar Engeland. Bij het afscheid drukt een dwerg (Kenny Baker, R2D2 uit de Star Wars-films) John op het hart: ‘Luck, my friend! Luck, and who needs it more than we?’ Lynch maakt hier duidelijk dat de ‘freaks’ tot meer solidariteit en medemenselijkheid in staat zijn dan ‘gewone’ mensen.

The Elephant Man

Gezondheid
Dat blijkt opnieuw in de volgende scène, waarin John tijdens een opstootje op het Londense station in een hoek wordt gedreven. ‘No! I am not an elephant! I am not an animal! I am a human being! I am a man!’, schreeuwt hij. Dit hard bevochten besef van eigenwaarde en identiteit zou John hoogstwaarschijnlijk ontgaan zijn zonder dr. Treves en de positieve ervaringen in diens ziekenhuis. Uitgeput wordt Merrick uiteindelijk weer in het RLH afgeleverd, en opnieuw toevertrouwd aan de goede zorgen van dr. Treves, ziekenhuisdirecteur mr. Carr-Gomm (John Gielgud) en hoofdverpleegster Mothershead (Wendy Hiller).

De gebeurtenissen hebben emotioneel en fysiek veel van John gevergd en zijn gezondheid gaat zienderogen achteruit. Madge Kendal nodigt hem uit voor zijn eerste (en helaas ook laatste) theaterbezoek. Als ze de voorstelling van die avond opdraagt aan haar ‘vriend’ John, is de gereserveerdheid die de actrice werkelijk voelt ten opzichte van hem kort, maar duidelijk van haar gezicht af te lezen. Na zijn theaterbezoek bedankt John Treves voor zijn goede zorgen – beide mannen beseffen dat ze veel aan elkaar te danken hebben. Als John daarop zijn kartonnen model van de vlakbij gelegen kathedraal van St. Philips heeft voltooid, lispelt hij ‘It is finished’ – daarmee tevens zijn zelfgekozen dood aankondigend. Hij besluit liggend te gaan slapen, al beseft hij dat hij hierdoor zal sterven. Zonder de ondersteuning van meerdere kussens voor zijn vergrote, zware schedel zal het gewicht hiervan Johns luchtpijp afknijpen. Op de melancholische tonen van Samuel Barbers Adagio for Strings (zelden effectiever gebruikt in een film) slaapt John Merrick voorgoed in.

Make-up
Dat The Elephant Man zo’n indrukwekkende ervaring is, komt in de eerste plaats door de fenomenale acteerprestatie van John Hurt. Ondanks de grime waarachter het gezicht van de acteur bijna geheel schuilgaat, geeft hij zijn personage warmte, menselijkheid en verfijning. John Hurt bracht per draaidag maar liefst zeven à acht uur door in de grimeursstoel voor het aanbrengen van de door Christopher Tucker ontworpen maskers en make-up, en vijf uur voor het verwijderen ervan. Tuckers werk was zo uitmuntend dat het in belangrijke mate bijdroeg aan de introductie van een Oscar voor make-up effecten, uitgereikt sinds 1982.

The Elephant Man ontving acht Oscarnominaties, en vijf BAFTAS, waaronder beste regie voor David Lynch, en beste cinematografie voor Freddie Francis. Deze tovert in prachtige zwart-wit beelden het Victoriaanse Engeland om in een wereld van duistere indrukken. Hierin is Lynch’ voorliefde voor het bizarre weliswaar aanwezig  – langzaam uitdijende rookwolken, duistere industriële landschappen, droombeelden, nachtmerrieachtige scènes waarin Merricks moeder (Phoebe Nichols) wordt ‘belaagd’ door wilde olifanten – maar als context op de achtergrond. Francis toont zich ook een visuele grootmeester in het weergeven van de uitbundige kermisscènes en het rustige, door gaslicht verlichte RLH. Zijn evocatieve camerawerk ademt onheil en dreiging; fantasie en betovering – typisch ‘Lynchiaanse’ gevoelens die de Victoriaanse wereld van The Elephant Man kenmerken.

The Elephant Man

Cynisch?
Is Lynch’ film in het blootleggen van de hypocrisie, ambivalentie en exploitatiezucht die de wereld toont tegenover de ‘olifant-man’ cynisch? Of is dit simpelweg een weergave van de toen heersende, weinig verlichte moraal ten opzichte van wat als normaal/abnormaal of mooi/lelijk werd gezien? Lynch laat deze keuze grotendeels aan de toeschouwer. Hij is meer geïnteresseerd in hoe mensen zoals Joseph Merrick, wiens uiterlijke verschijning indruist tegen de heersende norm, hun weg vinden in een niet-begrijpende, afwijzende en kleingeestige wereld.

Gezien Merricks liefde voor literatuur is het treffend dat de film afsluit met een citaat uit het gedicht Nothing will Die van Alfred Tennyson, waarin het eeuwige, onvergankelijke en cyclische karakter van de wereld en haar seizoenen wordt bezongen:

Never, oh! Never, nothing will die.
The stream flows,
The wind blows,
The cloud fleets,
The heart beats,
Nothing will die. 

Een volgende strofe uit dit gedicht (niet geciteerd in de film) luidt:

The world was never made;
It will change, but it will not fade
(…)
Nothing was born;
Nothing will die;
All things will change.

Als dit klopt, is de essentie van Joseph Merrick niet vervlogen. Zijn nagedachtenis roept ons op elkaar te beoordelen op wie we zijn, niet op hoe we eruitzien, en open te staan voor datgene dat we niet begrijpen (en dus vrezen). David Lynch’ The Elephant Man is hierin een magistrale richtingwijzer.

 

27 november 2018


ALLE ESSAYS

Widows

***
recensie Widows

Vechten op drijfzand

door Alfred Bos

Oscar-winnaar Steve McQueen komt na zijn doorbraakfilm 12 Years a Slave met een atypische genrefilm, waarin de personages veelvuldig in de spiegel kijken. Wat is liefde waard in een samenleving die alles in geld uitdrukt?

Vertrouwen is wat mensen – een huwelijk, een gemeenschap, een samenleving – bijeen houdt. Wantrouwen is wat criminelen hun volgende verjaardag doet halen en Steve McQueen, de met een Oscar gelauwerde regisseur van het geëngageerde 12 Years a Slave, gebruikt de mal van de misdaadfilm om een punt te maken over menselijke verhoudingen in de wereld van vandaag. Door clichés en vaste patronen vanuit een ander gezichtspunt te belichten, morrelt hij niet zozeer aan conventies, hij trekt de vloer onder onze (schijn)zekerheden weg. Het werkt, maar ook weer niet.

Widows

De keerzijde van vertrouwen is verraad en bedrog is de zuurstof – of is het de stikstof? – waar de plot van Widows op draait. Veronica (Viola Davis) is de echtgenote van een crimineel, Harry Rawlings (Liam Neeson). Wanneer zijn bende bij een kraak gruwelijk aan zijn eind komt, draait zij op voor Harry’s openstaande schulden. Ze ronselt de weduwen van Harry’s kornuiten om de klus tegen de klippen op te klaren. Handleiding zijn Harry’s aantekeningen voor zijn volgende karwei. Widows is een heistfilm, maar niet volgens het boekje.

Politiek is business
De vrouwen weten niet van elkaars bestaan en de film maakt veel werk van hun wantrouwen tegenover Veronica en hun weerstand om met haar samen te werken. Widows telt een aanzienlijk aantal personages die elk qua psychologie net voldoende worden getypeerd om als individu herkenbaar te zijn. Van het kwartet weduwen krijgt de geestelijk en fysiek mishandelde blondine Alice (Elizabeth Debicki) naast Veronica de meeste aandacht; Linda (Michelle Rodriguez), die haar boetiek verliest, en Amanda (Carrie Coon) zijn vluchtiger geschetst. Ze worden bijgestaan door de kapster Belle (Cynthia Erivo), die eveneens haar man verloor door politiegeweld. Veronica cum suis vechten voor hun leven, op drijfzand.

Hun tegenstrevers zijn mannen, Jamal Manning (Brian Tyree Henry), de misdadiger die een politiek ambt nastreeft, en diens jongere broer en rechterhand Jatemme (Daniel Kaluuya), een psychopaat die spreekt via mes en pistool. Mannings concurrent in de verkiezingen voor een functie in het stadsbestuur is Jack Mulligan (Colin Farrell), zoon van een oligarch op leeftijd (Robert Duvall), die anders dan zijn vader meent dat politiek méér is dan zakendoen. Achter Jack staat een ambitieuze vrouw, Siobhan (Molly Kunz). Het knappe van Widows is dat het verhaal helder blijft en al die personages uit de verf komen, met een glansrol voor Farrell.

Widows

Surrealistische kronkels
Widows is gebaseerd op de gelijknamige tv-serie uit 1983 van de Britse misdaadauteur Linda de la Plata, die, in alle eerlijkheid, geen hoogvlieger in het genre is; wel populair. Het verhaal is verplaatst van Londen naar Chicago, wat de vermenging van misdaad, racisme en politiek (‘Ignorance is the new excellence’) actueel maakt; begin vorig jaar publiceerde het Amerikaanse ministerie van Justitie een vernietigend rapport over het politiekorps van de stad. Toch ontkomt de film niet aan een zekere emotionele vlakheid, die wordt versterkt door het simpele feit dat de personages hun ware emoties niet uitspreken, doch indirect tonen via machinaties en intrige. Niet alleen de filmkarakters weten niet wat ze aan elkaar hebben, dat weet de kijker ook niet.

Personages goed neergezet, enerverende opening waarin handeling en karakters knap worden geïntroduceerd via listige montage, interessante premisse—en toch blijft het allemaal een beetje bloedeloos. Het euvel zit in het script, waarvoor McQueen heeft samengewerkt met Gillian Flynn, de schrijfster van Gone Girl. De twist van Widows is in psychologisch opzicht net zo ongeloofwaardig als de surrealistische kronkels van de succesfilm die David Fincher naar haar boek maakte.

In 2012 verpakte Andrew Dominik snoeiharde kritiek op de Amerikaanse samenleving (‘America is not a country. It’s a business.’) in een bloedsterke genrefilm, Killing Them Softly. Een vergelijkbaar engagement schemert in Widows, het komt er alleen onvoldoende uit. Widows meet zich een pak aan dat net een maatje te groot is. Het wil te graag publieksfilm zijn.

 

19 november 2018

 

ALLE RECENSIES

King, The

****
recensie  The King

Van King naar Kong

door Alfred Bos

Waar is de ‘united’ in de United States of America gebleven, vraagt de Amerikaanse documentairemaker Eugene Jarecki zich af. De Amerikaanse Droom heeft hetzelfde lot ondergaan als Elvis Presley, in zijn tijd de belichaming van die droom.

Hij is al veertig jaar dood, maar leeft nog steeds—als hologram. In zijn tijd was Elvis Presley de verpersoonlijking van een droombeeld: Amerika als het land waar je van pauper kunt uitgroeien tot miljonair. De gloriejaren van Elvis – met Prince en Madonna de enige popster die we kennen bij de voornaam, anders dan Bob (Dylan/Marley), David (Bowie), Michael (Jackson) of John (Lennon) – vielen samen met de piek van Amerika als wereldmacht. Elvis leeft voort als mediabeeld en dat geldt ook voor de Amerikaanse Droom, want in werkelijkheid is die zo dood als een pier, wil Eugene Jarecki duidelijk maken in zijn documentaire The King.

Het concept is prachtig. Jarecki stapt in de zilveren Rolls Royce van Elvis en bezoekt plekken die een rol speelden in diens loopbaan: zijn geboorteplaats Tupelo; zijn thuishaven Memphis; New York waar zijn carrière in 1956 dankzij televisie een enorme boost kreeg; via Route 66 naar Hollywood waar hij in de jaren zestig een eindeloze stroom steeds beroerdere pulpfilms maakte; Las Vegas waar hij na de befaamde NBC-comebackspecial van december 1968 neerstreek als publiekstrekker extraordinaire.

The King

Met Jarecki zitten in de Rolls muzikanten (onder meer John Hiatt, Emmylou Harris, The Handsome Family en Emi Sunshine & The Rain) en acteurs (zoals Ethan Hawke, Ashton Kutcher en Alec Baldwin, hij parodieert de president in Saturday Night Live). De muzikanten maken prachtige authentieke muziek op de achterbank. De acteurs spreken over Elvis, wat hij voor hen en Amerika heeft betekend en wat er van de Droom is geworden. De Rolls Royce Silver Cloud staat met pech langs de weg, hoe treffend. Waarom de Rolls, waarom niet één van Elvis’ Cadillacs, vraagt David Simon, maker van The Wire. Het Britse statusmobiel is symbool van Amerika’s verwording, wil de film vertellen.

Verslaving
Verval is het onderliggende thema van The King. Het verval van een godenzoon tot vadsige parodie en het verval van een wereldmacht tot vulgaire plutocratie. In het geval van Elvis is zijn manager, de zelfbenoemde ‘Colonel’ Tom Parker (in werkelijkheid de illegale immigrant  Andreas van Kuijk uit Breda), de boosdoener. Die had zijn verdiensten, zelfs geniale trekjes: Parker/Van Kuijk vond de marketing, inclusief merchandise, van de popster uit; wist nationale beroemdheid uit te bouwen tot wereldfaam. Maar – en het is een enorm maar – hij bond Elvis aan Las Vegas om zijn gokverslaving te faciliteren.

De documentairemaker is niet kinderachtig. Hij trekt de parallel tussen Elvis en Amerika dóór en typeert de huidige Amerikaanse president, die man met die eekhoornstaart omgedraaid op zijn hoofd, als de belichaming van de verloederde Droom. Parker en Trump hebben veel gemeen: vulgaire, ongeletterde types; geboren verkopers, geniaal in hun mediamanipulatie; behoudzuchtig en naar binnen gericht in hun wereldbeeld; en gokverslaafd. Van onbegrensde kansen voor iedereen naar casinokapitalisme voor de rijken. Van King naar Kong. Paolo Sorrentino zou er zo Silvio Berlusconi aan toe hebben kunnen voegen. Verroest, dat is precies wat doet hij met Loro.

The King

Roem als bedrijfsziekte
Eugene Jarecki is het type intellectueel dat in het Amerika van Trump een met uitsterven bedreigde diersoort is. Hij kan abstracties vangen in termen van populaire cultuur en The King is een fraai voorbeeld. Jarecki, die een boek schreef over de buitenlandse politiek van Amerika en een actie startte voor boerenleenbanken als alternatief voor Wall Street, laat de Rolls Royce van Elvis stoppen om gewone Amerikanen aan het woord te laten. Het mozaïek van reportage en Elvis-docu is doorsneden met in de studio gedraaide interviews. Het mooiste citaat komt van Mike Myers: ‘Roem is de bedrijfsziekte van creativiteit’.

The King ontkomt niet aan de hysterie van de culturele oorlog die sedert de jaren negentig in Amerika woedt (en sindsdien naar Nederland is overgeslagen). Een zwarte intellectueel zegt dat Elvis hem niet vertegenwoordigt, want Elvis heeft de zwarte muziek gestolen en zijn roem nooit aangewend om politiek stelling te nemen. Chuck D, voorman van rapgroep Public Enemy, is genuanceerder: muziek is muziek. Deze kijker denkt: als muzikanten zich politiek moeten uitspreken, moeten politici dan muziek gaan maken? Trump doet The Chipmunk Song? I hope not.

Dat Elvis in Las Vegas ten onder ging aan vervreemding, teveel geld, een pillenverslaving en botervette banaan-met-pindakaas-cholesterolbommen symboliseert de teloorgang van de Amerikaanse Droom. Zoals Martin Scorcese verbeeldt in Casino werd Vegas in de jaren tachtig een prooi van internationaal opererende bedrijven, vastgoedbaronnen en het grootkapitaal. Krek hetzelfde is, aldus Jarecki (en niet hij alleen), de Amerikaans droom overkomen. Het enige wat je op dit filmessay kunt aanmerken is dat de regisseur niet afsluit met het slotnummer van Elvis’comeback special, If I Can Dream. Popcultuur verkoopt sprookjes.

 

6 november 2018

 

ALLE RECENSIES

Leave No Trace

****

recensie Leave No Trace

Verloren in twee werelden

door Tim Bouwhuis

De nieuwe film van Debra Granik begint als het fantasiebeeld van de moderne samenleving. Een vader en zijn dochter trekken door de bossen van Portland, de natuur is hun enige getuige. Maar hoe leef je zonder een spoor achter te laten? Het wachten is op een buitenwereld die de idylle doorbreekt.

Met haar vertelling over stad en natuur roept Granik tal van associaties op. Meer dan het prachtig minimalistische Winter’s Bone (2010) is Leave No Trace een film van thema’s, tegenstellingen. De door het leven getekende Will (Ben Foster) geeft zijn dochter (een doorbrekende Thomasin McKenzie) het soort bestaan dat we in recente varianten onder meer kennen uit Captain Fantastic en het veel minder geslaagde The Glass Castle. Die films zochten hun hang naar de natuur in uitgesproken ideeën. Verstedelijking is vervuiling, politieke eenheidsworst, gevangenschap. In dat verband is de dramatische aanpak van Granik een verademing. Ook hier is de stad een vreemd land, maar het hart van de film beweegt zich tussen kleine blikken en veelzeggende gebaren; sommige emoties blijven de volledige speelduur verstopt.

Leave No Trace

Het midden van uitersten
Leave No Trace laat de schaduwzijden van twee verschillende levens zien. Enerzijds krijgen we mee hoe het Will en Tom vergaat als ze noodgedwongen een door de lokale autoriteiten toegewezen huis betrekken op het platteland van Portland. Ze zijn, weerloos als ongewenste migranten, verwijderd uit de omgeving die ze als hun thuis beschouwden. De bossen zijn nog altijd dichtbij, maar uit de ridicule manier waarop de twee ‘gescreend’ worden, blijkt hoe doorgedraafd dominante ideeën over burgerschap zich kunnen manifesteren. En bovenal: hoe slecht Will en Tom passen in het systeem dat daaruit is voortgevloeid. ‘’Niet buiten de lijntjes tekenen’’, zegt een verantwoordelijke digitale rompslomp, ‘’dat herkent de computer niet.’’ In dezelfde bureaucratische nachtmerrie krijgt Will een computergestuurde enquête voorgelegd: 400 vragen maar.

Anderzijds is de film niet alleen een kritiek op een moderne samenleving van regels en patronen. De ambiguïteit van Leave No Trace zit hem erin dat een terugkeer naar de natuur niet altijd de oplossing is. De harmonie waar Will naar streeft is een mythe die in de marge wordt bevraagd. Vaak is de uitgespeelde tragiek ook subtieler verpakt dan de tegenstelling stad-natuur doet vermoeden. Burgerwachten hebben honden nodig om het uitgestrekte Forest Park uit te kammen, en zien het grote niets van de bossen als een bedreiging. Ondertussen is de wereld van die wachten juist de wereld waarin Will en Tom elkaar al snel kwijtraken. Tekenend is de angst die Will overvalt als Tom zonder het te laten weten een tijdje rond blijft hangen op de boerderij van de buren. Het is de overtreffende trap van verlatingsangst, verpakt in verstild sentiment.

Leave No Trace

Film als werkelijkheid
Om zulke spanningen te belichamen moet je het gelaagde sentiment van je personage niet alleen begrijpen, je moet het kunnen léven. De film is een triomf van twee acteurs die precies daarin het beste uit zichzelf naar boven halen. Ben Foster speelt zeker één van de puurste rollen uit zijn carrière. Thomasin McKenzie, op haar beurt, heeft de empathie en het inlevingsvermogen om een groot actrice te worden. De volgende vooraanstaande productie staat intussen al op de rol: in Justin Kurzels The True History of the Kelly Gang verschijnt ze zij aan zij met Nicholas Hoult, Russell Crowe en Travis Fimmel.

Uiteindelijk is Leave No Trace geen vader-dochtereditie van Into the Wild, maar een ontroerende vertelling over de sporen die onze herinneringen kunnen nalaten. Net als in Room (2015) maakt de ouder de wereld tot een kamer die zorgvuldig dichtgemetseld is; het is een kwestie van tijd voor het kind ontdekt dat het toch echt verder moet gaan.

 

5 november 2018

 

ALLE RECENSIES

First Man

***

recensie First Man

IJskonijn wint publiciteitsslag in Koude Oorlog

door Alfred Bos

First Man, de vierde speelfilm van Damien Chazelle (Whiplash, La La Land), wil twee dingen tegelijk. Een persoonlijk portret schetsen van Neil Armstrong, de eerste mens op de maan, en het drama achter het Amerikaanse ruimtevaartprogramma tonen.

De jaren zestig, dat is rock en ruimtevaart. Wat nu sociale media en kunstmatige intelligentie zijn, waren toen The Beatles en het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. De Amerikanen hadden iets te bewijzen, want de Russen waren hen in de ruimte steeds een stap voor. De Koude Oorlog werd in de media uitgevochten en de hoofdprijs in die propagandaoorlog was de maan. Wie daar als eerste zijn vlag plantte, had zijn superioriteit bewezen.

First Man

Nieuws over successen en drama in de space-race was er maandelijks. Hoe krankzinnig de onderneming – in 1962 door president Kennedy afgekondigd – vanuit wetenschappelijk, werktuigbouwkundig en waaghalserig oogpunt was, bleef voor de tv-kijkers en krantenlezers van toen lang onbenoemd. Maar het was heroïsch en een kwart van de wereldbevolking zat aan de beeldbuis gekluisterd toen Neil Armstrong in de nacht van 21 juli 1969 (Nederlandse tijd) zijn schoen in het maanstof plaatste.

Publiciteitsschuwe sfinx
Regisseur Damien Chazelle is, geheel in lijn met zijn onderwerp, ambitieus van zin. Hij wil het drama achter het Amerikaanse ruimtevaartprogramma (Mercury, Gemini, Apollo) van de jaren zestig schetsen. En hij wil Neil Armstrong, de publiciteitsschuwe sfinx, een gezicht geven. De ironie is dat de hele krankzinnige, door blind zelfvertrouwen en pure bluf gestutte onderneming nooit tot een goed einde had kunnen worden gebracht met een diva als held. Armstrong was een koele kikker die ook onder extreme stress nuchter bleef, precies de juiste persoon om het stoerste potje blufpoker van de Koude Oorlog te winnen.

Hij redde tot driemaal toe NASA’s Gemini- en Apollo-programma en daarmee het gezicht van Amerika. Gemini 8, gelanceerd op 16 maart 1966, moest voor de eerste maal twee vehikels in de ruimte aan elkaar koppelen (in de film à la Kubrick begeleid door een walsje). Dat lukte, maar vervolgens begon de combinatie van Gemini-capsule en Agena-docking station vervaarlijk te tollen; Armstrong wist – buiten de kaders denkend – een noodlottige afloop te voorkomen. Op 6 mei 1968 redde hij ternauwernood zijn leven, en de maanmissie, toen ‘het vliegende bed’, een testtype van de maanlander, onbestuurbaar bleek en crashte.

En toen hij in de nacht van 21 juli 1969 in de maanlander, met Buzz Aldrin (Corey Stoll) aan zijn zijde, boven de Mare Tranquillitatis zweefde, op zoek naar een geschikte landingsplaats, had hij nauwelijks brandstof over. Neil Armstrong had ijs in zijn bloed, anders had hij nooit op de maan gestaan. Ryan Gosling, na La La Land opnieuw verenigd met Chazelle, speelt de unverfroren astronaut met de van hem bekende pokerface. Hij heeft van non-acteren zijn specialiteit gemaakt.

Sentimenteel op zijn Spielbergs
Maar Armstrong, de koele ruimtecowboy uit Ohio, is en blijft in First Man een sfinx. Het scenario, gebaseerd op de biografie van James Hansen, tracht warm mensenbloed in het personage van de introverte ingenieur te schrijven. Het gebruikt een incident dat lang uit de publiciteit is gebleven en ook niet wordt vermeld op Armstrongs uitgebreide Wikipedia-pagina. In 1962 overleed zijn driejarige dochter Karen aan kanker, net op het moment dat hij als eerste civiele testpiloot toetrad tot NASA’s groep van toekomstige astronauten, allen voormalige testpiloten van marine en luchtmacht.

De spanning tussen de macho’s, de militaire vliegers, en de – in hun ogen – mietjes van de universiteit had First Man volop drama kunnen geven. Chazelle kiest er evenwel voor om Armstrong in stilte te laten rouwen en Karens armbandje als eerbetoon op de maan achter te laten. Historisch correct of Hollywood fantasie—het smaakt als Steven Spielberg op zijn smalst (hij is co-producent van de film). In de slotscène herenigen Armstrong, in quarantaine na zijn buitenaardse reis, en diens vrouw Janet (de Engelse actrice Claire Foy) zich zonder woorden. Het voelt als vals sentiment, ijskonijn Armstrong is domweg niet het meest uitgelezen personage voor filmdrama.

First Man

Technische triomf
Méér drama was te filteren geweest uit de persoonlijke verhoudingen tussen de astronauten; de spanning tussen de macho’s en de mietjes; de onderlinge wedijver; de buitengesloten echtgenotes; de drank en de pillen; de dodelijke ongelukken. In dat opzicht blijft First Man achter bij The Right Stuff, Philip Kaufmans film uit 1983 over testpiloot Chuck Yeager en de eerste jaren van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. De race naar de maan wordt meer in detail en met meer diepgang verteld in From the Earth to the Moon, de door Tom Hanks geproduceerde tv-serie uit 1998.

Chazelle’s film ziet er prachtig uit. Als in Christopher Nolans Dunkirk plaatst hij de camera in de besloten ruimte van de cockpit en beleeft de kijker de druk en de claustrofobie van de piloot; overdadige close-ups, snelle montage en nerveuze cameravoering suggereren stress. De lanceringen zijn spectaculair, alles trilt en dreunt (met dank aan het sound design in Dolby Atmos). In technisch opzicht is First Man een triomf, qua psychologie echter een natte vuurpijl. Macho’s zijn in het #MeToo-tijdperk niet geliefd. Maar met metro’s waren we nooit op de maan gekomen.
 

14 oktober 2018

 
MEER RECENSIES