This is Film! Een stad als een masker

This is Film! Heritage in Practice in EYE Filmmuseum
Een stad als een masker

door Tim Bouwhuis

Sinds een aantal jaren presenteert EYE Filmmuseum in de lente een reeks lezingen en filmvertoningen rond het koepelthema restauratie, archivering en filmerfgoed. This is Film! Heritage in Practice is niet alleen een verdiepend programma voor een geïnteresseerd publiek, het versterkt ook de relatie tussen het museum en de filmeducatie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Copyright’ was dit jaar een logisch eerste deelonderwerp, en een perfecte gelegenheid om Thom Andersens epische collagefilm Los Angeles Plays Itself (2003) te vertonen.

This is Film! is een kijkje in de keuken, een handreiking om mee te denken over processen die veel filmliefhebbers doorgaans zullen ontgaan. Eén van die processen is de ontwikkeling van copyright-wetgeving en de toepassing daarvan. Copyright is de perfecte olifant in de kamer, stelt academicus en filmconservator Claudy Op den Kamp (Bournemouth University) aan het begin van haar lezing op 11 maart. Als ze haar publiek vraagt wie er allemaal copyright bezitten, steekt misschien net de helft van de bezoekers een hand op. De misvatting laat zich raden: iederéén bezit copyright, al is het al over ons eigen, volstrekt ‘unieke’ boodschappenlijstje. De vraag is in de meeste gevallen dan ook niet of er sprake is van copyright, maar of het beoogde effect van een schending zo ingrijpend is dat de auteur zijn copyright besluit te claimen. Met dat enkele gedicht dat ondergetekende als middelbare scholier schreef, gaat niemand de Nobelprijs winnen.

Los Angeles Plays Itself

Los Angeles Plays Itself

Fair Use en het publieke domein
Natuurlijk ligt dat bij film anders. We beschouwen het (terecht) als vanzelfsprekend dat een erkend kunstwerk niet zomaar hergebruikt mag worden zonder toestemming van de maker of de instantie die hem of haar vertegenwoordigt. Op het moment van schrijven ligt de algemeen gehandhaafde duurgrens van copyright nog altijd op zeventig jaar (de invloed van de sterfdatum van de maker even niet inbegrepen). Na de vervaldatum van de copyright betreden films het publieke domein. Als gevolg daarvan kun je nu min of meer doen wat je wilt met titels als Safety Last! (Harold Lloyd, 1923) en Das Kabinett des Doktor Caligari (Robert Wiene, 1919).

Het wordt lastiger wanneer je als filmmaker clips uit een grotere hoeveelheid films wilt gebruiken. Hoe zorg je ervoor dat je voor al die titels toestemming krijgt, en wat doe je als makers of eigenaars gewoonweg niet thuis geven? In de Verenigde Staten bestaat voor die en andere schappelijk geachte omstandigheden het zogeheten ‘Fair Use’-beleid. Fair Use is geleidelijk voortgevloeid uit een Britse parlementaire regeling (1740), die nog voor de stichting van de eerste dertien Staten toestond dat auteursrechtelijk beschermd materiaal onder specifieke voorwaarden in secundaire bronnen verwerkt werd. Vandaag de dag komt het Amerikaanse Fair Use-beleid er in het algemeen op neer dat je materiaal over kunt nemen als je daar toestemming voor hebt óf als je antwoord kunt geven op een stel voor de gelegenheid geformaliseerde vragen. Die vragen maken dan het verschil tussen eerlijk gebruik en misbruik.

Rodeo of dressuurstage?
De meeste internetgebruikers zullen zich maar beperkt van copyright-wetgeving bewust zijn, laat staan dat ze uit de losse pols Fair Use-voorwaarden kunnen opdreunen. Gretig trekken ze filmclips van YouTube om hun eigen compilaties en video-essays vorm te geven. Het is goed om te weten dat de vrijheid die zij bij het verrichten van zulke handelingen kunnen ervaren een direct gevolg is van de globalisering (of beter, Amerikanisering) van internetdiensten, die Fair Use ook in Nederland een onvermijdelijk begrip maken – ook al is het een regeling die hier landelijk helemaal niet geldt. Dat we Fair Use met (relatief) gebruiksgemak kunnen associëren, betekent overigens niét automatisch dat copyright in de Verenigde Staten een rodeo is, en hier een dressuurstage. Zo kun je je afvragen of een vrijer beleid de kans op verwarring (en daarmee op grote claims) niet juist groter maakt, omdat mensen er in allerlei specifieke gevallen ten onrechte vanuit gaan dat ze materiaal mogen overnemen.

Das Kabinett des Doktor Caligari

Das Kabinett des Doktor Caligari

Vanuit historisch perspectief geldt daarnaast dat het gerust ook anders had kunnen lopen met Fair Use. Op den Kamp stelt in haar lezing dat als er in de jaren zeventig geen bevestigend beleid zou zijn vastgesteld voor het tapen (opnemen – aan de hand van de Betamax-recorder, in 1975 door Sony op de markt gebracht) en later via een indirecte bron bekijken van materiaal, we diensten als Netflix een grove veertig jaar later mogelijk ook op onze buik hadden kunnen schrijven. Anders dan de wetten van Draco of de stenen tafelen zijn de meeste regelingen van deze tijd niet langer in denkbeeldig graniet gehouwen.

Een kritische bewoner
Zonder een Fair Use-stempel had de Amerikaanse academicus en filmmaker Thom Andersen (1943) zijn epische collagefilm Los Angeles Plays Itself nooit kunnen voltooien. De documentaire bestaat uit aaneen gemonteerde clips van meer dan 150 films die zich in dan wel nabij Los Angeles afspelen, of dat in ieder geval pretenderen. De clips zijn op zichzelf al een omvattende visuele geschiedenis van stedelijke representatie, maar Andersen gaat duidelijk nog een stap verder: zijn film is een kritiek op de manier(en) waarop Los Angeles in (met name) Hollywoodcinema is verbeeld. Andersen rechtvaardigt zijn stellige houding door zichzelf in de eerste tien minuten expliciet te identificeren als een geëngageerde bewoner van de stad die hij onder het voetlicht houdt.

Los Angeles is wellicht de enige plaats ter wereld die niet alleen films voortbrengt, maar zelf ook een film beoogt te zijn. Als Andersens weide observaties één algemeen punt onderstrepen, dan is het wel de algehele weigering van de filmindustrie om de stad als een eenheid weer te geven. Los Angeles is chaotisch. Gefragmenteerd. Incoherent. Onoverzichtelijk. De talloze rampenfilms die de afgelopen paar decennia zijn uitgebracht, doen daar nog een schepje bovenop. Hollywood lijkt er een mateloos genoegen in te scheppen zijn eigen creatie keer op keer te vernietigen.

Los Angeles Plays Itself

Los Angeles Plays Itself

De stad en het masker
De vraag is of de chaos van Los Angeles enkel de spiegel is die de films ons voorhouden, of dat er ook momenten zijn waarop de stad zijn eigen film uitstapt en zich overgeeft aan een stukje realiteitszin. In andere woorden: Los Angeles is een stad die een masker draagt, maar zouden we de waarheid eigenlijk wel te zien krijgen als dat masker af zou gaan? Of is de schijnvoorstelling zodanig de norm geworden dat ze zich niet langer van een beoogde ‘realiteit’ laat onderscheiden?

In het werk van de Franse filosoof Jean Baudrillard (1929-2007) werd deze verregaande versmelting aangeduid met de term ‘simulacrum’. In Los Angeles Plays Itself blijft de hyperrealiteit achterwege, misschien ook omdat er nog een flinke kloof zit tussen het releasejaar van de documentaire en de ver(der)reikende technologische achtbaan van het hier en nu. Toch is die hyperrealiteit het belangrijkste uiterste van Andersens mijmeringen: de potentiële grenzeloosheid van fictie en de daaraan gekoppelde macht van representatie.

Gelukkig vereisen de snedige voice-overs die de film rijk is nu juist ook bij uitstek geen theorie om analytisch waardevol te zijn. De filmmaker gebruikt zijn grote kennis van de stad en zijn (film)geschiedenis om dingen op te merken die zelfs het meest geoefende oog nog zouden kunnen ontgaan. Naarmate de film vordert, gaat de door Andersen ingezette ironie steeds sterker in zijn voordeel werken. Zo gebruikt de maker humor om het gebruik van humor in Hollywoodcinema te ontmantelen. Hij ontmantelt filmisch cynisme, maar is zelf ook cynisch. Noem Andersen gerust eclectisch: zijn observaties zijn niet alleen scherpe stellingen over Los Angeles en Hollywood, maar ook kanttekeningen bij de gemiddelde bioscoopbezoeker, die misschien claimt films te kijken, maar doorgaans vooral verhalen van het beeld leest.

Wie zich overmatig fixeert op personages en hun concrete handelingen, mist vaak de helft, laat deze documentaire zien. Het vereist een geheel andere focus om je blik niet te laten leiden door de camera en de beeldregie, maar zelf de hoeken van het frame op te zoeken. Precies daarom heeft Los Angeles Plays Itself de potentie om je zoveel nieuwe dingen te leren dat je de film zo nog twee of drie keer wilt zien.

Het copyright-festival
Tussen de oorspronkelijke uitbreng (in 2003) en de commerciële release (in 2013) van de film is de globale context voor de vertoning en verspreiding van het geïncorporeerde videomateriaal verder veranderd. Filmfestivals zijn belangrijke spelers in deze dynamiek, omdat zij in hun internationale allures vaak impliciet afrekenen met landelijke beperkingen. Kort na de online publicatie van het Documentary Filmmakers’ Statement of Best Practices in Fair Use (november 2005) ging op Sundance (voorjaar 2006) This Film is Not Yet Rated (Kirby Dick) in première. De documentaire (over de Amerikaanse keuringsdienst MPAA) zat vol gerecycleerde filmclips. In 2012 deed de Hongaarse filmmaker Györgi Pálfi met zijn Final Cut: Ladies and Gentlemen nog een extra duit in het zakje. De film bestaat volledig uit clips die door Pálfi van YouTube en van fysieke dragers waren geplukt. Hoewel de regisseur bij lange na geen toestemming had om het materiaal uit alle 450 (!) titels te gebruiken, besloot Cannes Final Cut te programmeren als slotfilm van de klassieke sectie. In 2013 bracht het Amerikaanse label The Cinema Guild op veler verzoek Los Angeles Plays Itself uit.

Los Angeles Plays Itself is verkrijgbaar via het label The Cinema Guild 

In verband met de getroffen maatregelen rond het Coronavirus gaat de tweede This is Film!-sessie, die gepland stond op 25 maart, in ieder geval niet door. Houd de website van EYE in de gaten voor informatievoorziening over de verdere verloop van het programma.

 

15 maart 2020


ALLE ESSAYS

Lillian

****
recensie Lillian

De Amerikaanse Droom voorbij

door Tim Bouwhuis

In de schaalverruimende odyssee Lillian zoekt een Russische immigrante de lange weg terug van New York naar Siberië. Haar blikveld vangt een door schande ontgonnen land, dat zijn onschuld al lang is verloren.

De echte Lillian Alling doorkruiste de Verenigde Staten en Canada halverwege de roaring twenties. De meest basale, praktische omstandigheden zullen ongeveer gespiegeld zijn geweest aan de reis die de Oostenrijkse filmmaker Andreas Horvath (Helmut Berger, Actor, 2015) zonder scenario met zijn Lillian (Patrycja Planik) aaneen improviseerde: de taal spreekt ze niet, bagage heeft ze nauwelijks en het verloop van haar trektocht is ieder moment onzeker. Het belangrijkste verschil? Horvath situeert zijn hypothetische versie van Lillians reis in het verscheurde Amerikaanse heden. En anders dan de bronnen weggeven, komen we er nu wel achter hoe die reis uiteindelijk is geëindigd.

Lillian

Autoweg van de tranen
“Jij bent hier – waar is je familie?”, leest een bord dat Lillian aan het begin van haar tocht opwacht. Het beeld snijdt toepasselijk naar het ‘welkom’-plakkaat van een lokale kerkgenootschap, maar Horvath gunt zijn kader geen kerkgangers. De omgeving is even eenzaam als Lillian zelf. In een open landschap betekent eenzaamheid voor een vrouw bijna altijd gevaar, en dus blijft een schrijnende ‘ontmoeting’ met een hitsig truckerstype niet uit. De scène in kwestie is begrijpelijk en op zichzelf verre van onrealistisch. Helaas blijft het gevoel van urgentie grotendeels uit door de schetsmatige wijze waarop Horvath dreiging representeert: een driftige, verlekkerde blik op het gezicht van de man, een close-up op een button van een doodshoofd nabij de versnellingspook, een bak vol met smerige snoepjes, een opjuttende geluidsband.

Veel interessanter is dan de tweede (uitgekiend geregisseerde) close-up van een doodshoofd die de film later bevat. Het attribuut dient ter introductie van een trooper, die via de radio doorkrijgt dat er een ‘loper’ is gezien op de lokale autoweg. De close-up verschijnt ambigu: door de eerdere, identieke verwijzing naar dreiging en doodsdrift roept Horvath het open vermoeden op dat het uitrukken van de trooper Lillian wel eens fataal zou kunnen worden. Replica’s van de weinig subtiele, hiervoor beschreven scène blijven gelukkig uit. De onderhuidse spanning die het Amerikaanse binnenland brengt voor eenlingen (én voor de kijkers die hun tocht gadeslaan), weet zich veel beter gestimuleerd door ongemakkelijke verwijzingen naar het reële lot van veel vrouwelijke avonturiers. “Meiden wandelen niet op de autoweg van de tranen”, zegt een afgebladderd billboard op Lillians route.

Lillian

Staat van de Staten
De talrijke allusies op (en directe verwijzingen naar) de staat van de Verenigde Staten roepen steeds sterker de gedachte op dat Lillian niet in de eerste plaats over Lillian gaat. De reis van Lillian geeft het publiek een blikveld, een kans om te zien wat de avonturier ziet. En dat stemt vooral somber, als een omgekeerd tegengif voor het romantische escapisme waarop The Peanut Butter Falcon (2019) vorig jaar nog trakteerde. Horvaths weergave van het Amerikaanse binnenland (een materieel vervallen schoolbus is de logische knipoog naar Sean Penns Into The Wild) maakt Lillian in allerijl tot een anti-roadtrip, een deconstructie van het begrip ‘droomreis’.

Die aanpak is (politiek) passend, aandachtig en op momenten pijnlijk scherp. Er zijn nauwelijks onderwerpen die gespaard blijven: oprukkend nationalisme, de koloniale verhoudingen tussen indianen en hun witte onderdrukkers, de menselijke dominantie van het dierenrijk, de positie van veteranen, de (reeds benoemde) verhoudingen tussen mannen en vrouwen, mensonterend kapitalisme, de politieke rol van religie. Fascinerend genoeg geeft Horvath in een recent interview juist aan dat hij er niet per se op uit is om commentaar te leveren op de hedendaagse Amerikaanse politieke situatie.

Vertrokken gelaat
Het is jammer dat de vele meta-lagen van de film over het geheel genomen wel enigszins ten koste gaan van de dame die Lillian haar bestaansrecht ontleent. Op het acteerwerk van Patrycja Planik (praktisch zonder acteerervaring vóór de casting) valt nauwelijks iets af te dingen, vooral als je in ogenschouw neemt dat Horvath beeldtaal en expressie boven goedkope dialogen verkiest. Dit laatste vraagt bij uitstek – en in dit geval met succes – om de beeldende overtuigingskracht van de hoofdrolspeelster.

Lillian

De bedenking is eerder dat het allusierijke karakter van de roadtrip de aandacht regelmatig afleidt van Lillians persoon en haar persoonlijke verwerking van zowel de tocht zelf als de periode die daaraan voorafging. Hoe kunnen we het blikveld van de camera niet alleen begrijpen als de kritische lens van de regisseur, maar ook als de leefwereld van een Russische immigrante? Zijn die twee automatisch één? En in welke mate heeft Lillians korte periode in de seksindustrie van New York (onnodig expliciet verbeeld in de eerste vijf minuten van de film) haar persoonlijkheid en haar kijk op de wereld gevormd of juist gebroken? Het zijn vragen die ogenschijnlijk wegvallen tegen het weidse decor dat Horvath met zijn schaalverruimende odyssee opzet. Een verademing is dan weer dat de regisseur inhoudelijk goed zijn tijd neemt om de vertelling op te bouwen, en Planik daarbij keer op keer toont in verhouding tot de landschappen waarin ze zich begeeft.

Als er één dame is die de pijnlijke trekken van een humaan en politiek failliet op haar gezicht kan meedragen, is het Lillian wel. Horvaths film laat ons kijken naar en kijken met, opdat ons mensbeeld en onze maatschappijkritiek elkaar ergens in het open midden kunnen treffen.

 

7 maart 2020

 

BINNENKORT OP INDEBIOSCOOP EEN INTERVIEW MET REGISSEUR ANDREAS HORVATH.

 

ALLE RECENSIES

Hellhole

****
recensie Hellhole

Collectief bewust zijn

door Tim Bouwhuis

Op 22 maart 2016 schokte een reeks aanslagen de Belgische hoofdstad Brussel. Met Hellhole kruipt de Vlaamse filmmaker Bas Devos in het collectief bewustzijn van een maatschappij die niet weet of ze nog eens door een catastrofe getroffen zal worden.

“Spreek je ook Frans?”, vraagt een Brusselaar aan een jongeman in een stadspark. Als een duidelijk antwoord uitblijft, concludeert de Brusselaar half grappend dat zijn toehoorder dan wel van de Taliban moet zijn. Volgende scène: in een klaslokaal op een Brusselse middelbare school komen Trump en terrorisme ter sprake. Brussel zou de Jihadistische hoofdstad van Europa zijn, laat een meisje terloops vallen. Hellhole is zo nog maar net begonnen als een tweetal schijnbaar nonchalante scènes de belangen al op scherp zetten.

Hellhole

Bang voor morgen
Gelukkig is Hellhole geen doorsneefilmvariant op de thema’s die hier aangesneden worden. Devos is niet zozeer geïnteresseerd in het verwarmen van een of meerdere hete hangijzers (terrorisme, conflicten tussen bevolkingsgroepen); zijn film gaat wel over politiek, maar heeft op zichzelf geen expliciet politiek karakter. De aanpak die de regisseur van Violet (2014) verkiest is ambitieuzer. Via associatief verbonden scènes poogt hij door te dringen tot de levens van verschillende mensen die dagelijks met (emotionele) hoogspanning geconfronteerd worden, zonder te veel nadruk op dat laatste te leggen. Echte hoofdpersonen ontbreken, een afgebakende vertelling is er niet. Met zijn sfeerstuk gaat Devos voor de kracht van kleine signalen. Twee militairen die meeliften in de metro. Een beeldverbinding die wegvalt. Zelfs het avondeten brandt aan.

Brussel, zo zien we, is een meltingpot waar angst veel macht heeft. Bang zijn voor de ‘ander’ betekent hier vrijwel automatisch dat je bang bent voor elkaar. Potentieel gevaar schuilt op iedere straathoek, en niemand is nog in staat zich voor de realiteit af te schermen. “Afstand bestaat niet meer”, zegt Samira (Lubna Azabal) tegen haar goede vriend Wannes (Willy Thomas). In dezelfde fase van de film speelt een groep kinderen een schietspel op de spelcomputer.

Angst veruiterlijken
Op momenten ontneemt Devos’ stilistische voorkeur voor observatie de film iets van zijn zeggingskracht. De voortglijdende middellange takes (beheerst camerawerk van de doorgewinterde Nicolas Karakatsanis) schuren niet, ze sussen, en dat schept soms afstand tussen de angsten waar de Brusselaren over spreken en de beeldtaal die gebruikt wordt om die uit te drukken.

Hellhole

Devos’ ingetogen composities, vastgelegd op Kodak (35 en 65 mm) tegen het verzadigde Brusselse nachtlicht, zullen volledig op hun plaats vallen in opvolger Ghost Tropic (Kodak 16 mm, te zien op het IFFR en vooralsnog vanaf medio maart in de bioscoop). In Hellhole sterken ze vooral de poëtische ondertoon van een reis langs rusteloze zielen, knap uitgedrukt via een onbestemd, dynamisch sound design. Het maakt de film alleen wel minder intens dan de titel wellicht doet vermoeden – tot je letterlijk in een hellegat kijkt.

De wereld openbreken
De absolute meerwaarde van Hellhole zit hem uiteindelijk vooral in zijn aanspraak op een groter verhaal, dat vooral via subtiele verwijzingen (bijvoorbeeld naar de transcontinentale vluchtelingenstroom) verteld wordt. Niet toevallig werkt één van de mensen in de film, Alba (Alba Rohrwacher, de zus van de Italiaanse regisseuse Alice Rohrwacher), als tolk voor het Europees Parlement. Hellhole mag zich op die manier misschien in Brussel afspelen en ook wel degelijk over Brussel gaan, de onderbuik van de film gaat heel Europa aan.

Devos’ derde langspeler (die hier dus eerder wordt uitgebracht) heeft zo vast het nodige gemeen met Ghost Tropic. Ook in die film worden minimale middelen aangewend voor grote gebaren. In een double bill hebben de twee titels veel te zeggen over het Europa van nu, zonder hun kijkers daarbij op de knieën te dwingen en een betekenis op te leggen. Het is een bijzondere, kwalitatief bemoedigende tandem van een regisseur die hopelijk nog veel te verbeelden heeft.

 

18 januari 2020

 

ALLE RECENSIES

Top 10 van het Millennium – Deel 2: Tim Bouwhuis

Deel 2: Tim Bouwhuis
Top 10 van het Millennium

The Tree of Life (2011)

The Tree of Life (2011)

Voor mijn millenniumlijst was ik op zoek naar films met definitie en visie – titels die me bij zijn gebleven en me vrijwel zeker zullen bijblijven, omdat ze hun eigen verhaal vertellen en daarmee direct ook weigeren te veel van andere stemmen afhankelijk te zijn. Omdat hier over een paar maanden misschien alweer andere titels zouden staan, noem ik graag enkele runner-ups: Zodiac (2007), Loveless (2017), Like Father, Like Son (2013), Risttuules (2014) en Werckmeister Harmóniák (2000).

Tim Bouwhuis   door Tim Bouwhuis

10. Sunset (2018)
László Nemes is dé zeldzame regisseur van deze tijd die je de geschiedenis kan laten begrijpen door je er voor even deel van te maken. De door schoolboeken gedicteerde aanleidingen van de Eerste Wereldoorlog zijn nergens zonder het onheil dat tastbaar in de lucht hangt, en zonder de ogen van een dame die de wereld voor haar ogen ziet instorten.

9. The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford (2007)
De enige western van na de eeuwwisseling die zich wat mij betreft serieus kan meten met de canon-werken uit de hoogtijperiode van het genre. Met ongeëvenaard camerawerk van Roger Deakins, Brad Pitts beste rol en een schrijnend kalme verkenning van vriendschap en verraad.

8. Grizzly Man (2005)
Het is al even terug dat ik Grizzly Man zag, en toch gebeurt het soms nog steeds dat ik de laatste videopname van Timothy Treadwell voor me zie en huiver. Alleen als je niet acteert zou je aarzelen om uit je eigen frame te stappen. Onmisbare film over de relatie tussen mens en natuur.

7. Once Upon a Time in Anatolia (2011)
Nuri Bilge Ceylan won Cannes met het genadeloze Winter Sleep, maar deze voorganger is wat mij betreft nog unieker door de manier waarop hij alle betekenis terloops verbeeldt en conclusies aan zijn publiek laat. Eén van de beste filmmakers van deze tijd doorgrondt keer op keer zijn eigen land.

6. The Act of Killing (2012)
De geschiedenis wordt geschreven door de winnaars, en het zijn die winnaars die goed en kwaad scheppen. Joshua Oppenheimer begreep dat een politieke documentaire over collectieve schuld deze wet nooit zou kunnen hervormen. Eenmaal begraven bouwen herinneringen een muur voor de geest, die alleen door de daad van het doden weer opgebroken kan worden.

5. Inland Empire (2006)
Een film als een koortsdroom, die droomfabriek Los Angeles in een double bill met Mulholland Drive (2001) genadeloos aan stukken trekt. ‘La La Land’ is een nachtmerrie die door David Lynch aan het daglicht wordt blootgesteld – als je dat niet volledig begrijpt, voel je het bij het zien van deze angstgegner hopelijk in je poriën.

Burning (2018)

Burning (2018)

4. Burning (2018)
Met literaire precisie trekt de eerste cineast van Zuid-Korea (dat is inclusief Joon-Ho Bong) zijn land uit elkaar in een film die zo subtiel is dat je er alleen daarom al kippenvel van krijgt. Ik ken weinig titels waarin een regisseur de waarheid al zo terloops verpakt in de allereerste scène, om de suggestie vervolgens onhoudbaar ver op te rekken.

3. Memento (2000)
De tragiek van verlangen is dat ze de mens meestal de baas is – vervolgens sneuvelt de waarheid. Nolan spiegelt dat pijnlijke proces in de filmvorm van zijn doorbraakfilm, een wraaktocht op meesterrecept. In mijn keuze speelt onvermijdelijk mee dat ik mijn masterscriptie over deze film schreef en nog steeds woorden tekort kwam.

2. Lazzaro Felice (2018)
In een wereld die zo schuldig is dat ze onschuld niet meer herkent, verzacht Alice Rohrwacher de onmiskenbare politieke dimensie van haar derde film met mythologie en beeldpoëzie. Eerder bevestigden Corpo Celeste (2011) en Le Meraviglie (2014) haar grote talent.

1. The Tree of Life (2011)
Waar het kleine en het grote samenkomen, is heel de wereld één, zei geen filosoof in het bijzonder. The Tree of Life is een verkenning van het complete universum zoals alleen een poëet als Terrence Malick hem bleek te kunnen maken. Film als een gevoelsmysterie voor de eeuwigheid.

 

6 december 2019

 

Deel 1: Cor Oliemeulen
Deel 3: Michel Rensen
Deel 4: Bob van der Sterre
Deel 5: Ries Jacobs
Deel 6: Sjoerd van Wijk
Deel 7: Yordan Coban
Deel 8: Ralph Evers
Deel 9: Alfred Bos

Report, The

*
recensie The Report

De held die de deur sluit

door Tim Bouwhuis

In The Report resulteren de inspanningen van onderzoeksjournalist Daniel J. Jones in een monumentaal verslag van de martelpraktijken die de CIA na 9/11 dichterbij vermeende Al Qaida-terroristen bracht. De wanstaltig eenzijdige film roept in een veel breder kader vragen op over propaganda en politieke invloed.

The Report is een perfect voorbeeld van een film die door zijn complexe politieke context tot veel meer discussie en reflectie oproept dan de uiterst simpele plot doet vermoeden. Regisseur Scott Z. Burns debuteerde in 2006 met het fascinerende door HBO voor televisie geproduceerde PU-239 (ook wel The Half Life of Timofey Berezin). Hierna werkte hij met name als scenarist, onder meer voor The Bourne Ultimatum (2007), meerdere films van Steven Soderbergh en volgend jaar ook voor de nieuwe titel in de James Bond-franchise, No Time To Die. Voor zijn tweede regieklus in twaalf jaar strikte hij als hoofdrolspeler Hollywoodacteur in de lift Adam Driver (Star Wars: The Last Jedi, BlacKkKlansman).

The Report

Film en overheid
Het is nagenoeg onmogelijk in het wegen en beoordelen van The Report te ontsnappen aan politieke en morele vragen over het Amerikaanse beleid in contra-terrorisme en de publieke communicatie daarvan. Hierbij gaat het niet alleen om je blik op het politieke handelen van de Verenigde Staten in de nasleep van 9/11, maar ook om de manier waarop films die blik kunnen beïnvloeden. De oeuvres van regisseurs als Michael Bay en Peter Berg laten zich niet loskoppelen van de vraag wanneer film niet langer propaganda lijkt maar propaganda is, om op dat punt nog maar te zwijgen over de daadwerkelijke invloed van instanties als de CIA en het Pentagon in dit soort projecten. In dat laatste verband is het al geen publiek geheim dat Michael Bay in zijn films maar wat graag de nieuwste snufjes van het vaderlandse militaire bastion uitprobeert. Sinds er voor het eerst een Amerikaanse oorlogsfilm logistiek ondersteund werd door, in dit geval, de Amerikaanse luchtmacht (Wings, 1927), kent de Hollywoodgeschiedenis voorbeelden te over van dit soort zichtbare verbintenissen, waarvan wervingscampagne Top Gun (1986) in afwachting van de sequel (juni 2020) waarschijnlijk het meest tot de verbeelding spreekt.

De traditioneel clandestiene operaties van de CIA en aanverwante instanties laten zich zonder passend onderzoek moeilijker met concrete films in verband brengen. Het is één ding om te analyseren hoe de CIA in Hollywoodcinema gerepresenteerd wordt, maar wanneer gaat die representatie over in (bewijzen van) concrete betrokkenheid? Zeker sinds het advent van de Koude Oorlog en het bijbehorende hoogtij van films vol politieke paranoia vinden we genoeg prikkelende titels die de vraag naar de grenzen tussen fictie en werkelijkheid tot het uiterste oprekken, van The Manchurian Candidate (1962) tot The Parallax View (1974) en Three Days of the Condor (1975). Van die laatste twee films geeft Burns al gretig toe dat ze door hun visuele stijl inspiratiebronnen voor The Report waren (en van Sydney Pollacks Three Days of the Condor weten we ook dat toenmalige CIA-directeur Richard Helms destijds de set heeft bezocht en hoofdrolspeler Robert Redford van advies heeft voorzien). Dat The Report de vergelijking door de fletse, inspiratieloze cinematografie nauwelijks doorstaat, onderschrijft vast hoeveel sterker laatstgenoemde film uiteindelijk inzet op de communicatie van zijn (politieke) inhoud.

The Report

De olifant in de industrie
Of en in welke mate die politieke inhoud ingegeven en/of gecontroleerd is door hogere overheidsinstanties kan ondergetekende in het specifieke geval van The Report (een productie van Amazon Studios) niet bewijzen, hooguit vermoeden. Vast staat wel dat Hollywood en de CIA vanaf de vroege jaren negentig nauwer en intenser zijn gaan samenwerken. Tony Shaw en Tricia Jenkins (tevens de auteur van het boek The CIA in Hollywood, uit 2012), twee Amerikaanse academici, schreven in 2017 dat Chase Brandon (een neef van acteur Tommy Lee Jones) vanaf deze periode Hollywoodfilmmakers en producers onderwees over de rol van de CIA en hen actief stimuleerde CIA-successen in hun films op te nemen. Dit proces loopt tot de dag van vandaag en anderen hebben Brandons rol overgenomen; in veel gevallen worden scriptschrijvers, producenten en regisseurs concreet in contact gebracht met CIA-functionarissen, die vervolgens een grote invloed uitoefenen op het definitieve film- of serieproduct en daarbij een (overwegend) positief beeld van de instantie propageren. Alhoewel hier verbluffend weinig (en kritisch) over geschreven is, zijn deze samenwerkingen wel degelijk een stuk beter gedocumenteerd dan verstrengelingen van vóór de jaren negentig, die explicieter in een zweem van geheimhouding gehuld bleven en zich daardoor een stuk lastiger laten traceren. Bekende voorbeelden van relatief recente samenwerkingen zijn Showtime-serie Homeland (2011-), Ben Afflecks Oscarwinnaar Argo (2012) en Kathryn Bigelows veelbesproken politieke thriller Zero Dark Thirty (2012).

Fascinerend genoeg speelt er in de verhaalwereld van The Report op een gegeven moment een kort trailerfragment uit de film van Bigelow. Beide titels tonen de gewelddadige martelpraktijken van de CIA in de jacht op kopstukken van Al Qaida, en laten het niet na te tonen welke fouten in dat proces begaan zijn. Zero Dark Thirty verdeelde critici tot op het bot. Hier zijn vooral de negatieve kanttekeningen interessant: werden de martelpraktijken van de CIA hier impliciet gerechtvaardigd of zelfs verheerlijkt, omdat ze uiteindelijk leidden tot de eliminatie van Osama Bin Laden? En kan een film als deze eigenlijk wel een ‘onthullend’ boekje opendoen over de martelpraktijken van de CIA als deze in die periode gewoon al publiek belicht waren? Het uiten van zelfkritiek is zo in verhouding al een stuk ‘veiliger’. De eerder aangehaalde Shaw en Jenkins bevestigen dit als ze schrijven dat de CIA op een pragmatische manier met Zero Dark Thirty omgingen, en er vooral op inzetten een ‘zo positief mogelijk beeld’ van de CIA te schetsen. Dat een film op een aantal vlakken ambigu en kritisch is, wil dus nog lang niet zeggen dat de overkoepelende intentie van de makers niet propagandistisch kan zijn. Sterker nog: propaganda werkt het best als ze niet direct als zodanig door haar publiek herkend wordt.

Waar komt de nood van de industrie vandaan om films te maken met een politiek onthullend en kritisch karakter, als we weten dat diezelfde industrie onmogelijk politieke onafhankelijkheid kan claimen? Kunnen deze films de beloftes van heroïsche klokkenluiders (Snowden, 2016) eigenlijk wel nakomen, of zitten ze in feite vast in een verreikend web van invloed dat de grenzen van kritische representatie bepaalt en échte artistieke en politieke vrijheid zo onmogelijk maakt?

The Report

Het probleem van de held
The Report
presenteert in de persoon van Daniel Jones een held die de feitelijke waarheid, inclusief morele rechtvaardiging, koste wat het kost op tafel wil brengen en daar – spoilers onvermijdelijk inbegrepen – glorieus in slaagt. Hierdoor is er nauwelijks ruimte voor nuance en sleept de film zich nogal plichtmatig voort – het “hoe” is al vanaf het begin ondergeschikt aan het “wat”. Burns doet zo sterk zijn best om de CIA tegen de inspanningen van Jones af te zetten dat iedere vorm van ambiguïteit ontbreekt. Dit roept ook de vraag op waarom deze film gemaakt moest worden en, dat vooral, waarom nu.

“Democratie is rommelig”, zegt de stafchef van Barack Obama (een rol van Jon Hamm) in de loop van de rechtszaak rond het martelrapport. Welke rommel moet er in The Report opgeruimd worden? In de meest extreme interpretatie van deze film wekt Burns de indruk dat hij de ernstige en systematische insteek van de martelpraktijken in de periode post-9/11 van tafel wil vegen; (wederom) niet omdat daar enig bewijs voor is, maar omdat de film het juist doet voorkomen alsof een deel van de kopstukken geen idee hadden waar ze nu echt mee bezig waren en de ernst van hun praktijken bagatelliseerden – alles voor de veiligheid van het vaderland.

Dat The Report een kritische toon handhaaft, mag duidelijk zijn, maar de filmische schets van de CIA in verhouding tot Jones, een sympathieke goedzak die zichzelf verliest in zijn werk, is schematisch, opzichtig en dramatisch ongeloofwaardig. Door in de slotakte in te zoomen op het zegevierende recht, mogelijk gemaakt door het morele plichtsbesef van een enkeling, stuurt Burns maar wat eenvoudig aan op een patriottistische conclusie. De wandaden van de CIA zijn in dat kader relatief gemakkelijk vergeten, ook omdat de falende instantie door de weergave van haar wanbeleid nauwelijks serieus genomen is: de film sluit nadrukkelijk een hoofdstuk af. Net als Zero Dark Thirty buigt hij negatieve representatie om naar een overwinning; in de film van Bigelow is dat een overwinning voor de CIA, in The Report ligt de nadruk op mentaliteit en op het schild geheven waarheidsdrang. Dat is niet alleen curieus in het licht van de manier waarop Hollywood in dit stuk eerder gelinkt werd aan propaganda en (concrete) politieke invloed. Het onderstreept ook dat een integere hoofdpersoon nog niet automatisch een integere film oplevert.

 

2 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Film Fest Gent 2019 – Deel 2

Film Fest Gent 2019 – Deel 2:
Ten onder aan de tijd

door Tim Bouwhuis

Jong filmtalent kruist het beste van eigen bodem in Focus op Spaanse Cinema, een belangrijke nevensectie van het 46ste Film Fest Gent. Tussen drie van de geselecteerde films ontspint zich een boeiende dialoog: waar en wanneer moeten tradities buigen onder het gewicht van de moderniteit?

In Júlia ist, het speelfilmdebuut van de Catalaanse Elena Martín, vertrekt het jongvolwassen titelpersonage op Erasmus-uitwisseling naar het grootstedelijke Berlijn. Een metropool die herbouwd is, kan moeilijk traditioneel zijn, onderstreept Julia’s docent in een eerste les architectuur. Berlijn is dé stad van het heden, het breekpunt van de moderniteit. Precies in die ontwortelde setting raakt Julia (een rol van Martín zelf) ook verder onthecht van de mensen die ze in Spanje achterliet. Met de Duitse studentes in haar appartement ontbreekt iedere klik, terwijl haar Spaanse vriend via Skype tevergeefs probeert te voorkomen dat hij aan het lijntje gehouden wordt. Die vroegere vlam is eigenlijk al lang gedoofd.

Júlia ist

Moderniteit in een spiegel
In haar trek naar een ander land volgt Julia niet alleen de westerse imperatief tot zelfontplooiing (wie kansrijk is, heeft wat te kiezen), maar ook haar stille verlangen naar geluk, spanning en verandering. Het is tekenend dat die motivaties alleen doorschijnen in Julia’s gedrag, en nauwelijks expliciet uitgesproken worden. Moderne, westerse perspectieven op de mens lenen zich niet al te best voor universele definities van doel en vervulling: het is het individu dat aangemoedigd wordt zichzelf in het centrum van de wereld te plaatsen en van daaruit zijn of haar identiteit te bepalen.

Mede daarom is coming of age juist in deze tijd zo’n belangrijk en bemind genre. Het is de spiegel waardoor veel millennials zichzelf kunnen zien, en andere doelgroepen zich kunnen laten meeslepen door de persoonlijke verhalen die de wereld en onszelf (her)scheppen. Precies daarom zijn Julia’s tegenstrijdige emoties in de film ook geen zwaktes van het scenario. We zien een personage dat twijfelt, doet wat op ieder moment goed voelt en moeite heeft onder woorden te brengen waarom ze bepaalde beslissingen neemt. Toch is Martín hierin geloofwaardig, omdat ze de zoektocht van haar generatie vangt in een keten van clichématige, maar o zo herkenbare taferelen.

Als Julia kort na haar uitwisseling weer door een penthouse draalt, terug in het Spaanse binnenland, overheerst een beschouwend gevoel van leegte. Dat komt niet zozeer omdat Julia zich als mens niet ontwikkeld heeft – de tijd in Berlijn heeft haar wel degelijk geholpen haar eigen kijk op geluk te verscherpen – maar heeft alles te maken met de door en door moderne wereld waarin ze leeft en leert. In Júlia ist is er niets dat verloren kon gaan of behouden moest worden: traditie doet niet ter zake en de toekomst is nog niet uitgevonden.

Zaniki

Traditie als plicht
Hoe anders is dat in Zaniki, een documentair aandoende fictiefilm van Gabriel Velázquez (Iceberg). De hoofdpersoon, Eusebio, is een muzikant uit Salamanca (tevens de geboorteplaats van de regisseur), die zijn leven heeft gewijd aan het bewaren en bekrachtigen van de lokale traditie. Die traditie omvangt een spirituele, holistische kijk op het leven en de opvolging van de generaties, waarin de natuur heelt en muziek verzoent. Voor Eusebio voorziet de natuur in alles; ze levert de basisstructuren van het bestaan, die hij in rol als grootvader wil doorgronden om ze te kunnen doorgeven aan de volgende generatie. Zelfs van de vleugel van een gier kun je een muziekinstrument maken, leert zijn kleinzoon tijdens een trektocht door de omgeving.

In één van de meest aandoenlijke scènes van de film bespeelt Eusebio met een aantal dorpsgenoten een set potten en pannen. Het klinkt misschien potsierlijk, maar de muziek heeft een dynamiek waar de muzieklerares op de plaatselijke basisschool jaloers op mag zijn. Het huiselijk aanleren van ritme is een stuk waardevoller dan een lessenreeks over etnomusicologie, laat Eusebio haar weten. Het is een kleine uitspraak in een film die meer koestert dan bekritiseert, maar toch komt hier een spanning boven die Zaniki eigenlijk niet terzijde kan schuiven. In een Q&A na afloop benadrukt Velázquez dat het belang van traditie de kern van zijn film is. Traditie is vertellen, of beter, doorgeven aan de volgende wat de vorige heeft gezegd. Zaniki profileert zich als een viering van dat doorgeven, maar de achterliggende gedachte is minder rooskleurig: wat als we deze traditie verliezen, en wat komt er voor in de plaats? Wat gebeurt er als de zoon het pad van zijn vader niet meer inslaat, zoals we dat in Zaniki wellicht voor het laatst zien?

Meseta

Tragiek door komedie
Een film die die vragen veel explicieter stelt (en ook beantwoordt) is Meseta, een knappe documentaire van de in Kopenhagen gestationeerde Juan Palacios. Met wat fantasie is de film een western: hij toont het verval van een regio waar de mensen zijn weggetrokken en traditionele vormen van leven niet langer rendabel blijken. Degenen die toch bleven zijn de atypische helden van de documentaire. Zo zijn er twee muzikanten die als bejaarde echo’s van Acda & de Munnik de nostalgie van zich af zingen. Er is een schaapherder die beklaagt hoe slecht het land vandaag de dag wordt onderhouden. En er rijdt een visverkoper door de verlaten dorpsstraat, zoekend naar (vrouwelijke) klanten die het grote verval heeft weggenomen.

Ironisch genoeg laat de tragiek van deze omgeving zich nog het best voelen in de droogkomische opmerkingen van een visser. ‘’Het vangen van een forel in deze rivier is vergelijkbaar met het zoeken van een vrouw: hoe vind je er één?’’ Naarmate de visser op hilarische wijze doorratelt over zijn kennismaking met social media en zijn vriendin uit Paraguay, wordt steeds duidelijker hoe machteloos deze man tegenover de moderne wereld staat. Eigenlijk moet hij gewoon kunnen blijven waar hij is. Vrij van technologie, beschenen door de zon die op een prachtige wijze het water beroert. Maar hoe houd je dat vol als de moderniteit van traditie al een herinnering heeft gemaakt?

 

17 oktober 2019

 

Deel 1 Film Fest Gent 2019

 


MEER FILMFESTIVAL

Film Fest Gent 2019 – Deel 1

Film Fest Gent 2019 – Deel 1:
De schoonheid van eenzaamheid

door Tim Bouwhuis

Films raken op festivals onder meer met elkaar verstrengeld op het moment dat ze voor de bezoeker gecategoriseerd worden. Award-competities en thematisch opgezette randprogramma’s bieden de aanblik van orde en eenheid; ook op Film Fest Gent zijn ze een logische poging cinema te vangen in kleurtjes en secties. Toch zijn er nog zoveel andere manieren waarop films met elkaar in verbinding kunnen staan.

Eén van de grootste charmes van festivals is dat iedere bezoeker in de gelegenheid is zijn of haar eigen programma bij elkaar te puzzelen. Op die manier wordt het mogelijk om op één dag titels te zien uit meerdere competities en secties, en van daaruit zelf dwarsverbanden te gaan leggen. Natuurlijk, iedereen ziet hopelijk wel een meesterwerk. Maar de dialoog met en tussen films is een schat die er voor iedere bezoeker anders uitziet. In zekere zin staan we er tijdens een festival dus toch ook altijd alleen voor. De waardering voor de beste films delen we met onze medebezoekers, maar het totaalplaatje blijft uiterst persoonlijk, verborgen voor de festivalmassa. Bestaat er een mooiere manier van eenzaam zijn?

Alleen op de wereld
Ook op het witte doek zijn er in Gent mensen die eenzaamheid ervaren. Door de wereld vergeten, genegeerd of naar de marge verdrongen zijn zij de spiegels voor ons vermogen empathie te voelen. Soms ligt de schoonheid van hun eenzaamheid grotendeels besloten in de zeggingskracht van het filmbeeld. Veel vaker vragen deze mensen ons daarentegen om hun plaats in de wereld echt te gaan begrijpen, zodat hun gevoelens van hoop en wanhoop niet langer alleen projecties zijn.

Öndög

In Öndög, een cinematografisch meesterwerk uit Mongolië, wordt een jongvolwassen politieagent veroordeeld tot een nogal ongewone patrouilledienst. De lokale vaandeldragers van de wet weten zich nauwelijks raad met het levenloze lichaam van een vrouw, dat wolven en gieren aantrekt op de uitgestrekte steppe. Dit is een omgeving waar nooit iets gebeurt; zelfs de aanwezigheid van de camera is een wonder. Voorlopig kan het lichaam dan ook nog niet geborgen worden. Op dat moment komt regisseur Quan’an Wang (Tuya’s Marriage) met een ironische kwinkslag: om te voorkomen dat het lichaam door wolven verscheurd wordt, mag de meest onervaren agent van dienst achterblijven op de steppe – om een stuk later in de film een sigaret te draaien terwijl er voor de autopsie alsnog in het lichaam gesneden wordt.

Dansen zonder getuigen
Toch is er alle reden om dankbaar te zijn voor dit bizarre bevel. Het levert namelijk prachtige cinema op. Onder het nachtlicht van de hemel doden dans en muziek de tijd: Presley’s Love me tender klinkt terwijl deze verlegen held uitdrukking geeft aan zijn eenzaamheid. Dat een herderin met een geweer hem even later zal komen vergezellen, doet niets af aan de zeggingskracht van die ene scène. Kunnen we misschien pas echt affectie tonen als we weten wat het betekent om eenzaam te zijn?

Entre dos Aguas

Op een meer tragische wijze kun je je datzelfde afvragen bij Entre dos Aguas (Between Two Waters), een ingetogen Spaans drama over de band tussen twee broers en de vraag naar verlossing en eerherstel. De film begint met een hereniging: Isra, de persoon in het hart van de vertelling, is drie jaar geleden veroordeeld voor drugshandel, terwijl zijn broer Cheíto tekende voor een langdurige militaire missie. Als de twee elkaar in het heden weer ontmoeten, wil Isra niets liever dan het contact met zijn kinderen weer herstellen. Voor zijn vrouw is er echter een deur gesloten die zij nooit meer open wil doen. Het is precies waar Isra’s invoelbare worsteling begint.

Bronnen van eenzaamheid
De eenzaamheid van deze gekwelde man is geen voorwaarde om zijn liefde voor zijn dochters te kunnen uiten. De muur die het verleden heeft opgebouwd tussen Isra en de lichten van zijn leven zorgt er alleen voor dat de spaarzame momenten van contact zoveel lading meekrijgen. Je kunt de pijn voelen die het besef van onthechting met zich meebrengt: juist die flitsen van samenzijn versterken de last van Isra’s eenzaamheid.

Ghost Tropic

Een heel ander perspectief op eenzaamheid krijgen we in Ghost Tropic, een compassievolle film van de Vlaamse cineast Bas Devos (Violet, Hellhole). In een verlaten buitenwijk van Brussel ontwaakt een 58-jarige vrouw bij de laatste halte van de metrolijn; een gemakkelijke weg naar huis is er niet meer. De wandeltocht van deze Khadija is de reis van de film. Ghost Tropic biedt een humane, ongedwongen maar tóch urgente reflectie op de spanning tussen naastenliefde en de maatschappij die wij gecreëerd hebben. Bureaucratie zorgt ervoor dat we de ander ontmenselijken, en vergeten wat het is om affectie te tonen. Toch is de film absoluut geen pamflet, maar een poëtische allegorie die ons toelaat dat enorme verlies van de moderniteit met hoop te bestrijden.

Khadija doolt zielsalleen door het gedimde Brusselse nachtlandschap, maar in de spaarzame contacten die ze legt zit alle rijkdom van de wereld verborgen. Het is de stad die eenzaam is.

 

14 oktober 2019

 

Deel 2 Film Fest Gent 2019

 


MEER FILMFESTIVAL

Film Fest Gent 2019 – Preview

Film Fest Gent 2019 – Preview
Grenzeloze cinema

door Tim Bouwhuis

Waar de ogen van filmfestivalminnaars in Nederland vaak gericht zijn op het einde van januari (IFFR), spant in België Film Fest Gent de kroon. Dit jaar ligt de rode loper uit tussen 8 en 18 oktober. Tijd voor een brede blik op de programmering, met onder meer aandacht voor nieuw talent uit Spanje en het genot van lastminuteverrassingen.

Het parcours dat films afleggen binnen het festivalcircuit is een fenomeen op zichzelf. De competitiefilms van Gent gaan meestal in première op één van de grotere Europese festivals (Berlijn, Cannes, Venetië), maar reizen ook in Noord-Amerika (Vancouver, Toronto) of Oceanië (Sydney). De ongeschreven, maar doorgaans overduidelijke hiërarchieën in het circuit dwingen (artistieke) festivaldirecteuren om scherpe keuzes te maken in het vormgeven van hun hoofdcompetitie. Waar Rotterdam met zijn Tigers inzet op internationale premières en wereldpremières met een eigen(zinnige) stempel, zijn er in Gent meer titels die elders al imponeerden. Denk bijvoorbeeld aan Monos van de Braziliaanse cineast Alejandro Landes. Deze intense verkenning van natuur en lichaam op de brug van adolescentie, geregistreerd door de Nederlandse cameraman Jasper Wolf, opende na de première in Berlijn onder andere het Imagine Film Festival in EYE.

Muidhond

Hart voor de filmmuziek
Dit jaar is er onder de dertien kanshebbers voor de Grand Prix één belangrijke Vlaamse première en één vreemde eend in de bijt. De Gentse regisseuse Patricia Toye presenteert Muidhond (in Nederland al aangekocht) en het Amerikaanse enfant terrible James Franco maakte al in 2015 Zeroville, een Hollywoodsatire die destijds in een la verdween toen de oorspronkelijke distributeur failliet ging. Onder de andere competitiefilms vinden we onder andere Atlantique van de Frans-Senegalese filmmaakster Mati Diop (de hoofdrolspeelster van Claire Denis’ 35 Rhums), Ghost Tropic van Bas Devos en La Llorona van Jayro Bustamante. Van die laatste cineast draaide Temblores onlangs nog in de Nederlandse zalen.

Dat de internationale jury naast de beste film enkel de beste score bekroont (met de Georges Delerue Award, vernoemd naar de componist van o.a. Godards Le Mépris), verraadt al enigszins hoe belangrijk filmmuziek voor het festival is. Ook dit jaar is Film Fest Gent de gastheer van de World Soundtrack Awards, een avondvullend gala-evenement dat sinds 2001 op het programma staat. Vorig jaar kleurde Carter Burwell (de vaste componist van de gebroeders Coen) het affiche, dit jaar is het de beurt aan Marco Beltrami (recente scores voor Free Solo, A Quiet Place).

Viridiana

Focus op Spanje
Film Fest Gent stelt jaarlijks een vast programma samen dat zich focust op een specifiek land. Dit keer is het de beurt aan Spanje, en een nadere kijk op de selectie stemt zeer positief. Aan klassiekers natuurlijk geen gebrek: geprogrammeerd zijn onder meer Viridiana (1961) van Luis Buñuel en een vroege film van Pedro Almodóvar (Matador, 1986). Alejandro Amenábar (Abre los Ojos, The Others) heeft zowel zijn eerste (Tesis) als zijn laatste film (While at War, over het Franco-regime) draaien. Veel interessanter in festivalverband is echter de selectie van nieuw werk.

Verfrissende ontdekkingen zijn daar te verwachten in het rijtje titels van jonge filmmakers, die in Gent hun eerste (Elena Martín met Julia Ist; Alberto Dexeux & Ànnia Gabarró met Les Perseides), tweede (Juan Palacios met Meseta) of derde (Oliver Laxe met Fire Will Come) langspeelfilm kunnen laten vertonen. Het Amerikaanse vakmagazine Variety muntte in 2017 de term ‘Catalaanse New Wave’ om – jawel – een nieuwe golf van filmtalent aan te duiden, en verwees daarmee onder andere expliciet naar Elena Martín. Als een term als deze u niets zegt zonder in het werk van de betreffende filmmakers te zijn gedoken, probeer dan in ieder geval Con el Viento te zien; dit prachtige drama over persoonlijke expressie, herinnering en rouwverwerking kreeg afgelopen zomer een release via Previously Unreleashed (EYE), en werd geregisseerd door één van de vrouwen in het rijtje van Variety (Meritxell Colell). Het is fascinerend te zien hoe direct deze nieuwe namen zich met elkaar laten verbinden: Elena Martín, die in Gent Julia Ist heeft draaien, acteert ook in Con el Viento.

A Hidden Life

De grootste verrassing voor ondergetekende was de lastminutetoevoeging van drie producties van verdeler Disney. Het was flink duimen, maar op het laatste moment is het zo mogelijk geworden om vóór het invallen van het nieuwe jaar te kijken naar de monumentale nieuwe film – A Hidden Life – van Terrence Malick, die deze lente opende in Cannes. Op het moment van schrijven staat de Nederlandse release gepland voor februari 2020. Zo lang hoeven fans van erkend cultheld Taika Waititi (What We Do in the Shadows, Hunt for the Wilderpeople) overigens niet te wachten op – controverse gegarandeerd – nazisatire Jojo Rabbit. Die film opent na de enkele vertoning in Gent het LIFF (Leiden).

Krenten in de pap
De programmering in Gent is zo breed als de hoeveelheid ademruimte die je jezelf wilt gunnen. Als bezoeker kun je je fixeren op de sectie Spaanse cinema en je daarbij bijvoorbeeld verliezen in het uitgesproken (El Mar), enigmatische (El Niño de la Luna) oeuvre van Agustí Villaronga. Maar je kunt er ook voor kiezen een aantal competitiefilms te gaan zien en de krenten uit de pap van de Global Cinema-sectie te halen. Veel films die in Gent draaien zijn al aangekocht voor distributie in Nederland, maar er zijn genoeg uitzonderingen, zoals, uit Mongolië, Öndög van Wang Quan’an, Land of Ashes van de Costa Ricaanse Sofía Querós Ubeda en Vivarium van Lorcan Finnegan (die ik alvast op Imagine verwacht). Nederlandse cinefielen die zich normaal verlustigen aan het aanbod van Rotterdam en andere binnenlandse festivals kunnen zo ook eens overwegen een blik over de grens te werpen.

InDeBioscoop zal tijdens het festival, tussen 8 en 18 oktober, in blogvorm verslag doen van de filmische hoogtepunten.

 

 7 oktober 2019


MEER FILMFESTIVAL

Religie in de woorden van Andrej Tarkovski

Religie in de woorden van Andrej Tarkovski
Kunst als verlangen naar het ideaal

door Tim Bouwhuis

Er is veel gezegd en geschreven over de rol van religie in de films van de Russische beeldpoëet Andrej Tarkovski (1932-1986). Sommigen noemen hem agnost of juist (orthodox-)katholiek, anderen spreken over existentiële vraagstukken en spirituele zoektochten. Er zijn er ook die de met religie doorsponnen dialogen in films als Andrej Roebljov en Stalker terzijde schuiven, of de plaats die religie zou innemen relativeren. Maar wat zegt Tarkovski er zelf over?

Het is niet overdreven te stellen dat Sculpting in Time (eerste druk 1984, in het Nederlands vertaald als De Verzegelde Tijd) diep doordringt tot de kunstenaarsgeest van de maker. Tarkovski schreef het als een serie van oorspronkelijk losstaande reflecties op zijn ontwikkeling als filmmaker, de aard van de filmkunst en de relatie tussen zijn werk en het publiek. Kern van aanpak? Er bestaan geen grenzen tussen je identiteit als filmmaker en je lotsbestemming als mens. Échte kunst kent uiteindelijk geen geheimen: het is een offer op het doek, een uitnodiging om te communiceren. Met zo’n uitgangspunt liggen misschien ook de antwoorden op onze vraag binnen handbereik.

De Spiegel (1975)

De Spiegel (1975)

Het offer van de kunstenaar
Kunst als verlangen naar het ideaal
, het tweede hoofdstuk van De Verzegelde Tijd, gaat bij uitstek over Tarkovski’s kijk op de hoge roeping van kunst. ‘Hoge roeping’ mag daarbij letterlijk worden begrepen, als een geestelijke plicht die het aardse ontstijgt en in wezen haast religieus is. In dat kader heeft kunst voor Tarkovski het doel de zin van het leven te verklaren, of, als ze niet verklaart, haar publiek tenminste met dat vraagstuk te confronteren.

Het bijzondere van de kunst is dat ze dat publiek hierin niet wil overtuigen met onverbiddelijk geldende rationele argumenten, maar met de geestelijke energie waarmee de kunstenaar het werk geladen heeft. Die energie heeft alles weg van een offer. Het bevestigt de status van de kunstenaar als een dienaar, die zijn publiek wil helpen het ware voor het gevoel toegankelijk te maken: ‘’de algemene functie van kunst ligt voor mij onbetwistbaar besloten in het idee van het kennen, in de catharsis, het inzicht dat als een schok tot stand komt’’. De menselijke ziel streeft intuïtief naar het kortstondige ogenblik waarop het ideaal van de harmonie voelbaar is.

De boom van kennis
Een dergelijke visie kan niet zonder het geloof dat de mens zo’n hang naar het absolute ideaal, vaak uitgedrukt als ‘de waarheid’, ook daadwerkelijk bezit. De notie van religie is dichtbij als het ideaal buiten ons en buiten de (materiële) wereld wordt geplaatst. Dit is precies wat Tarkovski ook betoogt. Omdat het ideaal buiten ons ligt, is het verlangen naar dat ideaal onvervulbaar. Menselijke ontevredenheid en geestelijk lijden ontspringen in het besef van ieder mens dat zijn vermogen te kennen altijd ontoereikend zal blijven.

Waar ging het mis? Hadden we het ideaal ooit in handen? Dit is waar het Bijbelboek Genesis, dat expliciet door Tarkovski aangehaald wordt, concrete invulling geeft aan de oorsprong van de menselijke zoektocht naar kennis. Deze zoektocht is in dit verband geen nobele taak, maar een vloek die de mensheid (door Adam en Eva) treft als ze de boom van kennis verkiest boven de boom van het leven. Hier krijgt Tarkovski’s redenatie zelfs een cynisch randje: ‘’zo verscheen de mens, deze kroon der schepping, op aarde en eigende zich haar toe. De weg die hij sindsdien is gegaan en die men gewoonlijk evolutie noemt, is voor hem een pijnlijk proces van zelfkennis geworden’’.

Kunst als geestelijk wapen
Ieder mens heeft de keuze om zijn drang naar kennis te (h)erkennen en hem te cultiveren of te onderdrukken, en als we iets weten uit de menselijke geschiedenis is het wel dat kennis daarin een eenduidige definitie weigert. De waarheden die de ziel van de ene persoon voeden zijn voor de ander de fabels van een fantast. Tarkovski erkent die verschillen, en schrijft in zijn nawoord in teneur over de tekenen van zijn tijd, en over de materieel georiënteerde mens die het geestelijke achterliet. Sterker gesteld: kunst is voor hem altijd een wapen geweest in de strijd van de mens tegen het materiële dat de geest dreigt te verslinden.

Die band tussen kunst en geest brengt ons weer terug bij het absolute, het ideaal: voor Tarkovski kan het absolute alleen door geloof en door de creatieve daad worden bereikt. Misschien, schrijft hij in zijn slotparagraaf, is ons vermogen om te scheppen wel het bewijs dat wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

Andrej Roebljov (1966)

Andrej Roebljov (1966)

De maker en zijn publiek
De kunst die uit het scheppen van de kunstenaar voortkomt kan alleen geaccepteerd worden als de toeschouwer het beeld en zijn waarheid gelooft, en de kunstenaar daarin onvoorwaardelijk vertrouwt. Tarkovski legt zo een belangrijke verantwoordelijkheid bij de toeschouwer: als hij de waarheid niet zoekt, blijft ook het schone voor hem verborgen. Die uitspraak is geen toonbeeld van arrogantie, maar één van de vele bevestigingen van de maker dat zijn films om een specifieke mentaliteit vragen. ‘’Er is (…) een diepe verwantschap tussen de zuivere religieuze ervaring en de ervaring die een spiritueel en ontvankelijk mens bij een kunstwerk ondergaat’’.

Betekent dit direct dat een persoon die zo’n ervaring niet nastreeft niets met de films van Tarkovski kan aanvangen? Het antwoord ligt bij de lezers (en kijkers) die er een ander wereldbeeld op nahouden, maar zich toch aan zijn oeuvre wagen. Eén ding is wel duidelijk: onze westerse consumptie-en commerciecultuur en de hang naar (filosofisch) materialisme hebben een hoge barrière opgeworpen voor diegenen die zonder overheersende scepsis mee willen denken met de Tarkovski die in De Vergezelde Tijd al zijn kaarten op tafel legt. De uitdaging is om jezelf met zijn vragen te confronteren, ook als je tot geheel andere antwoorden komt dan de maker zelf. Het landelijke retrospectief in EYE en verwante filmhuizen biedt een uitgelezen mogelijkheid om dat de komende maanden te doen.

 

2 oktober 2019


MEER ANDREJ TARKOVSKI
 
ALLE ESSAYS

So Long, My Son

****
recensie So Long, My Son

Kroniek van verstrijkende tijd

door Tim Bouwhuis

De beste filmkronieken verweven een persoonlijk verhaal met een bredere stroom van (vaak) politiek-historische ontwikkelingen. Neem de som van de twee en je hebt het kloppende hart van So Long, My Son, een episch drama dat China vangt en verbeeldt als een kroniek van verstrijkende tijd.

De vertelling begint als de jonge, verlegen Xingxing door zijn vriend Haohao wordt uitgedaagd een duik te nemen in een waterreservoir in een noordelijk gelegen fabrieksstadje. Haohao voert de druk op door zijn kleren vast uit te trekken en zich na wat laatste aansporingen richting het water te spoeden. De camera laat hem vertrekken – we kijken mee over de schouder van Xingxing, die eenzaam achterblijft. De scène eindigt een stuk abrupter dan ze begon, en als we een minuut of tien later terugkeren bij het reservoir is er een ongeluk gebeurd.

So Long, My Son

Filmfractuur
Wat ontvouwde zich, en waarom waren wij er niet bij? Het is verleidelijk om So Long, My Son door de elliptische structuur te benaderen als een puzzelfilm. De openingsscène markeert namelijk lang niet het enige moment dat de continuïteit van de film doorbroken wordt. Regisseur Wang Xiaoshuai (Beijing Bicycle) schakelt welbewust tussen verschillende tijdvakken (rangerend van midden jaren tachtig, wanneer de film opent, tot het heden), maar laat de zo gebruikelijke tussentitels (locatie, jaartal) achterwege. In de vlekkeloze montage komen nieuwe dramatische ontwikkelingen en referenties naar een getroebleerd verleden samen.

Al die variabelen vragen, in bij uitstek positieve zin, om een actieve kijkhouding. En die houding loont, niet alleen omdat het scenario uitgekiend is en alle stukjes ook daadwerkelijk passen. Wangs uitgesproken stijl is namelijk noodzaak om daadwerkelijk te ervaren hoe het verleden tot ons komt: in half aan elkaar gelijmde brokken, en altijd gefragmenteerd. Wat rest zijn de details, de gesprekken die een breuk helen of er één teweeg brengen. Met zulke momenten zit So Long, My Son vol. Misschien is het te veel gevraagd, zoals Wang in een interview wel voorstelt, om de tijdsconstructie maar gewoon los te laten. Maar het lijdt geen twijfel dat een contra-intuïtieve mindset het kijken verrijkt.

So Long, My Son

Over levenswijsheid  
Terug bij de twee jongens uit de openingsscène. Uit de (chronologisch eerder gesitueerde) scène die volgt, blijkt dat hun ouders goed met elkaar bevriend zijn. Het ongeluk zet die verhouding alleen flink onder druk. Wang neemt schuld en verlies als vertrekpunt en concentreert zich vervolgens op de ouders van Xingxing (rollen van Wang Jingchun en Yong Mei). Hoe verwerken zij wat er gebeurd is, en beter nog, hoe doen ze dat binnen een staatsapparaat dat vaststelt waar families ophouden en misdrijven beginnen? Tegen de achtergrond van de Chinese eenkindpolitiek (1979-2015) en de culturele revolutie die daaraan vooraf ging, is de meest intieme eenheid van de privaatsfeer immers altijd een publieke aangelegenheid. Ontwikkelingen op nationale schaal worden zo keer op keer gespiegeld aan het leven van Yaojun en zijn vrouw Liyun. Wong en Yang zien zich omringd door een zweem van authenticiteit die zich niet laat creëren; het is bijna ironisch dat hun ‘spel’ hen tijdens de Berlinale (zeer terechte) bekroningen opleverde voor beste acteur respectievelijk beste actrice. Noem het oprechte levenswijsheid, en je zit er niet ver vanaf.

Terwijl de tijd de geschiedenis steeds verder opslokt, beginnen Yaojun en Liyun steeds scherper te bevragen wat het heden nog kostbaar maakt. “Als er bijna geen sporen meer over zijn van het verleden”, zegt Liyun richting het einde, “hoe komt het dan dat we toch nog bang zijn om dood te gaan?” Het verloop van de film doet een suggestie voor een mogelijk antwoord: de dood gaat nooit alleen over ons. En uiteindelijk, in de laatste scène, dat een piepklein gebaar de meest gebroken familie nog hoop kan bieden.

 

27 juli 2019

 

ALLE RECENSIES