5 onbekende films van bekende Amerikaanse actrice
Filmmarathon: Jane Fonda
Twee redacteuren van InDeBioscoop dompelen zich een weekend lang onder in de goede dingen des levens en vijf relatief onbekende films van de Amerikaanse actrice Jane Fonda.

1. Tall Story (1960)
BOB:
Ja, een wespensteek, een stortbui, een defecte routeplanner, niets heeft me weerhouden om de jaarlijkse nazomerse filmmarathon te bezoeken! Jane Fonda! Van Barbarella tot Klute, van aerobics tot een hoog IQ, van activistisch tot favoriete Amerikaanse actrice van velen.
Tall Story? Wat is dat met deze titel? Een romcom over lange mensen? O, het is een film over basketballen. Met Anthony Perkins als basketballer? Dat klinkt als Sylvester Stallone als voetballer… o, wacht….
Jane Fonda speelt student June Ryder, die om een of andere reden twee professoren (docenten ethiek en wiskunde) helemaal zenuwachtig maakt met haar mind games. Ze bespeelt hen omdat ze met Anthony Perkins, de typisch Amerikaanse supersportheld, wil. En ze krijgt wat ze wil: Perkins wordt haar vriendje.
Dan wordt het lastig te volgen. Er is iets met oppassen, zijn taxibaan en een belangrijke wedstrijd die hij gedwongen wordt om te verliezen. Ingewikkeld! Het is een beetje als komische romcom bedoeld maar slaat al snel af richting een melodramatisch verhaal. De verfilming is statisch: het had ook een toneelstuk kunnen zijn.
Tall Story is een typisch voorbeeld van iets dat is blijven hangen in het jaar dat het werd uitgebracht, en die tijd was een overgang tussen twee perioden, het is niet zo heel braaf meer als de jaren vijftig maar toch veel te braaf voor wat erna zou komen. Jane Fonda heeft een leuke, tegendraadse rol, en dat gaat haar goed af, en dat in haar eerste film.
Beste quote uit de film: “Hoe zou jij het vinden als iemand jou onder de microscoop zou zien vrijen?”
COR:
Die eeuwige fascinatie en obsessie voor stoere sporthunks en smachtende cheerleaders in Amerikaanse films begint me al weer snel op de zenuwen te werken. Maar toch, als ik net als jij zojuist 70 kilometer met zware bepakking zou hebben gefietst, zou ik wel weten wie het melkzuur uit mijn vermoeide kuiten mocht masseren.
Dat klinkt misschien wat seksistisch, maar vergeleken met Jack Warner, de producent van Tall Story, val ik vast nog mee. Warner droeg regisseur Joshua Logan op om bij Jane Fonda (die een cheerleader speelt) aan te dringen om vullingen in haar beha te doen.
Tja Bob, in onze eerdere filmmarathons leerde ik dat jij altijd wel in bent voor juicy details, dus heb ik ondertussen maar even in Fonda’s autobiografie gebladerd. Zo lees ik dat de regisseur Jane’s wangen te dik vond, waardoor ze volgens hem te snoezig voor drama’s was en daarom nooit een groot actrice zou kunnen worden. Iemand anders zou zelfs hebben gesuggereerd om haar kaken te breken en enkele kiezen te laten trekken!
Leuk trouwens om ook Anthony Perkins in een van zijn eerste hoofdrollen te zien. Hij is de beste basketballer van het team en benadert scoren “op een wetenschappelijke manier”. Yeah, right! Voor Alfred Hitchcock geen bezwaar, want die castte Perkins hetzelfde jaar voor de psychopathische moteleigenaar in Psycho.
2. The Chase (1966)
COR:
The Chase is van een geheel andere orde. De lieflijke, naïeve romantiek van Jane Fonda’s debuut maakt plaats voor deze thriller van Arthur Penn, een van de pioniers van New Hollywood. Dan hebben we het over artistieke vrijheid voor de regisseur, een sociaal geëngageerd plot, opnames op locaties en expliciet geweld.
De film barst uit zijn voegen van (te veel) acteersterren, waardoor je je moeilijk kunt identificeren met hun personages.
Het verhaal is simpel: boef Buffer (Robert Redford) is ontsnapt uit de gevangenis en wordt onterecht beschuldigd van de dood van een politieagent. Buffer is op weg naar zijn liefje Anna (Jane Fonda) in een Texaans stadje, waar een industrieel de scepter zwaait en sheriff Calder (Marlon Brando) de opgefokte orde probeert te handhaven.
Het memorabele einde kon niet voorkomen dat de film flopte in Amerika. Arthur Penn brak een jaar later door met Bonnie and Clyde, waarin de rebellie en het anti-autoritaire karakter van de nieuwe Amerikaanse samenleving (in films) veel meer tot de verbeelding spraken.
En Jane Fonda? Die klaagde over haar bescheiden rolletje (wel met mooi accent) in The Chase. Ze had zoveel tijd tijdens de opnames dat ze bijvoorbeeld een groot strandfeest voor Hollywood-collega’s organiseerde en nodigde The Byrds uit die zojuist waren doorgebroken met Dylan’s Mr. Tambourine Man.
The Chase was met negen kwartier wel een lange zit. Tijd voor een wandeling.
BOB:
Ha, dat strandfeest had ik wel bij willen zijn om de sfeer van 1966 te proeven. Jij hebt toch connecties met Axel F. Jomich en zijn filmhuis van het verleden? Neemt hij ook bezoekers mee?
Ja jemig – negen kwartier die ik niet meer terugkrijg. Wat een langdradige film, met maar spaarzame hoogtepunten, terwijl ik best uitkeek naar een Arthur Penn-film. Het heet The Chase maar die duurt maar tien minuten.
Wat ik zo gek vind aan de film is dat na de ontsnapping van Buffer letterlijk iedereen het constant over hem heeft. 800 keer hoor je zijn naam vallen, terwijl nooit duidelijk wordt waarom ze nou allemaal precies die stress hebben. Het is ook nog een aardige dude.
En helemaal mee eens dat er weinig chemie is tussen karakters, acteurs en verhaal, zoals jij al zei. Brando als sheriff is bijna een mini-film in de film. Redford en Fonda zijn een leuk duo tezamen maar veel te kort in beeld. Edward Fox is verwarrend. Anderen zijn ronduit klootzakken. Voor wie de film het beste uitpakt, is Robert Duvall in zijn rol als slapjanus-bankassistent.
Btw: kaken laten breken om acteur te kunnen worden? Wtf?
3. Tout va bien (1972)
BOB:
Die pauze had ik hard nodig om de negen kwartier die ik nooit meer terugkrijg weg te spoelen. Uden is wel groener dan ik dacht maar een paar koffiebarretjes erbij zou wel leuk zijn.
Je hebt nu wat voor me? Godard? Godard én Fonda? Ik ben verbaasd.
We zien hoe echtpaar Yves Montand en Jane Fonda (ze spreekt vloeiend Frans) een vleesfabriek bezoeken die bezet wordt door boos personeel. Zij werkt bij CBS en mag een item maken met de min of meer gegijzelde directeur. Maar het personeel gijzelt hen ook. Veel kabaal en drukte.
Aan de ene kant heeft de film begrip voor de arbeiders. De twee krijgen een spoedcursus arbeiderscultuur en gaan zelfs hun werk doen. En aan de andere kant bespot de film ook wel de Parijse studentenrevolutie van ‘68 – vooral met de lange monoloog van de directeur. Mooie quote: “Er zijn boeren die boeren. Arbeiders die werken. En bourgeois die bourgeoisiën.”
Genoeg Godardiaanse momenten. We zien acteurs direct in de camera praten, horen dialogen buiten beeld en luisteren naar een monoloog over klassenstrijd. Het dwars doorgesneden decor van de fabriek is ingenieus en de film alleen al waard. Een soort groot poppenhuis.
Fonda en Montand ogen soms wat zoekende met hun spel. De onderschatte Vittorio Caprioli (ook erg vermakelijk in Le Magnifique) als opgesloten directeur steelt de show.
En ja, er is dus een link van Jane Fonda met de Franse cinema. Deze film met Godard was niet eens haar eerste Franse film. In 1964 speelde ze al in La Ronde, met Alain Delon, van Roger Vadim, met wie ze zou trouwen en een kind krijgen.
Wat is er toch veel moois te kiezen met Jane Fonda om en nabij de jaren zeventig. Toppers als Klute, They Shoot Horses, Don’t They?, Barefoot in the Park en China Syndrome. Ik ga dan toch voor Klute. Wat is jouw favoriet?
COR:
Tijdens onze vorige filmmarathon vroeg jij of ik voor het eerst in mijn leven een IPA-biertje wilde proberen. Hoewel ik die niet te zuipen vond, laat ik mij ditmaal verleiden tot mijn allereerste glas alcoholvrije wijn ooit. En ik moet bekennen: je gaat er al net zo veel door lullen als met echte wijn.
Tout va bien van Godard is natuurlijk een mooi voorbeeld van hoe hij destijds worstelde met het kapitalistische systeem en zijn hang naar het communisme. Opvallend is de casting van Jane Fonda, een Amerikaanse journalist die de werkvloer wil leren kennen en samen met Yves Montand worsten draait in een vleesfabriek. Met haar nieuwe, rebelse kapsel (een nonchalante, in laagjes geknipte pony) lijkt ze zo weggelopen van de set van Klute (1971).
Godard was in zijn nopjes dat hij Fonda had kunnen strikken. Hij kreeg de financiering rond omdat ze inmiddels een gevierde actrice was. Bovendien was ze activist.
Fonda had helemaal geen zin in Tout va bien, kreeg felle ruzie met Godard, maar besloot het beste ervan te maken. Ze zat met haar gedachten bij de Vietnamoorlog, waartegen ze fel protesteerde. Jane Fonda had met Donald Sutherland (haar tegenspeler in Klute) zojuist een reis gemaakt langs Amerikaanse legerbases om soldaten te steunen die zich tegen de oorlog keerden.
Na de opnames van Tout va bien vloog ze naar Hanoi, de hoofdstad van Noord-Vietnam. Fonda wilde met eigen ogen zien wat de Amerikaanse bombardementen daar aanrichtten en riep op de radio piloten op om te stoppen met bombarderen. Nadat ze werd gefotografeerd op een Noord-Vietnamese luchtafweerinstallatie, kreeg “Hanoi Jane” bij thuiskomst bakken kritiek en haat over zich heen. Later zou de actrice meermaals spijt betuigen over die foto.
Na Klute won Fonda haar tweede Oscar voor haar rol in Coming Home (1978) als vrouw van een marineofficier die verliefd wordt op een Vietnamveteraan in een rolstoel. Misschien wel haar beste rol, om jouw vraag te beantwoorden.
4. The Electric Horseman (1979)
COR:
Voordat ze zich in de eighties ging storten op aerobics-films (die bewaren we voor een andere marathon), sloot Fonda haar boeiende jaren 70-carrière af met The Electric Horseman. Na The Chase (1966) en Barefoot in the Park (1967) opnieuw een romance met Robert Redford.
Het personage van Redford was vijf keer allround wereldkampioen rodeo totdat hij aan de drank raakte en zijn dagen slijt als een in lichtjes gestoken paardrijder op de Las Vegas Strip. Aangemoedigd door een reporter (Fonda) wil hij een daad stellen en zijn arme paard onttrekken aan de publiciteit en verdere mishandeling.
Fonda en Redford vormen een goed koppel, hun onderlinge bewondering en aantrekkingskracht spatten er soms van af. Maar ja, de jaren 80 liggen op de loer, dus zien we al regelmatig afzichtelijke kleren, brillen en kapsels, en worden we bedolven onder het gemauw van Willy Nelson. Zeg Bob, vond jij ook dat Fonda met die foute broek, laarzen en lippenstift eruit ziet als Dustin Hoffman in Tootsie?
Het verhaal is voorspelbaar, maar gelukkig is onze voormalige rodeokampioen direct van zijn alcoholverslaving genezen nadat onze bemoeizuchtige reporter hem diep in zijn ogen heeft gekeken.
BOB:
Ik moet zeggen: deze film is inderdaad weinig vernieuwend maar het was het kijken waard. Redford is best goed, vond ik, vooral aan het begin als dronken en verlopen rodeoheld (en inderdaad verdomd snel sober is, misschien ging hij ook over op alcoholvrije wijn?).
Een man-hunt ontstaat en Fonda, de stadse mediavrouw, helpt hem in ruil voor een verhaal. Al kost het wat overtuiging. “Ik ben niemands verhaal, maar mijn eigen persoon.”
Natuurlijk leuk contrast. Grappen over Fonda’s stadse outfit (kan me niet herinneren of ze op Dustins Hoffmans Tootsie lijkt?). Haar onhandige laarzen en te zware koffers. Het is een soort roadmovie met een paard en een winnebago.
Aan cinema heeft deze film van Sydney Pollack (overigens de regisseur van Tootsie!) niet veel te bieden, het is vergelijkbaar met andere makkelijk wegkijkende Pollacks, zoals Bobby Deerfield en Three Days of the Condor, opnieuw met Redford, wiens recente overlijden we met deze marathon zo ook een beetje eren.
En voor de verandering véél Jane Fonda, en altijd weer intens, het lijkt alsof de automatische piloot niet bestaat in haar acteerwereld.
5. Et si on vivait tous ensemble? (2011)
BOB:
De laatste film begint hoopvol met de uiteenzetting van een aantal personages in een vriendenkring van vijf ouderen. Ze gaan samen in een commune wonen. En ze huren een etnograaf in (Daniel Brühl). Die ook moet dealen met de sekslevens van ouderen.
Gemakkelijk is het niet. Ruzie om een tuin (“Ik wil er een zwembad van maken”), een man die escortdames inhuurt, een affaire die uitkomt.
Het is een met veel waterig melodrama aangelengde komedie (arthouse). De humor zit hem in de soms zich anarchistisch gedragende ouderen. Het melodrama zit hem in het ouder worden, met een onvermijdelijk einde.
Niks tegen films over ouderen. Deze is redelijk eerlijk en er zijn er weinig van denk ik. Toch hoeven ze niet zo weinig verrassend te zijn, met als doel om maar een zo breed mogelijk arthousepubliek aan te boren. De film doet helaas verder niets, filosofisch of in stijl.
Fonda doet niet onder voor de vloeiende Fransozen maar ze kan ook niet echt uitblinken met dit scenario. De scènes met Daniel Brühl zijn wel vermakelijk (“Ik? Je grootmoeders leeftijd?”). Pierre Richard heeft echte komedietalenten, maar hier is hij vooral serieus.
Er is een stripboekserie waar ik ook aan moest denken: Les Vieux Fourneaux. De strip is vergelijkbaar maar iets geestiger dan deze film van Stéphane Robelin. Onvermijdelijk ook verfilmd in 2018 met… opnieuw Pierre Richard! Helaas is die verfilming ook niet echt geweldig.
De filmmarathon eindigt hiermee wel een beetje met een sof, maar goed, een marathon is ook 42.195 meter cinema, en na de dertig begint het altijd pijn te doen…
COR:
Ik moest bij deze film denken aan The Best Exotic Marigold Hotel – opvallend genoeg verschenen in hetzelfde jaar als Et si on vivait tous ensemble? – met daarin seniore grootheden van de Britse cinema. Ook al zo’n kluchtig verhaal met dramatische elementen over ouder worden.
Ondanks het aandoenlijke slot moeten we misschien onze volgende filmmarathon eindigen met een meer spectaculaire film – hoewel het altijd fijn is om te zien hoe een actrice of acteur zich ontwikkelt van jeugdig debuut tot de herfst van de carrière.
Om maar met Jane Fonda te spreken: “Dit is wat ik zeg over ouder worden: het lijkt echt beangstigend wanneer je er van buitenaf naar kijkt. Maar als je er eenmaal in zit, is het helemaal niet eng. Je voelt je zelfs beter.”
18 oktober 2025
Meer filmmarathons