Traditore, Il

****
recensie Il Traditore

De maffiabaas en de rechter

door Cor Oliemeulen

Het zijn vooral de charismatische antihelden die maffiafilms onverminderd populair maken. Zelfs hun rol als verklikker kan op veel bijval rekenen. Il Traditore schetst de bewogen geschiedenis van Tommaso Buscetta, de eerste Italiaanse maffiabaas die vrede sluit met de rechterlijke macht.

Het grote feest aan het begin van Il Traditore doet heel even denken aan dat van de maffiaklassieker The Godfather (1972). Maar waar Don Corleone in het New York van de jaren veertig van de vorige eeuw vreugdevol de bruiloft van zijn dochter viert, terwijl de ene na de andere gast onderdanig diens hand kust, broeit het tijdens het samenzijn van maffiafamilies enkele decennia later op Sicilië. De Cosa Nostra, die zich aanvankelijk had beziggehouden met vooral sigarettensmokkel, is overgestapt naar de veel winstgevendere drugshandel. Met alle gevolgen van dien.

Il Traditore

Maffiaoorlog
De meedogenloze Corleonesi, onder leiding van Toto Riina, verklaren de oorlog aan zowel overheidsdienaars als aan de concurrerende maffiabaas Tommaso Buscetta, die uitwijkt naar Brazilië. Al eerder was hij naar dat land gevlucht nadat hij in Italië bij verstek was veroordeeld voor twee moorden. Hij ondergaat er plastische chirurgie, ontmoet zijn derde vrouw, krijgt vier kinderen van haar en leidt vanuit Rio de Janeiro een internationale drugshandel.

Ondertussen heeft hij lijdzaam moeten vernemen hoe de Corleonesi twee van zijn andere zoons hebben vermoord, alsook een broer, zwager en vier van zijn kleinkinderen. Nadat hij uiteindelijk na een arrestatie wordt uitgeleverd aan Italië en hij zichzelf heeft proberen te vergiftigen, zoekt Buscetta contact met onderzoeksrechter Giovanni Falcone om als eerste maffiakopstuk de omerta (zwijgplicht) te verbreken, de structuur van de maffia te onthullen en te gaan getuigen tegen zijn oude maatjes. Dat leidde tot het historische anti-maffiaproces (vol hilarische toestanden met als beesten gekooide verdachten achterin de rechtszaal) in Palermo van 1986 tot 1992, waarin meer dan 475 maffiosi werden aangeklaagd en veel kopstukken van de Cosa Nostra levenslang achter de tralies zouden verdwijnen.

Onderbroek
De geschiedenis van Il Traditore (de verrader) is in uitstekende handen van Marco Bellocchio, wiens rol in de Italiaanse cinema altijd wat onderbelicht is gebleven. De inmiddels 80-jarige filmmaker maakte met Vincere (2009) niet alleen een schitterend melodrama over de opkomst en glorietijd van dictator en ‘mens’ Mussolini, ook portretteerde hij bijvoorbeeld even intens enkele leden van de Rode Brigade en hun geruchtmakende ontvoering van oud-premier Aldo Moro en diens moord in 1978.

Il Traditore

Ook in Il Traditore weet Bellocchio de Italiaanse bevolking een spiegel van die tijd voor te houden met dikke uitroeptekens achter de rol van burgers, kerk en politiek. Zo zet hij Moro’s opvolger, Guilio Andreotti, als een uiterst eng mannetje neer. Veelzeggend is de scène waarin de christendemocratische minister-president in zijn onderbroek rondloopt bij de Corleonesi om daar een nieuw pak aangemeten te krijgen.

Fragmentarisch
Il Traditore is een, soms te fragmentarische, geschiedenis van de charismatische verklikker Buscetta die ondanks de lengte van tweeënhalf uur door de abrupte montage niet altijd goed te volgen is. Bellocchio wisselt zoals zo vaak drama af met korte archiefbeelden en droomsequenties, waarvan Buscetta’s nachtmerrie dat hij sterft en door zijn dierbaren in een doodskist wordt gelegd het meest poëtisch en beklemmend is.

Het biografische misdaad- en rechtbankdrama wordt vooral gedragen door titelvertolker Pierfrancesco Favino (Le confessioni), die na lang zoeken volgens Bellocchio qua acteren als enige de vergelijkingstoets met Marlon Brando in The Godfather wist te doorstaan. Door zijn innemende optreden zou je bijna vergeten dat de narcistische Buscetta beslist geen lieverdje was. Dat hij seksueel ontembaar was, nemen we graag voor lief, maar met zijn heroïnehandel stortte hij vooral veel jongeren, onder meer een van zijn zoons, in diepe ellende. In dat opzicht had de uiterst moedige rechter Falcone (Fausto Russo Alesi: Sweet Dreams) veel meer lof en aandacht verdiend. Maar zo’n rechtschapen personage is natuurlijk veel minder interessant dan een wetteloze maffioso.

 

10 januari 2020

 

ALLE RECENSIES

Marianne & Leonard: Words of Love

****
recensie Marianne & Leonard: Words of Love

Captain Mandrax op de loop voor leven en liefde

door Alfred Bos

De film van de Britse documentairemaker Nick Broomfield over de romantische relatie van de Canadese singer-songwriter Leonard Cohen en diens Noorse muze Marianne Ihlen is soms pijnlijk intiem en vaak pijnlijk eerlijk.

Hij was de dichter van de quasi-depressieve vrouwen van zijn tijd, aldus zijn producer. Leonard Cohen – singer-songwriter, zanger, gitarist, schrijver, maar vooral dichter – maakte donkere muziek voor mensen met een donkere ziel. Nick Cave, zelf geen toonbeeld van joi de vivre, ziet hem als zijn grote voorbeeld. Halleluja, Cohens befaamdste compositie, is hemelse grafmuziek. Op zijn tong smaakt melancholie als ambrosium.

Marianne & Leonard: Words of Love

Leonard Cohen (1934-2016) had zijn tijd mee. Hij was een romanticus in een rationele eeuw, maar net toen hij besloot om als zingende dichter zijn brood te verdienen omdat het schrijven van romans geen kruimel betaalde, zette een culturele revolutie de ideeën over vrijheid en levensvervulling op de kop. Cohen is geen product van de tegencultuur van de jaren zestig, eerder het uithangbord dat ook het culturele establishment kon behagen.

Leonard Cohen had meer mee. Geboren in Montreal, Canada als zoon van een welgestelde Joodse familie. Opgegroeid in een cultureel milieu. Opgeleid als student letteren. Een elegante man met een markante kop en een donkere stem—in combinatie met zijn poëtische ziel woest aantrekkelijk voor vrouwen. Hij brak harten met een flair die voor vergelijkbare hippieminstrelen als James Taylor en Cat Stevens onbereikbaar is gebleken. Zie ze backstage zwijmelen aan zijn voeten, Cohens gêne is vertederend.

Zuurstof voor mannelijk vuur
Maar als de documentaire Marianne & Leonard: Words of Love één ding duidelijk maakt, is het dat Leonard Cohen niet was geboren voor het geluk dat al die meevallers doorgaans brengen. Hij werd gedreven door existentiële onrust. Cohen speelde regelmatig en voor eigen plezier in instellingen voor geesteszieken. Zijn moeder was zo gek als een deur, volgens mensen die haar hebben gekend. Hij was op de loop voor zichzelf.

Marianne & Leonard: Words of Love

Vrouwen zijn het favoriete gezelschap van Leonard Cohen en staan centraal in zijn leven, blijkt uit de film van de Britse documentairemaker Nick Broomfield (1948). Vrouwen als prikkelend gezelschap, als zuurstof voor mannelijk vuur, als muze. Marianne & Leonard: Words of Love vertelt het verhaal van de Canadese dichter-zanger en diens grote liefde, de Noorse Marianne Ihlen (1935-2016). Ze is het onderwerp van So Long, Marianne; het lied Bird on a Wire is tot haar gericht. Marianne had de zorg voor het huishouden terwijl Leonard op het Griekse eiland Hydra zijn romans The Favourite Game (1963) en Beautiful Losers (1966) schreef. Ook toen ze uit elkaar waren, hielden ze contact.

Broomfield neemt, al is het zijdelings, deel aan de vertelling. Hij had een affaire met Marianne en bleef met haar bevriend. Aldus behoort de regisseur tot de kring van intimi en het geeft hem toegang tot persoonlijk, niet eerder vertoond beeldmateriaal en brengt insiders voor de camera die ongeremd – en niet altijd even vleiend – hun indrukken en herinneringen verwoorden. Veel dichter op de huid van de bronstige bard en diens muze zullen we als buitenstaander niet komen.

Ontsnappen aan het leven
De documentaire is meerdere films ineen. Hij schetst de geliefden en hun relatie. Het is tevens een biografisch portret en graaft naar Cohens beweegredenen. En hij geeft in het voorbijgaan een minidocumentaire over Hydra, het paradijselijke eiland in de Egeïsche Zee waar Cohen in 1960 een woning kocht. Het was een toevluchtsoord voor existentialisten en artistieke bohemiens, de Europese tegenhangers van de beatniks en voorlopers van de hippies. Ze waren “vluchtelingen”, aldus Marianne Ihlen. Het liep zelden goed af, Cohen is een uitzondering. Ihlens biografe Helle Goldman: “Er was teveel vrijheid op Hydra.”

De ontsnapping – aan een academische loopbaan, een burgerlijk bestaan, een bindende liefde, het leven zelf? – staat centraal in de film. Het is een terugkerend motief in het werk van Cohen, denk aan The Partisan: “the frontiers are my prison”. De depressies, waarin hij werd verteerd door twijfel grenzend aan zelfhaat, worden in poëzie gegoten: ‘I stepped into an avalanche, it covered up my soul’ (Avalanche, van Songs of Love and Hate, gecoverd door Nick Cave). Het succes als zingende dichter viel hem in de schoot. Maar hij was niet gemaakt voor een carrière in de muziekindustrie, meent gitarist Ron Cornelius, jarenlang Cohens vaste begeleider.

Marianne & Leonard: Words of Love

Romantiek op zijn meest romantisch
Dichters – en creatievelingen in het algemeen – zijn geen goede echtgenoten, merkt Aviva Layton, de vrouw van een huisvriend, op: ze zijn getrouwd met hun muze. De gave van Leonard Cohen was dat hij goed kon luisteren en vrouwen het gevoel gaf aantrekkelijk te zijn. Dat stofgoud streek ook neer op Marianne Ihlen, toen ze hem als gescheiden vrouw met baby en minderwaardigheidscomplex ontmoette op Hydra. Ze kwam gebutst maar ongebroken uit de langzaam dovende knipperlichtrelatie met Cohen, altijd die ene maar nimmer de enige. Het verhaal van Marianne en Leonard is romantiek op zijn meest romantisch, maar zoon Alex betaalde de tol voor de passie.

Het verhaal van Captain Mandrax, zoals zijn bijnaam rond 1970 luidde, en zijn Noorse nimf wordt tamelijk abrupt schetsmatig wanneer Marianne Ihlen is teruggekeerd naar Oslo. Zij hertrouwt en leidt een anoniem maar gelukkig bestaan als secretaresse. Hij raakt in een crisis, het briljante Halleluja wordt afgewezen door de platenmaatschappij en hij trekt zich terug in een klooster. Financieel aan de grond wanneer zijn manager zijn persoonlijke vermogen blijkt te hebben verduisterd, maakt hij een verbluffende comeback en groeit uit tot de artistieke opa die iedereen zich wenst.

Marianne Ihlen overlijdt op 27 juli 2016. Cohen stuurt haar een liefdevol en ontroerend afscheidsbericht. De filmkijker ziet Marianne op haar sterfbed terwijl de woorden van haar voormalige amant worden voorgelezen en het is een knappe jongen die zijn kaken strak weet te houden. Hij overlijdt amper drie maanden later. Het is het sobere slot van een film over een diepgevoelde liefde en de man die die liefde liet schieten voor “an education in the world”. Marianne & Leonard: Words of Love is niet de definitieve documentaire over Leonard Cohen, wel de intiemste. En wellicht de raakste. So long, Leonard.

 

7 januari 2020

 

ALLE RECENSIES

Elvis: That’s the Way It Is

*****
recensie Elvis: That’s the Way It Is 

Eén been in Memphis, het andere in Las Vegas

door Alfred Bos

Elvis Presley’s tweede live-registratie vangt de zanger op een kantelpunt in zijn carrière. Het is een magisch moment.

Elvis: That’s the Way It Is is de eerste niet-speelfilm in de loopbaan van The King. De film documenteert een serie optredens van augustus 1970 in het International Hotel in Las Vegas, inclusief de voorbereidingen van de concertreeks. De film van regisseur Denis Sanders verscheen in november van dat jaar in de Amerikaanse bioscoop, gelijktijdig met de gelijknamige langspeelplaat, Elvis’ twaalfde. In 2001 werd een opnieuw gemonteerde versie uitgebracht: minder documentaire en meer concertfilm. In 2007 volgde de dvd. Op 8 januari, de verjaardag van Presley, draait de film, voor het eerst en voor één dag, in de versie van 2001 in de Nederlandse bioscoop.

Elvis: That’s the Way It Is

Voor zijn fans, en muziekliefhebbers in het algemeen, is dat een buitenkans, want Presley heeft nooit buiten Amerikaans grondgebied opgetreden. (We tellen de hologramconcerten niet mee, dat spreekt.) De tv-registratie Elvis: Aloha from Hawaii van 4 april 1973 – die via satelliet naar de kijkers van betaaltelevisie werd uitgestraald – laat een showbizz-ster zien die druk doende is zijn publiek, maar vooral zijn manager te behagen.

Elvis: That’s the Way It Is toont Elvis op een vork in zijn loopbaan en leven. Hij is 35 jaar oud, een gelouterde ster. Hij is ook een overrijpe vrucht, smaakvol en sappig; op zijn beste moment, kort voor de rot inzet. Met zijn ene been staat hij nog in Memphis, met het andere in Vegas. Het is een onmogelijke pose, zijn karate-splits kunnen het nakende bederf niet verhullen. Zijn cool staat op het punt van smelten.

Creatief bevrijd
Maar nu nog even, heel even niet, in het strijklicht van het uur voor zonsondergang wordt alles goud. In de zomer van 1970 was Elvis nog steeds bevrijd. Van het bestaan van een idool dat wordt geleefd door management en entertainmentindustrie. Van het juk van zakelijke verplichtingen en veilige keuzes. Van een verloederde reputatie. Met Elvis: The Comeback Special had hij op 3 december 1968 in een uur tv-tijd zijn faam én creatieve ruimte teruggewonnen.

Met als resultaat: het beste album uit zijn carrière, From Elvis In Memphis, een plaat waarop country, soul, gospel en rock versmelten. Plus een reeks hits, waaronder In The Ghetto, Suspicious Minds, zijn eerste Amerikaanse nummer 1-hit in zeven jaar, en The Wonder of You, nummer 1 in Engeland. En een terugkeer naar het podium. De verloren jaren in Hollywood en een eindeloze reeks steeds lamlendiger exploitatiefilms waren voorbij.

Elvis: That’s the Way It Is

Op 31 juli 1969 stond Elvis voor de eerste keer sinds 1956 op een podium in Las Vegas, dat van het International Hotel. Op dat engagement van vier weken volgden halfjaarlijkse verplichtingen in Vegas, daags na zijn terugkeer in Vegas onderhandeld door zijn manager: jaarlijks in februari en augustus een maand lang twee shows per dag in het International. Zakelijk gezien een briljante zet – het publiek reist naar de artiest, niet andersom – maar al snel een verstikkende sleur, zou blijken.

Aanstekelijke energie
Van sleur is nog weinig te merken in de aanloop naar de concerten van augustus 1970, zijn derde reeks in Vegas. We zien Elvis grollen tijdens de repetities in Culver City, Californië. Hij is het centrum van de aandacht. Zijn band, onder leiding van gitarist James Burton, volgt gedwee. Hij doet een geweldige Little Sister (een B-kant uit 1961). Hij stoeit met Words van de Bee Gees en Get Back van The Beatles. Hij doet wat in hem opkomt. Hij wipt rusteloos met zijn been. Heeft Elvis ADHD? Zijn energie is aanstekelijk. Zijn overhemd oogverblindend. Elvis bruist. Hij is de god die alle vrouwen en veel mannen in hem zien.

Hij stoeit met de jongens en is hoffelijk tegen de meiden, de soulzangeressen van The Sweet Inspirations die met de mannen van The Imperials zijn gospelkoor vormen. Tijdens de zaalrepetities klinken ze prominent in Bridge Over Troubled Water en even is de hotelzaal een kerk. Eenmaal in zijn karateshowkostuum gehesen – speciaal voor hem ontworpen door Bill Belew, de man die hem in het leer stak voor de comeback-tv-special – blijft hij ook voor een zaal met filmsterren, opgedirkte huisvrouwen van onbestemde leeftijd en gehypnotiseerde bakvissen de charme zelve. Er is tijd voor een kussessie met vrouwelijke fans.

Elvis heeft er trek in. Hij weet wie hij is en wat men van hem verwacht. Hij zingt hits van toen (Heartbreak Hotel), hits van nu (In The Ghetto) en toekomstige hits (Dusty Springfields You Don’t Have to Say You Love Me). Hij stoeit met broeierige soulrock, Poke Salad Annie. De majestueuze countrygospel van Just Pretend doet de studioversie (van het album Elvis: That’s the Way It Is) vergeten. Hier klinkt een reus.

Elvis: That’s the Way It Is

Onmogelijke spagaat
Op 10, 11, 12 en 13 augustus van 1970 (de dagen waarop Elvis: That’s the Way It Is werd gedraaid) is Elvis nog even de muziekfan die door de wereld werd aanbeden als popidool en sekssymbool. Maar wie goed luistert, hoort het onheil naderen. De rock, country, gospel en soul worden geserveerd naast muzikaal fondant, gladgestreken middle of the road-repertoire als het weeïge The Wonder of You en de orkestrale pop van You Don’t Have To Say You Love Me. De powerballad lonkt.

En wie goed kijkt, kan de eerste glimp van verval niet ontgaan. De rockheld van weleer staat op het punt plaats te maken voor de allemansvriend die in Las Vegas audiëntie houdt. Roots-muziek en gepolijst entertainment, het gaat niet samen. Maar ergens middenin die veeleisende spreidsprong doet Elvis Presley in de tweede week van augustus 1970 op het podium van het International Hotel een laatste, onmogelijke spagaat.

Hij is de Elvis van zijn toenmalige tienerpubliek, dertigers inmiddels. Hij is de herboren Elvis van de Comeback Special, de Elvis op de toppen van zijn kunnen. En hij is de Elvis die, gehuld in rhinestonepakken, langzaam zal wegzinken in pillenverneveling, junkfood-postuur en middelbare leeftijd; de Elvis die een karikatuur van zichzelf werd. Hij is al die Elvissen op dat ene, door goudlicht bestreken moment dat door Denis Sanders op film werd gevangen. Het is pure magie.

 

4 januari 2020

 

ALLE RECENSIES

Anton Corbijn over Spirits in the Forest

Anton Corbijn over Spirits in the Forest:
“Depeche Mode is een enorme cultband”

door Alfred Bos

Met Spirits in the Forest heeft Anton Corbijn zijn derde concertfilm van Depeche Mode gemaakt. Het is een mengvorm van concertregistratie en documentaire over fans van de groep. ”Die fans zijn een fenomeen.”

Anton Corbijn (Strijen, 1955) is al meer dan dertig jaar de hoffotograaf van U2 en Depeche Mode. Control, zijn speelfilm uit 2007 over Ian Curtis, zanger van de Britse new waveband Joy Division, verhief de cultgroep tot stijlicoon en vestigde hun reputatie als klassieke rockact. Sindsdien is Corbijn naast wereldvermaard fotograaf tevens gevierd cineast. Met George Clooney maakte hij de eigentijdse western The American, voor de verfilming van John le Carré’s spionagethriller A Most Wanted Man werkte hij met Philip Seymour Hoffman en met Life richtte hij zijn lens op de door Corbijn bewonderde fotograaf Dennis Stock, die in 1955 een aantal klassiek geworden portretten van James Dean schoot.

Spirits in the Forest

Zijn nieuwe film is een concertfilm annex documentaire over Depeche Mode. In 1986 regisseerde hij zijn eerste videoclip voor het Engelse synthipopkwartet en sindsdien is hij de vaste regisseur van hun clips en andere visuele uitingen; ze zijn bepalend gebleken voor het imago van de groep. Spirits in the Forest is niet de eerste concertregistratie die Corbijn over Depeche Mode heeft gemaakt. In 2002 verscheen de dvd One Night In Paris, in 2014 Live in Berlin.

Spirits in the Forest verschijnt niet op dvd, maar in de bioscoop. De registratie documenteert de concerten in de Waldbühne, een sfeervol openluchttheater in Berlijn, waar Depeche Mode in juli 2018 zijn anderhalf jaar durende Global Spirit-tournee afsluit. De film volgt tevens een half dozijn fans. Hoe is het idee ontstaan?

Corbijn: “Ik ontwerp al 25 jaar het podium voor de groep. Ik wil daar eigenlijk altijd een registratie van hebben, want als de tournee voorbij is, is het weg. Ik doe ook de films die tijdens de concerten worden geprojecteerd. Ik suggereerde om weer een dvd te doen, maar zij stelden dat de markt daarvoor een beetje weg is. Ze hadden niet de behoefte aan weer een live-film, dat werd een beetje repetitief.”

“Band en management kwamen op het idee om iets met de fans te doen. Depeche Mode is zo’n enorme cultband. Ze zijn zo groot als U2, maar dat houden ze heel stil. Ze spelen zelden in stadions, je hoort er veel minder over. De Global Spirit-tournee die vorig jaar is afgelopen, is de grootste tournee die ze ooit hebben gedaan. Het is ook hun meest succesvolle tour ooit. Er zijn fans die hen volgen op die toer, die fans zijn een fenomeen.”

Anton Corbijn (Foto: Stephan Vanfleteren)

Anton Corbijn (Foto: Stephan Vanfleteren)

Meer dan één generatie fans
In 1989 regisseerde D.A. Pennebaker de eerste concertfilm rond Depeche Mode, 101, de registratie van het afsluitende, honderd-en-eerste concert van hun toenmalige wereldtournee, in het Rose Bowl Stadium in Pasadena, Californië.

Corbijn: “Dat was voor de groep toen het grootste concert dat ze tot dat moment hadden gedaan. De film ging over een bus fans die naar Pasadena reisde. Dit keer wilde ik fans die een verhaal hadden. Fans voor wie Depeche Mode centraal staat in hun leven.”

Hoe zijn die fans gevonden en waarop zijn ze geselecteerd?

“Aan het begin van de tournee heeft de groep een Facebook-pagina geopend. Die pagina werd elke dag door iemand anders beheerd. Fans konden zich aanmelden en schrijven waarom zij daarvoor in aanmerking kwamen. Dat gaf de groep een archief van duizenden fans die allemaal hun reden hebben waarom Depeche Mode belangrijk voor hen is. Daaruit is geselecteerd. We wilden diversiteit in cultuur en geografische spreiding.”

“Depeche Mode heeft veel jonge fans, dat is heel apart. Wellicht zijn het de teksten over seks en geloof waar veel mensen zich in kunnen vinden. Ook jonge mensen. Dat zie je in de film terug. Het publiek van de groep omvat meer dan één generatie.”

Waarom is er gekozen voor het slotconcert van de tournee, in Berlijn?

“Praktische redenen: kosten, schema’s. Ik wilde ook graag twee concerten op dezelfde locatie filmen. Dan heb je extra materiaal, dat is zekerder. Al heb ik maar één optreden echt gefilmd. De eerste nacht heb ik met iemand anders zelf ook nog beeld gedraaid, dan kun je posities innemen waar anders iemand met een camera in het kader zou hebben gestaan.”

“Ik vond zelf de Waldbühne in Berlijn altijd een prachtige locatie. Je gaat naar het bos om een concert te zien. Dat is toch anders dan al die sportstadions. Er kunnen iets van zestien- tot achttienduizend mensen in, maar het heeft toch iets intiems. Ik kende het, ik ben er vaker naar concerten geweest. Daar is de filmtitel van afgeleid.”

Muziekbiopics
Spirits in the Forest wordt op een afwijkende, relatief nieuwe manier gedistribueerd. De film is op één avond wereldwijd in een select aantal cinema’s te zien, zoals dat al enige jaren gebeurt met opera- en balletvoorstellingen. Het biedt een tussenvorm tussen thuis virtueel een optreden meemaken en fysiek aanwezig zijn bij een concert.

Corbijn: “Nick Cave en Metallica hebben het ook al gedaan, Coldplay idem. Het is winstgevend, men wil de kosten terugverdienen. Nu dvd’s niet meer zo goed verkopen, is het een leuke manier, omdat je als kijker toch een gemeenschappelijke ervaring hebt in de bioscoop. Dat is toch anders dan thuis in je eentje op de laptop of tv naar zo’n registratie te kijken. Het is geen vervanging van het concert, maar het komt er wel dichterbij dan thuis iets zien.”

Spirits in the Forest

Muziek is momenteel erg populair in de bioscoop: muziekbiopics, concertfilms, documentaires over muzikanten en artiesten. Daar heb jij tien jaar geleden ook aan meegedaan met Control. Heb jij een verklaring voor het feit dat muziek zo hot is in de cinema?

“Nee, niet helemaal. Queen en Elton John zijn entertainment geworden. Dat was Control niet helemaal. Dat is ook een cultfilm, The Independent noemde het de beste biopic. Het probleem van films als Bohemian Rhapsody is dat ze als film niet goed zijn, maar hele goede muziek hebben. Daardoor vindt iedereen het een te gekke film. Dat had je vroeger al met videoclips: als je een slechte clip had bij een goed nummer, vond iedereen het een goede videoclip.”

Zou het ook kunnen zijn dat biopics een manier zijn om een nieuwe generatie te bereiken, als de oorspronkelijke muzikanten zelf niet meer optreden of dood zijn?

“Absoluut, die bands zijn daar hartstikke blij mee. Elton ook. Aan alle kanten is het raak, natuurlijk.”

Dus we kunnen tegenwoordig kiezen: of we gaan naar het optreden met de hologram van de overleden artiest of we gaan naar de biopic in de bios.

“Dan is de biopic toch leuker dan het hologram, denk ik. Ik las net dat ze James Dean weer tot leven willen brengen voor een film.”

Wat is jouw idee daar over?

“Dat vind ik heiligschennis. Het is een artiest en die kiezen voor bepaalde dingen of doen dat op een bepaalde manier. Als jij denkt dat je de geest van de artiest kunt zijn … dat is een beetje als klonen.”

Sorry dat ik het zeg, want het klinkt nogal onsmakelijk, maar het is alsof je een lijk opgraaft.

“Ja, het is necrofilie.”

Nu we bezig zijn over nieuwe ontwikkelingen: zie jij Netflix als een bedreiging voor film?

“Ik weet het niet zo goed. Het is zo’n veranderende wereld op het ogenblik. De ontwikkelingen gaan zo snel. Om films gemaakt te kunnen laten worden, moet je mensen in de bioscoop krijgen. Als je het beide kunt doen, thuisscherm en bioscoop, dan gebruik je de kabel om een bepaald soort films te redden. Ik ben er nog niet over uit, moet ik zeggen.”

Jouw ideeën over superheldenfilms?

“Ik zie ze nooit. Dus daar kan ik geen oordeel over geven.”

Laatste vraag: zit er een nieuwe speelfilm aan te komen?

“De film waar ik aan werkte is weggevallen helaas, mede door de wind of change die er op het moment waait in de filmindustrie. Daar kan ik niet mee verder gaan. Ik heb er vier jaar min of meer aan gewerkt; nog niet gefilmd, maar wel gewerkt aan script en voorbereiding. Er komt nog een U2-film van mij uit. Ik doe volgend jaar een documentaire over iets. Ik ben scripts aan het lezen, maar op het ogenblik heb ik niks wat ik kan meedelen.”

Spirits in the Forest is op donderdag 21 november en zondag 24 november te zien in deze bioscopen.

 

18 november 2019

 

MEER INTERVIEWS

Martin Eden

***
recensie Martin Eden

Archetypische schrijvende matroos

door Paul Rübsaam

Een ongeschoolde matroos wil koste wat kost schrijver worden om indruk te maken op een deftige jongedame. Filmregisseur Pietro Marcello verplaatst de handeling van de roman Martin Eden van Jack London naar Napels. Met goede resultaten.   

In één van de eerste scènes van de film Martin Eden van de Italiaanse regisseur Pietro Marcello (1976) komt de zeevarende titelheld (Luca Marinelli) een student te hulp die een aframmeling dreigt te krijgen van een havenmeester. Als dank nodigt de student de matroos bij hem thuis uit. Daar vergaapt de bonkige Martin zich aan de prachtige schilderijen en het dure servies, maar vooral aan de frêle literatuurstudente Elena Orsini (Jessica Cressi), de zus van de jongen die hij gered heeft. ‘Ik wil denken zoals jij, praten zoals jij, zijn zoals jij’, bekent hij het fijnzinnige en welbespraakte meisje. Hij valt niet alleen als een blok voor haar, maar tevens voor het hoge bourgeois-milieu dat zij vertegenwoordigt.

Martin Eden

Martin mag van Elena een boek van Charles Baudelaire lenen. Want lezen wil hij. En uiteindelijk zelf schrijver worden. Elena geeft hem ondertussen wat les, omdat hij veel taalfouten maakt. Zijn drieste mannelijkheid vindt ze erg aantrekkelijk, maar zijn gebrekkige algemene ontwikkeling stoort haar eerder. Dat iemand die de basisprincipes van de grammatica niet eens beheerst ooit een boek zal schrijven, kan ze zich niet voorstellen.

Nietschze, Spencer, andere vrienden
De jonge matroos die in zijn eigen woorden ‘een creatief vuur voelt branden om te getuigen van de wereld’ begint geestdriftig filosofisch getinte reis- en avonturenverhalen te schrijven. Hij stuurt zijn manuscripten naar diverse uitgeverijen en tijdschriftredacties, maar krijgt ze steeds zonder toelichting weer retour. Om toch nog iets te verdienen, moet hij keihard werken op schepen, maar ook in metaalfabrieken en op het boerenland.

Martin is niet alleen een onvermoeibare lezer van romans, maar tevens van werken van de filosoof Friedrich Nietschze en de socioloog Herbert Spencer. Gaandeweg verandert daardoor zijn kijk op het milieu van Elena. Hij wordt zich bewust van de onrechtvaardigheid van de klassenverschillen. Het socialisme wil hij echter niet omarmen, omdat dit volgens hem het individu miskent en slechts de uitdrukking is van een slavenmoraal. 

De oude, ongeneeslijk zieke schrijver en bohemien Russ Brissenden (een memorabele rol van Carlo Cecchi) met wie Martin in contact komt, is van mening dat de door de beginnende literator aanbeden Elena niet meer is dan een dom bourgeoisgansje. Bovendien heeft Brissenden zo weinig vertrouwen in het oordeel van uitgeverijen dat hij Martin voorhoudt dat voor een ware schrijver de publicatie van zijn werk een belediging is.

Martin Eden

Ook vrouwen doen Martin twijfelen aan het voetstuk waarop hij Elena plaatst. Margherita, een meisje dat werkt in een conservenfabriek, is stapelverliefd op hem. Is zij misschien degene die van hem houdt zoals hij is, in tegenstelling tot Elena, die met zoveel kunstgrepen veroverd moet worden? En dan is er nog de oudere weduwe Maria, wier kostganger hij wordt. Samen met haar twee opgroeiende kinderen geeft ze Martin een gevoel van nestwarmte waarnaar hij misschien wel meer hunkert dan naar literaire erkenning. 

Archetype
De semi-autobiografische roman Martin Eden van de Amerikaanse schrijver en avonturier Jack London (1876-1916) is een Bijbel voor zelfgemaakte mannen, voor iedereen die droomt van een schrijverscarrière en niet in de laatste plaats voor mensen met een scherp oog voor onoverbrugbare klassenverschillen. Het boek trekt aan als een magneet, maar irriteert ook omdat de schrijver zichzelf er wel erg veel complimenten in uitdeelt. De hoofdpersoon is een eerlijke jongen van de straat met een paar stevige knuisten, die onweerstaanbaar is voor vrouwen uit alle lagen van de bevolking en zich bovendien gaandeweg ontwikkelt tot een literair genie. Welke man zou niet willen zijn wat Jack London volgens Jack London was?

Anders dan het boek, dat speelt in Oakland (Californië) aan het begin van de twintigste eeuw, vormt Napels in de loop van de eerste helft van die eeuw het decor van de film van Pietro Marcello. Die Zuid-Italiaanse stad (Marcello groeide zelf op in het nabije Caserta) is een uitgelezen decor voor arm-rijkcontrasten en romantiek van de straat. Al ligt het cliché op de loer (hangt men in de nauwe Napolitaanse straatjes wasgoed te drogen? – nee toch …).

Martin Eden

De opkomst van het socialisme en het fascisme en het uitbreken van een grote oorlog spelen in Martin Eden op de achtergrond een rol. Marcello weet de irriterende factoren van de roman te neutraliseren door de protagonist te behandelen als een naar tijd en plaats verschuifbaar archetype, dat met zijn hang naar individualisme vermalen wordt door de ideologieën waarvan de romanfiguur nog slechts het voorspel aanschouwde.

Eden weet weliswaar te ontsnappen aan de kwellingen van geestdodende en zware lichamelijke arbeid, maar valt ten prooi aan de machinaties van de uitgeverswereld en de grillen van het modegevoelige literaire publiek. Ook het noeste werk van een schrijver kan uiteindelijk als waardeloos beoordeeld en zelfs vernietigd worden, zoals de film toont met behulp van archiefbeelden van door nationaalsocialisten georganiseerde boekverbrandingen.

 

15 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Irishman, The

*****
recensie The Irishman

Knecht van twee meesters

door Alfred Bos

Het matige filmjaar sluit meeslepend af met dit meesterwerk van Martin Scorsese. The Irishman draait een paar dagen in de bioscoop, eer de film op 27 november uitgaat via streamingdienst Netflix. Zo’n grootse film moet je zien op het grote doek.

The Irishman voelt als een afscheid. Van een generatie acteurs, van een bepaald soort film en een bepaald soort filmbeleving, van een tijdperk. Martin Scorsese behoort met Francis Ford Coppola, Brian de Palma, George Lucas en Steven Spielberg tot de coterie van aanstormend filmtalent dat in de jaren zeventig de Amerikaanse cinema, met Hollywood voorop, behoedde voor aderverkalking. Film was voor hen kunst, méér dan louter vermaak. Film moest iets vertellen over mensen, de wereld, het leven.

The Irishman

Van het kwintet jonge honden is Martin Scorsese het dichtst bij dat uitgangspunt gebleven. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij door afkomst – zoon van Italiaanse immigranten, en milieu, het straatleven in de Italiaanse buurt van New York – was voorbestemd om te kiezen tussen kerk en crime. Het werd een loopbaan als cineast die films maakte over misdaad en geloof. Een van de redenen waarom The Irishman oogt als Scorsese’s magnum opus, het uitroepteken achter een uitzonderlijke carrière, is dat de film beide thema’s samenbrengt. Maar niet op de manier die je zou verwachten.

De boefjes en boeven van Mean Streets (1973), Goodfellas (1990) en Casino (1995) – Scorsese’s eigentijdse films over misdaad en maffia – zijn vrijgevochten en kennen wet noch moraal. Ze ambiëren aanzien en zijn boos op de wereld, vooral op iedereen die zich niet naar hun hand laat zetten. Die films schetsen de georganiseerde misdaad als familie, met alle naijver die daar bijhoort. De maffia zorgt voor je. Behalve als je Frank Sheeran heet.

Verdorven vaderfiguren
Frank Sheeran is de protagonist van The Irishman, een emotieloze vrachtwagenchauffeur die in het criminele milieu belandt, vertolkt door Scorsese-veteraan Robert De Niro. De oorlogsveteraan is een karakterloze windvaan die door tegenstrijdige loyaliteiten in een gewetensknoop raakt. De prijs is hoog, hij wordt verstoten. Niet door zijn criminele kornuiten, want die zijn dood of zitten in de bak. Maar door zijn familie. Schrijnender lot bestaat er in de ogen van de filmmaker niet. The Irishman is geen noodlotsdrama, het is een karakterstudie.

De film van drie-en-een-halfuur lengte is episch van opzet en intiem qua uitwerking. Hij is gecentreerd rond de moord op Jimmy Hoffa, een corrupte vakbondsman met een monsterego die in 1975 verdween; zijn lijk is nimmer gevonden. Hoffa is een glansrol van Al Pacino, die iedere scène dreigt te stelen waarin zijn personage optreedt. The Irishman schetst en passant het reilen en zeilen van de maffia, en de rol die de georganiseerde misdaad heeft gespeeld in de Amerikaanse politiek van na de oorlog. Het is een filmische tegenhanger van James Ellroys Underworld USA-trilogie.

The Irishman

Rond 1960 wint de georganiseerde misdaad aan invloed, het wordt een internationaal opererend bedrijf dat zijn tentakels uitslaat naar politiek en vakbond. In het oog van de storm schuilt Frank ‘The Irishman’ Sheeran, een ex-soldaat die in de Tweede Wereldoorlog op commando krijgsgevangenen doodschoot. Via een toevallige samenloop van omstandigheden is hij gerekruteerd door Russell Bufalino, capo van de machtigste misdaadfamilie in Pennsylvania; Joe Pesci onderbrak zijn pensioen voor de rol van Bufalino, hij speelt hem als een gelooide varaan. Het zijn de verdorven vaderfiguren Bufalino en Hoffa die de ‘soldaat’ Sheen corrumperen. The Irishman is een film over (on)trouw en solidariteit: tussen arbeiders, familieleden, vrienden en maffiosi. Over fatsoen in een immorele wereld.

Breed canvas
De kracht van The Irishman is de vervlechting van Frank Sheerans persoonlijke verhaal met de geschiedenis van de Amerikaanse politiek in jaren zestig: de verkiezing van John F. Kennedy tot president, de opkomende macht van de vakbond voor vrachtwagenchauffeurs (de International Brotherhood of Teamsters) en de inspanningen van Kennedy’s broer Robert, minister van justitie, om de macht van de maffia te breken. Politiek en misdaad gaan in Amerika sinds de drooglegging van de jaren twintig hand in hand, misdaadauteur James Ellroy heeft er zijn levenswerk van gemaakt om feit te verdichten met fictie.

The Irishman toont de psychologie – of psychopathologie – achter de feiten. Met de moord op president Kennedy (Dallas, 22 november 1963) slaat de maffia drie vliegen in één klap. Ze bestraffen JFK voor diens verraad: hij heeft zijn verkiezingsoverwinning te danken aan de ‘familie’, die stemmen voor hem heeft geronseld; als dank laat hij zijn broer de georganiseerde misdaad aanpakken. Met de eliminatie van de president zijn ze tevens van die vervelende horzel Robert Kennedy af en komt de rijkgevulde pensioenkas van de Teamsters-vakbond vrij voor de schaduweconomie van de misdaad.

De film spant een breed canvas, van de jaren vijftig tot deze eeuw. Het hart vormt de reis per auto die Sheenan, Bufalino en hun echtgenotes in 1975 ondernemen om het huwelijk van Bufalino’s dochter in Detroit bij te wonen, althans dat denkt Sheeran. Die scènes worden afgewisseld met flashbacks over hun voorgeschiedenis en de opkomst van Jimmy Hoffa. Dat alles is ingebed in waar het werkelijk om draait: de proloog en epiloog met Frank Sheeran in het bejaardenhuis.

Netflix
Het boek waarop The Irishman is gebaseerd, I Heard You Paint Houses van de voormalige aanklager Charles Brandt, verscheen in 2004 en het kostte Scorsese vijftien jaar om zijn project te realiseren. Naar verluidt is co-producer Robert De Niro er verantwoordelijk voor dat de film ondanks alle praktische perikelen toch is gemaakt. De tijd begon te dringen: regisseur en het trio hoofdrolspelers – naast De Niro, Pacino en de eenmalig teruggekeerde Pesci zijn er bijrollen voor onder meer Harvey Keitel, Ray Romano, Bobby Cannavale, Anna Paquin, Stephen Graham en Jesse Plemons – werden er niet jonger op. De digitale technologie om de acteurs te verjeugdigen, heeft een flink deel van het budget van 160 miljoen dollar opgesoupeerd.

The Irishman

De regisseur vond geen enkele filmproducent bereid om zo’n bedrag voor zo’n film op te hoesten. Het project kreeg de zegen van Netflix, dat The Irishman vanaf 27 november via haar streamingdienst aanbiedt. De consequentie is dat de film slechts luttele dagen op het grote bioscoopdoek is te zien. Ook in dat opzicht voelt The Irishman als een elegie voor een vervlogen tijdperk. Films van een dergelijk brede opzet en psychologische finesse kunnen naar het oordeel van de Amerikaanse filmindustrie niet meer gemaakt worden voor een bioscooppubliek.

Soundtrack met periodemuziek
Het is een ander soort gangsterfilm dan Goodfellas, dat zonder te oordelen mores en milieu van de maffia observeert. Het is ook geen Casino, dat de verstrengeling van onderwereld en bedrijfsleven illustreert aan de hand van Las Vegas in de jaren zeventig en tachtig. Met zijn historische zwier is het zeker geen Mean Streets, dat de psychologie van de crimineel toont op buurtniveau. De periodemuziek, de doowop van de Five Satins (In the Still of the Night), de rhythm & blues van Jimmy Reed (Baby What Do You Want Me to Do) en de proto- rock-’n-roll van Fats Domino (The Fat Man), speelt een bescheiden rol op de geluidsband en wordt niet ingezet om het verhaal voort te stuwen.

The Irishman is een rijke, grootse, oeuvre omspannende en laat in de loopbaan geplaatste krachtoer à la Kurosawa’s Ran of Bergmans Fanny en Alexander. Het had zomaar een miniserie voor tv kunnen zijn, maar net als Bergman indertijd kiest Scorsese voor het grote scherm. Drie-en-een-halfuur lijkt een hele zit en de epiloog kan voelen als een onnodige appendix. Maar juist in die slotscènes met een hoogbejaarde en schuldbewuste Frank Sheeran in het verzorgingshuis, afgewezen door zijn favoriete dochter, zit de kern van de film en betoont Scorsese zich de priester die hij aanvankelijk dacht te worden. Wie zal je troosten wanneer iedereen je heeft verlaten?

 

12 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Amazing Grace

*****
recensie Amazing Grace

Ziel, zaligheid en Aretha

door Alfred Bos

Amazing Grace documenteert de opnamen voor het gelijknamige gospelalbum uit 1972 van Aretha Franklin. Helaas moest de bejubelde soulzangeres overlijden om deze schitterende concertfilm voor openbare vertoning vrij te kunnen geven.

Aretha Franklin, volgens velen de grootste soulzangeres die de wereld heeft gekend, was een kind van de kerk. Vader C.L. Franklin, dominee van de New Bethel Baptist Church in Detroit, reisde in de jaren vijftig als prediker door Amerika en zijn dochter werd onderdeel van de muzikale eredienst. Thuis kwam Mahalia Jackson, de Queen of Gospel, geregeld over de vloer en fungeerde gospelzangeres Clara Ward als stiefmoeder. Aretha Franklin is gospel tot in haar merg.

Amazing Grace

Nadat ze in de late jaren zestig een reeks pophits had gescoord en was uitgegroeid tot de Queen of Soul, wilde Franklin met het dubbelalbum Amazing Grace, verschenen in 1972, laten horen waar ze vandaan kwam. Zo’n plaat kon volgens haar alleen worden opgenomen met publiek in een kerk. De sessies werden gefilmd door Sidney Pollack, maar door technische problemen – beeld en geluid bleken niet te synchroniseren – bleef het materiaal opgeborgen in de archieven.

Nadat de film vele jaren later door middel van nieuwe technologie alsnog kon worden voltooid, hield Franklin openbare vertoning tot tweemaal toe via de rechter tegen. Na haar overlijden in 2018 gaven de erven toestemming en is Amazing Grace, de weergave van twee bevlogen avonden in de New Temple Missionary Baptist Church te Los Angeles, met 47 jaar vertraging in de bioscoop te zien.

Verlossing
In zijn introductie noemt dominee James Cleveland gospel ‘the greatest sound in the world’ en daar kunnen niet de minste muzikanten zich in vinden. Het was het favoriete genre van Elvis Presley. Ambient-producer Brian Eno is een verklaard liefhebber. Voor Johnny Cash was zijn wekelijkse tv-show ondenkbaar zonder gospel. En Mick Jagger en Rolling Stones-drummer Charlie Watts stonden tijdens de tweede avond in de doopsgezinde kerk gebiologeerd toe te kijken en te luisteren.

Veel is er niet voor nodig om het vuur te ontsteken, zo blijkt. Zangeres, koor, muzikanten en het publiek, zo’n tweehonderd voornamelijk Afro-Amerikaanse vrouwen en een enkele blanke man (plus twee Rolling Stones), waren er op 13 en 14 januari 1972 klaar voor. Eerst achter de piano, daarna vanaf de kansel, zingt Aretha Franklin een selectie van traditionals en meer recent gospelrepertoire. Aan bezieling geen gebrek, haar vader zit pal voor haar neus. Naast hem zien we stiefmoeder en inspiratie Clara Ward, wier How I Got Over de kwintessens van gospel vangt: verlossing van aardse ellende door de liefde van de hemelse vader.

Typerend voor de invloed van gospel op de populaire muziek van na de oorlog is de medley van Precious Lord, Take My Hand en You’ve Got A Friend, twee ogenschijnlijk breed verschillende nummers die naadloos in elkaar overgaan. Het eerste is een compositie van Thomas A. Dorsey, de vader van de gospel, en vaak vertolkt door Mahalia Jackson. De tweede is een nummer van singer-songwriter Carol King, zelf diepgaand beïnvloed door zwarte kerkmuziek. De beste popmuziek heeft de bezieling van gospel, Motown is er een instituut mee geworden. Tijdens Amazing Grace, een krachttoer van elf minuten, gebeurt er iets. Het publiek roert zich en dominee Cleveland krijgt het te kwaad.

Amazing Grace

Huldebetoon
Amazing Grace documenteert niet alleen een eredienst, het is evenzeer een huldebetoon aan Aretha Franklin zelf. De zangkwaliteit is boven elke twijfel verheven, de intensiteit ongekend, de repertoirekeuze raak—niet voor niets groeide de dubbelelpee uit tot het best verkochte gospelalbum ooit. Maar het is ook een geconstrueerde setting, met geregisseerde beleving. De voor gospel zo kenmerkende vraag-en-antwoorddynamiek tussen voorzanger en koor is grotendeels afwezig. De interactie tussen voorganger en publiek – die tijdens verhitte diensten kan leiden tot extase – is voor deze gelegenheid eerder routineus dan begeesterd. Al inviteert dominee Cleveland het publiek vooraf om zich te roeren, de omstandigheden zijn wellicht te intimiderend om alle gêne te laten varen.

Ondanks die kanttekening is Amazing Grace een spektakel. Het toont in volle glorie een bezieling die uit de eenentwintigste-eeuwse muziek nagenoeg is vervlogen. Zoals Marvin Gaye’s Wholy Holy met zijn oproep ‘people we’ve got to come together’ actueler is dan ooit, zo kunnen eigentijdse zangeressen als Beyoncé en Rihanna – die soul hebben verruild voor marketing – een dosis bevlogenheid node gebruiken. En zij niet alleen.

Sidney Pollack heeft in januari 1972 tijdens repetities en uitvoeringen twintig uur aan materiaal geschoten. Daaruit is deze concertfilm van 87 minuten samengesteld, hij dekt slechts een deel van de plaatopnamen. Naar verluidt wordt er gewerkt aan een langere versie, die volgend jaar moet uitkomen. Wie verstandig is, wacht daar niet op.

 

28 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Richard Lowenstein over Mystify: Michael Hutchence

Richard Lowenstein over Mystify: Michael Hutchence:
“Gezichten verouderen, stemmen niet”

door Alfred Bos

De documentaire Mystify: Michael Hutchence is een intiem portret van de zanger die in de jaren tachtig als voorman van INXS menig meisjeshart op hol bracht. Regisseur Richard Lowenstein heeft hem goed gekend. “Hij keek op tegen intellectuelen.”

“Ik wist niet wat charisma was tot ik Michael Hutchence leerde kennen. Je kon er niet ongevoelig voor blijven. Hij had het op het podium en hij had het daarbuiten, in het sociale verkeer. En dan, als je de camera op hem richtte…”

Richard Lowenstein

Mystify: Michael Hutchence is het filmportret dat Richard Lowenstein heeft gemaakt van de charismatische zanger van INXS, na AC/DC de populairste rockact uit Australië. In de jaren tachtig was de groep niet van het MTV-scherm te branden, met hits als Original Sin, Need You Tonight, New Sensation en Suicide Blonde. In de vroege morgen van 22 november 1997 werd de ster dood aangetroffen in een hotelkamer van het Ritz-Carlton-hotel in Sydney, zijn geboorteplaats. Doodsoorzaak: verhanging. Hutchence werd 37 jaar.

“Speelfilms brachten niet veel op,
videoclips betaalden wel”

Richard Lowenstein draaide in 1984 zijn eerste videoclip voor de groep, Burn For You. Er zouden er nog zeventien volgen. Hij werd bevriend met Hutchence en vroeg de zanger mee te spelen in zijn tweede speelfilm, Dogs in Space (1986). “Ik was net van de filmschool gekomen en maakte als freelancer muziekvideo’s. Die gaven me de gelegenheid een experimentele filmmaker te zijn. Speelfilms brachten niet veel op, clips betaalden wel.”

Bij de kennismaking trof Hutchence hem als vriendelijk en nederig, vertelt Lowenstein. “Geen poseur, geen pretentieuze rockster.” Zijn ogen gingen open tijdens de shoot van de clip voor Dancing on the Jetty. “Ik herinner me het nog goed, ik kijk naar de zwart-witmonitor en tijdens de derde take gebeurt er iets. Je zag dat charisma en dat onbenoembare iets wat men screen presence noemt. Het knalde van het scherm.”

Digitale filmscanner
Richard Lowenstein (Melbourne, 1959) heeft in zijn loopbaan clips, documentaires en speelfilms gedraaid. “Mijn vader was een filmliefhebber en nam me mee naar de bioscoop. Vanaf mijn tiende of twaalfde heb ik alle grote films gezien van Kurosawa, Buñuel en Renoir, met hun non-lineaire manier van vertellen. Op de filmacademie werden alle nieuwe manieren om te vertellen met film benadrukt.”

Mystify: Michael Hutchence

Hij draaide in 1985 de kortfilm White City, die het gelijknamige album van Pete Townshend visualiseert. Naast INXS maakte hij videoclips voor U2 en Crowded House, en documentaires over de Australische muziekscene. Lowenstein werkte aan het script van een biopic over Hutchence toen in 2014 de miniserie INXS: Never Tear Us Apart op de Australische tv werd uitgezonden. De biopic werd een documentaire, de regisseur zat op een vracht archiefmateriaal.

“Niet alleen de homevideo’s die ik kreeg van zijn familie en zijn exen. Zelf had ik ook een berg aan filmbeelden, outtakes en ongebruikt materiaal. Die archiefbeelden waren zeer geschikt om de verhalen over Michael mee te illustreren. Ik wilde een onderdompelende cinema-ervaring creëren.”

“Je kunt nu voor een redelijk bedrag
je eigen digitale filmscanner aanschaffen”

Er zijn de afgelopen jaren meer documentaires gemaakt over muzikanten. Met Amy begon de trend. Zou deze documentaire vijftien jaar geleden mogelijk zijn geweest?

“In theorie wel”, meent Lowenstein. “Maar het was toen erg duur om al die verschillende soorten beeldmateriaal digitaal te scannen. Zo duur dat het niet werd gedaan, uitzonderingen daargelaten. De technologie is sindsdien gevorderd en je kunt nu voor een redelijk bedrag je eigen digitale filmscanner aanschaffen. Dat is de reden dat we al die prachtige documentaires à la Amy in de bioscoop zien. Ik had een kast vol ongearchiveerde films; die stuurden we naar de scanner en kregen een aantal harddrives met beeldmateriaal in 4K-resolutie retour. Dergelijke technologie bestond vijftien jaar terug nog niet.”

“Veel filmproductiebedrijven en archieven wereldwijd laten hun collecties digitaal scannen. Er komt steeds meer archiefmateriaal beschikbaar. Dat maakt al die documentaires mogelijk. Amy en Searching for Sugar Man hebben aangetoond dat er ook publiek voor is. De documentaire heeft lang last gehad van een stigma. Daar viel in de bioscoop geen geld mee te verdienen.”

Lowenstein kon ook putten uit het materiaal dat Michael Hutchence zelf had gefilmd. “Hij was een van de eersten die een homevideocamera aanschafte. Hij had daar het geld voor. Goddank, daardoor heeft hij veel persoonlijke beelden kunnen schieten. Daarna heeft hij een handheld Bolex uit de jaren vijftig gekocht en 16 millimeterfilm gedraaid. Ik had zo’n camera voor Bono gekocht. Michael zag dat en wilde er ook een.”

Byroniaanse held
Het succes van INXS was vooral te danken aan frontman Michael Hutchence en diens sexappeal op het podium en tv-scherm. Zijn liefdesleven was turbulent, hij had relaties met de Australische zangeres Kylie Minogue, het Deense fotomodel Helena Christensen en de Engelse tv-presentatrice Paula Yates, de vrouw en latere ex van Bob Geldof. Hutchence was een rockzanger à la Mick Jagger en Jim Morrison. Gevaarlijk, maar sensitief en intelligent: de Byroniaanse held.

Richard Lowenstein knikt instemmend. “Dat was de rol die hij speelde tot de adoratie van de rockzanger als seksgod hem teveel werd en zijn lange romantische lokken liet knippen. Daarmee liep hij, grappig genoeg, vooruit op de Britpop van Suede en Oasis.”

Hutchence was ook een gretige lezer. Lowenstein: “Hij keek op tegen intellectuelen en de boeken die hij las neigden naar het sensuele, zoals Het Parfum van Patrick Süskind, Les Enfants Terribles van Jean Cocteau en het werk van Markies De Sade. Je zag zijn levenslust terug in zijn literatuursmaak.”

“Michael zat liever tot diep in de nacht met zijn
vrienden te praten over film, kunst en politiek”

“Hij was zich erg bewust van iets wat Bono zich ook goed realiseert. Wanneer je op jeugdige leeftijd succesvol bent, heb je geen tijd om een opleiding af te maken. Hij zag dat de andere groepsleden van INXS bleven steken in een soort kinderlijk stadium. Hij wilde zich ontwikkelen, was heel nieuwsgierig en las veel, over uiteenlopende onderwerpen. Hij begreep dat hoe meer hij las, hoe hoger het niveau van de conversatie zou zijn.”

“Hij adoreerde de literaire wereld. Ik heb vrienden in de boekenwereld van Londen en Michael ging vaak mee. Natuurlijk met zijn bril op, om de intellectueel uit te hangen. Ik heb hem een keer moeten losscheuren van Salmon Rushdie. Rocksterren worden geacht losbollen te zijn, maar Michael zat liever tot diep in de nacht met zijn vrienden te praten over film, kunst en politiek.”

Mystify: Michael Hutchence

Interviews zonder camera
Mystify: Michael Hutchence bestaat uit archiefbeelden, concertregistraties en homevideo’s, waarbij op de geluidsband direct betrokkenen het verhaal vertellen. Er zijn in de documentaire geen talking heads te zien, een bewuste keuze. De interviews werden afgenomen in een verduisterde geluidsstudio.

“Ik heb altijd een probleem gehad met talking heads”, zegt Lowenstein. “Wat ik met de film wilde laten zien, was een verhaal dat door het toeval was geschreven als klassiek drama, inclusief de drie aktes en de bliksemschicht van Zeus. Mijn doel was om het publiek in dat drama onder te dompelen alsof het een speelfilm is. Als je het gezicht ziet van iemand die anno nu reflecteert op iets wat twintig jaar daarvoor is gebeurd, haalt dat de kijker uit het verhaal. Gezichten verouderen, maar stemmen niet.”

“Daar komt nog iets bij. Als je een interview filmt met een cameraman, een lichtman en een geluidsman is de situatie onnatuurlijk. In ieder geval minder natuurlijk dan bij een dagelijks gesprek. Dat leidt af, het geeft druk. Wanneer je mensen interviewt in het donker is er geen afleiding of druk. Het voelt intiem, vertrouwd; alsof je praat met een therapeut. Kylie Minogue liet haar reserves varen en kwam los. Ze liet haar foto’s en films zien. Het was ogenblikkelijk duidelijk dat de interviews zonder camera veel opener en onthullender werden.”

“Mijn moeder was een orale historicus, die in de jaren zeventig door Australië reisde om de verhalen van gewone mensen en arbeiders op te nemen met een bandrecorder. Ik ging mee als technicus en nam de gesprekken op, ik was tien of twaalf jaar oud. Dat realiseerde ik me pas nadat ik deze film had gemaakt.”

Het Kopenhagen-incident
De bliksemschicht van Zeus waar de regisseur over spreekt, is het incident dat in 1992 plaatsvond in Kopenhagen. De belangrijkste en enige getuige, buiten de dader, is Hutchence’s toenmalige vriendin, Helena Christensen. Lowenstein: “Ze gingen op de fiets een pizza halen. Michael blokkeert met zijn fiets een nauwe doorgang voor een taxi, maar heeft dat niet door. De chauffeur stapt uit en slaat Michael neer. Hij valt met zijn hoofd op de stoep. Op dat moment draait Helena zich om. De taxichauffeur stapt in zijn auto en rijdt weg.”

“Helena dacht dat Michael dood was. Er kwam bloed uit zijn neus en zijn oren. Er komt een ambulance, het personeel denkt dat hij een dronken rockster is. Dat denken de artsen en verplegers is het ziekenhuis ook. Hij komt bij en gaat tekeer als een dronken rockster. Alleen Helena weet: we hebben een pizza gehaald, we zijn niet naar een club geweest. Dat was wat ík had gehoord, een dronken incident tijdens het uitgaan.”

“Hij kon geen wijn meer proeven,
of de geur van zijn vriendin opsnuiven”

“Ik heb de consequenties van dat incident onderschat. Er was sprake van beschadigingen in de frontale kwabben, een zogeheten frontaal syndroom. Ik heb artsen en neurologen gevraagd wat de consequenties zijn van dergelijk hersenletsel. Het antwoord: arrogant gedrag, opvliegerigheid en ongeduld, plotselinge stemmingswisselingen, onvermogen om met emotionele uitdagingen om te gaan. Kort gezegd, het gedrag van een arrogante rockster.”

“Vlak voor en kort na het incident in Kopenhagen werkte ik nauw met hem samen. Ik zag die opmerkelijke verandering in zijn persoonlijkheid. Ik dacht toen: Michael gaat naast zijn schoenen lopen. Tegen mij vertelde hij dat hij zijn hoofd had gestoten en zijn reukvermogen was kwijtgeraakt en voor een groot deel ook zijn smaak. Hij kon geen wijn meer proeven, of de geur van zijn vriendin opsnuiven. Alle bonussen van het succes, allemaal weg. Hij barstte in tranen uit.”

“Nu zie ik het anders, het was brain damage als gevolg van dat incident. Maar dat wist ik toen niet, want Michael deed er geheimzinnig over. Hij sprak er nooit over en had dat Helena ook verboden. Het hersenletsel kwam aan het licht bij de autopsie na zijn overlijden, maar de resultaten zijn nooit gepubliceerd. Pas tijdens het maken van de documentaire kwam ik erachter.”

Blockbusteritus is besmettelijk
Na in Londen en Amsterdam interviews te hebben gegeven, is Rome de volgende bestemming voor Lowenstein. Hij gaat met zijn Italiaanse producent praten over zijn volgende film. De regisseur loopt niet over van enthousiasme voor het huidige filmklimaat. Dat doet hij al langere tijd niet, in 2004 sprak hij reeds over ‘the dumbing down of the art of filmmaking’. Hij constateerde toen: ‘when it comes to cinema language, history seems to be going backwards’. Een ontwikkeling die haaks staat op wat de Britse filmhistoricus Peter Cowie noteert in zijn boek Revolution: The Explosion of World Cinema in the Sixties.

Mystify: Michael Hutchence

Lowenstein lacht. “Ik ben een stokebrand. Ik sta nog steeds achter die uitspraak, al generaliseer ik natuurlijk. Er zijn altijd uitzonderingen als Wes Anderson of Quentin Tarantino. Ik ben sterk beïnvloed door de ensemblefilms van Robert Altman en de Hollywood-mavericks van de jaren zeventig die de regels doorbraken. In de jaren tachtig en negentig is dat verdwenen en domineert het conservatisme van Hollywood weer. De cinemarevolutie is volledig veranderd tot de productie van massavermaak dat het publiek niet aanmoedigt om na te denken. Ze worden aangemoedigd om een verhaal te volgen.”

Het is nog erger, Hollywood heeft de verbeelding van de kijker kapot gemaakt. Het brein is plastisch: functies die je niet gebruikt, raak je kwijt.

“Neem films als Los olvidados van Buñuel of Umberto D. van De Sica, die nodigen je uit tot een persoonlijke reactie. Tegenwoordig zijn zelfs de kunstfilms in het arthouse conventioneel.”

“Films worden simpeler en
simpeler, het verkleutert”

Hollywood voert de kijker met een lepel.

“Mee eens, alles wordt uitgelegd. Er is niets te raden. In de bioscoop draaien alleen nog superheldenfilms en wat voorheen werd vertoond in het arthouse is nu te zien via streamingdiensten. Die films kun je niet eens meer op een groot scherm zien. De eerste Superman-film is een arthousefilm vergelijken bij de blockbusterspektakels van nu. Films worden simpeler en simpeler, het verkleutert. Veel blockbusters zijn in feite animatiefilms, ze bestaan voor negentig procent uit computerbeelden met acteurs die acteren voor een groen scherm.”

Lowenstein is nu los. “Ik ben een oldskool purist, misschien ben ik een anachronisme. Computergames hebben de jeugdige doelgroep overgenomen. Het bioscooppubliek is heel anders geworden, ouder vooral. Martin Scorsese meent dat superheldenfilms in het themapark thuishoren, niet in de bioscoop. Scorsese’s nieuwe film is één week in bioscoop te zien, een film van honderden miljoenen dollars. Scorsese kiest voor een streamingdienst omdat de gebruikelijke producenten zijn film niet willen betalen.”

Hoe ziet u de toekomst van cinema?

“Film keert terug naar zijn wortels. De middelen zijn ook veel goedkoper geworden. Of die films in de bioscoop te zien zullen zijn, is weer een ander verhaal. Wellicht komt de kleinere bioscoop voor liefhebbers weer terug. Ik hoop op een culturele renaissance, zodat men iets anders wil zien dan de laatste blockbuster. Films waarin regisseurs sociaal commentaar leveren via toegankelijke kunstwerken.”

Mystify: Michael Hutchence draait vanaf 24 oktober in de bioscoop. Op 22 november wordt de concertfilm INXS: Live Baby Live uitgebracht, een registratie van het optreden van 13 juli 1991 in de Wembley Arena te Londen. De 35 millimeterfilm is digitaal omgezet naar Ultra HD 4K, met audio in Dolby Atmos; de beeldratio 4:3 is uitvergroot tot 16:9. Vanaf 15 november is het gelijknamige livealbum in een nieuwe audiomix beschikbaar op 2 cd’s en 3 elpees.

 

22 oktober 2019

 

MEER INTERVIEWS

Itzhak

***
recensie Itzhak

Viool als replica van de ziel

door Cor Oliemeulen

Itzhak Perlman is een prima verteller, zelfverzekerd, goedlachs en gevat. Hij geldt als een van de grootste violisten van de tweede helft van de twintigste eeuw. “Waar ter wereld ik ook kom, het enige verzoek dat ik krijg, is de muziek van Schindler’s List.”

Itzhak ademt een onvoorwaardelijke liefde voor de kunst. Alison Chernik maakte eerder korte documentaires over popartheld Roy Lichtenstein, beeldend kunstenaar Jeff Koons, expressionistisch schilder Jackson Pollock, multitalent Julian Schnabel, alsook de filmregisseurs Pedro Almodóvar en Francis Ford Coppola. Ditmaal neemt ze vijf kwartier de tijd voor de man op en achter de viool. Niet alleen muziek komt aan bod; eten en honden lopen als leuke draadjes door de film heen.

Polio
Getroffen door polio op zijn vierde, zien we Perlman nu altijd en overal op zijn scootmobiel. Zoals wanneer hij in een vol honkbalstadion het Amerikaanse volkslied speelt voor een wedstrijd van de New York Mets, luisterend naar een mooie speech van de Amerikaanse president Obama, tijdens een optreden met zanger Billy Joel, het repeteren met andere muzikanten en wanneer acteur Alan Alda een hapje komt eten en een goed glas wijn komt drinken. Op visite bij de Israëlische premier Netanyahu zal hij beslist niet over politiek praten, en inderdaad zien we even later dat het gesprek gaat over eten en honden. De een miljoen dollar behorende bij de prestigieuze Genesis Prize in Jeruzalem zal hij aanwenden voor het opleiden van jong muzikaal talent, met de nadruk op gehandicapten.

Nadat hij op zijn dertiende met zijn moeder naar New York verkaste omdat hij was aangenomen op het beroemde Juilliard viel het zijn tweede vioollerares (de eerste was een kreng) op hoe virtuoos de jeugdige Itzhak al was: “Hij speelde Mendelssohn twee keer sneller dan het moest, maar het was ongelooflijk”, zegt ze. “Ik denk dat ik verliefd op hem was.” Dat gold ook voor Perlmans huidige echtgenote, de vrolijke Toby, die hem na een optreden ten huwelijk vroeg. Itzhak was nog maar zeventien en kreeg een jaar de tijd om zijn relatie met een ander meisje op wie hij nog verliefd was te verbreken. Meer dan vijftig jaar later is Toby nog steeds lyrisch over zijn spel, maar een kritische noot schuwt ze nooit. “Je kende nog niets van Schubert toen we elkaar ontmoetten.”

Net gearriveerd in New York werd de jonge Itzhak uitgenodigd voor de Ed Sullivan Show en aangekondigd als uitzonderlijk talent. We horen hoe prachtig hij daar speelde. Terugblikkend: “Ik weet niet of ik toen was uitgenodigd voor mijn vioolspel.” Toby weet het wel: “Je was die arme kleine kreupele jongen.” Tegenwoordig speelt Perlman altijd op zijn Stradivarius uit 1714 die volgens hem precies de klank heeft die hij van binnen voelt. “Als je een hond hebt en je bent nerveus, dan is je hond nerveus. Als je rustig bent, is je hond rustig. De viool is de replica van de ziel.”

Itzhak

Auschwitz
En zo zit Itzhak vol ontmoetingen, herinneringen en gesprekken, gelardeerd met kort archiefmateriaal. Met zijn joodse achtergrond is Auschwitz nooit ver weg. Op weg daar naartoe namen joden bijna altijd hun viool mee. Die instrumenten werden natuurlijk door de nazi’s afgepakt, waarna de eigenaren naar de gaskamer moesten. De violen gingen naar het orkest, dat een enkeling aangreep om aan het verschrikkelijke lot te ontsnappen. De al even beroemde violist Isaac Stern antwoordde ooit op de vraag waarom zoveel joden viool spelen: “Dit is het gemakkelijkste instrument om op te pakken en weg te rennen.”

Perlman horen we soms heel aardig relativeren en blijkt niet vies van de nodige ironie, maar de enige keer dat we hem niet opgewekt zien, is het moment waarop de joodse eigenaar van een vioolwinkel een oude viool toont. Als hij het instrument openmaakt, zien we daarin een papieren vel in de vorm van een viool met daarop de tekst ‘Heil Hitler 1936’ en de tekening van een hakenkruis. “Zorg ervoor dat er geen snaren meer op komen”, zegt Perlman veelbetekenend.

De bijzondere geschiedenis van een groot kunstenaar maakt een portret al snel de moeite waard. Juist om die reden is de spontane, probleemloze documentaire Itzhak niet uitsluitend boeiend voor liefhebbers en beoefenaars van klassieke muziek.

 

6 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Miles Davis: Birth of the Cool

****
recensie Miles Davis: Birth of the Cool

Portret van een gekwelde trompetkunstenaar

door Cor Oliemeulen

Zelfs als je jazz beschouwt als een gruwelijke bak herrie of onophoudelijk zenuwachtig gefiep, is de documentaire Miles Davis: Birth of the Cool fascinerend om naar te kijken. Een nadere kennismaking met de grootste jazzvernieuwer die minder cool was dan de titel doet vermoeden.

Miles Davis kon zich muzikaal uitstekend aanpassen aan de tijdsgeest: van bebop in de jaren 40, via cooljazz, hardbop, jazzrock, fusion, acid jazz tot en met commerciële nummers in de jaren 80. Niet alleen door de omgevingsfactoren, maar ook door emoties toonde Davis zich een kameleon: net als zovele jazzmuzikanten worstelde hij met een drugsverslaving en daarbovenop had hij problematische relaties met vrouwen. Door middel van interviews en deels niet eerder gebruikte beelden ontstaat het portret van een gekwelde trompetkunstenaar.

Miles Davis: Birth of the Cool

Liever cool dan bebop
Miles Davis (1926-1991) zette in juli 1944 zijn eerste grote schreden in Club Riviera in St. Louis als invaller in een band met jazzlegendes Charlie Parker, Art Blakey en Dizzy Gillespie. De jonge Miles was zo zenuwachtig dat hij voor elk optreden moest overgeven. Zijn welgestelde ouders (vader was tandarts) drongen aan dat hij piano of viool zou gaan studeren. Het werd toch de trompet, maar dan wel aan het beroemde Juilliard-conservatorium in New York. Die studie zou hij niet afmaken, want veel liever trad hij avond na avond op in de clubs van 52nd Street, het toenmalige mekka van de jazz. Na drie jaar spelen in het kwintet van Parker had Davis genoeg van diens snelle, gecompliceerde en virtuoze bebop. Miles wilde voortaan zelf de muzikale lijnen uitzetten. Dat leidde in 1957 tot het baanbrekende album Birth of the Cool. Een nieuwe jazzstijl was voor het grote publiek geboren.

Terwijl de toenmalige CBS-anchorman Walter Cronkite jazz bestempelde als ‘muzikale herrie’, roemen velen Davis’ cooljazz als elegant, romantisch, kwetsbaar en verrassend. Met meestal een demper op zijn trompet creëerde hij zijn typische, herkenbare timbre met een ingehouden, lyrische, melodieuze speelstijl. Andere mijlpalen zijn Miles Ahead (1957) en Kind of Blue (1959), nog steeds het meest verkochte jazzalbum ooit. Ooggetuigen vertellen hoe Davis voor twee opnamesessies bij Columbia Records collega’s als John Coltrane en Bill Evans slechts wat toonladders en melodielijnen toestopte, de rest van Kind of Blue is improvisatie. Sketches of Spain (1960) is een flirt met Spaanse muziek en Bitches Brew (1970) verruilt de traditionele akoestische instrumenten voor elektrische jazzrock. Criticus Greg Tate noemde Davis een ‘hoodoo voodoo priest of music’.

Miles Davis: Birth of the Cool

Artiesten en intellectuelen
Waar talking heads (kenners, exen, kinderen, jazzgiganten als Ron Carter, Wayne Shorter, Herbie Hancock, Quincy Jones, Mike Stern en Marcus Miller) Miles Davis op muzikaal gebied de hemel in prijzen, krijgt de persoon achter de muzikant ook minder jubelende kwalificaties toebedeeld: koud, direct, excentriek, jaloers, op zichzelf, tegen het asociale aan. Karaktereigenschappen die al dan niet werden versterkt nadat hij gedesillusioneerd terugkwam van zijn verblijf in Parijs in 1949. Daar was geen rassenscheiding en werd hij opgenomen in een kring van artiesten en intellectuelen (Picasso en Sartre waren fan). De Franse zangeres Juliette Gréco vertelt hoe ze verliefd hand in hand met Miles Davis door de straten van Parijs flaneerde, maar aan het sprookje kwam een eind toen hij terug in Amerika weer direct werd geconfronteerd met racisme en zich stortte in een heroïneverslaving die de rest van zijn leven zou bepalen. Net als een aanvaring met een agent die een bloedende Davis naar het politiebureau begeleidde.

Zoals in zijn vorige documentaires neemt filmmaker Stanley Nelson (o.a. The Black Panthers: Vanguard of the Revolution, 2015) de tijd voor rassenongelijkheid. Met zijn opzichtige dure auto’s en luxe kleding was Miles Davis voor sommige blanken een doorn in het oog. Hij portretteert Davis als activist en krachtig symbool voor Afro-Amerikanen die geen blad voor zijn mond neemt. Terwijl in de jaren 60 de jazz door de opkomst van rock en funk minder populair werd, paste Davis zijn muziek aan en zocht hij inspiratie in andere culturen en kunstvormen. Dat leidde onder meer tot zijn opname van het Disney-liedje Someday My Prince Will Come (1961). Davis flipte toen hij op de albumcover een blanke vrouw zag en eiste van Columbia Records om ‘that white bitch’ te verwijderen en te vervangen door Frances Taylor, zijn eerste echtgenote, als eerbetoon aan haar en aan alle zwarte vrouwen.

Miles Davis: Birth of the Cool

Rake anekdotes
Ook in Miles Davis: Birth of the Cool heeft de populaire ex-danseres, Frances Taylor, een prominente plaats. Ze deelt persoonlijke herinneringen, en krijgt (weliswaar erg kort) de kans om ook ’s mans ellende van drugs en paranoia uit de doeken te doen. We zien de pijn in haar ogen als ze vertelt hoe ze direct vertrok nadat Davis haar tegen de grond had geslagen, maar ze zou altijd van hem blijven houden. Ook volgende exen hadden het niet gemakkelijk met de jazzlegende. Een onmiskenbare invloed had de pittige funk- en soulzangeres Betty Mabry eind jaren zestig. Davis was altijd onberispelijk gekleed in een donker pak, maar Betty ging hem hip en extravagant kleden: laag uitgesneden shirts, patchwork broeken met opzichtige riemen en grote zonnebrillen.

De documentaire zoomt echter vooral in op Davis’ hoogtijdagen daarvoor, de decennia waarin geschiedenis werd geschreven, zoals de totstandkoming van zijn geïmproviseerde soundtrack van Ascenseur pour l’échafaud (1958) van Louis Malle. We zien nog wel een kort optreden op het podium met Prince in 1987, maar toen was Davis al erg fragiel als gevolg van jarenlang drugsgebruik. De kijker blijft met een triest gevoel achter, wetende dat er nooit meer iemand van dit muzikale kaliber zal opstaan, maar dat maakt deze biografie niet minder mooi en leerzaam. Misschien is de enige kleine tegenvaller dat je op de aftiteling leest dat het niet de rasperige voice-over van Miles Davis is die je hoorde, maar van Carl Lumbly die voorleest uit de in 1990 verschenen autobiografie Miles. Dat karakteristieke gekraste stemgeluid van Davis (veroorzaakt door een keeloperatie) wordt ook voorbeeldig, en soms gekscherend, geïmiteerd in de talrijke rake anekdotes.

 

7 september 2019

 

ALLE RECENSIES