Bunuel in the labyrinth of the turtles

****
recensie Bunuel in the labyrinth of the turtles

Hoe de Spaanse surrealist zijn antidocumentaire Las Hurdes maakte

door Bob van der Sterre

Net na baanbrekende films Un Chien Andalou en L’Age d’Or had de jonge Luis Buñuel een moment van creatieve leegte. Hij kreeg een tip over een zeer geïsoleerde streek in West-Spanje, Las Hurdes. Het bleek de opmaat van een in alle opzichten krankzinnig project in 1933. Buñuel en el laberinto de las tortugas vertelt dit interessante stukje filmgeschiedenis in de vorm van een animatie.

Allereerst: wat was Las Hurdes en wat zag Buñuel in het idee van de film? Hij kreeg het project door van regisseur Yves Allégret en schrijver Jacques Prévert. Laten we het Buñuel zelf uitleggen: “Deze streek is een van de armoedigste gebieden op de hele aardbodem, geïsoleerd van de buitenwereld door een keten hoge, onbegaanbare bergen en met in totaal zesduizend inwoners verdeeld over tweeënvijftig gehuchten.”

Bunuel in the labyrinth of the turtles

Hij gaat verder: “Landbouwwerktuigen hebben ze vrijwel niet. Vee is er niet. Er is geen folklore. De armoede, de honger en de insecten. Geografen zijn het er erover eens dat de streek onbewoonbaar is.” Problemen als inteelt, dysenterie, malaria somt hij op. “Met hun kleren aan slapen ze op bedden van rottende bladeren.” Je snapt wat Buñuel zag in deze op zichzelf haast surrealistische omgeving.

Tweede vraag: wie wil in godsnaam voor een film over dit onderwerp betalen? Ramon Acin, een vriend, zei: ‘”ls ik de loterij win, dan mag jij jouw film maken.” Hij heeft zijn belofte geweten toen hij daadwerkelijk de loterij won! De cinematograaf Eli Lotar kwam erbij, net als dichter en vriend van Buñuel, Pierre Unik. Zij bleven twee maanden in Las Hurdes. Buñuel monteerde het materiaal vervolgens op een keukentafel in Madrid en gooide in zijn onervarenheid nog wat bruikbaar celluloid weg.

Een niet-surrealistisch project dat surrealistisch aanvoelde
Buñuel zal intuïtief gevoeld hebben dat er wel wat te halen viel. Hij moest ook loskomen van het surrealisme, waar hij een jaar geleden uitgestapt was. Het harde Spaanse leven gaf hem een kader waarin hij kon experimenteren. Hij kon hier een vernieuwende antidocumentaire maken, vol armoede, dood, lelijke en zieke mensen.

Buñuel zou Buñuel niet zijn als hij ‘de documentaire’ niet zou veranderen in zijn eigen cinematografische variatie op de werkelijkheid. (Overigens deed een van de beroemdste documentaires ooit, Nanook of the North, hetzelfde.) Zelf zei hij: “Het was een ongewoon soort werkelijkheid, een werkelijkheid die de verbeelding prikkelt.” En erkende later: “Het is een tendentieuze film.”

Dus als hij las over een ezel die door bijen wordt doodgestoken, kan hij het niet nalaten om honing over een ezel te gieten en te filmen hoe het arme beest aan zijn einde komt. Als een geit volgens broodjeaapverhalen soms in een ravijn viel, moest hij de realiteit wel een handje helpen. “Daar konden we niet op wachten en dus heb ik met een revolver ervoor gezorgd dat er een naar beneden viel.” Het hanentrekken… laten we het hier maar bij houden. Het was duidelijk dat de surrealist Buñuel de mens in de weg zat. Veel meer Buñuel wordt het niet als hij zegt: “Ik geloof in oncompromisloosheid.”

En was het ook niet wat je nu noemt exploitation van de bewoners? Maar, zo schrijft publicist Francisco Aranda later terecht: “Als Buñuel liefdadigheid bedreven had in dat gebied en niet de film had gemaakt, was het lot van de bewoners nooit in deze mate verbeterd.”

Bunuel in the labyrinth of the turtles

Geamuseerde en vlotte stijl
Dankzij Buñuel en el laberinto de las tortugas van animatieregisseur Salvador Simó zien we deze interessante geschiedenis terug in een geamuseerde en vlotte animatiestijl. Geslaagd zowel in stijl als in verhaal (anekdotisch), karakteriseringen en humor. Animatie als vorm is erg bruikbaar voor deze historische films (denk aan het recente Another Day of Life).

De film heeft twee minpunten: de muziekkeuze en het sentimentele einde. Die zijn niet des Buñuels want ze zijn toegevoegd uit commercieel oogpunt – en dat was altijd zijn grote vijand. Je zou bijna vergeten dat Buñuels voor het Las Hurdes-project een soort stage had gelopen in Hollywood maar weigerde films voor zakelijke motieven te maken.

Een eigenwijze film zoals Buñuel ze maakte, is deze film dan ook niet. In dit geval is dat ook niet het doel. De film wil ons laten zien wat een echt eigenwijs artiest wel is. En in die opzet slaagt Buñuel en el laberinto de las tortugas wel.

 

17 april 2019

 

ALLE RECENSIES

Todos lo saben

***

recensie Todos lo saben

Een smalle horizon, maar een canvas vol intrige

door Yordan Coban

De films van Asghar Farhadi zijn drama’s maar kennen net als het werk van Michael Haneke altijd een element van mysterie. Voor elk personage, hoe schofterig dan ook, weet de Iraanse regisseur begrip te wekken. Ieders perspectief krijgt kleur en met elke wending in het verhaal kleurt Farhadi een canvas vol intrige.

We zagen in Le Passé (2013) Asghar Farhadi al in het Frans, maar met Todo lo saben (Engelse titel Everybody Knows) laat hij nogmaals zien dat de taal (ditmaal Spaans) van zijn films niet uitmaakt. Farhadi’s karakters en verhalen doorgronden namelijk een universele menselijkheid. Geen andere regisseur kan zijn personages zo laten voelen.

Todos lo saben

Ontvoering
De film begint met een familiereünie, met een bruiloft als directe aanleiding. Als Irene (Carla Campa), de dochter van Laura (Penélope Cruz) en Alejandro (Ricardo Darin), ontvoerd wordt, zijn de festiviteiten abrupt klaar. De familie is vermogend en er wordt een flinke som geld verlangd. Familievriend en ex-man Paco (Javier Bardem) loopt voorop in de zoektocht naar Irene maar wordt geconfronteerd met geheimen uit het verleden.

De opbloeiende spanningen tussen Paco en Laura houden de interacties tussen de twee ex-geliefden interessant tot het einde. Bardem en Cruz spelen niet voor het eerst met elkaar. Het getrouwde koppel deelt ook op het witte doek chemie. Samen met Darin beschikt Farhadi misschien wel over de drie beste Spaanstalige acteurs van dit moment. Dat komt goed uit, want al zijn films herbergen sterke karakters.

Sober realisme
Asghar Farhadi maakt sobere realistische films. Zijn stijl is te vergelijken met die van Michael Haneke en Andrey Zvyagintsev. Deze drie filmmakers maken gebruik van dezelfde formule: rustige levens die opeens opgeschud worden met een ingrijpende gebeurtenis die vaak te maken heeft met oud leed. Echter bij Farhadi draait het niet per se om de schok van de gebeurtenis maar vooral om de impact op de personages daarna. Vaak laat de regisseur de twist buiten beeld en dient de kijker het verhaal met de eigen verbeelding in te vullen. Farhadi kan het beste omgaan met de emotionele impact van een aangrijpende gebeurtenis. Hij is beter in staat om het verdriet van een verscheurd leven te tonen dan Haneke en Zvyagintsev. Zijn scripts gaan minder over de duistere en cynische aard van het leven maar meer over het in liefde verweven verdriet dat inherent daaraan verbonden is.

Todos lo saben

Perspectief
Onderwerpen als de stugheid van religie, diep verborgen familiegeheimen en de tragiek van doodbloedende relaties keren terug in deze film. Het verhaal kent de meeste raakvlakken met zijn eerdere film About Elly (2009). Beide films gaan over een vermissing. Alleen draait het ditmaal om de ontvoering van een kind. De paniek van de vermissing in About Elly is overweldigend en krachtig maar in Todos lo saben wat tam.

Hetzelfde geldt voor de ontknoping. About Elly heeft iets te vertellen over onze verwachtingen in het algemeen. Todos lo saben doet dat niet. Het verhaal blijft bij het perspectief van de personages. Hele sterke personages, maar niet zo speciaal als in About Elly en A Seperation (2011): een groter perspectief. Het werkt weliswaar ook binnen een smalle horizon, want ook daar vertelt Farhadi het verhaal op een manier zoals alleen hij dat kan. Todos lo saben is goed, maar niet bijzonder goed.
 

1 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Man Who Killed Don Quixote, The

***

recensie The Man Who Killed Don Quixote

Dol en dwaas in La Mancha

door Sjoerd van Wijk

In deze kille tijden is de doldwaze koortsdroom van The Man Who Killed Don Quixote een welkome remedie. Het passieproject van 25 jaar in de maak doet echter te veel aan navelstaarderij en mist de warmte van Cervantes’ opus Don Quixote, waarop het is gebaseerd.

Toen Don Quixote leefde was het ridderschap al uitgestorven, laat staan in onze tijd. Hoffelijkheid is ver te zoeken in het publieke discours. Zo ook op de filmset van Toby (Adam Driver), een regisseur van advertenties. Gepokt en gemazeld door de marketingwereld lijkt elke vorm van fantasierijke geestdrift uit hem gewrongen. Hij snauwt bevelen in het rond en is alleen nog maar met zichzelf bezig.

Tijdens de moeizame productie van een reclamespot in Spanje ontdekt hij dat hij in de buurt is waar hij ooit zijn afstudeerfilm over Don Quixote opnam. Bij terugkeer naar dit dorp waar hij als nog jonge maker durfde te dromen, ontmoet hij zijn oude hoofdrolspeler (Jonathan Pryce), die is doorgedraaid en denkt dat hij Don Quixote is. Toby wordt door hem aangezien voor zijn schildknaap Sancho Panza. De twee beleven burleske avonturen zoals het boek van Cervantes, waarbij Toby steeds meer het verschil tussen droom en realiteit uit het oog verliest.

The Man Who Killed Don Quixote

Avontuurlijk absurdisme
The Man Who Killed Don Quixote volgt de persoonlijke ontwikkeling van Toby nauwgezet in zijn stijl. Hoe langer de film doorgaat, hoe grootser en fantastischer de avonturen worden. Waar in het begin de gekte vooral van ‘Don Quixote’ afstamt, wordt de film zelf een waanvoorstelling naarmate Toby meer gaat fantaseren. Dit surrealistische karakter, waar droom en werkelijkheid samensmelten, komt voort uit het verheven absurdisme van regisseur Terry Gilliam. De vliegende, ronddolende camera vangt beelden van dermate overdaad dat de realiteit vanzelf een hallucinatie wordt.

Het doet sterk denken aan Gilliam’s eerdere werk Fear and Loathing in Las Vegas, waar de vreemde taferelen ook door elkaar zweven in een waas. Niet geheel verrassend schreef Gilliam met frequente coscenarist Tony Grisoni dan ook het scenario voor beide films. En de ijlende beeldtaal, gecreëerd door cinematograaf Nicola Pecorini en editor Lesley Walker, is ook in die film te bewonderen.

Hedendaagse herinterpretatie
Het verhaal rond de productie van de film is berucht (en deels naverteld in de documentaire Lost in La Mancha). Terry Gilliam kon het financieel niet bolwerken begin jaren ‘90. Een tweede poging ging in 2000 in productie, maar werd geplaagd door tegenslagen, van een stortvloed die apparatuur verwoestte tot hoofdrolspeler Jean Rochefort die met een hernia afgevoerd moest worden. Een aantal jaar later overleed acteur John Hurt, die was gecast bij weer een poging. Zelfs tot aan de uiteindelijke release dit jaar waren er nog gerechtelijke problemen met een rancuneuze producent. Dat Gilliam het al die tijd heeft weten vol te houden, verdient dan ook bewondering. Zelf vergelijkt hij zijn trouw aan de film met Sancho Panza’s trouw aan Don Quixote. De passie voor dit project is dan ook voelbaar.

De liefde van Gilliam voor Don Quixote’s avonturen spreekt daarbij juist door het boek te laten voor wat het is. Toby’s hallucinaties zijn tactvolle citaten uit Cervantes’ meesterwerk, die door deze te plaatsen in onze huidige tijd een nieuwe dimensie krijgen. De windmolens kunnen hierbij niet ontbreken, maar orden wonderlijk subtiel afgezet tegen Toby’s filmset, waar windturbines op de achtergrond de heuveltop bevolken. Romantische hoffelijkheid versus cynische moderniteit.

The Man Who Killed Don Quixote

Toch had The Man Who Killed Don Quixote enige mate van terughoudendheid kunnen gebruiken. Gilliam weet wellicht zijn stokpaardjes in het gareel te houden wat betreft het boek, maar dit geldt niet voor alle andere zaken. De absurde taferelen zijn dermate hoogdravend dat de film erg in zichzelf gekeerd wordt. En de focus ligt sterk op Toby’s artistieke ontwikkeling, wat een te grote breuk met het bronmateriaal vormt. Met het accent op de veelal nare Toby treedt de excellerende Jonathan Pryce als de tragikomische, romantische Don Quixote op de achtergrond, wat voelt als een gemis.

Koude karakters
De breuk blijkt ook uit de verschillende karakters die deze hedendaagse herinterpretatie van het oude maar springlevende epos bevolken. Een aantal van hen weet niet te overtuigen. Zo is er het jonge meisje Angelica (Joana Ribeiro) die geïnspireerd door de jonge Toby een mislukte acteercarrière achterna joeg. Haar motivaties rondom Toby en haar escort werkzaamheden zijn dubieus. Maar belangrijker is dat de extravagante branie van de avonturen vermindert door de cynische kilheid die uit de meeste figuren spreekt. Ondanks dat Adam Driver voor deze rol zijn volledige reikwijdte als acteur kan gebruiken, van vreemde hufter (zoals in de serie Girls) tot aandoenlijke dromer (zoals in Paterson), blijven de andere acteurs achter.

Waar in Cervantes’ boek de emotionele diepgang komt door de warmte waarmee de karakters met elkaar omgaan, heeft iedereen in The Man Who Killed Don Quixote een koude uitstraling en berekenende houding. Met name de kwaadaardige Russische maffiabaas valt uit de toon. Het had de film gesierd om de gloedvolle menselijkheid van Cervantes te behouden en te vertalen naar onze tijd. Nu valt niet aan een gevoel van teleurstelling te ontsnappen, als je bedenkt dat Gilliam er 25 jaar over heeft gedaan.
 

23 juli 2018

 
MEER RECENSIES

Que Dios Nos Perdone

****

recensie Que Dios Nos Perdone

Ambigue rechtvaardiging

door Suzan Groothuis

In een zinderend Madrid speelt een moordzaak, waarop twee detectives worden gezet. Twee uitersten, maar beiden complex. Een grimmige kijk op de Spaanse recherchewereld, waarin rechtvaardigheid een relatief begrip is als je eigen demonen je in de weg zitten.

2011, Madrid in een loeihete zomer. De film opent met straten die worden schoon gespoten, begeleid door een dreigend klinkende soundtrack. Het vuil en de viezigheid van de straat gespoeld, maar daarmee is de Spaanse hoofdstad niet rein. Er is namelijk net een oude vrouw dood in haar portiek gevonden. Een val, lijkt het. Maar bij nader onderzoek blijkt ze verkracht en vermoord.

Que Dios Nos Perdone

Detectives Velarde en Alfaro worden op de zaak gezet, beiden twee uitersten, zoals we dat wel vaker in politiefilms zien. Alfaro is een opgewonden standje, die twee maanden uit de roulatie is geweest dankzij een geweldsincident op het werk. Twee maanden therapie moeten hem tot een mak lammetje maken, maar de kijker voelt allang dat dit een typische good cop/ bad cop is. Alfaro gaat af op zijn gevoel van rechtvaardigheid en schuwt niet zijn mond open te trekken of zijn vuisten te gebruiken als dat nodig is. Zijn partner Velarde lijkt zijn tegenpool, altijd strak in het pak, timide en stotterend, maar met een ingehouden agressie.

Brute moorden en pauselijk bezoek
De twee ontdekken dat er zes maanden eerder een vergelijkbare moord was. Er is een seriemoordenaar actief en de verwachting is dat hij snel weer zal toeslaan. Terwijl de hitte toeneemt en de stad in afwachting is van de komst van de paus, tast het rechercheteam in het duister over de identiteit van de moordenaar. Daarbij geschiedt het onderzoek in volledige discretie, want de gruwelijke waarheid omtrent de dodelijke ongevallen mag niet naar buiten worden gebracht. De media zijn gericht op het bezoek van de paus, niet op bejaarde dames die bruut en onwaardig om het leven zijn gebracht.

Het is niet de seriemoordenaar die centraal staat in Que Dios Nos Perdone; regisseur Rodrigo Sorogoyen (vooral bekend van tv-series) focust op de twee partners en de bureaucratie van de recherche. Er zijn wetten en regels en die zijn er ook weer om te omzeilen of zelfs te breken. En Alfaro en Velarde, beiden outsiders binnen hun team, hebben ook zo hun eigen innerlijke demonen.

Onconventionele aanpak
Que Dios Nos Perdone roept qua sfeer het Zuid-Koreaanse Memories of Murder op, waarin een rechercheteam belast is met de zoektocht naar een seriemoordenaar. Een onderzoek dat onconventioneel en chaotisch verloopt en emotioneel zijn tol eist van de rechercheurs, die ook niet zonder gebreken zijn. Het impulsieve en lompe komt ook terug in Que Dios Nos Perdone. Wanneer de zoon van een van de slachtoffers ondervraagd wordt door Alfaro en Velarde en zijn ergernis over de gang van zaken laat blijken, laat Velarde zich ineens ontvallen dat ze alleen maar de verkrachter van zijn moeder willen vinden. De man ontgoocheld achterlatend.

Que Dios Nos Perdone

En wanneer er dan uiteindelijk zicht op de meedogenloze moordenaar is, volgt een woeste achtervolging die gepaard gaat met dwingende, staccato soundtrack. In de verhitte stad, waar mensen samenstromen om de paus te zien, beuken Alfaro en Velarde zich een weg door de menigte om de dader te vinden. Hij is als een speld in een hooiberg, maar de honger om hem te pakken is zo groot dat de twee alles op alles zetten. Dat ze tijdens de achtervolging een spoor van vernieling achterlaten, deert hen niet.

Rauwe dierlijkheid
De rauwe dierlijkheid van de twee rechercheurs is geloofwaardig in beeld gebracht. Bij Alfaro (een intense rol van Roberto Álamo, The Skin I Live In) is die expliciet en explosief, bij Velarde (Antonio de la Torre, die ook in het vergelijkbare La Isla Mínima te zien was) kil en onderhuids. Naarmate het onderzoek vordert voel je de spanning bij de twee oplopen, zeker wanneer hun privéleven steeds meer wankelt.

Que Dios Nos Perdone is een film die niet typisch hoopvol eindigt, maar die de vraag oproept wat zuiver en rechtvaardig is. Er ligt net zo’n schaduw op communiejongens als op de woeste honden van de recherche. Een grimmige, ambigue wereld waarin kwaad en dwalingen niet eenduidig zijn en iedereen zijn zonden heeft. Niets en niemand is onbevlekt.
 

10 juli 2018

 
MEER RECENSIES

ASFF 2018 deel 2

Amsterdam Spanish Film Festival, deel 2

Melodrama en intrige op zijn Spaans

door Alfred Bos

De vierde editie van het Amsterdam Spanish Film Festival (ASFF) vertoonde een selectie recente, veelal niet in Nederland gedistribueerde films uit Spanje en Latijns Amerika. Naast films presenteert ASFF filmgasten uit Spanje, muziek, wijn en hapjes.

Escobar

Escobar – Atypisch liefdeskoppel
De openingsfilm van ASFF is doorgaans de winnaar van de Goya, de Spaanse Oscar. Zo niet Escobar, een grote, Engelstalige productie die internationaal wordt uitgebracht (en dat gebeurt niet met elke Goya-winnaar, zie bijvoorbeeld hieronder). De film van Fernando León de Aranoa draait ook in de Nederlandse bioscoop en schetst de loopbaan van de Colombiaanse drugsbaron die uitgroeide tot een mythe.

Het verhaal van Pablo Escobar is reeds vele malen verteld – in films, tv-series en documentaires – en León de Aranoa geeft er een eigen slinger aan door in te zoomen op de buitenechtelijke relatie tussen de crimineel en Virginia Vallejo, als presentatrice van een populair tv-programma een Bekende Colombiaanse. Javier Bardem speelt de cokeboer als een getapte botterik, even ambitieus als sluw. Bardems echtgenote Penélope Cruz maakt van de tv-ster een gemanicuurde giechel die wordt aangetrokken door roem. Wanneer de rauwe werkelijkheid door haar naïviteit prikt, zijn tv-carrière en relatie voorbij. Een Amerikaanse DEA-agent (Peter Sarsgaard) brengt haar terug op aarde.

Escobar is een goed geacteerde, vlot vertelde mainstreamfilm die zichzelf pootje haakt door te hinken op twee gedachten: de loopbaan van Escobar en het atypische liefdeskoppel. Fernando León de Aranoa focust op de crimineel en diens strapatsen, waardoor de amoureuze verwikkelingen slechts wimpel bij Escobars vlag zijn. De film was in dramatisch opzicht wellicht krachtiger – en origineler – geweest wanneer de regisseur van de bijzaak de hoofdzaak had gemaakt. Daar zijn de acteurs en het materiaal sterk genoeg voor.

El Autor – Donkere komedie met een twist
Manuel Martín Cuenca won verschillende Goya’s voor zijn vorige film, Cannibal (2013), en ook zijn laatste werkstuk viel in de prijzen, onder meer als beste film en beste regie. El Autor (De Auteur) is een donkere komedie die zich sluipenderwijs ontwikkelt tot inktzwart misdaaddrama. Álvaro (Javier Guttiérrez) is klerk op een notariaat en gescheiden van zijn vrouw, een succesvol schrijfster van bellettrie. Dat wil hij ook, beroemd worden als schrijver, zij het van verfijnde letteren. Maar wat als de verbeelding van zijn juristenbrein tekort schiet?

Álvaro begint de levens te manipuleren van zijn buren in het appartement waar hij onlangs is ingetrokken en gebruikt het resultaat als materiaal voor zijn te schrijven meesterwerk. De schrijver-poseur is een psychopaat en een intrigant. Uiterlijk charmant en coöperatief, maar in werkelijkheid calculerend creëert hij chaos om er zelf beter van te worden. Een heel eigentijds menstype, ze wonen in het Kremlin en het Witte Huis.

Maar na een fantastische plottwist, één die je onmogelijk kunt zien aankomen maar toch plausibel is, blijkt de jager in feite prooi. Er zijn meer Spaanse thrillers die verrassen door inventieve plots, denk aan El Cuerpo (The Body, 2012), maar zelden zo gehaaid als deze. Hij komt uit de gelijknamige roman van Javier Cercas.

De Spaanse topacteur Javier Gutiérrez speelt de schrijver als een nonpersoon en benadrukt aldus de schimmigheid van diens karakter en motieven. Als slagroom op de taart is er actrice Adelfa Calvo, wier seksueel gefrustreerde huisbazin Portera elke scène steelt waarin de volksvrouw met het grote hart en dito boezem zich over de nieuwe bewoner ontfermt; eerst als aanbidster, dan als furie. Ze verdiende er een Goya mee voor beste vrouwelijke bijrol. El Autor is vooralsnog niet buiten Spanje te zien.

El Aviso – Gekunsteld spel met de tijdlijn
Nu we toch verkeren in Goya-land: in de meesterlijke, met Goya’s overladen politiethriller La Isla Minima speelt Javier Gutiérrez de ‘foute’ agent. De ‘goede’ helft van het duo wordt vertolkt door Raúl Arévalo en die speelt de hoofdrol in El Aviso (De waarschuwing) van regisseur Daniel Calpalsoro. Die wisselt zijn werk voor tv-series af met gelikte speelfilms, doorgaans thrillers met actie en misdaad. Zijn vorige, Cien años de perdón, ook met Arévalo in een sleutelrol, verbindt een bankroof aan politieke intrige.

El Aviso is minder onderhoudend. Jon (Raúl Aréval) is een wiskundige wiens beste vriend op 2 april 2008 om het leven is gekomen bij een schietpartij in een benzinestation. Hij ontdekt dat er in 1976, 1955 en 1913 op dezelfde datum en zelfde locatie vergelijkbare schietincidenten zijn geweest en ziet een patroon. Het volgende slachtoffer zal tien jaar oud zijn en sterven op 2 april 2018. Jon probeert het drama te voorkomen, maar wie wil hem geloven?

Deze kijker in ieder geval niet en met hem tevens de meeste filmpersonages, want het gegeven is te gezocht om geloofwaardig te zijn. Het spelen met de tijdlijn – de film switch doorlopend en lang niet altijd even helder tussen 2008 en 2018 – verhoogt niet het begrip van de intrige. Bovendien speelt de regisseur geheel overbodig met de geestesgesteldheid van zijn protagonist: zijn het geen verzinsels van een schizofreen brein?

Fantasie en werkelijkheid lopen onontwarbaar door elkaar, een thema dat steeds vaker opduikt in eigentijdse films en staat voor de moderne verwarring waarin mediawerkelijkheid en fysieke realiteit van plaats zijn verwisseld. Gordijnen van regen moeten drama suggereren, maar een La Isla Minima is El Aviso niet. Met zijn te lang opgerekte (anti)climax zelfs in de verste verte niet: deze knoop is nat geregend en laat zich alleen met een kapmes ontwarren.

Amantes – Gecorrumpeerde onschuld
De cinema van de jaren zestig staat bekend om zijn revolutionaire vernieuwing – in filmsteno doorgaans aangeduid als Nouvelle Vague – met exponenten in Frankrijk en Italië, als ook Engeland, Verenigde Staten, Zweden, Tsjechië en Polen. Spanje had eveneens zijn vernieuwende golf, maar daar heeft de wereld dankzij het provincialisme van het Franco- regime nauwelijks kennis van kunnen nemen. Mede-oprichter van de ‘Barcelona School’ was Vicente Aranda.

Een van zijn weinige films die ook buiten Spanje te zien zijn geweest (maar nimmer in Nederland) is Amantes (De geliefden), gebaseerd op een waar gebeurd incident in de jaren veertig maar gesitueerd in het Madrid van 1954-1955. Amantes verscheen in 1991 in de bioscoop en bleek in Spanje de best bezochte film van dat seizoen; het jaar daarop won hij de Goya voor beste film. Tamelijk uniek is dat beide hoofdrolspeelsters de Spaanse Oscar kregen overhandigd: Maribel Verdú voor haar rol van het goedgelovige provinciemeisje Trini dat werkt als huishoudster bij een bourgeoisfamilie en Spaans filmicoon Victoria Abril als de femme fatale Luisa.

Ze vormen de schuine zijden van een verstikkende liefdesdriehoek, met de knappe maar ruggengraatloze Paco (Jorge Sanz) als mannelijke basis. Paco is Trini toegewijd, maar bezwijkt voor de avances van Luisa, een jeugdige weduwe bij wie hij een kamer huurt. Ze blijkt een seksueel roofdier dat letterlijk over lijken gaat. Amantes houdt het midden tussen melodrama, op zijn Spaans vet aangezet, en film noir. De ongerepte onschuld legt het af tegen zelfzuchtige berekening; op de achtergrond speelt de tegenstelling tussen de traditionele waarden van het platteland en de corruptie van de stad. Met geen van de drie centrale personages loopt het goed af.

Deze zinnelijke film oogt met zijn initiatiefrijke vrouwelijke hoofdpersonen en slappe mannelijke protagonist bijna dertig jaar na release nog steeds actueel. De film past naadloos in het diversiteitsdebat en de climax, in het door echte sneeuw bedolven Burgos, doet rillen, maar niet van de winterkou. De woordloze slotscène in de stromende regen is verpletterend raak: hoe hartstocht kan verkeren tot gif. ASFF toonde Amantes in een Engels ondertitelde 35-millimeterkopie; deze Spaanse klassieker doet uitzien naar meer films van Ananda. Welke goocheme programmeur ziet zijn kans schoon?

 

5 juni 2018

 

DEEL 1 ASFF

 

MEER FILMFESTIVALS

ASFF 2018 deel 1

Amsterdam Spanish Film Festival, deel 1

Vermakelijke Spaanse sferen

door Nanda Aris

Deze avond van het Amsterdam Spanish Film Festival is zwoel en klam. Wanneer ik het Tuschinski-theater binnenloop is het al gezellig druk. Foto’s worden genomen, biertjes uitgedeeld, en de mevrouw die de jamón ibérico snijdt, kan maar moeilijk het tempo van de gretige handjes bijhouden.

De ontvangst is hartelijk, overal klinkt Spaans om mij heen; voor een avond waan ik mij in Spanje. ‘You’re the only Dutch here!’, grinnikt een kleine Portugese jongen. Dat is niet waar, maar omdat ik voor de gelegenheid hakken aan heb getrokken, en mijn bijna twee meter lange vriend bij me heb, steken we met kop en schouders boven iedereen uit en ogen we inderdaad vrij Nederlands.

Sin Rodeos

Sin Rodeos – Identiteitsrecht voor de kat
Iedereen druppelt de grote zaal van Tuschinski binnen, en na het ontvangstwoord, start de film Sin Rodeos (2018) van Santiago Segura. Een komische film over het drukke leven van een bijna veertigjarige vrouw.

Hoofdrolspeelster Paz (Maribel Verdú, die we kennen van onder andere Y tu mamá también (2001)) is zat van alle halve aandacht die ze krijgt. Haar vriend sust haar tot stilte omdat hij met schilderen bezig is en haar vriendin is vergroeid met haar telefoon. Haar baas luistert niet naar haar en neemt een it-girl aan, die over alles vlogt en zoveel mogelijk post op Instagram, tot irritatie van Paz. Haar buurman bezorgt haar slapeloze nachten door zijn gefeest en haar zus kan over niets anders dan de kat praten.

Ze besluit een goeroe te bezoeken, die haar een middeltje geeft waardoor ze alles zegt en doet wat ze normaal gesproken niet zou uiten. Het werkt bevrijdend, en levert zo nu en dan grappige momenten op, en zo nu en dan lachen we als een boer met kiespijn. Verdú weet met haar acteren de film te dragen, ze is het geloofwaardige personage tussen de over de top personages om haar heen. Zo is daar haar gekke zus die vecht voor identiteitsrecht voor haar kat, en de typische goeroe met zweverige teksten (gespeeld door Segura zelf). De film is niet hoogstaand, maar wel vermakelijk.

Indestructible, el alma de la salsa

Indestructible, el alma de la salsa – De vlam is niet gedoofd
De volgende dag ga ik naar de film Indestructible, el alma de la salsa (2017) van David Pareja. Wanneer de film start, zien we beelden van een kok en een keuken. Het is rumoerig in de zaal, en ik vraag me af of het door de gratis biertjes komt. Al snel wordt ook mij duidelijk dat de verkeerde film is gestart, namelijk de film Soul (2016), die zaterdagmiddag zal draaien. Weliswaar gaan beide films over een ziel, wel over een verschillende ziel.

Indestructible, el alma de la salsa is een prachtige muzikale documentaire over de reis die flamencozanger Diego ‘El Cigala’ onderneemt, op zoek naar de ziel van salsa. Hij wil de grootheden van de salsa, van vroeger en van nu, samenbrengen en gezamenlijk een plaat opnemen.

Diego’s vrouw Amparo komt met het idee om een salsa-album op te nemen met de verschillende grootheden. Ze overlijdt in 2015 aan de gevolgen van kanker, en Diego besluit in 2016 haar idee werkelijkheid te maken. Zijn reis brengt hem naar onder andere naar Cali, San Juan, Havana, Punta Cana, New York en Miami. We begrijpen hoe salsa beïnvloed is door verschillende plaatsen, het is een combinatie van onder andere Amerikaanse jazz met Afrikaanse drum.

We zien beelden van mensen die dansen in de straten, van mensen die muziek maken thuis en van studio’s waar Diego met verschillende artiesten muziek opneemt. De warmte en gehoorzaamheid die het samen maken van muziek geeft, voelen we als kijker door de prachtige beelden.

Soms passeren namen iets re snel, maar de beelden spreken voor zich. Een tikje drama wanneer er gesproken wordt over salsa is de film niet vreemd, maar misschien is Nederland ook te nuchter. Ook al is salsa niet meer zo ‘hot’ als een aantal jaren geleden, de vlam is niet gedoofd, en dat bewijst Diego met deze hommage aan de salsa.

 

4 juni 2018

 

DEEL 2 ASFF 

 

MEER FILMFESTIVALS

Fury of a Patient Man, The

****

recensie The Fury of a Patient Man

On-Amerikaanse wraakfilm

door Cor Oliemeulen

Dat een film vier Goya’s wint, zegt misschien meer over de toestand van de hedendaagse Spaanse cinema dan over de inzending zelf. Voor The Fury of a Patient Man lijken die filmprijzen voor beste film, beste debuterende regisseur, beste bijrol en beste scenario zeker voorstelbaar.

Films met wraak als thema zijn meestal van Amerikaanse makelij. Bovendien lijken ze allemaal ontzettend op elkaar en zijn scenario’s en filmcrews bijna zonder uitzondering uitwisselbaar. Het meest storend is de couscous van grof geweld en ongeloofwaardig plot.

The Fury of a Patient Man

Hoe anders is The Fury of a Patient Man (Tarde para la ira). De debuutfilm van Raúl Arévalo is weliswaar een echte wraakfilm, maar binnen het genre een verademing vanwege de uiterst realistische vertelling en het ontbreken van een opgefokte orgie van geluid. De regisseur, die de rol van één van de twee rechercheurs in La Isla Minima speelde, heeft bij het schrijven van zijn scenario goed opgelet waarom die Spaanse thriller kon uitgroeien tot een groot internationaal succes.

Acht jaar later
Wraak smaakt extra zoet als je het geduld van Jose (Antonio de la Torre: Volver, La Isla Minima) kunt opbrengen. Net als Ryan Gosling in Drive is Jose het type stille wateren diepe gronden, maar waar de gewelddadige uitbarstingen van eerstgenoemde voortkomen uit een psychopathische geest, is er bij de wreker van The Fury of a Patient Man sprake van instrumentele agressie: hij reageert niet primair, maar handelt bewust. Jose’s aanpak krijgt een extra dimensie omdat hij het aanlegt met de vrouw van de man, die hem naar zijn toekomstige slachtoffers moet leiden.

De film begint met een mislukte juwelenroof. Drie overvallers weten nipt uit de handen van de politie te blijven, maar Curro (Luis Callejo: Kiki Love to Love), de chauffeur van de vluchtauto, wordt gepakt en verdwijnt voor acht jaar achter de tralies. Eindelijk weer thuis bij vrouw Ana (Ruth Diáz) en kind maakt hij kennis met Jose die ook met Ana’s broer goed kan opschieten. Dan blijkt langzaam waarom de welgestelde Jose rondhangt in deze arbeiderswijk van Madrid, waarom hij regelmatig een comateuze man in het ziekenhuis bezoekt en wat zijn wraakmotieven zijn.

The Fury of a Patient Man

Authentiek en realistisch
Regisseur Arévalo bleef bij het zoeken naar locaties dicht bij de plaatsen waar hij is opgegroeid. De buitenwijken van Madrid, de dorpjes en de motels langs de wegen van de autonome regio Castilië-La Mancha. Het zijn die lomige scènes die soms doen denken aan Hell or High Water: niet alleen de sfeer en couleur locale, maar ook de subtiele combinatie van thriller- en western-ingrediënten. The Fury of a Patient Man kent beduidend minder onderlinge psychologie en mist de humor, maar voelt even authentiek. Ondanks de weinige actie verslapt de aandacht nauwelijks een moment.

De opmaat naar de sporadische geweldsuitbarstingen (soms buiten beeld) wordt efficiënt ondersteund door korte opwellingen van de geluidsband. Soms lijkt het alsof Jose nog even twijfelt om de daad bij het voornemen te voegen, maar zowel de kijker als Curro, die onvrijwillig toeschouwer van de queeste is, leren vrij snel Jose’s vastbeslotenheid kennen. Onderwijl doet Ana een schokkende ontdekking, waardoor de finale een onverwachte twist krijgt.
 

3 juni 2017

 
MEER RECENSIES

Skins: Freaks

Bizarre Spaanse film Skins kan cultstatus tegemoet zien
Freaks zijn ook mensen met gevoelens en verlangens

door Cor Oliemeulen

De Spaanse film Skins is één van de opvallendste verschijningen tijdens het toch al zo fantasierijke Imagine Filmfestival in Amsterdam. Het is een tragikomische beproeving waarin bizarre, afstotelijke en smakeloze personages het hart van de toeschouwer proberen te winnen. Een mozaïek dat laveert tussen melodrama en kolder. Gedurfd en origineel voor de één, vulgair en weerzinwekkend voor de ander.

Het begrip freak is onderhevig aan de tijd. Volgens woordenboeken is een freak: een apart persoon, een enthousiast liefhebber of een rare knakker. Soms wordt de persoon in kwestie geassocieerd met ongewenst sociaal of seksueel gedrag, drugsgebruik en homofilie. Frank Zappa hanteerde bij het uitbrengen van zijn dubbelalbum ‘Freaking Out’ in 1966 misschien wel de mooiste definitie: ‘Iemand die afwijkt van de voorgeschreven standaard van denken, kleding en sociaal gedrag om zich creatief te kunnen uiten.’

Freaks als circusattractie
Er was een tijd dat misvormde en mismaakte mensen freaks werden genoemd en een circusattractie waren. Het bekendste voorbeeld is de film Freaks uit 1932 van Tod Browning, die een jaar eerder Dracula had gedraaid. Freaks op het witte doek bleken een andere uitwerking te hebben op het publiek dan freaks in een rondreizend circus. Het was volstrekt nieuw dat lichamelijk gehandicapten zélf de rollen speelden. Nadat filmmaatschappij MGM voor de première het testpubliek had gechoqueerd, werd de film drastisch ingekort en werd het bedrijf zelfs voor de rechter gesleept door een vrouw die beweerde dat ze door het kijken naar Freaks een miskraam had gekregen.

Naast degenslikkers en vuurspuwers bestaat de cast van Freaks uit dwergen, pinheads, interseksuelen, een Siamese tweeling, mensen met handicaps of zonder ledematen, alsook figuranten met afwijkingen en ziektes die we tegenwoordig nog nauwelijks zien, of willen zien. Freaks is een combinatie van drama, documentaire, arthouse en horror. Het verhaal gaat over een ‘normale’ trapezeartieste die het heeft gemunt op het fortuin van een dwerg. Ze wil met hem trouwen, hem vermoorden en dan het geld delen met Hercules, de sterke man van het circus op wie ze echt verliefd is.

Freaks is door het aanzienlijke gedrochtengehalte jarenlang in veel landen verboden geweest, maar na de hernieuwde première op het filmfestival van Cannes in 1962 uitgegroeid tot een echte cultfilm. Misschien omdat de freaks in latere tijd minder als onvolwaardige mensen werden beschouwd en meer identificatie opleverden, omdat zij meedogenloos wraak nemen op de trapezeartieste, die daardoor in de film overigens zelf eindigt als….freak. Onvoorwaardelijke compassie voor een freak krijg je zeker in The Elephant Man (1980) van David Lynch met John Hurt als de misvormde Joseph Merrick.

Mededogen met mismaakte personen
Skins
(originele titel is Pieles) is verre van biografisch en uit heel ander hout gesneden, maar wil eveneens mededogen met mismaakte personages opwekken. De Spaanse cultregisseur Álex de la Iglesia, die de film produceerde, strikte Eduardo Casanova als regisseur. De producer zegt het volgende over de grilligheid van zijn pas 26-jarige landgenoot, in eigen land vooral bekend als tv-acteur: “Eduardo is een mix van een heleboel mensen in één persoon. Hij is een mengeling van haat, wraak, woede en zoetheid. Een porseleinen pop in een horrorfilm. Hij is Chucky en The Bride of Chucky tegelijkertijd. Hij is zélf een filmkarakter.”

Desalniettemin speelt Casanova zelf niet in zijn speelfilmdebuut. Wel het uiterst buitenissige personage Samantha, die eerder was te zien in zijn ruim drie minuten durende Eat My Shit (2015). Zij is geboren met een omgekeerd digestief systeem: op de plaats waar normaal je mond zit, zit bij haar de anus. En waar je anus behoort te zitten, zit bij Samantha haar mond. Het is een idee dat je misschien eerder bij de heerlijke nonsens van South Park zou aantreffen, maar in Casanova’s wereld staat Samantha voor de ultieme lichamelijke misvorming. Zo goor als Eat My Shit eindigt, wordt het gelukkig niet in Skins, maar zij is wel het personage dat de meeste walging oproept.

Tegelijkertijd fascineert Samantha enkele personen die flink opgewonden raken van haar verschijning. Maar dat ze door de maatschappij als afstotelijk wordt beschouwd, blijkt als ze een selfie op Instagram plaatst. Binnen no-time krijgt ze een berichtje met de mededeling dat haar post is verwijderd, omdat die ‘tegen de richtlijnen’ is. Eduardo Casanova relativeert raak met de nodige humor. Zo leren we bijvoorbeeld hoe Samantha kippensoep moet eten. En hoe het bij haar werkt als ze op haar verjaardag kaarsjes mag uitblazen. Menig kijker zal na een tijdje ook compassie voor Samantha voelen. Want zij is immers, hoe afstotelijk dan ook, een mens. Een mens met een innerlijk, met gedachten en gevoelens, net als alle andere personages in Skins.

Hoer zonder ogen
Zo passeert Laura het rariteitenkabinet. Laura is mooi, kan mooi zingen, maar ze heeft geen ogen. Ze werkt als prostituee voor klanten die blij zijn dat zij hen niet kan zien. Het zijn de freaks die bij Laura seksueel aan hun trekken proberen te komen.

De zwangere dwerg Vanessa is pas populair vanaf het moment dat zij in een pak wordt gehesen en furore maakt als het roze beertje Pinkoo in een tv-show voor kinderen.

Christian snijdt met een mes in zijn benen, want die benen zijn niet van hem. Hij wil het liefst een zeemeermin worden, want ‘zeemeerminnen hebben geen benen, maar zijn toch gelukkig’.

En wat de denken van Ana, die een grote tumor op de helft van haar gezicht heeft. “Je valt alleen op mijn uiterlijk”, verwijt zij Ernesto, die slechts opgewonden kan raken van misvormde vrouwen. Het is een prachtig voorbeeld van de ironie in Skins.

Alle personages maken van Skins een ongemakkelijke film. Bizar, maar tegelijkertijd ontroerend en vertederend. Soms met onverwachte wendingen. Zo kan een melodramatische scène – vaak ondersteund door melige popdeuntjes uit de jaren 70 – zomaar uitmonden in tragikomische kolder. Het doet meer dan eens denken aan het werk van The Pope of Trash, John Waters, die opviel door een combinatie van kitsch, goorheid en excentrieke taferelen met meer dan eens corpulente, halfblote vrouwen.

Inspiratiebronnen
De kleuren en gestileerde kaders van Skins zouden zomaar kunnen zijn afgekeken van Wes Anderson’s The Grand Budapest Hotel. De vormgeving lijkt ook direct geïnspireerd op het Franse duo Pierre et Gilles, bekend van barokke fotografische creaties met levendige kleuren. Uiterst gestileerde combinaties van foto’s en schilderijen die zich bewegen tussen fantasie en werkelijkheid, kunst en kitsch, en omstreden vanwege de naakte, provocatieve poses.

Niet alleen het typisch Spaanse melodrama van Pedro Almodóvar zien we terug in Skins, maar vooral de veelal kitschachtige kleuren in diens vroegere werk. Eduardo Casanova gebruikt vooral pastelkleuren. We zien voornamelijk roze en paars, wat fungeert als een functioneel, zoet contrast met de schokkende verschijningen van de personages.

Qua narratieve structuur is Skins te vergelijken met de ensemblefilm Happiness (1998): veel personages in meerdere verhaallijnen die uiteindelijk allemaal met elkaar te maken hebben. Ook in deze inktzwarte satire van Todd Solondz zien we voornamelijk verdrietige mensen. Echter hier vind je geen spoor van fysiek gehandicapten, maar van losers, nerds en perverse lieden. Zoals de pedofiele vader die twee vriendjes van zijn zoontje verkracht en het personage van Philip Seymour Hoffman dat zo verlegen én gefrustreerd is, dat hij vrouwen in zijn omgeving belt om ze onder een lading seksuele grofheid te bedekken.

Ook in Skins zijn de mensen diep van binnen eenzaam en hunkeren zij naar aandacht. En tegelijkertijd kun je soms enorm lachen om die ongelooflijke triestheid van het bestaan, het relativeren en de zelfspot. Ondanks de controversiële aanpak vertelt deze krankzinnige film een coherent verhaal over verlangens, idealen en dromen. Boodschap: hoe we er van de buitenkant ook uit mogen zien, onder die huid zijn we misschien wel allemaal freaks. Vooral de mensen die er van de buitenkant ‘normaal’ uitzien.
 

16 april 2017

 

 

Skins

 
MEER NIEUWS EN ACHTERGROND

Ma Ma

**

recensie Ma Ma

Een nieuwe tepel in een doosje

door Cor Oliemeulen

Het zal je maar gebeuren. Je hebt borstkanker en je dokter laat zijn emoties de vrije loop en zingt een zwijmellied als je op de operatietafel ligt. Je nieuwe geliefde is impotent en toch word je zwanger, maar je weet niet precies van wie. Bouquetreeks? Nee, de nieuwe film Ma Ma van Julio Medem.

Het was een tijdje stil rond de Spaanse regisseur Julio Medem, die in eigen land en daarbuiten grote populariteit genoot na zijn romantische kaskraker Los amantes del Círculo Polar (1998). Poëtisch, dramatisch, mooie mensen, zelfgeschreven plot met mysterieuze wendingen, originele cameraperspectieven en soms een weergaloze montage. Aangevuld met een vleugje psychologie en een portie lust bediende de eigenzinnige Medem zijn fans vervolgens met Lucía y el sexo (Luciá en seks, 2001), Caótica Ana (Chaotische Ana, 2007) en Habitación en Roma (Kamer in Rome, 2010). In het laatstgenoemde romantische drama sprongen vooral de twee naakte hoofdpersonages in het oog en vrolijk rond in een hotelkamer. De niet eerder vertoonde combinatie van lesbische seks en een ontdekkingstocht naar de vrouwenziel was een typisch gevalletje van tussen kunst en kitsch.

Ma Ma

Bloedserieus
Wat kunnen we dan verwachten van Medems jongste film, Ma Ma? In interviews laat Penélope Cruz weten dat ze het script in één adem had uitgelezen en dat ze onmiddellijk verliefd werd op de rol van de baanloze lerares Magda die borstkanker krijgt, het contact met haar zoontje probeert te behouden, verliefd wordt op een man die zojuist zijn vrouw en dochtertje bij een ongeluk heeft verloren (en als voetbalscout het zoontje een gouden toekomst bij Real Madrid voorspelt) én prompt zwanger blijkt na een multi-orgastisch uitstapje in een seksclub, waarin ze in een opwelling samen met haar zingende, biseksuele gynaecoloog was beland. Pardon? Het script is alleszins bloedserieus en opnieuw ontsproten aan het brein van Julio Medem, die eerst psychiatrie heeft gestudeerd voordat hij films ging maken.

Dat brengt ons bij het grote manco van Ma Ma. Medems navigatie leidt je over zoveel onverharde zijpaden dat je bijkans om je eigen moeder schreeuwt na de mededeling ‘bestemming bereikt’. Omkeren waar mogelijk is kansloos als je ook nog de rode draad van het blonde Siberische meisje wilt ontrafelen: aanvankelijk zou zij door de gynaecoloog worden geadopteerd en uiteindelijk fungeert zij als Magda’s wensdroom – in een scène weliswaar sfeervol van bovenaf gefilmd als het meisje in zee om Magda heen zwemt, terwijl de dokter haar zwangere buik inspecteert. Al met al biedt het script van Ma Ma meer dan voldoende inspiratie voor soapschrijvers.

Foute boel
Het moet gezegd: Julio Medem is creatief, vindingrijk en durft het fenomeen kanker in een weinig voor de hand liggend perspectief te plaatsen. Ma Ma begint misschien wat ongemakkelijk, als we zien hoe iemand uitgebreid Penélope’s borsten aan het betasten is, maar dan zien we gelukkig een witte jas voor de lens verschijnen. Magda schrikt zich natuurlijk wezenloos als ze hoort dat er twee knobbeltjes in haar rechterborst zitten, waarna een scan uitsluitsel brengt: foute boel. Chemo en dan een operatie. Niemand hoeft het voorlopig te weten, zeker haar zoontje en zijn rondscharrelende vader niet. Magda gaat met opgeheven hoofd de strijd aan en vindt steun bij de rouwende Arturo (Luis Tosar), die zij eerst zelf heeft getroost.

Ma Ma

Een ongeneeslijke ziekte leent zich voor een respectvolle behandeling, ook in een film. Het is weinigen gegeven om met zoveel ontroerende expressie en overtuiging als de immer beminnelijke Penélope Cruz (die we ook haar weelderige haardos zien afscheren) een dergelijke rol neer te zetten. Ma Ma is zonder twijfel herkenbaar voor lotgenoten, maar faalt vooral door een groteske driehoeksverhouding, terwijl het portretteren van Magda’s persoonlijke gedachten en omstandigheden meer dan eens doorslaan.

De schokkerige beelden bij het slechte nieuws zijn functioneel, het in het lichaam inzoomen op het hart na een kus is bedenkelijk. Net als Magda’s droom waarin Arturo haar als cadeautje een nieuwe tepel in een doosje aanbiedt. En wat is er zo geheim aan die ‘geheime parenclub’ als de gynaecoloog in gezelschap tegen Arturo  zegt dat hij hem daarvan kent? Goedbedoeld onderzoekt Ma Ma de ziel van een ongeneeslijk zieke vrouw, maar het drama van Julio Medem is in feite een mislukt filmexperiment.
 

11 september 2016

 
MEER RECENSIES

Julieta

****

recensie Julieta

Uit het oog, maar niet uit het hart

door Cor Oliemeulen

Het is goed te zien dat Pedro Almodóvar ook zonder extravagante personages een uitstekend drama kan maken en geen surrealistische elementen nodig heeft om mysterie te etaleren. ‘Uit het oog, maar niet uit het hart’ klinkt als een vreselijk cliché, echter dat is Julieta allesbehalve.

Zoals gewoonlijk schreef de Spaanse regisseur zelf het scenario, ditmaal gebaseerd op drie korte verhalen van de Canadese schrijfster Alice Munro. De plot van Julieta is prachtig geconstrueerd, de kleurrijke cinematografie en het soms oogverblindende productiedesign zijn als vanouds. Het resultaat is een uitgebalanceerd en meeslepend filmdrama, net iets minder doortastend dan Almodóvars meesterwerken Todo Sobre mi madre, hable con elle en Volver.

Julieta

Schuld en onmacht
Julieta is een herkenbaar document over schuld en onmacht. Schuld omdat het titelpersonage zich na de dood van haar geliefde verantwoordelijk voelt voor het verdwijnen van hun dochter. Onmacht omdat de dochter er alles aan heeft gedaan om onvindbaar te blijven voor haar moeder, terwijl zij vroeger een goede band hadden, maar elkaar kennelijk niet goed genoeg bleken te kennen. Het kind is in de jaren tachtig verwekt nadat de spontane twintiger Julieta (Adriana Ugarte) in een nachttrein de visser Xoan had ontmoet. Nu, vele jaren later, blikt de getormenteerde vrouw (Emma Suárez) in haar Madrileense appartement terug op hoe het zover heeft kunnen komen in een brief aan haar verloren dochter.

Dood als leidmotief. Er komt een moment dat Julieta uit zelfbescherming alle sporen van het bestaan van haar dochter volkomen uit haar leven laat verdwijnen. Zij is dood voor haar, net als Xoan, die na een echtelijke ruzie met Julieta gaat varen en omkomt in een zware storm; net als de oudere man die in de trein toenadering zoekt, door haar wordt afgewezen en zelfmoord pleegt. De regelmatig opdoemende beelden van de twee mannen zullen haar blijven kwellen. Verder is er de moeizame relatie met haar eigen ouders. Haar moeder is bedlegerig, lijdt aan een psychische kwaal en tot Julieta’s ongenoegen kan haar vader het onderwijl erg goed vinden met de huishoudster.

Julieta

De positie van de vrouw
Hoezeer Julieta uiteindelijk ook gebukt gaat onder de pijn en het verdriet door het gemis van haar dochter, Almodovárs drama is wederom een ode aan de vrouw. Niet zo intens en melodramatisch als Penélope Cruz’ krachtige personificatie in Volver, maar treffend in de verbeelding van het leed van de moeder- en dochterfiguur tegelijk. De vrouw als middelpunt van het universum en de drager van het leven. In Julieta is de vrouw tevens expliciet de schepper van de man, wat blijkt uit de sculptuurtjes van torso’s van Xoans scharrel Ava (Inma Cuesta, de vrouwelijke stierenvechter in het zwart-wit sprookje Blancanieves). De beeldend kunstenaar legt een van de geboetseerde mannenbeeldjes (ook symbolisch) in Julieta’s hand.

Veel grote regisseurs hebben zich verdiept in het hoofd en de positie van de vrouw. Zo plaatste de Italiaanse filmvernieuwer Michelangelo Antonioni de naar zingeving zoekende vrouw volkomen onthecht in een zich snel moderniserende wereld en drong de Zweedse cineast Ingmar Bergman middels close-ups en de vierde wand diep door in het brein en de ziel van zijn vrouwelijke personages.

Hoewel Pedro Almodóvars oeuvre beduidend bescheidener is, lijkt zijn behandeling van de vrouw misschien nog wel het meest op die van Kenji Mizoguchi. Deze oude Japanse meester stond tot de Tweede Wereldoorlog te boek als het boegbeeld van het Nieuwe Realisme: sociale filmdocumenten over de Japanse samenleving die langzaam overgaat van het feodalisme naar de moderne tijd. Omdat hij de rol van de vrouw (vaak geisha’s of prostituees) in een door mannen gedomineerde maatschappij onderzocht, geldt Mizoguchi als de eerste grote feministische regisseur. Diens humanistische benadering en hang naar wonderschone beelden zien we vele decennia later terug in Julieta.
 

14 augustus 2016

 
MEER RECENSIES