Painter and the Thief, The

****
recensie The Painter and the Thief

Hoe de kunstrover zelf een kunstwerk werd

door Ries Jacobs

In 2015 stalen inbrekers twee schilderijen van de Tsjechische kunstenares Barbora Kysilkova. De dieven pikten er de duurste doeken uit waardoor het in eerste instantie leek te gaan om een professionele kunstroof. Maar niets bleek minder waar.

De diefstal leek een vooraf zorgvuldig geplande actie te zijn. In plaats van het canvas snel en slordig uit de lijst te snijden, maakten de inbrekers het nietje voor nietje los van het houten frame. Maar de kunstdieven bleken twee junks die nauwelijks wisten waar ze mee bezig waren. Op basis van camerabeelden werden ze snel gevonden.

The Painter and the Thief

Met Karl Bertil-Nordland, een van de dieven, neemt de al jaren in Noorwegen woonachtige Kysilkova contact op in de hoop erachter te komen waar de gestolen schilderijen zijn. De met tatoeages bedekte inbreker heeft zichtbaar spijt van zijn daad. Hij wil alle medewerking verlenen, maar kan zich, met zijn hoofd vol drugs, niets van de diefstal herinneren. Kysilkova vraagt hem te poseren voor een kunstwerk. Dit is het begin van een reeks schilderijen en een vriendschap tussen de kunstenares en de dief.

Een prachtig sprookje?
Regisseur Benjamin Ree vertelt zijn verhaal niet altijd chronologisch, iets wat niet vaak gebeurt in documentaires en deze relatief lange film spannend houdt. Hij licht een belangrijke gebeurtenis uit en vertelt daarna uitvoerig welke ontwikkelingen tot deze gebeurtenis leidden. Het verhaal leent zich hier prima voor want de levens van de kunstenares en de drugsverslaafde nemen nog wel eens een onverwachte wending.

Maar hoe kwam Ree juist bij deze twee personen uit? De regisseur zegt ‘altijd gefascineerd te zijn geweest door kunstroof’. Het zijn de contrasten tussen de elitaire kunstwereld en de veelal van de straat afkomstige criminelen die hem intrigeren. ‘Wie zijn deze dieven? Hoe kiezen ze hun schilderijen?’ De regisseur begon zoals iedereen tegenwoordig start met zijn research, hij zocht op Google. Daarna had hij gesprekken met meerdere kunstdieven, maar geen van hen vond hij interessant genoeg voor een documentaire.

Dit veranderde toen hij las over een kunstroof bij de in Oslo gevestigde galerie Nobel, waar twee schilderijen van een relatief onbekende, in realistische schilderijen gespecialiseerde kunstenares gestolen waren. Hij begon te filmen en zag de band tussen de kunstenares en de drugsverslaafde uitgroeien tot een prachtig sprookje over oprechte spijt en vergeving. Of toch niet?

The Painter and the Thief

Spelend kind
Gelukkig is The Painter and the Thief niet zo eendimensionaal. Ja, spijt en vergeving zijn wel degelijk aspecten die centraal staan in de documentaire, maar er is meer. Zo zien we hoe de kunstenares zich als een moeder ontfermt over de stuurloze drugsgebruiker, maar haar leven zelf ook niet zo goed op de rails heeft. Ze heeft een huurschuld van drie maanden en haar aanvragen voor tentoonstellingen worden afgewezen. Toch vertikt ze het om een parttime baan te zoeken. Ze wil alleen maar schilderen, zoals een kind alleen maar wil spelen.

Beide hoofdrolspelers hebben hun eigen sores, beiden vinden het moeilijk om hun leven zin en richting te geven. In dat opzicht lijken ze op elkaar, deze twee mensen die in compleet verschillende werelden leven en elkaar onder normale omstandigheden nooit hadden leren kennen. Dit is het mooiste aspect van The Painter and the Thief. De film toont te kijker hoe de schilders en de dief, net als alle mensen – arm of rijk, hoog- of laagopgeleid, snobistisch of van de straat – beiden met vallen en opstaan proberen hun leven vorm te geven.

 

26 juli 2021

 

ALLE RECENSIES

Saturday Night Fever (1977)

Saturday Night Fever (1977)
De stroboscoop en de opgeheven middelvinger naar het engagement

door Paul Rübsaam

Punks waren zwartgallige hippies met kort haar, vond ik. Alleen het uiterlijk vertoon, de egomanie en de oppervlakkigheid van een ‘disco’ boden een uitweg aan het einde van die afschuwelijke, politiek correcte jaren zeventig. Saturday Night Fever (1977) was niet te missen. Al dansten ze daarin in rijtjes, droeg John Travolta strakke broeken met wijd uitlopende pijpen en ging de film per ongeluk toch nog ergens over.

Als een film uit je jongere jaren je bijblijft, heeft dat doorgaans maar zijdelings te maken met de inhoud van die film. Bij ‘mijn’ Saturday Night Fever, geregisseerd door John Badham, zoals ik pas kort geleden ontdekte, is dat niet anders. Toch wil ik een poging doen mijn persoonlijke betrekkingen met deze dansfilm uit de doeken te doen.

Saturday Night Fever

Te beginnen met mijzelf. Als je het sociale klimaat waarin ik als zo’n beetje jongste babyboomer ter wereld, geboren op 14 oktober 1959, opgroeide in het kort wil typeren, zijn naast ‘jaren zeventig’, ‘Montessori Lyceum’ en ‘Amsterdam-Zuid’ de trefwoorden. Dat wil zeggen: verplicht links, maatschappijkritisch en elitair.

Het was in de tijd dat ik eindexamen deed en daarna staken andere mogelijkheden de kop op. Wie vond dat de Maagdenhuisbezetters van weleer de goede baantjes hadden opgestreken en de wereld geen haar beter hadden gemaakt, kon als punk en/of anarchist een kraakpand betrekken. Voor mij echter waren de hippies met hun lange haren en bloemetjesjurken en de punks met hun korte haar, zwarte kleding en legerkistjes niets anders dan een positieve en negatieve uitvoering van hetzelfde. Juist nooit meer ergens iets van hoeven vinden en met ‘disco’ als geuzennaam een ijdeltuit zijn. Daar droomde ik van.

Geföhnd haar en virtuoze bewegingen
In Saturday Night Fever woont John Travolta’s personage Tony Manero nog bij zijn ouders en werkt hij in een verfwinkel. Als hij aan tafel van zijn vader een oorvijg krijgt, is het enige dat hem zorgen baart dat zijn zorgvuldig geföhnde kapsel daarvan uit model gaat. In de plaatselijke disco waar hij op zaterdagavond met zijn vrienden naartoe gaat, is hij immers de blikvanger en de held van de dansvloer. Daar betoont hij zich lenig en acrobatisch, zonder dat er een al te sterke binding bestaat tussen zijn virtuoze bewegingen en het ritme van de ten gehore gebrachte muziek.

De soundtrack van Saturday Night Fever kwam voor het belangrijkste deel voor rekening van de Bee Gees. Die zingen met kopstemmen disconummers als ‘How Deep is Your Love’, ‘Night Fever’ en ‘Staying Alive’. Terwijl ikzelf de gebroeders Gibb nog kende van langzame, ietwat dreinerige nummers als ‘First of May’ en ‘I Started a Joke’.

Tony Manero heeft er echter niet het minste besef van hoe de Bee Gees ooit waren geweest. Deze op negentienjarige leeftijd als het ware glimmend en swingend uit het ei gekropen Italo-Amerikaan heeft tot verbijstering van zijn danspartner Stephanie (Karen Lynn Gorney), die als receptioniste op een pr-bureau werkt en opschept over haar beroemde kennissen, evenmin ooit gehoord van Cat Stevens en Eric Clapton.

Tijdsbeeld?
Maar in hoeverre schetst Saturday Night Fever werkelijk een tijdsbeeld? Had de film niet even goed in 1974 of in 1986 gemaakt kunnen zijn? Het uitgaansleven in Amsterdam in de jaren 1978 en 1979, zoals ik me dat herinner, zag er in een aantal opzichten heel anders uit dan in de film.

De disco-levensstijl (levensstijl is eigenlijk een te groot woord) lag in het verlengde van het zogeheten ‘ik-tijdperk’. Dat zag je onder andere terug in De Schakel, een discotheek aan de Korte Leidsedwarstraat waar ik in die jaren veel naartoe ging. Voorheen was dat een sociëteit van het COC, waar de naam nog naar verwees. Daar was echter weinig meer van te merken. De gedragscode was eerder dat je geen enkele belangstelling demonstreerde voor welk medemens dan ook, ongeacht de sekse.

In het in ronddraaiende, minuscule witte rechthoekjes verdeelde licht van een stroboscoop danste je daar alsof je alleen was op de dansvloer, volledig gevangen in je narcistische trance. De Bee Gees werden amper ten gehore gebracht. Eerder Chic, Sister Sledge en Anita Ward (‘You can ring my bell’). De eindeloos uitgesmeerde beats van de 12-inch grammofoonplaten (jazeker, dat nog wél) gingen pas naadloos over in die van het volgende nummer als je aan het verschijnsel menselijk contact nog maar een vage herinnering had.

Saturday Night Fever

De inrichting van De Schakel, met smetteloze en sfeerloze zithoekjes rond de dansvloer, leek wel wat op de discotheek die Tony Manero en zijn vrienden bezochten. Maar hoe ze daar in New York dansten… Het solodansen van Manero is herkenbaar als een smeekbede om aandacht, wat voor de ware disco wel de diepste vernedering was. Bovendien vormen de dansenden ineens rijtjes. Wie dat in 1978 en 1979 in Amsterdam deed, zou voor gek zijn verklaard, evenals iemand die in die jaren op Koninginnedag een oranje shirt aantrok.

En dan de kleding. Manero ziet eruit als een ‘soulkikker’, of iets dergelijks. Zijn glimmende leren laarzen en strakke broek met wijd uitlopende pijpen zijn allerminst in overeenstemming met de Nederlandse discomaatstaven van het einde van de jaren zeventig, toen haast ballonvormige bandplooibroeken en wijd vallende overhemden de norm waren.

Geen Greta Thunberg
Wat mij destijds toch gegrepen moet hebben, is dat het in de film draait om jongeren die niet pal staan voor een betere wereld, maar zich slechts willen vermaken om er even niet aan te hoeven denken of ze voor een dubbeltje of een kwartje geboren zijn.

De zorgen van de protagonisten zijn van alle tijden. Tony Manero’s vriend en bewonderaar Bobby (Barry Miller), die op laarzen met plateauzolen loopt om te maskeren hoe klein van stuk hij is, vraagt aan iedereen of hij moet trouwen met een meisje dat hij per ongeluk zwanger heeft gemaakt. En Manero’s oorspronkelijke, door hem afgewezen danspartner Annette (Donna Pescow) ontdekt dat ze diep door het stof moet gaan als ze toch nog aan de man wil komen.

Misschien zou je ter verduidelijking voor mensen van latere generaties kunnen zeggen dat het Greta Thunberg-gehalte van Tony Manero en zijn vrienden uitgesproken laag is. Voor mij was dat destijds een opluchting. Wat niet wegneemt dat de film een heuse dramatische ontwikkeling kent, waarbij rokkenjager Manero onder andere leert dat je met iemand van de andere sekse ook gewoon bevriend kunt zijn. Wanneer je de in retrospectief gezien groteske dansscènes (die in totaal maar zo’n vijftien minuten van de twee uur durende film in beslag nemen) buiten beschouwing laat, is Saturday Night Fever niet eens zo’n heel slechte film.

 

24 juli 2021

 
ALLE ESSAYS

Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi

Deel 3: De film Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi
Brandende boeken als bewegend beeld (slot)

door Paul Rübsaam

Een boek vergelijken met een boekverfilming, moet je niet te vaak doen. Maar als boek en film uitgerekend een dystopische wereld beschrijven waarin alle boeken verbrand worden, is de verleiding onweerstaanbaar. Herleeft de roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury door de gelijknamige films van François Truffaut (1966) en Ramin Bahrani (2018) óf richten deze adaptaties in figuurlijke zin de vlammenwerper op het boek?

Je kunt het de Iraans-Amerikaanse regisseur Ramin Bahrani (1975) moeilijk kwalijk nemen dat hij in zijn adaptatie van Fahrenheit 451 het verschijnsel digitalisering betrekt. Bradbury en Truffaut voorzagen de komst van reality-tv, mobiele telefonie en fake news, maar hadden nog geen vermoeden van de digitale revolutie, die in een sciencefictionfilm uit 2018 niet kan ontbreken.

Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi

Natives en Eels
In het universum van Bahrani’s HBO-film Fahrenheit 451, waar nauwelijks daglicht doordringt, is brandcommandant John Beatty (Michael Shannon) getransformeerd van een geflipte intellectueel met een brandweerhelm tot een man van het type drilsergeant. De zwarte ‘Master Trooper’ Guy Montag (Michael B. Jordan) vormt als ster-boekverbrander het middelpunt van een op wolkenkrabbers geprojecteerde reality-televisieshow. Hij is de oogappel van Beatty, die hem in een ‘vriendschappelijk’ partijtje boksen nog net de baas is.

De strijd tussen de gezagsdragers en het gezagsgetrouwe, televisie kijkende en ongeletterde volk aan de ene kant en ‘the bookpeople’ en hun geestverwanten aan de andere kant leeft voort als die tussen ‘Natives’ en ‘Eels’. De klank van dat laatste woord roept vage associaties op met ‘aliens’ en ‘intellectuals’, alsof er een glibberig mensensoort mee wordt aangeduid dat in welke richting dan ook afwijkt van het voorgeschreven gemiddelde.

Clarisse McClellan (Sofia Boutella) is geen dromerige puber of dromerige jonge vrouw meer, maar een grimmige, zich als informant voor de Natives voordoende Eel en activiste. Mildred (Linda) Montag zien we niet terug. Toch is in Guy Montags woning een vrouwenstem te horen, namelijk die van de als een Big Sister overal aanwezige en alles in de gaten houdende sprekende computer Yuxie.

Alle uitingen die buiten het door de overheid gecontroleerde Kanaal 9 van het internet vallen, worden aangeduid met de term ‘graffiti’. Daaronder vallen boeken, maar ook filmrollen, VHS-banden, ansichtkaarten en aantekenboekjes. Als de Eels proberen graffiti te uploaden en Beatty en zijn mannen daarachter komen, grijpen ze hardhandig in. De maatstaven voor hedendaagse dystopieën volgend is Bahrani’s Fahrenheit 451 aanmerkelijk gewelddadiger dan de film van Truffaut.

Aantekeningen uit het ondergrondse
Anders dan bij Bradbury en Truffaut reageert Eel Clarisse McClellan aanvankelijk afwijzend op ‘Master Trooper’ Guy Montag. Maar als Montag, die steeds helderdere herinneringen krijgt aan zijn boeken lezende en vermoorde vader, een exemplaar van de uit het Russisch vertaalde roman Notes From The Underground van Fjodor Dostojevski uit de vlammen gered blijkt te hebben en aan haar overhandigt, ontdooit ze. Guy en Clarisse lezen elkaar voor uit het boek alsof het hun nieuwe Bijbel is. Sommige passages uit dit relaas van een voormalige ambtenaar, dat het ideaal van rationaliteit confronteert met de grillen van het onderbewustzijn, hebben in de film een zweem van toepasselijkheid. Maar de troefkaart lijkt toch de titel van het boek. Die moet associaties oproepen met een ondergrondse, literatuur minnende verzetsbeweging als de Eels.

Bahrani volgt goeddeels hetzelfde procedé als Truffaut om van zijn film een verhaal over boeken te maken. Vooral hele beroemde boeken gaan bij hem in vlammen op: On the origen of species van Charles Darwin, Cien años de Soledad van Gabriel García Márquez, Der Prozess van Franz Kafka, Faust van Goethe, Notre-Dame de Paris van Victor Hugo en zo meer. En als een deel van de Eels zich als ‘bookpeople’ oude stijl blijken te hebben ontpopt, bevindt zich onder hen een jongen die de inhoud van dertienduizend boeken uit zijn hoofd kent, waaronder A la recherche du temps perdu van Marcel Proust, dat met zijn meer dan drieduizend bladzijden en ruim één miljoen woorden literaire kwaliteit het meest opvallend kwantificeert.

Op de set van Fahrenheit 451 met v.l.n.r. Ramin Bahradi, Michael B. Jordan en Michael Shannon

Op de set van Fahrenheit 451 met v.l.n.r. Ramin Bahradi, Michael B. Jordan en Michael Shannon

Omnis
Het laatste uitgesproken woord van de oude vrouw die er evenals bij Bradbury en Truffaut voor kiest om samen met haar gehele bibliotheek een prooi der vlammen te worden is ‘Omnis’, een aanduiding voor het collectieve bewustzijn van de totale mensheid en tevens voor het megaproject dat de Eels in het geheim uitvoeren. Vanaf hun geheime schuilplaats zetten ze de totale menselijke kennis om in DNA, dat bij de gekooide zangvogel Lennie geïnjecteerd wordt.

De Natives ontdekken de schuilplaats, waar Guy Montag zich inmiddels bij de Eels heeft aangesloten. De afrekening tussen Montag en Beatty verloopt anders dan bij Bradbury en Truffaut. Held en martelaar Guy Montag weet juist voordat hij door Beatty letterlijk onder vuur wordt genomen het kooitje van Lennie te openen. De zangvogel sluit zich aan bij een zwerm van zijn soortgenoten, die aan de andere kant van de grens met Canada het DNA der kennis zullen verspreiden.

Metafoor
In zijn pogingen het verhaal van Bradbury te actualiseren, betoont Bahrani zich soms vindingrijk, of in ieder geval woordkunstig. Zijn strijd tussen ‘Natives en ‘Eels’ heeft een zekere zeggingskracht en het specifieke gebruik van de term ‘graffiti’ is origineel te noemen. Wanneer Bahrani’s stelling zou zijn dat je moderne technologie niet als zodanig moet vrezen, zolang die maar in goed handen is, kun je hem daar ook best gelijk in geven.

Maar met zijn gemoderniseerde adaptatie, die harder en grimmiger is dan de mild-ironische van Truffaut mist hij de boodschap van Bradbury’s verhaal. Of ziet hij beter gezegd over het hoofd dat de Amerikaanse schrijver zich van een metafoor bediende. Bradbury wilde niet letterlijk waarschuwen voor een samenleving waarin men niet meer kon of mocht lezen, maar vreesde dat mensen, verslaafd als ze zouden raken aan (reality)televisie en mobiele telefonie, dit in de toekomst eenvoudigweg niet meer zouden doen.

Truffaut begreep Bradbury beter door speelser met de sciencefiction-elementen om te gaan en ook meer voorbij de titels van de boeken te kijken. Of juist de bijna analfabete Montag zich stuk te laten lezen op een titelpagina. Wie Truffauts film ziet, wordt uitgedaagd ook Bradbury te lezen en meer dan hem alleen. De doorsnee-sciencefictionspanningsbogen van Bahrani bevatten echter veel minder onweerstaanbare prikkels om een boek aan te raken, waarmee met zijn film de bedoelingen van Bradbury goeddeels in rook opgaan.

 

16 juli 2021

 

Deel 1: Het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury
Deel 2: De film Fahrenheit 451 van François Truffaut

 
ALLE ESSAYS

Fahrenheit 451 van François Truffaut

Deel 2: De film Fahrenheit 451 van François Truffaut
Brandende boeken als bewegend beeld

door Paul Rübsaam

Een boek vergelijken met een boekverfilming, moet je niet te vaak doen. Maar als boek en film uitgerekend een dystopische wereld beschrijven waarin alle boeken verbrand worden, is de verleiding onweerstaanbaar. Herleeft de roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury door de gelijknamige films van François Truffaut (1966) en Ramin Bahrani (2018) óf richten deze adaptaties in figuurlijke zin de vlammenwerper op het boek?

Bradbury adviseerde de Franse cineast François Truffaut (1932-1984) om in diens film de in de roman aanwezige achtergrond van een dreigende atoomoorlog weg te laten. Het thema van de verboden en verbrande boeken volstond volgens de Amerikaanse schrijver. Truffaut, vertegenwoordiger van de Franse Nouvelle Vague en reeds vermaard door Jules et Jim (1962) en La peau douce (1964), volgde dit advies op en schrapte in zijn Britse (Engelstalige) productie Fahrenheit 451 tevens de zogeheten ‘mechanical dog’: een op een hond lijkende machine die misdadigers opspoort en daar dodelijke injecties op afvuurt.

Fahrenheit 451 (1966)

Fahrenheit 451 (1966)

Twee keer Julie Christie
Opmerkelijk in de film is verder de dubbelrol van de Britse actrice Julie Christie, die reeds furore had gemaakt in Dr. Zhivago (1965). Ze vertolkt zowel Mildred Montag (in de film heet ze Linda en heeft lang haar) als Clarisse McClellan (met kort haar), die bij Truffaut onderwijzeres is. Alleen over deze noodsprong van Truffaut (andere beoogde actrices voor de rol van McClellan zegden af) heeft de verder met de verfilming zeer ingenomen Bradbury enige onvrede geuit. Hij vond de vijfentwintigjarige Christie te oud om de weliswaar wijze puber Clarisse McClellan gestalte te geven.

Afgezien van een monorail als openbaar vervoermiddel plaatst Truffaut het verhaal eerder buiten iedere denkbare tijd, dan het in een gangbaar sf-universum te situeren. De special effects zijn schaars en lijken opzettelijk knullig. Zo kun je langs de brand(weer)paal in de brand(weer)kazerne niet alleen omlaag maar ook ‘omhoog’ glijden, zonder dat moeite wordt gedaan om uit te leggen hoe dit mogelijk is. En militairen die zwevend door de lucht op jacht zijn naar de voortvluchtige Montag hangen aan kabels die nergens aan bevestigd zijn. De muziek van Bernard Hermann (o.a. Psycho, 1960) draagt bij aan de eigenaardige, ietwat vervreemdende atmosfeer.

Rode skelters en minuscule boekjes
Truffaut had, zoals hij dat zelf formuleerde ‘een remake van de roman van Bradbury gezien door kinderogen’ op het oog. De ‘brandweerauto’ waar Beatty en zijn mannen mee uitrukken om stapels gevonden boeken in de fik te steken, heeft iets weg van een uit zijn krachten gegroeide rode skelter. Bij de tot vermaak van het volk georganiseerde boekverbrandingen zijn opmerkelijk veel kinderen aanwezig. En als de burgers onder leiding van Beatty (Cyril Cusack) gefouilleerd moeten worden op het bezit van verboden boeken gebeurt dat onder andere op een speelplaats, waar in het borstzakje van het wollen vestje van een olijke peuter een minuscuul boekje verstopt blijkt te zijn.

Ook Guy Montag, die met zijn vrouw Linda in een soort Center Parcs-bungalow woont terwijl buurmeisje Clarisse met haar oom in een negentiende-eeuws landhuis verblijft, heeft aanvankelijk de eigenschappen van een groot kind. Als de literatuur hem nog niet in zijn greep heeft, ‘leest’ (bekijkt) hij stripboeken zonder tekstballonnen. Wanneer hij zich tenslotte waagt aan David Copperfield van Charles Dickens zien en horen we hem met het tempo van een zesjarige de titelpagina inclusief het adres van de uitgeverij uitspellen, alvorens hij aan het eerste hoofdstuk begint.

François Truffaut (rechts) op de set of Fahrenheit 451 (1966)

François Truffaut (tweede van rechts) op de set of Fahrenheit 451 (1966)

Verzengende passie
Om met behulp van het medium film de kracht van literatuur voelbaar te maken, bedient Truffaut zich van een eenvoudige, maar effectieve truc. Hij toont zoveel mogelijk bekende en liefst veelzeggende titels van boeken, die al dan niet gegrepen worden door de vlammen. Zo zien we Montag de roman Caspar Hauser van Jakob Wassermann bij zich steken, over de Duitse vondeling die na jarenlange eenzame opsluiting nauwelijks spreken, laat staan lezen kon. Het is niet alleen een verwijzing naar Montags eigen ongeletterdheid, maar tevens een voorproefje van een thema dat François Truffaut later in zijn film L’Enfant Sauvage (1970) zou uitwerken.

Boeken die in vlammen opgaan, waarvan het verhaal tevens een relatie heeft met eenzaamheid of een opgroeiend kind aan wie zich een nieuwe wereld openbaart, zijn: Robinson Crusoe van Daniel Defoe, Alice in Wonderland van Lewis Caroll en The Catcher in the Rye van J.D. Salinger. Voorts demonstreert Truffaut een voorliefde voor (in hun tijd) controversiële romans, zoals Justine van Markies de Sade, Madame Bovary van Gustave Flaubert en Lolita van Vladimir Nabokov. In het laatste geval zien we de vlammen zich zelfs een weg eten door de opengeslagen bladzijden van het boek, waarin hoofdpersoon Humbert Humbert zijn verzengende passie voor de twaalfjarige Lolita reeds op de eerste pagina etaleert: ‘ Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul…‘ Het vuur van Humberts lendenen wordt letterlijk met vuur bestreden.

Hier en daar breidt de Franse regisseur de kring van verboden materie waar de vlammen zich aan te goed doen uit tot buiten die van romans en wetenschappelijke non-fictie. Een bundel van het Amerikaanse satirische stripblad Mad en een boek met afbeeldingen van schilderijen van Salvador Dalí worden tot de brandstapel veroordeeld, alsmede een jaargang van de Cahiers du Cinéma, een destijds baanbrekend Frans filmtijdschrift, waarin avant-gardistische Franse cineasten als Truffaut zelf regelmatig publiceerden. De boodschap is duidelijk. Een samenleving die tot norm verheft wat wij in de 21ste eeuw reality-televisie zouden noemen, kan ook niets op hebben met provocatieve strips en grensverleggende beeldende kunst en cinema.

 

13 juli 2021

 

Deel 1: Het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury
Deel 3: De film Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi

 

 
ALLE ESSAYS

Twilight Samurai, The (2002)

REWIND: The Twilight Samurai (2002)
De man met het bamboezwaard

door Cor Oliemeulen

The Twilight Samurai (2002) begint als een historisch familiedrama over een samoerai tegen wil en dank en eindigt als een onvervalst melodrama.

In een land waarin de samoerai meer dan duizend jaar lang een wezenlijk onderdeel van de maatschappij uitmaakte, is het niet vreemd dat bijna elke zichzelf respecterende Japanse cineast de lotgevallen van deze archetypische krijger verfilmde. Meestal is de samoerai opgeleid in gevechtskunsten en militaire tactieken, stelt zich in dienst van een clan en zijn heer, en volgt hij de weg van het zwaard – ook als het moet om zijn eigen leven te beëindigen.

The Twilight Samurai (2002)

Liever feodaal onderdaan dan samoerai
In The Twilight Samurai (Tasogare Seibei, 2002) van Yoji Yamada lijkt het titelpersonage Seibei Iguchi aanvankelijk niets op een opofferingsgezinde strijder. Net als bijvoorbeeld zijn blinde collega in The Tale of Zatoichi (1962) leeft hij medio negentiende eeuw in de laatste jaren van het onrustige Edo-tijdperk, voordat de macht van de keizer in ere zal worden hersteld. Net als Zatoichi behoort Seibei tot de onderklasse en hanteert hij het zwaard slechts wanneer het echt niet anders kan. Seibei is lang geleden opgeleid als samoerai, maar schikt zich in zijn lot van feodaal onderdaan.

Sinds het recente overlijden van zijn vrouw aan tuberculose doet hij alles om voor zijn twee schattige jonge dochtertjes en zijn inwonende demente moeder te zorgen. Terwijl de meeste arme mensen hun overleden dierbaren aan de rivier toevertrouwen, koos Seibei voor een begrafenis boven zijn stand. Zijn inkomsten uit zijn baan als bediende in een graanpakhuis en het maken van insectenkooien zijn nauwelijks voldoende om van rond te komen. Terwijl zijn collega’s na het werk nog wat gaan drinken en geisha’s bezoeken, zorgt Seibei dat hij voor het donker thuis is om voor zijn dierbaren te zorgen. Dat levert hem zijn spottende bijnaam ‘Twilight Seibei’ op.

Duels
Zijn status stijgt nadat Seibei een geheim duel met officier Koda in zijn voordeel heeft beslecht. Koda is de alcoholische ex van Tomoe (Rie Miyazawa), met wie Seibei in zijn kinderjaren bevriend was, en die sinds kort in zijn gezin huishoudelijke taken verricht en bijzonder goed overweg kan met zijn twee dochters. Tomoe is van hogere stand en wil met Seibei trouwen, maar hij denkt dat zij vroeg of laat dit armoedige leven niet zal volhouden, dus wijst hij het aanzoek af.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Het feit dat Seibei zijn opponent met een houten stok versus een stalen samoeraizwaard heeft uitgeschakeld, leidt naast ontzag van zijn collega’s op een dag tot een uitnodiging van de leiding van zijn clan om de gevaarlijke Yogo te elimineren, omdat anderen dat niet is gelukt. Hoewel Seibei vriendelijk bedankt voor de eer heeft hij uiteindelijk geen keus om de confrontatie met de in diens huis verschanste Yogo aan te gaan.

Seibei ontdekt ter plekke dat Yogo niet het beest is waarvoor men hem houdt en dat beide mannen overeenkomstige achtergronden hebben. Maar Yogo weigert te vluchten en wil beslist het duel aangaan, zodat Seibei uiteindelijk genoodzaakt is zijn zwaard te heffen. Een bamboezwaard weliswaar dat normaliter alleen wordt gebruikt om de techniek te oefenen. Seibei moest zijn echte samoeraizwaard verkopen om de begrafenis van zijn vrouw te kunnen betalen.

Nadat Yogo zijn opponent met diens bamboezwaard heeft uitgelachen en vervolgens met zijn lange zwaard (een katana) het bamboezwaard als een lucifer heeft gebroken, moet Seibei de strijd aangaan met zijn korte zwaard (een wakizashi) dat samoerai slechts bij zich dragen om zich te kunnen verdedigen en om harakiri te plegen. Het mondt uit in een bloederig gevecht, waarvan de winnaar geen verrassing zal heten.

Bamboezwaard
The Twilight Samurai is geïnspireerd op het korte verhaal Het Bamboezwaard en won twaalf Japanse Oscars. Het zijn veroordeeld tot een bamboezwaard doet denken aan de samoeraiklassieker Hara-Kiri (Seppuku, 1962) van Masaki Kobayashi waarin een arme jonge samoerai aanklopt bij het huis van een clanleider en vraagt om op deze heilige grond harakiri te mogen plegen.

Die film speelt in het zeventiende-eeuwse Japan, waarin een tijd vrede was, samoerai geen werk hadden en waren veroordeeld tot de bedelstaf. Zo’n arme bezoekende samoerai werd dan weggestuurd met wat geld en eten. Maar ditmaal niet, want de chagrijnige heer des huizes heeft er genoeg van en vindt dat deze jonge samoerai maar de daad bij het woord moet voegen. Hoezeer de jongeman ook zijn best doet om eronderuit te komen, is hij genoodzaakt om harakiri te plegen. Met, naar wat dan blijkt, zijn bamboezwaard: een langzame pijnlijke dood – met hartverscheurende consequenties (in 2011 al even krachtig verfilmd door Takashi Miike in Hara-Kiri: Death of a Samurai).

The Twilight Samurai (2002)

Einde van de samoerai
The Twilight Samuari is gezegend met een charismatische held tegen wil en dank. De Japanse acteur Hiroyuki Sanada is de laatste jaren vooral te zien in grote, luidruchtige Hollywood-producties als The Wolverine (2013), Avengers: Endgame (2019) en Mortal Kombat (2021). Interessanter is Sanada’s optreden in The Railway Man (2013), waarin hij als voormalige Japans kampbeul decennia later wordt geconfronteerd met een getraumatiseerde Brit (Colin Firth) die terug op de plek des onheils heen en weer wordt geslingerd tussen wraak en vergeving.

Regisseur Yoji Yamada zou in zijn samoerai-trilogie nog twee films maken: The Hidden Blade (Kakushi ken oni no tsume, 2004) en Love and Honor (Bushi no Ichibun, 2006). Ook deze films observeren op fantastische wijze de Japanse cultuur en spelen in een tijd dat de samoerai zijn gedoemd uit te sterven. Want tijdens de hervormingen van de Meji Restauratie eind negentiende eeuw industrialiseerde Japan in hoog tempo en werd in 1876 de samoeraiklasse afgeschaft ten faveure van een leger naar westers model.

Niet alle samoerai waren hiervan trouwens gediend en een aantal ontketende gewapende opstanden tegen de nieuwe machthebbers. De legendarische Satsuma-opstand geldt als geromantiseerde basis voor The Last Samurai (2003) van Edward Zwick, met Tom Cruise als Amerikaanse legerkapitein en Ken Watanebe als leider van de rebellerende samoerai. Hoewel vakkundig gemaakt, gaat er niets boven een authentieke Japanse samoeraifilm als The Twilight Samurai.

 

THE TWILIGHT SAMURAI KIJKEN: o.a. hier te koop.

 

Meer REWIND

Tina

***
recensie Tina

Gunfactor 100

door Alfred Bos

Zijn twee uur genoeg om leven en loopbaan van Anna Mae Bullock, wereldberoemd als Tina Turner, recht te doen? De documentaire Tina doet een respectabele poging.

Ze had er schoon genoeg van. Op haar 45ste erkend als wereldster en iedereen wilde alleen maar praten over haar verleden. Om daar van af te zijn, publiceerde ze een autobiografie: hier staat het allemaal. Waardoor de vragen naar vroeger toenamen. Een biopic noopte haar opnieuw te praten over wat geweest was—de pijn, de vernederingen, het verdriet.

Maar nu is het echt klaar, met de documentaire Tina verdwijnt Tina Turner voorgoed uit het publieke leven. Nog één keer het verhaal, nog één keer de confrontatie met een leven zonder liefde. Daarna rust, geen vragen meer.

Tina

Emotioneel gebutst
Het door HBO geproduceerde Tina vertelt in twee uur het verhaal van Anna Mae Bullock die als Tina Turner uitgroeide tot muzieklegende. De eerste vrouw van middelbare leeftijd die een tienerpubliek aan zich wist te binden. Een voormalige rhythm-and-blues-vedette die rock wilde zingen, maar met pop een wereldster werd. Het slachtoffer van bruut huiselijk geweld dat haar leven herpakte en uitgroeide tot icoon. Het emotioneel gebutste kind dat haar droom najoeg en wist te realiseren.

Tina Turner is ook de enige muzikant van de jaren zestig generatie die tot bloei kwam nadat MTV in de jaren tachtig de wetten van de muziekindustrie had herschreven, iets wat zelfs The Rolling Stones niet lukte. Haar carrière is uniek, zeg gerust heroïsch. Een bron van inspiratie voor talloze, niet alleen zwarte vrouwen die een reeks van vooroordelen en hindernissen moeten overwinnen.

De documentaire geeft net genoeg context om de enormiteit van Turners prestatie te kunnen bevatten. Ike Turner, de meppende echtgenoot en leider van de Ike & Tina Turner Revue, was mentaal en muzikaal blijven steken in 1960. Zelfs toen de georkestreerde Philly-soul van The O’Jays en The Three Degrees, en kort daarop disco, de hitparades kleurden met een eigentijdse en gesoigneerde variant van soulmuziek, hield hij vast aan een geluid dat passé was. Zijn onzekerheid en frustratie liet hij los op haar.

Tina

Leven zonder liefde
Na enkele zelfmoordpogingen ontvlucht Tina Turner op 3 juli 1976 met alleen de kleren aan het gehavende lijf de tirannie van Ike. Na de echtscheiding behoudt hij alles, de auteursrechten, het geld; hij stuurt haar de vier kinderen en één maand huur. Zij krijgt haar artiestenaam toegewezen en, al loopt ze tegen de veertig, begint met niets opnieuw. In 1988 staat ze in het Macaranã-stadion in de Rio de Janeiro voor 180.000 man. Het is de meest onwaarschijnlijke comeback – zelf spreekt ze van debuut – in de muziekhistorie.

Tina Turner is de ‘queen of rock ‘n’ roll’, heeft meer platen verkocht dan enige andere vrouwelijke artiest en meer concertkaarten dan The Rolling Stones. Ze is tweemaal (!) opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame, als helft van het duo Ike & Tina Turner en als soloartiest. Haar autobiografie heet I, Tina en verscheen in 1986. Ze treedt al jaren niet meer op, maar er is de musical Tina. En haar levenslessen heeft ze genoteerd in het zelfhulpboek Happiness Becomes You.

Als 79-jarige blikt Tina Turner voor het laatst terug. Het was een leven zonder liefde. Haar moeder verliet haar als kind, heeft haar talent nooit willen erkennen. Het was ook een leven vol misbruik, de littekens staan voor altijd op haar rechterbovenarm (een pot gloeiende koffie van Ike). Maar ze had een begripvolle en gehaaide manager, Roger Davies, en heeft een begripvolle en liefhebbende echtgenoot, Erwin Bach, 17 jaar jonger. En nu leeft ze teruggetrokken in Kürnacht, aan het meer van Zürich. Wie misgunt het haar?

 

30 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

DNA

***
recensie DNA

Zoektocht als rouwproces

door Paul Rübsaam

DNA (ADN) van de Franse regisseuse en actrice Maïwenn toont onverbiddelijk het groteske en hartverscheurende gedoe rond het overlijden van de Algerijnse grootvader van protagoniste Neige. Met haar daaropvolgende zoektocht naar haar Algerijnse wortels probeert Neige te overleven in een werkelijkheid die door het wegvallen van haar grootvader te pijnlijk is geworden.

Grootvader Emir Fellah (‘Papi’ voor zijn familieleden) is de spil waaromheen de familie van Neige Robert draait. Zijn kleinkinderen (en achterkleinkinderen) zijn misschien wel gekker op hem dan zijn twee dochters. Zo heeft Neige, een gescheiden moeder met drie zoontjes, een bevriende journaliste gevraagd samen met haar grootvader een boek voor de familie samen te stellen over Emirs bewogen leven als eigenzinnige Algerijnse communist. Haar rappende en blowende neef Kevin heeft er voorts geen enkel bezwaar tegen om, weliswaar tegen de regels, een nachtje bij zijn dementerende grootvader in het verzorgingstehuis te logeren.

Maar als de hele familie ter gelegenheid van de presentatie van het boek in het verzorgingstehuis bijeen is, blijkt die familie toch niet zo’n harmonieus geheel te vormen. Neiges moeder Caroline (vertolkt door de fameuze Franse actrice Fanny Ardant) vindt het door een buitenstaander geschreven boek over haar vader te traditioneel opgezet. Neige is door die schijnbaar voorzichtig geuite kritiek onaangenaam verrast.

DNA

Wegduwen
Als Papi onverwacht aan een hartstilstand overlijdt, blijkt deze rimpeling slechts een voorproefje van de scheuren in de familie die zich aftekenen onder invloed van het onvermijdelijke, gedetailleerd in beeld gebrachte uitvaartprotocol. Dat het kamertje van Emir in het verzorgingstehuis snel ontruimd moet worden, zet de familie reeds onder spanning. Wanneer de nabestaanden wat later een kist voor grootvader mogen uitzoeken, is de vraag van welke houtsoort deze moet zijn en wat hij kosten mag als hij bij de crematie toch in de fik gaat een bron van onverkwikkelijke discussies. En is het nodig dat Caroline de voorbeeldlapjes voor de voering van de kist steeds nijdig op tafel smijt? Haar zus Françoise wordt daar gek van.

Neiges betrekkingen met haar moeder bereiken een dieptepunt wanneer de laatste tijdens de uitvaartplechtigheid haar dochter wegduwt van het podium als deze een tekst voorleest van de schrijfster van het door Caroline verguisde boek. Later, als Caroline de urn met as van Emir zoals afgesproken aan Neige overhandigt, betuigt ze tevergeefs haar spijt. In een ijzingwekkende scène die volgt, laat de tot op het bot gekwetste Neige de diepe angst die ze voelt voor haar moeder en zelfs de weerzin die de lichaamsgeur van Caroline bij haar opwekt niet onbesproken. Een breuk tussen de twee is onvermijdelijk.

Dat Neige zich bij haar van haar moeder gescheiden vader Pierre beter thuisvoelt, blijkt helaas te veel gezegd. Pierre is een kille intellectueel, die een slang als huisdier houdt en alles dat maar zweemt naar naïviteit of gevoeligheid afdoet als ‘dom’ of ‘debiel’. Als Neige, die gepreoccupeerd raakt door haar etnische afkomst hem vraagt ten behoeve van haar DNA-profiel wat wangslijm af te staan, weigert hij botweg. En als hij merkt dat ze moet huilen, loopt hij liever even de kamer uit.

DNA

Schrale verhaallijn?
Na de overrompelende en indringende eerste helft van DNA lijkt de verhaallijn die ons naar de aftiteling moet voeren op het eerste gezicht misschien wat schraal. Neige belandt in een diepe emotionele crisis en begint met steun van haar ex-vriend François, die de nodige relativerende humor paraat heeft en haar jongere zus Lilah (met wie ze aanvankelijk gebrouilleerd was) het Algerijnse deel van haar roots te verabsoluteren.

Regisseuse, actrice en voormalig kindsterretje Maïwenn Le Besco (1976) zelf, die op haar zestiende trouwde met de Franse regisseur Luc Besson (ze zijn al lang weer gescheiden), mag bij uitstek een kind van de Franse cinema worden genoemd. Het zou in ieder geval overdreven zijn als wij haar, met haar Bretonse vader en Frans-Algerijnse moeder (tevens actrice), op grond van deze autobiografisch geïnspireerde nieuwste film ineens als ‘Algerijnse’ moesten gaan aanmerken.

Maar is dat wat Maïwenn met DNA betogen wil? In de drie eerdere films onder haar regie waarin ze zelf tevens meespeelde, te weten: Pardonnez-moi (2006), Le bal des actrices (2009) en Polisse (2011) noopte die dubbelfunctie haar nog tot ietwat geforceerde constructies als een faux (familie)documentaire, een faux documentaire over Franse actrices waaronder zijzelf en een verhaal waarin ze zelf de rol van journaliste vervulde. DNA is echter een speelfilm pur sang en Neige een personage dat zelf niet acteert, films maakt of iets van die aard doet.

Vervreemd van haar ouders en andere familieleden omarmt Neige haar gedeeltelijk Algerijnse identiteit om zich minder eenzaam en dichter bij haar beminde en overleden grootvader te kunnen voelen. Dat maakt DNA eerder een film over rouw en de identiteitscrisis die daar het gevolg van kan zijn dan een film over etniciteit. Je zou het voor een vrouw van in de veertig wat meisjesachtig kunnen vinden om je zo vast te klampen aan een alles reddende exotische afkomst. Maar begrijpelijk en vergeeflijk is dat in Neiges geval wel.

 

21 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

Mandibules

***
recensie Mandibules

Vlieg op het criminele pad

door Jochum de Graaf

Stel je vindt een reusachtige vlieg in je kofferbak, wat doe je dan? En als je het slot kapot trapt en je die kofferbak niet meer open krijgt, hoe los je dan op?

De vrienden Manu en Jean-Gab (Grégoire Ludig en David Marsais) zijn voor geen gat te vangen en bedenken even logische als absurde oplossingen voor dit soort problemen. Manu komt op het lumineuze idee om de vlieg op te gaan leiden tot bankrover. Het al even voor de hand liggende idee om de kofferbak dan maar met een betonschaar open te knippen, komt van Jean-Gab, en als je hem daarna dan weer dicht wilt hebben, plak je wat stevige gaffertape over de scheuren, logisch toch?

Mandibules

Eigen logica
Mandibules is opnieuw een zeer geslaagde aflevering in het oeuvre van Quentin Dupieux (Deerskin, Wrong, Realité) de Franse koning van het absurdisme. Dupieux maakt zijn scripts met een volstrekt eigen logica. Deerskin, met een rol voor een sprekende leren jas, ging over jagen en gejaagd worden, in Wrong was álles anders dan anders, in Realité is er maar weinig sprake van werkelijkheid.

In Mandibules gaat het dus om die vlieg, en de titel heeft betrekking op onderkaken, het enig beweegbare deel van de schedel. Je kunt in de film genoeg verwijzingen naar insecten voorbij zien komen (‘je hebt het geheugen van een vlieg’) en malende kaken (op zeker moment eten ze per ongeluk hond uit de pot). Maar misschien doe je er beter aan er niet te veel achter te zoeken en gewoon mee te gaan met de aaneenrijging van Dupieux’ absurde vondsten en halfgare ideeën in een toch tamelijk rechtlijnige plot.

Geheime missie
Om het vliegbeest Dominique het criminele pad op te leiden, huren Manu en Jean-Gab een stacaravan die tijdens het eten koken ontploft en in vlammen opgaat. Jean-Gab maakt zich dan vooral enorm kwaad om het feit dat de spareribs en de aardappelpuree nu niet meer eetbaar zijn. We zien een politieman die slachtoffers van een ongeluk, compleet in shock, een klachtenformulier aanbiedt waarin ze kunnen aangeven of het politieoptreden aan hun verwachtingen heeft voldaan.

Mandibules

Als Manu wordt aangesproken door een zekere Cécile die hem aanziet voor een oud-klasgenoot komen onze vrienden in een luxe landhuis terecht waar ze hun geheime missie met de vlieg met allerlei kunstgrepen voor alles en iedereen verborgen moeten houden. En dan is er Agnes, heerlijke bijrol van Adèle Exarchopoulos (La Vie d’Adèle), die bij een skiongeluk hersenletsel heeft opgelopen en zich sindsdien alleen half brullend kan uiten. Hilarisch wanneer ze Manu beschuldigt te lang naar haar borsten te zitten kijken.

Er volgt nog een reeks verrassende verwikkelingen en fijne scènes waar het goed op elkaar ingespeelde schelmenduo Ludig en Marsais, al ruim twintig jaar zeer succesvol met de Palmashow zich met hun eigen gebarentaal doorheen slaat. En uiteindelijk komt het met die vlieg op bijzondere wijze op zijn pootjes terecht.

Mandibules is een heerlijke komische roadmovie in de rijke Franse traditie van de jaren zeventig, films als Les Valseuses en Un éléphant ça trompe énormément. Kortom, een fijne zomerfilm.

 

21 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

Gunda

****
recensie Gunda

Geknor als dialoog

door Bob van der Sterre

Gunda van Viktor Kossakovsky is een prachtige film over varkens, kippen en koeien. Net als in veel speelfilms is er komedie, drama en zijn er dialogen, alleen verstaan we dit keer de talen niet en is er geen ondertiteling.

Het zijn de ogen die je het meest bijblijven in de film. De blik van Gunda, het varken, van de kippen, en van de koeien – ze staren je aan en spreken ermee. Dat katten en honden dat doen, weten de meeste mensen wel. Maar wie had wel eens in de mooie ogen van een koe gekeken zoals deze film doet?

Gunda

Een Kossakovsky-film kun je niet beschouwen zonder de auteur erbij te halen. En hij is gretig in het geven van interviews dus het is niet lastig om zijn visie te achterhalen. Kossakovsky is (net als ondergetekende trouwens) al lang vegetariër. Als vierjarige was hij getraumatiseerd dat een varkentje dat zijn vriendje was geworden werd gebruikt voor een maaltijd. Hij zag naar eigen zeggen toen al in dat ze emoties hadden.

In 1997 kwam hij plotseling op het idee om een film te maken over de ‘heilige drie-eenheid kippen, varkens en koeien’. Het duurde twintig jaar voor hij de financiën rondkreeg. Het idee van een documentaire in zwart-wit, over dieren, dat ging er niet makkelijk in. Olifanten, apen, ja, daar kijken mensen naar. Hij vindt dat maar niets. “Waarom niet over varkens? We kennen ze al duizenden jaren. We eten ze maar verder kijken we nooit naar ze.”

Vier biggetjes, schouder aan schouder
Gunda biedt deze beesten zoals je vermoedelijk niet eerder zag in een film. Je ziet biggetjes sabbelen aan tepels (en hoe Gunda dat moet ondergaan). Biggetjes die regen uit de lucht happen. Mooi beeld: de vier biggetjes die voor de schuur buiten staan, letterlijk vier op een rij, schouder tegen schouder, om daarna een voor een de stal binnen te gaan. Kippen die hun ‘jungle’ verkennen. Koeien die nergens in het bijzonder heen denderen, gezellig bij elkaar, als een soort voetbaltraining.

In een interview met Het Parool vertelt Kossakovsky dat hij zes maanden had uitgetrokken voor de voorbereiding. Ze hadden verwacht maanden bezig te zijn met het zoeken naar een protagonist. “Al op de eerste boerderij die we bezochten was het raak. Gunda kwam zelf op ons af stappen, we hadden direct contact. Er was zo veel te lezen in haar ogen.”

Daarna dus filmen: om 4:00 bij de schuur, tot zonsondergang. Alles draaide om het vertrouwen van de dieren, legt hij uit in interviews. “Een grote camera is geen probleem. Ze vertrouwen je snel. De makkelijkste film die ik ooit heb gemaakt.”

Geen propaganda, wel waarheid
Vleeseters kunnen rustig naar de film: dit is géén propaganda voor vegetariërs. Kossakovsky wilde geen enkel beeld manipuleren en wil ook niemand overtuigen. Ook kleur ontbreekt: de film is zwart-wit. Met reden natuurlijk: “In zwart-wit focus je op de ogen, waarmee je dus veel meer aandacht hebt voor die persoonlijkheden.” En ook geen muziek zoals vrijwel standaard is in dierendocumentaires. “Je kijkt naar de waarheid.”

Het meest schurende stukje is vermoedelijk van de kippen die hun hele leven opgesloten zijn geweest, en ineens de kans krijgen om de wereld om hen heen te ontdekken. Je ziet de angst in de ogen van de kippen. Ook al stond het deurtje van de kooi open, duurde het volgens Kossakovsky een uur voor de eerste kip eruit durfde te gaan.

Een met een poot hippende kip, bevrijd uit gevangenschap, nieuwsgierig rondkijkend in wat zijn wereld had moeten zijn: dat is natuurlijk prachtige, ontroerende cinema. Kossakovsky vertelde dat hij hier nog een mooi stuk had weggelaten, namelijk dat de tweede kip uit angst terugkeerde in de kooi. “Dat was mooi maar zou het tempo uit de film hebben gehaald en te politiek hebben gemaakt.”

Dan blijkt dat ook Kossakovsky een mens is en tegen zijn eigen regels in een documentaire maakt met een boodschap. “Ja, het werd tijd voor een boodschap. Vergeef me.” In praktisch alle interviews die hij doet, somt hij ook de lugubere cijfers op: Elk jaar (!) eten we anderhalf miljard varkens, 66 miljard kippen, bijna een half miljard koeien en ontelbare vissen. En dan nog paarden, schapen, konijnen, eenden…

Gunda

Een snaar geraakt buiten Europa
De film raakt de snaar die je kunt indenken dat ie raakt. Kossakovsky vertelt hoe hij bedolven wordt onder de post van ontroerde mensen. Recensies zijn méér dan lovend: The New York Times, The Guardian, The Wall Street Journal, Rolling Stone, ga zo maar door, ze strooien met complimenten.

De jubelrecensies gaan eerlijk gezegd in veel gevallen niet veel verder dan platitudes dan dat ze beschrijven wat ze er zo vernieuwend aan vinden. Deze film past goed bij Kosakovsky’s kenmerkende onvoorspelbaarheid, zoals ook in zijn vorige film: Aquarela (iets beter dan Gunda, hoewel het appels met peren vergelijken is).

Een groot verschil met andere films is dat de Verenigde Staten nu ook de eigenzinnige documentairemaker lijken te ontdekken. Dat is iets nieuws voor de Russische filmmaker, die wel bekend was in Europa, maar daarbuiten niet zo. Het hielp voor de bekendheid van deze film ook dat Joaquin Phoenix – een van de bekendste veganisten in de VS – er als producer bij aangesloten was.

We hoeven Kossakovsky nu niet te verdenken van snode commerciële belangen met dit project, want zijn hele carrière maakt hij films die nauwelijks geld opbrachten, en dat heeft hem nooit tegengehouden. Gunda kan wel eens zijn knaller zijn – en dat is hem gegund.

En Gunda? Ze zal in elk geval na een mooi leven sterven van ouderdom.

Meer over dieren en emoties? Bekijk dan de website: Indipendenza.nl.

 

19 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

David Byrne’s American Utopia

*****
recensie David Byrne’s American Utopia

Van hier naar nergens

door Alfred Bos

David Byrne maakte in 2019 een Broadway-voorstelling rond zijn meest recente album, American Utopia, en regisseur Spike Lee legde het vast op film. Het resultaat overtreft de klassieke concertfilm Stop Making Sense. Betere technologie en een kwarteeuw persoonlijke groei maken het verschil.

Het podium is leeg. David Byrne zit achter een tafel en houdt een model van het menselijke brein in zijn hand. Hij zingt: “Hier is het gebied dat vraagt om aandacht. En hier is het gebied dat doorgaat met leven, ook als de rest zelden wordt gebruikt.” Hij doelt op het zelf, dat zelf is alleen. Hij besluit het lied, Here, met: “En hier is de verbinding met de andere kant.” Letterlijk: de corpus callosum, de balk tussen de twee hersenhelften. Maar vooral figuurlijk: de andere kant is de ander.

David Byrne’s American Utopia

Gaan wetenschap en kunst, logica en poëzie, samen? Alleen als je je hele brein gebruikt. Maar dat is niet het thema van American Utopia, de titel van Byrne’s meest recente soloalbum en bijbehorende podiumvoorstelling. Die voorstelling is op film vastgelegd door regisseur Spike Lee. Voorstelling en film zijn de natuurlijke nazaat van (het logische vervolg op?) Stop Making Sense, de concertfilm uit 1984 rond Byrne’s toenmalige groep Talking Heads.

Net als toen is de nieuwe voorstelling conceptueel van aard en de film droog gedraaid. Maar er is een belangrijk verschil. Stop Making Sense is een verzameling losse liedjes. De twintig nummers van American Utopia – een mix van nummers van het gelijknamige album en bekend Talking Heads-repertoire – vormen tezamen een verhaal. Ze zijn een betoog.

Geestige monologen
American Utopia is meer dan een concert, het is een theatervoorstelling. Met muziek, dans, licht. En gesproken woord. Byrne’s korte monologen tussen de nummers zijn overpeinzingen van een vragende geest, filosofisch en geestig. Ze geven de muziek context en verhelderen het verhaal.

Ze zijn in feite onmisbaar (zoals het bijbehorende livealbum, zonder de babbels, duidelijk maakt). David Byrne, de prater, de communicator—wie had dat gedacht van de pseudo-autistische hork die in de jaren zeventig bekend werd als voorman van die opvallende new wave-act uit New York, Talking Heads?

David Byrne’s American Utopia

En dat is precies het punt van American Utopia: het brein is flexibel, het is lenig, het kan leren, het kan nieuwe connecties maken en nieuwe verbindingen leggen. De twintig liedjes van American Utopia verhalen over een reis van een introvert kind, verbijsterd door de chaos en wemeling van de wereld, naar een mens die zich laaft aan anderen, aan andere mensen. Het is meer dan een humanistische boodschap. Het is een helende boodschap.

Prikkelend schouwspel
De aankleding van de voorstelling is doordacht. Het doet in zijn minimalisme denken aan de theaterproducties van Laurie Anderson en Kraftwerk: het podium is leeg, er is geen decor, geen geluidsapparatuur, geen kabels of snoeren, en, opvallend genoeg, geen beeldschermen voor projecties. Er zijn alleen mensen op het toneel – de muzikanten met hun instrumenten, “that’s the show” – en de mensen in de zaal. De muzikanten bewegen vrij, in choreografie. Het onderscheid tussen muziek en dans valt vrijwel weg.

Dat is door regisseur Spike Lee fraai vastgelegd door de camera zowel voor het toneel (blik publiek vanuit zaal) als achter het toneel (blik muzikanten op zaal) als boven het toneel (onmogelijke blik die de geometrie van de choreografie helder maakt) te plaatsen. Tezamen met close-ups en montage levert dat een prikkelend schouwspel op. Het minimalisme – en de gedachte achter de voorstelling – komt optimaal tot recht. Alleen mensen en hun interactie. Samen creëren ze schoonheid.

David Byrne’s American Utopia

Van persoonlijk naar algemeen
De band telt muzikanten en dansers van drie continenten, is heterogeen van afkomst, huidskleur, sekse en geaardheid. Een afspiegeling van het multiculturele New York, het immigratieland Amerika. “We zijn allemaal toeristen in dit leven”, aldus Byrne. En hop, daar zet Everybody’s Coming to My House in. Er is veel om je over te verwonderen in die wemelende wereld, Everyday is a Miracle. Denk voor jezelf en wees aardig voor elkaar, weet het gerijpte kind.

American Utopia is niet alleen persoonlijk, het wordt ook politiek. Byrne wijst op het belang van meedoen met verkiezingen, laat je stem horen. Hij adopteert Janelle Monáe’s protestsong Hell You Talmbout, over dodelijk politiegeweld tegen gekleurde mensen, in een arrangement van slagwerk en koorzang, en voor dit ene moment zijn er beeldprojecties, om slachtoffers een naam en een gezicht te geven. “We zijn een werk in wording, ons brein is kneedbaar”, en daar volgt de a capella gezongen, utopisch gospel One Fine Day. Een betere wereld is binnen bereik, als we ons ertoe zetten.

Voor het slotnummer Road to Nowhere stappen Byrne en band van het toneel en gaan de zaal in. Het is zeker niet toevallig dat American Utopia eindigt zoals Federico Fellini diens Otto e mezzo afsloot, met een fanfare in polonaise. Net als de regisseur in – en van – die film is David Byrne de kunstenaar die zichzelf geneest, via introspectie en het scheppen van schoonheid. Groter worden triomfen niet.

 

8 juni 2021

 

ALLE RECENSIES