Blue Moon

***
recensie Blue Moon
Toneel als film

door Cor Oliemeulen

Lorenz Hart was een van de meest invloedrijke Amerikaanse songwriters van zijn tijd. Samen met componist Richard Rodgers schreef hij 28 musicals en meer dan 500 nummers, waaronder Blue Moon. Aan hun samenwerking komt abrupt een einde als Rodgers kiest voor een nieuwe tekstschrijver: Oscar Hammerstein.

Regisseur Richard Linklater – zijn Godard-reconstructie Nouvelle Vague draait sinds eind november in de bioscoop – liep al ruim tien jaar geleden met het scenario van Blue Moon onder de arm, maar vond acteur Ethan Hawke (Boyhood, Before-trilogie) toen nog te jong. Een uitstekende keuze, want een gerijpte Hawke speelt de sterren van de hemel als de tragikomische Lorenz Hart. We treffen hem in een bar op Broadway waar hij troost zoekt in een fles martini. Wanneer Rodgers, Hammerstein en hun entourage na de première van hun eerste musical, Oklahoma!, vol enthousiasme arriveren, realiseert Hart zich dat zijn succes nooit meer zal terugkeren.

Blue Moon

Scherp van geest en woord
Hawke maakt van Hart geen karikatuur van een gevallen genie, maar speelt een vat vol tegenstrijdigheden: scherp van geest en woord, maar soms ook onberekenbaar. Terwijl barman Eddie (Bobby Cannavale) een luisterend oor biedt – met zo nu en dan een weerwoord – analyseert Hart muziek, mensen en zijn eigen falen in een waterval van mooi geformuleerde zinnen en met een blik die voortdurend zoekt naar bevestiging.

Zijn onzekerheid wordt benadrukt door de manier waarop Hart, met zijn geringe lengte van ruim anderhalve meter, slim in beeld wordt gebracht. Vaak staat en zit hij letterlijk lager dan de andere personages, moet hij bijna op zijn barkruk klimmen en wordt hij gefilmd vanuit hoeken die hem nog kleiner doen lijken. Zijn oversized pak en een gebogen houding versterken dat effect. Zo is Hart een kop kleiner dan Elizabeth (Margaret Qualley), een jonge, knappe theaterstudente die van hem wil leren en hem bewondert om zijn taalgebruik en scherpte. Zij ziet hem als mentor; hij is verliefd, maar zich pijnlijk bewust van de illusie.

Blue Moon

Pijnlijke confrontatie
De emotionele kern van de film ligt echter in de relatie tussen Lorenz Hart en Richard Rodgers (Andrew Scott). Hart spreekt met diep respect over Rodgers. “Hij is een genie. Er is niemand met zijn bereik en vindingrijkheid, zijn toffe, mannelijke melodieën die aanzwellen als heimachines.” Tegelijk is hij meedogenloos eerlijk: Rodgers is volgens hem een kilhartige klootzak maar wel een die een melodie kan laten zweven.

Naarmate de avond vordert, wachten we op het moment waarop Hart het onvermijdelijke contact zoekt met Rodgers, die voortdurend wordt opgehouden door mensen die hem feliciteren met het succes van zijn musicalpremière. Hart krimpt steeds verder ineen, maar vertrouwt op zijn woorden. De confrontatie die volgt is ingetogen en pijnlijk. Nadat ze zich even hebben teruggetrokken uit de drukte zegt Rodgers: “Ik dank mijn beroepsleven aan jou. Je werk is briljant.“ Maar dan wordt duidelijk waarom hij na twintig jaar niet langer met Hart kon samenwerken. Het is geen verwijt, maar een vaststelling – en juist daardoor zo vernietigend.

Blue Moon is een hommage aan een briljante verteller die zichzelf langzaam buitenspel heeft gezet. Dankzij de tour de force van Ethan Hawke is Lorenz Hart geen voetnoot in de muziekgeschiedenis, maar een levende, tragikomische figuur die uiteindelijk zichzelf verloor.

 

14 januari 2026

 

ALLE RECENSIES

Bugonia

***
recensie Bugonia
De routine van een wankele koning

door Bert Potvliege

Bugonia vertelt het verhaal van de meelijwekkende incel Teddy (Jesse Plemons), die zakenmagnaat Michelle (de alweer indrukwekkende Emma Stone) ontvoert. Teddy vermoedt namelijk – hou je vast – dat Michelle een buitenaards wezen is dat van plan is de aarde te vernietigen. Tijdens haar gevangenschap ontstaat een vreemde, maar intrigerende dynamiek tussen dader en slachtoffer. Teddy blijkt beïnvloedbaar maar gevaarlijk, terwijl Michelle allerminst zo onschuldig is als ze lijkt.

Al enige tijd lijkt het alsof de Griekse filmmaker Yorgos Lanthimos weinig fout kan doen in de ogen van de modale cinefiel. De bejubeling is al jaren aan de gang – Dogtooth was zijn doorbraak, maar pas met de overstap naar Hollywood werd zijn naam klinkend. Films als The Favourite en Poor Things sloegen gensters. De eerste barsten toonden zich vorig jaar, met het lauwe onthaal van Kinds of Kindness. Herpakt de regisseur zich met Bugonia?

Bugonia

Onfris gedrag
Op het eerste gezicht lijkt Lanthimos met deze film (gebaseerd op de Zuid-Koreaanse cultfilm Save the Green Planet! uit 2003) zijn eigen versie van Kurosawa’s High and Low te hebben gemaakt: beide films onderzoeken klassenverschillen via een ontvoeringsplot. Maar de film ontvouwt zich evenzeer tot een maatschappijkritische reflectie op onze gebrekkige mediawijsheid en de omgang met online complottheorieën. Uiteindelijk laat Lanthimos zijn verhaal bewust ontsporen en verzandt Bugonia in een zonderlinge, absurdistische bedoening die dicht aanleunt bij de cinema van Alex van Warmerdam (Nr. 10). De cineast lijkt er zichtbaar plezier in te scheppen opnieuw te mogen regeren als the king of weird.

Toch is de beleving van Bugonia niet zonder brokken, want in het eerste uur lijkt er sleet te zitten op zijn formule. De bizarre aard van zijn verhalen – waarin personages terugvallen op hun dierlijke instincten zodra sociale conventies wegvallen – is intussen te herkenbaar geworden. Sommige komische noten zijn bij de haren gegrepen – het personage Don, Teddy’s neef die een handje toesteekt bij de ontvoering, is flauw en kleurloos. Wat bij Dogtooth nog fris, gewaagd en grappig aanvoelde, voelt hier soms krampachtig. De herhaling dreigt; Lanthimos persifleert zichzelf. De eerste helft van Bugonia baart zorgen.

Aan het rare roer
Dat de film gaandeweg wel de moeite blijkt te zijn, heeft alles te maken met het talent en de vaardigheden van cast en crew. Het heeft haar een aantal jaren inzet gekost – niet in het minst om het publiek ervan te overtuigen – maar Emma Stone mag zich een grote actrice noemen. Hoe verder de film vordert, hoe sterker haar aanwezigheid blijkt. Ze krijgt het nodige weerwerk van Jesse Plemons, die de laatste jaren naam maakte met rollen in The Power of the Dog, Killers of the Flower Moon en Civil War. Met die twee aan het roer is de casting alvast een schot in de roos. Het is vermakelijk om te zien hoe ze, na de wat ongemakkelijke start, steeds dieper worden meegezogen in het gekker wordende geheel.

Bugonia

Toch blijft het Lanthimos zelf die de aandacht naar zich toetrekt. Niet al zijn werken lieten zich even vlot verteren, maar zijn greep op de hedendaagse filmwereld is groot. Zijn oeuvre is bevreemdend, maar altijd met overtuiging en verbeelding gebracht. In de tweede helft breekt hij Bugonia open: de gekte wordt intenser, de narratieve wendingen volgen elkaar sneller op, en plots zit de film op het juiste spoor. Het resultaat is zowel geestig als meeslepend. In de zaal was het enthousiasme voelbaar – zeker bij die ene toeschouwer die onophoudelijk zat te gieren van het lachen.

Shoot sleep repeat
Na het wat wrange Kinds of Kindness zet Lanthimos opnieuw een stap in een meer publieksvriendelijke richting, met meer ruimte voor amusement en toegankelijkheid. Toch loert gevaar, want de cineast dreigt zichzelf in een hoek te werken waar het eigen werk herkauwd wordt tot in het oneindige. Ook zijn tempo – drie films in twee jaar – voelt onhoudbaar. Wanneer filmmakers te snel produceren, verstikt vaak het momentum dat hun werk kracht geeft. Luca Guadagnino (Challengers, Queer) heeft momenteel hetzelfde probleem.

Met Bugonia bewijst Lanthimos dat zijn bizarre universum nog steeds kan verrassen, al kraakt zijn formule bij momenten onder haar eigen gewicht. Als hij zichzelf de komende jaren wat ademruimte gunt, kan die eigenzinnigheid weer de frisheid terugkrijgen die ooit zo onweerstaanbaar was.

 

28 oktober 2025

 

 

ALLE RECENSIES

Black Dog

****
recensie Black Dog
Blaffend het verval ontvluchten

door Bert Potvliege

Black Dog, de nieuwe film van de succesvolle Chinese cineast Guan Hu, staat al een tijdlang op de radar van filmfans wereldwijd. Hu won met dit portret over de vriendschap tussen mens en dier de hoofdprijs in de Cannes-nevensectie Un Certain Regard. 

Guan Hu is niet de meest klinkende naam in onze contreien – Black Dog was zijn eerste film in Cannes – maar in zijn thuisland oogst de man al 15 jaar succes. Hij kwam op de proppen met onder meer het indrukwekkende oorlogsepos The Eight Hundred en zijn films deden de kassa’s rinkelen. Hu’s nieuwe film lijkt wat gas terug te nemen en brengt in alle sereniteit en met een knappe visuele stijl een sterk verteld relaas over een naar elkaar toegroeiende ex-bajesklant en een zwerfhond. 

Black Dog

Hondsdol China
De film speelt zich af aan de rand van de Gobiwoestijn, aan de vooravond van de Olympische Spelen van 2008 in Peking. De introverte Lang (een sterke Eddie Peng heeft nauwelijks dialoog in de hoofdrol) keert na zijn gevangenschap terug naar zijn wegdeemsterende heimat, Chixia. Het is een stad in verval, terwijl het moderne China volop in ontwikkeling is – wat ook prominent aan bod kwam in het recent verschenen Caught by the Tides.

Lang sluit zich aan bij de hondenpatrouille, die met het nakende sportevenement de zwerfhonden uit de stad wil verdrijven. Hij heeft een dikke kluif aan een zwarte hond die hij probeert te vangen. De hele stad is op zoek naar het dier, dat aan hondsdolheid zou lijden. Maar Lang haalt in het geniep de hond in huis. Het duurt niet lang eer een bijzondere band ontstaat tussen beide. De vriendschap die zich vormt, vertedert.

Maar de zondes uit het verleden komen bovendrijven. Lang moet zijn vroeger gemaakte fouten met zich meezeulen in dit nieuwe bestaan. Enkele louche figuren duiken op met een openstaande rekening. Hij wenst ook de relatie met zijn vervreemde vader – nu een dronkaard die in de vervallen dierentuin verblijft – te herstellen. In het leren vrede nemen met wat hij op zijn kerfstok heeft, vindt de solitaire Lang verlossing in het zorgdragen voor zijn nieuwe huisdier. Zoals het een symbolisch verhaal als dit betaamt, zal niet enkel hij de hond redden maar de hond ook hem.

De Grote Narratieve Verlossing
Hu presenteert met Black Dog een solide portret. Vooral in de eerste helft van de film komt de verhaaltechniek best uit de hoek, met sterke scènes en een doorwrocht ritme dat de nodige ademruimte toelaat. Een eind verderop verliest het geheel wat van zijn pluimen met een te nadrukkelijke symbolische afwikkeling, onvoldoende zin voor risico en een hapklare catharsis. Dat mens en hond – twee verloren gelopen dieren – elkaar zouden verlossen, stond in de narratieve sterren geschreven.

Een verhaal aanvangen met een door het verleden getroebleerd personage dat naar zijn thuis terugkeert, is een beproefde aanzet voor een plot – het vorige jaar verschenen La Chimera deed hetzelfde (ook met een ex-gevangene als hoofdpersonage). De insteek van het scenario zal geen potten breken, maar Hu slaagt erin om het deugdelijk te vertalen naar het scherm. De openingsscène is een binnenkopper. De setting krijgt ruimschoots welverdiende aandacht. De plot wordt op heerlijk eenvoudige manier op gang getrokken met dialogen als “als we hier fabrieken willen, moeten we die honden afmaken”. De vele zwerfhonden in beeld hebben een mooie thematische lading en doen vaagweg denken aan die in Jacques Tati’s Mon Oncle, maar dan in overdrive.

Black Dog

Visuele zuurstof
De ware rijkdom van de film schuilt echter niet in het scenario, maar in de vormelijke kwaliteit van het geheel. Black Dog is een indrukwekkende breedbeeldfilm, met knappe beeldkaders die spreken over een desolaatheid en verpaupering – alsof de setting, net als de protagonist, verlossing verdient. Wat een verademing om een film te zien die het aandurft op voldoende afstand van de personages te blijven (er zit geen enkele close-up in de film) zodat de locaties alle zuurstof krijgen en alle figuren in beeld deelachtig voelen aan die achtergrond. Anders gezegd: de achtergrond is een personage op zich en wordt deel van de voorgrond.

De audiovisuele klasse van Black Dog bedekt met een kleine mantel der liefde de terechte muggenzifterij over de afwikkeling van de plot, dat iets te laag mikt. De film is inhoudelijk en thematisch zonder meer in orde, maar het is de cinematografische presentatie die Hu’s film naar een hoger niveau tilt.

Tot slot wijzen we erop dat Black Dog een zoveelste recente film is die toont dat het verbeelden van de band tussen mens en dier een geliefd filmonderwerp is. Eerder verscheen hierover een artikel bij InDeBioscoop, dat je hier kunt lezen.

 

23 april 2025

 

ALLE RECENSIES

Becoming Led Zeppelin

***
recensie Becoming Led Zeppelin
Documentaire schreeuwt om vervolg

door Cor Oliemeulen

De documentaire Becoming Led Zeppelin over de beste rockband ooit is vooral voer voor fans. Zoals de filmtitel aangeeft beperkt regisseur Bernard MacMahon zich tot de ontstaansgeschiedenis. Dat is leuk als het gaat om de vele anekdotes, maar jammer omdat er juist ook na die eerste jaren zoveel interessants te vertellen, te horen en te zien valt.

De vier leden van Led Zeppelin worden geïntroduceerd als oorlogskinderen in Engeland, geboren in of net na de Tweede Wereldoorlog. Ze groeien op in de jaren ’50 en ’60 als er een nieuwe jeugdcultuur ontstaat, beïnvloed door de rock-‘n-roll en de blues uit Amerika.

Becoming Led Zeppelin

Jimmy, John Paul, Robert en John
Becoming Led Zeppelin wisselt anekdotische interviews af met archiefbeelden, foto’s en geluidsfragmenten. Zo speelde gitarist Jimmy Page al in een bandje op de middelbare school en luisterde veel naar Amerikaanse rock-‘n-roll. Hij ging werken als studiomuzikant in Londen. Page heeft zijn agenda van 1964 goed bewaard. De camera zoomt in op de data waar hij zijn afspraken heeft genoteerd. Sessies met The Rolling Stones, David Bowie, Petula Clark, en voor de eerste plaat van The Who.

In de studio’s liep hij bassist/toetsenist John Paul Jones tegen het lijf. Jones vertelt dat hij stamt uit een muzikale familie en op zijn veertiende speelde op het kerkorgel bij een ‘coole priester’. Jones deed naar eigen zeggen vooral ‘brave’ studiosessies, zoals voor zangeres Lulu. Hij speelde samen met Page in het orkest dat het Bond-nummer Goldfinger van Shirley Bassey in de Abbey Road Studios opnam.

Net als Jimmy Page en John Paul Jones was zanger Robert Plant actief in allerlei bandjes. Hij vertelt over de ‘shock’ die hij voelde toen hij Little Richard hoorde zingen. Dat wilde hij ook, maar dan het liefst blues en R&B. Dat schoot bij zijn ouders in het verkeerde keelgat, want die zagen liever dat hij ging werken als accountant.

En dan is er nog drummer John Bonham, bekend van zijn krachtige, ritmische stijl. We zien hem niet in interviews, maar horen zijn stem, want hij overleed in 1980. Eén ontroerende blik van Robert Plant is eigenlijk alles wat de documentaire te melden heeft over deze tragische gebeurtenis en het einde van de legendarische band. Plant zat samen met Bonham in The Band of Joy, dat voornamelijk blues- en rockcovers speelde. We horen hoe Bonham praat over zijn grote voorbeeld Gene Krupa en hoe hij al op jonge leeftijd een gezinnetje sticht.

The New Yardbirds
In Becoming Led Zeppelin wordt Jimmy Page neergezet als de oprichter en leider van de band. Hij speelde als bassist samen met gitarist Jeff Beck in The Yardbirds. Toen deze band in 1968 uiteenviel, bleef Jimmy Page als enige over met de rechten op de bandnaam. Hij had nog een contract om een paar shows te spelen, dus moest hij snel een nieuwe band samenstellen. John Paul Jones vroeg Page om auditie te doen, Robert Plant werd vanwege zijn stem en energie uit zijn toenmalige band Hobbstweedle geplukt. En Plant maakte Page opmerkzaam op de kwaliteiten van Bonham. Het kwartet speelde voor het eerst samen op 12 augustus 1968 in een kelder van een platenwinkel aan de Gerrard Street in Londen.

Het zijn mooie beelden van hun eerste optredens tijdens hun tournee in Denemarken later dat jaar, toen nog als The New Yardbirds. Hier konden muziekliefhebbers voor het eerst live genieten van hun mix van blues, hard rock en psychedelica, ondersteund door complexe ritmes, de iconische stem van Plant en de epische gitaarpartijen van Page. Tijdens zijn solo in Dazed and Confused introduceert de gitarist het gebruik van een vioolstrijkstok op zijn elektrische gitaar. Het experimentele, mystieke geluidseffect, versterkt door een wah-wah pedaal en echomachine, illustreert hoe vernieuwend het Led Zeppelin-in-wording was.

En dan het zelfverzekerde statement van Jimmy Page: ‘We willen geen singles uitbrengen, maar een albumband worden.’ De eerste elpee – Led Zeppelin – verscheen begin 1969 en werd uitgebracht door Atlantic Records en geproduceerd door Page.

Becoming Led Zeppelin

Populairder in Amerika
Dat Amerikaanse platenlabel van Led Zeppelin was geen toeval. De documentaire vertelt overzichtelijk hoe de band aanvankelijk moeite had om door te breken in eigen land, terwijl ze in de Verenigde Staten juist snel populair werden. Dit kwam omdat de Britse muziekscene eind jaren ’60 en begin jaren ’70 al verzadigd was met grote namen als The Beatles, The Rolling Stones en The Who, waardoor het moeilijk was om op te vallen. Daarnaast was hun muziek niet direct mainstream, waardoor ze als cultband werden gezien.

In de VS daarentegen sloeg hun debuutalbum direct aan en kregen ze veel radio-aandacht. De vele concerten aldaar versterkten hun populariteit. Pas met de release van Led Zeppelin II eind 1969 brak de band echt door in Engeland. En daarmee stopt de film.

De creatieve reis en de persoonlijke verhalen van de bandleden en de weergave van de populaire muziek eind jaren ’60 maken van Becoming Led Zeppelin het boeiende deel van de documentaire. Maar het is jammer dat het portret van de opkomst van de legendarische band eindigt voordat Led Zeppelin de wereld zou veroveren en de liefhebber zou trakteren op legendarische optredens, zoals in 1973 in Madison Square Garden in New York, voor het nageslacht vastgelegd in dubbelalbum en muziekfilm The Song Remains the Same (1976). Kijkende fans van de documentaire komen er bekaaid vanaf met slechts een paar live-registraties. Voor de rest hoor je Led Zeppelin-nummers, maar zie je (regelmatig dezelfde) beelden van andere optredens.

 

26 februari 2025

 

ALLE RECENSIES

Belle de Jour (4K re-release)

****
recensie Belle de Jour (4K re-release)
Fatsoenlijke vrouw met verborgen verlangens

door Cor Oliemeulen

Belle de Jour vertelt het verhaal van een getrouwde vrouw die stiekem overdag in een bordeel gaat werken om haar verborgen verlangens te bevredigen. De gelijknamige roman van Joseph Kessel uit 1928 was vooral bijzonder vanwege de psychologische diepgang. Een kolfje naar de hand van de Spaanse filmmaker Luis Buñuel, die het boek in 1967 verfilmde en ooit zei: “Seks zonder zonde is als een gekookt ei zonder zout.”

Onderdrukte seksuele verlangens, veroorzaakt door de katholieke kerk, is een duidelijk thema in het werk van Luis Buñuel, de vader van het filmsurrealisme. Al in 1930 maakte hij, met scriptbijdragen van Salvador Dalí, het omstreden L’Age d’Or, waarin een man zo hopeloos is aangetrokken tot een vrouw dat alle sociale normen van die tijd werden ondermijnd.

Belle de Jour

Masochistische fantasieën
Belle de Jour
– nu opnieuw in de bioscoop als 4K-restauratie – is veel subtieler, maar het thema blijft hetzelfde: Séverine (Catherine Deneuve) onderdrukt haar seksuele verlangens binnen haar burgerlijke, schijnbaar perfecte huwelijk met de rijke chirurg Pierre (Jean Sorel). Zij houdt van hem, maar vermijdt fysieke toenadering. In een heel korte scène van Séverine als kind in bijzijn van een werkman wordt een mogelijk jeugdtrauma gesuggereerd, zonder dat misbruik wordt benoemd. Alsof voor de volwassen Séverine intimiteit gepaard gaat met onderwerping en geweld.

Buñuel portretteert een vrouw die balanceert tussen verlangen en angst, en gebruikt hiervoor surrealistische droombeelden. Al in de openingsscène zien we hoe Séverine door Pierre uit een koets wordt getrokken en door twee van zijn vrienden wordt vastgebonden en afgeranseld. Dit soort masochistische fantasieën suggereren dat haar verlangens diep onderdrukt zijn en alleen op een gecontroleerde manier tot uiting kunnen komen, door (dag)dromen én door te gaan werken in een bordeel.

Séverine wordt op dat idee gebracht tijdens een samenzijn met vrienden op een wintersportvakantie. De antiburgerlijke rokkenjager Henri (wie anders dan Michel Piccoli) vertelt over een welgestelde vrouw die in het geheim in een bordeel zou werken. Niemand verwacht zoiets, want wat heeft een vrouw te klagen als je alles hebt wat je hartje begeert? Toch gaat bij Séverine steeds meer de nieuwsgierigheid overheersen. We zien hoe deze mooie, elegante Parisienne, onberispelijk gekleed in haute couture van Yves St. Laurent en bedekt achter een zonnebril, informeert in een bordeel. Eerst rent ze verschrikt weg, maar uiteindelijk kan ze zich niet meer verzetten tegen het werken in het bordeel om haar seksuele angsten en verlangens te begrijpen en accepteren. Tegelijkertijd is zij bang dat haar dubbelleven zal worden ontdekt, zeker nadat een jonge bezoekende crimineel Séverine obsessief begint te claimen.

Belle de Jour

Vrij of gevangen?
Met zijn contrasten tussen elegantie en decadentie, biedt Parijs de perfecte setting voor dit morele psychologische drama. De stad weerspiegelt Séverine’s innerlijke conflict: van de ene kant de ordelijke, traditionele wereld van haar huwelijk en sociale status, aan de andere kant de verborgen, zondige onderwereld. Ondanks het thema is Belle de Jour uiterst kuis gefilmd. Van zichtbare seks is geen sprake, en Catherine Deneuve is slechts een paar keer heel even met onbedekte achterkant te bewonderen.

De toeschouwer van toen – maar ook nog ruim een halve eeuw later – kan na het kijken van Belle de Jour bepalen in hoeverre Buñuels oogstrelende meesterwerk een feministische film is. Buñuel zelf was zeker geen uitgesproken feminist, hij was allereerst een criticus van de bourgeois moraal en de hypocrisie rondom seksualiteit. Zijn film is geen aanklacht tegen het patriarchaat, maar werpt vragen op over vrouwelijke begeerte en maatschappelijke verwachtingen. Heeft Séverine uiteindelijk haar vrijheid gevonden, of blijft ze gevangen in een mannelijke fantasiewereld?

 

5 februari 2025

 

ALLE RECENSIES

Bird

***
recensie Bird
Een straatjochie met vleugels

door Bert Potvliege

Met haar nieuwe film, Bird, breit de Britse regisseur Andrea Arnold een volgend hoofdstuk aan een carrière-lang verhaal, waarin zij zich buigt over ontvoogding en coming of age in gemarginaliseerde milieus. De waarachtigheid van die in het leven geroepen wereld is tastbaar, maar de narratieve constructie voelt herkauwd. Dit verhaal en deze boodschap kreeg het publiek al talloze keer eerder voorgeschoteld, waardoor het potentieel van Arnolds cinema beperkt blijkt.

Twintig jaar geleden brak de cineaste door toen ze de Oscar voor beste kortfilm won met Wasp. Enkele jaren later was er dat eerste grote succes met de langspeelfilm Fish Tank, over een getroebleerd tienermeisje (tevens een van de doorbraakfilms van Michael Fassbender). Later volgde nog American Honey, een bevestiging van Arnolds talent. Dit jaar maakte ze met Bird terug furore in Cannes, ook al viel de film niet in de prijzen.

Bird

Afwezige roze tijden
Het twaalfjarige, zwarte meisje Bailey (Nykiya Adams) woont samen met haar broer en vader in een kraakpand in het Zuidoost-Engelse Kent. Het leven is er niet gemakkelijk. Haar onbezonnen en onrustige vader kondigt doodleuk aan dat hij komende zaterdag in het huwelijksbootje stapt. Haar broer verwekt een kind bij een veertienjarig meisje uit de buurt. Bailey maakt deel uit van een gang, een stoere jongensbende waarin haar jonge leeftijd en zwarte baggy kledij haar vrouwelijkheid nog verbergt. Er wordt al eens ingebroken, iemand haalt een mes boven en de tint van de toekomst blijkt niet rooskleurig.

Het verhaal schetst de week tot aan het huwelijk van haar vader, een narratieve constructie die het kader schept waarbinnen Bailey een ontluiking meemaakt. De jongedame eist met immer groeiende drang haar eigen plaats op. Doorheen het verhaal komt ze steeds vrouwelijker voor de dag, met kleurrijke kledij, het ontdekken van make-up, maar ook in het etaleren van een traditioneel aan vrouwelijkheid gelinkte zorgzaamheid. Daarnaast staat ze ook haar mannetje – een gedateerde zegswijze – wanneer de vriend van haar moeder zich agressief opstelt.

Dit opeisen van haar bestaansrecht als vrouw komt nadrukkelijker aan bod met het imaginaire personage Bird (een alweer fantastische Franz Rogowski), die Bailey verdedigt waar nodig. De magische figuur, met die speelse blik en dat balanceren op de randen van daken, is uiteraard een narratieve metafoor voor de emancipatie van de jongedame. Dat de vogel ook vrijheid representeert is een tot vervelens toe gebruikte symbolische constructie, die goedkoop smaakt om de thematiek te visualiseren.

Bird

Spelen om tot leven te komen
De sterkte van Arnold als cineaste situeert zich in het recreëren van een waarachtige setting, een wereld die door de degelijke casting van de vele bijrollen tot leven geroepen wordt. Het belang van het milieu in de film toont hoe Arnold haar verhalen over ontvoogding altijd binnen harde leefomstandigheden positioneert. Die benadering werkt in cinema, maar de meerwaarde van Bird voor de sociaal-realistische stroming in film lijkt troebel. Wat de cineaste doet, is origineel noch gewaagd.

De opgeroepen wereld mag een hoog realiteitsgehalte hebben, zonder acteurs om deze tot leven te doen komen, zou het finale werk een eind voor de finish stranden. Ronduit knap hoe Arnold de jonge actrice Nykiya Adams naar een succesvolle hoofdrol regisseert. Bird is het soort film die staat of valt met het empathisch vermogen van de kijker voor de hoofdfiguur. Arnold en Adams mogen zichzelf op de schouder kloppen voor de vlotheid waarmee ze dit voor de dag krijgen. Franz Rogowski is niet meer van onze radar weg te slaan sinds zijn glansrol in Passages. Hij lijkt elke dag meer op een Europese Joaquin Phoenix en het is een acteur met een uitstraling die van het scherm spat, zo ook in Bird. Ook de immens populaire Barry Keoghan, in de (te kleine) rol als Bailey’s vader, is een meerwaarde voor de film.

Met Bird slaagt Arnold in haar opzet, maar het verbaast dat net dit materiaal haar voldoende enthousiasmeerde om er een langspeelfilm mee te maken. De daadkracht van de film is minimaal, de bijdrage ervan in de filmografie van Arnold beperkt. De film slaagt heus wel in zijn opzet en sluit netjes aan bij haar ander werk, maar wild kan je er niet van worden. Deze bescheiden succesformule voor eeuwig herhalen, lijkt ons niet het te volgen pad voor Arnold. Misschien is het tijd om, net als Bird, haar vleugels uit te slaan.

 

26 november 2024

 

ALLE RECENSIES

Blitz

**
recensie Blitz
Het afwezige hart

door Bert Potvliege

Net als het vorig jaar verschenen Maestro, kondigt Blitz zich aan als een film die gemaakt werd om Oscars binnen te rijven: een peperdure prestigeprent van een gelauwerd cineast over een donkere periode uit de geschiedenis van de twintigste eeuw, met in de hoofdrol een wereldwijd gerespecteerde jonge actrice. Het resultaat heeft niet het verhoopte effect: Blitz is een holle bedoening, een film waarin de identiteit van de maker in geen velden of wegen te bespeuren valt.

De Britse filmmaker Steve McQueen greep van bij zijn debuut de kijker ongenadig bij het nekvel. Zijn eerste twee films, Hunger en Shame (beide met Michael Fassbender), waren nietsontziende onderzoeken naar lichamelijke ondergang. Die prenten creëerden een ongemak door een confronterende thematiek en waren met hun meedogenloze beeldvoering visueel indrukwekkend. Typerend voor McQueen waren protagonisten als zelfdestructieve martelaars, gemotiveerd door onwrikbare overtuigingen en verlangens.

Blitz

Die narratieve focus op lichamelijk lijden was aanwezig in opvolger 12 Years A Slave, maar McQueen maakte met die film een bocht richting Hollywood. Strakke beeldkaders en een harde montage werden vervangen door soepel glijdende camerabewegingen en een alomtegenwoordige score van Hans Zimmer. Het vervolg van McQueens carrière toonde nog enkele stappen weg van dat wat hem typeerde. We schrijven tien jaar na zijn prijswinnende prent over slavernij en van die oorspronkelijke McQueen blijkt volgens Blitz geen spaander meer heel. 

Zoektocht door het puin
De blitz als onderwerp leent er zich door haar dramatiek toe er een verhaal in te situeren, maar de plot over een moeder en zoon die gescheiden raken tijdens het bombardement is te hapklaar en stroperig. Tijdens die befaamde aanval op Londen van 1940-1941 stuurt jonge moeder Rita (Saoirse Ronan) haar zwarte zoon George (Elliott Heffernan) wegens het gevaar de stad uit. De jongen raakt algauw verloren tijdens de uittocht. De film zal hun beider verhaal, waarbij moeder en zoon terug op zoek gaan naar elkaar, uit de doeken doen.

McQueen mag dan wel evenzeer aandacht besteden aan de lotgevallen van Rita als aan die van George, het verhaal van de moeder is richtingloos. George beleeft nog een kleinschalig avontuur, waarbij hij onder meer uit de handen wil blijven van een roversbende. Wat Rita meemaakt, voegt weinig toe aan de film. De evidente afloop van hun herenigingsverhaal verveelt.

George is een zwart kind, een thematisch element dat tot nadenken aanzet. Aangezien McQueen zelf een zwarte man is, lijkt hij met deze ingreep te spreken over het vrijgeleide racisme in een periode van maatschappelijke instabiliteit. De opvallende bijrol van Benjamin Clementine als Ife, een zwarte soldaat die George even onder zijn hoede neemt, is een aanvulling hierop. Welk fris inzicht McQueen precies wenst mee te geven aan de kijker, blijft vaag. Dat moraliteit in tijden van oorlog naar de achtergrond verdwijnt, waardoor racisme welig kan tieren, is een vreselijk neveneffect van maatschappelijke onrust. Dit is geen les die de kijker nog moet leren in de cinema.

Blitz

Te mooi voor een eigen smoel
De grootste bekommernis bij Blitz is dat de eigenheid van McQueen als cineast volledig verdwenen lijkt, alsof de film geconstrueerd werd door een AI. Weg is de protagonist als martelaar. Weg zijn de harde beelden en visuele confrontatie. Die eerder genomen bocht richting Hollywood wordt resoluut doorgetrokken. Het resultaat is dat McQueens film wegdrijft van de filmmaker en aansluiting vindt bij het werk van de formele en beleefde cinema van Sam Mendes. Vele kijkers zullen bij Blitz moeten denken aan Mendes’ Empire Of Light, dat een soortgelijke thematiek onderzocht.

Blitz is cinema die hyperprofessioneel in elkaar zit, maar waarbij het hart afwezig blijkt te zijn. De geromantiseerde look van platgebombardeerde wijken doet denken aan heroïsche oorlogscinema van vervlogen tijden en niet op een goede manier. Oorlog is te mooi in deze film, alsof Anthony Minghella (The English Patient) in de regiestoel zat en dit het jaar 1995 was. Wanneer een bom een nachtclub treft, krijgen we de lijken te zien in de nasleep. Geen van die lijken mist ledematen of heeft een verwrongen gelaat. Ze werden enkel bedekt met stof en puin, met hooguit een straaltje bloed uit de mondhoek.

McQueens film komt in een gedateerde vorm. Een goed verteld verhaal zou dit nog kunnen toedekken, maar doordat de film twee verhaallijnen simultaan presenteert, wordt de kijker belemmerd in het volop meeleven met Rita of George. Uiteraard eindigt dit alles met een epische grandeur: moeder en zoon die in elkaars armen vallen, terwijl de camera omhoog stijgt en je de moederliefde kan gadeslaan met op de achtergrond de vernielde stad. De wijken liggen in duigen. De film ook.

 

5 november 2024

 

ALLE RECENSIES

Blur: To The End

***
recensie Blur: To The End
De muzikale klik is nooit weggeweest

door Jochum de Graaf

Al in 1993 was er het wat amateuristisch gemaakte Starshaped dat misschien wel bijdroeg aan het megasterrendom van Blur. Het waren de hoogtijdagen van de Britpop, de muziekstroming die na The Beatles en The Stones in de jaren 90 opnieuw de reputatie van Engeland als belangrijkste bron van de popcultuur bevestigde.

Een docu over een energiek bandje, jongens waren ze nog, met live-uitvoeringen van There’s no other way en Popscene, die de tand des tijds overleefd hebben en nog steeds op het repertoire staan. Het aanmerkelijk professioneler gemaakte New World Towers kwam uit in 2015 toen ze na een jarenlange artistieke stilte op tournee waren in Azië en het album The Magic Whip hadden uitgebracht. Met een aantal songs geïnspireerd door het bezoek van zanger-componist Damon Albarn aan Noord-Korea. Beide films zijn nog op YouTube te zien. 

No Distance Left to Run (2010) is de meest geprezen docu over Blur, een goede weerslag van hun ontwikkeling en hun vooraanstaande positie in het cultuurlandschap, gemaakt na de eerste hereniging van de band na zeven jaar, met de legendarische concerten in Hyde Park juni 2009.

En nu is er dus Blur: To The End. Uitgebracht na het goed ontvangen album The Ballad of Darren en het grootste optreden dat ze ooit deden: twee razendsnel uitverkochte concerten voor 90.000 fans elk in het Wembley Stadium, 8 en 9 juli 2023.

Blur: To The End

Interessanter dan Oasis
“Hoe minder we doen, hoe groter we worden”, merkt drummer Dave Rowntree ergens halverwege de film op. Een opmerking die de afgelopen weken nog eens extra bewaarheid werd met de volkomen gekte rond de kaartverkoop voor de herenigingsconcerten van Oasis, de grote rivaal tijdens de Britpop, volgend jaar. Met die wetenschap in het achterhoofd zou je kunnen vaststellen dat commercieel gezien de gebroeders Callagher nu aan het langste eind trekken, maar To The End laat zien dat Blur muzikaal en qua persoonlijkheden aanmerkelijk interessanter is.

De film toont de opmaat naar die ‘once in a generation’ concerten met opwarmoptredens in plaatsen als Wolverhampton en Eastbourne, en wat die plekken voor rol in hun carrière speelden. Innemend is de scène dat ze – na het optreden in het Colchester Arts Centre in de Stanway School waar Damon Albarn en Graham Coxon hun middelbare schooltijd doorbrachten – worden rondgeleid door de schooldirecteur en zien dat het muzieklokaal hun naam heeft gekregen. Maar ze vinden het er een beetje steriel uitzien en stellen voor het met een Paisley-behangetje en wat wietplantjes voor beginnende muzikanten wat op te fleuren, tot afgrijzen van het schoolhoofd.

Regisseur Toby L. heeft een tamelijk rechttoe rechtaan fly on the wall documentaire gemaakt. We zijn bij studio-opnamen, concerten en andere ontmoetingen van alleen de bandleden; producers, technici, journalistieke volgers, commentatoren, vrienden en partners komen niet aan het woord. En zoals in alle bandjesdocu’s zien we de clichébeelden, het onderlinge gekibbel, de irritaties, het onderuit gezakt hangen op stoelen en banken, gepiel op de instrumenten, het lange wachten en verveeld om zich heen kijken tot ze weer eens aan de beurt zijn.

Familiegevoel van vroeger
Maar we krijgen ook een inkijkje in de nogal uiteenlopende persoonlijkheden van de band. Ze hebben elkaar weliswaar jaren niet gezien, zijn aardig uit elkaar gegroeid maar vallen vanaf de eerste herontmoeting terug op het familiegevoel van vroeger. De branie, de bravoure en het gevoel van onverwinnelijkheid zien we terug in momentopnamen uit de Britpopjaren, waar de tomeloze energie vanaf spat.

De mannen lopen nu tegen de zestig en bespreken met elkaar kwaaltjes en zorgen over rugpijn, zwakke knieën, minder willen drinken, gezonder leven en wat dies meer zij. Bassist Alex James, nog steeds rokend op het podium, houdt zich onledig met het maken van kaas. Grimlachend vertelt hij het verhaal in de pers dat hij misschien wel een miljoen pond aan drank en drugs heeft uitgegeven, ‘hoe moet ik dat aan mijn kinderen uitleggen’.

Blur: To The End

Drummer Dave Rowntree is naast advocaat en politicus sportfanaat en blesseert bij het hardlopen zijn knie nogal ernstig en haalt ternauwernood met dik ingezwachteld been Wembley. Gitarist Graham Coxon is nogal openhartig over de vele angsten die hij heeft en bekent dat hij maar weinig vrienden heeft. En Daman Albarn, het muzikale genie van de band, breekt midden tijdens een studiosessie in huilen uit, denkend aan de recente breuk van zijn langdurige relatie. De andere bandleden weten er niet goed raad mee, vervallen kort daarna weer in de oude gewoonte van irritatie over zijn autoritaire optreden tijdens de repetities.

Maatschappelijk betrokken
Ze bediscussiëren de ramp van de Brexit met elkaar; Dave Rowntree stond de afgelopen verkiezingen nog kandidaat voor Labour in het district Norfolk County. De maatschappelijke betrokkenheid krijgt ook gestalte met het statement dat Pauline Black, frontvrouw van de fameuze skaband The Selecter, in het voorprogramma op Wembley maakt. In het zo veelbelovende Britpoptijdperk leek het alsof racisme, seksisme en andere ismen overwonnen waren, maar in het huidig tijdsgewricht is de strijd daartegen weer uiterst urgent.

Eenmaal op het podium verzorgen ze vanuit de geweldige muzikale klik die ze met elkaar hebben een weergaloos optreden. De hoogtepunten van het meest recent album The Ballad of DarrenSt. Charles Square en The Narcissist – sluiten wonderwel goed aan op meer dan dertig jaar oudere nummers als Popscene, Parklife en titelnummer To The End. En dan is er de apotheose met het iconische Song 2 uit ’97, dat tijdens het afgelopen EK bij ieder doelpunt door de stadions schalde, en een kippenvel opwekkende uitvoering van Tender met het London Community Gospel Choir. 

Blur: Live at Wembley Stadium ging vorige week in Groot-Brittannië in première en zal vanaf 26 september ook in Nederland te zien zijn.

 

11 september 2024

 

ALLE RECENSIES

Burn After Reading (2008)

Burn After Reading (2008)
Het boeiende leven der sukkels

door Bob van der Sterre

Burn After Reading biedt materiaal waar je als liefhebber van de Coen-broers op hoopt: een geestig script op maat van de acteurs. Stijlvolle luchtigheid… Het vervliegt alleen snel.

Burn After Reading bevat een parade van sukkels. Fitness-instructrice Linda Litzke, op zoek naar een relatie (die voor haar staat maar ze niet ziet) en die vastbesloten is om zich te cosmetisch te laten verbouwen. En vervolgens op een makkelijke manier aan het geld wil komen. Door samen met haar collega Chad de ex-geheime-dienst-agent Osborne Cox af te persen. Die is ontslagen en werkt aan zijn niet zo heel interessante memoires. Harry Pfarrer slaapt ondertussen met zijn vrouw, Katie Cox, en met andere vrouwen, terwijl hij overtuigd is dat hij in de gaten gehouden wordt.

Het boeiende leven der sukkels, zoals Kamagurka al eens zei.

Brad Pitt en Frances McDormand als chanterende fitnessfanaten

Brad Pitt en Frances McDormand als chanterende fitnessinstructeurs

Kauwgom kauwen en apart kapsel
Laten we beginnen met de kracht van de film: de karakters-op-maat voor acteurs die ze met twee vingers in de neus kunnen spelen. Tilda Swinton speelt haar bekende kille-bitch-rol (met een komische nuance). John Malkovich ontploft een paar keer zoals hij goed kan. Frances McDormand is wat dommig op zoek naar liefde. George Clooney schmiert als halfdwaze en overspelige suburban. En J.K. Simmons probeert er als CIA-directeur een touw aan vast te knopen.

Misschien is Brad Pitt de uitzondering op die regel. Als onnozele en kauwgom kauwende Chad trok hij meer uit zijn komische comfortzone dan normaal. Waar hij vaak wisselende komische prestaties levert, is hij hier inclusief een opvallend kapsel (hij kwam van opname voor een reclame en de Coen-broers vonden het goed staan) verrassend op zijn gemak.

Dan is er nog de straight rol van Richard Jenkins als fitnessbaas die een oogje heeft op Linda. Het is ook een rol die zijn talent uitvergroot, maar op de niet-komische manier. De Coen-broers hadden die rol nodig als baken van redelijkheid tussen alle idioten.

De Coen-broers vatten het samen in dit interview met Uncut-magazine: ‘We schreven het als een oefening in denken welke soort rollen deze acteurs zouden kunnen spelen. Alle rollen waren geschreven voor Brad (Pitt), George (Clooney), Fran (Frances McDormand), John Malkovich en Richard Jenkins.’

De spionagewereld van Washington
De politieke wereld van Washington wordt in Burn After Reading ingenieus in het verhaal betrokken. De film gaat over spionage… maar ook niet. Want er is in feite alleen maar beroerde, mislukte, nergens op slaande spionage. Zoals veel films van de Coen-broers bestaan uit plannen die niet goed uitpakken. Zelfs de geheime diensten begrijpen niet echt waar ze mee bezig zijn.

Waarom spionage? Joel Coen in hetzelfde interview: ‘Eerlijk gezegd wisten we niet waarom. We zeiden gewoon tegen elkaar: Laten we een spionagefilm maken. Ik denk vooral omdat we er nog nooit eerder een hadden gemaakt. Eerlijk waar, het had ook een hondenfilm of een SF-film kunnen zijn.’

Grappige interactie
Schrijf maar eens zo’n script. Het zal niet meevallen om het echt grappig te maken, dat is echt moeilijker dan menigeen denkt. Mijn favoriete drie komische passages van Burn After Reading:

– Als Linda en Chad heel onhandig de met anger management worstelende Osborne Cox proberen af te persen. Terwijl Osborne Cox Chad de les leest, moet Chad lachen omdat Cox zijn merk fiets niet goed heeft (‘Je denkt dat het een Schwinn is!’).
– Hoe David Rasche beschaamd de bizarre wendingen van de affaire probeert uit te leggen aan zijn CIA-baas.
Wat hebben we hiervan geleerd, Palmer?
Ik heb geen idee, sir.
Ik heb ook geen fucking idee. Ik denk dat we geleerd hebben het niet nog eens te doen. Ik zou mijn God niet weten wát we deden.
– Hoe Harry Pfarrer en Katie Cox hun gezamenlijke toekomst bespreken terwijl ze beiden niet echt van elkaar houden.

John Malkovich als geheim agent Osborne Cox

Inspiratie uit de screwball comedies
Mijn favoriete Coen-broers films blijven hun onnavolgbare reeks uit de jaren negentig: Barton Fink, The Hudsucker Proxy, Fargo, The Big Lebowski, ‘O Brother. Voor mijn gevoel de beste komedies in de VS sinds de screwball comedies, waar ze veel inspiratie uit haalden.

Burn After Reading is toch niet helemaal van die categorie. Het is een luchtige film met een vlot script. Maar het is ook een film die wat te gretig op de lachers aanstuurt en snel vervliegt na afloop.

Het gemis aan satire nekt de film een beetje. Volgens de Filmkrant wilden de broers iets zeggen ‘over de CIA en lichaamscultuur’, maar de Coens zijn daar opzettelijk vaag over. Het is in elk geval hooguit een mild satirische film over paranoia en egoïsme – want ieder karakter afgezien van straight guy Ted is egoïstisch.

Misschien wel logisch dat de film zo ‘light’ aanvoelt als je bedenkt dat de film die ze hiervoor maakten een groot succes was bij filmcritici en de Oscars: No Country for Old Men in 2007. Als reactie kwamen ze met dit luchtige verhaal, waar de pret van afspat.

Op de vraag: ‘Was deze film leuker om te maken?’ antwoordden beiden volmondig ‘Ja’. Een film voor de critici in ruil voor eentje voor het publiek.

 

18 juli 2024

 

THEMAMAAND JOEL EN ETHAN COEN

Barton Fink (1991)

Barton Fink (1991)
Is het zo erg dat Barton Fink zichzelf niet kan zijn?

door Paul Rübsaam

Wordt de bevlogen New Yorkse toneelschrijver Barton Fink het slachtoffer van op geld beluste slavendrijvers in Hollywood en zijn gewelddadige buurman in een sinister hotel? Of is de protagonist van de naar hem vernoemde film van Joel en Ethan Coen uit 1991 een pedant ventje dat op karikaturale wijze zijn trekken thuis krijgt? 

Als je een film die je koestert, waarvan je scènes en citaten naar voren pleegt te schuiven in film gerelateerde conversaties, na een flink aantal jaren weer opnieuw ziet, kunnen zich opmerkelijke fenomenen voordoen. Minder overrompeld als je bent door de gekoesterde fragmenten en misschien ook door veranderingen die zich in jezelf voltrokken hebben, gaan bij die latere bezichtiging andere aspecten van de film je meer opvallen.

John Turturro als toneelschrijver Barton Fink

John Turturro als toneelschrijver Barton Fink

Dat zijn in ieder geval mijn ervaringen met de horrorachtige tragikomedie Barton Fink (om maar een term los te laten op deze niet in hokjes te vatten film) van de destijds nog apart als respectievelijk producent en regisseur vermelde Ethan en Joel Coen uit 1991, waarin de titelheld, een New Yorkse toneelschrijver, anno 1941 een contract als scenarioschrijver in Hollywood krijgt aangeboden.

Wie kent zijn Lipnick niet?
Ongetwijfeld ben ik niet de enige die de nodige uitspraken van Jack Lipnick (Michael Lerner) zowat uit zijn hoofd kent. Al bij zijn eerste ontmoeting met protagonist Fink gaat de verschrikkelijke, maar onweerstaanbaar komische studiobaas van filmbedrijf Capitol Pictures helemaal los. Met zijn armen uitgestrekt alsof hij de New Yorkse toneelschrijver omhelzen wil en met zijn ronde buik naar voren gestoken, roept hij uit: “Is that him? Is that Barton Fink? Let me put my arms around this guy!” Even later roept hij enthousiast uit: “The writer is King at Capitol Pictures!” (wat bij uitstek niet waar is!) Minstens zo memorabel is zijn uitspraak: “The important thing (van het script) is it should have that Barton Fink feeling.

Jack Lipnick is een symbool. Een icoon. Iedereen kent op zijn manier wel een Jack Lipnick. Iemand die met de mond belijdt dat hij je alle ruimte geeft. Aan je lippen hangt zelfs. Terwijl het tegenovergestelde het geval is.

Lipnick overdondert niet alleen Fink, hij overdondert ook de onbevangen kijker. Michael Lerners vertolking van Jack Lipnick is dermate briljant dat de vorig jaar overleden acteur daarmee het haast onmogelijke presteert: hij overschaduwt John Turturro als Barton Fink en John Goodman als Charlie Meadows.

Chronische oorontsteking 
Maar John Goodman als verzekeringsagent Charlie Meadows leidt de aandacht van de kijker op zijn beurt af van Turturro als Fink. Waardoor de indruk kan ontstaan dat we de protagonist in de eerste plaats moeten zien als iemand die een groot onheil overkomt dat belichaamd wordt door Lipnick en Meadows.

De omvangrijke Charlie Meadows, Barton Finks buurman in Hotel Earle, is als de vlees geworden manifestatie van dat sinistere hotel. Zijn zweterige lijf doet denken aan de vochtige locatie zelf, waar het behang van de muren bladdert. Zijn chronische oorontsteking is als een verstopping van de leidingen van het pand. Toch hoort en weet hij alles wat daar gebeurt. Alsof de infrastructuur van het hotel niets anders is dan de weerspiegeling van Meadows’ brein.

Na een wat schurende kennismaking tussen de twee buren lijkt schijnbaar goeie lobbes Meadows zich te ontpoppen als de enige vriend van de vereenzaamde en vertwijfelde jonge toneelschrijver, die op zijn naargeestige hotelkamer het scenario voor een worstelfilm moet schrijven terwijl hij verlangende blikken werpt op een foto van een vrouw aan het strand in een gele bikini.

Een redder in nood is Meadows zelfs. Hij weet immers het stoffelijk overschot weg te werken van de om onverklaarbare redenen vermoorde schrijverssecetaresse (en eigenlijk ghostwriter) Audrey Taylor (Judy Davis), met wie Fink een keer het bed heeft gedeeld.

Tenslotte zou blijken dat Barton Finks buurman niemand anders is dan de door de grotesk stoere rechercheurs Mastrionotti en Deutsch van het Los Angeles Police Department gezochte psychopaat en seriemoordenaar Karl (Mad man) Mundt, die zijn slachtoffers steevast onthoofdt.

Overspannen brein 
En toch gaat de film Barton Fink bij nadere beschouwing hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend over de karaktereigenschappen van de gelijknamige hoofdpersoon. Gedeeltelijk is deze geïnspireerd op de schrijver en scenarist Clifford Odets (1906-1963). Maar bij fictie kan alles, zoals de uit een gegoed Joods milieu afkomstige Coen-broers zelf plegen te verklaren. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat Ethan en Joel Coen een vorm van zelfspot bedreven met de hoofdpersoon in hun vierde film, waarvoor ze het scenario vlot in elkaar draaiden nadat ze vast waren gelopen met het script van Miller’s Crossing (1990).

Het personage Charlie Meadows (Mundt) zou bovendien ontsproten kunnen zijn aan het overspannen brein van de evenals de Coen-broers met een schrijfblokkade worstelende Barton Fink. Meadows wordt immers door niemand anders gezien dan door de in zijn Polanski-achtige isolement (The Tenant, 1976) verkerende schrijver. Behalve dan door de twee rechercheurs. Maar ook die worden verder alleen waargenomen door de protagonist.

Minachting voor de gewone man 
De soms catatonisch ogende Barton Fink met zijn beginnende Jewfro-kapsel en zwarte uilenbril heeft in ieder geval de hebbelijkheid Charlie Meadows niet uit te laten praten. “I could tell you some stories…” begint de verzekeringsagent nog hoopvol als Fink hem verzekert dat hij zijn zwaarlijvige buurman als echte ‘common man’ graag in zijn gezelschap heeft. Fink is echter liever zelf aan het woord. ‘The life of the mind’, dat is waar hij als schrijver mee bezig is en volgens hem is dat pas echt een gecompliceerde en zwaarwegende zaak.

John Goodman als verzekeringsagent Charlie Meadows

John Goodman als verzekeringsagent Charlie Meadows

In het begin van de film zien we hoe Barton Fink zijn tafelgenoten in een New Yorks restaurant wil doen geloven dat het enthousiasme van het upperclass publiek en de lovende recensies naar aanleiding van zijn op Broadway opgevoerde toneelstuk hem onverschillig laten. Zijn missie, zo beweert hij, bestaat uit theater maken voor en over ‘de gewone man’. Maar eigenlijk droomt hij alleen maar van succes, denkt hij vooral aan zichzelf en is de gewone man hem zijn neus uit, al beseft hij dat niet eens. Filmscripts schrijven in Hollywood, alleen maar om geld te verdienen, zou hij beneden zijn waardigheid vinden. Maar hij doet het toch.

Finks misplaatste hoogmoed, zijn neiging om zichzelf te beschouwen als de enige persoon die over een geestelijk leven beschikt, zal zich later in de film nog manifesteren (en wreken) als hij vlak na de Japanse aanval op Pearl Harbor hovaardig weigert zijn vrouwelijke danspartner af te staan aan een dienstplichtige matroos, waarna hij in een vechtpartij betrokken raakt.

Al met al lokt een personage als Barton Fink het bijna uit dat de karikaturale, uiteindelijk brandstichtende en moordende Meadows (Mundt) hysterisch uitbrult: “I’ll show you the life of the mind!

De ban doorbroken 
Blood Simple (1984), het speelfilmdebuut van de Coen-broers, kon als groteske, duistere thriller als veelbelovend worden aangemerkt. Maar hun vervolgfilm Raising Arizona (1987), waarin een ex-gedetineerde en een onvruchtbare politieagente gezamenlijk een kinderwens koesteren, was ronduit matig. En dan die derde (in zekere zin vierde) film: Miller’s Crossing (1990). Het was dat gangsterepos met zijn overdosis geweld en overdreven ingewikkelde plot, waar Joel en Ethan Coen voor wat betreft het scenario aanvankelijk in vastliepen, waarna ze om de geesten los te maken in enkele weken het scenario voor Barton Fink schreven.

De ban gevormd door die eerste drie niet heel grappige en met uitzondering misschien van Blood Simple ook niet zo spannende films werd doorbroken door het even hilarische als verontrustende meesterwerk Barton Fink. Mogelijk kon die gunstige wending plaatsvinden doordat de gebroeders Coen gedurende hun writer’s block zichzelf bevroegen. Uit dat kritisch zelfonderzoek zou de film en het personage Barton Fink kunnen zijn ontstaan.

Worden gangsterfilms, westerns en politiefilms, met andere woorden: films voor ‘de gewone man’ met veel geweld erin ineens ‘grappig’ en hoogstaand als je dat geweld opzettelijk heel erg overdrijft? Dat is maar de vraag. Wat is er eigenlijk aan de hand met iemand die dat denkt? Die wil ‘de gewone man’ bedienen, terwijl hij deze in wezen minacht. Zo iemand is als Barton Fink, zouden de broers gedacht kunnen hebben.

Michael Lerner als studiobaas Jack Lipnick

Michael Lerner als studiobaas Jack Lipnick

Doos 
Als het al dan niet ingebeelde personage Charlie Meadows Barton Fink straft voor zijn hoogmoed, dan doet de letterlijk Finks schoenen likkende studiobaas Jack Lipnick dat des te meer. Lipnick etaleert Finks eigen nauw verholen ijdelheid. Maar snoert hem tevens de mond. Wat Fink op zijn beurt ‘common man’ Charlie Meadows aandoet. Ook van Lipnick krijgt Fink dus een koekje van eigen deeg.

De plot van de vierde film van Joel en Ethan Coen zou eveneens de vrucht kunnen zijn van een vorm van zelfkritische introspectie van de broers. Die ‘ontknoping’ (als je daar al van kunt spreken) is eerder mysterieus dan ingewikkeld. Wat zit er in de doos met bruin pakpapier en een touw eromheen die Meadows bij Fink in bewaring geeft? Een afgehakt hoofd? We kunnen er alleen naar gissen.

In ieder geval krijgt Fink als hij even met deze doos rammelt ineens inspiratie en weet hij in een enkele doorwaakte nacht een naar zijn eigen zeggen briljant script uit zijn Underwood-schrijfmachine te toveren. Wat dat script betreft vernemen we slechts dat Lipnick het waardeloos vindt. Waar het over gaat, blijft onduidelijk.

Die open eindjes dragen ertoe bij dat Barton Fink zich leent voor verschillende interpretaties en dat je de film regelmatig opnieuw wilt zien. Ook in dat opzicht is de schrijfblokkade die Joel en Ethan Coen ervaren hebben bij het schrijven aan het scenario van Miller’s Crossing een vruchtbare geweest.

 

15 juli 2024

 

THEMAMAAND JOEL EN ETHAN COEN