Film by the Sea 2021 – The Truth About La Dolce Vita

Film by the Sea 2021 – The Truth About La Dolce Vita:
Geen obstakel te hoog voor Fellini’s filmklassieker

door Cor Oliemeulen

Tijdens de 23ste editie van Film by the Sea in Vlissingen staan zowel oude als nieuwe films op het programma. Wij blikken vooruit met twee documentaires over Federico Fellini. In dit eerste deel een bespreking van The Truth About La Dolce Vita over de moeizame ontstaansgeschiedenis van deze beroemde klassieker. Centraal in het relaas staat producer Giuseppe “Peppino” Amato.

Giuseppe Amato (1899-1964) was een belangrijke Italiaanse schrijver/producer die veel samenwerkte met de regisseurs Vittorio De Sica (hoogtepunt Ladri di biciclette uit 1948) en Federico Fellini (hoogtepunt La Dolce Vita uit 1960). In The Truth About La Dolce Vita (2020) zien we hem bijna ten einde raad moederziel in een filmzaaltje waar hij moet constateren dat Fellini’s La Dolce Vita nog steeds maar liefst vier uur lang is (de internationale filmdistribiteurs vinden drie uur het maximum) en omdat zijn co-producer Angelo Rizzoli ermee wil kappen, want de opnamekosten rijzen steeds verder de pan uit.

The Truth About La Dolce Vita

Interessante reconstructie
De documentaire is gemaakt door Amato’s kleinzoon Giuseppe Pedersoli (tevens zoon van spaghettiwesternacteur Bud Spencer), dus was het vast gemakkelijk om de hand te leggen op de correspondentie van zijn grootvader met Fellini tijdens de opnamen van La Dolce Vita in 1959. Hun briefwisseling die met name gaat over het overschrijden van het afgesproken budget van 400 miljoen lire (de film zou uiteindelijk het dubbele kosten) mag dan niet eerder gepubliceerd zijn, het meeste van de ‘waarheid over La Dolce Vita’ was allang bekend.

Desalniettemin biedt de documentaire – een mix van nagespeelde gebeurtenissen (met acteur Luigi Petrucci als Giuseppe Amato), fragmenten uit de film (verplichte finale met de iconische scène in de Trevifontein) en interviews met direct betrokkenen (de beroemde producer Dino De Laurentiis vertelt bijvoorbeeld waarom hij afhaakte) – een interessante reconstructie in de moeizame ontstaansgeschiedenis van La Dolce Vita dat bij de release in 1960 nota bene in eerste instantie door de Italiaanse pers zou worden neergesabeld.

Via Veneto
Op 5 februari 1959 schrijft Angelo Rizzolo aan Federico Fellini dat de film beslist niet meer dan 400 miljoen lire mag kosten. Dat bleek al snel ijdele hoop omdat de regisseur een deel van Via Veneto – de befaamde straat in Rome waar de internationale jetset langs de cafés paradeert en hoofdrolspeler Marcello Mastroianni als roddeljournalist zijn scoops probeert te halen – in de Cinecittà-studio liet nabouwen. In een oud interview vertelt Fellini dat Via Veneto het hart van de film is omdat hier zich de meeste scènes afspelen. Giuseppe Amato zou aanvankelijk geen toestemming hebben gegeven om een deel van de straat in de studio na te bouwen, maar zou na het nodige aandringen van Fellini overstag gaan. Ook andere settings, kostuums en de gebruikelijke artistieke vondsten dreven de kosten gigantisch op. Ondanks Fellini’s uit de hand gelopen wensen blijkt in de documentaire dat hij bij iedereen geliefd was, zelfs bij de producers, die allebei met serieuze stressklachten te maken kregen.

The Truth About La Dolce Vita

La Dolce Vita is een titel met een cynische ondertoon. Terwijl onze roddeljournalist zich uiteindelijk zal laten vernederen in zijn pogingen om te mogen toetreden tot de hippe wereld van royalty en filmsterren in nachtclubs en op feestjes vol immorele en hedonistische karakters, toonden zowel de katholieke kerk als vele politici zich geschokt en wilden ze de film in Italië laten verbieden (en sommigen de regisseur zelfs in de gevangenis laten gooien). Dat zij niet verder keken dan hun neus lang is en kennelijk niet begrepen dat Fellini juist de leegheid van het door hem geschetste bestaan portretteerde, wordt in de documentaire treffend verwoord door een recensie van wijlen cineast Pier Paolo Pasolini: “Het is moeilijk om je een meer afstompende kapitalistische wereld voor te stellen. De mensen hier zijn cynisch en ellendig. Iedereen is egoïstisch, verwend, corrupt en bang.”

Nooit spijt gehad
Natuurlijk draait ook Fellini’s meesterwerk tijdens Film by the Sea, in de documentaire staat vooral producer Giuseppe Amato centraal. Hij wordt geroemd om zijn Napolitaanse gemoedelijkheid en zijn talent om met iedereen te kunnen samenwerken. Iemand leest voor uit de originele brief die Fellini aan hem schreef de dag voor de première van La Dolce Vita. “Jij bent een van de weinige producers die een idee had wat ik met mijn film heb bedoeld. Hopelijk wordt het een succes.”

Het personage van Amato, kijkend in de camera, kan dit alleen maar bevestigen: “Geen obstakel kon mij ervan weerhouden om deze film te maken. Ik heb de film inmiddels misschien wel duizend keer gezien en er nooit spijt van gehad, hoewel La Dolce Vita de belangrijkste oorzaak was van mijn professionele en persoonlijke ondergang.” Amato zou hierna nog maar twee films produceren en overleed in 1964 als gevolg van een hartaanval.

The Truth About La Dolce Vita is te zien op 14, 18 en 19 september tijdens Film by the Sea. Hier lees je het volledige programma.

 

8 september 2021

 

Film by the Sea 2021 – Fellinopolis

 
MEER FILMFESTIVAL

Karlovy Vary International Film Festival 2021

Karlovy Vary International Film Festival 2021
Dikke BMW’s en gegil van dames

door Ralph Evers

Na een aantal outdoor-dagen in de prachtige Tsjechische natuur stond als laatste stop voor deze vakantie Karlovy Vary op de lijst. De stad die ook wel bekend is onder zijn Duitse naam Karlsbad en één van de bekendste kuuroordplekken van de wereld is. Grootheden als Goethe, Mozart en Napoleon hebben hier meerdere malen vertoefd en de stad weet je gemakkelijk te verleiden met haar pracht en praal. En met films!

Bij aankomst in de receptie van het hotel waar we verbleven, werd genoemd dat we mooi op tijd waren voor de happening dit weekend: special guest Johnny Depp zou zijn opwachting maken voor diens nieuwe film Minamata. Zonder het te weten, bleken we middenin het filmfestival Karlovy Vary binnengereden te zijn. Daar moesten we toch even gebruik van maken.

Karlovy Vary International Film Festival 2021

Depp en Hawke
Ook in Tsjechië is het een zeikzomer, dus die films kwamen wel goed uit. Na enig zoeken hadden we achterhaald waar we kaartjes konden kopen. Alles wat ons beiden leuk leek, bleek uitverkocht, maar we wisten toch twee interessante films te strikken. Ondertussen hielden we ons op bij hotel Pupp, waar Johnny Depp en Ethan Hawke verbleven, en dat de Bond-liefhebber kent van Casino Royale. Een bezoekje aan dit uiterst luxueuze hotel zat er echter niet in.

Vrijdagmiddag was dan het eerste ‘grote’ moment. Depp had zijn opwachting voor honderden fans waarvan erg veel vrouwen. Hmm. Veel viel er niet te zien getuige de foto, maar de happening had wel iets. Dit is dus wat een filmster doet. Een paar dikke BMW’s met geblindeerde ruiten en een toenemend gegil van de dames. Gretig signeerde hij er op los, zo gretig zelfs dat zijn beveiligers moesten ingrijpen anders zou het programma mogelijk in de soep lopen. Ethan Hawke maakte enkele uren later zijn opwachting voor een handvol groepje mensen vergeleken bij Depp. De regen speelde hier ongetwijfeld een belangrijke (bij)rol.

Ali & Ava

Ali & Ava
De eerste film die we zagen was Ali & Ava van Clio Barnard, bekend van onder andere The Selfish Giant, dat zich eveneens in Bradford afspeelt. Ali en Ava vertegenwoordigen twee verschillende milieus in Bradford. Hij is van Hindoestaanse achtergrond, zij conservatief, traditioneel Engeland. Zij komt uit een getroebleerd huwelijk, zijn huwelijk is al geen scherf beter. Hij houdt er een optimistisch dagelijkse routine op na, maar strijdt regelmatig met zijn demonen in eenzaamheid, wat subtiel en daarmee veel voelbaarder getoond wordt. Het ‘s nachts wakker liggen en het uit zijn dak gaan op zijn muziek.

Ali en Ava treffen elkaar en er bloeit een uit te tekenen romance op, gehinderd door haar kinderen, een zoon met racistische trekken die niets moet hebben van de gekleurde Ali en de onvermijdelijke verzoening en catharsis die gaandeweg tussen moeder, zoon en Ali optreedt. Maar om dit cliché gaat de film niet. Het is juist de naturelheid, de echtheid waarmee de film je hart weet te stelen, te midden van de achterstandswijken van Bradford, en de verschillen gaandeweg te laten verdwijnen.

Hierin vangt Barnard precies die belangrijke details, zoals het wederzijds beïnvloed raken, de aanrakingen en de onzekerheid. Adeel Akhtar (bekend van de cultserie Utopia) en Claire Rushbrook (vooral tv-series) spelen geloofwaardig, breekbaar en gelaagd. Doordat de film nauwelijks aan mooifilmerij doet, vergeet je soms dat je naar acteurs kijkt. Kijk, daarom ga je naar de film, om werkelijk een andere wereld dan de jouwe in te duiken.

La Terra dei Figli

La Terra dei Figli
De tweede film deed dit ook, al was het wel op een volstrekt andere manier. La terra dei figli (‘The land of the sons’) van Claudio Cupellini (de serie Gomorrah en Una Vita Tranquilla) is gebaseerd op de gelijknamige strips van Gipi en verhaalt over een wereld na de apocalypse. Een film die me van het eerste tot het laatste shot met haar eigenaardige, tegenstrijdige en dissonante schoonheid wist te vangen. Met het omineuze openingscitaat: ‘voor de apocalypse werden er boeken vol over geschreven, na de apocalypse geen enkele meer’.

We leren vader en zoon kennen. Vader schrijft dagelijks in zijn notitieboekje, waar de zoon niet in mag lezen. Nu zou dat ook niet gaan, want zoon is, evenals alle andere na de oorlog geboren kinderen, analfabeet. Hun harde leven in de lagune bestaat uit het vangen van vis en zich te weren tegen de onverbiddelijke elementen van de natuur, ondertussen de verschillende clans tevreden houdend. Na enkele dagen geen vis, ziet de vader geen uitweg en moet met de tiran Auringo onderhandeld worden. Niemand blijkt te vertrouwen of erg open te staan voor samenwerking.

Het is dit grimmige mensbeeld, dat vaker in post-apocalyptische films (denk aan The Road) naar voren komt en wat vermoedelijk niet klopt, maar voor de dreiging in de film beter werkt. Er zit aldus veel meer spanning in en ik zou deze film gerust een scifi-horror willen noemen, waarin de beelden en gebeurtenissen gaandeweg onder je huid kruipen. Wat hierin meespeelt is het weergaloze camerawerk en de voortreffelijke, serene, troostende en minimale muzikale ondersteuning.

De film lijkt sterk geïnspireerd door Tarkovski, de camera is vooral op de aarde (of in dit geval het water) gericht en achtereenvolgens zijn er scènes die op Solaris, Ivan’s Kindertijd en Spiegel geïnspireerd zijn. De lagune zelf doet denken aan het Vietnamese Buffalo Boy (‘Mùa len Trâu’). Enfin, na verloop van tijd heeft de zoon de lagune verlaten en met weinig anders dan zijn vaders notitieboek trekt hij de wijde wereld in op zoek naar antwoorden. De kijker blijft getrakteerd op een reeks mistroostige, doch wonderschone verbeeldingen van de apocalypse.

Elke liefhebber van doommetal zou deze film moeten zien. De dreiging is voortdurend aanwezig, de spanningsboog slechts zelden ontspannen. Of het nu het hoge gras is, of een leegstaand huis. Het camerawerk is zodanig dat we als kijker nauwelijks overzicht hebben. We beleven de film grotendeels door de ogen van de zoon. De lelijkheid raakt eenmalig met een prachtig beeldmetafoor doorbroken. In het warme schijnsel van twee brandende kaarsen weet een agressor zich geraakt door de memoires van de vader hetgeen hem terug mens maakt. Het is te hopen dat deze film zijn weg vindt naar de Nederlandse bioscopen.

 

30 augustus 2021

 
MEER FILMFESTIVAL

Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

Bekroonde muziekdocumentaire te zien tijdens IN-EDIT
Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

door Alfred Bos

De Amsterdamse groep Panic was de breker van de eerste punkgolf die in 1978 door Nederland rolde. Het was ook de enige Nederlandse groep die optrad in de Newyorkse club CBGB’s, het punkmekka van Amerika. De documentaire Jimmy Is Punk vertelt hun verhaal.

Het is 1977. Joop den Uyl is minister-president van het enige linkse kabinet dat Nederland na de oorlog heeft gehad. In Engeland roert zich een nieuw geluid, punk. Het waait de Noordzee over.

Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

Peter ten Seldam zingt en Michiel Van ’t Hof speelt gitaar in de rock-’n-rollband Big Peter and the Garage. Ze rijden van de Amsterdamse Atletiek Club, waar ze sporten, naar de Singel in de binnenstad, waar Ten Seldam woont en de band repeteert. De autoradio speelt een nummer van de Sex Pistols.

Michiel Van ’t Hof: “We zijn langs de kant van de weg gaan staan om te luisteren. Dat moeten we ook gaan spelen!” Kort daarop morft Big Peter and the Garage tot Panic.

Andere tijden
Jimmy Is Punk – The Story of Panic is een reis in de tijd naar 1978. Op 3 mei van dat jaar spelen Ten Seldam, Van ’t Hof, bassist Piet van Dijk en drummer Rein De Graaf in het jeugdwerkclubhuis De Kunstmin in Gouda. Nederland heeft punk net ontdekt en Panic is een van de eerste Nederlandse punkgroepen die een elpee uitbrengt, 13. De zaal is goed gevuld.

Op initiatief van Ten Seldam is het optreden gefilmd, maar het materiaal nooit gebruikt (op een eenmalige vertoning van een ruwe montage in de Amsterdamse dansclub Mazzo na). Het dook op tijdens de voorbereiding van een aflevering van Andere Tijden over punk in Nederland.

Duco Donk, video-editor van beroep en vriend van de groep, monteerde de beelden tot een documentaire, die internationaal furore heeft gemaakt op filmfestivals. DOC LA in Los Angeles gaf de film vorig jaar de prijs voor beste muziekdocumentaire. FAME in Parijs deed hetzelfde.

Geen hanenkammen
Panic stond bekend om hun energieke optredens, met het atletische podiumbeest Peter ten Seldam – een kleine tien jaar ouder dan de andere bandleden – als blikvanger en gangmaker. Punk was in 1978 in Nederland een handvol bands groot: God’s Heart Attack (Amsterdam), Flyin’ Spiderz (Eindhoven, debuutalbum in 1977), Speedtwins (Arnhem), Ivy Green (Hazerswoude-Dorp) en Whizzguy (Huizen). Panics debuutoptreden in de bovenzaal van Paradiso sloeg in als een granaat, herinnert schrijver dezes zich. Peter te Seldam: “We werden direct herkend als dé punkband van Amsterdam.”

Drummer Rein De Graaf overleed in 2010, de andere drie bandleden leven nog. Twee daarvan, Ten Seldam en Van ’t Hof, zitten met Duco Donk rond een tafel. “Het gekke is dat we eigenlijk geen punks waren”, reageert Michiel op Peters opmerking. “Nee”, zegt die, “geen hanenkammen, geen nazisymbolen, geen gekkigheid.” Waarop Donk opmerkt: “Dat zie je goed aan de film. Dat soort punks bestonden op dat moment niet.” Punk als mode kwam pas later, weten we nu.

Laatste kans
Geboren in Amsterdam, groeide Peter ten Seldam na de scheiding van zijn ouders op in internaten en bij pleeggezinnen. In Nijmegen begint hij op de hoek van de straat te zingen. “In mijn eentje, de teksten verzon ik ter plekke.”

Bij een pleeggezin in Harderwijk, in de Biblebelt, heeft een ‘broer’ een Gretsch-gitaar. “Je begrijpt, dat was fantastisch. We hebben nummers gemaakt, er jongens uit de omgeving bijgehaald en toen had ik een band, The Top Diables, de topduivels. En dat ging te gek goed! Ik zat in Harderwijk op het lyceum, laatstekansonderwijs. De directeur roept me bij zich en zegt: ‘Als jij nog één keer optreedt met die band, kun je je eindexamen vergeten.’ Dat was 1962. Met die band en die jongens ging het hartstikke goed, maar het viel even net verkeerd in Har-der-wijk.”

Panic 13

“In 1962 zat ik boordevol verdriet. Als ik op het podium stond, liet ik me op mijn rug vallen, dook ik alle kanten op. Ik deed totaal iets anders dan wat rock-’n-roll toen was. De militairen uit Ermelo kwamen na het optreden aanzetten met kroketten en bier. Leeft de zanger nog?”

Dus jij was in 1962 al de Iggy Pop van Nederland?

Peter ten Seldam: “Zo mag je het rustig noemen. Na zo’n optreden lag ik drie dagen op bed, kon ik me nauwelijks meer bewegen. Dat is later wel wat gekalmeerd. Maar toen ik de jongens van Panic ontmoette, zat het er nog steeds. Op het podium was ik erg beweeglijk. Ik gooide alles eruit wat ik kwijt wilde. Zonder dat ik iemand hoefde te vermoorden.”

Michiel Van ‘t Hof: “Je hebt ook behoorlijke stunts uitgehaald. Van het podium naar de bar, van daar het balkon op en weer terug naar het podium.”

Peter ten Seldam: “Ik probeerde elk optreden weer verrassend te zijn. Ook voor onszelf. Volledige vrijheid, eigenlijk. Elk optreden was een feest. Iedereen was uitgelaten, een dolle boel. Dat is wat je wilt bereiken.”

Studentenbaantje
In 1977 wonen Piet van Dijk en Michiel Van ’t Hof op een studentenflat in Amsterdam. Ze deden aan studentenactivisme, wat toen heel gewoon was, en repeteerden als bandje, net iets minder gewoon. “We zochten iemand met een andere invalshoek”, aldus Van ’t Hof.

Peter ten Seldam was na zijn vroegere ervaringen als rock-’n-rollzanger nooit vergeten hoe leuk het was op het podium te staan. “Ik heb gezocht en gezocht. Ik heb nog geprobeerd om een band te vormen met die jongen die toen portier was bij Paradiso, de latere punkdichter Ton Lebbink. Die drumde en woonde iets verderop bij mij op de Singel. Het lukte maar niet. Moeilijk hoor, om een band van de grond te krijgen.”

Piet van Dijk sorteerde post, een studentenbaantje. De toenmalige vriendin van Ten Seldam werkte daar ook. “Zo ben ik met Piet en Michiel in aanraking gekomen. Ik woonde op dat moment op de Singel, twee huizen van Yab Yum. Dat pand stond halfleeg. Dus daar konden we een oefenruimte maken. Dat scheelt, als je goed kunt repeteren. Mamma mia!” Van ’t Hof: “Jij woonde schitterend.”

Ten Seldam was op de dat moment de dertig ruim gepasseerd, de anderen een stuk jonger. Voelde hij een generatieverschil? “Nee, dat heb ik geen moment gehad. Ik zocht gewoon een nieuwe band.”

Van ‘t Hof: “Er was direct een klik.”

Ten Seldam: “Ik was er helemaal rijp voor!”

Knipmes op buik
Binnen een jaar ging Panic van niks tot elpee, 13 verscheen in het voorjaar van 1978. “Moet je je voorstellen”, zegt Ten Seldam. “We sliepen in de studio op de grond en dan gingen we weer door.”

Van ‘t Hof: “Dat was een studio in Badhoevedorp. Je hoorde de vliegtuigen overkomen. Kennelijk waren de elementen van mijn gitaar niet goed geïsoleerd, want je kon af en toe de communicatie van de piloten met Schiphol horen.”

In 1978 heeft Nederland nog geen clubcircuit. De groep speelt doorgaans in jeugdhonken die worden gerund door jongerenwerkers. Van ’t Hof: “Als we moesten optreden, zetten we de bus voor het huis van Peter op de Singel om de spullen in te laden. Om drie uur ’s middags werden de meisjes gebracht die naar hun werk bij Yab Yum gingen. Als wij om drie uur ’s nachts terugkwamen om uit te laden, gingen zij weer naar huis. Over de gracht hing dan een walm van parfum en andere geurtjes, dat is me altijd bijgebleven.”

Die optredens waren vaak, in de woorden van Peter ten Seldam, een dolle boel. “In Zwolle speelden we in een clubhuis”, vertelt hij. “Ik had een flesje petroleum bij me. Iemand gaf me een fakkel en ik spuug een golf van vuur over de hoofden in de zaal. Na afloop heeft een jongen die onder die vuurbal stond, ons bedreigd met messen. Toen we wegreden vlogen de stenen door de lucht.”

In De Trol in Hoorn krijgt hij een knipmes tegen zijn buik gezet. “Wat is dat? Oh, je wilt zingen. Nou, prima. Stond ik met een knipmes op mijn buik met een jongen te zingen.”

Panic in New York

Optreden in New York
In de zomer van 1978 stapt Peter ten Seldam met een doos elpees onder zijn arm op het vliegtuig naar New York en benadert Hilly Kristal, de baas van CBGB’s, de club waar The Ramones, Blondie, Talking Heads, Television en Patti Smith hun eerste optredens deden. Hij krijgt het voor elkaar dat Panic er in juli kan spelen. Ze zijn de enige Nederlanders die dat kunnen zeggen.

Het tweede optreden is uitgezonden door het lokale WPIX FM-radiostation; het concert staat op Spotify. Peter ten Seldam: “Amerikaanse bands zeiden tegen mij: ‘It takes years to get into this place, how did you do it?’ Voor Hilly Kristal was het ook een kick, een band uit Nederland.”

De groep speelt voor het laatst in hun thuishaven Paradiso op 22 november 1978, Ten Seldam is voor de gelegenheid verkleed als Sinterklaas (ook dat optreden staat op Spotify). Na een optreden in Zwolle valt de groep uit elkaar. Het is februari 1978, nog geen jaar na hun eerste en enige album. Ook daarin kunnen ze zich spiegelen aan de Sex Pistols.

Film als tijdmachine
Jimmy Is Punk – The Story of Panic werkt als een tijdmachine, hij teleporteert de kijker terug naar 1978. En dat is precies de bedoeling van regisseur Duco Donk. “Ik baal vaak van muziekdocumentaires. De muzikanten worden heilig verklaard en het is terugkijken op. De kracht van dit materiaal is dat je er bij bent. Dat wilde ik optimaal benutten door niet terug te gaan kijken. Maar je mee te nemen naar toen. En daar te blijven.”

“Filmmakers praten vaak over het vertellen van verhalen. Dat betekent niet dat je iemand gaat filmen die een verhaal vertelt. Film betekent dat je een verhaal met film vertelt. Deze film vertelt het verhaal ‘Hoe was het nou echt?’ Dat is een verhaal met beelden. Als je de kracht van dit materiaal ziet, kun je het alleen maar verkloten met woorden.”

“In de film zit een moment dat mij erg aanspreekt”, bekent Van ‘t Hof. “Peter geeft de microfoon aan een jongen uit het publiek. Die jongen komt er niet helemaal uit, maar wij spelen gewoon door. Net zolang tot Peter de microfoon terugkrijgt en dan gaan we, hup, naar het volgende akkoord. We wisten van elkaar wat er moest gebeuren.”

Rock-’n-rollstoel
Peter ten Sendam, 78 inmiddels, gebruikte rock-’n-roll en punk om zijn emoties te ventileren. Werd hij daar op aangekeken bij de atletiekvereniging?

“Nee, helemaal niet. Eerder het tegendeel, ze wisten het wel te waarderen. Bij een optreden was er een keer een invalide man in een rolstoel. Die kwam uit enthousiasme omhoog. Kijk nou, hij staat!”

Zo zie je maar, rock-’n-roll geneest.

“We straalden een vreugde uit. Een ontwapende benadering van rock-’n-roll waar niemand woedend van werd.”

Jimmy Is Punk – The Story of Panic draait op 18 juni (Ketelhuis, 19:15) en 19 juni (Melkweg, 21:45) tijdens het IN-EDIT festival te Amsterdam; op 26 juni in Eindhoven (LAB-1, 15:00), op 3 juli in Nijmegen (LUX, 19:15) en op 4 juli in Den Bosch (Willem II, 14:45)

 

13 juni 2021

 

MEER INTERVIEWS

IN-EDIT 2021 preview

Van 16 tot en met 20 juni in Amsterdam
IN-EDIT doet het met muziek

door Alfred Bos

IN-EDIT richt zich op muziekdocumentaires. Achttien jaar geleden begonnen in Barcelona is het filmfestival uitgewaaierd over meerdere continenten. De derde Nederlandse editie vindt plaats van 16 tot en met 20 juni in Amsterdam. Een deel van het programma gaat in de weken daarna op tournee door Nederland.

Zoveel soorten muziek, zoveel soorten muziekfilms. Biopics, concertregistraties en documentaires zijn een vast – en in aantal groeiend – onderdeel van het bioscoopprogramma. IN-EDIT toont een keur uit het aanbod dat te obscuur wordt geacht voor een reguliere release. Wat uiteraard niets zegt over de kwaliteit van de film. Of de muziek.

Jimmy Is Punk – The Story of Panic

Jimmy Is Punk – The Story of Panic

Seks, drugs en rock-’n-roll
Neem Jimmy Is Punk – The Story of Panic. Op 3 mei 1978 speelde de Amsterdamse punkband Panic in De Kunstmin in Gouda, een optreden dat op initiatief van zanger Peter ten Seldam werd gefilmd. Tijdens de beeldresearch voor een aflevering van het tv-programma Andere Tijden kwam het materiaal boven water en Duco Donk, video/editor van beroep, vulde het aan tot een documentaire over de meest spraakmakende band van de eerste punkgolf in Nederland.

De film is meer dan een cultuurhistorisch document, hij werkt als een tijdmachine die de kijker katapulteert naar 1978. De energie is verbluffend, de band hecht ingespeeld en Ten Seldam een podiumbeest à la Iggy Pop. De concertregistratie vangt de interactie tussen band en publiek, en toont in het voorbijgaan de kleingeestigheid van de zaaleigenaar. Jimmy Is Punk – The Story of Panic is een parel en kreeg volkomen terecht de onderscheiding voor beste muziekdocumentaire tijdens het DOC LA-filmfestival van 2020.

Ook geworteld in de punkscene van 1978, maar dan in Los Angeles, is de meidenband (zo heette dat toen) The Go-Go’s, die in 1982 als de eerste volledig uit vrouwen bestaande rockgroep de bovenste plaats van de Amerikaanse albumlijst behaalde. Hun debuutalbum The Beauty and the Beat – met de hits Our Lips Are Sealed en We Got The Beat – is verplichte kost voor ieder new wave-liefhebber, en al legden ze het in Europa af tegen The Bangles, in Amerika is de groep een levende legende.

Dat meiden op het vlak van seks, drugs en rock-’n-roll, als ook nijd en na-ijver, niets onderdoen voor jongens, toont de documentaire The Go-Go’s van Alison Ellwood. Excessen, verslaving, psychische nood, botsende karakters—het hoort er kennelijk allemaal bij. Maar ze leven nog en zijn, al is het met onderbrekingen, nog altijd actief.

My Darling Vivian

My Darling Vivian

Correctie op biopic
Vivian Liberto had, naast racisme, ook de maken met de excessen van het muzikantenbestaan, maar dan als eerste vrouw van muziekicoon Johnny Cash. De documentaire My Darling Vivian van Matt Riddlehoover doet recht aan een bestaan buiten de schijnwerpers dat even veel drama kende als dat van menig muziekidool. Liberto, moeder van de Amerikaanse country en rootsrock-ster Rosanne Cash, stond lange tijd in de schaduw van Cash’s tweede vrouw, June Carter, lid van de legendarische Carter-muziekdynastie en moeder van zangeres Carlene Carter.

My Darling Vivian corrigeert het beeld dat James Mangolds biopic Walk the Line uit 2005 (met Joaquin Phoenix als Cash en Reese Witherspoon als Carter) van Liberto schetst. Doorsneden met een schat aan beeldmateriaal uit het familiefilmarchief komen de vier dochters aan het woord over hun moeder – en vader. Wie daar niet genoeg aan heeft, leze Liberto’s autobiografie I Walked the Line. Voor haar schreef Johnny Cash zijn eerste hit, I Walk the Line.

Sisters with Transistors

Sisters with Transistors

Pionieren met ringmodulator en synthesizer
Vrouwen speelden een belangrijke, maar onderbelichte rol in de ontwikkeling van de elektronische muziek. Sisters with Transistors van Lisa Rover geeft in negentig minuten korte introducties van tien vrouwen die pionierden met toongeneratoren en synthesizers. Daphne Oram, Bebe Baron en Delia Derbyshire zijn niet half zo beroemd als Vangelis of Kraftwerk; laat staan dat iemand heeft gehoord van de thereminvirtuoos Clara Rockmore, de Française Eliane Radigue (assistent van de avant-gardecomponisten Paul Schaeffer en Pierre Henry) of de Amerikaanse Laurie Spiegel die de eerste componerende algoritmes schreef.

Daphne Oram was medeoprichter van de vermaarde BBC Radiophonic Workshop, waar intromuziek en geluidseffecten voor radio en tv werden gemaakt met niet-traditionele instrumenten als ringmodulator en bandrecorder. Daar produceerde Delia Derbyshire in 1963 de futuristische themamuziek voor de nog steeds lopende tv-serie Dr. Who. Bebe Baron maakte met de apparaten die door haar man Louis in elkaar werden gesoldeerd in 1956 de eerste volledig elektronische filmsoundtrack, die van Forbidden Planet.

Rode draad door de verhalen van de tien vrouwen: gebrek aan respect, tegenwerking, ze werden (en worden vaak nog) niet serieus genomen. Geboren uit noodzaak maakten ze van de punkattitude ‘do it yourself’ een deugd en creëerden unieke muziek. De enige namen die het publiek mogelijk iets zeggen zijn die van Pauline Oliveros en Wendy Carlos. En die laatste werd geboren als – man.

Rockfield: The Studio on the Farm

Rockfield: The Studio on the Farm

Oase van rust
In 1963, na een vruchteloze ontmoeting met Beatles-producer George Martin, begonnen de boerenzonen Kingsley en Charles Ward een opnamestudio in een stal van het familiebedrijf in Monmouth, Wales. Ze bouwden er een gastverblijf bij en in 1965 werd Rockfield de eerste studio-met-logies ter wereld. Er zijn honderden, zo geen duizenden platen opgenomen; de beroemdste is ongetwijfeld Bohemian Rhapsody van Queen.

De eerste Nederlandse groep die er opnam, was The Bintangs (hun vierde elpee, Genuine Bull, uit 1975), maar die komen we niet tegen in de documentaire Rockfield: The Studio on the Farm. Regisseur Hannah Berryman spreekt gevestigde acts als Black Sabbath, Coldplay, Oasis en Manic Street Preachers; hun verhalen zijn weinig schokkend. Uitzondering zijn Jim Kerr en Charlie Burchill die iets duidelijk maken over de muzikale ontwikkeling van Simple Minds. Queen ontbreekt.

Landelijkheid en rust blijken voor veel muzikanten niet te staan voor inspiratie en door isolement afgedwongen creativiteit, maar vooral voor verveling, zodat de lokale kroeg de voornaamste winnaar blijkt te zijn van de voor gestresste muzikanten ideale situatie, op papier althans. Het wordt triest genoeg geïllustreerd door het verhaal over (niet van) Rob Collins, toetsenman van The Charlatans, die in 1996 zijn auto fataal parkeerde in een weiland.

Folk-‘n-roll
Naast genoemde films biedt IN-EDIT documentaires over onder meer Poly Styrene, zangeres van de Engelse punkband X-Ray Spex (Poly Styrene: I Am a Cliche); New Order, de groep van de klassieker Blue Monday (New Order: Decades); de Amerikaanse singer-songwriter Eric Anderson (The Songpoet); een portret van de Italiaanse zanger Lucio Dalla (For Lucio); twee films over hiphop: American Rapstar en It’s Yours: A Story of Hip Hop and the Internet; en Ibiza: The Silent Movie, waarin regisseur Julian Temple een beeld schetst van partyeiland Ibiza.

Diezelfde Julian Temple is verantwoordelijk voor de film waarmee IN-EDIT haar derde Nederlandse editie op woensdag 16 juni aftrapt. Crock of Gold: A Few Rounds with Shane MacGowan, een filmportret van de voorman van de Ierse folkpunkband The Pogues; hij gaat door het leven met eeuwige dorst. Documentairemaker en clipregisseur Temple, de vader van actrice Juno, is generatiegenoot van Don Letts en eveneens gespecialiseerd in documentaires over muziek en jeugdcultuur. Zijn portret van McGowan is even raak als onthullend.

IN-EDIT vindt van woensdag 16 tot en met zondag 20 juni plaats in de Westergasfabriek, Melkweg en FC Hyena te Amsterdam. Een aantal films is in de weken daarna te zien in andere steden. Klik hier voor het volledige programma en kaarten.

 

9 juni 2021

 
MEER FILMFESTIVAL

Kaboom Animation Festival 2021 – Preview

333 films uit 53 landen 6 dagen online
Nieuwe kans Kaboom Animation Festival

door Ralph Evers

Het Holland Animatie Film Festival (HAFF) en KLIK Amsterdam Animation Festival zijn in 2019 samen opgegaan in Kaboom. De tweede editie vorig jaar ging niet door vanwege corona, maar wordt dit jaar wel gehouden. Online, van woensdag 31 maart tot en met paasmaandag 5 april, met maar liefst 333 films uit 53 landen. In deze voorbeschouwing drie blikvangers uit het programma: On-Gaku, My Favorite War en Mosley.

 

On-Gaku

On-Gaku Niet knokken maar muziek maken
Deze Japanner is vooral maf met droge humor op zijn Fins, zoals je bij de personages in de films van Aki Kaurismäki tegenkomt. In On-Goku komt ook de liefde voor rock-’n-’roll naar voren, al kiest regisseur Kenji Iwaisawa meer voor seventies progrock. Want in één van de lijpste scènes zien we Tarkus een loden zeppelin neerknallen, terwijl de bekendste koe uit begin jaren zeventig verdwaasd om zich heen kijkt en een lokale folkmuzikant nog maar even door het buizenstelsel gezogen wordt, wat voor de kenners van Mike Oldfield maar al te bekend voorkomt. Voor we echter in deze psychedelica terechtkomen, hebben we wat vervreemdende minuten achter ons.

Kenji, de protagonist in deze met rotoscoop gemaakte animatie, is een verveelde adolescent die samen met zijn vrienden zijn tijd wat doorbrengt door op te scheppen tegen het naïeve meisje Aya, die hen steevast de drie musketiers noemt. Kenji zal wel even in de nabijgelegen wijk herrie schoppen door wat punkers mores te leren. Een en ander loopt anders wanneer Kenji bij een schermutseling op straat een basgitaar in handen krijgt. Het knokken wordt ingeruild voor muziek maken. Geen idee hebbende echter wat het verschil is tussen gitaar en basgitaar eindigt hij met twee basgitaren en een uiterst minimaal drumstel. Het enthousiasme is er niet minder om en al snel vormen ze een band, wat nieuwe mogelijkheden tot wedijver schept. De gitarist van een lokale folkband raakt echter betovert door ze en organiseert een rockfestival, waar Kenji’s band met een verrassende twist de show steelt.

De animatie doet simplistisch, doch doeltreffend aan. Het verhaal is naïef, maf, traag, onderkoeld en grappig. Mits je van deze stijl van humor houdt.

 

My Favorite War

My Favorite War – Ontwaken uit corrumperend systeem
Zo droog als On-Gaku is, zo zwaar is My Favorite War van de Letse documentairemaakster Ilze Burkovska Jacobson. Met een aanvankelijk idyllisch beginnende film reconstrueert ze de geschiedenis van haar familie ten tijde van nazibezetting en Sovjetterreur. Middels animatie reanimeert ze de vergeten geschiedenissen, de verhalen van de anonieme burgers in kleine stadjes op het Letse platteland, die ze afwisselt met archiefmateriaal uit die tijd. Haar coming of age verwerkt ze als rode draad door haar documentaire, afgezet tegen de verhalen van haar ouders en grootouders. Met het ouder worden begint ze pas te beseffen hoe de hersenspoeling van het communistische regime werkt en dat elk individu een schakel in dit mens ontwaardende systeem is. Haar ontwaken en de schaamte die ze voelt bij het passief medeplichtig zijn aan een corrumperend systeem trekt ze aan het slot naar een groter kader, wanneer ze het leven als een rivier voorstelt waar de bordkartonnen diepgang van de demagogen van de twintigste en eenentwintigste eeuw in het water krachteloos verweken en verdrinken.

Een diepere filosofische beschouwing die My Favorite War oproept, is enerzijds de hang van de mens om in een verhaal te leven en dit mede te creëren, in het geval van de filmmaakster vrij letterlijk in haar verlangen journalist te worden. Anderzijds het gevaar van verhalen, want ze onttrekken gemakkelijk de schaduwkanten en versimpelen de complexere alledaagse werkelijkheid. Een essentieel aspect dat voor potentaten goud is en door de geschiedenis heen tot allerlei humanitaire rampen heeft gezorgd. De waarschuwing in deze film is dan ook om je te midden van ieder systeem hiervan gewaar te worden en waar nodig en mogelijk in verzet te komen.

 

Mosley

Mosley – Platgetreden animatiestijl
Het Nieuw-Zeelandse Mosley richt zich vooral op het jongere publiek en moet het hebben van de inmiddels platgetreden animatiestijl vooral bekend van de grote Amerikaanse studio’s. Mijn kritiek daarop is inmiddels een vastgelopen langspeelplaat. Animatie is het filmmedium bij uitstek om te toveren, te experimenteren of met sferen te spelen en de dertien in een dozijn producties ontberen al deze speelse, verrijkende mogelijkheden. Mosley zal voor kinderen nog wel werken – die kun je ook talloze keren dezelfde aflevering van Shaun the Sheep of Barbapapa voorschotelen – vervelen doet het hen niet, maar voor ouders is er weinig sprankeling in Mosley

De verhaallijn laat zich uittekenen als een speech van Wilders over de islam, zij het zonder de schofferingen (behalve op je verwonderingsvermogens). Tel daarbij op een gebrek aan humor en wat goedkoop sentiment en je moet wel van je kinderen houden om deze film uit te kunnen zitten. Ondergetekende is het derhalve dan ook ontgaan waarom deze film gemaakt is, behalve om kinderen nog weer eens een aloud verhaal voor te kunnen schotelen.

Kijk hier het programma van de tweede editie van het Kaboom Animation Festival.

 

27 maart 2021

 
MEER FILMFESTIVAL

CinemAsia 2020 – Deel 2

CinemAsia 2020 – Deel 2:
Iedereen is op de vlucht

door Cor Oliemeulen

Zuid-Korea vervult een voortrekkersrol in de Aziatische cinema. In ons tweede en laatste verslag van CinemAsia 2020 aandacht voor een broeierige misdaadfilm, een romantisch drama, een documentaire over een scheepsramp en een uiterst onderhoudende rampenfilm, vermomd als actiekomedie. Gemeenschappelijk thema van deze vier Koreaanse films: iedereen is op de vlucht. Maar niet iedereen zal het overleven.

 

The Wild Goose Lake

The Wild Goose Lake – Klopjacht in neon
Na zijn bejubelde Black Coal, Thin Ice (2015) keert de Chinese filmmaker Yi-nan Diao terug met een broeierige neo-noir, waarmee hij opnieuw mikt op een groot publiek in binnen- en buitenland. Plaats van handeling is Wuhan (dat inmiddels het epicentrum van het Coronavirus is). In deze stad woedt een gewelddadig conflict tussen twee bendes. Na de dood van enkele criminelen en een politieagent ontstaat een klopjacht op antiheld Zhou, die zich samen met een mysterieuze dame verbergt in de wetteloze contreien rond het Wilde Ganzenmeer.

Liet hij zich in zijn vorige misdaadfilm al inspireren door de donkere atmosfeer van The Third Man (1949) van Carol Reed en het werk van Orson Welles, met The Wild Goose Lake steekt Diao ook zijn voorliefde voor het Duitse Expressionisme (jaren twintig vorige eeuw) niet onder stoelen of banken. Het gebruik van schaduwen en uitvergrote stijlmiddelen wordt aangevuld met het originele kleurgebruik van Diao’s vaste cinematograaf Jingsong Dong (ook Long Day’s Journey Into Night, 2018).

De klopjacht op een moordenaar door zowel onderwereld als politie mag dan wel een modern eerbetoon aan M (1931) van Fritz Lang zijn, desondanks wordt het plot overvleugeld door de atmosfeer van kunstzinnige arthouse. De korte scènes in de dierentuin en de circustent lijken wat gekunsteld, de fellatioscène in de roeiboot is gewaagder. Echt enerverend wordt The Wild Goose Lake pas als de meute jagers de locatie van Zhou heeft ontdekt. De film draait vanaf 12 maart in een aantal landelijke bioscopen.

Nog te zien vrijdag 6 maart 21.45 uur in Studio/K.

 

Moonlit Winter

Moonlit Winter – Verboden liefde
De Koreaanse middelbare scholiere Sae-bom opent een mysterieuze brief die is bestemd voor haar zojuist gescheiden moeder Yoon-hee. De brief is gepost door een oudere vrouw in het Noord-Japanse stadje Otaru die haar inwonende nicht een plezier denkt te doen. Sae-bom verzwijgt de inhoud van de brief aan haar moeder (en aan de kijker) en lokt die mee op een trip naar Japan. In het geheim gaat ook Sae-boms vriendje mee. Moonlit Winter (Yunhui-ege) is een verhaal over een verboden liefde dat sfeervol is gefilmd, maar dat laat op gang komt.

In de tweede speelfilm van Lim Dae-hyung is de eeuwige sneeuw van Otaru een metafoor voor gevoelens die zich moeilijk laten ontdooien. Zowel fysieke als emotionele afstand tussen mensen houden de personages in hun greep. Het verlangen naar liefde en aanraking neemt de toeschouwer mee naar een moeizame ontknoping, die begrijpelijkerwijs afstandelijk aanvoelt, maar warmte ontbeert. Vooral voor niet-Aziaten staan de culturele achtergronden een goed begrip over de menselijke verhoudingen in de weg: Japan-Korea, moeder-dochter en in dit geval de verboden liefde. Aanvankelijk is het moeilijk te begrijpen wie wie is en welke rol zij in het geheel hebben. Op die manier ontwikkelt het drama zich teveel als een puzzel die de kijker moet zien op te lossen en mis je enige uitleg of achtergrond, waardoor de emotionele betrokkenheid met de karakters laat op gang komt. Ondertussen zorgen de perikelen tussen Sae-bom en haar vriendje voor een vrolijke noot.

Nog te zien vrijdag 6 maart 21.20 uur in Studio/K en zondag 8 maart 19.30 uur in Studio/K.

 

Yellow Ribbon

Yellow Ribbon – De waarheid zinkt niet
De yellow ribbon geldt als een symbool van bewustzijn. Canadese moeders en vrouwen droegen het toen hun zonen en mannen in de oorlog moesten vechten en inwoners van Brazilië en Nieuw-Zeeland dragen het om de aandacht te vestigen op de vele suïcides. In de meeste landen staat het gele lintje symbool voor hoop en solidariteit. In Zuid-Korea zie je ruim vijf jaar na het zinken van de veerboot Sewol de afbeelding nog op vele plaatsen prijken ter nagedachtenis aan de slachtoffers en hun families van de ramp waarbij 304 van de 476 passagiers en bemanningsleden pal voor de kust de dood vonden.

De documentaire Yellow Ribbon van Yu Hyun-sook volgt vijf personen die op de een of andere manier waren betrokken bij de ramp op 16 april 2014 en de nasleep daarvan. Met name het feit dat de kapitein en een aantal bemanningsleden de passagiers aan hun lot overlieten, de te late reddingspogingen en de verdrinkingsdood van 250 middelbare scholieren hebben diepe indruk achtergelaten. De documentairemaakster kiest niet voor sensationele beelden, zoals de vele mensen aan de oever die de Sewol hebben zien zinken – het latere shot van de gehavende veerboot op een werf is al indrukwekkend genoeg.

Yellow Ribbon laat vooral zien hoe in Zuid-Korea na het falen van de autoriteiten een protestbeweging uitgroeit tot ongekende proporties. Dat niet iedereen de vele uitingen van burgerlijk ongenoegen steunt, blijkt uit het fragment dat tijdens een hongerstaking demonstratief gratis pizza’s worden uitgedeeld. Veel mensen kunnen zich niet identificeren met de nabestaanden en vergeten de ramp het liefst. Echter het merendeel van de bevolking kan niet wachten totdat de ware oorzaak eindelijk boven tafel komt en alle schuldigen ter verantwoording worden geroepen.

Nog te zien vrijdag 6 maart 17.00 uur in Rialto en zondag 8 maart 17.20 uur in Studio/K.

 

Exit

Exit – Game of drones
Exit (Ekisiteu) is zonder twijfel de grappigste film van CinemAsia 2020. Het debuut van Lee Sang-geun was met negen miljoen bezoekers een grote kaskraker in Zuid-Korea en is ook voor de westerse kijker uiterst onderhoudend. Yong-Nam (Jo Jung-suk) heeft na zijn studie geen zin om te gaan werken en houdt zich het liefst bezig met rotsklimmen. Hij dringt erop aan dat het zeventigste verjaardagsfeest van zijn moeder wordt gevierd in Dream Garden, omdat daar zijn oude vlam Eui-ju (Im Yoon-ah) werkt. Nadat de stad wordt overspoeld met wit gifgas dat ook de etage van Dream Garden dreigt te bereiken, moet Yong-Nam alles op alles zetten om zijn familie en zijn liefje te redden.

In deze als actiekomedie vermomde rampenfilm worden halsbrekende toeren afgewisseld met heerlijk hysterisch sentiment waarbij Yong-Nams vader (Park In-hwan) de kroon spant door in alle opzichten en op alle momenten fanatiek mee te leven met het lot van zijn zoon. Net als in de meeste andere (Amerikaanse) rampenfilms stapelen de genreclichés zich langzaam op, echter Exit blinkt uit door originele vondsten, subtiele humor en het gemis van (bloederig) geweld, terwijl de bovengemiddelde realiteitszin ook de kijker klamme handen garandeert. De capriolen in Safety Last! (1923) waarin filmkomiek Harold Lloyd aan de wijzers van een torenklok bungelt, zijn kinderspel met het soms bloedstollende klimwerk van onze Koreaanse held in wording. Steeds verder en steeds hoger leidt de weg naar redding, totdat er uiteindelijk hulp uit onverwachte hoek komt. Het inlevingsvermogen en het sentiment, soms compleet over de top, van Exit zijn zo meeslepend dat menig kijker het niet droog zal houden.

Nog te zien vrijdag 6 maart 19.15 uur in Studio/K en zaterdag 7 maart 21.45 uur in Studio/K.

 

6 maart 2020

 

Deel 1

 

MEER FILMFESTIVAL

CinemAsia 2020 – Deel 1

CinemAsia 2020 – Deel 1:
Anderen helpen, maar ook jezelf

door Cor Oliemeulen

De Aziatische cinema is bezig aan een onstuitbare opmars. Daar kan geen virus wat aan veranderen. In ons eerste verslag van CinemAsia 2020 twee opvallende drama’s uit India, het Indonesische antwoord op de Amerikaanse superheldenfilm en een nachtmerrieachtige thriller over de Chinese onderdrukking in Taiwan. Gemeenschappelijk thema: soms moet je anderen helpen om jezelf te kunnen helpen.

 

The Wayfarers

The Wayfarers – Humaan geploeter in de modder
Dat de Indiase cinema veel meer is dan Bollywood bewijst Goutam Ghose, die in de jaren zeventig begon als documentairemaker en fotojournalist. Zijn sociaal-realistische stijl komt tot uitdrukking in zijn jongste speelfilm The Wayfarers (Raahgir), waarin hij zich andermaal focust op het leven van de onderklasse in de Indiase samenleving.

De moedige Nathuni (Tillotama Shome: Moonsoon Wedding, 2001) woont met haar verlamde man en hun zoontje en dochter in een geïsoleerde omgeving. Ze hebben weinig te eten, maar proberen het beste van het leven te maken. We volgen Nathuni de dag nadat ze door twee mannen dreigt te worden verkracht. Ze moet vele kilometers lopen over ongeplaveide wegen en paadjes om werk in de stad te zoeken. Onderweg ontmoet ze de opgewekte Lakpathi (Adil Hussain: Life of Pi, 2012). In korte flashbacks vertellen ze over hun levens. Zo leren we dat Nathuni’s man tijdens een betoging een politiekogel in zijn rug kreeg en dat Lakpathi vroeger een begenadigde danser was die door zijn grootste concurrent uit de gemeenschap werd verjaagd. Op weg naar de stad ziet het koppel hoe een marskramer met zijn motor en karretje met twee doodzieke bejaarde zwervers vastzit in de modder. Niemand wil hem helpen, maar Nathuni en Lakpathi steken de handen uit de mouwen om hun voetreis vol ontberingen te voltooien.

The Wayfarers is een klein drama met een heel groot hart. We zien hier mensen, niet gehinderd door enige luxe, die niet zeuren wanneer ze iemand in nood moeten helpen. De dankbaarheid die volgt is al even ontroerend.

Nog te zien zaterdag 7 maart 21.30 uur in Rialto.

 

Dolly Kitty and Those Twinkling Stars

Dolly Kitty and Those Twinkling Stars – Liever leven dan overleven
Ook verstoken van de obligate Bollywood-liedjes en -dansjes is Dolly Kitty and Those Twinkling Stars van de Indiase scenarist en regisseur Alankrita Shrivastava. Op CinemAsia 2016 won zij de publieksprijs met Lipstick Under My Burkha, dat vanwege de opzwepende verbeelding van rebelse vrouwen in eigen land verboden was. Ook in haar derde speelfilm worden taboes doorbroken en staat het verzet van vrouwen in een door mannen gedomineerde samenleving centraal.

De jonge Kajaal vertrekt naar een voorstad van New Delhi om werk te zoeken. Zij gaat logeren bij haar nicht Dolly, die naar buiten toe pretendeert een voorbeeldig en onbezorgd leven te leiden met haar man en twee zoontjes. Tijdens haar eerste baantje in een schoenenfabriek wenst Kajaal zich niet als een slaaf te laten behandelen. Nadat Dolly’s man zich aan haar probeert op te dringen, verkast Kajaal naar een hostel en vindt een baan in een callcenter waar ze, als Kitty, romantische gesprekken met telefonerende mannen moet voeren. Hoewel Dolly er aanvankelijk schande van spreekt, zeker nadat Kajaal verliefd wordt op een beller, laat ook zij zich niet langer ringeloren door haar directe (mannelijke) omgeving. Ook zij vindt een nieuwe liefde.

Dolly Kitty and Those Twinkling Stars past goed in de huidige trend van vrouwen in India die voor hun eigen belangen en (seksuele) gevoelens opkomen. Een oprechte, sympathieke film met een lach en een traan die nergens vergeet onderhoudend te zijn.

Nog te zien vrijdag 6 maart 21.30 uur in Rialto en zaterdag 7 maart 14.00 uur in Rialto.

 

Gundala

Gundala – De eerste Indonesische superheld
Het grootste entertainmentbedrijf van Indonesië, Bumi Langit, publiceerde de afgelopen 60 jaar meer dan 500 karakters in stripverhalen. Als antwoord op de superheldenfilms van Marvel en DC Comics is Gundala het eerste populaire personage dat in een nieuwe reeks op het witte doek verschijnt. De ambities zijn er, maar om echt te concurreren is er qua originaliteit en uitvoering nog wel wat werk aan de winkel.

Het jochie Sancaka verliest zijn vader tijdens een gewelddadige arbeidersopstand en een jaar later verdwijnt zijn moeder spoorloos. Hij leert van zich af te bijten en gaat als hij volwassen is werken als beveiliger en monteur van een drukkerij. Net zoals Batman verliest Sancaka zijn ouders op jonge leeftijd en heeft hij één angst: geen vleermuizen, maar bliksem. Maar op het moment dat Sancaka wordt getroffen door de bliksem krijgt hij superkrachten en verandert hij in de superheld Gundala. Hij zal het opnemen tegen allerlei gespuis van de straat en de corrupte overheid die moordlustige wezen traint en hypnotiseert om de duistere samenleving verder te ontwrichten.

Gundala van Joko Anwar begint veelbelovend met een aardige premisse, mooie beelden en een jongetje dat wat doet denken aan zijn collegaatje in Lion (2016) dat aan zijn lot is overgelaten. Maar later wordt de film steeds rommeliger en stapelen de clichés en ongeloofwaardigheden zich op. Zo is de schurk een deels verbrande Two-Face, lijkt het muziekthema verdacht veel op dat van Marvel en begint het ook buiten het regenseizoen spontaan te bliksemen zodra Gundala superkrachten nodig heeft. Verder zien veel vechtscènes er even onbeholpen uit als de outfit van onze sympathieke superheld.

Gundala verdient een betere sequel. Ondertussen staat de volgende superheld van Bumi Langit aan de zijlijn te trappelen: de blinde zwaardvechter Mata Malaikat. Deze titelheld zal worden vertolkt door Iko Uwais (bekend van de The Raid-films), dus dan zijn spectaculaire martial arts in ieder geval gewaarborgd.

Nog te zien zaterdag 7 maart 19.15 uur in Studio/K.

 

Detention

Detention – Doden tot leven brengen
Een zenuwslopende, deprimerende film met een hoopvolle boodschap. Dat is Detention (Fanxiao) van John Hsu, die zijn debuut baseerde op een populair videospel. Plaats van handeling is een bijna uitgestorven school in Taiwan tijdens de Chinese staat van beleg in de jaren zestig. Hsu mengt intelligent een politiek drama met romantiek en horror. Stijlvol gefilmd, ingenieus gemonteerd en bij vlagen ontroerend.

Tijdens het totalitaire regime zijn de meeste boeken verboden. In de kelder van een school komen de leden van een geheim boekenclubje samen. Maar dan blijkt dat iemand het clubje heeft verraden, waardoor de andere leden worden gemarteld en vermoord. In een nachtmerrieachtige sfeer gaat een meisje op zoek naar antwoorden. En zoals dat gaat in nachtmerries weet je niet altijd wat en waarom iets gebeurt en bevind je je plots weer in een andere dimensie en situatie. De geluidsband is sinister, de beelden zijn afwisselend onheilspellend, luguber, angstaanjagend, maar op andere momenten poëtisch. De horrorelementen illustreren de verschrikkingen die de Taiwanese bevolking tijdens de Chinese onderdrukking moest ondergaan.

Het hoopvolle van Detention is dat het verbod van boeken ‘het woord’ nooit zal kunnen uitbannen. Dat blijkt onder meer wanneer een jongen en een meisje, die weten dat ze binnen worden afgeluisterd, liefdevolle zinnen voor elkaar op een papiertje schrijven. Buiten praten ze over de schoonheid van bloemen en tekenen ze de toetsen van een piano, zodat ze samen in hun gedachten muziek kunnen maken. Er is dus hoop na alle onderdrukking en verderf. Alles wat dood is, kun je weer tot leven brengen.

Nog te zien donderdag 5 maart 21.45 uur in Studio/K en zaterdag 7 maart 21.40 uur in Studio/K.

 

5 maart 2020

 

Deel 2

 

MEER FILMFESTIVAL

CinemAsia 2020 – Vijf tips

Vijf tips voor CinemAsia 2020
Stemmige film noir en hartverwarmend familiedrama

door Alfred Bos

In 2009 scheurde hij als vrijwilliger kaartjes bij de deur, sinds vorig jaar is Shiko Boxman de baas van het festival voor de film uit Azië. Hij geeft zijn tips voor CinemAsia 2020.

Als Koreaans adoptiekind van Nederlandse pleegouders is Yoon-shik (‘Shiko’) Boxman vloeiend in de cultuur van het westen én het oosten. Dat blijkt uit zijn filmsmaak. “Oldboy (Chan-wook Park, 2003) is voor mij de meest iconische film ooit. Die film had op mij zo’n impact omdat hij van een Koreaanse regisseur was. Dat zijn we hier in Nederland niet gewend. Er is geen regisseur die wraakgevoelens zo goed kan vertalen naar het witte doek.”

The Wild Goose Lake

The Wild Goose Lake

“Voor mij was Crouching Tiger, Hidden Dragon (2000) van Ang Lee een hele belangrijke film. Voor het eerst in mijn leven zag ik Aziatische acteurs in een volwaardige rol. Ik kan ook ontzettend genieten van Europese arthouse, de Dogma-films bijvoorbeeld. Alex van Warmerdam vind ik een fantastische regisseur, voor mij is Borgman (2013) de laatste echt goeie Nederlandse film geweest. Tarantino is ook bepalend geweest voor mijn jeugd en mij als filmliefhebber.”

Voor de 2020 editie van CinemAsia tipt hij de volgende films.

Gundala (Joko Anwar, 2019, Indonesië)
Joko Anwar is een van de meest zichtbare representanten van de opkomende cinema uit Indonesië. Twee jaar terug vertoonde CinemAsia zijn horrorfilm Satan’s Slave, een kassucces in zijn thuisland en verkocht aan meer dan veertig landen, en was de regisseur te gast op het festival als lid van de jury van de CinemAsia Jury Award. Anwar, begonnen als filmciticus van de Jakarta Post en scenarist, is goed thuis in het fantasy/horrorgenre. Gundala (‘bliksemschicht’) is de verfilming van een Indonesische strip uit de jaren zeventig over de wetenschapper Santaca die als superheld met bliksemkrachten het opneemt tegen duivels geboefte. Gundala, zoon van de bliksem, is de Aziatische tegenhanger van de Amerikaanse superhelden The Flash en Black Lightning.

Te zien woensdag 4 maart 21.30 uur in Studio/K en zaterdag 7 maart 19.15 uur in Studio/K.

Fagara (Heiward Mak, 2019, Hong Kong)
Fagara
markeert de comeback van Heiward Man, na haar veelbelovende speelfilmdebuut, het tienerdrama High Noon (2008), gemaakt toen ze 23 was, en enkele minder geslaagde commerciële projecten. Tijdens de begrafenis van haar vader ontmoet een jonge vrouw uit Hong Kong twee halfzussen van andere moeders. De een, een androgyne snookerprofessional uit Taiwan, kan niet overweg met haar moeder. De ander, een modebewuste vlogger uit China, verweert zich tegen oma die haar graag ziet trouwen. Gezamenlijk moeten ze het familierestaurant draaiende houden. Fagara is vergeleken met het werk van de Japanse meester van het gezinsdrama, Hirokazu Kore-eda.

Te zien donderdag 5 maart 21.30 uur in Studio/K en zaterdag 7 maart 19.00 uur in Rialto,

The Wayfarers (Goutam Ghose, 2019, India)
Deze onafhankelijke productie van de Bengaalse veteraan Goutam Ghose heeft twee heuse filmsterren (Adil Hussein, Life of Pi, en Tillotama Shome, Monsoon Wedding) in de hoofdrollen. De Indiase titel Raahgit verwijst naar een Indiase actiegroep die verstopte wegen op aangewezen dagen wil afsluiten voor verkeer; in de film zijn de wegen verlaten. Een vrouw op zoek naar werk en voedsel voor haar straatarme gezin ontmoet een rondreizende acrobaat. Gezamenlijk helpen ze een andere vreemdeling, een marskramer die met zijn brakke machine twee halfdode bedelaars naar het ziekenhuis brengt. De omstandigheden zijn bruut, het landschap leeg en het leven hard. The Wayfarers heeft de eenvoud van een fabel en ontroert door zijn empathie met verschoppelingen.

Te zien woensdag 4 maart 17.15 uur in Studio/K en zaterdag 7 maart 21.30 uur in Rialto.

Suk Suk (Ray Yeung, Hong Kong, 2019)
Twee mannen op leeftijd, de een getrouwd en de ander weduwnaar die inwoont bij het christelijke gezin van zijn zoon, ontmoeten elkaar bij toeval en worden een stel. Suk Suk, de derde film van regisseur Ray Yeung, is genomineerd voor de publieksprijs van het recente filmfestival van Berlijn en werd onderscheiden met de Hong Kong Film Critics Society Award. In 2016 vertoonde CinemAsia Yeungs tweede speelfilm, Front Cover, eveneens rond LGBT-thematiek. Acteur Chun-yip Lo, hij speelt de zoon, zal tijdens het festival aanwezig zijn.

Te zien donderdag 5 maart 19.05 uur in Studio/K en zaterdag 7 maart 16.40 uur in Studio/K.

The Wild Goose Lake (Yi’nan Diao, China, 2019)
Stemmige film noir van de regisseur die vijf jaar terug verraste met de donkere thriller Black Coal, Thin Ice, destijds goed voor de Gouden Beer van het filmfestival in Berlijn. In The Wild Goose Lake zijn het niet ijs, vrieskou en zielloze provinciesteden die de sfeer bepalen, maar regen, broei en neon. Tijdens een gangsteroorlog doodt de baas van een misdaadfamilie een agent en wordt gezocht door autoriteiten en criminelen. Ook in China is de film ondertiteld, want de taal is het dialect van Wuhan. Deze arthouse-misdaadthriller was te zien tijdens het recente filmfestival van Rotterdam en krijgt vanaf 12 maart een landelijke release.

Te zien vrijdag 6 maart 21.15 uur in Studio/K.

 

Kaarten voor deze en andere films die draaien tijdens CinemAsia 2020 zijn te bestellen via de website.

 

4 maart 2020

 

Lees hier ons lange interview met Shiko Boxman.

 


MEER FILMFESTIVAL

LFF toont potentieel filmregio Limburg

LFF toont potentieel filmregio Limburg

door Sjoerd van Wijk

Voor de vierde maal vond in Venlo het Limburg Film Festival (LFF) plaats. Het is niet alleen een terugblik op het voorgaande jaar, maar ook een vooruitblik op een nieuw filmseizoen voor de Limburgse film.

Het festival laat zien dat Limburg een regio met veel filmpotentieel is. Er hangt een amicale sfeer bij de Q&A’s, waar filmmakers eerlijk de voors en tegens van hun werk bespreken. En collega’s durven elkaar ook lastige vragen te stellen zonder harde gevoelens. Dit trekt zich ook door in het uitgebreide programma voor professionals, waar veel ruimte is voor de onafhankelijke film. In bijvoorbeeld de writers room bespreken ambitieuze makers open elkaars plannen en lijkt iedereen welkom. Zo voelt het LFF als een festival voor en door makers en zet het Limburg op de kaart als een welkom toevluchtsoord voor hen die aan de Amsterdamse dominantie binnen de Nederlandse filmwereld willen ontsnappen. Dat uit zich ook in de programmering, waar de documentaire een prominente plaats inneemt.

Basquiat in Heerlen

Braaf Basquiat
Basquiat in Heerlen volgt de voorbereidingen van het Heerlense Schunk Museum voor zijn grootste expositie ooit. Het kleine provinciale museum gaat namelijk topwerken van de straatschilder Basquait exposeren, wat gegeven de verwachtingen (bezoekersaantallen van een jaar in een maand tijd) presteren op het top van je kunnen betekent. Cameraman Wouter Nelissen maakt een sympathiserend portret waarin vooral de gekte rond moderne beeldende kunst centraal staat. Verzekeraars hebben de meest stringente eisen, maar gelukkig (of helaas) verloopt alles vlekkeloos wat de documentaire te braaf maakt. De rebelse The Velvet Underground & Nico als soundtrack is een aardige knipoog naar Basquiat maar gegeven de rustige beelden misplaatst.

Onsamenhangend potsierlijk
Bij De dans van Tislit lijkt de aanname dat het maken van een zogenaamde kunstfilm een vrijbrief voor onsamenhangende potsierlijkheid inhoudt. Geboekstaafd door een Marokkaanse mythe over een watergodin verhaalt deze documentaire over van alles en nog wat, waarbij een uitwisseling tussen Marokkaanse en Nederlandse kunstenaars de rode draad zou moeten zijn. Het enige wat van die reis bijblijft zijn wat platitudes over hoe anders het leven in Marokko is. De mythe zelf steekt comeback Terrence Malick de loef af qua pseudo-spiritualiteit. Daar fietsen vervolgens nog verhandelingen over de klimaat catastrofe, dijkwerkers, de watersnoodramp en meer doorheen.

Sentimentele voltreffer
Het winnen van het Oud Limburgs Schuttersfeest is niet alleen een grote eer, maar ook een grote verantwoordelijkheid. Want de winnaar organiseert de volgende editie. Documentairemaker Ruud Lenssen, met drie films goed vertegenwoordigd op het LFF, volgt in De zes van Zaerum de schutterij van Sevenum bij de organisatie en weet innemend de drijfveren van de zes schutters te tonen. Zij vertellen uit het hart gegrepen verhalen over de betekenis van deze Limburgse traditie. Op lyrische wijze prikt deze documentaire door tot de kern van de hechte gemeenschap rond het schieten. Net als Nao ‘t zuuje over Limburgs carnaval schuurt deze ode aan de Limburgse cultuur soms wel tegen het sentimentele aan.

De Mythe van het Meer

Duik aan de oppervlakte
Ruud Lenssen tracht ingetogen in de huid van zijn subjecten te kruipen met levendig camerawerk. In De Mythe van het Meer (gekozen tot beste korte documentaire) probeert hij dat bij een duiker die in het Oostvoornse meer op zoek is naar de wrakstukken van een in 1940 neergestort Engels vliegtuig. Voor de duiker zelf heeft dit grote persoonlijke significatie wegens zijn hechte band met zijn opa, van wie hij het gerucht had opgepikt. De zoektocht naar het wrak verloopt moeizaam en loopt met een sisser af als hij de familie van de piloot op het spoor komt. De documentaire voelt anti-climactisch aan, omdat deze niet tot de kern van de duikers drijfveren weet te komen. Door de geslotenheid blijft alles aan de oppervlakte.

Venlose fröbelaar
De Venlonaar Bernard Martens stort zich met overgave in vele soorten media, van striptekeningen tot poppen en korte films. Dat doet hij als zijn alter ego Maberi. In Maberi, Myself & Me toont Martens het maffe oeuvre van Maberi en hoe deze zich gaandeweg ontwikkelt van een artistiek kluizenaar tot frontman van diverse bands. Zijn cinema heeft de ad hoc benadering van Tommy Wiseau of Neil Breen, met abrupte montage van archiefbeelden en fragmenten van zijn werk. Bij Martens spreekt daar een aandoenlijke authenticiteit van uit, die van de bij vlagen hilarisch droge opsomming van artistieke avonturen een plezante ervaring maken. Dit soort oprecht fröbelen brengt het plezier in creatie terug.

 

13 januari 2020


MEER FILMFESTIVAL

Tapis Rouge 2019 – Preview

Preview Tapis Rouge 2019
Mooi programma nieuw Frans filmfestival

door Cor Oliemeulen

Nederland telt meer dan 150 filmfestivals en elk jaar komen er een paar bij. Zo is Tapis Rouge een Frans filmfestival dat voor het eerst zal worden gehouden van 30 oktober tot en met 3 november in Amsterdam. In deze voorbeschouwing bespreken we de openingsfilm Hors Normes (van de makers van Intouchables), de nieuwe film van absurdist Quentin Dupieux en een drama over rouw.

 

Hors Normes

Hors Normes: komisch drama rond autisme
Tapis Rouge trapt af met de Nederlandse première van Hors Normes waarin bijna iedereen inderdaad buiten de gangbare normen handelt. Dat geldt om te beginnen voor de regisseurs Olivier Nakache en Éric Toledano die zich vanaf hun grandioze hit Intouchables (2011) met pure comedy bezighielden, maar ditmaal vrolijke uitstraling geloofwaardig en effectief met drama weten te combineren. Het uitzinnige van voorganger C’est la vie maakt in Hors Normes plaats voor gepaste ingetogenheid. In het verhaal over de opvang van autisten treden twee gepassioneerde mannen buiten de gebaande paden in de gezondheidszorg. Sterker nog: als reguliere instellingen niet meer weten wat ze met hun patiënten aan moeten, doen zij een beroep op Bruno (Vincent Cassel). Hij krijgt daarbij steun van Malik (Reda Kateb) die criminele jongeren uit achterstandswijken koppelt aan autisten.

Het is wachten op de inspectie die constateert dat de opvang niet aan de regels voldoet. Maar wat is het alternatief? Mensen met problematische gedragsstoornissen in een kamertje wegstoppen of proberen om er met aandacht, liefde en heel veel energie iets menselijks van te maken? Sterke rollen van beide hoofdrolspelers, maar vooral van Joseph (Benjamin Lesieur, in werkelijkheid ook autistisch). Hij mag op proef gaan werken bij een wasmachinebedrijf, want hij is geobsedeerd door die draaiende apparaten. Zowel komisch als lastig zijn Josephs fascinatie voor een vrouwelijke collega en zijn neiging om in de metro aan de noodrem te trekken. Diep gaat Hors Normes niet in op de problematiek, maar ondanks de luchtige toon is er respect en empathie voor alle betrokkenen.

 

Deerskin

Deerskin: dialoog met een jasje
Iemand die ook niet binnen de lijntjes kleurt, is Quentin Dupieux, voornamelijk bekend van Rubber (2010) en Réalité (2014). Ook in Deerskin (Franse titel: Le daim) viert het absurdisme hoogtij. Georges (Jean Dujardin: The Artist) koopt een jasje van hertenleer voor 7.000 euro bij een particulier, is daarmee blut, maar krijgt er wel een camcorder bij. In zijn jasje voelt hij zich geweldig en het zal niet lang duren voordat hij zich ook kan kleden met een hoed, broek, schoenen en handschoenen van hertenleer. Voilà, de titel van deze zwarte komedie is verklaard, geholpen door enkele op het oog nietszeggende tussenshots van een hert in de natuur, die wel de opmaat voor de krankzinnige finale vormen.

Als jijzelf het mooiste jasje van de wereld hebt, en het jasje zelf ook vindt (!) dat alle andere jasjes op de wereld moeten verdwijnen, begint Georges’ missie, nauwkeurig vastgelegd op zijn camera. Hij krijgt hulp van barvrouw Denise (Adèle Haenel: Portrait de la jeune fille en feu) die ook erg van film houdt en graag films monteert: “Ik heb alle scènes van Pulp Fiction op chronologische volgorde gezet.” Zonder enig scenario gaat zij met het opmerkelijke materiaal van Georges aan het werk en ontdekt zowaar een rode draad: het hertenleren jasje. Geleidelijk verdwijnen er steeds meer jasjes, maar dat verloopt uiteraard niet zonder slag of stoot. Met twee grote acteernamen in de hoofdrollen maakte Dupieux een heerlijk absurdistische kijkervaring en een van de leukste films van het jaar.

 

Amanda

Amanda: opvoeden moet je leren
Of een dierbare overlijdt als gevolg van een ziekte of door een terroristische aanslag, zoals in Amanda, rouw is een logisch gevolg. Nu de zevenjarige Amanda (debutante Isaure Multrier) plotseling haar moeder heeft verloren, is haar oom David (Vincent Lacoste: Plaire, aimer et courir vite) de aangewezen voogd. Werkzaam als bomensnoeier en hulpje van een woningverhuurder staat het leven van deze jonge twintiger voortaan in het teken van opvoeder en beschermer. David was al erg close met Amanda en haar moeder, maar zo’n nieuwe bestemming gaat niet in de koude kleren zitten. Zo verkast hij naar de woning van zijn zus, krijgt ruzie met Amanda omdat hij de tandenborstel van haar moeder heeft weggegooid, begeleidt haar naar school en probeert zijn eigen intense verdriet zoveel mogelijk bij zichzelf te houden.

Amanda is een drama over rouwverwerking en opkrabbelen omdat je eigen leven nu eenmaal verdergaat. Hoewel de titel verwijst naar de dochter, draait het plot om oom David. Hij acteert ingetogen en zijn verdriet is geloofwaardig, maar onder die oppervlakte van lijden en worstelen zit weinig psychologische diepgang. Natuurlijk is dat lastig omdat David introvert is en het vooral moet hebben van gelaatsuitdrukkingen en gebaren, bijvoorbeeld wanneer zijn kersverse vriendin Léna (Stacy Martin: Vox Lux) besluit om uit Parijs te vertrekken omdat zij zelf gewond raakte bij de aanslag en ook met een trauma kampt. Na te weinig indrukwekkende gebeurtenissen, rest een ontmoeting van Amanda en David met zijn moeder Alison (Greta Scacchi: La ragazza nella nebbia) die haar twee kinderen heel lang geleden verliet en sindsdien woont in Londen. De uitgesponnen slotscène op de volle tribune van Wimbledon laat symbolisch zien hoe je tegenslagen kunt overwinnen.

Lees hier het hele programma van Tapis Rouge.

 

25 oktober 2019


MEER FILMFESTIVAL