Painter and the Thief, The

****
recensie The Painter and the Thief

Hoe de kunstrover zelf een kunstwerk werd

door Ries Jacobs

In 2015 stalen inbrekers twee schilderijen van de Tsjechische kunstenares Barbora Kysilkova. De dieven pikten er de duurste doeken uit waardoor het in eerste instantie leek te gaan om een professionele kunstroof. Maar niets bleek minder waar.

De diefstal leek een vooraf zorgvuldig geplande actie te zijn. In plaats van het canvas snel en slordig uit de lijst te snijden, maakten de inbrekers het nietje voor nietje los van het houten frame. Maar de kunstdieven bleken twee junks die nauwelijks wisten waar ze mee bezig waren. Op basis van camerabeelden werden ze snel gevonden.

The Painter and the Thief

Met Karl Bertil-Nordland, een van de dieven, neemt de al jaren in Noorwegen woonachtige Kysilkova contact op in de hoop erachter te komen waar de gestolen schilderijen zijn. De met tatoeages bedekte inbreker heeft zichtbaar spijt van zijn daad. Hij wil alle medewerking verlenen, maar kan zich, met zijn hoofd vol drugs, niets van de diefstal herinneren. Kysilkova vraagt hem te poseren voor een kunstwerk. Dit is het begin van een reeks schilderijen en een vriendschap tussen de kunstenares en de dief.

Een prachtig sprookje?
Regisseur Benjamin Ree vertelt zijn verhaal niet altijd chronologisch, iets wat niet vaak gebeurt in documentaires en deze relatief lange film spannend houdt. Hij licht een belangrijke gebeurtenis uit en vertelt daarna uitvoerig welke ontwikkelingen tot deze gebeurtenis leidden. Het verhaal leent zich hier prima voor want de levens van de kunstenares en de drugsverslaafde nemen nog wel eens een onverwachte wending.

Maar hoe kwam Ree juist bij deze twee personen uit? De regisseur zegt ‘altijd gefascineerd te zijn geweest door kunstroof’. Het zijn de contrasten tussen de elitaire kunstwereld en de veelal van de straat afkomstige criminelen die hem intrigeren. ‘Wie zijn deze dieven? Hoe kiezen ze hun schilderijen?’ De regisseur begon zoals iedereen tegenwoordig start met zijn research, hij zocht op Google. Daarna had hij gesprekken met meerdere kunstdieven, maar geen van hen vond hij interessant genoeg voor een documentaire.

Dit veranderde toen hij las over een kunstroof bij de in Oslo gevestigde galerie Nobel, waar twee schilderijen van een relatief onbekende, in realistische schilderijen gespecialiseerde kunstenares gestolen waren. Hij begon te filmen en zag de band tussen de kunstenares en de drugsverslaafde uitgroeien tot een prachtig sprookje over oprechte spijt en vergeving. Of toch niet?

The Painter and the Thief

Spelend kind
Gelukkig is The Painter and the Thief niet zo eendimensionaal. Ja, spijt en vergeving zijn wel degelijk aspecten die centraal staan in de documentaire, maar er is meer. Zo zien we hoe de kunstenares zich als een moeder ontfermt over de stuurloze drugsgebruiker, maar haar leven zelf ook niet zo goed op de rails heeft. Ze heeft een huurschuld van drie maanden en haar aanvragen voor tentoonstellingen worden afgewezen. Toch vertikt ze het om een parttime baan te zoeken. Ze wil alleen maar schilderen, zoals een kind alleen maar wil spelen.

Beide hoofdrolspelers hebben hun eigen sores, beiden vinden het moeilijk om hun leven zin en richting te geven. In dat opzicht lijken ze op elkaar, deze twee mensen die in compleet verschillende werelden leven en elkaar onder normale omstandigheden nooit hadden leren kennen. Dit is het mooiste aspect van The Painter and the Thief. De film toont te kijker hoe de schilders en de dief, net als alle mensen – arm of rijk, hoog- of laagopgeleid, snobistisch of van de straat – beiden met vallen en opstaan proberen hun leven vorm te geven.

 

26 juli 2021

 

ALLE RECENSIES

Tina

***
recensie Tina

Gunfactor 100

door Alfred Bos

Zijn twee uur genoeg om leven en loopbaan van Anna Mae Bullock, wereldberoemd als Tina Turner, recht te doen? De documentaire Tina doet een respectabele poging.

Ze had er schoon genoeg van. Op haar 45ste erkend als wereldster en iedereen wilde alleen maar praten over haar verleden. Om daar van af te zijn, publiceerde ze een autobiografie: hier staat het allemaal. Waardoor de vragen naar vroeger toenamen. Een biopic noopte haar opnieuw te praten over wat geweest was—de pijn, de vernederingen, het verdriet.

Maar nu is het echt klaar, met de documentaire Tina verdwijnt Tina Turner voorgoed uit het publieke leven. Nog één keer het verhaal, nog één keer de confrontatie met een leven zonder liefde. Daarna rust, geen vragen meer.

Tina

Emotioneel gebutst
Het door HBO geproduceerde Tina vertelt in twee uur het verhaal van Anna Mae Bullock die als Tina Turner uitgroeide tot muzieklegende. De eerste vrouw van middelbare leeftijd die een tienerpubliek aan zich wist te binden. Een voormalige rhythm-and-blues-vedette die rock wilde zingen, maar met pop een wereldster werd. Het slachtoffer van bruut huiselijk geweld dat haar leven herpakte en uitgroeide tot icoon. Het emotioneel gebutste kind dat haar droom najoeg en wist te realiseren.

Tina Turner is ook de enige muzikant van de jaren zestig generatie die tot bloei kwam nadat MTV in de jaren tachtig de wetten van de muziekindustrie had herschreven, iets wat zelfs The Rolling Stones niet lukte. Haar carrière is uniek, zeg gerust heroïsch. Een bron van inspiratie voor talloze, niet alleen zwarte vrouwen die een reeks van vooroordelen en hindernissen moeten overwinnen.

De documentaire geeft net genoeg context om de enormiteit van Turners prestatie te kunnen bevatten. Ike Turner, de meppende echtgenoot en leider van de Ike & Tina Turner Revue, was mentaal en muzikaal blijven steken in 1960. Zelfs toen de georkestreerde Philly-soul van The O’Jays en The Three Degrees, en kort daarop disco, de hitparades kleurden met een eigentijdse en gesoigneerde variant van soulmuziek, hield hij vast aan een geluid dat passé was. Zijn onzekerheid en frustratie liet hij los op haar.

Tina

Leven zonder liefde
Na enkele zelfmoordpogingen ontvlucht Tina Turner op 3 juli 1976 met alleen de kleren aan het gehavende lijf de tirannie van Ike. Na de echtscheiding behoudt hij alles, de auteursrechten, het geld; hij stuurt haar de vier kinderen en één maand huur. Zij krijgt haar artiestenaam toegewezen en, al loopt ze tegen de veertig, begint met niets opnieuw. In 1988 staat ze in het Macaranã-stadion in de Rio de Janeiro voor 180.000 man. Het is de meest onwaarschijnlijke comeback – zelf spreekt ze van debuut – in de muziekhistorie.

Tina Turner is de ‘queen of rock ‘n’ roll’, heeft meer platen verkocht dan enige andere vrouwelijke artiest en meer concertkaarten dan The Rolling Stones. Ze is tweemaal (!) opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame, als helft van het duo Ike & Tina Turner en als soloartiest. Haar autobiografie heet I, Tina en verscheen in 1986. Ze treedt al jaren niet meer op, maar er is de musical Tina. En haar levenslessen heeft ze genoteerd in het zelfhulpboek Happiness Becomes You.

Als 79-jarige blikt Tina Turner voor het laatst terug. Het was een leven zonder liefde. Haar moeder verliet haar als kind, heeft haar talent nooit willen erkennen. Het was ook een leven vol misbruik, de littekens staan voor altijd op haar rechterbovenarm (een pot gloeiende koffie van Ike). Maar ze had een begripvolle en gehaaide manager, Roger Davies, en heeft een begripvolle en liefhebbende echtgenoot, Erwin Bach, 17 jaar jonger. En nu leeft ze teruggetrokken in Kürnacht, aan het meer van Zürich. Wie misgunt het haar?

 

30 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

Gunda

****
recensie Gunda

Geknor als dialoog

door Bob van der Sterre

Gunda van Viktor Kossakovsky is een prachtige film over varkens, kippen en koeien. Net als in veel speelfilms is er komedie, drama en zijn er dialogen, alleen verstaan we dit keer de talen niet en is er geen ondertiteling.

Het zijn de ogen die je het meest bijblijven in de film. De blik van Gunda, het varken, van de kippen, en van de koeien – ze staren je aan en spreken ermee. Dat katten en honden dat doen, weten de meeste mensen wel. Maar wie had wel eens in de mooie ogen van een koe gekeken zoals deze film doet?

Gunda

Een Kossakovsky-film kun je niet beschouwen zonder de auteur erbij te halen. En hij is gretig in het geven van interviews dus het is niet lastig om zijn visie te achterhalen. Kossakovsky is (net als ondergetekende trouwens) al lang vegetariër. Als vierjarige was hij getraumatiseerd dat een varkentje dat zijn vriendje was geworden werd gebruikt voor een maaltijd. Hij zag naar eigen zeggen toen al in dat ze emoties hadden.

In 1997 kwam hij plotseling op het idee om een film te maken over de ‘heilige drie-eenheid kippen, varkens en koeien’. Het duurde twintig jaar voor hij de financiën rondkreeg. Het idee van een documentaire in zwart-wit, over dieren, dat ging er niet makkelijk in. Olifanten, apen, ja, daar kijken mensen naar. Hij vindt dat maar niets. “Waarom niet over varkens? We kennen ze al duizenden jaren. We eten ze maar verder kijken we nooit naar ze.”

Vier biggetjes, schouder aan schouder
Gunda biedt deze beesten zoals je vermoedelijk niet eerder zag in een film. Je ziet biggetjes sabbelen aan tepels (en hoe Gunda dat moet ondergaan). Biggetjes die regen uit de lucht happen. Mooi beeld: de vier biggetjes die voor de schuur buiten staan, letterlijk vier op een rij, schouder tegen schouder, om daarna een voor een de stal binnen te gaan. Kippen die hun ‘jungle’ verkennen. Koeien die nergens in het bijzonder heen denderen, gezellig bij elkaar, als een soort voetbaltraining.

In een interview met Het Parool vertelt Kossakovsky dat hij zes maanden had uitgetrokken voor de voorbereiding. Ze hadden verwacht maanden bezig te zijn met het zoeken naar een protagonist. “Al op de eerste boerderij die we bezochten was het raak. Gunda kwam zelf op ons af stappen, we hadden direct contact. Er was zo veel te lezen in haar ogen.”

Daarna dus filmen: om 4:00 bij de schuur, tot zonsondergang. Alles draaide om het vertrouwen van de dieren, legt hij uit in interviews. “Een grote camera is geen probleem. Ze vertrouwen je snel. De makkelijkste film die ik ooit heb gemaakt.”

Geen propaganda, wel waarheid
Vleeseters kunnen rustig naar de film: dit is géén propaganda voor vegetariërs. Kossakovsky wilde geen enkel beeld manipuleren en wil ook niemand overtuigen. Ook kleur ontbreekt: de film is zwart-wit. Met reden natuurlijk: “In zwart-wit focus je op de ogen, waarmee je dus veel meer aandacht hebt voor die persoonlijkheden.” En ook geen muziek zoals vrijwel standaard is in dierendocumentaires. “Je kijkt naar de waarheid.”

Het meest schurende stukje is vermoedelijk van de kippen die hun hele leven opgesloten zijn geweest, en ineens de kans krijgen om de wereld om hen heen te ontdekken. Je ziet de angst in de ogen van de kippen. Ook al stond het deurtje van de kooi open, duurde het volgens Kossakovsky een uur voor de eerste kip eruit durfde te gaan.

Een met een poot hippende kip, bevrijd uit gevangenschap, nieuwsgierig rondkijkend in wat zijn wereld had moeten zijn: dat is natuurlijk prachtige, ontroerende cinema. Kossakovsky vertelde dat hij hier nog een mooi stuk had weggelaten, namelijk dat de tweede kip uit angst terugkeerde in de kooi. “Dat was mooi maar zou het tempo uit de film hebben gehaald en te politiek hebben gemaakt.”

Dan blijkt dat ook Kossakovsky een mens is en tegen zijn eigen regels in een documentaire maakt met een boodschap. “Ja, het werd tijd voor een boodschap. Vergeef me.” In praktisch alle interviews die hij doet, somt hij ook de lugubere cijfers op: Elk jaar (!) eten we anderhalf miljard varkens, 66 miljard kippen, bijna een half miljard koeien en ontelbare vissen. En dan nog paarden, schapen, konijnen, eenden…

Gunda

Een snaar geraakt buiten Europa
De film raakt de snaar die je kunt indenken dat ie raakt. Kossakovsky vertelt hoe hij bedolven wordt onder de post van ontroerde mensen. Recensies zijn méér dan lovend: The New York Times, The Guardian, The Wall Street Journal, Rolling Stone, ga zo maar door, ze strooien met complimenten.

De jubelrecensies gaan eerlijk gezegd in veel gevallen niet veel verder dan platitudes dan dat ze beschrijven wat ze er zo vernieuwend aan vinden. Deze film past goed bij Kosakovsky’s kenmerkende onvoorspelbaarheid, zoals ook in zijn vorige film: Aquarela (iets beter dan Gunda, hoewel het appels met peren vergelijken is).

Een groot verschil met andere films is dat de Verenigde Staten nu ook de eigenzinnige documentairemaker lijken te ontdekken. Dat is iets nieuws voor de Russische filmmaker, die wel bekend was in Europa, maar daarbuiten niet zo. Het hielp voor de bekendheid van deze film ook dat Joaquin Phoenix – een van de bekendste veganisten in de VS – er als producer bij aangesloten was.

We hoeven Kossakovsky nu niet te verdenken van snode commerciële belangen met dit project, want zijn hele carrière maakt hij films die nauwelijks geld opbrachten, en dat heeft hem nooit tegengehouden. Gunda kan wel eens zijn knaller zijn – en dat is hem gegund.

En Gunda? Ze zal in elk geval na een mooi leven sterven van ouderdom.

Meer over dieren en emoties? Bekijk dan de website: Indipendenza.nl.

 

19 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

Zappa

****
recensie Zappa

Het verstand als valscherm, kunst als stootkussen

door Alfred Bos

Documentairemaker Alex Winter moest over verschillende hordes springen, maar eindelijk is er het filmportret van Frank Zappa, held én criticus van de hippiegeneratie, schrik van het establishment en schepper van een uniek genre, Zappa-muziek.

Frank Zappa (1940-1993): muzikant, componist, bandleider, satiricus, producer, gitarist, dirigent, regisseur, platenbaas, auteur, zakenman, ambassadeur, archivaris, huisvader. Dat was hij allemaal en toch werd hij maar 52 jaar oud. Tijdens zijn leven maakte hij meer dan zestig platen, in een krankzinnig scala van stijlen; de teller is sindsdien over de honderd gegaan. Alex Winters documentaire van twee uur lang kan de man onmogelijk recht doen. Toch is het mooi dat Zappa er is, want er komt nimmer een tweede als Frank Zappa.

Zappa

Deze woorden komen uit de tekstverwerker van een verklaarde fan, die sinds 1971 en zijn kennismaking met We’re Only in It for the Money – de elpee van The Mothers of Invention uit 1968, in een hoes die Sgt. Pepper parodieert – de wereld met andere ogen ziet en andere oren hoort. De kortste karakterschets van Frank Zappa is: onafhankelijke geest. Eén van zijn bekendste aforismen luidt: the mind is like a parachute, it only works when it is open. Kunst was zijn stootkussen tegen, in de woorden van wijlen W.F. Hermans, het sadistische universum.

Scheppen was voor Zappa verzet tegen de bekrompen middelmaat, het groepsdenken. Verstandig zijn betekende voor hem: doe het zelf als je het beter doet dan een ander. Vandaar dat volle leven, het is er voor avontuur. Genieën zijn zelden de makkelijkste mensen. Hugo Ball, de voorman van Dada, en Leonardo da Vinci in een. Met een vleugje Beethoven. Of eigenlijk Varèse.

Crowdfunding
Onder zijn huis, ‘de blokhut’, in Laurel Canyon, in de heuvels van Los Angeles, had Frank Zappa een klimaatgeregelde kelder. Het was een doolhof van wandrekken, gevuld met banden. Geluidsbanden, beeldbanden, eindeloos veel banden—Zappa’s archief. Hij legde elk optreden en iedere studiosessie vast, bewaarde alles.

Gail, Zappa’s weduwe die in 2015 overleed, beheerde het archief. Geen enkele documentairemaker kreeg haar fiat, tot Alex Winter – acteur, hij speelt Bill tegenover de Ted van Keanu Reeves in de films en tv-serie Bill & Ted, en regisseur van de documentaires Dowloaded, Deep Web en The Panama Papers – haar in 2014 vertelde Zappa te willen belichten als non-conformist, avant-gardecomponist en voorvechter van de tegencultuur. Dankzij crowdfunding kwam er een dik miljoen dollar beschikbaar om het Zappa-archief te conserveren, een klus van twee jaar. Het is Winters belangrijkste bron.

Zappa

Niet eerder vertoonde beelden
De focus van Zappa is de man, minder zijn muziek of invloed. Die man was geliefd, ook – of juist – door muzikanten die hebben gewerkt onder zijn veeleisende regime. Door een gril van het sadistische universum sprak ik enkele voormalige Mothers op de dag van Zappa’s overlijden, 4 december 1993; saxofonist Bunk Gardner was tot tranen geroerd. In de film overkomt vibrafoniste Ruth Underwood, bijna een kwarteeuw later, iets dergelijks.

Er zijn meerdere bands en gezelschappen die zich hebben toegelegd op de muziek van Frank Zappa. Voor hen en de vele fans zal Zappa, met niet eerder vertoonde beelden, serotoninegolven van genot opwekken. Eindelijk, dankzij of ondanks Gail Zappa, is er een filmportret dat recht doet aan een bijzonder mens en unieke muzikant. Maar de film dient bovenal als introductie bij een generatie die is opgegroeid met groepsdruk, digitaal narcisme en kritiekloos pleasen. Moraal: denk zelf na of anders doet een ander het wel voor jou.

Tip voor mensen die nieuw zijn met Zappa’s muziek: begin met Over-Nite Sensation. En YouTube staat vol met live-clips, inclusief complete concerten. Het spuit de oren schoon.

De documentaire Zappa gaat 17 juni in première in de bioscoop; op 18 juni verschijnt de 2cd Zappa ’88: The Last U.S. Show.

 

16 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

Bekroonde muziekdocumentaire te zien tijdens IN-EDIT
Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

door Alfred Bos

De Amsterdamse groep Panic was de breker van de eerste punkgolf die in 1978 door Nederland rolde. Het was ook de enige Nederlandse groep die optrad in de Newyorkse club CBGB’s, het punkmekka van Amerika. De documentaire Jimmy Is Punk vertelt hun verhaal.

Het is 1977. Joop den Uyl is minister-president van het enige linkse kabinet dat Nederland na de oorlog heeft gehad. In Engeland roert zich een nieuw geluid, punk. Het waait de Noordzee over.

Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

Peter ten Seldam zingt en Michiel Van ’t Hof speelt gitaar in de rock-’n-rollband Big Peter and the Garage. Ze rijden van de Amsterdamse Atletiek Club, waar ze sporten, naar de Singel in de binnenstad, waar Ten Seldam woont en de band repeteert. De autoradio speelt een nummer van de Sex Pistols.

Michiel Van ’t Hof: “We zijn langs de kant van de weg gaan staan om te luisteren. Dat moeten we ook gaan spelen!” Kort daarop morft Big Peter and the Garage tot Panic.

Andere tijden
Jimmy Is Punk – The Story of Panic is een reis in de tijd naar 1978. Op 3 mei van dat jaar spelen Ten Seldam, Van ’t Hof, bassist Piet van Dijk en drummer Rein De Graaf in het jeugdwerkclubhuis De Kunstmin in Gouda. Nederland heeft punk net ontdekt en Panic is een van de eerste Nederlandse punkgroepen die een elpee uitbrengt, 13. De zaal is goed gevuld.

Op initiatief van Ten Seldam is het optreden gefilmd, maar het materiaal nooit gebruikt (op een eenmalige vertoning van een ruwe montage in de Amsterdamse dansclub Mazzo na). Het dook op tijdens de voorbereiding van een aflevering van Andere Tijden over punk in Nederland.

Duco Donk, video-editor van beroep en vriend van de groep, monteerde de beelden tot een documentaire, die internationaal furore heeft gemaakt op filmfestivals. DOC LA in Los Angeles gaf de film vorig jaar de prijs voor beste muziekdocumentaire. FAME in Parijs deed hetzelfde.

Geen hanenkammen
Panic stond bekend om hun energieke optredens, met het atletische podiumbeest Peter ten Seldam – een kleine tien jaar ouder dan de andere bandleden – als blikvanger en gangmaker. Punk was in 1978 in Nederland een handvol bands groot: God’s Heart Attack (Amsterdam), Flyin’ Spiderz (Eindhoven, debuutalbum in 1977), Speedtwins (Arnhem), Ivy Green (Hazerswoude-Dorp) en Whizzguy (Huizen). Panics debuutoptreden in de bovenzaal van Paradiso sloeg in als een granaat, herinnert schrijver dezes zich. Peter te Seldam: “We werden direct herkend als dé punkband van Amsterdam.”

Drummer Rein De Graaf overleed in 2010, de andere drie bandleden leven nog. Twee daarvan, Ten Seldam en Van ’t Hof, zitten met Duco Donk rond een tafel. “Het gekke is dat we eigenlijk geen punks waren”, reageert Michiel op Peters opmerking. “Nee”, zegt die, “geen hanenkammen, geen nazisymbolen, geen gekkigheid.” Waarop Donk opmerkt: “Dat zie je goed aan de film. Dat soort punks bestonden op dat moment niet.” Punk als mode kwam pas later, weten we nu.

Laatste kans
Geboren in Amsterdam, groeide Peter ten Seldam na de scheiding van zijn ouders op in internaten en bij pleeggezinnen. In Nijmegen begint hij op de hoek van de straat te zingen. “In mijn eentje, de teksten verzon ik ter plekke.”

Bij een pleeggezin in Harderwijk, in de Biblebelt, heeft een ‘broer’ een Gretsch-gitaar. “Je begrijpt, dat was fantastisch. We hebben nummers gemaakt, er jongens uit de omgeving bijgehaald en toen had ik een band, The Top Diables, de topduivels. En dat ging te gek goed! Ik zat in Harderwijk op het lyceum, laatstekansonderwijs. De directeur roept me bij zich en zegt: ‘Als jij nog één keer optreedt met die band, kun je je eindexamen vergeten.’ Dat was 1962. Met die band en die jongens ging het hartstikke goed, maar het viel even net verkeerd in Har-der-wijk.”

Panic 13

“In 1962 zat ik boordevol verdriet. Als ik op het podium stond, liet ik me op mijn rug vallen, dook ik alle kanten op. Ik deed totaal iets anders dan wat rock-’n-roll toen was. De militairen uit Ermelo kwamen na het optreden aanzetten met kroketten en bier. Leeft de zanger nog?”

Dus jij was in 1962 al de Iggy Pop van Nederland?

Peter ten Seldam: “Zo mag je het rustig noemen. Na zo’n optreden lag ik drie dagen op bed, kon ik me nauwelijks meer bewegen. Dat is later wel wat gekalmeerd. Maar toen ik de jongens van Panic ontmoette, zat het er nog steeds. Op het podium was ik erg beweeglijk. Ik gooide alles eruit wat ik kwijt wilde. Zonder dat ik iemand hoefde te vermoorden.”

Michiel Van ‘t Hof: “Je hebt ook behoorlijke stunts uitgehaald. Van het podium naar de bar, van daar het balkon op en weer terug naar het podium.”

Peter ten Seldam: “Ik probeerde elk optreden weer verrassend te zijn. Ook voor onszelf. Volledige vrijheid, eigenlijk. Elk optreden was een feest. Iedereen was uitgelaten, een dolle boel. Dat is wat je wilt bereiken.”

Studentenbaantje
In 1977 wonen Piet van Dijk en Michiel Van ’t Hof op een studentenflat in Amsterdam. Ze deden aan studentenactivisme, wat toen heel gewoon was, en repeteerden als bandje, net iets minder gewoon. “We zochten iemand met een andere invalshoek”, aldus Van ’t Hof.

Peter ten Seldam was na zijn vroegere ervaringen als rock-’n-rollzanger nooit vergeten hoe leuk het was op het podium te staan. “Ik heb gezocht en gezocht. Ik heb nog geprobeerd om een band te vormen met die jongen die toen portier was bij Paradiso, de latere punkdichter Ton Lebbink. Die drumde en woonde iets verderop bij mij op de Singel. Het lukte maar niet. Moeilijk hoor, om een band van de grond te krijgen.”

Piet van Dijk sorteerde post, een studentenbaantje. De toenmalige vriendin van Ten Seldam werkte daar ook. “Zo ben ik met Piet en Michiel in aanraking gekomen. Ik woonde op dat moment op de Singel, twee huizen van Yab Yum. Dat pand stond halfleeg. Dus daar konden we een oefenruimte maken. Dat scheelt, als je goed kunt repeteren. Mamma mia!” Van ’t Hof: “Jij woonde schitterend.”

Ten Seldam was op de dat moment de dertig ruim gepasseerd, de anderen een stuk jonger. Voelde hij een generatieverschil? “Nee, dat heb ik geen moment gehad. Ik zocht gewoon een nieuwe band.”

Van ‘t Hof: “Er was direct een klik.”

Ten Seldam: “Ik was er helemaal rijp voor!”

Knipmes op buik
Binnen een jaar ging Panic van niks tot elpee, 13 verscheen in het voorjaar van 1978. “Moet je je voorstellen”, zegt Ten Seldam. “We sliepen in de studio op de grond en dan gingen we weer door.”

Van ‘t Hof: “Dat was een studio in Badhoevedorp. Je hoorde de vliegtuigen overkomen. Kennelijk waren de elementen van mijn gitaar niet goed geïsoleerd, want je kon af en toe de communicatie van de piloten met Schiphol horen.”

In 1978 heeft Nederland nog geen clubcircuit. De groep speelt doorgaans in jeugdhonken die worden gerund door jongerenwerkers. Van ’t Hof: “Als we moesten optreden, zetten we de bus voor het huis van Peter op de Singel om de spullen in te laden. Om drie uur ’s middags werden de meisjes gebracht die naar hun werk bij Yab Yum gingen. Als wij om drie uur ’s nachts terugkwamen om uit te laden, gingen zij weer naar huis. Over de gracht hing dan een walm van parfum en andere geurtjes, dat is me altijd bijgebleven.”

Die optredens waren vaak, in de woorden van Peter ten Seldam, een dolle boel. “In Zwolle speelden we in een clubhuis”, vertelt hij. “Ik had een flesje petroleum bij me. Iemand gaf me een fakkel en ik spuug een golf van vuur over de hoofden in de zaal. Na afloop heeft een jongen die onder die vuurbal stond, ons bedreigd met messen. Toen we wegreden vlogen de stenen door de lucht.”

In De Trol in Hoorn krijgt hij een knipmes tegen zijn buik gezet. “Wat is dat? Oh, je wilt zingen. Nou, prima. Stond ik met een knipmes op mijn buik met een jongen te zingen.”

Panic in New York

Optreden in New York
In de zomer van 1978 stapt Peter ten Seldam met een doos elpees onder zijn arm op het vliegtuig naar New York en benadert Hilly Kristal, de baas van CBGB’s, de club waar The Ramones, Blondie, Talking Heads, Television en Patti Smith hun eerste optredens deden. Hij krijgt het voor elkaar dat Panic er in juli kan spelen. Ze zijn de enige Nederlanders die dat kunnen zeggen.

Het tweede optreden is uitgezonden door het lokale WPIX FM-radiostation; het concert staat op Spotify. Peter ten Seldam: “Amerikaanse bands zeiden tegen mij: ‘It takes years to get into this place, how did you do it?’ Voor Hilly Kristal was het ook een kick, een band uit Nederland.”

De groep speelt voor het laatst in hun thuishaven Paradiso op 22 november 1978, Ten Seldam is voor de gelegenheid verkleed als Sinterklaas (ook dat optreden staat op Spotify). Na een optreden in Zwolle valt de groep uit elkaar. Het is februari 1978, nog geen jaar na hun eerste en enige album. Ook daarin kunnen ze zich spiegelen aan de Sex Pistols.

Film als tijdmachine
Jimmy Is Punk – The Story of Panic werkt als een tijdmachine, hij teleporteert de kijker terug naar 1978. En dat is precies de bedoeling van regisseur Duco Donk. “Ik baal vaak van muziekdocumentaires. De muzikanten worden heilig verklaard en het is terugkijken op. De kracht van dit materiaal is dat je er bij bent. Dat wilde ik optimaal benutten door niet terug te gaan kijken. Maar je mee te nemen naar toen. En daar te blijven.”

“Filmmakers praten vaak over het vertellen van verhalen. Dat betekent niet dat je iemand gaat filmen die een verhaal vertelt. Film betekent dat je een verhaal met film vertelt. Deze film vertelt het verhaal ‘Hoe was het nou echt?’ Dat is een verhaal met beelden. Als je de kracht van dit materiaal ziet, kun je het alleen maar verkloten met woorden.”

“In de film zit een moment dat mij erg aanspreekt”, bekent Van ‘t Hof. “Peter geeft de microfoon aan een jongen uit het publiek. Die jongen komt er niet helemaal uit, maar wij spelen gewoon door. Net zolang tot Peter de microfoon terugkrijgt en dan gaan we, hup, naar het volgende akkoord. We wisten van elkaar wat er moest gebeuren.”

Rock-’n-rollstoel
Peter ten Sendam, 78 inmiddels, gebruikte rock-’n-roll en punk om zijn emoties te ventileren. Werd hij daar op aangekeken bij de atletiekvereniging?

“Nee, helemaal niet. Eerder het tegendeel, ze wisten het wel te waarderen. Bij een optreden was er een keer een invalide man in een rolstoel. Die kwam uit enthousiasme omhoog. Kijk nou, hij staat!”

Zo zie je maar, rock-’n-roll geneest.

“We straalden een vreugde uit. Een ontwapende benadering van rock-’n-roll waar niemand woedend van werd.”

Jimmy Is Punk – The Story of Panic draait op 18 juni (Ketelhuis, 19:15) en 19 juni (Melkweg, 21:45) tijdens het IN-EDIT festival te Amsterdam; op 26 juni in Eindhoven (LAB-1, 15:00), op 3 juli in Nijmegen (LUX, 19:15) en op 4 juli in Den Bosch (Willem II, 14:45)

 

13 juni 2021

 

MEER INTERVIEWS

IN-EDIT 2021 preview

Van 16 tot en met 20 juni in Amsterdam
IN-EDIT doet het met muziek

door Alfred Bos

IN-EDIT richt zich op muziekdocumentaires. Achttien jaar geleden begonnen in Barcelona is het filmfestival uitgewaaierd over meerdere continenten. De derde Nederlandse editie vindt plaats van 16 tot en met 20 juni in Amsterdam. Een deel van het programma gaat in de weken daarna op tournee door Nederland.

Zoveel soorten muziek, zoveel soorten muziekfilms. Biopics, concertregistraties en documentaires zijn een vast – en in aantal groeiend – onderdeel van het bioscoopprogramma. IN-EDIT toont een keur uit het aanbod dat te obscuur wordt geacht voor een reguliere release. Wat uiteraard niets zegt over de kwaliteit van de film. Of de muziek.

Jimmy Is Punk – The Story of Panic

Jimmy Is Punk – The Story of Panic

Seks, drugs en rock-’n-roll
Neem Jimmy Is Punk – The Story of Panic. Op 3 mei 1978 speelde de Amsterdamse punkband Panic in De Kunstmin in Gouda, een optreden dat op initiatief van zanger Peter ten Seldam werd gefilmd. Tijdens de beeldresearch voor een aflevering van het tv-programma Andere Tijden kwam het materiaal boven water en Duco Donk, video/editor van beroep, vulde het aan tot een documentaire over de meest spraakmakende band van de eerste punkgolf in Nederland.

De film is meer dan een cultuurhistorisch document, hij werkt als een tijdmachine die de kijker katapulteert naar 1978. De energie is verbluffend, de band hecht ingespeeld en Ten Seldam een podiumbeest à la Iggy Pop. De concertregistratie vangt de interactie tussen band en publiek, en toont in het voorbijgaan de kleingeestigheid van de zaaleigenaar. Jimmy Is Punk – The Story of Panic is een parel en kreeg volkomen terecht de onderscheiding voor beste muziekdocumentaire tijdens het DOC LA-filmfestival van 2020.

Ook geworteld in de punkscene van 1978, maar dan in Los Angeles, is de meidenband (zo heette dat toen) The Go-Go’s, die in 1982 als de eerste volledig uit vrouwen bestaande rockgroep de bovenste plaats van de Amerikaanse albumlijst behaalde. Hun debuutalbum The Beauty and the Beat – met de hits Our Lips Are Sealed en We Got The Beat – is verplichte kost voor ieder new wave-liefhebber, en al legden ze het in Europa af tegen The Bangles, in Amerika is de groep een levende legende.

Dat meiden op het vlak van seks, drugs en rock-’n-roll, als ook nijd en na-ijver, niets onderdoen voor jongens, toont de documentaire The Go-Go’s van Alison Ellwood. Excessen, verslaving, psychische nood, botsende karakters—het hoort er kennelijk allemaal bij. Maar ze leven nog en zijn, al is het met onderbrekingen, nog altijd actief.

My Darling Vivian

My Darling Vivian

Correctie op biopic
Vivian Liberto had, naast racisme, ook de maken met de excessen van het muzikantenbestaan, maar dan als eerste vrouw van muziekicoon Johnny Cash. De documentaire My Darling Vivian van Matt Riddlehoover doet recht aan een bestaan buiten de schijnwerpers dat even veel drama kende als dat van menig muziekidool. Liberto, moeder van de Amerikaanse country en rootsrock-ster Rosanne Cash, stond lange tijd in de schaduw van Cash’s tweede vrouw, June Carter, lid van de legendarische Carter-muziekdynastie en moeder van zangeres Carlene Carter.

My Darling Vivian corrigeert het beeld dat James Mangolds biopic Walk the Line uit 2005 (met Joaquin Phoenix als Cash en Reese Witherspoon als Carter) van Liberto schetst. Doorsneden met een schat aan beeldmateriaal uit het familiefilmarchief komen de vier dochters aan het woord over hun moeder – en vader. Wie daar niet genoeg aan heeft, leze Liberto’s autobiografie I Walked the Line. Voor haar schreef Johnny Cash zijn eerste hit, I Walk the Line.

Sisters with Transistors

Sisters with Transistors

Pionieren met ringmodulator en synthesizer
Vrouwen speelden een belangrijke, maar onderbelichte rol in de ontwikkeling van de elektronische muziek. Sisters with Transistors van Lisa Rover geeft in negentig minuten korte introducties van tien vrouwen die pionierden met toongeneratoren en synthesizers. Daphne Oram, Bebe Baron en Delia Derbyshire zijn niet half zo beroemd als Vangelis of Kraftwerk; laat staan dat iemand heeft gehoord van de thereminvirtuoos Clara Rockmore, de Française Eliane Radigue (assistent van de avant-gardecomponisten Paul Schaeffer en Pierre Henry) of de Amerikaanse Laurie Spiegel die de eerste componerende algoritmes schreef.

Daphne Oram was medeoprichter van de vermaarde BBC Radiophonic Workshop, waar intromuziek en geluidseffecten voor radio en tv werden gemaakt met niet-traditionele instrumenten als ringmodulator en bandrecorder. Daar produceerde Delia Derbyshire in 1963 de futuristische themamuziek voor de nog steeds lopende tv-serie Dr. Who. Bebe Baron maakte met de apparaten die door haar man Louis in elkaar werden gesoldeerd in 1956 de eerste volledig elektronische filmsoundtrack, die van Forbidden Planet.

Rode draad door de verhalen van de tien vrouwen: gebrek aan respect, tegenwerking, ze werden (en worden vaak nog) niet serieus genomen. Geboren uit noodzaak maakten ze van de punkattitude ‘do it yourself’ een deugd en creëerden unieke muziek. De enige namen die het publiek mogelijk iets zeggen zijn die van Pauline Oliveros en Wendy Carlos. En die laatste werd geboren als – man.

Rockfield: The Studio on the Farm

Rockfield: The Studio on the Farm

Oase van rust
In 1963, na een vruchteloze ontmoeting met Beatles-producer George Martin, begonnen de boerenzonen Kingsley en Charles Ward een opnamestudio in een stal van het familiebedrijf in Monmouth, Wales. Ze bouwden er een gastverblijf bij en in 1965 werd Rockfield de eerste studio-met-logies ter wereld. Er zijn honderden, zo geen duizenden platen opgenomen; de beroemdste is ongetwijfeld Bohemian Rhapsody van Queen.

De eerste Nederlandse groep die er opnam, was The Bintangs (hun vierde elpee, Genuine Bull, uit 1975), maar die komen we niet tegen in de documentaire Rockfield: The Studio on the Farm. Regisseur Hannah Berryman spreekt gevestigde acts als Black Sabbath, Coldplay, Oasis en Manic Street Preachers; hun verhalen zijn weinig schokkend. Uitzondering zijn Jim Kerr en Charlie Burchill die iets duidelijk maken over de muzikale ontwikkeling van Simple Minds. Queen ontbreekt.

Landelijkheid en rust blijken voor veel muzikanten niet te staan voor inspiratie en door isolement afgedwongen creativiteit, maar vooral voor verveling, zodat de lokale kroeg de voornaamste winnaar blijkt te zijn van de voor gestresste muzikanten ideale situatie, op papier althans. Het wordt triest genoeg geïllustreerd door het verhaal over (niet van) Rob Collins, toetsenman van The Charlatans, die in 1996 zijn auto fataal parkeerde in een weiland.

Folk-‘n-roll
Naast genoemde films biedt IN-EDIT documentaires over onder meer Poly Styrene, zangeres van de Engelse punkband X-Ray Spex (Poly Styrene: I Am a Cliche); New Order, de groep van de klassieker Blue Monday (New Order: Decades); de Amerikaanse singer-songwriter Eric Anderson (The Songpoet); een portret van de Italiaanse zanger Lucio Dalla (For Lucio); twee films over hiphop: American Rapstar en It’s Yours: A Story of Hip Hop and the Internet; en Ibiza: The Silent Movie, waarin regisseur Julian Temple een beeld schetst van partyeiland Ibiza.

Diezelfde Julian Temple is verantwoordelijk voor de film waarmee IN-EDIT haar derde Nederlandse editie op woensdag 16 juni aftrapt. Crock of Gold: A Few Rounds with Shane MacGowan, een filmportret van de voorman van de Ierse folkpunkband The Pogues; hij gaat door het leven met eeuwige dorst. Documentairemaker en clipregisseur Temple, de vader van actrice Juno, is generatiegenoot van Don Letts en eveneens gespecialiseerd in documentaires over muziek en jeugdcultuur. Zijn portret van McGowan is even raak als onthullend.

IN-EDIT vindt van woensdag 16 tot en met zondag 20 juni plaats in de Westergasfabriek, Melkweg en FC Hyena te Amsterdam. Een aantal films is in de weken daarna te zien in andere steden. Klik hier voor het volledige programma en kaarten.

 

9 juni 2021

 
MEER FILMFESTIVAL

Bright Green Lies

****
recensie Bright Green Lies

Meer of minder civilisatie?

door Sjoerd van Wijk

Bright Green Lies (2021) duidt open en helder hoe gangbare ideeën over duurzaamheid de kans op ecologisch herstel beschadigen. Toch dwingt het strijdvaardige idealisme van de makers uiteindelijk te weinig af om kleur te bekennen.

De Industriële Revolutie en haar consequenties zijn een ramp geweest voor het menselijk ras. Vanuit die zienswijze schreef het activistische trio Max Wilbert, Lierre Keith en Derrick Jensen (de laatste twee oprichters van de milieubeweging Deep Green Resistance) het boek Bright Green Lies, hier in een documentairevorm gegoten door Julia Barnes. Samen met het trio prikt zij de fantasiebubbels door van mainstream-milieuactivisten die strijden voor massale investeringen in energiebronnen als zon, wind en ethische consumptie.

Bright Green Lies

Het denken in kortzichtige oplossingen zoals zonnepanelen voor een ‘wicked problem’ leidt tot verdere ecologische schade. In plaats daarvan focussen de makers op de hoofdoorzaak van de ecologische catastrofe. Ze bekritiseren de komst van landbouw en civilisatie in de geest van John Zerzans anarcho-primitivisme en de technologiekritiek van een Ted Kaczynski of een vroege Ran Prieur.

Sprookjes
De communicatie over de ecologische catastrofe valt snel in een dumpen van grafiekjes en diagrammen, of de ondergang schreeuwend aankondigen van de daken om vervolgens met een hoopvolle oplossing te komen. Zo smeert Cowspiracy (2014) met kersen plukken haar veganistische ideologie aan. Planet of the Humans (2020) agiteert propagandistisch en doet afbreuk aan haar snijdende kritiek door selectieve reportage. In Bright Green Lies ontspint echter een open gesprek met de auteurs waarin zij toegankelijk hun zienswijze uitleggen. Relaxed zittend kijken zij langs de camera heen rechtstreeks naar Barnes wat de gesprekken een informeel karakter geeft.

Kort en krachtig ontmantelen zij sprookjes door bijvoorbeeld te wijzen hoe zogenaamd hernieuwbare energiebronnen afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen. Dat informele maakt de redeneringen soms simplistisch wanneer onder andere het beruchte ‘windmolens doden vogels’-argument langskomt. De sprekers steken hun ideologie echter niet onder stoelen of banken en besteden welbewust aandacht aan tegenargumenten. Zo krijgen gasten als activist David Suzuki een faire gelegenheid hun perspectief tegenover dat van de auteurs te plaatsen zonder dat Barnes lange neuzen trekt.

Kleur bekennen
Als mainstream-publicaties al iets durven te melden van de ernst van de ecologische catastrofe eindigt men dikwijls met een verplicht stukje hoop. Ook de met het tegendeel bewijzende informatie volgestopte documentaire Living in the Future’s Past (2018) kon het hoop venten niet nalaten. Barnes benadrukt haar liefde voor de natuur met fraaie onderzeebeelden (zij debuteerde met de documentaire Sea of Life) en een ontroerende aftiteling die alle getoonde niet-menselijke organismes ook noemt als gasten en schuwt de makkelijke oplossingen. Zo kordaat als elke auteur het stelt, poneert ook zij dat in opstand komen tegen civilisatie als enige redmiddel overblijft.

Bright Green Lies

Barnes schaart zich daarmee ideologisch duidelijk bij het trio. Zich verbazend over toonaangevende groene ideeën bezichtigt ze een in de naam van emissie neutrale biomassa-energie weggekapt bos of slentert ze rond op een duurzaamheidsbeurs vol snuisterijen en elektrische auto’s die uiteraard dankzij fossiele brandstoffen blijken te zijn geproduceerd. Haar idealisme uit zich in treffende voice-overs die uitdagen kleur te bekennen: wil men meer of minder civilisatie?

Introspectie
Daarmee sust de documentaire niet in slaap dat anderen al hard werken om het ‘wicked problem’ kortzichtig op te lossen met kipstuckjes of Tesla’s zodat civilisatie door kan gaan. Barnes lijkt te geloven dat grootschalig verzet nog zin heeft ondanks dat de afgelopen dertig jaar van klimaattoppen geen vinger is uitgestoken. Dat geeft Bright Green Lies een rechtlijnige boodschap en daarmee gemakkelijke uitwegen in cynisme of instinctieve weigering van de geïmpliceerde discomfort. Of dit informele verhaal mensen gaat confronteren met hun irreële vertrouwen in Green New Deals blijft daarmee de vraag.

De filmmaker Robert Kramer nam de wens van verzet versus de cynische constatering dat niets gebeurt als uitgangspunt in Route One, USA (1989), waarin de fictieve Doc na jaren gedesillusioneerd terugkeert in de Verenigde Staten. Geschoten als een documentaire smelten daar Amerikaanse dromen en de realiteit onuitsplitsbaar samen, waarmee de film prangende vragen stelt wat men nog kan doen. Door het oprechte karakter van zijn worstelingen motiveren Docs pogingen om zelf een boom van kap te behoeden, ook al zal deze abrupte klimaatverandering toch niet overleven. Bright Green Lies poneert weliswaar een worsteling maar boet in aan kracht doordat introspectie als die van Kramer ontbreekt.

Bright Green Lies kun je hier zien en hier streamen/kopen.

 

5 mei 2021

 

ALLE RECENSIES

Desert Paradise

****
recensie Desert Paradise

Op eigen benen leren staan

door Ries Jacobs

We are our little oasis in the desert.’ Wat een oudere dame uit Oranjemund halverwege de documentaire zegt, is waar. De brede hoofdwegen van het vierduizend inwoners tellende woestijnstadje zijn omgeven door laanbomen en de tuintjes ogen groen. Maar voor hoelang nog?

Zuidelijk-Afrika is de muze van de Nederlandse regisseur Ike Bertels. Haar eerdere documentaires Treatment for Traitors (1983) en Guerilla Grannies (2013) portretteren het leven in Mozambique. Voor haar nieuwste film reisde ze naar Namibië, om precies te zijn naar het tegen de Zuid-Afrikaanse grens liggende stadje Oranjemund.

Desert Paradise

Op een steenworp afstand van de woestijnnederzetting ligt het met hekwerk en prikkeldraad afgezette Sperrgebiet. Een dreigende waarschuwing bij de ingang van het gebied laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Oortreders sal vervolg word’. Het stadje dankt zijn bestaan aan de diamantmijn in het verboden Sperrgebiet.

Hoge waterprijzen
De nederzetting die nabij de monding van de Oranjerivier verrees, is meer dan een mijnstad. Niet alleen woonden de werknemers van diamantmaatschappij Namdeb er, Oranjemund was eigendom van Namdeb. Het bedrijf stampte hele wijken uit de grond en verhuurde de huizen goedkoop aan zijn werknemers. De watervoorziening – een belangrijke dienst middenin de Kalahari-woestijn – was bijna gratis. In 2017 droeg Namdeb het bestuur van Oranjemund over aan de lokale autoriteiten en over enkele jaren zal de mijn sluiten.

Bertels brengt in beeld hoe de inwoners van het woestijnstadje op eigen benen leren staan. Ze klagen over hoge waterprijzen, maken plannen voor de toekomst en mijmeren over hoe goed ze het vroeger hadden in hun paradijsje waar zwart en wit al jaren vreedzaam en zonder apartheid wonen. Gehecht als ze zijn aan hun geboortegrond willen ze er niet weg, maar ze zien tegelijkertijd dat er nauwelijks een toekomst voor hen is in hun woonplaats.

Desert Paradise

Van Loppersum tot Landgraaf
Bij dreigend gevaar kent de mens drie reacties: vechten, vluchten of bevriezen. In Oranjemund is het niet anders. Sommige mensen doen niets (tenzij klagen een activiteit is) en anderen proberen een eigen zaak op te zetten, waarbij velen het toerisme zien als de banenmotor van de regio. Een derde groep maakt plannen om te vertrekken naar de hoofdstad Windhoek of een andere grote plaats. Zoals water zijn weg vindt naar het laagste punt, zo vinden ook in Namibië de mensen hun weg richting de verstedelijkte centra.

Dit maakt Desert Paradise tot een universeel verhaal. Van Loppersum tot Landgraaf, van Franse Pyreneeëndorpjes tot de steppen van Kazachstan, wereldwijd loopt het platteland leeg. Wat resteert zijn halflege dorpen waar de bevolking vergrijst en de huizen langzaam verworden tot ruïnes. Elk van deze dorpjes heeft zijn eigen verhaal, maar toch hebben al deze geschiedenissen dezelfde rode draad. Overal op het wegkwijnende platteland zie je dezelfde mix van apathie, vechtlust en vluchtgedrag die je tegenkomt in Oranjemund. Hoe zal het de mijnstad vergaan? Niemand heeft een glazen bol, maar de kans is zeer aannemelijk dat dit nu nog zo paradijselijk ogende oord ooit zal vervallen tot een spookstad.

Deze documentaire is vanaf donderdag 29 april te zien op Picl en Vitamine Cineville. 

 

26 april 2021

 

ALLE RECENSIES

Herederos, Los

***
IFFR Unleashed – 2009: Los herederos
Kinderen klagen niet

door Cor Oliemeulen

In deze tijd van verplichte social distancing zou je bijna verlangen naar het ouderwetse leven in de ongerepte natuur waar een virus nauwelijks kans heeft. Ook een mooi moment voor kinderen om hun mobieltje en andere gadgets in te ruilen voor gereedschap en wapperende handen om zich nuttig voor de gemeenschap te maken. Of toch niet?

De Mexicaanse documentairemaker Eugenio Polgovsky maakte in 2016 zijn vierde en laatste documentaire Resurrección voordat hij een jaar later op 40-jarige leeftijd in Londen overleed. Genoemde film gaat over dorpsbewoners die te maken krijgen met de gevolgen van een vervuilde rivier. Tijdens zijn korte loopbaan veranderde Polgovsky in eigen land de manier waarop men naar documentaires keek. Op sociaal-realistische, humane en poëtische wijze registreerde hij het leven van de arme bevolking van Mexico tegen de achtergrond van de ongereptheid van de natuur, die zich weliswaar steeds vaker kwetsbaar toont door inmenging van mensen van buiten.

Los herederos

Verwachtingspatroon
Tijdens het IFFR van 2005 draaide zijn filmdebuut Tropico de cancer, met een portret van Mexicanen in een woestijn die voorzien in hun levensonderhoud door exotische dieren langs de snelweg te verkopen. Drie jaar later trakteerde Polgovsky het IFFR-publiek op Los herederos (De erfgenamen) over het leven en de strubbelingen van Mexicaanse kinderen in de bergen. Zij bestendigen de traditie van hun (voor)ouders die werken op het land en niet naar school gaan.

Los herederos begint met een lieflijk slaapliedje. Later blijkt dat veel kinderen geen slaapliedje nodig hebben na een lange dag hard werken op het land. Natuurlijk hebben de kinderen ook lol, getuige de eerste beelden van kleine jochies die door de bossen naar een riviertje rennen en de laatste beelden van piepjonge arbeidertjes die met elkaar ravotten en met dieren spelen. In de tussentijd lijkt er geen enkele ruimte voor ontspanning, maar doen zij ongevraagd wat van hen wordt verwacht.

Plakbandje
De stenen huisjes zijn armoedig en dat heeft niets te maken met het feit dat ook kinderen de stenen hebben gekapt en met behulp van een raster lemen vloertegels leggen. Zelfs de allerkleinsten helpen mee met water dragen, hout sprokkelen en in feite alle werkzaamheden die normaliter door volwassenen worden uitgevoerd. Terwijl vader met koe en ploeg gleuven in de grond trekt, moet een meisje van pakweg vier jaar daarin boontjes gooien om die steeds met een korte voetbeweging met zand te bedekken.

Los herederos

Los herederos is een betrokken en oprechte registratie (bijna zonder woorden) van kinderarbeid in een regio waar de tijd heeft stilgestaan. De aanvankelijke romantiek van leven in en met de natuur, ambachtelijke nijverheid en zelfvoorzienend zijn, maakt plaats voor het plukken van groenten en fruit (we zien een close-up van iemand die een stopwatch indrukt en op een vel papier de verrichtingen noteert) op grote velden, waarnaar de kinderen bijna elke dag met trucks worden vervoerd en waar ze als lunch afgekeurde tomaten eten.

Sommige kinderen maken houten beeldjes die later aan toeristen zullen worden verkocht. Het fragment van een jongetje, net drie turven hoog, dat met een kapmes in vlot tempo hout snijdt, is veelzeggend. Terwijl het blanke hout rood kleurt omdat hij per ongeluk een klein topje van zijn wijsvinger heeft afgesneden, pakt hij een plakbandje en werkt gewoon door. In deze contreien hoor je niemand klagen.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 26 mei 2021.

21 april 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Movies that Matter 2021 – Finale

Movies that Matter 2021 – Finale:
Van gewelddadige Kroatische agenten tot een parelkettingteef

door Jochum de Graaf

Met besprekingen van drie zeer confronterende films sluiten we ons verslag van het online Movies that Matter Festival 2021 af. Minderjarige jongens op de vlucht, slachtoffers van de dictatuur in Oezbekistan en de eeuwige strijd tussen guerrillabeweging Farc en de overheid van Columbia.

 

Shadow Game

Shadow Game – Minderjarige jongens op de vlucht
Ze heten Durrab, SK, Faiz, Jano en Shiro, Mohammed, Mo, Fouad, Yaseen, Mustafa en zijn respectievelijk 16, 15, 17, 18 en 18, 14, 17, 15, 17 en komen uit Soedan, Afghanistan, Irak, Syrië, Iran. Jongens zijn het, minderjarige, alleenstaande jongens, op de vlucht uit hun verre vaderland, zonder uitzondering op zoek naar een beter leven in Europa, Duitsland, Italië, Engeland en ook Nederland. Drie jaar lang volgden de regisseurs Eefje Blankevoort en Els van Driel (De Deal) de jongens op hun barre tocht door Europa, een deel van het materiaal werd door hen zelf op hun mobieltjes gefilmd.

Shadow Game laat het ‘spel’ zien, zoals de jongens het noemen, voorbij de Middellandse Zee vanaf Lesbos of vanuit Ventimiglia is het oversteken van iedere grens een ‘game’, ze moeten gewelddadige grenswachters ontwijken, maar ook wilde dieren of een uit de Balkanoorlog overgebleven mijnenveld. Ze verstoppen zich in en onder treinen, klimmen in vrachtauto’s. Soms moeten ze rivieren oversteken, terwijl ze nauwelijks kunnen zwemmen. En ze moeten lopen, vooral veel lopen. Dagenlang. Over bergen, door dichtbegroeide bossen, door verkeerstunnels, door sneeuw. Eindeloze voettochten. Als de jongens uiteindelijk alle hobbels hebben genomen en het gewenste land hebben bereikt dan hebben ze ‘het spel’ gewonnen.

Zo maken we kennis met Mustafa die door Kroatische agenten met elektroshocks is afgetuigd. Vijftig keer probeerde hij het land binnen te komen. Vijftig keer, iedere keer werd hij afgeranseld en teruggestuurd. En dan toch doorzetten. En kijk eens naar SK die midden in de winter een keer werd gedwongen zich uit te kleden en door een rivier te waden. Hij heeft al 5.000 kilometer gelopen en nog 1.200 te gaan, naar Italië.

In het begin denk je het verhaal wel te kennen, want hoe vaak hebben we niet al die ontberingen gezien, de opstoppingen bij de grenzen, de tijdelijke kampementen met hun vuilnis en uitwerpselen, alle trucjes waarmee vluchtelingen de grenzen proberen over te komen. Misschien zijn we zo langzamerhand een beetje afgestompt, maar gaandeweg kruipen de beelden en gebeurtenissen in Shadow Game toch langzaam maar zeker onder je huid. Het laat ons een wereld zien, een ‘schaduw’ van de onze, waarvan je het bestaan wel vermoedt, maar die je nooit zo indringend en confronterend op je netvlies kreeg.

Online te zien woensdag 21 april 20.00 uur.

 

Only the Devil Lives Without Hope

Only the Devil Lives Without Hope – Slachtoffers dictatuur Oezbekistan
Ergens in de film zegt Dilobar “Dilya” Choedajberganova: ‘Ik heb mijn leven gewijd aan het onthullen van het ware gezicht van het regime’. Dat regime is de dictatuur van Islam Karimov, de dictator van Oezbekistan, een van de relatief onbekende Sovjetrepublieken in Centraal-Azië met een grote moslimbevolking, die na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 zelfstandig werden. De eerste jaren werd de gematigde islam-achtergrond nog enigszins gecultiveerd. Toen eind jaren negentig een reeks terreuraanslagen gepleegd werd, veranderde het in een uiterst repressief regime dat zijn macht handhaafde door breideling van de pers, het vastzetten en martelen van de oppositie.

Een van de slachtoffers van het regime is Dilya’s broer, Iskandar Choedajberganov, die na een serie bomaanslagen in Tasjkent in 1999 wordt opgepakt en ter dood veroordeeld. Nadat Karimov de doodstraf afschaft heeft, belandt hij in de beruchte Jaslyk-gevangenis diep in de dorre woestijn in het noordwesten van het land, waar geen bezoek is toegestaan en marteling aan de orde van de dag is.

We volgen Dilya, uitgeweken in ballingschap naar Zweden, die jaren niets van haar broer te horen krijgt en toch niet aflaat om iedere snipper aan informatie naar boven te halen, alle journalisten aanschrijft die ooit een rechtszaak in Oezbekistan hebben gevolgd, contact zoekt met alle ex-gevangenen die ook al is het maar een korte tijd en in een heel andere vleugel van de gevangenis hebben gezeten, uitgebreid met de diverse advocaten spreekt, zeer actief wordt in de internationale Oezbeekse oppositiebeweging. Maar ondanks dat een reeks internationale organisaties waaronder Amnesty zich voor zijn vrijlating inzetten, gebeurt er jarenlang niets.

Dilya denkt in Anvar, een andere Oezbeek in ballingschap, een bondgenoot te hebben gevonden, trouwt met hem, ze krijgen kinderen. Maar al snel blijkt hij allerlei geheime transacties uit te voeren, een infiltrant van het regime te zijn. Hij slaat haar, ze scheiden, hij probeert zich weer met haar te verzoenen.

Toch Dilya blijft hoop houden, de titel van de film, een oud Oezbeeks gezegde, herhaalt ze keer op keer, het wordt een soort mantra. Wanneer september 2016 Karimov aan een hartaanval sterft, flakkert de hoop extra op, maar het duurt nog tot augustus 2019 voordat aangekondigd wordt dat Iskandar zal worden vrijgelaten.

Only the Devil Lives Without Hope is aangekondigd als een spannend thrillerachtig verhaal, maar het is eerder melancholisch van opzet, een onderzoekende documentaire. Behalve een politieke geschiedenis van Oezbekistan sinds de val van de Sovjet-Unie, laat het ook een universeel verhaal van liefde zien, van volharding en van uiteindelijk beloning van de strijd tegen een totalitair regime.

Niet meer te zien.

 

Colombia in My Arms

Colombia in My Arms – Onderhandelen met de Farc
Het vredesakkoord dat in 2016 tussen guerrillabeweging Farc en de Colombiaanse regering gesloten, zou een eind maken aan 53 jaar durende lange bittere burgeroorlog. In ruil voor gedeeltelijke amnestie zou de Farc de wapens neerleggen en mocht ze met een eigen politieke partij meedoen aan de verkiezingen. Toenmalig president Juan Manuel Santos kreeg er de Nobelprijs voor de Vrede voor.

Na aanvankelijk groot enthousiasme in binnen- en buitenland werd het akkoord per referendum aan de Colombiaanse bevolking voorgelegd en met een miniem verschil verworpen. Er moest opnieuw onderhandeld worden en met hangen en wurgen werd de wetgeving vlak voor de presidentsverkiezingen van maart 2018 door het congres geloodst. Het akkoord bleef fel omstreden en de kandidaten hadden maar weinig stemmen te winnen met openlijke steun, zoals ik bij de ontwikkeling van de Candidater, Colombiaanse Stemwijzer, van nabij mocht meemaken.

Colombia in My Arms laat de uitwerking van het akkoord zien, de kant van de Farc met de voorbereiding op de ontwapening, hoe de coca-plantages – de financiering van de guerrillastrijd – worden platgespoten, de lange mars vanuit het oerwoud naar de burgermaatschappij. Met daar tegenover de blanke Spaans-koloniale elite die keihard vast blijft houden aan de macht.

Naast de fijn dubbelzinnige titel is de docu mooi gemaakt, prachtige beelden van de overweldigende natuur, het oerwoud waar de Farc zich al die jaren schuil kon houden. De Finse regisseurs openen met een lang shot van een Farc-soldaat die zijn semiautomatisch geweer oppoetst en van zijn liefde voor zijn wapen getuigt. Bijzonder ook de scène van de gewezen revolutionair die aan zijn sceptische achterban uitlegt dat het toch goed is dat ze de wapens neer gaan leggen en door hun bevolkingsaantal de grote kans op parlementaire macht niet voorbij moeten laten gaan.

Het portret van de oerconservatieve elite, mag er ook wezen. De half dronken landjonker die op zijn haciënda bij de open haard zijn zwarte bediende nog eens beveelt de whisky bij te schenken. Het arrogant triomfantelijke vrouwelijke parlementslid, type parelkettingteef, die na een gewonnen stemming luidkeels uit blijft kraaien dat de revolutionairen nooit maar dan ook nooit aan de macht zullen komen. Maar Colombia in My Arms komt uiteindelijk niet veel verder dan een aan de oppervlakte blijvende registratie die je ook in een uitgebreide tv-reportage kunt verwachten.

Niet meer te zien.
 

20 april 2021

 

Movies that Matter 2021 – Quo Vadis, Aida
Movies that Matter 2021 – Advocaten zelf slachtoffer
Movies that Matter 2021 – Kunst in gevangenschap
Movies that Matter 2021 – De nos frères blessés
Movies that Matter 2021 – Finale

 

MEER FILMFESTIVAL