Rifkin´s Festival

***
recensie Rifkin´s Festival

Film is kunst, een goed leven ook

door Alfred Bos

In de schemer van zijn lange loopbaan zet Woody Allen in Rifkin’s Festival de grappen op een lager pitje en stookt het vuur onder de existentiële vragen op. En komt in het aanzien van de Dood tot een wijze conclusie.

Op 1 december van dit jaar is Woody Allen 85 jaar geworden. Rifkin’s Festival is zijn achtenveertigste speelfilm, als we goed hebben geteld. Allens toon en stijl zijn bekend, we hoeven geen schokkende vernieuwingen te verwachten; geen radicale breuk met het verleden. Zijn jaarlijkse filmrelease is als die wat excentrieke oom die ieder jaar tijdens je verjaardag opduikt om weer dezelfde grappen te vertellen als al die vorige jaren. Maar elk jaar net iets anders, afhankelijk van zijn luim.

Rifkin´s Festival

Dit jaar is de excentrieke oom een tikje melancholisch gestemd, zijn de grappen wat dunner gezaaid. Hij is in een filosofische bui. Hij reflecteert op de grote levensvragen; op het eeuwige, want “politiek is altijd tijdelijk”. Wat maakt het bestaan waardevol? Wat is een nuttig besteed leven? Draait het om roem, status en aanzien? Of om klein geluk in de marge van de rat race? In die zin vertoont Rifkin’s Festival overeenkomsten met La Grande Bellezza, al is Allens toon mild-ironisch vergeleken met het sarcasme van Paolo Sorrentino.

Dagdromen over liefde
Plaats van handeling is het Filmfestival van San Sebastian. Mort Rifkin (Wallace Shawn, die als filmacteur debuteerde in Allens Manhattan) is een schrijver die nauwelijks schrijft omdat hij geen middelmaat wil produceren, alleen grootse meesterwerken à la Dostojevski of Proust. Hij verdient de kost als filmdocent, wat hem eigenlijk prima bevalt want klassieke cinema is zijn passie. De film wordt gepresenteerd als flashback, gekaderd door een sessie bij de psychiater. Rifkin is de verteller wiens voice-over de scènes verbindt.

Rifkin vergezelt zijn vrouw Sue (Gina Gershon) naar het festival in Spanje, waar ze de perszaken regelt voor een modieus hippe regisseur Philippe (Louis Garrel, die Jean-Luc Godard speelde in de biopic Le Redoutable). De hypochonder Rifkin heeft niets om handen en piekert over een mogelijke affaire van zijn vrouw met de veel jongere regisseur. En over zijn leven. Hij fantaseert over een romance met een Spaanse arts (gespeeld door Elena Anaya, Dr. Maru in Wonder Woman) die in New York heeft gestudeerd maar, teleurgesteld door het leven en de liefde, kwijnt in de Spaanse provincie.

Droomscènes als filmpastiches
Woody Allen heeft nooit een geheim gemaakt van zijn bewondering voor klassieke regisseurs als Fellini, Buñuel en Bergman. Filmdocent Rifkin heeft dromen over zijn vrouw en de arts (in zwart-wit, uiteraard) die pastiches zijn van bekende scènes uit beroemde films van Allens favoriete regisseurs. De reeks citaten opent niet toevallig met Otto et Mezzo van Fellini, een film over film. Het is meer dan een meta-grap, Allen benadrukt het belang van verbeelding. Rifkin’s Festival is zijn weerwoord tegen film als louter vermaak.

Rifkin´s Festival

Daarnaast herkent de filmliefhebber, onder meer, Jules et Jim (Truffaut), Citizen Kane (Orson Welles), A bout de souffle (Godard), El ángel extreminador (Buñuel) en Het zevende zegel (Bergman, met Christoph Waltz als de Dood). Geestig is het droomsegment over Persona (Bergman) als de actrices plots in het Zweeds praten.

Wijsheid in plaats van grappen
De pastiche van Het Zevende Zegel is de laatste van de reeks verwijzingen die de ruggengraat van de film vormen. Rifkin’s Festival illustreert letterlijk het bekende cliché dat films celluloid dromen zijn. Qua grappendichtheid staat de film ergens halverwege het oeuvre van Woody Allen, de sterkste is wellicht de vraag van een journalist tijdens een persconferentie: “Were all your orgasms special effects?”

Het zal ook niet helemaal toevallig zijn dat de reeks hommages afsluit met Bergman, want de Dood verwoordt een wijsheid: “Verwar leeg niet met betekenisloos”. Wees geen snob en doe wat je plezier geeft. Zo past de boodschap van Rifkin’s Festival, gedraaid tijdens de nazomer van 2018, onbedoeld maar naadloos bij het bizarre jaar van de pandemie. Want wat de coronacrisis – naast economisch onrecht en een onhoudbare manier van leven – vooral duidelijk heeft gemaakt: goed leven is een kunst en kunst geeft het leven glans.

 

1 december 2020

 

ALLE RECENSIES

Vogelwachter, De

**
recensie De Vogelwachter

Half gelukte bijdrage aan Freeks filmcarrière

door Jochum de Graaf

Het verhaal van De Vogelwachter, een komisch drama met Freek de Jonge, is betrekkelijk eenvoudig verteld.

Al 45 jaar slijt de Vogelwachter ver afgezonderd van de bewoonde wereld zijn dagen op Benty Island, ‘en geen dag verzaakt’. Eens per week geeft hij vanuit zijn observatiehut de actuele standen van de kantelmeeuwen, tureluurs, steltlopers en wat dies meer zij door aan zijn vaste contactman Tom van het Bird Research Center. Hoogtepunt is voor hem dan dat hij als tegenprestatie de uitslagen van de Premier League terugontvangt, Everton – Huddersfield Town: 0-2!

De Vogelwachter

Zelfredzaamheid
Hij weet zich goed te vermaken met een voetbal die hij na halsbrekende toeren uit de branding weet te vissen. Toonbeeld van zelfredzaamheid is ook de manier waarop hij met behulp van een bankschroef zijn gebroken arm weet te spalken. Het bestaan op het onbewoonde eiland kabbelt zo door tot op zekere dag de vertrouwde stem van Tom niet meer uit de radio klinkt, hij is met pensioen gestuurd. De Vogelwachter krijgt aangezegd dat zijn dienstverband ten einde komt en daarmee wordt de grond onder zijn bestaan weggerukt. Hij doorloopt alle stadia van bedroefdheid, ontkenning, verzet, berusting.

Hij schrijft een uitgebreide brief aan de directie van het Bird Center, biedt aan pensioen in te leveren en het rantsoen van Brinta en bruine bonen kan voortaan wel toe met een keer per jaar levering, dat bederft toch niet. Maar de reactie is onverbiddelijk, de Vogelwachter moet nu toch echt aanstalten maken om zijn hebben en houden in te pakken, met drie weken zal hij worden opgehaald.

Dan wordt een zware storm aangekondigd en de vogelwachter bouwt van juttersspullen een soort vlot dat verticaal tegen de hut wordt gezet. Midden in de nacht bij het hoogtepunt van de storm wordt door een helikopter een kist met luxe goederen, exquise wijn, bijzondere kazen afgeworpen.

Als het ergste voorbij is – de Vogelwachter ligt nog onder de dekens in afwachting van nog groter onheil – klopt een Zeilmeisje bij de hut aan. Ze is met haar moderne catamaran fiks uit koers geraakt en wil graag de coördinaten weten. Na wat aftastende bewegingen raken ze op elkaar gesteld, repareren de boot en swingen op het strand bij een kampvuur. Ze biedt de Vogelwachter aan met haar mee terug te gaan naar de bewoonde wereld, ze maken een selfie.
Hoe de film afloopt? Wat onbestemd zou ik zeggen.

Wegwerpmaatschappij
Je zou kunnen volhouden dat De Vogelwachter aan grote thema’s raakt, het verschil tussen afzondering en eenzaamheid, tussen ouder worden en veroudering, de conservatie van alles wat van waarde is, de confrontatie met de moderne wereld na jaren van isolatie, de schoonheid van de natuur en de menselijke aantasting daarvan. En met het fraai in beeld gebrachte eilandleven en de jutterspraktijken van Freek zou de film ook gezien kunnen worden als kritiek op de moderne wegwerpmaatschappij.

De Vogelwachter

Het willen aanraken van grote thema’s wordt versterkt door een aantal bijzondere details. In de beginscène, de jonge vogelwachter (Nick Golterman) is zojuist op het eiland belandt, zien we een grafkruis met het opschrift ‘Ishmael’. Wanneer na de storm het strand weer is drooggevallen, vindt het Zeilmeisje het grafkruis opnieuw. Kennelijk heeft de verteller van Herman Melvilles wereldberoemde Moby Dick zijn einde op Benty Island gevonden. Met wat goede wil zou de verschijning van het Zeilmeisje (de zwarte actrice Quiah Shilue) een reminiscentie aan Robinson Crusoe kunnen zijn, met het meisje in de rol van Vrijdag.

Filmcarrière
Maar De Vogelwachter komt niet veel verder dan het aanstippen van dergelijke thematiek. De film wil te veel, ontbeert een duidelijke plot, wordt nergens groots of meeslepend. De natuurscènes zijn prachtig en die doorleefde kop van Freek (75!) doet het ook altijd goed op het doek, maar De Vogelwachter blijft oppervlakkig en daarmee al met al een lange zit.

In een interview met de NRC gaf regisseur Threes Anna (Bird Can’t Fly, Silent City, Platina Blues) aan dat ze nogal serieus van aard is: ‘ik vind grappen zelden leuk’. Bij de opnamen schijnt menige door Freek bedachte komische scène gesneuveld te zijn. En dat is spijtig, want het maken van grappen is natuurlijk niet de minste eigenschap van Freek. Na De Illusionist (1983) en De kKKomediant (1986) is daarmee De Vogelwachter opnieuw slechts een half gelukte bijdrage aan Freeks filmcarrière.

 

2 november 2020

 

ALLE RECENSIES

Singing Club, The

**
recensie The Singing Club

Zingen met of zonder mondkapje

door Cor Oliemeulen

The Singing Club volgt de platgetreden paden van een Engelse filmtraditie die met een lach en een traan terugblikt op een historische gebeurtenis met de bedoeling dat de kijker er kracht en een voldaan gevoel uit put. De ene keer lukt dat beter dan de andere keer.

Als je getrouwd bent met een militair die wordt uitgezonden naar een conflictgebied in het buitenland moet je niet zeuren dat je moederziel alleen thuis achterblijft en de kans aanwezig is dat je op een dag slecht nieuws krijgt. Om te tijd te doden en afleiding te vinden, kun je samen met de andere vrouwen gaan breien, een boekenclubje beginnen of gaan zingen in een koor. Zingen kan immers gevoelens van stress, depressies en isolatie temperen, terwijl saamhorigheid en verbondenheid het gemis kunnen verzachten.

The Singing Club

Onderhoudend maar voorspelbaar
De makers van The Singing Club, met regisseur Peter Cattaneo (van The Full Monty, 1997) voorop, dachten vast dat het publiek in deze onzekere tijd van pandemie wel een feelgoodfilm kon gebruiken. Hoewel de geschiedenis over deze achtergebleven soldatenvrouwen die gaan zingen en door hun finale optreden in de Royal Albert Hall vele harten beroerden en door alle media-aandacht ook over de landsgrenzen veel navolging kenden, is dit komische drama even voorspelbaar als COVID-21.

Onlangs verscheen een andere Engelse feelgoodfilm in de bioscoop (en tegenwoordig vaak direct op video on demand): Misbehaviour, waarin de opkomst van de vrouwenemancipatiebeweging centraal staat. Waar in die productie de verschillende typetjes feministen (variërend van de stoere rosse krullenbol die de meeste mannen beschouwt als seksisten tot en met de keurige studente die zich aanvankelijk aarzelend opstelt maar nadien het hardst leuzen schreeuwt) zijn de vrouwelijke leden van The Singing Club al even gemêleerd, maar biedt het verhaal nauwelijks diepgang.

The Singing Club

Officiersvrouwenfittie
Lichtpuntje is Kristin Scott Thomas, die door haar bilingualiteit even gemakkelijk kan excelleren in zowel Franse drama’s (Il y a longtemps que je t’aime, 2008) als Engelse komedies (Four Weddings and a Funeral, 1994) en vaak een genot is om naar te kijken. Als vrouw van een officier die het hoogst in rang is, voelt Kate zich geroepen om een koor uit de grond te stampen en een verantwoord (lees: saai) repertoire te onderrichten. Getourmenteerd door het verlies van haar zoon onderdrukt zij haar emoties voor de goede zaak. Met haar ogenschijnlijke arrogantie en kilheid roept ze de nodige weerstand op.

De plot van The Singing Club draait om haar conflict met de andere officiersvrouw Lisa (Sharon Horgan) die een totaal andere aanpak voor ogen heeft. Zingen doe je voor de lol, en dat het niet altijd even zuiver is, maakt niets uit. Terwijl Kate zich als een volleerde dirigent opstelt voor het zootje ongeregeld, geeft Lisa achter een keyboard met twee vingers de melodie aan. Uiteindelijk ontstaat er een aanstekelijk repertoire van zowel klassieke liederen (Ave Maria) als lekker in het gehoor liggende popdeuntjes uit de jaren 80 (Only You van Yazoo, Time After Time van Cyndi Lauper). Best jammer dat je tegenwoordig van Rutte niet meer keihard mag meezingen in de bioscoop.

 

1 november 2020

 

ALLE RECENSIES

Last Right, The

****
recensie The Last Right

In een oude Volvo dwars door Ierland

door Ries Jacobs

Weet je, jullie twee hebben wel iets weg van Rain Man.’ Met deze woorden begint Mary de tocht dwars door Ierland die ze samen met de broers Daniel en Louis Murphy onderneemt. Bij het kijken van The Last Right kun je niet om de klassieker uit 1988 heen. Daarvoor zijn de gelijkenissen – twee broers, waarvan er een autistisch is, op een roadtrip – te treffend.

De film nadert zijn eindfase als de drie een doodskist rondzeulen door een weiland in Noord-Ierland. De voettocht door het gras is de climax van hun reis die als doel heeft het lichaam van een dode man naar zijn laatste rustplaats te brengen. De hieraan voorafgaande reeks van absurde gebeurtenissen begint als Daniel van New York naar Ierland vliegt om zijn overleden moeder te begraven. Door een speling van het lot krijgt hij de verantwoordelijkheid voor het stoffelijk overschot van een tijdens zijn vlucht overleden medepassagier.

The Last Right

De botsende persoonlijkheden van de autistische Louis, de egocentrische Daniel en de extraverte Mary zorgen voor zowel emotionele als hilarische scènes. Kenmerkend is de scène waarin Louis aangeeft niet met een lijkwagen op pad te willen. De autistische tiener durft alleen in de vertrouwde Volvo-stationwagen van zijn moeder te zitten. Om op pad te kunnen binden ze de doodskist tenslotte vast op de dakdragers van de Volvo.

Game of Thrones
Dit doet denken aan de scène van Rain Man waarin de door Dustin Hoffman gespeelde Raymond Babbitt alleen met Qantas wil vliegen omdat van deze luchtvaartmaatschappij nog nooit een vliegtuig is neergestort. Toch lukt het acteur Samuel Bottomley om van Louis een aandoenlijke tiener te maken die menselijker overkomt dan Hoffmans personage. De jongen lijkt een normale tiener die een jeugdvriendinnetje heeft, maar toont zijn autistische trekken als hij aan zijn reisgenoten vertelt dat hij drie maanden, acht dagen en vijf uur verkering met haar heeft.

The Last Right

Ook het acteerwerk van de overige hoofdrolspelers is degelijk. Onze eigen Michiel Huisman neemt de rol van Daniel op zich, een gewiekste advocaat die ook gevoelens blijkt te hebben. Huisman zet het personage evenwichtig neer, geen moment komt van beide kanten van zijn personage teveel op de voorgrond. Hij heeft al meerdere malen laten zien goed overeind te blijven tussen het internationale acteertalent (onder andere in de hitseries Orphan Black en Game of Thrones) en doet dat nu weer.

Sprookje
The Last Right is de eerste lange film van de Ierse regisseuse Aoife Crehan, die ook het script schreef. Ze hanteert het heerlijk snelle tempo dat we vaker zien bij comedy’s, de kijker valt vanaf minuut één in de film. Tegelijkertijd ontroert de manier waarop met name Mary en Louis zich staande proberen te houden in een wereld die hen overweldigt en die ze bovendien niet begrijpen. Toegegeven, de plot hangt aan elkaar van ongeloofwaardige toevalligheden en dat maakt The Last Right even realistisch als een sprookje of de gemiddelde actiefilm, maar storend is dat geen moment. Bovendien creëert ze samen met Bottomley een autistisch personage dat complex, maar geloofwaardig is. Gecombineerd met het lichte en vaak humoristische verhaal kunnen we The Last Right typeren als de lightversie van Rain Man.

 

20 oktober 2020

 

ALLE RECENSIES

Misbehaviour

***
recensie Misbehaviour

Deelnemers Miss World de maat genomen

door Cor Oliemeulen

Engelse feelgoodfilm toont hoe de kersverse vrouwenbeweging een halve eeuw geleden de live-uitzending van de Miss World-verkiezing verstoorde. In Misbehaviour gedragen alle betrokkenen zich op hun eigen manier en is er begrip voor zowel activisten als deelneemsters.

Net als in andere jaren zitten miljoenen gezinnen op 20 november 1970 aan de buis gekluisterd voor de twintigste Miss World-verkiezing in de Royal Albert Hall in Londen. De live-uitzending wordt onderbroken wanneer vrouwelijke activisten presentator Bob Hope (Greg Kinnaer), die tijdens zijn presentatie de zoveelste seksistische opmerking maakt, beginnen te bekogelen met pamfletten en meelbommetjes, toegesnelde beveiligers en politiemannen belagen met waterpistolen en leuzen roepen tegen de vleeskeuring en voor gelijke rechten van vrouwen. In het historische drama Misbehaviour zien we hoe het zover kon komen.

Misbehaviour

Tactiek bepalen
De film geeft een aardig beeld wat er in die tijd in de wereld aan de gang was. In een aantal landen was een maatschappelijke revolutie uitgebroken, waarbij steeds meer vrouwen zich gingen organiseren en verzetten tegen ongelijkheid en streden voor een gelijkwaardige zorg voor het kind en zeggenschap over je eigen lichaam. In het jaar dat het Engelse dagblad The Sun vrolijk startte met foto’s van topless vrouwen op pagina 3 kon de meerderheid van de bevolking zich nog geheel niet vinden in de idealen van deze Women’s Liberation Movement.

We maken kennis met de jonge moeder Sally Alexander (Keira Knightley) die op een Londens college haar toelating voor de universiteit probeert te verdienen. Ze oogt als een degelijk en burgerlijk type, die aanvankelijk schrikt van de anarchistische en provocatieve Jo Robinson (Jessie Buckley) die op fanatieke wijze het naar meer vrouwenrechten strevende groepje aanvoert. In tegenstelling tot Jo handelt Sally niet zozeer vanuit het hart en een portie lef, maar probeert zij door middel van verstand en academische vaardigheden doelen te bereiken. Zij overtuigt de anderen om de media, hoewel die behoren tot het establishment, te benaderen, want hoe kun je anders je boodschap uitdragen? Voordat ze het weet, wordt ze woordvoerster van de beweging en schreeuwt ze om het hardst bij demonstraties.

Verschillende perspectieven
Het sterke punt van Misbehaviour is dat regisseur Philippa Lowthorpe de Miss World-verkiezing vanuit verschillende perspectieven belicht en begrip voor (bijna) alle betrokkenen heeft. Zo vernemen we de beweegredenen van de Amerikaanse entertainer Bob Hope die al tien jaar eerder als host fungeerde en knallende ruzie met zijn vrouw krijgt, de grote organisator Eric Morley (Rhys Ifans) die volgens eigen zeggen slechts streeft naar de fantasie van een perfecte wereld waarin schoonheid wordt gevierd en zijn vrouw en zakelijk partner Julia (Keeley Hawes) die in tegenstelling tot haar man niet de maten maar de gratie van de deelneemsters roemt.

Misbehaviour

Maar de focus ligt op de twee groepen jonge vrouwen met ver uiteenlopende ambities. Enerzijds de feministen die zich verzetten tegen de huns inziens uitbuiting van vrouwen en die streven naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen, anderzijds de deelnemers van Miss World die vurig hopen om zichzelf (en hun land) op de map te zetten. Terwijl de actievoersters hun plannen beramen, lijken de missen het uitstekend naar hun zin te hebben. Sommigen dromen over een betere toekomst, zoals de gekleurde deelneemster van Grenada. Zij wil en kan niet het bestaande systeem omverwerpen, maar is bij winst een grote inspiratiebron voor andere gekleurde meisjes omdat ze dan laat zien dat het mogelijk is om iets te kunnen bereiken. Dat zoiets moet door middel van een knap gezicht en een mooi lichaam is nu eenmaal zo.

Uit die korsetten!
Uiteindelijk is Misbehaviour een feelgoodfilm in een mooie Engelse traditie: het maken van deels ontroerende, deels grappige historische films met een bevredigende afloop waar mensen voor hun rechten opkomen. Denk bijvoorbeeld aan Pride (2014) waarin mijnwerkers en homo’s gezamenlijk demonstreren tegen de conservatieve Thatcher-regering en aan Made in Dagenham (2011) waarin de vrouwen in de Ford-fabriek strijden voor een beter salaris.

Dat gebeurde overigens al een paar jaar voordat de vrouwenrechtenbeweging voor een miljoenenpubliek de Women’s Liberation Movement op de kaart zetten. Je zou bijna vergeten dat de zojuist opgerichte Dolle Mina’s in Nederland al in januari 1970 van zich lieten horen: nadat ze hun korsetten hadden verbrand bij het standbeeld van de negentiende-eeuwse feministe Wilhelmina Drucker in Amsterdam verstoorden zij al een missverkiezing, in Utrecht. Wanneer gaat iemand daarover eens een feelgoodfilm maken?

 

23 augustus 2020

 

ALLE RECENSIES

King of Staten Island, The

***
recensie The King of Staten Island

Overjarige onvolwassene ontwaakt

door Cor Oliemeulen

De hoofdpersonages in films van Judd Apatow nemen het leven meestal niet zo serieus. Vaak is een externe prikkel nodig om zich aan de lamlendigheid van drank en blowen te kunnen onttrekken. Zo vergaat het ook Scott in The King of Staten Island, dat in eigen land door de coronacrisis slechts online werd uitgebracht, maar bij ons gewoon in de bioscoop verschijnt.

De films van de Amerikaanse regisseur worden gekenmerkt door een hoog awkward gehalte: ongemakkelijk, pijnlijk, gênant, raar, tenenkrommend. Denk maar aan The 40-Year-Old Virgin (2005), Knocked Up (2007) en Funny People (2009). Zonder al teveel fantasie zou je Judd Apatow het zwakker begaafde neefje van Woody Allen kunnen noemen. Er zijn ontegenzeggelijk overeenkomsten tussen de twee filmmakers: beide van joodse komaf, opgegroeid in New York en begonnen als schrijver voor tv-comedy’s. De verschillen zijn opmerkelijker: Allen figureert in veel van zijn films (bijna niemand anders kan immers beter zijn eigen grappen vertolken), terwijl Apatow nauwelijks in zijn eigen films acteert, maar op zijn manier ook de lach aan zijn kont heeft hangen.

The King of Staten Island

Kansloos
Bij Allen herken je snel een ‘Woody Allen’-karakter, waar je in films waarbij Apatow is betrokken diens signatuur moeiteloos ontdekt, ook in films die hij produceerde, zoals The Cable Guy (1996), de twee Anchor-films (2004 en 2013), Superbad (2007) en Forgetting Sarah Marshall (2008). Veel van die komedies zijn over de top en worden bevolkt door onconventionele types als Seth Rogen of Jason Segel en blinken uit in ongerieflijke situaties, structureel drank- en drugsgebruik en obsceniteiten. Maar uiteindelijk zit het hart op de goede plaats en belooft een happy end beterschap voor de overjarige onvolwassenen. In de films van Woody Allen zijn het vaak artistieke jongeren uit een kansrijker milieu die worstelen met hun identiteit en neuroses, maar ook daar komt alles meestal wel op zijn pootjes terecht.

De hoofdpersoon van The King of Staten Island is de 24-jarige Scott, gespeeld door stand-upcomedian Pete Davidson, wiens karakter voor een deel uit zijn eigen leven is gegrepen. Scott is depressief, blowt en drinkt met zijn al even kansloze vrienden en heeft geen idee wat hij met zijn leven aanmoet. Hij klust wat als ‘tattoo artist’ en droomt van een ‘tattoo-restaurant’, want de formule van je laten tatoeëren tijdens het eten van een kipmenu bestaat immers nog niet.

The King of Staten Island

Ontdekkingstocht
Gezien het merendeel van de afbeeldingen op zijn eigen lijf en die van zijn vrienden werkt Scotts impulsieve en naïeve gedrag niet direct bevorderlijk om als gerespecteerd kunstenaar door het leven te gaan. Toch blijkt hij wel degelijk talent te hebben, hoewel niet iedereen daar in eerste instantie oog voor heeft. Zo laat Scotts moeder Margie (Marisa Tomei) iemand haar bovenarm zien. ‘Ah, een cockerspaniël.’ ‘Nee, het is mijn dochter.’

Veel dialogen en situaties zijn levensecht en regelmatig grappig. De lamlendigheid van het bestaan als jongvolwassene die geen flauw idee heeft hoe hij onderwerp van een hoopvolle toekomst moet worden. Scott: ‘Wat is dit voor een slechte wiet, ik merk niks.’ Vriend: ‘Ik word ook niet meer high, maar blowen is wel een lifestyle.’ Margie, die na zeventien jaar weduwe zijn een nieuwe liefde krijgt, gooit Scott na een ruzie het huis uit en dwingt hem zo om zelfstandig te worden. Dat proces gaat natuurlijk met horten en stoten, maar uiteindelijk ontdekt Scott dat hij meer in zijn mars heeft dan hij dacht en krijgt hij van heel dichtbij de kans om zijn overleden vader beter te leren kennen. The King of Staten Island is wat aan de lange kant, maar soms hebben mensen nu eenmaal veel tijd nodig zichzelf te ontdekken.

 

21 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

Bonne épouse, La

***
recensie La bonne épouse

Komedie voor het zwakke geslacht

door Cor Oliemeulen

La bonne épouse is net zo voorspelbaar als de filmtitel suggereert. Desondanks bieden de enthousiaste cast, het vlotte scenario en de eeuwige drang naar vrijheid genoeg aanknopingspunten voor ongecompliceerd tijdverdrijf.

Als opgroeiend kind in de jaren zestig zag de Franse regisseur Martin Provost in de keukenla een gids over hoe jonge echtparen zich dienden te gedragen. Hij herinnert zich hoe zijn vader na zijn werk in een luie stoel neerplofte, de krant las en pas opstond nadat hij werd geroepen om te komen eten, nadat moeder had gekookt en de tafel had gedekt. Het was niets meer dan normaal dat vader thuis geen vinger uitstak. Als moeder had afgeruimd en afgewassen, en iedereen ’s avonds voor de televisie zat, had zij door al haar huishoudelijke klusjes het begin van de film gemist. Zo gingen die dingen in die tijd, voordat de studentenopstanden van 1968 een veranderende omgang tussen de seksen inluidden.

La bonne épouse

Hoe word je een goede huisvrouw?
In een lieflijk stadje aan de Elzas runt Paulette Van Der Beck (Juliette Binoche) een traditionele huishoudschool waar vooral tienermeisje van plattelandsgezinnen moeten leren hoe ze voorbeeldige huisvrouwen kunnen worden. We maken kennis met achttien meiden die vanaf de eerste dag hun beoogde taken krijgen ingepeperd. De goede huisvrouw (La bonne épouse) is een droom voor haar aanstaande echtgenoot, cijfert zich weg en klaagt nooit. Uiteraard moet je beschaafd praten, op de juiste manier een kopje thee kunnen inschenken en ook fungeren als gastvrouw, die altijd een fris bloemetje in huis heeft staan.

Ondertussen klinkt op de radio de eerste roep om maatschappelijke verandering. Paulettes veel oudere echtgenote Robert (François Berléand), oprichter van de huishoudschool, stikt in een konijnenbotje. Ondanks de ontdekking dat de huishoudschool door Roberts gokverslaving in de schulden is beland, besluit Paulette, die bovendien haar voormalige liefde André (Édouard Baer) weer tegen het lijf loopt, de leiding over te nemen. Het is een kwestie van tijd en inzicht dat zij de touwtjes zal laten vieren, ondanks de luidruchtige aanwezigheid van Roberts naïeve zus Gilberte (Yolande Moreau) en de tegenwerking van de robuuste non Soeur Marie-Thérèse (Noémie Lvovsky).

La bonne épouse

Apfelstrudel
Langzaam ontketent zich in de huishoudschool ook onder de beoogde sloofjes een revolutie. De meiden doen aanvankelijk keurig wat hun ouders en de schoolleiding hen hebben opgedragen en begrijpen bijvoorbeeld ook dat zij geen verstand van cijfers hebben, zolang zij hun uitgaven maar goed op orde hebben. Maar de plicht van de vrouw om de man te behagen, kan uiteindelijk zó samen met het keukenschort de vuilnisbak in. Vrouwen hebben meer rechten dan het aanrecht! Hoezo geen seks voor het huwelijk? En waarom zou je niet verliefd op een ander meisje mogen worden?

De tieners bewegen zich geloofwaardig in de sixties. De volwassenen zijn uitstekend op elkaar ingespeeld, stereotiep, maar soms heerlijk over de top, wat bijvoorbeeld blijkt als Paulette en André tijdens een romantische stoeipartij het recept van apfelstrudel uitwisselen. Martin Provost (Sage Femme) maakt het liefst films over vrouwen. Misschien heeft hij het gegeven van een vrouw die plotseling de scepter gaat zwaaien, veel meer oog voor sociale verhoudingen heeft dan haar man en die opnieuw valt voor een oude vlam, afgekeken van Potiche (2010) van zijn landgenoot Franςois Ozon. Dat neemt niet weg dat vrouwen die in de patriarchale periode na de Tweede Wereldoorlog zijn opgevoed met La bonne épouse ongetwijfeld een gevoel van nostalgie zullen ervaren. Maar ook veel jongere vrouwen en meisjes zullen het idee van onafhankelijkheid en vrijheid bejubelen. Dat maakt deze komedie, die uitmondt in een musicalsetting, bij uitstek vermakelijk voor al diegenen die ooit werden beschouwd als het zwakke geslacht.

 

20 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

Idiocracy (2006)

REWIND: Idiocracy (2006)
Domheid als het nieuwe normaal

door Tim Bouwhuis

In de Amerikaanse cultkomedie Idiocracy (2006) slingert een curieus militair experiment een modelburger vijfhonderd jaar de toekomst in. Anno 2505 is domheid het ‘nieuwe normaal’, maar het IQ van tijdreiziger Joe blijkt ‘Messias-waardig’. Hoog tijd voor een REWIND-artikel dat deze bijna vijftien jaar oude, als bron van irritatie vermomde profetie herwaardeert in het licht van het heden.

De Amerikaanse filmmaker en schrijver Mike Judge maakte in de loop van de jaren negentig vooral naam als bedenker van de animatieserie Beavis and Butt-Head. De titelfiguren zijn twee niet al te intelligente tieners die, zodra ze zich vervelen, nogal eens tot idiote fratsen overgaan. Dit uitgangspunt bleek effectief: tussen 1993 en 2011 verschenen er in totaal acht seizoenen. Het is geen grote stap van de twee animatie-karikaturen naar de platvloerse populatie die je in Idiocracy aantreft. Judge deed het initiële idee voor zijn film dan ook al op tijdens de productie van het uit de serie voortgevloeide Beavis and Butt-Head Do America (1996), nog voor hij Office Space (1999, met Ron Livingston en Jennifer Aniston) regisseerde.

Idiocracy

Staakt het voortplanten
Idiocracy
begint met een rechtvaardiging van de titel. Hoe monden democratie en technocratie in het universum van Judge uiteindelijk uit in ‘idiocratie’? De scenarioschets is misschien wat kortzichtig, maar de aangevoerde hoofdreden is warempel bijzonder actueel: de intelligente laag van de bevolking ziet wat betreft zwangerschap te veel leeuwen en beren op de weg. Het stel dat Judge opvoert, stipt de ongunstige huizenmarkt aan (typisch, zo richting de beurskrach van 2008), en vandaag de dag zou je daar, naast het carrièreperspectief, een eco-politiek motief bij kunnen denken.

Judge’s filmische conclusie is snel en functioneel: als intelligente burgers het voortplanten staken, terwijl de dommen zich zorgeloos blijven voortplanten, is er over vijfhonderd jaar met zekerheid geen slimme geest meer over. In dit ideale tijdreisscenario ontwaakt officier Joe Bauers (Luke Wilson), proefkonijn voor een vergeten Pentagon-project, precies uit zijn cryo-slaap op het moment dat zijn modale IQ broodnodig is geworden.

Torenhoge bergen afval zijn het aanzicht van 2505. Wie Pixar-hit Wall*E (Andrew Stanton, 2008) zag, kan beide eco-rampen naadloos aan elkaar spiegelen: waar er in de animatie een eenzame afvalrobot door het vuil struint, vindt er in de puinhopen van Idiocracy een heuse afvallawine plaats. De aardverschuiving laat Joe’s cryo-doodskist vrij letterlijk met de deur in huis vallen bij de onnozele Frito (Dex Shepard), die aan een collage beeldbuizen gekluisterd zit terwijl hij schier onophoudelijk vocht en fastfood krijgt aangevoerd (vergelijkbaar met de bewoners van het ruimteschip in Wall*E). De ontmoeting tussen Frito en zijn gast uit het verleden zet een keten van surreële, hysterische en boud aangezette taferelen in gang. Judge neemt zijn neologisme op zijn woord: de domheid van de burgers valt zo mogelijk nog in het niet bij die van de bestuurders.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Brave New World
Deze bestuurders blijken anderzijds nog wel slim genoeg te zijn geweest om een registratieplicht in te voeren. Op bevel stopt Joe zijn rechterarm in een plompe machine, om er met een barcode-tattoo weer uit te komen. De wereld van Idiocracy begeeft zich zo in het huiveringwekkende verlengde van een volledig gerealiseerde technocratie. Het is niet uit te sluiten dat Judge goed naar sciencefictionklassieker Demolition Man (1993, met Sylvester Stallone) heeft gekeken, dat op zijn beurt overduidelijk geïnspireerd is door Aldous Huxley’s literaire technotopie Brave New World (1932).

Op het moment van schrijven vraagt ondergetekende zich nog altijd af hoe de karikaturen van Judge er in vredesnaam in geslaagd zijn een functionele politiestaat uit de grond te stampen. Als Joe ergens halverwege de film met twee metgezellen (Frito en mede-tijdreiziger Rita, gespeeld door Maya Rudolph) op de vlucht slaat, duurt het niet al te lang voor de in het straatbeeld geïntegreerde scanapparatuur hard begint te loeien. Joe’s enige voordeel is dat zijn strafpleiters een stuk naïever zijn dan de autoriteiten in het hedendaagse China.

Idiocracy

Laat er geen verwarring over bestaan: de kans dat Idiocracy je snel op de zenuwen gaat werken, is door de jolige opzet van het geheel bijzonder groot. Tegelijkertijd is de toonzetting extreem functioneel: in een interview naar aanleiding van het tienjarig bestaan (2016) gaf Judge zelfs aan dat hij sommige elementen misschien niet eens genoeg had overdreven. Als je bedenkt dat 2016 Trumps (vorige) verkiezingsjaar was, en je vervolgens het geschmier van fictioneel president Camacho (Terry Crews) gadeslaat, kun je je daar wellicht al enigszins een voorstelling bij maken. De gretig gemediatiseerde excessen in politiek en entertainment – permanente parades van maskers – zijn de afgelopen decennia geleidelijk steeds verder genormaliseerd, betoogt de Britse documentairemaker Adam Curtis in Hypernormalisation (2016).

Op den duur heb je nog maar twee keuzes: je geeft je (bewust of onbewust) over aan de waanzin, of je probeert tot de laatste seconden tegen de stroom in te zwemmen. In een idiocratie is ook die keuze op voorhand van de burgers weggenomen: zij weten gewoonweg niet beter dan dat ze in hun leven geen groter meesterwerk gaan zien dan ‘Ass’, een negentien minuten aangehouden close-up van de titelfiguur. Judge vertelt er terloops bij dat de film in zijn jaar een Oscar voor beste scenario won.

Idiocracy

Zo zijn er meer toepasselijke vondsten: Joe wordt geridiculiseerd om zijn beheersing van een dialectloos Engels, het volk wordt gemend in een arena (lees: brood en spelen) en Starbucks heeft zich in de loop van de eeuwen toegespitst op een zeker mannelijk genot. Het scherpst uitgewerkte kenmerk van deze idiocratie is een naar Gatorade gemodelleerde vloeistof, die water blijkt te hebben vervangen als dorstlesser en voornaamste voedingsbron van gewassen. Het marktmonopolie van de betrokken corporatie, Brawndo, doet denken aan de hegemonie van het merk Soylent Green in de gelijknamige sciencefictionklassieker van Richard Fleischer, met Charlton Heston (1973). Soylent Green is gebaseerd op een ronduit macaber recept: in het universum van Judge moet Joe land en volk vooral verlossen van de milieudepressie die het middel teweeg heeft gebracht.

Een kritieke aanklacht
In het eerder aangehaalde interview kreeg Judge de fascinerende vraag of hij zich herkende in de marginale kritiek dat zijn film impliciet zou oproepen tot de politieke overweging van eugenetische praktijken (met betrekking tot de voortplantingsdrang van de ‘dommen’). De regisseur ontkent dat op een losse, relatief luchtige manier, die past bij de toon van de satire. Toch onderstreept de vraag nog maar eens dat Idiocracy politiek een stuk gevoeliger is dan alle schijtlolligheid aan de oppervlakte mag doen vermoeden. Het beste, maar ook meest curieuze argument tegen de vragende beschuldiging volgt in de slotakte van de film zelf: uiteindelijk blijken de twee tijdreizigers ineens permanent in idiocratie te willen leven. In extremis ontmantelt Idiocracy zichzelf zo op ironische wijze als een aanklacht tegen de even verre als nabije toekomst.

IDIOCRACY KIJKEN: huur op Google Play en YouTube; koop op Amazon en Bol.  

 

Meer REWIND

Belle Époque, La

****
recensie La Belle Époque

Ultieme nostalgietrip

door Cor Oliemeulen

Hedendaagse goeroes prediken om te leven in het hier en nu. Maar wat als het hier en nu een hel is? Of in het geval van de hoofdpersoon in La Belle Époque je huidige leven gewoon saai is? Dan koester je iedere mooie droom of meld je je aan bij een hip bedrijf dat je de mooiste periode van je leven kan laten herbeleven.

De uitgebluste zestiger in kwestie heet Victor (Daniel Auteuil), die succesvol was als politiek cartoonist van een inmiddels verdwenen dagblad en nu zonder werk zit. Hij heeft veel moeite zich aan te passen aan de moderne tijd. Zo heeft hij geen mobieltje, verafschuwt hij pratende computers en haalt hij zijn wenkbrauwen op als iemand alcoholvrije wijn wil drinken. Zijn vrouw Marianne (Fanny Ardant) probeert met volle teugen van het moderne leven te genieten. Zij rijdt een Tesla, heeft een VR-bril en verdient als psychoanalist uitstekend met haar online platform dat is gebaseerd op algoritmen, zodat niet zijzelf maar haar digitale ik de cliënt therapeutisch advies geeft. Op een dag zet Marianne Victor het huis uit. Die actie is mede ingegeven door het feit dat Marianne inmiddels stiekem het bed deelt met de beste vriend van Victor.

La Belle Époque

Verliefd
Victor neemt contact op met een bedrijf dat is gespecialiseerd om iemand enkele dagen een bepaalde historische tijd te laten beleven, bijvoorbeeld aan het hof van Marie-Antoinette of om zelfs toe te treden tot de intieme kring van Adolf Hitler. Victor wil graag terug naar 1974 toen hij in een café in Lyon zijn grote liefde ontmoette. Om dat te realiseren onderwerpt hij zich aan uitgebreide intakegesprekken, waarin hij in woorden en tekeningen de exacte setting van die dagen beschrijft.

De regisseur van de tijdreizen, Antoine (Guillaume Canet), is een meester in het neerzetten van die perfecte setting en eist van zijn figuranten uiterste discipline als het gaat om het naleven van het script. Zeker van zijn vriendin, met wie hij een haat-liefdeverhouding heeft, dat het meisje speelt op wie Victor destijds verliefd werd. Hoewel Victor, die zijn baard heeft afgeschoren en zich in een jaren zeventig-outfit heeft gehuld, zich realiseert dat hij in een gecreëerde illusie is beland, wordt hij inderdaad opnieuw verliefd. Maar is hij nu verliefd op het meisje uit zijn herinnering of het meisje dat zijn grote liefde speelt?

La Belle Époque

Nuttig?
Het eind van de film bepaalt of La Belle Époque uiteindelijk een feelgoodfilm of een drama is. Als Victor ontwaakt uit zijn verlangen van weleer en de realiteit van de huidige tijd weer volledig tot hem doordringt, rest slechts de vraag of het herbeleven van het verleden iets waardevols heeft opgeleverd. Was het nuttig om te graven in je herinneringen en de verliefdheid van destijds opnieuw te voelen? Ben je door die ervaring in staat nu ook op latere leeftijd weer voor iemand te vallen? Of blijft het bij die intens beleefde begoocheling die je voor even kon koesteren om je daarna te realiseren dat levensgeluk eindig is?

Het antwoord laat zich raden: de kijker mag natuurlijk niet gefrustreerd de bioscoop verlaten. Hoewel dat gegeven op zich misschien best jammer is, biedt het intelligente script van La Belle Époque genoeg interessante invalshoeken, subtiele humor en geloofwaardig acteerwerk dat je zelf ook wel eens zo’n ultieme nostalgietrip zou willen beleven.

 

27 december 2019

 

ALLE RECENSIES

It Must Be Heaven

***
recensie It Must Be Heaven 

Een kosmopolitische buitenstaander

door Paul Rübsaam

De Palestijnse regisseur Elia Suleiman verlaat in It Must Be Heaven zijn woonplaats Nazareth om een reis te maken naar Parijs, New York en Montreal. Dat lijkt een hele onderneming. Maar eigenlijk verandert er niet zoveel. Waar Suleiman ook komt en welke vreemde taferelen hij ook aantreft, hij staat er zwijgend bij en kijkt ernaar.

Nazareth is niet alleen de plaats waar Jezus Christus zijn jeugd zou hebben doorgebracht. Het is tevens de geboorteplaats van de Palestijnse regisseur Elia Suleiman (1960), die er tegenwoordig weer woont. De eerste scènes van It Must Be Heaven spelen zich af in dit hoofdzakelijk door Arabieren bewoonde stadje in Noord-Israël, dat voor zover het niet overspoeld wordt door christenpelgrims een verstilde mediterrane atmosfeer ademt.

It Must Be Heaven

Als het belangrijkste personage in zijn eigen film vervult Suleiman ook als hij thuis is hoofdzakelijk de rol van observator. Met zijn gedrongen gestalte, zomerhoed en klassieke bril zien we hem veelal zittend, of staand met de handen op de rug gevouwen. Hij kijkt of luistert, spreekt nooit, maar kan veelzeggend zijn wenkbrauwen optrekken. Op deze wijze luistert hij in Nazareth bijvoorbeeld naar het  verhaal van een oude buurman over een dankbare slang die de lekke band van diens auto opblies, nadat hij het dier uit de klauwen van een adelaar had gered.

Suleiman laat zich met zijn veelvuldig gebruik van een statische camera en vaste kaders inspireren door de cinematografische wetten zoals die tot ongeveer 1920 golden. Binnen het frame kan hij, met zijn van afstand herkenbare verschijning, bijna als decorstuk functioneren. Zoals ook Jacques Tati dat kon met zijn kenmerkende slungelige, ietwat gebogen gestalte, slappe hoed en eeuwige pijp. 

Angst voor geweld
Expliciet geweld ontbreekt in It Must Be Heaven geheel. Des te nadrukkelijker zijn in het door Suleiman bezochte Parijs van Bataclan en New York van 9/11 de vaak potsierlijke sporen van de angst voor geweld zichtbaar. Overal heerst dreiging en achterdocht, veroorzaakt door aanslagen die in de verte een connectie hebben met het Palestijnse conflict. In zijn director’s note schreef Suleiman dat in zijn eerdere films als Chronicle of a Disappearence (1996) en The Time That Remains (2009)  Palestina werd vergeleken met een microkosmos van de wereld, terwijl It Must Be Heaven de wereld presenteert als een microkosmos van Palestina.

It Must Be Heaven

Zeer bedreigend, schijnbaar in ieder geval, is de man die Suleiman ‘s ochtends vroeg als enige medepassagier aantreft in de Parijse metro. Welhaast tot op de tanden getatoeëerd, bier drinkend en boeren latend blijft hij recht tegenover Suleiman staand deze uitermate vuil aankijken. Maar er gebeurt uiteindelijk niets. Waardoor we getuige zijn van een merkwaardig contextloos stukje pantomime voor twee zwijgende heren.

Ook de politie gedraagt zich in Parijs nogal vreemd. Agenten nemen sierlijk manoeuvrerend op gemotoriseerde stepjes notitie van een fout geparkeerde auto, maar niet van een mogelijk gevaarlijk object dat daaronder is geworpen door een wegrennende jongen. Als Suleiman later op een terras in zijn eentje wat zit te drinken, wordt dat terras om redenen waar slechts naar te gissen valt door vier agenten nauwkeurig opgemeten.

In New York is het hoge gegil van de sirenes van de NYPD overal te horen. We zien de politie echter slechts uitrukken om een jonge vrouw met engelenvleugels op haar rug als een kat in de zak te vangen, wat nog niet eens lukt ook. Veel New Yorkse burgers zijn gewapend. En niet zo’n beetje. Men doet boodschappen of brengt kinderen naar school met Kalasjnikovs of zelfs raketwerpers over de schouder geslagen.

It Must Be Heaven

Collage
De film kent nog meer thema’s. Zo wordt Parijs niet alleen getypeerd als een stad in de greep van paranoia, maar ook als een plek waar de medemenselijkheid goed georganiseerd is, maar niet bepaald spontaan opwelt. Een dakloze die op een tweepersoons matras op straat bier ligt te drinken, krijgt door bezorgde medische dienstverleners een viergangenmenu aangeboden. Als de Parijzenaren evenwel in een park van het zonnetje willen genieten, mondt dat uit in een weliswaar kolderieke, maar ook bittere strijd om de schaars beschikbare stoeltjes.

Welbeschouwd is It Must Be Heaven eerder een collage van beeldcolumns, dan een film met een rode draad en één overkoepelende visie. Of dat een bezwaar is, hangt af van de stemming van de kijker. Bovengetekende zag de film twee keer en had de eerste keer last van dat gebrek aan eenheid, maar de tweede keer minder. Hoe dan ook valt de herinnering aan iedere film tenslotte uiteen in los van elkaar staande herinneringen aan sterke scènes. Sterke, in casu absurde en komische scènes heeft deze film van Elia Suleiman genoeg te bieden.

 

17 december 2019

 

ALLE RECENSIES