Film Fest Gent 2021 – Deel 2: De dood van de filmmaker

Film Fest Gent 2021 – Deel 2:
De dood van de filmmaker

door Tim Bouwhuis

Wie films maakt, vindt een weg om iets van zichzelf op deze wereld achter te laten. Cinema overwint zo de tijdelijkheid van het menselijk bestaan. Met Vortex (van Gaspar Noé) en Bergman Island (van Mia Hansen-Løve) draaien er dit jaar twee titels op Film Fest Gent die op metaniveau reflecteren op de onvermijdelijke dood van de filmmaker en het (eeuwige?) leven van diens werk.

De poreuze grens tussen leven en dood is de rode draad in het werk van het Franse enfant terrible Gaspar Noé. Irréversible (2002) legt een reis af van de hemel naar de hel (maar dan omgekeerd) en in Enter the Void (2009) is de dood van het hoofdpersonage slechts het begin. Noé’s nieuwste film is in het licht van deze eerdere titels bijzonder aards, en toch toont de dood juist in Vortex zijn ware gezicht.

Vortex

Vortex

Het aardse van de dood
In mijn vooruitblik op deze festivaleditie schreef ik dat Vortex zich naar verluidt fundamenteel zou onderscheiden van vroeger werk. Die verwachting werd maar ten dele ingelost. Enerzijds is de film voor Noé’s doen inderdaad betrekkelijk toegankelijk en niet controversieel. Expliciete seks en overdadig geweld ontbreken, de toon is ingetogen en stilistische excessen, zoals de heftige stroboscoopeffecten in Enter the Void, blijven eveneens grotendeels achterwege (al storen de vele jump cuts die continuïteit binnen scènes suggereren). Tegelijkertijd is Vortex een ronduit kernachtige film binnen het oeuvre van de regisseur. Noé brengt zijn fascinatie voor de dood terug tot een aardse essentie door een bejaard stel te volgen waarvan de vrouw aan dementie lijdt.

Twee parallelle filmkaders tonen hoe de vader (de aftiteling toont geen namen) en de moeder (rollen van horrorregisseur Dario Argento en Françoise Lebrun) tegelijk samen en gescheiden leven. Het consistente splitscreen staat kijkers niet toe de twee hoofdpersonages verenigd te zien, ook al speelt de film zich alsnog grotendeels in een claustrofobisch ingericht woonhuis af. In de onbereikbare geesteswereld van de moeder wisselen flarden van helderheid en hersenschimmen elkaar af. De vader kampt met hartklachten en de zoon van het stel (Alex Lutz) heeft zelf net zo goed met problemen te kampen. Door de verslechterende toestand is het stilaan eigenlijk al onmogelijk om nog zelfstandig te wonen, maar een huis vol herinneringen is voor een dementerend mens een laatste veilige haven.

De dood van je levenswerk
Vortex is in zijn dramatische uitwerking van een naderend levenseinde al door meerdere critici vergeleken met Michael Haneke’s Amour (2012), maar Noé zou zichzelf niet zijn als hij via de mise-en-scène (zie bijvoorbeeld de filmcollectie in het openingsshot van Climax), en specifiek via de talloze objecten in het huis niet een compleet eigengereid kader van referenties zou bouwen. De belangrijkste metaverwijzing van Vortex staat op een mapje met uitgeschreven scriptnotities dat de vader op zijn bureau heeft liggen. De titel van het script, “Psyche”, werd ook door Noé zelf gebruikt voor de film die uiteindelijk Climax kwam te heten. Niemand heeft het dus meer over Psyché, en een dergelijk pijnlijk lot is het laatste werk van de vader ook beschoren: in een gedachteloze opruimbui versnippert de moeder de notities en verdwijnen de resten in de kolkende stroom van het toilet (“vortex” wijst op een draaiende energie).

Voltooide filmprojecten overwinnen de tijdelijkheid van het menselijk bestaan, maar er zijn zoveel notities, scripts en titels (om over daadwerkelijk filmmateriaal nog te zwijgen) die het levenslicht uiteindelijk nooit zien en dus in meer figuurlijke zin in het toilet verdwijnen. De filmmaker doet zijn uiterste best om zijn werk te vereeuwigen, maar hij komt altijd jaren tekort om zichzelf van de dood te kunnen redden. In die zin valt het op zijn plaats dat Noé Argento castte als de vader; ook de regisseur van onder meer Suspiria (1977) heeft de eeuwigheid niet voor het oprapen, en ook in zijn carrière zal er sprake zijn (of misschien zelfs al zijn geweest?) van een laatste film.

Toerisme voor filmherinneringen
Cineasten kunnen film ademen en hun leven lang op de set staan, maar uiteindelijk is het altijd aan volgende generaties om de herinnering aan hen en hun werk in ere te houden. In de meest fervente gevallen blijven we niet alleen kijken naar de films, maar bezoeken we ook oude setlocaties en andere plaatsen van herkenning uit de carrière van de filmmaker. Leven en werk houden zo de schijn van tastbaarheid en de filmliefhebber wordt een toerist tussen zijn of haar eigen filmherinneringen. Een intrigerend voorbeeld is het Zweedse eiland Fårö, waar de Zweedse filmmaker Ingmar Bergman (1918-2007) woonde en werkte voordat hij er overleed en werd begraven.

“Bergman Island” trekt niet alleen filmliefhebbers en toeristen, maar ook filmmakers en scenaristen die inspiratie hopen te vinden op het landgoed van de familie Bergman. Er is een heuse Bergman-toer, die onder meer langs de centrale filmlocatie van Through a Glass Darkly (1961) leidt (ironisch genoeg is het huis afgebroken, waardoor de toeristen praktisch nergens naar kijken). In een bescheiden filmzaaltje worden oude 35 mm-prints van Bergmans klassiekers vertoond (de stoel van Bergman wordt nog altijd vrijgehouden) en het woonhuis van Bergman wordt verhuurd aan bezoekers die langer blijven. Twee van die bezoekers zijn de regisseurs Mia Hansen-Løve en Olivier Assayas (vertolkt door Vicky Krieps, uit Phantom Thread, en Tim Roth), die in de meta-film Bergman Island op zoek zijn naar nieuwe ingevingen en een gezonde balans in hun getroebleerde huwelijk.

Bergman Island

Bergman Island

Een blik in de spiegel
Aan verwijzingen naar het werk en leven van Bergman geen gebrek, maar Bergman Island gaat uiteindelijk vooral over het leven en werk van Hansen-Løve zelf. In een klassiek verhaal-in-het-verhaal laat de regisseuse zich door een tweede actrice (Mia Wasikowska) vertolken, die met het uitspelen van haar gedoemde liefde voor Joseph (Anders Danielsen Lie, een terugkerende acteur in de films van Joachim Trier) een epiloog breit aan Hansen-Løve’s Un amour de jeunesse (2011). Het is eenvoudig om de film niet volledig te begrijpen indien je niet bekend bent met het werk van Hansen-Løve en/of Assayas (die in Bergman Island zelf bezig is met het script van Personal Shopper).

Bergman Island is prachtig op locatie geschoten, maar de verwerking van de verschillende metalagen rieken naar navelstaarderij. Uiteindelijk gaat een regisseursoeuvre leven door stilistische klasse en dramatische diepgang. Deze scènes van een huwelijk doen in dat licht helaas eerder terugverlangen naar het vroegste werk van Hansen-Løve (Tout est pardonné, 2007; Le père de mes enfants, 2009), dat de regisseuse met recht lanceerde in de filmwereld.

Het kunstenaarsbestaan en het privéleven
De gebreken van Bergman Island onderstrepen dat introspectie misschien niet altijd de beste methode is om een carrière (zelf) glans te geven. Bergman maakte in zijn leven zoveel films (en als hij niet filmde, stond hij wel op het toneel) dat hij waarschijnlijk niet eens tijd had om grondig op zijn groeiende oeuvre te reflecteren. De relatieperikelen tussen Hansen-Løve en Assayas spiegelen Bergmans moeilijke verhouding tot het huwelijk en het familieleven, en in de film wordt de vraag gesteld of het überhaupt wel mogelijk is het kunstenaarsbestaan met een privéleven te verenigen. Toch loopt er aan het eind van Bergman Island een man voor de camera langs die op de eindcredits staat vermeld als Bergman junior. De filmmaker is dood, maar zijn naam en werk blijven voortbestaan.

 

22 oktober 2021

 

Film Fest Gent – Deel 1: Waarom vechten we?

 

 
MEER FILMFESTIVAL

Film Fest Gent 2021 – Deel 1: Waarom vechten we?

Film Fest Gent 2021 – Deel 1:
Waarom vechten we?

door Tim Bouwhuis

Why we fight” is een van de gethematiseerde secties in het programma van Film Fest Gent 2021. La Civil en Cool Abdoul, twee Vlaamse (co-)producties, laten elk op hun eigen wijze zien waarom en onder welke omstandigheden het belangrijk kan zijn om strijdlust te tonen. Maar op de eerste avond draaide er, naast openingsfilm La Civil, nóg een film die de insteek van de sectie eer aandoet: The Last Duel van Ridley Scott.

The Last Duel is het epische affiche van de nieuwe Ridley Scott (Blade Runner, Gladiator), een big budget-ridderfilm die Hollywoodacteurs als Matt Damon en Adam Driver laat verdrinken in middeleeuwse maliënkolders. Op het eerste oog is het misschien gissen waarom een film met zo’n veelbetekenende titel niet is opgenomen in de “Why we fight”-sectie. De waarschijnlijke reden is vrij eenvoudig: de twee vertoningen op Film Fest Gent geven vooral extra cachet aan de reguliere release van de film, die op het moment van schrijven ook regulier wordt uitgebracht in de Benelux. Het is dan ook logisch dat deze megaproductie verder geen prominente plaats inneemt op het programma.

The Last Duel

The Last Duel

Gevecht om de waarheid
Grappig genoeg biedt juist The Last Duel verschillende uitgelijnde perspectieven op de vraag waarom “we” eigenlijk vechten. De film bestaat uit drie hoofdstukken die elk de waarheid volgens één van de drie hoofdpersonages vertellen. Denk aan de Japanse klassieker Rashomon (1950) van Akira Kurosawa: een onbetrouwbare verteller betrekt het publiek bij de zoektocht naar de (of een?) waarheid. Overigens stopt de vergelijking met Kurosawa daar ook meteen, want door een ingreep in de tussentitels is The Last Duel heel wat minder ambigu dan Scott het op momenten lijkt te willen voorstellen.

Aanleiding voor ‘het laatste duel’ is een weinig liefdevolle schaakpoging van een genotzoekende schildknaap (Driver), die zich de woede van een jonkheer (Damon) op de hals haalt als hij diens vrouw (Jodie Comer) tot een van zijn jachttrofeeën probeert te maken. Het kost weinig fantasie om in de lang uitgesponnen intrige een ruwe interpretatie van de Griekse Ilias te herkennen, door Scott en zijn co-scenaristen (onder wie Ben Affleck, die de schildknaap in een hopeloze rol de hand boven het hoofd houdt) aangelengd met een didactisch #metoo-sausje.

De Helena van het verhaal vecht om haar waardigheid te bewaren terwijl haar echtgenoot met het werpen van de handschoen vooral zijn eigen eer probeert te redden. Jonkheer de Carrouges (een vermoeiende rol van Damon) behandelt zijn vrouw op een zodanig belachelijke manier dat haar strijdlust op voorhand op de unanieme sympathie van het publiek kan rekenen. Terwijl er een laatste duel om eer en ijdelheid plaatsvindt, valt er voor de gekooide jonkvrouw hoe dan ook niets te winnen.

La Civil

La Civil

Gevecht om rechtvaardigheid
Nauw verwant aan de strijd om waardigheid is de strijd om rechtvaardigheid. Het hoofdpersonage uit La Civil, het fictiedebuut van de Vlaams-Roemeense regisseuse Teodora Mihai (die deuren in de filmwereld opende met haar documentaire Waiting for August), wordt met recht de heldin van de film wanneer zij haar dochter verliest aan de grillen van een Mexicaanse bende. Net als in Identifying Features (Fernanda Valadez, 2020, deze zomer nog in het Previously Unreleased-programma van EYE) staat de onvoorwaardelijke liefde van een moeder centraal in het machteloze gevecht tegen een gecorrumpeerde buitenwereld. Het is tekenend dat een stoer posterende tiener aan Cielo (een krachtige rol van Arcelia Ramírez) vertelt hoeveel geld zij en haar echtgenoot voor hun dochter moeten neertellen.

Regisseuse Mihai trok al jaren geleden voor het eerst naar het land waar ontvoeringen en afrekeningen in veel streken aan de orde van de dag zijn. Ze ontmoette er Miriam Rodríguez, een moeder en mensenrechtenactiviste die uiteindelijk grotendeels model zou staan voor Cielo. In 2017 werd zij thuis neergeschoten nadat zij een periode zelfstandig onderzoek had gedaan naar de ontvoering van haar dochter. Het is een kil gegeven en bepaald niet het eenvoudigste uitgangspunt voor een speelfilmdebuut.

Mihai ontziet de heftigheid van de drugsoorlog niet door de lichamen van gemartelde slachtoffers op bepaalde momenten te laten opdoemen vanuit de consistent in soft focus gehouden achtergrond. Op de voorgrond stelt de camera intussen almaar scherp op het vertrokken gezicht van Cielo. Daadkracht en een greintje hoop zijn haar enige wapens, en toch kan ook zij niet voorkomen dat ze op den duur het bloed eveneens van haar eigen handen moet wassen.

Op het scenario van La Civil valt het een en ander af te dingen (zo heeft de film een onnodige epiloog en worden de belangrijkste zijpersonages door de focus op Cielo te beperkt uitgediept), maar aan intensiteit en urgentie ontbreekt het dit project in geen geval. Films als deze maken duidelijk waarom we vechten; het zijn harde ontmoetingen met een werkelijkheid die ons eigen leven in perspectief plaatst.

Cool Abdoul

Cool Abdoul

Gevecht in de ring
Tegelijkertijd is het een misvatting dat gewelddadige contexten als de Mexicaanse te allen tijde schril afsteken tegen een ‘welvarend Westen’. Afhankelijk van je maatschappelijke status kan het leven in de Benelux net zo goed veranderen in een pertinente overlevingsstrijd.

In het boksdrama Cool Abdoul (na diverse shorts de eerste langspeler van Vlaming Jonas Baeckeland) kost de wil om hogerop te komen het titelpersonage zijn bestaanszekerheid. Ismaïl ‘Cool’ Abdoul (een rol van Nabil Mallat) was een Gentse bokser die de lokale ring eind jaren negentig verliet voor een Europese toer in het centrum van de belangstelling. De film laat zien wat daarvoor nodig was: door zijn nachtwerk als uitsmijter reguleert Abdoul impliciet het toegangsbeleid voor plaatselijke drugsdealers. In ruil voor een lijst met namen zorgt de uitbater van de club ervoor dat Abdoul zijn carrière glans kan geven. Het is een klassiek rise and fall-verhaal dat het helaas teveel van opgeklopt pathos moet hebben, en niets nieuws toevoegt aan de lange lijst met boksdrama’s die voorgingen.

Gevecht tegen onzekerheid
Cool Abdoul geeft een nogal letterlijke twist aan de vraag waarom we vechten. Een carrière is vergankelijk, zoveel blijkt, maar de liefde voor een partner is dat in gelukkige gevallen niet (de echte Abdoul is nog steeds gelukkig samen met zijn Sylvie). Abdouls wens om haar een beter leven te geven, valt in de film samen met de verwoestende spiraal van een door drugs bezeten nachtleven. De Gentse straten (je kunt er vrijwel iedere Europese stad invullen) mogen voor veel mensen dan een relatief veilig oord zijn, er is geen permanente zekerheid die ons behoedt voor een bestaan zonder strijd. Die onzekerheid is de reden waarom we vechten.

 

17 oktober 2021

 

Film Fest Gent – Deel 2: De dood van de filmmaker

 

 
MEER FILMFESTIVAL

Film Fest Gent 2021 – Preview

Film Fest Gent 2021 – Preview:
Terug op volle zaalsterkte

door Tim Bouwhuis

2020 was een ander jaar voor Film Fest Gent. De speciaal voor medewerkers en geaccrediteerde bezoekers vervaardigde mondkapjes zaten strakker dan een gemiddeld maatpak en de zalen waren door de restricties telkens maar gedeeltelijk gevuld. Gelukkig kunnen de meeste maatregelen dit najaar weer overboord, en maakt ondergetekende zich op om voor de derde keer verslag te doen van het festival.

Tijdens de 48ste editie (van 12 tot en met 23 oktober 2021) zullen er traditioneel weer veel films te zien zijn die voor aanvang van het festival al door distributeurs werden aangekocht. In de meeste gevallen gaat het om hoogtepunten van de grote Europese festivals. Zo is Cannes altijd sterk vertegenwoordigd en zie je in Gent ook films die ruim een maand geleden hun première beleefden in Venetië.

The French Dispatch

The French Dispatch (2021) van Wes Anderson is de slotfilm van Film Fest Gent.

Nederland en België
Distributeurs hebben belangen bij deze films, omdat Gent de publiciteitscampagne een treffende kickstart geeft en een eerste indruk biedt van de ontvangst. De overlap met Nederland is aanzienlijk: veel Vlaamse distributeurs zijn onder dezelfde noemer in Nederland actief en delen zo dezelfde releases.

Natuurlijk, de releasedata kunnen verschillen, en het kan gebeuren dat een titel wel in België wordt gedistribueerd en niet in Nederland (al is het meestal andersom), maar de meeste aangekochte films in Gent draaien in de loop van de komende (pakweg) anderhalf jaar in de Nederlandse filmhuizen. Kijk alleen al naar de huidige Nederlandse programmering voor oktober en november: Drijfzand (Margot Schaap, ook op het NFF), Pig (Michael Sarnoski), Ballad of a White Cow (Maryam Moghadam & Behtash Sanaeeha), Pleasure (Ninja Thyberg), Apples (Christos Nikou), Spencer (Pablo Larraín), Un Monde (Laura Wandel), Herr Bachmann und Seine Klasse (Maria Speth), Annette (Leos Carax), Lamb (Valdimar Jóhansson), Cool Abdoul (Jonas Baeckeland) en slotfilm The French Dispatch (Wes Anderson) kunnen allemaal rekenen op vertoningen in Gent.

Voor bezoekers zijn dit gratis primeurtjes bij hun filmbezoek, voor journalisten zijn het welkome ‘alternatieve’ persvoorstellingen die de mogelijkheid bieden alvast vooruit te schrijven en te weten welke films rond de tijd van de release onverdeelde aandacht verdienen.

Wife of a Spy

Wife of a Spy (2020) van Kiyoshi Kurosawa.

Krenten in de pap?
Hoewel het aandeel van aangekochte films dus groot is, zijn er ook de nodige titels die alleen in Gent en/of in het festivalcircuit te zien zijn. Zo moest Joanna Hoggs intens geacteerde karakterstudie
The Souvenir (2019) in Nederland wachten op het vangnet van EYE’s Previously Unreleased-programma, maar is het nog maar de vraag of dat met het tweede deel ook zal gebeuren. In Gent zijn beide films te zien.

De Hongaarse regisseur Benedek Fliegauf (Womb, Just the Wind) komt met een laat vervolg op zijn debuut Forest (2003). Er zijn nieuwe historisch gesitueerde intriges van kleurenkoning Yimou Zhang (Cliff Walkers, naar verluid weer een onvervalste propagandafilm) en veelfilmer Kiyoshi Kurosawa (Wife of a Spy), en Gaspar Noé heeft een nieuwe, in splitscreen gepresenteerde uitputtingsslag, met dementie als hoofdonderwerp. Ik weet niet wat ik persoonlijk schokkender vind, dat horrorregisseur Dario Argento (Suspiria) de mannelijke hoofdrol speelt of dat de film grotendeels verschoond zou blijven van typische, door Noé eigengemaakte trekjes (grof geweld, expliciete seks).

Ten slotte is er nog de relatief onbekende cineaste Elisabeth Vogler, wiens meeslepende en grandioos gefilmde Paris Est à Nous (te zien op Netflix) de twijfelachtige eer heeft een van de meest onterecht beoordeelde titels op IMDb te zijn. Hopelijk is opvolger Années 20, die in een long take een blijvende indruk wil achterlaten van Parijs in tijden van Covid-19, een stuk meer waard dan de 4.6 die kijkers aan Voglers vorige film toeschrijven.

Lege plekken als raadsels
Er is zo genoeg te zien in Gent, maar het gemis van sommige andere titels laat zich eveneens voelen. De Japanse regisseur Ryusuke Hamaguchi gooide het voorbije jaar hoge ogen in het festivalcircuit met Wheel of Fortune and Fantasy (Berlijn) en Drive my Car (Cannes), maar beide films zijn nergens in de programmering te bekennen. Nowhere Special van Uberto Pasolini (zijn Still Life draaide in 2014 in Nederland) was een welkome toevoeging geweest. Hetzelfde geldt voor Compartment No. 6 (Juoh Kuosmanen, Venetië) en L’Evenement (Audrey Diwan, winnaar van de Gouden Leeuw in Venetië). Wie geen insidersinformatie heeft, moet maar gissen of de titels gewoonweg niet geselecteerd zijn, of er distributeursbelangen spelen of dat er nog een andere reden is waarom bepaalde films niet worden vertoond.

The Beekeeper

The Beekeeper (1986) van Theodoros Angelopoulos.

Kijken naar Griekenland
Zeggen al die nieuwe titels u niet veel en grijpt u liever terug op klassiek werk dat opnieuw in de bioscoop te zien is? Naast een modern programma rond opkomende Griekse filmmakers blikt Gent dit jaar terug op het oeuvre van grootmeester Theodoros Angelopoulos (The Travelling Players, Landscape in the Mist, Eternity and a Day), die zich met een herkenbare stijl (langgerekte, statige shots die de protagonisten vangen in hun dwalingen) en een inhoudelijk engagement (politieke betrokkenheid bij de geschiedenis van zijn land en de emancipatie van de socialistische beweging) in de canon van de Europese cinema vestigde.

Voor liefhebbers die al bekend zijn met Angelopoulos’ werk is het jammer dat er niet meer geprogrammeerd kon worden in de Kinepolis-bioscoop, die rijk is aan grote schermen maar gespaard wordt voor het hoofdprogramma. Wie tóch zijn kans wil krijgen, moet op vrijdag 22 oktober afreizen, als The Beekeeper (1986, met Marcello Mastroianni) wordt vertoond in het bijzijn van componiste Eleni Karaindrou. Tegen de tijd dat dat zover is kunnen de meest fanatieke bezoekers alweer bijna met tollende ogen huiswaarts, en is Film Fest Gent nog maar één jaargang verwijderd van een ongetwijfeld feestelijke jubileumeditie.

 

7 oktober 2021

 
MEER FILMFESTIVAL

Film by the Sea 2021 – Fellinopolis

Film by the Sea 2021 – Fellinopolis:
La Città di Federico

door Yordan Coban

De 23ste editie van Film by the Sea in Vlissingen brengt ons een greep uit het verleden met twee documentaires over Federico Fellini. In dit tweede deel, Fellinopolis, nemen we een uniek kijkje achter de schermen naar de werkwijze van de extravagante Italiaanse kunstenaar.

De documentaire, gemaakt door Silvia Giulietti, bestaat uit een aaneenschakeling van beelden geschoten door Fellini’s vriend Ferruccio Castronuovo op de set gedurende de periode van 1976 tot 1986. Deze beelden worden begeleid met de herinneringen van een aantal vaste leden van Fellini’s crew die ook vaak intieme vrienden waren. Veel van deze lieden zijn inmiddels overleden, waaronder de regisseur zelf, zijn vrouw Giulietta Masina en zijn vaste acteur tevens alter ego Marcello Mastroianni. Het merendeel van de documentaire bestaat jammer genoeg uit beelden van een tijd waarin Fellini’s beste werk al gemaakt was.

Fellinopolis

Surreële vervoering
Fellini was vaak niet echt geïnteresseerd in het vertellen van een verhaal, hij wenste voornamelijk zijn persoonlijke sentimenten te uiten in visuele indrukken om zo zijn publiek in vervoering te brengen. Het maken van 8 1/2 (1963) kwam, zo zegt hij in een van de spaarzame oudere beelden uit de documentaire, vanzelf uit hem. Alsof het de regisseur overkwam en het op gegeven moment als een natuurlijk proces ook weer stopte.

Het maken van zijn films deed hij aan de hand van de meest vreemde gezichten, carnavaleske kostuums en indrukwekkend grootse decors. Fellini vond dat een gezicht meer kon zeggen dan woorden. Hij had een bureau in Rome waar mensen van het opvallendste soort zich aan konden melden om als figuranten in zijn films te fungeren. In de documentaire vertelt zijn oude chauffeur dat Fellini, als in een film, hem opdroeg een taxi te volgen vanwege het merkwaardige uiterlijk van de desbetreffende passagier. Fellini joeg de wonderbaarlijkheden van het leven op cinematische wijze achterna.

Ook maar een mens
De documentaire blijft slechts een kijkje achter de schermen. Ze heeft niet meer om het lijf dan wat je als kijker van tevoren verwacht, maar dat hoeft niet erg te zijn als de films van Fellini je dierbaar zijn. Gelukkig worden er niet slechts ludieke anekdotes verteld en proberen de sprekers werkelijk op de thema’s en de distinctieve aard van zijn werk in te gaan. Wat vaak gebeurt bij het kijken van dergelijke documentaires is dat zij op ten duur in een geïdealiseerde toon vervallen.

Fellinopolis

Mensen zijn mensen, zelfs Fellini. Het is ergens ook zonde zijn om alle pracht uit de cinematische wereld van Fellini terug te relateren tot één extravagante man. Daarvoor is zijn werk te veel erfgoed van een collectief onderbewustzijn, kunstenaar overstijgend. Dit aspect is het meest futiele aan een biografische documentaire over Fellini. Het gaat niet om de persoon. Het gaat om wat zijn werk deed vermoeden.

Universeel vermoeden
Fellini’s films gaan namelijk niet alleen over zijn eigen dromen, er is iets universeels in de vermoedens die zijn werk losmaken. Uit de opmerkingen van de geïnterviewden blijkt wel dat Fellini zich goed besefte dat hij vernuft was in het beïnvloeden van anderen. Hij had oog voor datgene wat bij anderen tot de verbeelding kon spreken. Dit maakt zijn werk tijdloos, en niet slechts op een wijze die onderstreept dat zijn werk nog steeds goed te verteren is. Het lijkt het wezenlijke synoniem van wat een film zou moeten zijn. Zolang mensen naar geprojecteerde fantasieën op een scherm wensen te kijken, zal Fellini relevant blijven.

Fellinopolis is te zien op 12, 15 en 19 september tijdens Film by the SeaHier lees je het volledige programma.

 

11 september 2021

 

Film by the Sea 2021: The Truth About La Dolce Vita

 
MEER FILMFESTIVAL

Film by the Sea 2021 – The Truth About La Dolce Vita

Film by the Sea 2021 – The Truth About La Dolce Vita:
Geen obstakel te hoog voor Fellini’s filmklassieker

door Cor Oliemeulen

Tijdens de 23ste editie van Film by the Sea in Vlissingen staan zowel oude als nieuwe films op het programma. Wij blikken vooruit met twee documentaires over Federico Fellini. In dit eerste deel een bespreking van The Truth About La Dolce Vita over de moeizame ontstaansgeschiedenis van deze beroemde klassieker. Centraal in het relaas staat producer Giuseppe “Peppino” Amato.

Giuseppe Amato (1899-1964) was een belangrijke Italiaanse schrijver/producer die veel samenwerkte met de regisseurs Vittorio De Sica (hoogtepunt Ladri di biciclette uit 1948) en Federico Fellini (hoogtepunt La Dolce Vita uit 1960). In The Truth About La Dolce Vita (2020) zien we hem bijna ten einde raad moederziel in een filmzaaltje waar hij moet constateren dat Fellini’s La Dolce Vita nog steeds maar liefst vier uur lang is (de internationale filmdistribiteurs vinden drie uur het maximum) en omdat zijn co-producer Angelo Rizzoli ermee wil kappen, want de opnamekosten rijzen steeds verder de pan uit.

The Truth About La Dolce Vita

Interessante reconstructie
De documentaire is gemaakt door Amato’s kleinzoon Giuseppe Pedersoli (tevens zoon van spaghettiwesternacteur Bud Spencer), dus was het vast gemakkelijk om de hand te leggen op de correspondentie van zijn grootvader met Fellini tijdens de opnamen van La Dolce Vita in 1959. Hun briefwisseling die met name gaat over het overschrijden van het afgesproken budget van 400 miljoen lire (de film zou uiteindelijk het dubbele kosten) mag dan niet eerder gepubliceerd zijn, het meeste van de ‘waarheid over La Dolce Vita’ was allang bekend.

Desalniettemin biedt de documentaire – een mix van nagespeelde gebeurtenissen (met acteur Luigi Petrucci als Giuseppe Amato), fragmenten uit de film (verplichte finale met de iconische scène in de Trevifontein) en interviews met direct betrokkenen (de beroemde producer Dino De Laurentiis vertelt bijvoorbeeld waarom hij afhaakte) – een interessante reconstructie in de moeizame ontstaansgeschiedenis van La Dolce Vita dat bij de release in 1960 nota bene in eerste instantie door de Italiaanse pers zou worden neergesabeld.

Via Veneto
Op 5 februari 1959 schrijft Angelo Rizzolo aan Federico Fellini dat de film beslist niet meer dan 400 miljoen lire mag kosten. Dat bleek al snel ijdele hoop omdat de regisseur een deel van Via Veneto – de befaamde straat in Rome waar de internationale jetset langs de cafés paradeert en hoofdrolspeler Marcello Mastroianni als roddeljournalist zijn scoops probeert te halen – in de Cinecittà-studio liet nabouwen. In een oud interview vertelt Fellini dat Via Veneto het hart van de film is omdat hier zich de meeste scènes afspelen. Giuseppe Amato zou aanvankelijk geen toestemming hebben gegeven om een deel van de straat in de studio na te bouwen, maar zou na het nodige aandringen van Fellini overstag gaan. Ook andere settings, kostuums en de gebruikelijke artistieke vondsten dreven de kosten gigantisch op. Ondanks Fellini’s uit de hand gelopen wensen blijkt in de documentaire dat hij bij iedereen geliefd was, zelfs bij de producers, die allebei met serieuze stressklachten te maken kregen.

The Truth About La Dolce Vita

La Dolce Vita is een titel met een cynische ondertoon. Terwijl onze roddeljournalist zich uiteindelijk zal laten vernederen in zijn pogingen om te mogen toetreden tot de hippe wereld van royalty en filmsterren in nachtclubs en op feestjes vol immorele en hedonistische karakters, toonden zowel de katholieke kerk als vele politici zich geschokt en wilden ze de film in Italië laten verbieden (en sommigen de regisseur zelfs in de gevangenis laten gooien). Dat zij niet verder keken dan hun neus lang is en kennelijk niet begrepen dat Fellini juist de leegheid van het door hem geschetste bestaan portretteerde, wordt in de documentaire treffend verwoord door een recensie van wijlen cineast Pier Paolo Pasolini: “Het is moeilijk om je een meer afstompende kapitalistische wereld voor te stellen. De mensen hier zijn cynisch en ellendig. Iedereen is egoïstisch, verwend, corrupt en bang.”

Nooit spijt gehad
Natuurlijk draait ook Fellini’s meesterwerk tijdens Film by the Sea, in de documentaire staat vooral producer Giuseppe Amato centraal. Hij wordt geroemd om zijn Napolitaanse gemoedelijkheid en zijn talent om met iedereen te kunnen samenwerken. Iemand leest voor uit de originele brief die Fellini aan hem schreef de dag voor de première van La Dolce Vita. “Jij bent een van de weinige producers die een idee had wat ik met mijn film heb bedoeld. Hopelijk wordt het een succes.”

Het personage van Amato, kijkend in de camera, kan dit alleen maar bevestigen: “Geen obstakel kon mij ervan weerhouden om deze film te maken. Ik heb de film inmiddels misschien wel duizend keer gezien en er nooit spijt van gehad, hoewel La Dolce Vita de belangrijkste oorzaak was van mijn professionele en persoonlijke ondergang.” Amato zou hierna nog maar twee films produceren en overleed in 1964 als gevolg van een hartaanval.

The Truth About La Dolce Vita is te zien op 14, 18 en 19 september tijdens Film by the Sea. Hier lees je het volledige programma.

 

8 september 2021

 

Film by the Sea 2021 – Fellinopolis

 
MEER FILMFESTIVAL

Karlovy Vary International Film Festival 2021

Karlovy Vary International Film Festival 2021
Dikke BMW’s en gegil van dames

door Ralph Evers

Na een aantal outdoor-dagen in de prachtige Tsjechische natuur stond als laatste stop voor deze vakantie Karlovy Vary op de lijst. De stad die ook wel bekend is onder zijn Duitse naam Karlsbad en één van de bekendste kuuroordplekken van de wereld is. Grootheden als Goethe, Mozart en Napoleon hebben hier meerdere malen vertoefd en de stad weet je gemakkelijk te verleiden met haar pracht en praal. En met films!

Bij aankomst in de receptie van het hotel waar we verbleven, werd genoemd dat we mooi op tijd waren voor de happening dit weekend: special guest Johnny Depp zou zijn opwachting maken voor diens nieuwe film Minamata. Zonder het te weten, bleken we middenin het filmfestival Karlovy Vary binnengereden te zijn. Daar moesten we toch even gebruik van maken.

Karlovy Vary International Film Festival 2021

Depp en Hawke
Ook in Tsjechië is het een zeikzomer, dus die films kwamen wel goed uit. Na enig zoeken hadden we achterhaald waar we kaartjes konden kopen. Alles wat ons beiden leuk leek, bleek uitverkocht, maar we wisten toch twee interessante films te strikken. Ondertussen hielden we ons op bij hotel Pupp, waar Johnny Depp en Ethan Hawke verbleven, en dat de Bond-liefhebber kent van Casino Royale. Een bezoekje aan dit uiterst luxueuze hotel zat er echter niet in.

Vrijdagmiddag was dan het eerste ‘grote’ moment. Depp had zijn opwachting voor honderden fans waarvan erg veel vrouwen. Hmm. Veel viel er niet te zien getuige de foto, maar de happening had wel iets. Dit is dus wat een filmster doet. Een paar dikke BMW’s met geblindeerde ruiten en een toenemend gegil van de dames. Gretig signeerde hij er op los, zo gretig zelfs dat zijn beveiligers moesten ingrijpen anders zou het programma mogelijk in de soep lopen. Ethan Hawke maakte enkele uren later zijn opwachting voor een handvol groepje mensen vergeleken bij Depp. De regen speelde hier ongetwijfeld een belangrijke (bij)rol.

Ali & Ava

Ali & Ava
De eerste film die we zagen was Ali & Ava van Clio Barnard, bekend van onder andere The Selfish Giant, dat zich eveneens in Bradford afspeelt. Ali en Ava vertegenwoordigen twee verschillende milieus in Bradford. Hij is van Hindoestaanse achtergrond, zij conservatief, traditioneel Engeland. Zij komt uit een getroebleerd huwelijk, zijn huwelijk is al geen scherf beter. Hij houdt er een optimistisch dagelijkse routine op na, maar strijdt regelmatig met zijn demonen in eenzaamheid, wat subtiel en daarmee veel voelbaarder getoond wordt. Het ‘s nachts wakker liggen en het uit zijn dak gaan op zijn muziek.

Ali en Ava treffen elkaar en er bloeit een uit te tekenen romance op, gehinderd door haar kinderen, een zoon met racistische trekken die niets moet hebben van de gekleurde Ali en de onvermijdelijke verzoening en catharsis die gaandeweg tussen moeder, zoon en Ali optreedt. Maar om dit cliché gaat de film niet. Het is juist de naturelheid, de echtheid waarmee de film je hart weet te stelen, te midden van de achterstandswijken van Bradford, en de verschillen gaandeweg te laten verdwijnen.

Hierin vangt Barnard precies die belangrijke details, zoals het wederzijds beïnvloed raken, de aanrakingen en de onzekerheid. Adeel Akhtar (bekend van de cultserie Utopia) en Claire Rushbrook (vooral tv-series) spelen geloofwaardig, breekbaar en gelaagd. Doordat de film nauwelijks aan mooifilmerij doet, vergeet je soms dat je naar acteurs kijkt. Kijk, daarom ga je naar de film, om werkelijk een andere wereld dan de jouwe in te duiken.

La Terra dei Figli

La Terra dei Figli
De tweede film deed dit ook, al was het wel op een volstrekt andere manier. La terra dei figli (‘The land of the sons’) van Claudio Cupellini (de serie Gomorrah en Una Vita Tranquilla) is gebaseerd op de gelijknamige strips van Gipi en verhaalt over een wereld na de apocalypse. Een film die me van het eerste tot het laatste shot met haar eigenaardige, tegenstrijdige en dissonante schoonheid wist te vangen. Met het omineuze openingscitaat: ‘voor de apocalypse werden er boeken vol over geschreven, na de apocalypse geen enkele meer’.

We leren vader en zoon kennen. Vader schrijft dagelijks in zijn notitieboekje, waar de zoon niet in mag lezen. Nu zou dat ook niet gaan, want zoon is, evenals alle andere na de oorlog geboren kinderen, analfabeet. Hun harde leven in de lagune bestaat uit het vangen van vis en zich te weren tegen de onverbiddelijke elementen van de natuur, ondertussen de verschillende clans tevreden houdend. Na enkele dagen geen vis, ziet de vader geen uitweg en moet met de tiran Auringo onderhandeld worden. Niemand blijkt te vertrouwen of erg open te staan voor samenwerking.

Het is dit grimmige mensbeeld, dat vaker in post-apocalyptische films (denk aan The Road) naar voren komt en wat vermoedelijk niet klopt, maar voor de dreiging in de film beter werkt. Er zit aldus veel meer spanning in en ik zou deze film gerust een scifi-horror willen noemen, waarin de beelden en gebeurtenissen gaandeweg onder je huid kruipen. Wat hierin meespeelt is het weergaloze camerawerk en de voortreffelijke, serene, troostende en minimale muzikale ondersteuning.

De film lijkt sterk geïnspireerd door Tarkovski, de camera is vooral op de aarde (of in dit geval het water) gericht en achtereenvolgens zijn er scènes die op Solaris, Ivan’s Kindertijd en Spiegel geïnspireerd zijn. De lagune zelf doet denken aan het Vietnamese Buffalo Boy (‘Mùa len Trâu’). Enfin, na verloop van tijd heeft de zoon de lagune verlaten en met weinig anders dan zijn vaders notitieboek trekt hij de wijde wereld in op zoek naar antwoorden. De kijker blijft getrakteerd op een reeks mistroostige, doch wonderschone verbeeldingen van de apocalypse.

Elke liefhebber van doommetal zou deze film moeten zien. De dreiging is voortdurend aanwezig, de spanningsboog slechts zelden ontspannen. Of het nu het hoge gras is, of een leegstaand huis. Het camerawerk is zodanig dat we als kijker nauwelijks overzicht hebben. We beleven de film grotendeels door de ogen van de zoon. De lelijkheid raakt eenmalig met een prachtig beeldmetafoor doorbroken. In het warme schijnsel van twee brandende kaarsen weet een agressor zich geraakt door de memoires van de vader hetgeen hem terug mens maakt. Het is te hopen dat deze film zijn weg vindt naar de Nederlandse bioscopen.

 

30 augustus 2021

 
MEER FILMFESTIVAL

Ondertussen: genderneutraal Kalf

Ondertussen, op de redactie:

Genderneutraal Kalf

TIM:

Beste collega’s,

Het kan en zal jullie niet ontgaan zijn: de organisatie van het NFF (Nederlands Film Festival) kwam naar buiten met het nieuws dat er bij het uitreiken van de acteerprijzen (hoofdrol en bijrol) niet langer onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen.

Even was de (film)wereld te klein: acteur Yorick van Wageningen zegde zijn kalverenlidmaatschap op en veel andere prominenten reageerden kritisch. Natuurlijk kent dit besluit ook genoeg voorstanders, en dus is de genderdiscussie weer even heet hangijzer no. #1. Er is en wordt op het moment van schrijven genoeg geschreven door filmjournalisten en andere opiniemakers, maar ik ben ook benieuwd naar jullie mening.

Het besluit is ideaal voor de bühne, omdat het aansluit bij bekende sociaal-culturele en politieke ontwikkelingen en in één keer duidelijk maakt dat de organisatie van het NFF zich hard maakt voor genderinclusiviteit en, bij monde van directeur Silvia van der Heiden, “meebeweegt met de tijdgeest”.

Gouden Kalf

Daar kan ik van alles van vinden, maar het verbaast me niets dat de organisatie hiertoe overgaat. Van de toepassing begrijp ik echter niets. Voor iedere rol worden voortaan vijf acteurs genomineerd. Dat is een ongelijk getal. Vervolgens kan er maar één de beste zijn: een man, een vrouw of iemand die zich in geen van beide categorieën plaatst. Als er voortaan ieder jaar een man zou winnen, zijn de rapen gaar. Als er ieder jaar een vrouw zou winnen ook. Een jury die de twee tegen elkaar afweegt (lees: ervoor zorgt dat niet ieder jaar hetzelfde geslacht wint) is vooringenomen en denkt niet inclusief (denkt in ‘balans’ en dus in hokjes).

Dan is er nog de primaire reden waarom de prijs op de schop is gegaan: non-binaire acteurs kunnen zich niet inbegrepen voelen in de categorie. Wat ik mij afvraag: is er met non-binaire acteurs over dit besluit gesproken? Hoeveel non-binaire acteurs kennen we in Nederland? En hoeveel van hen komen potentieel in aanmerking voor zo’n prijs?

Ik stel mijn vragen met een reden. Straks is er nog iemand boos omdat de acteerprijzen worden opgehaald door een man of een vrouw, en niet door een non-binair persoon. Is dat dan ook niet-inclusief? En áls er dan een non-binair persoon zou winnen, krijgt die waarschijnlijk direct van sceptici te horen dat daar maar één reden voor is. Lang verhaal kort, ik zie niet in welk nobel belang dit besluit kan dienen. Jullie wel?

 

MICHEL:

Waarom werd dit onderscheid in eerste plaats überhaupt gemaakt? Speelt iemands man-zijn of vrouw-zijn daadwerkelijk een rol bij hun acteerprestaties? Er zijn ook geen aparte categorieën voor “Beste Mannelijke Camerawerk” en “Beste Vrouwelijke Camerawerk” die met dezelfde argumenten dan net zo goed gemaakt kunnen worden. Cameramannen winnen die genderneutrale prijs wel erg vaak… De acteerprijzen die opgesplitst zijn voor mannen en vrouwen zijn toch altijd een vreemde eend in de bijt wat dat betreft.

Ik vraag me ook af of je de primaire reden van het besluit wellicht iets te simplistisch opvat. Genderinclusiviteit gaat er niet alleen om mensen die buiten de binary vallen op te nemen in de groep, maar net zo goed om het buiten beschouwing laten van iets banaals als genderverschillen als dit totaal niet van belang is.

Dan kom ik weer terug bij bovenstaande vraag terecht: in welke mate zou iemands man- of vrouw-zijn van belang zijn bij het beoordelen van acteerprestaties? Wellicht leidt het onderscheid tussen mannen- en vrouwenrollen er juist toe dat die vooringenomenheid over genderstereotiepen zwaarder gaat wegen, omdat er inherent dan ook een onderscheid wordt gemaakt tussen ‘mannelijk’ acteerwerk en ‘vrouwelijk’ acteerwerk, wat dat ook mag betekenen.

Er zullen ongetwijfeld de eerste paar jaar mensen gaan klagen, en turven of het allemaal wel eerlijk is, maar dat is een zwak excuus om alles te laten zoals het is. Elke verandering zal de eerste onder een vergrootglas komen te liggen, zeker als het samenvalt met een bredere maatschappelijke discussie als deze. De ongelijkheid die je vervolgens aanstipt, is bij alle andere categorieën net zo goed te vinden, en duiden op grotere structurele problemen die echt niet opgelost zijn met het wel/niet hebben van gegenderde prijzen.

 

TIM:

Laat ik aan mijn aanzet in ieder geval de nuance toevoegen, en daarmee ook ten dele op jou reageren, dat ik het geslacht bij kunde ook niet van belang acht, en de vergelijking die je maakt met cinematografie is een logische en terechte. Ik vraag me alleen af, zoals ik heb willen betogen, of de beleidsingreep wel in een zinvolle verhouding kan staan tot het ideaal dat men ermee wil uitdragen.

Ik heb het dan over de verschillende geschetste dilemma’s, juist rond gelijkheid en eerlijkheid, die kunnen (en ik denk zullen) ontstaan als gevolg van deze beslissing. Uiteindelijk gaat het dan over alles behalve over goede acteerprestaties zonder enig belang van gender, zoals je toelicht. Er is nu maar één prijs en er zijn veel gegadigden – iedereen zal zich graag vertegenwoordigd willen zien en zo zullen de hokjes die de organisatie wil mijden zeker niet verdwijnen.

Misschien was dat anders geweest als we niet beter wisten, en het altijd al zo was geweest dat men maar één acteerprijs uitreikte. Nu draait alles echter om de sociaal-culturele en politieke discussie rond vertegenwoordiging en inclusie, waardoor het argument dat gender sowieso al nooit uit had moeten maken de lading niet echt meer dekt. Kennelijk maakt het namelijk dus álles uit :)

Shahine El-Hamus en Beppie Melissen

Shahine El-Hamus en Beppie Melissen

COR:

Films met een Gouden Kalf voor beste acteur, beste actrice en beste bijrollen krijgen allen extra aandacht. Dat is goed voor de Nederlandse film.

Vorig jaar kregen twee verdienstelijke protagonisten een Gouden Kalf: Shahine El-Hamus (beste acteur De Belofte van Pisa) en Beppie Melissen (beste actrice Kapsalon Romy). Eindelijk een half-Egyptische jongen én een vrouw op leeftijd die met hun films in de spotlights mochten staan…

Openstaan voor de verscheidenheid en gelijkheid van mensen valt of staat niet met nieuwe regels of wetten, maar zit tussen iemands oren.

 

RALPH:

Ik zag onlangs Jungle Cruise met een CGI-jaguar, wat er goed uitzag. Laat AI CGI-acteurs creëren en het vermoedelijk nog lang voortdreinende gesprek hierover verstommen. Vervolgens richten we een aap af om de prijs voor de betreffende CGI-‘acteur’ op te halen en branden we diens biologisch gegeven geslachtsdeel weg.

Voor welk probleem zoekt het NFF een oplossing?

 

29 augustus 2021

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

Bekroonde muziekdocumentaire te zien tijdens IN-EDIT
Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

door Alfred Bos

De Amsterdamse groep Panic was de breker van de eerste punkgolf die in 1978 door Nederland rolde. Het was ook de enige Nederlandse groep die optrad in de Newyorkse club CBGB’s, het punkmekka van Amerika. De documentaire Jimmy Is Punk vertelt hun verhaal.

Het is 1977. Joop den Uyl is minister-president van het enige linkse kabinet dat Nederland na de oorlog heeft gehad. In Engeland roert zich een nieuw geluid, punk. Het waait de Noordzee over.

Jimmy Is Punk – Het verhaal van Panic

Peter ten Seldam zingt en Michiel Van ’t Hof speelt gitaar in de rock-’n-rollband Big Peter and the Garage. Ze rijden van de Amsterdamse Atletiek Club, waar ze sporten, naar de Singel in de binnenstad, waar Ten Seldam woont en de band repeteert. De autoradio speelt een nummer van de Sex Pistols.

Michiel Van ’t Hof: “We zijn langs de kant van de weg gaan staan om te luisteren. Dat moeten we ook gaan spelen!” Kort daarop morft Big Peter and the Garage tot Panic.

Andere tijden
Jimmy Is Punk – The Story of Panic is een reis in de tijd naar 1978. Op 3 mei van dat jaar spelen Ten Seldam, Van ’t Hof, bassist Piet van Dijk en drummer Rein De Graaf in het jeugdwerkclubhuis De Kunstmin in Gouda. Nederland heeft punk net ontdekt en Panic is een van de eerste Nederlandse punkgroepen die een elpee uitbrengt, 13. De zaal is goed gevuld.

Op initiatief van Ten Seldam is het optreden gefilmd, maar het materiaal nooit gebruikt (op een eenmalige vertoning van een ruwe montage in de Amsterdamse dansclub Mazzo na). Het dook op tijdens de voorbereiding van een aflevering van Andere Tijden over punk in Nederland.

Duco Donk, video-editor van beroep en vriend van de groep, monteerde de beelden tot een documentaire, die internationaal furore heeft gemaakt op filmfestivals. DOC LA in Los Angeles gaf de film vorig jaar de prijs voor beste muziekdocumentaire. FAME in Parijs deed hetzelfde.

Geen hanenkammen
Panic stond bekend om hun energieke optredens, met het atletische podiumbeest Peter ten Seldam – een kleine tien jaar ouder dan de andere bandleden – als blikvanger en gangmaker. Punk was in 1978 in Nederland een handvol bands groot: God’s Heart Attack (Amsterdam), Flyin’ Spiderz (Eindhoven, debuutalbum in 1977), Speedtwins (Arnhem), Ivy Green (Hazerswoude-Dorp) en Whizzguy (Huizen). Panics debuutoptreden in de bovenzaal van Paradiso sloeg in als een granaat, herinnert schrijver dezes zich. Peter te Seldam: “We werden direct herkend als dé punkband van Amsterdam.”

Drummer Rein De Graaf overleed in 2010, de andere drie bandleden leven nog. Twee daarvan, Ten Seldam en Van ’t Hof, zitten met Duco Donk rond een tafel. “Het gekke is dat we eigenlijk geen punks waren”, reageert Michiel op Peters opmerking. “Nee”, zegt die, “geen hanenkammen, geen nazisymbolen, geen gekkigheid.” Waarop Donk opmerkt: “Dat zie je goed aan de film. Dat soort punks bestonden op dat moment niet.” Punk als mode kwam pas later, weten we nu.

Laatste kans
Geboren in Amsterdam, groeide Peter ten Seldam na de scheiding van zijn ouders op in internaten en bij pleeggezinnen. In Nijmegen begint hij op de hoek van de straat te zingen. “In mijn eentje, de teksten verzon ik ter plekke.”

Bij een pleeggezin in Harderwijk, in de Biblebelt, heeft een ‘broer’ een Gretsch-gitaar. “Je begrijpt, dat was fantastisch. We hebben nummers gemaakt, er jongens uit de omgeving bijgehaald en toen had ik een band, The Top Diables, de topduivels. En dat ging te gek goed! Ik zat in Harderwijk op het lyceum, laatstekansonderwijs. De directeur roept me bij zich en zegt: ‘Als jij nog één keer optreedt met die band, kun je je eindexamen vergeten.’ Dat was 1962. Met die band en die jongens ging het hartstikke goed, maar het viel even net verkeerd in Har-der-wijk.”

Panic 13

“In 1962 zat ik boordevol verdriet. Als ik op het podium stond, liet ik me op mijn rug vallen, dook ik alle kanten op. Ik deed totaal iets anders dan wat rock-’n-roll toen was. De militairen uit Ermelo kwamen na het optreden aanzetten met kroketten en bier. Leeft de zanger nog?”

Dus jij was in 1962 al de Iggy Pop van Nederland?

Peter ten Seldam: “Zo mag je het rustig noemen. Na zo’n optreden lag ik drie dagen op bed, kon ik me nauwelijks meer bewegen. Dat is later wel wat gekalmeerd. Maar toen ik de jongens van Panic ontmoette, zat het er nog steeds. Op het podium was ik erg beweeglijk. Ik gooide alles eruit wat ik kwijt wilde. Zonder dat ik iemand hoefde te vermoorden.”

Michiel Van ‘t Hof: “Je hebt ook behoorlijke stunts uitgehaald. Van het podium naar de bar, van daar het balkon op en weer terug naar het podium.”

Peter ten Seldam: “Ik probeerde elk optreden weer verrassend te zijn. Ook voor onszelf. Volledige vrijheid, eigenlijk. Elk optreden was een feest. Iedereen was uitgelaten, een dolle boel. Dat is wat je wilt bereiken.”

Studentenbaantje
In 1977 wonen Piet van Dijk en Michiel Van ’t Hof op een studentenflat in Amsterdam. Ze deden aan studentenactivisme, wat toen heel gewoon was, en repeteerden als bandje, net iets minder gewoon. “We zochten iemand met een andere invalshoek”, aldus Van ’t Hof.

Peter ten Seldam was na zijn vroegere ervaringen als rock-’n-rollzanger nooit vergeten hoe leuk het was op het podium te staan. “Ik heb gezocht en gezocht. Ik heb nog geprobeerd om een band te vormen met die jongen die toen portier was bij Paradiso, de latere punkdichter Ton Lebbink. Die drumde en woonde iets verderop bij mij op de Singel. Het lukte maar niet. Moeilijk hoor, om een band van de grond te krijgen.”

Piet van Dijk sorteerde post, een studentenbaantje. De toenmalige vriendin van Ten Seldam werkte daar ook. “Zo ben ik met Piet en Michiel in aanraking gekomen. Ik woonde op dat moment op de Singel, twee huizen van Yab Yum. Dat pand stond halfleeg. Dus daar konden we een oefenruimte maken. Dat scheelt, als je goed kunt repeteren. Mamma mia!” Van ’t Hof: “Jij woonde schitterend.”

Ten Seldam was op de dat moment de dertig ruim gepasseerd, de anderen een stuk jonger. Voelde hij een generatieverschil? “Nee, dat heb ik geen moment gehad. Ik zocht gewoon een nieuwe band.”

Van ‘t Hof: “Er was direct een klik.”

Ten Seldam: “Ik was er helemaal rijp voor!”

Knipmes op buik
Binnen een jaar ging Panic van niks tot elpee, 13 verscheen in het voorjaar van 1978. “Moet je je voorstellen”, zegt Ten Seldam. “We sliepen in de studio op de grond en dan gingen we weer door.”

Van ‘t Hof: “Dat was een studio in Badhoevedorp. Je hoorde de vliegtuigen overkomen. Kennelijk waren de elementen van mijn gitaar niet goed geïsoleerd, want je kon af en toe de communicatie van de piloten met Schiphol horen.”

In 1978 heeft Nederland nog geen clubcircuit. De groep speelt doorgaans in jeugdhonken die worden gerund door jongerenwerkers. Van ’t Hof: “Als we moesten optreden, zetten we de bus voor het huis van Peter op de Singel om de spullen in te laden. Om drie uur ’s middags werden de meisjes gebracht die naar hun werk bij Yab Yum gingen. Als wij om drie uur ’s nachts terugkwamen om uit te laden, gingen zij weer naar huis. Over de gracht hing dan een walm van parfum en andere geurtjes, dat is me altijd bijgebleven.”

Die optredens waren vaak, in de woorden van Peter ten Seldam, een dolle boel. “In Zwolle speelden we in een clubhuis”, vertelt hij. “Ik had een flesje petroleum bij me. Iemand gaf me een fakkel en ik spuug een golf van vuur over de hoofden in de zaal. Na afloop heeft een jongen die onder die vuurbal stond, ons bedreigd met messen. Toen we wegreden vlogen de stenen door de lucht.”

In De Trol in Hoorn krijgt hij een knipmes tegen zijn buik gezet. “Wat is dat? Oh, je wilt zingen. Nou, prima. Stond ik met een knipmes op mijn buik met een jongen te zingen.”

Panic in New York

Optreden in New York
In de zomer van 1978 stapt Peter ten Seldam met een doos elpees onder zijn arm op het vliegtuig naar New York en benadert Hilly Kristal, de baas van CBGB’s, de club waar The Ramones, Blondie, Talking Heads, Television en Patti Smith hun eerste optredens deden. Hij krijgt het voor elkaar dat Panic er in juli kan spelen. Ze zijn de enige Nederlanders die dat kunnen zeggen.

Het tweede optreden is uitgezonden door het lokale WPIX FM-radiostation; het concert staat op Spotify. Peter ten Seldam: “Amerikaanse bands zeiden tegen mij: ‘It takes years to get into this place, how did you do it?’ Voor Hilly Kristal was het ook een kick, een band uit Nederland.”

De groep speelt voor het laatst in hun thuishaven Paradiso op 22 november 1978, Ten Seldam is voor de gelegenheid verkleed als Sinterklaas (ook dat optreden staat op Spotify). Na een optreden in Zwolle valt de groep uit elkaar. Het is februari 1978, nog geen jaar na hun eerste en enige album. Ook daarin kunnen ze zich spiegelen aan de Sex Pistols.

Film als tijdmachine
Jimmy Is Punk – The Story of Panic werkt als een tijdmachine, hij teleporteert de kijker terug naar 1978. En dat is precies de bedoeling van regisseur Duco Donk. “Ik baal vaak van muziekdocumentaires. De muzikanten worden heilig verklaard en het is terugkijken op. De kracht van dit materiaal is dat je er bij bent. Dat wilde ik optimaal benutten door niet terug te gaan kijken. Maar je mee te nemen naar toen. En daar te blijven.”

“Filmmakers praten vaak over het vertellen van verhalen. Dat betekent niet dat je iemand gaat filmen die een verhaal vertelt. Film betekent dat je een verhaal met film vertelt. Deze film vertelt het verhaal ‘Hoe was het nou echt?’ Dat is een verhaal met beelden. Als je de kracht van dit materiaal ziet, kun je het alleen maar verkloten met woorden.”

“In de film zit een moment dat mij erg aanspreekt”, bekent Van ‘t Hof. “Peter geeft de microfoon aan een jongen uit het publiek. Die jongen komt er niet helemaal uit, maar wij spelen gewoon door. Net zolang tot Peter de microfoon terugkrijgt en dan gaan we, hup, naar het volgende akkoord. We wisten van elkaar wat er moest gebeuren.”

Rock-’n-rollstoel
Peter ten Sendam, 78 inmiddels, gebruikte rock-’n-roll en punk om zijn emoties te ventileren. Werd hij daar op aangekeken bij de atletiekvereniging?

“Nee, helemaal niet. Eerder het tegendeel, ze wisten het wel te waarderen. Bij een optreden was er een keer een invalide man in een rolstoel. Die kwam uit enthousiasme omhoog. Kijk nou, hij staat!”

Zo zie je maar, rock-’n-roll geneest.

“We straalden een vreugde uit. Een ontwapende benadering van rock-’n-roll waar niemand woedend van werd.”

Jimmy Is Punk – The Story of Panic draait op 18 juni (Ketelhuis, 19:15) en 19 juni (Melkweg, 21:45) tijdens het IN-EDIT festival te Amsterdam; op 26 juni in Eindhoven (LAB-1, 15:00), op 3 juli in Nijmegen (LUX, 19:15) en op 4 juli in Den Bosch (Willem II, 14:45)

 

13 juni 2021

 

MEER INTERVIEWS

IN-EDIT 2021 preview

Van 16 tot en met 20 juni in Amsterdam
IN-EDIT doet het met muziek

door Alfred Bos

IN-EDIT richt zich op muziekdocumentaires. Achttien jaar geleden begonnen in Barcelona is het filmfestival uitgewaaierd over meerdere continenten. De derde Nederlandse editie vindt plaats van 16 tot en met 20 juni in Amsterdam. Een deel van het programma gaat in de weken daarna op tournee door Nederland.

Zoveel soorten muziek, zoveel soorten muziekfilms. Biopics, concertregistraties en documentaires zijn een vast – en in aantal groeiend – onderdeel van het bioscoopprogramma. IN-EDIT toont een keur uit het aanbod dat te obscuur wordt geacht voor een reguliere release. Wat uiteraard niets zegt over de kwaliteit van de film. Of de muziek.

Jimmy Is Punk – The Story of Panic

Jimmy Is Punk – The Story of Panic

Seks, drugs en rock-’n-roll
Neem Jimmy Is Punk – The Story of Panic. Op 3 mei 1978 speelde de Amsterdamse punkband Panic in De Kunstmin in Gouda, een optreden dat op initiatief van zanger Peter ten Seldam werd gefilmd. Tijdens de beeldresearch voor een aflevering van het tv-programma Andere Tijden kwam het materiaal boven water en Duco Donk, video/editor van beroep, vulde het aan tot een documentaire over de meest spraakmakende band van de eerste punkgolf in Nederland.

De film is meer dan een cultuurhistorisch document, hij werkt als een tijdmachine die de kijker katapulteert naar 1978. De energie is verbluffend, de band hecht ingespeeld en Ten Seldam een podiumbeest à la Iggy Pop. De concertregistratie vangt de interactie tussen band en publiek, en toont in het voorbijgaan de kleingeestigheid van de zaaleigenaar. Jimmy Is Punk – The Story of Panic is een parel en kreeg volkomen terecht de onderscheiding voor beste muziekdocumentaire tijdens het DOC LA-filmfestival van 2020.

Ook geworteld in de punkscene van 1978, maar dan in Los Angeles, is de meidenband (zo heette dat toen) The Go-Go’s, die in 1982 als de eerste volledig uit vrouwen bestaande rockgroep de bovenste plaats van de Amerikaanse albumlijst behaalde. Hun debuutalbum The Beauty and the Beat – met de hits Our Lips Are Sealed en We Got The Beat – is verplichte kost voor ieder new wave-liefhebber, en al legden ze het in Europa af tegen The Bangles, in Amerika is de groep een levende legende.

Dat meiden op het vlak van seks, drugs en rock-’n-roll, als ook nijd en na-ijver, niets onderdoen voor jongens, toont de documentaire The Go-Go’s van Alison Ellwood. Excessen, verslaving, psychische nood, botsende karakters—het hoort er kennelijk allemaal bij. Maar ze leven nog en zijn, al is het met onderbrekingen, nog altijd actief.

My Darling Vivian

My Darling Vivian

Correctie op biopic
Vivian Liberto had, naast racisme, ook de maken met de excessen van het muzikantenbestaan, maar dan als eerste vrouw van muziekicoon Johnny Cash. De documentaire My Darling Vivian van Matt Riddlehoover doet recht aan een bestaan buiten de schijnwerpers dat even veel drama kende als dat van menig muziekidool. Liberto, moeder van de Amerikaanse country en rootsrock-ster Rosanne Cash, stond lange tijd in de schaduw van Cash’s tweede vrouw, June Carter, lid van de legendarische Carter-muziekdynastie en moeder van zangeres Carlene Carter.

My Darling Vivian corrigeert het beeld dat James Mangolds biopic Walk the Line uit 2005 (met Joaquin Phoenix als Cash en Reese Witherspoon als Carter) van Liberto schetst. Doorsneden met een schat aan beeldmateriaal uit het familiefilmarchief komen de vier dochters aan het woord over hun moeder – en vader. Wie daar niet genoeg aan heeft, leze Liberto’s autobiografie I Walked the Line. Voor haar schreef Johnny Cash zijn eerste hit, I Walk the Line.

Sisters with Transistors

Sisters with Transistors

Pionieren met ringmodulator en synthesizer
Vrouwen speelden een belangrijke, maar onderbelichte rol in de ontwikkeling van de elektronische muziek. Sisters with Transistors van Lisa Rover geeft in negentig minuten korte introducties van tien vrouwen die pionierden met toongeneratoren en synthesizers. Daphne Oram, Bebe Baron en Delia Derbyshire zijn niet half zo beroemd als Vangelis of Kraftwerk; laat staan dat iemand heeft gehoord van de thereminvirtuoos Clara Rockmore, de Française Eliane Radigue (assistent van de avant-gardecomponisten Paul Schaeffer en Pierre Henry) of de Amerikaanse Laurie Spiegel die de eerste componerende algoritmes schreef.

Daphne Oram was medeoprichter van de vermaarde BBC Radiophonic Workshop, waar intromuziek en geluidseffecten voor radio en tv werden gemaakt met niet-traditionele instrumenten als ringmodulator en bandrecorder. Daar produceerde Delia Derbyshire in 1963 de futuristische themamuziek voor de nog steeds lopende tv-serie Dr. Who. Bebe Baron maakte met de apparaten die door haar man Louis in elkaar werden gesoldeerd in 1956 de eerste volledig elektronische filmsoundtrack, die van Forbidden Planet.

Rode draad door de verhalen van de tien vrouwen: gebrek aan respect, tegenwerking, ze werden (en worden vaak nog) niet serieus genomen. Geboren uit noodzaak maakten ze van de punkattitude ‘do it yourself’ een deugd en creëerden unieke muziek. De enige namen die het publiek mogelijk iets zeggen zijn die van Pauline Oliveros en Wendy Carlos. En die laatste werd geboren als – man.

Rockfield: The Studio on the Farm

Rockfield: The Studio on the Farm

Oase van rust
In 1963, na een vruchteloze ontmoeting met Beatles-producer George Martin, begonnen de boerenzonen Kingsley en Charles Ward een opnamestudio in een stal van het familiebedrijf in Monmouth, Wales. Ze bouwden er een gastverblijf bij en in 1965 werd Rockfield de eerste studio-met-logies ter wereld. Er zijn honderden, zo geen duizenden platen opgenomen; de beroemdste is ongetwijfeld Bohemian Rhapsody van Queen.

De eerste Nederlandse groep die er opnam, was The Bintangs (hun vierde elpee, Genuine Bull, uit 1975), maar die komen we niet tegen in de documentaire Rockfield: The Studio on the Farm. Regisseur Hannah Berryman spreekt gevestigde acts als Black Sabbath, Coldplay, Oasis en Manic Street Preachers; hun verhalen zijn weinig schokkend. Uitzondering zijn Jim Kerr en Charlie Burchill die iets duidelijk maken over de muzikale ontwikkeling van Simple Minds. Queen ontbreekt.

Landelijkheid en rust blijken voor veel muzikanten niet te staan voor inspiratie en door isolement afgedwongen creativiteit, maar vooral voor verveling, zodat de lokale kroeg de voornaamste winnaar blijkt te zijn van de voor gestresste muzikanten ideale situatie, op papier althans. Het wordt triest genoeg geïllustreerd door het verhaal over (niet van) Rob Collins, toetsenman van The Charlatans, die in 1996 zijn auto fataal parkeerde in een weiland.

Folk-‘n-roll
Naast genoemde films biedt IN-EDIT documentaires over onder meer Poly Styrene, zangeres van de Engelse punkband X-Ray Spex (Poly Styrene: I Am a Cliche); New Order, de groep van de klassieker Blue Monday (New Order: Decades); de Amerikaanse singer-songwriter Eric Anderson (The Songpoet); een portret van de Italiaanse zanger Lucio Dalla (For Lucio); twee films over hiphop: American Rapstar en It’s Yours: A Story of Hip Hop and the Internet; en Ibiza: The Silent Movie, waarin regisseur Julian Temple een beeld schetst van partyeiland Ibiza.

Diezelfde Julian Temple is verantwoordelijk voor de film waarmee IN-EDIT haar derde Nederlandse editie op woensdag 16 juni aftrapt. Crock of Gold: A Few Rounds with Shane MacGowan, een filmportret van de voorman van de Ierse folkpunkband The Pogues; hij gaat door het leven met eeuwige dorst. Documentairemaker en clipregisseur Temple, de vader van actrice Juno, is generatiegenoot van Don Letts en eveneens gespecialiseerd in documentaires over muziek en jeugdcultuur. Zijn portret van McGowan is even raak als onthullend.

IN-EDIT vindt van woensdag 16 tot en met zondag 20 juni plaats in de Westergasfabriek, Melkweg en FC Hyena te Amsterdam. Een aantal films is in de weken daarna te zien in andere steden. Klik hier voor het volledige programma en kaarten.

 

9 juni 2021

 
MEER FILMFESTIVAL

IFFR 2021 (juni-editie) – Dicht op elkaar

IFFR 2021 (juni-editie) – Deel 3:
Dicht op elkaar

door Sjoerd van Wijk

Het IFFR gooide voor het tweede deel van haar jubileumprogramma de zalen open in het enige land ter wereld waar de volksvertegenwoordiging voor een strategie van kudde-immuniteit koos. Dat leidt begrijpelijkerwijs tot een tweedeling in de filmgemeenschap. Zij die zich laten verblinden door de schoenkeuze van een minister konden in de zaal pretenderen dat de crisis voorbij is, andere filmliefhebbers mochten streamen.

 

Everything Is Cinema

Everything Is Cinema – Desillusie
In een van de weinige films op het IFFR waar de coronapandemie expliciet een rol speelt, waart een vergelijkbaar cynisme rond. In Everything Is Cinema vertelt filmmaker Don Palathera als de fictieve Chris over hoe zijn plannen om in navolging van Louis Malle een documentaire over Calcutta te maken al snel in het water vallen als het virus om zich heen begint te grijpen. In plaats daarvan zit hij opgescheept in een appartement met zijn vrouw Anita.

Gepresenteerd als een uit noodzaak gemaakte documentaire fulmineert Chris over de nietsvermoedend door het beeld dartelende Anita (gespeeld door co-scenariste Sherin Catherine). Hij zanikt over haar vermeende oppervlakkigheid of filosofeert over cinema zelf voordat hij uit mededogen met zijn kijker beelden van het pre-pandemieleven in Calcutta toont, waardoor het geheel een meditatief karakter krijgt. Met name een ruzie over een paar eieren resoneert daarin, waarmee Everything Is Cinema de desillusie over de veranderde levensplannen post-pandemie gestalte geeft.

 

Decameron

Decameron – Hartenkreet
In Hong Kong bleven de in 2019 gehouden protesten tegen de uitleveringswet doorlopen tot in 2020. Decameron levert op bezielende wijze een ooggetuigenverslag af van de situatie daar anno nu. Deze politieke documentaire zoekt naar wat Hong Kong nu zo uniek maakt, een plaats die zichzelf in tegenstelling tot de CCP niet als China ziet. Krantenknipsels, nieuwsfragmenten, nagespeelde scènes en beelden van de protesten vormen daarbij een eclectisch geheel die regisseur Rita Hui Nga Shu vernuftig met elkaar verweeft.

Een lange metrorit overdondert met alle protestgeluiden galmend op de achtergrond. Een personage met mondkapje kijkt uitdagend in de camera voordat plots het beeld oprekt voor een weids shots van Hong Kong in beweging als water (zoals hun protesttactieken). Als een van de fictieve personages in een restaurant iemand confronteert wiens juridische gevecht tot de wet leidde, botsen verschillende elementen op elkaar. Ondanks het beschouwende karakter ligt overal een storm op de loer. Het resulteert in een hartenkreet nog extra onderstreept door een aftiteling waarin de makers aangeven ‘fucking’ te houden van Hong Kong.

 

A Man and a Camera

A Man and a Camera – Vol van vertrouwen
Voor A Man and a Camera belde filmmaker Guido Hendrikx een paar jaar aan bij willekeurige voordeuren om degene die opendoet zwijgend te filmen tot deze er genoeg van heeft. Zijn regels: geen communicatie met de mensen en zelf geen initiatief nemen. Dat eenvoudige conceptuele gegeven levert een scala aan reacties op met als de gemene deler de vraag waarvoor hij dit doet. De een lacht ongemakkelijk en doet de deur weer dicht, de ander besluit de camera uit Hendrikx’ handen te slaan. Een derde nodigt hem binnen uit en probeert tevergeefs een kopje koffie te slijten.

De film dreigt snel te verzanden in een foefje doordat veel reacties in dezelfde categorie vallen. Gaandeweg wisselt Hendrikx echter van de meer wantrouwende personen naar degenen die vooral erom kunnen lachen en zelf maar een heel verhaal beginnen als de cameraman zijn mond houdt. Paradoxaal genoeg komen de meest oncomfortabele momenten wanneer hij het volst in vertrouwen wordt genomen. Het alledaagse krijgt iets zinderends doordat de cameraman er ongehinderd bij zit en deel mag uitmaken terwijl het toch echt bedtijd wordt (‘welterusten’) of dat iemand even tien minuten de deur uit moet. Zo dicht op en met elkaar – het onthutst in een land waar een virus laten uitrazen de normaalste zaak van de wereld is.

 

8 juni 2021

 

IFFR 2021 (juni-editie) – Terug naar de bioscoop (?)
IFFR 2021 (juni-editie) – Een soep van heden en verleden

 
MEER FILMFESTIVAL