Imagine Film Festival 2021 – Komische films

Imagine Film Festival 2021 – Komische films:
Chaos als troefkaart voor een komisch effect

door Bob van der Sterre

Bij fantasierijke films horen ook absurdistische films. Beoefenaars in dit genre worden steevast sceptisch benaderd door critici, hoewel het scheppen van een lach naar mijn idee moeilijker is dan het scheppen van een traan. Het is alleen jammer dat de uitvoering vaak uit de bocht vliegt door een overdaad aan chaos.

Op Imagine is veel grappigs te zien: een verademing in vergelijking met veel andere festivals. Fantasie en humor laten zich goed combineren. Je kunt vrijer associëren dan in het keurslijf van een drama. Die vrijheid kan de filmmakers vleugels geven.

Voor thema’s doet het ook geen kwaad. Al sinds de Grieken weten we dat je een verhaal op serieuze en niet-serieuze manier kunt vertellen. Nog sterker: de komedie is ouder dan het drama.

Met het tempo en de speelsheid zit het wel goed, maar veel komische films ontsporen vaak door chaos te gebruiken voor het komische effect. Fors geweld en stijlvondsten buitelen vaak over elkaar heen. Bij echt grappige films zijn de humor en het verhaal goed in evenwicht.

Lees onze preview voor meer info over het programma en hoe je kaartjes kunt kopen.

 

Mandibules

Mandibules – Kun je een vlieg trainen?
In Mandibules vinden twee idioten, Manu en Jean-Gab, in de achterbak van een gestolen auto een enorme vlieg. Ze bedenken ideeën om er geld mee te verdienen. Dan moeten ze wel eerst de vlieg trainen. Dat is alleen moeilijker dan ze dachten.

Quentin Dupieux heeft weer een totaal absurde film gemaakt. Daar houdt het voor velen op want komedies hebben immers geen diepgang… Maar als iets grappig is, kan het ook van een complexe werkelijkheid uitgaan. Het een sluit het andere niet uit. Dupieux maakt zijn scripts met een totaal andere logica. Deerskin gaat over jagen en gejaagd worden, in Wrong is álles anders dan anders, in Realité bestaat geen werkelijkheid.

Ook hier weer aanwijzingen genoeg voor een andere logica. Alles moet iets met insecten te maken hebben. Dead giveaways zijn de vlieg en de titel van de film (kaken). Neem hoe Manu aan het begin als een larve uit een cocon (slaapzak) aan land komt. Ze zijn dakloos. Alle karakters zijn hun ouders kwijt. Cécile heeft ‘800 partners’ gehad. Ze houden van wijn (nectar?) drinken. Het stierengebaar (kopstoot tegen de man in de camper, die zelf ineens is ‘gevlogen’). ‘Je hebt het geheugen van een vlieg’. De tafelmanieren (‘Mijn ouders hebben me niets geleerd’). De door seks, eten en ontlasting geobsedeerde Agnès, die veel lawaai maakt. De opmerking: ‘Ik heb een allergie voor olie’. De zilveren gebitten. Het doodshoofd op de tafel bij Michel-Michel (die uit twee personen bestaat). Veel puzzelstukjes, maar er is niet per se een puzzel om ze in te leggen. Is de vlieg hier de mens (immers leert de vlieg hier), zijn de mensen de insecten? Is de een een kever, de ander een koninginnemier, een volgende een doodgraver?

Misschien betekent het ook niets. Hoe dan ook is het knap hoe Dupieux al die eigen logica combineert met een bij vlagen hilarische komedie. Mandibules heeft geen chaos nodig voor het komische effect. Dat komt van het grappige acteerwerk van Gregoire Ludig, David Marsais en Adèle Exarchopoulos. Minpunt: dat de andere rollen wat minder aandacht krijgen. De film is zo prettig kort (iets meer dan een uur) maar laat daar nog wat mogelijkheden liggen.

Online te zien vrijdag 9 april 19.30 uur.

 

Fried Barry

Fried Barry – Overgenomen door een alien
Héél veel chaos juist in de Zuid-Afrikaanse film Fried Barry. Het begin lijkt nog op een sombere drugsfilm. Alles verandert na een drugstrip waarbij Barry’s lichaam door een alien wordt overgenomen. Hij keert terug op de straten van Kaapstad. De nieuwe Barry krijgt een rondleiding langs Kaapstads seedy underbelly. Voor deze alien bestaat de aarde uit drugsgebruikers, prostituees, pooiers, misdadigers en sadisten.

De film volgt de uitspraak van Dario Argento: ‘You must push everything to the absolute limit or else life will be boring.’ Echt een film voor Imagine dus: compleet maf, over de top, ranzig, smerig, fantastisch, bizar. Aan het begin moet je denken aan het ongemakkelijke en ranzige gevoel van films als Trainspotting en Irreversible. Fried Barry gooit het over een meer fantasierijke horrorboeg. Seksscènes eindigend in bloedbaden, plotselinge zwangerschappen, drama’s met een cirkelzaag. De liefhebber van goede smaak zal hoofdschuddend het gezicht afwenden.

Héél véél flair dus in dit debuut van Ryan Krugers. De camera-aan-het-lichaam, mensen die direct in de camera praten, felle neonkleuren, bizarre geluiden en dominante muziek. Acteur Gary Green trekt zijn gezicht in alle denkbare plooien. Een film met lef (ook de crème de la crème van de Zuid-Afrikaanse acteurs tonen lef in hun maffe bijrollen). Het gaat wel ten koste van een coherent verhaal en duurt bovendien wat te lang.

Nadeel van deze coronatijd: dit is echt een film die je moet zien in een volle zaal met joelende Imagine-gangers.

Online te zien donderdag 15 april 19.30 uur.

 

Fils de Plouc

Fils de Plouc – Raamprostituee is hond kwijt
Soortgelijke chaos in Brussel in Fils de Plouc. Issachar en Zabulon (een soort Lloyd en Harry van Dumb and dumber) raken de hond van hun moeder kwijt. Moeder werkt als raamprostituee en eist dat ze January Jack terugvinden.

Ze sjezen heel Brussel door om de hond te vinden en komen terecht in de garage van een danser; bij een bestialiteitenclub, een merguezverkoper, een modeshoot, en op een groot plein (inclusief straatbende). Geef ze al helemaal geen pistool te leen, zoals een vriend van ze doet.

Een hoop karakters en veel gekke en lelijke Brusselse locaties: dat vind ik wel aardig. Daar houdt het ook mee op. Met drukte, gegil en gekke kapsels heb je nog geen komische film. Voor een komedie heb je ook sympathieke karakters nodig. Die ontbreken hier. Daarnaast laat de film best wat kansen liggen voor satirische passages.

Online te zien zaterdag 10 april 19.30 uur.

 

Shakespeare's Shitstorm

Shakespeare’s Shitstorm – Nieuwe drugs op cruiseschip
Het verste in chaos gaat Shakespeare’s Shitstorm. Een feest op een cruiseschip stopt omdat orka’s schijtend over het schip springen en het schip daardoor zinkt. De mensen stranden aan in New Jersey, waar het feest verdergaat. Een nieuwe drug genaamd tempest maakt iedereen lijp. De zoon van een rijke ondernemer en de dochter van een wetenschappelijk genie worden ondertussen verliefd op elkaar.

Shakespeares The Tempest in een Troma-remix. Troma is de legendarische cultfilmmaatschappij van Michael Herz en Lloyd Kaufman (die hier ook de regie, het script en de hoofdrol doet). Ze maken al decennialang voor minder dan niks horrorfilms. De Troma-films zijn slordig gefilmd, hebben slecht acteerwerk, beroerde scripts, amateuristische effecten maar zijn ook anarchistisch, satirisch en politiek-incorrect. Lees hier de hele geschiedenis.

De cultfans van Troma zullen deze Shakespearebewerking (in 1996 maakten ze ook al Tromeo and Juliet) ongetwijfeld opvreten. Deze film is zeker zo smerig en stupide als de 80’s en 90’s films van Troma (misschien nog uitzinniger). De spot gaat met de tijd mee met social justice strijders, twitteraars, farmaceutische industrie. Toch hield ik het niet langer dan een half uur vol. Wel zie ik de invloed van Troma-films – kijk maar naar films als Fried Barry en Flics de Plouc, die sterk leunen op de onzin en het anarchisme waarmee Troma bekend werd.

Online te zien vrijdag 9 april 19.30 uur.

 

Vicious Fun

Vicious Fun – Killers en agenten
Vicious Fun begint rustiger met karakterintroducties. Joel, horrorjournalist, is gek op zijn huisgenoot, Sarah. Zij heeft geen oog voor hem. Hij raakt rancuneus, achtervolgt haar date, en in een bar maken ze een babbeltje.

Per ongeluk komt Joel terecht in een praatsessie voor seriemoordenaars… hoewel het natuurlijk even duurt voordat hij doorheeft waar de praatsessie over gaat. Seriemoordenaar Carrie heeft een eigen agenda. Ze wil de killers Bob, Fritz, Hideo en Mike koud maken. Ze worden gearresteerd, de anderen komen achter hen aan, en in het politiebureau barst de strijd pas echt los.

Vicious Fun is routinewerk. Niets wat je nog niet eerder zag. 80’s stijl en muziek: Drive (Kavinsky) en Stranger Things. Komische films over killers. Agenten met grappige 80’s snorren. De superkoele chick en de nerdy sukkel zijn een cliché vanjewelste. Toch is de film minder chaotisch en daardoor wel wat evenwichtiger dan de vorige films. Regisseur Cody Calahan weet zijn weg wel met ‘zijn’ genre, horror, dat hier een functionele bijrol heeft.

Verhaal speelt met clichés en valt helaas wat tegen, maar is wel met veel plezier gemaakt. Best wat gretige lachers, zoals de agent die schrikt van alles, telkens naar zijn holster grijpt en dan zijn pistool er niet uit krijgt. En hier wel humor door acteerwerk. Vooral Evan Marsh heeft er talent voor en zie ik over tien jaar wel zijn eigen Adam Sandler-reeks hebben. En dan is er nog de prettige synth-soundtrack van Steph Copeland.

Online te zien donderdag 15 april 21.30 uur.

 

Alien on Stage

Alien on Stage – Film Alien op het toneel
Om dan met een rustige noot te eindigen: in de documentaire Alien on Stage denkt een groep busbestuurders en familie dat het een leuk idee is om de film Alien naar het theater te brengen. Goed kunnen acteren, was niet echt een pre, enthousiasme voor het project des te meer. Ze moeten veel ingenieuze oplossingen bedenken. In Dorset slaat hun idee niet echt aan. Via een bevriende regisseur kunnen ze ineens hun talenten laten zien in Westend.

Eerste deel is niet zo goed. Tempo ligt laag en heel interessant is die voorbereiding niet. Het wordt pas amusant als je hun theaterstuk in Londen ziet. De blunders (het woord crap in plaats van creation, enz.) worden gretig ontvangen door het publiek. De registratie van het toneelstuk was denk ik grappiger geweest dan deze film. Nog sterker: je had daar in het theater moeten zitten.

Pluspunt, en dat maakt het de cirkel over komedie weer rond, is dat de film gaat over de bijzondere interactie die er altijd is tussen acteurs en publiek. Die is hier heel puur. Omdat de acteurs ook erg amateuristisch zijn (dat weet het publiek ook) maar het publiek juist de lowbudgetcreativiteit bewondert. Is het echt grappig? Of is het wachten op wat komen gaat vooral grappig? Want ook komedie is een vak apart blijkt uit de films van Imagine.

Online te zien vrijdag 16 april 19.30 uur.

 

9 april 2021

 

Imagine Film Festival 2021 – Horror
Imagine Film Festival 2021 – Sputnik
Imagine Film Festival 2021 – Sciencefiction
Imagine Film Festival 2021 – Interview Remco Polman over Camouflage
Imagine Film Festival 2021 – Mysterie & Suspense

 

MEER FILMFESTIVAL

Tampopo

****
IFFR Unleashed – 1988: Tampopo
Smaakvolle hartstocht voor eten

door Cor Oliemeulen

De hilarische Japanse rolprent Tampopo was medio jaren 80 zijn tijd ver vooruit. Dé eetfilm der eetfilms verleidt de kijker nu nog steeds met onvergetelijke scènes die in sommige gevallen uitnodigen tot opvolging.

Eten in films is zo oud als de film zelf. De Franse broers Lumière toonden al in 1895 een kort filmpje over het voeden van een baby. Hun landgenoot Georges Méliès trok in 1904 met Sorcellerie Culinaire de trukendoos open wanneer een bedelaar wraak neemt op een kok en duiveltjes inzet om diens soep te laten mislukken.

Tampopo

Luchtig
In de beginjaren van de film was de rol van eten vooral luchtig, denk aan taarten gooien in slapstickfilmpjes. Met de toenemende industrialisatie kreeg voedsel een serieuzere betekenis en verschenen sociale misstanden op het witte doek. Van schrijnend drama over armoede en honger in A Corner in Wheat (1909) van D.W. Griffith tot en met de mistroostige humor in The Gold Rush (1925) waarin Charlie Chaplin als onfortuinlijke goudzoeker van pure ellende zijn schoenen opeet.

Als mensen eten in films is dat nooit toevallig. Vaak dient eten als katalysator van verzoening (Eat Drink Man Woman, 1994) of problemen (Festen, 1998). Sommige mensen bunkeren zoveel dat ze exploderen (The Meaning of Life, 1983), anderen vervelen zich te pletter en besluiten om zich dood te eten (La grande bouffe, 1973). Hoe dan ook heeft de rol van eten en voeding in elke tijd en elke cultuur een andere betekenis.

Van alle eetfilms is Tampopo (1985) na al die jaren nog steeds de meest bijzondere en grappige. Met het thema voedsel als verleiding, het jongleren met stijlvormen en het laveren tussen komedie en melodrama was de Japanse regisseur Jûzô Itami met zijn tweede film zijn tijd lichtjaren vooruit. Begonnen als acteur werd hij pas op zijn vijftigste actief als scenarioschrijver en regisseur. Itami heeft zich duidelijk laten inspireren door zijn Franse collega Jacques Tati, een meester in eenvoudige, rake observaties van het dagelijkse, vaak absurdistische, menselijke gedrag. De satire van Itami is beduidend scherper en gewaagder, zeker als het gaat om de relatie tussen eten, seks en de dood – soms zelfs in dezelfde scène.

Tampopo

Allerbeste noedelsoep
Tampopo (paardenbloem) is de naam van de alleenstaande eigenaresse van een beduimelde eetgelegenheid in Tokio (gespeeld door Itami’s vrouw Nobuko Miyamoto). Met de hulp van een vrachtwagenchauffeur streeft zij naar een goedlopend restaurant waar de allerbeste noedelsoep zal worden geserveerd. Maar voor het zover is, zien we in een reeks uiterst smaakvol gefilmde scènes hoe je het ingenieuze gerecht maakt, presenteert en eet. De compositie en hartstochtelijke benadering van de ingrediënten is tot ware kunst verheven.

Jûzô Itami noemde Tampopo een noedelwestern en leent qua sfeer, low budget en close-ups veel van de spaghettiwestern. In losstaande fragmenten zien we een etiquetteklasje met meisjes die leren hoe je spaghetti moet nuttigen, dat je soms beter geen chips in de bioscoop moet eten en ontdekken we de verleidingen van voedsel. Hilarisch zijn de scènes van de dandy-gangster die slagroom van de linkerborst van zijn vriendin opzuigt en hun techniek om tijdens het voorspel razendknap een rauwe eierdooier heel te houden. Opwindende, geestige en wellicht inspirerende situaties, die een jaar later zouden leiden tot de schaamteloze anticlimax van Kim Basinger en Mickey Rourke in Nine 1/2 Weeks van Adrian Lyne.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

22 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Straight Up (2019)

REWIND: Straight Up (2019)
Fiere confrontatie met hedendaagse onzekerheden

door Sjoerd van Wijk

In het overweldigende streaming aanbod van 2020 raakte het regiedebuut van James Sweeney onterecht ondergesneeuwd. Straight Up (2019) confronteert hedendaagse onzekerheden rondom romantiek, vriendschap en identiteit met een rechte rug.

Sweeney zelf speelt de neurotische Todd, die zich bij zijn therapeute grote zorgen maakt of hij alleen oud zal worden. Als homoseksueel kent zijn liefdesleven weinig succes dus besluit hij het over een andere boeg te gooien. Misschien is hij toch heteroseksueel? Zijn vrienden reageren vol ongeloof, want Todd conformeert aan alle stereotypen met als dooddoener zijn encyclopedische kennis van Gilmore Girls. Overstappen op vrouwen lijkt dan ook een wanhoopsdaad, maar wel een die een staartje van anderhalf uur krijgt zodra hij in gesprek raakt met de net zo neurotische Rory (Katie Findlay). Ze lijken voor elkaar gemaakt op intellectueel vlak. Op seksueel gebied blijft het echter stil en hangt de onzekerheid over Todds geaardheid als een zwaard van Damocles boven de relatie.

Straight Up (2019)

Obsessief gedrag
Al het lawaai komt van de staccato afgevuurde gesprekken tussen Todd en Rory waar referenties uit de populaire cultuur vernuftig in voorkomen. De seksuele stilte verdient een rationalisering en die vindt het stel in hun obsessieve gedrag rondom trivia en meer. Todd houdt nu eenmaal van orde en netheid en daar passen menselijke vloeistoffen niet bij. De popcultuur komt ook gewiekst terug op een gekostumeerd feest waarvoor ze niet genoeg tussen de regels door keken bij Cat on a Hot Tin Roof (1958) en verkleed gaan als het getroebleerde stel uit die film.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


De romantische komedie kent vele gemeenplaatsen, zoals de kus die de voorbestemde liefde bezegelt of de grote realisering over de relatie nadat deze uitgaat. Net als in de trivia springt Sweeney vindingrijk om met die gemeenplaatsen. Voor de lichamelijke climax schiet Sweeney het stel treffend van bovenaf terwijl ze op het tapijt elkaars hand vasthouden. Todds geestige conclusie eindigt onbeantwoord met een intrigerend laatste beeld van de twee soulmates met een onbekende derde partij. Het voelt als een update van klassieke screwballcomedy’s, zoals Bringing Up Baby (1938) met alle maniertjes en absurditeiten over de liefde verpakt in messcherpe kruisverhoren. In plaats van een luipaard zorgt aseksuele romantiek voor een warboel.

Straight Up (2019)

Fundament van bezinning
Daar ligt een jachtige Los Angeles-levensstijl aan ten grondslag. Cinematograaf Greg Cotten laat Todd en Rory als gevangenen hun kruisverhoren geven in vlakke totaalopnames, vlot opengebroken door splits screens, passend bij de hen eeuwig achtervolgende keuzestress. Op de marktplaats van het leven komt elke beslissing met eigen verantwoordelijkheid, die Todd getuige zijn therapiesessies heeft geïnternaliseerd. Zijn beklemming, vervat in monologen en overgaand in voice-overs, geven de film een fundament van bezinning.

In de Hollywood-film zie je vaak een behapbare veilige omgeving die in dienst staat van de vertelling. Een landhuis in Philadelphia of een winkel om de hoek waar de personages met elkaar botsen alvorens tot een onvermijdelijke conclusie te komen. De nette appartementen in Straight Up leiden hier echter tot een scherpe blik inwaarts voor Todd en Rory. Liefde, vriendschap en overkoepelende identiteit smelten samen in het luchtledige en vanuit die onzekerheid moeten zij nieuwe vormen aannemen, wars van stereotypes. De broosheid van zo’n bestaan weet Straight Up te gronden tot een gezamenlijke ervaring.

 

STRAIGHT UP KIJKEN: vind streams of bestel hier de dvd.

 

Meer REWIND

Rifkin´s Festival

***
recensie Rifkin´s Festival

Film is kunst, een goed leven ook

door Alfred Bos

In de schemer van zijn lange loopbaan zet Woody Allen in Rifkin’s Festival de grappen op een lager pitje en stookt het vuur onder de existentiële vragen op. En komt in het aanzien van de Dood tot een wijze conclusie.

Op 1 december van dit jaar is Woody Allen 85 jaar geworden. Rifkin’s Festival is zijn achtenveertigste speelfilm, als we goed hebben geteld. Allens toon en stijl zijn bekend, we hoeven geen schokkende vernieuwingen te verwachten; geen radicale breuk met het verleden. Zijn jaarlijkse filmrelease is als die wat excentrieke oom die ieder jaar tijdens je verjaardag opduikt om weer dezelfde grappen te vertellen als al die vorige jaren. Maar elk jaar net iets anders, afhankelijk van zijn luim.

Rifkin´s Festival

Dit jaar is de excentrieke oom een tikje melancholisch gestemd, zijn de grappen wat dunner gezaaid. Hij is in een filosofische bui. Hij reflecteert op de grote levensvragen; op het eeuwige, want “politiek is altijd tijdelijk”. Wat maakt het bestaan waardevol? Wat is een nuttig besteed leven? Draait het om roem, status en aanzien? Of om klein geluk in de marge van de rat race? In die zin vertoont Rifkin’s Festival overeenkomsten met La Grande Bellezza, al is Allens toon mild-ironisch vergeleken met het sarcasme van Paolo Sorrentino.

Dagdromen over liefde
Plaats van handeling is het Filmfestival van San Sebastian. Mort Rifkin (Wallace Shawn, die als filmacteur debuteerde in Allens Manhattan) is een schrijver die nauwelijks schrijft omdat hij geen middelmaat wil produceren, alleen grootse meesterwerken à la Dostojevski of Proust. Hij verdient de kost als filmdocent, wat hem eigenlijk prima bevalt want klassieke cinema is zijn passie. De film wordt gepresenteerd als flashback, gekaderd door een sessie bij de psychiater. Rifkin is de verteller wiens voice-over de scènes verbindt.

Rifkin vergezelt zijn vrouw Sue (Gina Gershon) naar het festival in Spanje, waar ze de perszaken regelt voor een modieus hippe regisseur Philippe (Louis Garrel, die Jean-Luc Godard speelde in de biopic Le Redoutable). De hypochonder Rifkin heeft niets om handen en piekert over een mogelijke affaire van zijn vrouw met de veel jongere regisseur. En over zijn leven. Hij fantaseert over een romance met een Spaanse arts (gespeeld door Elena Anaya, Dr. Maru in Wonder Woman) die in New York heeft gestudeerd maar, teleurgesteld door het leven en de liefde, kwijnt in de Spaanse provincie.

Droomscènes als filmpastiches
Woody Allen heeft nooit een geheim gemaakt van zijn bewondering voor klassieke regisseurs als Fellini, Buñuel en Bergman. Filmdocent Rifkin heeft dromen over zijn vrouw en de arts (in zwart-wit, uiteraard) die pastiches zijn van bekende scènes uit beroemde films van Allens favoriete regisseurs. De reeks citaten opent niet toevallig met Otto et Mezzo van Fellini, een film over film. Het is meer dan een meta-grap, Allen benadrukt het belang van verbeelding. Rifkin’s Festival is zijn weerwoord tegen film als louter vermaak.

Rifkin´s Festival

Daarnaast herkent de filmliefhebber, onder meer, Jules et Jim (Truffaut), Citizen Kane (Orson Welles), A bout de souffle (Godard), El ángel extreminador (Buñuel) en Het zevende zegel (Bergman, met Christoph Waltz als de Dood). Geestig is het droomsegment over Persona (Bergman) als de actrices plots in het Zweeds praten.

Wijsheid in plaats van grappen
De pastiche van Het Zevende Zegel is de laatste van de reeks verwijzingen die de ruggengraat van de film vormen. Rifkin’s Festival illustreert letterlijk het bekende cliché dat films celluloid dromen zijn. Qua grappendichtheid staat de film ergens halverwege het oeuvre van Woody Allen, de sterkste is wellicht de vraag van een journalist tijdens een persconferentie: “Were all your orgasms special effects?”

Het zal ook niet helemaal toevallig zijn dat de reeks hommages afsluit met Bergman, want de Dood verwoordt een wijsheid: “Verwar leeg niet met betekenisloos”. Wees geen snob en doe wat je plezier geeft. Zo past de boodschap van Rifkin’s Festival, gedraaid tijdens de nazomer van 2018, onbedoeld maar naadloos bij het bizarre jaar van de pandemie. Want wat de coronacrisis – naast economisch onrecht en een onhoudbare manier van leven – vooral duidelijk heeft gemaakt: goed leven is een kunst en kunst geeft het leven glans.

 

1 december 2020

 

ALLE RECENSIES

Vogelwachter, De

**
recensie De Vogelwachter

Half gelukte bijdrage aan Freeks filmcarrière

door Jochum de Graaf

Het verhaal van De Vogelwachter, een komisch drama met Freek de Jonge, is betrekkelijk eenvoudig verteld.

Al 45 jaar slijt de Vogelwachter ver afgezonderd van de bewoonde wereld zijn dagen op Benty Island, ‘en geen dag verzaakt’. Eens per week geeft hij vanuit zijn observatiehut de actuele standen van de kantelmeeuwen, tureluurs, steltlopers en wat dies meer zij door aan zijn vaste contactman Tom van het Bird Research Center. Hoogtepunt is voor hem dan dat hij als tegenprestatie de uitslagen van de Premier League terugontvangt, Everton – Huddersfield Town: 0-2!

De Vogelwachter

Zelfredzaamheid
Hij weet zich goed te vermaken met een voetbal die hij na halsbrekende toeren uit de branding weet te vissen. Toonbeeld van zelfredzaamheid is ook de manier waarop hij met behulp van een bankschroef zijn gebroken arm weet te spalken. Het bestaan op het onbewoonde eiland kabbelt zo door tot op zekere dag de vertrouwde stem van Tom niet meer uit de radio klinkt, hij is met pensioen gestuurd. De Vogelwachter krijgt aangezegd dat zijn dienstverband ten einde komt en daarmee wordt de grond onder zijn bestaan weggerukt. Hij doorloopt alle stadia van bedroefdheid, ontkenning, verzet, berusting.

Hij schrijft een uitgebreide brief aan de directie van het Bird Center, biedt aan pensioen in te leveren en het rantsoen van Brinta en bruine bonen kan voortaan wel toe met een keer per jaar levering, dat bederft toch niet. Maar de reactie is onverbiddelijk, de Vogelwachter moet nu toch echt aanstalten maken om zijn hebben en houden in te pakken, met drie weken zal hij worden opgehaald.

Dan wordt een zware storm aangekondigd en de vogelwachter bouwt van juttersspullen een soort vlot dat verticaal tegen de hut wordt gezet. Midden in de nacht bij het hoogtepunt van de storm wordt door een helikopter een kist met luxe goederen, exquise wijn, bijzondere kazen afgeworpen.

Als het ergste voorbij is – de Vogelwachter ligt nog onder de dekens in afwachting van nog groter onheil – klopt een Zeilmeisje bij de hut aan. Ze is met haar moderne catamaran fiks uit koers geraakt en wil graag de coördinaten weten. Na wat aftastende bewegingen raken ze op elkaar gesteld, repareren de boot en swingen op het strand bij een kampvuur. Ze biedt de Vogelwachter aan met haar mee terug te gaan naar de bewoonde wereld, ze maken een selfie.
Hoe de film afloopt? Wat onbestemd zou ik zeggen.

Wegwerpmaatschappij
Je zou kunnen volhouden dat De Vogelwachter aan grote thema’s raakt, het verschil tussen afzondering en eenzaamheid, tussen ouder worden en veroudering, de conservatie van alles wat van waarde is, de confrontatie met de moderne wereld na jaren van isolatie, de schoonheid van de natuur en de menselijke aantasting daarvan. En met het fraai in beeld gebrachte eilandleven en de jutterspraktijken van Freek zou de film ook gezien kunnen worden als kritiek op de moderne wegwerpmaatschappij.

De Vogelwachter

Het willen aanraken van grote thema’s wordt versterkt door een aantal bijzondere details. In de beginscène, de jonge vogelwachter (Nick Golterman) is zojuist op het eiland belandt, zien we een grafkruis met het opschrift ‘Ishmael’. Wanneer na de storm het strand weer is drooggevallen, vindt het Zeilmeisje het grafkruis opnieuw. Kennelijk heeft de verteller van Herman Melvilles wereldberoemde Moby Dick zijn einde op Benty Island gevonden. Met wat goede wil zou de verschijning van het Zeilmeisje (de zwarte actrice Quiah Shilue) een reminiscentie aan Robinson Crusoe kunnen zijn, met het meisje in de rol van Vrijdag.

Filmcarrière
Maar De Vogelwachter komt niet veel verder dan het aanstippen van dergelijke thematiek. De film wil te veel, ontbeert een duidelijke plot, wordt nergens groots of meeslepend. De natuurscènes zijn prachtig en die doorleefde kop van Freek (75!) doet het ook altijd goed op het doek, maar De Vogelwachter blijft oppervlakkig en daarmee al met al een lange zit.

In een interview met de NRC gaf regisseur Threes Anna (Bird Can’t Fly, Silent City, Platina Blues) aan dat ze nogal serieus van aard is: ‘ik vind grappen zelden leuk’. Bij de opnamen schijnt menige door Freek bedachte komische scène gesneuveld te zijn. En dat is spijtig, want het maken van grappen is natuurlijk niet de minste eigenschap van Freek. Na De Illusionist (1983) en De kKKomediant (1986) is daarmee De Vogelwachter opnieuw slechts een half gelukte bijdrage aan Freeks filmcarrière.

 

2 november 2020

 

ALLE RECENSIES

Singing Club, The

**
recensie The Singing Club

Zingen met of zonder mondkapje

door Cor Oliemeulen

The Singing Club volgt de platgetreden paden van een Engelse filmtraditie die met een lach en een traan terugblikt op een historische gebeurtenis met de bedoeling dat de kijker er kracht en een voldaan gevoel uit put. De ene keer lukt dat beter dan de andere keer.

Als je getrouwd bent met een militair die wordt uitgezonden naar een conflictgebied in het buitenland moet je niet zeuren dat je moederziel alleen thuis achterblijft en de kans aanwezig is dat je op een dag slecht nieuws krijgt. Om te tijd te doden en afleiding te vinden, kun je samen met de andere vrouwen gaan breien, een boekenclubje beginnen of gaan zingen in een koor. Zingen kan immers gevoelens van stress, depressies en isolatie temperen, terwijl saamhorigheid en verbondenheid het gemis kunnen verzachten.

The Singing Club

Onderhoudend maar voorspelbaar
De makers van The Singing Club, met regisseur Peter Cattaneo (van The Full Monty, 1997) voorop, dachten vast dat het publiek in deze onzekere tijd van pandemie wel een feelgoodfilm kon gebruiken. Hoewel de geschiedenis over deze achtergebleven soldatenvrouwen die gaan zingen en door hun finale optreden in de Royal Albert Hall vele harten beroerden en door alle media-aandacht ook over de landsgrenzen veel navolging kenden, is dit komische drama even voorspelbaar als COVID-21.

Onlangs verscheen een andere Engelse feelgoodfilm in de bioscoop (en tegenwoordig vaak direct op video on demand): Misbehaviour, waarin de opkomst van de vrouwenemancipatiebeweging centraal staat. Waar in die productie de verschillende typetjes feministen (variërend van de stoere rosse krullenbol die de meeste mannen beschouwt als seksisten tot en met de keurige studente die zich aanvankelijk aarzelend opstelt maar nadien het hardst leuzen schreeuwt) zijn de vrouwelijke leden van The Singing Club al even gemêleerd, maar biedt het verhaal nauwelijks diepgang.

The Singing Club

Officiersvrouwenfittie
Lichtpuntje is Kristin Scott Thomas, die door haar bilingualiteit even gemakkelijk kan excelleren in zowel Franse drama’s (Il y a longtemps que je t’aime, 2008) als Engelse komedies (Four Weddings and a Funeral, 1994) en vaak een genot is om naar te kijken. Als vrouw van een officier die het hoogst in rang is, voelt Kate zich geroepen om een koor uit de grond te stampen en een verantwoord (lees: saai) repertoire te onderrichten. Getourmenteerd door het verlies van haar zoon onderdrukt zij haar emoties voor de goede zaak. Met haar ogenschijnlijke arrogantie en kilheid roept ze de nodige weerstand op.

De plot van The Singing Club draait om haar conflict met de andere officiersvrouw Lisa (Sharon Horgan) die een totaal andere aanpak voor ogen heeft. Zingen doe je voor de lol, en dat het niet altijd even zuiver is, maakt niets uit. Terwijl Kate zich als een volleerde dirigent opstelt voor het zootje ongeregeld, geeft Lisa achter een keyboard met twee vingers de melodie aan. Uiteindelijk ontstaat er een aanstekelijk repertoire van zowel klassieke liederen (Ave Maria) als lekker in het gehoor liggende popdeuntjes uit de jaren 80 (Only You van Yazoo, Time After Time van Cyndi Lauper). Best jammer dat je tegenwoordig van Rutte niet meer keihard mag meezingen in de bioscoop.

 

1 november 2020

 

ALLE RECENSIES

Last Right, The

****
recensie The Last Right

In een oude Volvo dwars door Ierland

door Ries Jacobs

Weet je, jullie twee hebben wel iets weg van Rain Man.’ Met deze woorden begint Mary de tocht dwars door Ierland die ze samen met de broers Daniel en Louis Murphy onderneemt. Bij het kijken van The Last Right kun je niet om de klassieker uit 1988 heen. Daarvoor zijn de gelijkenissen – twee broers, waarvan er een autistisch is, op een roadtrip – te treffend.

De film nadert zijn eindfase als de drie een doodskist rondzeulen door een weiland in Noord-Ierland. De voettocht door het gras is de climax van hun reis die als doel heeft het lichaam van een dode man naar zijn laatste rustplaats te brengen. De hieraan voorafgaande reeks van absurde gebeurtenissen begint als Daniel van New York naar Ierland vliegt om zijn overleden moeder te begraven. Door een speling van het lot krijgt hij de verantwoordelijkheid voor het stoffelijk overschot van een tijdens zijn vlucht overleden medepassagier.

The Last Right

De botsende persoonlijkheden van de autistische Louis, de egocentrische Daniel en de extraverte Mary zorgen voor zowel emotionele als hilarische scènes. Kenmerkend is de scène waarin Louis aangeeft niet met een lijkwagen op pad te willen. De autistische tiener durft alleen in de vertrouwde Volvo-stationwagen van zijn moeder te zitten. Om op pad te kunnen binden ze de doodskist tenslotte vast op de dakdragers van de Volvo.

Game of Thrones
Dit doet denken aan de scène van Rain Man waarin de door Dustin Hoffman gespeelde Raymond Babbitt alleen met Qantas wil vliegen omdat van deze luchtvaartmaatschappij nog nooit een vliegtuig is neergestort. Toch lukt het acteur Samuel Bottomley om van Louis een aandoenlijke tiener te maken die menselijker overkomt dan Hoffmans personage. De jongen lijkt een normale tiener die een jeugdvriendinnetje heeft, maar toont zijn autistische trekken als hij aan zijn reisgenoten vertelt dat hij drie maanden, acht dagen en vijf uur verkering met haar heeft.

The Last Right

Ook het acteerwerk van de overige hoofdrolspelers is degelijk. Onze eigen Michiel Huisman neemt de rol van Daniel op zich, een gewiekste advocaat die ook gevoelens blijkt te hebben. Huisman zet het personage evenwichtig neer, geen moment komt van beide kanten van zijn personage teveel op de voorgrond. Hij heeft al meerdere malen laten zien goed overeind te blijven tussen het internationale acteertalent (onder andere in de hitseries Orphan Black en Game of Thrones) en doet dat nu weer.

Sprookje
The Last Right is de eerste lange film van de Ierse regisseuse Aoife Crehan, die ook het script schreef. Ze hanteert het heerlijk snelle tempo dat we vaker zien bij comedy’s, de kijker valt vanaf minuut één in de film. Tegelijkertijd ontroert de manier waarop met name Mary en Louis zich staande proberen te houden in een wereld die hen overweldigt en die ze bovendien niet begrijpen. Toegegeven, de plot hangt aan elkaar van ongeloofwaardige toevalligheden en dat maakt The Last Right even realistisch als een sprookje of de gemiddelde actiefilm, maar storend is dat geen moment. Bovendien creëert ze samen met Bottomley een autistisch personage dat complex, maar geloofwaardig is. Gecombineerd met het lichte en vaak humoristische verhaal kunnen we The Last Right typeren als de lightversie van Rain Man.

 

20 oktober 2020

 

ALLE RECENSIES

Misbehaviour

***
recensie Misbehaviour

Deelnemers Miss World de maat genomen

door Cor Oliemeulen

Engelse feelgoodfilm toont hoe de kersverse vrouwenbeweging een halve eeuw geleden de live-uitzending van de Miss World-verkiezing verstoorde. In Misbehaviour gedragen alle betrokkenen zich op hun eigen manier en is er begrip voor zowel activisten als deelneemsters.

Net als in andere jaren zitten miljoenen gezinnen op 20 november 1970 aan de buis gekluisterd voor de twintigste Miss World-verkiezing in de Royal Albert Hall in Londen. De live-uitzending wordt onderbroken wanneer vrouwelijke activisten presentator Bob Hope (Greg Kinnaer), die tijdens zijn presentatie de zoveelste seksistische opmerking maakt, beginnen te bekogelen met pamfletten en meelbommetjes, toegesnelde beveiligers en politiemannen belagen met waterpistolen en leuzen roepen tegen de vleeskeuring en voor gelijke rechten van vrouwen. In het historische drama Misbehaviour zien we hoe het zover kon komen.

Misbehaviour

Tactiek bepalen
De film geeft een aardig beeld wat er in die tijd in de wereld aan de gang was. In een aantal landen was een maatschappelijke revolutie uitgebroken, waarbij steeds meer vrouwen zich gingen organiseren en verzetten tegen ongelijkheid en streden voor een gelijkwaardige zorg voor het kind en zeggenschap over je eigen lichaam. In het jaar dat het Engelse dagblad The Sun vrolijk startte met foto’s van topless vrouwen op pagina 3 kon de meerderheid van de bevolking zich nog geheel niet vinden in de idealen van deze Women’s Liberation Movement.

We maken kennis met de jonge moeder Sally Alexander (Keira Knightley) die op een Londens college haar toelating voor de universiteit probeert te verdienen. Ze oogt als een degelijk en burgerlijk type, die aanvankelijk schrikt van de anarchistische en provocatieve Jo Robinson (Jessie Buckley) die op fanatieke wijze het naar meer vrouwenrechten strevende groepje aanvoert. In tegenstelling tot Jo handelt Sally niet zozeer vanuit het hart en een portie lef, maar probeert zij door middel van verstand en academische vaardigheden doelen te bereiken. Zij overtuigt de anderen om de media, hoewel die behoren tot het establishment, te benaderen, want hoe kun je anders je boodschap uitdragen? Voordat ze het weet, wordt ze woordvoerster van de beweging en schreeuwt ze om het hardst bij demonstraties.

Verschillende perspectieven
Het sterke punt van Misbehaviour is dat regisseur Philippa Lowthorpe de Miss World-verkiezing vanuit verschillende perspectieven belicht en begrip voor (bijna) alle betrokkenen heeft. Zo vernemen we de beweegredenen van de Amerikaanse entertainer Bob Hope die al tien jaar eerder als host fungeerde en knallende ruzie met zijn vrouw krijgt, de grote organisator Eric Morley (Rhys Ifans) die volgens eigen zeggen slechts streeft naar de fantasie van een perfecte wereld waarin schoonheid wordt gevierd en zijn vrouw en zakelijk partner Julia (Keeley Hawes) die in tegenstelling tot haar man niet de maten maar de gratie van de deelneemsters roemt.

Misbehaviour

Maar de focus ligt op de twee groepen jonge vrouwen met ver uiteenlopende ambities. Enerzijds de feministen die zich verzetten tegen de huns inziens uitbuiting van vrouwen en die streven naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen, anderzijds de deelnemers van Miss World die vurig hopen om zichzelf (en hun land) op de map te zetten. Terwijl de actievoersters hun plannen beramen, lijken de missen het uitstekend naar hun zin te hebben. Sommigen dromen over een betere toekomst, zoals de gekleurde deelneemster van Grenada. Zij wil en kan niet het bestaande systeem omverwerpen, maar is bij winst een grote inspiratiebron voor andere gekleurde meisjes omdat ze dan laat zien dat het mogelijk is om iets te kunnen bereiken. Dat zoiets moet door middel van een knap gezicht en een mooi lichaam is nu eenmaal zo.

Uit die korsetten!
Uiteindelijk is Misbehaviour een feelgoodfilm in een mooie Engelse traditie: het maken van deels ontroerende, deels grappige historische films met een bevredigende afloop waar mensen voor hun rechten opkomen. Denk bijvoorbeeld aan Pride (2014) waarin mijnwerkers en homo’s gezamenlijk demonstreren tegen de conservatieve Thatcher-regering en aan Made in Dagenham (2011) waarin de vrouwen in de Ford-fabriek strijden voor een beter salaris.

Dat gebeurde overigens al een paar jaar voordat de vrouwenrechtenbeweging voor een miljoenenpubliek de Women’s Liberation Movement op de kaart zetten. Je zou bijna vergeten dat de zojuist opgerichte Dolle Mina’s in Nederland al in januari 1970 van zich lieten horen: nadat ze hun korsetten hadden verbrand bij het standbeeld van de negentiende-eeuwse feministe Wilhelmina Drucker in Amsterdam verstoorden zij al een missverkiezing, in Utrecht. Wanneer gaat iemand daarover eens een feelgoodfilm maken?

 

23 augustus 2020

 

ALLE RECENSIES

King of Staten Island, The

***
recensie The King of Staten Island

Overjarige onvolwassene ontwaakt

door Cor Oliemeulen

De hoofdpersonages in films van Judd Apatow nemen het leven meestal niet zo serieus. Vaak is een externe prikkel nodig om zich aan de lamlendigheid van drank en blowen te kunnen onttrekken. Zo vergaat het ook Scott in The King of Staten Island, dat in eigen land door de coronacrisis slechts online werd uitgebracht, maar bij ons gewoon in de bioscoop verschijnt.

De films van de Amerikaanse regisseur worden gekenmerkt door een hoog awkward gehalte: ongemakkelijk, pijnlijk, gênant, raar, tenenkrommend. Denk maar aan The 40-Year-Old Virgin (2005), Knocked Up (2007) en Funny People (2009). Zonder al te veel fantasie zou je Judd Apatow het zwakker begaafde neefje van Woody Allen kunnen noemen. Er zijn ontegenzeggelijk overeenkomsten tussen de twee filmmakers: beide van joodse komaf, opgegroeid in New York en begonnen als schrijver voor tv-comedy’s. De verschillen zijn opmerkelijker: Allen figureert in veel van zijn films (bijna niemand anders kan immers beter zijn eigen grappen vertolken), terwijl Apatow nauwelijks in zijn eigen films acteert, maar op zijn manier ook de lach aan zijn kont heeft hangen.

The King of Staten Island

Kansloos
Bij Allen herken je snel een ‘Woody Allen’-karakter, waar je in films waarbij Apatow is betrokken diens signatuur moeiteloos ontdekt, ook in films die hij produceerde, zoals The Cable Guy (1996), de twee Anchor-films (2004 en 2013), Superbad (2007) en Forgetting Sarah Marshall (2008). Veel van die komedies zijn over de top en worden bevolkt door onconventionele types als Seth Rogen of Jason Segel en blinken uit in ongerieflijke situaties, structureel drank- en drugsgebruik en obsceniteiten. Maar uiteindelijk zit het hart op de goede plaats en belooft een happy end beterschap voor de overjarige onvolwassenen. In de films van Woody Allen zijn het vaak artistieke jongeren uit een kansrijker milieu die worstelen met hun identiteit en neuroses, maar ook daar komt alles meestal wel op zijn pootjes terecht.

De hoofdpersoon van The King of Staten Island is de 24-jarige Scott, gespeeld door stand-upcomedian Pete Davidson, wiens karakter voor een deel uit zijn eigen leven is gegrepen. Scott is depressief, blowt en drinkt met zijn al even kansloze vrienden en heeft geen idee wat hij met zijn leven aanmoet. Hij klust wat als ‘tattoo artist’ en droomt van een ‘tattoo-restaurant’, want de formule van je laten tatoeëren tijdens het eten van een kipmenu bestaat immers nog niet.

The King of Staten Island

Ontdekkingstocht
Gezien het merendeel van de afbeeldingen op zijn eigen lijf en die van zijn vrienden werkt Scotts impulsieve en naïeve gedrag niet direct bevorderlijk om als gerespecteerd kunstenaar door het leven te gaan. Toch blijkt hij wel degelijk talent te hebben, hoewel niet iedereen daar in eerste instantie oog voor heeft. Zo laat Scotts moeder Margie (Marisa Tomei) iemand haar bovenarm zien. ‘Ah, een cockerspaniël.’ ‘Nee, het is mijn dochter.’

Veel dialogen en situaties zijn levensecht en regelmatig grappig. De lamlendigheid van het bestaan als jongvolwassene die geen flauw idee heeft hoe hij onderwerp van een hoopvolle toekomst moet worden. Scott: ‘Wat is dit voor een slechte wiet, ik merk niks.’ Vriend: ‘Ik word ook niet meer high, maar blowen is wel een lifestyle.’ Margie, die na zeventien jaar weduwe zijn een nieuwe liefde krijgt, gooit Scott na een ruzie het huis uit en dwingt hem zo om zelfstandig te worden. Dat proces gaat natuurlijk met horten en stoten, maar uiteindelijk ontdekt Scott dat hij meer in zijn mars heeft dan hij dacht en krijgt hij van heel dichtbij de kans om zijn overleden vader beter te leren kennen. The King of Staten Island is wat aan de lange kant, maar soms hebben mensen nu eenmaal veel tijd nodig zichzelf te ontdekken.

 

21 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

Bonne épouse, La

***
recensie La bonne épouse

Komedie voor het zwakke geslacht

door Cor Oliemeulen

La bonne épouse is net zo voorspelbaar als de filmtitel suggereert. Desondanks bieden de enthousiaste cast, het vlotte scenario en de eeuwige drang naar vrijheid genoeg aanknopingspunten voor ongecompliceerd tijdverdrijf.

Als opgroeiend kind in de jaren zestig zag de Franse regisseur Martin Provost in de keukenla een gids over hoe jonge echtparen zich dienden te gedragen. Hij herinnert zich hoe zijn vader na zijn werk in een luie stoel neerplofte, de krant las en pas opstond nadat hij werd geroepen om te komen eten, nadat moeder had gekookt en de tafel had gedekt. Het was niets meer dan normaal dat vader thuis geen vinger uitstak. Als moeder had afgeruimd en afgewassen, en iedereen ’s avonds voor de televisie zat, had zij door al haar huishoudelijke klusjes het begin van de film gemist. Zo gingen die dingen in die tijd, voordat de studentenopstanden van 1968 een veranderende omgang tussen de seksen inluidden.

La bonne épouse

Hoe word je een goede huisvrouw?
In een lieflijk stadje aan de Elzas runt Paulette Van Der Beck (Juliette Binoche) een traditionele huishoudschool waar vooral tienermeisje van plattelandsgezinnen moeten leren hoe ze voorbeeldige huisvrouwen kunnen worden. We maken kennis met achttien meiden die vanaf de eerste dag hun beoogde taken krijgen ingepeperd. De goede huisvrouw (La bonne épouse) is een droom voor haar aanstaande echtgenoot, cijfert zich weg en klaagt nooit. Uiteraard moet je beschaafd praten, op de juiste manier een kopje thee kunnen inschenken en ook fungeren als gastvrouw, die altijd een fris bloemetje in huis heeft staan.

Ondertussen klinkt op de radio de eerste roep om maatschappelijke verandering. Paulettes veel oudere echtgenote Robert (François Berléand), oprichter van de huishoudschool, stikt in een konijnenbotje. Ondanks de ontdekking dat de huishoudschool door Roberts gokverslaving in de schulden is beland, besluit Paulette, die bovendien haar voormalige liefde André (Édouard Baer) weer tegen het lijf loopt, de leiding over te nemen. Het is een kwestie van tijd en inzicht dat zij de touwtjes zal laten vieren, ondanks de luidruchtige aanwezigheid van Roberts naïeve zus Gilberte (Yolande Moreau) en de tegenwerking van de robuuste non Soeur Marie-Thérèse (Noémie Lvovsky).

La bonne épouse

Apfelstrudel
Langzaam ontketent zich in de huishoudschool ook onder de beoogde sloofjes een revolutie. De meiden doen aanvankelijk keurig wat hun ouders en de schoolleiding hen hebben opgedragen en begrijpen bijvoorbeeld ook dat zij geen verstand van cijfers hebben, zolang zij hun uitgaven maar goed op orde hebben. Maar de plicht van de vrouw om de man te behagen, kan uiteindelijk zó samen met het keukenschort de vuilnisbak in. Vrouwen hebben meer rechten dan het aanrecht! Hoezo geen seks voor het huwelijk? En waarom zou je niet verliefd op een ander meisje mogen worden?

De tieners bewegen zich geloofwaardig in de sixties. De volwassenen zijn uitstekend op elkaar ingespeeld, stereotiep, maar soms heerlijk over de top, wat bijvoorbeeld blijkt als Paulette en André tijdens een romantische stoeipartij het recept van apfelstrudel uitwisselen. Martin Provost (Sage Femme) maakt het liefst films over vrouwen. Misschien heeft hij het gegeven van een vrouw die plotseling de scepter gaat zwaaien, veel meer oog voor sociale verhoudingen heeft dan haar man en die opnieuw valt voor een oude vlam, afgekeken van Potiche (2010) van zijn landgenoot Franςois Ozon. Dat neemt niet weg dat vrouwen die in de patriarchale periode na de Tweede Wereldoorlog zijn opgevoed met La bonne épouse ongetwijfeld een gevoel van nostalgie zullen ervaren. Maar ook veel jongere vrouwen en meisjes zullen het idee van onafhankelijkheid en vrijheid bejubelen. Dat maakt deze komedie, die uitmondt in een musicalsetting, bij uitstek vermakelijk voor al diegenen die ooit werden beschouwd als het zwakke geslacht.

 

20 juni 2020

 

ALLE RECENSIES