Rocketman

*****
recensie Rocketman

Liberace gereïncarneerd als Elvis Presley

door Alfred Bos

Wat hebben Elton John en Queen gemeen? Hun voormalige manager, John Reid. En de regisseur van hun beider biopic, Dexter Fletcher. Rocketman slaat Bohemian Rhapsody op alle fronten. Kwestie van vorm die bij de inhoud past.

Zijn muziekfilms – biopics over muzikanten, films rond muzikanten, documentaires – bezig uit te groeien tot een modeverschijnsel? In de bioscoop draaien Wild Rose en Vox Lux, speelfilms over zangeressen die worden geplaagd door persoonlijke demonen. Deze zomer komt de nieuwe Danny Boyle, Yesterday, waarin de muziek van The Beatles centraal staat. In het najaar volgt Beats, een film die speelt in de ravescene van de vroege jaren negentig.

Rocketman

Dan hebben we de later dit jaar nog te verwachten films over een reality-tv-wannabe-ster (Teen Spirit), een gefokte punkmuzikante (Her Smell), een Brits-Pakistaanse fan van Bruce Springsteen (Blinded by the Light) en de biopic van Judy Garland (Judy) nog niet eens genoemd.

Vorig jaar waren er A Star is Born en de tweede hitmusicalfilm rond ABBA, Mamma Mia: Here We Go Again. Die trok net iets minder bezoekers dan de publieksmagneet van 2018, de Queen-biopic Bohemian Rhapsody. De baan ligt ruim open – het is wellicht een yellow brick road – voor Rocketman, het in fictie navertelde verhaal van jaren zeventig glamrockster Elton John, in 1947 geboren als Reginald Dwight. Hij staat momenteel in concertzalen wereldwijd voor zijn afscheidstournee (8 en 17 juni in Ziggo Dome, Amsterdam).

Optelsom van gelukkige keuzes
Rocketman is geregisseerd door Dexter Fletcher, de man die Bohemian Rhapsody redde van schipbreuk, en de film doet precies wat de Queen-biopic jammerlijk naliet. Hij brengt het verhaal niet als droge, lineair vertelde nabootsing van de werkelijkheid, maar – geheel in de uitzinnige camp-geest van zijn onderwerp – als musical, compleet met imposante dansscènes. Elton John is Liberace gereïncarneerd als Elvis Presley, dus hoe bonter hoe beter. En bont is een eufemisme met betrekking tot Rocketman.

Rocketman is een aaneenschakeling van gelukkige keuzes. De film herenigt regisseur Fletcher met acteur Taron Egerton, die de titelrol vervulde in Eddie The Eagle, eveneens een biopic over een excentrieke Engelsman. Egerton lijkt niet alleen treffend op John, hij zingt diens repertoire – dat kwistig en, ook heel handig, niet synchroon met de tijdlijn, maar thematisch door de film is gestrooid – meer dan adequaat. Hij is niet alleen in de huid, maar ook in de stembanden van zijn onderwerp gekropen.

Daarnaast is het een geïnspireerd idee om auteur Lee Hill te vragen voor het script. Hill heeft affiniteit met muziek, musical en camp – en schrijft nu aan het scenario voor de verfilming van Cats – en doet niet lastig over de seksuele geaardheid van zijn onderwerp. Waar Bohemian Rhapsody nuffig een morele vinger hief, is Rocketman volstrekt eerlijk over drugs, seks en exces. Je kunt er kapot aan gaan, maar het is niet iets om je over te schamen.

Rocketman

Glitterduivel
De beste keuze evenwel is om Elton Johns levensverhaal te vertellen als een collectie muziek- en dans-set pieces, afgewisseld met realistische scènes. In de concertscènes komen ze samen, het indrukwekkendst, en minst realistisch, wanneer John in september 1970 als anonieme nieuweling in de Troubadour (Los Angeles) optreedt voor een zaal met gekende muziekhelden – we zien Neil Diamond, Leon Russell en een paar Beach Boys aan de bar hangen – en het publiek orgiastisch reageert. John heeft in interviews te kennen gegeven dat die respons hem het gevoel gaf van de grond te komen. Die emotie maakt de film letterlijk zichtbaar: hij zweeft gestrekt achter de toetsen.

Goed passend bij de mengvorm van historisch realisme en uitbundige verbeelding is de keuze om Johns verhaal te visualiseren als raamvertelling. De film opent in stijl met een Elton John die in vol ornaat als glitterduivel een AA-meeting binnenstapt om zijn persoonlijke verhaal te vertellen. Flashbacks maken duidelijk dat een liefdeloze jeugd met een vaak afwezige moeder en een harteloze, soms ronduit vijandige vader het getalenteerde jochie heeft doen opgroeien tot onzekere, naar liefde hunkerende misfit.

Zijn talent voor het improviseren van pakkende melodieën, ze rollen bijna achteloos uit zijn vingers, komt tot bloei wanneer hij door muziekuitgever Dick James, de man die in 1962 The Beatles de deur wees, volstrekt willekeurig aan tekstschrijver Bernie Taupin (Jamie Bell) wordt gekoppeld. Extra ster voor Rocketman, dat diens kwaliteiten en vitale rol in het verhaal eindelijk goed voor het voetlicht brengt. Johns homoseksualiteit komt aan de oppervlakte via zijn latere manager John Reid (Richard Madden), nadien tevens manager van Queen.

Absolute Beginners
De film concentreert zich op de eerste helft van de jaren zeventig, de periode waarin rockmuziek evolueerde van tegencultureel bindmiddel tot big business en Elton John in Amerika uitgroeide tot de grootste muziekster van dat moment, een regelrecht fenomeen. Het is hoogst verwarrend voor wie in korte tijd van nobody tot idool wordt gekatapulteerd. Met het succes komen de roem en het geld. En steeds uitbundiger podiumuitdossingen, onmatige consumptie van drank en drugs, seksuitspattingen. En de koopverslaving. En de zelfmoordpogingen. Alleen liefde kan het gat in zijn ziel vullen. Hij vindt het, ondanks zichzelf.

Rocketman

Rocketman voegt zich in een traditie van Engelse muziekfilms waarin subcultuur als musical wordt gerepresenteerd. Hij is even uitbundig als Ken Russells verfilming van The Who’s rockopera Tommy, waarin Elton John indertijd te zien was, of diens Franz Liszt-biopic Lisztomania (beide uit 1975) en gebruikt dezelfde vorm als Julian Temple’s Absolute Beginners (1986), met David Bowie en The Kinks-voorman Ray Davies. Russell pionierde in Tommy de beeldtaal van MTV en Temple is de meest vermaarde clipregisseur van zijn generatie.

De film van Dexter Fetcher is in feite een als speelfilm verpakte videoclip, een cocktail van Vincente Minnelli en Ken Russell, en sluit raak af met een dansscène die naadloos overgaat in de originele videoclip van I’m Still Standing, Elton Johns laatste artistiek relevante hit uit 1983. Fantasie switcht moeiteloos naar realiteit, het donkere sprookje heeft een gelukkig eind. Als gerechtigheid en goede smaak bestaan – en muziekfilms inderdaad in de mode zijn – wordt Rocketman de bioscoopklapper van 2019.

 

29 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

Leto

****
recensie Leto

Indringend portret toen rock naar Rusland kwam

door Jochum de Graaf

De titelsong speelt zich af op het strand, zanger Majk Naoemenko van de groep Zoopark, en zijn vrienden proberen een paar nieuwe nummers uit, pielen wat op de gitaar, draaien een jointje, flessen wodka gaan van hand tot hand, het is een beetje hippiesfeer, de meisjes wiegen en dansen rond op de klanken van Leto (Zomer). 

In de songtekst, in Engelse ondertiteling, wordt de tijdgeest verwoord.

Summer!
I’m fried like a croquette.
I’ve got time but no money,
And I don’t give a damn. 

Summer!
Recently I’ve heard somewhere
That a comet will come soon
And we will all die.

Leto

Verandering hangt in de lucht
Het is dansen op de vulkaan, de Sovjet-Unie begin jaren tachtig, de good old stagnation days van het Breznjev-regime, maar de verandering van de perestrojka hangt al in de lucht.

Die middag aan het strand voegen zich Viktor Tsoj, op dat moment nog de onbekende voorman van de legendarische groep Kino, en een vriend bij de groep. Vervolgens ontspint zich het verhaal tussen de beide grootheden van de Leningradse rockscene die elkaar opstuwen in artistieke creativiteit en ook op het persoonlijke vlak met elkaar verweven raken in een driehoeksverhouding met Natalja Naoemenko, op wier memoires de film losjes is gebaseerd.

Terug van het strand krijgt de groep het in de trein aan de stok met een oorlogsveteraan die ze westerse decadentie voor de voeten gooit ‘Hé Amerikaan, wat zie je eruit.’ Conducteurs en bewakers komen erbij, er worden stevige klappen uitgedeeld en de jongeren slaan fors terug. Het is een scherp gemaakte clip in zwart-wit met teksten in stripballoons, fraaie animaties op de tonen van Talking Heads’ Pyscho Killer.

Een van de jongeren met de omineuze naam Sceptic toont een bord in  beeld ‘Dit is niet gebeurd’ en later boven het hoofd van de Koreaanse acteur Teo Yoo, die Viktor Tsoj speelt, ‘Dit is hem niet’.

Spel met realiteit en fantasie
Boris Grebensjtsjikov, die met zijn groep Aquarium een vooraanstaande plaats innam in de Leningradse rockscene in de jaren tachtig, heeft forse kritiek op Leto, vindt dat de film een karikatuur maakt van hun leven, hen afschildert als ‘een soort Moskouse hipsters, die niks kunnen behalve copuleren ten koste van een ander’.

Maar om waarheidsgetrouwheid gaat het niet in Leto, juist het spel met realiteit en fantasie maakt de film zo interessant. Het is de opwinding bij de optredens, waarbij het publiek eerst nog onder streng toezicht in de stoelen moet blijven zitten, een meisje dat wordt opgepakt wegens subversief gedrag omdat ze een levensgroot hart voor de zanger omhoog houdt, het meezingen met de songteksten, het met z’n allen het podium bestormen. De Russische variant op de legendarische concerten van de Stones in het Kurhaus en The Beatles in Blokker. Het onweerstaanbare gevoel dat je ooggetuige bent van de opkomst van de rock-‘n-roll in Rusland en de omwenteling die het teweeg bracht.

Leto

Voor mij riep het de zoete herinnering op aan het zinderende optreden van Zoopark dat ik meemaakte in de statige grote schouwburg van Kiev vlak voor de zomer van ’88, eerst aarzelend meedeinen in de stoelen en uiteindelijk volkomen uit het dak in de gangpaden, op het podium en de belendende ruimten; het bleef nog lang onrustig in de stad.

In bedwang houden
Om in de Leningradse Rockclub op te mogen treden, moesten de artiesten hun teksten voorleggen aan de lokale commissie van de Bond van Sovjetcomponisten. Dat levert droogkomische scènes op met een discussie over de functie van het eindrijm en welke consequenties dat heeft voor inhoud en vorm van de song. De muzikanten moeten elkaar in bedwang houden om niet al te opstandig te reageren, ook in de commissie is er onenigheid, de teksten voldoen natuurlijk niet aan de vereisten voor ondersteuning van het Sovjetcultuur. Uiteindelijk worden ze toegelaten met het argument dat het hier ‘satire’ betreft.

Halverwege de film verschuift het perspectief van de artistieke wisselwerking tussen de gevestigde Majk Naoemenko en coming man Viktor Tsoj naar hun relatieperikelen. Natalja, vrouw en muze van Naoemenko, maakt werk van haar verliefdheid op Tsoj en verleidt hem tot steeds intiemer handelingen in stilzwijgende instemming van man Majk.

Maar het is niet de tamelijk vlakke plot en weinig dramatische ontknoping die Leto tot een aansprekende schildering van de Russische rock in de jaren tachtig maakt. Dat zijn toch de rauwe in zwart-wit gefilmde beelden van het dagelijks leven voor jongeren in de Sovjet Unie en de expressieve clips met Russische versies van Lou Reeds Perfect Day, Iggy Pops The Passenger en Mott The Hooples All The Young Dudes. En vooral ook de discussies welke groepen belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de popmuziek, de exegese van de teksten, hun fan zijn van Bowie, Lou Reed, The Sex Pistols, Blondie, The Clash en niet te vergeten T-Rex.

Leto

Huisarrest
Ik heb het altijd opvallend gevonden die bijzondere aandacht in het Oostblok voor T-Rex, in het westen was hun invloed maar beperkt – mooie jongen Marc Bolan die een cultstatus kreeg door zijn vroege overlijden bij een auto-ongeluk. In de Sovjet-Unie kreeg dat een extra dimensie doordat ook Viktor Tsoj in 1990 een paar maanden na zijn 27e (!) verjaardag bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Majk Naoemenko overleed een jaar later door overmatig drankgebruik.

Regisseur Kirill Serebrennikov werd tijdens het maken van de film onder huisarrest gesteld, zogenaamd omdat hij fraude met subsidiegelden zou hebben gepleegd. Algemeen wordt aangenomen dat hij zoals zo vaak in het huidige Rusland van Poetin administratief werd gestraft vanwege zijn deelname aan demonstraties tegen het regime. Juist vorige week werd zijn huisarrest opgeheven. En zo zou een parallel met de jaren van onderdrukking in de Sovjet-Unie gelegd kunnen worden. Maar Leto is eerst en vooral een indringend en innemend portret van de tijd toen rock-‘n-roll naar Rusland kwam.

 

15 april 2019

 

ALLE RECENSIES

Another Day of Life

****
recensie Another Day of Life 

Vergeten gezicht van de hel

door Ralph Evers

Tegen de achtergrond van de onafhankelijkheidsoorlog van Angola in de jaren 70 vertelt Another Day of Life het leven en werk van de Poolse journalist Ryszard Kapuściński. 

Het leven van Ryszard Kapuściński heeft iets weg van een avonturenroman. Weliswaar met een zeer donker randje. Hij werd in 1932 geboren en maakte als kind de vernietiging van zijn geboorteland Polen mee. Zowel de nazi’s als de Sovjets wilden Polen van de landkaart vegen en het grondgebied aan het eigen rijk toevoegen. Toen de hel van de Tweede Wereldoorlog voorbij was, viel Polen het ongelukkige lot van zoveel andere Oost- en Midden-Europese landen ten deel. Kapuściński slaagde erin zijn land te ontkomen als journalist. Hij verruilde de ene hel met de andere, want hij vertrok in de jaren zeventig naar Angola. In Angola streden twee partijen voor de onafhankelijkheid, de MPLA, later gesteund door de Sovjet-Unie en de UNITA en FNLA, gesteund door de Verenigde Staten (de CIA) en Zuid-Afrika.

Another Day of Life

Menselijke daden in onmenselijke situaties
De film is gebaseerd op Kapuściński’s boek Jeszcze dzień życia, in het Engels bekend als Another Day of Life en gaat in op zijn rol en overwegingen in de roerige tijd in Angola na de Anjerrevolutie van 1974. Deze revolutie ging gepaard met een onafhankelijkheidsoorlog, waarbij zowel de Sovjets als de CIA betrokken waren. De film doet dat op een interessante, indringende, emotionele en reflecterende wijze. Interessant door de hoofdpersonen tijdens die tijd hun stem te geven. Grotendeels geanimeerd, met her en der archiefbeelden en opnames van het huidige dagelijkse leven in Angola.

We gaan mee met Ricardo, zoals Ryszard in het Portugees sprekende Angola genoemd werd, en collega Artur, die met gemengde gevoelens terugkijkt op die tijd en de oorlog. Beelden van brute slachtpartijen, waar zwangere vrouwen en jonge kinderen niet werden gespaard, draagt hij tot op de dag van vandaag met zich mee.

Artur, als Portugees vrije toegang tot andere gebieden hebbende en de mores van het land kennende, leert Ricardo de meest cruciale overlevingsregels in het onvoorspelbare land buiten hoofdstad Luanda. De helse reis naar het zuiden leidt tot ontmoetingen met illustere figuren als de 19-jarige vrouwelijke strijder Carlotta en later Farrusco, een generaal die een sleutelrol in de oorlog in het zuiden speelde. Carlotta is een guerrillero met een menselijk gezicht, verbrandt de vele lijken omdat die ziektes in zich kunnen hebben en er kinderen niet ver van de slachtvelden spelen. Een feit zo voldongen dat de gruwelijkheid als een absurde vergissing meeklinkt.

Another Day of Life

Reis van de held
De film doet denken aan Waltz with Bashir van Ari Folman, ook een animatiefilm over een oorlog. Ook daarin ruimte voor creatieve expressie en het zoeken naar een indringende taal om de kijker op een andere, doch directe wijze te raken. Het belangrijkste verschil is dat Folmans film verslag doet van de Zesdaagse Oorlog, terwijl Another Day of Life de oorlog verslaat vanuit de ervaringen van Ryszard, die zich afvraagt in hoeverre hij de oorlog beïnvloed heeft.

Hij is de onverschrokken journalist die in zijn zoektocht naar antwoorden voortdurend de dood op zijn hielen heeft. Hij komt eruit als een held, die de wereld iets kan laten zien, wat niet bekend is en bekend mocht worden. Hij staat voor een cruciale beslissing, wat te doen met die kennis? Dat is later geschiedenis geworden. Dat maakt dat deze film zo dichtbij voelt. Het perspectief van een gezicht van de hel toen met beelden van Angola nu. Het is een intelligente manier om de kijker te betrekken bij een vergeten oorlog.

 

8 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Can You Ever Forgive Me?

**
recensie Can You Ever Forgive Me?

Lee Israel neemt de boel in de maling

door Yordan Coban

Leugens zijn een invloedrijke bron van veel kwaad in de wereld. Mensen nemen elkaar voortdurend in de maling. Films behandelen dit onderwerp vaak op dezelfde manier. Valt Can You Ever Forgive Me? te vergeven ondanks het gebruik van dit veelgebruikte format?

Lee Israel (gespeeld door Melissa McCarthy) heeft in het verleden succes behaald met het schrijven van biografieën. Ze heeft een afkeer tegen de wijze waarop de meeste schrijvers zich profileren om zo interessant over te komen. Ze doet niet mee aan het commerciële circus rond de literatuur. Dit is mede de reden voor haar stagnerende succes als schrijfster. Door brieven van beroemde schrijvers te vervalsen, probeert ze financieel haar hoofd boven water te houden.

Can You Ever Forgive Me?

Lee Israel is in Can You Ever Forgive Me? bepaald geen warm mens. Melissa McCarthy speelt overtuigend haar personage, dat een leven vol teleurstelling heeft gekend. De actrice laat Lee Israel lijken op de vrouwelijke versie van Bill Murray in zijn hoogtijdagen als acteur (Groundhog Day, Lost in Translation en Broken Flowers).

Leugens
De ethiek in films die leugens behandelen, is vaak kwalijk kort door de bocht. In negen van de tien keer liegt het personage voor eigen gewin; de leugen komt uit waardoor het personage een korte periode van onfortuin kent; het personage verontschuldigt zich en wordt verlost van de zonde en alles komt goed. Om dit allemaal te laten werken, heeft de film op zijn minst een sterke karakterontwikkeling nodig.

In Can You Ever Forgive Me? zien we dat Lee moeite heeft om zich open te stellen in haar schrijfwerk (vandaar dat ze biografieën schrijft) en in haar persoonlijke leven. Aan het einde van de film heeft zij dit geleerd omdat zij aan een roman over haarzelf begonnen is. Er is een sterk geacteerde scène in de rechtbank, waarin Lee stelt dat ze is gefaald als schrijfster. Voor even laat ze het achterste van haar tong zien. Lee zegt met tranen in haar ogen dat de afgelopen tijd de gelukkigste periode uit haar leven was en dat ze er geen spijt van heeft. Het klinkt ontroerend maar ze slaat de plank mis. Geen moment lijkt Lee werkelijk gelukkig. Ze is continu eenzaam, gestrest en verbitterd. Dat is niet erg, maar als de film achteraf meent dat ze al die tijd gelukkig was, voelt de kijker zich in de maling genomen. Haar vervalsingen hebben haar alleen maar ellende bezorgd.

Een film die dit gegeven wel goed aanpakt, is L’emploi du temps (2001) van Laurent Cantet. In dit drama komt wat betreft de leugen alles uiteindelijk goed in oppervlakkige zin. Maar de diepere oorzaak van de problemen van het hoofdpersonage blijven aan het einde zichtbaar onopgelost. Problemen die iets fundamenteels zeggen over onze samenleving en waaraan het hoofdpersonage zich machteloos moet overgeven. De leugen was een ontsnappingspoging maar ontsnappen is voor hem onmogelijk. Voor Lee komt daarentegen alles voorspoedig plompverloren samen.

Can You Ever Forgive Me?

Onverdiend gejuich
Naast het feit dat het verhaal cliché is, doet de climax van de film erg denken aan de afhandeling van het geschiede kwaad door Dixon (Sam Rockwell) in het onterecht geprezen Three Billboards Outside Ebbing, Missouri (2017). Als Dixon (een gewelddadige racistische man die van zijn daden niks geleerd heeft) besluit om iemand om te leggen waarvan hij niet eens weet of diegene ook werkelijk een misdadiger is, is gejuich niet op zijn plek. Hoe erg de film dit ook probeert te verkopen. Zo extreem is het gelukkig niet in Can You Ever Forgive Me? De daden van Lee Israel zijn beduidend geringer van aard. Toch blijft het onderliggende sentiment tenenkrommend.

Leugens zijn een hardnekkige wortel der kwaad in de wereld. Donald Trump confronteert ons daar elke dag mee. Can You Ever Forgive Me? bevestigt dat als iemand sympathiek genoeg is, je er wel mee weg kan komen als je er een feelgood-einde aan draait.

 

17 februari 2019

 

ALLE RECENSIES

David Lynch’s nostalgietrip

The Straight Story
David Lynch’s nostalgietrip

door Sjoerd van Wijk

Omhoog kijken naar de sterren, net als vroeger. Dat is Alvin Straights doel als hij op zijn oude grasmaaier stapt om nog eenmaal zijn broer te bezoeken. Zijn tocht in The Straight Story raakt de harten van innemende zonderlingen onderweg. En het toont indirect het nostalgische hart van regisseur David Lynch.

Sinds vorige week is er een expositie over zijn werk in het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Waar iedereen het vooral zal hebben over films als Eraserhead of Mulholland Drive, is het juist in The Straight Story (1999) waar de regisseur wellicht op zijn eerlijkst is.

The Straight Story

De nachtmerries zijn verdwenen
Ogenschijnlijk is dit ondergewaardeerde werk een Disney-versie van zijn beleving. Daadwerkelijk door deze maatschappij geproduceerd, zijn de nachtmerries verdwenen uit zijn droomwereld. Maar stilistisch is het nog steeds onmiskenbaar de regie van zijn hand. Nog steeds zijn er de associatieve beelden die soepel in elkaar overlopen, van eindeloze graanvelden naar Alvin op de grasmaaier genietend van de zon. Waar normaliter het flikkerende licht een omineuze voorbode is, accentueert het hier de angsten van Alvin (Richard Farnsworth) en dochter Rose (Sissy Spacek). Doordat de griezelige angel ontbreekt, is The Straight Story een magisch-realistisch epos over ouderdom in plaats van een surrealistisch spel met de donkere kant van de mensheid.

Zoals met al Lynch zijn betere werk, heeft hij niet alleen aan de schrijftafel gezeten. Scenaristen Mary Sweeney en John Roach weten de voor hem gebruikelijke sfeer om te buigen van waan naar ideaal. De licht eigenaardige typetjes lijken zo uit Twin Peaks (1990) weggelopen te zijn. De subtiele tik van de molen werkt puur humoristisch en daarmee ook hartverwarmend. Een vreemde tweeling met markant stereotype werkkleding gaat domweg mee met Alvins afdingen. Onderweg raakt een dame theatraal overstuur door het aanrijden van een hert, wellicht het duisterste wat The Straight Story te bieden heeft. Er is zelfs een kleine rol voor Twin Peaks-acteur Everett McGill die de vergelijking met deze serie alleen maar versterkt.

The Straight Story

Het werkt allemaal charmerend met Lynch’s ingetogen opnames waar de focus niet alleen op Alvin, maar ook op zijn omgeving lijkt te liggen. De kleine dorpjes zijn ditmaal geen façade waarachter duisternis heerst. Zo herbergt het gelijknamige plaatsje in Twin Peaks tal van gruwelijke geheimen. Personages lopen rond in een kitscherige wereld, die door het kunstmatig theatrale karakter snel omslaat in een unheimisch gevoel. Het is niet alleen rozengeur en maneschijn in deze soap, want het vervreemdende heeft ook beklemmende effecten. Lynch lijkt te zeggen dat aan het oppervlak het artificiële misschien gelukzalig is, maar dat het ons losmaakt van onszelf. Van het perfecte witte hek met rozen in Blue Velvet gaat het bergafwaarts naar het naargeestige sadisme van schurk Frank.

Warm humanisme
De Amerikaanse suburb blijkt niet de Amerikaanse droom. In The Straight Story, een Twin Peaks in de Amerikaanse graanschuur, zijn er echter geen geheimen. Inwoners van het idyllische platteland delen liever hun beslommeringen met Alvin. Lynch’s finesse met onheilspellende geluiden werkt hier ontroerend als een veteraan oorlogsherinneringen ophaalt. Het obstakel op zijn reis is eerder de krakkemikkige technologie waar Alvin koppig aan vasthoudt. De ontdekkingen zijn hier de mensen die hij tegenkomt, met al hun eigenaardigheden en verhalen. Langzaam ontvouwt zich het verhaal over eenzaamheid en ouderdom. De kracht van familie drijft naar boven. Normaliter neigt Lynch naar donkere misantropie, maar hier juist naar warm humanisme.

The Straight Story

Daardoor toont The Straight Story dat David Lynch eigenlijk een nostalgische kijk op Amerika heeft. Niet voor niets droomde de hoofdpersoon van Lost Highway als ontsnapping aan zijn zonden weg naar een veilig jaren vijftig met mooie auto’s en lieflijke dames. En heeft Lynch in het verleden zijn waardering voor Ronald Reagan uitgesproken. De zonovergoten graanvelden van Iowa, waar steevast een truck oogst, zijn van een sentimentele fraaiheid. Alvins langzame grasmaaier is hier het mooie middel van vervoer, terwijl auto’s langs hem heen razen. Het weerzien na tien jaar met broer Lyle is voor Lynch’s doen prachtig ondergespeeld. De sterrenhemel betovert met een buitengewone ballad van Angelo Badalementi’s typerende hand.

Er spreekt een verlangen uit naar een rustiger tijd, waar mensen vriendelijk met elkaar omgaan en van de kleine dingen genieten. Lynch lijkt niet zozeer kritisch op een ouderwetse Amerikaanse levensstijl die waarschijnlijk nooit zo heeft bestaan. Net als Dale Cooper in Twin Peaks bezwijkt voor de kersentaart, zo lijkt Lynch in The Straight Story te mijmeren over simpele deugden en geneugten. Iets wat alleen verborgen blijft in zijn andere werken. Zo doet The Straight Story zijn titel eer aan. Rechtdoorzee, terug naar vroeger.

 

8 december 2018


ALLE ESSAYS

Elephant Man, The

The Elephant Man
Van mensen en monsters

door Rob Comans

“‘Tis true my form is something odd, But blaming me is blaming God. Could I create myself anew, I would not fail in pleasing you. If I could reach from pole to pole, Or grasp the ocean with a span. I would be measured by the soul, The mind’s the standard of the man.” 

Deze woorden van de Engelse predikant en theoloog Isaac Watts (1674-1748) waarin hij pleit voor het beoordelen van mensen op hun geest in plaats van hun uiterlijk, was naar verluidt een geliefd citaat van Joseph Casey Merrick (1862-1890).

The Elephant Man

Olifant-man
De in Leicester geboren Merrick werd bekend als de ‘olifant-man’ vanwege een zeer zeldzame aandoening die hem ernstig misvormde. Vergroeiingen van zijn schedel, ruggengraat en ledematen en vele wratachtige uitstulpingen van zijn huid gaven hem een olifantachtig uiterlijk, een feit dat hem in het Victoriaanse Engeland waarin hij leefde tot een medisch curiosum maakte en veroordeelde tot een bestaan als bezienswaardigheid.

Onverfijnd als zijn verschijning misschien geweest mag zijn, zijn geest was dit allesbehalve. Merrick was intelligent en erudiet, en een liefhebber van het theater. Zijn marginale bestaan veranderde toen de chirurg Dr. Frederick Treves hem ontmoette, en diens professionele interesse werd gewekt door Merricks zeer zeldzame aandoening (waarschijnlijk een combinatie van neurofibromatose en Proteus-syndroom). Hoewel Treves besefte dat hij niet bij machte was Merrick te helpen, besloot hij zich desondanks over de ‘olifant-man’ te ontfermen. Er ontstond een vriendschap tussen beide mannen totdat Joseph Merrick, op 11 april 1890, op 27-jarige leeftijd in het Royal London Hospital (RLH) overleed.

In 1923 verschenen Frederick Treves’ memoires, The Elephant Man and Other Reminiscences, die samen met het boek The Elephant Man: A Study in Human Dignity (1973) van Ashley Montagu de basis vormden voor het scenario dat Christopher De Vore, Eric Bergen en David Lynch schreven voor The Elephant Man (1980). Regisseur Lynch, een liefhebber van het bizarre en surreële, kiest voor een grotendeels realistische benadering van Merricks buitengewone verhaal. Toch is het een onvervalste David Lynch-film door de sympathie en fascinatie voor diegenen die als ‘anders’, ‘bizar’ of ‘monsterlijk’ worden gezien. Joseph Merrick (John Hurt), in de film steevast als John aangeduid, is ondanks zijn ‘monsterlijke’ uiterlijk tot meer menselijkheid in staat dan de meeste mensen in zijn omgeving die zich tegenover hem vaak monsterlijk gedragen.

Uitgebuit
Dat begint al met de kermisexploitant Bytes (Freddie Jones), die John uitbuit en blootstelt aan de verafschuwde blikken van Victoriaans Londen en hem mishandelt. Ook Dr. Treves (Anthony Hopkins), die John op het spoor komt en hem naar zijn werkplek RLH haalt, hoopt in eerste instantie vooral zijn carrière te bevorderen. In een kille collegezaal, gevangen in scherp lamplicht en aangegaapt door Treves’ collegae van het Anatomisch Genootschap, wordt duidelijk dat dit publiek misschien veranderd is, maar niet zijn situatie. Ook de gevierde theateractrice Madge Kendal (Anne Bancroft), die zich middels John wil profileren als barmhartige Samaritaan, brengt geen verandering. Het resulteert slechts in een stoet van societyfiguren die, noblesse oblige, de bescheiden vertrekken van John aandoet. Als de jongeman zich al bewust is van de onoprechtheid van de mensen om hem heen, laat hij hiervan niets merken.

Bij zijn opname in het RLH wordt Merrick opnieuw uitgebuit, ditmaal door een brute nachtwaker (Michael Elphick), die bezopen kroegvolk tegen betaling langs de ‘olifant-man’ leidt. Opnieuw valt John hierna in handen van Bytes, en brengt een kermistournee hem naar Frankrijk. De voortdurende mishandelingen, waaronder Johns gezondheid lijdt, leiden tot een van de mooiste scènes van de film, waarin hij wordt bevrijd door meelijdende kermisfreaks: in een vreemde optocht loodsen zijn hun mede-verschoppeling door een nachtelijk landschap en brengen hem de volgende morgen naar een boot terug naar Engeland. Bij het afscheid drukt een dwerg (Kenny Baker, R2D2 uit de Star Wars-films) John op het hart: ‘Luck, my friend! Luck, and who needs it more than we?’ Lynch maakt hier duidelijk dat de ‘freaks’ tot meer solidariteit en medemenselijkheid in staat zijn dan ‘gewone’ mensen.

The Elephant Man

Gezondheid
Dat blijkt opnieuw in de volgende scène, waarin John tijdens een opstootje op het Londense station in een hoek wordt gedreven. ‘No! I am not an elephant! I am not an animal! I am a human being! I am a man!’, schreeuwt hij. Dit hard bevochten besef van eigenwaarde en identiteit zou John hoogstwaarschijnlijk ontgaan zijn zonder dr. Treves en de positieve ervaringen in diens ziekenhuis. Uitgeput wordt Merrick uiteindelijk weer in het RLH afgeleverd, en opnieuw toevertrouwd aan de goede zorgen van dr. Treves, ziekenhuisdirecteur mr. Carr-Gomm (John Gielgud) en hoofdverpleegster Mothershead (Wendy Hiller).

De gebeurtenissen hebben emotioneel en fysiek veel van John gevergd en zijn gezondheid gaat zienderogen achteruit. Madge Kendal nodigt hem uit voor zijn eerste (en helaas ook laatste) theaterbezoek. Als ze de voorstelling van die avond opdraagt aan haar ‘vriend’ John, is de gereserveerdheid die de actrice werkelijk voelt ten opzichte van hem kort, maar duidelijk van haar gezicht af te lezen. Na zijn theaterbezoek bedankt John Treves voor zijn goede zorgen – beide mannen beseffen dat ze veel aan elkaar te danken hebben. Als John daarop zijn kartonnen model van de vlakbij gelegen kathedraal van St. Philips heeft voltooid, lispelt hij ‘It is finished’ – daarmee tevens zijn zelfgekozen dood aankondigend. Hij besluit liggend te gaan slapen, al beseft hij dat hij hierdoor zal sterven. Zonder de ondersteuning van meerdere kussens voor zijn vergrote, zware schedel zal het gewicht hiervan Johns luchtpijp afknijpen. Op de melancholische tonen van Samuel Barbers Adagio for Strings (zelden effectiever gebruikt in een film) slaapt John Merrick voorgoed in.

Make-up
Dat The Elephant Man zo’n indrukwekkende ervaring is, komt in de eerste plaats door de fenomenale acteerprestatie van John Hurt. Ondanks de grime waarachter het gezicht van de acteur bijna geheel schuilgaat, geeft hij zijn personage warmte, menselijkheid en verfijning. John Hurt bracht per draaidag maar liefst zeven à acht uur door in de grimeursstoel voor het aanbrengen van de door Christopher Tucker ontworpen maskers en make-up, en vijf uur voor het verwijderen ervan. Tuckers werk was zo uitmuntend dat het in belangrijke mate bijdroeg aan de introductie van een Oscar voor make-up effecten, uitgereikt sinds 1982.

The Elephant Man ontving acht Oscarnominaties, en vijf BAFTAS, waaronder beste regie voor David Lynch, en beste cinematografie voor Freddie Francis. Deze tovert in prachtige zwart-wit beelden het Victoriaanse Engeland om in een wereld van duistere indrukken. Hierin is Lynch’ voorliefde voor het bizarre weliswaar aanwezig  – langzaam uitdijende rookwolken, duistere industriële landschappen, droombeelden, nachtmerrieachtige scènes waarin Merricks moeder (Phoebe Nichols) wordt ‘belaagd’ door wilde olifanten – maar als context op de achtergrond. Francis toont zich ook een visuele grootmeester in het weergeven van de uitbundige kermisscènes en het rustige, door gaslicht verlichte RLH. Zijn evocatieve camerawerk ademt onheil en dreiging; fantasie en betovering – typisch ‘Lynchiaanse’ gevoelens die de Victoriaanse wereld van The Elephant Man kenmerken.

The Elephant Man

Cynisch?
Is Lynch’ film in het blootleggen van de hypocrisie, ambivalentie en exploitatiezucht die de wereld toont tegenover de ‘olifant-man’ cynisch? Of is dit simpelweg een weergave van de toen heersende, weinig verlichte moraal ten opzichte van wat als normaal/abnormaal of mooi/lelijk werd gezien? Lynch laat deze keuze grotendeels aan de toeschouwer. Hij is meer geïnteresseerd in hoe mensen zoals Joseph Merrick, wiens uiterlijke verschijning indruist tegen de heersende norm, hun weg vinden in een niet-begrijpende, afwijzende en kleingeestige wereld.

Gezien Merricks liefde voor literatuur is het treffend dat de film afsluit met een citaat uit het gedicht Nothing will Die van Alfred Tennyson, waarin het eeuwige, onvergankelijke en cyclische karakter van de wereld en haar seizoenen wordt bezongen:

Never, oh! Never, nothing will die.
The stream flows,
The wind blows,
The cloud fleets,
The heart beats,
Nothing will die. 

Een volgende strofe uit dit gedicht (niet geciteerd in de film) luidt:

The world was never made;
It will change, but it will not fade
(…)
Nothing was born;
Nothing will die;
All things will change.

Als dit klopt, is de essentie van Joseph Merrick niet vervlogen. Zijn nagedachtenis roept ons op elkaar te beoordelen op wie we zijn, niet op hoe we eruitzien, en open te staan voor datgene dat we niet begrijpen (en dus vrezen). David Lynch’ The Elephant Man is hierin een magistrale richtingwijzer.

 

27 november 2018


ALLE ESSAYS

Mary Shelley

***
recensie Mary Shelley 

Feministe en vrijdenker avant la lettre

door Alfred Bos

Speelfilm over de tienerjaren van Mary Shelley (geboren Godwin), haar relatie met de dichter Percy Bysshe Shelley en diens vriend Lord Byron, en de wording van haar wereldberoemde roman, Frankenstein.

Het minste wat je van een biopic mag vragen is dat de film zich aan de elementaire feiten houdt. Dat zit wel snor met Mary Shelley, de speelfilm van de Saudi-Arabische regisseur Haifaa Al-Mansour over de schrijfster van een van de beroemdste romans uit de wereldliteratuur, Frankenstein; or, The Modern Prometheus. De beslissende jaren uit het nog jonge leven van de auteur – Shelley was 18 toen ze Frankenstein schreef – en haar omgang met de literaire kopstukken in het Engeland van haar tijd, de vroege negentiende eeuw, worden als kostuumdrama op het filmdoek gebracht.

Mary Shelley

En aan drama geen gebrek in het leven van Mary Shelley. Moeder, filosofe en eerste feministe Mary Wollstonecraft, overleden in het kraambed. Opgevoed door haar vader, de politiek filosoof, uitgever en boekhandelaar William Godwin, in de film vertolkt door Stephen Dillane. Eerste kind, gebaard op haar zeventiende, kort na de geboorte overleden. (Ook haar twee volgende kinderen overleden op zeer jeugdige leeftijd, maar dat valt buiten het kader van de film die stopt na de publicatie van Frankenstein in 1818.)

Daar bleef het niet bij. Affaire met de getrouwde dichter Percy Bysshe Shelley (verdronken in 1822), die tevens haar zus Claire Claremont bezwangerde. Financiële nood. Tegengewerkt door het literaire establishment. Maar ondanks al die tegenslag en misère: succes. Opgevoed als intellectueel en belichaming van de Verlichting, was Mary Shelley de eerste vrouwelijke auteur die via haar pen een onafhankelijk bestaan kon opbouwen.

Verlatingsangst
Als een biopic meer wil zijn van een verfilmde Wikipedia-pagina is het mooi als de film ook iets van een visie op zijn onderwerp heeft, of een andere (nieuwe?) kijk op dat leven biedt. Al-Mansour suggereert dat Shelley’s vrees om emotioneel in de steek te worden gelaten – in haar geval door naaste dierbaren die overlijden – een rol in de schepping van haar wereldberoemde roman heeft gespeeld. Aldus valt Frankenstein niet te lezen als het verhaal van de mens die voor god speelt en leven maakt uit dode materie, maar als de zielsklacht van een schepsel in existentiële nood, bang om afgewezen te worden. Die uitleg is zo gek nog niet; het maakt duidelijk hoeveel diepgang Shelley’s roman heeft en hoe rijk het boek is aan (nog steeds actuele en prangende) ideeën.

Tegenwoordig is Mary Shelley een rolmodel voor jonge vrouwen – ze werd door Percy Shelley ontmaagd op het graf van haar moeder, hoe cool is dat? Dat toont de film dan weer niet – en ze kan worden gezien als een van de eerste moderne denkers, ze was als onafhankelijke geest haar tijd ver vooruit. De kring rond de Engelse dichters uit de periode die in de literatuurgeschiedenis bekend staat als de Romantiek (eind achttiende, begin negentiende eeuw) legde de basis voor de levensvisie en levensstijl van de latere bohemiens in Frankrijk, en, in de twintigste eeuw, de Amerikaanse beatniks. Daar gaat deze film uiteraard niet over, maar iedere hippie, punk of vrijdenker kan zich in Mary Shelley herkennen.

Mary Shelley

Hypocriete vrijdenkers
Deze biopic past dus perfect in het #metoo-tijdperk. De film besteedt relatief weinig aandacht aan de beroemde ontstaansgeschiedenis van Frankenstein: in 1816 geschreven tijdens een verregende vakantie in een villa aan het meer van Genève, waar Mary (Elle Fanning) en Percy (Douglas Booth) te gast waren bij Lord Byron (Tom Sturridge) en diens lijfarts John William Polidori (Ben Hardy); de laatste schreef tijdens die gelegenheid het klassiek geworden vampierverhaal The Vampyre, gepubliceerd op naam van – godbetert – Lord Byron.

Meer aandacht is er voor de emotionele en amoureuze relaties tussen Mary en Percy, en Lord Byron en Mary’s zus Claire Claremont (Bel Powley). Byon wordt neergezet als seksistische narcist (‘vrouwen hebben minder verbeelding dan mannen’) en abjecte philanderer die vrouwen beschouwt als seksspeeltjes. De Romantische dichters mochten zich dan wel vrijdenkers wanen, als het op de vrije liefde aankwam, waren ze traditioneel hypocriet. Laat je niet foppen door de prachtige kostuums. Zoveel is er in tweehonderd jaar ook weer niet veranderd.

 

20 november 2018

 

ALLE RECENSIES

Bohemian Rhapsody

**

recensie Bohemian Rhapsody

Is this the real life? Is this just fantasy?

door Alfred Bos

Overbodige biopic van de Engelse rockgroep Queen, die een potje maakt van de feiten en de moraliserende vinger heft naar het hedonisme van zanger Freddie Mercury.

Biopics, verfilmde levensverhalen, zijn een problematisch genre. Ze moeten zich – als het even kan – aan de feiten houden en het drama benadrukken. Bohemian Rhapsody, dat het verhaal van de Engelse rockband Queen als speelfilm vertelt, heeft een extra probleem. Op 24 november 1991 overleed zanger Freddie Mercury aan de gevolgen van aids. Maar dat blijft buiten beeld, want de film werkt toe naar de climax, de verbluffende bijdrage van de groep aan Live Aid. En stopt daar.

Bohemian Rhapsody

De feiten: Live Aid vond plaats op 13 juli 1985. In het najaar van 1985 consulteerde Mercury zijn huisarts met klachten die gerelateerd zouden blijken aan besmetting met het aidsvirus. De diagnose werd in het voorjaar van 1987 gesteld. Twee jaar later informeerde hij de andere bandleden. Het is naverteld in het dramadocu The Freddie Mercury Story: Who Wants to Live Forever (2016), met John Blunt in de rol van de Queen-zanger.

Het probleem, Bohemian Rhapsody moet dus schipperen. De feiten rond Mercury’s ziekte – zijn vermoeden, de diagnose en de boodschap aan de andere bandleden – worden geplaatst kort vóór Live Aid. In de jaren tachtig was aids een doodvonnis, er bestond nog geen remedie. Hoe Freddie Mercury daar op reageerde – trots en professioneel, tot de energie echt op was – blijft buiten de film. Bohemian Rhapsody gaat het werkelijke drama zorgvuldig uit de weg.

Valse nicht
Dus moet de film het drama ergens anders vandaan halen. En daarmee vouwt Bohemian Rhapsody zich in een nieuwe knoop, want door te sjoemelen met de feiten suggereert de film dat de zanger voor zijn uitbundige leefstijl werd gestraft met aids en zich daar vervolgens schuldig over voelde tegenover zijn collega’s. Het is puriteins moralisme van de koude grond en – kwalijker – dubieuze spin. Rommelen met de feiten en daar een fantasiebeeld uit koken—Bohemian Rhapsody past in de wereld van het nepnieuws en de alternatieve feiten. Zelfs de herkenningstune van distributeur 20th Century Fox is ‘verqueend’.

Daarmee doet de film, mede geproduceerd door de groepsleden Brian May en Roger Taylor, recht aan zijn problematische voorgeschiedenis. Reeds aangekondigd in 2010, stapte Sacha Baron Cohen uit het project als vertolker van Mercury en regisseur Bryan Singer (de X-Men films) maakte tijdens de productie plaats voor Dexter Fletcher (Eddie the Eagle). De tekst van Bohemian Rhapsody, het nummer, is Mercury’s reflectie over het groeiend besef bij hemzelf over zijn seksuele identiteit, en zijn keuze daarin. Het is altijd dubbel gebleven. Dat is het drama van Freddie Mercury, de film gaat eraan voorbij.

Bohemian Rhapsody focust op het verhaal van Queen tussen 1970 en 1985 dat wordt verteld aan de hand van twee belangrijke relaties in het leven van Freddie Mercury: zijn vriendin en grote liefde Mary Austin (Lucy Boynton) en Paul Pretner (Allen Leech), van 1975 tot 1985 zijn persoonlijke assistent. Die laatste, een controversiële figuur in Queen-kringen, is in de film de kwade genius die de exuberante zanger losweekt van de groep en hem naar zijn ondergang – homoclubs, orgastische feesten, laveloze seks en aids – brengt. Pretner wordt geportretteerd als de spreekwoordelijke valse nicht.

Bohemian Rhapsody

Live Aid
Tijdens de succesjaren van Queen was Mercury’s homoseksualiteit geen probleem, voor pers noch publiek. Het kwam domweg bij niemand op dat de zanger met de operateske stem en de ballerina-achtige podiumpassen de Griekse beginselen zou zijn aangedaan, zelfs niet toen hij zijn snor liet staan en oogde als een clone, het uniform van de New Yorkse gay scene. Het was een act, dacht men, passend bij zijn kleurrijke karakter. Ook de Aziatische afkomst van Freddie Mercury, op Zanzibar als Farrokh Bulsara geboren uit Perzisch-Indiase ouders, was nimmer een punt. Vroeg in de film wordt er gehint op racisme, het voelt onnodig.

We gaan niet zagen over blunders met de tijdlijn: op een feest uit 1980 kan Rick James’ Superfreak niet hebben geklonken want die is van najaar 1981 en tijdens de eerste Amerikaanse tournee van 1974 kan Queen nimmer Hammer to Fall hebben gespeeld want dat is een single uit 1984. Kan gebeuren, stoort niet. Rami Malek, bekend van de tv-serie Mr. Robot, is compleet met gebitsprothese een meer dan overtuigende Freddie Mercury; ook het stemgeluid en de dictie van acteur Gwilym Lee die Brian May vertolkt zijn griezelig natuurgetrouw. Dat is een ster waard.

Maar wat moeten we met een film die de tv-registratie van Queens triomf op Live Aid – vaak genoemd als het beste rockconcert ooit – seconde voor seconde tot in het kleinste detail naspeelt? Wat is het punt? Technisch gezien is het een knap staaltje. Maar waarom op breedbeeld en in Dolby Atmos namaken wat al jaren op YouTube is te zien? Is this the real life? Is this just fantasy? Open your eyes and see: deze escape from reality is volmaakt overbodig.
 

29 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

First Man

***

recensie First Man

IJskonijn wint publiciteitsslag in Koude Oorlog

door Alfred Bos

First Man, de vierde speelfilm van Damien Chazelle (Whiplash, La La Land), wil twee dingen tegelijk. Een persoonlijk portret schetsen van Neil Armstrong, de eerste mens op de maan, en het drama achter het Amerikaanse ruimtevaartprogramma tonen.

De jaren zestig, dat is rock en ruimtevaart. Wat nu sociale media en kunstmatige intelligentie zijn, waren toen The Beatles en het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. De Amerikanen hadden iets te bewijzen, want de Russen waren hen in de ruimte steeds een stap voor. De Koude Oorlog werd in de media uitgevochten en de hoofdprijs in die propagandaoorlog was de maan. Wie daar als eerste zijn vlag plantte, had zijn superioriteit bewezen.

First Man

Nieuws over successen en drama in de space-race was er maandelijks. Hoe krankzinnig de onderneming – in 1962 door president Kennedy afgekondigd – vanuit wetenschappelijk, werktuigbouwkundig en waaghalserig oogpunt was, bleef voor de tv-kijkers en krantenlezers van toen lang onbenoemd. Maar het was heroïsch en een kwart van de wereldbevolking zat aan de beeldbuis gekluisterd toen Neil Armstrong in de nacht van 21 juli 1969 (Nederlandse tijd) zijn schoen in het maanstof plaatste.

Publiciteitsschuwe sfinx
Regisseur Damien Chazelle is, geheel in lijn met zijn onderwerp, ambitieus van zin. Hij wil het drama achter het Amerikaanse ruimtevaartprogramma (Mercury, Gemini, Apollo) van de jaren zestig schetsen. En hij wil Neil Armstrong, de publiciteitsschuwe sfinx, een gezicht geven. De ironie is dat de hele krankzinnige, door blind zelfvertrouwen en pure bluf gestutte onderneming nooit tot een goed einde had kunnen worden gebracht met een diva als held. Armstrong was een koele kikker die ook onder extreme stress nuchter bleef, precies de juiste persoon om het stoerste potje blufpoker van de Koude Oorlog te winnen.

Hij redde tot driemaal toe NASA’s Gemini- en Apollo-programma en daarmee het gezicht van Amerika. Gemini 8, gelanceerd op 16 maart 1966, moest voor de eerste maal twee vehikels in de ruimte aan elkaar koppelen (in de film à la Kubrick begeleid door een walsje). Dat lukte, maar vervolgens begon de combinatie van Gemini-capsule en Agena-docking station vervaarlijk te tollen; Armstrong wist – buiten de kaders denkend – een noodlottige afloop te voorkomen. Op 6 mei 1968 redde hij ternauwernood zijn leven, en de maanmissie, toen ‘het vliegende bed’, een testtype van de maanlander, onbestuurbaar bleek en crashte.

En toen hij in de nacht van 21 juli 1969 in de maanlander, met Buzz Aldrin (Corey Stoll) aan zijn zijde, boven de Mare Tranquillitatis zweefde, op zoek naar een geschikte landingsplaats, had hij nauwelijks brandstof over. Neil Armstrong had ijs in zijn bloed, anders had hij nooit op de maan gestaan. Ryan Gosling, na La La Land opnieuw verenigd met Chazelle, speelt de unverfroren astronaut met de van hem bekende pokerface. Hij heeft van non-acteren zijn specialiteit gemaakt.

Sentimenteel op zijn Spielbergs
Maar Armstrong, de koele ruimtecowboy uit Ohio, is en blijft in First Man een sfinx. Het scenario, gebaseerd op de biografie van James Hansen, tracht warm mensenbloed in het personage van de introverte ingenieur te schrijven. Het gebruikt een incident dat lang uit de publiciteit is gebleven en ook niet wordt vermeld op Armstrongs uitgebreide Wikipedia-pagina. In 1962 overleed zijn driejarige dochter Karen aan kanker, net op het moment dat hij als eerste civiele testpiloot toetrad tot NASA’s groep van toekomstige astronauten, allen voormalige testpiloten van marine en luchtmacht.

De spanning tussen de macho’s, de militaire vliegers, en de – in hun ogen – mietjes van de universiteit had First Man volop drama kunnen geven. Chazelle kiest er evenwel voor om Armstrong in stilte te laten rouwen en Karens armbandje als eerbetoon op de maan achter te laten. Historisch correct of Hollywood fantasie—het smaakt als Steven Spielberg op zijn smalst (hij is co-producent van de film). In de slotscène herenigen Armstrong, in quarantaine na zijn buitenaardse reis, en diens vrouw Janet (de Engelse actrice Claire Foy) zich zonder woorden. Het voelt als vals sentiment, ijskonijn Armstrong is domweg niet het meest uitgelezen personage voor filmdrama.

First Man

Technische triomf
Méér drama was te filteren geweest uit de persoonlijke verhoudingen tussen de astronauten; de spanning tussen de macho’s en de mietjes; de onderlinge wedijver; de buitengesloten echtgenotes; de drank en de pillen; de dodelijke ongelukken. In dat opzicht blijft First Man achter bij The Right Stuff, Philip Kaufmans film uit 1983 over testpiloot Chuck Yeager en de eerste jaren van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. De race naar de maan wordt meer in detail en met meer diepgang verteld in From the Earth to the Moon, de door Tom Hanks geproduceerde tv-serie uit 1998.

Chazelle’s film ziet er prachtig uit. Als in Christopher Nolans Dunkirk plaatst hij de camera in de besloten ruimte van de cockpit en beleeft de kijker de druk en de claustrofobie van de piloot; overdadige close-ups, snelle montage en nerveuze cameravoering suggereren stress. De lanceringen zijn spectaculair, alles trilt en dreunt (met dank aan het sound design in Dolby Atmos). In technisch opzicht is First Man een triomf, qua psychologie echter een natte vuurpijl. Macho’s zijn in het #MeToo-tijdperk niet geliefd. Maar met metro’s waren we nooit op de maan gekomen.
 

14 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Living the Light

***

recensie Living the Light

Altijd onderweg uit liefde voor licht

door Rob Comans

De cinematografie van director of photography Robby Müller was van invloed op films, filmmakers en cameramensen. Regisseur Claire Pijman brengt in Living the Light – Robby Müller een ode aan de even gedreven als bescheiden vakman, en geeft een zeldzaam inkijkje in zijn persoonlijke leven.

De Nederlandse cameraman Robby Müller was letterlijk beeldbepalend voor een generatie van cineasten, collega-cameralieden en filmliefhebbers. De in juli van dit jaar overleden director of photography werkte in zijn ruim veertigjarige loopbaan (soms meermaals) samen met regisseurs zoals Wim Wenders, Jim Jarmusch, Lars von Trier, William Friedkin, Alex Cox en Steve McQueen. De films waar Müller zijn visuele stempel op drukte waren al niet minder indrukwekkend, zoals Der Amerikanische Freund (1977), Paris, Texas (1984), Repo Man (1984), Down by Law (1986), Bis ans Ende der Welt (1991), Dead Man (1995), Breaking the Waves (1996) en Ghost Dog: The Way of the Samurai (1999).

Living the Light

Regisseur Claire Pijman brengt in haar documentaire Living the Light – Robby Müller een ode aan Müller en zijn visuele nalatenschap, en schetst een intiem portret van de zoon, vader en partner die Robby Müller ook was. Voor het maken van haar film kreeg de regisseur toegang tot Müllers persoonlijke archief en kon beschikken over duizenden Hi8-videodagboeken, persoonlijke beelden, setopnamen, polaroidfoto’s en originele scenario’s die hij gedurende zijn carrière verzamelde. Daaruit ontstaat een beeld van een gedreven man die van zijn naasten hield, maar zijn camera zelden neerlegde en de nomadische levensstijl die bij filmen hoort, omarmde.

Nadruk op beelden
We leren Robby Müller kennen aan de hand van filmfragmenten, persoonlijke interviews, en verhalen en anekdotes van regisseurs, collega’s en familieleden. Eén daarvan is regisseur Jim Jarmusch, die samen met instrumentalist Carter Logan de film van een atmosferische soundtrack voorziet. Daarnaast maakt Pijmans filmisch essay veelvuldig gebruik van door Müller zelf geschoten beelden. Deze keuze ontstond deels uit noodzaak, omdat Müller later in zijn leven zijn spraakvermogen verloor. Door deze nadruk op beelden kent de film soms een hoge mate van abstractie die niet iedereen zal liggen, maar wel duidelijk maakt dat Müller altijd bezig was met zijn werk. In video-opnamen en foto’s legde hij voortdurend bewegingen, lijnen, patronen, en lichtschakeringen vast die zijn filmische visie, kadrering en gebruik van licht inspireerden.

Zijn liefde voor licht leverde Müller vergelijkingen op met schilders als Johannes Vermeer, zijn werk voor Im Lauf der Zeit (1976) werd geïnspireerd door de fotografie van Walker Evans. Het werk van schilder Edward Hopper vormde daarentegen een belangrijke inspiratie voor de visuele stijl van Der Amerikanische Freund (1977).

Living the Light

Bedrieglijke eenvoud
Naast een uitgesproken gevoel voor licht, waren eenvoud en het gevoel dat een beeld moest uitdrukken bepalend voor Müllers manier van werken. Maar deze eenvoud was slechts ogenschijnlijk: tijdens opnamen voor de film Barfly (1987) waren Müller en zijn belichtingsvoorman Frieder Hochheim maar liefst vier uur in de weer om een set uit te lichten. Dit werd zo geraffineerd gedaan dat regisseur Barbet Schroeder zich geërgerd afvroeg wat ze in hemelsnaam al die tijd hadden uitgevoerd.

DoP Agnès Godard roemt Müllers gebruik van een diopter, een lens die hem tijdens het filmen van Paris, Texas (1984) in staat stelde zowel voor- als achtergrond scherp in beeld te krijgen, hetgeen zijn beelden een schilderachtige helderheid gaf. Daarnaast besteedde Müller veel aandacht aan het kleurenpalet van de film dat in soms zonovergoten en uitgebleekte tinten, dan weer heldere, verzadigde kleuren het gevoel van ontworteldheid ving, wat essentieel voor de film is.

Regisseur Wim Wenders vertelt hoe de intensieve, langdurige opnameperiode van Bis ans Ende der Welt (1991) een tijd lang een zware wissel op zijn vriendschap met Müller trok. In de creatieve radiostilte die hiervan het gevolg was werkte Müller onder andere met regisseur Jim Jarmusch aan Dead Man (1995). In 1996 ging Müller met regisseur Lars von Trier in zee. Tijdens het werken aan diens films Breaking the Waves (1996) en het latere Dancer in the Dark (2000) experimenteert Müller met een lossere, 360° filmstijl en digitale technieken.

Naast de vakman eert Claire Pijmans documentaire de mens Robby Müller, en doet dat op een manier die de man zelf tekende: trefzeker, liefdevol en oprecht.
 

 16 september 2018

 
MEER RECENSIES