Veilige sciencefiction in bang interbellum – Deel 4

Deel 4 (slot): Uitzonderingen die de regel bevestigen
Veilige sciencefiction in bang interbellum

door Paul Rübsaam

Alleen de Britse films High Treason (1929) en Things to Come (1936) wisten de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Waren dit visionaire hoogstandjes of toevalstreffers? En waarom ontbraken de wereldoorlogen in andere sciencefictionfilms van het interbellum? In dit vierde en laatste deel uitzonderingen die de regel bevestigen.

Eerder typeerde ik het interbellum als een tijdperk van dreiging, waarin je sciencefictionfilms met de nodige wereldoorlogen zou verwachten. Toch kwamen die slechts in twee van dergelijke films voor: High Treason uit 1929 en Things to Come uit 1936, zoals uitgebreid beschreven in het eerste deel van dit essay. Wat is de conclusie van deze constatering?

High Treason

High Treason

Het sciencefictiongenre dat zich gedurende het interbellum nog uitkristalliseerde, blijkt in die jaren moeilijk af te bakenen van andere genres als horror en fantasy. Niet een reële toekomstverwachting was de norm die de inhoud van de films bepaalde, maar de behoefte aan spektakel, special effects, imposante decors en de modes van het jaar van vervaardiging van de film. Ook uitdrukkelijk in een toekomstjaar gesitueerde films doen meer hun best om aan deze normen te voldoen, dan om een realistische, aan dat toekomstjaar gekoppelde verwachting te schetsen.

Sta-in-de-weg
Hoewel de dreiging van een Tweede Wereldoorlog al vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog aanwezig was, veroorzaakte die eerste Grote Oorlog een zekere hang naar pacifisme, die ook in speelfilms gestalte kreeg. Voorts blijkt met name in de jaren dertig van de vorige eeuw dat de werkelijke oorlogsdreiging juist een sta-in-de-weg is voor films die zo’n oorlog voorspelden. In de sterk geïnternationaliseerde filmwereld van die jaren was men gedreven door economische motieven bang om elkaar voor het hoofd te stoten. Verschijnselen als nazicensuur werden indirect begunstigd door bijvoorbeeld de filmcensuur zoals die vanaf 1934 gold in de Verenigde Staten.

De Britse films High Treason en Things to Come moeten je dus beschouwen als uitzonderingen die de algemene regel van de sciencefiction-praktijk van het interbellum bevestigen. Maar ze bevestigen die regel niet alleen door de uitzondering die ze erop vormen: ondanks hun oorlogsvoorspellingen passen die films naadloos in het totaalbeeld van escapistisch spektakel dat sf-films uit die tijd bieden.

Metropolis

Metropolis

Uitgaansleven en massachoreografie
In High Treason houdt de geschetste internationale politieke situatie geen enkel verband met de werkelijke toestand van 1929 en 1940.

De protagonisten Evelyn Seymour (Benita Hume), dochter van de geestelijk leider van de zogeheten World League of Peace en haar verloofde Michael Deane (Jameson Thomas), majoor bij de Britse luchtmacht, storten zich in een mondain uitgaansleven dat herinneringen oproept aan Fritz Langs Metropolis (1927). Naarmate de oorlogsdreiging in de film toeneemt, komen Evelyn en Michael lijnrecht tegenover elkaar te staan. Als Evelyn een grote groep vrouwen oproept zich te verzetten tegen het uitrukken van de Britse luchtmacht doet dat opnieuw sterk denken aan een scène uit Metropolis, namelijk die waarin een op de heldin Maria lijkende vrouwelijke robot (een dubbelrol in Metropolis van Brigitte Helm) de onder de grond werkende arbeiders aanzet om in opstand te komen.

In de zorgvuldig gechoreografeerde massascène die volgt, waarin zwart geklede, mannelijke militairen in conflict komen met de door Evelyn aangevoerde dienstplichtige, maar vredelievende vrouwen, zien de laatsten er met hun witte overalls, korte haardracht en badmutsachtige witte hoofddeksels uit als een futuristische uitvoering van de voor de jaren twintig van de vorige eeuw kenmerkende ‘flapper-girls’. Ook dit voor de kijker van toen ongetwijfeld fraaie spektakel demonstreert dat de modegevoeligheid van de film wezenlijker is dan de schijnbare visionaire kwaliteiten ervan.

Eerder wees ik al op de verwantschap tussen High Treason en het eveneens door Maurice Elvey geregisseerde The Tunnel (1935), een film die op zijn beurt een remake was van het Duitse Der Tunnel (1933, Kurt Bernardt). Deze Duitse film vertoonde weer aanmerkelijke verwantschappen met het met meertalige cast opgenomen F.P.1. antwortet nicht (Karl Hartl, 1932), waarin het draait om een ten behoeve van trans-Atlantische vluchten opgetrokken drijvend gasstation in de Atlantische Oceaan. High Treason past dus in meerdere opzichten in een traditie waarbij niet-Duitse films eerder producten uit filmland Duitsland nabootsten dan dat zij de door (nazi-)Duitsland veroorzaakte bedreiging van de wereldvrede onder de aandacht brachten.

F.P.1. antwortet nicht

F.P.1. antwortet nicht

Heerlijk andere toekomst
Het zou onjuist zijn te beweren dat ook Things to Come de door Fritz Lang ingeslagen wegen bleef volgen. Wat betreft de vormgeving van de toekomst als fantasie-object was de film van Wells, regisseur William Cameron Menzies en set-designer Vincent Korda zijn tijd op eigen wijze ver vooruit. De gigantische vensterloze gebouwen met glazen wanden en liftschachten, de megagraafmachines en de buitenissige luchtvaartuigen in Things to Come roepen associaties op met James Bond-films als Dr. No (1962), en de Supermarionationserie Thunderbirds (1965-1966), maar met echte mensen in plaats van marionetten.

Het post-apocalyptisch tijdperk dat Things to Come in de jaren zestig dateert, met voortwaggelende zombies als slachtoffers van een pestepidemie (‘the wandering sickness’), lijkt in cinematografisch opzicht school te hebben gemaakt. De in 2017 overleden George A. Romero (Night of the Living Dead, 1968) en George Miller (Mad Max,1979 en sequels) moeten Things to Come in hun jonge jaren welhaast gezien hebben.

Van ‘Wings over the World’, die organisatie van elitaire piloten, kun je als retrofuturist zelfs fan worden. Niet alleen de onbestaanbare uitvinding van ‘vredesbommen’, waarmee ze anno 1970 Everytown inlijven bij de nieuwe wereldorde, maar ook het ‘ruimtekanon’, waarmee de nazaten van de oprichter van de organisatie in de 21e eeuw astronauten de ruimte inschieten, geven gestalte aan een ‘toekomst’ die heerlijk anders is.

Things to Come

Things to Come

Tot heil van de mensheid
Het neemt niet weg dat reeds negen jaar na het verschijnen van Things to Come met de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki de naïeve opvatting ten grave werd gedragen dat ontwikkelingen in de wetenschap steeds tot heil van de mensheid dienen, waarvan de film doortrokken is. De eerste reis naar de maan vindt volgens de film bovendien pas in 2036 plaats, terwijl radio in datzelfde jaar nog altijd het belangrijkste medium zou zijn. Voorts leunt Things to Come op spectaculaire gedaanteveranderingen van grote objecten als auto’s, luchtvaartuigen, gebouwen en machines, alsook de veranderde aanblik van de openbare ruimte die daar het gevolg van is, terwijl technologische vooruitgang zich in werkelijkheid eerder manifesteert in kleine apparatuur, die voor cinematografische vormgevers nu eenmaal niet zo interessant is.

In september 1939, drie jaar na het verschijnen van Things to Come en tien jaar na High Treason, vallen de Duitsers Polen binnen. Deze en andere militaire gebeurtenissen (om over de Holocaust maar te zwijgen), die gestalte geven aan wat uiteindelijk de Tweede Wereldoorlog zou gaan heten, kenden in de bioscopen geen voorbodes van betekenis. Ook niet in de twee behandelde Britse films, wier oorlogsvoorspellingen toevalstreffers lijken in een bang interbellum waarin sciencefictionfilms weliswaar de zinnen wisten te verzetten, maar op veilig speelden.

 

11 februari 2021

 

Deel 1: Visionaire hoogstandjes of toevalstreffers?

Deel 2: Dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors

Deel 3: Pacifistische boodschappen en nazicensuur

 

ALLE ESSAYS

Veilige sciencefiction in bang interbellum – Deel 3

Deel 3: Pacifistische boodschappen en nazicensuur
Veilige sciencefiction in bang interbellum

door Paul Rübsaam

Alleen de Britse films High Treason (1929) en Things to Come (1936) wisten de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Waren dit visionaire hoogstandjes of toevalstreffers? En waarom ontbraken de wereldoorlogen in andere sciencefictionfilms van het interbellum? In dit derde deel aandacht voor pacifistische boodschappen en nazicensuur.

Hoewel de voortekenen van een Tweede Wereldoorlog zich al vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog aandienden, bracht die eerste grote oorlog een kentering teweeg in de wereldwijde beleving van massale oorlogsvoering. Tot en met het einde van de negentiende eeuw gold de militaire confrontatie tussen staten voornamelijk als een buitenkansje voor jonge mannen om hun vaderlandsliefde, moed en bekwaamheden te demonstreren. Door de zinloze massaslachtingen van de Eerste Wereldoorlog kwam daar verandering in. Die kentering kreeg niet in de laatste plaats gestalte op het witte doek.

Himmelskibet

Himmelskibet

Nooit meer oorlog?
De 80 minuten durende, zwijgende Deense film Himmelskibet (A Trip to Mars) uit 1918 is de oudste film met feature-lengte over een ruimtereis. Het door het inktzwarte heelal zwevende ruimtevoertuig Excelsior van de idealistische avonturier Avanti Planetaros vormde met zijn nauwe interieur compleet met stuurwielen en variometers een inspiratiebron voor Fritz Langs eerder besproken Frau im Mond. Ruimtevaart was in 1918 echter nog pure fantasie. Wel nam de luchtvaart in die jaren letterlijk en figuurlijk een grote vlucht. Planetaros is dan ook een gewezen vliegenier.

Maar vooral de wijze waarop de planeet Mars en diens bewoners zijn verbeeld, is niet los te zien van het jaar van vervaardiging van Himmelskibet. Toen de film in productie ging, was de Eerste Wereldoorlog nog in volle gang. In reactie op de gruwelen van die oorlog komt Himmelskibet met een pacifistische boodschap. De Marsbewoners leven onder ideale atmosferische omstandigheden, beschikken over telepathische gaven en wijzen iedere vorm van geweld af. De aanvankelijk schietgrage Aardbewoners volgen uiteindelijk hun goede voorbeeld en nemen zich voor de boodschap van vrede en geweldloosheid bij hun terugkomst op Aarde te gaan verspreiden.

Het Franse J’accuse (Frans voor: ‘Ik klaag aan’) van Abel Gance uit 1919 valt niet tot het sciencefictiongenre te rekenen. Eerder nog kun je deze film waarin talloze op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde soldaten uit hun graven opstaan, aanmerken als de eerste zombiefilm. Maar daarmee zou de inhoud van J’accuse als pacifistisch drama te veel miskend worden.

Gebruikmakend van echte oorlogsbeelden en relatief moderne filmtechnieken wilde Gance kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog de wreedheid en zinloosheid van die oorlog laten zien. Zijn eigen oorlogservaringen vormden een belangrijke inspiratiebron. Nadat hij in 1917 vanwege zijn gezondheidstoestand verlof had gekregen als militair, schreef hij in zijn dagboek: ‘Ik zou de slachtoffers van de oorlog willen zien opstaan, om hun landen te bezoeken en hun huizen, zodat ze konden zien of hun offer zin had gehad’.

J’accuse

J’accuse

De indruk die J’accuse in 1919 bij het publiek achterliet, was zo verpletterend dat beweerd werd dat Gance de Eerste Wereldoorlog had kunnen voorkomen als hij zijn film in 1913 had uitgebracht. De wereld daadwerkelijk verbeteren is de Franse cineast echter nooit gelukt. Zijn als remake van J’accuse bedoelde talkie uit 1938 miste de overtuigingskracht van het origineel. De Tweede Wereldoorlog, waarvan de verschrikkingen die van de Eerste nog overtroffen, kon er niet mee worden voorkomen.

Pacifisme en nazicensuur
In 1930 verscheen er met het Amerikaanse All Quiet on the Western Front van Lewis Milestone (naar het boek Im Westen Nichts Neues van de Duitse auteur Erich Maria Remarque) een nieuwe spraakmakende anti-oorlogsfilm. De film toont de Eerste Wereldoorlog vanuit Duits perspectief, maar heeft een universeel karakter. De erbarmelijke omstandigheden in de loopgraven, het gedwongen oprukken onder mitrailleurvuur over mijnenvelden en door prikkeldraadversperringen, en de man-tegen-mangevechten met bajonetten worden onverbloemd in beeld gebracht.

Maar vooral is de film het verslag van een ontgoocheling. Opgehitst door hun leraar vertrekt een groep Duitse middelbare scholieren aanvankelijk gemotiveerd naar het front. Slechts één van hen, de getraumatiseerde protagonist Paul (Lewis Ayres), keert gedesillusioneerd terug. Als hij opnieuw voor de klas moet verschijnen om over zijn heldendaden te vertellen, weigert hij dat.

Ondanks pacifistische bedoelingen die vergelijkbaar waren met die van J’accuse kreeg All Quiet on the Western Front als Amerikaanse film over de oorlogsmoeheid van Duitse soldaten een veel politiekere lading. Bruinhemden onder aanvoering van Joseph Goebbels verstoorden de Duitse première van de film in december 1930 door onder andere stinkbommen te gooien en ‘Jodenfilm!’ te scanderen. Aanleiding voor dat laatste was, naast het vermeende anti-Duitse karakter van de film, ook de Duits-Joodse afkomst van de producent van de film, Universal-baas Carl Laemmle.

All Quiet on the Western Front

All Quiet on the Western Front

Een week na die tumultueus verlopen eerste vertoning werd de film in Duitsland verboden. Enige tijd later zou er nog een verkorte versie in de Duitse bioscopen rouleren. Maar in 1933, toen de nationaalsocialisten via verkiezingen de macht daadwerkelijk verwierven, kwam er een definitief verbod op de film dat pas zeven jaar na de Tweede Wereldoorlog zou worden opgeheven. Ook Oostenrijk, Italië, Frankrijk en Australië verbanden All Quiet on the Western Front in de jaren dertig uit de bioscopen.

Als propagandaminister liet Joseph Goebbels in maart 1933 tevens de vertoningen verbieden van Das Testament des Dr. Mabuse van Fritz Lang. Hierin keert de megalomane psychiater Dr. Mabuse terug, die aan het eind van Langs eerdere film Dr. Mabuse, der Spieler (1922) in schijnbaar krankzinnige toestand gevangen werd genomen. Vanuit het gesticht schrijft hij een handleiding voor een door hem geleid misdaadsyndicaat, teneinde ‘Die Herrschaft des Verbrechens’ (de heerschappij van de misdaad) te vestigen. Goebbels zag dit als een onwelkome vingerwijzing naar te verwachten misdadige praktijken van de nationaalsocialisten.

Tegenover het sciencefictiongenre in zijn algemeenheid stonden de nationaalsocialisten kritisch tot afwijzend. Zogeheten ‘Unterhaltungsfilme’ beschouwden zij echter als nuttig, omdat die het Duitse volk de noodzakelijke verstrooiing konden bieden. Maar andere profetieën dan de voorspelling van een glorieuze toekomst in de vorm van het duizendjarige Derde Rijk waren taboe.

Als criterium voor ‘sciencefictionfilms’ die na de machtsovername door de nationaalsocialisten nog verschijnen mochten, gold dat zij in het ‘Hier und Jetzt’ gesitueerd moesten zijn. Helse machines en andere fictieve technologie waren niet per se verboden, maar het verhaal moest zich afspelen in het actuele Duitsland, zonder verwijzingen naar een andere, al dan niet betere toekomst.

Dit criterium stond niet in de weg aan films als Gold (1934) van Karl Hartl, met Hans Albers en Brigitte Helm in de hoofdrollen, waarin door atoomsplitsing lood in goud wordt omgezet. En evenmin aan de films Ein Unsichtbarer geht durch die Stadt (1933), Der Herr der Welt (1934) en Die Welt ohne Maske (1934) van regisseur, acteur en stuntman Harry Piel, waarin respectievelijk onzichtbaarheid (vergelijk het Amerikaanse The Invisible Man van James Whale uit 1933), robots en het toen nog toekomstige medium televisie een rol speelden.

Bílá nemoc

Schaarse tegengeluiden
Het Tsjechische Bílá nemoc (Skeleton on Horseback, 1937), naar een toneelstuk van Karel Čapek en van en met regisseur/acteur Hugo Haas, is een van de weinige speelfilms van voor de Tweede Wereldoorlog die, weliswaar in bedekte vorm, waarschuwt voor het nationaalsocialisme. In de film neemt dat nazisme de vorm aan van een mysterieuze, besmettelijke ziekte die een in oorlog verkerend, niet met name genoemd, Europees land teistert. De pacifistische arts Dr. Galen (vertolkt door Haas) heeft een medicijn tegen de ziekte ontwikkeld en probeert met die troefkaart in handen de machthebbers van het land te bewegen tot het ondertekenen van een vredesverdrag.

Het mede door James Whale geregisseerde The Road Back uit datzelfde jaar, een vervolg op All Quiet on the Western Front, is de enige film uit het interbellum die het vermoedelijk uitbreken van een nieuwe wereldoorlog schetst als onafwendbaar gevolg van de Eerste Wereldoorlog en de in de daaropvolgende jaren oplopende internationale politieke spanningen. Whales oorspronkelijke versie van The Road Back nam zelfs tamelijk onverbloemd stelling tegen het nationaalsocialisme. Maar al tijdens de productiefase van de film dreigde de Duitse regering met een boycot. De nieuwe studiobazen van Universal (Carl Laemmle sr. en jr. waren inmiddels vervangen) vreesden een financieel debacle en lieten een andere regisseur dan Whale opdraven die de film ontdeed van aanstootgevende passages en verluchtigde met oubollige humor.

We volgen in The Road Back opnieuw de van het front teruggekeerde Duitse soldaten uit All Quiet on the Western Front. In de film, die de periode van 1918 tot 1925 beslaat, zijn we getuige van hun pogingen om weer een plaats te verwerven in de door economische crisis geteisterde Duitse samenleving. Een wat cryptische slotscène die overeind bleef in de gecensureerde versie maakt voor de goede verstaander duidelijk dat de makers zelf niet geloofden in de ogenschijnlijk uitgedragen vredesboodschap. Als we zijn aangekomen in het jaar 1925 spreekt de verloofde van een van de protagonisten een belofte van vrede uit. Vervolgens is er een flashforward naar 1937, het productiejaar van de film. We zien een reeks krantenkoppen uit dat jaar die verhalen over de ongekend omvangrijke defensiebudgetten van Amerika, de Sovjet-Unie, Frankrijk, Engeland en Italië.

The Road Back

The Road Back

Voorzichtigheid
Over de gehele linie heeft directe of indirecte censuur door de nazi’s in Duitsland er ongetwijfeld toe bijgedragen dat er ook in andere landen weinig films werden gemaakt die zich waagden aan uitdrukkelijke toekomstvoorspellingen, laat staan aan de voorspelling van een Tweede Wereldoorlog. Die voorzichtigheid werd tevens in de hand gewerkt door het bij uitstek internationale karakter van de filmwereld in de vroege jaren dertig. Films die in het ene land gemaakt werden, moesten in andere landen verkocht en vertoond kunnen worden, terwijl er in die beginjaren van de geluidsfilm van ondertiteling of nasynchronisatie nog geen sprake was. Films werden daarom vaak meertalig opgenomen, dat wil zeggen: met dezelfde regisseurs en sets, maar met acteursgezelschappen uit verschillende landen. Dit leidde tot tal van producties waaraan niemand aanstoot kon nemen.

Vooraanstaande filmlanden als Italië (onder heerschappij van Benito Mussolini) en Frankrijk volgden op filmgebied een koers die niet ver afweek van de Duitse. De Amerikanen stortten zich ondanks hun onafhankelijke en machtige positie na All Quiet on the Western Front evenmin in gewaagde filmavonturen. Ook zij wensten met de internationale afzetmarkt rekening te houden. Bovendien werd in de Verenigde Staten in 1934 de zogeheten Motion Picture Production (Hays Code) ingevoerd. Deze vorm van (zelf)censuur had weliswaar in de eerste plaats betrekking op het zedelijke gedrag in Amerikaanse films (met name seksualiteit, geweld en drugsgebruik), maar was ook niet bevorderlijk voor de productie van Amerikaanse films waaraan buitenlandse mogendheden zich zouden kunnen storen.

Het filmland dat zo’n beetje overbleef om een wat moedigere rol te vervullen was Groot-Brittannië. In dat opzicht is het niet verwonderlijk dat High Treason en Things to Come (zie het eerste deel) Britse producties waren. Zoals in het laatste deel van dit essay nog nader zal blijken, moeten we ons van het ‘moedige’ karakter van deze twee oorlog voorspellende films ook weer niet te veel voorstellen.

 

6 februari 2021

 

Deel 1: Visionaire hoogstandjes of toevalstreffers?

Deel 2: Dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors

Deel 4 (slot): Uitzonderingen die de regel bevestigen

 

 
ALLE ESSAYS

Veilige sciencefiction in bang interbellum – Deel 2

Deel 2: Dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors
Veilige sciencefiction in bang interbellum

door Paul Rübsaam

Alleen de Britse films High Treason (1929) en Things to Come (1936) wisten de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Waren dit visionaire hoogstandjes of toevalstreffers? En waarom ontbraken de wereldoorlogen in andere sciencefictionfilms van het interbellum? In dit tweede deel aandacht voor dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors.

Wie de films High Treason en Things to Come (besproken in deel 1) in een bredere context wil plaatsen, moet zich om te beginnen een beeld vormen van de alledaagse sciencefictionfilms die vanaf 1919 in de bioscoop verschenen. De term ‘sciencefiction’ kwam overigens pas vanaf 1926 in zwang. Maar het genre, voor zover zich dat überhaupt goed laat afbakenen, bestond al in de film. In de literatuur is het genre bijna zo oud als de natuurwetenschappen.

The Crazy Ray

The Crazy Ray

Dodelijke straling
Opvallend veel films uit de eerste jaren van het interbellum hadden een vorm van dodelijke straling als onderwerp. Series van korte bioscoopfilms als The Invisible Ray (1920), The Crazy Ray (1924) en The Death Ray (1925) borduurden voort op een traditie die met series als The Pearls of Pauline en The Exploits of Elaine al vorm kreeg in 1914. Naast apparatuur waarmee straling opgewekt kon worden die de wereld kon vernietigen, waren de schurk die zich van die apparatuur meester wist te maken en een ontvoerde, bevallige jongedame terugkerende ingrediënten.

‘Robots’ waren in films uit die eerste jaren van het interbellum evenmin van de lucht. Maar met het hanteren van die term begeef je je in historisch opzicht op glad ijs. Het woord ‘robot’ werd voor het eerst gebruikt in het toneelstuk R.U.R. van de Tsjechische schrijver Karel Čapek uit 1921. De op een mens gelijkende automaat uit de Amerikaanse filmserie The Master Mystery (1919) kan zo dus nog niet genoemd worden. Bij de bewegende en vervaarlijke metalen kolos uit de Italiaanse film L’Uomo Meccanico (1921) is twijfel mogelijk, maar misschien is het beter de filmtitel letterlijk te vertalen en te spreken van een ‘mechanische man’.

Na de eerste verfilming van Frankenstein (1910), de eerste van Dr. Jekyll en Mr. Hyde (1912) en de Duitse Homunculus-serie (1916) dook ook in de eerste jaren van het interbellum de combinatie van psychopathologie en wetenschappelijke experimenten weer op. In 1920 verschenen twee nieuwe versies van Dr. Jekyll and Mr. Hyde. Toen elf jaar later Frankenstein van James Whale en vijftien jaar later diens The Bride of Frankenstein (1935) de bioscopen aandeden, waren dat belangrijke momenten in de horrorfilmgeschiedenis die je met een beetje goede wil ook kon rekenen tot het toen als zodanig aangeduide sciencefictiongenre. Datzelfde gold voor het minder bekende The Man Who Changed His Mind (1936), met horroricoon Boris Karloff opnieuw in een hoofdrol, het obscure Mexicaanse El Baul Macabro uit datzelfde jaar en Torture Ship uit 1939.

The Man Who Changed His Mind

The Man Who Changed His Mind

Mysterieuze verre oorden
Zoals de krankzinnige geleerde roet in het eten gooit als we sciencefiction en horror scherp van elkaar af willen bakenen, zo vertroebelen de filmverhalen rond mysterieuze verre oorden in de geest van Sir Arthur Conan Doyle en Jules Verne als The Lost World (1925) en The Mysterious Island (1929) het zicht op de grens tussen sciencefiction en fantasy. De latere filmseries Flash Gordon (1936) en Undersea Kingdom (1936) doen dat eveneens. In Island of Lost Souls (1932), naar het boek The Island of Dr. Moreau van H.G. Wells komen elementen van sciencefiction, horror én fantasy samen. In The Phantom Empire (1935) zien we zowaar sporen van musical en western terug.

Stuiten we in het interbellum nog wel ergens op ‘zuivere’ sciencefiction? In het Duitse Wunder der Schöpfung (1926) wordt in ieder geval een ruimtereis ondernomen, terwijl in het toekomstjaar 1946 spelende Cosmic Voyage (1936) profetisch een bemande reis naar de maan laat zien.

Ook Just Imagine (1930) van David Butler speelt zich af in een uitdrukkelijk genoemd toekomstig jaar. De kijker van toen wordt uitgenodigd om zich achteroverleunend in zijn bioscoopstoel voor te stellen hoe het er in de metropool New York toeging in 1880 en toe zal gaan in 1980. Het betreft een fantasiemusical met komiek El Brendel in één van de hoofdrollen.

In de halve eeuw tussen 1930 en 1980 is er volgens Just Imagine zowel veel als weinig veranderd. Het algehele alcoholverbod in Amerika (de drooglegging) is nog altijd van kracht en ook de protagonisten doen qua kleding en manier van doen terugdenken aan het jaar dat de film uitkwam. De mensen hebben echter geen namen, maar slechts nummers, alsof ze even identiteitloos zijn als New Yorkse straten. Voorts beslist een rechtbank wie er met wie mag trouwen, hebben auto’s plaatsgemaakt voor diverse soorten luchtvaartuigen, is het voedsel dat mensen tot zich nemen samengeperst tot een pilletje en komen baby’s uit een automaat.

Kanaaltunnel
De Duitse en Franse versie van het in drie talen verschenen The Tunnel (Der Tunnel, 1933) hebben dezelfde regisseur (Kurt Bernhardt), dezelfde acteurs en dezelfde decors. De Britse remake uit 1935 is evenals High Treason geregisseerd door Maurice Elvey. Ook in The Tunnel (Amerikaanse titel: Transatlantic Tunnel) zetten grote televisieschermen en beeldtelefoonverbindingen de toon. Wederom draait het om de verhoudingen binnen de Engelstalige wereld, alsof Duitsland, de Sovjet-Unie en de rest van de wereld niet bestaan.

De kanaaltunnel is aan het begin van The Tunnel een voldongen feit. Deze werd volgens het filmverhaal in 1940 onder leiding van de ingenieur Richard McAllan gegraven. McAllans nieuwste onderneming, het graven van een trans-Atlantische tunnel, gaat de eerste drie jaar voortvarend van start. Maar de werkzaamheden stagneren door onvoorziene omstandigheden. Vervolgens gaat de aandacht van de film voornamelijk uit naar de privéomstandigheden van McAllan. Uiteindelijk, we zijn inmiddels in de jaren zestig van de vorige eeuw beland, weet hij na gevoelige persoonlijke verliezen te hebben geleden zijn project alsnog te voltooien.

Het is wonderlijk dat er in een jaar waarin Adolf Hitler al aan de macht was een sciencefictionfilm verschijnt die gewijd is aan een project dat de vrede tussen Engeland en de Verenigde Staten moet waarborgen. Nog daargelaten dat onduidelijk blijft hoe die trans-Atlantische tunnel kan bijdragen aan die blijkbaar zo broze vrede tussen de Engelstalige landen. En hoe belangrijk is zo’n tunnel precies in een toekomstjaar, terwijl zelfs in 1935 (het jaar van de vervaardiging van de film) trans-Atlantische vluchten al aan orde van de dag waren? Het verhaal van de roman waarop de film gebaseerd is Der Tunnel van de Duitse auteur Bernhard Kellermann uit 1913 lijkt weinig aan de tijd aangepast te zijn.

Uitzinnige decors
Het sciencefictiongenre is in het interbellum niet alleen moeilijk te scheiden van andere genres, maar was voor vormgevers tevens een alibi om zich geïnspireerd door de nieuwste kunststromingen uit te leven middels uitzinnige decors en andere vormgevingsexperimenten, wat tot de nodige artistieke mijlpalen heeft geleid.

Aelita

Aelita

Het verhaal over een door velen aanbeden, maar hardvochtige dame in L’inhumaine (1924) van de Franse regisseur Marcel L’Herbier lijkt maar een bijzaak. De film is vooral een verkenning van de mogelijkheden van het medium om een synthese te bewerkstelligen tussen de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van kunst, architectuur en muziek.

Het Sovjet-Russische Aelita (Aelita, Queen of Mars) uit datzelfde jaar is op het eerste gezicht wél een traditionele sciencefictionfilm. Maar vindt de reis naar Mars in de film werkelijk plaats? Is het niet eerder een droom die de burgers van de kersverse Sovjet-Unie eventjes is vergund, alvorens ze hard aan het werk moeten gaan om vorm te geven aan hun nieuwe samenleving? De al dan niet imaginaire, in technologisch opzicht ver ontwikkelde, bewoners van Mars hebben hun planeet in ieder geval ingericht volgens de opvattingen van het constructivisme, de officiële kunstvorm van de Russische Revolutie.

De eenheid van het decor en de mentale gesteldheid van de personages in Duitse expressionistische film als Das Cabinet des Dr. Caligari (Robert Wiene, 1920) krijgt in Fritz Langs Metropolis (1927) een nieuwe vorm in een synthese van leefwereld en algemene sociale en politieke verhoudingen. De stad waarnaar de titel van de film verwijst, bestaat letterlijk enerzijds uit een bovenwereld waar de rijken en machtigen in de hightech toekomst van 2026 aan de touwtjes trekken en hun luxueuze levens leiden en anderzijds een danteske onderwereld waar de arbeiders hun zware en ondankbare arbeid moeten verrichten.

Onder invloed van Metropolis wordt voor sciencefictionfilms vanaf 1927 de eenheid van het getoonde futuristische universum misschien wel een belangrijkere toetssteen dan de overtuigingskracht van de toekomstvoorspelling.

Frau im Mond

Frau im Mond

Maanreis
Twee jaar later, toen de geluidsfilm al wereldwijd zijn intrede had gedaan, zou Lang wederom in nauwe samenwerking met zijn toenmalige echtgenote Thea von Harbou nog een bijna drie uur durende, zwijgende film afleveren. Ondanks deze zweem van cinematografische nostalgie vestigde Frau im Mond (1929) voor films die een ruimtereis behandelden de nieuwe norm. De spionage-achtige intriges voorafgaand aan de reis naar de maan en de melodramatisch uitgesponnen driehoeksverhouding tussen de astronauten doen wat afbreuk aan de spanning. Toch passen zulke uitweidingen in een film die laat zien dat met de zorgvuldig getimede lancering van de raket, waarin iedere seconde telt, en de precaire landing op de maan traagheid een even wezenlijk element is van het specifieke genre als snelheid.

Vaak zijn de wetenschappelijke nauwkeurigheid en profetische kwaliteiten van Frau im Mond geprezen. Maar je moet de waarachtigheid van een film waarin mensen in een drollenvanger en zonder zuurstof op de maan rondlopen en naar goud zoeken ook weer niet overdrijven. Ook deze film dicteert eerder de nieuwe wetmatigheden voor sciencefictionfilms in het algemeen dan dat hij de toekomst voorspelt.

In deel 3 van dit essay de invloed van het pacifisme en (nazi)censuur op sciencefictionfilms in het interbellum zien we hoe een latere film van Fritz Lang in zijn eigen land niet op waardering rekenen.

 

29 januari 2021

 

Deel 1: Visionaire hoogstandjes of toevalstreffers?

Deel 3: Pacifistische boodschappen en nazicensuur

Deel 4 (slot): Uitzonderingen die de regel bevestigen

 
 
ALLE ESSAYS

Veilige sciencefiction in bang interbellum – Deel 1

Deel 1: Visionaire hoogstandjes of toevalstreffers?
Veilige sciencefiction in bang interbellum

door Paul Rübsaam

Alleen de Britse films High Treason (1929) en Things to Come (1936) wisten de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Waren dit visionaire hoogstandjes of toevalstreffers? En waarom ontbraken de wereldoorlogen in andere sciencefictionfilms van het interbellum?

Niets zo prikkelend als oude, al dan niet verouderde sciencefictionfilms. Ze kunnen imponeren, fascineren, vertederen, de lachlust opwekken of de tenen doen krommen. Hun toekomstvoorspellingen waren vanuit ons retrospectieve standpunt gezien soms visionair. Maar vaak hadden de filmmakers van weleer geen enkel oog voor de elementen van hun eigen tijd die aan een realistische toekomstverwachting ten grondslag zou kunnen liggen. Of ze zich daarom bekommerden, is maar de vraag. Want sciencefiction is niet per se een serieuze aangelegenheid.

1984

1984

Oorlogsvoorspellingen
Een jaartal als 1984 staat los van wat er 37 jaar geleden werkelijk plaatsvond nog altijd symbool voor een dystopische ‘toekomst’. George Orwell draaide toen hij in 1948 zijn beroemde roman schreef de laatste twee cijfers van dat jaartal om. Mogelijk dateerde hij zijn dystopie 1984 daarmee te vroeg. Gevleugelde begrippen uit de roman, die door Michael Radford in het titeljaar verfilmd werd, winnen nog altijd aan zeggingskracht. Zo is onze huidige corona-app een voorbeeld van hoe een alom aanwezige overheid middels de modernste technologie ons overal kan volgen om onze persoonlijke gegevens in kaart te brengen: ‘Big Brother is watching you’. Het laat zien hoe toekomstvisioenen uit het verleden een blijvend instrument kunnen zijn bij het begrijpen van onze dagelijkse werkelijkheid.

Inmiddels zijn we nog maar vijf jaar verwijderd van het jaar 2026, dat als toekomstjaar het decor vormde van Fritz Langs Metropolis. Dat toekomstjaar werd verkregen door al even simpel een eeuw op te tellen bij het jaar van productie van de film (1926). Maar ook de strikte scheiding tussen de maatschappelijke klassen in een hoogtechnologische, gedehumaniseerde maatschappij, zoals Fritz Lang en co-scenarist Thea von Harbou ons voorschotelde, kan nog altijd als een tot nadenken stemmend referentiepunt dienen.

Films als Metropolis stammen uit een tijd waarin het medium film aan grote veranderingen onderhevig was. Al snel na het verschijnen van deze monumentale zwijgende film zou de geluidsfilm (talkie) zich aandienen. De jaren twintig van de vorige eeuw onderscheidden zich sowieso al van het voorafgaande decennium door het toenemend gebruik van bewegende camera’s. Bovendien maakten decorbouw en gebruik van special effects stormachtige ontwikkelingen door.

Kijkend naar de grotere, geopolitieke wereld van toen kunnen we het eeuwfeest vieren van het zogeheten interbellum (1918-1939). Dat tijdperk geldt als een periode van vrede in een tijd dat oorlog de norm was. Het einde van de Eerste Wereldoorlog met het Duitsland aan banden leggende Verdrag van Versailles, de economische recessies en het opkomend fascisme in Europa droegen tezamen de kiem van de Tweede Wereldoorlog reeds in zich. Het was een tijd waarin je zou verwachten dat films die een nieuwe wereldoorlog voorspelden met grote regelmaat de bioscopen aandeden. Maar opmerkelijk genoeg bestaan er slechts twee van dergelijke films: High Treason uit 1929 van de Britse regisseur Maurice Elvey en het eveneens Britse Things to Come uit 1936 van William Cameron Menzies.

High Treason

High Treason

Beeldtelefonie en Kanaaltunnel
High Treason is een vrije adaptatie van een toneelstuk van Noel Pemberton-Billing, gebaseerd op een scenario van L’Estrange Fawcett. De film, die destijds zowel in een zwijgende als geluidsversie werd vervaardigd, opent met een grensincident tussen twee grote mogendheden in het toekomstjaar 1940 (1950 in sommige versies van de film). Tegenover elkaar staan het Rijk van de Atlantische Staten (Zuid-Amerika, grootste deel Noord-Amerika, Japan en China) en de Federatie van Europese Staten (plus de rest van de wereld). Duitsland en de Sovjet-Unie schijnen in de film niet te bestaan.

De opdeling van de wereld volgens High Treason vertoont dus maar weinig overeenkomsten met de geopolitieke realiteit van het productiejaar 1929 en het toen nog toekomstige 1940. Nog minder aan de werkelijkheid ontleend, is de zogeheten World League of Peace, een miljoenen leden tellende vredesbeweging die in de film als derde machtsblok fungeert en als bemiddelaar optreedt als het grensincident escaleert en een wereldoorlog onafwendbaar lijkt.

Toch wordt High Treason door filmcritici nog altijd geprezen om zijn visionaire kwaliteiten. Het min of meer juist voorspellen van het jaar waarin een tweede wereldoorlog (bijna) uitbreekt (die oorlog wordt in de film op het allerlaatst nog afgewend), is niet het enige dat daartoe heeft bijgedragen. Ook wordt er in de film gebruik gemaakt van een vorm van beeldtelefonie en is er reeds sprake van een Kanaaltunnel die Engeland met het vasteland van Europa verbindt.

Vredesbommen
De Amerikaan William Cameron Menzies regisseerde de Britse productie Things to Come uit 1936. Maar meestal wordt de vermaarde Britse sciencefictionschrijver Herbert George Wells (vooral bekend met zijn voorletters H.G.) aangemerkt als de geestelijk vader van de film. Anders dan bij films die eveneens op boeken van hem gebaseerd zijn The Invisible Man (1933), The War of the Worlds (1953) en The Time Machine (1960) schreef Wells voor de verfilming van zijn roman The Shape of Thing to Come tevens het scenario. Met het boek én het scenario had de schrijver serieuze bedoelingen. Wells maakte zich zorgen over het in de periode tussen de wereldoorlogen door economische crises geteisterde Europa en schetste zijn toekomstvisie om het publiek wakker te schudden.

Things to Come

Things to Come

In Things to Come krijgt Everytown, een fictieve stad die doet denken aan Londen, rond kerstmis 1940 een luchtaanval van een ongeïdentificeerde vijandelijke macht te verduren. Het markeert het begin van een nieuwe wereldoorlog. Voor wat betreft het werkelijke begin van de Tweede Wereldoorlog zat Wells er maar vijftien maanden naast. De echte Duitse luchtaanval op Londen voorspelde hij zelfs minder dan een half jaar te laat.

Anders dan in High Treason wordt de nieuwe wereldoorlog niet op het laatst nog afgewend. Aan die eenmaal ontketende oorlog lijkt in Things to Come zelfs maar geen einde te komen. Die duurt maar liefst dertig jaar, tot aan het toekomstjaar 1970. In 1970 vestigt ‘Wings over the World’, een vredesbeweging van verheven piloten die even onbestaanbaar is als ‘The World League of Peace’ in High Treason, de nieuwe wereldorde door zogeheten vredesbommen te werpen. Die verspreiden een gas dat oorlogszuchtigen tijdelijk in een weldadig slaapje sust, waarna ze zich van hun agressieve aanvechtingen niets meer herinneren.

Zoals gezegd zijn de twee hier summier besproken films (ze zullen later opnieuw tegen het licht worden gehouden) de enige twee sciencefictionfilms uit het interbellum die een nieuwe wereldoorlog voorspelden en dat zelfs op een redelijk korte termijn deden. Het valt echter te bezien in hoeverre ze zich wezenlijk onderscheidden van de andere sciencefictionfilms uit dat tijdperk (die aan bod komen in deel 2 van dit essay).

Wat was voorts de invloed van het idealistische pacifisme op films uit die tijd? En gold er in de internationale filmwereld censuur die films met een realistische oorlogsverwachting verbood (deel 3)? Deze vragen moeten we eerst beantwoorden alvorens de twee ogenschijnlijke witte raven in het juiste kleurenpalet te plaatsen (deel 4).

 

23 januari 2021

 
Deel 2: Dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors

Deel 3: Pacifistische boodschappen en nazicensuur

Deel 4 (slot): Uitzonderingen die de regel bevestigen
 
 
ALLE ESSAYS

The Bothersome Man (2006)

REWIND: The Bothersome Man (2006)
Een hel als hemel

door Paul Rübsaam

Er zijn van die films die je tot je eigen verbazing steeds opnieuw van je plankje grist. Het Noorse The Bothersome Man (Den brysomme mannen) van Jens Lien uit 2006 is er zo eentje. Misschien omdat je je blijft afvragen wat het eigenlijk voor film is. Een dystopie? Nee, het is toch erger. Het getoonde lijkt verdacht veel op de werkelijkheid.

Op een perron staan een jonge man en een jonge vrouw met een starre blik in hun ogen werktuigelijk te tongzoenen. Het smakkende geluid daarvan draagt ver in de bijna uitgestorven ruimte. Aan de rand van de rails heeft zich een transpirerende en wanhopig kijkende man in een grijs colbertje geposteerd. We horen het geluid van een snel naderende trein. De man aarzelt nog even en springt.

The Bothersome Man

Is deze openingsscène van The Bothersome Man een beschrijving van wat voorafging en biedt de rest van de film een kijkje in het hiernamaals waar onze zelfmoordenaar Andreas Ramsfjell (Trond Fausa Aurvåg) terecht is gekomen? Tot op zekere hoogte slechts, want de scène is tevens een flashforward. In het ‘hiernamaals’ zal Andreas onder identieke omstandigheden opnieuw voor de trein te springen, waarna hij weer herstelt van zijn afschuwelijke verminkingen.

Smakeloos voedsel en vioolklanken
We kunnen maar het beste beginnen met het eigenlijke begin van The Bothersome Man, dat wil zeggen: vanaf de openingsscène. Nog steeds in kantooroutfit, maar bebaard en met gymschoenen aan zijn voeten en een baseballpet op zijn hoofd arriveert Andreas als enige passagier van een autobus bij een verlaten tankstation in een vulkanisch landschap. Daar heeft een oudere man zojuist een spandoek met de tekst ‘Velkommen’ (‘Welkom’) voor hem opgehangen.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


In een klein, gedateerd ogend autootje chauffeert de oudere man Andreas vervolgens naar een stad waar een sobere flat en een betrekking reeds voor hem gereserveerd zijn. De volgende dag mag hij beginnen als werknemer van een groot bedrijf, gevestigd in een wolkenkrabber in een op de Amsterdamse Zuid-As gelijkende moderne kantoorwijk. Hij krijgt een klein, smetteloos werkkamertje toegewezen, waar hij vanachter de computer eenvoudige boekhoudkundige taken moet verrichten.

Zijn nieuwe chef en collega’s maken een niet onvriendelijke, zij het wat flegmatieke indruk. Het eten in de stad heeft echter geur noch smaak en van de ‘alcoholica’ die men verstrekt, word je niet dronken. Op de toiletten van een uitgaansgelegenheid hoort Andreas iemand zich daarover beklagen. Hij volgt deze persoon in wie hij een mogelijke geestverwant herkent ‘s nachts naar diens woning, die deel uitmaakt van een souterrain waaruit gedempte vioolklanken opstijgen. Als hij de volgende dag weer terug is op kantoor legt hij snakkend naar authentieke sensaties zijn vinger onder de papiersnijmachine. Het doet vreselijk pijn en hij bloedt hevig, maar de afgehakte vinger groeit uiteindelijk vanzelf weer aan.

The Bothersome Man

Fysiek ongeschonden, maar toenemend verontrust, vindt hij toch aansluiting bij zijn collega’s en weet hij zich aan te passen aan hun conversatiestof, die zich volledig beperkt tot het onderwerp woninginrichting. Er ontvouwt zich een sociaal leven voor hem en Anne-Britt (Petronella Barker), een niet onaantrekkelijke vrouwelijke collega, is zelfs genegen een relatie met hem te beginnen. Al gauw kan hij intrekken in haar veel ruimere huis, waar ze hun voortdurende pogingen om haar interieur nog te verfraaien afwisselen met mechanische copuleersessies.

Desillusie
Maar de relatie met Anne-Britt verveelt hem al snel. Op zijn werk heeft hij inmiddels ook de jongere, blonde Ingeborg (Birgitte Larsen) ontmoet, die best met hem uit wil. Ingeborg praat zelf niet zo veel, maar etaleert een charmante eenvoud en luistert graag naar Andreas, wat diens verlangen naar romantiek hevig aanwakkert.

De grote deceptie volgt als ook Ingeborg zielloos en gelijkmoedig blijkt te zijn. Tijdens een romantisch verrassingsdinertje bekent Andreas haar dat hij voor haar bereid is een punt te zetten achter zijn relatie met Anne-Britt. Ingeborg vindt dat echter helemaal niet nodig. Alles gaat toch prima zo? Zelf ziet ze ook drie andere mannen. Die ze trouwens best vaarwel wil zeggen, omdat ze nu eenmaal alles wel best vindt.

Wanhopig begeeft Andreas zich naar het station. Op het perron met het tongzoenende paar stort hij zich (opnieuw) voor de trein. Die houdt juist halt, maar komt weer in beweging als hij zich nog bedenken wil. Nadat drie achtereenvolgende treinen hem mee hebben gesleurd over de rails richt het verminkte, bloederige hoopje mens dat hij is geworden zich weer op en strompelt op de melancholieke klanken van Edvard Griegs Solveig’s Song door de verlaten kantoorwijk. Twee gemeenteambtenaren brengen hem tenslotte in een dienstautootje naar het huis van Anne-Britt, die haar nog hevig bloedende partner achteloos verwelkomt.

The Bothersome Man

Tunnel naar vroeger
Nadat zijn lichaam zich op wonderbaarlijke wijze, maar allerminst tot zijn vreugde volledig hersteld heeft, is Andreas’ enige hoop nog gevestigd op de vioolklanken in het souterrain. De man die hij daar heeft zien binnengaan (Per Schaanning) ontvangt hem na enge aarzeling in zijn door trossen gloeilampen verlichte, grotachtige onderkomen. Daar blijkt zich achter een opgehangen schilderijtje een gleuf in de muur te bevinden, van waaruit de vioolklanken tot hen komen. Andreas gaat de muur met een voorhamer en een drilboor lijf. Zijn aanvankelijk tegensputterende geestverwant komt hem te hulp als hen door het al groter geworden gat een heerlijke geur bereikt.

Dat Andreas ondertussen op kantoor zijn ontslag krijgt, kan hem weinig deren. Want inmiddels kunnen ze koffiedrinken in het stuk tunnel dat reeds is uitgehakt. Bejaarden die op de geur zijn afgekomen kloppen op de voordeur van Andreas’ handlanger, die ze met een smoesje afscheept. Langzaam maar zeker wordt zichtbaar wat zich aan de andere kant van de tunnel bevindt: een keuken met rood-wit geblokt zeil op de vloer, gemeubileerd met houten kastjes en tafels, met daarop schalen met verse groenten, een transistorradio en niet in de laatste plaats een aangebroken tulbandvormige, geglazuurde cake. Door een openslaande, glazen deur komt zonlicht en het geluid van spelende kinderen uit een tuin naar binnen.

Andreas weet nog juist zijn arm door het gat van de tunnel te steken en een stuk cake te bemachtigen. Terwijl gemeenteambtenaren het blijkbaar verraden tweetal door de andere kant van de tunnel weer naar buiten slepen, propt hij zijn mond vol. Zijn handlanger wordt uiteindelijk weer vrijgelaten. Maar hijzelf moet terug naar het verlaten tankstation. Daar wordt hij in het laadruim van de autobus gegooid. Als hij zich na een hobbelige en benauwde rit weet te bevrijden, belooft de sneeuwstorm waarin hij is terechtgekomen weinig goeds.

Aartsconservatief?
Is The Bothersome Man een beschrijving van het leven na de dood? De alternatieve titel voor de film: No(r) way of life geeft al aan dat het eerder gaat om een satire op het bestaande leven in Noorwegen. Andreas doet in het schijnbare ‘leven na de dood’ opnieuw een zelfmoordpoging, maar blijkt onsterfelijk te zijn, waarmee de uitzichtloosheid van zijn oorspronkelijke bestaan een cyclisch karakter krijgt.

De gedeeltelijk in IJsland opgenomen film naar een script van Per Schreiner is geen pur sang dystopie, maar een ironische schets van een ‘heilstaat’, waarin zich slechts één vervelende (‘bothersome’) dwarsligger manifesteert. De andere mensen in de stad, dood of levend, zijn dik tevreden in hun geur- en smaakloze wereld, waar een liberale seksuele moraal heerst en het interieur – in de geest van Ikea en andere Scandinavische meubelgiganten – moet dienen als de verwerkelijking van een moderne maatschappijfilosofie.

Alleen Andreas Ramsfjell, die zeurpiet, is ontevreden. Met zijn verlangen naar ware liefde en grootmoeders cake is hij de held van een film die je welbeschouwd aartsconservatief zou moeten noemen. Maar het parallelle universum van The Bothersome Man is zo beklemmend en herkenbaar dat het de sluimerende conservatieve geestesgesteldheden van de kijker onweerstaanbaar prikkelt. Een gotspe eigenlijk dat de tekst op de achterkant van het dvd-hoesje de film in één adem noemt met het intens flauwe, veel te opzichtig provocatieve Adam’s Apples (2000) van de Deense regisseur Anders Thomas Jensen (óók Scandinavische zwarte humor, ach ja..).

 

THE BOTHERSOME MAN KIJKEN: o.a. te koop via Bookspot en Ebay.

 

Meer REWIND

Última Primavera, La

***
recensie La Última Primavera 

De ontheemden ontheemd

door Paul Rübsaam

In La Última Primavera zijn we van nabij getuige van het wel en wee van de Spaanse outsidersfamilie Gabarre Mendoza. Een gemeentelijk bestemmingsplan verordonneert dat hun schamele, maar vertrouwde woning in een sloppenwijk net buiten Madrid met de grond gelijk zal worden gemaakt.

La Última Primavera (De laatste lente) is het speelfilmdebuut van de Spaans-Nederlandse regisseuse Isabel Lamberti (1987). Haar hybridedebuut met speelfilmlengte, om precies te zijn. De film waarin bestaande mensen een situatie naspelen (voorspelen) die zich in hun leven werkelijk zal gaan voordoen, bevindt zich op het grensgebied tussen speelfilm en documentaire.

La Última Primavera

Het gaat om de verschillende leden van de Spaanse familie Gabarre Mendoza. Je zou ze ‘zigeuners’ kunnen noemen, maar over de juistheid van die term valt te twisten. Ze leven in ieder geval met veel familieleden onder één dak en bevinden zich zowel wat hun huisvesting als hun werkzaamheden betreft in de marge van de samenleving. Hun zelfgebouwde woning in de sloppenwijk La Cañada Real, net buiten Madrid, zal evenals alle andere woningen daar gesloopt worden en dat maakt hun toekomst uiterst onzeker.

Oude bekenden
Het hybridegenre is niet nieuw voor Lamberti. Ook de personages in La Última Primavera zijn tot op zekere hoogte oude bekenden van haar. In haar eerdere korte film Volando Voy (Vliegend ga ik, 2015) draaide het al om twee jongens die in La Cañada Real woonden en de avonturen die zij beleefden op de ellenlange weg langs snelwegen en verlaten bouwterreinen die zij lopend van school naar huis af moesten afleggen.

Eén van die twee, David Gabarre Mendoza, is in de tussenliggende jaren van een beginnende puber een jongeman geworden. Hij wil soms een beetje stoer doen, maar heeft eigenlijk een klein hartje. Tegen heug en meug laat hij zich overhalen om onderdelen van gestolen auto’s te helen. Tegelijkertijd betoont hij zich een ambitieuze leerling bij zijn kappersopleiding en solliciteert hij fanatiek naar een baan in een kapperszaak.

Davids oudere broer Ángelo is getrouwd met María, tot ongenoegen van haar in een keurige flat in Madrid wonende moeder. Ze hebben een zoontje dat aan het begin van de film zijn derde verjaardag viert. Het drietal woont in bij Ángelo’s eigen ouders, die naast Ángelo en David nog een zwangere dochter hebben en een zoontje van negen. De Gabarre Mendoza’s zijn het zo gewend en willen het ook zo. De ambtenaren die moeten beslissen over het toewijzen van een nieuwe woning aan de familie hebben hier echter andere ideeën over.

De (groot)vader van de familie, een schroothandelaar die evenals zijn zoon David heet, volgt een computercursus om de aanvraag voor een nieuwe woning zo goed mogelijk te laten verlopen. Ook is hij is steevast van de partij bij door de gemeente Madrid georganiseerde inspraakavonden. De bureaucratie waarop hij stuit, maakt hem soms moedeloos. Als hij daarover verslag doet aan zijn vrouw Agustina reageert zij vaak emotioneel.

Over de vraag wannéér de woning van de familie Gabarre Mendoza en de andere woningen in La Cañada Real precies gesloopt zullen worden, laten de ambtenaren grote onduidelijkheid bestaan. Die onduidelijkheid heeft de nodige gevolgen. Zo vraagt vader David zijn buren toch nog om mee te betalen aan een betere elektriciteitsvoorziening voor de sloppenwijk. Aangezien de toekomst echter zo onzeker is, wil niemand zo’n investering doen.

La Última Primavera

Kaal en onbestemd
De vorm die de regisseuse voor haar film gekozen heeft, werkt gedeeltelijk. Je kunt je in ieder geval goed identificeren met haar waarachtige personages. Maar dat niet alles wat de Gabarre Mendoza’s overkomt op het moment van filmen daadwerkelijk plaatsvindt, leidt er ook toe dat La Última Primavera bij de kijker een wat kale en onbestemde indruk achterlaat.

Het is duidelijk dat de familieleden met hun sterke onderlinge banden gehecht zijn aan hun woning en hun manier van leven in La Cañada Real. Tamelijk laat in de film blijkt echter ook dat het dicht op elkaar zitten onder oncomfortabele omstandigheden aanleiding kan zijn voor ruzies en spanningen. Is die verhuizing die wel een beetje wordt nagespeeld, maar waar we niet werkelijk getuige van zijn dan alleen maar slecht, ga je je als kijker afvragen. ‘Show, don’t tell’ luidt het voorschrift voor schrijvers en filmmakers. Je kunt dat ook omdraaien. Isabel Lamberti laat in samenwerking met haar niet-professionele acteurs zeker het nodige zien. Maar wat wil ze precies vertellen?

 

25 oktober 2020

 

ALLE RECENSIES

Chili

***
recensie Chili

Veertig breedtegraden in vijftig minuten

door Paul Rübsaam

De duizenden kilometer lange sliert land die Chili heet, vormt wat betreft landschap, flora en fauna een dwarsdoorsnede van het zuidelijk halfrond. Kun je dat laten zien in een natuurdocumentaire van slechts vijftig minuten?

Na een afwezigheid van twintig jaar keerde de natuurdocumentarist Christian Muñoz-Donoso terug naar Chili om de ontzagwekkende en veelzijdige natuur van zijn geboorteland te vereeuwigen. Chile: A Wild Jouney werd een serie in acht delen. Het laatste deel vat de serie samen en fungeert nu als bioscoopfilm met dezelfde naam.

Chili

Die vijftig minuten durende documentaire begint en eindigt in het nationaal park Torres del Paine in het zuidelijke Patagonië. Tussendoor krijgen we onder andere de vijfduizend kilometer noordelijker gelegen Atacama-woestijn te zien. Er worden reuzensprongen gemaakt, maar wel met de nodige primeurs.

Walvisdialect
In het naar het Paine-bergmassief met zijn imposante torenspitsachtige bergen genoemde Torres del Paine bevolken grote kuddes guanaco’s (lama-achtigen) de lager gelegen heuvels en prairies. Zij vormen het voedsel voor de poema’s, die evenals de guanaco’s door de jacht lange tijd met uitsterven bedreigd zijn geweest. In het warme licht van de late middagzon zien we een moederpoema stoeien met haar welpen en deze later ook zogen. Nooit eerder werd dit laatste in het wild gefilmd.

Westwaarts, in de richting van de Grote Oceaan, verandert het Patagonische landschap. Tal van eilanden flankeren de grillige kustlijn. Nabij het Chiloë-eiland is de voedselrijke zee het domein van een ander mythisch dier: de blauwe vinvis. De Chileense variant van dit grootste dier op Aarde vormt een ondersoort en beschikt over een eigen ‘dialect’. Voor het eerst kunnen we dit geluid, dat doet denken aan het gepuf van een stoomschip, horen.

Niet ver van de wateren waar het grootste zeezoogdier op Aarde huist, bevindt zich de verblijfplaats van het kleinste: de zuidelijke zeeotter. Met aanstekelijk hedonisme nuttigt dit dier ruggelings op het water dobberend de schaaldieren die hij uit de zee heeft opgedoken. Evenals andere dieren die leven in dit deel van de oceaan wordt de otter in zijn voortbestaan bedreigd door de winning van zeewier en de toenemende huizenbouw aan de Chileense kust.

Chili

Bloemenzee
Veel noordelijker, op een eiland ter hoogte van de Atacama-woestijn, hangen vampiers met hun tenen aan de wanden van een grot. Deze vleermuissoort heeft een weinig aantrekkelijk snuitje, maar is ongevaarlijk voor mensen. Wél leeft de vampier van bloed, zoals Charles Darwin in de negentiende eeuw ontdekte. Maar dan alleen van dat van vogels en kleine zoogdieren.

In de open vlakte van de Atacama voltrekt zich nu en dan een merkwaardig verschijnsel. Onder invloed van het weerfenomeen El Niño valt er eens in de zoveel jaar een aanmerkelijke hoeveelheid regen. Die doet de woestijn geleidelijk aan groen kleuren, tot er uiteindelijk een veelkleurige bloemenzee ontluikt. Zelfs een hagedis, die zich normaal gesproken met insecten voedt, kunnen we dan naar bloemblaadjes zien happen. Ook dit werd volgens de makers nooit eerder met een camera vastgelegd.

Chili

Meer hoogtepunten
De kleinste katachtige van Amerika: de zogeheten Kodkod, de kleinste hertensoort: de Pudu en de rode Chileense klokbloem (de nationale bloem) passeren nog de revue. Alsmede de Degoe, een knaagdier dat veel weg heeft van een kruising tussen een rat en een konijn. In de hete zomers kan deze wekenlang rustig wachten tot de wind de peulen uit een meidoornboom blaast, waarna hij die buit vervolgens zo snel als hij kan naar zijn in de schaduw gelegen hol sleept.

Weer terug in Patagonië zien we dat niet alleen de poema zich te goed doet aan het vlees van de guanaco’s. De chilla, een grijze Zuid-Amerikaanse vos, doet dat eveneens, maar dan als aaseter. Evenals de condor, de koningsgier die met zijn voor het Guinness Book of Records in aanmerking komende spanwijdte in een Zuid-Amerikaanse natuurfilm niet mag ontbreken.

Chili is bijna voortdurend ademberovend. Er ontbreekt echter een narratieve structuur die de kijker het gevoel kan geven dat hij Chili in zijn eigen tempo mag ontsluieren. In plaats daarvan wordt hij meegesleept van het ene record naar het volgende extreem. Dat bevredigt niet helemaal, maar maakt wel benieuwd naar de gehele achtdelige serie.

 

21 september 2020

 

ALLE RECENSIES

Sidik en de panter

****
recensie Sidik en de panter

De bergen als enige vrienden

door Paul Rübsaam

Koerdistan is officieel geen land, maar heeft wel een eigen taal, een eigen leger en een beeldschoon berglandschap. In Sidik en de panter van Reber Dosky zoekt Sidik Barzani in dat landschap naar de uiterst zeldzame Perzische panter. De vondst van het dier zou volgens hem de redding van de geplaagde Koerdische bevolking betekenen.

Van afstand nemen we een man waar die met een lange wandelstok voortploegt over besneeuwde hellingen, waar kale bomen uit omhoog steken. Van dichtbij gezien blijkt hij ergens in de vijftig te zijn. Hij draagt een donkergroen windjack en om zijn hoofd een Koerdische sjaal.

Sidik en de panter

Samen met hem kan de kijker het landschap van de autonome Koerdische regio in Noord-Irak verkennen. Dat blijkt afwisselend: hoge bergen met steile wanden, grillige rotsformaties en groene valleien. Steenbokken, eekhoorns, wolven uilen en gieren vallen er te spotten, maar ook fraaie kleine vogels.

Indrukken
De natuurvorser en pelgrim Sidik Barzani, het centrale personage in de geëngageerde natuurdocumentaire
Sidik en de panter, bedient zich hoofdzakelijk van een verrekijker die nog van zijn grootvader is geweest, een kleine aantekenboekje en een ballpoint. Met behulp van dat laatste instrument schat hij tevens de afmetingen van een pootafdruk in de sneeuw, die naar hij hoopt afkomstig is van de Perzische panter waarnaar hij al vijfentwintig jaar op zoek is.

Sidik noteert niet alleen zijn feitelijke bevindingen, ook zijn gedachten over de natuur, de mens en Koerdistan schrijft hij op. Voorts legt hij zijn indrukken vast van de ontmoetingen die hij onderweg met anderen heeft: ouderen, jongeren, oorlogsweduwen, boeren en gelukszoekers. De gesprekken gaan over de lang verbeide panter, maar ook over de bewogen geschiedenis van de mensen die in het gebied wonen. Ondanks het huidige zelfbestuur van de Koerden ligt de terreur van de voormalige dictator Saddam Hoessein bij velen, waaronder Sidik zelf, nog vers in het geheugen.

Sidik en de panter

Gedenkteken
Ook Reber Dosky, de regisseur van de documentaire, meldt zich om aan Sidik zijn verhaal te vertellen. Hij doet dat als de natuurvorser is aangekomen bij de plaats waar Dosky’s grootvader als Peshmergastrijder in 1975 (het jaar van Dosky’s geboorte) in een hinderlaag liep, waarna hij door Saddams mannen wreed werd vermoord. Onder de vaderlijke leiding van Barzani zien we een geëmotioneerde Dosky met keien en veldbloemen een gedenkteken voor zijn grootvader maken.

Een niet te strikte scheiding tussen de mensen achter de camera of andere verslaggevers en de direct betrokkenen bij het verhaal dat verteld wordt, zou je een handelsmerk kunnen noemen van de Koerdisch-Nederlandse documentairemaker Reber Dosky. In zijn eerdere documentaire Radio Kobanî (2016) kreeg de jonge Koerdische radioverslaggeefster Dilovan Kîko door een van haar studiogasten bijvoorbeeld de vraag voorgelegd hoe ze zelf de bezetting door IS en de latere bevrijding van de Koerdische stad Kobanî in Noord-Syrië had beleefd.

Evenals Dilovan Kîko was de protagonist van Sidik en de Panter al eerder een bekende van de regisseur. Deze had zich tot hem gewend nadat hij Dosky’s documentaire De Lokroep (2013) had gezien. Afgaande op een poster van die film (over de mislukte hereniging van een vader en zijn zoon in Koerdisch Oost-Turkije) dacht Barzani dat de Koerdische natuur daarin centraal zou staan. Tot zijn teleurstelling bleek dat niet het geval te zijn. Met Sidik en de Panter heeft Dosky dit op zijn eigen manier rechtgezet.

Sidik en de panter

Vertwijfeling en hoop
Het contrast tussen Sidik en de Panter en met name Radio Kobanî lijkt op het eerste gezicht immens. De beelden van het opgraven van half vergane lijken onder het puin van Kobanî in laatstgenoemde documentaire zijn verbijsterend. In Sidik en de Panter daarentegen zien we zelfs niets van de jacht die de alom aanwezige dieren op andere dieren maken. Maar terwijl Radio Kobanî hoopvol eindigt, vormen in Sidik en de Panter de vertelde verhalen een virtuele wond in het ogenschijnlijk zo fraaie landschap.

‘De bergen zijn de enige vrienden van de Koerden’, luidt een door Peshmergastrijders ondertekende tekst die Sidik ergens in de wand van een grot gekrast ziet staan. Het is niet direct een boodschap waarvan je vrolijk wordt. Toch is Sidik ervan overtuigd dat in die bergen de verlossing zich zal aandienen. Als het vrede blijft en de natuur zich verder herstelt, keert de panter hoe dan ook terug. Koerdistan zou dan de status van nationaal park kunnen krijgen en nooit meer gebombardeerd worden.

Wie scherp wil slijpen, ontwaart in Sidik en de panter wellicht een zweem van naïviteit. ‘Koerdistan’ is een lappendeken verspreid over vijf verschillende landen, de Koerden zelf zijn onderling verdeeld en in de Koerdische gebieden wonen tal van mensen met een andere etniciteit. Het neemt niet weg dat Reber Dosky er zonder meer in is geslaagd de barrière te slechten tussen de vaak voor escapistisch versleten liefde voor ongerepte natuur en de soms al te verstedelijkte atmosfeer van gangbaar politiek engagement.

 

5 september 2020

 

ALLE RECENSIES

Gli anni più belli

**
recensie Gli anni più belli

Italiaanse Breakfast Club wordt ouder

door Paul Rübsaam

Gli anni più belli behandelt een vriendschap tussen vier personen over een periode van bijna veertig jaar. Menig kijker zal in minstens één van de protagonisten iets van zichzelf herkennen. Maar de pretentie dat de ontwikkeling van de tijdgeest van 1982 tot 2020 wordt geschetst, maakt deze clichématige Italiaanse film niet waar.

Aanvankelijk, we schrijven 1982, zijn ze met zijn tweeën: Giulio en Paolo, twee zestienjarige Romeinse jongens. Tuk op sensatie sluiten de vrienden zich aan bij een politieke demonstratie, waartegen de politie hard optreedt. Een politiekogel treft een leeftijdgenoot in zijn buik. Giulio en Paolo brengen de onbekende jongen naar het ziekenhuis. Riccardo, zoals hij blijkt te heten, overleeft het. Voortaan zijn de drie jongens onafscheidelijk.

Gli anni più belli

De vastberaden Giulio (Pierfrancesco Favino), de dromerige jonge intellectueel Paolo (Kim Rossi Stuart) en ongeleid projectiel Riccardo (Claudio Santamaria) beleven een mooie zomer in het huis aan een meer van Riccardo’s vrijgevochten ouders. Spoedig daarna zet Paolo als eerste zijn schreden op het liefdespad. Met een spreekbeurt over vogels, waarbij hij zijn eigen parkiet Lucy als voorbeeld gebruikt, maakt hij indruk op zijn vaderloze klasgenote Gemma, wier moeder ernstig ziek is. Gemma (Micaela Ramazzotti) wordt het meisje van Paolo, die haar aanbidt. Maar ook voor Giulio en Riccardo is ze de vriend(in) die het kwartet completeert.

Het enige dat het viertal nog mist is een vehikel waarmee de nodige avonturen beleefd kunnen worden. Giulio weet een van de sloop geredde, rode Mercedes-cabriolet weer aan de praat te krijgen. Nadat het uitgelaten viertal zijn eerste ritje heeft gemaakt, laat het zich met het voertuig op de achtergrond vereeuwigen door een voorbijganger. Die foto zal slechts een momentopname blijken. Want Giulio’s vader verkoopt de auto, wat tot een definitieve breuk met Giulio leidt. En ondertussen sterft Gemma’s moeder.

Gli anni più belli

Tijdsbeeld?
Gemma gaat bij haar tante in Napels wonen, waar ze zich in het ruige uitgaansleven stort en een relatie aanknoopt met een Napolitaanse cokedealer. Paolo moet het doen met haar van tranen doordrenkte afscheidsbrief. Giulio gaat rechten studeren en neemt zich voor het op te gaan nemen voor de zwakkeren in de samenleving. Paolo begint aan een studie Italiaans en klassieke talen en Riccardo beproeft zijn geluk als figurant bij theaterproducties.

Allengs worden de tijdsprongen in Gli anni più belli (De mooiste jaren) groter. Als we wat archiefbeelden zien, bijvoorbeeld van 9 november 1989, de dag waarop de Berlijnse muur viel, horen we ondertussen Giulio verklaren dat hij uitgerekend op die dag afstudeerde. Dan weten we welk jaar het is en bovendien in welke levensfase het personage zich bevindt. Naar een verband tussen die levensfase en dat algemene tijdsgewricht blijft het echter gissen.

Om veel te kunnen zeggen met één beeld sleept regisseur Gabriele Muccini (A casa tutti bene, 2018) voorts de clichés binnenboord. Op het huwelijksfeest van Riccardo en zijn bruid Anna, ergens in de jaren negentig, flirt de tijdelijk weer bij Paolo teruggekeerde Gemma met Giulio. Ze doet dat middels verleidelijke heupbewegingen op de maat van het door een gelegenheidsbandje ten gehore gebrachte Don’t you (forget about me) van The Simple Minds. Kon Muccini niet met een originelere keuze komen dan dit overbekende nummer uit de vermaarde Amerikaanse tienerfilm The Breakfast Club (1985)?

Nog zo’n voorbeeld. Als de maatschappelijk aan lager wal rakende Riccardo de enige blijkt met wie Gemma een platonische, maar werkelijk vriendschappelijke relatie onderhoudt, moet dat gevierd worden, waarbij we niet mogen vergeten dat we ons in Rome bevinden. Dus nemen Gemma en Riccardo een bad in de Trevifontein, om La Dolce Vita (1960) van Federico Fellini maar weer eens te citeren.

Gli anni più belli

De trap van haar leven
‘Herkenning’ is zonder twijfel het sleutelwoord bij Gli anni più belli. Daarvoor heb je tevens aanraakbare personages nodig. Dat die inderdaad ten tonele worden gevoerd, mag wél een verdienste heten van zowel de regisseur als de acteurs.

Als kijker ben je geneigd de advocaat Giulio te verguizen als hij zijn idealen inlevert voor aanzien en geld. Maar je kunt hem ook begrijpen. Dat laatste geldt eveneens voor Riccardo, die na twaalf ambachten en dertien ongelukken nog maar één ding verlangt: de liefde van zijn zoon. De geboren docent Paolo gun je voorts dat hij eindelijk eens als zodanig mag schitteren.

En dan Gemma. Na de dood van haar moeder ontwikkelt ze zich tot een opportunistische, bittere jonge volwassene. Maar op middelbare leeftijd ontdooit ze weer. Ze vormt het middelpunt van een scène waarin ze ‘de trap van haar leven’ beklimt. Stuivend over de treden, van verdieping naar verdieping steeds ouder wordend, komt ze uiteindelijk aan bij de kamer waar haar geluk wacht. Een knappe montage en een beeld dat je bijblijft, in een film echter waarin het meeste hout van te dikke planken wordt gezaagd.

 

1 augustus 2020

 

ALLE RECENSIES

Sing me a Song

***
recensie Sing me a Song

De verlokkingen van Bhutan

door Paul Rübsaam

Tot eind vorige eeuw nog was er in het Himalayastaatje Bhutan geen elektriciteit en geen televisie. De ontwikkelingen daar zijn echter razendsnel gegaan. In de documentaire Sing me a Song is de jonge boeddhistische monnik Peyangki non-stop in de weer met zijn smartphone en droomt hij van de meisjes in het hoofdstadje Thimphu.

‘Heer der Heren, u overwint al het kwaad. U straalt de zoete levensgeur uit en onderwerpt de schaduwen der onwetendheid…’ Een groep jonge monniken in kleermakerszit, waaronder de zeventienjarige hoofdpersoon Peyangki, brengt zingend deze en andere gebedsstrofen ten gehore. Ondertussen zitten de jongens, niet één uitgezonderd, met een smartphone te chatten of een videogame te spelen. Het is één van de opmerkelijke scènes uit de geromantiseerde documentaire Sing me a Song van de Franse regisseur Thomas Balmès.

Sing me a Song

Monnikenbestaan
Eerder kreeg de samenwerking tussen Balmès en zijn protagonist gestalte in de documentaire Happiness (2013). Daarin zien we Peyangki als onbevangen klein jongetje dat met hart en ziel voor het monnikenbestaan heeft gekozen, maar wel blij is als er eindelijk in het dorpje Laya, waar hij vandaan komt en waar ook de tempel is gevestigd, een elektriciteitsnet en een asfaltweg worden aangelegd. Verschillende fragmenten uit Happiness keren in Sing me a Song terug als flashbacks.

Eigenlijk begon de voorgeschiedenis van Sing me a Song nog eerder. In 1998 al, toen de toenmalige koning van Bhutan, Jigme Singye Wangchuck, het groene licht gaf voor de komst van elektriciteit, televisie en internet in het traditionele boeddhistische koninkrijk. Of zelfs daarvoor nog, toen Balmès zonder aan Bhutan en de nog niet geboren Peyangki te denken al rondliep met plannen voor een film over de ingrijpende gevolgen van de ontwikkelingen in de communicatietechnologie.

Liefdesliedjes
In Sing me a Song zien we Peyangki nog altijd braaf de ontelbare kaarsjes in de gebedsruimte van de tempel aansteken. Ook probeert hij de teksten van de belangrijkste gebeden op te schrijven en uit zijn hoofd te leren. Maar van dat laatste brengt hij weinig terecht, tot ergernis van zijn leermeester en zijn moeder, die af en toe op bezoek komt.

Sing me a Song

Hij verkeert namelijk in andere sferen. Met de verkoop van de medische paddenstoelen die hij in het hooggebergte plukt, hoopt hij een eigen bestaan op te kunnen bouwen. Maar vooral is hij in de ban van Ugyen, een meisje dat hij via de chatbox WeChat heeft leren kennen. Ze treedt op als zangeres in Thimphu en zingt op zijn verzoek liefdesliedjes voor Peyangki.

Als de jonge monnik op een gegeven moment een lift krijgt naar Thimphu, het hoofdstadje waar het inwonertal de afgelopen twintig jaar bijna is verdrievoudigd naar 115.000, ontmoet hij daar Ugyen in levende lijve. Ze blijkt wat ouder dan hij. Haar carrière als zangeres is niet datgene wat hij zich ervan voor had gesteld. Bovendien draagt ze van een eerdere relatie nog de sporen met zich mee en koestert ze plannen om Bhutan te verlaten. Voor Peyangki dreigt zich een desillusie af te tekenen.

Steriel
De beelden van de hoogvlaktes in de Himalaya, het klooster in het op vierduizend meter hoogte gelegen Laya en het rap moderniserende Thimphu zijn indrukwekkend. Tevens valt het niet moeilijk sympathie op te vatten voor de introverte Peyangki met zijn melancholieke, grote bruine ogen. Een gevoel van verbijstering is voorts onontkoombaar als het de snelheid betreft waarmee het traditionele, ongerepte Bhutan en zijn inwoners veranderen.

Toch maakt Sing me a Song een ietwat steriele indruk. Mogelijk heeft dat te maken met de achter de schermen te aanwezige regisseur, die zelf het televisiekijken geheel heeft afgezworen en niet alleen met Happiness, maar ook met eerdere documentaires als Maharadjah Burger (1997) en Christ comes to the Papuans (2001) al de twijfelachtige invloed van de westerse wereld wilde schetsen op verre landen met een rijke culturele en religieuze traditie.

Sing me a Song

Neem de eerder beschreven scène met de biddende en chattende monniken. Zou er in werkelijkheid niet één zijn geweest die tijdens het gebed niet met zijn smartphone zat te spelen? Een bepaalde mate van enscenering moet een rol hebben gespeeld. En dat gevoel heb je vaker. Kijken we werkelijk naar het leven van Peyangki, of eerder naar diens uitbeeldingen van Balmès’ beweringen over de teloorgang van traditionele beschavingen?

Ook als Sing me a Song de ontwikkelingen in Peyangki’s leven getrouw weergeeft, kun je je afvragen of die ontwikkelingen zo dramatisch zijn. Wordt het zuivere joch door de moderne communicatietechnologie ten gronde gericht? Of maakt hij op zijn manier mee wat opgroeiende jongens overal en altijd meemaken en komt het wel weer goed met hem? Het zijn vermoedelijk niet de vragen die Balmès ons mee wilde geven.

 

27 juli 2020

 

ALLE RECENSIES