Elephants Up Close

***
recensie Elephants Up Close

De porseleinkast van het olifantenbestaan

door Paul Rübsaam

In de natuurdocumentaire Elephants Up Close leren we olifanten van nabij kennen. Het blijken fijnzinnige, sociale en in hun voortbestaan bedreigde dieren. Hun tere huid heeft bovendien regelmatig een modderbad nodig.

Natuurdocumentaires dienen van oudsher tot lering en vermaak. De lering is de laatste decennia echter op de voorgrond komen te staan. Nadrukkelijk confronteren hedendaagse documentaires ons ermee dat natuur een welhaast museaal begrip is geworden. Door de alomtegenwoordigheid van de mens bestaat de huidige wereld louter uit steden, dorpen, weilanden, akkers en plantages, met nog slechts hier en daar ruimte voor een natuurreservaat.

Elephants Up Close

De spectaculaire ontwikkeling van de cameratechnieken stelt ons evenwel in staat de levens van onze niet menselijke medeschepselen in hun steeds kleiner wordende habitat nauwkeurig te registreren. We leren veel dieren wrang genoeg pas echt kennen nu het bijna te laat is.

Weinig kijkers zullen ooit eerder olifanten van zo dichtbij en in zulke grote getale hebben gezien als in Elephants Up Close (Elefanten Hautnah), een documentaire van de Duitse regisseurs Jens Westphalen en Thoralf Grospitz, die in het kader van Wild Life Film Festival Rotterdam on tour (door de coronacrisis uitgesteld) de landelijke bioscopen aandoet. In close-ups zien we de lange zwarte wimpers rond de kleine ogen van de zachtaardige reuzen. En middels panoramashots vanuit de lucht de bijeenkomst van vele honderden olifanten bij een drinkplaats.

Verfijnde communicatietechnieken
De kolossale, tonnen wegende olifanten zijn allesbehalve onkwetsbaar, zo vernemen we. In voorbije jaren waren er diverse plaatsen in Afrika waar de dieren met velen bijeenkwamen. Maar door stroperij en de toenemende droogte op het Afrikaanse continent vormen de rivierdelta’s in het noorden van Botswana (nabij de grens met Namibië) nog een van de weinige gebieden waar je de dikhuiden in groten getale kunt zien.

De als nomaden voorttrekkende olifanten leven in familieverbanden, met een zekere scheiding tussen stierenkuddes en koeienkuddes. Van de koeienkuddes maken de kalveren van uiteenlopende leeftijd deel uit. Een koeienkudde wordt aangevoerd door een matriarch, wier zusters en volwassen dochters tevens tot de kudde behoren. Ieder lid van deze groep draagt verantwoordelijkheid voor alle kalveren.

Verschillende olifantenfamilies kunnen allianties met elkaar aangaan. Olifanten zijn met hun verfijnde communicatietechnieken in staat deel uit te maken van grotere gemeenschappen. Van het scala aan verschillende geluiden dat ze met hun stembanden voortbrengen, is een deel voor mensen onhoorbaar. Die diepe geluiden laten ze met behulp van hun poten via de grond resoneren, zodat soortgenoten de vibraties met informatie over drinkplaatsen, aankomende stormen en dergelijke op grote afstand op kunnen vangen.

Elephants Up Close

Behendig en kwetsbaar
Zoals bekend beschikken olifanten over een uitstekend geheugen. De ooit naar een drinkplaats afgelegde route wordt jaren later nog feilloos gevolgd. Maar niet alleen de intelligentie en sociale gezindheid van olifanten doet bijna menselijk aan. Met hun slurf, hielen en tenen kunnen de schijnbaar plompe dieren tevens verfijnde bewegingen maken. Een scène in Elephants Up Close waarin een stier het lichaam van een aan dorst overleden, bevriende soortgenoot aan een nauwkeurig, maar teder onderzoek onderwerpt, laat dat fraai zien.

Dat olifanten graag een modderbad nemen, wijst eerder op hun kwetsbaarheid, dan op hun slechte manieren. Het modderlaagje beschermt hen tegen de felle Afrikaanse zon, die zelfs voor hun dikke, donkergrijze huid te veel kan zijn. Bovendien is de modder een probaat middel tegen hinderlijke insecten en parasieten.

Pro olifant
Zoals niet verbazen zal, zijn de documentairemakers bij uitstek pro olifant. Dat olifanten met hun vraatzucht het landschap van de savannen zouden verwoesten, wordt gerelativeerd. Dat landschap herstelt zich wel weer. Men benadrukt daarentegen dat olifantenuitwerpselen voedzaam zijn en dat onder anderen bavianen en vlinders zich eraan te goed kunnen doen.

Westphalen en Grospitz hopen dat wie de grijze gigant beter leert kennen vanzelf van het dier zal gaan houden. De boodschap dat het lot van het grootste landzoogdier op aarde in onze handen ligt, wordt niet al te fanatiek ingewreven. De kijker hoeft zich slechts te verwonderen over de leefwijze en de talenten van de sympathieke dieren met hun koddige koters. Dat moet het begin zijn van een verandering in ons denken die de olifanten uiteindelijk ten goede komt.

 

27 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

Vliegende Hond, De

****
recensie De vliegende Hond

De grens tussen passie en obsessie

door Paul Rübsaam

Filmmaker Johannes Hogebrink heeft een droom: een hond te laten vliegen. Al meer dan zes jaar probeert hij die droom te verwezenlijken. Maar vindt zijn hond Chayka dat wel zo leuk?

‘Van mij hoefde het niet. Maar ja, ik wilde ook niet lullig doen’, horen we het uit Bosnië afkomstige terriërachtige bastaardhondje Chayka zeggen in een voice-over waarvoor hij het vermaarde stemgeluid van cineast Frans Bromet heeft geleend. Met hondentrouw, scepsis en toenemende nervositeit slaat hij de pogingen van zijn baas Johannes gade om een deltavleugel op maat voor hem te vervaardigen.

De vliegende Hond

‘De eerste die aan de zwaartekracht ontsnapte, was een hond. Net als ik. En daarom is Laika de allergrootste held ooit’, overpeinsde de schijnbaar filosofisch gestemde Chayka (Russisch voor meeuw) al eerder. ‘Tenminste, als ik het goed heb begrepen’, voegde hij daar nog aan toe. Hij lepelde immers maar op wat Johannes hem wilde laten geloven. Dat de Russische hond Laika, die in 1957 als eerste levende wezen in een raket rond de aarde cirkelde al naar korte tijd stierf door stress en oververhitting, heeft zijn baas hem niet verteld.

Droom
Chayka is niet degene die een droom koestert, maar zijn baas: filmmaker, kunstschilder en beeldhouwer Johannes Hogebrink (1976). Hogebrink moet en zal zijn hond leren deltavliegen en wil daar per se een film over maken. De documentaire De vliegende Hond vormt zowel voor wat het eerste als het tweede betreft het verslag van zijn pogingen.

Hogebrink liep al met zijn plannen rond toen zijn vorige hond Sopje nog leefde. Maar Sopje, die zelfs Hogebrinks fiets durfde te besturen, overleed in 2013. Nu moet de arme Chayka, getraumatiseerd als hij is door het harde straathondenbestaan in Bosnië zich ontworstelen aan de slagschaduw van zijn aanbeden voorganger.

De bergen in
In Nederland maakt Hogebrink de nodige vorderingen met het ontwerp van de deltavleugel op schaal. Maar voor de eerste echte testvluchten moet hij uitwijken naar minder vlak terrein. Bovendien heeft hij deskundig advies nodig. Dus vertrekt hij met Chayka naar Stiermarken in Oostenrijk, waar de bevriende vlieginstructeur Maurice van den Hurk les geeft in deltavliegen.

Met behulp van radiografische besturing en een steen die even zwaar is als Chayka laten Hogebrink en Van den Hurk de hondendeltavleugel proefvluchten uitvoeren. Met wisselend succes. Ook proberen ze Chayka alvast te laten wennen aan het gevleugelde vehikel. Maar dat lukt niet erg. Als hij de alpenwei afraast, klemt de op het karretje vastgezette hond van angst zijn staart tussen zijn achterpoten.

Langzaam maar zeker dringt het tot Johannes door dat Chayka nog niet klaar is voor zijn grote pionierswerk. Hij besluit de hulp van een Oostenrijkse hondenfluisteraarster in te roepen, om inzicht te krijgen in de psyche van zijn hond. Ondertussen dringt de tijd. Er is al een door Hogebrink zelf uitgenodigde filmploeg in aantocht die maar één doel heeft: het filmen van een vliegende hond.

De vliegende Hond

Obsessie
Man on Wire (2008) van James Marsh over de Fransman Philippe Petit die in 1974 over een koord danste dat gespannen was tussen de Twin Towers in New York en Episode 3: Enjoy Poverty (2009) van Enzo Martens, die toont hoe westerse filmmakers financieel profiteren van beelden van schrijnende armoede in ontwikkelingslanden, zijn naar eigen zeggen Hogebrinks favoriete documentaires. Een voorliefde voor spraakmakende, maar schijnbaar zinloze exercities en een neiging om de motieven van de filmmaker ter discussie te stellen, zie je tevens terug in De vliegende Hond.

Je zou met de man Johannes Hogebrink best een stevig gesprek kunnen voeren over wat je je hond wél en niet moet aandoen. Hoe dan ook slaagt hij er als filmmaker in een tegendraadse film voor het hele gezin af te leveren die grappig, spannend en ontroerend is en juist de vraag opwerpt hoe ver je moet gaan om je droom te verwezenlijken en daar een film over te maken. Zoals de regisseur dat zelf omschrijft in een gesprek met filmproducent René Huybrechtse verkent De vliegende Hond de grens tussen passie en obsessie. Dat mag je een belangwekkende onderneming noemen.

 

24 mei 2020

 

ALLE RECENSIES

It Must Be Heaven

***
recensie It Must Be Heaven 

Een kosmopolitische buitenstaander

door Paul Rübsaam

De Palestijnse regisseur Elia Suleiman verlaat in It Must Be Heaven zijn woonplaats Nazareth om een reis te maken naar Parijs, New York en Montreal. Dat lijkt een hele onderneming. Maar eigenlijk verandert er niet zoveel. Waar Suleiman ook komt en welke vreemde taferelen hij ook aantreft, hij staat er zwijgend bij en kijkt ernaar.

Nazareth is niet alleen de plaats waar Jezus Christus zijn jeugd zou hebben doorgebracht. Het is tevens de geboorteplaats van de Palestijnse regisseur Elia Suleiman (1960), die er tegenwoordig weer woont. De eerste scènes van It Must Be Heaven spelen zich af in dit hoofdzakelijk door Arabieren bewoonde stadje in Noord-Israël, dat voor zover het niet overspoeld wordt door christenpelgrims een verstilde mediterrane atmosfeer ademt.

It Must Be Heaven

Als het belangrijkste personage in zijn eigen film vervult Suleiman ook als hij thuis is hoofdzakelijk de rol van observator. Met zijn gedrongen gestalte, zomerhoed en klassieke bril zien we hem veelal zittend, of staand met de handen op de rug gevouwen. Hij kijkt of luistert, spreekt nooit, maar kan veelzeggend zijn wenkbrauwen optrekken. Op deze wijze luistert hij in Nazareth bijvoorbeeld naar het  verhaal van een oude buurman over een dankbare slang die de lekke band van diens auto opblies, nadat hij het dier uit de klauwen van een adelaar had gered.

Suleiman laat zich met zijn veelvuldig gebruik van een statische camera en vaste kaders inspireren door de cinematografische wetten zoals die tot ongeveer 1920 golden. Binnen het frame kan hij, met zijn van afstand herkenbare verschijning, bijna als decorstuk functioneren. Zoals ook Jacques Tati dat kon met zijn kenmerkende slungelige, ietwat gebogen gestalte, slappe hoed en eeuwige pijp. 

Angst voor geweld
Expliciet geweld ontbreekt in It Must Be Heaven geheel. Des te nadrukkelijker zijn in het door Suleiman bezochte Parijs van Bataclan en New York van 9/11 de vaak potsierlijke sporen van de angst voor geweld zichtbaar. Overal heerst dreiging en achterdocht, veroorzaakt door aanslagen die in de verte een connectie hebben met het Palestijnse conflict. In zijn director’s note schreef Suleiman dat in zijn eerdere films als Chronicle of a Disappearence (1996) en The Time That Remains (2009)  Palestina werd vergeleken met een microkosmos van de wereld, terwijl It Must Be Heaven de wereld presenteert als een microkosmos van Palestina.

It Must Be Heaven

Zeer bedreigend, schijnbaar in ieder geval, is de man die Suleiman ‘s ochtends vroeg als enige medepassagier aantreft in de Parijse metro. Welhaast tot op de tanden getatoeëerd, bier drinkend en boeren latend blijft hij recht tegenover Suleiman staand deze uitermate vuil aankijken. Maar er gebeurt uiteindelijk niets. Waardoor we getuige zijn van een merkwaardig contextloos stukje pantomime voor twee zwijgende heren.

Ook de politie gedraagt zich in Parijs nogal vreemd. Agenten nemen sierlijk manoeuvrerend op gemotoriseerde stepjes notitie van een fout geparkeerde auto, maar niet van een mogelijk gevaarlijk object dat daaronder is geworpen door een wegrennende jongen. Als Suleiman later op een terras in zijn eentje wat zit te drinken, wordt dat terras om redenen waar slechts naar te gissen valt door vier agenten nauwkeurig opgemeten.

In New York is het hoge gegil van de sirenes van de NYPD overal te horen. We zien de politie echter slechts uitrukken om een jonge vrouw met engelenvleugels op haar rug als een kat in de zak te vangen, wat nog niet eens lukt ook. Veel New Yorkse burgers zijn gewapend. En niet zo’n beetje. Men doet boodschappen of brengt kinderen naar school met Kalasjnikovs of zelfs raketwerpers over de schouder geslagen.

It Must Be Heaven

Collage
De film kent nog meer thema’s. Zo wordt Parijs niet alleen getypeerd als een stad in de greep van paranoia, maar ook als een plek waar de medemenselijkheid goed georganiseerd is, maar niet bepaald spontaan opwelt. Een dakloze die op een tweepersoons matras op straat bier ligt te drinken, krijgt door bezorgde medische dienstverleners een viergangenmenu aangeboden. Als de Parijzenaren evenwel in een park van het zonnetje willen genieten, mondt dat uit in een weliswaar kolderieke, maar ook bittere strijd om de schaars beschikbare stoeltjes.

Welbeschouwd is It Must Be Heaven eerder een collage van beeldcolumns, dan een film met een rode draad en één overkoepelende visie. Of dat een bezwaar is, hangt af van de stemming van de kijker. Bovengetekende zag de film twee keer en had de eerste keer last van dat gebrek aan eenheid, maar de tweede keer minder. Hoe dan ook valt de herinnering aan iedere film tenslotte uiteen in los van elkaar staande herinneringen aan sterke scènes. Sterke, in casu absurde en komische scènes heeft deze film van Elia Suleiman genoeg te bieden.

 

17 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Martin Eden

***
recensie Martin Eden

Archetypische schrijvende matroos

door Paul Rübsaam

Een ongeschoolde matroos wil koste wat kost schrijver worden om indruk te maken op een deftige jongedame. Filmregisseur Pietro Marcello verplaatst de handeling van de roman Martin Eden van Jack London naar Napels. Met goede resultaten.   

In één van de eerste scènes van de film Martin Eden van de Italiaanse regisseur Pietro Marcello (1976) komt de zeevarende titelheld (Luca Marinelli) een student te hulp die een aframmeling dreigt te krijgen van een havenmeester. Als dank nodigt de student de matroos bij hem thuis uit. Daar vergaapt de bonkige Martin zich aan de prachtige schilderijen en het dure servies, maar vooral aan de frêle literatuurstudente Elena Orsini (Jessica Cressi), de zus van de jongen die hij gered heeft. ‘Ik wil denken zoals jij, praten zoals jij, zijn zoals jij’, bekent hij het fijnzinnige en welbespraakte meisje. Hij valt niet alleen als een blok voor haar, maar tevens voor het hoge bourgeois-milieu dat zij vertegenwoordigt.

Martin Eden

Martin mag van Elena een boek van Charles Baudelaire lenen. Want lezen wil hij. En uiteindelijk zelf schrijver worden. Elena geeft hem ondertussen wat les, omdat hij veel taalfouten maakt. Zijn drieste mannelijkheid vindt ze erg aantrekkelijk, maar zijn gebrekkige algemene ontwikkeling stoort haar eerder. Dat iemand die de basisprincipes van de grammatica niet eens beheerst ooit een boek zal schrijven, kan ze zich niet voorstellen.

Nietschze, Spencer, andere vrienden
De jonge matroos die in zijn eigen woorden ‘een creatief vuur voelt branden om te getuigen van de wereld’ begint geestdriftig filosofisch getinte reis- en avonturenverhalen te schrijven. Hij stuurt zijn manuscripten naar diverse uitgeverijen en tijdschriftredacties, maar krijgt ze steeds zonder toelichting weer retour. Om toch nog iets te verdienen, moet hij keihard werken op schepen, maar ook in metaalfabrieken en op het boerenland.

Martin is niet alleen een onvermoeibare lezer van romans, maar tevens van werken van de filosoof Friedrich Nietschze en de socioloog Herbert Spencer. Gaandeweg verandert daardoor zijn kijk op het milieu van Elena. Hij wordt zich bewust van de onrechtvaardigheid van de klassenverschillen. Het socialisme wil hij echter niet omarmen, omdat dit volgens hem het individu miskent en slechts de uitdrukking is van een slavenmoraal. 

De oude, ongeneeslijk zieke schrijver en bohemien Russ Brissenden (een memorabele rol van Carlo Cecchi) met wie Martin in contact komt, is van mening dat de door de beginnende literator aanbeden Elena niet meer is dan een dom bourgeoisgansje. Bovendien heeft Brissenden zo weinig vertrouwen in het oordeel van uitgeverijen dat hij Martin voorhoudt dat voor een ware schrijver de publicatie van zijn werk een belediging is.

Martin Eden

Ook vrouwen doen Martin twijfelen aan het voetstuk waarop hij Elena plaatst. Margherita, een meisje dat werkt in een conservenfabriek, is stapelverliefd op hem. Is zij misschien degene die van hem houdt zoals hij is, in tegenstelling tot Elena, die met zoveel kunstgrepen veroverd moet worden? En dan is er nog de oudere weduwe Maria, wier kostganger hij wordt. Samen met haar twee opgroeiende kinderen geeft ze Martin een gevoel van nestwarmte waarnaar hij misschien wel meer hunkert dan naar literaire erkenning. 

Archetype
De semi-autobiografische roman Martin Eden van de Amerikaanse schrijver en avonturier Jack London (1876-1916) is een Bijbel voor zelfgemaakte mannen, voor iedereen die droomt van een schrijverscarrière en niet in de laatste plaats voor mensen met een scherp oog voor onoverbrugbare klassenverschillen. Het boek trekt aan als een magneet, maar irriteert ook omdat de schrijver zichzelf er wel erg veel complimenten in uitdeelt. De hoofdpersoon is een eerlijke jongen van de straat met een paar stevige knuisten, die onweerstaanbaar is voor vrouwen uit alle lagen van de bevolking en zich bovendien gaandeweg ontwikkelt tot een literair genie. Welke man zou niet willen zijn wat Jack London volgens Jack London was?

Anders dan het boek, dat speelt in Oakland (Californië) aan het begin van de twintigste eeuw, vormt Napels in de loop van de eerste helft van die eeuw het decor van de film van Pietro Marcello. Die Zuid-Italiaanse stad (Marcello groeide zelf op in het nabije Caserta) is een uitgelezen decor voor arm-rijkcontrasten en romantiek van de straat. Al ligt het cliché op de loer (hangt men in de nauwe Napolitaanse straatjes wasgoed te drogen? – nee toch …).

Martin Eden

De opkomst van het socialisme en het fascisme en het uitbreken van een grote oorlog spelen in Martin Eden op de achtergrond een rol. Marcello weet de irriterende factoren van de roman te neutraliseren door de protagonist te behandelen als een naar tijd en plaats verschuifbaar archetype, dat met zijn hang naar individualisme vermalen wordt door de ideologieën waarvan de romanfiguur nog slechts het voorspel aanschouwde.

Eden weet weliswaar te ontsnappen aan de kwellingen van geestdodende en zware lichamelijke arbeid, maar valt ten prooi aan de machinaties van de uitgeverswereld en de grillen van het modegevoelige literaire publiek. Ook het noeste werk van een schrijver kan uiteindelijk als waardeloos beoordeeld en zelfs vernietigd worden, zoals de film toont met behulp van archiefbeelden van door nationaalsocialisten georganiseerde boekverbrandingen.

 

15 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Before the Frost

***
recensie Before the Frost

Met liefde kom je de winter niet door

door Paul Rübsaam

Hoe loodst de negentiende-eeuwse Deense boer Jens met slechts twee koeien en een stuk land dat nauwelijks wat opbrengt zichzelf, zijn huwbare dochter en twee inwonende neven door de komende strenge winter? De omstandigheden transformeren de aanvankelijk trotse agrariër tot een meelijwekkende opportunist. 

In het hardgekookte historisch drama Before the Frost (Før Frosten) van de Deense regisseur Michael Noer (1978) kun je de mufheid bijna ruiken van de schaars verlichte boerenwoning waar Jens Møsegard (Jesper Christensen), zijn dochter Signe (Clara Rosager) en de jonge neven Peder en Mads hun waterige pap uit één gezamenlijk bord moeten lepelen. 

Gebeden wordt er wel aan tafel, alvorens het karige maal te nuttigen. Want Gods woord geldt als onmisbare brandstof voor de geest. Of is de Bijbel slechts een instrument waarmee sociale klassenverschillen in stand worden gehouden? Als Jens genoodzaakt is voor een te laag bedrag één van zijn twee koeien te verkopen, weet iedereen tot in het nabije dorp Nyholm daarvan, met inbegrip van de diaken van de plaatselijke kerkgemeenschap. Deze wrijft Jens en de zijnen het verlies van hun sociale status in door ze naar een kerkbankje te dirigeren achter dat waar ze aanvankelijk op plaats mochten nemen. 

Before the Frost

Maar misschien is er nog hoop. Signe zou met Ole kunnen trouwen, de zoon van de eigenaar van het boerenbedrijf dat aanpaalt aan dat van Jens. De tweede koe zou als bruidsschat kunnen dienen, met een oudedagsvoorziening in de vorm van de nodige voedselpakketten voor Jens zelf als tegenprestatie. De neven zouden in dat geval elders onder een baas moeten gaan werken. Het lijkt niet zo’n slecht plan, want Ole en Signe vinden elkaar werkelijk leuk. Ook de buren hebben het echter niet breed. En ‘met liefde alleen kom je de winter niet door’, zoals Signe door haar vader wordt voorgehouden.

Andere plannen   
Als Jens, die als een van de weinigen in de omgeving dit handwerk nog beheerst, ontboden wordt op een veel grotere boerderij dan de zijne om daar een kalf ter wereld te brengen, komt hij in contact met de rijke Zweedse boer Gustav. Verrassend genoeg blijkt deze een drassig stukje land te willen kopen dat de arme boer toebehoort. Dit zou als het gedraineerd wordt bij uitstek geschikt zijn voor het telen van suikerbieten, het gewas van de toekomst.

Jens moet er aanvankelijk niets van hebben. Totdat hij op het idee komt Gustav een veel omvangrijkere deal voor te stellen. De Zweed zou niet alleen het stukje moerasland over moeten nemen, maar Jens’ gehele nauwelijks vruchtdragende territorium, inclusief diens schamele, maar tegen een hoog bedrag verzekerde boerderij. Dan zou weduwnaar Gustav met Signe kunnen trouwen en Ole als beoogde bruidegom het veld moeten ruimen. Onder de hoede van Gustav moet er voor Signe, Peder, Mads en Jens een zorgeloze toekomst weggelegd zijn.

Before the Frost

Geen winterclichés
Alleen in de openingsscène van Before the Frost zien we een berijpt landschap en een bevroren meer. Onder het ijs is nog juist de hand waarneembaar van iemand die daar eerder blijkbaar verdronken is, dan wel vermoord. Het blijkt een flashforward die door de film zelf nooit helemaal wordt ingehaald. Zelfs in de laatste scènes zien we slechts wat natte sneeuw, die eerder de late Deense herfst kenmerkt. De dreigende winter als symbool van totale verkilling en uiteindelijk desillusie, maakt het feitelijke vertoon van een onverbiddelijk, maar clichématig Scandinavisch sneeuwlandschap overbodig.

Het is een fraaie constructie, die de narratieve gebreken in de film niet geheel kan verbloemen. Het mogelijke misdrijf waar de openingsscène naar verwijst, houdt verband met het opportunisme waarmee Jens zich overlevert aan Gustav en diens onaangename moeder. Bij de ontwikkeling die de protagonist doormaakt van principiële boer oude stijl naar iemand die rücksichtslos eieren voor zijn geld kiest, worden echter te grote stappen gemaakt. Naasten voor wie Jens zich aanvankelijk sterk maakt, laat hij onbegrijpelijk snel in de kou staan, waarbij dat laatste nog voorzichtig is uitgedrukt.

Steracteur Jesper Christensen (1944) had een gelijkmatigere ontwikkeling van zijn personage in het script (Michel Noer, Jesper Fink) zeker verdiend. Met zijn markante, doorgroefde gelaat en ingehouden spel laat hij zien hoe de ene vernedering plaats heeft gemaakt voor de andere. Als Jens samen met Signe en Gustav voor het eerst van zijn leven in een koets mag plaatsnemen, oogt hij apathisch. Dat hij zijn gerafelde wollen mutsje voor een vilten hoed mag inruilen en met ‘meneer Jens’ wordt aangesproken, verschaft hem zichtbaar geen vreugde. 

Kerk en moraal
Een verontrustende, maar eveneens te weinig uitgewerkte rol is in de film weggelegd voor de kerk als instituut. Verloochent Jens zijn principes en is hij niet meer Bijbelvast? Of is hij dat laatste juist wel? De diaken ontvangt de later welgesteldere oude man immers weer met open armen in zijn kerkgemeenschap. Het blijft echter een los eindje. In de door Michael Noer (R, (2010), Northwest (2013), Papillon (remake, 2018)) volgens zijn director’s note beoogde ‘dark moral western’ was een duidelijkere stellingname voor wat betreft de invloed van de kerk in negentiende-eeuws Denemarken wel op zijn plaats geweest.

 

15 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Quietud, La

**
recensie La Quietud

Zo inwisselbaar zijn ze niet

door Paul Rübsaam

Omdat haar vader plotseling een beroerte heeft gekregen, moet de Argentijnse Eugenia vanuit Parijs terug naar huis keren. Daar wordt ze herenigd met haar zus Mia, op wie ze als twee druppels water lijkt. Na de hereniging beginnen de verschillen tussen de zussen zich af te tekenen. Ook hun ouders zijn anders dan je op het eerste gezicht zou denken.

De Argentijnse regisseur Pablo Trapero (1971) kwam in 2011 op het idee een film te gaan maken waarin de Argentijns-Franse actrice Bérénice Bejo en de Argentijnse actrice Martina Gusman als twee zussen moesten gaan schitteren. In dat jaar eiste Bejo de vrouwelijke hoofdrol op in The Artist, geregisseerd door haar echtgenoot Michel Hazanavicius. Het viel Trapero op dat ze sprekend lijkt op zijn eigen vrouw Gusman, die onder andere te zien is in zijn films Leonera (2008) en Carancho (2010).

La Quietud

De koppels Trapero-Gusman en Hazanavicius-Bejo raakten bevriend en Trapero’s aanvankelijk maar half serieus bedoelde plannetje is inmiddels werkelijkheid geworden. Dat Gusman en Bejo inderdaad veel van elkaar weg hebben, kan iedereen na het zien van La Quietud (The Quietude) bevestigen. In het begin van de film ben je zelfs geneigd ze door elkaar te halen, wat Trapero naar eigen zeggen ook beoogd heeft.

Intieme band
Eugenia (Bejo) en Mia (Gusman) zijn niet alleen moeilijk uit elkaar te houden, ze zijn ook dol op elkaar. Zo lijkt het in ieder geval. Als kinderen deelden ze al geheimpjes en als pubers masturbeerden ze samen, waarbij ze seksuele fantasieën over dezelfde stoere loodgieter met elkaar uitwisselden.

Maar die intimiteit en lotsverbondenheid hebben ook een keerzijde. Nog steeds hebben de zussen de neiging om zich tot dezelfde heren aangetrokken te voelen, wat tot jaloezie, spanningen en verwikkelingen aanleiding geeft. Daarnaast hebben ze een nogal verschillende betrekking met hun moeder. Deze beschouwt Eugenia als haar lieveling, maar overlaadt Mia voortdurend met kritiek.

Het Spaanse woord ‘quietud’ betekent ‘rust’ en ‘vrede’. Het schitterende landgoed dat de riante, niet ver van Buenos Aires gelegen ranch La Quietud omgeeft, waar Eugenia en Mia zijn opgegroeid en waar de film zich goeddeels afspeelt, oogt dan ook paradijselijk. Wilde paarde grazen er in uitgestrekte weiden en in de meertjes daartussen strijken flamingo’s neer. Maar ‘quietud’ kan ook verwijzen naar een verzwegen, onthutsende werkelijkheid. Want onder de schijnbare rust van het luxueuze ouderlijk huis liggen tal van onderhuidse spanningen, die zich steeds nadrukkelijker openbaren.

La Quietud

Afschrapen
Trapero weet zijn thema en decors goed te kiezen en heeft dus ook met het bedenken van een aardige filmtitel geen moeite. Helaas zijn de enige sterke punten van La Quietud. De gebeurtenissen en ontwikkelingen volgen elkaar op volgens een onnatuurlijke, te typisch cinematografische wetmatigheid. Steeds vormt een dramatisch voorval in het heden, bijvoorbeeld het invliegen, onwel worden of verongelukken van een personage, de aanleiding voor het afschrapen van weer een laagje van het verzwegen, maar belaste (familie)verleden. Dit leidt in toenemende mate tot verveling.

De openbaring dat de ouders van Mia en Eugenia vuile handen hebben gemaakt tijdens het voormalige militaire bewind in Argentinië, zal iemand die eerdere films van Trapero als El Clan (2015) heeft gezien misschien niet direct verbazen. Maar in La Quietud komt die verwijzing naar het tijdperk van de junta nagenoeg uit het niets. Hetzelfde geldt voor de nogal problematische betrekking tussen de ouders.

Naarmate de film vordert, valt op dat Martina Gusman niet alleen een langwerpiger gezicht en een grotere neus heeft dan Bérénice Bejo, maar vooral dat ze van de twee actrices het meest sprekende personage weet neer te zetten. Ze kan bijvoorbeeld jaloezie die dat personage juist niet wil tonen toch zichtbaar laten worden in haar ogen. Of een dierbare die iets verschrikkelijks tegen haar (Mia) zegt verbijsterd, maar niettemin liefdevol aankijken. Het personage Eugenia kan daarentegen alleen maar guitig, of ondeugend, dan wel strak voor zich uitkijken. Met haar ééndimensionale mimiek (en wat danspassen) werkte Bejo zich eerder ook door The Artist, die teveel gelauwerde, zwijgende film uit 2011.

17 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

Ága

***
recensie Ága 

‘Nanook’ en de diamantmijn

door Paul Rübsaam

In een hut in het ijskoude, hoge noorden delen Nanook en Sedna lief en leed met elkaar, zonder te spreken over hun dochter die vertrokken is. De opnames in Ága zijn oogstrelend en soms verontrustend. Maar het mengsel van etnografische en fictieve elementen is misleidend.

Op een ijsplateau in een onmetelijke witte vlakte staat de van rendierhuiden en lange houten stokken vervaardigde hut van Nanook en Sedna, een Noord-Aziatisch ogend bejaard stel. Buiten lijkt het wit van de sneeuw samen te smelten met dat van de laaghangende wolken. In de geriefelijke hut overheersen de bruine en grijze tinten van dekens, lappen, huiden en een eenvoudige houtkachel.

Nanook trekt er regelmatig met de hondenslee op uit om vallen uit te zetten voor poolhazen en poolvossen en gaten in het ijs te boren om vis te vangen. Normaal gesproken jaagt hij ook op rendieren. Maar daar heeft hij de laatste tijd weinig geluk mee. Alle dieren die hij kent, lijken vroeger te sterven. Behalve de raven. Ook ziet hij steeds vaker witte vliegtuigstrepen in de lucht. En de lente begint de laatste jaren steeds eerder, krijgt hij de indruk.

Ága

In de hut bereiden Nanook (Mikhail Aprosimov) en Sedna (Feodosia Ivanova) het eten, prepareren ze de dierenhuiden om er nieuwe kleding van te maken en voorzien ze de houtkachel van brandstof. Tijdens hun dagelijkse activiteiten praten ze weinig met elkaar. Maar als ze zich na gedane arbeid uitstrekken op hun bed van dierenvellen kijken ze elkaar liefdevol in de ogen en praten ze over hun herinneringen en dromen.

Donkere plekken
Sedna lijdt af en toe in stilte. Haar man praat wel bevlogen over de rendieren die hij nog maar zo weinig ziet, maar de naam van hun dochter Ága die lang geleden vertrokken is, komt niet over zijn lippen. Soms komt Chena, hun zoon, langs op zijn sneeuwscooter. Dan brengt hij voor zijn ouders hout en petroleum mee. Volgens Chena heeft Ága ergens werk gevonden. Het fijne weet hij er niet van.

Het gemis van haar dochter is niet het enige dat Sedna parten speelt. Op haar buik tekent zich een donkere, als een gezwel ogende plek af, waar ze soms hevige pijnen van ondervindt. Het is een van de onheilspellende donkere plekken die een terugkerend verschijnsel zijn in Ága. We zien tevens de donkerrode wonden bij dode dieren die Nanook aantreft. Voorts krijgen we een indringend beeld van de gaten die hij in het ijs boort. Het zijn onder andere de voorbodes van de grootste ‘wond’ in het sneeuwlandschap die Nanook later zal aanschouwen: een kratervormige diamantmijn met alle bedrijvigheid van dien.

Nobele wilden
De mannelijke helft van het bejaarde koppel in Ága heet niet toevallig Nanook. Het is een eerbetoon aan Nanook of the North van Robert Flaherty uit 1922: één van de oudste films die destijds als ‘documentaire’ werd aangemerkt. Flaherty baarde in die jaren opzien door het dagelijks leven van de op een eiland in de Hudsonbaai (Noord-Canada) levende Inuk ‘Nanook’ met de camera te registreren. De authenticiteit van Flaherty’s verslag was echter betrekkelijk. Nanook heette in werkelijkheid anders, zijn ‘vrouw’ was zijn vrouw niet en hij maakte bij de jacht gebruik van een geweer. Dat laatste werd door Flaherty buiten beeld gelaten omdat het niet paste bij de weergave van de leefomstandigheden van de Inuit die hem voor ogen stond.

Ága

Ága is opgenomen in Jakoetië. De omstandigheden in deze immens grote, dun bevolkte Russische republiek zijn zonder meer arctisch. De modale temperatuur ligt er ver beneden het vriespunt. Een aanzienlijk deel van het toendralandschap, dat cameraman Kaloyan Bozilov in een steeds veranderende lichtval fraai in beeld brengt, is permanent met sneeuw en ijs bedekt. De rollen van Nanook en Sedna en die van hun kinderen worden vertolkt door Jakoeten (Sacha). Men spreekt in de film Jakoets.

Misleidend
Door de uitvoerige registratie van het dagelijks leven van Nanook en Sedna maakt Ága zelfs de indruk van een etnografische studie. Dat is echter misleidend, al heeft de Bulgaarse regisseur Milko Lazarov (Alienation, 2013) zijn film die een dramatische ontwikkeling kent uitdrukkelijk als fictie aangeleverd. Anders dan je als kijker geneigd bent te denken heeft Lazarov in Jakoetië nooit mensen aangetroffen die leven als Nanook en Sedna.

Zorgen over de opwarming van de aarde en het verdwijnen van traditionele leefwijzen mogen best in een fictieve vorm naar voren worden gebracht. Maar had dat dan niet op een transparantere manier moeten gebeuren? Nu neigt het resultaat te veel naar een pseudorealistische verheerlijking van ‘nobele wilden’, ontsproten aan het brein van iemand uit de geïndustrialiseerde wereld. Bijna honderd jaar na Nanook of the North levert dat een herhaling van zetten op.

 

17 juni 2019

 

ALLE RECENSIES

Wild Rose

***
recensie Wild Rose

Drie akkoorden en de waarheid

door Paul Rübsaam

Wat is er mooier dan een muziekfilm met een jonge, veelbelovende actrice die tevens hartverwarmend kan zingen in de hoofdrol? In Wild Rose wil de Schotse ex-gedetineerde en countryzangeres Rose-Lynn Harlan per se haar geluk gaan beproeven in het legendarische Nashville.

Voor wie niet als een blok valt voor iedere countryzangeres even het volgende. Country is niet country-and-western. Denk ook niet te veel aan het gesuikerde, burgerlijke geluid van Dolly Parton of Tammy Wynette. Ook niet direct aan de wat jankerige stem van Emmylou Harris. Bezorgt Bonnie Raitt je meer kleur op de wangen? Dan zit je bij Wild Rose misschien wel goed. In ieder geval voor de muziek en de vrouwelijke performer.

Wild Rose

Evenals Raitt dat soms deed (en doet) speelt Jessie Buckley (en haar personage Harlan) met haar stem die aan schuurpapier met een laag honing erover doet denken af en toe leentjebuur bij upbeat-popgenres. Zoals in Country Girl, oorspronkelijk uitgebracht door de Schotse rockband Primal Scream, waarbij ze zelf het vrouwelijke personage gestalte kan geven waarover de heren van Primal Scream zongen.

Raitt is bij uitstek het icoon van de Ierse actrice Jessie Buckley, die zich steeds meer al zangeres begint te ontpoppen. Buckley, wier eveneens roodharige Schotse personage Rose-Lynn Harlan bier uit een flesje drinkt en haar witte cowboylaarzen onder een spijkerrok of over een spijkerbroek draagt, was dan ook als een kind zo blij toen ze de 69-jarige Raitt in het kader van de opnames van Wild Rose kon ontmoeten.

Boel op orde?
Maar in een film moet er ook nog een verhaal worden verteld. Rose-Lynn (23) heeft er net tien maanden cel op zitten vanwege haar betrokkenheid bij een heroïnetransport. Ze is voorwaardelijk vrij en voorzien van een elektronische enkelband, die haar belet deel te nemen aan het nachtleven in Glasgow. Later zal ze  voor de rechter die moet beslissen over het intrekken van die voorwaarde verklaren dat ze tijdens haar criminele activiteiten (het ergens dumpen van een of ander pakketje) te dronken was om te begrijpen wat ze deed. 

Wild Rose

Ondertussen moet ze thuis de boel op orde zien te krijgen. Als ze daar tenminste zin in heeft. Als tiener heeft ze een dochter en later ook nog een zoon gekregen, Tijdens haar detentie heeft haar in een bakkerij werkende moeder Marion (Julie Walters) voor de twee kinderen gezorgd. Ook houdt Rose-Lynn er een vriend op na (niet de vader), tot zijn ongenoegen vooral voor de seks. Eigenlijk wil ze maar één ding: carrière maken als countryzangeres in Grand Ole Opry in Glasgow, maar veel liever nog in Nashville in de Amerikaanse staat Tennessee, de bakermat van de countrymuziek. 

Klassenverschillen   
Tegen heug en meug en op aandringen van haar moeder accepteert Rose-Lynn een baantje als schoonmaakster in het riante landhuis waar de welgestelde Sussanah met haar gezin woont. De schoonmaakdiscipline van Marie-Lynn laat te wensen over, maar haar werkgeefster is meteen verkocht als ze haar een keer hoort zingen. Met haar betere connecties weet Susannah deuren voor haar hulp in de huishouding te openen, zoals die van een beroemde BBC-diskjockey, de Britse expert op het gebied van countrymuziek.

De geestdrift waarmee Susannah haar pareltje van een werkster vooruit wil helpen, heeft onbedoeld een elitair tintje. Moeder Marion moet niets van Susannah hebben. Ze wenst slechts een goed en rustig leven voor haar te wilde dochter en niet in de laatste plaats voor haar kleinkinderen. Rose-Lynn hoort en ziet ondertussen niets meer. Ze wil alleen maar zingen en ruikt Nashville. Maar wie gaat haar trip daar naartoe financieren en hoe? 

Wild Rose

Plotwendingen
Wild Rose is een muzikale feelgoodmovie. Verwacht niets dat je niet verwacht had. Of het zou moeten zijn dat de rol van Susannah, die een hogere sociale klasse vertegenwoordigt dan die van Rose-Lynn en haar moeder vertolkt wordt door een actrice met een donkere huidskleur (Sophie Okonedo). Maar echt bijzonder is dat (gelukkig) niet. Voor het overige koersen we naadloos af op een tranen trekkende slotsong, die het verhaal op aangename wijze afrondt. 

Toch heeft het geesteskind van scenarioschrijfster Nicole Taylor en regisseur Tom Harper (hij castte Buckley eerder voor de zesdelige BBC-serie War and Peace) door zijn eenheid en eenvoud een charme die de voorspelbaarheid ontstijgt. De essentie van countrymuziek, zo leren we, is: ‘Three chords and the truth’. Rose-Lynn heeft dat credo zelfs op haar arm laten tatoeëren.

De film, die door de alom aanwezigheid van de muziek korter lijkt te duren dan de honderd minuten die hij beslaat, is als een countrysong. Drie plotwendingen en de ontknoping, zou je kunnen zeggen. Mede door het multitalent van Jessie Buckley groet Wild Rose naar zichzelf toe, wordt de film ‘echt’. Zo is onder andere de slotsong gedeeltelijk door Buckley zelf geschreven. ‘I had to find my own way, make my own mistakes. But you know that I had to go. Ain’t no yellow brick road running through Glasgow…’

 

14 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

Films uit het Ottomaanse Rijk

This is film: Silent Cinema
De zieke man van Europa en de zevende kunst

door Paul Rübsaam

Films uit het Ottomaanse Rijk? Jazeker, ze bestaan. Of toch niet echt? EYE-curator Elif Rongen-Kaynakçi kon ons in aflevering 4 van de EYE-lezingenyclus This is film! Film heritage in practice in ieder geval haar compilatie Views of the Ottoman Empire presenteren. 

‘Film’ is nog altijd een relatief modern klinkend begrip. Het Ottomaanse Rijk daarentegen roept associaties op met lang vervlogen tijden. In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werd het eens zo glorieuze rijk, dat in de zeventiende eeuw de omvang had van een continent, ‘de zieke man van Europa’ genoemd. De grootmachten Frankrijk, Engeland en Rusland gunden elkaar geen gebiedsuitbreidingen en hielpen de opeenvolgende sultans daarom steeds weer in het zadel als machthebbers over een steeds kleiner wordend gebied. Dat duurde net lang genoeg om het medium film in het zieltogende rijk zijn intrede te laten doen.

Films uit het Ottomaanse Rijk

Waar EYE de bijna tweehonderd bezoekers op trakteerde, stond zelfs in het teken van wat je vergankelijkheid in het kwadraat zou kunnen noemen. Want zeventig procent van alle films van voor 1930 (inclusief de ‘Ottomaanse’) is verloren gegaan, zoals Giovanna Fossati (hoofdcurator van EYE en vaste gastvrouw van de lezingencyclus This is film! Film heritage in practice) nog eens benadrukte.

Het bewaren, restaureren en hervertonen van oude (vaak zwijgende) films is vanaf de jaren dertig de gezamenlijke arbeid geweest van vele filmarchieven, filmmusea en cinematheken, verspreid over de wereld. Ook voor Views of the Ottoman Empire. de compilatie van filmbeelden (van 1902 tot 1926) die Fossati’s gast Elif Rongen-Kaynakçi (curator zwijgende films bij EYE) ons presenteerde, is uit diverse bronnen geput. Naast de unieke mogelijkheden die dat biedt, brengt dat beperkingen met zich mee voor wat betreft het waarlijk Ottomaanse karakter van de beelden.

Geen oorlogsbeelden
Rongen-Kaynakçi neemt ons bij haar muzikaal door Oguz Büyükberber begeleide compilatie mee op een reis van Constantinopel (Istanbul) naar de Balkan en via Noord-Afrika (het tegenwoordige Algerije, Libië en Egypte) weer terug naar Constantinopel en andere tegenwoordig Turkse bestemmingen. Opzettelijk toont ze geen oorlogsbeelden, al waren oorlogen al vóór de Eerste Wereldoorlog in het bewuste gebied en tijdvak aan de orde van de dag.

Van al te veel zoetsappigheid is echter geen sprake. Sommige impressies zijn niet los te zien van rampen die in het getoonde gebied hebben plaatsgevonden. In Adana (tegenwoordig Turkije) filmden de Franse geestelijken Mulsant en Chevalier in 1909  niet alleen brood bakkende autochtonen, maar ook een verwoeste Armeense wijk kort nadat islamitische contrarevolutionairen daar in reactie op de hervormingsbeweging van de zogeheten ‘Jonge Turken’ een ware slachting hadden aangericht onder de Armeense (christelijke) bevolking. Voorts krijgen beelden van Smyrna (Izmir) anno 1911 een bijzondere betekenis als je je bedenkt hoezeer die stad geleden heeft onder de brand van 1922, die het einde van de Grieks-Turkse oorlog markeerde.

Films uit het Ottomaanse Rijk

Soepele tijdsgrenzen
Eveneens bewust heeft Elif Rongen de begrenzingen van het Ottomaanse Rijk in de tijd gezien ietwat ruim genomen. Zo zijn er beelden van Sarajevo uit 1912, toen die stad waar de Eerste Wereldoorlog nog moest ontbranden al niet meer deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk. De meer dan vier eeuwen durende Ottomaanse heerschappij (tot 1878) is in het straatbeeld anno 1912 echter nog goed terug te zien. We zien hoe mannen met een fez op het hoofd ezeltjes beladen met immense hooibalen voortdrijven door de steile straatjes en hoe duiven evenals in Constantinopel in diezelfde tijd als heilige vogels worden gevoerd.

Evenmin voor de volle honderd procent Ottomaans zijn beelden uit Tripoli uit 1912 en beelden van Istanbul (Constantinopel) anno 1926. Een fraai panorama van de stad Tripoli in Ottomaanse stijl zien we juist in de tijd dat de Italianen dit deel van Noord-Afrika veroverden. Het beeld van vrouwen die zich anno 1926 in Istanbul verlegen lachend van hun gezichtssluier ontdoen, is weliswaar typerend genoeg, maar de republiek Turkije was toen al drie jaar oud.

Dat soepel omgaan met die tijdsgrenzen om een nog aanwezige Ottomaanse atmosfeer te kunnen tonen, valt goed te begrijpen. Het schept niettemin een theoretisch probleem. Want waar trek je de grens dan wél? Ook in het hedendaagse Istanbul kunnen nog ‘views of the Ottoman Empire’ in de ruimere zin des woords worden vastgelegd. Maar dat valt toch buiten de context van filmgeschiedenis.

Oriëntalisme 
Een derde uitgangspunt van Rongen is het onverkort tonen van het filmmateriaal dat ze in vooral West- en Midden-Europese filmarchieven heeft gevonden. Geen uitgesneden hoogtepunten laat ze zien, maar het gehele filmpje zoals het destijds is gemaakt, om welke reden dan ook. Zo worden beelden van een buikdanseres met een (ingekleurde) gele jurk ineens gevolgd door beelden van een man in een Schotse kilt, die eveneens een dansje doet. Ook wel gek, vonden de makers kennelijk. Tevens worden beelden van de stad Smyrna op tamelijk willekeurige momenten doorsneden met impressies van westerse toeristen die een bezoek brengen aan de archeologische site van Efeze, op toch zeventig kilometer afstand van Smyrna.

Films uit het Ottomaanse Rijk

Haar principe om te tonen wat ze gevonden heeft, valt te prijzen in de curator. Maar tevens legt het de nodige beperkingen van haar materiaal bloot. Het vroeg twintigste-eeuwse grondgebied van het Ottomaanse Rijk was een populaire reisbestemming voor westerse toeristen die wat te besteden hadden, of in het beste geval voor nieuwsgierige westerse filmmakers. Het door de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Saïd voor het eerst benoemde verschijnsel Oriëntalisme typeert veel filmmateriaal dat ten grondslag heeft gelegen aan Views of the Ottoman Empire. De ‘oosterling’ en zijn leefomgeving worden daarbij in de positieve zin des woords als exotisch ervaren. Maar ook als verschijnselen die voor een beschavingsoffensief in aanmerking komen.

Misschien kan het niet anders. Misschien deed film als medium toch net te laat van zich spreken om ons nog een gefilmd kijkje in het Ottomaanse Rijk met zijn censuurwetgeving ‘van binnenuit’ te verschaffen. Of misschien moet het project Views of the Ottoman Empire nog een vervolg krijgen. Als het om oud filmmateriaal gaat, kan er immers altijd weer iets ‘nieuws’ opduiken.

 

29 april 2019


ALLE ESSAYS

Cold Case Hammarskjöld

***
recensie Cold Case Hammarskjöld

Onthulling Brügger vraagt om spoileralerts, maar ook scepsis

door Paul Rübsaam

In september 1961 stortte een vliegtuig neer met aan boord Dag Hammarskjöld, de toenmalige voorman van de Verenigde Naties. Hoe dringend is de vraag nog wie er achter deze mogelijke moordaanslag zat? De Deense documentairemaker Mads Brügger stuit in zijn onderzoek daarnaar hoe dan ook op iets groters.

Nabij het plaatsje Ndola in het toenmalige Rhodesië vond men het wrak van een vliegtuig dat daar op 18 september 1961 neerstortte. Eén van de verongelukte inzittenden was Dag Hammarskjöld, de Zweedse secretaris-generaal van de Verenigde Naties die destijds bemiddelde in een conflict tussen regeringstroepen en rebellen in Congo. Nog altijd is het neergestorte vliegtuig met een mysterie omgeven. Had de piloot een fout gemaakt, zoals aanvankelijk werd gemeld? Of was er sprake van een moordaanslag op Hammarskjöld?

Hoe belangrijk zijn meer dan zevenenvijftig jaar na dato de achtergronden nog van de mogelijke aanslag op deze diplomaat? Congo heet inmiddels al lang niet meer Zaïre, toen dictator Mobutu Sese Seko er de scepter zwaaide. Het in de vroege jaren zestig door de Koude Oorlog gedomineerde wereldtoneel is ingrijpend veranderd. De mogelijke moordenaars van Hammarskjöld zijn bovendien al lang dood.

Cold Case Hammarskjöld

De Deense documentairemaker Mads Brügger (1972), die niet vies is van een beetje provocatie, betoont zich halverwege zijn documentaire Cold Case Hammarskjöld zelfs verheugd als hij iets interessanters op het spoor komt dan dit onderwerp voor ‘oude mensen’. Als we echter denken dat hij de Hammarskjöld-kwestie dan maar verder laat liggen, zouden we hem onderschatten.   

Tropenhelmen en Cubaanse sigaren
Mads Brügger maakt zijn documentaires in de zogeheten Gonzo-stijl. Als maker is hij rollen spelend zelf in beeld en wendt hij zich regelmatig tot de kijker of zijn helpers om de vorderingen van zijn onderzoek, dan wel het gebrek daaraan te bespiegelen. Naar eigen zeggen is hij serieuzer dan Sacha Baron Cohen en minder activistisch dan Michael Moore. Dat eerste is goddank zeker waar. Al flirt ook Brügger, gedreven door een weerzin tegen politieke correctheid, met het imago van de personen die hij juist ontmaskeren wil.

In Afrika, waar hij zijn onderzoek doet, is Brügger met zijn rode ringbaardje, bleke huid en tropenoutfit opzettelijk een eigenaardige, kolonialistisch ogende verschijning. Om lekker ‘fout’ te zijn, laat hij het draaiboek van zijn documentaire uittypen door twee zwarte secretaresses, die wel de gelegenheid krijgen het draaiboek te becommentariëren. Wanneer Brügger samen met de uiterst serieuze Zweedse privédetective Göran Björkdahl in Ndola het begraven wrak van Hammerskjölds vliegtuig wil gaan opsporen, neemt hij naast schoppen en een metaaldetector tropenhelmen en twee havanna’s mee. De sigaren kunnen worden opgestoken zodra de opgraving de beoogde verrassende resultaten heeft opgeleverd. Maar juist als hij volledig op dood spoor lijkt te zijn gekomen, steekt Brügger om zichzelf te troosten de dikke sigaar alvast op.

Kaartspel
Brügger houdt van spelletjes. Van het kaartspel in het bijzonder. Als je je afvraagt wat voor kaarten hij nou helemaal tegen de borst houdt, weet hij toch weer een troef op tafel te leggen, zoals de schoppenaas die in de overhemdboord van de dode Hammerskjöld was gestoken. Zijn spel als documentairemaker en de kijkervaring die hij daarmee biedt, zou je verpesten als je te veel vertelt over zijn ontdekkingen. Lastig voor de recensent is die terughoudendheid wel. Want waar Brügger uiteindelijk op stuit, is allesbehalve lachwekkend. Bovendien is zijn onthulling door verschillende media reeds kritisch besproken.

Een tipje van de sluier dan maar. Het duivelse personage waarnaar Brügger met zijn eigen outfit verwijst, blijkt een megalomane gek, die zich voordeed als arts en zich graag verkleedde als een achttiende-eeuwse Britse marineofficier. Deze man die actief was in Zuid-Afrika ten tijde van het Apartheidsregime koesterde plannen voor een soort Holocaust op het gehele Afrikaanse continent.

Cold Case Hammarskjöld

Mager bewijs
Brügger suggereert zelfs dat de ‘marineofficier’ in de jaren tachtig en negentig daadwerkelijk begonnen was zijn duivelse plannen ten uitvoer te brengen. Dat blijft echter de vraag. In onder andere The New York Times vertellen deskundigen dat hij daarvoor niet over de juiste instrumenten beschikte.

Voor wat betreft de vermoedelijke moord op Dag Hammarskjöld, met zijn voor zijn tijd progressieve ideeën over de emancipatie van de Afrikaanse landen, komt Cold Case Hammarskjöld met nieuwe getuigenverklaringen die in de richting wijzen van een mogelijke dader die al veel langer in beeld was. Maar dat was slechts een uitvoerder. Was Brüggers diabolische antagonist de man achter de moord? Ter ondersteuning van dat vermoeden komt maar één document boven tafel waarvan de authenticiteit twijfelachtig is. Brüggers ‘kroongetuige’ laat zich bovendien om hem moverende redenen graag in de door de documentairemaker gewenste richting sturen.

Vervolgonderzoek is noodzakelijk en Mads Brügger zal de laatste zijn om dat te ontkennen. Maar dat volstaat niet als excuus voor het rammelen van zijn trukendoos, die hij weliswaar op meeslepende en waar het kan vermakelijke wijze weet open te trekken. Toch toont hij minstens aan dat onze wereld wordt en werd bevolkt door mensen die gevaarlijker en geschifter zijn dan je je kunt voorstellen en dat er achter het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime krachten schuil gingen die nog monsterlijker waren dan dat regime zelf.

 

1 april 2019

 

ALLE RECENSIES