Itzhak

***
recensie Itzhak

Viool als replica van de ziel

door Cor Oliemeulen

Itzhak Perlman is een prima verteller, zelfverzekerd, goedlachs en gevat. Hij geldt als een van de grootste violisten van de tweede helft van de twintigste eeuw. “Waar ter wereld ik ook kom, het enige verzoek dat ik krijg, is de muziek van Schindler’s List.”

Itzhak ademt een onvoorwaardelijke liefde voor de kunst. Alison Chernik maakte eerder korte documentaires over popartheld Roy Lichtenstein, beeldend kunstenaar Jeff Koons, expressionistisch schilder Jackson Pollock, multitalent Julian Schnabel, alsook de filmregisseurs Pedro Almodóvar en Francis Ford Coppola. Ditmaal neemt ze vijf kwartier de tijd voor de man op en achter de viool. Niet alleen muziek komt aan bod; eten en honden lopen als leuke draadjes door de film heen.

Polio
Getroffen door polio op zijn vierde, zien we Perlman nu altijd en overal op zijn scootmobiel. Zoals wanneer hij in een vol honkbalstadion het Amerikaanse volkslied speelt voor een wedstrijd van de New York Mets, luisterend naar een mooie speech van de Amerikaanse president Obama, tijdens een optreden met zanger Billy Joel, het repeteren met andere muzikanten en wanneer acteur Alan Alda een hapje komt eten en een goed glas wijn komt drinken. Op visite bij de Israëlische premier Netanyahu zal hij beslist niet over politiek praten, en inderdaad zien we even later dat het gesprek gaat over eten en honden. De een miljoen dollar behorende bij de prestigieuze Genesis Prize in Jeruzalem zal hij aanwenden voor het opleiden van jong muzikaal talent, met de nadruk op gehandicapten.

Nadat hij op zijn dertiende met zijn moeder naar New York verkaste omdat hij was aangenomen op het beroemde Juilliard viel het zijn tweede vioollerares (de eerste was een kreng) op hoe virtuoos de jeugdige Itzhak al was: “Hij speelde Mendelssohn twee keer sneller dan het moest, maar het was ongelooflijk”, zegt ze. “Ik denk dat ik verliefd op hem was.” Dat gold ook voor Perlmans huidige echtgenote, de vrolijke Toby, die hem na een optreden ten huwelijk vroeg. Itzhak was nog maar zeventien en kreeg een jaar de tijd om zijn relatie met een ander meisje op wie hij nog verliefd was te verbreken. Meer dan vijftig jaar later is Toby nog steeds lyrisch over zijn spel, maar een kritische noot schuwt ze nooit. “Je kende nog niets van Schubert toen we elkaar ontmoetten.”

Net gearriveerd in New York werd de jonge Itzhak uitgenodigd voor de Ed Sullivan Show en aangekondigd als uitzonderlijk talent. We horen hoe prachtig hij daar speelde. Terugblikkend: “Ik weet niet of ik toen was uitgenodigd voor mijn vioolspel.” Toby weet het wel: “Je was die arme kleine kreupele jongen.” Tegenwoordig speelt Perlman altijd op zijn Stradivarius uit 1714 die volgens hem precies de klank heeft die hij van binnen voelt. “Als je een hond hebt en je bent nerveus, dan is je hond nerveus. Als je rustig bent, is je hond rustig. De viool is de replica van de ziel.”

Itzhak

Auschwitz
En zo zit Itzhak vol ontmoetingen, herinneringen en gesprekken, gelardeerd met kort archiefmateriaal. Met zijn joodse achtergrond is Auschwitz nooit ver weg. Op weg daar naartoe namen joden bijna altijd hun viool mee. Die instrumenten werden natuurlijk door de nazi’s afgepakt, waarna de eigenaren naar de gaskamer moesten. De violen gingen naar het orkest, dat een enkeling aangreep om aan het verschrikkelijke lot te ontsnappen. De al even beroemde violist Isaac Stern antwoordde ooit op de vraag waarom zoveel joden viool spelen: “Dit is het gemakkelijkste instrument om op te pakken en weg te rennen.”

Perlman horen we soms heel aardig relativeren en blijkt niet vies van de nodige ironie, maar de enige keer dat we hem niet opgewekt zien, is het moment waarop de joodse eigenaar van een vioolwinkel een oude viool toont. Als hij het instrument openmaakt, zien we daarin een papieren vel in de vorm van een viool met daarop de tekst ‘Heil Hitler 1936’ en de tekening van een hakenkruis. “Zorg ervoor dat er geen snaren meer op komen”, zegt Perlman veelbetekenend.

De bijzondere geschiedenis van een groot kunstenaar maakt een portret al snel de moeite waard. Juist om die reden is de spontane, probleemloze documentaire Itzhak niet uitsluitend boeiend voor liefhebbers en beoefenaars van klassieke muziek.

 

6 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Last Male on Earth, The

***
recensie The Last Male on Earth

Een diersoort kost wat kost behouden

door Nanda Aris

The Last Male on Earth toont de laatste duizend dagen van Sudan, de enige mannelijke noordelijke witte neushoorn op aarde. Tot aan zijn dood in maart 2018 leefde hij op de Keniaanse savanne en werd daar verzorgd door bevlogen mensen, die hun leven zouden geven om hem te beschermen. 

Het team bestaat niet alleen uit rangers, verzorgers, en pr- en marketingmedewerkers, maar ook uit wetenschappers die met nieuwe technieken proberen de neushoorn te laten voortbestaan. Vele toeristen en journalisten trekken naar Ol Pejeta om de neushoorn te aanschouwen. ‘Vertel zijn verhaal’, zegt James, een van de tourleiders, ‘Wij moeten voor hem spreken, hij kan het niet meer.’ Maar is dit ware bevlogenheid, of een gecreëerde en opgetuigde kermis? 

The Last Male on Earth

Floor van der Meulen (1989) debuteerde met haar film Paradijsbestormers (2014), waarin ze Nederlandse jihadstrijders aan de Syrische grens portretteert. Haar korte film 9 Days – From My Window in Aleppo (2015, in co-regie met Thomas Vroege) toont de eerste negen dagen van de burgeroorlog in Aleppo, gefilmd door het raam van de Syrische fotograaf Issa Touma. Deze film won de European Film Award voor de beste korte film.

Mensheid
The Last Male on Earth start met de voice-over die het verhaal vertelt van God en de keuze die hij geeft aan steen, het dier en de mens. Een eeuwig leven zonder kinderen, of kinderen krijgen maar sterfelijk zijn. Ieder gaat zijns weegs en komt terug om de keuze aan God door te geven. De steen kiest voor een eeuwig leven, het dier voor de sterfelijkheid, maar de mens keert niet terug bij God. Met deze metafoor lijkt Van der Meulen ons duidelijk te willen maken dat de mens zijn weg gaat en denkt dat hij het voor het zeggen heeft.

Alle mensen rondom de neushoorn vertellen waarom Sudan zo belangrijk voor hen is, en wat hij met hen doet. Naarmate de film vordert, en ook de toeristen aan het woord zijn om te vertellen wat het aaien van de neushoorn met hen gedaan heeft, proeven we steeds meer de kritische, sarcastische toon van het verhaal. De rangers die in het veld liggen en oefenen, toegeroepen door hun baas – het heeft iets lachwekkends. De plaatsvervangende schaamte die ons soms ten deel valt, doet lichtelijk denken aan de schaamte die de kijker voelde bij het bekijken van Oeke Hoogendijks Het Nieuwe Rijksmuseum (2014).

The Last Male on Earth

Uitsterven
We volgen ook de wetenschappers, die het sperma van Sudan voor de volgende 3.000 jaar weten te bevriezen, en zo tijd winnen om met een oplossing te komen. Van der Meulen vraagt de wetenschappers waarom we de noordelijke witte neushoorn niet mogen laten uitsterven. En daar weten ze niet direct een antwoord op. Er volgen scènes waaruit we kunnen concluderen dat Van der Meulen ons aan het denken wil zetten over welk belang we aan een dier hangen; het insect dat met een vliegenmepper tijdens een persconferentie over Sudan de volle laag krijgt, het schaap dat geslacht wordt, en de vliegen die tegen het elektrische rooster verbrand worden.

Ondertussen tikken Sudans dagen weg, zich van geen kwaad bewust en niet beseffend dat hij de laatste van zijn soort is. Hij ondergaat de aaitjes van toeristen, wordt ouder met de dag, neemt zijn eten in ontvangst en krijgt naar het einde toe steeds meer wonden op zijn lijf.

Terechte vragen
Het is goed dat Van der Meulen ons aan het denken wil zetten, goed dat ze terechte vragen stelt, maar het roept ook een beetje medelijden op met iedereen die wordt geportretteerd. De film mist soms een beetje snelheid en de boodschap is niet eenduidig. Maar goed is het wel dat we nadenken over waarom we een diersoort kost wat kost willen behouden, in plaats van ons als mensheid boven alles te plaatsen en te denken dat wij een diersoort moeten redden. Hadden we ook niet beter iets eerder in actie kunnen komen? Dan had de onwetende Sudan niet beschermd hoeven worden door de mens die hem naar het randje van de afgrond bracht.

 

16 september 2019

 

ALLE RECENSIES

Miles Davis: Birth of the Cool

****
recensie Miles Davis: Birth of the Cool

Portret van een gekwelde trompetkunstenaar

door Cor Oliemeulen

Zelfs als je jazz beschouwt als een gruwelijke bak herrie of onophoudelijk zenuwachtig gefiep, is de documentaire Miles Davis: Birth of the Cool fascinerend om naar te kijken. Een nadere kennismaking met de grootste jazzvernieuwer die minder cool was dan de titel doet vermoeden.

Miles Davis kon zich muzikaal uitstekend aanpassen aan de tijdsgeest: van bebop in de jaren 40, via cooljazz, hardbop, jazzrock, fusion, acid jazz tot en met commerciële nummers in de jaren 80. Niet alleen door de omgevingsfactoren, maar ook door emoties toonde Davis zich een kameleon: net als zovele jazzmuzikanten worstelde hij met een drugsverslaving en daarbovenop had hij problematische relaties met vrouwen. Door middel van interviews en deels niet eerder gebruikte beelden ontstaat het portret van een gekwelde trompetkunstenaar.

Miles Davis: Birth of the Cool

Liever cool dan bebop
Miles Davis (1926-1991) zette in juli 1944 zijn eerste grote schreden in Club Riviera in St. Louis als invaller in een band met jazzlegendes Charlie Parker, Art Blakey en Dizzy Gillespie. De jonge Miles was zo zenuwachtig dat hij voor elk optreden moest overgeven. Zijn welgestelde ouders (vader was tandarts) drongen aan dat hij piano of viool zou gaan studeren. Het werd toch de trompet, maar dan wel aan het beroemde Juilliard-conservatorium in New York. Die studie zou hij niet afmaken, want veel liever trad hij avond na avond op in de clubs van 52nd Street, het toenmalige mekka van de jazz. Na drie jaar spelen in het kwintet van Parker had Davis genoeg van diens snelle, gecompliceerde en virtuoze bebop. Miles wilde voortaan zelf de muzikale lijnen uitzetten. Dat leidde in 1957 tot het baanbrekende album Birth of the Cool. Een nieuwe jazzstijl was voor het grote publiek geboren.

Terwijl de toenmalige CBS-anchorman Walter Cronkite jazz bestempelde als ‘muzikale herrie’, roemen velen Davis’ cooljazz als elegant, romantisch, kwetsbaar en verrassend. Met meestal een demper op zijn trompet creëerde hij zijn typische, herkenbare timbre met een ingehouden, lyrische, melodieuze speelstijl. Andere mijlpalen zijn Miles Ahead (1957) en Kind of Blue (1959), nog steeds het meest verkochte jazzalbum ooit. Ooggetuigen vertellen hoe Davis voor twee opnamesessies bij Columbia Records collega’s als John Coltrane en Bill Evans slechts wat toonladders en melodielijnen toestopte, de rest van Kind of Blue is improvisatie. Sketches of Spain (1960) is een flirt met Spaanse muziek en Bitches Brew (1970) verruilt de traditionele akoestische instrumenten voor elektrische jazzrock. Criticus Greg Tate noemde Davis een ‘hoodoo voodoo priest of music’.

Miles Davis: Birth of the Cool

Artiesten en intellectuelen
Waar talking heads (kenners, exen, kinderen, jazzgiganten als Ron Carter, Wayne Shorter, Herbie Hancock, Quincy Jones, Mike Stern en Marcus Miller) Miles Davis op muzikaal gebied de hemel in prijzen, krijgt de persoon achter de muzikant ook minder jubelende kwalificaties toebedeeld: koud, direct, excentriek, jaloers, op zichzelf, tegen het asociale aan. Karaktereigenschappen die al dan niet werden versterkt nadat hij gedesillusioneerd terugkwam van zijn verblijf in Parijs in 1949. Daar was geen rassenscheiding en werd hij opgenomen in een kring van artiesten en intellectuelen (Picasso en Sartre waren fan). De Franse zangeres Juliette Gréco vertelt hoe ze verliefd hand in hand met Miles Davis door de straten van Parijs flaneerde, maar aan het sprookje kwam een eind toen hij terug in Amerika weer direct werd geconfronteerd met racisme en zich stortte in een heroïneverslaving die de rest van zijn leven zou bepalen. Net als een aanvaring met een agent die een bloedende Davis naar het politiebureau begeleidde.

Zoals in zijn vorige documentaires neemt filmmaker Stanley Nelson (o.a. The Black Panthers: Vanguard of the Revolution, 2015) de tijd voor rassenongelijkheid. Met zijn opzichtige dure auto’s en luxe kleding was Miles Davis voor sommige blanken een doorn in het oog. Hij portretteert Davis als activist en krachtig symbool voor Afro-Amerikanen die geen blad voor zijn mond neemt. Terwijl in de jaren 60 de jazz door de opkomst van rock en funk minder populair werd, paste Davis zijn muziek aan en zocht hij inspiratie in andere culturen en kunstvormen. Dat leidde onder meer tot zijn opname van het Disney-liedje Someday My Prince Will Come (1961). Davis flipte toen hij op de albumcover een blanke vrouw zag en eiste van Columbia Records om ‘that white bitch’ te verwijderen en te vervangen door Frances Taylor, zijn eerste echtgenote, als eerbetoon aan haar en aan alle zwarte vrouwen.

Miles Davis: Birth of the Cool

Rake anekdotes
Ook in Miles Davis: Birth of the Cool heeft de populaire ex-danseres, Frances Taylor, een prominente plaats. Ze deelt persoonlijke herinneringen, en krijgt (weliswaar erg kort) de kans om ook ’s mans ellende van drugs en paranoia uit de doeken te doen. We zien de pijn in haar ogen als ze vertelt hoe ze direct vertrok nadat Davis haar tegen de grond had geslagen, maar ze zou altijd van hem blijven houden. Ook volgende exen hadden het niet gemakkelijk met de jazzlegende. Een onmiskenbare invloed had de pittige funk- en soulzangeres Betty Mabry eind jaren zestig. Davis was altijd onberispelijk gekleed in een donker pak, maar Betty ging hem hip en extravagant kleden: laag uitgesneden shirts, patchwork broeken met opzichtige riemen en grote zonnebrillen.

De documentaire zoomt echter vooral in op Davis’ hoogtijdagen daarvoor, de decennia waarin geschiedenis werd geschreven, zoals de totstandkoming van zijn geïmproviseerde soundtrack van Ascenseur pour l’échafaud (1958) van Louis Malle. We zien nog wel een kort optreden op het podium met Prince in 1987, maar toen was Davis al erg fragiel als gevolg van jarenlang drugsgebruik. De kijker blijft met een triest gevoel achter, wetende dat er nooit meer iemand van dit muzikale kaliber zal opstaan, maar dat maakt deze biografie niet minder mooi en leerzaam. Misschien is de enige kleine tegenvaller dat je op de aftiteling leest dat het niet de rasperige voice-over van Miles Davis is die je hoorde, maar van Carl Lumbly die voorleest uit de in 1990 verschenen autobiografie Miles. Dat karakteristieke gekraste stemgeluid van Davis (veroorzaakt door een keeloperatie) wordt ook voorbeeldig, en soms gekscherend, geïmiteerd in de talrijke rake anekdotes.

 

7 september 2019

 

ALLE RECENSIES

Woodstock: bepalend moment van de babyboomers

50 jaar Woodstock
Bepalend moment van de babyboomers

door Alfred Bos

Het begon als een idee voor een platenstudio. Het werd het meest beroemde, ophefmakende, historisch significante popfestival ooit. Op de vijftigste verjaardag van Woodstock is de documentaire van Michael Wadleigh voor één dag opnieuw te zien.

De zomer van 1969 was een waterscheiding in de westerse cultuur. Op 20 juli zette Neil Armstrong als eerste mens voet op een ander hemellichaam, het was wereldnieuws. Diezelfde week oversteeg de rekenkracht van alle computers tezamen het rekenvermogen van de mensheid, de kranten zwegen erover.

Woodstock (50th Anniversary)

Leden van Charles Mansons sekte pleegden in de nachten van 9 en 10 augustus de geruchtmakende Tate/La Bianca-moorden en verstoorden de hippiedroom. Nog geen week later, van vrijdag 15 tot en met maandagmorgen 18 augustus, vond in Bethel, New York het Woodstock-festival plaats, aangekondigd als ‘drie dagen van vrede en muziek’. Er kwam een half miljoen bezoekers op af en de gouverneur van de staat New York riep de festivallocatie uit tot rampgebied. In luttele weken werden historische grenzen overschreden.

Voor iedereen die er niet bij kon zijn, draaide in Amerika vanaf 26 maart 1970 de documentaire die de onafhankelijke cineast Michael Wadleigh over het festival – de muziek en de bezoekers – maakte. Woodstock opende op 25 juni in Nederland; ná de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk, maar vóór de rest van de wereld. Vanaf 11 mei van dat jaar lag de driedubbelelpee met opnamen van het festival in de winkel, een jaar later gevolgd door een dubbelaar.

Voor wie er echt geen genoeg van kan krijgen, is er ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Woodstock een speciale uitgave met 38 cd’s verschenen. Daarop staan alle 432 nummers die de 32 acts en artiesten hebben gespeeld tussen vrijdagmiddag 5 uur (Richie Havens) en maandagmorgen 11 uur (Jimi Hendrix). Eén cd verzamelt alle podiumaankondigingen: “Klim niet in de torens”. “De bruine acid die rondgaat is niet bijzonder goed, we raden aan om er weg van te blijven”. “Vanaf nu is het een gratis concert”. Woodstock is een geval apart.

Festivalkoorts
Dat er überhaupt een film was te zien, is te danken aan voormalige platenbaas en muzikant Artie Kornfeld. Samen met concertpromotor Michel Lang benaderde hij de financiële adviseur Joel Rosenman en de rijke zakenman John P. Roberts. Aanleiding was een advertentie in de Wall Street Journal waarin dat tweetal zich had geafficheerd als ‘jongemannen met ongelimiteerd kapitaal’, op zoek naar zakelijke ideeën. Het idee van Lang en Kornfeld was om een opnamestudio te openen in Woodstock, in upstate New York. Het werd een meerdaags muziekfestival; niet in Woodstock (geen locatie beschikbaar), niet in Walkill (protest van bewoners), maar in Bethel, op het terrein van boer Max Yasgur.

Woodstock (50th Anniversary)

In de zomer van 1969 had Amerika last van festivalkoorts. Vanaf het eerste weekend van april (Palm Springs, Californië) tot en met het laatste weekend van augustus (Lewisville, Texas en Prarieville, Louisiana) was de kalender van oostkust tot westkust gevuld met een reeks festivals: West Hollywood (Florida), San Jose (Californië), Detroit (Michigan), Denver (Colorado), Edwardsville (Illinois), Hampton (Georgia), Laurel (Maryland), Milwaukee (Wisconsin), Woodinville (Washington) en Atlantic City (New Jersey) waren het decor van drukbezochte rockfestivals.

Woodstock leek de zoveelste in een rij, de organisatie rekende op het respectabele aantal van maximaal honderdduizend betalende bezoekers. Het werden er zo’n half miljoen, waarvan het overgrote deel zonder kaartje. Opeens was de wei in Bethel onbedoeld een stad van een kleine half miljoen inwoners, een stad zonder infrastructuur. Zonder voedsel, zonder medicijnen, zonder sanitair. Onbereikbaar ook, de wegen zaten tot ver in de omtrek verstopt, alle hulp moest worden ingevlogen. Het had zomaar kunnen uitdraaien op een humanitaire ramp.

De lokale bevolking begon voedsel in te zamelen, het leger vloog met helikopters veldartsen in, de Hog Farm-commune-activisten van Wavy Gravy (Hugh Romney) bemanden een gaarkeuken en deelden gratis eten uit. Gouverneur Rockefeller verklaarde Bethel tot rampgebied. Bovendien werkte het weer niet mee. Op zondagmiddag maakte een zomerstorm van de weide een modderpoel. Maar ondanks alle ontberingen klaagde niemand, iedereen hielp elkaar. Het gevoel van eenheid onder het publiek oogt vijftig jaar na dato nog steeds utopisch.

Woodstock Nation
Elk van de half miljoen bezoekers – en de muzikanten niet uitgezonderd – had het gevoel deel van iets unieks te zijn. Woodstock werd het bepalende moment voor de generatie van de naoorlogse baby boomers. “We zochten geen antwoorden, we zochten gelijkgestemden”, zeggen bezoekers van toen vijftig jaar later. Die vonden ze op de heuvels van Bethel.

Het gaf hen een gemeenschappelijk levensgevoel, zelfbewustzijn, een identiteit en cultureel momentum. Hun belevingswereld verschilde ingrijpend van die van hun ouders en dier conservatieve ideeën, burgerlijke waarden en zielloze bestaan. Ze noemden het ‘Woodstock Nation’, waar de verbeelding aan de macht was. Dat weekend werden babyboomers de Woodstockgeneratie.

50 jaar Woodstock

Twee dingen waren cruciaal voor het gevoel van verbondenheid dat het half miljoen vreemden op de weide van zuivelboer Max Yasgur met elkaar deelden: muziek en Vietnam. Het protest tegen de oorlog in Vietnam was de motor achter het ontstaan van de tegencultuur die de psychedelische revolutie, het ecoprotest van The Whole Earth Catalog en de alternatieve media van underground comix en tijdschriften à la Rolling Stone had voortgebracht.

Boven de babyboomers hing de dreiging van militaire dienstplicht. Wie werd opgeroepen, kon naar Vietnam worden gezonden en terugkeren in een bodybag. Ze ontvluchtten die donkere werkelijkheid in muziek, en drugs. Muziek was het cement dat alle uiteenlopende interesses en belangen van de tegencultuur tot een geheel kitte. Festivalafsluiter Jimi Hendrix bracht in zijn deconstructie van het Amerikaanse volkslied Vietnam en muziek samen.

Woodstock en al die andere festivals in de zomer van 1969 hadden Montery Pop, van juni 1967, als voorbeeld. De moeder aller rockfestivals was bedoeld om rockmuziek dezelfde culturele status als jazz en folk te geven. Lou Adler, mede-organisator van Montery Pop: “Montery draaide om de muziek. Woodstock draaide om het weer en de bezoekersaantallen.” Maar tijdens Woodstock overstegen het publiek en hun tegencultuur de betekenis van de muziek. Het festival markeert het moment waarop de tegencultuur de nieuwe mainstream werd.

Chicago maakt plaats voor Santana
Meer dan een kwart van de acts die hadden gespeeld op Montery Pop stond ook op Woodstock: Jimi Hendrix, The Who, Janis Joplin, Jefferson Airplane, Country Joe & The Fish, The Grateful Dead, Paul Butterfield Blues Band, Canned Heat en Ravi Shankar. Ze waren symbolen van de tegencultuur en vormden het hart van het Woodstock-affiche. Dat werd verder gevuld met nieuwe en minder bekende namen als Joe Cocker, The Band, Mountain, Johnny Winter, Santana en Crosby, Stills, Nash & Young (het was hun tweede optreden). Sly & The Family Stone vervulde op Woodstock de rol die Otis Redding en de Stax-revue hadden op Montery, die van excuus-soulact.

Voor de hand liggende namen ontbraken om uiteenlopende redenen. Bob Dylan vertrok op de openingsdag van Woodstock naar Engeland, om daar op 31 augustus te spelen op het Isle of Wight Festival of Music. Simon & Garfunkel werkten aan een nieuw album, dat in 1970 zou verschijnen als Bridge Over Troubled Water. The Byrds hadden hun buik vol van festivals. The Doors zegden op het laatste moment af, ze vreesden ‘een tweederangs Montery’. Love was uitgenodigd, maar paste. Chicago werd door concertpromotor Bill Graham (we zien hem in de backstagebeelden) van het affiche gemanipuleerd. De reden: zo kon hij de nieuwe groep onder zijn hoede, het op dat moment volstrekt onbekende Santana, aan het Woodstock-programma toevoegen. Santana vulde de plek van Chicago.

Woodstock (50th Anniversary)

Santana was als grote onbekende dé relevatie van het festival en levert het muzikale hoogtepunt van de documentaire. Omdat de groepsleden lsd hadden geslikt, werd hun bijdrage een uur uitgesteld. Een akoestisch optreden van Country Joe McDonald vulde het gat, zijn vertolking van Fish Cheer is een van de iconisch momenten in de film. Santana’s rock met latin-elementen was in 1969 een nieuw geluid en de verbazing en opwinding onder het publiek worden in de split screenbeelden van Woodstock raak gevangen. Mede dankzij de lsd heeft de groep vleugels en stijgt boven zichzelf en het moment uit.

De registratie van Soul Sacrafice, het slotnummer van Santana’s optreden, biedt pure magie. Het is één van de beste liveperformances uit de rockhistorie en maakte de reputatie van de groep. Twee weken na Woodstock verscheen het titelloze debuutalbum, werd een hit en de rest is geschiedenis. Geen groep heeft zoveel baat gehad bij Woodstock als Santana, het festival lanceerde de carrière van de band. Het werkte wederzijds, met Santana had Woodstock een uniek en onderscheidend moment. Het complete Woodstock-concert is terug te horen op bonus-cd bij de heruitgave uit 2004 van Santana.

Martin Scorsese
Woodstock is één van de beste concertfilms ooit, misschien wel de beste. Het is de eerste en enige documentaire van regisseur Michael Wadleigh en won in 1971 een Oscar. (Wadleigh maakte daarnaast slechts de thriller Wolfen, een film die cultfaam onder liefhebbers van horror heeft.) De cameramensen hadden in 1969 ongekende vrijheid om de optredens op en rond het podium te filmen. Ze zitten de muzikanten letterlijk dicht op de huid, wat de beelden ongewoon intiem maakt. De split screen-editing is functioneel en werkt dramatisch in het voordeel van de muziek, zo maakt de montage de registratie van The Who extra krachtig.

Voor de montage waren zeven editors verantwoordelijk, waaronder Thelma Schoonmaker en Martin Scorsese. Schoonmaker werd nadien de vaste editor van Scorsese, die tevens als assistent-regisseur aan de film heeft meegewerkt. Die ervaring heeft hij nadien benut voor zijn concertfilms en muziekdocumentaires over The Band (The Last Waltz, 1978), Bob Dylan (No Direction Home, 2005), Rolling Stones (Shine a Light, 2008), George Harrison (Living in a Material World, 2011) en opnieuw Bob Dylan (Rolling Thunder Revue, 2019).

Woodstock (50th Anniversary)

Bij het vijfentwintigjarige bestaan in 1994 kwam Woodstock in Amerika opnieuw uit. De oorspronkelijk versie uit 1970 is 184 minuten (drie uur en vier minuten) lang. De director’s cut van 1994 telt 224 minuten (drie uur en drie kwartier), aan de eerste versie zijn opnamen van Canned Heat, Janis Joplin en Jefferson Airplane toegevoegd; de laatste twee waren niet in het origineel te zien. Het segment over Jimi Hendrix is uitgebreid met een verbluffende vertolking van Voodoo Child (Slight Return). Niet in de bioscoop vertoond materiaal kwam in 2009 op dvd beschikbaar via de 40th Anniversary-uitgave van de film.

Kassucces
Woodstock was een bijgedachte en kostte 600.000 dollar om te maken. Door omstandigheden werd Woodstock een gratis toegankelijk festival, wat het kwartet organisatoren in eerste instantie een miljoenenschuld opleverde. De film bleek echter een kassucces en heeft vijftig jaar later, los van plaatverkoop en merchandise, naar schatting vijftig miljoen dollar opgebracht. Ook dat typeert de babyboomers.

Waarom werd Woodstock het kantelpunt en niet een van al die andere festivals die zomer? Woodstock haalde in Amerika de nationale pers: er ging van alles fout en toch liep het, als een mirakel en met dank aan de verdraagzaamheid van de bezoekers, niet uit op een ramp. Woodstock bracht het mirakel naar de rest van de wereld.

Maar het meest fundamentele facet van de culturele waterscheiding die in de zomer van 1969 gestalte kreeg, is dit: de film van het festival, de virtuele werkelijkheid, is lucratiever dan het festival zelf, de fysieke werkelijkheid. Zo symboliseert Woodstock via Woodstock met terugwerkende kracht de door media geschapen hyperrealiteit van de eenentwintigste eeuw.

De director’s cut van Woodstock (224 minuten lang) beleeft zaterdag 17 augustus zijn ‘première’ op Lowlands en is zondag 18 augustus eenmalig te zien in meer dan honderd bioscopen.

 

10 augustus 2019


ALLE ESSAYS

Veearts Maaike

****
recensie Veearts Maaike

Lief en leed van een stoere Groningse

door Nanda Aris

De uit Loppersum afkomstige Maaike geeft een inkijk in haar leven als veearts. Daarnaast is ze actief als vertegenwoordiger van de Nederlandse dierenartsen in Europa. En strijdt ze voor het terugdringen van overmatig antibioticagebruik. Kalfjes worden geboren, presentaties gegeven, administratie gedaan; zeker, moedig en doortastend gaat Maaike te werk. 

Jan Musch en Tijs Tinbergen werken sinds hun afstuderen aan de filmacademie samen, zo maakten ze eerder de films Gebiologeerd (1994) en Rotvos (2009). Voor deze laatste documentaire ontvingen ze een Gouden Kalf. Gefascineerd door de natuur en de verschillende belangen daarbij, heeft het filmmakersduo ditmaal gekozen om de Nederlandse melkveehouderij – de boeren, het beleid en de veeartsen – in beeld te brengen. Drie jaar lang hebben ze hen gevolgd, de eerste anderhalf jaar zonder te filmen, daarna alles realistisch in beeld brengend.

Veearts Maaike

Meisjesdroom
Maaike besloot als klein meisje dat ze graag veearts wilde worden nadat ze een vrouwelijke veearts aan het werk zag. ‘Dat is leuk, dat is gezellig, dat is stoer’, en zo werd ook zij veearts. Ze is als een vis in het water bij de boeren, binnen het Van Stad tot Wad, het team van veeartsen waar ze werkt, maar ook als bestuurder van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) wanneer ze in een presentatie haar visie geeft op het antibioticabeleid.  Ook tijdens de internationale vergadering van de Federatie van Europese veeartsenorganisaties, waar ze verkozen wordt door collega’s als vertegenwoordiger, staat ze haar mannetje.

De film start met beelden van een lange besneeuwde weg in een uitgestrekt landschap in Noord-Groningen. De camera draait en in de auto zien we het gezicht van veearts Maaike, een diepe frons tussen haar wenkbrauwen laat haar nog steeds geen veertig lijken. Ze oogt jong en lieflijk, maar een volgend beeld laat zien dat ze van wanten weet, wanneer we haar met haar arm in het achterwerk van een koe zien, op zoek naar een kalf, dat doodgeboren zal worden. Dit soort plaatje zien we nog vaker voorbij komen, want naast de geboortes is dit de manier om te ondervinden of een koe drachtig is of kan worden geïnsemineerd. Het is werken, met drie man sterk, de poten aan een ketting, trekken ze het kalfje uit de moederkoe.

Leven en dood
Een dood kalf betekent geen inkomsten, maar zo zien we later in de film, met een stier is de boer ook niet zo blij. ‘Klote, een stier’, zegt de boer wanneer hij het geslacht van een net geboren kalf bekijkt. ‘We mogen niet meer koeien houden, maar toch wil je altijd een vaarskalf’. De boer legt uit dat hij door wet- en regelgeving nooit weet waaraan hij toe is. Het zou zo kunnen zijn dat de vaarskalveren die hij groot brengt – want om de melkproductie in stand te houden zullen er nieuwe kalveren geboren moeten worden – en dus kosten met zich meebrengen, niet mogen blijven. Een economische tegenslag en zonde dat er dan koeien onnodig naar de slacht zullen gaan.

Veearts Maaike

Dat de melkveehouderij geen gezellige keuterboerderijtjes zijn, maar boerenbedrijven, wordt niet alleen hierdoor duidelijk, maar ook wanneer jonge kalfjes gescheiden van hun moeder gezet worden, en we ze verkocht zien worden. Wanneer we een noodslachting zien van een koe die lelijk uitgegleden is en niet weer overeind komt. Door de koe bewusteloos te schieten en daarna leeg te laten bloeden, net zoals dat in een slachthuis gebeurt, kan het vlees nog gegeten worden. Of van een andere koe met letsel die geëuthanaseerd wordt. ‘Het is goed meisje, bedankt voor de melk die je gegeven hebt hoor’, zegt de boer terwijl hij haar kop aait. Begaan met zijn koeien, leven en dood gaan hand in hand op een boerderij.

De zorgvuldig gekozen beelden, het eerlijke beeld en de puurheid van veearts Maaike maken deze film meer dan de moeite waard. Het beroep van veearts blijkt hard werken, voor Maaike is het allemaal misschien net iets teveel bij elkaar. Daarom denkt ze, soms geëmotioneerd, na over het maken van moeilijke keuzes die zijn gericht op een volgende fase binnen de melkveehouderij.

 

24 juli 2019

 

ALLE RECENSIES

Apollo 11

*
recensie Apollo 11

Technologische agitprop

door Sjoerd van Wijk

Apollo 11 bejubelt de triomf van de eerste reis naar de maan. Dit is weliswaar meeslepend, maar het ontzag voor de technische hoogstandjes heeft een perfide invloed. Alsof de mens slechts tot grootse dingen in staat is terwijl technologie gepaard gaat met destructie. 

Het is een optimisme dat past bij de late jaren 1960 toen ondanks de Koude Oorlog en Vietnam er nog steeds een geloof in de vooruitgang was. Het idee dat alles kan als men er maar voor werkt, ligt wellicht ook ten grondslag aan het megalomane project van de V.S. om in 1969 een tweetal personen op de maan te krijgen. Met behulp van gerestaureerde beelden en geluidsopnames die verloren waren geacht, schetst Apollo 11 een beeld van deze missie. Regisseur en editor Todd Douglas Miller slaat wijselijk de pratende hoofden over in deze documentaire en tracht zo het maximale te halen uit de schat van nog nooit eerder vertoond materiaal.

Apollo 11 

Zinderende missie
Het is bewonderenswaardig hoe zo een uitgekauwd onderwerp hiermee nieuw leven krijgt ingeblazen. Ondanks de wereldberoemde goede afloop houdt elke nieuwe aftelling naar weer een cruciale fase de spanning hoog. De vlotte schakeling tussen gezichten in opperste concentratie en het grotere plaatje tonen de hectiek tijdens deze grandioze prestatie zonder in onbegrijpelijke chaos te vervallen. Sterker nog, iedere stap doet intuïtief aanvoelen hoe enerverend de acht dagen van de missie moeten zijn geweest. De schematisch verhitte muziek op de achtergrond is welhaast overbodig bij het ritmische opzwepen naar elk spannend moment. Zo laat de kalme communicatie plus Buzz Aldrins filmen Neil Armstrongs afdaling van de ladder al afdoende zinderen. 

De mensheid als held
Daarmee lijkt Apollo 11 het laatste woord over de legendarische maanlanding te hebben. Deze symfonische vertelling brengt niet alleen de hectiek over. Zij vindt ook de spanning door het tonen van de schaal van deze missie. Dankzij het scherpe breedbeeld van de oude beelden komt een vijftig jaar oude gebeurtenis fris en overweldigend over. Of het nu gaat om de mensenmassa die de lancering ter plekke bijwonen of de astronauten die de aarde van een afstand bewonderen, de precaire situaties van laatstgenoemden zijn door het sterke detail en context des te meer onvoorstelbaar. 

Hierbij gaat de documentaire verheerlijking van het individu uit de weg. Neil Armstrong is slechts een van de velen die dit mogelijk maakten. Typerend is de aandacht voor de monteurs die nog even een schroefje aandraaien twee uur voor lancering. Zo wordt de film een machtig epos met de mensheid zelf als de grote held, voortgedreven door onbedwingbare nieuwsgierigheid. 

Apollo 11

Technologisch exceptionalisme
Dat alles leidt tot de keerzijde van deze triomftocht over technische prestaties. De voor Amerikaanse begrippen atypische visie van collectieve inzet gaat gepaard met een stuk Amerikaans exceptionalisme. De Sovjet-Unie de loef afsteken, was de voornaamste reden om met man en macht als eerste iemand op de maan te krijgen, het hoogdravende telefoontje van president Johnson aan Armstrong ten spijt. Miller benoemt dit slechts mondjesmaat en prefereert toespraken over de kracht van menselijke nieuwsgierigheid. Dat de V.S. zichzelf in de ruimte presenteert als de representant van de mensheid blijft onbenoemd. 

Dit is echter niet de voornaamste reden waarom deze epische hosanna argwaan wekt. De spanning over het onvoorstelbare leidt tot technologisch exceptionalisme. De nieuwsgierigheid krijgt hier louter zijn voeding van technisch vernuft. Dat moderne technologie vaak inherent exploitatie betekent, komt niet aan de orde, terwijl het in tijden van ecologische crisis pertinent is dit te onderkennen. Man with a Movie Camera (1929) toont eenzelfde optimisme over technologische vooruitgang als Apollo 11, maar in die documentaire ligt een speelse houding ten grondslag in tegenstelling tot een van exploitatie. De technologie is niet de oplossing zoals Apollo 11 suggereert, maar het probleem. 

Nieuwsgierigheid is geen vrijbrief om het niet-menselijke te misbruiken als middel om deze dorst naar kennis te lessen. Nieuwsgierigheid kan ook leiden tot verbondenheid met de wereld. Maar het argeloze dumpen van afval in de ruimte lijkt nu een vanzelfsprekendheid, alsof de mens het recht heeft het universum te bevuilen ter eigen glorie. Daarmee is Apollo 11 uiteindelijk agitprop voor een technologische utopie.

 

22 juni 2019

 

ALLE RECENSIES

Ik ben er even niet

****
recensie Ik ben er even niet

Waar komen die beelden vandaan?

door Ries Jacobs

De wolf kijkt Caro aan met zijn felgele ogen. Langzaam komt hij vanuit haar ooghoek op haar af. Bijna iedere dag weer bezoekt hij haar, soms meerdere keren per dag. De wolf is niet echt, maar tijdens haar aanvallen ervaart Caro hem als levensecht.

Als kind speelde documentairemaakster Maartje Nevejan tijdens een dagje aan het strand in de branding. Opeens kreeg ze een black-out. Het viel haar ouders op dat ze enkele seconden van de wereld leek te zijn. Haar vader nam haar mee naar het ziekenhuis, waar artsen de diagnose absence epilepsie stelden. Deze ziekte uit zich niet in de heftige aanvallen die andere vormen van epilepsie kenmerkt, een aanval (ook absence genoemd) duurt maar enkele seconden en uit zich naar buiten toe slechts door afwezigheid. Iemand is even weg van deze wereld en na hoogstens dertig seconden weer bij bewustzijn.

Ik ben er even niet

Neurowetenschappers nemen tijdens een aanval geen abnormale hersenactiviteit waar en concluderen daarom dat er dan niets is, maar dat zit Nevejan niet lekker. Volgens haar is er wel degelijk iets. Ze ziet beelden tijdens een aanval, en met haar vele medepatiënten. Haar zoon Abel heeft ook absence epilepsie. Hij ziet sterren en andere hemellichamen. Caro ziet een wolf. En de filmmaakster zelf tenslotte ziet telkens weer dezelfde beelden uit Pepper Police Woman, een Amerikaanse televisieserie uit de jaren 70.

Geen charlatans
Wat zien Nevejan en haar lotgenoten tijdens hun epileptische aanvallen? De wetenschap kan hierop geen antwoord geven. Daarom wendt de regisseuse zich tot kunstenaars, die zo goed mogelijk weergeven wat zij, Abel, Caro en anderen zien als ze er even niet zijn. Het mooie is dat ook de neurologen, begiftigd met de hen kenmerkende wetenschappelijke nieuwsgierigheid, het project met interesse volgen. Ze zien de kunstenaars niet als concurrenten of charlatans. De wetenschap kan steeds meer, maar niet de beelden van een absence zichtbaar maken.

Maar nadat de kunstenaars de ervaring zo zichtbaar mogelijk maken, speelt bij Nevejan nog steeds de vraag of wat ze ziet tijdens haar absences echt is. Pepper is er wel voor haar, maar niet voor de rest van de wereld. In het tweede deel van de film probeert ze die vraag zo goed mogelijk te beantwoorden.

Ik ben er even niet

Leonardo da Vinci
De spooky en soms bewust rommelige filmbeelden doen op momenten denken aan een videoclip. Ze overladen het publiek met emoties en vragen, altijd gesteld vanuit het perspectief van de mensen die absences ervaren. Wat zie ik? Hoe komt het dat ik dit zie? Is wat ik ervaar tijdens mijn absences echt? En als het echt is, waar komt het dan vandaan? En misschien wel de belangrijkste vraag: hoe geef ik mijn aanvallen een plaats in mijn leven? Verwacht hierop geen kant-en-klare antwoorden of nieuwe inzichten, maar wel een film die je meesleept in de ervaringswereld van iemand met absence epilepsie.

Leonardo da Vinci was kunstenaar, wetenschapper en filosoof. Hij en zijn tijdgenoten konden de drie disciplines niet los van elkaar zien. Later gingen kunst, wetenschap en filosofie ieder hun eigen weg. Nevejan brengt de drie weer samen in Ik ben er even niet. In haar zoektocht naar de kern van haar ziekte vlecht ze wetenschappelijke inzichten, filosofische vraagstukken en artistieke uitingen ineen. De film lang gaan epileptici, kunstenaars en wetenschappers de dialoog met elkaar aan. De documentaire is meer dan de som van deze drie delen.

 

19 juni 2019

 

ALLE RECENSIES

Christo: Walking on Water

**
recensie Christo: Walking on Water

Ronddobberen in het ondiepe

door Sjoerd van Wijk

Het ontbreekt Christo: Walking on Water aan de visie die de kunstenaar in de filmtitel wel etaleert. Er is weliswaar humor en een ontwapenende eerlijkheid, maar geen thematische keuze. Christo blijft zo enigmatisch door gebrekkig inzicht.

De documentaire volgt Christo in 2016 als hij in het Iseomeer (Italië) een nieuw project onderneemt. The Floating Piers is een wandelpad van vlotten op het wateroppervlak van de wal naar het kleine eilandje San Paolo. Wereldberoemd geworden met zijn wijlen vrouw Jeanne-Claude, met wie hij diverse gebouwen zoals de Rijksdag in Berlijn heeft ingepakt, grijpt dit project voor Christo terug naar de herinnering aan zijn vrouw. Het idee stamt uit begin jaren 70, maar het koppel lukte het nooit dit van de grond te krijgen. The Floating Piers is niet alleen een artistiek project, maar in documentaire blijkt dat er ook menig logistieke uitdaging aan zit. Het levert spannende momenten op als de bezoekersaantallen veel groter zijn dan verwacht.

Christo: Walking on Water

Ontwapenend eerlijk
In Christo: Walking on Water zit een eerlijkheid die ontwapent. Waar documentaires als Ants on a Shrimp zich vooral bezighouden met het bewieroken van de artiest, toont regisseur Andrey Paounov meer interesse in reacties op technische mankementen en de onvermijdelijke stress als de hordes toeristen onhoudbaar blijken. Geen hosanna over Christo of een of ander verheven verhaal van de man over zijn drijfveren, maar gezever over printjes draaien en een microfoon die niet meteen werkt. Terwijl de buitenwereld wel volop aan het bewieroken is, zit Christo moeilijk te doen over welk type kettingen ze moeten gebruiken voor het bevestigen van doek aan de vlotten. Dit is gewoon een artiest die iets moois wilt maken en alles bloedserieus neemt.

Dat betekent niet dat er geen komische factor aan het geheel zit. Dikwijls vindt de documentaire de humor in dit megalomane project. Een goed idee hebben, blijkt niet te betekenen dat de uitvoering als vanzelf goed gaat. Het kibbelen van en met Christo over mondaine zaken tot aan gewichtige problemen laat hem met beide benen op de grond staan. Het heeft een anticlimactische kwaliteit terwijl er toch sprake is van een uiterst gedreven artiest. De vermoeide blikken en intonatie van zijn naaste verantwoordelijken maken het geheel af.

Geen prangende vraag
Toch laat Paounov ondanks de rücksichtslose observaties na om prangende vragen te stellen. Buiten een idee van hoe het is om met Christo samen te werken (lastig met voldoening aan het eind) is er weinig om dieper inzicht in zijn drijfveren te krijgen. De franke waarnemingen betekenen niet dat er automatisch sprake van een kritische blik is. Er is uitgebreid aandacht voor de knappe logistieke prestatie van The Floating Piers en de chaos achter de schermen, waarbij Christo een beetje uit het oog wordt verloren. In een zeldzaam moment van adoratie valt Paounov eenmalig in de valkuil van bewieroken met banale beelden van God in de Sixtijnse kapel. En in plaats van te zien wat het einde van dit persoonlijk significante project met Christo doet, kiest Walking on Water voor een zinloze epiloog.

Christo: Walking on Water

Stuurloos dobberen
De oppervlakkige houding komt ook tot uiting in het ontbreken van een gerichte thematische keuze. Elk te verwachten aspect van een artistieke onderneming als deze komt aan bod, zonder ooit de diepte in te gaan. Zo is er een intrigerend intermezzo over de commercialisering van kunst, als Christo op het kleine eiland omgetoverd tot vipruimte de elitaire bezoekers moet inpakken. Dit gaat weer overboord voor lichte politieke spelletjes om de autoriteiten verantwoordelijkheid voor de uit de hand lopende bezoekersaantallen te laten nemen. En zo verder. Het geheel dobbert voort en stipt thema’s aan om deze vervolgens weer te laten varen. Het maakt Christo: Walking on Water tot een stuurloze documentaire die ontzag brengt voor het project maar wat betreft de uitvoerders aan de oppervlakte blijft.

 

19 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

Man Who Stole Banksy, The

****
recensie The Man Who Stole Banksy

Een collage van tegenstrijdige idealen

door Ries Jacobs

In 2007 verschenen enkele politiek gemotiveerde kunstwerken op gebouwen in Bethlehem. Ze bleken gemaakt te zijn door graffitikunstenaar Banksy. Enkele inwoners van de heilige stad hebben een kunstwerk verwijderd, niet door het over te schilderen, maar door het kunstwerk met muur en al uit te zagen met behulp van een slijpmachine. Wat was hun motivatie? En wie is Banksy?

De identiteit van Banksy is een van de grootste mysteries binnen de hedendaagse kunstwereld. Het is na decennia nog steeds niet bekend wat zijn echte naam is. Geruchten gaan dat achter de graffitikunstenaar ene Robin Gunningham schuilgaat. Anderen zeggen dat Banksy het pseudoniem is van Robert del Naja, één van de leden van muziektrio Massive Attack. Wat weten we dan wel over Banksy? Hij maakt straatkunst en is daarmee succesvol. En hij schuwt de controverse niet.

The Man Who Stole Banksy

Original gangster
Het kunstwerk in Bethlehem is hiervan een voorbeeld. Het toont een Israëlische soldaat die het paspoort van een ezel controleert. Provocerend? Absoluut, zeker in de Arabische wereld. Daar wordt het scheldwoord ezel, meer dan hier, als beledigend ervaren. Regisseur Marco Proserpio wilde weten of dit de reden was om het kunstwerk weg te halen.

Hij spoorde de mensen op die het kunstwerk weggehaald hebben. Een van de verantwoordelijken is Walid. Met zijn ringbaardje, gemillimeterde coupe en sportschoolpostuur heeft de Palestijnse taxichauffeur nog het meest weg van een gangster. Maar schijn bedriegt, politiek idealisme was zijn grootste drijfveer. Hij vindt dat de Palestijnen in Israël onderdrukt worden. Banksy’s kunstwerken in Bethlehem zijn in zijn ogen provocerend en misplaatst. Daarom hebben Walid en zijn kompanen op een dag met een slijptol gepakt en daarmee het kunstwerk verwijderd.

Graffiti in museumzalen
Was deze daad dan alleen idealistisch gemotiveerd? Ook hebzucht speelde wellicht een rol, een Banksy is immers wat waard. Maar Proserpio brengt ook mensen voor de camera die om een andere reden straatkunst te verwijderen, een reden die Walid niet heeft. Sommige idealisten zagen straatkunst uit de muren om voor het nageslacht te bewaren. Door weersinvloeden en uitlaatgassen vergaat straatkunst nu eenmaal in enkele jaren. Graffitikunst gaat nu van de straat naar de museumzalen.

The Man Who Stole Banksy

Meerdere Banksy’s zijn zo van de ondergang gered. Zijn de hiervoor verantwoordelijken dieven of idealisten? Van wie is straatkunst? Proserpio belicht dit vraagstuk van alle kanten. Hij laat graffitispuiters, museumdirecteuren en andere mensen uit de kunstwereld aan het woord, maar geeft geen oordeel. Dit objectieve standpunt maakt van The Man Who Stole Banksy een sterke documentaire, ondanks het soms wat rommelige karakter van de film. De regisseur heeft de neiging om snel van onderwerp te veranderen en springt daardoor meer dan eens van de hak op de tak.

Bataclan
Anderzijds past het snelle en rommelige karakter van The Man Who Stole Banksy wel bij het tegendraadse straatleven waaruit de graffitikunst voortkomt. Het is daarom toepasselijk dat Proserpio voor de voice-over de eeuwig springerige Iggy Pop heeft gevraagd. Hij is de vertolking van de rebellie die ten grondslag ligt aan straatkunst. Straatkunstenaars, ‘kunstdieven’ en de museumcuratoren die straatkunst tentoonstellen, allen vertegenwoordigen eenzelfde soort rebellerend idealisme. Hun idealen zijn alleen niet met elkaar te verenigen.

Op 26 januari van dit jaar, nadat de documentaire al in meerdere landen uitgebracht was, werd in Parijs een Banksy ontvreemd. Dit kunstwerk was aangebracht op een nooddeur van het Bataclan om de slachtoffers van de terroristische aanslag van 2015 te herdenken. Lag hieraan ook idealisme ten grondslag?

 

28 april 2019

 

ALLE RECENSIES

IN-EDIT: vier dagen vol muziekdocumentaires

IN-EDIT: vier dagen vol muziekdocumentaires

door Alfred Bos

Op het filmfestival IN-EDIT staan muziekdocumentaires centraal. In 2003 voor het eerst georganiseerd in Barcelona, zijn er sindsdien edities in meerdere steden wereldwijd. Vorig jaar debuteerde IN-EDIT in Nederland op het terrein van de voormalige Westergasfabriek in Amsterdam. In Het Ketelhuis vindt van donderdag 4 tot en met zondag 7 april de tweede aflevering plaats.

Gewoon is saai, dus freaky is the new normal en IN-EDIT doet mee met die trend. Shine on, you crazy diamonds! – vrij naar Pink Floyd –  is het thema dit jaar. “In de tweede editie laat IN-EDIT het licht schijnen op mensen en artiesten die een strijd leveren met hun gekte of waanzin”, aldus het persbericht. The Devil and Daniel Johnston (vrijdag 5, 19:00) is een biografische documentaire uit 2005 van regisseur Jeff Feuerzeig over de Amerikaanse singer-songwriter met een bipolaire stoornis.

The Eyes Stop Growing

The Eyes Stop Growing

The Eyes Stop Growing (Ell Ulls s’aturen de Crèixe, 2018) van regisseur Javier García Lerín vertelt het verhaal van de post-rockmuzikant Miquel Serra, afkomstig van Mallorca. Die stelt dat hij nooit muziek zou zijn gaan maken zonder de zelfmoord van zijn schizofrene broer Joan. De film toont Serra tijdens de opnamen van zijn album Mystical Roses en behandelt thema’s als scheppen, de dood en Serra’s relatie met zijn broer. The Eyes Stop Growing won vorig jaar tijdens IN-EDIT Barcelona de Nationale Prijs voor beste muzikale documentaire en draait op zondag 7 april, aanvang 18:15 uur.

Punk en reggae
Een minder pathologische uitleg van IN-EDIT’s thema is non-conformisme en creativiteit. Het programma van zaterdag 6 april is grotendeels gevuld met documentaires over de muzikale revolutie van midden jaren zeventig: punk. (Dan luidt het thema, vrij naar Punk Floyd, shit on, you crazy fuckers!)

Punk in Paradiso (21:00 uur) toont beelden die Monica Kugel draaide tijdens het Eerste Nederlandse Punkfestival van 17 februari (met Flyin’ Spiderz, Ivy Green en Whizzguy) en 18 februari 1978 (Speedtwins, God’s Heart Attack, Blizz). In de geest van punk toont de film ongepolijste beelden van optredens en publiek, aangevuld met korte kleedkamerinterviews. Na afloop praten Joris Pelgrom (The Helmettes), Tony Leeuwenburgh (Nitwitz) en Beppy Viergever (indertijd in de Mokumse scene bekend als Broodje) in het Punk Panel over hun ervaringen van toen.

Punk en reggae gingen midden jaren zeventig in Londen een onwaarschijnlijke alliantie aan en Don Letts was erbij. Two Sevens Clash (Dread Meets Punk Rockers), samengesteld uit de beelden die Letts als deelnemer en ooggetuige destijds schoot met zijn super 8-camera, is zonder twijfel het klapstuk van IN-EDIT 2019. Veel dichter op cultuurgeschiedenis kun je niet komen. Letts zelf spreekt de voice-over van Two Sevens Clash (*****, 18:15 uur) en is in Amsterdam aanwezig om zijn film toe te lichten. Op zaterdagavond staat hij achter de draaitafels met een selectie rebel music.

Joan Jett

Joan Jett

Rudeboy: The Story of Trojan Records (**, 21:00 uur) vertelt het verhaal van een onafhankelijk label in Londen dat de muziek van Jamaica eind jaren zestig introduceerde bij de Engelse jeugd. Skinheads, laagopgeleide jongeren uit arbeiderskringen, omarmden ska en rocksteady als hun muziek en sloegen de eerste brug tussen de blank Britse bevolking en de immigranten uit de Caraïben. Opkomst, bloei en ondergang van Trojan wordt verteld met nagespeelde scènes, recente interviews met sleutelfiguren en (te) weinig authentiek filmmateriaal. Het resultaat is weinig diepgaand, de muziek geweldig. De driedelige BBC-documentaire Reggae: The Story of Jamaican Music (te vinden op YouTube) is breder van opzet en graaft tevens dieper.

Slechte reputatie
Het programma van zaterdag telt voorts een aantal films die tegen punk aanschuren. Into The Maelstrom (***, 14:15 uur) behandelt feitelijk, maar droog het verhaal van een aantal buitenbeetjes in Sydney. De protopunkband Radio Birdman haalde de inspiratie – anders dan de glamrockers van Skyhooks of de hardrockers van AC/DC – uit de nihilistische rock van The Stooges, Alice Cooper en The New York Dolls. Hun loopbaan is één lang gevecht tegen de muziekindustrie én zichzelf. Het is en passant ook het verhaal van punk in Oz.

Patti Smith geldt als de grootmoeder van de punk. Joan Jett (geboren Larkin) is haar Californische tegenhangster. Bad Reputation (****, 16:30 uur) laat met veel historisch filmmateriaal, aangevuld met recente interviews, zien hoe een introverte en van rock bezeten tiener langzaam uitgroeide tot symbool van kritisch denken en zelfstandig opereren. Via de baanbrekende meidenrockband The Runaways en een grillige solocarrière – I Love Rock ’n Roll stond in 1982 zeven weken nummer 1 in Amerika en haalde de top van de hitlijsten in Nederland, Zweden, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland – is Joan Jett inmiddels de grande dame van de alternatieve rock.

Gimme Shelter (****, 14:45 uur) is de klassieke concertfilm annex documentaire die Charlotte Zwerin en de broers Albert en David Maysles in het najaar van 1969 draaiden tijdens de Amerikaanse tournee van de Rolling Stones, hun eerste in drie jaar. De concertreeks leverde het live-album Get Yer Ya Ya’s Out en deze film op. Gimme Shelter concentreert zich op de pogingen van Mick Jagger om aan het slot van de tournee een free concert te organiseren, als bedankje voor de overweldigende ontvangst door het publiek. Het werd een nachtmerrie, Altamont staat te boek als het einde van de jaren zestig en hun hippie-idealisme. Hells Angels fungeerden als ordedienst en voor het oog van de groep – en de camera – werd de 18-jarige Meredith Hunter doodgestoken.

Studio 54

Studio 54

Het geheim van de mondharmonica
Naast de film over Daniel Johnston zijn er op vrijdag 5 april documentaires die inzoomen op randverschijnselen rond muziek. De botsing tussen de marketinggekte van de muziekindustrie en de onschuld van drie dertienjarige scholieren in Atlanta en hun deathmetalband Unlocking The Truth staat centraal in Breaking A Monster (17:00 uur). Studio 54 (21:00 uur) brengt het verhaal van de beroemde danscclub in New York, waar in de jaren zeventig muziekpioniers, cultuuriconen en jetset het hedonisme uitvonden. Vier vrouwen, van tiener tot bejaard, vertellen over hun fascinatie met boybands; I Used To Be Normal (19:15 uur) toont het fenomeen vanuit vrouwelijk perspectief.

De slotdag, zondag 7 april, staat in het teken van non-conformisme uit (voor rock) exotische contreien, met onder meer films over M.I.A uit Sri Lanka (Matangi/Maya/M.I.A., 15:00 uur), de Rotterdammer van Deens/Curaçaose afkomst Mr. Probz (Against the Stream, 20:45 uur), de straatopera The Disciples (16:30 uur) van regisseur/scenarist Ramón Gieling en componist Boudewijn Tareskeen over een groep daklozen en de Nederlandse première van Ruben Blades is not My Name (17:15 uur), over activist en salsazanger Ruben Blades uit Panama.

IN-EDIT opent op donderdag 4 april met The Strange Sounds of Happiness (19:00 uur), Diego Pascal Panarello’s zoektocht, van Sicilië tot Siberië, naar het geheim van de mondharmonica. De film mengt documentaire met animatie en de regisseur is aanwezig voor nadere toelichting en een eigen voordracht op de mondharp.

IN-EDIT: van donderdag 4 tot en met zondag 7 april in Het Ketelhuis te Amsterdam.  Voorverkoop via de website. Toegang € 12,- per film, 3 films voor € 29,-. Naast een filmprogramma zijn er optredens en industry meetings.

 

2 april 2019


MEER FILMFESTIVAL