Eternal Spring

**
recensie Eternal Spring
Repressie en revolutie

door Tim Bouwhuis

Op 5 maart 2002 raakte de Chinese overheid kortstondig de controle kwijt over het centrale staatstelevisiekanaal. De stoorzenders waren een aantal beoefenaars van de spirituele discipline Falun Gong, die in 1999 werd verboden door de Chinese Communistische Partij. Eternal Spring is een knap geanimeerde, maar inhoudelijk nogal schematische poging van een gerenommeerde illustrator én Falun Gong-adept om de televisiekaping opnieuw in herinnering te brengen.

Verzorgde, detailrijke animaties van een politieklopjacht zetten aan het begin van Eternal Spring direct de toon voor een politiek geladen verhaal over repressie en revolutie. “De staatspolitie zou gerust duizend moorden plegen om de daders te pakken te krijgen”, vertelt de voice-overstem die de animaties van uitleg voorziet. Het is een dag na de succesvolle kaping van de Chinese staatstelevisie, en wat de initiatiefnemers al vreesden gebeurt: de communistische staatspartij slaat keihard terug en rust niet tot de werkkampen gevuld zijn.

Eternal Spring

Hybride documentaire
Grofweg twintig jaar na de revolutionaire actie ziet Daxiong, een Chinese striptekenaar die tegenwoordig in Canada woont, gelegenheid om het verleden op een creatieve manier te herdenken. Onder begeleiding van de Canadese documentairemaker Jason Loftus maakt hij storyboards van de kaping en de aanloop daarnaartoe. De storyboards groeien uit tot volwaardige animaties, waarvan we in de film direct het respectabele resultaat zien.

Veel tijd gaat op aan het herinneren van plaats en tijd: we zien op welke plekken de Falun Gong-beoefenaars hun daad voorbereidden, hoe ze door de autoriteiten vervolgd werden en hoe ze vervolgens in de schrikaanjagende werkkampen belandden. De betreffende animaties worden afgewisseld met documentaire beelden van Daxiong, die in het heden een aantal hoofdrolspelers van de kaping opzoekt en hen vraagt naar hun herinneringen. Spaarzame archieffragmenten maken de hybride reconstructie compleet.

Collectieve herinnering
In een van de eerste scènes met Daxiong zelf stelt de illustrator dat hij zijn kunst wil inzetten om een collectieve herinnering te scheppen. ‘Collectief’ is in dat kader een groot woord, omdat Eternal Spring ondanks de ‘grote’ thematiek (de overheid versus de burger, repressie en revolutie) een zeer persoonlijke en toegespitste film is geworden. Dat brengt één groot manco met zich mee: er wordt geen bredere context geschetst die kijkers (en specifiek kijkers buiten China) helpt om de verhouding tussen (en de geschiedenis van) Chinese staatsrepressie en de Falun Gong-beweging beter te begrijpen.

Eternal Spring

De uitleg die Daxiong voorziet, is teleurstellend oppervlakkig en (waarschijnlijk onbedoeld) schetsmatig. De media liegen, Falun Gong is “niet slecht maar goed” en verzet is een baken tegen de onmenselijkheid van de onderdrukkende overheid, krijgen we te zien en te horen, maar hoe kun je dat oordeel klakkeloos overnemen als een scherp inhoudelijk begrip van deze beweging en van het gerichte Chinese vervolgingsbeleid ontbreken? Dat een breder kader ontbreekt, is niet per se de verantwoordelijkheid van de tekenaar, maar wel van de regisseur, die nalaat om de subjectieve, uiterst persoonlijke standplaats van zijn hoofdpersonen wat meer duiding te geven.

Terug naar die ene dag         
Veel kijkers zullen de benodigde context er zelf bij kunnen denken en twijfelen er niet aan dat de Chinese staat een op veel fronten misdadig en onmenselijk beleid hanteert. Het probleem is dat het averechts werkt als een maker daar blind vanuit gaat, of, erger, helemaal geen rekening houdt met kijkers die die context niet voorhanden hebben. Dat is namelijk precies hoe propaganda ook werkt. Het feit dat Eternal Spring juist de propaganda van de Chinese overheid wil ontmaskeren, maakt in die zin niet uit, omdat met name de voice-overs een vergelijkbare retoriek bevatten.

De Falun Gong-beoefenaars die hun verhaal doen zijn onmiskenbaar oprecht, en hadden beter verdiend. Eternal Spring is dan ook op zijn best als de animaties, hoe vaardig ze ook tot stand zijn gebracht, pas op de plaats maken voor de geëmotioneerde, doorleefde gezichten van de mensen die allemaal terugdenken aan die ene dag.

 

23 januari 2023

 

ALLE RECENSIES

Op zoek naar de oorspronkelijke natuurdocumentaire (4)

Op zoek naar de oorspronkelijke natuurdocumentaire – Deel 4:
Eerbied en het nostalgisch verlangen naar zuivere aanschouwing

door Paul Rübsaam

Denkbaar is een andere benadering van de natuur en de registratie daarvan dan tot dusver besproken. De mens zou zich bij zijn natuurverkenningen kunnen gedragen met de terughoudendheid van een gast in het leefgebied van andere levensvormen, waaronder doorgaans in het wild levende zoogdieren worden verstaan.

Niet het met hightech filmapparatuur vervaardigen van de meest gedetailleerde en spectaculaire beelden is het primaire doel. Op die manier maakt de mens zich immers vaak schuldig aan ‘holvredebreuk’ en ‘habitatschennis’. In plaats daarvan moet behoedzaamheid het credo zijn bij de registraties die de dieren zo veel mogelijk tonen zoals ze zich zouden gedragen als wij niet in de buurt zijn.

The Edge of Eden: Living with Grizzlies (2006)

The Edge of Eden: Living with Grizzlies (2006)

Omgang met grizzlyberen
De Canadese naturalist, grizzly-expert en schrijver Charlie Russell (1941-2018) maakte jarenlang studie van in het wild levende grizzlyberen en andere grote berensoorten in Canada, Alaska en Kamtsjatka. In die laatste afgelegen Russische regio trachtte hij wees geworden jonge grizzly’s die in de dierentuin terecht waren gekomen voor te bereiden op hun terugkeer naar een leven in de vrije natuur. Russells leven en werk met de grizzlyberen in Kamtsjatka vormt het onderwerp van de documentaire The Edge of Eden: Living with Grizzlies (2006) van het Canadese regisseurskoppel Jeff en Sue Turner.

In deze documentaire zien we hoe Russell de jonge grizzly’s met zorg opvoedt en zelfstandig probeert te maken in de betoverende ruimtelijkheid van het groene, vulkanische Kamtsjatka. Tevens ontvouwt de Canadees zijn visie op de verhouding tussen mens en grizzlybeer. De mens is voor Russell geen objectieve onderzoeker en de grizzly geen onderzoeksobject. Naast behoedzaamheid zijn empathie en zelfkritiek belangrijk. Het aantal door mensen gedode grizzly’s bedraagt een veelvoud van het aantal door grizzly’s gedode mensen. Omdat mensen nu eenmaal bang zijn voor grizzly’s bepaalt dat hun gedrag jegens de beren, wat zijn weerslag heeft op het gedrag van de grizzly’s, zo betoogt Russell.

Het voornaamste dat je de Canadees tegen zou kunnen werpen is dat hij er te weinig rekening mee hield dat niet iedereen zoveel geduld had als hij. Misschien is het waar dat grizzlyberen pas onberekenbaar worden als ze slechte ervaringen met mensen hebben gehad. Maar hoe zorg je ervoor dat onberekenbare mensen grizzlyberen geen slechte ervaringen bezorgen?

Het geduld van fotografen
Dieren die hoe je het ook wendt of keert mensen kunnen verscheuren, blijft een hachelijk onderwerp voor een ruimhartigere benadering van de natuur in natuurdocumentaires. Maar het loslaten van de idee-fixe dat de mens een objectieve waarnemer is en het dier ongevoelig zou zijn voor menselijke gedragingen, zoals Charlie Russell deed, kan ook op andere manieren vorm krijgen.

In het afgelopen decennium hebben enkele natuurfilmers, vaak in het voetspoor van natuurfotografen, de natuur herontdekt als bron van serene ruimtelijke ervaringen en eerbiedige, maar zinnenprikkelende ontmoetingen met medeschepselen. De mens treedt in hun werk niet op als beheerder, bewerker of wetenschapper, maar als belangeloos aanschouwer. Voor het vervullen van die rol moet hij geduld aan de dag leggen en bestand zijn tegen de nodige fysieke ontberingen.

De Franse natuurfilmer Jean Michel Bertrand gaat in La vallée des loups (2016) op zoek naar het oorspronkelijke leefgebied van wolven in de Franse Alpen. Zijn verkenningen nemen drie jaar in beslag, tot hij eindelijk de beoogde roedel vindt en erin slaagt de dieren zijn aanwezigheid te laten accepteren. In die periode van drie jaar moet hij zelf zijn weg vinden en leren overleven in het berglandschap, dat zich voor de kijker ontvouwt vanuit het perspectief van de in het wild levende dieren, waaronder de wolven.

Éternel émerveillé (2019)

Éternel émerveillé (2019)

In Éternel émerveillé (2019) van Pierre-Antoine Hiroz en Benoît Aymon volgen we natuurfotograaf Vincent Munier. Deze streeft ernaar de ‘ziel’ van dieren te vereeuwigen. Munier wil de ware aard van het dier tonen in zijn eigenlijke, natuurlijke omgeving. Daarvoor moet de fotograaf barre tochten maken, ongewone tijdstippen uitzoeken (’s ochtends vroeg of ’s nachts), overnachten in camouflagetenten, zich consequent verdekt opstellen en lang kunnen wachten.

De filmmakers die Munier vergezellen tonen ons op hun beurt de natuur waarin de fotograaf zijn weg zoekt, onder andere in de Franse Alpen, Noorwegen en de Vogezen. Het geduld van de filmmakers, hun bereidheid te wachten op de dieren, van kraanvogels, tot wolven, uilen en eekhoorns, stellen de kijker in staat intenser de woonplaats en de eigenlijke identiteit van het dier te ervaren dan het geval is met de snelle aaneenschakeling van spectaculair diergedrag registrerende beelden die meer gangbare natuurdocumentaires kenmerken.

In The Velvet Queen (2022), onder regie van Munier en zijn partner Marie Amiguet, is de Franse fotograaf opnieuw een van de protagonisten. Dit keer is hij in gezelschap van de Franse schrijver Sylvain Tesson. Het tweetal bevindt zich op de Tibetaanse hoogvlakte, op zoek naar de moeilijk te traceren sneeuwluipaard. Een dier dat zoals de meeste in het wild levende dieren de menselijke speurders veel eerder waarneemt dan omgekeerd.

Verwant aan The Velvet Queen is A White Dream (Yukon – un rêve blanc, 2022), waarin de Franse fotograaf Jérémie Villet in het hoge Noorden van Canada op zoek gaat naar een zeldzaam soort berggeit, die zich ver in de sneeuwwitte wereld terug heeft getrokken. Het witte dier fotograferen in een in witte nevels gehuld sneeuwlandschap, waarin slechts karakteristieke kenmerken zoals zijn hoorns scherp zichtbaar zijn, is wat Villet nastreeft. Evenals Munier moet hij zich daarvoor veel moeite getroosten en engelengeduld aan de dag leggen. Cameraman en regisseur Mathieu le Lay legt de even fraaie als zware tocht van Villet vast in een decor van het natuurlijke wit van bergen die op lijken te lossen in de lucht, dwarrelende sneeuwvlokken in de duisternis en de daarvan nauwelijks te onderscheiden sterren aan de inktzwarte hemel.

Kruisende wegen
Op zoek gaan naar het dier in zijn oorspronkelijke, vaak eeuwenoude leefgebied is ook mogelijk in gebieden waar de menselijke invloed juist prominent aanwezig lijkt te zijn.

In Sidik en de Panter (2020) van de Nederlands-Koerdische regisseur Reber Dosky hoopt de natuurvorser en pelgrim Sidik Barzani in het berglandschap van het door oorlogsgeweld geteisterde Koerdistan (Noord-Irak) de terugkeer te kunnen verwelkomen van de Perzische panter. Het wederom verschijnen van dat dier zou volgens Barzani de redding kunnen betekenen van het geplaagde Koerdische volk. Het leefgebied van de panter zou dan immers de status van nationaal park kunnen krijgen en gevrijwaard kunnen blijven van bombardementen.

Wat lichtvoetiger is Il sentiero dei lupi (The Path of the Wolves, 2022). Hierin gaat de natuuronderzoeker Marco Galaverni nabij het Zuid-Italiaanse Cilento op zoek naar sporen en voetstappen van wolven. Tevens stelt hij vast dat anders dan de wolven mensen juist wegtrekken uit dit gebied. Galaverni’s verkenningen van de wolvenroutes en zijn ontmoetingen met een schaapherder, een achtergebleven beeldhouwer en een zonderlinge laatste inwoner van een geheel verlaten dorp vormen een mozaïek van verhalen over het gebied waar de wegen van mensen en wolven elkaar al sinds duizenden jaren kruisen.

De omweg (samenvatting en conclusie)
Het dier in zijn leefomgeving even respectvol benaderen als een priester tijdens een kerkdienst. Dat lijken de cineasten (en fotografen) die in dit laatste deel over natuurdocumentaires de revue passeerden na te streven. Ze geven uitdrukking aan idealen die passen bij de negentiende-eeuwse Romantiek, de tegenhanger van het Verlichtingsdenken, dat met zijn streven naar ‘objectiviteit’ en een wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid de ‘homo sapiens’ als diersoort centraal stelde.

Door verwondering gedreven de toen nog ongereptere natuur aanschouwen en beleven, was in de negentiende eeuw niet ongewoon. Opmerkelijk genoeg heeft die wijze van aanschouwen en beleven via het medium film – bij uitstek het medium van de twintigste eeuw – niet of nauwelijks vorm gekregen.

In plaats daarvan werden we in zogeheten ‘natuurdocumentaires’ achtereenvolgens getrakteerd op kunstmatige ensceneringen waarin ‘nobele wilden’ moesten figureren, minutieuze, in een laboratorium tot stand gekomen studies van micro-organismen, verslagen van menselijke veroveringstochten waarbij ‘gevaarlijke’ dieren meedogenloos werden uitgeroeid, registraties van door mensenhanden getrainde en gekwelde dieren en overdreven en infantiel vertoon van menselijk technologisch vernuft.

Het is zeker niet zonder betekenis dat wij ‘de natuur’ tegenwoordig plaatsen in de context van grote processen als de evolutie en pogingen doen de schade te herstellen van negatieve menselijke invloeden op het natuurlijk leefmilieu. Als menselijk streven in het algemeen moet dat laatste zelfs zonder meer worden toegejuicht.

Het medium film dient echter in de eerste plaats om ons vermogen tot kijken uit te leven en niet ons vermogen tot begrijpen en handelen. Met de mens die zijn fouten rechtzet als cinematografisch beginsel richt die schuldbewuste mens de blik opnieuw op zichzelf en laat hij opnieuw na zich te verwonderen.

Wanneer we de beperkingen van de filmapparatuur van destijds buiten beschouwing laten, hadden door het werk van natuurfotografen geïnspireerde films als The Velvet Queen en A White Dream al een eeuw geleden gemaakt kunnen worden. Toen de natuur ‘er nog was’, om het zo maar uit te drukken. Men had, zoals gezegd, in die tijd echter andere prioriteiten. Het gevolg daarvan is dat de weg die het verschijnsel natuurdocumentaire in de loop van een eeuw heeft afgelegd zich laat typeren als een ietwat jammerlijke omweg.

 

22 januari 2023

 

Deel 1: Geënsceneerde taferelen, menselijke veroveringsdrang en kaasmijten
Deel 2: Gemartelde dieren, technologische speeltjes en oppervlakkige diepzeeverkenningen
Deel 3: Evolutie, klimaatschade en het stalken van dieren met zenders

 

ALLE ESSAYS

Op zoek naar de oorspronkelijke natuurdocumentaire (3)

Op zoek naar de oorspronkelijke natuurdocumentaire – Deel 3:
Evolutie, klimaatschade en het stalken van dieren met zenders

door Paul Rübsaam

Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw werden natuurdocumentaires niet zelden in serie en in toenemende mate voor de televisie vervaardigd. Ook op inhoudelijk gebied was er sprake van een zekere verandering. Men behandelde de natuur niet langer als een bron van min of meer op zichzelf staande fraaie beelden, maar eerder als een systeem dat bepaald wordt door de evolutie en gekenmerkt door een veranderlijke verscheidenheid aan soorten.

Vooral de Britse natuurhistoricus, filmmaker en presentator David Attenborough, met zijn inmiddels fameuze ietwat hoge, gedistingeerde stemgeluid, valt met deze ontwikkeling in verband te brengen. De in 1979 gestarte, door Attenborough gepresenteerde dertiendelige serie Life on Earth baseert zijn natuurverkenningen op ‘On the Origin of Species’ van Charles Darwin (1809-1882) en de geologische tijdschaal. Het verhaal van de evolutie wordt verbonden met beelden van fossielen en levendige impressies van nog altijd bestaande, maar in evolutionair opzicht oude dier- en plantensoorten, zoals kwallen, insecten en varens, waardoor een onderhoudend en geestverruimend resultaat ontstaat.

David Attenborough in Life on Earth

David Attenborough in Life on Earth

De afleveringen van Life on Earth waren veel minder aan één locatie of een beperkt aantal locaties gebonden dan tot dan toe gebruikelijk was in natuurdocumentaires. Talrijk zijn de beeldmontages die duizenden kilometer van elkaar vervaardigde opnames met elkaar verbinden. Het op diverse plaatsen gefilmde dierlijk of plantaardig leven moet in de eerste plaats illustratief zijn voor de algemenere verschijningsvorm van een soort of een natuurlijk principe. Het gevoel van continuïteit voor de kijker wordt gewaarborgd door het geleerde, maar transparante commentaar van Attenborough.

Sindsdien heeft deze aanpak aardig school gemaakt. Maar niet altijd met even verheffend resultaat. Een aanzienlijk deel van de tegenwoordig op televisie uitgezonden documentaires maakt de indruk van een tamelijk willekeurige verzameling van her en der vervaardigde beelden, die aan elkaar gepraat worden door een weetjes spuiende, maar niet over de talenten van Attenborough beschikkende presentator.

Spaanse taferelen
De hoofdstromen in de ontwikkeling van de natuurdocumentaire vanaf de jaren zeventig waren hoofdzakelijk een Britse of in ieder geval Engelstalige aangelegenheid. Toch verdient ook de tussen 1974 en 1980 vervaardigde documentaireserie El hombre y la tierra van de Spaanse naturalist Félix Rodríguez de la Fuente de aandacht.

In het 124 episodes beslaande El hombre y la tierra worden er geen sprongen van continent naar continent gemaakt. In de hoofdzakelijk in Spanje opgenomen serie brengen lange shots en luchtopnames het leefgebied en de leefgewoontes van een dier in kaart op een manier die doet denken aan onconventionele natuurdocumentaires van veel recentere datum, waarover meer in het laatste deel van deze verhandeling.

In aflevering 56, getiteld El lobo (De wolf) zien we bijvoorbeeld wolven opmerkelijke grote afstanden afleggen over de prairie, tot ze de plaats bereiken waar een schapenhoeder zijn vee houdt, waarna ze zich met of zonder buit terugtrekken in een hol in de rotsen waar hun pups op hen wachten. Een sequentie zonder commentaar die ruim acht minuten duurt. De afwezigheid van het gesproken woord en de daardoor (schijnbare) afwezigheid van menselijke tussenkomst stelt ons als kijker in staat in de huid van de wolven te kruipen.

El hombre y la tierra: El lobo (1977)

El hombre y la tierra: El lobo (1977)

Aanpassingsvermogen
David Attenborough’s Life on Earth-serie kreeg in 1984 een vervolg: de twaalfdelige serie The Living Planet: A Portrait of the Earth. Dit keer draait het om het aanpassingsvermogen van levende organismen (mensen inbegrepen) aan de soms extreme omstandigheden in hun leefomgeving. Per aflevering staat een bepaald leefgebied centraal, zoals het oerwoud, de woestijn, het poolgebied, de oceaan et cetera.

Voor de eerste aflevering: The Building of the Earth reist Attenborough naar de Himalaya, waar zich door de combinatie van de breedtegraad (niet al te ver van de evenaar) en de enorme hoogteverschillen zowel tropische als polaire omstandigheden voordoen. Tevens staat hij daar stil bij het opmerkelijke verschijnsel dat er op grote hoogten fossielen van zeedieren kunnen worden aangetroffen. De Himalaya is op de geologische tijdschaal gezien immers een ‘jong’ verschijnsel. ‘Pas’ ongeveer vijfenzestig miljoen jaar geleden kwam het tegenwoordige India in aanraking met de rest van Azië, waardoor het ook tegenwoordig nog aan hoogte winnende gebergte ontstond.

In aflevering 9: The Margins of the Land, om een ander voorbeeld te noemen, verkent de presentator de kustgebieden op Aarde. Niet alleen door de getijden wint en verliest de zee afwisselend terrein op het land. Ook door respectievelijk erosie en algenvorming op de ondiepe zeebodem kan dat het geval zijn. Getoond wordt wat de gevolgen van deze ontwikkelingen zijn voor fauna en flora zoals mosselen, slijkspringers, krokodillen en mangrovebomen op het overgangsgebied tussen water en land.

De kennis die The Living Planet etaleert is inmiddels tamelijk wijd verbreid. Ook in cinematografisch opzicht kent de serie voor een kijker uit het derde decennium van de eenentwintigste eeuw weinig verrassingen. De impressies zijn opnieuw betrekkelijk kort. Attenboroughs commentaar verschaft nog steeds per aflevering een deugdelijk inhoudelijk raamwerk, maar maakt in vergelijking met Life on Earth meer de indruk vooral een voertuig te zijn voor de beelden van opmerkelijke dieren, planten en andere levensvormen.

De schuldige mens
Het voortgezette oeuvre van David Attenborrough van kort voor, rond en kort na de eeuwwisseling weerspiegelt een zekere koerswijziging die kenmerkend is voor het gehele genre in die tijd. Nu de ‘natuur’ (het onderwerp van natuurdocumentaires) als één groot wereldomvattend systeem moest worden aangemerkt, werd de aandacht voor de toenemende ongunstige invloed van de mens op dat systeem onontkoombaar.

Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw wezen documentaires op de schadelijke invloed van menselijke activiteiten (met name industriële) op het zogeheten ‘milieu’. In de loop van de twintigste eeuw en in het begin van de eenentwintigste eeuw kregen negatieve menselijke invloeden op het mondiale ecosysteem toenemende aandacht. Zoals het stijgende aantal menselijke bewoners van de planeet, de daarmee samenhangende verstedelijking en de door de wereldwijde voedselindustrie veroorzaakte monocultuur onder de gewassen. Gaandeweg kregen ook de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de Aarde als het vermoedelijke gevolg daarvan een sterker accent.

Attenborourgh vervolgde in de jaren negentig zijn ‘Life-serie’ met Life in the Freezer (1993) (over Antarctica), The Private Life of Plants (1995), The Life of Birds (1998) en The Life of Mammals (2002). Maar vooral in documentaires die buiten die serie vielen, zoals State of the Planet (2000) en The Truth about Climate Change (2006), begon hij het zogeheten environmentalisme te omarmen. Nog vrij recentelijk deed de inmiddels hoogbejaarde Attenborough dat meer uitgesproken in Climate Change: The Facts (2019) en Extinction: The Facts (2020).

De nadruk op het behoud of herstel van de natuurlijke leefomgeving die het environmentalisme kenmerkt, is inmiddels als onderdeel van natuurdocumentaires meer regel dan uitzondering. Maar een werkelijke ommezwaai of trendbreuk kan deze koerscorrectie niet worden genoemd. Daarvoor is het antropocentrisme, dat als constante factor natuurdocumentaires van oudsher kenmerkt, te zeer overeind gebleven.

Hoe die constante factor zich nog altijd laat gelden, illustreren bijvoorbeeld de documentaires van de Schot Gordon Buchanan. Deze natuurfilmer volgt veelal grote roofdierfamilies die hun oorspronkelijke leefgebied en hun voedselbronnen kwijt dreigen te raken. Of hij doet pogingen om onder mensenhanden opgegroeide jonge dieren te repatriëren in hun natuurlijke leefomgeving. In films als The Polar Bear Family and Me (2013), Snow Wolf Family and Me (2014), Snow Cats and Me (2019) en Animals with Camera’s (2018-2021) is Buchanan zelfs steeds nadrukkelijk aanwezig. Om in kaart te kunnen brengen hoe de dieren zich redden in hun oorspronkelijke, dan wel nieuwe natuurlijke leefomgeving zijn ze niet zelden voorzien van halsbanden met zenders erin of camera’s op hun hoofd. Zodat ze op de voet gevolgd, om niet te zeggen ‘gestalkt’, kunnen worden door de documentairemaker.

Hoe goed bedoeld zijn werk ook mag zijn en hoe ontroerend en soms vermakelijk ook zijn beeldmateriaal van bijvoorbeeld aan Whiskas verslaafde jonge lynxen, toch beweegt het werk van Buchanan zich nauwelijks buiten de voortgezette traditie van het genre. De eeuwig pionierende en presterende, veroverende en koloniserende, oprukkende en vernietigende mens heeft slechts een schuldbewust jasje aangetrokken en verricht wederom zelf op de voorgrond tredend zijn goede daden. Van relativering van zijn paternalistische almacht is geen sprake.

Het ideaal van een werkelijk oorspronkelijke natuurdocumentaire blijft op die manier even ver uit het zicht als het altijd is geweest. Dat ideaal zou gericht moeten zijn op de zuivere aanschouwing van een niet door mensen gemaakte wereld, waar niet door de mens gehinderde levensvormen gedijen in hun natuurlijke leefomgeving. In het slotdeel van deze verhandeling zullen we zien hoe dit ideaal in een inmiddels vrijwel volledig door mensen gekoloniseerde wereld nog een beetje wordt benaderd door filmmakers wiens werk buiten de geijkte kaders van de natuurdocumentaire valt.

 

19 januari 2023

 

Deel 1: Geënsceneerde taferelen, menselijke veroveringsdrang en kaasmijten
Deel 2: Gemartelde dieren, technologische speeltjes en oppervlakkige diepzeeverkenningen
Deel 4: Eerbied en het nostalgisch verlangen naar zuivere aanschouwing

 

ALLE ESSAYS

Op zoek naar de oorspronkelijke natuurdocumentaire (2)

Op zoek naar de oorspronkelijke natuurdocumentaire – Deel 2:
Gemartelde dieren, technologische speeltjes en oppervlakkige diepzeeverkenningen

door Paul Rübsaam

Van 1948 tot 1960 verschenen Walt Disney’s True Life Adventures. Een reeks van veertien natuurdocumentaires, aanvankelijk met een lengte van ongeveer een half uur, later met speelfilmlengte.

Zoals het de onderdelen van een serie betaamt, is iedere aflevering opgezet volgens hetzelfde stramien. Er wordt geopend met een animatie-inleiding, waarin een getekende verfkwast losjes het landschap schildert van een (deel van) een continent. Vervolgens worden de dieren en planten die daar leven onder de loep genomen. Vaak functioneert een tot de verbeelding sprekende diersoort als het centrale karakter, zoals bijvoorbeeld in Seal Island (1948), In Beaver Valley (1950) en The African Lion (1955).

Op het eerste gezicht weet de serie door zijn bijzondere opnames van de verschillende dieren en de ingenieuze, vaak ludieke montages nog altijd te imponeren en lijkt het bijna flauw om deze natuurdocumentaires van Disneyhuize te vergelijken met tekenfilms. Toch zit in die vergelijking minstens een kern van waarheid. Na het commerciële succes van naar de natuur gemodelleerde tekenfilmfiguurtjes in bijvoorbeeld Bambi (1942) lijkt men nu op zoek te gaan naar de cartooneske aspecten van de levende natuur zelf. Dat James Elgar, de regisseur van True Life Adventures, eerder furore maakte met onder andere de regie van de beroemde sequentie van de tovenaarsleerling in Walt Disney’s Fantasia (1940) is bepaald geen toeval.

The Living Desert (1953)

The Living Desert (1953)

Suïcidale lemmingen?
Welswaar wordt in True Life Adventures niet volledig verheeld dat het leven van het dier, carnivoor of herbivoor, niet altijd over rozen gaat. Maar ook in zijn oorspronkelijke habitat lijkt het toch in de eerste plaats zijn taak om dansend, vechtend, parend, spelend, vallend en opstaand en onder begeleiding van een soundtrack met vaak ragtime-achtige deuntjes tot verstrooiing van de mens te dienen.

Met de werkelijkheid neemt men het daarbij niet altijd even nauw. Vooral de aflevering White Wilderness (1958) is in dat opzicht later berucht geworden. Om het vermeend suïcidale gedrag van lemmingen te demonstreren, werd volledig in scène gezet hoe deze diertjes zich massaal van een klif storten. De half tamme knaagdiertjes bevonden zich niet eens in het desbetreffende gebied en volgens sommige bronnen zouden de filmmakers een deel van hen zelfs eigenhandig naar beneden hebben geduwd.

Ook in The Living Desert (1953) is weinig wat het lijkt. Gevechten waarbij griezelig ogende dieren als ratelslangen, tarantula’s en steekwespen betrokken zijn, vinden niet zoals gesuggereerd wordt plaats in het uitgestrekte woestijngebied van het zuidwesten van de Verenigde Staten, maar ontstonden door de dieren in gevangenschap tegen elkaar op te hitsen. Veel was blijkbaar toegestaan. Als de boodschap maar overkwam dat het dier weliswaar imposant of vermakelijk was, maar ook altijd hardvochtiger en onnozeler dan de mens.

Hoewel in moreel opzicht verdedigbaar, zou het toch misplaatst zijn om True Life Adventures eenvoudig weg te zetten als een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de natuurdocumentaire. Een educatieve functie voor een niet al te geschoold publiek (waaronder kinderen) kon en kan de serie nog altijd vervullen. Bovendien heeft de dierenmanieren-achtige stijl ervan zonder meer school gemaakt. Echo’s daarvan klinken ook in veel hedendaagse natuurdocumentaires nog door.

Oppervlakkige diepzeeverkenningen
Eveneens als naoorlogse mijlpaal op het gebied van de natuurdocumentaire gelden de films van de voormalige marineofficier Jacques-Yves Cousteau (1910-1997).

Terwijl de mens zich halverwege de twintigste eeuw al aan de ruimtevaart begon te wagen, waren de oceanen op Aarde nog goeddeels onbekend gebied. Of oceaan-avonturier Cousteau daar met zijn vermaarde schip de Calypso veel verandering in heeft gebracht, valt echter te bezien. Sterker, wie onbevooroordeeld door Cousteau’s faam Le monde du silence (Jacques Cousteau, Louis Malle, 1956) aanschouwt, kan zijn ogen nauwelijks geloven. Niet door het rijk geschakeerde leven in de diepe zee dat in de film zou worden geopenbaard, maar vanwege de maling die kapitein Cousteau en zijn bemanning daaraan lijken te hebben.

Een opmerkelijk groot aantal minuten van de anderhalf uur durende film wordt gespendeerd aan het trots demonstreren van de technische snufjes aan boord van de Calypso, zoals duikersklokken, een decompressiecabine en een echograaf. Wanneer men eindelijk gaat duiken, blijkt dat om niet ver onder het oceaanoppervlak kreeften aan hun poten en scharen uit oceaangrotten te trekken, waarna de dieren aan boord smakelijk worden opgegeten. Voorts laten de duikers zich door de zee voorttrekken door hun armen om het schild van grote zeeschildpadden te slaan. Dat de schildpadden dit niet leuk vinden, is voor de kijker pijnlijk goed zichtbaar.

Le monde du silence (1956)

Le monde du silence (1956)

Ronduit onthutsend is de scène die volgt als de bemanning van de Calypso een groep walvissen ontwaart. Nadat ze één van de volwassen walvissen hebben geharpoeneerd, komt een walviskalf in aanraking met de schroef van de Calypso. ‘Vervuld van medelijden’ helpen Cousteau c.s. het zwaargewonde jonge dier met een geweerschot ‘uit zijn lijden’. Vervolgens komt een school haaien op het bloed af en begint zich te goed te doen aan het kadaver. Wild is de slachting die de dappere mannen van de Calypso met harpoenhaken, knuppels en roeispanen aanrichten onder de haaien, ten einde het arme walvisjong te ‘wreken’ (sic!). Het wekt al bijna geen verbazing meer als de mannen zich later op een onbewoond eiland een ritje op de rug van verbouwereerde landschildpadden niet laten ontgaan.

Bevat Le monde du silence dan helemaal geen tot de verbeelding sprekende, belangeloze onderwateropnames? Toch wel, maar een belangrijk deel hiervan wordt in beslag genomen door registraties van een op de oceaanbodem gezonken scheepswrak. In cinematografisch opzicht zijn die beelden fraai genoeg, maar ze hebben weinig te maken met niet menselijk leven in onze diepe zeeën. Pas als de film al bijna ten einde is, mogen we nog een paar niet met soortnamen aangeduide zeevissen aanschouwen.

Onderwatersoap
In Cousteau’s tweede prijswinnende natuurdocumentaire met speelfilmlengte, Le monde sans soleil (1964), is het gebrek aan respect voor het mariene leven minder tenenkrommend. Wel is er opnieuw sprake van een bijna hysterische fascinatie voor technisch vernuft en het menselijk vermogen om te overleven onder uitzonderlijke omstandigheden.

De invloed van de succesvolle Himalaya-expedities in de jaren vijftig en de zich ontwikkelende ruimtevaart doet zich nadrukkelijk gelden. In het kader van het door de petrochemische industrie gefinancierde project ‘Conshelf Two’ volgen we de verrichtingen van ‘aquanauten’ in hun station op de zeebodem, hun ‘duikende schotel’ en hun onderwaterlaboratorium. Veel aandacht is er voor hun dagelijkse leven: hoe men elkaars haren knipt, een spelletje schaak speelt, stofzuigt of zich vermaakt met een meegenomen papegaai. Soms krijg je bijna de indruk naar een onderwatersoapserie te kijken in plaats van naar een natuurdocumentaire.

Toch bevat de film de nodige voor de tijd van vervaardiging verrassende beelden. Opnames op een destijds ongekende diepte van driehonderd meter onder het oceaanoppervlak laten zien dat zich in deze zone waar het zonlicht niet doordringt nog allerlei levensvormen ophouden.

Op het randje van de wereld
Ter verdediging van Cousteau moet worden opgemerkt dat hij er zelf niet gelukkig mee was dat zijn films meer in het teken van de kolonisatie van de oceanen leken te staan dan in het teken van het behoud ervan.

De film Voyage au bout du monde (1976), die hij samen met zijn zoon Philippe (1940-1979) regisseerde, onderscheidt zich nadrukkelijk van zijn twee vorige films met featurelengte. Cousteau hoefde voor de expeditie naar Antarctica waar de documentaire verslag van doet geen rekening te houden met de wensen van de petrochemische industrie of andere financiers. De in 1973 opgerichte Cousteau Society organiseerde zelf de expeditie.

Veel aandacht is er dit keer voor het rücksichtslos uitmoorden door de mens van de walvissen in het antarctisch gebied en de desastreuze gevolgen die dat heeft voor de plaatselijke ecologische systemen. De walvissen worden nu met zichtbaar respect benaderd en gefilmd. Datzelfde geldt voor pinguïns, robben en de vissen en schaaldieren die leven onder het zee-ijs. Daarnaast zijn er onder meer spectaculaire opnames van het interieur van een ijsberg.

Hoewel ook Voyage au bout du monde zich laat bekijken als het verslag van het leven van avonturiers, ontbreken goede bedoelingen ten opzichte van de natuur bepaald niet. Die verandering heeft ongetwijfeld niet alleen te maken met de preferenties en persoonlijke ontwikkeling van Jacques Cousteau. Hij correspondeert tevens met een algehele verandering in de tijdgeest. Het ‘milieu’ dat in de jaren vijftig en zestig nog niet zo’n issue was, was dat in de jaren zeventig nadrukkelijk wel. Vanaf dat decennium zou de mens in natuurdocumentaires een meer schuldbewuste rol op zich gaan nemen, zoals we in het derde deel van deze verhandeling zullen zien.

 

16 januari 2023

 

Deel 1: Geënsceneerde taferelen, menselijke veroveringsdrang en kaasmijten
Deel 3: Evolutie, klimaatschade en het stalken van dieren met zenders
Deel 4: Eerbied en het nostalgisch verlangen naar zuivere aanschouwing

 

ALLE ESSAYS

Op zoek naar de oorspronkelijke natuurdocumentaire (1)

Op zoek naar de oorspronkelijke natuurdocumentaire – Deel 1:
Geënsceneerde taferelen, menselijke veroveringsdrang en kaasmijten

door Paul Rübsaam

Met zijn leeftijd van ruim 130 jaar bestaat het medium film lang genoeg voor beeldverhalen over een ongerepte natuur in een tijd dat de Aarde nog niet geheel gekoloniseerd was door de mens. Dat zou je tenminste denken. Een zoektocht naar zo’n oorspronkelijke natuurdocumentaire zou echter wel eens tevergeefs kunnen zijn.

Het scala onder het kopje ‘natuurdocumentaire’ te rangschikken producten lijkt als een pruim zonder pit uiteen te vallen in twee helften. In een helft van vroegere films, die ondanks soms fraaie natuuropnames voornamelijk getuigen van de kolonisatiedwang van de mens; en een helft van latere (meest recente) films, die met een gevoel van spijt de door die dwang aan de natuur aangebrachte schade inventariseren.

Werd de ware wildernis ooit met belangeloze verwondering vanachter de filmcamera geregistreerd? Of traden behoefte aan verrijking, onderwerping van dieren en natuurvolkeren, sensatiezucht, prestatiedrang en vermeende wetenschappelijke bedoelingen al te snel op de voorgrond? Die vraagstelling noopt tot een reis in vogelvlucht terug in de filmgeschiedenis.

In het laatste deel van deze vierdelige verhandeling staan we kort stil bij het meer hedendaagse aanbod van natuurdocumentaires. Want juist de meest sprekende voorbeelden daarvan doen terugverlangen naar de tijd van de oer-natuurdocumentaire, die er misschien wel nooit geweest is.

Nanook of the North (1922)

Nanook of the North (1922)

Kauwen op een grammofoonplaat
Veelzeggend voor de wat mistige geschiedenis van de natuurdocumentaire is de reputatie die Nanook of the North (1922) van Robert Flaherty geniet als stamvader van het genre. Als we dit docudrama over het leven van de Inuk ‘Nanook’ (in werkelijkheid Allakariallak geheten) en zijn familie al een natuurdocumentaire kunnen noemen, is het nog altijd de vraag of het de eerste vertegenwoordiger is van deze filmsoort. Veel beelden uit Herbert Pontings authentiekere, weliswaar later uitgebrachte The Great White Silence (1924), waarover meer in de volgende paragraaf, zijn ouder.

Bovenal blijft het de vraag of Flaherty in Nanook wel blijk gaf van een onafhankelijke kijk op ‘de natuur’. De wordingsgeschiedenis van de documentaire, zoals de regisseur die zelf uit de doeken heeft gedaan, was moeizaam. Eerdere opnames in 1915 en 1916, waarbij hij gepoogd had het leven van een volledige Inuit-gemeenschap in beeld te brengen, gingen verloren. Dus keerde hij terug naar het hoge noorden om zich ditmaal te concentreren op het wel en wee van één man en diens familie.

Dat Flaherty dacht dat dit de dramatische zeggingskracht van zijn verhaal ten goede zou komen, valt wel te begrijpen. Maar het aantal concessies dat hij ten behoeve van die zeggingskracht heeft gedaan, is heel groot. Het interieur van de iglo is niet dat van de iglo waar ‘Nanook’ en zijn familie werkelijk in sliepen. Zijn zogenaamde vrouwen in de film waren zijn vrouwen niet en de wapens waarmee hij op walrusjacht ging, waren niet de wapens die hij werkelijk gebruikte.

Natuurlijk moest de regisseur onder zware omstandigheden werken, met de beperkte mogelijkheden van de filmapparatuur van destijds. Het valt hem dan ook niet kwalijk te nemen dat hij de werkelijkheid soms een beetje hielp. Maar heeft hij ooit de intentie gehad een getrouw beeld van het leven van de Inuit te schetsen? Minstens heeft het er de schijn van dat hij zijn protagonist ‘primitiever’ wilde doen lijken dan deze werkelijk was, omdat dit beter zou aansluiten bij de toen populaire opvatting over natuurvolkeren. Niet alleen gebruikte ‘Nanook’ in de werkelijkheid voor de jacht gewoon een geweer. Ook was het verschijnsel grammofoonplaat, anders dan de documentaire suggereert, allerminst nieuw voor hem. Dat Allakariallak (Nanook) gevraagd wordt daar voor de camera verwonderd een hapje uit te nemen, getuigt niet alleen van een matig gevoel voor humor. Het is bovendien onwaarachtig en denigrerend.

Pinguïns als troost
Met enig cynisme zou je kunnen beweren dat de talrijke en niet zelden opmerkelijke natuurbeelden in Herbert Pontings The Great White Silence uit 1924 vooral diende om een smadelijke nederlaag en een bloedstollende tragedie te camoufleren. Naast het fameuze dagboek van de gesneuvelde expeditieleider Robert Falcon Scott is deze documentaire immers het andere grote document dat bewaard is gebleven van de fataal verlopen Britse Zuidpoolexpeditie van 1911-1912.

The Great White Silence (1924)

The Great White Silence (1924)

Het mag bekend worden verondersteld: Scott en zijn mannen bereikten de pool weliswaar op 17 januari 1912, maar moesten ondervinden dat de Noor Roald Amundsen en zijn mannen hun vlag daar al ruim een maand eerder hadden kunnen planten. Bovendien werden de uitgeputte Britten op de terugweg overvallen door een sneeuwstorm en vonden ze de dood. Wrang genoeg op slechts enkele kilometers afstand van een voedseldepot.

Fotograaf en cineast Herbert Ponting had als taak foto’s van de expeditie te maken en kleine gefilmde nieuwsberichten over het verloop daarvan, die vertoond moesten worden als zogeheten newsreels in de bioscoop. Maar hij filmde veel meer dan voor die journaals noodzakelijk waren. Onder andere over de leefgewoonten en het voortplantingsgedrag van zeehonden, die overigens ook door de bemanning van expeditieschip Terra Nova geschoten en gegeten werden om scheurbuik te voorkomen. Daarnaast komen meeuwen, zwaardwalvissen en vooral pinguïns uitvoerig aan bod.

Pontings gefilmde verslagen van het wel en wee van de toentertijd in de westerse wereld onbekende Adelie-pinguïn zijn opvallend gedetailleerd. We zien de paringsrituelen van het dier, het bouwen van nesten, de gewoonte van de pinguïns om elkaars eieren te stelen en uiteindelijk het grootbrengen van de jongen, inclusief de door de ouders verzorgde zwemlessen. Voorts had de cineast veel oog voor de schoonheid van het antarctische landschap en de verschillende soorten ijsformaties en maakte hij opnames van het invallen van de Antarctische herfst en het aanbreken van de Antarctische lente.

Als je Nanook of the North en The Great White Silence naast elkaar legt, bieden de eerste schermutselingen op het gebied van het verschijnsel natuurdocumentaire met feature-lengte dus een wat rommelige aanblik. Met Nanook werd een authentiek verslag beoogd van het leven van de Inuit, dat onder invloed van Flaherty’s tegenslagen nadrukkelijk werd gemanipuleerd. Ponting daarentegen had een Britse zegetocht in beeld moeten brengen en vervaardigde, al dan niet om het fiasco dat zich uiteindelijk voordeed te verzachten, een documentaire met opmerkelijk authentieke natuurbeelden uit een voor de mensheid in die jaren nog onbekend gebied. Waarbij nog eens moet worden onderstreept dat de meeste van Pontings beelden ondanks de officiële verschijningsdatum van The Great White Silence dateren uit 1911 en dus aanzienlijk ouder zijn dan Flaherty’s impressies.

Achtertuinen en microscopen
Alleen een vergelijking van de oudste documentaires met speelfilmlengte is echter niet zaligmakend. Juist als het om natuurdocumentaires gaat, is die lengte niet zo’n maatgevend criterium. De eerste afleveringen van de Britse serie korte, sterk wetenschappelijk georiënteerde documentaires genaamd Secrets of Nature verschenen ook al in 1922 en lieten een geheel andere kant van het spectrum zien.

Zo toont The Cuckoo’s Secret (Edgar Chance, Oliver G. Pike) een gedetailleerde, op het Engelse platteland gesitueerde studie van het bekende parasitaire broedgedrag van de koekoek. Om een en ander zo goed mogelijk in beeld te brengen en de koekoek niet te storen bij zijn (wan)praktijken verschansen de onderzoekers zich meerdere dagen in een door hen zelf vervaardigd nepbosje. The Battle of the Ants (Geoffrey Barkas) doet minutieus verslag van een oorlog tussen twee kolonies houtmieren en The White Owl volgt het dagelijks leven van een kerkuilmoeder en haar kuikens.

Secrets of Nature, dat van 1922 tot 1933 meer dan honderd afleveringen kende, demonstreerde vooral een voorkeur voor de natuur in het klein. Insecten, bloemen en micro-organismen komen aan bod, waarvan titels als Skilled Insect Artisans (1922), Busy Bees (1926) en Floral Co-operative Societies (1927) getuigen. In Mighty Atoms (1930) valt zelfs te zien hoe kaasmijten zich te goed doen aan een stukje gorgonzola dat iemand ergens heeft laten liggen.

Niet de uitgestrekte en onherbergzame natuur van gebieden als Noord-Canada en Antarctica vormen het decor in de serie, maar de biotopen van de Britse achtertuin en zelfs de micro-natuur die tegen onze zin deel uitmaakt van ons huishouden. Die verschijnselen worden door de cineasten uiterst nauwgezet in beeld gebracht, waarbij ze gebruik maakten van de beste microscopen van hun tijd.

Nanook of the North en The Great White Silence aan de ene kant en Secrets of Nature aan de andere kant vormen de twee extremen van de vooroorlogse voorlopers van de natuurdocumentaire. Na de Tweede Wereldoorlog zouden met name het productiebedrijf van Walt Disney en de avontuurlijke marineofficier Jacques Cousteau vorm gaan geven aan soms twijfelachtige producten, die echter al veel meer gemeen hebben met de hedendaagse natuurdocumentaire. Over hun werk meer in deel twee van deze verhandeling.

 

13 januari 2023

 

Deel 2: Gemartelde dieren, technologische speeltjes en oppervlakkige diepzeeverkenningen
Deel 3: Evolutie, klimaatschade en het stalken van dieren met zenders 
Deel 4: Eerbied en het nostalgisch verlangen naar zuivere aanschouwing

 

ALLE ESSAYS

All the Beauty and the Bloodshed

****
recensie All the Beauty and the Bloodshed
Intiem portret van activistische fotograaf Nan Goldwin

door Jochum de Graaf

Oscarwinnaar en IDFA-hoofdgast van de afgelopen editie Laura Poitras ontving de Gouden Leeuw in Venetië voor All the Beauty and the Bloodshed. Ze maakte een intiem en openhartig portret van de beroemde fotograaf Nan Goldin over haar leven en kunst, maar ook over haar strijd tegen de Sackler-familie, de veroorzakers van de opiatencrisis in de VS én bekend als een van de grootste filantropen van de kunstwereld.  

Daar zitten ze dan, David Sackler en Theresa Sackler, achter het scherm in een online zitting van de rechtszaak die tegen hun bedrijf Purdue Pharma is aangespannen. Hoogste baas David Sackler heeft geweigerd voor het scherm te komen. De Sacklers, ook wel omschreven als de titanen van de Amerikaanse farmaceutische industrie, worden met hun rol als fabrikanten en marketeers van zwaar verslavende pijnstillers als OxyContin in hoge mate verantwoordelijk gehouden voor de opiatencrisis die in de tweede helft van het afgelopen decennium alleen al in de VS rond de half miljoen dodelijke slachtoffers eiste.

All the Beauty and the Bloodshed

Getuigenissen
Met tamelijk uitgestreken gezichten horen ze getuigenissen aan, zoals van de ouders die zeer emotioneel het in de knop gebroken leven van hun enige zoon beschrijven die ze niet meer reagerend op de grond van de slaapkamer aantreffen, na een overdosis. De vader richt zich rechtstreeks tot de Sacklers: ‘Ik wil jullie er op wijzen dat tegen de tijd dat deze twee uur durende zitting beëindigd is, er opnieuw zestien mensen aan jullie dodenlijst kunnen worden toegevoegd.’

Tot een veroordeling komt het niet. Ruim voor de rechtszaak begint, onttrekken de Sacklers miljarden aan het bedrijf, sluizen ze weg naar belastingparadijzen en laten het bedrijf failliet gaan, zodat ze de hoge boetes schaamteloos kunnen ontlopen.

Een deel van die miljarden is gestoken in het ondersteunen van kunst, in gerenommeerde musea als het New Yorkse Metropolitan Museum of Art (MET), het Guggenheim en het Louvre. Op Harvard en een stuk of tien andere universiteiten zijn er Sackler Wings, Sackler Halls, Sackler Rooms en Sackler Educational Centers. Verder zijn er in Washington en Londen Sackler Museums, waarmee ze hun reputatie als een van de grootste filantropen van de kunstwereld oppoetsen.

OxyContin
De wereldberoemde fotografe en kunstenares Nan Goldin, die al in 1986 naam maakte met haar fotoserie The Ballad of Sexual Dependency, kende de Sacklers ook vooral als de maecenassen in wiens musea en galerieën ze menigmaal exposeerde. Tot ze in 2014 na een operatie de pijnstiller OxyContin voorgeschreven krijgt, binnen de kortste keren verslaafd raakt en er vervolgens bijna door een overdosis aan onderdoor gaat. Een paar jaar later richt Goldin – geïnspireerd door de onthullingen van journalist Patrick Radden Keefe in The New Yorker die de Sackler-bedrijven omschrijft als ‘een imperium van pijn’ – de actiegroep Prescription Addiction Intervention Now (PAIN) op die de strijd aanbindt met de praktijken van de Sacklers.

All the Beauty and the Bloodshed begint maart 2018 in het New Yorkse MET waar PAIN een populaire tentoonstelling in de Sackler Wing verandert in een symbolisch slagveld. Later in de film laten ze met als het ware een performance act honderden receptbriefjes met anti-Sackler-slogans van de kenmerkende spiraalgangen in het Guggenheim naar beneden dwarrelen.

Drie jaar later is er de teleurstelling dat de Sacklers niet veroordeeld kunnen worden, maar vieren ze wel een klein feestje dat de namen van de Sacklers in vrijwel alle Wings, Rooms en Galleries verwijderd worden en de grote musea de een na de ander besluiten geen geld meer van de big pharma-reus aan te nemen.

All the Beauty and the Bloodshed

Openhartig
Laura Poitras, die een Oscar kreeg voor Citizenfour over NSA-klokkenluider Edward Snowden en hoofdgast was op het afgelopen IDFA, maakt een intiem, aansprekend en bij tijd en wijle melancholisch portret van Nan Goldin, waarvoor ze in Venetië de Gouden Leeuw kreeg.

In een stuk of zes hoofdstukken laat Poitras vooral Goldin zelf rauw, eerlijk en openhartig haar leven en werk schetsen. Na een moeilijke jeugd in een buitenwijk van Maryland met een depressieve zus, wier zelfmoord een slagschaduw over haar jeugd legt, volgen de bevrijdende jaren aan de kunstacademie en speelt ze een vooraanstaande rol in de kunstscene van Manhattan in de enerverende jaren zeventig en tachtig.

Goldin vertelt onopgesmukt over Tin Pan Alley, over medekunstenaars als underground-actrice Cookie Mueller, fotograaf David Armstrong, kunstenaar, schrijver en aidsactivist David Wojnarowicz, over haar heroïneverslaving, over de deprimerende jaren dat de aidsepidemie vooral in het kunstenaarsmilieu om zich heen greep, over haar korte periode als go-go-danseres en sekswerker, omdat ze de huur niet meer kon betalen en hoe ze voor het eerst de camera oppakt.

Ze breekt door met fel realistische projecten als The Ballad of Sexual Dependency en Sisters, Saints and Sibyls, waar ze rechtstreeks put uit haar leven en haar vriendenkring, de bohemiens, transseksuelen, selfmade-artiesten, mensen aan de zelfkant. In de film zien we een aantal diavoorstellingen met een steeds wisselende soundtrack voorbijkomen, opgezet als een soort dagboek een stijl die veel navolging krijgt en haar exposities in prestigieuze musea en collecties over de hele wereld oplevert.

Bijzondere archiefbeelden van New York onderstrepen het mooie tijdsbeeld, de rebelse levenshouding van Goldin, de constante van haar gedrevenheid en haar volharding in de strijd tegen de Sackler-familie. De gelauwerde Laura Poitras verdient vooral veel lof voor de knappe manier waarop ze Goldins latere activisme weet te verweven in het grotere verhaal over haar leven en kunst.

 

11 januari 2023

 

ALLE RECENSIES

Dreaming Walls

***
recensie Dreaming Walls
Vergane glorie

door Jochum de Graaf

Het Chelsea Hotel, New York, Midtown Manhattan, vlakbij Greenwich Village. Als je in de jaren zestig en zeventig niet in dat hotel had gelogeerd, telde je in bepaalde kringen niet mee. 

Het Chelsea Hotel oefende een enorme aantrekkingskracht uit op kunstenaars, bohemiens en ontleende zijn reputatie aan al die beroemdheden die waren voorgegaan. Schilders als Willem de Kooning, filmers als Stanley Kubrick, schrijvers als Charles Bukowski, William S. Burroughs, Allen Ginsburg en Mark Twain, vele muzikanten als Nico, Lou Reed, Bob Dylan, Leonard Cohen en Janis Joplin. Jan Cremer logeerde er altijd wanneer hij in New York was en ook voor NRC-columnist Henk Hofland was het de favoriet pleisterplaats.

Dreaming Walls

Aan anekdotes en spraakmakende verhalen geen gebrek. Arthur C. Clarke schreef er het scenario voor 2001: A Space Odyssey, Jack Kerouac zwoegde er op On the Road, Andy Warhol nam er de film Chelsea Girls op, Leonard Cohen schreef er zijn song Chelsea Hotel #2 over zijn onenightstand met Janis Joplin. Ook Lou Reed, Joni Mitchell en Jefferson Airplane maakten nummers over het fameuze hotel. Meest besproken gebeurtenis is ongetwijfeld de roemruchte moord van punkmuzikant Sid Vicious op zijn vriendin en mede-junkie Nancy Spungen, oktober 1978. Jan Donkers memoreert in zijn onlangs verschenen rockmemoires Forty Tracks dat hij een uur voor de gebeurtenissen nog met hen in de lift stond.

Grote schoonmaak
Elf jaar geleden werd het voormalige kunstenaarshotel opgekocht door een internationale keten. Het was met die roemruchte traditie van seks, rock-’n-roll en drugs, heel veel drugs, danig in verval geraakt. Er werd een grote schoonmaak gehouden, ook onder de bewoners en er startte een grondige renovatie. Slechts een stuk of vijftig gasten konden er wegens langlopende huurcontracten niet uitgezet worden, er werd met een sterfhuisconstructie geprobeerd hen het hotel uit te werken.  Afgelopen maart ging het volledig opgepimpte Chelsea Hotel Savoy weer open en je kunt er tegenwoordig vanaf zo’n 600 dollar per nacht een eenvoudige kamer huren.

In de openingsbeelden van Dreaming Walls: Inside the Chelsea Hotel van de Vlaamse documentairemakers Maya Duverdier en Amélie van Elmbdt zien we filmbeelden van beroemde gasten als Marilyn Monroe, Jimi Hendrix, Salvador Dalí en Leonard Cohen op een schoorsteen op het dak geprojecteerd. Een nog jonge Patti Smith uit haar grote bewondering voor Dylan Thomas en prevelt een gedicht van hem.

We zien beelden van steigers, lange gangen, opdwarrelend stof, getimmer en geboor. Een van de bouwvakkers vertelt dat hij de geest van al die beroemdheden rond voelt waren.

We maken kennis met een stuk of wat achterblijvers van de hotelgasten die er vanwege langlopende huurcontracten niet uitgezet konden worden. Ze verblijven met elkaar op de eerste verdieping, zodat ze geen overlast kunnen geven voor de bouwvakkers en de nieuwe welgestelde hotelgasten die langzamerhand het hotel gaan bevolken.

Dreaming Walls

De huidige bewoners
We maken kennis met een transgender, die last heeft van duizelingen en alleen ’s nachts kan leven en door de gangen dwaalt. Een choreografe in ruste die op haar hoge leeftijd met een paar jonge dansers op de trappen balletten oefent. Als voorzitter van de huurdersvereniging zou ze graag zien dat de verbouwing snel voorbij is, andere huurders zijn het totaal niet met haar eens, zwelgen liever in het verleden. We zien een kunstenaar, draadbeeldhouwer, die fantastisch mooie beeldjes, miniaturen van ijzerdraad vormt en als gescheiden vader zijn tienerdochter tekenles geeft met al even prachtige resultaten. We krijgen een intiem inkijkje in het leven van een excentriek echtpaar in een ruim appartement dat ooit grandeur en status moet hebben gehad. De vrouw, ooit gevierd schilderes, krijgt steeds meer moeite met de zorg voor haar aan alzheimer lijdende man, voormalig kunstverzamelaar. Tussendoor zijn er uitstapjes naar het verleden toen het hotel nog ‘the place to be’ was.

Er worden herinneringen opgehaald aan de legendarische manager Stanley Bard, die zomaar ineens door het nieuwe management op straat werd gezet. We horen bij de verbouwingsbeelden fragmenten uit dagboeken, romans en teksten waarin het hotel voorkomt.

Multimediakunstenaar Steve Willis is in de loop van de jaren een groot deel van zijn ruime appartement kwijtgeraakt. Hij geeft een rondleiding door zijn krappe studio. Hij heeft de muur blauw geverfd en toont zijn tandenborstelhouder, die was ooit in het bezit van Janis Joplin. Ook het zeepbakje staat er nog, hij weet te melden dat Janis niet zo bekend stond om haar goede persoonlijke hygiëne.

Ach, het is allemaal wel amusant, mooi gefilmde portretten van de achtergebleven paradijsvogels, maar er zit verder niet zoveel verhaal in. Afgaande op de titel zou je wat meer spannende en misschien onthullende verhalen ‘als muren konden praten’ verwachten, maar Dreaming Walls blijft net iets te veel hangen in het oppervlakkig benoemen van vergane glorie.

 

23 november 2022

 

ALLE RECENSIES

IDFA 2022 – Deel 7: Een zee van experimenten

IDFA 2022 – Deel 7:
Een zee van experimenten

door Bob van der Sterre

Altijd interessant: experimentele films. Maar ze zijn wel hit and miss… Bij IDFA vallen veel experimentele films in het Paradocs-programma. En dan is er nog DocLab. Laatste bijdrage over IDFA 2022.

 

Danse Macabre

Danse Macabre  Een schokkende Thaise geschiedenis
De Thaise geschiedenis van de laatste honderd jaar is een tamelijk bloederige aangelegenheid en vol onopgehelderde zaken. Zaken waarin staatsgeweld een rol speelde.

Zwaar onderwerp maar je hoeft dat niet als een standaard pratende hoofden-drama te vertellen, dachten de makers. Danse Macabre begint met een homo-erotische dans tussen twee halfnaakte mannen, gaat over in een verhaal over diverse bizarre moordverhalen, vervolgt met een verhaal over de mysterieuze dood van een koning, beschrijft dan het geweld van de Thaise staat tegen zijn burgers: drie bloedbaden en acties tegen recente protesten. ‘Hebt u spijt dat u akkoord gaf om met scherp tegen demonstranten te schieten?’ ‘Hoe moet je je anders verdedigen tegen mensen die je aanvallen?’

Daarmee heb ik alleen de feiten opgesomd. De manier van vertellen is compleet eigenzinnig. De film toont serieuze archiefbeelden à la een true crime documentaire, wisselt dat af met nogal homo-erotische videoclips, nagespeelde stukken, een stukje videogame, en – welja – een stukje pornografie.

De proloog geeft al aan dat de film alle regels probeert te overtreden die de Thaise overheid voor films heeft opgesteld. En dat is wat hij doet. Waar de meeste documentaires subtiel omgaan met schokkende beelden, zie je hier alle details. Behoorlijk ranzig af en toe. Gelukkig keek ik de film thuis en kon ik snel vooruit skippen maar in een zaal heb je die luxe niet.

Danse Macabre is zo’n film die vol gas gaat, geen remmingen heeft. Dat dwingt respect af voor het lef maar leidt wel enorm af van wat de film nu wil vertellen: een boodschap over de politieke geschiedenis van Thailand. De filmmakers Thunska Pansittivorakul en Phassarawin Kulsomboon kun je in elk geval niet betrappen op gebrek aan durf.

 

Private Footage

Private Footage  Met een browser door de Zuid-Afrikaanse geschiedenis
Regisseur en kunstenaar Janaína Nagata kocht een filmspoel op een veilingsite. 19 minuten found footage van een reis naar Zuid-Afrika zit in de spoel. Dieren, inheemse volken, blank en zwart.

Daarna worden de beelden teruggespoeld en kijken we er nog eens naar, maar nu met context. Via een  splitscreen zien we hoe een browser wordt geopend en zoekt de surfer het verleden van Zuid-Afrika erbij, via foto’s, Wikipedia en video’s. Een blikken stem leest voor. Het Krugerpark, opnamen van Durban en Transkei (kathedraal, strand, vlag, riksja): in bijna al die details zit iets van de rassenscheiding.

Een fraai experiment: de geluiden bij de beelden maakt het nog even iets unheimischer. Als de maker een relatie blootlegt tussen een medicijnman in Transkei en de blanke overheersers wordt het echt mysterieus. Je moet een passie voor geschiedenis hebben maar er zijn weinig betere middelen om dat te krijgen dan deze film. Die oogt als een feilloze researchsessie maar ik vermoed dat de timing van ieder beeld goed doordacht is.

Een beetje herkenbaar voor ondergetekende, aangezien ik soortgelijke research online heb gedaan voor de Camera Obscura Specials. Dit gaat dus ook een keer over het internet als ongelooflijke bron van informatie en hoe je dat kunt gebruiken.

 

A History of the World According to Getty Images

A History of the World According to Getty Images  Publiek of commercieel domein?
A History of the World According to Getty Images sluit naadloos aan bij Private Footage; de browser in de vorige film bezoekt zelfs eventjes de site van Getty Images. Alleen gaat het hier niet om de geschiedenis maar om de rechten van de beelden van die geschiedenis.

We zien allerlei klassieke films langskomen met het watermerk Getty Images. Daarna nog een keer. Dan vertelt regisseur Richard Misek meer over de oorsprong van de beelden, die niet zelden uit het open domein kwamen. Het is vreemd dat de beelden ooit wel gratis waren en bedoeld waren om belangrijke momenten in onze geschiedenissen te laten zien. Ze zijn nu alleen nog te koop. ‘Een houdgreep van de commercie’, noemt IDFA dat.

Misek vindt dat niet fair maar vond een loophole: je kunt deze film gratis downloaden en dan alsnog alle beelden bekijken. Interessante film van slechts 20 minuten vertelt meer dan menig documentaire van anderhalf uur.

 

A Stretch of Time

A Stretch of Time  Game vs. Film vs. Kunstwerk
Gezicht geeft een opdracht. Een man met alleen zichtbare handen (bekend concept van de game Half-Life) moet in de kelder iets doen. Hij komt daar in een kolossaal en levend archief.

IDFA legt het ons uit: ‘A Stretch of Time is een nieuw hoofdstuk in het doorlopende project False Mirror van kunstenaar Ali Eslami.’ Eslami woont in Amsterdam.

Deze game die je niet kunt spelen (mensen kijken ook vaak naar gamers via livestreams) duurt slechts 22 minuten. Het is eigenlijk game noch film noch kunstwerk, maar een fusie van die dingen. Het is vooral aardig als je met alle drie de vormen bekend bent; zoals dat geklungel met auto’s in een tunnel absoluut herkenbaar is als je bijvoorbeeld een game als Grand Theft Auto hebt gespeeld. En het enorme archief prikkelt de fantasie.

Niet perfect maar ik hou wel van zulke experimenten. Drang naar experimenten en gebruik van fantasie zoals in deze film zorgen ervoor dat de familie van de documentaire blijft groeien.

 

Striking Land

Striking Land Een uur staren naar natuur
Een uur lang kijken we naar landbouwers in Portugal. Vooral mensen op leeftijd die oldskool aan landbouw doen. En die respectvol met de natuur omgaan.

Er zijn geen interviews – alleen beelden. Broek schoon pulken. Tractor die rondrijdt. Aardappels in een zakje doen. Schoffelen in het bos. Grond begieten met water. Paard knippert met zijn ogen. Blootvoets door de maïs/gerst lopen (te weinig kennis van zaken om dat verschil te zien). Paal in de grond duwen. Dode takken ergens heen smijten.

Genoeg van alle stressvolle, dramatische documentaires? Dan is Striking Land een goede om te gaan kijken. ‘De geluiden van de vaak repetitieve, bijna meditatieve verrichtingen vormen een soort hartslag van de natuur’, schrijft IDFA eigenlijk wel heel goed. Dat is precies hoe ik het ervaarde.

Misschien is Striking Land de minst opvallende film van het festival maar stiekem toch wel de beste. Geen dialoog, geen verhaal, gewoon beelden, die je wel tien keer achter elkaar kunt zien (ik heb het twee keer gedaan, maar moet bekennen dat ik bij de eerste keer in slaap viel). Ik vond het geslaagd in veel opzichten – ook omdat deze mooie beelden je simpelweg gelukkig maken. In elk geval wint Striking Land de prijs voor de meest Kossakovsky-achtige film die IDB ieder jaar officieus uitreikt.

 

The Anticipation of Rain

DocLab Kunstdocumentaires via een VR-bril
Aangezien de meeste documentairegangers – inclusief de pers – DocLab in de Brakke Grond overslaan, wil ik hier nog wel even iets vertellen over het meest experimentele hoekje van het festival.

Ik denk zelf dat virtual reality (VR) op een punt staat om toegankelijker te worden. Dan kan het net als een tv in iedere huiskamer te vinden zijn (met alle gevolgen van dien, zoals mensen die hun nek breken omdat ze struikelen over een stoel). In potentie kan VR (onder andere) de wereld van documentaires compleet veranderen. Zoals er nu ook al games zijn alleen voor VR. Alleen gewenning en kosten staan ons in de weg.

Bekijk de trailer van Plastisapiens om een idee te krijgen van een VR-film.

Het punt is dat VR nieuwe zintuigelijke ervaringen ontsluit. Je ogen zien 360 graden film op je ogen. Je kunt virtueel dingen pakken of aanraken. Geluid krijg je via koptelefoons. Bij de film/ervaring van The Anticipation of Rain (zie: foto) kreeg ik ook geuren te ruiken.

Er is dus ontzettend veel mogelijk in wat in feite een fusie tussen game, kunst en documentaire is. Als fan van alle drie ben ik dus heel nieuwsgierig naar deze ontwikkelingen. Ik heb eerder over experimentele kunst in deze vorm geschreven. En VR is ook weer niet zo kakelvers: de geschiedenis ervan gaat terug naar 1970. En wist je dat Fassbinders Welt am Draht met VR te maken heeft? Uit 1973!

Er is alleen een ding… Bij bezoek aan DocLab Gallery (je reserveert een blok van een uur en kan kiezen tussen zes films) bleek het telkens terugkerende probleem van VR: de techniek is hoogdrempelig. Voor welke vorm van documentaires kijken heb je een assistent nodig om te kunnen kijken? Het is een gedoe om de VR-bril op te zetten en te gebruiken. Knoppen indrukken en dingen pakken etc. gaan niet altijd zo makkelijk als je er niet mee bekend bent. Daarnaast kun je moeilijk meer communiceren in het echt als je niets meer ziet, hoort of voelt. Dus ook niet als het misgaat. 

The Antipication of Rain heb ik bijvoorbeeld – bleek later – niet gezien. Ik keek wel naar een mooi bewegend plaatje van een landschap en wachtte tot een regenbui langzaam zou verschijnen. Ik dacht dat de film ook ging over onthaasting (dat krijg je ervan als je je nooit inleest). Toen de film afgelopen had moeten zijn, was er bij mij nog niets gebeurd. (Waar het nu misging, weet ik niet. Ik vroeg nog nadrukkelijk of ik nog ergens op moest klikken en dat hoefde niet.)

En bij Kristine is not Well van Seeyam Quine moest ik bij een hysterische uil op een knop drukken maar ik had geen idee waar de knop zat of hoe ik eraan moest komen en bleef daar vijf minuten hangen, tot ik het opgaf en de bril maar probeerde af te doen. Gelukkig kwam er snel assistentie.

Bij alle grote uitvindingen zijn er kinderziekten. Ik blijf heel nieuwsgierig naar nieuwe ontwikkelingen op dit punt. De documentairewereld staat op een punt dat het deze experimenten meer moet gaan omarmen, wil het niet een eeuwige recyclemachine worden van veel praktisch dezelfde soort verhalen. Wellicht dat je in de toekomst ‘oldskool’ documentaires kunt zien in een zaaltje in de Brakke Grond en je voor interessante VR-voorstellingen naar Tuschinski 1 gaat.

 

20 november 2022

 

IDFA 2022 – Deel 1: Openingsfilms
IDFA 2022 – Deel 2: Azië, anders
IDFA 2022 – Deel 3: Muziekdocumentaires
IDFA 2022 – Deel 4: Mensen aan het werk
IDFA 2022 – Deel 5: Oekraïne
IDFA 2022 – Deel 6: Pioniers

 


MEER FILMFESTIVAL

IDFA 2022 – Deel 6: Pioniers

IDFA 2022 – Deel 6:
Pioniers

door Bob van der Sterre

Sommige mensen leiden ongewone levens waar je niet snel aan zou denken. Ze zijn vaak pioniers in het een of ander. IDFA 2022 biedt veel films die deze ongewone levens gretig vastleggen.

 

Wildcat

Wildcat Ocelottherapie voor gevorderden
Britse soldaat Harry raakt depressief na zijn tour in Afghanistan. Zijn oplossing: vliegen naar zo ver mogelijk, de jungle in Peru. In de jungle ontmoet hij Samantha, die er een dierenopvang runt. Ze krijgen een relatie.

Harry krijgt de lastige taak om een predator, een ocelot, zelfstandig te laten worden. Dat betekent dat hij het beestje moet leren jagen, wat nog nooit eerder gedaan zou zijn in een reïntroductieprogramma. ‘Pak die muis! Doe wat je moet doen als jager!’

Dat jagen gaat met vallen en opstaan. Dan is er een bijna dodelijke spin, of jagers, of illegale houtkappers. Persoonlijk gaat Harry ook door duistere tijden.

Een fors applaus na afloop gaf aan dat de vlotte film er in ging als koek. De film van Melissa Lesh en Trevor Beck Frost (die zelf ook vertelde dat hij kampte met een depressie) is dan ook vaardig in elkaar gezet. De liefde van Harry voor zijn ocelots is immens en herkenbaar als je zelf dieren hebt. Daarnaast is de liefde van zijn familie, die hem bezoekt in de jungle, ook ‘wholesome’ te noemen.

Sterkste punt van Wildcat is dat het niet alleen over natuur, maar vooral over psychologie gaat. Harry legt zijn hele persoonlijkheid in het zelfstandig maken van het dier. Hij projecteert al zijn liefde op dat ene wezen. Als het dan minder gaat, gaat het ook met hem minder. Hij begint zichzelf te snijden. ‘Ik ga naar het meest afgelegen plekje van de planeet en ik zit nog steeds met dit hoofd!’ Ook bij Samantha zit iets: zij had een alcoholische vader. Maar haar problemen zitten minder diep dan bij Harry.

De film blijft boeien door de combinatie van drie punten: hun complexe verhouding, Harry’s ongelooflijke kracht om door te gaan en de buitengewone beelden als hij ‘s nachts de jungle in trekt om de ocelot te leren jagen. Een minpuntje vond ik het te gladde einde, waarmee de docu iets te goed past bij kijkers van streamingdiensten.

 

Girl Gang

Girl Gang – Een puberende influencer
Leonie is 14 en influencer. Ze heeft 500.000, nee 600.000, nee 700.000 volgers op Instagram. Ze Tiktokt, YouTubet en verdient veel geld als ze cheeseburgers van McDonald’s aanprijst en duizenden andere producten. En niet alleen zij verdient veel geld, maar ook haar ouders, die vervolgens ook beginnen te influencen.

Deze film van Susanne Regina Meures (productie Christian Frei) verraste me omdat het redelijk objectief het leven van een influencer vastlegt. De influencer zelf, natuurlijk nog maar een tiener, die moet werken voor de kost. ‘Stop nou met zeuren, ik regel het wel hoor!’ De ouders, die proberen ouder te zijn en tegelijkertijd manager van hun ster. En bij wie de aandacht toch ook kriebelt. De fans, die soms last krijgen van parasociaal gedrag.

Wil je discussies na afloop, ga dan naar deze film. Deze biedt genoeg stof om over te kletsen bij een goed Belgisch biertje. Is dit nog ‘een normale familie’? Welk effect heeft beroemd zijn voor je persoonlijke ontwikkeling als je nog kind bent? Wat is eigenlijk de precieze verantwoordelijkheid van de ouders? Mag ze eigenlijk wel zo jong zoveel werken? Komt er bij dat influencen talent kijken of ben je een toevallige optelsom van je publiek? Is verslaving aan social media geen groot probleem? De film is simpelweg te kort om meer te kunnen doen dan alleen aanstippen.

Het is niet de eerste film over dit onderwerp. Zo heb je ook al de Poolse speelfilm Sweat. Er zijn er ook een paar op streamingdiensten te zien maar die zoeken vooral het sensationele op (Fake Famous en Bad Influencer). Deze film ging letterlijk over het leven van een influencer.

De film is vlot gemonteerd – hier en daar met niet zo storende voice-overs van de hoofdpersonen – en laat genoeg hilariteit achter de schermen zien: gedoe met ballonnen als ze weer een mijlpaal heeft bereikt, vader die niets begrijpt van filters op Instagram, Zwitsers die niet over de brug willen komen met geld, moeder die te ijverig haar mailbox opruimt. Soms is het ook wrang: zoals dat de dochter alsmaar nieuwe content moet maken in plaats van gewoon een beetje dollen met haar vrienden. Het meest aandoenlijk was het meisje dat het account van de fanclub beheert en eigenlijk gewoon vrienden wil hebben; een terechte keuze van de regisseurs om die in het verhaal te betrekken.

Ondertussen denken de kat en de hond: het zal allemaal wel.

 

Uncanny Me

Uncanny Me Je eigen avatar voor modeshows
De coronatijd was een groot probleem onder andere voor de modewereld. Het zette model Lale aan het denken: wat als ik een eigen mode-avatar heb? Nooit meer moeten reizen, nooit meer shoots doen, kortom: je virtuele jou werkt voor jou, terwijl je lekker in je huis solitaire aan het spelen bent.

Met je eigen avatar ben je ook op de toekomst voorbereid want de hele industrie wil graag kosten besparen. Een echte pionier dus.

Documentairemaakster Katharina Pethke leek het aardig om dit experiment vast te leggen. We zien hoe Lale’s lichaam wordt vastgelegd in computers. Een boeiend proces om jezelf terug te laten brengen tot een bestandje. Het heeft alleen wel veel juridische haken en ogen, zoals Lale merkt. Pethke vertelde in de Q&A dat het experiment voorlopig is stopgezet.

Goed verzorgde productie met prettige neutrale houding (dus geen focus op alle gevaren). De film heeft in tegenstelling tot veel andere docu’s ook een prima lengte (45 minuten). Daarnaast is het einde ook echt een mooi einde – dat is ook vaak nogal anders. En dat de film geen antwoorden geeft, is voor Pethke geen issue: ‘Ik stel alleen vragen, dat is mijn filmfilosofie.’

 

The Land

The Land Letse Boeren hebben lol
Steeds meer Letten keren terug naar het platteland. Een stuk of tien nieuwe boeren in een bepaalde regio komen in deze film aan het woord over hun vak. Waar Letse boeren vroeger in Sovjettijden het grotere doel moesten nastreven, kunnen ze nu met hun eigen passies bezig. En daar worden ze blij van.

De alternatieve boer stopt aardappelen in het hooi in plaats van in de grond (‘Ik zie mezelf niet als veehouder, maar als een grasboer’). Een boer met gevoel voor marketing geeft proeverijen van zijn shmakovka. Een andere boer verkoopt zijn kazen op de markt (‘Het maakt niet uit of ik ze verkoop. Anders zet ik ze op de plank. Ze blijven houdbaar’). Een dame maakt kinderboeken over het boerenleven. Een oudere vrouw heeft nog één koe (‘Ze geeft me wat te doen’). En dan is er nog een jongen van twintig die scheuren met de auto leuker vindt dan het boerenwerk.

Boeren zijn net zo divers als mensen. Dat is wat regisseur Ivars Seleckis hier wil laten zien. De film draagt duidelijk zijn handtekening. Seleckis (nu 88) maakte in de jaren zeventig een film over veranderingen in de landbouw van toen nog Sovjet-Letland. En nu is de toon aanmerkelijk positiever omdat de boeren hun eigen keuzes kunnen maken.

Seleckis praat hij de hele film aan elkaar (wat in ieder handboek staat om niet te doen, maar hij doet het lekker toch). Een laconieke vertelstem à la Werner Herzog. ‘Ze deed een cursus in tractor- en bulldozer besturen. Maar kook- en psychologie-skills bleken toch bruikbaarder.’

Dit is een laidbackwereld met veel gelukkige mensen. En dat is ook wel mijn kritiek: het is wel heel erg laidback, ontspannen, en het oogt soms zelfs wat kinderachtig (door die voice-over van Seleckis en de sprookjesmuziek). Het boerenbedrijf is hier totaal anders dan de film Les Fils de la Terre die ik ooit ook zag op IDFA, over de toename van zelfmoorden onder Franse boeren. Zoals gebruikelijk zal de waarheid wel weer in het midden liggen.

 

19 november 2022

 

IDFA 2022 – Deel 1: Openingsfilms
IDFA 2022 – Deel 2: Azië, anders
IDFA 2022 – Deel 3: Muziekdocumentaires
IDFA 2022 – Deel 4: Mensen aan het werk
IDFA 2022 – Deel 5: Oekraïne
IDFA 2022 – Deel 7: Een zee van experimenten

 


MEER FILMFESTIVAL

IDFA 2022 – Deel 5: Oekraïne

IDFA 2022 – Deel 5:
Oekraïne

door Jochum de Graaf

In de zomer kondigde IDFA aan dat ze zeven Oekraïense documentaireprojecten zou gaan ondersteunen. Met een oorlog die eind februari begon, is de verwachting dat we het resultaat pas op een volgend IDFA te zien krijgen. Toch is er een aantal belangwekkende films op tijd voor deze editie afgekomen. Daarnaast presenteert vaste gast Sergei Loznitsa twee afleveringen uit zijn niet aflatende serie over de Tweede Wereldoorlog die ook met het oog op deze oorlog hoogst actueel zijn. En er is een indringende docu over jongeren in Rusland.

 

Mariupolis

Mariupolis en Mariupolis 2
Hoe zou het toch in Marioepol zijn? Na hevige gevechten en de wekenlange slag om de Azovstal-fabriek kwam de strategisch gelegen havenstad aan de Zwarte Zee eind mei in Russische handen. Sindsdien komt er nog maar weinig nieuws uit de stad die zo ernstig had te lijden en is de aandacht alweer lang verlegd naar andere steden plaatsen en gebeurtenissen.

De Litouwse cineast Mantas Kvedaravičius maakte voorjaar 2015, kort na de Russische bezetting van de Krim een portret van de stad. Mariupolis (de film heeft geen nummering, Kvedaravičius wist toen nog niet dat er een tweede aflevering zou komen) geeft geen beeld van hoe het ook alweer zover gekomen was, waarom de stad zo belangrijk was en laat niet de slag om Marioepol die de Russen in 2014 nog verloren buiten beschouwing.

In Mariupolis lijkt het gewone leven ondanks de Russische dreiging al weer opgepakt te zijn. De tram vertrekt ‘s ochtends vroeg in de mist. Een dochter gaat met haar vader voor het eerst vissen in een boot op zee. In een danszaal wordt gerepeteerd voor een grote uitvoering, een legereenheid doet oefeningen, een schoenmaker in zijn werkplaats, met opmerkelijk genoeg een foto van Brezjnev aan de muur, vertelt hoe erg het was een jaar geleden, maar dat hij niet zo bang is voor de Russen. In een hal op het enorme Azovstal-complex krijgen de arbeiders een veiligheidstraining. We worden nog wel even opgeschrikt als we een verslaggeefster volgen die een reportage maakt over een afgegaan explosief. Maar de viering van de 9e mei, het einde van de Grote Vaderlandse Oorlog, de discussies met de veteranen en even later de voorbereiding op een bruiloft in het grote gemeenschapshuis is al weer het leven van alle dag.

Kvedaravičius, opgeleid als antropoloog, filmt zijn mensen zeer dicht op de huid, laat vooral de gezichten zien, zoomt slechts een enkele keer uit. Hij maakt zijn observaties van gewone mensen in zeer bijzondere omstandigheden. Plaats-, naam- of tijdsaanduidingen ontbreken, de grote gebeurtenissen blijven op de achtergrond.

Mariupolis 2

Dit procedé past hij ook toe in Mariupolis 2. Twee weken na de Russische invasie besloot hij dat hij terug moest naar zijn geliefde Marioepol. En nu zijn het vooral mensen die proberen te overleven in de oorlogsomstandigheden. Ook nu weer geen beelden van gevechtshandelingen, geen mededelingen over het verloop van de strijd, al is de oorlog met explosies, bominslagen, geweervuur in de nabijheid en schuilen voor luchtalarm angstwekkend dichtbij. Het is een desolaat gebied, in de huizen en gebouwen is geen raam nog heel, overal puinhopen, alleen puinhopen. De hele dag en vaak ook ’s nachts explosies, bominslagen, rookwolken, vuurflitsen. Zo ongeveer moet de hel op aarde eruit zien.

We volgen een groep ouderen dagenlang onder in de schuilkelder van een kerk, ’s ochtends en ’s avonds gaat de pope voor in gebed. Na een paar weken moeten ze verkassen naar een nieuwe locatie. Er moeten een paar lijken uit een trapportaal worden geruimd, een paar mannen kijken of de auto nog gerepareerd kan worden. Wanneer er even stilte heerst, wordt een gat in de grond gemaakt, een vuur aangestoken, er wordt een grote ketel geplaatst en even later genieten de buren van een kom borsjt, hij is zowaar lekkerder dan gisteren. Ze proberen er het beste van te maken, maar je voelt dat het niet goed zal aflopen.

Mantas Kvedaravičius moest het maken van de film met de dood bekopen. Toen hij tijdens de opnamen tijdelijk de stad wilde verlaten, werd hij door de Russen ontvoerd en in koelen bloede vermoord. Zijn weduwe Hanna Bilobrova heeft de film in zijn geest afgemaakt. Je zou kunnen verwachten dat de film met de aanslag op Kvedaravičius zou eindigen. Maar de minutenlange slotbeelden, het uitzicht op de stad, met in de verte Azovstal en de wetenschap wat er met de maker gebeurd is, werken minstens zo sterk. Daar hoeft geen woord aan worden toegevoegd.   

 

When Spring Came to Bucha

When Spring Came to Bucha
Na een week van hevige gevechten was begin maart Boetsja een van de eerste steden die door de Russen werd ingenomen. Een maand later was de stad weer bevrijd en gingen de beelden van de verwoestingen, de verhalen over Russische oorlogsmisdaden en de vondst van massagraven de hele wereld over. De Oekraïense fotografe Mila Tesjajeva ging kort daarna samen met de Berlijnse filmmaker Marcus Lenz terug naar haar geboorteland en filmde hoe de bewoners uit hun schuilkelders kwamen en proberen hun leven weer op te pakken.

Al komt menige lijkzak voorbij, al te gruwelijke beelden blijven achterwege. We horen het verschrikkelijke verhaal over de man die even uit zijn huis werd gelokt en voor de ogen van zijn vrouw werd doodgeschoten, de aangrijpende getuigenis van de vrouw die 35 dagen in een kelder opgesloten zat zonder elektriciteit en water. We zien de moeder die aan de hulpverleners vraagt of ze het lichaam van haar zoon al hebben gevonden, hij moet te herkennen zijn aan de kogel door zijn hoofd en in zijn middenrif. Nee, nog niet gevonden, maar dat gaat zeker gebeuren. We zien de aanklagers die oorlogsmisdaden inventariseren aan het werk. Op de overvolle begraafplaats wordt een aantal keren per dag de mis voor de gevonden lijken opgediend.

Maar de film laat vooral ook zien hoe langzaam maar zeker het gewone leven zal worden opgepakt. Buren gaan bij elkaar op bezoek en beloven ondersteuning in de verwerking van het verdriet. Er worden gezamenlijke schoonmaakacties georganiseerd. Vluchtelingen keren terug uit het buitenland, in de zomer zijn de klassen op de basisschool al weer vol. Een ouder echtpaar schoffelt de tuin om en wijst de plek aan waar bloemen zullen opkomen volgend voorjaar, uiteraard met gele en blauwe bloemen. 

When Spring Came to Bucha is geen pessimistische film, maar eerst en vooral een mooi eerbetoon aan de veerkracht van de Oekraïners. 

 

Liturgy of Anti-Tank Obstacles

Liturgy of Anti-Tank Obstacles
In een atelier waar ze normaal heiligenbeelden maken, beitelen kunstenaars nu stevig in op de beelden. We horen liturgische koorzang, er staat een radio aan met de actuele situatie over de Azovstal-fabriek in Marioepol. De bedoeling is om de kruizen van de beelden los te bikken, die kunnen goed dienst doen als wegversperring.

Het motto van de Oekraïense schrijver Oleksandr Mykhed, waarmee de korte documentaire begint, wordt mooi in beeld gebracht: ‘De taal van de oorlog wordt nu door iedereen gesproken. En elke bajonet, ongeacht wat het is, telt.’

 

Away

Away
De Oekraïense vluchtelingen Andrej en Alisa kopen op de markt een set speelgoedsoldaatjes, eentje lijkt een beetje op Poetin. Ze beschilderen de soldaatjes en leggen ze op een geschilderde landkaart van de Oekraïne, een sterk anti-oorlogsmonument in een park in Boedapest dat de nodige discussie opwekt met nationalistische Hongaren, maar ook tot solidariteit van anderen leidt.

Ze werken in een kinderdagverblijf met Oekraïense kinderen die hun vluchtervaringen vertellen. Ze kijken op een app naar de vliegbewegingen boven hun hoofd, er is geen vliegverkeer meer naar Rusland. Andrej belt geregeld met zijn moeder die in Charkiv is gebleven, waar de stroom weer eens is uitgevallen. 

Away is een intiem hartverwarmend beeld van vluchtelingen, bekroond met de award voor de beste korte documentaire.

 

The Natural History of Destruction

The Natural History of Destruction
Loznitsa’s nieuwste film is gebaseerd op het gelijknamige boek van de Duitse schrijver W.G. Sebald waarin hij de moraliteit van de grootscheepse geallieerde bombardementen op Duitse steden in de Tweede Wereldoorlog aan de kaak stelt.

Het verhaal, misschien beter de argumentatie, wordt in die kenmerkende stijl van Loznitsa langzaam maar zeker en zeer zorgvuldig opgebouwd. We zien vredige plattelandstaferelen, grazende schapen, ganzen. Ook in de stad is het nog rustig, trams rijden door de straten, er is veel winkelend publiek, mensen zitten gezellig in het café, drinken wat, nemen een hap van een taartje, de camera pent door het café strijkt haast achteloos langs een statieportret van Hitler aan de muur. Dan wordt het donker en zien we vanuit de hoogte gefilmd ontploffingen op de grond, enorme rookwolken, een vuurzee. Het havengebied van een Duitse stad is volledig verwoest. Maar we krijgen ook de verwoesting van een Engelse stad te zien. In enorme fabriekshallen zien we merendeels vrouwelijke arbeiders bommen, kanonnen, granaten en ander wapentuig in elkaar zetten. Een ploegje soldaten stapelt de bommen op een lorrie, vervolgens worden ze stuk voor stuk onder de vleugels en in het ruim geladen. Een eskadron van een stuk of twaalf bommenwerpers stijgt op, vrolijk uitgezwaaid door achterblijvende militairen. We zien hoe een volgend bommentapijt gelegd wordt.

Churchill rijdt staande in een auto langs de verwoeste straten, hij spreekt met zijn befaamde toespraken de burgers moed in. Een auto met bedrukt kijkende hoge Duitse legerofficieren rijdt door een compleet weggevaagde woonwijk.

Montgomery houdt op een avond in de officiersmess een peptalk: ‘we weten niet hoe lang het nog zal duren, maar wij zijn veel beter uitgerust, hebben echt veel meer materieel’. De rechtvaardiging van de grootscheepse vernietiging van burgerdoelen wordt gevonden in de overtuiging dat er maar een antwoord op terreur is, namelijk tegen-terreur.

Loznitsa laat de gevolgen van die overtuiging scherp en duidelijk zien. Luchtbeelden van steden waar hele wijken zijn weggevaagd, straten die nauwelijks nog als zodanig te herkennen zijn, minutenlang de puinhopen van verwoeste woonwijken, de burgers, meest vrouwen, die een enorme slinger maken, elkaar een emmer doorgeven om smeulend vuur te blussen, het cynisme van een babylijkje onder kapotgeschoten huisraad.

In het licht van de Russische invasie in Oekraïne en de grootscheepse aanvallen op burgerdoelen en de vernietiging van de infrastructuur is de film een stevig statement in de discussie over oorlogsmoraal. 

 

The Kiev Trial

The Kiev Trial
Babi Jar. Context, Sergei Loznitsa’s film over de grootste massamoord op de Joden in een ravijn bij Kiev die op het vorige IDFA in première ging, eindigde met de onthutsend realistische beelden van de openbare executie van de dertien Duitse oorlogsmisdadigers die verantwoordelijk waren.

The Kiev Trial laat zien wat daaraan vooraf ging, in een hele secce stijl zijn de archiefbeelden van het proces achter elkaar gemonteerd. Januari 1946 komen de vijftien Duitse verdachten de rechtszaal binnen, gaan zitten en worden vervolgens een voor een naar voren geroepen. Stuk voor stuk geven ze aan dat ze schuldig zijn aan de aanklachten, een enkeling pleit op een aantal punten onschuldig.

Hen wordt in detail gevraagd naar hun daden in Meletopol, Rovno, Novomoskovsk en nog een reeks andere plaatsen. Nee, er is maar 75 procent van het goud van de Joden in beslag genomen; en nee, die 120 doden vielen niet allemaal op een dag; ja, er waren in bijna alle gevallen ook vrouwen en kinderen onder de slachtoffers. Een aantal getuigen vult het nog aan of corrigeert een enkel feit. En er is het verbijsterende getuigenis van de vrouw die zich urenlang tussen de lijken in het ravijn bij Babi Jar verborgen wist te houden en pas aan het eind van de dag in het donker naar boven wist te klimmen.

Het is een van de weinige punten in de film waarop je nog wat emotie hoort. Alleen bij het horen van de strafeis, dood door ophanging, klinkt applaus. Net als het publiek in de rechtszaal zit je met verbijstering maar ook met fascinatie naar het proces te kijken. De veroordeelden horen onbewogen het vonnis aan en geven desgevraagd aan dat ze de straf gerechtvaardigd vinden.

En ook de uitvoering is een haast klinische aangelegenheid. Het Kalininplein is op die zaterdagmiddag in februari 1946 vol, heel Kiev is uitgelopen om de executie mee te maken. En dan zie je ze weer op het schavot worden geleid, dezelfde beelden als in Babi Jar. Context. Nu komt het misschien nog veel duidelijker in beeld, beelden die nog wel even op je netvlies blijven hangen.

 

Manifesto

Manifesto
Angie Vinchito, ongetwijfeld een schuilnaam, schetst met deze found footage-montage van YouTube- en TikTok-filmpjes een grimmig beeld van het opgroeien van Russische jongeren. Manifesto begint nog luchtig: meisjes en jongens staan op, laten zien hoe ze hun tanden poetsen, gaan onderweg in de metro, dreigen te laat te komen op school, maar dat deert niet want het is toch het eerste uur en de docent is ook niet altijd op tijd.

Maar in de klas is het zelden normaal, ze worden uitgescholden als ze niet snel of goed genoeg antwoord geven, vernederingen zijn aan de orde van de dag, sommige docenten, ook vrouwelijke laten de handen wapperen. Er wordt ze de Russische normen en waarden bijgebracht, homoseksualiteit is uit den boze, bij meisjes wordt de onderdanigheid er in gestampt: ‘een vrouw moet altijd klaar staan wanneer de man dat wil’. Er heerst een onveilig en onzeker klimaat. Wanneer ze aan een evacuatie meedoen, is velen niet duidelijk of het nu een oefening of gewoon echt is. Even later trekt een losgeslagen jongen schietend en schreeuwend door het schoolgebouw een stuk of twintig slachtoffers achterlatend.

Anderen komen in aanraking met de politie omdat ze meedoen aan een demonstratie, worden hardhandig opgepakt omdat ze steun aan oppositieleider Navalny hebben betuigd of zich tegen ‘de speciale operatie in Oekraïne’ hebben uitgesproken. Een meisje met uitgelopen mascara maakt snikkend haar diepe excuses aan de Tsjetsjeense leider en Poetinvazal Ramzan Kadyrov die ze kennelijk beledigd heeft.

Manifesto krijgt een huiveringwekkende ontknoping met het stel Denis en Katya die na het plegen van een grove misdaad in een vakantiehuisje met het geweer in de hand de komst van de Speciale Interventie eenheid afwachten. Deze docu schetst een weinig hoopvol beeld van de nieuwe generatie jonge Russen. De film won de Envision Competition.

 

19 november 2022

 

IDFA 2022 – Deel 1: Openingsfilm
IDFA 2022 – Deel 2: Azië, anders
IDFA 2022 – Deel 3: Muziekdocumentaires
IDFA 2022 – Deel 4: Mensen aan het werk
IDFA 2022 – Deel 6: Pioniers
IDFA 2022 – Deel 7: Een zee van experimenten

 


MEER FILMFESTIVAL