REWIND: The Bothersome Man (2006)

REWIND: The Bothersome Man (2006)
Een hel als hemel

door Paul Rübsaam

Er zijn van die films die je tot je eigen verbazing steeds opnieuw van je plankje grist. Het Noorse The Bothersome Man (Den brysomme mannen) van Jens Lien uit 2006 is er zo eentje. Misschien omdat je je blijft afvragen wat het eigenlijk voor film is. Een dystopie? Nee, het is toch erger. Het getoonde lijkt verdacht veel op de werkelijkheid.

Op een perron staan een jonge man en een jonge vrouw met een starre blik in hun ogen werktuigelijk te tongzoenen. Het smakkende geluid daarvan draagt ver in de bijna uitgestorven ruimte. Aan de rand van de rails heeft zich een transpirerende en wanhopig kijkende man in een grijs colbertje geposteerd. We horen het geluid van een snel naderende trein. De man aarzelt nog even en springt.

The Bothersome Man

Is deze openingsscène van The Bothersome Man een beschrijving van wat voorafging en biedt de rest van de film een kijkje in het hiernamaals waar onze zelfmoordenaar Andreas Ramsfjell (Trond Fausa Aurvåg) terecht is gekomen? Tot op zekere hoogte slechts, want de scène is tevens een flashforward. In het ‘hiernamaals’ zal Andreas onder identieke omstandigheden opnieuw voor de trein te springen, waarna hij weer herstelt van zijn afschuwelijke verminkingen.

Smakeloos voedsel en vioolklanken
We kunnen maar het beste beginnen met het eigenlijke begin van The Bothersome Man, dat wil zeggen: vanaf de openingsscène. Nog steeds in kantooroutfit, maar bebaard en met gymschoenen aan zijn voeten en een baseballpet op zijn hoofd arriveert Andreas als enige passagier van een autobus bij een verlaten tankstation in een vulkanisch landschap. Daar heeft een oudere man zojuist een spandoek met de tekst ‘Velkommen’ (‘Welkom’) voor hem opgehangen.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


In een klein, gedateerd ogend autootje chauffeert de oudere man Andreas vervolgens naar een stad waar een sobere flat en een betrekking reeds voor hem gereserveerd zijn. De volgende dag mag hij beginnen als werknemer van een groot bedrijf, gevestigd in een wolkenkrabber in een op de Amsterdamse Zuid-As gelijkende moderne kantoorwijk. Hij krijgt een klein, smetteloos werkkamertje toegewezen, waar hij vanachter de computer eenvoudige boekhoudkundige taken moet verrichten.

Zijn nieuwe chef en collega’s maken een niet onvriendelijke, zij het wat flegmatieke indruk. Het eten in de stad heeft echter geur noch smaak en van de ‘alcoholica’ die men verstrekt, word je niet dronken. Op de toiletten van een uitgaansgelegenheid hoort Andreas iemand zich daarover beklagen. Hij volgt deze persoon in wie hij een mogelijke geestverwant herkent ‘s nachts naar diens woning, die deel uitmaakt van een souterrain waaruit gedempte vioolklanken opstijgen. Als hij de volgende dag weer terug is op kantoor legt hij snakkend naar authentieke sensaties zijn vinger onder de papiersnijmachine. Het doet vreselijk pijn en hij bloedt hevig, maar de afgehakte vinger groeit uiteindelijk vanzelf weer aan.

The Bothersome Man

Fysiek ongeschonden, maar toenemend verontrust, vindt hij toch aansluiting bij zijn collega’s en weet hij zich aan te passen aan hun conversatiestof, die zich volledig beperkt tot het onderwerp woninginrichting. Er ontvouwt zich een sociaal leven voor hem en Anne-Britt (Petronella Barker), een niet onaantrekkelijke vrouwelijke collega, is zelfs genegen een relatie met hem te beginnen. Al gauw kan hij intrekken in haar veel ruimere huis, waar ze hun voortdurende pogingen om haar interieur nog te verfraaien afwisselen met mechanische copuleersessies.

Desillusie
Maar de relatie met Anne-Britt verveelt hem al snel. Op zijn werk heeft hij inmiddels ook de jongere, blonde Ingeborg (Birgitte Larsen) ontmoet, die best met hem uit wil. Ingeborg praat zelf niet zo veel, maar etaleert een charmante eenvoud en luistert graag naar Andreas, wat diens verlangen naar romantiek hevig aanwakkert.

De grote deceptie volgt als ook Ingeborg zielloos en gelijkmoedig blijkt te zijn. Tijdens een romantisch verrassingsdinertje bekent Andreas haar dat hij voor haar bereid is een punt te zetten achter zijn relatie met Anne-Britt. Ingeborg vindt dat echter helemaal niet nodig. Alles gaat toch prima zo? Zelf ziet ze ook drie andere mannen. Die ze trouwens best vaarwel wil zeggen, omdat ze nu eenmaal alles wel best vindt.

Wanhopig begeeft Andreas zich naar het station. Op het perron met het tongzoenende paar stort hij zich (opnieuw) voor de trein. Die houdt juist halt, maar komt weer in beweging als hij zich nog bedenken wil. Nadat drie achtereenvolgende treinen hem mee hebben gesleurd over de rails richt het verminkte, bloederige hoopje mens dat hij is geworden zich weer op en strompelt op de melancholieke klanken van Edvard Griegs Solveig’s Song door de verlaten kantoorwijk. Twee gemeenteambtenaren brengen hem tenslotte in een dienstautootje naar het huis van Anne-Britt, die haar nog hevig bloedende partner achteloos verwelkomt.

The Bothersome Man

Tunnel naar vroeger
Nadat zijn lichaam zich op wonderbaarlijke wijze, maar allerminst tot zijn vreugde volledig hersteld heeft, is Andreas’ enige hoop nog gevestigd op de vioolklanken in het souterrain. De man die hij daar heeft zien binnengaan (Per Schaanning) ontvangt hem na enge aarzeling in zijn door trossen gloeilampen verlichte, grotachtige onderkomen. Daar blijkt zich achter een opgehangen schilderijtje een gleuf in de muur te bevinden, van waaruit de vioolklanken tot hen komen. Andreas gaat de muur met een voorhamer en een drilboor lijf. Zijn aanvankelijk tegensputterende geestverwant komt hem te hulp als hen door het al groter geworden gat een heerlijke geur bereikt.

Dat Andreas ondertussen op kantoor zijn ontslag krijgt, kan hem weinig deren. Want inmiddels kunnen ze koffiedrinken in het stuk tunnel dat reeds is uitgehakt. Bejaarden die op de geur zijn afgekomen kloppen op de voordeur van Andreas’ handlanger, die ze met een smoesje afscheept. Langzaam maar zeker wordt zichtbaar wat zich aan de andere kant van de tunnel bevindt: een keuken met rood-wit geblokt zeil op de vloer, gemeubileerd met houten kastjes en tafels, met daarop schalen met verse groenten, een transistorradio en niet in de laatste plaats een aangebroken tulbandvormige, geglazuurde cake. Door een openslaande, glazen deur komt zonlicht en het geluid van spelende kinderen uit een tuin naar binnen.

Andreas weet nog juist zijn arm door het gat van de tunnel te steken en een stuk cake te bemachtigen. Terwijl gemeenteambtenaren het blijkbaar verraden tweetal door de andere kant van de tunnel weer naar buiten slepen, propt hij zijn mond vol. Zijn handlanger wordt uiteindelijk weer vrijgelaten. Maar hijzelf moet terug naar het verlaten tankstation. Daar wordt hij in het laadruim van de autobus gegooid. Als hij zich na een hobbelige en benauwde rit weet te bevrijden, belooft de sneeuwstorm waarin hij is terechtgekomen weinig goeds.

Aartsconservatief?
Is The Bothersome Man een beschrijving van het leven na de dood? De alternatieve titel voor de film: No(r) way of life geeft al aan dat het eerder gaat om een satire op het bestaande leven in Noorwegen. Andreas doet in het schijnbare ‘leven na de dood’ opnieuw een zelfmoordpoging, maar blijkt onsterfelijk te zijn, waarmee de uitzichtloosheid van zijn oorspronkelijke bestaan een cyclisch karakter krijgt.

De gedeeltelijk in IJsland opgenomen film naar een script van Per Schreiner is geen pur sang dystopie, maar een ironische schets van een ‘heilstaat’, waarin zich slechts één vervelende (‘bothersome’) dwarsligger manifesteert. De andere mensen in de stad, dood of levend, zijn dik tevreden in hun geur- en smaakloze wereld, waar een liberale seksuele moraal heerst en het interieur – in de geest van Ikea en andere Scandinavische meubelgiganten – moet dienen als de verwerkelijking van een moderne maatschappijfilosofie.

Alleen Andreas Ramsfjell, die zeurpiet, is ontevreden. Met zijn verlangen naar ware liefde en grootmoeders cake is hij de held van een film die je welbeschouwd aartsconservatief zou moeten noemen. Maar het parallelle universum van The Bothersome Man is zo beklemmend en herkenbaar dat het de sluimerende conservatieve geestesgesteldheden van de kijker onweerstaanbaar prikkelt. Een gotspe eigenlijk dat de tekst op de achterkant van het dvd-hoesje de film in één adem noemt met het intens flauwe, veel te opzichtig provocatieve Adam’s Apples (2000) van de Deense regisseur Anders Thomas Jensen (óók Scandinavische zwarte humor, ach ja..).

 

THE BOTHERSOME MAN KIJKEN: o.a. te koop via Bookspot en Ebay.

 

Meer REWIND

Última Primavera, La

***
recensie La Última Primavera 

De ontheemden ontheemd

door Paul Rübsaam

In La Última Primavera zijn we van nabij getuige van het wel en wee van de Spaanse outsidersfamilie Gabarre Mendoza. Een gemeentelijk bestemmingsplan verordonneert dat hun schamele, maar vertrouwde woning in een sloppenwijk net buiten Madrid met de grond gelijk zal worden gemaakt.

La Última Primavera (De laatste lente) is het speelfilmdebuut van de Spaans-Nederlandse regisseuse Isabel Lamberti (1987). Haar hybridedebuut met speelfilmlengte, om precies te zijn. De film waarin bestaande mensen een situatie naspelen (voorspelen) die zich in hun leven werkelijk zal gaan voordoen, bevindt zich op het grensgebied tussen speelfilm en documentaire.

La Última Primavera

Het gaat om de verschillende leden van de Spaanse familie Gabarre Mendoza. Je zou ze ‘zigeuners’ kunnen noemen, maar over de juistheid van die term valt te twisten. Ze leven in ieder geval met veel familieleden onder één dak en bevinden zich zowel wat hun huisvesting als hun werkzaamheden betreft in de marge van de samenleving. Hun zelfgebouwde woning in de sloppenwijk La Cañada Real, net buiten Madrid, zal evenals alle andere woningen daar gesloopt worden en dat maakt hun toekomst uiterst onzeker.

Oude bekenden
Het hybridegenre is niet nieuw voor Lamberti. Ook de personages in La Última Primavera zijn tot op zekere hoogte oude bekenden van haar. In haar eerdere korte film Volando Voy (Vliegend ga ik, 2015) draaide het al om twee jongens die in La Cañada Real woonden en de avonturen die zij beleefden op de ellenlange weg langs snelwegen en verlaten bouwterreinen die zij lopend van school naar huis af moesten afleggen.

Eén van die twee, David Gabarre Mendoza, is in de tussenliggende jaren van een beginnende puber een jongeman geworden. Hij wil soms een beetje stoer doen, maar heeft eigenlijk een klein hartje. Tegen heug en meug laat hij zich overhalen om onderdelen van gestolen auto’s te helen. Tegelijkertijd betoont hij zich een ambitieuze leerling bij zijn kappersopleiding en solliciteert hij fanatiek naar een baan in een kapperszaak.

Davids oudere broer Ángelo is getrouwd met María, tot ongenoegen van haar in een keurige flat in Madrid wonende moeder. Ze hebben een zoontje dat aan het begin van de film zijn derde verjaardag viert. Het drietal woont in bij Ángelo’s eigen ouders, die naast Ángelo en David nog een zwangere dochter hebben en een zoontje van negen. De Gabarre Mendoza’s zijn het zo gewend en willen het ook zo. De ambtenaren die moeten beslissen over het toewijzen van een nieuwe woning aan de familie hebben hier echter andere ideeën over.

De (groot)vader van de familie, een schroothandelaar die evenals zijn zoon David heet, volgt een computercursus om de aanvraag voor een nieuwe woning zo goed mogelijk te laten verlopen. Ook is hij is steevast van de partij bij door de gemeente Madrid georganiseerde inspraakavonden. De bureaucratie waarop hij stuit, maakt hem soms moedeloos. Als hij daarover verslag doet aan zijn vrouw Agustina reageert zij vaak emotioneel.

Over de vraag wannéér de woning van de familie Gabarre Mendoza en de andere woningen in La Cañada Real precies gesloopt zullen worden, laten de ambtenaren grote onduidelijkheid bestaan. Die onduidelijkheid heeft de nodige gevolgen. Zo vraagt vader David zijn buren toch nog om mee te betalen aan een betere elektriciteitsvoorziening voor de sloppenwijk. Aangezien de toekomst echter zo onzeker is, wil niemand zo’n investering doen.

La Última Primavera

Kaal en onbestemd
De vorm die de regisseuse voor haar film gekozen heeft, werkt gedeeltelijk. Je kunt je in ieder geval goed identificeren met haar waarachtige personages. Maar dat niet alles wat de Gabarre Mendoza’s overkomt op het moment van filmen daadwerkelijk plaatsvindt, leidt er ook toe dat La Última Primavera bij de kijker een wat kale en onbestemde indruk achterlaat.

Het is duidelijk dat de familieleden met hun sterke onderlinge banden gehecht zijn aan hun woning en hun manier van leven in La Cañada Real. Tamelijk laat in de film blijkt echter ook dat het dicht op elkaar zitten onder oncomfortabele omstandigheden aanleiding kan zijn voor ruzies en spanningen. Is die verhuizing die wel een beetje wordt nagespeeld, maar waar we niet werkelijk getuige van zijn dan alleen maar slecht, ga je je als kijker afvragen. ‘Show, don’t tell’ luidt het voorschrift voor schrijvers en filmmakers. Je kunt dat ook omdraaien. Isabel Lamberti laat in samenwerking met haar niet-professionele acteurs zeker het nodige zien. Maar wat wil ze precies vertellen?

 

25 oktober 2020

 

ALLE RECENSIES

Chili

***
recensie Chili

Veertig breedtegraden in vijftig minuten

door Paul Rübsaam

De duizenden kilometer lange sliert land die Chili heet, vormt wat betreft landschap, flora en fauna een dwarsdoorsnede van het zuidelijk halfrond. Kun je dat laten zien in een natuurdocumentaire van slechts vijftig minuten?

Na een afwezigheid van twintig jaar keerde de natuurdocumentarist Christian Muñoz-Donoso terug naar Chili om de ontzagwekkende en veelzijdige natuur van zijn geboorteland te vereeuwigen. Chile: A Wild Jouney werd een serie in acht delen. Het laatste deel vat de serie samen en fungeert nu als bioscoopfilm met dezelfde naam.

Chili

Die vijftig minuten durende documentaire begint en eindigt in het nationaal park Torres del Paine in het zuidelijke Patagonië. Tussendoor krijgen we onder andere de vijfduizend kilometer noordelijker gelegen Atacama-woestijn te zien. Er worden reuzensprongen gemaakt, maar wel met de nodige primeurs.

Walvisdialect
In het naar het Paine-bergmassief met zijn imposante torenspitsachtige bergen genoemde Torres del Paine bevolken grote kuddes guanaco’s (lama-achtigen) de lager gelegen heuvels en prairies. Zij vormen het voedsel voor de poema’s, die evenals de guanaco’s door de jacht lange tijd met uitsterven bedreigd zijn geweest. In het warme licht van de late middagzon zien we een moederpoema stoeien met haar welpen en deze later ook zogen. Nooit eerder werd dit laatste in het wild gefilmd.

Westwaarts, in de richting van de Grote Oceaan, verandert het Patagonische landschap. Tal van eilanden flankeren de grillige kustlijn. Nabij het Chiloë-eiland is de voedselrijke zee het domein van een ander mythisch dier: de blauwe vinvis. De Chileense variant van dit grootste dier op Aarde vormt een ondersoort en beschikt over een eigen ‘dialect’. Voor het eerst kunnen we dit geluid, dat doet denken aan het gepuf van een stoomschip, horen.

Niet ver van de wateren waar het grootste zeezoogdier op Aarde huist, bevindt zich de verblijfplaats van het kleinste: de zuidelijke zeeotter. Met aanstekelijk hedonisme nuttigt dit dier ruggelings op het water dobberend de schaaldieren die hij uit de zee heeft opgedoken. Evenals andere dieren die leven in dit deel van de oceaan wordt de otter in zijn voortbestaan bedreigd door de winning van zeewier en de toenemende huizenbouw aan de Chileense kust.

Chili

Bloemenzee
Veel noordelijker, op een eiland ter hoogte van de Atacama-woestijn, hangen vampiers met hun tenen aan de wanden van een grot. Deze vleermuissoort heeft een weinig aantrekkelijk snuitje, maar is ongevaarlijk voor mensen. Wél leeft de vampier van bloed, zoals Charles Darwin in de negentiende eeuw ontdekte. Maar dan alleen van dat van vogels en kleine zoogdieren.

In de open vlakte van de Atacama voltrekt zich nu en dan een merkwaardig verschijnsel. Onder invloed van het weerfenomeen El Niño valt er eens in de zoveel jaar een aanmerkelijke hoeveelheid regen. Die doet de woestijn geleidelijk aan groen kleuren, tot er uiteindelijk een veelkleurige bloemenzee ontluikt. Zelfs een hagedis, die zich normaal gesproken met insecten voedt, kunnen we dan naar bloemblaadjes zien happen. Ook dit werd volgens de makers nooit eerder met een camera vastgelegd.

Chili

Meer hoogtepunten
De kleinste katachtige van Amerika: de zogeheten Kodkod, de kleinste hertensoort: de Pudu en de rode Chileense klokbloem (de nationale bloem) passeren nog de revue. Alsmede de Degoe, een knaagdier dat veel weg heeft van een kruising tussen een rat en een konijn. In de hete zomers kan deze wekenlang rustig wachten tot de wind de peulen uit een meidoornboom blaast, waarna hij die buit vervolgens zo snel als hij kan naar zijn in de schaduw gelegen hol sleept.

Weer terug in Patagonië zien we dat niet alleen de poema zich te goed doet aan het vlees van de guanaco’s. De chilla, een grijze Zuid-Amerikaanse vos, doet dat eveneens, maar dan als aaseter. Evenals de condor, de koningsgier die met zijn voor het Guinness Book of Records in aanmerking komende spanwijdte in een Zuid-Amerikaanse natuurfilm niet mag ontbreken.

Chili is bijna voortdurend ademberovend. Er ontbreekt echter een narratieve structuur die de kijker het gevoel kan geven dat hij Chili in zijn eigen tempo mag ontsluieren. In plaats daarvan wordt hij meegesleept van het ene record naar het volgende extreem. Dat bevredigt niet helemaal, maar maakt wel benieuwd naar de gehele achtdelige serie.

 

21 september 2020

 

ALLE RECENSIES

Sidik en de panter

****
recensie Sidik en de panter

De bergen als enige vrienden

door Paul Rübsaam

Koerdistan is officieel geen land, maar heeft wel een eigen taal, een eigen leger en een beeldschoon berglandschap. In Sidik en de panter van Reber Dosky zoekt Sidik Barzani in dat landschap naar de uiterst zeldzame Perzische panter. De vondst van het dier zou volgens hem de redding van de geplaagde Koerdische bevolking betekenen.

Van afstand nemen we een man waar die met een lange wandelstok voortploegt over besneeuwde hellingen, waar kale bomen uit omhoog steken. Van dichtbij gezien blijkt hij ergens in de vijftig te zijn. Hij draagt een donkergroen windjack en om zijn hoofd een Koerdische sjaal.

Sidik en de panter

Samen met hem kan de kijker het landschap van de autonome Koerdische regio in Noord-Irak verkennen. Dat blijkt afwisselend: hoge bergen met steile wanden, grillige rotsformaties en groene valleien. Steenbokken, eekhoorns, wolven uilen en gieren vallen er te spotten, maar ook fraaie kleine vogels.

Indrukken
De natuurvorser en pelgrim Sidik Barzani, het centrale personage in de geëngageerde natuurdocumentaire
Sidik en de panter, bedient zich hoofdzakelijk van een verrekijker die nog van zijn grootvader is geweest, een kleine aantekenboekje en een ballpoint. Met behulp van dat laatste instrument schat hij tevens de afmetingen van een pootafdruk in de sneeuw, die naar hij hoopt afkomstig is van de Perzische panter waarnaar hij al vijfentwintig jaar op zoek is.

Sidik noteert niet alleen zijn feitelijke bevindingen, ook zijn gedachten over de natuur, de mens en Koerdistan schrijft hij op. Voorts legt hij zijn indrukken vast van de ontmoetingen die hij onderweg met anderen heeft: ouderen, jongeren, oorlogsweduwen, boeren en gelukszoekers. De gesprekken gaan over de lang verbeide panter, maar ook over de bewogen geschiedenis van de mensen die in het gebied wonen. Ondanks het huidige zelfbestuur van de Koerden ligt de terreur van de voormalige dictator Saddam Hoessein bij velen, waaronder Sidik zelf, nog vers in het geheugen.

Sidik en de panter

Gedenkteken
Ook Reber Dosky, de regisseur van de documentaire, meldt zich om aan Sidik zijn verhaal te vertellen. Hij doet dat als de natuurvorser is aangekomen bij de plaats waar Dosky’s grootvader als Peshmergastrijder in 1975 (het jaar van Dosky’s geboorte) in een hinderlaag liep, waarna hij door Saddams mannen wreed werd vermoord. Onder de vaderlijke leiding van Barzani zien we een geëmotioneerde Dosky met keien en veldbloemen een gedenkteken voor zijn grootvader maken.

Een niet te strikte scheiding tussen de mensen achter de camera of andere verslaggevers en de direct betrokkenen bij het verhaal dat verteld wordt, zou je een handelsmerk kunnen noemen van de Koerdisch-Nederlandse documentairemaker Reber Dosky. In zijn eerdere documentaire Radio Kobanî (2016) kreeg de jonge Koerdische radioverslaggeefster Dilovan Kîko door een van haar studiogasten bijvoorbeeld de vraag voorgelegd hoe ze zelf de bezetting door IS en de latere bevrijding van de Koerdische stad Kobanî in Noord-Syrië had beleefd.

Evenals Dilovan Kîko was de protagonist van Sidik en de Panter al eerder een bekende van de regisseur. Deze had zich tot hem gewend nadat hij Dosky’s documentaire De Lokroep (2013) had gezien. Afgaande op een poster van die film (over de mislukte hereniging van een vader en zijn zoon in Koerdisch Oost-Turkije) dacht Barzani dat de Koerdische natuur daarin centraal zou staan. Tot zijn teleurstelling bleek dat niet het geval te zijn. Met Sidik en de Panter heeft Dosky dit op zijn eigen manier rechtgezet.

Sidik en de panter

Vertwijfeling en hoop
Het contrast tussen Sidik en de Panter en met name Radio Kobanî lijkt op het eerste gezicht immens. De beelden van het opgraven van half vergane lijken onder het puin van Kobanî in laatstgenoemde documentaire zijn verbijsterend. In Sidik en de Panter daarentegen zien we zelfs niets van de jacht die de alom aanwezige dieren op andere dieren maken. Maar terwijl Radio Kobanî hoopvol eindigt, vormen in Sidik en de Panter de vertelde verhalen een virtuele wond in het ogenschijnlijk zo fraaie landschap.

‘De bergen zijn de enige vrienden van de Koerden’, luidt een door Peshmergastrijders ondertekende tekst die Sidik ergens in de wand van een grot gekrast ziet staan. Het is niet direct een boodschap waarvan je vrolijk wordt. Toch is Sidik ervan overtuigd dat in die bergen de verlossing zich zal aandienen. Als het vrede blijft en de natuur zich verder herstelt, keert de panter hoe dan ook terug. Koerdistan zou dan de status van nationaal park kunnen krijgen en nooit meer gebombardeerd worden.

Wie scherp wil slijpen, ontwaart in Sidik en de panter wellicht een zweem van naïviteit. ‘Koerdistan’ is een lappendeken verspreid over vijf verschillende landen, de Koerden zelf zijn onderling verdeeld en in de Koerdische gebieden wonen tal van mensen met een andere etniciteit. Het neemt niet weg dat Reber Dosky er zonder meer in is geslaagd de barrière te slechten tussen de vaak voor escapistisch versleten liefde voor ongerepte natuur en de soms al te verstedelijkte atmosfeer van gangbaar politiek engagement.

 

5 september 2020

 

ALLE RECENSIES

Gli anni più belli

**
recensie Gli anni più belli

Italiaanse Breakfast Club wordt ouder

door Paul Rübsaam

Gli anni più belli behandelt een vriendschap tussen vier personen over een periode van bijna veertig jaar. Menig kijker zal in minstens één van de protagonisten iets van zichzelf herkennen. Maar de pretentie dat de ontwikkeling van de tijdgeest van 1982 tot 2020 wordt geschetst, maakt deze clichématige Italiaanse film niet waar.

Aanvankelijk, we schrijven 1982, zijn ze met zijn tweeën: Giulio en Paolo, twee zestienjarige Romeinse jongens. Tuk op sensatie sluiten de vrienden zich aan bij een politieke demonstratie, waartegen de politie hard optreedt. Een politiekogel treft een leeftijdgenoot in zijn buik. Giulio en Paolo brengen de onbekende jongen naar het ziekenhuis. Riccardo, zoals hij blijkt te heten, overleeft het. Voortaan zijn de drie jongens onafscheidelijk.

Gli anni più belli

De vastberaden Giulio (Pierfrancesco Favino), de dromerige jonge intellectueel Paolo (Kim Rossi Stuart) en ongeleid projectiel Riccardo (Claudio Santamaria) beleven een mooie zomer in het huis aan een meer van Riccardo’s vrijgevochten ouders. Spoedig daarna zet Paolo als eerste zijn schreden op het liefdespad. Met een spreekbeurt over vogels, waarbij hij zijn eigen parkiet Lucy als voorbeeld gebruikt, maakt hij indruk op zijn vaderloze klasgenote Gemma, wier moeder ernstig ziek is. Gemma (Micaela Ramazzotti) wordt het meisje van Paolo, die haar aanbidt. Maar ook voor Giulio en Riccardo is ze de vriend(in) die het kwartet completeert.

Het enige dat het viertal nog mist is een vehikel waarmee de nodige avonturen beleefd kunnen worden. Giulio weet een van de sloop geredde, rode Mercedes-cabriolet weer aan de praat te krijgen. Nadat het uitgelaten viertal zijn eerste ritje heeft gemaakt, laat het zich met het voertuig op de achtergrond vereeuwigen door een voorbijganger. Die foto zal slechts een momentopname blijken. Want Giulio’s vader verkoopt de auto, wat tot een definitieve breuk met Giulio leidt. En ondertussen sterft Gemma’s moeder.

Gli anni più belli

Tijdsbeeld?
Gemma gaat bij haar tante in Napels wonen, waar ze zich in het ruige uitgaansleven stort en een relatie aanknoopt met een Napolitaanse cokedealer. Paolo moet het doen met haar van tranen doordrenkte afscheidsbrief. Giulio gaat rechten studeren en neemt zich voor het op te gaan nemen voor de zwakkeren in de samenleving. Paolo begint aan een studie Italiaans en klassieke talen en Riccardo beproeft zijn geluk als figurant bij theaterproducties.

Allengs worden de tijdsprongen in Gli anni più belli (De mooiste jaren) groter. Als we wat archiefbeelden zien, bijvoorbeeld van 9 november 1989, de dag waarop de Berlijnse muur viel, horen we ondertussen Giulio verklaren dat hij uitgerekend op die dag afstudeerde. Dan weten we welk jaar het is en bovendien in welke levensfase het personage zich bevindt. Naar een verband tussen die levensfase en dat algemene tijdsgewricht blijft het echter gissen.

Om veel te kunnen zeggen met één beeld sleept regisseur Gabriele Muccini (A casa tutti bene, 2018) voorts de clichés binnenboord. Op het huwelijksfeest van Riccardo en zijn bruid Anna, ergens in de jaren negentig, flirt de tijdelijk weer bij Paolo teruggekeerde Gemma met Giulio. Ze doet dat middels verleidelijke heupbewegingen op de maat van het door een gelegenheidsbandje ten gehore gebrachte Don’t you (forget about me) van The Simple Minds. Kon Muccini niet met een originelere keuze komen dan dit overbekende nummer uit de vermaarde Amerikaanse tienerfilm The Breakfast Club (1985)?

Nog zo’n voorbeeld. Als de maatschappelijk aan lager wal rakende Riccardo de enige blijkt met wie Gemma een platonische, maar werkelijk vriendschappelijke relatie onderhoudt, moet dat gevierd worden, waarbij we niet mogen vergeten dat we ons in Rome bevinden. Dus nemen Gemma en Riccardo een bad in de Trevifontein, om La Dolce Vita (1960) van Federico Fellini maar weer eens te citeren.

Gli anni più belli

De trap van haar leven
‘Herkenning’ is zonder twijfel het sleutelwoord bij Gli anni più belli. Daarvoor heb je tevens aanraakbare personages nodig. Dat die inderdaad ten tonele worden gevoerd, mag wél een verdienste heten van zowel de regisseur als de acteurs.

Als kijker ben je geneigd de advocaat Giulio te verguizen als hij zijn idealen inlevert voor aanzien en geld. Maar je kunt hem ook begrijpen. Dat laatste geldt eveneens voor Riccardo, die na twaalf ambachten en dertien ongelukken nog maar één ding verlangt: de liefde van zijn zoon. De geboren docent Paolo gun je voorts dat hij eindelijk eens als zodanig mag schitteren.

En dan Gemma. Na de dood van haar moeder ontwikkelt ze zich tot een opportunistische, bittere jonge volwassene. Maar op middelbare leeftijd ontdooit ze weer. Ze vormt het middelpunt van een scène waarin ze ‘de trap van haar leven’ beklimt. Stuivend over de treden, van verdieping naar verdieping steeds ouder wordend, komt ze uiteindelijk aan bij de kamer waar haar geluk wacht. Een knappe montage en een beeld dat je bijblijft, in een film echter waarin het meeste hout van te dikke planken wordt gezaagd.

 

1 augustus 2020

 

ALLE RECENSIES

Sing me a Song

***
recensie Sing me a Song

De verlokkingen van Bhutan

door Paul Rübsaam

Tot eind vorige eeuw nog was er in het Himalayastaatje Bhutan geen elektriciteit en geen televisie. De ontwikkelingen daar zijn echter razendsnel gegaan. In de documentaire Sing me a Song is de jonge boeddhistische monnik Peyangki non-stop in de weer met zijn smartphone en droomt hij van de meisjes in het hoofdstadje Thimphu.

‘Heer der Heren, u overwint al het kwaad. U straalt de zoete levensgeur uit en onderwerpt de schaduwen der onwetendheid…’ Een groep jonge monniken in kleermakerszit, waaronder de zeventienjarige hoofdpersoon Peyangki, brengt zingend deze en andere gebedsstrofen ten gehore. Ondertussen zitten de jongens, niet één uitgezonderd, met een smartphone te chatten of een videogame te spelen. Het is één van de opmerkelijke scènes uit de geromantiseerde documentaire Sing me a Song van de Franse regisseur Thomas Balmès.

Sing me a Song

Monnikenbestaan
Eerder kreeg de samenwerking tussen Balmès en zijn protagonist gestalte in de documentaire Happiness (2013). Daarin zien we Peyangki als onbevangen klein jongetje dat met hart en ziel voor het monnikenbestaan heeft gekozen, maar wel blij is als er eindelijk in het dorpje Laya, waar hij vandaan komt en waar ook de tempel is gevestigd, een elektriciteitsnet en een asfaltweg worden aangelegd. Verschillende fragmenten uit Happiness keren in Sing me a Song terug als flashbacks.

Eigenlijk begon de voorgeschiedenis van Sing me a Song nog eerder. In 1998 al, toen de toenmalige koning van Bhutan, Jigme Singye Wangchuck, het groene licht gaf voor de komst van elektriciteit, televisie en internet in het traditionele boeddhistische koninkrijk. Of zelfs daarvoor nog, toen Balmès zonder aan Bhutan en de nog niet geboren Peyangki te denken al rondliep met plannen voor een film over de ingrijpende gevolgen van de ontwikkelingen in de communicatietechnologie.

Liefdesliedjes
In Sing me a Song zien we Peyangki nog altijd braaf de ontelbare kaarsjes in de gebedsruimte van de tempel aansteken. Ook probeert hij de teksten van de belangrijkste gebeden op te schrijven en uit zijn hoofd te leren. Maar van dat laatste brengt hij weinig terecht, tot ergernis van zijn leermeester en zijn moeder, die af en toe op bezoek komt.

Sing me a Song

Hij verkeert namelijk in andere sferen. Met de verkoop van de medische paddenstoelen die hij in het hooggebergte plukt, hoopt hij een eigen bestaan op te kunnen bouwen. Maar vooral is hij in de ban van Ugyen, een meisje dat hij via de chatbox WeChat heeft leren kennen. Ze treedt op als zangeres in Thimphu en zingt op zijn verzoek liefdesliedjes voor Peyangki.

Als de jonge monnik op een gegeven moment een lift krijgt naar Thimphu, het hoofdstadje waar het inwonertal de afgelopen twintig jaar bijna is verdrievoudigd naar 115.000, ontmoet hij daar Ugyen in levende lijve. Ze blijkt wat ouder dan hij. Haar carrière als zangeres is niet datgene wat hij zich ervan voor had gesteld. Bovendien draagt ze van een eerdere relatie nog de sporen met zich mee en koestert ze plannen om Bhutan te verlaten. Voor Peyangki dreigt zich een desillusie af te tekenen.

Steriel
De beelden van de hoogvlaktes in de Himalaya, het klooster in het op vierduizend meter hoogte gelegen Laya en het rap moderniserende Thimphu zijn indrukwekkend. Tevens valt het niet moeilijk sympathie op te vatten voor de introverte Peyangki met zijn melancholieke, grote bruine ogen. Een gevoel van verbijstering is voorts onontkoombaar als het de snelheid betreft waarmee het traditionele, ongerepte Bhutan en zijn inwoners veranderen.

Toch maakt Sing me a Song een ietwat steriele indruk. Mogelijk heeft dat te maken met de achter de schermen te aanwezige regisseur, die zelf het televisiekijken geheel heeft afgezworen en niet alleen met Happiness, maar ook met eerdere documentaires als Maharadjah Burger (1997) en Christ comes to the Papuans (2001) al de twijfelachtige invloed van de westerse wereld wilde schetsen op verre landen met een rijke culturele en religieuze traditie.

Sing me a Song

Neem de eerder beschreven scène met de biddende en chattende monniken. Zou er in werkelijkheid niet één zijn geweest die tijdens het gebed niet met zijn smartphone zat te spelen? Een bepaalde mate van enscenering moet een rol hebben gespeeld. En dat gevoel heb je vaker. Kijken we werkelijk naar het leven van Peyangki, of eerder naar diens uitbeeldingen van Balmès’ beweringen over de teloorgang van traditionele beschavingen?

Ook als Sing me a Song de ontwikkelingen in Peyangki’s leven getrouw weergeeft, kun je je afvragen of die ontwikkelingen zo dramatisch zijn. Wordt het zuivere joch door de moderne communicatietechnologie ten gronde gericht? Of maakt hij op zijn manier mee wat opgroeiende jongens overal en altijd meemaken en komt het wel weer goed met hem? Het zijn vermoedelijk niet de vragen die Balmès ons mee wilde geven.

 

27 juli 2020

 

ALLE RECENSIES

Yellowstone

***
recensie Yellowstone

Het nut van beren en wolven

door Paul Rübsaam

De oude berenmoeder Qoad Mom en de eenzame wolf Blacktail zijn de helden in de natuurdocumentaire Yellowstone. Samen met hun soortgenoten herstellen deze vleeseters het natuurlijk evenwicht in het oudste natuurreservaat ter wereld.

Onder invloed van de excentrieke geleerde en globetrotter Alexander von Humboldt (1769-1859) won in de loop van de negentiende eeuw de opvatting terrein dat natuur een kostbaar, maar ook kwetsbaar goed is. Dat resulteerde onder andere in de opening in 1872 van het Amerikaanse Yellowstone National Park. Vanaf dat jaar hebben het landschap van dit oudste nationale park ter wereld en een deel van de dieren die er leven een beschermde status.

Yellowstone

Het inzicht dat niet alleen prooidieren, maar ook roofdieren als beren, wolven, coyotes en poema’s bescherming verdienen, is van veel recentere datum. Aanvankelijk opende het Amerikaanse leger in Yellowstone Park juist de jacht op de verguisde vleeseters. Zo werd de laatste grijze wolf in 1926 doodgeschoten en was het lot van de grizzlyberen niet veel beter. Alleen coyotes met hun grote aanpassingsvermogen en de voornamelijk ‘s nachts actieve poema’s wisten min of meer stand te houden.

Uit balans
De natuurdocumentaire Epic Yellowstone – Return of the Predator van de Amerikaanse regisseurs Eric Bendick en Tom Winston vertelt ons echter dat het ecosysteem van Yellowstone uit balans raakte door de afwezigheid van de grote vleeseters. Bij gebrek aan natuurlijke vijanden graasden de grote kuddes van herbivoren de weides van het park volledig kaal. Er moest dus iets gebeuren.

In 1995 werden er vijftien in Canada gevangen grijze wolven in Yellowstone losgelaten Maar zouden de dieren het redden? Zouden ze hun ecologische taak naar behoren weten te vervullen? Dezelfde brandende vraag kon gesteld worden naar aanleiding van de gedecimeerde grizzlyberen met hun tijdrovende paringsrituelen en lange draagtijd.

Stoere protagonisten
Yellowstone roept enige associaties op met televisiezenders als RTL 7 en National Geographic. Je zou het een natuurdocumentaire ‘voor mannen’ kunnen noemen. Niet het broedgedrag van kleine vogeltjes staat centraal, maar de survival van beren en wolven, die zich wagen aan de jacht op bizons en elanden, toch ook niet de kleinste vertegenwoordigers van het dierenrijk. De voice-over van de Amerikaanse acteur Bill Pullman, met zijn doorrookte, ietwat hees klinkende stem, voorziet de wederwaardigheden van de vleeseters van commentaar. Het brengt bij de kijker een westernachtig gevoel teweeg.

Roofdieren zijn anders dan plantenetende prooidieren, wier voedsel alom aanwezig is, volledig afhankelijk van vlees. Hun jachtpartijen zijn lang niet altijd succesvol, waardoor ze regelmatig balanceren op de rand van de hongerdood. Toch weten de wolven die zich verenigd hebben in roedels met illustere namen als The Mollie Pack en The Wapiti Pack het te redden in Yellowstone. De enige eenzaat is de jonge wolf Blacktail. Pullman spreekt diens naam uit met een mannelijke snik in zijn stem.

Yellowstone

Voor de grizzlyberen is de vruchtbare berin Quad Mom het boegbeeld. Ze dankt haar naam aan een nest met maar liefst vier welpen, een zeldzaamheid onder grizzlyberen, wat in 2010 een ferme bijdrage aan het opkrikken van het berenbestand in Yellowstone betekende. Quad Mom is herkenbaar aan een litteken op haar voorhoofd, een herinnering aan een gevecht met een mannetjesgrizzly die haar welpen wilde doden.

Seizoenen
Bendick en Winston hadden het geluk dat zich tijdens de opnames van de documentaire een enkele minuten durende volledige zonsverduistering boven Yellowstone voltrok, terwijl de volgende pas over 235 jaar te verwachten is. Het levert prachtige beelden op. Voor het overige dienen de vier seizoenen als weinig origineel fundament voor het draaiboek.

Maar helemaal voorspelbaar is Yellowstone toch niet. Als recensent moet je wel degelijk op je hoede zijn voor spoilers. Vindt Blacktail nog aansluiting bij een roedel? Zullen de twee laatste welpen van de eigenlijk al te oude berenmoeder Quad Mom hun winterslaap overleven? We zullen het niet verklappen.

 

26 juli 2020

 

ALLE RECENSIES

Elephants Up Close

***
recensie Elephants Up Close

De porseleinkast van het olifantenbestaan

door Paul Rübsaam

In de natuurdocumentaire Elephants Up Close leren we olifanten van nabij kennen. Het blijken fijnzinnige, sociale en in hun voortbestaan bedreigde dieren. Hun tere huid heeft bovendien regelmatig een modderbad nodig.

Natuurdocumentaires dienen van oudsher tot lering en vermaak. De lering is de laatste decennia echter op de voorgrond komen te staan. Nadrukkelijk confronteren hedendaagse documentaires ons ermee dat natuur een welhaast museaal begrip is geworden. Door de alomtegenwoordigheid van de mens bestaat de huidige wereld louter uit steden, dorpen, weilanden, akkers en plantages, met nog slechts hier en daar ruimte voor een natuurreservaat.

Elephants Up Close

De spectaculaire ontwikkeling van de cameratechnieken stelt ons evenwel in staat de levens van onze niet menselijke medeschepselen in hun steeds kleiner wordende habitat nauwkeurig te registreren. We leren veel dieren wrang genoeg pas echt kennen nu het bijna te laat is.

Weinig kijkers zullen ooit eerder olifanten van zo dichtbij en in zulke grote getale hebben gezien als in Elephants Up Close (Elefanten Hautnah), een documentaire van de Duitse regisseurs Jens Westphalen en Thoralf Grospitz, die in het kader van Wild Life Film Festival Rotterdam on tour (door de coronacrisis uitgesteld) de landelijke bioscopen aandoet. In close-ups zien we de lange zwarte wimpers rond de kleine ogen van de zachtaardige reuzen. En middels panoramashots vanuit de lucht de bijeenkomst van vele honderden olifanten bij een drinkplaats.

Verfijnde communicatietechnieken
De kolossale, tonnen wegende olifanten zijn allesbehalve onkwetsbaar, zo vernemen we. In voorbije jaren waren er diverse plaatsen in Afrika waar de dieren met velen bijeenkwamen. Maar door stroperij en de toenemende droogte op het Afrikaanse continent vormen de rivierdelta’s in het noorden van Botswana (nabij de grens met Namibië) nog een van de weinige gebieden waar je de dikhuiden in groten getale kunt zien.

De als nomaden voorttrekkende olifanten leven in familieverbanden, met een zekere scheiding tussen stierenkuddes en koeienkuddes. Van de koeienkuddes maken de kalveren van uiteenlopende leeftijd deel uit. Een koeienkudde wordt aangevoerd door een matriarch, wier zusters en volwassen dochters tevens tot de kudde behoren. Ieder lid van deze groep draagt verantwoordelijkheid voor alle kalveren.

Verschillende olifantenfamilies kunnen allianties met elkaar aangaan. Olifanten zijn met hun verfijnde communicatietechnieken in staat deel uit te maken van grotere gemeenschappen. Van het scala aan verschillende geluiden dat ze met hun stembanden voortbrengen, is een deel voor mensen onhoorbaar. Die diepe geluiden laten ze met behulp van hun poten via de grond resoneren, zodat soortgenoten de vibraties met informatie over drinkplaatsen, aankomende stormen en dergelijke op grote afstand op kunnen vangen.

Elephants Up Close

Behendig en kwetsbaar
Zoals bekend beschikken olifanten over een uitstekend geheugen. De ooit naar een drinkplaats afgelegde route wordt jaren later nog feilloos gevolgd. Maar niet alleen de intelligentie en sociale gezindheid van olifanten doet bijna menselijk aan. Met hun slurf, hielen en tenen kunnen de schijnbaar plompe dieren tevens verfijnde bewegingen maken. Een scène in Elephants Up Close waarin een stier het lichaam van een aan dorst overleden, bevriende soortgenoot aan een nauwkeurig, maar teder onderzoek onderwerpt, laat dat fraai zien.

Dat olifanten graag een modderbad nemen, wijst eerder op hun kwetsbaarheid, dan op hun slechte manieren. Het modderlaagje beschermt hen tegen de felle Afrikaanse zon, die zelfs voor hun dikke, donkergrijze huid te veel kan zijn. Bovendien is de modder een probaat middel tegen hinderlijke insecten en parasieten.

Pro olifant
Zoals niet verbazen zal, zijn de documentairemakers bij uitstek pro olifant. Dat olifanten met hun vraatzucht het landschap van de savannen zouden verwoesten, wordt gerelativeerd. Dat landschap herstelt zich wel weer. Men benadrukt daarentegen dat olifantenuitwerpselen voedzaam zijn en dat onder anderen bavianen en vlinders zich eraan te goed kunnen doen.

Westphalen en Grospitz hopen dat wie de grijze gigant beter leert kennen vanzelf van het dier zal gaan houden. De boodschap dat het lot van het grootste landzoogdier op aarde in onze handen ligt, wordt niet al te fanatiek ingewreven. De kijker hoeft zich slechts te verwonderen over de leefwijze en de talenten van de sympathieke dieren met hun koddige koters. Dat moet het begin zijn van een verandering in ons denken die de olifanten uiteindelijk ten goede komt.

 

27 juni 2020

 

ALLE RECENSIES

Vliegende Hond, De

****
recensie De vliegende Hond

De grens tussen passie en obsessie

door Paul Rübsaam

Filmmaker Johannes Hogebrink heeft een droom: een hond te laten vliegen. Al meer dan zes jaar probeert hij die droom te verwezenlijken. Maar vindt zijn hond Chayka dat wel zo leuk?

‘Van mij hoefde het niet. Maar ja, ik wilde ook niet lullig doen’, horen we het uit Bosnië afkomstige terriërachtige bastaardhondje Chayka zeggen in een voice-over waarvoor hij het vermaarde stemgeluid van cineast Frans Bromet heeft geleend. Met hondentrouw, scepsis en toenemende nervositeit slaat hij de pogingen van zijn baas Johannes gade om een deltavleugel op maat voor hem te vervaardigen.

De vliegende Hond

‘De eerste die aan de zwaartekracht ontsnapte, was een hond. Net als ik. En daarom is Laika de allergrootste held ooit’, overpeinsde de schijnbaar filosofisch gestemde Chayka (Russisch voor meeuw) al eerder. ‘Tenminste, als ik het goed heb begrepen’, voegde hij daar nog aan toe. Hij lepelde immers maar op wat Johannes hem wilde laten geloven. Dat de Russische hond Laika, die in 1957 als eerste levende wezen in een raket rond de aarde cirkelde al naar korte tijd stierf door stress en oververhitting, heeft zijn baas hem niet verteld.

Droom
Chayka is niet degene die een droom koestert, maar zijn baas: filmmaker, kunstschilder en beeldhouwer Johannes Hogebrink (1976). Hogebrink moet en zal zijn hond leren deltavliegen en wil daar per se een film over maken. De documentaire De vliegende Hond vormt zowel voor wat het eerste als het tweede betreft het verslag van zijn pogingen.

Hogebrink liep al met zijn plannen rond toen zijn vorige hond Sopje nog leefde. Maar Sopje, die zelfs Hogebrinks fiets durfde te besturen, overleed in 2013. Nu moet de arme Chayka, getraumatiseerd als hij is door het harde straathondenbestaan in Bosnië zich ontworstelen aan de slagschaduw van zijn aanbeden voorganger.

De bergen in
In Nederland maakt Hogebrink de nodige vorderingen met het ontwerp van de deltavleugel op schaal. Maar voor de eerste echte testvluchten moet hij uitwijken naar minder vlak terrein. Bovendien heeft hij deskundig advies nodig. Dus vertrekt hij met Chayka naar Stiermarken in Oostenrijk, waar de bevriende vlieginstructeur Maurice van den Hurk les geeft in deltavliegen.

Met behulp van radiografische besturing en een steen die even zwaar is als Chayka laten Hogebrink en Van den Hurk de hondendeltavleugel proefvluchten uitvoeren. Met wisselend succes. Ook proberen ze Chayka alvast te laten wennen aan het gevleugelde vehikel. Maar dat lukt niet erg. Als hij de alpenwei afraast, klemt de op het karretje vastgezette hond van angst zijn staart tussen zijn achterpoten.

Langzaam maar zeker dringt het tot Johannes door dat Chayka nog niet klaar is voor zijn grote pionierswerk. Hij besluit de hulp van een Oostenrijkse hondenfluisteraarster in te roepen, om inzicht te krijgen in de psyche van zijn hond. Ondertussen dringt de tijd. Er is al een door Hogebrink zelf uitgenodigde filmploeg in aantocht die maar één doel heeft: het filmen van een vliegende hond.

De vliegende Hond

Obsessie
Man on Wire (2008) van James Marsh over de Fransman Philippe Petit die in 1974 over een koord danste dat gespannen was tussen de Twin Towers in New York en Episode 3: Enjoy Poverty (2009) van Enzo Martens, die toont hoe westerse filmmakers financieel profiteren van beelden van schrijnende armoede in ontwikkelingslanden, zijn naar eigen zeggen Hogebrinks favoriete documentaires. Een voorliefde voor spraakmakende, maar schijnbaar zinloze exercities en een neiging om de motieven van de filmmaker ter discussie te stellen, zie je tevens terug in De vliegende Hond.

Je zou met de man Johannes Hogebrink best een stevig gesprek kunnen voeren over wat je je hond wél en niet moet aandoen. Hoe dan ook slaagt hij er als filmmaker in een tegendraadse film voor het hele gezin af te leveren die grappig, spannend en ontroerend is en juist de vraag opwerpt hoe ver je moet gaan om je droom te verwezenlijken en daar een film over te maken. Zoals de regisseur dat zelf omschrijft in een gesprek met filmproducent René Huybrechtse verkent De vliegende Hond de grens tussen passie en obsessie. Dat mag je een belangwekkende onderneming noemen.

 

24 mei 2020

 

ALLE RECENSIES

It Must Be Heaven

***
recensie It Must Be Heaven 

Een kosmopolitische buitenstaander

door Paul Rübsaam

De Palestijnse regisseur Elia Suleiman verlaat in It Must Be Heaven zijn woonplaats Nazareth om een reis te maken naar Parijs, New York en Montreal. Dat lijkt een hele onderneming. Maar eigenlijk verandert er niet zoveel. Waar Suleiman ook komt en welke vreemde taferelen hij ook aantreft, hij staat er zwijgend bij en kijkt ernaar.

Nazareth is niet alleen de plaats waar Jezus Christus zijn jeugd zou hebben doorgebracht. Het is tevens de geboorteplaats van de Palestijnse regisseur Elia Suleiman (1960), die er tegenwoordig weer woont. De eerste scènes van It Must Be Heaven spelen zich af in dit hoofdzakelijk door Arabieren bewoonde stadje in Noord-Israël, dat voor zover het niet overspoeld wordt door christenpelgrims een verstilde mediterrane atmosfeer ademt.

It Must Be Heaven

Als het belangrijkste personage in zijn eigen film vervult Suleiman ook als hij thuis is hoofdzakelijk de rol van observator. Met zijn gedrongen gestalte, zomerhoed en klassieke bril zien we hem veelal zittend, of staand met de handen op de rug gevouwen. Hij kijkt of luistert, spreekt nooit, maar kan veelzeggend zijn wenkbrauwen optrekken. Op deze wijze luistert hij in Nazareth bijvoorbeeld naar het  verhaal van een oude buurman over een dankbare slang die de lekke band van diens auto opblies, nadat hij het dier uit de klauwen van een adelaar had gered.

Suleiman laat zich met zijn veelvuldig gebruik van een statische camera en vaste kaders inspireren door de cinematografische wetten zoals die tot ongeveer 1920 golden. Binnen het frame kan hij, met zijn van afstand herkenbare verschijning, bijna als decorstuk functioneren. Zoals ook Jacques Tati dat kon met zijn kenmerkende slungelige, ietwat gebogen gestalte, slappe hoed en eeuwige pijp. 

Angst voor geweld
Expliciet geweld ontbreekt in It Must Be Heaven geheel. Des te nadrukkelijker zijn in het door Suleiman bezochte Parijs van Bataclan en New York van 9/11 de vaak potsierlijke sporen van de angst voor geweld zichtbaar. Overal heerst dreiging en achterdocht, veroorzaakt door aanslagen die in de verte een connectie hebben met het Palestijnse conflict. In zijn director’s note schreef Suleiman dat in zijn eerdere films als Chronicle of a Disappearence (1996) en The Time That Remains (2009)  Palestina werd vergeleken met een microkosmos van de wereld, terwijl It Must Be Heaven de wereld presenteert als een microkosmos van Palestina.

It Must Be Heaven

Zeer bedreigend, schijnbaar in ieder geval, is de man die Suleiman ‘s ochtends vroeg als enige medepassagier aantreft in de Parijse metro. Welhaast tot op de tanden getatoeëerd, bier drinkend en boeren latend blijft hij recht tegenover Suleiman staand deze uitermate vuil aankijken. Maar er gebeurt uiteindelijk niets. Waardoor we getuige zijn van een merkwaardig contextloos stukje pantomime voor twee zwijgende heren.

Ook de politie gedraagt zich in Parijs nogal vreemd. Agenten nemen sierlijk manoeuvrerend op gemotoriseerde stepjes notitie van een fout geparkeerde auto, maar niet van een mogelijk gevaarlijk object dat daaronder is geworpen door een wegrennende jongen. Als Suleiman later op een terras in zijn eentje wat zit te drinken, wordt dat terras om redenen waar slechts naar te gissen valt door vier agenten nauwkeurig opgemeten.

In New York is het hoge gegil van de sirenes van de NYPD overal te horen. We zien de politie echter slechts uitrukken om een jonge vrouw met engelenvleugels op haar rug als een kat in de zak te vangen, wat nog niet eens lukt ook. Veel New Yorkse burgers zijn gewapend. En niet zo’n beetje. Men doet boodschappen of brengt kinderen naar school met Kalasjnikovs of zelfs raketwerpers over de schouder geslagen.

It Must Be Heaven

Collage
De film kent nog meer thema’s. Zo wordt Parijs niet alleen getypeerd als een stad in de greep van paranoia, maar ook als een plek waar de medemenselijkheid goed georganiseerd is, maar niet bepaald spontaan opwelt. Een dakloze die op een tweepersoons matras op straat bier ligt te drinken, krijgt door bezorgde medische dienstverleners een viergangenmenu aangeboden. Als de Parijzenaren evenwel in een park van het zonnetje willen genieten, mondt dat uit in een weliswaar kolderieke, maar ook bittere strijd om de schaars beschikbare stoeltjes.

Welbeschouwd is It Must Be Heaven eerder een collage van beeldcolumns, dan een film met een rode draad en één overkoepelende visie. Of dat een bezwaar is, hangt af van de stemming van de kijker. Bovengetekende zag de film twee keer en had de eerste keer last van dat gebrek aan eenheid, maar de tweede keer minder. Hoe dan ook valt de herinnering aan iedere film tenslotte uiteen in los van elkaar staande herinneringen aan sterke scènes. Sterke, in casu absurde en komische scènes heeft deze film van Elia Suleiman genoeg te bieden.

 

17 december 2019

 

ALLE RECENSIES