De 6 beste rechtbankdrama’s

De 6 beste rechtbankdrama’s

Leden van de rechtbank, ik zal vandaag trachten de juridische significantie van de zes hieronder nader te behandelen films aan te tonen. De bewezenverklaring van deze significantie zal zich voltrekken in een per film individueel getrokken pleidooi waarbij ik verscheidene relevante rechtsbeginselen zal benoemen.

door Yordan Coban

Aangewezene ter terechtzitting
Niet alle rechtbankklassiekers verschijnen hier ter terechtzitting. Moge het de rechtbank behagen dat slechts een selectie van de zes beste films opgeroepen zijn. Rechtbankdrama’s draaien vaak om een enkele bijzondere afwijking in de procedure, of een verhaal dat een verrassende wending neemt bij elke procedurele stap.

Primal Fear

Er waren veel gegadigden voor mijn selectie, maar ik heb specifiek gekeken naar de belangrijkste juridische knooppunten die de films behandelen. Een film als A Few Good Men (1991) is buiten de selectie gelaten aangezien het slechts gaat om een getuigenverklaring. Zo ook de erg vermakelijke thriller Primal Fear (1993) omdat deze enkel gaat over de vraag of er sprake is van ‘een ziekelijke stoornis van verdachte zijn geestvermogens’. Ook Kramer vs. Kramer (1978) heeft de lijst net niet gehaald. Ondanks dat de film mij emotioneel erg aanspreekt acht ik deze juridisch toch net te weinig om het lijf hebben, en in de rechtszaal kan emotie niet de boventoon voeren.

Het Nederlandse recht
Verder heb ik overwogen de film Lucia de B. (2013) in mijn lijst op te nemen omdat deze gaat over een van de beruchtste missers van het Nederlands strafproces. Toch acht ik de film qua omvang niet doortastend genoeg om naast de andere grote namen in de banken te treden. Datzelfde geldt voor Mijn Vriend (1973) van Fons Rademaker. Een uiterst bijzondere zaak waarin een Belgische rechter veroordeeld wordt voor moord, diefstal en witwasserij. Echter klinkt het verhaal betreurend genoeg spectaculairder dan de uitvoering van de film.

Tot slot wens ik graag voor de rol benoemd te hebben dat ook JFK (1991) de revue gepasseerd is. De slotscène in de rechtszaal bevat één van de spectaculairste bewezenverklaringen in film, ondanks dat deze door de jury afgewezen wordt.

 

The People vs. Larry Flynt

6. – The People vs. Larry Flynt

Ik begin dit onderzoek ter terechtzitting met The People vs. Larry Flynt (1990). Deze liberale film van de pas overleden Milos Forman is een krachtig bepleiten voor de vrijheid van meningsuiting. Larry Flynt (gespeeld door Woody Harrelson) was wellicht meer opportunistisch dan principieel te noemen. Toch is zijn zaak essentieel voor de vrijheid van meningsuiting en een invloedrijke doorbreking van de preutsheid wat betreft pornografie in Amerika.

Mijn juridische hart gaat vooral sneller kloppen bij het pleidooi van de advocaat van Flynt (gespeeld door de nog jonge Edward Norton) voor het Hooggerechtshof van Amerika. De film stelt een aantal interessante vragen over de voorwaarden van strafbaarstelling en speelt zich af in een tijd waarin liberale sentimenten in wetgeving voet aan de grond krijgen. Deze zaak over de legaliteit van pornografie is niet alleen spraakmakend maar ook belangrijk voor de bepaling van de grenzen van het religieus paternalisme van de Amerikaanse staat.

 

Close-up

5. – Close-up

Met Close-up (1990) wijk ik enigszins af van mijn eigen opgestelde regels (wat contra legem heet in het recht). Deze Iraanse documentaireachtige film van Abbas Kiarostami gaat meer over kunst dan over rechten. Toch is er is een quote in Close-up die mij altijd bijgebleven is, die ik graag wil citeren. Het citaat bevat de definitie van het begrip kunst, op een wijze die ik als jurist erg kan waarderen. Juristen werken altijd met definities. Het enige echte gereedschap van de rechtswetenschap is taal. Definities zijn dus belangrijke hulpmiddelen bij het interpreteren en formuleren van rechtsregels.

Kunst wordt vaak erg vaag en klungelig omschreven, mede omdat het vrij omvattend is en juristen niet goed weten wat ze ermee aan moeten. Kiarostami leent zijn beschrijving van de Russische schrijver Tolstoj die het in zijn boek What is art? uitvoerig heeft over de betekenis van kunst. Indien de Hoge Raad of de wetgever nog op zoek is naar een definitie adviseer ik mee te schrijven: ”Art is the inner experience cultivated by the artist and conveyed to his audience.”

Deze definitie bevat een objectief en subjectief element. Het subjectieve zit in de emotie (inner experience), de niet meetbare ervaring van de artiest die hij hoopt over te brengen. Het objectieve zit in de zinsnede ‘audience’ die aangeeft dat kunst een publiek moet hebben. Wij bepalen per slot van rekening wat kunst is.

Kiarostami laat Hossein Sabzian, verdacht van bedrog, dit uit de grond van zijn hart in de rechtszaal verkondigen. Recht geeft ons de uiterste kaders van het legale menselijk handelen. Kunst geeft ons richtlijnen voor het menselijk handelen binnen deze kaders.

 

Anatomy of a Murder

4. – Anatomy of a Murder

Er zit een cruciale scène in Anatomy of a Murder (1959) waarin verdachte en tevens cliënt van advocaat Paul Biegler (gespeeld door James Stewart) vraagt hoe de jury de ingetrokken vraag kan vergeten? James Stewart antwoordt, bijna teleurgesteld, dat dat niet mogelijk is. In Nederland hebben we dan geen juryrechtspraak meer sinds 1813, maar bovenstaande probleem is ook in ons rechtssysteem niet geheel afwezig.

Rechtspsychologen waarschuwen al jaren voor het probleem dat ontstaat door onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, dat in sommige gevallen pas na kennisneming uitgesloten wordt van het dossier. Natuurlijk speelt het dan geen rol meer in de bewezenverklaring maar het kan wel degelijk de overtuiging van de rechter en het openbaar ministerie beïnvloeden. Ter waarborging zijn er sancties maar daar valt niet altijd genoegdoening mee te scheppen. Het is een complex fenomeen dat kan leiden tot tunnelvisie bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechter. In een rechtssysteem dient men continu wegingen te maken tussen de belangen van waarheidsvinding en de rechten van verdachten. Er zijn geen goede antwoorden, slechts verschillende afstellingen.

Anatomy of a Murder laat verder zien dat de complexiteit van de zaak bij een rechtbankdrama niet van doorslaggevend belang is. De uitvoering met uitvoerig uitgewerkte actoren kunnen elke zaak weven tot een wals van emotie en suspense. Regisseur Otto Preminger neemt je mee de rechtszaal in, zijn kijkers zitten daadwerkelijk in de banken en luisteren aandachtig mee bij elke getuigenverklaring tot elke frons van de rechter.

 

Paths of Glory

3. – Paths of Glory

Paths of Glory (1957) gaat over machtsmisbruik van de elite, en wel door middel van het recht. De grondwet is juist opgesteld ter bescherming van het volk tegen de overheid. Voor het bestaan van de grondwet bestond de overheid uit de adellijke stand en de koning die met tirannie over het volk heerste. In Stanley Kubricks Paths of Glory zien we deze machtsstructuur in volle glorie bij een militair tribunaal ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.

Een aantal soldaten worden berecht in een schijnproces, ter wraking van een gefaalde veldslag. Executie is de eis en vonnis lijkt onvermijdelijk. Het lot van de soldaten ligt in de handen van de verdediging van Colonel Dax (gespeeld door Kirk Douglas). Na een grandioos pleidooi waarin hij uit alle macht de menselijke waardigheid verdedigt, zien we de onverbiddelijkheid van een corrupt rechtssysteem.

Stanley Kubrick toont ons hoe cru de doodstraf is (in Nederland afgeschaft in 1870) op een wijze die doet denken aan hoe Lars von Trier de doodstraf demonstreert in Dancer in the Dark (2000). Maar primair vertoont Paths of Glory, op gelijke wijze als in In the Name of the Father (1993), het belang van een onafhankelijke rechtsprekende macht voor de bescherming van burgers tegen de tirannie van machthebbenden.

 

Judgement at Nurenberg

2. – Judgement at Nurenberg

Na alle bewonderenswaardige bovengenoemde pleidooien in rechtbankdrama’s is er één die er bovenuit spring: de verdediging van advocaat Hans Rolfe (gespeeld door Maximilian Schell) in Stanley Kramers Judgement at Nurenberg (1961). Dit personage belichaamt de legitimiteit en ethische complexiteit van de advocatuur in het recht. Ook stelt de film vragen over wat de waarde is van het geldende recht op papier ten opzichte van wat ethisch gezien voortvloeit uit het menselijke rechtvaardigheidsgevoel.

Martin Luther King stelde dat alleen rechtvaardig recht het werkelijke geldende recht zou moeten zijn. Toch heb je je aan de wet te houden en was het gelegaliseerde nazirecht, dat schuurt met elke menselijke waardigheid, de destijds geldende wet. Deze strijd tussen het geschreven positieve recht (wat ons rechtsbescherming biedt) en het ongeschreven natuurrecht (wat de bouwstenen van elk rechtssysteem vormt) leidt tot een fundamentele weging bij elke juridische discussie over legaliteit. In deze zaak brengt dat ons tot de rechtsfilosofische vraag of een officier die een onmenselijke, maar op dat moment geldende, wet volgt strafbaar is?
 
 
12 Angry Men

1. – 12 Angry Men

Elke grote filmliefhebber en elke goede jurist kent 12 Angry Men (1957), het meesterwerk van Sydney Lumet. De film draait om een van de meest fundamentele rechtsbeginselen van ons rechtssysteem: de onschuldpresumptie.

Een deel van de charme van de film zit in de eenvoud. Net zoals in My Dinner with Andre (1981), Rope (1948) en Rear Window (1954) speelt de hele film zich in één ruimte af. De jurykamer schikt zich gelijke een lege bladzijde waarop de twaalf mannen hun ideeën over de zaak kwijt kunnen. Als kijker luister je mee en volg je de debatten van een afstand. De camera staat aan het begin hoog, uitkijkend over de vergaderende koppen. Aan het einde van de film, als iedereen met passie zijn standpunten over de zaak verdedigt, is de camera onder de acteurs geplaatst. Zweetdruppels staan de mannen op het voorhoofd, de jasjes zijn uit en de hals is bevrijd van een stropdas. Zo betogen de acteurs driftig over de kijkers heen.

De cast is een indrukwekkend ensemble van gevestigde namen uit die tijd, met als voorman Henry Fonda, op dat moment primair bekend van The Grapes of Wrath (1940). Fonda is perfect gecast als het geweten van de evenwichtige, alles meewegende rechter. Een rol die alleen James Stewart of wellicht Tom Hanks ook zo beheerst zou hebben ingevuld. Hij staat, qua standpunten over de zaak, recht tegenover Lee J. Cobb, op dat moment bekend van zijn kwaadaardige rol in On the Waterfront (1954). Ook in die film is hij hard en onverbiddelijk, maar naarmate de discussie van de juryleden vordert, merk je dat hij niet per se kwaadaardig is, eerder koppig en onwetend.

Het feit dat je gedurende het debat over de zaak de personages alsmaar beter leert kennen, trekt je mee in het verhaal. Een verhaal van slechts twaalf pratende mannen in een zaal, maar doordat het verhaal met zijn personages zich langzaam openbaart, is het geen moment saai. In Dog Day Afternoon (1975) achttien jaar later zien we een bevestiging van hoe meesterlijk Lumet met spanningsbogen kan omspringen. De regisseur is een activist en zijn films zijn zowel inhoudelijk als stilistisch zo ingericht dat de kijker geen moment kan wegkijken.

De onschuldpresumptie is cruciaal voor een fatsoenlijk rechtssysteem. Zonder de onschuldpresumptie krijgen we een Kafkaëske wereld met vervolgingen, zoals beschreven staat in Kafka’s boek The Trial. Vervolgingen zonder rechten voor de verdachten en veroordelingen zonder bewijs.

Veroordeling dient in Nederland pas plaats te vinden bij het bereiken van een bewijsminimum en de persoonlijke overtuiging van de rechter. In Amerika kent men hiervoor de term ‘evidence beyond reasonable doubt’. Als alleen de overtuiging van de rechter (of in dit geval de jury) voldoende is voor veroordeling krijg je impulsieve gevoelsrechtspraak. Rechtszalen zitten vaak vol met emotie, intrige en drama, maar voor een rechtvaardig vonnis dat gelijk is voor iedereen dienen er objectieve waarborgen te zijn. Bij enige twijfel dient de verdachte het voordeel van de twijfel te krijgen. Het gaat hier namelijk wel om mensenlevens, predikt Fonda stellig tegen zijn jurygenoten. 12 Angry Men heeft niet voor niets de status van de beste rechtsfilm. Lumet mengt de emotie die triomfeert in kunst in een juridische vergadering en stelt zich tegelijkertijd principieel op in de zoektocht naar rechtvaardigheid.

 

30 november 2018

 
Alle leuke filmlijstjes

Logische weg naar perfecte film

Romantische drama’s van Martin Scorsese onderbelicht
Logische weg naar de perfecte film

door Cor Oliemeulen

Martin Scorsese is vooral bekend van zijn misdaadfilms en biografieën. Met mannen in de hoofdrol. De vijf romantische drama’s, die hij maakte in de eerste helft van zijn carrière, zijn nagenoeg onderbelicht gebleven, maar blijken essentieel voor zijn ontwikkeling als filmmaker.

We zien Martin Scorsese’s onvoorwaardelijke liefde voor film al in zijn experimentele debuut Who’s That Knocking At My Door (1967), elk kwartier seks en geweld in Boxcar Bertha (1972), de originele flair van Alice Doesn’t Live Here Anymore (1974), het geflopte, maar artistiek sterke New York, New York (1977) en de ultieme verboden liefde in The Age of Innocence (1993).

Onvoorwaardelijke liefde voor film in experimenteel debuut
Het speelfilmdebuut van de toen 25-jarige Martin Scorsese is het product van enkele korte studentenfilms, de belangeloze medewerking van vrienden en familie (inclusief zijn moeder, die we nog terugzien in Goodfellas en Casino), zijn katholieke achtergrond en de drang om te experimenteren met vorm en beeldtaal.

Who’s That Knocking At My Door

Net als in het debuut van zijn vriend en mentor John Cassavetes, Shadows (1959), wordt in Who’s That Knocking At My Door (1967, alternatieve titel I Call First) een realistische, authentieke sfeer gecreëerd door middel van improvisatie, muziek en handheld camera’s. Net als John Cassavetes zou Martin Scorsese met zijn eersteling een stempel op de filmgeschiedenis zetten, maar de naam van laatstgenoemde beklijft meer door vooral diens technische vernuft en scenariokeuze.

Beide filmdebuten zijn romantische drama’s waarin de liefde tussen man en vrouw is gedoemd te mislukken. In Shadows betreft het een interraciale relatie die stuit op bezwaren van de directe omgeving, terwijl in Who’s That Knocking At My Door vooral afkomst en milieu problemen opleveren. J.R. (debutant Harvey Keitel, later nog te zien in Scorsese’s Mean Streets, Alice Doesn’t Live Here Anymore en Taxi Driver) is opgegroeid in de New Yorkse wijk Little Italy (net als Martin Scorsese) en verdeelt zijn tijd tussen zijn criminele vriendjes en onstuimige vrijpartijen met zijn geliefde, die uit een beter nest komt. De bom barst nadat hij verneemt dat zijn kersverse echtgenote voor hun huwelijk blijkt te zijn verkracht (door een van zijn vrienden).

Martin Scorsese’s liefde voor film druipt af van zijn debuut. J.R. versiert zijn vriendin met zijn uitgebreide filmkennis en tijdens een schietpartij zien we stills en foto’s van beroemde westerns. Net als veel grote regisseurs uit de filmgeschiedenis experimenteert Scorsese raak met cameraperspectieven, close-ups, overvloeiers, slow motion en montage. Zo worden er twee liedjes door elkaar heen gemixt en zien we hoe een deur tweemaal achter elkaar dichtslaat. Who’s That Knocking At My Door eindigt met een snel gemonteerde compilatie van overvloedige katholieke symboliek om J.R.’s schuldgevoelens te onderstrepen.

Seks en geweld in B-film
Die katholieke symboliek komt in Scorsese’s tweede film in volle glorie terug. Zo zien we in de finale van Boxcar Bertha (1972) iemand die, in navolging van Jezus, wordt gekruisigd. En buiten de set overhandigde Barbara Hershey, die de titelrol voor haar rekening neemt, aan Martin Scorsese een exemplaar van de roman The Last Temptation of Christ van Nikos Kazantzakis. Het werd een obsessie voor de regisseur, die het boek veertien jaar later zou verfilmen. Hershey, de enige vrouw die twee hoofdrollen in films van Scorsese speelt, kreeg de rol van Maria Magdalena.

Hoewel de New Yorker zijn vrouwelijke protagonisten vaak neerzet als heilige boontjes, meestal in maagdelijk wit, maken we met Boxcar Bertha al snel kennis met een vrijgevochten jonge vrouw. De film deinde mee op de golven van het immense succes van Bonnie and Clyde (1967), dat zowel het gangstergenre als Hollywood nieuw leven had ingeblazen, en losjes is gebaseerd op het leven van de Amerikaanse criminele activiste Bertha Thompson.

De legendarische B-filmproducent Roger Corman (die de carrières van veel beroemde regisseurs en acteurs lanceerde) gaf Martin Scorsese het script en eiste dat er elk kwartier seks en geweld te zien moest zijn. De regisseur stemde toe omdat hij wel wat zag in deze coming of age over twee mensen die zich aanvankelijk gedragen als pubers, maar door de omstandigheden van geweld en dood volwassen worden.

Boxcar Bertha

De liefdesgeschiedenis speelt zich af tijdens de Grote Depressie in Arkansas. Nadat haar vader is neergestort met zijn vliegtuigje springt Bertha (Barbara Hershey) in een treinwagon (boxcar) en ontmoet vakbondsactivist ‘Big’ Bill Shelly (David Carradine). Hij is een beetje te fanatiek in de ogen van de werkgevers, wordt in elkaar geslagen en belandt een paar keer in de gevangenis. Bertha schiet een rijkaard neer bij een gokruzie en vlucht samen met Bill. Ze vormen een bende en beroven de spoorwegeigenaar en zijn gasten.

In dit niet altijd even geslaagd gemonteerde verhaal zijn de thema’s vooral rechtvaardigheid en vrijheid. Zowel Hershey als Carradine zeiden in een interview dat alle seksscènes echt waren. Hoe dan ook lijkt de chemie tussen de twee in de film niet overdreven sprankelend, maar ze kregen wel snel hierna een zoontje. Leermeester John Cassavetes noemde de film ‘a piece of shit’ en een verspilling van Scorsese’s talent.

Originele flair
Door het nodige geëxperimenteer in zijn beginjaren kwam de regisseur vervolgens wel toe aan zijn eerste studiofilm, het baanbrekende Mean Streets (1973). Ook Alice Doesn’t Live Here Anymore (1974) plukt de vruchten van Scorsese’s ervaringen met zijn eerste twee speelfilms. Dit romantische drama is een vaak onterecht ondergeschoven kind in zijn oeuvre. Laat je niet afschrikken door de naam van Kris Kristofferson (hij gaat ook niet zingen), maar je overweldigen door het voortreffelijke scala van emoties van Ellen Burstyn, die voor haar titelrol zowel een Oscar als een Bafta mocht ontvangen.

Alice Doesn’t Live Here Anymore

De film begint met originele visuele flair: we zien de jonge Alice in Monterey, geheel gehuld in een vuurrode gloed. Gevolgd door de openingsscène 27 jaar later in New Mexico, prachtig opgenomen met een kraanshot over een diorama dat eindigt bij de volwassen Alice die in haar keuken zit. Ze doet haar best als echtgenote, maar echt fijn contact met haar wat onbeholpen man Donald is er niet. Ze doet ook haar best als moeder van hun elfjarige zoon Tommy, maar die is iets te vaak brutaal en grof in de mond. Dat laatste levert gedurende de film grappige dialogen op, want in hun gevatheid en streken zijn moeder en puberzoon erg aan elkaar gewaagd. Hun levens veranderen van de ene op de andere dag nadat Donald dodelijk verongelukt.

Alice Doesn’t Live Here Anymore weet de tijdgeest op een geweldige manier te vangen. De maatschappij is aan het veranderen, net als de rol van de vrouw. Welk een genot moet het zijn geweest om als filmmaker in die jaren te kunnen spelen met tradities en moderniteiten, met aanpassen aan of loslaten van normen, en het opkomen voor je onafhankelijkheid. In het geval van Alice gaat het in eerste instantie om de kost te kunnen verdienen: het liefst als zangeres, en als dat niet mocht lukken dan maar als serveerster.

Geleid door een goed scenario, waarvan het eind een paar keer werd aangepast omdat Burstyn liever geen happy end wilde, meeslepende regie en uitstekend spel van bijna iedereen (let ook op Harvey Keitel als opgewonden standje en de piepjonge Jody Foster als wijsneuzerige tomboy). Ook memorabel van deze enigszins feministische roadmovie is de chaotische en uiteindelijk pakkende finale in een vol restaurant.

Financiële flop, maar artistiek sterk
De finale van het romantische drama New York, New York (1977) – Scorsese’s eerbetoon aan de grote musicals (en jazzorkesten) van de jaren 40 en 50 – mondt uit in een Broadway-show waarmee de beroemde musicalster Liza Minnelli wel raad wist. Het overambitieuze project was de eerste (en samen met het recente Silence voorlopig enige) financiële strop voor Martin Scorsese die tijdens de opnames kampte met een amoureuze verhouding met de hoofdrolspeelster, een cocaïneverslaving en een haperende productiemachine.

New York, New York

Het scenario moest keer op keer worden herschreven (ook hier was een happy end uit den boze) en het bleek een hele toer om de oorspronkelijke tijdsduur van ruim vier uur tot een voor studio en publiek aanvaardbaar niveau terug te snijden. Desalniettemin is de sfeer authentiek, gesteund door een betoverend production design en geloofwaardige hoofdrolspelers.

Vanaf de festiviteiten om het einde van de Tweede Wereldoorlog te vieren, ontvouwt zich een moeizame liefdesrelatie tussen de ambitieuze saxofonist Jimmy (Robert De Niro) en de zangeres Francine (Liza Minnelli) die het zowaar schoppen tot een huwelijk en het lanceren van hun muzikale carrières.

Zowel Minnelli als De Niro zijn uitstekend op dreef en op hun plaats in New York, New York. Zij als aandoenlijk, maar zichzelf respecterend muurbloempje met haar grote ogen en rode lippen; hij als de irritante, sjacherende en obsessieve veroveraar die het allemaal niet zo slecht bedoelt. Hoewel de film soms wat in zijn breedvoerigheid uit de bocht vliegt, spat de romantiek – regelmatig improviserend – er wel degelijk van af.

De ultieme verboden liefde
Ook met het productieontwerp en de mise-en-scène van The Age of Innocence is niets mis. Het duurde echter jaren voordat Martin Scorsese kwam tot een kansrijke verfilming van het gelijknamige boek van Edith Wharton, omdat er andere projecten op zijn plank lagen en het beoogde budget van dertig miljoen dollar pas na veel geharrewar uiteindelijk door Colombia Pictures werd opgehoest. Het kostuumdrama, dat in 1993 werd uitgebracht, vertelt het verhaal van de ultieme verboden liefde en is opgedragen aan Scorsese’s vader Charlie, die een week voor de première overleed.

The Age of Innocence

Het geheel speelt zich af in de upperclass van New York in de jaren 70 van de negentiende eeuw. Een aristocratische advocaat (Daniel Day-Lewis) is voorbestemd om te gaan trouwen met een jong meisje, maar wordt verliefd op haar nicht, een exotische gravin (Michelle Pfeiffer), die van haar man wil scheiden. Maar in dit tijdperk van onschuld zit niemand op schandalen te wachten, dus is de kans op een daadwerkelijke romance ondenkbaar, ondanks alle hunkering en hartstocht.

De regisseur gebruikt veel kleuren om de emoties van de personages te benadrukken en licht bepaalde gebeurtenissen uit met zogenaamde iris shots. Bijvoorbeeld op het moment dat de advocaat en de gravin zich op een druk theaterbalkon bevinden, vervaagt langzaam het beeld om hen heen, terwijl nog slechts hun stemmen in het geroezemoes zijn waar te nemen, totdat ook dat verdwijnt en de twee totaal alleen in de drukte zijn.

Na zijn experimentele debuut in 1967 definieert Martin Scorsese een kwart eeuw later zijn onberispelijke visuele stijl en de kunst om met de camera intrigerende verhalen te schrijven. Je moet natuurlijk van het genre houden, maar The Age of Innocence is in feite de perfecte film. En dus ook het perfecte romantische drama. Want de weg naar de liefde is vaak nog mooier dan de liefde zelf – ook al word je van binnen verteerd door lot of spijt.

 

12 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE
 
 
MEER ESSAYS

De trieste, mooie wereld van Jim Jarmusch in 11 speelfilms

De trieste, mooie wereld van Jim Jarmusch in elf speelfilms (deel 1)

Jim Jarmusch

Jim Jarmusch observeert al 35 jaar lang buitenbeentjes, die belanden in bizarre, droogkomische situaties en dialogen. Met vaak minimale middelen, lange shots en deskundige aandacht voor de populaire cultuur. Zijn twaalfde speelfilm is Paterson (Nederlandse première 9 februari), een eenvoudig liefdesverhaal over een dichtende buschauffeur waarin elke nieuwe dag net even anders is dan de dag daarvoor. Het trieste, maar mooie universum van het icoon van de onafhankelijke Amerikaanse cinema in elf speelfilms. Deel 1.

door Cor Oliemeulen

1. – Permanent Vacation (1980)

Deze afstudeerfilm schetst al duidelijk de contouren van het minimalistische – door ogenschijnlijke nietsnutten bevolkte – universum waarmee Jim Jarmusch zich als onafhankelijk filmmaker op de kaart zou zetten. Een jonge jazzliefhebber dwaalt doelloos rond in een bijna uitgestorven New York vol rotzooi, hopen steen en graffiti. De spontane diefstal van een auto verschaft de coole punker de mogelijkheid om zijn heil elders te zoeken. Mooie zwart-wit fotografie van medestudent Tom DiCillo en gemaakt met een schamel budget van vijftien mille.

Jarmusch’ debuutfilm kon mede tot stand komen door regisseur Nicolas Ray (Rebel Without a Cause, 1955). Hij stelde de filmstudent aan als zijn persoonlijke assistent tijdens de productie van Lighting Over Water, de documentaire over zijn terminale longkanker die (de stug door rokende) Ray maakte met Wim Wenders. Toen Jarmusch zijn eerste filmscript aan Ray had voorgelegd, stuurde deze hem terug omdat er te weinig in actie in zat. Na wat aanpassingen bleek er nóg minder actie in het verhaal te zitten, waarmee hij Nicolas Ray overtuigde van zijn eigenzinnige talent.


 

2. – Stranger Than Paradise (1984)

Shadows betekende in 1959 de doorbraak van de eerste grote onafhankelijke filmmaker, John Cassavetes. Precies 25 jaar later was Stranger Than Paradise van Jim Jarmusch een nieuwe mijlpaal in de independent cinema. In tegenstelling tot het grotendeels geïmproviseerde debuut van Cassavetes volgen de protagonisten in Jarmusch’ doorbraakfilm nauwgezet het zelfgeschreven script. De werkeloze hippe post-punker Willie (John Lurie, die ook de muziek schreef) krijgt tegen zijn zin zijn nichtje Eva uit Boedapest te logeren. Aangekomen in New York verbaast zij zich over Willie’s levensstijl en eetgewoonte. Eva: “Waarom heet het een TV diner?” Willie: “Je wordt geacht het te eten als je tv kijkt.” Als Eva na een aantal dagen vertrekt naar haar tante in Cleveland vindt Willie dat toch wel jammer, want ze hebben immers samen veel tv gekeken en sigaretten gerookt.

Een jaar later besluit Willie om samen met zijn vriend Eddie per geleende auto af te reizen naar Cleveland, waar Eva in een fastfoodtent werkt. Hoewel het er steenkoud is verzucht Eddie: “Da’s gek. Je komt op een heel nieuwe plaats en alles ziet het er hetzelfde uit.” Het drietal besluit impulsief naar het warme Florida te rijden. Stranger Than Paradise is uiterst sfeervol gefilmd, kent talrijke droogkomische scènes en voelt als een beatnikfilm: ‘on the road’, maar verstoken van filosoferen, seks en drugs. De invloed van de door Jim Jarmusch bewonderde minimalistische filmmakers Yasujiro Ozu en Robert Bresson is waarneembaar.


 

3. – Down by Law (1986)

De zompige sfeer in Down by Law wordt bepaald door cinematograaf Robby Müller, vooral bekend vanwege zijn oogstrelende fotografie voor een aantal films van Wim Wenders (Im Lauf der Zeit, Der Amerikanische Freund, Paris Texas). Müller zou in nog vier andere films van Jim Jarmusch de plaatjes schieten. Ook John Lurie is weer van de partij (muziek en hoofdrol). Hij speelt de pooier Jack die een vrouw krijgt ‘aangeboden’, maar als hij ter plaatse gaat kijken wat voor vlees hij in de kuip heeft, blijkt er een wel heel jong meisje naakt in bed te liggen. Jack wordt onmiddellijk in de boeien geslagen. Ondertussen zwicht elders in de stad de lanterfantende DJ Zack (Tom Waits) voor een lucratief aanbod om een gestolen auto af te leveren, maar ook hij wordt er in geluisd.

Jack en Zack belanden samen in een cel en krijgen gezelschap van de Italiaanse spraakwaterval Roberto (Roberto Benigni). De droogkloterige dialogen en Roberto’s overspannen, positief bedoelde fratsen – hij tekent een raam op een celmuur zodat ze naar buiten kunnen kijken en zingt luidkeels ‘I scream, you scream, we all scream for ice cream’ met vet Italiaans accent – kunnen op de zenuwen gaan werken. Gelukkig lukt het om te ontsnappen, maar het trio verdwaalt in een uitgestrekt moerasgebied. Als in een droom belanden ze uiteindelijk in een afgelegen eethuisje en bloeit er een spontane romance op met de mooie eigenaresse (Nicoletta Braschi). Benigni was tijdens de opnames van Down by Law voor het eerst in Amerika en zou beroemd worden door zijn rol in het komische Holocaust-drama La vita è bella (1997), opnieuw met Braschi aan zijn zijde.


 

4. – Mystery Train (1989)

Quentin Tarantino had vast het doldwaze Mystery Train gezien voordat hij zijn eerste films ging maken. De symbiose van drie verhalen die zich grotendeels afspelen in een hotel in Memphis (waar de geest van Elvis rondwaart), de zwarte humor, quasi-intellectuele discussies over de popcultuur, hippe muziek uit voorbije jaren en een pistool dat per ongeluk afgaat – met Mystery Train bewijst Jim Jarmusch zijn oorspronkelijke narratieve talent. Bovendien kon het personage van Steve Buscemi met minimale aanpassingen zó in Tarantino’s Reservoir Dogs (1992) en andere meesterwerken als Fargo (1996) en The Big Lebowski (1998) van de Coen Brothers.

Alle rollen in Mystery Train zijn meesterlijk en vooral gortdroog. Allereerst maken we kennis met een Japans koppel (het meisje is gek van Elvis, de jongen idolaat van Carl Perkins) dat voor het eerst in Amerika is. Zij: “Waarom heb je altijd zo’n serieus gezicht?” Hij: “Ik ben gelukkig; dit is hoe mijn gezicht is.” En: “Memphis is eigenlijk net als Yokohama, maar er staan hier minder gebouwen.” In het tweede verhaal botst een welgestelde Italiaanse vrouw letterlijk tegen een praatziek meisje dat is gedropt door een dronken Brit (Joe Strummer, frontman van The Clash), die we in het derde verhaal ‘trigger happy’ terugzien. En wat te denken van de subtiele mimiek van Screamin’ Jay Hawkins als de in rood pak gestoken hotelklerk en Tom Waits die we driemaal om twee uur ’s nachts op de wekkerradio ‘Blue Moon’ horen aankondigen? (Notabene: Hawkins’ klassieker ‘I put a spell on you’ is een leidmotief in Stranger Than Paradise.)


 

5. – Night on Earth (1991)

Het leuke van scènes in een taxi is dat chauffeur en passagier elkaar (waarschijnlijk) maar eenmaal in hun leven ontmoeten, waardoor de bekentenissen voor het oprapen liggen. De kijker is getuige van vijf taxiritten in Amerikaanse en Europese steden op hetzelfde moment. Steden die Jim Jarmusch eerder bezocht, dus voor elk avontuur wist hij al met welke sfeershots hij elke scène wilde beginnen. Verwacht geen toeristische trekpleisters, maar eerder plaatjes van gevels, reclameborden, auto’s, rotzooi, graffiti en aanzet tot verval, zoals we die kennen uit zijn vorige films. Net als de onderkoelde humor en oprechte emotie (als er al sprake van emotie is).

Op een vliegveld in Los Angeles pikt een sjofele, kettingrokende taxichauffeur (Winona Ryder) een casting director (John Cassavetes-muze Gene Rowlands) op. Er volgt een gesprek over de verwachtingen des levens en een aanbod dat vriendelijk wordt afgeslagen. Hierna maken we in New York kennis met een Oost-Duitse chauffeur (Armin Mueller-Stahl) die niet kan rijden, zodat zijn passagier het stuur overneemt. In Parijs heeft Isaach De Bankolé een blinde vrouw op de achterbank en veroorzaakt een aanrijding omdat hij niet goed uit zijn doppen kijkt. In Rome vertelt Roberto Benigni zijn seksuele escapades aan een priester en heeft hij met zijn ADHD niet in de gaten dat de geestelijke op de achterbank langzaam bezwijkt. En in de sneeuw van Helsinki ontroert een taxichauffeur (Matti Pellonpää) zijn drie dronken passagiers met een droevige herinnering. Niet alle segmenten zijn even sterk, maar het format van Night on Earth is origineel en zien we heden ten dage nog terug in films en tv-programma’s.


 

6. – Dead Man (1995)

In zijn essay ‘Pillen en Pistolen’ noemt Alfred Bos Dead Man een ‘honderd procent acid western’. “Alles aan deze film is subversief. Het is een in zwart-wit gedraaide vertelling over een man die rondloopt met een kogel naast zijn hart en in feite al dood is, gespeeld door een Hollywood-ster, in een genre dat op dat moment al jaren passé is. Veel meer afstand van de Hollywood-orde kun je als onafhankelijke Amerikaanse filmmaker niet nemen.”

Die afstand komt vooral tot uiting in de genuanceerde zwart-wit fotografie van Robby Müller. Aangezien het hoofdpersonage (de reïncarnatie van dichter William Blake?), langzaam afstand neemt van alles waarmee hij is opgegroeid, kun je beter zwart-wit beelden tonen dan kleur, omdat kleur sneller associaties uit het verleden oproept. Bovendien speelt het verhaal zich af in de negentiende eeuw, dus schept zwart-wit meer historisch kader. En aangezien Jim Jarmusch vond dat de kleuren van de meeste westerns uit de jaren 50 en 60 erg op elkaar lijken, wilde hij liever de sfeer van een Akira Kurosawa-film dan van een Sergio Leone-western. Dead Man is niet alleen subversief, maar vooral bizar, absurd en geleidelijk aan psychedelisch. De begeleidende gitaarklanken zijn van Neil Young, die twee jaar later door Jarmusch zou worden gevolgd in de documentaire Year of the Horse.

 

4 februari 2017

 
‘De trieste, mooie wereld van Jim Jarmusch in elf speelfilms’ (deel 2)
 

Alle leuke filmlijstjes

5 films van ‘onbekende’ Marco Bellocchio

Vijf films van ‘onbekende’ regisseur Marco Bellocchio

Vincere

Op de laatste golven van het Italiaanse Neorealisme ontstond in de jaren 60 een dynamiek die zowel de filmwereld als de maatschappij wakker schudde. In het cinematografische geweld van Fellini, Antonioni, Bertolucci en Pasolini is Marco Bellocchio relatief onbekend gebleven. Onterecht. Ruim een halve eeuw na zijn regiedebuut gaat deze week Sweet Dreams (Fai bei sogni) in première. Vijf opvallende films uit zijn oeuvre.

Samenstelling: Cor Oliemeulen

1. – Fists in the Pocket (I pugni in tasca, 1965)

De eerste speelfilm van Marco Bellocchio is vaak aangemerkt als een van de betere regiedebuten in de filmgeschiedenis. We volgen de belevenissen van een disfunctionele familie, wat nog iets nieuws was in die dagen. Een blinde moeder, die niet bij machte is om het huishouden in goede banen te leiden, en vier kinderen die in meer of mindere mate epileptisch zijn. Het plot draait om de jonge, onrustige en impulsieve Alessandro (onvergetelijke rol van de Colombiaanse Zweed Lou Castel, in het Italiaans gedubd) die zijn oudste broer Augusto denkt te kunnen ontlasten door hun moeder en hun zwakzinnige broer om te brengen. Ook Alessandro’s haat-liefdeverhouding met zijn mooie zus Giulia (Paola Pitagora) is opmerkelijk: soms lijkt het alsof ze meer zijn dan broer en zus. Realistisch gefilmd (veel medium shots in de stijl van de Franse Nouvelle Vague), veelal tragische klanken van Ennio Morricone (in het zelfde jaar maakte hij de soundtrack van For a Few Dollars More) en een slotakte die discussie uitlokt.


 

2. – China is dichtbij (La Cina è vicina, 1967)

La Cina è vicina’ kalkt een groepje jonge maoïsten ’s avonds op een stadsmuur, terwijl ze worden betrapt door een politieagent op een fiets. Of hij nu wil of niet, de functionaris verdwijnt met wat bankbiljetten in zijn zakken, want tegen zoveel verbale bluf is hij niet bestand. Marco Bellocchio, toen nog actief lid van een marxistische partij in Italië, maakte met China is dichtbij een satire over politieke idealisten in een conservatieve omgeving en schroomt niet tegen wat heilige huisjes aan te leunen. Ondertussen maken we kennis met een professor die leider van de socialistische partij wil worden en zijn rijke zus die met jan en alleman de koffer induikt. De film ontaardt in een rommelige zedenschets op zijn Italiaans, waarin en passant het taboe rond abortus wordt doorbroken. Het meest memorabel is de geestige scène waarin een bedlegerige priester zich laat toezingen door een koortje jochies en de finale waarin de twee hoofdrolspeelsters zwangerschapsoefeningen met een voetbal doen.


 

3. – Sbatti il mostro in prima pagina (1972)

Met zijn belangstelling voor filosofie en politiek activisme heeft Marco Bellocchio veel oog voor de maatschappelijke turbulentie in het Italië van de jaren 70. Sbatti il mostro in prima pagina begint met minutenlange authentieke beelden van een oproer van ‘antifascisten’ in Milaan. We worden direct in een fascinerend drama getrokken nadat er vlak voor de verkiezingen molotovcocktails in het pand van het rechts-populistische dagblad Il Giornale belanden. De moord op de 17-jarige dochter van een gerespecteerde professor zal de politieke schermutselingen al snel een extra dimensie bieden. Aanvankelijk ziet de hoofdredacteur van de krant, Bizanti (Gian Maria Volontè), een prima gelegenheid om de losse verkoop op te schroeven: “Als Italiaanse moeders willen huilen, dan zullen ze huilen.” Maar wanneer hij zich realiseert dat een afgewezen vriend van het vermoorde meisje een linkse radicaal is, heeft hij de ideale dader en een prima instrument in handen om de verkiezingen te beïnvloeden. In het symbolische eindshot zien we een kanaal in de stad dat langzaam wordt vervuild met allerlei troep.


 

4. – Biongiorno, Notte (2003)

Naast zo’n 25 speelfilms maakte Bellocchio een aantal korte films én documentaires. In Sogni Infranti (1995) interviewt hij gedesillusioneerde leden van de Rode Brigades, vooral bekend van de geruchtmakende ontvoering van Aldo Moro in 1978. In 2003 volgde een historisch drama: Biongiorno, Notte. De kidnapping van de christendemocratische minister-president, waarbij drie politiemannen en twee bodyguards werden doodgeschoten, bracht het land in een toestand van shock. We volgen de vier kidnappers, één vrouw en drie mannen, vanaf het huren van een appartement waar Aldo Moro gevangen wordt gehouden tot het wegvoeren van de politicus bijna twee maanden later nadat volgens Proletarisch Recht doodstraf is gevonnist. Terwijl de extremisten hopen dat de arbeiders nu wel in opstand zullen komen tegen de heersende klasse, ziet het overgrote deel van de bevolking de Rode Brigades als ordinaire moordenaars. De spanning van de film zit hem in de psychologie tussen de kidnappers en Moro, en de kidnappers onderling. De toon verandert als de staatsman een ‘mens’ blijkt, maar de ‘arbeidersrevolutie kan geen gevoelens gebruiken’. Sfeervol door droombeelden van de vrouwelijke terrorist en tracks van Pink Floyd, zoals het hartverscheurende The Great Gig in the Sky.


 

5. – Vincere (2009)

Dit donkere melodrama wordt vaak beschouwd als Marco Bellocchio’s beste film. Hij gaat over de opkomst en glorietijd van dictator Benito Mussolini, bezien door de ogen van Ida Dalser, met wie hij in 1914 een hartstochtelijke liefdesrelatie en een zoon kreeg. Ida is idolaat van Benito en hangt aan zijn lippen als hij zijn politieke overtuigingen verkondigt. Zij verkoopt al haar bezittingen, zodat hij een krant kan beginnen. Maar dan blijkt dat Mussolini al getrouwd is en een kind heeft. Ida wordt aan de kant geschoven en opgesloten in een psychiatrische inrichting, terwijl hun zoon wordt ontvoerd en eveneens in een gesticht belandt. Ida zal heel haar leven blijven beweren dat zij getrouwd was met de dictator, maar dit is zowel in de film als in werkelijkheid nooit bewezen. Bellocchio maakte met Vincere een intrigerend historisch drama over een bruut die machtiger dan Napoleon wilde worden. En zoals vaker wisselt de Italiaanse cineast soepel tussen somber stemmende realiteit, archiefbeelden en korte droomsequenties. Glansrol van Giovanna Mezzogiorno, vorig jaar nog te zien in een filmadaptatie van Het Diner van Herman Koch, I Nostri Ragazzi.

 

29 december 2016

 

Alle leuke filmlijstjes

De 10 beste actrices?

De 10 beste actrices estafette-race

door Cor Oliemeulen

Weinig mensen zo fanatiek als het gaat om het maken van lijstjes als John Cusack in High Fidelity. Net bekomen van het samenstellen van de beste films van 2016, werd ik uitgenodigd door Nico van den Berg van Cine. De Filmkijker had het idee opgevat om als gezamenlijke filmbloggers een top 10 van beste actrices samen te stellen. Je laat er negen staan en vervangt één actrice door je eigen favoriet.

Dat blijkt een hele klus, want het liefst zou ik in een milde bui al zeker vier namen willen schrappen en zonder veel aarzeling vervangen door Jeanne Moreau, Hanna Schygulla en Liv Ullmann, tezamen goed voor tientallen films waarin zij de sterren van de hemel spelen. En dan is er nog een Amerikaanse actrice die sowieso thuishoort in de eregalerij van beste actrices uit de filmgeschiedenis, wat mij betreft nog eerder dan Katharine Hepburn, Elizabeth Taylor, Vivien Leigh, Claudette Colbert en zelfs Lillian Gish, de onbetwiste koningin van de zwijgende film.

Maar goed, regels zijn regels. En ik wil degene die mij het estafettestokje heeft aangereikt niet voor het hoofd stoten door zijn gerespecteerde inbreng direct naar de vergetelheid terug te verwijzen. Dat is mijn regel. Ik begin met de negen actrices die mogen blijven en eindig met mijn favoriet.

Wie moet weg? Natalie Portman – een actrice die als 12-jarige haar beste rol speelde (Léon) en wat mij betreft altijd redelijk eendimensionaal is gebleven – doet mij echt pijn aan de ogen in de lijst tot nu toe. Dus Natalie drop ik met genoegen, waarmee ik hopelijk de filmbloggers na mij gaarne een dienst bewijs.

 

1 – Cate Blanchett

Prachtige actrice natuurlijk, die mij uitermate beviel in Elizabeth en I’m Not There en flink wist te ontroeren in Blue Jasmine en Carol. Toch heb ik bij haar altijd het idee dat er nog veel meer inzit.

Cate Blanchett

2 – Audrey Hepburn

Alleen al als stijlicoon door Breakfast at Tiffany’s en haar onweerstaanbare charme in Roman Holiday en My Fair Lady maakt van Audrey Hepburn hopelijk een blijvertje.

Audrey Hepburn

3 – Isabelle Huppert

De meeste voorgangers roemden terecht één van de beste Franse actrices van de laatste vier decennia. Hoort door haar grote verscheidenheid aan rollen en mysterieuze sensualiteit misschien wel eerder in het rijtje thuis dan klassieke schoonheid Catherine Deneuve. Misschien dan.

Isabelle Huppert

4 – Annie Bos

Annie Bos, wie kent haar niet? Uh, ík, zal ik eerlijk bekennen. Echter het pleidooi van de vorige estafetteloper maakt wel nieuwsgierig en maakt Annie bij voorbaat interessanter dan ‘onze’ eerste bekende acteur, Lou Tellegen.

Annie Bos

5 – Julianne Moore

Relatief laat doorgebroken speelt ze in bijna al haar films oerdegelijk. Er zijn bovendien weinig actrices die zo geloofwaardig kunnen snotteren.

Julianne Moore

6 – Maggie Smith

Je staat niet voor niets in zo’n lijst, maar smaken verschillen. Als we toch al een oudere Britse actrice moeten kiezen ga ik voor Vanessa Redgrave, gevolgd door Helen Mirren en Judi Dench.

Maggie Smith

7 – Tilda Swinton

Tilda Swinton schijnt haar films en regisseurs bewust uit te kiezen, en dat is waarschijnlijk wederzijds. Voor mij te ongrijpbaar om altijd te kunnen bekoren, hoewel ik haar nog steeds het meest gelaagd vind in We Need To Talk About Kevin.

Tilda Swinton

8 – Kate Winslet

Wie houdt er nou niet van Kate? Echt zo’n actrice die ik graag volg vanaf het allereerste begin: Heavenly Creatures. Leuk, spontaan, aandoenlijk en als het mag verrassend geestig, bijvoorbeeld in het heerlijk opgebouwde Carnage.

Kate Winslet

9 – Marilyn Monroe

Haar mentor Lee Strasberg (de man die ‘method acting’ in Amerika introduceerde) noemde Marilyn Monroe eens zijn beste leerling. Zou ik ook hebben gezegd als ik hem was! Het best en meest geliefd als vrolijk dom blondje (The Seven Year Itch en Some Like It Hot) hoort ze alleen al vanwege haar legendarische status thuis in deze lijst.

Marilyn Monroe

10 – Bette Davis

Dat geldt absoluut voor Bette Davis, een actrice die ik aanvankelijk alleen maar kende van het volgende liedje:

She’ll tease you
She’ll unease you
Just to please you
She’s got Bette Davis eyes

Na mijn kennismaking met deze op en buiten de set pittige dame, was ik snel verkocht. Eén van de grote sterren in het Hollywood van de jaren 30 en 40. Een authentieke doorzetter pur sang en de vrouw die door haar strijd tegen de machtige filmstudio’s in Hollywood de weg baande voor alle actrices na haar. Verpletterend in drama’s als Of Human Bondage, Jezebel, The Old Maid, The Letter, The Little Foxes en Mr. Skeffington (nog steeds een van de beste films waarin het ouder worden aankomt als een mokerslag).

De som van al haar acteerervaring en levenslessen komt samen in een oprecht en onvergetelijk portret van een actrice die (volgens velen ook zelf als actrice) over haar hoogtepunt heen is: All About Eve (1950, Bette Davis is dan 41). Zeer gevat, onderzoekende blik, wilskrachtig en kwetsbaar tegelijk: een actrice op wie je alleen maar verliefd kunt worden. Het is en blijft een van de sterkste vrouwenrollen in de filmgeschiedenis.

Ik draag het estafettestokje graag over aan Bob van der Sterre.

22 december 2016

 

 


MEER LEUKE FILMLIJSTJES

5 films waarin iemand met een bijl een deur aan diggelen slaat

Vijf films waarin iemand met een bijl een deur aan diggelen slaat

Seed of Chucky

De bijlscène met Jack Nicholson in The Shining is iconisch. Toch is dit niet de eerste – en de laatste – keer dat iemand met een bijl een deur aan diggelen slaat.

Samenstelling: Cor Oliemeulen

1. – The Shining (Stanley Kubrick, 1980)

De scène is meer dan eens het meest griezelige fragment uit de filmgeschiedenis genoemd: Jack Nicholson slaat in The Shining met een bijl een badkamerdeur aan gruzelementen, steekt zijn hoofd in het gat en roept ‘Here’s Johnny!’ In deze adaptatie van het gelijknamige boek van Stephen King speelt Nicholson de conciërge van een ingesneeuwd hotel in de Rocky Mountains die tijdens de wintermaanden, waarin er geen gasten zijn, de verwarmingsinstallatie moet onderhouden.

Terwijl hij een boek probeert te schrijven, zijn zoontje geesten ziet en zijn vrouw eenzaam is, raakt de conciërge in de ban van een moordpartij die zich jaren geleden in het hotel heeft afgespeeld en slaan bij hem uiteindelijk de stoppen door. Voor deze beroemde scène werd een extra stevige deur gebruikt, omdat Nicholson, die destijds actief was bij de vrijwillige brandweer, het originele exemplaar te snel had verbrijzeld.

 

2. – Körkarlen (Victor Sjöström, 1921)

Stephen King was niet te spreken over Kubricks verfilming, met name de afloop van de film was in het verkeerde keelgat geschoten. Ook is er in het boek geen sprake van een bijl maar van een croquethamer. In een interview liet Kubrick zich ontvallen dat de bijlscène een ode is aan de vader van de Zweedse cinema, Victor Sjöström. Het fragment met de bijl lijkt inderdaad verdacht veel op een sleutelscène uit de stomme horrorfilm Körkarlen (The Phantom Carriage).

Ook die film is een bewerking van een gelijknamig boek, in dit geval van Selma Lagerlöf, de eerste vrouw die de Nobelprijs voor de Literatuur won. Het baanbrekende Körkarlen (Sjöström maakte al gebruik van overvloeiende beelden en flashbacks in flashbacks) volgt Georges. Hij is de laatste persoon die sterft tijdens Oudjaar en heeft als taak het komende jaar de zielen van alle overledenen op te halen met zijn rijtuig. Zo komt hij terecht bij zijn zojuist overleden vriend David en brengt hem terug in de tijd. David blijkt alcoholist en is in een agressieve bui door zijn vrouw Anna opgesloten in de keuken. Gelukkig voor hem ligt daar een bijl.

 

3. – Broken Blossoms or The Yellow Man and the Girl (D.W. Griffith, 1919)

Alcohol en bijlen gaan ook niet goed samen in de allereerste speelfilm waarin iemand zich met een bijl toegang verschaft tot een andere ruimte. In het klassieke melodrama Broken Blossoms van de Amerikaanse filmpionier D.W. Griffith en zijn muze Lillian Gish (dit succesvolle koppel kwam eerder ruimschoots aan bod in Vijf melodrama’s uit de oude doos) gaat een alcoholistische vader zwaar door het lint als hij merkt dat zijn dochter (Gish) een relatie met een Chinese jongen heeft. De deur van de kast waarin zij zich heeft opgesloten blijkt in de verste verte niet bestand tegen het brute geweld van haar vader, een notoire prijsvechter.

Niks geen happy ending: de finale van Broken Blossoms is mogelijk de meest sentimentele en ontroerende uit het tijdperk van de stomme film.

 

4. – Seed of Chucky (Don Mancini, 2004)

Sommige klassieke filmscènes schreeuwen om parodieën. Neem nu Chucky, de roodharige pop uit de Child’s Play-serie, die in 1988 in het leven kwam van het jongetje Andy en die bezeten bleek te zijn van de ziel van een seriemoordenaar. In deze horrorkomedie – bedacht en geschreven door Don Mancini, die zelf Seed of Chucky regisseerde – hakt het hoofdpersonage met hetzelfde bijltje.

Ook dit vijfde deel van de franchise is voer voor liefhebbers van creepy onzin. Zo zien we ‘The Pope of Trash’ John Waters als fotograaf, Britney Spears die wordt vermoord en zowaar een masturberende Chucky. Wanneer Chucky zijn hoofd in het vermorzelde gat van de deur steekt, weet hij niet meer wat hij moet roepen.

 

5. – Finding Nemo (Andrew Stanton, 2003)

In een animatiefilm over Nemo verwacht je niet direct een geweldsuitbarsting. Maar als het lieve clownsvisje uit nieuwsgierigheid het vredige leven in het Groot Barrièrerif achter zich heeft gelaten, ligt het gevaar in de grote open zee al snel op de loer.

Samen met de blauwe doktersvis Dory gaat vader Marlin op zoek naar Nemo, die uiteindelijk zal belanden in het aquarium van een tandarts in Sidney. In hun zoektocht naar Nemo ontmoeten Marlin en Dory drie haaien, die beweren dat ze vegetariërs zijn, maar wel agressief worden nadat Dory een bloedneus heeft opgelopen. De gevaarlijkste haai, Bruce, schroomt niet om zijn kop als bijl te gebruiken.

 

5 juni 2016

 

Alle leuke filmlijstjes

5 melodrama’s uit de oude doos

Vijf melodrama’s uit de oude doos

Sunrise

Bij een melodrama wordt vaak gedacht aan een film met een bedenkelijk niveau: een voorspelbaar verhaal over stereotiepe personages waarin een strijkorkestje de emoties versterkt. Dat is lang niet altijd terecht. Muziek speelt inderdaad een wezenlijke rol in dit theatrale genre, met name in de allereerste fantastische filmklassiekers waarin nog niet werd gesproken.

Samenstelling: Cor Oliemeulen

1. – Way Down East – (D.W. Griffith, 1920)

Birth of a Nation van D.W. Griffith gold in 1915 als het vertrekpunt van de Amerikaanse filmgeschiedenis. Nieuwe montagetechnieken, camerabewegingen, massascènes, actieshots, dramatische close-ups én het geweldige melodramatische acteren van Lillian Gish leverde Griffith de bijnaam ‘De vader van de filmgrammatica’ op en Gish de titel ‘First Lady of American cinema’. Het duo, dat het ook op persoonlijk vlak goed met elkaar kon vinden, maakte nog meer noemenswaardige films.

Way Down East (1920) was een van Griffiths duurste en succesvolste films. Het verhaal gaat over de arme Anna die trouwt met de rijke Lennox, echter het blijkt een nephuwelijk. Anna komt alleen te zitten met een baby, die overlijdt. Ze vindt werk als huishoudhulp bij een boer, wiens zoon David haar wel ziet zitten, maar Anna wil hun liefde niet opzadelen met haar verleden. Als een roddeltante de boer over Anna’s verleden vertelt, vlucht ze de sneeuwstorm in en valt ze uitgeput op een op hol geslagen ijsschots. De grote vraag is of David haar kan redden voordat Anna in een waterval naar beneden stort. De opzwepende orkestratie in deze bloedstollende finale maakt van Way Down East een van de eerste geweldige klassieke melodrama’s.

 

2. – Orphans of the Storm – (D.W. Griffith, 1921)

In een zwijgende film gebeurt het acteren meestal met grote gebaren omdat er nog niet hoorbaar werd gesproken. In de vroege films van Griffith is sprake van Victoriaans melodrama. Dat wil zeggen: stereotiepe karakters: vaak een slimme gemenerik en een dommige held én bijna altijd een dame in nood. Lillian Gish was de belichaming van zo’n damsel in distress.

In Orphans of the Storm (1921) spelen Lillian Gish en de oudere Dorothy Gish ook zusjes. Als wezen groeien ze op aan de vooravond van de Franse Revolutie. Helaas wordt één van de meisjes blind en worden ze voor lange tijd van elkaar gescheiden. De blinde zus belandt bij een boze vrouw die haar dwingt te bedelen, de ander wordt gevangen gehouden door een aristocraat. Het moment dat de zussen elkaar op een dag weer signaleren is hartverscheurend en ongekend melodramatisch: de een schreeuwt vanaf het balkon, de ander hoort dat beneden op straat en raakt buiten zinnen, maar helaas wordt hen de weg versperd en kunnen ze elkaar na al die tijd niet omhelzen. De guillotine fungeert uiteindelijk voor één van de zussen als eindpunt.

 

3. – Foolish Wives – (Erich von Stroheim, 1922)

De extravagante geboren Oostenrijker Erich von Stroheim werd regieassistent van D.W. Griffith, maar bleek al snel ambitieus genoeg om zelf films te gaan maken. In zijn eerste wezenlijke drama speelt hij zelf de hoofdrol van een oplichter die zich in de Monegaskische jetset voordoet als Russische aristocraat. Met een zielig verhaal probeert hij geld van een Amerikaanse diplomatenvrouw af te troggelen. Von Stroheim, die naar zeggen moeilijk werkelijkheid van fantasie kon onderscheiden en in zijn privéleven regelmatig rond paradeerde als het personage uit zijn film, maakte met Foolish Wives de duurste film die tot dan toe was gemaakt. De protagonist, die naast bedrieger ook een enorme lafaard blijkt, krijgt gelukkig zijn verdiende loon.

Dreef Von Stroheim met de buitensporige aankleding (hij liet in de studio’s het casino van Monte Carlo nabouwen) de bazen van filmmaatschappij Universal tot waanzin, met zijn monumentale drama Greed (1924) zou hij zijn megalomane persoonlijkheid onderstrepen: een film met een lengte van negen uur (!) vond men wel al te gortig.

 

4. – The Crowd (King Vidor, 1928)

Met The Crowd (1928) maakte King Vidor de hooggespannen verwachtingen na het succes van de grensverleggende oorlogsfilm The Big Parade meer dan waar. De sleutelscène halfweg is te melodramatisch voor woorden, maar wél zeer geloofwaardig, ijzersterk geacteerd en belangrijk voor het vervolg van de schrijnende liefdesgeschiedenis.

We volgen de levenswandel van de op de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag van 1900 geboren John waarop zijn vader hem een gouden toekomst voorspelt. Niets is minder waar. Als hij zijn heil zoekt in New York om het te gaan maken, blijkt John één van de zeven miljoen zielen en lukt het hem niet om uit te stijgen boven de massa (de crowd). Vidor legt Johns anonimiteit vast met enkele inventieve, vernieuwende cameratechnieken, zoals in de beroemde scène waarin we John zien zitten achter zijn bureau en de camera van bovenaf langzaam uitzoomt, zodat we uiteindelijk honderden werknemers in de immense ruimte achter hun bureau waarnemen. In The Crowd leidt prachtig tranentrekkende misère tot oprechte liefde en toewijding.

 

5. – Sunrise: A Song of Two Humans – (F.W. Murnau 1927)

Nadat hij enkele hoogtepunten van het Duits Expressionisme had afgeleverd, zoals Nosferatu (1922), Der Letzte Mann (1924) en Faust (1926) stak F.W. Murnau de Atlantische Oceaan over om in Amerika met behulp van een groot budget en volledige artistieke vrijheid een van de mooiste films uit het stomme tijdperk te maken: Sunrise: A Song of Two Humans (1927).

Door de artistieke hoogstandjes op het gebied van montage en belichting, alsook de rake sfeertekeningen, zou je bijna vergeten hoe fantastisch tijdloos Sunrise is. Een jonge boer laat zich verleiden door een femme fatale uit de stad om zijn vrouw te vermoorden tijdens een boottochtje en het op een ongeluk te laten lijken. Het conflict mondt uit in een meeslepend drama waar angst en schuld langzaam vervagen en waar de liefde en romantiek vanaf spatten. Met de regisseur liep het overigens niet zo goed af: Murnau maakte nog twee films voordat hij in 1931 omkwam bij een auto-ongeluk.

 

5 juni 2016

 

Alle leuke filmlijstjes