Fisherman’s Friends

**
recensie Fisherman’s Friends

Brexit-escapisme

door Sjoerd van Wijk

Fisherman’s Friends is Oost-Indisch doof voor geluiden uit de echte wereld. Hier bestaan tegenstellingen louter uit ruwe bolsters, blanke pitten en doetjes met een gouden hart. Alsof alles goed komt met een welgemeend zeemanslied. 

Dat dit een feelgoodfilm is, blijkt uit de olifantenpaadjes van het verhaal. De verwaande muziekproducent Jim doet met drie collega’s een dorpje in Cornwall aan voor een vrijgezellenfeest. Zijn vrienden bakken hem een poets dat hij het plaatselijke zangkoor van vissers moet binnenhalen voor een platencontract. Hun zeeliederen raken echter een gevoelige snaar bij Jim en een vervelende klus verandert in een missie. Natuurlijk komt Jim daarbij een dame tegen direct na zijn verklaring van ongeloof in monogamie. Natuurlijk zijn er wat tegenslagen hier en daar. Natuurlijk groeien de kustmensen en stadsmensen nader tot elkaar. Natuurlijk gelooft niemand er in dat een stel zeebonken een hit kunnen maken. Maar het moge duidelijk zijn wie er het laatst lacht. 

Fisherman’s Friends

De gunfactor
En dat alles is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Gelukkig waren de zwart-wit foto’s uit 2011 er nog voor de aftiteling. De film is echter niet zo cynisch als dat klinkt en heeft juist een grote gunfactor. Cameraman Simon Tindall brengt het plaatsje op dynamische wijze tot leven, de zee zit niet alleen in het bloed van de bewoners. De ruige Cornish-kust is in wezen een knusse plek als je tegen een windstootje kan. Het scenaristentrio vult de film met kattige dialogen, die alle strubbelingen tussen stadsmens en kustmens in lieflijke plaagstootjes samenvatten. 

James Purefoy maakt van Jim een blaag met het hart op de goede plaats. Er zit een overdreven onbevangenheid in zijn doen, waarmee het vinden van verlossing in Cornwall een innemende kant krijgt. Ook bij de vissers zit deze onbevangenheid en blijkt hun potige voorkomen eenvoudig plaats te maken voor sympathie. Fisherman’s Friends is daardoor een genoeglijk relaas over de onwaarschijnlijke hit. 

Onbekend Verenig Koninkrijk
Dit werkt wel oubollig en is daarmee te voorzichtig. Het Verenigd Koninkrijk van deze film bestaat niet buiten de bioscoop. In de werkelijkheid is de Britse samenleving een absurde sitcom met wekelijks een jump the shark moment, in tegenstelling tot het stramien van deze vertelling. Brexit ontregelt met een groeiende hysterie nu mensen steeds verbetener in de eigen positie stelling nemen. Niks hiervan in Fisherman’s Friends, waar Cornish-zeebonken en Londense hipsters gezellig samen de Drunken Sailor ten gehore brengen. Alsof alles wel goed komt. Er zijn geen wezenlijke verschillen tussen de personages, hun gedrag is slechts een laagje vernis.

Door de timing van de uitgave lijkt de film te willen ontsnappen in een nostalgisch wereldje waar politieke crises non-existent zijn. Om voor twee uur de puinhoop even te vergeten. Feelgood is wellicht slechts fantasie, maar de “Capra-corn” (It’s a Wonderful Life) bewees al dat dit niet betekent dat het leven buiten de bioscoopzaal hoeft te blijven. 

Fisherman’s Friends

Ansichtkaartenmoraal
In plaats van verdeeldheid emotioneel uit te diepen gaat Fisherman’s Friends voor een ansichtkaartenmoraal van het verhaal. De genoeglijke kust van Cornwall is een toeristische droom van authenticiteit. Nu identiteit geen vaste grond heeft, grijpt men terug op een imaginair verleden waar alles nog heel gewoon was. De film hamert hier op door een letterlijk zakenpraatje over de aantrekkingskracht van de vissers te verwarren met een scherp inzicht over de samenleving. Het gaat hier louter om een consumptie van authenticiteit in plaats van oprechtheid.

Het geld en de commercie krijgen ook een gemakzuchtige behandeling. Een zakenman die de plaatselijke kroeg overneemt is slecht, want hij tast de authentieke beleving aan. Het devies luidt dat aardig doen de oplossing is. Doe als Jim en koop de kroeg zelf. Met zulke impliciete stellingname stopt de film systemische oorzaken zoals een parasitair financieel systeem in de doofpot. Hoe hoog de gunfactor ook is, Fisherman’s Friends blijft uiteindelijk Brexit-escapisme.

 

8 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Itzhak

***
recensie Itzhak

Viool als replica van de ziel

door Cor Oliemeulen

Itzhak Perlman is een prima verteller, zelfverzekerd, goedlachs en gevat. Hij geldt als een van de grootste violisten van de tweede helft van de twintigste eeuw. “Waar ter wereld ik ook kom, het enige verzoek dat ik krijg, is de muziek van Schindler’s List.”

Itzhak ademt een onvoorwaardelijke liefde voor de kunst. Alison Chernik maakte eerder korte documentaires over popartheld Roy Lichtenstein, beeldend kunstenaar Jeff Koons, expressionistisch schilder Jackson Pollock, multitalent Julian Schnabel, alsook de filmregisseurs Pedro Almodóvar en Francis Ford Coppola. Ditmaal neemt ze vijf kwartier de tijd voor de man op en achter de viool. Niet alleen muziek komt aan bod; eten en honden lopen als leuke draadjes door de film heen.

Polio
Getroffen door polio op zijn vierde, zien we Perlman nu altijd en overal op zijn scootmobiel. Zoals wanneer hij in een vol honkbalstadion het Amerikaanse volkslied speelt voor een wedstrijd van de New York Mets, luisterend naar een mooie speech van de Amerikaanse president Obama, tijdens een optreden met zanger Billy Joel, het repeteren met andere muzikanten en wanneer acteur Alan Alda een hapje komt eten en een goed glas wijn komt drinken. Op visite bij de Israëlische premier Netanyahu zal hij beslist niet over politiek praten, en inderdaad zien we even later dat het gesprek gaat over eten en honden. De een miljoen dollar behorende bij de prestigieuze Genesis Prize in Jeruzalem zal hij aanwenden voor het opleiden van jong muzikaal talent, met de nadruk op gehandicapten.

Nadat hij op zijn dertiende met zijn moeder naar New York verkaste omdat hij was aangenomen op het beroemde Juilliard viel het zijn tweede vioollerares (de eerste was een kreng) op hoe virtuoos de jeugdige Itzhak al was: “Hij speelde Mendelssohn twee keer sneller dan het moest, maar het was ongelooflijk”, zegt ze. “Ik denk dat ik verliefd op hem was.” Dat gold ook voor Perlmans huidige echtgenote, de vrolijke Toby, die hem na een optreden ten huwelijk vroeg. Itzhak was nog maar zeventien en kreeg een jaar de tijd om zijn relatie met een ander meisje op wie hij nog verliefd was te verbreken. Meer dan vijftig jaar later is Toby nog steeds lyrisch over zijn spel, maar een kritische noot schuwt ze nooit. “Je kende nog niets van Schubert toen we elkaar ontmoetten.”

Net gearriveerd in New York werd de jonge Itzhak uitgenodigd voor de Ed Sullivan Show en aangekondigd als uitzonderlijk talent. We horen hoe prachtig hij daar speelde. Terugblikkend: “Ik weet niet of ik toen was uitgenodigd voor mijn vioolspel.” Toby weet het wel: “Je was die arme kleine kreupele jongen.” Tegenwoordig speelt Perlman altijd op zijn Stradivarius uit 1714 die volgens hem precies de klank heeft die hij van binnen voelt. “Als je een hond hebt en je bent nerveus, dan is je hond nerveus. Als je rustig bent, is je hond rustig. De viool is de replica van de ziel.”

Itzhak

Auschwitz
En zo zit Itzhak vol ontmoetingen, herinneringen en gesprekken, gelardeerd met kort archiefmateriaal. Met zijn joodse achtergrond is Auschwitz nooit ver weg. Op weg daar naartoe namen joden bijna altijd hun viool mee. Die instrumenten werden natuurlijk door de nazi’s afgepakt, waarna de eigenaren naar de gaskamer moesten. De violen gingen naar het orkest, dat een enkeling aangreep om aan het verschrikkelijke lot te ontsnappen. De al even beroemde violist Isaac Stern antwoordde ooit op de vraag waarom zoveel joden viool spelen: “Dit is het gemakkelijkste instrument om op te pakken en weg te rennen.”

Perlman horen we soms heel aardig relativeren en blijkt niet vies van de nodige ironie, maar de enige keer dat we hem niet opgewekt zien, is het moment waarop de joodse eigenaar van een vioolwinkel een oude viool toont. Als hij het instrument openmaakt, zien we daarin een papieren vel in de vorm van een viool met daarop de tekst ‘Heil Hitler 1936’ en de tekening van een hakenkruis. “Zorg ervoor dat er geen snaren meer op komen”, zegt Perlman veelbetekenend.

De bijzondere geschiedenis van een groot kunstenaar maakt een portret al snel de moeite waard. Juist om die reden is de spontane, probleemloze documentaire Itzhak niet uitsluitend boeiend voor liefhebbers en beoefenaars van klassieke muziek.

 

6 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Miles Davis: Birth of the Cool

****
recensie Miles Davis: Birth of the Cool

Portret van een gekwelde trompetkunstenaar

door Cor Oliemeulen

Zelfs als je jazz beschouwt als een gruwelijke bak herrie of onophoudelijk zenuwachtig gefiep, is de documentaire Miles Davis: Birth of the Cool fascinerend om naar te kijken. Een nadere kennismaking met de grootste jazzvernieuwer die minder cool was dan de titel doet vermoeden.

Miles Davis kon zich muzikaal uitstekend aanpassen aan de tijdsgeest: van bebop in de jaren 40, via cooljazz, hardbop, jazzrock, fusion, acid jazz tot en met commerciële nummers in de jaren 80. Niet alleen door de omgevingsfactoren, maar ook door emoties toonde Davis zich een kameleon: net als zovele jazzmuzikanten worstelde hij met een drugsverslaving en daarbovenop had hij problematische relaties met vrouwen. Door middel van interviews en deels niet eerder gebruikte beelden ontstaat het portret van een gekwelde trompetkunstenaar.

Miles Davis: Birth of the Cool

Liever cool dan bebop
Miles Davis (1926-1991) zette in juli 1944 zijn eerste grote schreden in Club Riviera in St. Louis als invaller in een band met jazzlegendes Charlie Parker, Art Blakey en Dizzy Gillespie. De jonge Miles was zo zenuwachtig dat hij voor elk optreden moest overgeven. Zijn welgestelde ouders (vader was tandarts) drongen aan dat hij piano of viool zou gaan studeren. Het werd toch de trompet, maar dan wel aan het beroemde Juilliard-conservatorium in New York. Die studie zou hij niet afmaken, want veel liever trad hij avond na avond op in de clubs van 52nd Street, het toenmalige mekka van de jazz. Na drie jaar spelen in het kwintet van Parker had Davis genoeg van diens snelle, gecompliceerde en virtuoze bebop. Miles wilde voortaan zelf de muzikale lijnen uitzetten. Dat leidde in 1957 tot het baanbrekende album Birth of the Cool. Een nieuwe jazzstijl was voor het grote publiek geboren.

Terwijl de toenmalige CBS-anchorman Walter Cronkite jazz bestempelde als ‘muzikale herrie’, roemen velen Davis’ cooljazz als elegant, romantisch, kwetsbaar en verrassend. Met meestal een demper op zijn trompet creëerde hij zijn typische, herkenbare timbre met een ingehouden, lyrische, melodieuze speelstijl. Andere mijlpalen zijn Miles Ahead (1957) en Kind of Blue (1959), nog steeds het meest verkochte jazzalbum ooit. Ooggetuigen vertellen hoe Davis voor twee opnamesessies bij Columbia Records collega’s als John Coltrane en Bill Evans slechts wat toonladders en melodielijnen toestopte, de rest van Kind of Blue is improvisatie. Sketches of Spain (1960) is een flirt met Spaanse muziek en Bitches Brew (1970) verruilt de traditionele akoestische instrumenten voor elektrische jazzrock. Criticus Greg Tate noemde Davis een ‘hoodoo voodoo priest of music’.

Miles Davis: Birth of the Cool

Artiesten en intellectuelen
Waar talking heads (kenners, exen, kinderen, jazzgiganten als Ron Carter, Wayne Shorter, Herbie Hancock, Quincy Jones, Mike Stern en Marcus Miller) Miles Davis op muzikaal gebied de hemel in prijzen, krijgt de persoon achter de muzikant ook minder jubelende kwalificaties toebedeeld: koud, direct, excentriek, jaloers, op zichzelf, tegen het asociale aan. Karaktereigenschappen die al dan niet werden versterkt nadat hij gedesillusioneerd terugkwam van zijn verblijf in Parijs in 1949. Daar was geen rassenscheiding en werd hij opgenomen in een kring van artiesten en intellectuelen (Picasso en Sartre waren fan). De Franse zangeres Juliette Gréco vertelt hoe ze verliefd hand in hand met Miles Davis door de straten van Parijs flaneerde, maar aan het sprookje kwam een eind toen hij terug in Amerika weer direct werd geconfronteerd met racisme en zich stortte in een heroïneverslaving die de rest van zijn leven zou bepalen. Net als een aanvaring met een agent die een bloedende Davis naar het politiebureau begeleidde.

Zoals in zijn vorige documentaires neemt filmmaker Stanley Nelson (o.a. The Black Panthers: Vanguard of the Revolution, 2015) de tijd voor rassenongelijkheid. Met zijn opzichtige dure auto’s en luxe kleding was Miles Davis voor sommige blanken een doorn in het oog. Hij portretteert Davis als activist en krachtig symbool voor Afro-Amerikanen die geen blad voor zijn mond neemt. Terwijl in de jaren 60 de jazz door de opkomst van rock en funk minder populair werd, paste Davis zijn muziek aan en zocht hij inspiratie in andere culturen en kunstvormen. Dat leidde onder meer tot zijn opname van het Disney-liedje Someday My Prince Will Come (1961). Davis flipte toen hij op de albumcover een blanke vrouw zag en eiste van Columbia Records om ‘that white bitch’ te verwijderen en te vervangen door Frances Taylor, zijn eerste echtgenote, als eerbetoon aan haar en aan alle zwarte vrouwen.

Miles Davis: Birth of the Cool

Rake anekdotes
Ook in Miles Davis: Birth of the Cool heeft de populaire ex-danseres, Frances Taylor, een prominente plaats. Ze deelt persoonlijke herinneringen, en krijgt (weliswaar erg kort) de kans om ook ’s mans ellende van drugs en paranoia uit de doeken te doen. We zien de pijn in haar ogen als ze vertelt hoe ze direct vertrok nadat Davis haar tegen de grond had geslagen, maar ze zou altijd van hem blijven houden. Ook volgende exen hadden het niet gemakkelijk met de jazzlegende. Een onmiskenbare invloed had de pittige funk- en soulzangeres Betty Mabry eind jaren zestig. Davis was altijd onberispelijk gekleed in een donker pak, maar Betty ging hem hip en extravagant kleden: laag uitgesneden shirts, patchwork broeken met opzichtige riemen en grote zonnebrillen.

De documentaire zoomt echter vooral in op Davis’ hoogtijdagen daarvoor, de decennia waarin geschiedenis werd geschreven, zoals de totstandkoming van zijn geïmproviseerde soundtrack van Ascenseur pour l’échafaud (1958) van Louis Malle. We zien nog wel een kort optreden op het podium met Prince in 1987, maar toen was Davis al erg fragiel als gevolg van jarenlang drugsgebruik. De kijker blijft met een triest gevoel achter, wetende dat er nooit meer iemand van dit muzikale kaliber zal opstaan, maar dat maakt deze biografie niet minder mooi en leerzaam. Misschien is de enige kleine tegenvaller dat je op de aftiteling leest dat het niet de rasperige voice-over van Miles Davis is die je hoorde, maar van Carl Lumbly die voorleest uit de in 1990 verschenen autobiografie Miles. Dat karakteristieke gekraste stemgeluid van Davis (veroorzaakt door een keeloperatie) wordt ook voorbeeldig, en soms gekscherend, geïmiteerd in de talrijke rake anekdotes.

 

7 september 2019

 

ALLE RECENSIES

Synthesizers en filmmuziek: Het geluid van de toekomst (deel 2, slot)

Synthesizers en filmmuziek (deel 2, slot)
Het geluid van de toekomst 

door Alfred Bos

De synthesizer, het instrument met een stekker, begon eind jaren zestig aan zijn opmars in de filmmuziek. Sindsdien is de grens tussen filmmuziek en sound design vaag geworden.

Een belangrijke, maar lang verdoezelde naam in de ontwikkeling van de elektronische filmsoundtrack is de Engelse geluidskunstenaar Delia Derbyshire (1937-2001), een pionier op het gebied van ambient muziek en sound design. Als werknemer van de BBC Radiophonic Workshop maakte ze voor de Britse staatsomroep tunes voor radio- en tv-programma’s. De titelmuziek van de populaire – en nog steeds lopende – sciencefictiontelevisieserie Dr. Who uit 1963 is haar bekendste werkstuk.

Arrival

Derbyshires sfeerklanken en achtergrondmuziek voor tv-programma’s van de BBC zijn baanbrekend gebleken, ze lopen vooruit op wat later ambient werd genoemd: muziek die is uitgekleed tot textuur, geluid als parfum. In haar Inventions For Radio uit 1964, een geluidscollage van gemonteerde en sonisch bewerkte interviews waarin mensen praten over hun dromen, vervagen de grenzen tussen hoorspel, sound design en muziek.

Derbyshire introduceerde de VCS3, de eerste Engelse synthesizer, bij Pink Floyd en voorzag de performances van Yoko Ono op haar verzoek van geluid. Als lid van het trio White Noise was ze een van de eersten die popmuziek maakte met elektronische middelen. Het album An Electric Storm uit 1969 – verschenen vóór de maanlanding – is een unicum, het enige voorbeeld uit de muziekgeschiedenis van pop musique concrète; het resultaat van vele uren tape editing, er is geen synthesizer op te horen. De muziek heeft een surrealistische, spookachtige kwaliteit. The Black Mass (Electric Storm in Hell) is een nachtmerrie in geluid, geknipt voor horrorfilms.

Die horrorsoundtrack maakte ze in 1973 voor The Legend of Hell House (John Hough), samen met Radiophonic Workshop-collega Brian Hodgson. Het tweetal is verantwoordelijk voor de elektronische muziek, de geluidseffecten en het sound design. In 1968 produceerde Derbyshire elektronische muziek voor de score van de vergeten film Work is a Four-Letter Word (Peter Hall), een satirische komedie en de enige filmrol van popzangeres Cilla Black.

De sequencer doet zijn intrede
Delia Derbyshire had een uitgesproken hekel aan de sequencer, het onderdeel van de synthesizer dat patronen of thema’s automatisch herhaalt. Die sequencer hebben we te danken aan het elektronische trio Tangerine Dream uit Berlijn. De repetitieve baslijntjes figureren prominent in hun muziek, waarmee ze in de jaren zeventig even populair waren als Pink Floyd. Hun sferische, instrumentale en vaak via improvisatie tot stand gekomen nummers maakten van hun optredens regelrechte trips in geluid.

Het wachten was op een slimme filmproducer die Tangerine Dream voor een soundtrack zou weten te strikken. Dat gebeurde in 1977, bij de Amerikaanse remake van Henri Clouzots jarenvijftigthriller Le salaire de la peur (Het loon van de angst), door William Friedkin verfilmd als Sorcerer (Konvooi van de angst). Het was, na enkele Duitse producties, hun eerste bijdrage aan een Hollywood-film, er zouden er nog tientallen volgen. De soundtrack van Sorcerer inspireerde regisseur John Carpenter om zelf synthesizermuziek bij zijn horrorfilms te componeren.

De sequencer figureert prominent in de filmmuziek van de succesvolle producer Giorgio Moroder, de man achter de eerste elektronische discohit I Feel Love. Popmuziek domineert zijn met Oscar bekroonde scores van Flash Dance en Top Gun, maar de sequencer klinkt luid en duidelijk in zijn muziek voor Midnight Express (Alan Parker, 1978) en Electric Dreams (Steve Barron, 1984).

Quentin Tarantino is niet de eerste die B-filmgenres heeft gemengd tot hutspot. De Italiaanse regisseurs Aldo Lado en Enzio G. Castellari maakten met de Star Wars-pastiche L’umanoïde (1979) een soort space western on acid. De soundtrack van Ennio Morricone, een van de ruim vijfhonderd van zijn hand, is een bric-à-brac van chromatische orkestmuziek, atonaliteit en electronica. Vangelis, componist van de synthesizersoundtrack van Blade Runner (Ridley Scott, 1982), heeft hem zéker gehoord.

Gewichtsloze muziek
Vangelis’ muziek voor de film van Ridley Scott was een van de 250 soundtracks die het American Film Institute in 2002 nomineerde voor AFI’s 100 Years of Film Scores. Hij haalde de eindlijst niet, net zomin als de genomineerde Andromeda Strain, Forbidden Planet en Midnight Express. AFI’s Top 25 van beste filmsoundtracks telt uitsluitend klassieke orkestraties van neo-romantische snit. Het kan een kwestie van definitie zijn, aan een elektronische score komt geen bladmuziek te pas.

In 1989 bracht NASA een film uit over het Apollo-project en de vijf maanreizen die de Amerikanen tussen 1969 en 1972 ondernamen. Uit de honderden uren aan beeldmateriaal die de astronauten onderweg schoten, werd For All Mankind samengesteld. Voor de muziek – sommigen menen: muzikaal behang – bij de documentaire tekende Brian Eno, in 1983 reeds verschenen via het album Apollo. Eno muntte de term ambient en zijn verstilde elektronische productie illustreert onaardse landschappen en peilloze leegtes. Het is de muziek van gewichtsloosheid.

IJle ambientklanken laten zich goed mengen met akoestische muziek, en orkestraties in het bijzonder. De combinatie van strijkers en electronica lijkt gemaakt voor de droomtoestand die film bij kijkers oproept. Een fraai voorbeeld is de soundtrack die de productieve Frans-Libanese filmcomponist Gabriel Yared, goed voor meer dan honderd soundtracks, samen met het Engelse danceduo Underworld maakte voor Breaking and Entering (Anthony Minghella, 2006). Het soundtrackalbum kan, net als Eno’s Apollo, heel goed los van de film worden beluisterd.

Digitale filmomgeving
Film gebruikt muziek om een sfeer op te roepen, maar omgekeerd beginnen producers in de jaren negentig hun elektronische sfeermuziek meer filmisch te maken door stemmen en omgevingsgeluid te incorporeren in hun creaties. Alex Paterson van de Britse ambient-act The Orb sampelt de spreekstem van zangeres Ricky Lee Jones (Fluffy Little Clouds), het Duitse duo Jam & Spoon gebruikt dagelijks rumoer voor zijn films in geluid (Nocturnal Audio Sensory Awakening) en de Belgische producer Sven van Hees verwerkt gesproken woord in zijn zon doorstoofde loungemuziek (Tsunami Inside My Soul). Het is een volgende stap in het vervagen van de grens tussen filmmuziek en sound design.

De productie van muziek en film zijn in de jaren negentig verregaand gedigitaliseerd en in het nieuwe millennium is elektronische muziek op de geluidsband van film eerder regel dan uitzondering. Niettemin is de aloude associatie van elektronische klank en sciencefiction nog steeds in zwang. De verontrustende beelden van Under the Skin (Jonathan Glazer, 2013), over een vrouwelijke alien die in Schotland op mannen jaagt, worden extra verontrustend dankzij de avant-gardesoundtrack waarop atonale strijkmuziek, electronica en omgevingsgeluid in het sound design versmelten.

Het is de aanpak van de IJslandse filmcomponist Jóhann Jóhannsson, in 2018 onverwacht overleden. Op de soundtrack van Arrival (Denis Villeneuve, 2016) vervlecht hij elektronische (sfeer)muziek en klassieke strijkers met omgevingsgeluid; de filmmuziek is uitgebracht door DGG (Deutsche Grammophon Gesellschaft), het prestigieuze klassieke muzieklabel. Jóhannsson was de vaste componist van Denis Villeneuve, hij schreef voor hem de filmmuziek van Prisoners (2013), Sicario (2015) en Blade Runner 2049 (2017). Die laatste score werd, om onduidelijke redenen, kort voor de filmrelease vervangen door muziek van Hans Zimmer.

Junkie XL alias Tom Holkenborg, de bekendste Nederlandse filmcomponist die in Hollywood actief is en verantwoordelijk voor de muziek voor Mad Max: Fury Road (George Miller, 2015), personifiëert de opmars van de synthesizer in de wereld van filmsoundtracks. Voor Holkenborg in 2003 naar Los Angeles verhuisde om daar muziek voor films en computer games te maken, had hij een succesvolle loopbaan als producer van clubtracks en elektronische dancemuziek.

Tom Holkenborg personifieert nóg een ontwikkeling: in de digitale filmomgeving is het onderscheid tussen (elektronische) filmmuziek en sound design bezig te verdwijnen. Long Day’s Journey Into Night (Gan Bi, 2018) heeft een spectaculaire geluidsband waarop omgevingsgeluid wordt gebruikt als ambientmuziek: melodie en ritme maken plaats voor textuur. Niet alleen (het laatste uur van) de film is in 3D, dat is ook het sound design; het komt alleen tot zijn recht op een Dolby Atmos-geluidsinstallatie. De filmcomponist van de eenentwintigste eeuw is tevens audiotechnicus en sound designer.

Van 29 augustus tot en met november presenteert Eye, IJpromenade 1 te Amsterdam, Eye on Sound: Tales of the Future, over de invloed van de synthesizer op filmmuziek en sound design. Met vertoningen van onder meer Escape from New York, De lift, Under the Skin en Drive.

Lees hier het eerste deel.

 

1 september 2019


ALLE ESSAYS

Synthesizers en filmmuziek: Het geluid van de toekomst (deel 1)

Synthesizers en filmmuziek (deel 1)
Het geluid van de toekomst 

door Alfred Bos

Sciencefictionfilms van weleer verbeeldden de toekomst ook in klank. De synthesizer, het instrument met een stekker, begon eind jaren zestig aan zijn opmars in de filmmuziek. Het geluid van de toekomst is inmiddels het geluid van nu.

Muziek is emotie en filmmuziek is filmemotie. Geluid is zeventig procent van de filmervaring, meent Roel Reiné. Regisseurs monteren hun films op de maat van de muziek. Martin Scorsese gebruikt muziek om het filmverhaal te vertellen. Een film zonder soundtrack is als champagne zonder bubbels.

Forbidden Planet

De synthesizer is een muziekinstrument met een stekker, het wekt klanken op langs niet-akoestische, elektronische weg. Eind jaren zestig kwamen synthesizers beschikbaar voor creatieve toepassing, in muziek én film. George Harrison flirtte met de Moog-synthesizer op zijn soloalbum Electronic Sound, maar op zijn soundtrack voor Wonderwall (Joe Massot, 1968) zijn geen synths te horen. Die primeur komt toe aan Mick Jagger, wiens improvisatie op de Moog de geluidsband vormt van Invocation of My Demon Brother, de kortfilm uit 1969 van de experimentele cineast Kenneth Anger. Toen nog Walter (nadien Wendy) Carlos speelt Henry Purcell op de Moog-synthesizer in de soundtrack van A Clockwork Orange (Stanley Kubrick, 1971).

Vanaf midden jaren zeventig werden synthesizers betaalbaar voor beginnende muzikanten en maakten orkesten en jazzcombo’s op de geluidsband gaandeweg plaats voor elektronische klanken. Het Duitse trio Tangerine Dream speelde een baanbrekende rol in de elektronificatie van filmmuziek. In de eenentwintigste eeuw is de elektronische soundtrack in de bioscoop even normaal als het verzoek om tijdens de film de telefoon uit te zetten.

In Amerikaanse sciencefictionfilms uit de vroege jaren vijftig klinkt het etherische geluid van het eerste instrument zonder stekker, de theremin. Dat werd intuïtief ervaren als spookachtig, buitenaards en niet van deze wereld. Geknipt dus voor de geluidsband van horror en sciencefiction. Voor de synthesizer geldt hetzelfde, die was aanvankelijk vooral te horen in genrefilms.

Horrorregisseur John Carpenter componeerde in de late jaren zeventig en tachtig zijn eigen synthesizersoundtracks voor zijn films – en bracht Dick Maas op een idee – en de films van Nicolas Winding Refn zijn voorzien van dreigende muziek uit het instrument met de stekker. De soundtrack van The Neon Demon is John Carpenter in een technoclub.

Louis en Bebe Barron
Forbidden Planet (Fred McLeod Wilcox, 1956) is de eerste film met een volledig elektronische soundtrack. Het is niet toevallig een sciencefictionfilm, de futuristische hervertelling van Shakespeare’s The Tempest, gesitueerd in de drieëntwintigste eeuw op exoplaneet Altair IV. Verantwoordelijk voor filmmuziek en geluidseffecten is het echtpaar  Louis en Bebe Barron.

In 1950 had het tweetal met bandrecorder en magnetische tape een elektronische compositie geproduceerd, Heavenly Menagerie, een primeur voor de Verenigde Staten. Als huwelijkscadeau had het echtpaar een paar jaar daarvoor de eerste bandrecorder van 3M ontvangen; Barrons neef werkte voor het bedrijf. Louis Barron, handig met de soldeerbout, maakte zijn eigen elektronische circuits. Bebe Barron componeerde, wat neerkwam op het selecteren van de bruikbare stukken uit de bandopnamen.

De Barrons beschikten over de eerste, zelfgebouwde elektronische studio in Amerika en bekeerden componist John Cage tot de elektronische muziek. Filmproducer Dore Schary ontmoette het echtpaar per toeval in een Newyorkse nachtclub en vroeg hen om twintig minuten van geluidseffecten aan te leveren voor Forbidden Planet. Die waren zo overtuigend dat de Barrons de complete film van geluid en (avant-garde)muziek mochten voorzien.

Synthesizers bestonden nog niet in 1956 en het echtpaar maakte alle geluiden met zelfgemaakte apparatuur, dat werd vastgelegd en gemonteerd op magnetische tape. De ringmodulator, een frequentiemixer en vast onderdeel van de synthesizer, is een knutselwerkje van Louis Barron. Hij bewerkte de klanken uit de ringmodulator en experimenteerde met de bandsnelheid van de recorder.

De producenten van Forbidden Planet waren blij met het resultaat, de muziekvakbond niet. De Barrons waren geen lid van de vakvereniging en hun bijdrage aan de film mocht geen muziek heten. Op de titelrol staat hun werk vermeld als ‘Electronic Tonalities’. Ook kwamen ze niet in aanmerking voor een Oscar voor filmmuziek of geluidseffecten. Forbidden Planet is Louis en Bebe Barrons enige Hollywood-soundtrack. Het is de eerste soundtrack die muziek en geluidseffecten samenvoegt tot sound design en geldt nog altijd als een van de beste filmsoundtracks ooit gemaakt.

Muziek als geest
In Amerika en West-Europa kwam de sciencefictionfilm op in de jaren vijftig, het tijdperk van de Koude Oorlog. Ook achter het IJzeren Gordijn werden sf-films gemaakt, in Rusland al sinds de jaren twintig, zoals Aelita (Jakov Protazanov, 1924) en Luch Smerti (The Death Ray, Lev Kuleshov, 1925). Typerend voor de bloei van de Tsjechische cinema van de jaren zestig – en de kwaliteit van sciencefiction uit het Oostblok – is Ikarie XB-1 (Jindrich, Polák, 1963), ook bekend als Voyage to the End of the Universe.

Het jaar is 2163 en de bemanning van Ikarie XB-1 komt op reis naar Alpha Centauri een verlaten ruimteschip tegen. Dat blijkt onbekende (en onzichtbare) gevaren te bevatten. Het zal de fans van Alien niet onbekend voorkomen. Niet alleen de film is visionair en vernieuwend. Dat is ook de soundtrack, een mengvorm van orkestrale en elektronische muziek, gecomponeerd door Zdenek Liska, de Tjechische Ennio Morricone.

Experimentele soundtracks waren in de jaren zeventig de rigueur voor sciencefictionfilms die zichzelf serieus namen. In navolging van Louis en Bebe Barron bouwde jazzsaxofonist Gil Mellé zijn eigen apparatuur voor de elektronische soundtrack van The Andromeda Strain (Robert Wise, 1971). Hij creëert een atonale klankwereld die net zo kil en klinisch is als de werkelijkheid van de film.

Naast vervreemding drukt elektronische muziek in jarenzeventigfilms vooral onthechting uit. Geen beter voorbeeld dan de soundtrack van Solaris (Andrej Tarkovsky, 1972), naar het gelijknamige boek van Stanislav Lem. De vormloze muziek sluit in zijn nevelige sfeer naadloos aan op de thematiek van het verhaal. Net als in Forbidden Planet verklankt de elektronische muziek van Eduard Artemyev wat er leeft in het onderbewustzijn van de filmpersonages: muziek als geest.

 

Met Forbidden Planet (aanvang 19:00) opent donderdag 29 augustus Eye on Sound: Tales of the Future, over de invloed van de synthesizer op filmmuziek en sound design: Eye, IJpromenade 1 te Amsterdam.

Lees hier het tweede deel (slot).

 

24 augustus 2019


ALLE ESSAYS

Blinded by the Light

***
recensie Blinded by the Light

De kracht van muziek

door Alfred Bos

Rockheld Bruce Springsteen, arbeiderszoon uit New Jersey, wordt het onverwachte, maar natuurlijke rolmodel voor een Engelse puber van Pakistaanse afkomst in een Engels provinciestadje van Margaret Thatchers jaren tachtig. Sociale feelgoodsatire die is gebaseerd op een waargebeurd verhaal.

Het is 1987, de verzorgingsstaat van het Verenigd Koninkrijk wordt door Margaret Thatcher uitgekleed tot speelhol van het casinokapitalisme. De 16-jarige Javed (Viveik Kalra) heeft zijn eigen problemen, hij zucht onder het juk van zijn conservatieve vader die tot overmaat van ramp na jarenlange dienst is ontslagen. De onbegrepen puber vindt zijn heil in muziek, in het gepassioneerde individualisme van Bruce Springsteen, schutspatroon van de kleine man. Tot zover niets aan de hand, standaardverhaal. Alleen, Javed is zoon van immigranten uit Pakistan. Dat is de eigen draai die Blinded by the Light onderscheidt van al die andere coming of agefilms.

Van regisseur Gurinder Ghadha was twee jaar terug de speelfilm Viceroy’s House, een biografisch kostuumdrama over Lord Mountbatten en de nadagen van het Britse bestuur in India, te zien in Nederland. Met Blinded by the Light tapt ze qua toon en vertelling uit hetzelfde vaatje als Bend It Like Beckham, haar Britse hit en doorbraakfilm uit 2002. Die gaat over een meisje uit een gezin van orthodoxe sikhs dat rebelleert door te gaan voetballen. Muziek en sport, voor kansarme jongeren zijn het traditioneel de vluchtweg naar roem en rijkdom, of op zijn minst een onafhankelijk bestaan.

Blinded by the Light

Decor van muziek
De spanning tussen ouder-immigranten die de cultuur van thuis in ere houden en hun kinderen voor wie de mores van hun geboorteland een dagelijks gegeven is, is een terugkerend thema in het werk van Ghadha. Wat Blinded by the Light, in navolging van Bend It Like Beckham, tot een potentiële publiekshit maakt, zijn de lichte toon van de film en de afwezigheid van pretenties. En een soundtrack vol Springsteen-klassiekers. Vooral zijn albums Born to Run en Darkness on the Edge of Town, het hart van zijn oeuvre en tien jaar verschenen vóór het jaar waarin de film speelt, zijn ruim vertegenwoordigd.

Blinded by the Light – vernoemd naar het openingsnummer van Springsteens debuutplaat, het nummer waarmee de zanger uit New Jersey zich aan de wereld presenteerde – is een feelgoodfilm waarin alles schuurt en botst, maar de menselijkheid uiteindelijk wint. Het is een vondst om de perikelen van een puberende Pakistaan te plaatsen tegen het decor van de westerse, en in de ogen van de ouders, triviale popmuziek van Bruce Springsteen. Het maakt het conflict heel concreet en toch ongrijpbaar.

Het Woerden van Engeland
Voor Javed is The Boss een held, een rolmodel, een bron van inspiratie, zijn morele kompas. Wat moet je anders als je ouders geen barst van jouw situatie begrijpen? Wanneer je buurjongen en jeugdvriend, de aspirant-muzikant Matt (Dean-Carles Chapman), zich tot zelfgenoegzame drol heeft ontwikkeld? Wanneer de andere leerlingen van de multiculturele school in provinciestad Luton, het Woerden van Engeland, vreemden blijven?

De vondst is dat Bruce Springsteen juist dat gevecht – buitenstaander en kleine man tegen de onverschilligheid en het onbegrip van het systeem – in zijn liedjes bezingt. Met Elvis Presley (Heartbreak Hotel) had de film niet gewerkt, met Bob Dylan (Blowin’ in the Wind) was het ongeloofwaardig geweest.

Javed leert de muziek van Springsteen kennen via Roops (Aaron Phagura), een bevriende sikh, die onder zijn tulband meer rock-‘n-roll is dan de wuft gecoiffeerde buurjongen Matt. Voor begrip kan hij alleen terecht bij zijn oudere zus Shazia (Nikita Mehta), die tijdens een avondje uit een danstalent blijkt, en zijn klasgenote en vriendin Eliza (Nell Williams), wier ouders zich hypocriete burgertrutten van het stijfste soort betonen. Hun racisme is bedekt, dat van de skinheads in de straat onverhuld en rabiaat. Het komt allemaal tot een climax tijdens een trouwpartij die, à la The Godfather, parallel is gemonteerd met een gewelddadige scène.

Blinded by the Light

Overeenkomsten met Danny Boyle
Blinded by the Light is gebaseerd op een waargebeurd verhaal – we zien tijdens de aftiteling foto’s van de echte Javed en zijn ontmoeting met Springsteen – en maakt maximaal gebruik van de overeenkomsten tussen Bury Park, de wijk van provincieplaats Luton, en Ashbury Park in Springsteens geboorteplaats New Jersey. De sociale satire is speels en ook qua vorm herinnert de film aan het werk van Danny Boyle: songteksten worden grafisch fraai in het beeld geprojecteerd. Door een merkwaardig toeval verschijnt Blinded by the Light luttele weken na Boyle’s Yesterday, over een jonge Engelsman van Indiase afkomst en The Beatles, en er zijn zeker, doch niet hinderlijke, overeenkomsten.

De jaren tachtig waren in Engeland de tijd van economische hervorming, sociale verruwing, foute popmuziek op de radio en nog veel foutere kapsels. Het komt allemaal voorbij, maar als decor. Het hart van de film is het universele conflict tussen ouders en jeugd, tussen traditie en assimilatie, tussen juk en de hang naar vrijheid, gesymboliseerd door de snelweg waarmee de film opent en afsluit en de soundtrack van Bruce Springsteen. Zo is Blinded by the Light ook een ode aan The Boss. Mister, I ain’t a boy, now I’m a man and I believe in a promised land. Aah, de kracht van muziek.

 

20 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

Pianiste, La

*****
recensie  La Pianiste

Bach, Freud en masochisme

door Yordan Coban

Erika Kohut is een strenge pianolerares die zich begeeft onder de Parijse elite. Het kan niet anders dan dat haar verbitterdheid, die in elke vezel van haar lichaam terug te vinden is, een grondslag kent in de teleurstelling over haar eigen talent.

Ze is nors tegen haar studenten en lijkt op iedereen neer te kijken. Maar haar verbolgenheid blijkt, bij het aandringen van de nacht, andere wortels te hebben. La Pianiste geeft een inzicht in de wereld van seksuele obsessie. Het toont het slachtoffer van perversie op een wijze die doet denken aan de controversiële roman Lolita van Vladimir Nabokov.

La Pianiste

Freudiaanse weerwolf
Erika is overdreven elitair bij dag en dierlijk seksueel bij nacht. In die zin is zij te vergelijken met Dr. Jekell (en Mr. Hyde) uit de gelijknamige film Dr. Jekell en Mr. Hyde (1931). Een Freudiaanse weerwolf wiens ego de macht over het stuur verloren is. Net zoals Gustav von Aschenbach (elitairder kan haast niet) in Death in Venice (1971) volgt Erika haar duistere pad der lusten, met als onontkoombare consequentie, haar eigen ondergang.

Ze bewandelt dit pad met een van haar pupillen die haar uitgesproken en niet terughoudend bewondert: Walter Klemmer (Benoît Magimel). Hij heeft een charmante jeugdigheid en is vastberaden Erika te doorgronden. Haar hele verschijning intrigeert Walter vanaf minuut één en door de wijze hoe hij haar het hof maakt galmt een wanhopige verliefdheid.

Toiletvloer
De scène waarin Walter en Erika op de wc-vloer storten, zich overgevend aan hun verlangens, schuurt met elke norm van romantiek die we gewend zijn van film. Het is alsof Haneke ons concessieloze lust wil tonen daar op de koude tegels van het toilet. Dit doet denken aan de scène in Blue Velvet (1986) waarin Dorothy (Isabella Rossellini) zich naakt openbaart aan Jeffrey en Sandy, pijnlijk schreeuwend om liefde.

Het toilet is ook nooit toevallig de locatie voor dergelijke scènes. De toiletscènes in Eyes Wide Shut (1999) en Tourist (2014) laten bijvoorbeeld zien dat de seks op tragisch kwetsbare wijze uit een relatie gewrongen is. Ook de scène uit The Conversation (1974) springt dan direct in de gedachte. In het denken over de ander laat men vaak bepaalde ongewilde aspecten weg. In The Conversation komt bij het spoelen van de wc alle narigheid omhoog. Een overspoeling van bloed en vlees komt terug de realiteit in om ons te confronteren. Op deze wc-vloer laat Haneke zijn personages zich op ongemakkelijke rauwe wijze aan elkaar overgeven.

Media en realiteit
Haneke’s films gaan bijna allemaal over de verhouding tussen realiteit en media. In La Pianiste zien we dan ook dat Erika van tijd tot tijd naar de pornografische videotheek gaat. Meestal toont Haneke de breuk tussen fictie en realiteit met een openbaring van geweld. In La Pianiste lijkt het geweld zich vooral te openbaren door seks. In zijn laatste film Happy End (2018) speelde Haneke daar ook al mee. De seks en het geweld in zijn films zijn vaak droog en verdovend.

Dan is daar nog de moederpersonage (Annie Girardot), de beklemmende moeder. Erica woont met haar moeder, ze slapen zelfs bij elkaar. Er is een bijzondere relatie tussen de twee die doet denken aan het welbekende Norman Bates-syndroom.

La Pianiste

Bach
Zelden gebruikt Haneke muziek, maar uiteraard in La Pianiste wel. Erika is gespecialiseerd in Bach. De ernstige maar charmante melodieën van Bach zijn treffend in het scheppen van de toon van de film. Het leven van Erika zit vol teleurstellingen en frustraties. Ze symboliseert de duistere kant van de bourgeoisie en de leegte in het leven van de elite. Thematiek die in Haneke’s oeuvre vaak terugkomt. Een referentie naar het akelige dat vaak ten grondslag ligt aan financieel fortuin.

Nergens is Isabelle Huppert zo goed als in La Pianiste. In Paul Verhoeven’s Elle (2016) speelt ze een identieke rol maar in La Pianiste is de discrepantie tussen haar gereserveerde persona overdag en haar driften enorm krachtig. Ze geeft haar personage een element van mysterie en ondoorgrondelijkheid. Isabelle Huppert is een van de beste vrouwelijke actrices ooit. Ze speelt altijd interessante beladen rollen en neemt daarbij geen blad voor de mond. Haar vakmanschap oppert de onvermijdelijke gedachte dat Huppert in haar persoonlijke leven wel enigszins op een strenge pianolerares moet lijken.

Kijk hier het landelijke draaischema van La Pianiste.

 

7 juli 2019

 
MEER ISABELLE HUPPERT
 
 

ALLE RECENSIES

Yesterday

****
recensie Yesterday

Wat als Google The Beatles heeft gewist?

door Alfred Bos

Hoe zou het zijn wanneer de grootste Britse songschrijvers van hun generatie, The Beatles (wie anders), het zouden opnemen tegen de beste songschrijver van de huidige generatie, Ed Sheeran? Het geeft Danny Boyle de gelegenheid om de wereld van nu tegen het licht te houden.

Yesterday is sociale satire, vermomd als romcom, geserveerd met een vleugje sciencefiction. Wanneer een weinig getalenteerde muzikant na een verkeersongeval wakker wordt in het ziekenhuis, is de wereld onzichtbaar veranderd. Zonnevlammen veroorzaken een wereldwijde stroomstoring van exact twaalf seconden die The Beatles uit het collectieve geheugen heeft gewist. De muzikant, Jack Malik (doorbraakrol van de 28-jarige Himesh Patel), herinnert zich de liedjes van John Lennon en Paul McCartney wél. En wordt een wereldster.

Yesterday

Yesterday is een gelaagde film. Hij spant het clichéverhaal van sukkel wordt held om een bizarre premisse. Op het eerste gezicht krijgt de kijker een romantische komedie voorgeschoteld waarin de rollen zijn omgedraaid. Ellie Appleton (Lily James), wiskundelerares, is al sinds de schoolbanken verliefd op Jack, die daar blind voor is. Hij denkt dat Ellie zijn manager is die hem naar optredens in luidruchtige kroegen en lege festivaltenten rijdt. Na talloze verwikkelingen vallen hem de schellen van de ogen. Happy end.

Marketingmachine
De buitenkant van Yesterday, de romcom-laag, is versuikerd met een gulle greep uit het Beatles-repertoire en verwijzingen naar klassieke Beatles-momenten. Ed Sheeran, de echte, heeft Jack gehoord via een lokale tv-show en vraagt hem als voorprogramma van zijn Russische tournee. Ed is net als iedereen The Beatles vergeten en meent een groot talent te hebben ontdekt. Voor hij het weet heeft Jack hem overvleugeld. Als songschrijver, als rockster. De film is ook een ode aan The Beatles.

Achter die suikerlaag worden vragen opgegooid over de huidige wereld van digitale media en de marketingmachine die cultuur vermaalt tot lifestyle en spektakelentertainment. Door de stroomstoring zijn The Beatles gewist in de cloud. Wie hun naam intikt op een zoekmachine krijgt—insecten. Op slag zijn de Fab Four verdwenen uit het collectieve geheugen van de mens. Dat krijg je wanneer je het meest persoonlijke deel van je brein, het geheugen, delegeert aan computer en smartphone.

Jack wordt geronseld door een Amerikaanse manager, Debra Hammer (Kate McKinnon), die hem overhaalt naar Los Angeles te komen. Ze is de verpersoonlijking van het type ondernemer dat muzikanten beschouwt als pinautomaat: ambitie tien, empathie nul. Bepaald hilarisch is de marketingvergadering waarin hoesontwerp en albumtitel van Jacks debuutplaat, een dubbelaar uiteraard, worden onthuld. Tot tien decimalen achter de komma gecalculeerd; Jack is immers product, geen mens.

Yesterday

Toe-eigening
Dat markeringcynisme staat haaks op de authenticiteit van Jack en zo leggen regisseur Danny Boyle (Trainspotting, Slumdog Millionaire, Trance) en scriptschrijver Richard Curtis (Four Weddings and a Funeral, The Boat That Rocked, Mamma Mia! Here We Go Again) een deken van nostalgie over een wereld die is vergeten wat romantiek is, zo lijkt het althans. Maar wacht even, wie verder kijkt ziet dat ze met een scalpel de wereld van nu met zijn mediamanipulatie en instant succes fileren. Yesterday draait om het eigentijdse thema van appropriation. Jack heeft succes met liedjes die helemaal niet van hem zijn, creaties die hij zich heeft toegeëigend. Zijn talent is nep. En iedereen trapt er in.

Voor de Beatles-fans is Yesterday een feest der herkenning, waarin John Lennon (een cameo van Trainspotting-veteraan Robert Carlyle) aan de kust van Suffolk woont als tekenende kluizenaar. Het verhaal van Jack en Ellie is verteld in de van Danny Boyle bekende kinetische filmstijl, inclusief teksten die in de film stappen en personage van surrealistische scènes worden. Zoals bij alle Boyle-films is de soundtrack dik in orde, al is dat in dit geval een inkoppertje. Maar wat als door kosmisch ingrijpen The Beatles zijn gewist? En Coca Cola? En Harry Potter? Dan zijn we ook verlost van Oasis.

 

26 juni 2019

 

ALLE RECENSIES

Rocketman

*****
recensie Rocketman

Liberace gereïncarneerd als Elvis Presley

door Alfred Bos

Wat hebben Elton John en Queen gemeen? Hun voormalige manager, John Reid. En de regisseur van hun beider biopic, Dexter Fletcher. Rocketman slaat Bohemian Rhapsody op alle fronten. Kwestie van vorm die bij de inhoud past.

Zijn muziekfilms – biopics over muzikanten, films rond muzikanten, documentaires – bezig uit te groeien tot een modeverschijnsel? In de bioscoop draaien Wild Rose en Vox Lux, speelfilms over zangeressen die worden geplaagd door persoonlijke demonen. Deze zomer komt de nieuwe Danny Boyle, Yesterday, waarin de muziek van The Beatles centraal staat. In het najaar volgt Beats, een film die speelt in de ravescene van de vroege jaren negentig.

Rocketman

Dan hebben we de later dit jaar nog te verwachten films over een reality-tv-wannabe-ster (Teen Spirit), een gefokte punkmuzikante (Her Smell), een Brits-Pakistaanse fan van Bruce Springsteen (Blinded by the Light) en de biopic van Judy Garland (Judy) nog niet eens genoemd.

Vorig jaar waren er A Star is Born en de tweede hitmusicalfilm rond ABBA, Mamma Mia: Here We Go Again. Die trok net iets minder bezoekers dan de publieksmagneet van 2018, de Queen-biopic Bohemian Rhapsody. De baan ligt ruim open – het is wellicht een yellow brick road – voor Rocketman, het in fictie navertelde verhaal van jaren zeventig glamrockster Elton John, in 1947 geboren als Reginald Dwight. Hij staat momenteel in concertzalen wereldwijd voor zijn afscheidstournee (8 en 17 juni in Ziggo Dome, Amsterdam).

Optelsom van gelukkige keuzes
Rocketman is geregisseerd door Dexter Fletcher, de man die Bohemian Rhapsody redde van schipbreuk, en de film doet precies wat de Queen-biopic jammerlijk naliet. Hij brengt het verhaal niet als droge, lineair vertelde nabootsing van de werkelijkheid, maar – geheel in de uitzinnige camp-geest van zijn onderwerp – als musical, compleet met imposante dansscènes. Elton John is Liberace gereïncarneerd als Elvis Presley, dus hoe bonter hoe beter. En bont is een eufemisme met betrekking tot Rocketman.

Rocketman is een aaneenschakeling van gelukkige keuzes. De film herenigt regisseur Fletcher met acteur Taron Egerton, die de titelrol vervulde in Eddie The Eagle, eveneens een biopic over een excentrieke Engelsman. Egerton lijkt niet alleen treffend op John, hij zingt diens repertoire – dat kwistig en, ook heel handig, niet synchroon met de tijdlijn, maar thematisch door de film is gestrooid – meer dan adequaat. Hij is niet alleen in de huid, maar ook in de stembanden van zijn onderwerp gekropen.

Daarnaast is het een geïnspireerd idee om auteur Lee Hill te vragen voor het script. Hill heeft affiniteit met muziek, musical en camp – en schrijft nu aan het scenario voor de verfilming van Cats – en doet niet lastig over de seksuele geaardheid van zijn onderwerp. Waar Bohemian Rhapsody nuffig een morele vinger hief, is Rocketman volstrekt eerlijk over drugs, seks en exces. Je kunt er kapot aan gaan, maar het is niet iets om je over te schamen.

Rocketman

Glitterduivel
De beste keuze evenwel is om Elton Johns levensverhaal te vertellen als een collectie muziek- en dans-set pieces, afgewisseld met realistische scènes. In de concertscènes komen ze samen, het indrukwekkendst, en minst realistisch, wanneer John in september 1970 als anonieme nieuweling in de Troubadour (Los Angeles) optreedt voor een zaal met gekende muziekhelden – we zien Neil Diamond, Leon Russell en een paar Beach Boys aan de bar hangen – en het publiek orgiastisch reageert. John heeft in interviews te kennen gegeven dat die respons hem het gevoel gaf van de grond te komen. Die emotie maakt de film letterlijk zichtbaar: hij zweeft gestrekt achter de toetsen.

Goed passend bij de mengvorm van historisch realisme en uitbundige verbeelding is de keuze om Johns verhaal te visualiseren als raamvertelling. De film opent in stijl met een Elton John die in vol ornaat als glitterduivel een AA-meeting binnenstapt om zijn persoonlijke verhaal te vertellen. Flashbacks maken duidelijk dat een liefdeloze jeugd met een vaak afwezige moeder en een harteloze, soms ronduit vijandige vader het getalenteerde jochie heeft doen opgroeien tot onzekere, naar liefde hunkerende misfit.

Zijn talent voor het improviseren van pakkende melodieën, ze rollen bijna achteloos uit zijn vingers, komt tot bloei wanneer hij door muziekuitgever Dick James, de man die in 1962 The Beatles de deur wees, volstrekt willekeurig aan tekstschrijver Bernie Taupin (Jamie Bell) wordt gekoppeld. Extra ster voor Rocketman, dat diens kwaliteiten en vitale rol in het verhaal eindelijk goed voor het voetlicht brengt. Johns homoseksualiteit komt aan de oppervlakte via zijn latere manager John Reid (Richard Madden), nadien tevens manager van Queen.

Absolute Beginners
De film concentreert zich op de eerste helft van de jaren zeventig, de periode waarin rockmuziek evolueerde van tegencultureel bindmiddel tot big business en Elton John in Amerika uitgroeide tot de grootste muziekster van dat moment, een regelrecht fenomeen. Het is hoogst verwarrend voor wie in korte tijd van nobody tot idool wordt gekatapulteerd. Met het succes komen de roem en het geld. En steeds uitbundiger podiumuitdossingen, onmatige consumptie van drank en drugs, seksuitspattingen. En de koopverslaving. En de zelfmoordpogingen. Alleen liefde kan het gat in zijn ziel vullen. Hij vindt het, ondanks zichzelf.

Rocketman

Rocketman voegt zich in een traditie van Engelse muziekfilms waarin subcultuur als musical wordt gerepresenteerd. Hij is even uitbundig als Ken Russells verfilming van The Who’s rockopera Tommy, waarin Elton John indertijd te zien was, of diens Franz Liszt-biopic Lisztomania (beide uit 1975) en gebruikt dezelfde vorm als Julian Temple’s Absolute Beginners (1986), met David Bowie en The Kinks-voorman Ray Davies. Russell pionierde in Tommy de beeldtaal van MTV en Temple is de meest vermaarde clipregisseur van zijn generatie.

De film van Dexter Fetcher is in feite een als speelfilm verpakte videoclip, een cocktail van Vincente Minnelli en Ken Russell, en sluit raak af met een dansscène die naadloos overgaat in de originele videoclip van I’m Still Standing, Elton Johns laatste artistiek relevante hit uit 1983. Fantasie switcht moeiteloos naar realiteit, het donkere sprookje heeft een gelukkig eind. Als gerechtigheid en goede smaak bestaan – en muziekfilms inderdaad in de mode zijn – wordt Rocketman de bioscoopklapper van 2019.

 

29 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

Wild Rose

***
recensie Wild Rose

Drie akkoorden en de waarheid

door Paul Rübsaam

Wat is er mooier dan een muziekfilm met een jonge, veelbelovende actrice die tevens hartverwarmend kan zingen in de hoofdrol? In Wild Rose wil de Schotse ex-gedetineerde en countryzangeres Rose-Lynn Harlan per se haar geluk gaan beproeven in het legendarische Nashville.

Voor wie niet als een blok valt voor iedere countryzangeres even het volgende. Country is niet country-and-western. Denk ook niet te veel aan het gesuikerde, burgerlijke geluid van Dolly Parton of Tammy Wynette. Ook niet direct aan de wat jankerige stem van Emmylou Harris. Bezorgt Bonnie Raitt je meer kleur op de wangen? Dan zit je bij Wild Rose misschien wel goed. In ieder geval voor de muziek en de vrouwelijke performer.

Wild Rose

Evenals Raitt dat soms deed (en doet) speelt Jessie Buckley (en haar personage Harlan) met haar stem die aan schuurpapier met een laag honing erover doet denken af en toe leentjebuur bij upbeat-popgenres. Zoals in Country Girl, oorspronkelijk uitgebracht door de Schotse rockband Primal Scream, waarbij ze zelf het vrouwelijke personage gestalte kan geven waarover de heren van Primal Scream zongen.

Raitt is bij uitstek het icoon van de Ierse actrice Jessie Buckley, die zich steeds meer al zangeres begint te ontpoppen. Buckley, wier eveneens roodharige Schotse personage Rose-Lynn Harlan bier uit een flesje drinkt en haar witte cowboylaarzen onder een spijkerrok of over een spijkerbroek draagt, was dan ook als een kind zo blij toen ze de 69-jarige Raitt in het kader van de opnames van Wild Rose kon ontmoeten.

Boel op orde?
Maar in een film moet er ook nog een verhaal worden verteld. Rose-Lynn (23) heeft er net tien maanden cel op zitten vanwege haar betrokkenheid bij een heroïnetransport. Ze is voorwaardelijk vrij en voorzien van een elektronische enkelband, die haar belet deel te nemen aan het nachtleven in Glasgow. Later zal ze  voor de rechter die moet beslissen over het intrekken van die voorwaarde verklaren dat ze tijdens haar criminele activiteiten (het ergens dumpen van een of ander pakketje) te dronken was om te begrijpen wat ze deed. 

Wild Rose

Ondertussen moet ze thuis de boel op orde zien te krijgen. Als ze daar tenminste zin in heeft. Als tiener heeft ze een dochter en later ook nog een zoon gekregen, Tijdens haar detentie heeft haar in een bakkerij werkende moeder Marion (Julie Walters) voor de twee kinderen gezorgd. Ook houdt Rose-Lynn er een vriend op na (niet de vader), tot zijn ongenoegen vooral voor de seks. Eigenlijk wil ze maar één ding: carrière maken als countryzangeres in Grand Ole Opry in Glasgow, maar veel liever nog in Nashville in de Amerikaanse staat Tennessee, de bakermat van de countrymuziek. 

Klassenverschillen   
Tegen heug en meug en op aandringen van haar moeder accepteert Rose-Lynn een baantje als schoonmaakster in het riante landhuis waar de welgestelde Sussanah met haar gezin woont. De schoonmaakdiscipline van Marie-Lynn laat te wensen over, maar haar werkgeefster is meteen verkocht als ze haar een keer hoort zingen. Met haar betere connecties weet Susannah deuren voor haar hulp in de huishouding te openen, zoals die van een beroemde BBC-diskjockey, de Britse expert op het gebied van countrymuziek.

De geestdrift waarmee Susannah haar pareltje van een werkster vooruit wil helpen, heeft onbedoeld een elitair tintje. Moeder Marion moet niets van Susannah hebben. Ze wenst slechts een goed en rustig leven voor haar te wilde dochter en niet in de laatste plaats voor haar kleinkinderen. Rose-Lynn hoort en ziet ondertussen niets meer. Ze wil alleen maar zingen en ruikt Nashville. Maar wie gaat haar trip daar naartoe financieren en hoe? 

Wild Rose

Plotwendingen
Wild Rose is een muzikale feelgoodmovie. Verwacht niets dat je niet verwacht had. Of het zou moeten zijn dat de rol van Susannah, die een hogere sociale klasse vertegenwoordigt dan die van Rose-Lynn en haar moeder vertolkt wordt door een actrice met een donkere huidskleur (Sophie Okonedo). Maar echt bijzonder is dat (gelukkig) niet. Voor het overige koersen we naadloos af op een tranen trekkende slotsong, die het verhaal op aangename wijze afrondt. 

Toch heeft het geesteskind van scenarioschrijfster Nicole Taylor en regisseur Tom Harper (hij castte Buckley eerder voor de zesdelige BBC-serie War and Peace) door zijn eenheid en eenvoud een charme die de voorspelbaarheid ontstijgt. De essentie van countrymuziek, zo leren we, is: ‘Three chords and the truth’. Rose-Lynn heeft dat credo zelfs op haar arm laten tatoeëren.

De film, die door de alom aanwezigheid van de muziek korter lijkt te duren dan de honderd minuten die hij beslaat, is als een countrysong. Drie plotwendingen en de ontknoping, zou je kunnen zeggen. Mede door het multitalent van Jessie Buckley groet Wild Rose naar zichzelf toe, wordt de film ‘echt’. Zo is onder andere de slotsong gedeeltelijk door Buckley zelf geschreven. ‘I had to find my own way, make my own mistakes. But you know that I had to go. Ain’t no yellow brick road running through Glasgow…’

 

14 mei 2019

 

ALLE RECENSIES