Au nom de la terre

***
recensie Au nom de la terre

Frans boerendrama biedt weinig hoop

door Cor Oliemeulen

Het Franse drama Au nom de la terre toont dat het runnen van een boerenbedrijf tegenwoordig meer vereist dan enkel liefde voor de grond waarop gewassen worden verbouwd en dieren worden klaargestoomd voor consumptie. Gedwongen tot grootschaligheid en geconfronteerd met tegenslagen slaat het noodlot langzaam toe in het warme gezin van Pierre en Claire Jarjeau.

Dat het water bij veel boeren aan de lippen staat en dat zij zich bedreigd voelen in het voortbestaan van hun bedrijf, is de afgelopen maanden duidelijk geworden door het boerenprotest. Terwijl in Nederland vooral de stikstofcrisis de aanleiding is, blokkeerden boeren in Frankrijk toegangswegen tot Parijs om vooral aandacht te vestigen op hun lage inkomens.

Au nom de la terre

Onvermijdelijke keuze
Au nom de la terre speelt zich af in de laatste twee decennia voor de eeuwwisseling waarin de (internationale) landbouw drastisch veranderde. Als Pierre Jarjeau (Guillame Canet: Le Grand Bain, La Belle Époque) enig onheil had vermoed, had hij waarschijnlijk nooit in 1979 het bedrijf van zijn vader gekocht en was hij als cowboy in het Amerikaanse Wyoming gebleven. Destijds was het boerenbedrijf nog overzichtelijk: boeren fokten hun dieren, verkochten die op de lokale markt en streken het geld op. Voor de administratie had je geen computer of hogere wiskunde nodig.

Regisseur Edouard Bergeon, die zijn speelfilmdebuut baseerde op zijn eigen smartelijke familiegeschiedenis, laat zien hoe begin jaren negentig de globalisering toeslaat en internationale afspraken met richtlijnen over productie de boeren tot onvermijdelijke keuzes dwingen: investeren om uit te breiden en het aanschaffen van geavanceerde uitrustingen om op die manier schaalvoordelen te boeken. In het geval van Pierre Jarjeau betekent dat onder meer het bouwen van een grote hypermoderne stal met kuikens.

Vader en zoon
De vader van Pierre ziet met lede ogen aan dat de dieren smerig voedsel krijgen voorgeschoteld en zet vraagtekens bij de keuze voor grootschaligheid en de afhankelijkheid van coöperaties en banken, waardoor zijn zoon bijna niets meer over zijn eigen bedrijf heeft te zeggen. Volgens pa was vroeger natuurlijk alles beter, hoewel Pierre zijn vader er fijntjes op wijst dat hij zijn dieren toen volstopte met antibiotica en groeihormonen. Zijn zoon moet niet zo klagen, maar nog harder werken, net als zijn eigen generatie die de oorlog heeft meegemaakt.

Au nom de la terre

Saillant detail is dat Pierre na de overname van het bedrijf zijn vader pacht voor de grond moet betalen. Als het boerenbedrijf steeds verder in het slop dreigt te geraken en de schulden toenemen, dringt Claire (Veerle Baetens: The Broken Circle Breakdown) bij haar man Pierre aan om zijn vader hulp te vragen. Aan de keukentafel ontspint zich weliswaar een intiem onderonsje, maar van compassie en uitgesproken liefde is geen sprake. Pa leest zoon andermaal de les en zoon is te trots om uitstel van betaling te vragen. Ondertussen hebben de erbarmelijke uitzichten van het boerenbedrijf hun vernietigende weerslag op het eens zo harmonische gezin van Pierre en Claire.

Boodschap
Tussen alle ellende door weet Bergeon in Au nom de terre kleine sprankjes hoop en kleine momenten van geluk te weven. Zoon Thomas, die studeert voor landbouwingenieur en keihard meewerkt op het boerenbedrijf, krijgt van zijn ouders een racefiets om daarmee met een vriend tochtjes door het prachtig in beeld gebrachte Franse landschap te kunnen maken. En op warme dagen ravotten die twee samen met Thomas’ zusje en haar vriendin in een zwembad dat is gemaakt van hooibalen en landbouwplastic.

Wat overblijft is een realistische, dus ook deprimerende, film met een impliciete politieke boodschap. Dwing boeren niet in een door internationale regels en beurs gedicteerd keurslijf en laat de landbouw terugkeren naar kleine bedrijven waarin boeren zelf de baas zijn en voldoende verdienen om een voor mens en dier verantwoord product op tafel te kunnen zetten. Voor het gezin Jarjeau en veel andere Franse boerengezinnen komt die boodschap te laat.

 

20 januari 2020

 

ALLE RECENSIES

Belle Époque, La

****
recensie La Belle Époque

Ultieme nostalgietrip

door Cor Oliemeulen

Hedendaagse goeroes prediken om te leven in het hier en nu. Maar wat als het hier en nu een hel is? Of in het geval van de hoofdpersoon in La Belle Époque je huidige leven gewoon saai is? Dan koester je iedere mooie droom of meld je je aan bij een hip bedrijf dat je de mooiste periode van je leven kan laten herbeleven.

De uitgebluste zestiger in kwestie heet Victor (Daniel Auteuil), die succesvol was als politiek cartoonist van een inmiddels verdwenen dagblad en nu zonder werk zit. Hij heeft veel moeite zich aan te passen aan de moderne tijd. Zo heeft hij geen mobieltje, verafschuwt hij pratende computers en haalt hij zijn wenkbrauwen op als iemand alcoholvrije wijn wil drinken. Zijn vrouw Marianne (Fanny Ardant) probeert met volle teugen van het moderne leven te genieten. Zij rijdt een Tesla, heeft een VR-bril en verdient als psychoanalist uitstekend met haar online platform dat is gebaseerd op algoritmen, zodat niet zijzelf maar haar digitale ik de cliënt therapeutisch advies geeft. Op een dag zet Marianne Victor het huis uit. Die actie is mede ingegeven door het feit dat Marianne inmiddels stiekem het bed deelt met de beste vriend van Victor.

La Belle Époque

Verliefd
Victor neemt contact op met een bedrijf dat is gespecialiseerd om iemand enkele dagen een bepaalde historische tijd te laten beleven, bijvoorbeeld aan het hof van Marie-Antoinette of om zelfs toe te treden tot de intieme kring van Adolf Hitler. Victor wil graag terug naar 1974 toen hij in een café in Lyon zijn grote liefde ontmoette. Om dat te realiseren onderwerpt hij zich aan uitgebreide intakegesprekken, waarin hij in woorden en tekeningen de exacte setting van die dagen beschrijft.

De regisseur van de tijdreizen, Antoine (Guillaume Canet), is een meester in het neerzetten van die perfecte setting en eist van zijn figuranten uiterste discipline als het gaat om het naleven van het script. Zeker van zijn vriendin, met wie hij een haat-liefdeverhouding heeft, dat het meisje speelt op wie Victor destijds verliefd werd. Hoewel Victor, die zijn baard heeft afgeschoren en zich in een jaren zeventig-outfit heeft gehuld, zich realiseert dat hij in een gecreëerde illusie is beland, wordt hij inderdaad opnieuw verliefd. Maar is hij nu verliefd op het meisje uit zijn herinnering of het meisje dat zijn grote liefde speelt?

La Belle Époque

Nuttig?
Het eind van de film bepaalt of La Belle Époque uiteindelijk een feelgoodfilm of een drama is. Als Victor ontwaakt uit zijn verlangen van weleer en de realiteit van de huidige tijd weer volledig tot hem doordringt, rest slechts de vraag of het herbeleven van het verleden iets waardevols heeft opgeleverd. Was het nuttig om te graven in je herinneringen en de verliefdheid van destijds opnieuw te voelen? Ben je door die ervaring in staat nu ook op latere leeftijd weer voor iemand te vallen? Of blijft het bij die intens beleefde begoocheling die je voor even kon koesteren om je daarna te realiseren dat levensgeluk eindig is?

Het antwoord laat zich raden: de kijker mag natuurlijk niet gefrustreerd de bioscoop verlaten. Hoewel dat gegeven op zich misschien best jammer is, biedt het intelligente script van La Belle Époque genoeg interessante invalshoeken, subtiele humor en geloofwaardig acteerwerk dat je zelf ook wel eens zo’n ultieme nostalgietrip zou willen beleven.

 

27 december 2019

 

ALLE RECENSIES

It Must Be Heaven

***
recensie It Must Be Heaven 

Een kosmopolitische buitenstaander

door Paul Rübsaam

De Palestijnse regisseur Elia Suleiman verlaat in It Must Be Heaven zijn woonplaats Nazareth om een reis te maken naar Parijs, New York en Montreal. Dat lijkt een hele onderneming. Maar eigenlijk verandert er niet zoveel. Waar Suleiman ook komt en welke vreemde taferelen hij ook aantreft, hij staat er zwijgend bij en kijkt ernaar.

Nazareth is niet alleen de plaats waar Jezus Christus zijn jeugd zou hebben doorgebracht. Het is tevens de geboorteplaats van de Palestijnse regisseur Elia Suleiman (1960), die er tegenwoordig weer woont. De eerste scènes van It Must Be Heaven spelen zich af in dit hoofdzakelijk door Arabieren bewoonde stadje in Noord-Israël, dat voor zover het niet overspoeld wordt door christenpelgrims een verstilde mediterrane atmosfeer ademt.

It Must Be Heaven

Als het belangrijkste personage in zijn eigen film vervult Suleiman ook als hij thuis is hoofdzakelijk de rol van observator. Met zijn gedrongen gestalte, zomerhoed en klassieke bril zien we hem veelal zittend, of staand met de handen op de rug gevouwen. Hij kijkt of luistert, spreekt nooit, maar kan veelzeggend zijn wenkbrauwen optrekken. Op deze wijze luistert hij in Nazareth bijvoorbeeld naar het  verhaal van een oude buurman over een dankbare slang die de lekke band van diens auto opblies, nadat hij het dier uit de klauwen van een adelaar had gered.

Suleiman laat zich met zijn veelvuldig gebruik van een statische camera en vaste kaders inspireren door de cinematografische wetten zoals die tot ongeveer 1920 golden. Binnen het frame kan hij, met zijn van afstand herkenbare verschijning, bijna als decorstuk functioneren. Zoals ook Jacques Tati dat kon met zijn kenmerkende slungelige, ietwat gebogen gestalte, slappe hoed en eeuwige pijp. 

Angst voor geweld
Expliciet geweld ontbreekt in It Must Be Heaven geheel. Des te nadrukkelijker zijn in het door Suleiman bezochte Parijs van Bataclan en New York van 9/11 de vaak potsierlijke sporen van de angst voor geweld zichtbaar. Overal heerst dreiging en achterdocht, veroorzaakt door aanslagen die in de verte een connectie hebben met het Palestijnse conflict. In zijn director’s note schreef Suleiman dat in zijn eerdere films als Chronicle of a Disappearence (1996) en The Time That Remains (2009)  Palestina werd vergeleken met een microkosmos van de wereld, terwijl It Must Be Heaven de wereld presenteert als een microkosmos van Palestina.

It Must Be Heaven

Zeer bedreigend, schijnbaar in ieder geval, is de man die Suleiman ‘s ochtends vroeg als enige medepassagier aantreft in de Parijse metro. Welhaast tot op de tanden getatoeëerd, bier drinkend en boeren latend blijft hij recht tegenover Suleiman staand deze uitermate vuil aankijken. Maar er gebeurt uiteindelijk niets. Waardoor we getuige zijn van een merkwaardig contextloos stukje pantomime voor twee zwijgende heren.

Ook de politie gedraagt zich in Parijs nogal vreemd. Agenten nemen sierlijk manoeuvrerend op gemotoriseerde stepjes notitie van een fout geparkeerde auto, maar niet van een mogelijk gevaarlijk object dat daaronder is geworpen door een wegrennende jongen. Als Suleiman later op een terras in zijn eentje wat zit te drinken, wordt dat terras om redenen waar slechts naar te gissen valt door vier agenten nauwkeurig opgemeten.

In New York is het hoge gegil van de sirenes van de NYPD overal te horen. We zien de politie echter slechts uitrukken om een jonge vrouw met engelenvleugels op haar rug als een kat in de zak te vangen, wat nog niet eens lukt ook. Veel New Yorkse burgers zijn gewapend. En niet zo’n beetje. Men doet boodschappen of brengt kinderen naar school met Kalasjnikovs of zelfs raketwerpers over de schouder geslagen.

It Must Be Heaven

Collage
De film kent nog meer thema’s. Zo wordt Parijs niet alleen getypeerd als een stad in de greep van paranoia, maar ook als een plek waar de medemenselijkheid goed georganiseerd is, maar niet bepaald spontaan opwelt. Een dakloze die op een tweepersoons matras op straat bier ligt te drinken, krijgt door bezorgde medische dienstverleners een viergangenmenu aangeboden. Als de Parijzenaren evenwel in een park van het zonnetje willen genieten, mondt dat uit in een weliswaar kolderieke, maar ook bittere strijd om de schaars beschikbare stoeltjes.

Welbeschouwd is It Must Be Heaven eerder een collage van beeldcolumns, dan een film met een rode draad en één overkoepelende visie. Of dat een bezwaar is, hangt af van de stemming van de kijker. Bovengetekende zag de film twee keer en had de eerste keer last van dat gebrek aan eenheid, maar de tweede keer minder. Hoe dan ook valt de herinnering aan iedere film tenslotte uiteen in los van elkaar staande herinneringen aan sterke scènes. Sterke, in casu absurde en komische scènes heeft deze film van Elia Suleiman genoeg te bieden.

 

17 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Deerskin

****
recensie Deerskin

Praten met je jas

door Bob van der Sterre

Na Realité (film van het jaar 2014 bij Indebioscoop.com) waren de verwachtingen rondom muzikant/regisseur Quentin Dupieux hooggespannen. De misdaadkomedie Au Poste (met Benoit van Poelvoorde) is redelijk geruisloos langs iedereen geslopen maar met Deerskin (originele titel Le Daim) keert hij weer terug op zijn inmiddels vertrouwelijke absurdistische plek in het filmhuis.

Georges koopt een jas van origineel hertenleer à € 7.500. ‘Wow! Geweldig! Godverdomme!’ Hij krijgt er een camera bij. Georges is net gescheiden en neemt in een dorp in de Alpen een kamer in het lokale hotel. ‘Wat ben je van beroep?’ ‘Filmmaker.’

Deerskin

In de kamer begint de jas tegen hem te praten – met de stem van Georges zelf. Hij wil het enige jack van de planeet zijn. ‘Ik wil met jou over straat lopen zonder andere jacks tegen te komen.’ ‘Dat is grappig: ik wil de enige persoon ter wereld zijn die een jack draagt.’

Wel een lastige missie voor Georges, maar hij houdt zo van zijn jas dat hij voor een film mensen hun jassen laat uitdoen (en ermee wegrijdt). Alle jassen ter wereld verzamelen, gaat wel tijd kosten, legt hij aan zijn eigen ongeduldige jas uit.

Hij laat zijn resultaten van zijn filmpjes zien aan afgestudeerd filmstudent Denise. Ze ‘snapt waar hij heen wil’ en doet hem een broek van hertenleer cadeau. ‘Wow! Geweldig! Godverdomme!’

Absurdisme en symboliek
De film zal vooral in de smaak vallen bij mensen die dol zijn op absurdisme en symboliek. De film gaat over jagen – zoveel is duidelijk. Neem het incident met de hotelreceptionist, of het uitschakelen van het toekijkende joch, het volgen van mensen, of wat er later in de film allemaal gebeurt.

Daar past ook bij hoe wereldvreemd Georges is. Hij begrijpt niets van dingen als seks, kunst, geld. Je ‘normaal’ gedragen als mens; hij weet niet hoe hij dat moet doen. Het lijkt of hij voor het eerst hoort over computers. Eten? Hij voedt zichzelf met wat hij hier en daar bij elkaar schooiert. Georges lijkt langzaam van een angstig hert te veranderen in een predator – juist nu hij zijn hertenleer aan heeft.

Hoe je alles moet interpreteren – en hoe fatalistisch dit einde wel weer is – dat is aan de kijker zelf. Een bekwaam essayist kan hier denk ik wel wat met thema’s als man/vrouw, kapitalisme, filmkunst (ook hier weer een film in film), lichaam/vacht. Met de jas als mensenvacht en ‘eten of gegeten worden’ (dog-eat-dog-world) kun je ook leuk spelen in je essay.

Details zijn goed verzorgd, zoals acteurs en muziek. Jean Dujardin speelt een gedenkwaardige hoofdrol als jassenprater Georges. De rol laat zien dat hij veel soorten komedie aan kan, na rollen als simpele surfer in Brice de Nice, uitgerangeerd filmster in The Artist, dwaze spion in de OSS-films en dronken schrijver in Le Bruit Des Glacons. Adèle Haenel past ook goed in de film als zijn vlijtige student. En Dupieux, als muzikant, kiest ook geweldige muziek uit. Dit keer een hoofdrol voor de fraaie track The Long Wait van Morton Stevens (1969).

Deerskin

Loop
De verbazingwekkende scripts trekken toch de meeste aandacht. Het is frappant hoe in films van Quentin Dupieux het einde sterk met het begin te maken heeft – alsof het alsmaar blijft doorgaan in een loop. Dat zag je ook in Realité en in Wrong. Een film verloopt chronologisch maar je hoeft het niet chronologisch te vertellen. De verwijzing naar Pulp Fiction in deze film is ook allerminst toevallig.

Is Deerskin dan de film van 2019 zoals Realité dat was in 2014? Nee. Misschien is het jammer dat er maar een dominante scriptlijn is (het verhaal van de jas) waar er in Realité veel meer scriptlijnen waren, wat meer tempo en variatie bood. Deerskin is in dat opzicht wat trager. Toch werkt Dupieux zo gestaag verder aan een fascinerend oeuvre van absurde, mysterieuze verhalen als ‘De David Lynch van de comedy’, zoals zijn bijnaam luidt. Je kunt toch niet snel een andere film verzinnen over een hertenleerverslaafde gek die met jassen praat.

 

16 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Hors Normes

****
recensie Hors Normes

Voor sommige autisten is er geen alternatief

door Nanda Aris

Ontroerende film over twee vrienden en hun organisaties die ernstige gevallen van autistische jongeren opvangen en ze koppelen aan kansarme jongeren uit de achterstandswijken van Parijs.

Wanneer de reguliere gezondheidszorg zich geen raad weet met zwaar autistische patiënten, kloppen ze aan bij Bruno (Vincent Cassel), die zich al twintig jaar inzet voor deze patiënten. Samen met zijn vriend Malik (Reda Kateb) bieden ze jongeren uit achterstandswijken een baan als verzorger. Zijn organisatie houdt zich niet aan alle regels en dus blijft inspectie niet uit.

Het regisseursduo Olivier Nakache en Éric Toledano kennen we van het zeer succesvolle Intouchables (2011), Samba (2014) en C’est la vie (2017). Voor Intouchables lieten ze zich inspireren door het waargebeurde verhaal van Philippe Pozzo di Borgo en Abdel Sellou, een rijke verlamde man op zoek naar een verzorger, die hij vindt in de criminele Sellou, welke eigenlijk niet wil werken. Hij neemt hem aan, en een hechte vriendschap is geboren.

Hors Normes

Ditmaal laten de regisseurs zich inspireren door het verhaal van Stéphane Benhamou en Daoud Tatou, over wie ze in 2015 een tv-documentaire maakten. Benhamou en Tatou zijn twee bevriende mannen, de een joods, de ander moslim. Ook al is het geen thema in de film, het is wel iets dat de film stilletjes aanstipt. De twee mannen met verschillende geloven gaan goed samen door een deur. Ze hebben allebei hun eigen organisatie in Saint-Denis, een voorstad van Parijs, maar vullen elkaar aan en helpen elkaar waar nodig. Nakache en Toledano (hij heeft een familielid met autisme) besloten dat het verhaal ook het witte doek verdiende. 

Daten
Bruno probeert alle ballen hoog te houden. Hij begeleidt autisten die niet in de reguliere zorg behandeld kunnen worden, zoekt personeel voor nieuwe gevallen, moet zijn team betalen, inspecteurs te woord staan, en tussendoor probeert hij eens te daten (onder zijn cap draagt hij een keppel), maar veel tijd heeft hij daar niet voor.

Door deze drukte mist de film soms een kleine focus en hebben niet alle scènes een duidelijke functie. Zo voegt de scène waarin Bruno flirt met de zus van een patiënt niet heel veel toe (hij is grappig, maar duurt wat aan de lange kant, en krijgt geen vervolg).

Dagbesteding
Samen met zijn vriend Malik zorgt Bruno voor zowel autisten die vierentwintig uur opvang nodig hebben, als voor autisten die wel in een zorginstelling verblijven, maar geen dagbesteding hebben. In een busje rijden ze rond om iedereen op te pikken, om samen naar de paarden te gaan, of te gaan schaatsen. Per patiënt is er een begeleider. Ze zijn vaak (nog) niet opgeleid, en weten niet direct hoe ze het beste om kunnen gaan met deze patiënten.  Maar dat is ook de kracht: omdat ze niet pedagogisch verantwoord handelen, maar menselijk reageren, werkt het.

In de film spelen zowel acteurs als echte autisten. Zo speelt de autistische Benjamin Lesieur de rol van Joseph, wiens personage gebaseerd is op Johann Bouganim, aan wie de film opgedragen is. Bij Johann thuis hing ook de tekst: ‘Als je je moeder slaat, zie je Stéphane niet meer’, net als in film (dan onder de naam Bruno). Het is de mooiste rol van Hors Normes.

Hors Normes

Joseph kent Bruno al heel lang, hij is zijn eerste patiënt. Niemand zal het droog houden wanneer we Joseph en zijn dansgroep (ook in werkelijkheid) zien optreden, op de prachtige muziek van de Grandbrothers. En iedereen voelt de euforie wanneer Joseph uiteindelijk zonder aan de noodrem te trekken uit de metro stapt.

Perspectief
Hors Normes verschilt met andere films over autisme, zoals Rain Man (1988), door ook de meest zware gevallen van autisme te laten zien. Zij die met een rugbyhoofdbeschermer op lopen, zodat ze zichzelf niet kunnen verwonden bijvoorbeeld. In Rain Man heeft de autistische Raymond het savantsyndroom: zijn sociale vaardigheden zijn laag, maar hij heeft een fotografisch geheugen. Ook al zorgde die film destijds voor een groter begrip van autisme, hij vormde ook het idee dat autisten altijd ergens in uitblinken (zoals in het maken van wiskundige sommen of een fotografisch geheugen hebben). In Hors Normes zoomen we niet veel in op de autisten, want het verhaal wordt verteld vanuit Bruno’s perspectief.

Het grote thema van de film is het feit dat er voor sommige autisten geen plek is in deze maatschappij. Ze kunnen niet thuis blijven wonen, maar wanneer ze een gevaar vormen voor verzorgend personeel of zichzelf, kunnen ze ook niet in de gangbare zorginstellingen opgenomen worden. Ze vallen tussen wal en schip, en bij gebrek aan tijd en kunde worden ze vaak opgesloten, vastgebonden of platgespoten.

Organisaties als die van Benhamou en Tatou zijn dus broodnodig. Uit angst dat ze niet kunnen blijven bestaan omdat ze niet voldoen aan alle regeltjes, zwijgen instanties die aankloppen bij de mannen over het bestaan van de organisaties. Bruno maakt er geen geheim van dat niet alles voldoet aan de regels, maar wat is het alternatief?

 

7 december 2019

 

ALLE RECENSIES

J’ai perdu mon corps

***
recensie J’ai perdu mon corps

Onhandig handig

door Ralph Evers

J’ai perdu mon corps vertelt twee verhalen: de geschiedenis van Naoufel en van een hand op zoek naar diens lichaam. De verbindende factor tussen deze verhalen is een vlieg.

Bij Naoufel staat zijn zoektocht naar de liefde centraal, nadat hij een toevallige blind date heeft met Gabrielle haar intercom. Naoufel werkt als pizzabezorger, maar blinkt niet bepaald uit in bezorgtijd, zeker niet voor firma Fast Pizza. Op een regenachtige avond na de nodige tegenslag raakt hij geïntrigeerd door de stem en ad remheid van Gabrielle.

J’ai perdu mon corps

Naoufel is van het type introvert en wordt onvoldoende uitgewerkt om een verrassende, meer menselijke kant van hem te ontdekken. Gabrielle is het type millennial die haar best doet op te vallen en uniek te zijn, gemakkelijk in de omgang is, maar – zo blijkt later – vooral gezien wil worden. Ze zorgt ondertussen voor haar zieke oom en via die oom weet Naoufel met een onhandige smoes nader tot Gabrielle te komen. Ondertussen is de oudere broer van Naoufel, meer van het type player, hem en vooral zijn meisje gaandeweg op het spoor.

Door enkele ontwikkelingen en vooral een dramatische wending komen we bij het tweede verhaal van de hand. Dit is een meer avontuurlijk stuk en kent een speelsheid die dit filmpje net van de middelmaat redt. Je houdt er en passant een vergroot gewaar zijn van je eigen handen aan over ook.

Handwerker
J’ai perdu mon corps is gebaseerd op het boek Happy Hand van Guillaume Laurant en kent de medewerking van niemand minder dan Jean-Pierre Jeunet. Animatie bevrijdt de film uit zijn realistische beperkingen. Dat gold in vroegere jaren meer dan tegenwoordig, nu met digitale speciale effecten ongeveer alles mogelijk is.

In deze Franse animatiefilm zijn die effecten toegepast op de hand, die aan zijn lot tracht te ontsnappen en tal van gevaren dient te trotseren. Eerst de arts en later de vele gevaren die zo’n kleine, weerloze hand temidden van ratten, honden, wind, auto’s, een baby en duiven kent. Het zijn de spannende avonturen en het verzorgde sfeergevoel – treffend ondersteund door een mooie muzikale omlijsting – die de film de moeite van je tijd waard maken.

J’ai perdu mon corps

Handvest
Maar zoals de laatste tijd vaker het geval (zoals vorig jaar de Chinese misdaadkomedie Have a nice day) blijft het de vraag waarom er zo zuinig met de magische mogelijkheden van animatie wordt omgegaan. Nu hoeft dat niet een probleem te zijn, getuige bijvoorbeeld Jean-François Laguionie’s Louise en Hiver.

Het verschil zit hem in de veel meer nadrukkelijke eigen stijl die Laguionie toont met daarbij existentieel thema’s: ouder worden, verlies, acceptatie. Dit staat in contrast tot de misschien eerste liefde van Naoufel, wat ook een belangrijke gebeurtenis is in een mensenleven, maar minder definitief dan het zoeken naar een eigen antwoord op je naderende einde. Ondanks de spaarzame mooie momenten laat J’ai perdu mon corps je een beetje met een leeg gevoel achter.

 

1 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Varda par Agnès

****
recensie Varda par Agnès

‘Grootmoeder’ nouvelle vague toonde hoe het leven is

door Cor Oliemeulen

Ze was bescheiden, vond de dames in Cannes te chique, maar bewoog zich liever tussen de arbeiders. Ze had een instinctieve, spontane manier van werken. “In de 20ste eeuw was ik voornamelijk filmmaker en in de 21ste eeuw voornamelijk artiest”, zegt de kunstenaar die net voor haar dood de documentaire Varda par Agnès voltooide.

Het doek gaat open. Agnès Varda (geboren 30 mei 1928 in Brussel, overleden 29 maart 2019 in Parijs) zit op het podium van een goed gevuld theater. Klein, fragiel, donkerrood bloempotkapsel met de kruin wit geverfd. In vogelvlucht vertelt ze over haar loopbaan, rustig, wars van enige opsmuk en met een incidenteel grapje. Hoewel ze zegt die pretentie niet te hebben, voelt het als een masterclass, afwisselend in het theater, voor studenten, of gewoon in een tuin of op het strand, soms geflankeerd door speelse attributen en kunstvoorwerpen.

Varda par Agnès

Documentaires die ook films zijn
De documentaire Varda par Agnès is een imposant retrospectief in beelden en woorden van de ‘grootmoeder van de nouvelle vague’ (zoals ze al op haar dertigste zou zijn genoemd). Varda was een belangrijke exponent van deze filmstroming die eind jaren vijftig in Frankrijk ontstond en zich afzette tegen de klassieke filmwetten van de droomfabriek Hollywood en de eigen filmcultuur, de ‘cinéma de papa’. Maar net als Alain Resnais – net als zij behorend tot de intellectuele elite van de linkeroever van de Seine en die in 1954 haar eerste film La Pointe courte monteerde – onderscheidde Agnès Varda zich van de twee andere boegbeelden, François Truffaut en Jean-Luc Godard, door veel meer in documentaire-stijl te filmen.

Varda’s oeuvre omvat twaalf lange speelfilms, dertien korte films en twintig documentaires. “Je hebt twee soorten documentaires. De eerste is realistisch: puur en rauw. Ik maak liever documentaires die ook films zijn”, vertelt Varda, die gewone mensen van vlees en bloed altijd centraal stelde. Het liefst dichtbij huis, in de buurt, de winkelier, de bakker op de hoek, de straatartiest. Niet vlot en vluchtig, net als genoemde collega’s, maar in lange takes. Soms ging ze de landsgrenzen over om de tijdgeest te documenteren, zoals The Black Panthers in 1968 en enkele jaren later hippies in Hollywood en demonstrerende feministen tegen abortus. Ook maakte ze een film over de jeugd van haar inmiddels zieke echtgenoot, regisseur Jacques Demy, die in 1990 overleed.

Inspiratie, creatie en delen
In haar documentaire gebruikt Varda regelmatig de drie woorden die altijd zo belangrijk voor haar waren: inspiratie, creatie en delen. Inspiratie is de motivatie om een film te maken (ideeën, omstandigheden), creatie is de manier waarop je de film maakt (methode, structuur) en delen is het logische gevolg, want een lege bioscoopzaal is een nachtmerrie voor elke filmmaker. Aan de hand van scènes legt ze uit hoe ze werkte en welke keuzes ze maakte. Kleur of zwart wit? Klassieke of moderne muziek? Vloeiend of schokkend beeld?

Varda par Agnès bestaat uit twee delen. Over haar ‘klassieke’ periode van 1954 tot 2000 vertelt de filmmaakster hoe ze probeerde om cinema opnieuw uit te vinden en om in elke nieuwe film haar manier van vertellen te veranderen. De ‘moderne’ periode vanaf de eeuwwisseling, waarin bijna iedereen digitaal ging filmen, staat in het teken van haar leven als visueel artiest. Hierin komen haar installaties aan bod, opvallende drieluiken, met vaak combinaties van bewegend en stilstaand beeld.

Varda par Agnès

Ode aan de aardappel
Dat begon in 2003 tijdens de Biënnale van Venetië met een drieluik als onderdeel van een video-installatie waarin ze een ode bracht aan de aardappel, volgens haar de meest bescheiden groente. Op het middelste doek zie je een hartvormige aardappel en aan de zijkanten uitschietende aardappels. Op de vloer daaronder ligt een berg van 700 kilo aardappelen. Tussen haar tijd als cineast en haar tijd als beeldend kunstenaar zijn we getuige van haar prachtige portretten die ze maakte als toneelfotograaf van Théâtre National Populaire in Parijs in de jaren vijftig.

Maar altijd bleef Agnès Varda documentaires maken, zoals Les Plages d’Agnès (2008), waarin ze spiegels op het strand zette om mensen (ook zichzelf) en landschappen te herontdekken, en ging ze in Visages Villages (2017) op pad met beeldend fotograffitikunstenaar JR om door heel Frankrijk alledaagse mensen te ontmoeten om die vervolgens tot hun eigen verwondering op levensgrote foto’s te laten terugkeren.

Authentiek en naïef
Het karakter van Varda’s werk is geboren uit een authentieke benadering als gevolg van een bepaalde naïviteit. In tegenstelling tot haar cinefiele vrienden van het roemruchte magazine Cahiers du Cinéma, waarin Truffaut en Godard graag films met de grond gelijkmaakten, beweerde Varda dat ze op het moment dat ze haar eerste film ging maken, nog maar een stuk of tien films had gezien. Dus ook niet de neorealistische rolprenten (van Visconti, Rossellini en De Sica) die vanaf het eind van de Tweede Wereldoorlog verschenen in Italië, waarmee Varda’s filmstijl meer dan eens is vergeleken.

Varda par Agnès

Zelfs haar meest gememoreerde film Cléo de 5 à 7 (anderhalf uur uit het leven van een meisje dat denkt kanker te hebben en fladderend door de stad wacht op de diagnose van de arts) blinkt uit in eenvoud en oorspronkelijkheid. Geen jump cuts, de techniek van hele korte sprongetjes in de tijd om het tempo van de film te verhogen en de actie spannender te maken, maar gewoon alle tien de treden van de trap tonen wanneer Cléo naar buiten huppelt. Het is dan ook niet heel verwonderlijk dat Varda’s meest ingewikkelde (en laatste) speelfilm, Les Cent et Une Nuits de Simon Cinéma (1994), flopte – ondanks het komen opdraven van talloze grote internationale filmsterren.

Geen wereldverbeteraar
Agnès Varda maakte films zoals het leven is. In haar documentaire blikt ze met actrice Sandrine Bonnaire op locatie terug op de opnames van Sans Toi Ni Loi (1985, Gouden Leeuw in Venetië). Het drama bestaat hoofdzakelijk uit dertien tracking shots waarin we meelopen met de rebelse vagebond Mona die zoekt naar voedsel en een slaapplaats. Ze wordt door iedereen gemeden als de pest en dood in een plastic zak afgevoerd. Een film zonder boodschap, want Varda observeerde vooral en voelde zich geen wereldverbeteraar. Alles draaide om inspiratie, creatie en delen.

Varda par Agnès draait vanaf donderdag 28 november in een aantal bioscopen en ook nog op IDFA 2019.

 
22 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Preview Tapis Rouge 2019

Preview Tapis Rouge 2019
Mooi programma nieuw Frans filmfestival

door Cor Oliemeulen

Nederland telt meer dan 150 filmfestivals en elk jaar komen er een paar bij. Zo is Tapis Rouge een Frans filmfestival dat voor het eerst zal worden gehouden van 30 oktober tot en met 3 november in Amsterdam. In deze voorbeschouwing bespreken we de openingsfilm Hors Normes (van de makers van Intouchables), de nieuwe film van absurdist Quentin Dupieux en een drama over rouw.

 

Hors Normes

Hors Normes: komisch drama rond autisme
Tapis Rouge trapt af met de Nederlandse première van Hors Normes waarin bijna iedereen inderdaad buiten de gangbare normen handelt. Dat geldt om te beginnen voor de regisseurs Olivier Nakache en Éric Toledano die zich vanaf hun grandioze hit Intouchables (2011) met pure comedy bezighielden, maar ditmaal vrolijke uitstraling geloofwaardig en effectief met drama weten te combineren. Het uitzinnige van voorganger C’est la vie maakt in Hors Normes plaats voor gepaste ingetogenheid. In het verhaal over de opvang van autisten treden twee gepassioneerde mannen buiten de gebaande paden in de gezondheidszorg. Sterker nog: als reguliere instellingen niet meer weten wat ze met hun patiënten aan moeten, doen zij een beroep op Bruno (Vincent Cassel). Hij krijgt daarbij steun van Malik (Reda Kateb) die criminele jongeren uit achterstandswijken koppelt aan autisten.

Het is wachten op de inspectie die constateert dat de opvang niet aan de regels voldoet. Maar wat is het alternatief? Mensen met problematische gedragsstoornissen in een kamertje wegstoppen of proberen om er met aandacht, liefde en heel veel energie iets menselijks van te maken? Sterke rollen van beide hoofdrolspelers, maar vooral van Joseph (Benjamin Lesieur, in werkelijkheid ook autistisch). Hij mag op proef gaan werken bij een wasmachinebedrijf, want hij is geobsedeerd door die draaiende apparaten. Zowel komisch als lastig zijn Josephs fascinatie voor een vrouwelijke collega en zijn neiging om in de metro aan de noodrem te trekken. Diep gaat Hors Normes niet in op de problematiek, maar ondanks de luchtige toon is er respect en empathie voor alle betrokkenen.

 

Deerskin

Deerskin: dialoog met een jasje
Iemand die ook niet binnen de lijntjes kleurt, is Quentin Dupieux, voornamelijk bekend van Rubber (2010) en Réalité (2014). Ook in Deerskin (Franse titel: Le daim) viert het absurdisme hoogtij. Georges (Jean Dujardin: The Artist) koopt een jasje van hertenleer voor 7.000 euro bij een particulier, is daarmee blut, maar krijgt er wel een camcorder bij. In zijn jasje voelt hij zich geweldig en het zal niet lang duren voordat hij zich ook kan kleden met een hoed, broek, schoenen en handschoenen van hertenleer. Voilà, de titel van deze zwarte komedie is verklaard, geholpen door enkele op het oog nietszeggende tussenshots van een hert in de natuur, die wel de opmaat voor de krankzinnige finale vormen.

Als jijzelf het mooiste jasje van de wereld hebt, en het jasje zelf ook vindt (!) dat alle andere jasjes op de wereld moeten verdwijnen, begint Georges’ missie, nauwkeurig vastgelegd op zijn camera. Hij krijgt hulp van barvrouw Denise (Adèle Haenel: Portrait de la jeune fille en feu) die ook erg van film houdt en graag films monteert: “Ik heb alle scènes van Pulp Fiction op chronologische volgorde gezet.” Zonder enig scenario gaat zij met het opmerkelijke materiaal van Georges aan het werk en ontdekt zowaar een rode draad: het hertenleren jasje. Geleidelijk verdwijnen er steeds meer jasjes, maar dat verloopt uiteraard niet zonder slag of stoot. Met twee grote acteernamen in de hoofdrollen maakte Dupieux een heerlijk absurdistische kijkervaring en een van de leukste films van het jaar.

 

Amanda

Amanda: opvoeden moet je leren
Of een dierbare overlijdt als gevolg van een ziekte of door een terroristische aanslag, zoals in Amanda, rouw is een logisch gevolg. Nu de zevenjarige Amanda (debutante Isaure Multrier) plotseling haar moeder heeft verloren, is haar oom David (Vincent Lacoste: Plaire, aimer et courir vite) de aangewezen voogd. Werkzaam als bomensnoeier en hulpje van een woningverhuurder staat het leven van deze jonge twintiger voortaan in het teken van opvoeder en beschermer. David was al erg close met Amanda en haar moeder, maar zo’n nieuwe bestemming gaat niet in de koude kleren zitten. Zo verkast hij naar de woning van zijn zus, krijgt ruzie met Amanda omdat hij de tandenborstel van haar moeder heeft weggegooid, begeleidt haar naar school en probeert zijn eigen intense verdriet zoveel mogelijk bij zichzelf te houden.

Amanda is een drama over rouwverwerking en opkrabbelen omdat je eigen leven nu eenmaal verdergaat. Hoewel de titel verwijst naar de dochter, draait het plot om oom David. Hij acteert ingetogen en zijn verdriet is geloofwaardig, maar onder die oppervlakte van lijden en worstelen zit weinig psychologische diepgang. Natuurlijk is dat lastig omdat David introvert is en het vooral moet hebben van gelaatsuitdrukkingen en gebaren, bijvoorbeeld wanneer zijn kersverse vriendin Léna (Stacy Martin: Vox Lux) besluit om uit Parijs te vertrekken omdat zij zelf gewond raakte bij de aanslag en ook met een trauma kampt. Na te weinig indrukwekkende gebeurtenissen, rest een ontmoeting van Amanda en David met zijn moeder Alison (Greta Scacchi: La ragazza nella nebbia) die haar twee kinderen heel lang geleden verliet en sindsdien woont in Londen. De uitgesponnen slotscène op de volle tribune van Wimbledon laat symbolisch zien hoe je tegenslagen kunt overwinnen.

Lees hier het hele programma van Tapis Rouge.

 

25 oktober 2019


MEER FILMFESTIVAL

Portrait de la jeune fille en feu

***
recensie Portrait de la jeune fille en feu

Feminisme verkleed in romantiek

door Yordan Coban

Céline Sciamma maakt indruk met haar vierde speelfilm: een typische moderne Franse film over een ontvonkende vlam tussen twee jonge vrouwen. Een teder achttiende-eeuws kostuumdrama dat kalm en talmend de liefde benadert, maar geen moment saai is.

Portrait de la jeune fille en feu manifesteert zich als de melancholische anekdote van portretschilder Marianne (Noémie Merlant). Haar nieuwe opdrachtgeefster blijkt een lastige jonge dame die zich niet zomaar laat portretteren. De geheimzinnige Héloïse (Adèle Haenel: o.a. La fille inconnue, Les combattans) blijft ook lang op de achtergrond, terwijl haar personeel Marianne voorbereid op haar verschijning. De entree van Héloïse doet enigszins denken aan de onthulling van Hannibal Lecter (Anthony Hopkins) in Silence of the Lambs (1991) of Ava (Alicia Vikander) in Ex Machina (2014).

Portrait de la jeune fille en feu

Geheimzinnige muze
Héloïse is een vrouw voor wie het huwelijk spoedig nadert. Desondanks, of beter gezegd: mede daardoor, wordt haar vreugde bedrukt door een overweldigend gevoel van zwaarmoedigheid. Adèle Haenel, met wie Sciamma al samenwerkte in Naissance de Pieuvres (2007), speelt Héloïse met een ondoorgrondelijke afwezigheid die incidenteel plaatsmaakt voor een ondeugende directheid. Samen met Marianne, die zich als een neutrale observator aandient, raakt de kijker gefascineerd door de blonde muze.

De romance tussen de twee vrouwen is er één die zich niet vanaf het eerste moment aankondigt. Aanvankelijk lijkt haar nieuwe klant een duister lot voor de portretschilderes in petto te hebben. Gedurende de film groeien de twee echter naar elkaar toe en ontvouwt zich een tedere liefde die doet denken aan Todd Haynes’ Carol (2016).

Sciamma is een talentvolle vrouwelijke regisseur wier films bijna tot geen mannen bevatten. De aanwezigheid van mannen zijn in haar films vaak de grondslag voor ellende voor haar vrouwelijke personages. In Bande de Filles (2014) weerklinkt dit evident door het verhaal, maar in Portrait de la jeune fille en feu speelt dit emancipatiebegrip een sturende rol op de achtergrond. Zelfs zonder zelf aanwezig te zijn, hangt het mannelijk voorkomen boven het hoofd van het vrouwelijk geluk.

Portrait de la jeune fille en feu

Verkleedpartij
Er lijkt een revival van kostuumdrama’s gaande. Normaal gesproken duikt er om de zoveel tijd altijd wel ééntje op. Logisch ook nu dit een populair genre onder het gepensioneerde filmhuispubliek is. Maar sinds het midden van dit decennium is toch er een opmerkelijke toename te constateren. Vorig jaar alleen al verschenen Mademoiselle de Joncquières (2018), The Favourite (2018), Mary Queen of Scots (2018) en Phantom Thread (2018). Deze opleving kent echter een vroegere aanvang in films als Amour fou (2014), Lady Macbeth (2016), The Death of Louis XIV (2016), A Quiet Passion (2016), Love & Friendship (2016) en The Beguiled (2017). Portrait de la jeune fille en feu behoort tot één van de betere en meest gedenkwaardige van deze reeks van titels.

Naar eigen zeggen heeft Céline Sciamma haar inspiratie voor deze film opgedaan tijdens haar speurtocht van vergeten vrouwelijke portretschilders uit de achttiende eeuw. In haar ondervinding van deze roemloze vakvrouwen vond ze het fundament. Haar aangewakkerde passie loopt parallel met de zwoel geschetste liefde.

 

13 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Swallows of Kabul, The

****
recensie The Swallows of Kabul

Getekende karakters die blijven dromen

door Paul Rübsaam

Het stenigen van een vrouw kan ook in een animatiefilm een ondraaglijk schouwspel opleveren, bewijst The Swallows of Kabul. Maar tevens toont de film menselijke hartstochten in een wereld die bepaald wordt door repressie en geweld.

Nog voor de eerste scène van The Swallows of Kabul (Les Hirondelles de Kaboul) is begonnen, horen we al auto’s toeteren, straatgeluiden, de stemmen van marktkooplui, het geschreeuw van strijders, een oproep tot gebed en het schrapende geluid van een schop waarmee iemand een berg stenen aanlegt.

The Swallows of Kabul

Als het beeld verschijnt, blijken we ons in het centrum van Kaboel te bevinden. In 1998 welteverstaan, toen de Afghaanse hoofdstad volledig in handen was van de Taliban. We zien vrouwen gehuld in boerka’s met boodschappentassen in hun handen naar de markt lopen. Joelende Talibanstrijders scheuren in jeeps door de straten. Eén van de strijders schiet met zijn kalasjnikov tot vreugde van zijn kameraden een zwaluw (swallow) uit de lucht.

De kapotgeschoten straten en gebouwen van Kaboel zijn weergegeven in dromerige, soms wat vervagende aquareltinten, die de indruk versterken dat de hoofdstad van Afghanistan een mooie stad is geweest. De karakters, die praten en bewegen als echte mensen, zijn met wat stevigere lijnen neergezet. Want we kijken voor alle duidelijkheid naar een animatiefilm.

Vier zwaluwen
Als we de eerste van de vier hoofdpersonen leren kennen, wordt snel duidelijk waarom de berg stenen is verzameld. De manke cipier Atiq (stem van Simon Abkarian) geeft een vrouw in een cel een glas water. Het zal haar laatste zijn. Omdat ze overspel gepleegd zou hebben, zal ze worden gestenigd.

Dat stenigen vindt midden op straat plaats. Mannelijke passanten pakken stenen van de stapel en werpen die naar de voor een muurtje neergeknielde vrouw. We zien hun furieuze gezichten en horen de vrouw wier gelaatstrekken verborgen blijven kermen van angst en pijn, tot ze uiteindelijk levenloos voorover valt en het bloed uit haar schedel door haar boerka heen sijpelt.

The Swallows of Kabul

Eén van de mannen die een steen heeft geworpen is Mohsen (Swann Arlaud). Hij begrijpt zelf niet waarom hij het deed. Hij is toch een aardige jongen, die gek is op zijn mooie vriendin Zunaira (Zita Hanrot). Maar de misogyne wereld die hem omringt, blijkt ook op hem vat te hebben.

Thuisgekomen zou Mohsen het liefst aan Zunaira opbiechten wat hij gedaan heeft. Maar hij kan het niet. Zunaira en Mohsen zijn jong en verliefd en dromen liever over een mooie toekomst. Beiden hebben hun opleiding aan de verwoeste universiteit van Kaboel moeten afbreken en hopen dat ze spoedig ver buiten Kaboel hun talenten verder kunnen ontwikkelen. Zunaira zal er echter achter komen dat haar geliefde de steen heeft geworpen, wat niet zonder gevolgen blijft.

Cipier Atiq is ondertussen niet wat je noemt gelukkig met zijn baan. Zijn huwelijk met de ongeneeslijk zieke Mussarat is bovendien vreugdeloos. Mussarat (Hiam Abbass) vraagt zich ziek als ze is af hoe ze nog iets voor haar man kan betekenen. Het pad van dit oudere koppel zal dat van het jongere koppel Zunaira en Mohsen gaan kruisen.

Boerka’s en tralies
De internationale bestseller The Swallows of Kabul van Yasmina Khadra (pseudoniem van de Algerijnse schrijver Mohammed Moulessehoul) zou zich best lenen voor een live-action verfilming. Toch weten de Franse regisseuse Zabou (Isabelle) Breitman (1959) en haar landgenote en animatrice Eléa Gobbé-Mévellec (1984) met hun animatiefilm te overtuigen.

In animatiefilms en stripboeken is van oudsher alles mogelijk en doet niets echt pijn. De karakters kunnen platgewalst of uitgerookt worden, dan wel in een ravijn belanden, om vervolgens weer verder te lopen alsof er niets aan de hand is. Breitman en Gobbé-Mévellec zetten dat principe op zijn kop door verbijsterende, aan de realiteit ontleende schendingen van mensenrechten te tonen, maar niets dat de natuurwetten tart.

The Swallows of Kabul

Het neemt niet weg dat de typisch grafische elementen in The Swallows of Kabul indringend zijn. De tegenstelling tussen de bebaarde, vals grijnzende mannelijke Talibanstrijders met hun tulbanden en kalasjnikovs en de in hun vormeloze boerka’s tot identiteitsloze wezens gereduceerde vrouwen doet denken aan die tussen de katten (nazi’s) en muizen (joden) uit de graphic novel Maus (1980) van Art Spiegelman. Tralies vormen tevens een belangrijke scheiding in de film. We krijgen de wereld te zien vanuit het gezichtspunt van gevangenen in hun cel, maar ook vanuit dat van Zunaira die op straat verplicht is een boerka te dragen. Het gaasje voor haar ogen is als een traliewerk in het klein.

Als finishing touch bevat de film toch een ode aan de getekende wereld waarin kan wat in de echte wereld niet kan. Atiq zal een naaktportret van Zunaira aanschouwen dat zij zelf op de muur van haar woning heeft getekend. Daarmee krijgt hij iets te zien dat niet voor zijn ogen bestemd is. Of wel? De oude cipier raakt niet alleen geïmponeerd door de schoonheid van de jonge vrouw, maar ook door haar moed en kunstzinnigheid, wat hem eerder op verheven dan wellustige gedachten zal brengen.

 

24 september 2019

 

ALLE RECENSIES