Dutch Mountain Film Festival 2026 – Preview 2

Dutch Mountain Film Festival 2026 – Preview 2:
Een auerhoen, rendierkuddes en een hertenhoofd

door Paul Rübsaam

Deze tweede preview van editie 16 van het Dutch Mountain Film Festival (DMFF) voert onder andere naar de Vogezen en Lapland. Verder zien we hoe een Slowaakse moeder de moeder aller bergen wil bedwingen en is er aandacht voor droefgeestige animatie, komische animatie en moderne Italiaanse bouwkunst.

Whispers in the Woods – Het fantoom van het auerhoen
We zien een donkere lucht met mistflarden, horen haast hemelse zangstemmen en beginnen de vage contouren van hoge bomen te onderscheiden. Langzaam maar zeker tekenen de blauw-groen-grijze tinten zich af van een bos in de vroege ochtend. Een moeilijk te identificeren zoogdiertje vlucht weg, een uiltje strijkt neer op een tak en fladdert weer op. Ondertussen kijkt een jongen van een jaar of twaalf waakzaam om zich heen.

Die jongen is Simon Munier, zoon van Vincent Munier, de regisseur van de natuurdocumentaire Le Chant des forêts (Whispers in the Woods), waar we de eerste beelden van zien. Samen met zijn vader en grootvader Michel bevindt hij zich midden in een bos in de Franse Vogezen.

Whispers in the Woods

Whispers in the Woods

’s Avonds, als het kaarslicht brandt in het groene houten huisje waar het drietal verblijft, beschrijft natuurvorser Michel Munier zijn herinnering aan een moment ergens in de jaren zestig van de vorige eeuw. Er lag toen een dik pak sneeuw, zoals beelden ons ook tonen. Een windvlaag trok kortstondig het mistgordijn open dat over de sneeuw hing. Even werden de contouren zichtbaar van een auerhoen, een grote trotse vogel met een waaiervormige staart. Daarna sloot het gordijn zich weer. Voor Michel was het alsof hij een fantoom had gezien.

Betoverd door de fantoomvogel besloot Michel Munier vanaf dat moment zelf ‘een fantoom’ te worden. Voortaan zou hij heel vroeg op pad gaan (soms zelfs vroeg in de nacht), zich verdekt opstellen en eindeloos geduld hebben. Zodat hij ook de zang van het auerhoen kon horen en de paringsdans kon zien. Maar ook andere vogels, zoogdieren, bomen en planten kon aanschouwen en alle geheimen van het bos ontsluieren.

Zo beeldend als zijn vader kan vertellen, zo verhalend kan Vincent Munier filmen. De pure aanschouwing van het ongestoorde dier in zijn natuurlijke omgeving staat daarbij voorop. Woorden als ‘mooi’ en ‘schitterend’ schieten tekort bij een beschrijving van de beelden in Whispers in the Woods. Hoe speelt Munier het klaar? Dat hij over de beste apparatuur beschikt, is maar een heel klein deel van de verklaring. Belangrijk zijn onder andere de tijdstippen die hij kiest (vaak rond zonsopkomst en zonsondergang), de belichting, zijn oog voor detail, zijn geduld en de weldadige lengte van zijn shots.

Zoals het shot waarin de waterlijn van een meer de breedte van het hele kader vult en je een hert, bijna als een silhouet in de mistige, nog schemerdonkere ochtendlucht behoedzaam van rechts naar links door het water ziet waden, op gepaste afstand gevolgd door haar nog behoedzamere kalf.

Of het shot dat tot stand komt nadat Michel een half opgegeten hert in het bos heeft gevonden en hij samen met Vincent de lynx betrappen wil, die de andere helft van zijn maaltijd vermoedelijk nog op zal komen halen. Vroeg in de nacht zetten vader en zoon in de buurt van het halve kadaver hun camouflagetent op. Turend door het gat in de tent, met hun camera’s ingesteld moeten ze een tijd wachten. Maar uiteindelijk nadert de grote kat die zijn buit wil ophalen dan toch de zich angstvallig stil houdende mannen en kunnen zij hun gedroomde close-ups maken, waarbij je de neusvleugels van de lynx kan zien trillen en de grote, spiedende ogen meer dan levensgroot in beeld krijgt.

Whispers in the Woods staat in dienst van de natuurobservaties, maar een verhaallijn is niettemin aanwezig. Die betreft de vertegenwoordigers van de drie generaties Munier en (de toekomst van) de Vogezen als natuurgebied. Maar ook en niet in de laatste plaats het mysterieuze auerhoen.

Michel Munier verwondert zich erover hoe jonge, nog als groene plantjes ogende berken kunnen wortelen in de liggende stammen van hun voorouders. Zelf heeft hij niet alleen bijgedragen aan de ontwikkeling van zijn beroemde zoon, maar hoopt hij ook een voorbeeld te zijn voor zijn kleinzoon, die we in de sneeuw letterlijk in de voetsporen van zijn grootvader zien treden. Simon observeert even ademloos en verwonderd de natuurverschijnselen als opa Michel en vader Vincent dat doen. Al mogen die twee wat hem betreft af en toe een leerzaam verhaaltje overslaan en wil de beginnende puber soms liever even uitslapen dan de geluiden opvangen van de allervroegste vogels.

Klimaatverandering en menselijke activiteiten hebben ook in de Vogezen hun sporen nagelaten. Het is al een tijd geleden dat Michel het auerhoen daar nog heeft gezien. Waar kan de jonge Simon de gekromde gele snavel, het donkerblauwe verenpak en de haast menselijke grijze ogen van het dier dan nog in het wild aanschouwen? En zijn klokkende, haast mechanisch klinkende baltsgeluid nog horen? Daarvoor zullen ze noordelijkere streken moeten opzoeken. Niettemin is Michel Munier ervan overtuigd dat de geest van het auerhoen nog ergens in de Vogezen aanwezig is. “Als trillingen die in ons resoneren en ons inspireren”, zoals hij zegt.

Árru – Yoik-drama met vleugje Vinterberg
De Noors-Zweeds-Finse productie Árru is een muzikale speelfilm die zich afspeelt in Lapland. Meer in het bijzonder in de regio Sápmi, die Noorwegen, Zweden, Finland en zelfs een stukje van Rusland doorkruist. Regisseuse (en choreografe) Elle Sore Sara is uit dat gebied afkomstig.

Niet alleen letterlijk houdt de film zich niet aan grenzen. Ook qua genre is deze niet direct in één hokje te plaatsen. Árru (dat zoiets als ‘hindernis’ betekent) wordt wel aangeduid als Yoik-drama. Dit verwijst naar de belangrijke rol die is weggelegd voor traditionele, vaak zonder instrumentale begeleiding gezongen liederen (Yoik), waarmee Sámi (Lappen) met woorden en soms alleen klanken mensen, dieren of geesten aanroepen. De stemmige Yoik-liederen sluiten naadloos aan bij de ingetogen acteerstijl van de personages. Nog daargelaten dat Árru met een angstvallig verborgen gehouden familiegeheim en een familiefeest herinneringen oproept aan het grimmige Festen (1998) van de Deense regisseur Tomas Vinterberg.

Árru

Árru

In de openingsscène zien we hoe Maia (Sara Marielle Gap Beaska), een jonge Sámivrouw met een traditionele hoge muts op haar hoofd, zich in een heuvelachtig sneeuwlandschap ontfermt over een vastgebonden rendierhinde. Ze begraaft het bloederige doodgeboren kalfje van het dier in de maagdelijk witte sneeuw en bekruist het grafje, waarna ze de aangeslagen moeder met vastgebonden poten achterop haar sneeuwscooter legt.

Het dier zal weer bevrijd worden zodra Maia met de scooter aankomt bij de rendierkudde die op dat moment gehoed wordt door haar broer Dánel (Simon Issát Marainen) en haar dochter Áilin (Ayla Gáren Nutti). Het gewei, dat bij rendiermoeders na de geboorte van hun kalf loslaat, wordt bij een steen gelegd. Dan heft Maia een lied aan over de bergen van Gáiru (waar ze zich bevinden), die zorg dragen voor de kudde, evenals de heilige steen dat doet. Áilin en Dánel vallen in en zingen over het bevrijdende zonlicht. Tenslotte kust en knuffelt Maia de ongelukkige rendiermoeder.

Maar de zomer, als het ’s nachts in Gáiru alleen maar een beetje schemert en het groene landschap met zijn koele meren idyllisch oogt, is niet zorgeloos. Want er zijn vergevorderde plannen om in het gebied een kopermijn te vestigen. Dat zou betekenen dat de rendierherders Maia en Dánel, die op jonge leeftijd hun ouders verloren, een groot deel van hun kudde moeten slachten, dan wel met de dieren moeten uitwijken naar een ander gebied.

Maia onderhoudt echter contact met haar naar Canada geëmigreerde oom Lemme (Mikkel Gaup), die over de nodige connecties beschikt, waaronder die met een gerenommeerd advocatenkantoor. Volgens de juristen zouden de rendierhouders de vestiging van de mijn voor de rechter aan kunnen vechten.

Tot Maia’s verwondering zegt Lemme niet alleen telefonisch zijn hulp toe. Hij keert voor de gelegenheid zelfs weer terug naar zijn geboortegrond. De in zichzelf gekeerde Dánel lijkt niet erg blij te zijn met de komst van zijn bazige oom. Maia zelf vindt dat Lemme, die mede-eigenaar is van de rendierkudde, te veel aan financieel gewin denkt en te makkelijk over het offeren van de dieren.

Lemme weet wel van aanpakken. Hij organiseert een bijeenkomst in aanwezigheid van de pers, waarbij de hele familie, inclusief de oma en tante van Maia en Dánel, alsmede vele andere genodigden, verschijnen in kleurige Sámi-klederdracht. Vanaf een podium neemt hij het woord: “Het land is niet van jou, niet van mij, en zeker niet van Scandi Copper’s (de kopermijn, PR)”, scandeert hij. “Het is van de rendieren, het gras en de wind.”

Ook Ailin wordt op het podium geroepen en het publiek ten voorbeeld gesteld als toegewijde jonge herderin, die later vermoedelijk eigenaar zal zijn van een grote rendierkudde. Vervolgens laten het meisje en andere jeugdige Sámi zien dat ze niet alleen traditionele, maar ook moderne zang- en dansvormen beheersen.

Toch blijft er iets knagen. Dat betreft niet alleen de toekomst van de kudde, maar ook de persoon van Lemme. Dánel, die zijn oom uit de weg gaat, begint steeds meer te drinken en te blowen en gedraagt zich steeds onaangepaster. Ondertussen krijgt Áilin een vermoeden van wat hem dwars zit. Spelletjes schaak zouden daarbij een minder onschuldige rol kunnen hebben gespeeld dan je zou denken.

Áilins moeder Maia komt tussen twee vuren te zitten. Terwijl (over)grootmoeder Ákkhu, die als hoofd van de familie binnenkort haar verjaardag viert, heeft laten weten dat tweedracht binnen de familie uit den boze is. In haar vertwijfeling roept Maia de naakte geesten van haar voorouders aan om haar de weg te wijzen in het doolhof waarin ze zich bevindt.

Verrassende plotwendingen volgen in dit beklemmende familiedrama, dat met muziek, dans en verwijzingen naar de moderne tijd (van het gebruik van smartphones tot breakdance) toch volop respect weet te betuigen aan de Sámi-cultuur en een zowel traditionele als actuele ecologische boodschap verkondigt.

Everest: A Mother’s Peak – Uitgerekend deze vrouw op deze berg
Lucia Janičová wil als eerste Slowaakse vrouw op de top van de Mount Everest staan. Dat lijkt een wat kleurloos Guinness Book of Records-achtig streven en een weinig onderscheidend onderwerp voor een bergfilm. Everest: A Mother’s Peak van de Schotse regisseur Paul Diffley weet het gegeven echter van een verrassende eigen inhoud te voorzien.

Om te beginnen door de hoogste berg ter wereld een ziel toe te dichten. Aanknopend bij de Tibetaanse naam van de Everest: ‘Chomolungma’ (‘godin-moeder van de wereld’), wordt deze ons daadwerkelijk voorgesteld als vrouw en moeder. Met een over haar flanken en ijsvelden echoënde, mysterieuze vrouwenstem, die verlokkend maar ook waarschuwend klinkt.

Maar vooral met dank aan de persoon van Lucia Janičová zelf: een goedlachse, maar ook niet zelden geëmotioneerde blonde vrouw met sprekende lichtblauwe ogen en een neuspiercing. Ze kan het nauwelijks over haar hart verkrijgen om haar dochtertje Adélka voor twee maanden toe te vertrouwen aan de zorg van haar eigen moeder (Adélka’s oma). Ze wil met haar beklimming haar dochtertje laten zien dat een vrouw alles kan bereiken, als ze daar maar haar zinnen op zet.

Everest: A Mother's Peak

Everest: A Mother’s Peak

De in 1986 geboren, als chemicus op een laboratorium werkzame Slowaakse probeert in het beeld dat ze schetst van haar eigen niet bepaald makkelijke jeugd de nodige nuances aan ten brengen. Haar vader bracht zijn zin voor avontuur over op zijn zes kinderen, waar Lucia hem dankbaar voor is. Maar van zijn driftbuien als hij gedronken had, hebben zij, haar drie zussen en twee jongere broertjes wrange gevolgen ondervonden. Ook is Lucia als nog jong meisje door een niet met name aangeduid manspersoon verkracht. Het trauma dat daar het gevolg van is, draagt ze nog steeds met zich mee. Ze hoopt dat de beproeving die de godin-moeder van de wereld voor haar in petto heeft haar daarvan kan bevrijden.

Die beproeving zal des te zwaarder uitvallen omdat Janičová geen goed getrainde alpiniste is. Met de nodige steun en begeleiding moet ze een hoogtestage en een intensief trainingsprogramma doorlopen. Een uit de zee oprijzende rotsnaald bij Schotland, de Mont Blanc. De Mera Peak in Nepal en de Aconcagua in de Andes komen daar in die volgorde aan te pas. En ook een sportschool, een klimhal en zuurstofopnametesten.

Nadat tijdens het afscheid van haar dochter en haar moeder op het vliegveld de tranen rijkelijk zijn gevloeid en Janičová zich samen met haar gids (de nuchtere Sherpa Rinjin Bhote) en andere expeditieleden eenmaal gevestigd heeft in het Everest-basiskamp op 5300 meter, horen we opnieuw de stem van Chomolungma.

Up here the past returns, holding what pain has buried, galmt de vrouwelijke berg, waarmee ze lijkt te doelen op het trauma van de Slowaakse die zich op haar flanken waagt. En ze vervolgt: The pelgrims must learn how to survive where my air is thin. They move in cycles, climbing towards my higher realm and then falling back again. Een verwijzing naar het acclimatisatieprogramma van de expeditie, waarbij eerst naar een hoogte van ruim zesduizend meter wordt geklommen, om vervolgens ter voorbereiding op de summit push weer terug te keren naar het basiskamp.

De hoogte speelt Janičová niettemin parten. Benauwdheid en hoofdpijn kwellen haar. Daarnaast heeft ze ook nog te kampen met diarree en de ongemakken van haar maandelijkse cyclus. Pain marked her passage. Not as weakness, but as right, weet Chomulongma.

Je kunt niet anders dan hopen dat deze zo aanraakbare en openhartige Slowaakse heldin zal slagen in haar missie, van haar trauma verlost zal worden en ongeschonden haar dochter Adélka weer in de armen zal kunnen sluiten. Al had Everest: A Mothers Peak iets meer maat kunnen houden met het aantal door de berg der bergen gedebiteerde wijsheden.

Like Friend, Like Deer

Like Friend, Like Deer

Like Friend, Like Deer – Omineus hertenhoofd
Een (beeld)verhaal doet veelal op chronologische wijze verslag van gebeurtenissen waarvan de betekenis vrij snel duidelijk is. Het karakter van de personages of hun functie in het verhaal ontdekken we doorgaans pas gaandeweg. De Iraanse regisseur en schilder Malek Eghbali heeft deze twee gangbare regels in zijn korte animatiefilm Like Friend, Like Deer echter volledig omgedraaid.

Een man met een melancholiek hertenhoofd wordt als gevangene uitgeleverd en mogelijk terechtgesteld. Hij is als een personage uit ‘La commedia dell’arte’. Zijn verschijning verklapt al hoe we hem moeten duiden: als een onschuldig slachtoffer. Minder duidelijk is waarvan (of van wie) hij het slachtoffer is, hoe zijn verleden, heden en toekomst eruitzien en wat zijn betrekking is met een leraar in een bergdorp, die tijdelijk en met tegenzin een overheidsfunctie vervult.

Like Friend, Like Deer is opgedragen aan gevangen genomen Iraanse milieuactivisten. Dat verheldert de omgevings- en sfeerelementen ervan enigszins, maar licht de verhaallijn nog niet volledig op. In de animatiefilm zonder gesproken woord, waarin vertraagde echte filmbeelden op een mysterie scheppende manier met donkere aquareltinten lijken te zijn overgeschilderd, zijn de natuur en geweld tegen mens en dier (die onderling verwisselbaar zouden kunnen zijn) hoe dan ook belangrijke elementen. Dat geldt ook voor gevangenschap onder erbarmelijke omstandigheden en het al dan niet tijdelijke karakter van vriendschap.

Zijn de man met het hertenhoofd en de leraar vrienden van vroeger? Of wórden ze juist vrienden? En wie van deze twee is het uiteindelijke slachtoffer? Iedere aanschouwer van het fraaie, droefgeestige en hypnotiserende Like Friend, Like Deer kan op deze vragen zijn eigen antwoord proberen te vinden.

Kronoshock – Geschiedenis van het alpinisme in vogel- en dronevlucht
De klimaatverandering heeft als voordeel dat alpinisten die decennia geleden op grote hoogten onder de sneeuw zijn bedolven nu kunnen ontdooien en alsnog hun toppogingen kunnen hervatten. Een krankzinnige gedachte natuurlijk. Maar uitstekend op zijn plaats in een even korte als vermakelijke stopmotion-animatiefilm, die ook nog eens aansluit bij het festivalthema ‘Top View’ (zie deel 1 van deze preview).

Kronoshock

Kronoshock

Het bedoelde werkje van de Spaanse regisseur Ignasi López Fàbregas heet niet voor niets Kronoshock. De toch nog ontdooide Lord Cliffrider, die in het tijdperk van de zwijgende film als eerste de Devil’s Horn probeerde te beklimmen, ervaart inderdaad een ’tijdschok’. Hevig transpirerend moet de pijprokende en met een grote pikkel gewapende lord aanschouwen dat hij niet meer alleen is op de berg. Een klimmer met een stoppelbaard en een sigarettenpeukje in zijn mond en eentje met een aluminium helmpje, paarse thermokleding en twee ijsbijltjes waar hij mee jongleert, proberen eveneens de top te bereiken.

Maar het kan nog erger, want die alpinisten uit pakweg de jaren zestig en negentig van de vorige eeuw zijn inmiddels ook al van gisteren. En niet alleen rond te de top van de Devil’s Horn is alles anders geworden. Ook de omgeving van die eens zo afgelegen bergnaald is totaal onherkenbaar. Hoe deze stopmotion-geschiedenis van het alpinisme in vogelvlucht (en dronevlucht) dat laat zien, is opnieuw om te lachen. En eigenlijk ook om te huilen.

Mountain Time – Bouwen aan een toekomst in de bergen
Het toekomstbeeld dat Kronoshock schetst van het door mensen beheerste berggebied is dus weliswaar vermakelijk, maar weinig opwekkend. Gelukkig zijn er in ieder geval in Italië de nodige architecten, projectontwikkelaars en landschap-consultants die hun best doen om te bouwen met respect voor het berglandschap en in overeenstemming met de bijzondere aard en betekenis daarvan. Hun projecten en visies passeren de revue in de documentaire Mountain Time. Alpine Architecture in Ten Stories van Francesca Molteni.

Eén van de tien getoonde projecten is het zogeheten ‘elektrisch landschap’. Met een toelichting van landschap-consultant Luca Gremese krijgen we te zien hoe men in Paluzza (nabij Udine) een functionerende blokvormige elektriciteitscentrale weer onderdeel heeft laten worden van de natuur. De centrale staat in een weiland, is overwoekerd door groene takken en de ermee verbonden elektriciteitsdraden zijn ondergronds weggewerkt. Een door Gremese aangebrachte 24-uurs wildcamera registreert een hert dat zich ’s nachts dicht in de buurt van het nagenoeg verborgen object uitstekend op zijn gemak lijkt te voelen.

Een ander project is de gedeeltelijke restauratie van een bergdorp met een roemrucht oorlogsverleden. Aan de hand van een fragment uit de documentaire Le Prime Bande van Paolo Gobetti uit 1984 maken we kennis met het in dat jaar nog volledig verlaten, op 1360 meter hoge bergdorpje Paraloup (provincie Cuneo) in de Italiaanse Alpen. Dit dorpje met zijn tot ruïnes vervallen, maar karakteristieke huisjes deed in de Tweede Wereldoorlog dienst als knooppunt van de Italiaanse verzetsbeweging.

Een van de partizanen was de schrijver Nuto Revelli. Zijn zoon, de historicus en politicoloog Marco Revelli, heeft zich later ingezet voor het weer tot leven brengen van Paraloup. Een groep architecten, waaronder Aldo en Giovanni Berberis, bouwden er nieuwe huizen, die qua bouwstijl aansluiten bij een aantal gerestaureerde ruïnes. Bezoekers en potentiële nieuwe bewoners kunnen het dorpje in veel opzichten dus weer ervaren zoals het was. Met dien verstande dat er tegenwoordig een bibliotheek is gevestigd en een museum waar bezoekers op een interactieve manier kennis kunnen nemen van het verleden van Paraloup.

Verder hebben Daniele Zerbi, Massimiliano Savino en Simone Mazzali van het zogeheten Fuzz Atelier zich bezig gehouden met de transformatie van een voormalige steengroeve in het plaatsje Crevoladossola (provincie Verbano-Cusia- Ossola) in het openluchttheater Tones Teatro Natura. De hoge bergwand die aanvankelijk de groeve markeerde, maakt nu deel uit van het decor bij uitvoeringen van opera’s als Madame Butterfly van Giacomo Puccini. “De transformatie was een gecompliceerde operatie”, aldus theater- en artistiek directeur Maddalena Calderoni. “Want zowel duurzaamheid als dramaturgische waarde dienen te worden nagestreefd.” De akoestiek is in ieder geval fenomenaal, zoals we al tijdens de repetities van Madame Butterfly kunnen horen. Maar het kan tijdens repetities en uitvoering natuurlijk ineens gaan regenen.

Mountain Time

Mountain Time

Van de overige van de tien projecten zien we onder andere de restauratie van het ook al leeg gelopen bergdorpje San Gottardo di Rimella. Verder een nieuw gebouwde kleuterschool en een middelbare school in de Dolomieten, waar de kinderen zowel binnen als buiten optimaal van de ruimte kunnen profiteren en het herbestemmen van een dorpsplein in Borgo D’Anaunia (Trento) tot een plek voor sociale ontmoetingen en culturele evenementen.

Mountain Time voert ons met hoogleraar architectuur Antonio de Rossi en voormalig voorzitter van de Associazione Architetti Alto Alpino (AAA), Alberto Winterle, als terugkerende commentatoren langs vele schilderachtige plekken in bergachtig Italië. De documentaire is een werkzaam medicijn voor iedereen met een overdreven wantrouwen jegens moderne architectuur. Wel krijg je soms de indruk dat het ecologisch en historisch verantwoord hergebruiken van de alpine-locaties is voorbehouden aan mensen die niet alleen idealistisch, maar ook welgesteld zijn.

En verder…
Er zijn nog heel wat meer films op het festival te zien. Zoals Triglav – The Path of Redemption, een documentaire van Rožle Bregar en Aleš Žemlja over een ongeluk op de hoogste berg van Slovenië (de Triglav), dat een halve eeuw na dato overlevenden nog altijd vervult met pijnlijke herinneringen. Of Temporary Nomad, waarin de jonge Oostenrijker Valentin Macke verslag doet van een reis naar het oosten die hem uiteindelijk aansluiting doet vinden bij een nomadenfamilie in Iran. Maar ook Nininbaori, een verrassende korte documentaire van Mathieu Acherman over paraklimmen (klimmen met een beperking).

Zoals ieder jaar vertoont het DMFF minstens één markante oudere film. Dit jaar is dat de prijswinnende documentaire Sherpa van de Australische regisseur Jennifer Peedom uit 2015. De film over een verwoestende lawine op de flanken van de Mount Everest en de gevolgen daarvan voor de Sherpa-gemeenschap is mede door de recente natuurrampen in Nepal nog altijd pijnlijk actueel.

En ook dit jaar is er meer te doen dan alleen films kijken. Zo kun je een bezoekje brengen aan de gratis toegankelijke expositie ‘Van plek van verlangen tot social media-hotspot’ in café Vers in Aken. Aansluitend bij het festivalthema ‘Top View’ worden daar historische afbeeldingen van reisbestemmingen gekoppeld aan de beeldwerelden van Instagram.
Wie de benen wil strekken, kan meedoen aan de 12 kilometer lange Mt, Vaals Nordwand Summit Attempt.

Overzicht van alle films en activiteiten. 

 

3 november 2026

 

DMFF 2026 – Preview 1: Influencers van weleer en kleinoden in de bergen

 

MEER FILMFESTIVAL

Dutch Mountain Film Festival 2026 – Preview 1

Dutch Mountain Film Festival 2026 – Preview 1:
Influencers van weleer en kleinoden in de bergen 

door Paul Rübsaam

Op 6 november gaat in Heerlen en Aken de zestiende editie van het Dutch Mountain Film Festival (DMFF) van start. Influencers, zoals we die nu noemen, waren er altijd al, zo leert ons het festivalprogramma. Maar vroeger moesten die zich veel moeite getroosten om hun invloedrijke impressies van de bergwereld tot stand te brengen. Verder blijkt het vinden van kleine kostbaarheden in de bergen, zoals bergkristallen en yarsagumba (een geneeskrachtige kruising tussen een paddenstoel en een rups) ook nu nog een pittig klusje te zijn.

In de toelichting van het thema ‘Top View’ van deze DMFF lezen we: “Reizen is altijd beïnvloed geweest door verhalen en beelden. Wat we vandaag influencers noemen, waren ooit ontdekkingsreizigers. De dagboeken van Amundsen en Scott, de lezingen en films van Reinhold Messner en de expeditieverslagen in bergsportbladen wakkerden bij generaties lezers het verlangen aan om zelf op pad te gaan, naar verre en ogenschijnlijk ongerepte plekken.”

Maar de beeldcultuur van nu is fundamenteel anders, stelt men vast. Om vervolgens te wijzen op de stroom perfecte landschappen die door sociale media in hapklare brokken worden aangeboden. “Het reizen zelf verschuift van ervaren naar vastleggen, van ontdekken naar reproduceren.” Reden genoeg om de toelichting op het festivalthema te besluiten met de overpeinzing: “Misschien vraagt de toekomst van reizen niet om nóg betere foto’s, maar om langzamer kijken en langer blijven.”

A Thousand Words

A Thousand Words

A Thousand Words – Het herscheppen van een panorama
Een weergaloze foto die in ieder geval veel invloed heeft gehad, maar bepaald niet op een achternamiddag werd geschoten, is het Himalayapanorama van de Italiaanse fotograaf en bergbeklimmer Vittorio Sella uit 1899. Vervaardigd toen hij vanaf de flanken van de Kanchenjunga zijn lijvige, op een driepoot bevestigde camera richtte op het noordwesten.

Behalve bloedstollend mooi vereeuwigde, nabijere achtduizenders zijn op dat panorama in de verte en een tikje vaag de contouren te zien van de Chomolungma, oftewel de Mount Everest. Het zou nog decennia duren voordat men de top van die door Sella voor het eerst vereeuwigde hoogste berg ter wereld zou benaderen. Pas meer dan een halve eeuw later werd de Everest bedwongen. Als inspiratiebron voor die ondernemingen zou Sella’s foto meer waard blijken dan A Thousand Words, zoals de titel luidt van de documentaire waarin de Britten Dom Busch en Matt Sharman in de voetsporen treden van de fotograaf van weleer.

Fotograaf en klimmer Dom Busch heeft zijn doelen hoog gesteld. Letterlijk. Hij wil precies op die plek staan waar Sella ooit stond, om met apparatuur vergelijkbaar met die van de Italiaan diens foto opnieuw te maken. Het betekent dat hij een voettocht van meerdere weken door de Himalaya voor de boeg heeft. De perfectionist Sella maakte zijn foto’s namelijk vanaf pashoogte en niet vanuit het dal, waar de te grote afstanden tot de achtduizenders geen recht zouden doen aan hun overweldigende verschijning.

Busch zal vergezeld worden door vriend, collega-fotograaf en Himalayagids Matt Sharman. Deze denkt een aardig idee te hebben van de plek waar het uit een reeks van vier foto’s bestaande panorama van Vittorio Sella tot stand is gekomen. Eveneens van de partij is Hamish Frost: een expert op het gebied van analoge fotografie en het gebruik van de grote en zware fototoestellen van rond 1900, waar je per foto een nieuwe glasplaat in moest schuiven.

Niet alleen een reisje naar de Schotse Hooglanden om te oefenen met de apparatuur gaat vooraf aan de vliegreis naar Kathmandu. Ze doen ook het dorpje Biela in de Italiaanse Alpen aan, waar Vittorio Sella is geboren en opgegroeid. Een achterkleinzoon van diens broer weet daar te vertellen dat zijn beroemde familielid niets aan het toeval overliet. Sella plande zorgvuldig het tijdstip waarop hij ’s ochtends vroeg aan zijn zware tochten begon, om veel later op de dag bij precies de juiste lichtval zijn gedroomde foto’s te kunnen maken.

Als het drietal samen met cameraman Matt Hardy tenslotte naar Nepal af wil reizen, is er ineens een flinke tegenslag. Initiatiefnemer Dom Busch zal wegens familie-omstandigheden niet mee kunnen gaan. En het slechte nieuws zal zich daar niet toe beperken. Als Sharman en Frost na de vliegreis een rit per jeep en een flinke voettocht omhoog in het dorpje Gunsha aankomen, waar ze de oorspronkelijke route van Sella kunnen oppakken, blijkt de al langer koortsige en misselijke Hamish Frost behoorlijk ziek te zijn. Hij moet met een helikopter worden geëvacueerd.

Veel komt dus neer op de schouders van de nestor van het gezelschap: Matt Sharman. Die hoopt maar dat hij zich de instructies van Frost voor wat betreft het gebruik van de camera goed heeft ingeprent en vertrouwt zoveel mogelijk op zijn kennis van het gebied. En op die van Sherpa’s, die hij een meegenomen en opgevouwen afdruk van het panorama van Sella toont.

Als Sharman denkt in de buurt van het Sellapunt aangekomen te zijn, dreigt laag hangende mist roet in het eten te gooien. Het herscheppen van het panorama zal toch al geen sinecure zijn, omdat de vier afzonderlijke foto’s waaruit het bestaat exact op elkaar aan moeten sluiten. Maar het meest kwellende vooruitzicht voor de Brit is misschien wel dat hij na gedane zaken eerst terug naar Engeland zal moeten reizen. om pas daar in een donkere kamer te ontdekken wat hij wél of misschien wel helemaal niet heeft vastgelegd. Tegelijkertijd dragen al die onzekerheden bij aan het ware avontuur zoals dat destijds door Vittorio Sella, zijn tochtgenoten en navolgers werd beleefd. A Thousands Words laat ons dat avontuur op meeslepende wijze in het heden herbeleven.

The Lost Cache – 85 jaar stroomafwaarts
Ook in de documentaire The Lost Cache van regisseur Todd Jones keert men terug naar een plek waar ooit een beroemde fotograaf en bergbeklimmer het hem omringende hooggebergte vereeuwigde. De verschillen met A Thousand Words zijn aanzienlijk.

Ten eerste beslaat de reis terug in de tijd die het uitgangspunt vormt van de documentaire niet 125 jaar, maar 85. Verder vormen niet de hoogste bergen ter wereld het decor, maar de qua omtrek en massa misschien wel grootste bergen op Aarde, die van het Saint Elias-gebergte in The Yukon Territory in het noordwesten van Canada. Belangrijker nog is dat het in The Lost Cache – afgezien van het terugvinden van een plek – vooral draait om het opsporen van objecten.

The Lost Cache

The Lost Cache

Het was 1937 toen de Amerikaanse bergbeklimmer, (lucht)fotograaf, cartograaf en latere museumdirecteur Bradford Washburn samen met Robert Hicks Bates als eerste de Mount Lucania (5240 meter) beklom. Een groot deel van zijn bagage (met zijn Fairchild F-8 luchtcamera als meest tot de verbeelding sprekende onderdeel) liet hij toen noodgedwongen achter op de schijnbaar bewegingloze Walshgletsjer. Hoever heeft die gletsjer die spullen sindsdien naar beneden gesleurd?

Tussen 1899 (de tijd van Vittorio Sella) en die van de jaren dertig van de vorige eeuw deden twee relatief moderne ontwikkelingen zich nadrukkelijk gelden. Die van het bewegend beeld (film) en die van de luchtvaart. The Lost Cache maakt dankbaar gebruik van die ontwikkelingen. Naast zijn ijzingwekkende mooie, vaak uit een vliegtuig geschoten foto’s van de bergreuzen uit Noord-Canada en Alaska zien we historische filmbeelden van Bradford Washburn, horen we zijn stoere, met een vleugje emotie doortrilde stem en kan de liefhebber genieten van ouderwetse vliegtuigjes als de Fairchild F-51.

Een vleugje van de sfeer van een commercial van een zeker spijkerbroekenmerk kan The Lost Cache daarmee niet ontzegd worden. Het National Geographic-gehalte van de documentaire is echter historisch gezien niet misplaatst. Want Washburn was gelieerd aan de society en het tijdschrift van die naam, al was hij niet bekend met de ietwat hijgerige hedendaagse televisiezender.

Maar hier en daar wreekt die invloedssfeer zich toch een beetje. Bijvoorbeeld voor wat betreft de samenstelling van de ploeg personen die in eerste instantie naar Washburns ‘Lost Cache’ moet gaan zoeken. De met prijzen onderscheiden skiër-bergbeklimmer Griffin Post, die als protagonist van de documentaire wel degelijk naarstig op zoek is naar de verdwenen bepakking van Washburn, kan in dit verband buiten beschouwing blijven. Maar wat is, gezien het doel van de onderneming, de functie van de breed grijnzende, met een ruige stoppelbaard en een spiegelende zonnebril getooide ‘National Geographic Adventurer of the Year’ Jeremy Jones en van snowboardkampioene Robin van Gyn? Zij willen vooral de verblindend witte, steile en puntige Mount Lucania beklimmen en ook als eersten een nabijgelegen piek zonder naam, niet in de laatste plaats om van die bergen vervolgens af te kunnen skiën en boarden. Dat kijkt allemaal lekker weg, maar die Fairchild-F8 camera vind je daar niet mee.

Als ze later een aanzienlijk deel van de gletsjer rond Bradfords vermoedelijke basiskamp hebben afgekamd, is er nog altijd geen spoor van de verdwenen bagage. Mismoedig neemt Post het vliegtuig richting Boston (Massachusetts), om daar een bezoekje te brengen aan het ooit door Bradford Washburn gerunde Museum of Science. Daar treft hij verslagen en foto’s aan van de Mount Lucania-expeditie van 1937, die hem nieuwe gezichtspunten opleveren. Maar wat hem vooral nieuwe hoop geeft, is een telefoontje van de bij de zoektocht betrokken glacioloog Luke Copland. Die wil Post in contact brengen met zijn jonge, pas gepromoveerde collega Dora Medrzycka. Zij zou alles weten van de vaak onvoorspelbare en wisselende stroomsnelheden van gletsjers.

Samen met de glaciologe keert Griffin Post tenslotte terug naar de onmetelijke witte vlakte van de Walshgletsjer in The Yukon Territory, alwaar de soms wat gelikte en iets te geënsceneerde, maar zeker spannende en fraaie documentaire zijn ontknoping zal beleven.

The Bride of Mont Blanc – In de voetsporen van een vergeten vrouw
Vittorio Sella en Bradford Washburn zijn misschien wel beroemder dan Henriette d’Angeville. Toch bereikte die Frans-Zwitserse alpiniste in 1838 als eerste vrouw op eigen kracht de top van de Mont Blanc. Een prestatie van formaat, zeker als je je bedenkt hoe vrouwen zich in die tijd dienden te kleden als ze de wilde natuur introkken.

De Britse Elise Wortley, protagoniste van de korte door Grace T.S.P. geregisseerde documentaire The Bride of Mont Blanc, had in het kader van haar project ‘Woman with Altitude’ al eerder reizen ondernomen naar Iran, Schotland en de Himalaya en zich verdiept in de avonturen en boeken van vrouwelijke ontdekkingsreizigers. Nu wil ze zo letterlijk mogelijk in de voetsporen treden van d’Angeville. Niet alleen uit bewondering voor de alpiniste uit de negentiende eeuw, maar ook om haar eigen angsten te overwinnen, waardoor ze in haar woonplaats, het 21-eeuwse Londen, jarenlang nauwelijks op straat durfde. Verder wil ze met haar ode aan d’Angeville andere vrouwen inspireren om zich vaker zelfstandig aan dergelijke ondernemingen te wagen.

In stijl met dit laatste streven moet ook de gids die Wortley naar de top van de hoogste berg van de Alpen moet gaan voeren een vrouw zijn. Na het nodige zoeken dient berggids Karen Bockel zich aan. Ze klikt goed met Elise Wortley, maar heeft wel zorgen over de korte tijdspanne die de onervaren en niet geacclimatiseerde Londense voor de onderneming heeft uitgetrokken.

The Bride of Mont Blanc

The Bride of Mont Blanc

Eenmaal aangekomen in de Haute-Savoie stelt Bockel dus voor om een stukje per trein omhoog te reizen. Wortley aarzelt even, maar wil toch niet afwijken van haar oorspronkelijke plan. Ze vertrekken dus evenals d’Angeville dat deed te voet vanaf het kerkje in het beroemde, maar relatief laag gelegen bergdorp Chamonix. De als Henriette uitgedoste Elise is daar een bezienswaardigheid met haar lange, uitwaaierende wollen jurk, haar grote ronde, haar oren en nek omspannende hoed, haar met spijkers beslagen veterlaarzen en haar pikkel met de hoogte van de staf van Sinterklaas, die bij het overbruggen van gletsjerspleten eerder onhandig dan behulpzaam zal blijken.

In Chamonix lopen de temperaturen begin juni tegenwoordig op tot boven de dertig graden. Wat met zich meebrengt dat het zweet Wortley tijdens de lange aanloop door de prachtige bossen boven het bergdorp langs het lichaam druipt en haar wollen kleding verschrikkelijk begint te jeuken. Om nog maar te zwijgen van het gewicht van haar loodzware schoeisel. Maar ze moeten verder. Want de speelruimte die zij en haar gids hebben voor de beklimming is klein, omdat er slechter weer op komst is.

Niet alles is echter kommer en kwel. Juist de lange aanloop zorgt ervoor dat de natuurervaring compleet is en geheel in de geest van Henriette d’Angevilles’ autobiografische notities. De ouderwetse kleding, waardoor je eerst de warmte en op grotere hoogte de kou, de wind en de vochtigheid nog meer voelt, maakt die ervaring in de beleving van d’Angevilles’ navolgster zelfs intenser. Maar zal Wortley op weg naar de top die ze hoopt te bereiken weer in de greep komen van haar verlammende angsten? Die vraag en de overweldigende beelden van de Mont Blanc en omgeving (en niet te vergeten de animatiebeelden van de klimster van weleer) maken van The Bride of Mont Blanc een onderhoudende kijkervaring.

Under the Spell of Quartz Crystals – Boodschappers van de eeuwigheid
Het Schwyzerdütsch van de kristallenzoekers in de documentaire Under the Spell of Quartz Crystals van Irene Marty klinkt met zijn gutturale klanken soms weerbarstig. Maar toch ook zangerig, bijna betoverend. In stijl met de harde, maar glinsterende kwartskristallen en andere mineralen die deze ‘Strahlner’ uit het binnenste van de bergen naar boven halen.

Evenals de documentairemaakster zijn de oude Konrad Mattli, Xaver Gnos en Peter Indergand en de jongere Heinz Infanger en Brüno Müller afkomstig uit het kleine kanton Uri in het hart van Zwitserland. Kennis omtrent betekenis, soorten en vormen van het bergkristal is daar nog altijd wijd verspreid. Geen twee kristallen zijn identiek, moet je weten. Maar ze zijn zonder uitzondering hexagonaal (zeshoekig). En hoewel men ze vindt op ongeveer drie kilometer hoogte, worden ze op 10 tot 15 kilometer onder het aardoppervlak gevormd.

Marty’s dromerige, nooit zweverige documentaire trakteert ons op impressies van het met zijn laaghangende wolken en veelkleurige ijsvelden en rotswanden haast mystieke landschap van de Urner Alpen. Maar verschaft bovenal een genuanceerd antwoord op de vraag of het zoeken naar bergkristallen daar de afgelopen eeuw van karakter is veranderd.

Under the Spell of Quartz Christal

Under the Spell of Quartz Crystals

Het zoeken naar kristallen om in je levensonderhoud te voorzien, komt tegenwoordig nauwelijks nog voor. Tegelijkertijd was de gevoeligheid voor hun betoverende schoonheid er ook bij de kristallenzoekers zelf altijd al. De tachtigplussers Mattli, Gnos en Infanger ondernamen hun soms gevaarlijke zoektochten nog om den brode. Terwijl het voor de jongere Infanger en Müller eerder een hobby is, of liever gezegd: een passie. Toch krijgt ook Xaver Gnos nog altijd een kinderlijke blik van verrukking in zijn blauwe ogen als hij praat over zijn vondsten in de loop van zijn leven. Zijn vele dromen die hij in een notitieboekje heeft opgeschreven gingen allemaal over kristallen.

Konrad Mattli, die turend met zijn verrekijker de Planckenstock, de Schwarzstöckli en alle andere bergen van het Göscheneralp Tal bij naam weet te noemen, lijkt op het eerste gezicht nuchter. Hij getuigt van het harde bestaan van zijn familie van kristallenzoekers, gemzenjagers, boerenknechten en herders. Maar ook bekent hij dat hij altijd een klein kristalletje waarmee hij zich verbonden voelt in zijn portefeuille bewaart.

Peter Indergand bekijkt met weemoed de dia’s waarop zijn vader nog is te zien. Die vader, eveneens kristallenzoeker en overleden toen Peter elf jaar oud was, vond in 1946 in een grot nabij de Tiefengletsjer een heel kluster van kristallen. Lange tijd vormde dat het pronkstuk van de kristallen- en mineralenzaak van de familie in het dorpje Göschenen.

De jongere kristallenzoeker Heinz Infanger zien we met een rugzak en skistokken over een gletsjer trekken, op zoek naar kristallen. Je heb een geoefend oog en het juiste gereedschap nodig om ze tussen het alledaagse berggesteente te vinden. Infanger graaft met een soort koevoet tussen het rotspuin, vindt een mooi kwartsstuk en wil weten waar het vandaan komt. Op een hogere plek gaat hij vervolgens wrikken en graaft er een tunnel, waarin hij een heel kluster vindt.

Bruno Müller werkt vanuit een grot. In het voorseizoen gaat hij er alleen op uit en in de zomer vestigt hij zich samen met zijn broers in dat tijdelijke onderkomen. Daar zien we de broers na het werk kaasfondue bereiden, die met een goed glas witte wijn wordt genuttigd, waarna ze een klassieke Zwitserse pijp met gebogen steel opsteken.

Al in het stenen tijdperk (ongeveer 8000 jaar geleden) gingen mensen op zoek naar kristallen. In haar voice-over vertelt Irene Marty dat ze in de Griekse mythologie werden gezien als de versteende vreugdetranen van de goden van de Olympus. Het stenen tijdperk en de Griekse oudheid lijken echter wel gisteren als je je bedenkt dat de kristallen zelf hun groeiproces in de Aarde twaalf miljoen jaar geleden voltooiden. Marty noemt ze om die reden de boodschappers van de eeuwigheid.

Als we Peter Indergand moeten geloven bewijzen de kristallenzoekers de natuur een dienst door haar kostbaarheden te verzamelen. Want, zo weet hij, de bergen zullen uiteindelijk weer in zee verdwijnen. Dit lijkt een aanvechtbare visie van een gepassioneerde verzamelaar. De geologische cyclus die bergen weer in zee doet verdwijnen, beslaat immers tientallen miljoenen jaren. Terwijl de mens zelf (met zijn kristallenverzamelingen) het mogelijk niet zo lang op Aarde vol zal houden. Om nog maar te zwijgen van de negatieve gevolgen van al dat gewrik en gewroet in de bergen op hun door de smeltende gletsjers toch al bedreigde consistentie.

Goodbye Sisters – Innige verbondenheid
Veel hoger nog dan de vindplaatsen van bergkristallen in de Alpen liggen die van de yarsagumba: een rups die zich voedt met paddenstoelen en vastgroeit in de grond. Deze kostbare kruising tussen een dierlijke en een plantaardige levensvorm, waarvan de consumptie een geneeskrachtige en lustopwekkende werking zou hebben, wordt gevonden op hoogtes rond 5000 meter in de Himalaya.

Bijna even sterk met elkaar verbonden als de bestanddelen van de yarsagumba zijn de Nepalese zussen ‘Maili’ (Jamuna Budha Magar) en ‘Saili’ (Anmuna Budha Magar), de protagonisten van Goodbye Sisters van de Frans-Ierse regisseur Alexander Murphy. In die gedramatiseerde documentaire, die op het festival zijn Nederlandse première beleeft, zien we de twee zussen dikwijls hand in hand lopen. Door de straten van de hectische Nepalese hoofdstad Kathmandu, waar ze samen een groot deel van hun jeugd hebben doorgebracht. Maar ook op een lang bergpad dat voert naar hun armelijke geboortedorp Maïkot, waar ze zich tijdelijk zullen herenigen met hun ouders en oudere zussen.

Die terugkeer naar het ouderlijk huis maakt deel uit van een plan van Maïli, de oudste van de twee. Ze wil in Japan gaan studeren om haar eigen financiële situatie en die van haar familie te verbeteren. Het geld voor de reis hoopt ze bij elkaar te krijgen door nog één keer een goede partij yarsagumba te oogsten in de bergen boven Maïkot.

Het bezoek aan hun geboortedorp heeft voor de zussen tevens een niet geringe emotionele betekenis. Dat wordt al duidelijk als ze zich nog in Kathmandu bevinden. Daar laten ze zich niet alleen informeren over de prijs die ze zouden kunnen vragen voor yarsagumba van eerste klas kwaliteit, maar kopen ze ook kleurige sjaals en allerlei andere cadeautjes voor hun familieleden.

Ze reizen uiteindelijk dag en nacht door. Eerst met de (nacht)bus, dan met een jeep over slechte wegen en tenslotte bij onweer te voet naar Maïkot. Het is alweer donker als de hereniging met de familie plaatsvindt. Maar die is er niet minder uitbundig om. ‘Ba’ (Darshan Budha Magar, de vader) offert een kip ter gelegenheid van de reünie en zingt dansend een lied, waarvan hij de tekst enigszins vergeten lijkt te zijn.

Goodbye Sisters

Goodbye Sisters

De volgende ochtend wrijven de twee stadse zussen zich de ogen nog uit als de anderen al uren buiten op de velden aan het werk zijn. Als Maili en Saili dat voorbeeld tenslotte volgen, doen de schoffels pijn aan hun handen. Later liggen alle vier de zussen lui op de akker. Met hun hoofden op elkaars schoot, waardoor ze bijna één groot lichaam vormen.

Ook als het viertal de vuile kleren van de familie wast in een wild stromend bergriviertje strijden werken en plezier om voorrang. Ze lachen om de kleren van Ba die ze maar niet schoon krijgen, wassen hun eigen haren en dat van elkaar en tekenen wenkbrauwen en snorren van schuim op elkaars gezichten. Maili en Saili proberen samen een grote zeepbel vast te houden, maar die spat uit elkaar.

Als de grote dag is aangebroken waarop de familie de hoogte intrekt voor de yarsagumba-oogst loopt vader voorop met een zware mand op zijn rug en torsen de dochters ieder een flinke rugzak. Bij een boeddhistisch gedenkteken bidden ze dat ze niet door honger of ziekte getroffen zullen worden en maar veel yarsagumba mogen vinden. Het landschap wordt ondertussen rotsachtiger en kaler. Tot ze aankomen bij een groene weide vol mekkerende schapen. Iets lager (op 5010 meter) ligt de nederzetting Pupal, waar velen hun tenten opslaan voor de jaarlijks yarsagumba-oogst.

De volgende dag, met laaghangende mist en toch felle zon, begint de zoektocht naar de merkwaardige levensvorm. Kruipend op handen en voeten moeten ze iedere vierkante centimeter afspeuren van een met droog, geel gras begroeide helling. De ogen van Maili en Saili beginnen te tranen. Maar ze hebben nog niets gevonden. Hun moeder, die met een stok in de helling graaft, heeft meer succes. De yarsagumba die ze tussen haar vingers houdt, oogt wat verkreukeld. Maar als ‘Ama’ het ‘beestje’ voorzichtig verder uit de grond trekt, blijkt het om een redelijk gaaf exemplaar te gaan. De eerste prijsbepalingen van de oogst die ze bij elkaar hebben weten te scharrelen, vallen niet tegen.

Er zijn echter meer kwesties dan alleen die opbrengst die de familie bezig zullen houden. Zoals de bepaald niet zo leuke schooltijd van Maili en Saili in Kathmandu, waar binnen de familie nog nooit over is gesproken. Bovendien weten Ba en Ama nog niet dat ze hun dochter Maili na de oogst acht jaar lang niet meer terug zullen zien. En kan Saili het vertrek van haar oudere zus eigenlijk wel aan?

In nadrukkelijk geregisseerde, maar ontroerende scènes komen die kwesties nog aan de orde in deze meeslepende hybride film over innige familiebanden, afscheid, de ruige schoonheid van de Himalaya en het harde bestaan van yarsagumba-zoekers.

 

In het tweede deel van deze vooruitblik op DMFF #16 onder andere aandacht voor de fluisterende natuur van de Vogezen, een moeder op de hoogste berg van de wereld, een animatiefilm met tijdschokken en bergvriendelijke architectuur.
 

2 november 2026

 

DMFF 2026 – Preview 2: Een auerhoen, rendierkuddes en een hertenhoofd

 

MEER FILMFESTIVAL

L’Étranger en het absurde bestaan

L’Étranger en het absurde bestaan
Man zonder voornaam stuit op ‘Arabier’

door Paul Rübsaam

Een jongensachtige Meursault is even wennen voor de ouderen onder ons die Albert Camus’ wereldberoemde roman over die vreemde man (een mán toch en geen jongen?) al lazen op de middelbare school. Toch weet François Ozons mysterieuze zwart-witfilm L’Étranger dat gelijknamige boek uit 1942 effectiever te herladen dan Luchino Visconti’s Lo Straniero uit 1967, met de toen al middelbare Marcello Mastroianni in de hoofdrol.

De film en niet het boek bespreken valt nog niet mee als het gaat om een adaptatie van de roman L’Étranger (De Vreemdeling) van Albert Camus. Want voor velen die (zoals ik) pakweg geboren zijn tussen 1955 en 1970 gold de in 1960 op 46-jarige leeftijd verongelukte existentialistisch-absurdistische Franse schrijver zo’n beetje als een cultheld. Als een soort James Dean voor boekenwurmen.

L'Étranger en het absurde bestaan

Een stille mooie jongen?
Om toch te voorkomen dat dit al te veel een boekrecensie wordt, zal ik proberen de uitweg te bewandelen van een vergelijking van de nu in de bioscopen verschijnende film L’Étranger van de Franse regisseur François Ozon met een eerdere verfilming van Camus’ roman: Lo Straniero van Luchino Visconti uit 1967.

Maar eerst toch even naar dat boek van Camus en een belangrijke reden waarom dat bij pubers zo aansloeg. Volgens mij had dat te maken met de ondoorgrondelijkheid en onbewogenheid van de hoofdpersoon in combinatie met de ik-vorm waarin de roman geschreven was. Meursault vond niets en voelde niets, pleegde een moord (leek het) en was ondertussen steeds zelf aan het woord. Op een ondefinieerbare manier was dat heel spannend.

De gehele eerste helft van zijn film echter trekt Ozon zich anders dan Visconti, die Mastroianni regelmatig voice-overs liet inspreken, niets aan van die ik-vorm van de roman. Terwijl de onbewogenheid van zijn erg jonge Meursault (Benjamin Voisin) ondertussen naar het apathische neigt. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat deze persoon in staat zou zijn om als waardig Camus-personage een gloedvol betoog te houden. Nadat hij onaangedaan getuige is geweest van zijn moeders begrafenis rolt hij niettemin amper boe of ba zeggend als vanzelf in de armen van de verleidelijke Marie (Rebecca Marder). Omdat hij knap is om te zien, laat zich dat nog wel enigszins verklaren. Maar was onze Meursault dan niet meer dan een stille mooie jongen?

Verblindend licht en duisternis 
Hoe het ook zij, Ozon slaagt er ondanks de twijfels die je als ooit jeugdige lezer van de roman aanvankelijk bekruipen gaandeweg steeds beter in om het boek op zijn eigen manier voor je te heropenen. Dat doet hij met zijn keuze voor filmen in zwart-wit, waarmee hij naar eigen zeggen de ambiance wilde herscheppen van Algiers in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen veel mensen daar witte of juist uitgesproken donkere kleding droegen. Ook los daarvan vormen in zwart-wit het licht van de felle zon op de schijnbaar paradijselijke stranden nabij de Algerijnse hoofdstad en de donkere tinten die de representanten kunnen zijn van het verbijsterende lot dat de hoofdpersoon wacht een passend, bijna abstract decor.

Bij nader inzien is zelfs welhaast groteske ondoordringbaarheid van Ozons Meursault niet geheel misplaatst bij iemand die evenals de hoofdpersoon in het boek geen voornaam lijkt te hebben. Anders dan de door Mastroianni vertolkte veel te levendige, bijna gezellige Arturo Meursault in Lo Straniero wordt de protagonist van l’Étranger immers consequent eenvoudigweg Meursault genoemd, alsof hij het vleesgeworden naambordje is naast zijn deurbel.

Juist die gebondenheid van dit op het gedepersonaliseerde af neutrale wezen aan zijn woning, die hij uiteindelijk zal moeten inruilen voor een gevangeniscel, is medebepalend voor de opbouw van het verhaal. Belangrijke bijrollen zijn namelijk weggelegd voor zijn buren. Zoals de oude, mopperende Salamano, die een haat-liefdesrelatie heeft met zijn schurftige hond en vooral Raymond Sintès (Pierre Lottin), een souteneur die zich uitgeeft voor magazijnbeheerder in een fabriek en de onverschillige Meursault voor zijn karretje weet te spannen.

Dissonant
Het kan de hoofdpersoon namelijk weinig schelen dat de louche, maar joviale Sintès een onduidelijke relatie heeft met een vrouw, die hij klaarblijkelijk mishandelt. Hij vindt het best om in naam van zijn buurman aan haar een brief te schrijven en een verklaring af te leggen op het politiebureau.

L'Étranger en het absurde bestaan

Tevreden nodigt Sintès zijn nieuwe ‘maatje’ Meursault en diens vriendin Marie vervolgens uit in het strandhuisje van zijn vriend Massin, waar het jonge stel zich de geneugten van zon, zee en strand niet laat ontzeggen. Een zich al eerder aankondigende dissonant begint zich echter steeds scherper af te tekenen. Een groepje Arabieren, waaronder de broer van de door Sintès mishandelde Djemilla blijkt de Franse badgasten naar het strand gevolgd te zijn. Sintès deelt zijn orders uit aan Massin en Meursault, voor als het tot een afrekening mocht komen. Het mes van de broer van Djemilla, het zonlicht dat daarin reflecteert en een revolver die Sintès bij Meursault in bewaring heeft gegeven, zullen uiteindelijk het lot bepalen van Djemilla’s broer en dat van Meursault zelf.

Mysterie
Niet alle handelingen van Meursault die tot zijn uiteindelijke gevangenneming leiden zijn helemaal begrijpelijk. De verklaring voor dat door Ozon terecht in stand gehouden mysterieuze aspect in de roman is vermoedelijk dat het strafproces tegen Meursault niet meer dan een door Camus gekozen constructie was. Als Meursault naar het oordeel van de lezer (of kijker) te schuldig of onschuldig is (dat laatste bijvoorbeeld omdat hij zich onmiskenbaar kan beroepen op zelfverdediging of een tijdelijke psychose), zou een te klassiek rechtbankdrama ontstaan in plaats van het beoogde verhaal over een man die zich tegenover de samenleving verantwoorden moet voor zijn algehele levenshouding.

Toch vult de film L’Étranger de 84 jaar oude roman hier en daar aan. In zowel boek als film gaat het tijdens het proces nauwelijks om Meursaults vermeende misdrijf, maar hoofdzakelijk om zijn gedrag tijdens zijn moeders begrafenis. Nog minder aandacht is er echter voor de slechts als ‘De Arabier’ aangeduide persoon van het slachtoffer van het misdrijf. Ozon geef die broer van Djemilla in navolging van de Algerijnse schrijver Kamel Daoud een naam (Moussa Hamdani) en kent zijn rouwende zuster een iets prominentere bijrol toe. Enigszins tegendraads en nog los van de vereisten van de 21ste-eeuwse politieke correctheid weet de Franse regisseur hiermee de aandacht te vestigen op de fascinerende, maar ook eigenaardige kaalheid van het boek.

Ook actrice Rebecca Marder weet dat te doen door Meursaults geliefde Marie meer tot leven te brengen. Anders dan Anna Karina die in Visconti’s Lo Straniero maar wat heen fladdert om vrolijke Frans Arturo Meursault met zijn diepzinnige voice-overs weet Marder ons deelgenoot te maken van Marie’s toch niet alleen fysieke belangstelling voor die ondoorgrondelijke jongeman Meursault, die uiteindelijk in de meest uitzichtloze situatie de onverbiddelijke absurditeit van het bestaan zal omarmen.

 

24 februari 2026

 


ALLE ESSAYS

Dutch Mountain Film Festival 2025 – Preview 2

Dutch Mountain Film Festival 2025 – Preview 2:
Vergankelijkheid en kwetsbare dieren

door Paul Rübsaam

De tweede preview van editie 15 van het Dutch Mountain Film Festival (DMFF) voert onder andere naar Asturië, de Karpaten en het noorden van Nepal. Is het leven in die bergregio’s nog als vroeger? Verder zien we hoe een jonge schaapherder in de Franse Alpen voor een duivels dilemma komt te staan en dat een naar de natuur getekende hermelijn het ook al niet makkelijk heeft.

Muyeres – Echo’s van weleer 
Een weemoedig verlangen naar vroeger, het leven in de bergen en een soundtrack met historische en moderne elementen leverden al eerder een vruchtbare combinatie op in op het DMFF vertoonde films. Zoals vorig jaar in Wondrous Kiental van Christina Zürbrugg en Michel Hudecek.

Dat Zwitserse duo trakteerde ons op de nodige ironie. De Spanjaarden Marta Lallana (regie en scenario) en Raül Refree (soundtrack en hoofdrol) daarentegen proberen in hun geromantiseerde zwart-wit documentaire Muyeres (die op 27 oktober een voorvertoning beleefde in Maastricht) de kijker zonder terughoudendheid te ontroeren en te ontwapenen, waar ze met inzet van diverse cinematografische en auditieve middelen uitstekend in slagen.

Muyeres

Muyeres

De titel van de film laat zich lezen als een samentrekking van de Spaanse woorden ‘muy’ en ‘mujeres’ (vrouwen). ‘Vrouwen van formaat’, zou je kunnen zeggen. Dat waren ze en zijn ze, de vrouwen die destijds op de hellingen van Trasmonte (Asturië, Noordwest-Spanje) zwaaiend met hun zeisen en onder het zingen van liederen de graanoogst voor hun rekening namen.

Inmiddels zijn ze oud geworden, Die oude dag is niet zo’n pretje. Waar we in het geval van Constantina (Concha), met haar destijds prachtige zangstem, en Irene, die zeer bedreven was in het vervaardigen van de traditionele Asturische pandero (een trommelinstrument), getuige van zijn. Ze missen de saamhorigheid van vroeger, kampen met de nodige fysieke en mentale beperkingen en zijn aangewezen op de zorgzaamheid van respectievelijk een Roemeense immigrante en een jongere zuster.

Maar Muyeres laat het Trasmonte van weleer niet in de eerste plaats herleven door bejaarden hun klachten te laten uiten. Evenmin door geforceerd jonge acteurs in te zetten die mensen uit het verleden gestalte moeten geven. Lallana en Refree weten een magische weg daartussen te vinden, waarbij het verleden ergens in ruimte en tijd, die soms elkaar plaats innemen, nog tastbaar, of als een verre echo hoorbaar is.

Refree vindt in het uitgewoonde huis van zijn grootvader cassettebandjes waarop deze de liedjes vastlegde zoals de vrouwen die ooit zongen tijdens de oogst. Naar die vrouwen wil hij op zoek gaan in het inmiddels nogal verlaten Asturische landschap. Zijn reis per auto voert over een weg door een donkere kloof die heden en verleden lijkt te scheiden. Kleine boerendorpjes die hij aandoet, waar het vee los rondloopt, maken een tijdloze indruk. Ondertussen beluistert hij op de cassetterecorder in zijn auto door melancholieke vrouwenstemmen vertolkte ballades, die zich vermengen met Refree’s aanvullende composities en verstilde impressies van het dal.

Ondertussen lijkt het wel of Concha en Irene iets van hun jeugdige kracht hervinden. De zwijgzame Concha, aanvankelijk teleurgesteld dat haar zoon José die zo weinig langskomt haar afscheept met een televisietoestel terwijl ze liever uit het raam kijkt, begint stukje bij beetje een hechte band op te bouwen met haar toegewijde Roemeense verzorgster Nadia. Irene op haar beurt weet haar zus te verbazen door te demonstreren hoe ze nog steeds het fijne handwerk beheerst waarmee je het vel over een pandero spant.

Maar zal het Refree lukken de bandjes bij Constantina en Irene af te leveren? Eenzame oude vrouwen als Irene zijn er niet erg happig op om voor onbekenden de deur te openen. Voorts blijkt de afslag naar het dorpje Ardesaldo, waar Constantina nog altijd woont, door veranderende weersomstandigheden moeilijk begaanbaar. Een folkloristische optocht, waarbij mensen met fakkels een als beer verklede man meesleuren aan een ketting en beelden van een jagende José (Constantina’s zoon) in het bos zijn evenmin erg geruststellend.

Als kijker (en luisteraar) blijf je niettemin hopen dat de echo’s van ballades als ‘Non Subas Paloma Al Monte’ en het meer dan vijfhonderd jaar oude ‘Blancaflor y Filomena’ door wie ze ook vertolkt gaan worden door het dal zullen blijven klinken.

Where we used to sleep

Where we used to sleep

Where we used to sleep – Aan de rand van een koperkleurig meer
Ook in de documentaire Where we used to sleep van de Duitse regisseur Matthäus Wörle wordt met weemoed terug geblikt op een kleurrijker verleden. Dit keer vormen de Westelijke Karpaten in Roemenië het decor en is de weemoed vermengd met het gif van een sociale misstand.

We maken kennis met Valeria Praţa, een bejaarde maar noch krasse, in een oranje trainingsjack gehulde dame met rood geverfd, kort haar. Samen met haar ietwat hoestende koe Păuna en een energiek, naar de naam Duracell luisterend terriërachtig hondje bewoont ze een boerderij in een op het eerste gezicht schilderachtige omgeving.

In het dal, waar een bijna tot Valeria’s woning reikend meer het middelpunt van vormt, hangen de wolken laag. Het meer heeft een kleur tussen roestbruin en geel, die als het zonlicht erop valt niet eens lelijk is. Maar het oogt onnatuurlijk. Opvallend is verder dat het bovenste stuk van een kerktoren uit het meer omhoog lijkt te steken.

Langzaam komen we achter de oorzaak van dit alles. Onder de oppervlakte van het meer gaat het verdronken, ooit zo levendige dorpje Geamăna schuil. Valeria’s destijds relatief hooggelegen boerderij en het topje van de kerktoren zijn daarvan de laatste zichtbare restanten. De kleur van het water is het gevolg van een stroom afval afkomstig van een voormalige kopermijn in het nabije Roșia Poieni, die in de jaren zeventig werd gevestigd als prestigeobject ter meerdere glorie van de voormalige Roemeense dictator Nicolae Ceaușescu.

Het lot van Valeria en de andere oorspronkelijke inwoners van Geamăna geeft aanleiding tot veel woede en verdriet. Maar ook tot vertwijfeling, zoals die tot uiting komt in de Engelse vertaling van een gedicht van Valeria’s overleden echtgenoot Nicolae Praţa: “Is it because we had no faith, that you have left us in a grave, and condemned our holy town, to perish and sink deep down?”

We volgen de eenzame oude boerin in haar dagelijks doen en laten. Figuurlijk, maar ook bijna letterlijk probeert ze haar hoofd boven water te houden. Liever wil ze niet weg uit het huis waar ze zo lang met haar man heeft gewoond en waar haar kinderen zijn opgegroeid. Maar er zit niet veel anders op. Als ze het met laarzen aan haar voeten met grote stappen opmeet, blijkt het vervuilde water van het meer inmiddels tot zeven passen van haar woning te reiken.

Als familie en oude vrienden op bezoek komen, brengen ze met kampvuur en vioolmuziek nog één keer de sfeer tot leven die er ooit in Geamăna moet hebben geheerst. Maar als de winter die de dalen van de Karpaten met een dichte laag sneeuw bedekt, volgt op de zomer en de zomer weer op de winter, komt de dag dat Valeria vertrekken moet steeds dichterbij. Ze schrikt er met dat vooruitzicht niet voor terug ondubbelzinnige verwensingen te uiten aan het adres van de hoge heren die ze verantwoordelijk houdt voor haar donkere toekomst.

Haar dapperheid, haar verdriet en woede maken Valeria Praţa tot een onvergetelijke heldin in een documentaire waarin Matthäus Wörle een tot de verbeelding sprekende balans heeft gevonden tussen poëzie en aanklacht. Valeria’s lot staat namelijk niet op zichzelf. De huizen van meer dan duizend van de oorspronkelijke inwoners van Geamăna zijn onteigend zonder dat daar een behoorlijke vergoeding tegenover stond. Ondertussen is de Roemeense staat nog steeds de enige aandeelhouder van de mijn in Roșia Poieni, waar nog altijd een van de grootste hoeveelheden koperreserves van Europa ligt opgeslagen.

The Lama’s Son – Van Shangri-La naar Queens
Vergankelijkheid en een verloren paradijs staan eveneens centraal in The Lama’s Son van de Tibetaans-Nepalese regisseur Kesang Tseten. Twee van de hoogste bewoonde gebieden op Aarde vormen het decor: de regio’s Mustang en Dolpo in het noorden van Nepal. Daar tracht men tegen de klippen op de tradities in ere te houden van de Bön-religie, een voorloper van het boeddhisme met eveneens een nadruk op karma, reïncarnatie, verlichting en het bezweren van de geesten van de natuur.

The Lama’s Son

The Lama’s Son

Tseten’s documentaire opent met een verwijzing naar James Hilton’s roman ‘Lost Horizon’ uit 1933, waarin voor het eerst gewag werd gemaakt van ‘Shangri-La’, een mythisch Utopia in de Himalaya. In het op 3000 meter hoogte gelegen dorpje Lubra in Mustang is van dat Utopia op het oog echter weinig terug te vinden. Een klein groepje lemen huizen ligt er verlaten bij in een stoffige en dorre hoogvlakte. Onder invloed van de klimaatverandering teisteren droogte, maar ook overstromingen en aardverschuivingen de omgeving. Er groeit nauwelijks nog iets en de bronnen van inkomsten zijn er schaars. Jongeren trekken massaal weg naar dat andere ‘beloofde land’ gezien vanuit materialistisch perspectief welteverstaan: de Verenigde Staten.

Lubra is evenwel het enige dorp in Mustang waar men nog volledig leeft volgens de Bön-tradities. Lama Tsultrin zet een ononderbroken lijn van negenhonderd jaar voort van oorspronkelijk uit Tibet afkomstige lama’s en verricht er als toegewijde Bonpo nog altijd nauwgezet zijn rituele handelingen. Maar hij wordt een dagje ouder en wacht daarom met smart op de komst van zijn zoon, die hem zou kunnen opvolgen.

Die zoon woont echter al sinds twintig jaar in New York, waar hij inmiddels goed schijnt te verdienen als chef-kok in een sushi-restaurant. Toch zou Tsultrin blij zijn als hij in ieder geval weer eens kwam kijkje kwam nemen in Lubra. Andere dorpelingen denken er net zo over. Ze hebben te doen met de lama en zijn vrouw, die te oud zijn om zelf te vertrekken, terwijl er in het leegstromende dorp niemand overblijft om voor hen te zorgen.

In het op 3800 meter hoogte gelegen Lo Montanhg, dat geldt als de ‘hoofdstad’ van Mustang, verschilt het straatbeeld weinig van dat van Lubra. Hier en daar wordt een kleine kudde koeien of blauwschapen gehoed. Verder voeren stoffigheid, moedeloosheid en verlatenheid de boventoon. Van de weinige bewoners is het grootste deel van oudere leeftijd. In Dhey village, op 3900m, dat ook naar de maatstaven van Mustang afgelegen ligt, is de droogte zelfs zo nijpend dat door de overheid is besloten het hele dorp zeshonderd meter naar beneden te verplaatsen.

Maar in Samlung op 4200 meter, dat het epicentrum vormt van de Bön-religie in de regio Dolpo, lijkt het Shangri-La-gevoel iets minder ver te zoeken. De hoogvlakte is groener en je hebt uitzicht op de besneeuwde toppen van de Dhaulagiri-bergketen. Dat positievere beeld lijkt zich te vertalen in de plaatselijke leefomstandigheden. Er is een graanmolen, kuddes worden gehoed en kleren worden geweven. Wel is er weinig cashgeld in omloop, zodat een reisje naar de Nepalese hoofdstad Kathmandu er voor de bewoners nauwelijks in zit.

Sherap, de lama van Samlung, laat trots het fraaie, honderden jaren oude klooster zien, waarvan hij het beheer ooit overnam van zijn grootvader. Anders dan Tsultrin in Lubra heeft hij twee toegewijde zoons. Ze zijn monnik en spelen evenals hij een belangrijke rol bij het uit het oude koninkrijk Zhangzhung afkomstige zogeheten Walchu-ritueel. Dit ritueel – waar Sherap de nodige wonderen zal verrichten om de wereld van de geesten te kalmeren en zo aandoeningen als epilepsie, verlammingen, beroertes en onvruchtbaarheid te bezweren –

maakt onderdeel uit van een vierdaagse ceremonie, waar vele in handgeweven poncho’s gehulde dorpsbewoners voor uitlopen.

Na de soms wijdlopige route waarop de regisseur ons heeft meegenomen, zal nog worden opgehelderd of de zoon van lama Tsulstrin in Lubra zijn vader toch te hulp komt schieten, waarvoor Kesang Tseten naar Queens in New York moet afreizen. Het antwoord op de vraag of de tradities van de Bön-religie nog levensvatbaar zijn, blijft in deze ondanks zijn fraaie en indringende impressies wat taaie documentaire echter ietwat in de mist hangen.

A Thousand Sheep – Een moeilijke beslissing
Als subgenre van de toch al wijd vertakte bergfilm lijkt zich de laatste jaren iets aan te dienen wat je de ‘schaapherdersfilm’ zou kunnen noemen. Het weidse panorama van grazige hellingen onder de rotsen van het hooggebergte, grote kuddes daarover uitwaaierende schapen en het zware, maar uitdagende werk van een vaak jonge herder, die zich na gedane arbeid terugtrekt in een eenvoudige hut leveren meeslepende filmbeelden op, die bijna als vanzelf een verhaal in zich dragen.

Tijdens de veertiende editie van het DMFF was A Shepherd (Un Pasteur) van Louis Hanquet te zien, waarin de herder Félix zijn schapen moest behoeden voor wolven en de gevolgen van de klimaatverandering. Dit jaar wordt A Thousand Sheep (Mille moutons) vertoond, met in de hoofdrol opnieuw een jonge schaapsherder die een kudde hoedt in de Franse Alpen. Een herhaling van zetten kun je deze korte film van Omer Shamir echter niet noemen. Alleen al niet vanwege de indringende bijrol die een hond voor haar rekening neemt.

Nog onervaren als herder beheert Théo een aantal dagen de kudde van de oudere herder Hervé. De jongen heeft zichtbaar hart voor de schapen en niet minder voor de hond Potti, die hem tijdens zijn werk bijstaat. Dit teefje, zo blijkt ’s avonds in de hut, is hoogzwanger.

A Thousand Sheep

A Thousand Sheep

Terwijl ze hem regelmatig trouwhartig aankijkt, is Théo er getuige van dat Potti bevalt van vijf zo te zien gezonde pups. Gevoelig als hij is, vindt de jonge herder dat de kersverse moeder recht heeft op zwangerschapsverlof. Een kudde van duizend schapen hoeden zonder de assistentie van een hond is echter nog niet zo eenvoudig. Théo weet niet te voorkomen dat zijn kudde zich de volgende dag vermengt met een andere kudde schapen. Alleen met de hulp van de herder van die tweede kudde en diens honden vallen de twee grote groepen schapen weer uit elkaar te drijven.

Telefonisch legt Théo aan Hervé schoorvoetend zijn situatie uit, waarop de oudere herder hem wijst op een afspraak die ze eerder hebben gemaakt. De jongen weet dat hij zich daaraan moet houden, maar dat valt hem zichtbaar zwaar. Met een vertrokken gezicht ijsbeert hij door het prachtige berglandschap dat nu ineens onherbergzaam lijkt. In zijn jonge leven en als beginnend schaapsherder moet hij een moeilijke beslissing die ook de kijker niet onberoerd zal laten.

Volcelest – Roofdiertje tussen hoop en vrees
Volcelest van de Fransman Eric Briche zou je een klein meesterwerkje kunnen noemen. Het liefst zou je deze korte animatiefilm over een hermelijn die moet zien te overleven in een winters berglandschap beeld voor beeld bespreken.

De titel Volcelest schijnt te verwijzen naar het signaal dat een jager afgeeft als hij op een mogelijke prooi of een spoor daarvan stuit. In het geval van een hermelijn zou de betekenis daarvan tweeledig kunnen zijn. Want deze verwant van de wezel, wiens vacht in de zomer bruin en in de winter wit kleurt en die naar de maatstaven van de tegelijk aaibaar en afschrikwekkend is, is jager en prooi tegelijk. Met zijn betoverende zwart-wittekening van het universum van het kleine roofdiertje heeft Briche dat op onnavolgbare wijze tot uitdrukking gebracht.

De eerste beelden worden gevormd door een lange keten van overvliegende, als silhouetten ogende kraanvogels tegen een loodgrijze lucht, gevolgd door een impressie van een lawine die van een berghelling afraast. Onze nog in zijn bruine zomervacht gehulde hoofdrolspeler gaat op karakteristieke wijze op zijn achterpootjes op een heuveltop staan en strekt zijn lange lijfje zo ver mogelijk uit om de omgeving te overzien. De tekenen van de naderende winter zijn niet mis te verstaan. Dus rent hij naar zijn hol, waar hij een nog juist verschalkte woelmuis verorbert.

De wereld wordt wit en onze hermelijn ook. Hij graaft zich uit de sneeuw en moet op zoek naar eten. Dat laatste geldt echter ook voor natuurlijke vijanden als de vos en de arend. Misschien moet hij zichzelf voorlopig maar even tevreden stellen met wat knabbelen aan een kadaver. Helaas verjagen inktzwarte, vervaarlijk krassende kraaien hem daarbij.

Volcelest

Volcelest

Struiken steken donker af tegen hellende sneeuwvelden, sneeuwstormen teisteren het dal en bomen wuiven in de wind als onze opnieuw de omgeving afspiedende held in de verte een menselijke nederzetting ontwaart, met zo’n kenmerkende rookpluim die uit de bovenkant daarvan opstijgt. Iets zegt hem, of misschien ruikt hij het zelfs, dat daar misschien wel iets te eten valt. Want mensen houden kippen en die leggen weer eieren. Wel moet hij eerst het donker van de nacht afwachten.

Wat het mooiste beeld is van Volcelest blijft vatbaar voor discussie. Een beeld waarop de witte hermelijn met een sterrenhemel als achtergrond een donker hek beklimt met door klompjes sneeuw afgedekte ijzeren punten, komt in ieder geval in aanmerking. Zijn klimtocht zal overigens niet tevergeefs zijn. Wat het voedsel betreft heeft hij zich niet vergist in de boerderij achter het hek. Maar zal hij ook de mens, de meest onberekenbare van zijn natuurlijke vijanden, te slim af kunnen zijn?

En verder….. 
Zoals gezegd zijn er nog een aanzienlijk aantal andere films te zien op het festival. Neem Vermiglio van Maura Delpero, een beeldschone speelfilm over het schijnbaar rustige leven in een dorpje in de Italiaanse Alpen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Of Footprints on Katmay, waarin filmmaker en tekenaar Max Romey in Alaska op zoek gaat naar de plek waar zijn grootmoeder ooit haar tekeningen maakte. En wat te denken van B.I.G. A world first van Johannes Mair over een recente eerste beklimming van een rotsroute in een Noorse grot?

Ook gekende bergfilmklassiekers komen zoals ieder jaar aan bod. Menig bezoeker van het festival zal Touching the Void (2003) van Kevin MacDonald, Nordwand (2008) van Philipp Stölzl en Nanga Parbat (2010) van Joseph Vilsmaier thuis in zijn of haar kastje hebben staan. Maar het weer terugzien van die drie spannende en dramatische films op een groot scherm blijft aanlokkelijk.

En natuurlijk is er meer te doen op het festival. En meer te zien dan alleen films. Liefhebbers van oude (gebied)kaarten kunnen bijvoorbeeld hun hart ophalen bij de expositie Mapping the Mountains. Of maak vanuit berghut Halverwege in Vaals een stevige wandeltocht langs de oude grenzen van Neutraal Moresnet, een verdwenen landje ten zuiden van de Vaalserberg. Om maar iets te noemen.

Lees hier het volledige filmprogramma inclusief alle nevenactiviteiten.

 

2 november 2025

 

Preview DMFF deel 1: Klimtouwen en andere hechte banden

 

MEER FILMFESTIVAL

Dutch Mountain Film Festival 2025 – Preview 1

Dutch Mountain Film Festival 2025 – Preview 1:
Klimtouwen en andere hechte banden

door Paul Rübsaam

Op 4 november gaat in Heerlen, Kerkrade, Vaals en het Duitse Aken de vijftiende editie van het Dutch Mountain Film Festival (DMFF) van start. Met als thema ‘De touwgroep’. Naast dat samenwerkingsverband van alpinisten komen in de films collegiale banden, familiebanden en liefdesbanden aan bod.

In de toelichting van het DMFF op dat thema ‘De touwgroep’ kunnen we onder andere lezen: ”Het ’touw’ is een symbool van onze gedeelde verantwoordelijkheid. Het verbindt ons niet alleen met het verleden, maar ook met de toekomst. In de touwgroep dragen we samen de lasten, maken we samen keuzes, en zorgen we voor elkaar in een constante wisselwerking.”

Het thema reikt volgens de toelichting echter verder dan de grenzen van het alpinisme en het festival. “Het herinnert ons eraan dat we allemaal op deze aarde met elkaar verbonden zijn. Wat we doen heeft invloed op de ander, en onze keuzes hebben gevolgen voor de samenleving en de natuur.”

Dat het trouwens niet eenvoudig is om voor een festival als het DMFF een overkoepelend thema te bedenken, kan ik bevestigen nu ik dit jaar niet alleen de voor het festival uitverkoren films grotendeels kon bezichtigen, maar ook een aanzienlijk deel van de honderden kandidaten voor die uitverkiezing.

Voor een doorsnee filmliefhebber klinkt ‘bergfilm’ al specialistisch, Maar feitelijk valt het genre uiteen in een steeds groter wordend aantal subgenres. Die kunnen betrekking hebben op verschillende soorten van klimmen in de bergen (of in een klimhal), maar ook op andere sporten die in de bergen beoefend worden (bijvoorbeeld mountainbiken en paragliden).

Daarnaast gaan de films over het leven en de cultuur in de bergen, of over de invloed van de klimaatverandering op het hooggebergte. En nog zijn daarmee lang niet alle subgenres benoemd. Het aanbod en de diversiteit zijn groot. Wat tevens tot gevolg heeft dat deze preview zelfs van de ruim dertig films die binnenkort in Zuid-Limburg (en Aken) vertoond gaan worden niet meer dan een selectie kan bevatten.

The Tops

The Tops

The Tops – Taal noch teken in de sneeuw
In The Tops (Les Cimes) van de Franse regisseuse Lucile Prin draait het anders dan de titel doet vermoeden niet om het beklimmen van bergen. Wel is er genoeg reden voor hoogtevrees en is er sprake van een touwgroep. Maar de communicatie tussen de twee leden daarvan laat te wensen over.

Op een dag in de winter ligt een dal in de Franse Alpen bedekt onder een dik pak sneeuw. Dat heeft consequenties voor het bereik van mobiele telefoons, het functioneren van gemeentelijke diensten en dergelijke. Dus moeten onderhoudsmonteurs Lorna (Eveline El Garby Klaï), een vrouw van in de veertig met een Arabisch uiterlijk, en Marius (Jan Hammenecker), een Noord-Europees ogende zestiger, er in hun kleine terreinautootje op uit om herstelwerkzaamheden te verrichten aan de hoge communicatiepalen.

Marius is bezig aan zijn laatste werkdag voor zijn pensioen en zou zich liever niet al te druk meer maken. Lorna, op haar beurt, lijkt zich niet al te lekker te voelen. Als ze gezekerd door Marius in een hoge paal moet klimmen, krijgt ze last van duizelingen. Later, wanneer ze samen weer in het autootje zitten, wrijft ze met haar rechterhand over haar linker bovenarm, als iemand met hartklachten.

Ondertussen verslechtert het weer. Er steekt een sneeuwstorm op en de ruitenwissers moeten overuren maken. Het tweetal krijgt bericht dat het hele dal geen bereik meer heeft en dat er onmiddellijk iets moet gebeuren aan communicatiepaal D3. Maar steeds dikkere pakken sneeuw bedekken ook het asfalt, zodat het een kunst wordt het voertuig op de weg te houden.

Uiteindelijk komt het wagentje vast te zitten in de sneeuw. Contact met hun opdrachtgevers kunnen de twee monteurs niet meer krijgen. Lorna denkt evenwel dat paal D3 vlakbij moet zijn en gaat er alleen op uit. Marius, die haar in een mum van tijd in een witte waas ziet verdwijnen, blijft aanvankelijk in het wagentje zitten. Als echter blijkt dat hij ook met haar telefonisch geen contact meer kan krijgen, besluit hij Lorna te gaan zoeken.

Zonder het geringste levensteken van de ander belanden de twee collega’s in een volslagen witte wereld, waarin niets valt te onderscheiden en onderlinge afstanden onpeilbaar zijn. Wie moet uiteindelijk wie gaan redden? De zich haast onmerkbaar met het geluid van de huilende sneeuwstorm vermengende soundtrack van Jany Kasmi draagt bij aan het gevoel van desoriëntatie waar Marius en Lorna aan ten prooi vallen. Alleen dat al vergoedt ruimschoots de voor de kijker niet altijd even logische keuzes die de protagonisten in hun uur van ontreddering maken.

The Hills of Wrath – Moeder van de wijnranken
Ook in The Hills of Wrath – A Winemaking Epic van Léo Boudet, met als originele Franse titel Les Chaillées d’Enfer (De terrassen van de hel) draait het niet om extreem alpinisme, maar wel om solidariteit die vergelijkbaar is met die van binnen een touwgroep en om kerende kansen op hellingen. We hebben het dan over de terrassen van een immense wijngaard nabij het plaatsje Condrieu, in het Zuidoosten van Frankrijk.

The Hills of Wrath

The Hills of Wrath

Het centrale personage in de documentaire van Boudet met muziek van Alexandre Desplat (The Shape of Water) wordt gevormd door Christine Vernay. In 1996 nam ze van haar fameuze vader Georges Vernay het beheer over van het immense, naar hem vernoemd wijndomein. De oude Georges veronderstelde toen nog dat Christine’s echtgenoot Paul Amsellem, een voormalig producent van babykleertjes, zijn opvolger zou worden. Maar die ambieerde slechts een zakelijke functie in het familiebedrijf. Christine zelf wilde in de voetsporen van haar vader treden. En dat deed ze. ‘De paus heeft een dochter’ heette het vervolgens in de Franse kranten. Later zou die dochter haar sekse ten spijt zelfs tot ‘man van het jaar’ worden verkozen.

Ze streeft naar intimiteit met haar wijnen, vertelt Christine. Ze koestert de momenten dat ze alleen met ze is in haar grote wijnkelders. Alsof het om een moment van bezinning gaat, tapt ze daar wat van het kostbare vocht uit een van de grote vaten, ruikt eraan, neemt een slokje, proeft zorgvuldig en spuugt de wijn volgens de regelen der kunst weer uit.

Die intense betrekking met het product dat ze verbouwt, wil de middelbare Christine geleidelijk gaan overdragen op haar dochter Emma, die uiterlijk op haar lijkt en zelfs op dezelfde manier als haar moeder in haar handen wrijft. Maar voor die tijd moet Emma bij wijze van stage het nodige werk verrichten op de wijngaard zelf. Daar ontdekt ze dat toewijding niet alleen een vereiste is voor mensen in de top van het wijnbouwbedrijf. Maar ook voor mensen als Jean-Luc Vincent, Fatma Kabal en Alain Balas, die al sinds jaren ieder een eigen deel van de wijngaard beheren en daar het werk verdelen. En zelfs voor de leerlingen en seizoenarbeiders. Iedereen die op de wijngaard werkt, maakt als het ware deel uit van één grote familie die één gezamenlijk doel nastreeft.

In het jaar 2021, dat we op het wijndomein bijna van dag tot dag volgen, is de klimaatverandering verantwoordelijk voor de nodige meteorologische uitschieters en stortten insecten als de Drosophila (fruitvlieg) zich op de witte en paarse druiven. Wat allemaal van invloed kan zijn op de kwantiteit en de kwaliteit van de wijnen. Niet alleen in 2021, maar zelfs in de jaren daarna.

Zelden is wat er achter termen als ‘ een goed wijnjaar’ of ‘ een slecht wijnjaar’ schuilgaat zo minutieus en tot in de puntjes van de wijnranken over het voetlicht gebracht als in The Hills of Wrath. Die nauwgezetheid maakt Boudets documentaire tot een bijzondere. Al is de 118 minuten durende film voor een niet vinologisch georiënteerd publiek arm aan enerverende plotwendingen.

Ashima – Uit de schaduw, naar het goud?
Claustrofobie is niet de vorm van angst waar je het eerst aan denkt als je het over rotsklimmen hebt. Toch bekruipt dat gevoel je als in de documentaire Ashima van regisseur (en cameraman) Kenji Tsukamoto de frêle dertienjarige titelheldin Ashima Shiraishi in de donkere holte ziet staan onder een ‘Golden Shadow’ genoemde rotsformatie in Zuid-Afrika. De beklemmende aanwezigheid van de zich als mental coach en drilsergeant manifesterende vader van het Amerikaans-Japanse klimtalent draagt daar niet weinig aan bij.

V-14 is de officiële moeilijkheidsgraad van het klimprobleem ‘Golden Shadow’. Een niveau dat slechts één keer door een (volwassen) vrouw werd gehaald. Het onderste deel van een sterk voorover hellende, op een kleinere rots steunende grotere rots vormt bijna een plafond. Daaraan moet ‘spidergirl’, zoals Ashima door haar fans liefkozend wordt genoemd, de grepen voor haar handen en voeten zien te vinden. Om zich vervolgens nog steeds met haar hoofd en rug naar beneden hangend door een spleet te werken, waarna ze eindelijk het vrije, nog altijd loodrechte deel van de grote rots en de open lucht zou kunnen bereiken.

Dat lukt haar echter niet in één keer, En ook niet in twee, drie of vier keer, Het is zelfs de vraag of het haar hoe dan ook lukken gaat. Maar dag na dag trekken haar vader en zij, met ieder een matrasje op de rug om haar voortdurende kleine valpartijtjes mee te verzachten, door een dor Zuid-Afrikaans landschap naar die donkere, grotachtige plek waar Ashima het opnieuw proberen moet.

We hebben dan reeds kennis kunnen maken met Ashima Shiraishi als een meisje dat als klein kind al gek was op het beklimmen van speeltoestellen. Die voorliefde werd door haar ouders en vooral haar vader prompt dermate gretig ‘gestimuleerd’ dat ze alle prijzen die ze gewonnen heeft ten spijt inmiddels niet goed meer weet of ze het klimmen voor zichzelf doet of voor haar ouders.

Ashima

Ashima

Poppo en Miko Shiraishi, een naar New York geëmigreerd echtpaar van Japanse oorsprong, zijn tien jaar lang onvrijwillig kinderloos geweest, waarna ze de geboorte van Ashima verwelkomden als een godsgeschenk. Vader Poppo had zich lang onderscheiden als danser in Butoh, een Japanse dans- en theatervorm. Hij beëindigde zijn carrière echter toen zijn dochter geboren werd. Moeder Miko ging vervolgens werken om het gezin te onderhouden.

Dat Poppo Shiraishi zijn dochter is toegenegen lijdt geen twijfel. En dat zijn als Butoh-danser opgedane ervaring met lichaamsbeheersing, concentratie en innerlijke aanschouwing Ashima bij het klimmen van dienst zijn evenmin. Wel vraag je je als kijker af of hij zijn opvattingen over wat goed is voor haar niet wat meer zou moeten toetsen aan de voorkeuren van de dertienjarige zelf. Om het voorzichtig uit te drukken.

Want eigenlijk kent hij daar in Zuid-Afrika geen genade. De tranen staan Ashima in de ogen als ze voor de zoveelste keer moet horen dat haar mentale voorbereiding tekort schiet. Of als het haar verboden wordt te klagen over de kou of over haar door de rotsen kapot gescheurde vingers.

De pas op de plaats die het meisje bijna tot gek wordens toe moet maken bij klimprobleem ‘Golden Shadow’ zal nog lang op het netvlies van de kijker blijven branden. Maar ondanks die grote verdienste van zijn documentaire heeft Kenji Tsukamoto’s algemene keuze voor een momentopname in het leven van Ashima Shiraishi ook een keerzijde. Want meer nog dan je wil weten of Ashima uiteindelijk vanuit de duisternis van haar ‘grot’ het goud van het zonlicht bovenop de rots zal bereiken, blijf je je afvragen hoe het verder moet in haar nog jonge leven. Wat als de nog beginnende puber ouder wordt en de relatie met haar ouders en in het bijzonder dei met haar vader – op wie ze in voice-overs slechts milde kritiek uit – gaat veranderen? Zal ze dan nog gelukkig zijn met al haar klimgoud?

K2 Mon Amour

K2 Mon Amour

K2 Mon Amour – Adembenemende liefde
Een hele hechte touwgroep, namelijk een die gevormd wordt door een liefdeskoppel, zien we in K2 Mon Amour van Mathieu Rivoire. De ervaren Franse alpinisten Liv Sansoz en Seb Roche vormen een stel en met zijn tweeën willen ze de K2 beklimmen, de op een na hoogste berg ter wereld. Niet direct een boottochtje over de Seine, zou je zeggen. Voor hen is het echter naast een uitdagend ook een romantisch avontuur, dat ze in stijl willen afronden door als paraglidingtandem van de top van het 8611 meter hoge gevaarte naar beneden te zweven.

De K2, ook wel Mount Godwin-Austen genoemd, is een berg zoals een kind die zou tekenen, zegt men. Dat klinkt geruststellend, maar is het juist niet. Als een immense, bijna volmaakte piramide waarvan de wanden allemaal even steil zijn, verheft hij zich als onderdeel van de bergketen Karakoram op de grens van Pakistan en China uit het laagland. Onder alpinisten geldt hij als veel moeilijker dan de Mount Everest. Zelfs als je de normale route volgt, zoals het alpinistenkoppel zonder het gebruik van zuurstofflessen wil doen. Want die voert nog altijd langs beruchte passages als de House Chimney op 7000 meter, de Pyramide Noir op 7400 meter en last but not least de Bottleneck op 8200 meter, waar je bedolven kan worden onder de sneeuw van omvallende ijstorens.

Zelf de (drone)camera bedienend, doen Seb en Liv de nodige grapjes makend hun best om ondanks hun ontberingen en vermoeidheid op de kijker een opgewekte en nog altijd verliefde indruk te maken. Wat bij die zich soms een beetje een voyeur voelende kijker wel eens wat op de zenuwen kan werken. Op de grote hoogtes beland, kan liefdevol informeren naar elkaars welzijn en belevingswereld evenwel bijzonder nuttig zijn. Door een zuurstoftekort in de hersenen val je daar namelijk gemakkelijk ten prooi aan hallucinaties.

Maar ook zonder zinsbegoocheling zijn de majestueuze K2 zelf, zijn onmetelijk steile sneeuwvelden en het panorama gevormd door de omliggende bergen adembenemend. Voor het oog is er alle inspanningen ten spijt romantiek genoeg te vinden. Ongeacht of het tweetal erin slaagt de top van de berg te bereiken en hun gedroomde zweeftocht naar beneden te maken.

See what I saw: Karakoram – Kampvuur versus avondrood
We blijven even in de Karakoram. Het zeventien minuten beslaande See what I saw: Karakoram van de Nederlandse filmmaker Boris Peters is echter geen speelfilm of documentaire, maar een videoproject, waarvan de installatie op het festival op 8 en 9 november doorlopend te zien zal zijn. Gebruikmakend van gesplitst beeld geeft Peters zijn impressies weer van een bijna drie weken beslaande trektocht die hij samen met een groep Pakistaanse dragers maakte over de immense Biafo- en Hispargletsjer.

See what I saw: Karakoram

See what I saw: Karakoram

Dat gesplitste beeld is even wennen. Maar al snel word je meegevoerd door de effecten die Peters ermee weet te bereiken. Er zijn beeldkoppels van een detailbeeld van zware rugzakken en voeten die moeizaam hun weg zoeken tussen hoekige stenen tegenover een wijde wereld van eindeloze sneeuwvelden en tot aan de hemel reikende bergtoppen. Of van panoramische impressies van een hele stoet dragers die over de gletsjer trekt versus close-ups van de karakteristieke, door weer en wind getekende gezichten van ieder van hen.

De beelden die de Nederlandse cineast ons gelijktijdig laat zien, verhouden zich niet uitsluitend tot elkaar als detail tot panorama. Soms is de connectie meer symbolisch van aard en een enkele keer raadselachtig. Een zonsondergang wordt gekoppeld aan een beeld van een knapperend kampvuur met een rode gloed daaromheen. Of we zien een drager turen door een verrekijker en gelijktijdig een kraai die op een rost zit. Bespiedt de drager de kraai, of tuurt de kraai op dezelfde manier in de verte als de drager?

Dat de tocht van Peters zwaar en tegelijkertijd mooi was, is duidelijk. En dat zijn methode om daar verslag van te doen opmerkelijk is eveneens. Wat enigszins ontbreekt is een intentie van de maker om los van die methode een niet te voorspelbaar achterliggend verhaal te vertellen.

The Future of Climbing – Met je vingers in een duivenhol of aan een stuk plastic?
In The Future of Climbing volgen we actuele ontwikkelingen in de klimsport in twee richtingen. De eerste – die van het outdoor klimmen – lijkt wel een doodlopende weg op te leveren. In de tweede – die van het indoor klimmen – zit meer toekomst. Maar heeft die nog iets te maken met de hang naar vrijheid en het verlangen naar de ongerepte natuur van de alpinisten van weleer?

In de drukke, soms bijna manische documentaire waarin naast rotsklimmers en klimhalexploitanten ook geleerden en natuurbeschermers aan het woord komen, laten ervaren bergfilmregisseur Guilaume Broust en de niet van humor gespeende verteller Cédric Lachat (een Zwitserse rotsklimmer) ons zien hoe klimlocaties in Europa als Fontainebleau (Frankrijk), Val Bavona (Zwitserland) en Meschia (Italië) overbevolkt raken met waaghalzen die elkaar via sociale media geïnfecteerd hebben met de klimkoorts.

The Future of Climbing

The Future of Climbing

Het levert een beeld op dat soms lachwekkend, maar ook pijnlijk is. Hun kampvuurtjes veroorzaken bosbranden, hun uitwerpselen liggen overal verspreid door de bosjes, vee wordt schrik aangejaagd en vogels (duiven, maar ook oehoes) op zoek naar een nestplaats in de rotsformaties moeten hun heil elders zoeken door toedoen van de klimmende meute. Om nog maar te zwijgen van de door geologische processen van miljoenen jaren gevormde rotsen zelf, die eroderen en ontsierd worden door de vele krijtstreepjes die goede grepen moeten markeren. Geen wonder dat landeigenaren en natuurbeschermers er meer en meer toe overgaan letterlijk paal en perk te stellen aan het klimgeweld.

Ondertussen schieten – al dan niet als reactie op die beperkende maatregelen – de klimhallen als paddenstoelen uit de grond. Het indoor klimmen is al sinds enige jaren een Olympische sport en wereldwijd zijn er inmiddels dertig miljoen gymklimmers. De meeste van hen laten de echte rotsen welbewust links liggen.

De routes op de klimmuren in een hal zijn door mensen bedacht en uitgezet (soms met behulp van artificiële intelligentie) en worden voortdurend veranderd. Maar verrassend genoeg zou juist dat volgens geïnterviewde indoorklimmers de meest ‘pure’ klimervaringen opleveren.

Toch zullen de onmogelijke routes die de natuur zelf te bieden heeft altijd blijven lonken. De liefhebbers daarvan zullen zich echter meer van die natuur bewust moeten worden, benadrukken Julia Chanourdie en met haar andere gewetensvolle rotsklimmers. Als The Future of Climbing echter iets op indringende wijze laat zien is het dat ons dat met inmiddels acht miljard mensen op Aarde op zijn zachtst gezegd moeilijk afgaat.

 

In het binnenkort te verschijnen tweede deel van deze vooruitblik op DMFF #15 aandacht voor oude tradities, het leven van weleer en het verlangen daarnaar in Spanje, Roemenië en Nepal. Verder het wel een wee van een zwangere hond die schapen moet hoeden en een hermelijn in de winter.

 

31 oktober 2025

 

Preview DMFF deel 2: Vergankelijkheid en kwetsbare dieren

 

MEER FILMFESTIVAL

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme – Deel 4 (slot)

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme (1929-1951) – Deel 4 (slot):
Fiets en bezemstelen

door Paul Rübsaam

Vittorio De Sica’s fel realistische drama Ladri di biciclette (1948) en zijn met fantasy elementen doorspekte Miracolo a Milano (1951) lijken hemelsbreed van elkaar te verschillen. Toch getuigen beide films van de weg die de regisseur en voormalig acteur tot aan het begin van de jaren vijftig heeft afgelegd.

 

Lamberto Maggiorani en Enzo Staiola in Ladri di biciclette (1948)

Lamberto Maggiorani en Enzo Staiola in Ladri di biciclette (1948)

Ladri di biciclette – Een vader, een zoontje en een gestolen fiets 
Over de synopsis van Ladri di biciclette (Bicycle Thiefs, 1948) kun je beter niet al te uitvoerig zijn. Ten eerste omdat bijna iedere cinefiel deze film weleens gezien heeft. Ten tweede omdat de eenvoud van het verhaal in belangrijke mate bijdraagt aan de overtuigingskracht ervan.

Een man die lang werkloos is geweest, vindt in naoorlogs Rome eindelijk een baan. Voor dat werk als afficheplakker is hij echter afhankelijk van zijn fiets. Die fiets wordt gestolen. Na een intensieve zoektocht samen met zijn zoontje vindt hij wél de dief waartegen hij geen bewijs heeft, maar niet de fiets. Ten einde raad besluit hij zelf een rijwiel te stelen en wordt door omstanders bij de kraag gevat.

In de slotbeelden van de film zien we de ontgoochelde, maar niet gearresteerde vader Antonio Ricci (Lamberto Maggiorani) en zijn achtjarige zoontje Bruno (Enzo Staiola) op de rug als ze hand in hand lopend opgaan in een menigte. Als aanvankelijke hoofdrolspelers verdwijnen ze in de anonimiteit. Wat hen overkomt zou iedereen kunnen overkomen, is de boodschap. Dit is een verhaal over gewone mensen als u en ik.

Overgeleverd als we zijn aan de lotgevallen en emoties van Antonio zijn we geneigd hém sympathiek te vinden en in de aanvankelijke dief (Vittorio Antonucci) een antipathieke antagonist te zien. Maar ook de laatste is werkloos en leeft onder armoedige omstandigheden. Gedreven hierdoor komt zowel de eerste fietsendief als Antonio tot zijn misdrijf. De titel van de film laat zich daarmee lezen als een niet veroordelend bedoelde aanduiding voor een maatschappelijke onderklasse.

Al met al kan Ladri di biciclette zeker gelden als een film waarin scenarioschrijver Cesare Zavattini de door hem verwoorde neorealistische principes aardig gerealiseerd zag. Tegelijkertijd nodigt de film er toe uit om deze te plaatsen in het licht van eerdere films waar Vittorio De Sica als acteur of regisseur bij betrokken was.

Zelfs de stap van een komedie als Gli uomini, che mascalzoni… uit 1932 naar Ladri di biciclette is immers niet in alle opzichten zo heel groot. De vertegenwoordiger van de lagere middenklasse Bruno (De Sica) uit die eerstgenoemde film van Mario Camerini voelt zich voor zijn algehele welzijn eveneens afhankelijk van een transportmiddel. In zijn geval is dat een auto. Hij ervaart het als vernederend als hij zich per fiets moet verplaatsen. Terwijl een fiets voor Antonio in Ladri juist het hoogst haalbare is en een belofte inhoudt voor betere tijden.

Nog afgezien van het economische belang dat de fiets voor Antonio vertegenwoordigt, is duidelijk dat het stalen ros van het merk Fides voor zijn zoontje Bruno ook een emotionele betekenis heeft. De vergelijking met Besagliere, het paard van vlees en bloed dat voor Giuseppe en Pasquale in Sciuscià eveneens onbereikbaar blijkt, dringt zich op.

Die fiets – dat steeds terugkerende, kenmerkende vervoermiddel – wordt in Ladri di biciclette teruggebracht tot zijn essentie. Ontleed, zou je kunnen zeggen. Als Antonio samen met zijn zoontje, zijn vriend Baiocco en enkele vuilnismannen op een markt op zoek gaat naar het gestolen voertuig worden ze geconfronteerd met massa’s gesorteerde frames, sturen, wielen, fietspompen en bellen, als betrof het de organen van overleden rijwielen.

Voor Ladri di biciclette zou de titel I bambini ci guardano evenmin hebben misstaan. Want we zien Bruno steeds tegen en naar zijn vader opkijken. Wat doet zijn vader, wat denkt zijn vader, lijkt het jongetje zich voortdurend af te vragen. Het einde van Ladri is iets hoopgevender dan dat van het eigenlijke I bambini. Zonder fiets, maar ook zonder in de gevangenis te belanden, is Antonio weer terug bij af. Als hij zijn tranen tenslotte de vrije loop laat en Bruno zijn hand vastpakt, is de band tussen vader en zoon in ieder geval hersteld.

In I bambini en Sciuscia (zie deel 3), films waarin De Sica voor zichzelf als acteur geen rol meer zag weggelegd en waarin hij openlijk aandacht vroeg voor beschadigde gezinnen en onterende klassenverschillen, waren kinderen de belangrijkste personages. In Ladri di biciclette vormt de achtjarige Bruno Ricci het medium tussen de kijker en het noodlot van zijn vader.

De weg die Vittorio De Sica aflegde – alvorens hij zich anno 1948 ontpopte als regisseur van een geëngageerde film met de volwassen Antonio Ricci als tragische held – begon dus al toen hij als acteur in de jaren dertig van de vorige eeuw furore maakte in romantische komedies van Mario Camerini en zijn eerste eigen drama’s.

Toch moet Ladri di biciclette niet zonder meer worden aangemerkt als de De Sica-film bij uitstek. Ten eerste omdat Vittorio De Sica nog tot in de jaren zeventig, dus tot lang na de hoogtijdagen van het zogeheten neorealisme, films heeft gemaakt die hier onbesproken zullen blijven. Ten tweede omdat er nog een andere film is, weliswaar heel anders dan Ladri de biciclette, die minstens zo kenmerkend is voor De Sica.

Scène uit Miracolo a Milano (1951)

Scène uit Miracolo a Milano (1951)

Miracolo a Milano – Van niets íets maken
Miracolo a Milano (Miracle in Milan, 1951) begint met ‘C’era una volta…’  (‘Er was eens…‘). Maar het sprookje waar we naar gaan kijken, zal felrealistische elementen blijken te bevatten. Al zien we in de openingsscènes van deze film van Vittorio De Sica naar de roman Totò il Buono van Cesare Zavattini nog hoe een ouder dametje (Emma Gramatica), dat bij haar popperig huisje aan de oever van een kanaaltje tussen de bloemkolen in haar tuintje een huilend baby’tje vindt.

Met toewijding en zonder één onvertogen woord voedt ze de vondeling op. Als deze een jaar of acht is, overlijdt ze echter. Het jongetje Totò moet op een regenachtige dag in zijn eentje, met zijn petje in zijn hand, door de buitenwijken van Milaan achter haar door één paard voortgetrokken lijkkoetsje aan lopen. In een volgende scène zien we hoe hij door twee ambtenaren met hoge hoeden naar een weeshuis wordt gebracht.

De Totò die we een tiental jaren later het weeshuis zien verlaten (Francesco Golisano), oogt als een synthese van eerdere De Sica-protagonisten. Met zijn korte, gedrongen gestalte, de vriendelijke blik in zijn blauwe ogen en zijn bereidheid om iedereen die hij maar tegenkomt hartelijk te groeten is hij een volwassene met de goedmoedige naïveteit van een kind.

De jonge Totò is onmiddellijk bereid de handen uit de mouwen te steken. Maar werk ligt niet voor het opscheppen in het naoorlogse Milaan. Dus dwaalt hij ‘s avonds doelloos door de stad, waar hij zich vergaapt aan het mondaine publiek dat juist een schouwburg verlaat. Ondertussen let hij niet op zijn koffertje dat hij naast zich heeft neergezet. De dief die ermee vandoor gaat, weet hij gelukkig te achterhalen.

Als Totò zijn koffertje weer opeist, verzet de in lompen gehulde oude dief zich niet en gaat in een hoekje staan huilen. Vol mededogen haalt Totò het koffertje leeg om te tonen dat er weinig bijzonders in zit, hoofdzakelijk wat foto’s van zijn oude ‘moeder’. Maar de huilende dief Alfredo (Arturo Bragaglia) vindt juist het koffertje zelf zo mooi. Dan mag hij het houden, besluit Totò, die zijn spullen snel onder zijn hemd propt.

Een slaapplek heeft Totò ondertussen nog niet. Daar weet zijn nieuwe vriend Alfredo wel een oplossing voor. Een sobere weliswaar, want de volgende ochtend zien we hoe het tweetal zich moeizaam uit een piepklein tentje wurmt. Dat bevindt zich op een met een laag sneeuw bedekt, braakliggend stuk grond langs een spoorlijn, waarop diverse uit zeildoek en golfplaten opgetrokken hutjes staan.

Met een glimlach houden de twee uit het tentje gekropen mannen zich warm door ritmisch op de grond te stampen en de rug en schouders te bekloppen. Tot plotseling de hemel wordt opengebroken door een onwerkelijke bundel zonnestralen, waar Totò, Alfredo en andere bewoners van het terrein lachend, zingend en zich warm stampend in gaan staan.

Totò laat zich welwillend opnemen in de gemeenschap van allerarmsten van de stad die het terrein bevolkt. Vooral voor de kinderen heeft hij oog. Zo verschuilt hij zich achter een deur die overeind gehouden door een deurpost als een object in het niets rechtop in het veld staat, om die deur plotseling weer te openen, waarmee hij een klein meisje aan het lachen weet te maken. En als na een storm het ‘dorp’ hersteld moet worden, schildert hij naambordjes voor de ‘straten’, die hij naar rekentafels noemt om de kinderen rekenen te leren.

Op een dag arriveert een reeks limousines aan de rand van het veld, waaruit mannen met bolhoeden, bontkragen en wandelstokken stappen. Een kaart van een stuk land wordt opengevouwen en twee van de mannen beginnen geldbedragen scanderend tegen elkaar op te bieden, wat tot verwondering van de toegelopen dorpsbewoners ontaardt in een soort geblaf. Uiteindelijk mag projectontwikkelaar Mobbi (Guglielmo Barnabò) zich de nieuwe eigenaar noemen van het braakliggend terrein. De verontruste dorpsbewoners paait hij met een vals charmeoffensief, waar niet in de laatste plaats de goede Totò gevoelig voor is.

Het leven in het steeds hechter wordende dorpje van vrolijke armen gaat ondertussen weer zijn gangetje. Een draaiorgeltje wordt aangezwengeld en het aanstekelijke lied ‘Ci basta una capanna’ (‘All we need is a hut to live in’) wordt aangeheven. Er is een loterij met als hoofdprijs een door de winnaar ter plekke op te eten gebraden kip, en een vrouw verkoopt op ‘haar’ stukje land zitplaatsen voor het aanschouwen van de zonsondergang. Totdat iemand ergens een paal in de grond probeert te boren en daaruit olie omhoog spuit.

Na de olievondst is de sluwe Mobbi er des te meer op gebrand om de bewoners van het dorp het veld te laten ruimen. De door de projectontwikkelaar in gang gezette evacuatie wordt echter behoorlijk getraineerd door een wensen vervullende witte toverduif, die Totò vanuit de hemel door zijn ‘moeder’ (het oude dametje) krijgt aangereikt.

Als de dorpsbewoners tenslotte toch in getraliede woonwagens in de richting van het centrum van Milaan worden afgevoerd, weet Totò’s vriendinnetje Edvige (Brunella Bovo) hem door de tralies de tijdelijk verdwenen duif aan te reiken. De wanden van de woonwagens vallen op het Piazza del Duomo uiteen, de bevrijde dorpsbewoners maken straatvegers op het plein hun bezem afhandig en vliegen op de bezemstelen als vervoermiddel in de richting van de torenspitsen van de dom, onderwijl hun lijflied ‘Ci basta una capanna’ zingend.

Met het speelse en schijnbaar lichtvoetige karakter van Miracolo a Milano lijkt De Sica (samen met Zavattini) de weg die voerde van zijn hoofdrollen in Mario Camerini’s Gli uomini che mascalzoni! en Darò un Milione naar zijn eigen films I bambini ci guardano, Sciuscià en Ladri di biciclette nu in omgekeerde volgorde af te leggen. Maar dan wel bepakt met de dramatische souvenirs van de heenreis, die de cirkel rond maken. Want Miracolo a Milano uit 1951, met zijn onder erbarmelijke omstandigheden levende have nots, is niet nadrukkelijker een komedie dan Roberto Benigni’s La vita è bella uit 1997, waarin een vader zijn zoontje emotioneel probeert te beschermen tegen de gruwelen van de holocaust door hier spelelementen in te suggereren.

 

24 april 2025

 

Deel 1: Een vleug ‘neorealisme’ in het zwijgende tijdperk
Deel 2: Twee komedies van Mario Camerini over arm en rijk
Deel 3: Twee drama’s van De Sica met kinderen als slachtoffers

 

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme – Deel 3

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme (1929-1951) – Deel 3:
Twee drama’s van De Sica met kinderen als slachtoffers

door Paul Rübsaam

In Vittorio De Sica’s eerste drama I bambini ci garduano (1943) krijgt een klein jongetje de last te dragen van het slechte huwelijk van zijn ouders. In Sciuscià (1946) belanden twee schoenpoetsers in een jeugdgevangenis.

In de eerste oorlogsjaren regisseert Vittorio De Sica zelf twee romantische komedies, waarin hij voortborduurt op de door Camerini aangereikte sjablonen (zie deel 2). Hij neemt in die films de hoofdrol voor zijn rekening van een aimabele rokkenjager te midden van nog erg jonge dames.

In Maddalena … zero in condotta (1940) zijn dat de leerlingen van een handelsschool voor meisjes en in Teresa Venerdi (1941) de bewoonsters van een weeshuis, van kleuters tot achttienjarigen. In die laatste film kun je al iets bespeuren van het sociale engagement dat kenmerkend zou zijn voor de hierna te bespreken films die Vittorio De Sica zou vervaardigen in samenwerking met Cesare Zavattini. Titelheldin Teresa Venerdi (Adriana Benetti), valt als achttienjarige, ouderloze bewoonster van het weeshuis Santa Chiara immers te typeren als kansarm.

De macht en invloed van dictator Benito Mussolini was halverwege de Tweede Wereldoorlog tanende. Hoewel het neorealisme geldt als een naoorlogse filmstroming, zag je in die tijd in Italië al films in de bioscoop die weliswaar geen uitdrukkelijk antifascistische boodschap verkondigden, maar toch gevoelige maatschappelijke thema’s belichtten.

Luciano De Ambrosis en Isa Pola in I bambini ci guardano (1943)

Luciano De Ambrosis en Isa Pola in I bambini ci guardano (1943)

I bambini ci guardano – Eerste kind van de rekening
I bambini ci guardano (The Children Are Watching Us, 1943), Vittorio De Sica’s eerste drama naar een scenario van Cesare Zavattini, vertoont nog een zekere gelijkenis met de eerder besproken komedies. De sfeer lijkt aanvankelijk nog luchtig. Uit een Bijlmerachtig flatgebouw in een buitenwijk van Rome zien we de jonge moeder Nina (Isa Pola) met haar vierjarige zoontje Pricò (Luciano De Ambrosis) tevoorschijn komen. Ze gaan naar een poppenkastvoorstelling in een nabijgelegen park. Pricò mag zijn stepje (opnieuw een vervoermiddel!) meenemen.

Nadat Pricò is uitgekeken op de poppenkast wil hij een stukje steppen. Dan begint het drama zich af te tekenen. Nina maakt van de gelegenheid gebruik om te doen waarvoor ze naar het park is gekomen: haar minnaar Roberto ontmoeten. Als Pricò met zijn step aan de hand terugkeert, kan hij niet woordelijk verstaan wat zijn moeder en die vreemde meneer tegen elkaar zeggen, maar het intieme karakter van hun samenzijn ontgaat hem allerminst. Als het jongetje vertwijfeld ‘mama!’ roept en zich tegen haar aan vleit, probeert Nina nog de indruk te wekken dat Roberto slechts een vage kennis is.

Andrea, de vader van Pricò (Emilio Cigoli), zit ongedurig te wachten tot moeder en kind eindelijk terugkeren. Dat ze niet naar de bioscoop zijn geweest, zoals hij verwacht had, maar naar het park zijn gegaan, is een detail waar hij als ze thuiskomen weinig aandacht aan besteedt. ‘s Avonds moet hij zelf alweer de deur uit voor een burenvergadering in het appartementencomplex.

Nina brengt ondertussen Pricò naar bed. Het jongetje moet gewoontegetrouw zijn gebedje opzeggen, maar ze vergeet hem bijna een nachtzoen te geven. ‘Mama, gaan we morgen weer naar de poppenkast?, vraagt Pricò. ‘Ja!’, antwoordt Nina. Dat zal echter een leugen blijken.

De volgende dag is Nina er vandoor met Roberto. Er volgt een gezeul met Pricò, dat niet geheel gespeend is van komische elementen. Zo moet het jongetje tijdelijk verblijven tussen de zingende werkneemsters op een werkplaats van zijn tante waar damesondergoed wordt gefabriceerd. Voorts is er een scène waarin zijn oma die zich beklaagt dat ze niet aan haar rust toekomt, door twee gedienstige mannen met stoel en al vanuit haar tuin de huiskamer in wordt gedragen. Maar dat Pricò het zonder zijn moeder moet stellen, is wrang genoeg. Minstens zo erg is dat niemand anders tijd en zin heeft om zich met hem bezig te houden.

Gelukkig wordt het zijn vader duidelijk dat deze noch van zijn schoonzus, noch van zijn moeder veel te verwachten heeft als het gaat om de zorg voor zijn zoontje. Van het dorpje waar Pricò’s oma woont, neemt hij het jongetje met de trein mee terug naar Rome. Onderweg valt Pricò ten prooi aan dorst en koortsdromen, waarin beelden zich met elkaar vermengen: van zijn vader, de boze oma, de poppenkast en zijn moeder met haar minnaar in het park.

De fysieke en geestelijke toestand waarin Pricò terecht is gekomen, baart tenslotte ook zijn moeder zorgen. Omwille van hem zijn zijn ouders bereid het weer met elkaar te proberen. Op een gezamenlijke vakantie in het badplaatsje Alassio heeft het er zelfs even de schijn van dat de gezinsidylle is hersteld. Pricò’s vader moet echter eerder terug naar Rome in verband met zijn werk. Ondertussen heeft de aantrekkelijke Nina al de aandacht getrokken van een groepje mondaine jonge badgasten, waaronder een man met een hondje. Ook Roberto duikt op in Alassio.

Nina probeert haar minnaar af te weren, maar zwicht toch voor zijn charmes. Terwijl het tweetal als geliefden aan het strand ligt, is de alleen rond dwalende Pricò daar getuige van. Nadat het jongetje vervolgens tevergeefs heeft geprobeerd de trein terug naar Rome te nemen, doolt hij langs de spoorlijn. En vervolgens langs het strand, waar een zwerver die uit Darò un millione lijkt weggelopen hem de stuipen op het lijf jaagt. Als de zon ondergaat, valt de vluchtende Pricò uitgeput in het zand.

Onder het toeziend oog van verontruste en sensatiebeluste hotelgasten wordt het jongetje door twee politieagenten bij zijn moeder afgeleverd. De volgende dag laat Nina het jongetje met zijn koffertje in Rome bij zijn vader brengen, zonder dat zij zichzelf daar laat zien. Als het wanhopige jongetje de priemende ogen van zijn papa op zich gericht ziet, laat Pricò slechts los dat mama boos was omdat hij was weggelopen. Zijn verdere stilzwijgen zegt voor zijn vader Andrea genoeg.

Andrea ontvangt een telegram van Nina, waarin zij hun definitieve scheiding aankondigt. Alleen voor zijn kind zorgen, brengt de onthutste vader niet op. Dus brengt hij hem met goede bedoelingen naar een door paters gerunde kostschool.

Het laatste wat we van Andrea vernemen, is dat hij zich door uit het raam van het appartement te springen van het leven berooft. Moeder Nina zoekt Pricò nog op in de kostschool, waar we het jongetje terugzien als een in zijn kostschooluniformpje verstijfd mannetje met verstikte tranen. De paters dringen er op aan dat hij zijn moeder omhelst. Maar hij kan het niet.

De overtuigingskracht van I bambini ci guardano is haast tijdloos. In de eerste plaats door het intense acteerwerk en het zonder opzichtige grote gebaren uitlichten van de emotionele impact van details. Maar ook door het welbewust alledaagse van het verhaal en de personages. Want Andrea, Nina en Pricò zijn als respectievelijk vader, moeder en kind Elckerlycs. Je kunt ze bekritiseren, maar ook sympathie voor ze koesteren. Dat geldt voor de ernstige, in zichzelf gekeerde vader. Maar ook voor de voor haar liefdesgeluk kiezende, maar toch niet eenduidig als gewetenloze verleidster te typeren moeder.

Onverbloemder is de film in zijn kritiek op de mensen die het drietal omringen. Op de zelfzuchtige minnaar Roberto, maar ook op de roddelzieke buren en hotelgasten en de kortstondige romances najagende mondaine badgasten. Het nog voorzichtig aanklagen van een gehele samenleving waarin de menselijke maat ondergesneeuwd dreigt te raken, kenmerkt de film eerder dan kritiek op slecht ouderschap. Vittorio De Sica en Cesare Zavattini zouden die beginnende maatschappijkritiek in de hierna te bespreken films verder uitwerken. Met opnieuw een belangrijke rol voor kinderen als slachtoffers.

Franco Interlenghi en Rinaldo Smordoni in Scuscià (1946)

Franco Interlenghi en Rinaldo Smordoni in Scuscià (1946)

Sciuscià – Een onbereikbaar paard
Zo piepjong en volmaakt onschuldig als Pricò zijn de protagonisten Giuseppe (Rinaldo Smordoni) en Pasquale (Franco Interlenghi) in Sciuscià (Shoeshine, 1946) niet. Maar ook zij zijn slachtoffers. In de eerste plaats van een nog op fascistische leest geschoeid justitieel systeem, maar ook – evenals in I bambini ci guardano –  van door volwassenen veroorzaakte loyaliteitsconflicten.

Het openingsbeeld van de film toont de verlaten binnenplaats van een jeugdgevangenis met de spookachtige lange schaduwen van de omliggende celblokken. Alvorens de twee opgroeiende jongens in die hel belanden, proberen ze hun droom na te jagen, die belichaamd wordt door het sprookjesachtige renpaard Bersagliere. Wat zouden ze dat prachtige dier graag kopen en berijden. Maar dan moeten de uit een arme familie afkomstige Giuseppe en de wees Pasquale in de straten van Rome nog flink wat schoenen van Amerikaanse soldaten poetsen.

Dan nog zijn ze er echter niet. Dus laten de jongens zich ronselen om ergens een partijtje gestolen Amerikaanse dekens af te leveren. Het bedrag dat ze daarvoor ontvangen, is tezamen met hun spaargeld genoeg om het aanbeden paard aan te schaffen. Met zijn tweeën op de rug van hun gekochte vervoermiddel paraderen ze als in een triomftocht door het centrum van Rome.

Niet veel later echter herkent iemand ze als betrokkenen bij heling en worden ze gearresteerd. Na de formaliteiten op het politiebureau brengt een getraliede wagen ze naar de jeugdgevangenis. In hun eerste nachten daar, samen in een cel, weten de vrienden de moed erin te houden. Ze spreken af te zwijgen. Want de betrokkenheid bij de diefstallen van Giuseppe’s oudere broer Attilio mag niet aan het licht komen.

Vervolgens worden ze echter in verschillende cellen geplaatst, ieder met drie of vier andere jongens. In die cellen heerst een pikorde. Een bepaalde solidariteit tussen de jongens die een cel delen, is eveneens belangrijk. Arcangeli (Bruno Ortensi), de leider in Giuseppe’s cel, heeft het niet zo begrepen op die langere vriend (Pasquale) van zijn celgenootje, waar deze tijdens de luchtuurtjes op de binnenplaats steeds mee staat te smoezen.

Erger is het dat de bewaarders Giuseppe zogenaamd afrossen met een broekriem om Pasquale te dwingen namen te noemen van andere betrokkenen bij het diefstal- en helingsnetwerk. Als de laatste het hartverscheurende gekerm van zijn vriendje hoort (in werkelijkheid een acterend ander jongetje dat het spel meespeelt) breekt hij en noemt de namen, waaronder die van Attilio.

Giuseppe is ongedeerd, maar Pasquale is nu wel degene die diens broer verlinkt heeft, wat Arcangeli onder Giuseppe’s aandacht brengt. In de doucheruimtes komt het tot een vechtpartij tussen Arcangeli en Pasquale. De laatste weet zijn tegenstander de beslissende slag toe te brengen en wordt in een isoleercel geplaatst.

Als de jongens voor de rechter moeten verschijnen, benadrukt Giuseppe’s advocaat de wezenlijke onschuld van zijn cliënt en de slechte invloed van Pasquale. Toch wordt ook Giuseppe tot een jaar jeugdgevangenis veroordeeld. Pasquale krijgt tweeëneenhalf jaar.

Giuseppe treurt niet lang over zijn vonnis, want Arganceli heeft een ontsnappingspoging geraamd, waar hij bij betrokken wil zijn. Tijdens een filmvoorstelling in de jeugdgevangenis proberen ze de tralies in het venster van de ziekenboeg door te zagen. Geholpen door de consternatie die ontstaat doordat het celluloid van de vertoonde film vlam vat en er brand uitbreekt, weten ze te ontsnappen.

Gedurende een nachtelijke achtervolging worden drie van de vijf ontsnapte jongens al gauw in de kladden gegrepen. Alleen Giusseppe en Arcangeli weten vooralsnog aan hun achtervolgers te ontkomen. Pasquale, teleurgesteld in zijn vriendschap met Giuseppe, tipt de gevangenisbewaarders dat de twee te vinden zouden kunnen zijn in de buurt van de stal van Bersagliere. Het luidt een noodlottig einde in van de vriendschap tussen Giuseppe en Pasquale, resulterend in een slotbeeld van het gezadelde paard dat stapvoets, maar zonder berijders als een sprookjesdier wit oplichtend in het duister verdwijnt.

In het slotdeel Vittorio De Sica’s neorealistische films Ladri di biciclette (1948) en Miracolo a Milano (1951) en de eerder in zijn werk uitgezette lijnen die daarin samen komen.

 

22 april 2025

 

Deel 1: Een vleug ‘neorealisme’ in het zwijgende tijdperk
Deel 2: Twee komedies van Mario Camerini over arm en rijk
Deel 4: Fiets en bezemstelen

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme – Deel 2

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme (1929-1951) – Deel 2:
Twee komedies van Mario Camerini over arm en rijk

door Paul Rübsaam

In de komedies Gli uomini che mascalzoni! (1930) en Darò un milione (1935) van Mario Camerini zien we Vittorio De Sica als respectievelijk een chauffeur die voor een rijke man met een auto wil doorgaan en een miljonair die liever een zwerver had willen zijn.

 

Lia Franca in Gli uomini che mascalzoni! (1932)

Lia Franca in Gli uomini che mascalzoni! (1932)

Gli uomini che mascalzoni! – Vervoermiddelen en klassentegenstellingen in Milaan anno 1930
De eerste film van regisseur Mario Camerini met een hoofdrol voor acteur Vittorio De Sica – de geluidsfilm Gli uomini che mascalzoni! (What Scoundrels Men Are!, 1932) – is lichtvoetiger en voorspelbaarder, maar borduurt evenals Rotaie (zie deel 1) voort op de symbolische tegenstelling tussen licht en duisternis.

De humor in deze romantische komedie mist het absurdisme van Sous les toits de Paris (1930) en A nous La Liberté (1931) van de Franse regisseur René Clair, die door Camerini en ook Cesare Zavattini (die later aan de orde komt) bewonderd werd. Toch kenmerkt een speelse omgang met klassentegenstellingen ook deze bij de zogeheten telefoni bianchi ingedeelde film. Gli uomini che mascalzoni! heeft als troefkaart authentieke, haast documentaire straatbeelden van Milaan anno 1930, waarin het openbaar vervoer een centrale rol speelt en verschillende sociale klassen zichtbaar zijn.

Een in de nachtdienst werkende taxichauffeur en zijn als verkoopster in een warenhuis werkende dochter Mariuccia (Lia Franca) belichamen de tegenstelling tussen het leven ‘s nachts en overdag. Pas als de ijzeren rolgordijnen van de winkels weer omhoog schuiven, de kiosken open gaan en het ochtendlicht zich verspreidt over de brede, maar nog lege straten en pleinen van Milaan drinkt de taxichauffeur nog een afzakkertje in zijn al vroeg geopende stamcafé en gaat naar huis. Zijn dienst zit erop en hij verlangt naar zijn bed. Voor zijn bij hem inwonende dochter Mariuccia is het juist tijd om wakker te worden.

Nadat Mariuccia haar ontbijt heeft genuttigd, haar mantelpak heeft aangetrokken en haar hoedje heeft opgezet, wandelt ze door ontwakend Milaan in de richting van de tramhalte. Onderweg koopt ze een tijdschrift bij een kiosk. Als ze betalen wil, laat ze een muntje vallen. Een aantrekkelijk jongensachtig ogende man met een pet op zijn hoofd en een fiets aan de hand raapt het dienstvaardig en wat al te breed glimlachend voor haar op.

Als ze verder loopt in de richting van de tram gaat deze Bruno (Vittorio De Sica) naast haar fietsen en overlaadt haar met complimentjes. Zelfs als ze op de tram is gestapt, blijft hij haar volgen op de fiets. We zien dit vanuit de tram, terwijl Mariuccia haar aandacht met weinig succes op haar tijdschrift probeert te richten.

De jonge vrouw stapt uit en ontmoet twee collega-verkoopsters uit het warenhuis, waarmee ze samen oploopt naar hun werkplek. Haar chaperonnes laten zich laatdunkend uit over Mariuccia’s bewonderaar op zijn fiets. Om een beetje indruk te kunnen maken moet een man volgens hen over een automobiel beschikken.

Bruno, die zijn chauffeurskunsten uitsluitend mag verrichten in dienst van een rijke zakenman, weet later toch goede sier bij Mariuccia te maken door net te doen alsof de auto van zijn chef van hem is. Hij troont haar mee voor een tochtje naar de grote meren ten noorden van Milaan en betoont zich in een idyllisch café aan het water een begenadigd zanger en danser. Maar dan ziet uitgerekend de vrouw van zijn chef voor de deur van het café de auto staan. Om zijn hachje te redden moet Bruno Mariuccia zonder verdere uitleg in het café achterlaten.

Na toch zijn ontslag gekregen te hebben, biedt Bruno noodgedwongen tegen een lager loon zijn diensten als chauffeur aan bij een andere baas. Tot overmaat van ramp dient hij zich in een kostuum te hijsen in de kleur van de auto van zijn nieuwe chef, wat hem er nog beduchter voor maakt om door Mariuccia gezien te worden. Toch is het Mariuccia, die ondertussen met rijkere mannen omgaat, die Bruno behoedt voor volledige werkloosheid.

De strijd om de aandacht van de vrouw middels verschillende vervoermiddelen beleeft een kolderiek hoogtepunt in een scène met botsautootjes op de kermis van Milaan. In een poging Mariuccia, die met een ingenieur in een autootje zit, jaloers te maken, vleit de op ramkoers zijnde Bruno zich opzichtig aan tegen zijn medepassagiere, een snoepjesverkoopster die hij op een bazaar heeft ontmoet.

Tenslotte manifesteert zich op een symbolische manier de verschuiving van nacht naar dag die het begin van de film kenmerkt. Mariuccia stapt in nachtelijk Milaan in een taxi en Bruno, die achter haar aan is gerend, kruipt op het laatste moment naast haar in de auto. De taxichauffeur blijkt Mariuccia’s vader te zijn. Deze staat zeer welwillend tegenover een schoonzoon die zijn dochter is toegenegen en bovendien het beroep van taxichauffeur zou kunnen uitoefenen.

Hetzelfde thema als in Rotaie krijgt zo minder zwaar aangezet gestalte: reken af met schone schijn en stel je tevreden met een bescheiden, maar eerbaar en liefdevol bestaan.

Assia Noris en Vittorio De Sica in Darò un milione (1935)

Assia Noris en Vittorio De Sica in Darò un milione (1935)

Darò un milione – Inwisselbare zwerver en miljonair
In Mario Camerini’s tweede speelfilm met De Sica als protagonist, waarbij Cesare Zavattini medeverantwoordelijk was voor het scenario, doet de invloed van René Clairs A nous la liberté zich des te sterker gelden. In Darò un milione (I’ll give a million, 1935) zien we armoede en rijkdom als (on)gunstige spelingen van het lot, alsmede markante zwerverstypes nadrukkelijk terug.

De Sica geeft gestalte aan de miljonair Gold, die zijn leven ervaart als een liefdeloos keurslijf. Terwijl hij op de reling staat van zijn voor anker liggende luxejacht wil de beschonken zwerver Blim (Luigi Almirante) zichzelf van het leven beroven door in het water te springen met een gewicht aan zijn voeten. Gold werpt een reddingsboei uit en springt hem te hulp.

Als het tweetal zich op het droge heeft gehesen en een vuurtje stookt om zich te warmen en hun kleren te drogen, probeert Gold zijn metgezel te overtuigen van de schaduwkanten van de rijkdom. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat wordt hij in beslag genomen door sociale verplichtingen. Terwijl een zwerver zo vrij is als een vogeltje in de lucht. Maar erger nog is dat je nooit zeker weet of iemand je welgezind is vanwege je persoon of vanwege je geld. Gold zou bereid zijn een spontaan gebaar van iemand die niet weet wie hij is met een miljoen te belonen.

De volgende ochtend als Blim wakker wordt en Gold verdwenen is, hangen grote bankbiljetten nog op de geïmproviseerde waslijn te drogen, evenals de smoking van de miljonair. Gold, nu gekleed als zwerver, ontwaakt ondertussen ergens anders, liggend in het stro. Op grote witte lakens die te drogen hangen, ziet hij de schaduw geprojecteerd van een jonge vrouw.

Even later verschijnt de blonde Anna (Assia Noris) zelf. Het meisje dat een administratief baantje heeft bij het circus Primerose is op zoek naar het weggelopen circushondje Bob, dat een kei in hoofdrekenen zou zijn en dus moet worden gelokt met rekenopdrachten. Gold is onmiddellijk van Anna gecharmeerd en besluit haar te helpen met zoeken.

Blim meldt zich ondertussen in zijn smoking en met zijn bankbiljetten op een krantenredactie en vertelt over zijn bijzondere ontmoeting. Het nieuws dat een als een zwerver ogende miljonair een miljoen uitlooft voor iemand die hem zonder aanzien des persoons een dienst bewijst, verspreidt zich razendsnel. Het gevolg is dat kolderiek ogende landlopers overal rijkelijk van aalmoezen worden voorzien of anderszins in de watten worden gelegd, wat ze zich met graagte laten welgevallen.

Het laat zich raden dat Gold zich voor de omgekeerde opdracht gesteld ziet als De Sica’s personage Bruno in Gli uomini che mascalzoni!. Al kan hij het bijna niet laten om Anna te imponeren met zijn geld en zijn connecties, toch wil hij haar ervan overtuigen dat hij werkelijk een zwerver is, hopend op haar waarachtige genegenheid. Dat hij na de nodige verwikkelingen in zijn missie zal slagen en van haar een aalmoes ontvangt die voor hem goud waard is, hoeft ook niet te verbazen. Toch kent in het licht van het latere werk van regisseur Vittorio De Sica ook de romantische komedie Darò un milione de nodige markante elementen.

Vooral voor wat betreft het creëren van een ambiance waarin verschillen in welstand lijken te verdampen. Zo zien we bijvoorbeeld op de piste van circus Primerose een grootse circusact waarbij tal van miljonairs en tal van zwervers (allen vertolkt door vrouwen) voortdurend met elkaar van plaats en hoofddeksels verwisselen.

Voor regisseur Mario Camerini was hoofdzakelijk de toon gezet voor een succesformule rond het koppel De Sica en Noris. In de romantische komedies Il signor Max (1937) en I grandi Magazzini (1939) keert het tweetal terug. In de eerste van die twee films spelen verplaatsingen met diverse vervoermiddelen wederom een belangrijke rol.

In het derde deel de eerste twee door Vittorio De Sica geregisseerde drama’s, met een belangrijke rol voor kinderen als slachtoffers.

 

20 april 2025

 

Deel 1: Een vleug ‘neorealisme’ in het zwijgende tijdperk
Deel 3: Twee drama’s van De Sica met kinderen als slachtoffers 
Deel 4: Fiets en bezemstelen

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme – Deel 1

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme (1929-1951) – Deel 1:
Een vleug ‘neorealisme’ in het zwijgende tijdperk

door Paul Rübsaam

Vittorio De Sica was een van de grootheden van het neorealisme, een typisch naoorlogse, grensverleggende en serieuze filmstroming. Toch vertoonden de luchtige, vooroorlogse films van Mario Camerini – waarin De Sica als acteur optrad – al verrassend veel elementen die later ook in zijn neorealistische meesterwerken terugkeerden. Denk hierbij aan klassentegenstellingen, realistische straatbeelden en het gebruik van diverse vervoermiddelen.

De beroemdste film die Vittorio De Sica (1901-1974) als regisseur op zijn naam schreef, is het als schoolvoorbeeld van het neorealisme geldende Ladri di biciclette uit 1948. Ook zijn films als Sciuscià (1946) en Miracolo a Milano (1951) worden doorgaans aangemerkt als ‘neorealistisch’. Met hun nadruk op armoede en persoonlijke levensgeschiedenissen verschillen die films echter vrij sterk van die van andere grootheden van het neorealisme, als Roberto Rossellini en Giuseppe de Santis, met hun respectievelijke (antifascistische) politieke boodschap en documentaire verteltrant.

Vittorio De Sica in 1959

Vittorio De Sica in 1959

Toch zijn de drie genoemde films van De Sica maatgevend voor het neorealisme. Niet in de laatste plaats omdat Cesare Zavattini (1902-1989) – de man die zo’n beetje functioneerde als de intellectuele eenmansmotor van de neorealistische beweging – er het scenario voor schreef.

Zavattini wilde de tot en met de Tweede Wereldoorlog geldende wetmatigheden van de cinema op hun kop zetten. Films mochten volgens hem niet het product zijn van de kunstmatige verbeelding van de filmmaker. Het ‘verhaal’ van de film (een term die hij liever niet gebruikte) moest volledig aan de werkelijkheid zijn ontleend. Sterker nog: film maken diende een manier te zijn om die onvoldoende begrepen werkelijkheid beter te leren kennen.

Aan typische Hollywoodfilms waarin mensen met bijzondere eigenschappen (helden) bijzondere gebeurtenissen beleefden, had Zavattini een hekel. Juist alledaagse gebeurtenissen in het leven van gewone mensen, waarin de bioscoopbezoeker zichzelf kon herkennen, moesten aan de basis staan.

Alles moest anders. Maar veranderde de Italiaanse cinema in die jaren tussen 1945 en pakweg 1952 werkelijk zo radicaal? Zonder de pretentie te hebben deze vraag volledig te kunnen beantwoorden, wil ik aan de hand van de carrière van Vittorio De Sica, als acteur én regisseur, op zoek gaan naar continue elementen in de Italiaanse filmgeschiedenis van vóór, tijdens en (kort) na de Tweede Wereldoorlog.

Al in de vroege jaren dertig ontpopte de jonge en goed ogende De Sica zich als filmacteur. Met name in vaak als telefoni bianchi aangeduide romantische komedies van regisseur Mario Camerini (1895-1981). Films die gelden als zoetsappige ‘amusementsfilms’, bedoeld om het bioscooppubliek in het Italië van Benito Mussolini met een veilig en tevreden gevoel naar huis te laten terugkeren. Ze waren het volslagen tegendeel van de verontrustende en revolutionaire neorealistische films uit latere jaren.

Toch zie je, zelfs als je die films uit de jaren dertig meeneemt, opvallende overeenkomsten tussen De Sica’s vroege en latere werk (en dat van Zavattini en de grotendeels vergeten Camerini). Bijvoorbeeld de scherpe tegenstellingen tussen arm en rijk, de levendige weergave van het leven op straat en het veelvuldig gebruik van openbaar vervoer en vervoermiddelen. Ook De Sica’s specifieke aandacht voor het lot van kinderen en jongvolwassenen onder behoeftige omstandigheden lijkt zich al te manifesteren in door hem geregisseerde films van vóór 1945.

Ik wil dit illustreren aan de hand van een bespreking van zes films, in deel 2 tot en met 4 van deze verhandeling, beginnend met Gli uomini che mascalzone! van Mario Camerini uit 1932 en eindigend met De Sica’s Miracolo a Milano uit 1951. Maar eerst een bespreking van het zwijgende Rotaie (1929) van Camerini, een film nog zonder De Sica, die voor zijn tijd opmerkelijke ‘neorealistische’ trekken vertoont.

Rotaie – Treinwielen als rad van fortuin 
Rails luidt de Engelse titel van Rotaie, de zwijgende speelfilm van Mario Camerini uit 1929. De sterke verwantschap van de oorspronkelijke titel met het Italiaanse werkwoord ‘rotare’, dat ronddraaien of rondcirkelen betekent, komt daar niet mee tot uitdrukking. Rails symboliseren de afgelegde weg op een treinreis. Maar minstens zo belangrijk zijn ronddraaiende treinwielen in dit wrangzoete drama. Ze vertonen gelijkenis met het wiel van een roulettetafel. Wie een treinreis maakt, geeft een slinger aan het rad van fortuin.

Ook licht en duisternis hebben in Rotaie een sterk symbolische betekenis. Veelzeggende duisternis kenmerkt het begin van de film. We volgen in de allereerste scène een somber ogend koppel dat onzeker door een nachtelijke stad loopt. Tot ze een aan de spoorweg gelegen, goedkoop hotel betreden en zich daar inschrijven voor één nacht.

In een ambiance van donkere hotelgangen, doorregende nachtelijke straten en weliswaar druk bezochte, maar schaars verlichte perrons manifesteert zich de eerst wending in het schijnbaar uitzichtloze lot van Giorgio (Maurizo D’Ancora) en zijn vrouw/vriendin (Käthe von Nagy). Door toedoen van een langs het hotelraam denderende nachttrein valt een glas om waar Giorgio zelfmoordmedicatie in heeft opgelost. Het tweetal vat dit op als een gunstig teken, begeeft zich naar het nabijgelegen station en reserveert met behulp van het geld uit een gestolen portefeuille een slaapcoupé in een trein met vooralsnog onbekende bestemming.

Pas na meer dan twintig minuten in deze ruim een uur durende film, als de snel rijdende trein een weelderige kustlijn volgt, zien we de eerste beelden bij daglicht. Het koppel arriveert in een mondaine kustplaats, waar met speedbootraces en casino’s vermaak voor welgestelden wordt geboden. Een zekere Jacques Mercier (Daniele Crespi), een gesoigneerde man van middelbare leeftijd met een dun snorretje die al in de trein zijn oog op de jonge vrouw had laten vallen, is te gast in hetzelfde hotel waar ook het tweetal een kamer reserveert en belaagt haar opnieuw met zijn attenties.

Nadat Giorgio in het casino aanvankelijk veel geld wint, maakt de duisternis zich in figuurlijke zin weer meester van de film. Zijn kansen aan de roulettetafel keren, terwijl de met een pijpje een sigaret rokende Mercier toekijkt. Gebruikmakend van superimposities (twee beelden over elkaar heen) worden ons door elkaar heen de angstige, starre blik van de zwetende hoofdpersoon, het geschuif met de fiches en het draaiende roulettewiel getoond. Uiteindelijk ziet de berooide Giorgio geen andere oplossing dan geld, dat de man met het snorretje hem te leen aanbiedt, aan te nemen. Mercier maakt ondertussen een afspraak met Giorgio’s vrouw. Om hun geldzorgen het hoofd te bieden, zal zij met instemming van haar man ingaan op zijn avances.

Scène uit Rotaie (1929) van Mario Camerini

Scène uit Rotaie (1929) van Mario Camerini

Maar een volgend keerpunt dient zich aan. Terwijl de vrouw zich op de kamer van haar aanbidder bevindt, waar zij zijn zoenen gedoogt, ijsbeert Giorgio vertwijfeld door zijn hotelkamer. Hij houdt het tenslotte niet uit en we zien hem de kamer van zijn mededinger binnenstormen, waar zijn vrouw in zijn armen rent. Het van Mercier geleende geld smijt Giorgio op de grond.

Noodgedwongen verlaat het stel opnieuw bij nacht en ontij een dit keer zeer luxueus hotel. Innig gearmd lopen ze naar een bankje in het park, waarop ze proberen te slapen terwijl ze elkaar warm houden. De volgende ochtend zien ze opnieuw een stoomtrein passeren. Wederom een teken.

Bij daglicht zitten ze met hun smoking en baljurk nog aan een beetje onwennig tussen de overige treinpassagiers, die zo te zien tot de arbeidersklasse behoren. Een vrouw geeft ongegeneerd haar baby de borst, mannen delen sigaretten uit en kinderen snoep. Al gauw laat het tweetal zich opnemen in de ongedwongen sfeer.

De slotscène opent met een beeld van de rokende schoorstenen van een fabrieksstad. Met grote stuurwielen (een derde verschijningsvorm van ‘het rad van fortuin’) worden de machines aangestuurd waar Giorgio nu aan werkt. Hij wordt afgelost en loopt met collega-arbeiders de fabriekshal uit. Aan de poort wacht zijn vrouw met de lunch.

De morele les van deze film lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: ‘Eerlijk duurt het langst’. Toch kun je niet spreken van een typisch maatschappijbevestigende film uit de hoogtijdagen van het fascistische Italië. Sovjet-Russische films uit die tijd predikten op een vergelijkbare manier het arbeidsethos en de eerbaarheid van de gewone man. Bovendien is er de opvallende ‘rad van fortuin-symboliek’. Rijkdom en armoede zijn een kwestie van geluk en pech, laat Rotaie zien. En voorts dat de armen hun saamhorigheid als remedie kunnen inzetten tegen hun onfortuin, met de liefde tussen man en vrouw als de meest uitgelezen vorm van die saamhorigheid. De trein als bewegende openbare ruimte die vergezichten opent, functioneert daarbij als de plaats waar de eenling ongeacht zijn voorbestemde lot mens kan zijn tussen zijn medemensen.

In het tweede deel twee romantische komedies van Mario Camerini met Vittorio De Sica in de hoofdrol.

 

18 april 2025

 

Deel 2: Twee komedies van Mario Camerini over arm en rijk
Deel 3: Twee drama’s van De Sica met kinderen als slachtoffers 
Deel 4: Fiets en bezemstelen

Fiore Mio

***
recensie Fiore Mio
Cognetti voor ingewijden

door Paul Rübsaam

In Fiore Mio gaat de beroemde Italiaanse schrijver Paolo Cognetti op zoek naar de bronnen van het water op de flanken van het bergmassief Monte Rosa. Onderweg praat hij met in het hooggebergte verblijvende personen over hun levensgevoel.

De naam Paolo Cognetti is inmiddels zowat een merk. Een documentaire van zijn hand klinkt nauwelijks als iets nieuws. Toch is het dat wel. In Sogni di Grande North (Big North, 2021) trad Cognetti in de voetsporen van literaire voorgangers als Jack London en Chris McCandless. Dario Acocella was echter de regisseur van die documentaire. Ook De Acht Bergen (Le Otto Montagne, 2022), naar het gelijknamige boek van Cognetti, verbond de naam van de schrijver aan de cinema. Maar die speelfilm werd geregisseerd door het Vlaamse regisseursduo Felix van Groeningen en Charlotte Vandermeersch.

Fiore Mio

Berggevoel
Evenals voor De Acht Bergen verzorgt Ruben Impens het camerawerk voor Fiore Mio (Flower of Mine). Opnieuw weet de Belg het ‘berggevoel’ dat Cognetti’s boeken kenmerkt met adembenemende panorama’s en sprekende details over het voetlicht te brengen. In de proloog van de film zien we bijvoorbeeld met coniferen begroeide, lieflijke groene hellingen, horen we het geluid van tsjilpende vogels en nemen we een groepje herten waar, alvorens we op een beeld getrakteerd worden van verder gelegen, hoog opdoemende besneeuwde bergtoppen.

We zijn in Valle d’Aosta, in de Italiaanse Alpen nabij de grens met Zwitserland. Dit dal vormde tevens het decor van Cognetti’s romans ‘Le Otto Montagne’ (2016) en ‘La felicità del lupo’ (‘Het geluk van de wolf’, 2021). Naar boeddhistisch gebruik is Paolo bezig een veelkleurige reeks vlaggetjes aan het dak van zijn zomerverblijf aldaar te bevestigen. Even later schept hij met de hand wat water op dat loopt langs een door hemzelf gefabriceerd watermolentje. Handelingen die de kenners van het werk van Cognetti niet onbekend voor zullen komen.

Vervolgens maakt de schrijver ons deelgenoot van een wandeling samen met zijn hond Laki. Ze volgen een besneeuwd pad en steken een sneeuwvlakte over. Het ijs begint te smelten, neemt Cognetti waar. Van grote afstand zien we een steenbok op een uitstekende rotspunt staan. Man en hond waden door de sneeuw en klauteren door lager gelegen rotsen. Het bovenlijfje van een in de rondte spiedende bergmarmot steekt boven een grasheuvel uit.

Kopje gletsjerwater
De idylle kent echter haar grenzen. We schrijven de vroege lente van 2022, toen Valle d’Aosta geteisterd werd door een periode van zeldzame droogte. Voor Paolo een reden om zich thuis over een kaart te buigen en met zijn goede vriend Remigio Vicqueri van gedachten te wisselen over de oorzaak van die droogte. Het vormt het startschot voor zijn zoektocht naar de hoog gelegen bronnen van het water waar de bewoners van het dal in alle opzichten afhankelijk van zijn. Een onderweg te vullen veldfles gaat mee. Ook Laki is uiteraard van de partij.

Ietwat abrupt worden vervolgens de eerste personages die Cognetti onderweg zal ontmoeten aan ons voorgesteld. Yogalerares Marta Squinobal runt een veganistisch restaurant in Orestes Hütte (2625 m), haar vader Arturo is berggids en timmerman. Arturo en diens overleden broer Oreste hebben de eerste winterbeklimming van de Zuidwand van de Matterhorn in 1971 op hun naam staan. Naar Marta’s oom is de door diens broer gebouwde hut vernoemd.

Paolo en Marta praten over de invloed van de klimaatverandering. Volgens Marta zal de natuur zelf zich wel herstellen. Maar de mens, wiens schadelijke gedrag ten koste van hemzelf dreigt te gaan, zou meer aan introspectie moeten doen, vindt de yogalerares. Met haar vader, wiens knoestige handen langs veel rots én hout zijn gegaan, spreekt Cognetti over het bouwplan van de uit larikshout opgetrokken hut en op een weidse gletsjer over de verantwoordelijkheden van een berggids. Zijn veldfles vult de schrijver daar met het water uit een klein stromend gletsjerriviertje. Thuis zal hij als eerbetoon aan het heilbrengende vocht een voor het raam van zijn woning geplaatste beker er tot de rand toe mee vol schenken.

Fiore Mio

Toekomstverwachtingen
Als Paolo en Laki opnieuw op pad gaan, voert na een flinke stijging een gezekerde passage naar de hoog gelegen Capana Quintino Sella (3585 m). Wie daar langere tijd wil verblijven, moet normaal gesproken wennen aan de ijle lucht. Maar dat geldt niet voor de Nepalese kok Sete Tamang, die nog als voorganger optreedt bij een nabij de hut te verrichten boeddhistisch offerritueel. Hij is wel grotere hoogtes gewend.

Een volgende pleisterplaats is de Rifugio Mezzolama (3036 m), in 1937 bezocht door de door zelfmoord om het leven gekomen Italiaanse dichteres Antonia Pozzi, aan wie Cognetti de biografie ‘Antonia’ (2023) wijdde. De hut met zijn in donker hout geplaatste rode luiken is schilderachtig gelegen onder de daar hoog bovenuit torenende bergen Castor (4226 m) en Pollux (4092 m). Nog voor Paolo en zijn hond in de Rifugio arriveren, zien we de jonge huttenwaardin Mia Tessarollo de was doen met behulp van bronwater en een handwasmachine. Met Mia, die naar eigen zeggen eerder rust dan avontuur in de bergen zoekt, maakt Paolo de volgende dag een tocht naar een recent uit gletsjerwater ontstaan diepblauw meer.

Het water zal nog zijn loop hebben en alle personages, die zichtbaar goede bekenden van Cognetti zijn, zullen we hun persoonlijke toekomstverwachtingen horen uitspreken. Van een al te nadrukkelijke plot is echter geen sprake in Fiore Mio, dat zich al met al laat typeren als een documentaire voor vrienden en trouwe lezers van de schrijver. Een film als De Acht Bergen is voor minder ingewijden misschien aanbevelenswaardiger.

 

5 maart 2025

 

ALLE RECENSIES