Regisseur Kenneth Mercken over Coureur

Regisseur Kenneth Mercken over Coureur:
“Een wielrenner mag niet klagen”

door Alfred Bos

Coureur is het speelfilmdebuut van de Vlaamse regisseur Kenneth Mercken. Als voormalig Belgisch kampioen bij de beloftes kent hij de wielersport van binnenuit. Het is een gesloten wereld waar dingen gebeuren die het daglicht schuwen.

 “Als sporter zit je vier, vijf uur per dag op de fiets. Je maakt zóveel endorfines aan. Het is echt een verslaving. Je denkt 24 uur per dag aan trainen, eten, slapen. Aan niks anders. Dan heb je geen relativeringsvermogen. Dan heb je niet meer die afstand. De afstand die ik wel nodig had om deze film te maken.”

Kenneth Mercken (foto: Toon Aerts)

Kenneth Mercken (foto: Toon Aerts)

Kenneth Mercken (1976) werd in 2000 Belgisch kampioen bij de elite zonder contract, de amateurbeloftes. Maar tot een glanzende carrière als profwielrenner is het nooit gekomen. Hij reed in Italië voor een ploeg van semi-beroepsrenners, aanstormend talent waaruit de besten doorstromen naar de profs. Net echt, met ploegleider, teamhuis, onderlinge competitie—en doping.

“Ik merkte dat epo niet
werkte op mijn lichaam”

“Ik merkte dat epo niet werkte op mijn lichaam”, zegt Mercken. Het advies van een gerenommeerde wielerarts: groeihormonen gebruiken en wel voor de duur van zijn wielerloopbaan. De belofte is tot alles bereid. Maar, voegt de arts eraan toe, groeihormonen werken ook op kankercellen. “Toen had ik een inzicht: dit gaat echt te ver. In de autorit terug heb ik besloten om filmschool te gaan doen.”

De filmschool omdat hij “na dat opwindende leven met al die kicks iets wilde dat die rush verving. Ik wilde geen 9 tot 5 job gaan doen. Ik wilde ook een zingeving in mijn leven. Iets speciaals doen. Iets bereiken ook.”

In 2012 maakt hij een kortfilm, het op ervaring gebaseerde The Letter, over een Russische amateurrenner die prof wil worden in Vlaanderen. Spraakmakend is de scène waarin de dopingcontrole wordt geflikt. Vervuilde urine uit de blaas, schone urine teruggeplaatst in de blaas – en nu moet de lezer met een zwakke maag even de andere kant uitkijken – via een naald in de pisbuis.

Autobiografisch met fictieve elementen
De gruwelscène zit ook in Merckens speelfilmdebuut, Coureur. Hij speelt in de wereld van de beloftes, jonge renners van heinde en verre worden in Italië gedrild voor het grote werk. De film geeft een kijkje achter de schermen van de wielerwereld en is semi-autobiografisch, verbeeldt wat de regisseur als beloftevolle coureur heeft meegemaakt. De film toont tevens een complexe vader-zoonrelatie: vader projecteert zijn dromen op zijn getalenteerde zoon. Mercken is er eerlijk over, ook dat is dicht bij huis.

Coureur

Wat de vraag oproept waarom hij deze film heeft gemaakt. Om persoonlijke of artistieke redenen? Het antwoord is: beide. Mercken is na zijn wieleravontuur niet naar de filmschool gegaan met het idee, hier moet hij iets over maken. “Dat is pas veel later gekomen. Tijdens mijn studie werd wel duidelijk dat er bij mij een urgentie bestond om hier iets over te vertellen.”

“Andere regisseurs krijgen
de kans niet om dit te zien”

“De wielerwereld is een gesloten wereld. Andere regisseurs krijgen de kans niet om dit te zien. Rond dit thema bestaat een soort omerta. Als ik die wilde doorbreken, moest ik natuurlijk wel kennis van zaken hebben. Ik heb het zelf meegemaakt.”

U spreekt over omerta, zwijgplicht. Bent u bang voor reacties uit de wielerwereld?

“Ik hoop dat er veel reacties komen, negatief of positief. Ik vind dat we open moeten praten over misstanden uit het verleden die nog altijd aan de gang zijn.”

Voor alle duidelijkheid: wat de film laat zien speelt zich af net onder het professionele niveau.

“De bovenlaag was toen even verziekt en ik denk dat er nog steeds misstanden aan de gang zijn. Het is nog steeds mogelijk om epo te gebruiken en niet gepakt te worden. Om bloedtransfusies te doen. Dat gebeurt nog steeds in de sport.”

Er is misbruik op professioneel en semi-professioneel niveau. Zit het ook daaronder?

“Ik denk van wel. Misschien dat het nu wat cleaner wordt omdat er meer controles zijn dan vroeger. En betere controles. Maar wat ik heb ervaren is dat het in de amateurwereld ook gebeurt. Ik kreeg vorige week nog een vraag over een elektrische fiets, met een niet zichtbare elektrische aandrijving. Dat was een vraag van iemand die toeristentochtjes rijdt op zondag.  Het is van alle tijden, denk ik. Het zit in de mens.”

Wat me opviel aan de film: de onwaarschijnlijke competitiedrift. Ten koste van alles, zelfs van gezondheid. Je gaat twijfelen aan het verstand van mensen.

“Als je die droomt hebt, is je blik gericht op de top, ook al is het onrealistisch dat je die top zult bereiken. Je verliest jezelf daar in. Je komt terecht in een microwereld. Kranten gaan over je schrijven. Je krijgt aandacht van ploegleiders, van artsen, supporters. Dat stuurt je allemaal voorbij de limiet.”

“Als je valt, moet je binnen twee
seconden weer op je fiets zitten”

Ik begrijp uit de film dat er veel medische begeleiding is, veel aandacht voor het lichaam. Maar er is totaal geen aandacht voor de geest. Ziet u dat als ex-wielrenner als een gebrek?

“Ik zie dat als een groot probleem in de sport. Misschien kan mijn film daar ook voor waarschuwen. Er moet meer aandacht komen voor de psychologie van de sporter. Daarin heb je helemaal geen begeleiding. Het is ook eigen aan het wielrennen: men klaagt niet. Het peloton raast maar door. Als je valt, moet je binnen twee seconden weer op je fiets zitten. Je kunt niet klagen.”

“Er zijn veel zelfmoorden geweest in het wielrennen, tragische dingen gebeurd. Een wielrenner is heel gesloten ook, die mag niet klagen. Dat is eigen aan de sport. Je wordt heel individueel en gesloten. Die sport maakt je ook zo. Daardoor kun je met dat soort problemen bij niemand terecht. Dat is niet goed en zeker niet voor jonge gasten waar je tussen terecht komt. Je bent eigenlijk nog een kind.”

“Wat ik heb meegemaakt is in feite absurd. Het is ergens ook heel spannend. Maar daar ben je op dat moment eigenlijk nog niet klaar voor. Je wordt gedwongen om te snel volwassen te zijn. Daar gaat de film ook over.”

Coureur

Een van de artsen zegt over de hoofdpersoon: hij is nog niet uit zijn puberteit.

“Dat is in het echt ook gebeurd met mij. Het is ook de vader die hem klein houdt en tegen hem zegt: je bent zwak, je bent nog een kind. Dat zegt hij om zich als vader boven hem te stellen.”

Het is uw vader, dus daar ga ik niet over zeggen…

“Maar dat mag, hoor.”

Dat je dat als vader nodig hebt om te zeggen, voor je eigendunk.

“Dat is iets heel complex. Een psychologe las een interview dat ik ooit heb gegeven met een wielertijdschrift en ze zei: het is een uiting van liefde. Er ontstaat een soort persoonsverwarring en mijn vader had dat inderdaad. Als ik bijvoorbeeld bij de arts zat, begon hij altijd over zichzelf te praten, alsof hij het over mij had. Een vader denkt dat wat het beste is voor zijn droom, voor zijn aspiratie, ook het beste is voor zijn kind. Hij gaat de dingen door elkaar halen. Hij denkt: het is mijn bloed, dat ben ikzelf.”

“Ik vond het mooi om te zien dat dat eigenlijk een uiting van liefde is. Die band tussen vader en zoon is heel hecht. Maar het is ook dubbel, hè. Het gaat over zijn eigen trots. Maar op hetzelfde moment beseft hij: nu overstijgt hij mij. Er is ook jaloezie en nijd. Die jongen zoekt zijn eigen identiteit, zijn leven los van zijn vader. Maar hij kan het niet.”

Is dat een van de redenen waarom hij naar Italië gaat?

“Absoluut, om letterlijk die afstand te vinden. Maar in Italië ontdekt hij dat hij daar ook geinfecteerd wordt door het geweld van zijn vader. Dat hij ook wordt zoals zijn vader. Hij kan niet van hem loskomen. Maar het is niet zo dat hij in de film ook filmschool gaat studeren”, voegt de regisseur er lachend aan toe. “Dat had ook nog gekund, als enige manier om los te komen. Maar dan was het een ander soort film geworden.”

Aan het slot van de film komt een authentiek filmbeeld langs van iets wat kort daarvoor in de film is nagespeeld. Dat suggereert dat de film autobiografisch is. Wilt u dat daarmee benadrukken?

“Ja, ik denk van wel. Het is een intuïtieve keuze geweest. Ik wilde dat graag doen, het voelde goed. Ik ben me gaan afvragen: als je dit doet, zeg je dat alles wat daarvoor te zien was, echt is. Het is dicht bij wat ik heb meegemaakt, maar er zitten wel fictionele elementen in.”

Kunt u er enkele noemen?

“De bloedtransfusie bijvoorbeeld, die is niet echt gebeurd. Die scène is heel symbolisch: vader en zoon zijn intiem, ze wisselen hun bloed uit. De vader is te trots om mee te gaan naar Italië en zijn zoon daar kampioen te zien worden. Maar hij wil ook een stukje van zichzelf meegeven.”

“Je weet, ik ben een grens over
gegaan en ik kan niet meer terug”

Er zitten scènes in Coureur die ook in een horrorfilm hadden gepast. Dat gebeurt ook in het echt?

“Ik heb zelf nooit een urinewissel gedaan, maar ik heb er veel over gehoord. Ik ben wel heel vertrouwd met naalden. Het werd op een geven moment zelfs banaal. Je gaat een grens over. Het begon met magnesium inspuiten in de ader. Een arts legde uit hoe ik dat moest doen. Dat is eng, de eerste keer. Maar het geeft zo’n macht. Je weet, ik ben een grens over gegaan en ik kan niet meer terug.”

Het klinkt als heroïne.

“Het is ook psychologisch verslavend. Magnesium gaat geen wonderen doen, maar je voelt: nu heb ik een stap gezet. Nu ben ik dichter bij die droom. Het gaat altijd maar verder. Op den duur wordt epo zo ook niks. Wordt het iets banaals zelfs.”

Dat is dus gevaarlijk, dat het gewoon wordt.

“Zeker als je van alles op eigen houtje gaat doen. Ik was begaan en secuur, ik wist waar ik mee bezig was. Maar ik heb andere jongens gezien die geen idee hadden wat ze aan het doen waren. Ik ben wel eens binnengelopen bij een ploegmaat en daar lagen allemaal ampullen op zijn bed. Er was een soigneur bij die dat klaarmaakte. Ik zei: ‘En, wat gaat hij inspuiten?’ ‘Dat weet ik niet’, zei de ploegmaat. Ik heb er met mijn verstand nooit bij gekund hoe dat mogelijk is.”

“In Italië kwam er een jongen naar me toe die wist dat ik er meer van afwist. Hij liet me een pilletje zien. ‘Mag ik je vragen, wat is dit? Dit geven ze me al een half jaar en ik raak geen poot vooruit.’ Dat was testosteron, oraal. Als je testosteron oraal inneemt, dan gaat je hypofyse ook plat liggen. Dus je eigen aanmaak ligt dan plat. Je kunt het wel doen, om te herstellen na een zware koers. Het helpt een paar uur.”

“Maar hij kreeg dat elke dag. Die jongen was waarschijnlijk nog in zijn groei, hij zal zeventien zijn geweest. Het pilletje werkt een paar uur, maar legt wel je eigen aanmaaksysteem plat. Waarschijnlijk was zijn testosteronniveau met pil lager dan zijn natuurlijke aanmaak, met als gevolg hij eigenlijk helemaal niets meer kon. En dat voor iemand die nog in de groei is. Toen dacht ik: wow, dat is heftig.”

“Dat de wielerwereld gesloten blijft, dat we het een taboe houden—dat is niet goed. Bepaalde dingen zouden met controle toegelaten moeten worden. Omdat het dan veiliger wordt.”

Coureur

Dus net als met recreatieve drugs: legaliseren, want dan heb je er meer greep op?

“Voilà, Nederland is daar een goed voorbeeld van. Dan wordt het wel gezonder, denk ik.”

Denkt u dat het mogelijk is om de gesloten wielerwereld open te breken en doping uit de taboesfeer te halen?

“Ik hoop het. Ik denk dat de mensen die er belang bij hebben, de teams die nu bezig zijn, zullen zeggen – zoals altijd gebeurt – ‘hij spreekt over het verleden, dit gebeurt niet meer’. Ik hoop dat de film er aan kan bijdragen dat het debat wordt opengebroken.”

“Anitdopingsfederaties zijn bedrijven met belangen. Ze sporen middelen op waarmee ze publiciteit kunnen halen, dat speelt ook allemaal mee. Er wordt zoveel in de doofpot gestoken. Ik denk dat het goed is als er een open debat over komt.”

“Ik ben altijd bezig
met verhalen en schrijven”

Waar komt uw belangstelling voor film vandaan? Was dat al vanaf jongs?

“Absoluut, misschien dat mijn broer wel die microbe op mij heeft overgedragen. Ik was een jaar of zeven toen hij mij Eraserhead van David Lynch liet zien. We keken heel veel films op de Duitse tv, op Arte. Het heeft me altijd gefascineerd.” Lachend: “Ik heb dat zeker niet van mijn vader gekregen.”

Voelt u zich een verhalenverteller?

“Dat heb ik dan wél meegekregen van mijn vader. Ik ben altijd bezig met verhalen en schrijven. Ik heb ook wel eens kortverhalen geschreven en gepubliceerd zelfs. Ik heb geen conventionele, klassieke manier van vertellen. Dat vond ik ook belangrijk aan de film, dat het een ervaring is en dat het nonlineair verloopt. Een a tot z-verhaal vind ik niet de realiteit weergeven.”

Dat geeft me de kans om iets over de film te zeggen: ik heb geen enkele scène gezien met een begin, een midden en een einde. Het is erg impressionistisch, bijna een videoclip.

“Ik wilde dat je als kijker die rush ervaart. Dat je als een soort voyeur ziet wat er achter die gesloten deuren gebeurt. Als je dat heel lineair in scènes gaat uitwerken krijg je een verhaal. En dat wilde ik niet. Ik wilde een ervaring overbrengen.”

 

7 mei 2019

 

MEER INTERVIEWS

Coureur

***
recensie Coureur

Alles nemen wat verboden is

door Cor Oliemeulen

Het drama Coureur over de jonge Vlaamse wielerbelofte Felix is nooit prettig om naar te kijken, maar biedt wel een aangrijpend relaas vanuit het perspectief van een hulpeloze dopingzondaar die zich vooral voor zijn vader wil bewijzen.

“De Amstel Gold Race van vandaag was veruit de beste wielerwedstrijd die ik ooit heb gezien. Absoluut ongelooflijk!”, twitterde Lance Armstrong nadat multitalent Mathieu van der Poel op sensationele wijze de enige Nederlandse wielerklassieker op zijn naam had geschreven. “Wat doe je hier, ga alsjeblieft weg”, sneerde iemand naar de Amerikaan die in zijn profiel nog vrolijk meldt dat hij zeven keer de Tour de France heeft gewonnen, ondanks het feit dat die titels hem al lang en breed zijn afgenomen. Met ruim drie miljoen volgers op Twitter geniet Armstrong nog steeds veel populariteit en aanzien, ondanks dat hij zijn grootste successen behaalde met structureel dopinggebruik, leugens en intimidatie.

Coureur

Onthutsend
In The Program (2015) toont regisseur Stephen Frears hoe Lance Armstrong bijna de hele wielerwereld in een ijzeren greep hield (inclusief het betalen van zwijggeld aan de internationale wielerunie) totdat een vasthoudende Ierse sportjournalist de ongekende dopingaffaire met overtuigend bewijs aan het licht bracht. De ongenaakbare Amerikaan werd al in 1999 bij zijn eerste Tourzege positief getest, een periode waarin bijna elke professionele wielrenner epo tot zich nam. Door het inspuiten van een hormoon dat extra rode bloedcellen produceert, zouden de spieren minder snel verzuren en zou het uithoudingsvermogen verbeteren.

Richt The Program zich op de ontmaskering van een beroemde frauderende wielrenner, het Belgische drama Coureur geeft een even onthutsend inkijkje in de wereld van een jonge, talentvolle wielrenner eind jaren negentig, echter eenzijdig vanuit het benauwende perspectief van de dopinggebruiker c.q. het dopingslachtoffer. Nationaal beloftekampioen Felix Vereecke (Niels Willaerts) sluit zich geheel tegen de zin van zijn dominante vader Mathieu (Koen De Graeve) aan bij een Italiaanse semiprofessionele wielerploeg en spuit, drinkt en slikt alles wat verboden is. Deels stiekem, deels onder toezicht van de ploegleider, die hem uiteraard laat vallen zodra zijn pupil wordt betrapt.

Vader-zoonconflict
De tragische geschiedenis is ontstaan door de ingewikkelde, maar klassieke verhouding tussen vader Mathieu en zoon Felix. De vader, die zich nog dagelijks thuis op de rollerbank in het zweet werkt, is mislukt als wielrenner en wil dat zijn zoon diens droom kan verwezenlijken. De zoon, die weinig aandacht en liefde van zijn vader heeft ontvangen, wil zich bewijzen, terwijl jaloezie en rivaliteit leidt tot ruzies en soms een knokpartij. Moeder Gerda (Karlijn Sileghem) kijkt liever de andere kant op, zelfs als zij ziet hoe haar man zijn bloed geeft aan hun zoon. Felix is bang dat hij daardoor kanker krijgt, voor Mathieu telt slechts de glorie.

Coureur

Coureur is geïnspireerd op de korte wielercarrière van Kenneth Mercken, die tijdig besloot dat hij zijn gezondheid niet langer op het spel wilde zetten en films wilde maken. Ook hij werd op jonge leeftijd nationaal kampioen en conflicteerde met een vader die wilde dat zijn zoon wel die geweldige racer wordt. Als ervaringsdeskundige wilde Merkcen laten zien hoe de wielrenner de wedstrijd ziet, voelt en beleeft. Uiteindelijk met het verstand op nul, bloed kotsend op het asfalt, maar altijd weer doorgaan omdat je bent wijsgemaakt dat je bent geboren om te winnen.

De verslaving aan zowel de sport als de doping, de naïviteit van de zoon en de rivaliteit met de vader in Coureur geven een aardig, subjectief beeld van de jonge belofte die wordt geleefd door zijn drijfveren en gemanipuleerd door zijn omgeving (de met een pistool zwaaiende Russische collega is eerder uitzondering dan regel). Naturalistisch, bij vlagen claustrofobisch gefilmd, waarmee de kijker vooral krijgt ingepeperd hoe je je eigen dromen moet volgen en in godsnaam moet afblijven van verboden middelen die je lichamelijk en geestelijk kunnen ruïneren. Twintig jaar na Armstrong, Vereecke en co lijken de dopingexcessen voorgoed uit de wielerwereld verbannen.

 

3 mei 2019

 

Lees hier het interview met regisseur Kenneth Mercken.

 

ALLE RECENSIES

Last Fight, The

****

recensie The Last Fight

Verslaafd aan vechtsport

door Ries Jacobs

Vechtsporter Marloes Coenen staat aan de wereldtop. Ze is halverwege de dertig en weet dat ze nog maar enkele gevechten in zich heeft voordat ze moet stoppen met het beoefenen van haar passie. “Vechten is zo puur, wie ben ik als ik stop met de sport?”

Loodzware trainingen, bloemkooloren en sessies bij een energetisch therapeut, alles heeft ze ervoor over om dat ene doel te behalen: de overwinning. Coenen beoefent Mixed Martial Arts (MMA), een vechtsport waarin verschillende disciplines met elkaar gecombineerd worden. In Nederland staat deze sport ook bekend als kooivechten.

The Last Fight

Documentairemaker Victor Vroegindeweij volgt haar gedurende de laatste jaren van haar carrière. Hij legt vast hoe Coenen traint en zich mentaal voorbereid op de gevechten, hoe ze terugkijkt op haar carrière en worstelt met de wetenschap dat die carrière eindig is. We zien geen terminatorachtige vechtmachine, maar een intelligente vrouw die de laatste jaren haar loopbaan zorgvuldig vormgeeft. Ondanks twijfels over de toekomst werkt Coenen gedisciplineerd toe naar haar laatste gevecht.

De documentaire is voorzien van een prachtig diepe en tegelijk rauwe voice-over die op filosofische wijze de essentie van de vechtsport belicht. Dit is de stem van acteur Bruce Dern, tweemaal genomineerd voor een Oscar (in 1979 voor Coming Home en in 2014 voor Nebraska) en bij het jonge publiek vooral bekend vanwege zijn rollen in Django Unchained en The Hateful Eight.

Zingeving
Vroegindeweij werkte eerder al met Coenen samen. De korte documentaire Tiny Love uit 2013 gaat over een gevecht van Coenen in Tokio. Langere documentaires van hem zijn Mattheus en Ik (2013) over evangelist Mattheus van der Steen en Gaandeweg (2008) over zijn dichtende vader Rien, die terugkijkt op zijn leven. In deze films staat de zoektocht naar zingeving centraal.

Ook The Last Fight gaat in essentie niet over MMA, maar over de vraag hoe Coenen haar leven vormgeeft op een manier die voor haar zinvol is. “Ik heb heel veel opgegeven”, zegt Coenen als ze haar leven vergelijkt met dat van andere mensen. “Zij hebben mooie huizen, gaan een paar keer per jaar op vakantie en hebben kinderen. De klok begint nu wel te tikken.” Dit soort zelfreflectie uit ze vaker. Heb ik voorheen de juiste keuzes gemaakt? Wat doe ik na mijn professionele carrière? Kan ik nog kinderen krijgen of heb ik hiervoor teveel van mijn lichaam gevraagd? Vragen die Coenen zichzelf stelt, maar waar ieder mens mee te maken krijgt.

The Last Fight

Spiegel
Het leven van Coenen en Roemer Trompert, die zowel haar partner als haar trainer is, staat volledig in het teken van haar sport. Zij hebben een andere keuze gemaakt dan de meeste mensen door niet te gaan voor de mooie koopwoning en de zekerheid van een vast contract. Hun enige zekerheid is onzekerheid.

Vroegindeweij geeft de twee een podium en houdt daarmee ook de kijker een spiegel voor. Doet de kijker wel echt wat hij het liefst wil? Heeft hij in het verleden wel de juiste keuzes gemaakt? De introspectieve beschouwingen van Coenen maken dat de toeschouwer bijna niet anders kan dan naar zichzelf kijken. De welhaast levensbeschouwelijke vragen die de film stelt, gecombineerd met  keiharde actie tijdens trainingen en wedstrijden en de raspende stem van Dern, maken van The Last Fight een documentaire maken die tot het laatste moment boeit.
 

5 februari 2018

 
MEER RECENSIES

Raging Bull

Raging Bull: Worsteling met een gekooid bestaan

door Tim Bouwhuis

De grootste ontlading uit zich pas als Jake La Motta’s leefwereld zich richting het einde van Raging Bull beperkt tot de muren van zijn gevangeniscel. ‘I am not an animal’, weerklinkt het, net als in David Lynch’ filmische schreeuw om humaniteit uit hetzelfde maakjaar. 

Zowel in The Elephant Man als in Raging Bull dient de noodkreet van beide hoofdpersonen als een laatste redmiddel: om hun menselijkheid niet te verliezen dienen zij iedereen ervan te overtuigen dat zij in wezen even menselijk zijn als de mensen om hen heen. La Motta, eenzaam als hij is in zijn cel, overtuigt vooral zichzelf; Joseph Merrick poogt de mensen te overtuigen die hem als een dier behandelen. Beide slachtoffers richten zich echter ook tot ons: oordelen wij ook? Of voelen we oprechte sympathie waar we normaliter afstand zouden bewaren?

Raging Bull

De boksring als droomwereld
Raging Bull (1980) is daarmee een karakterstudie, een intense inkijk in een getroebleerd mensenleven. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de film een anti-biografie is. De bokssport lijkt slechts een middel tot een doel, daar de zo typische rise and fall-structuur (een trainingsfase ontbreekt, de film start in media res) die we onder andere kennen van Rocky (1976) ontbreekt. Ook de negentien boksminuten behelzen veel meer dan de sport zelf, dan winst of verlies; ze tonen de enige (droom)wereld waarin de Niro’s getergde antiheld zichzelf kan zijn. De boksring is een cinematisch podium, een plaats waar rook en slow-motionbeelden van een bokser een dansende artiest maken. De conflictueuze montage van Thelma Schoonmaker (leg Raging Bull op dit vlak eens naast het oeuvre van Sergei Eisenstein) maakt de kijker deel van La Motta’s gevecht. Schouwen van een afstandje is uitgesloten.

Martin Scorsese-maand: Goodfellas - Goeie gastenHet verlaten van de ring brengt een onafwendbare crisis met zich mee. Scorsese begeeft zich van surrealisme naar neorealisme, van subjectivisme naar moraalvrije verslaglegging. Logisch is de keuze voor dat laatste geenszins. De Niro’s La Motta is een afstotelijk personage, een vrouwonvriendelijke driftkop die niet om kan gaan met de sociale condities van zijn privéleven. Toch vindt Scorsese in die buitenbeentjes zijn sterren. Mean Streets, Taxi Driver en tenslotte Raging Bull: je zou deze anti-biografie kunnen beschouwen als het afsluitende portret in een reeks sociaal-culturele impressies van het Italiaans-Amerikaans gekleurde New York.

Ultieme toewijding
Tijdens het productieproces van Raging Bull waren er momenten dat Scorsese dacht dat dit zijn laatste film zou worden. Het leidde ertoe dat de veelgeprezen regisseur niets aan het toeval overliet en alles wat hij had toewijdde aan zijn werk. De detailgerichte regie is een lust voor het oog: Scorsese tekende de gevechten frame voor frame uit op storyboards, aan de montagetafel restten enkel verfijning en perfectie. De toewijding van De Niro complementeert dit zwaarbevochten succesverhaal; zonder de intensiteit van Scorseses front man geen Raging Bull.

Raging Bull

De Niro’s prestatie is zo indrukwekkend dat van een biografische La Motta haast geen sprake meer lijkt. In Raging Bull figureert een reïncarnatie, een bevlogen vertolker van een menselijk hoofdpijndossier. Minstens even sterk is overigens Joe Pesci, onmisbaar als de meer redelijke broer binnen La Motta’s gezinsleven. Hoe ironisch is het dat Pesci’s temperament in Goodfellas en Casino de man ook in De Niro’s vertolking van La Motta nauwelijks een gelijke vindt…

Raging Bull laat de invloed zien van de neurotische angst alles te verliezen. Zijn titel, zijn sociale status, maar met name ook zijn vrouw (krachtig gespeeld door een jonge Cathy Moriarty). Jaloezie verteert de bezitterige La Motta bij iedere toenaderingspoging, of die nu van een man komt of van Vickie zelf.
 

3 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE

Magnus

****

recensie Magnus

Gezin als hoeksteen van succes

door Cor Oliemeulen

Magnus is een documentaire over de gelijknamige Noorse wereldkampioen schaken die zich laat kijken als een spannend jongensboek.

“Ik heb nog nooit zoiets indrukwekkends gezien”, verzucht iemand als Magnus Carlsen uit zijn hoofd alle zetten van zijn partij tegen een zojuist verslagen opponent in Harvard University opschrijft. Normaal geef je zo iemand misschien je handtekening, maar de Noorse schaakgrootmeester overhandigt liever een notatieformulier als herinnering. Ook de negen andere advocaten hadden tijdens de blindsimultaan tegen de ‘Mozart of Chess’ geen schijn van kans gehad.

Magnus

De kunst van het componeren
Componeren op het schaakbord. Schaken als kunst. Weinigen zo creatief als Magnus Carlsen, op 30 november 1990 geboren in het stadje Tønsberg. Aan de hand van homevideo’s blikt vader Henrik terug op de kindertijd van zijn enigste zoon. Terwijl we zijn drie zusjes spontaan zien ravotten in de Noorse natuur, denkt de vierjarige Magnus eerst goed na voordat hij tot actie overgaat. Drie jaar later kent hij de hoofdsteden, vlaggen en inwonersaantallen van de meeste landen van buiten. Hij is gek van lego, én van schaken. We zien Magnus weliswaar de Donald Duck lezen, maar volgens zijn vader vertellen vooral cijfers en nummers hem het verhaal. Dat maakt hem op school een eenling, een outsider. Hij wordt veel gepest omdat hij altijd in gedachten is. “Schaken was goed voor zijn zelfvertrouwen”, vertelt Henrik. Magnus Carlsen werd al op zijn dertiende Noors schaakkampioen. Het begin van een glansrijke carrière.

Nadat zijn landgenoot Øyvind Asbjørnsen in de korte documentaire The Prince of Chess in 2005 het wonderkind portretteerde, neemt Benjamin Ree in Magnus als het ware het stokje over vanaf het moment dat Carlsen internationaal doorbreekt. Zijn camera draait tijdens alle belangwekkende gebeurtenissen met de lens vaak dicht op de huid en op het schaakbord. Het resultaat is een sympathieke coming of age van een ongekend talent dat we zien opgroeien van tiener tot volwassene, zowel in de arena als in zijn gezin. Een must voor de schaakliefhebber, maar zeker zo interessant voor de liefhebber van een geobsedeerd persoon die zijn hele leven in het teken stelt van het doel om de beste te worden. Tegelijkertijd blijkt Magnus een zeer gesloten persoon. “Ik houd mijn demonen voor mezelf. Soms is het zwaar dat je de enige bent die iets begrijpt.”

Magnus

Meer mens dan computer
Schaken en cool zijn, gaat niet goed samen. Dat imago veranderde enigszins toen een bekend jeansmerk Magnus Carlsen in 2010 als boegbeeld van zijn reclamecampagne naar voren schoof, in stoere poses door Anton Corbijn vereeuwigd. Dit hoefde kennelijk niet in de documentaire, want Magnus blijkt sowieso veel meer mens dan computer. Hij houdt niet van het gedisciplineerd uitpluizen van databases met alle openingen en partijen van zijn tegenstanders, maar speelt liever intuïtief. Een groot contrast met de Indiase grootmeester Viswanathan Anand, de wereldkampioen die in 2013 door Carlsen wordt uitgedaagd voor de titel. Tijdens de eerste vier partijen van de tweekamp is de uitdager bloednerveus – hij laat zowaar een paar keer een stuk uit zijn hand vallen – maar als hij op de eerste rustdag veel lol heeft gemaakt met zijn zusjes en ouders, zit vanaf de vijfde partij een volkomen ontspannen en zelfverzekerde toekomstige wereldkampioen achter het bord.

Magnus Carlsen heeft de hoogste schaakrating ooit. Of hij de beste schaker aller tijden is, zal blijken als hij net als Garry Kasparov het mondiale schaken twee decennia lang kan beheersen en dezelfde mate van vernieuwing en creatief aanvalsschaak op het bord kan toveren als de Rus (die enigszins nerveus op zijn stoel schuift als een 13-jarige Magnus tegenover hem aan het bord zit). Maar dat Carlsen een genie is, staat buiten kijf. Misschien wel even geniaal als Bobby Fisher, ongrijpbaar op en naast het bord. Die tijd dat iemand zijn tegenstander zo genadeloos van het bord kon vegen is (jammer genoeg) voorbij, want na de introductie van schaakcomputers weet je bijna exact welke openingen je tegenstander speelt en kun je je heel gericht voorbereiden.

Je vraagt je af wat er van Bobby Fisher terecht zou zijn gekomen als ook hij in een stabiel gezin was opgegroeid. Van Magnus Carlsen hoeven we niet snel te verwachten dat hij ten prooi valt aan paranoia en zal doordraaien. In dat geval zou dat vast een even mooie vervolgdocumentaire opleveren.
 

13 januari 2017

 
MEER RECENSIES

Vijf goede schaakfilms

Race

**

recensie Race

Marathon zonder kleur

door Cor Oliemeulen

Jesse Owens is een van de meest aansprekende atleten uit de geschiedenis. Met zijn vier gouden medailles op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn zette hij Adolf Hitler met zijn idee over het superieure Arische ras finaal te kakken. Hoog tijd voor een biografisch drama.

Race neemt ruim de tijd om zowel het unieke sporttalent in het zonnetje te zetten als het gekonkel over een eventuele Amerikaanse boycot uit solidariteit met de door de nazi’s onderdrukte joden op te tekenen. Maar zelfs 134 minuten blijken te weinig om enige nuance in deze zwart-wit registratie aan te brengen, waarmee de hapklare brok zich veilig op het grote publiek richt. Met soms wat digitale beeldeffecten zodat we ons terug in de tijd wanen, midden in de sportarena.

Race

Het grote manco van Race is karakterontwikkeling. Een filmdrama dat men biografie durft te noemen, zou op zijn minst een paar keer diep op de persoonlijke beleving en omstandigheden van de hoofdrolspeler moeten ingaan. Het feit dat de stevige roker Jesse Owens in de film nooit met een sigaret is te zien en dat het sporticoon op zijn zesenzestigste zou overlijden aan een agressieve vorm van longkanker, hoeft weliswaar weinig betoog, want dat is minder van belang dan de verhouding met zijn vader, zijn vrouw, de blanke atleet en zijn trainer (Jason Sudeikis in een serieuze rol). Voor elke relatie heeft het scenario een paar gemeenplaatsen en volzinnen paraat en de kijker hoeft zich geen moeite te getroosten deze verhoudingen verder in te kleuren.

Sprint
Ook wanneer de stugge Avery Brundage (Jeremy Irons) namens het Amerikaanse Olympische Comité wordt afgevaardigd om met nazipropagandaminister Joseph Goebbels te onderhandelen over deelname is het beeld stereotiep. Terwijl de Amerikaan naar de plaats van afspraak wordt gereden, ziet hij in één minuut het actuele Jodenleed aan zijn oog voorbijtrekken: leuzen, marcherende soldaten en natuurlijk wordt er precies op dat moment een joodse familie vanuit het huis in een legertruck gemanoeuvreerd en afgevoerd.

Carice van Houten had ook een beter lot verdiend. Zij kwijt zich prima van haar taak om de eigenzinnige en feministische kant van documentairemaakster Leni Riefenstahl uit te beelden, maar wordt regelmatig dwars gezeten door de haastige spoed van regisseur Stephen Hopkins die deze neiging mogelijk heeft overgehouden aan zijn jarenlange productie van tv-series (24, House of Lies, 24: Legacy). Riefenstahl heeft de opdracht een propagandafilm over de Olympische Spelen van 1936 te maken en conflicteert enkele malen met Goebbels. De regisseuse wil 45 camera’s in het Olympisch stadion en geen enkele restrictie. Goebbels: “Het zijn míjn Spelen!” Riefenstahl: “Het is míjn film! Zonder mijn film zullen uw Spelen volgend jaar vergeten zijn.” (Ze zou gelijk krijgen: haar tweedelige documentaire Olympia uit 1938 geldt ook nog in 2016 als artistiek sterk en historisch waardevol.)

Race

Kapstok
Verder dan terechte bewondering voor de atleet Jesse Owens komt Race nauwelijks. Zijn optreden op een atletiekwedstrijd op 25 mei 1935 in Michigan leverde een ongeëvenaarde sportprestatie op: drie wereldrecords in drie kwartier tijd (200 yards, 200 yards hordelopen en verspringen). Maar zijn prestaties op de baan overvleugelen spijtig genoeg zijn karakterontwikkeling. Dus kan het zomaar gebeuren dat het belangrijkste personage, zeker niet onsympathiek vertolkt door de Canadese acteur Stephan James in zijn eerste hoofdrol, in feite wordt gemarginaliseerd als bijrol – een kapstok om de politieke en maatschappelijke discussie over wel of geen boycot van de Olympische Spelen aan op te hangen. Gelukkig verschijnt er op de valreep nog wel een dik uitroepteken achter de Amerikaanse hypocrisie: wel begaan met de overzeese Jood, maar ondertussen ongegeneerd doorgaan met stelselmatige discriminatie van de eigen zwarte burger – zelfs van Olympisch kampioen Jesse Owens.

Het verschrikkelijk afgezaagde liedje onder de aftiteling onderstreept de oppervlakkigheid van Race, dat met de erg voor de hand liggende titel (‘race’ betekent zowel ‘wedstrijd’ als ‘ras’) sowieso niet in aanmerking komt voor de originaliteitsprijs. Met het jankerige deuntje en strofes als ‘Let the games begin, let the best one win’ zou zelfs een finaleplaats op het Songfestival nog hoog gegrepen zijn. Op de redactie van Indebioscoop zouden we Race bestempelen als ‘pizza-film’: een cinematografisch tussendoortje zonder kraak of smaak. Hap, slik, weg.

 

16 juni 2016

 
MEER RECENSIES

Eddie the Eagle

***

recensie  Eddie the Eagle

Meedoen is belangrijker dan winnen

door Wim Meijer

Eddie the Eagle toont de underdog Michael Edwards op lange latten die alle verwachtingen overtreft en zijn Olympische schansspringdroom waarmaakt. Het is een sympathieke film met dito hoofdpersoon die gekkere sprongen maakt dan de film zelf.

Michael Edwards (Taron Egerton), zoals Eddie the Eagle eigenlijk heet, is een kleine, doortastende jongen die je alles gunt. Zijn droom om een Olympiër te worden begint al in de openingsscène, waarin hij verscheidene zomersporten uitprobeert. Er sneuvelen vele brillenglazen tijdens pogingen te kogelstoten of hordelopen, maar de maat voor Eddie’s vader is pas echt vol wanneer er een speer rakelings langs hem door het raam vliegt. Eddie moet maar stukadoor worden, net als hijzelf.

Recensie Eddie the Eagle

Eddie raakt meerdere malen in de film overtuigd van zijn onvermogen – niet geheel onterecht overigens – maar klautert telkens weer overeind. Eddie blijkt zelfs zowaar voor skiën enigszins talent te hebben. Het is echter niet genoeg, want hij plaatst zich niet bij het Britse Olympische team op de slalom. Maar Eddie geeft niet op, hij krijgt z’n moeders spaargeld en jat z’n vaders busje om te gaan schansspringen.

Even onnozel als komisch
Eddie gaat trainen in Duitsland en springt oud-schansspringer Bronson Peary tegen het lijf. Peary is een cynische zuiplap, een rol die Hugh Jackman ondertussen kan dromen na alle X-Men films. Peary moet niets weten van Eddie, maar ontwikkelt een zwak voor zijn doorzettingsvermogen en al snel vormen de twee een onafscheidelijk duo met maffe trainingsmethoden, zoals trainen op aerodynamica door op het dak van een rondrijdend busje te staan. Het levert wel leuke scènes op waarin de twee protagonisten naar elkaar toe groeien.

Fijn aan de film is het karakter van Eddie zelf. Eerst zou hij gespeeld worden door Steve Coogan – je moet er niet aan denken – maar gelukkig is later de relatief onbekende Taron Egerton gecast. Hij vertolkte Eggsy in het fantastische Kingsman: The Secret Service en lijkt sprekend op de echte Michael Edwards. Eddie’s blik achter zijn enorme bril is goud waard, zijn opmerkingen even onnozel als komisch, zijn volharding tekenend voor een Olympiër. Het is een vermakelijke set kwaliteiten die Eddie als karakter een stuk interessanter maken dan zijn coach.

Contrast
Je ziet het al helemaal gebeuren natuurlijk, een Brit die zonder enige ervaring van schansen springt in een trainingsgebied in Duitsland. Het contrast is haast zo groot als in Cool Runnings waar we allemaal juichten voor Jamaicanen in een bobslee. Regisseur Dexter Fletcher liet zich inspireren door die culthit uit 1993 en dat is te merken. Eddie the Eagle heeft dezelfde Disney feelgood vibe, met veel vrolijke muziek, excentrieke personages, een enorme underdog en een happy ending waar de gemiddelde massagesalon in Amsterdam nog een puntje aan kan zuigen. De film refereert nog kort aan zijn spirituele voorganger in een radiobericht tijdens de Olympische Winterspelen van Calgary in 1988.

Eddie the Eagle

Dexter Fletcher maakte eerder Wild Bill, een film over de terugkeer van een crimineel naar zijn twee verlaten zoontjes na jaren gevangenschap. Een prima debuut, vermakelijk met een rauw randje. Eddie the Eagle blijft echter keurig binnen de lijntjes en weet nergens te verrassen. De chemie tussen Jackman en Egerton maakt een hoop goed, maar de film is bijzonder voorspelbaar. De scènes gemaakt door een ‘helm-cam’ waarin Eddie als een gek van een schans naar beneden raast, spreken wel tot de verbeelding, met prachtige shots in mid-air.

Eddie the Eagle, in tegenstelling tot de hoofdpersoon bepaald geen hoogvlieger, speelt erg in op het underdoggevoel en haalt het onderste uit de kan. Van enige diepgang is nauwelijks sprake, zowel qua script als karakterontwikkeling. Ondermaats is de film echter allerminst en valt hij te vergelijken met de titulaire hoofdpersoon: ’t is niet goed, maar wel behoorlijk vermakelijk.

 

25 maart 2016

 

 

MEER RECENSIES

 

Creed

**

recensie  Creed

Jonge god en ouwe knar

door Cor Oliemeulen

Het plot van deze zevende Rocky-film is niet minder afgezaagd dan dat van zijn meeste voorgangers en de meeste boksscènes zijn even onrealistisch. Gelukkig is daar nog steeds Sylvester Stallone als de onverwoestbare bokslegende.

Een kinderhand is gauw gevuld. De tegenstander van Rocky in de allereerste gelijknamige boksfilm uit 1976, Apollo Creed, blijkt een buitenechtelijke zoon te hebben. Hij heet Adonis Johnson, vernoemd naar zijn surrogaatmoeder (de moeder in The Cosby Show). Adonis wil niet teren op de naam van zijn vader, een ex-wereldkampioen zwaargewicht. Deze jonge god verlaat Los Angeles en gaat in het Rocky-walhalla Philadelphia op zoek naar de legendarische bokser. De vuistvechter, die in Rocky 4 wint van de Russische bokser die Adonis’ vader in de ring doodsloeg, is de ideale kandidaat om hem de fijne kneepjes van het vak bij te brengen. Zoals dat gaat in dit soort sprookjes wil Rocky eerst niet, maar vindt hij exact genoeg redenen om het fysieke en mentale avontuur aan te gaan. En natuurlijk is er een meisje (dat lijkt op de dochter in The Cosby Show) voor de emotionele balans.

Recensie Creed

Eeuwig Rocky
Het meest bijzondere van Creed is de prima ‘eeuwige’ rol van Sylvester Stallone, voor diens doen opvallend aandoenlijk vertolkt, de rest van de film is verwaarloosbaar. De liefhebber die verder kijkt dan deze conventionele opsomming van genreclichés, kan met gemak tientallen betere boksfilms ontdekken.

Er is wat opschudding ontstaan over het feit dat er geen enkele Afro-Amerikaan is genomineerd voor een Oscar in 2016. Zo ontbreekt de hoofdrolspeler van Creed, Michael B. Jordan, op de lijst, terwijl bijrolacteur Sylvester Stallone juist wel is genomineerd.

Hoewel het stemgedrag van het zesduizend koppige gezelschap van de Academy of Motion Picture Arts and Sciences (volgens een studie uit 2012 was 94% blank en 77% man) op zijn minst een tikkeltje conservatief en soms onvoorspelbaar is te noemen, is de Oscarnominatie van Stallone begrijpelijk, hoewel verzilvering zou grenzen aan waanzin. Het lukt hem op zijn oude dag zowaar twee ‘Oscar winnende speeches’ van een minuut (waarvan eentje met traan) op te lepelen. Sentiment was Hollywood nooit vreemd. Waarom de hoofdrolspeler niet is genomineerd? Aan zijn afgetrainde lijf zal het niet liggen, maar Michael B. Jordan krijgt door het kleffe script niet de kans boven zichzelf uit te stijgen.

Recensies Creed

Aftakelende held
Personages die ziek, zwak en misselijk zijn, hebben bij de Oscars bovendien traditioneel een streepje voor. De eerste vraag is of het trouwe Rocky-publiek wel zit te wachten op een aftakelende held, ondanks het nobele streven van zowel bokser als trainer om een vuist te maken voor het leveren van een bijna onmogelijke strijd binnen en buiten de ring. De slotvraag is of een van de bekendste filmhelden uit de moderne filmgeschiedenis in Creed een definitieve knock-out is toegebracht, of dat hij misschien later zélf nog een buitenechtelijk kind met boksambities blijkt te hebben.

Elke gefabriceerde comeback lijkt mogelijk in deze afgekloven toverformule die Rocky heet, zolang er maar in een behoefte wordt voorzien en de kassa’s blijven rinkelen. Hopelijk laat Michael B. Jordan zich niet verleiden voor een Creed 2, daarvoor is zijn talent als filmacteur te groot. In het biografische drama Fruitvale Station (2013) kan hij een veel grotere emotionele en psychologische reikwijdte etaleren. Overigens dánkzij regisseur Ryan Coogler, die met Creed én Jordan zijn pas tweede speelfilm maakte en veel beter lijkt te passen bij serieuzer drama.

 

17 januari 2016

 

 

MEER RECENSIES

 

Southpaw

**

recensie  Southpaw

Comeback Kid uit de goot

door Ashar Medina

In de nieuwste van regisseur Antoine Fuqua (Training Day) krijgt Jake Gyllenhaal als getroebleerde bokser tegenslag na tegenslag te verwerken. Helaas is een van die obstakels het soms wel erg voorspelbare script. 

Billy Hope (Gyllenhaal) heeft zichzelf omhoog gevochten van de armlastige pleeggezinnen uit zijn probleemjeugd naar de top van de bokswereld. Hij is de onbetwiste licht zwaargewicht-kampioen, maar heeft één groot probleem: zijn zelfbeheersing. Gelukkig is daar altijd zijn vrouw Maureen (Rachel McAdams) die onvoorwaardelijk van hem houdt en hem in toom weet te houden. Tot het noodlot toeslaat en Billy door zijn onbeheersbare woede alles verliest waarvoor hij zo hard heeft gewerkt. Hij moet helemaal opnieuw beginnen en bewijzen dat hij zich niet alleen kan aanpassen aan zijn nieuwe tegenstanders, maar ook dat hij een goede vader kan zijn voor zijn dochtertje. Wat volgt is de loodzware route naar een broodnodige comeback, een die we wel vaker hebben gezien.

Recensie Southpaw

Hopeloos
De titel Southpaw verwijst naar de onorthodoxe vechthouding van linkshandige boksers die Billy zichzelf moet aanleren om zijn aartsvijand te kunnen verslaan. Zo vertegenwoordigt Billy als underdog een bekend fenomeen in de bokswereld: The Great White Hope. De witte bokser die eindelijk weer eens de titel claimt, na een eindeloze reeks zwarte en Latino-kampioenen. De filmmakers gaan niet erg subtiel om met dit gegeven en het feit dat ze Billy ook nog de achternaam Hope meegeven ligt er nogal dik bovenop. Het resulteert in een eindeloze reeks woordgrappen van de bokscommentatoren die de spectaculair in beeld gebrachte gevechten van extra jus voorzien.

Zo maakt Southpaw dankbaar gebruik van de clichés die lijken te horen bij het genre: de op geld beluste manager die onze held in de steek laat zodra het minder gaat, de norse trainer met een mysterieus verleden en de verplichte montagesequenties waarin de boksers ‘tot het gaatje gaan’. Regisseur Fuqua gaat de clichés niet uit de weg en gebruikt deze momenten juist om visueel uit te pakken. Dat is alleen niet altijd een garantie voor succes.

Winnen op punten
De cast van Southpaw doet meer dan zijn best. Gyllenhaal heeft een De Niro-achtige transformatie ondergaan en is volledig geloofwaardig als ongecontroleerde klerenkast. McAdams is het hart van de film en Forest Whitaker is indrukwekkend als kreupele coach met vervlogen dromen, inclusief glazen oog en alcoholverslaving. Een speciale vermelding verdient de 13-jarige Oona Laurence, die als vroeg-volwassen dochter uitstekend tegenspel biedt wanneer Billy zijn dieptepunt bereikt. De acteurs krijgen alleen te weinig om mee te werken. Fuqua verliest zich richting het einde in melodramatische scènes waarin personages óf elkaar de huid vol schelden óf bedrukt voor zich uit staren.

Southpaw

Daarnaast ziet de film er té gelikt uit. De materie is zo rauw dat de manier waarop de gevechten in beeld zijn gebracht soms afleidt. Gyllenhaal schreeuwt net iets te vaak in schitterende slow motion naar zijn tegenstanders en spuugt net iets te vaak grote klodders bloed richting de camera. Waar David O. Russel in The Fighter slim gebruik maakte van gesimuleerde tv-beelden om een gevoel van authenticiteit te creëren zit Southpaw er eigenlijk juist te dicht op. Deze techniek werkte geweldig in Raging Bull, maar daar zaten we soms letterlijk in  het hoofd van bokser Jake LaMotta en bovendien werd die film geregisseerd door maestro Martin Scorsese. Onvergelijkbaar.

Southpaw is alles behalve saai, er gebeurt een hoop. Jammer genoeg gebeurt alles bijna zonder uitzondering volgens het boekje, waardoor de film niet echt iets toevoegt aan het rijke genre van de boksfilm.

In memoriam
De bombastische, doch geslaagde score van Southpaw vormt helaas de zwanenzang van de zeer productieve filmcomponist James Horner, die een maand voor de première verongelukte in zijn privévliegtuig. Horner werkte aan meer dan honderd films, was onder andere verantwoordelijk voor de legendarische soundtrack van Titanic en drukte zo zijn onuitwisbare stempel op het moderne geluid van Hollywood. Hij zal worden gemist.

 

7 september 2015

 

MEER RECENSIES

5 goede schaakfilms

Vijf schaakfilms die staan als een toren

Joueuse

Heel veel goede speelfilms over schaken zijn er niet gemaakt. The Dark Horse en Pawn Sacrifice die in 2015 de Nederlandse filmtheaters bereikten, zullen zeker niet alleen liefhebbers van het strategische bordspel bekoren. Dat geldt ook voor de vijf volgende schaakfilms.

Samenstelling: Cor Oliemeulen

1. – Life of a King (2013)

‘Always Think B4 U Move’ prijkt op de gevel van de Big Chair Chess Club in een arme wijk van Washington. Schaken als metafoor voor het leven. Net als in The Dark Horse probeert een man met een niet alledaags verleden kansloos geachte jongeren te enthousiasmeren voor het schaakspel. Gebaseerd op een ware geschiedenis speelt Cuba Gooding Jr. de ex-crimineel Eugene Brown, die na zeventien jaar gevangenis een klas moeilijke kinderen voor zijn neus krijgt. School is voor de meesten verplichte kost en weer op straat houden sommigen zich bezig met drugshandel en overvallen. Natuurlijk lukt het Eugene uiteindelijk enkele jongeren perspectief en structuur met schaken te bieden, en is het meegenomen dat er een natuurtalent in de klas zit. Op privéterrein worstelt Eugene om contact met zijn dochter te krijgen. Life of a King is een typisch Amerikaanse inspiratiefilm met het hart op de goede plaats, maar kleurt soms wel teveel binnen de lijntjes.

2. – Searching for Bobby Fischer (1993)

De bekendste schaakfilm is niet per se de beste, maar nog steeds onmisbaar. Bobby Fisher was de eerste (en laatste) Amerikaan die de wereldtitel won. De film begint met authentieke beelden van de ongrijpbare legende, die schaken tot kunst wist te verheffen, tijdens de tweekamp met de Rus Boris Spasski in 1972. Tijdens de Koude Oorlog had Fisher de Amerikaanse hegemonie onderstreept en werd het enfant terrible een beroemdheid. Totdat hij zijn meest onverwachte zet deed: hij verdween! Searching for Bobby Fisher is het waargebeurde verhaal over de pas zevenjarige Josh Waitzkin die door sommigen wordt geacht in de voetsporen van diens grote voorbeeld te treden. De strenge schaakleraar Bruce Pandolfini (Ben Kingsley) ontfermt zich over Josh, maar dan blijkt dat het jongetje ook graag andere dingen doet, zoals honkballen en spelen met lego. Ook snelschaken met marginale figuren in het park is plotseling taboe. Gelukkig komt alles op zijn pootjes terecht en schaakt Josh zich succesvol een weg door tal van jeugdkampioenschappen.

3. – La diagonale du fou (1984)

Van alle romantiek ontdaan is deze Franse schaakfilm waarin Michel Piccoli op zeer realistische wijze de fictieve wereldkampioen schaken Akiva Liebeskind neerzet. In dit drama wordt de ideologische strijd tussen de verstokte Joodse Russische communist Liebeskind en zijn uitdager, de jonge dissident Pavis Fromm, op het scherpst van de snede gevoerd. De vermeende afluisterpraktijken op een hotelkamer en een hypnotiseur op de eerste rij van het publiek doen regelrecht denken aan de beruchte schaaktweekamp tussen de stoïcijnse Rus Karpov tegen de naar Zwitserland gevluchte grootmeester Viktor Kortsjnoj. Psychologische oorlogsvoering en paranoia vieren ook hoogtij in La diagnole de fou waarin Liebeskind bovendien kampt met een hartkwaal en Fromm in scheiding ligt met zijn vrouw Marina (Liv Ullmann). Mooi beeld van een tijd waarin schaakcomputers nog geen intrede hadden gedaan en de schaakgrootmeesters tijdens een tweekamp werden bijgestaan door een team van secondanten die tot in de nachtelijke uren openingen voorbereidden en afgebroken partijen analyseerden.

4. – Lang leve de koningin (1995)

Liefhebbers die in hun jeugd leerden schaken, zijn opgegroeid met het boekje ‘Oom Jan leert zijn neefje schaken’, in 1968 geschreven en samengesteld door Albert Loon en schaakgrootmeester Max Euwe, de enige Nederlander die wereldkampioen werd. Hiermee leer je op een verhalende en speelse manier de beginselen van het schaakspel. In feite is Lang leve de koningin van Esmé Lammers een afgeleide van dit speelse leerboekje. De kleine Sara kan zich moeilijk concentreren op school en haalt allemaal onvoldoendes. Op een dag ziet ze een schaakspel in de winkel van de vader van een klasgenootje. Sara is direct verkocht en fantaseert dat ze deel uit maakt van het gemêleerde gezelschap op het bord. De witte koningin (Monique van de Ven) neemt Sara onder haar hoede en verzint spelenderwijs de regels van het spel. De moeder van Sara wil niets van schaken weten, omdat zij vroeger heeft gebroken met schaakgrootmeester Bob Hooke (Derek de Lint) die nu de stad aandoet voor een schaaksimultaan, waarvoor Sara gaat oefenen. Mooie avontuurlijke familiefilm met veel amusante bijrollen.

5. – Joueuse (2009)

Schaken als remedie tegen een saai huwelijk. Dat is het doel van Hélène (Sandrine Bonnaire) die als kamermeisje werkt in een hotel op Corsica waar zij op een dag een koppel op het balkon een intiem potje schaak ziet spelen. Ze gaat ’s nachts oefenen en leert de kneepjes van het spel van dokter Kröger (Kevin Kline) bij wie ze wekelijks het huis poetst. Hélène ontdekt dat de dame sterker is dan de koning en probeert met haar nieuwe obsessie iets voor zichzelf te creëren, terwijl manlief Ange bang is zijn vrouw te verliezen. Hélène blijkt een natuurtalent, die zich op aanraden van Kröger aanmeldt voor een schaaktoernooi. Ze wordt door de organisator weggehoond, want wat voor intelligente vaardigheden kun je verwachten van een schoonmaakster? Prachtig spel van Bonnaire, die met een witte dame in haar hand (net als Sara in Lang leve de koningin) de mannelijke schakers van het eiland graag een poepje wil laten ruiken. Schaakverenigingen zouden Joueuse als promotiemateriaal moeten inzetten om meer dames te werven.

4 mei 2015

 

Alle leuke filmlijstjes