Suspiria (2018)

Suspiria (2018)
Dansend door het doolhof

door Bert Potvliege

De consensus kan al eens fout zijn. De filmgeschiedenis is doorspekt met verbluffende prenten die bij hun release verkeerd begrepen of genegeerd werden. Een aantal groeiden uit tot cultfilms, waarbij de wereld gewoon wat later tot inzicht kwam. Soms voel je een toekomstige cultklassieker van mijlenver aankomen. Luca Guadagnino’s Suspiria, de uit 2018 daterende remake van de horrorklassieker van Dario Argento, is zo’n film. Ik heb geen idee hoeveel tijd de wereld nodig zal hebben om er de ogen voor te openen, maar die dag komt.

In de vele wonderlijke samenwerkingen die actrice Tilda Swinton de afgelopen decennia aanging, was haar partnerschap met een filmmaker zelden inniger dan met Guadagnino. Swinton is een hartsvriendin en een muze voor de Italiaanse arthouse-cineast. Hun horrorfilm (bovendien niet hun enige samenwerking) is niet enkel ravissante cinema, maar ook een ode aan de met raadselachtige allure gezegende Swinton. Pers en publiek hielden er aanvankelijk een andere mening op na en wisten niet goed hoe aan de slag te gaan met Suspiria.

Suspiria

Geen olijfbomen meer
Luca Guadagnino is al vijftien jaar een vaste waarde in de Europese cinema, met intussen ook een boeiende stap naar Hollywood (Challengers, Bones and All). Een sfeer van onbezonnen Italiaanse zomers was tot 2017 zijn stilistisch handelsmerk. Hij perste steevast alle mediterrane romantiek en erotiek uit zijn verhalen, waardoor de cinema van Paolo Sorrentino (La grande bellezza) nooit veraf was. Call Me by Your Name was in deze fase van zijn carrière het hoogtepunt.

Nog geen jaar later gooide Guadagnino het roer echter volledig om en waagde hij zich, tot ieders verbazing, aan een remake van de expressionistische horrorfilm Suspiria. Hij liet zijn vertrouwde stijl voor wat die was en zocht nieuwe oorden op. Niemand zag het aankomen en eerlijk gezegd zat niemand erop te wachten. Weg met de verschroeiende Italiaanse zomerzon, op naar het Berlijnse beton.

Critici struikelden over de lange speelduur en vroegen zich af waarom deze update van tweeënhalf uur een vol uur langer moest duren dan het origineel. Ook de iconische status van Dario Argento’s Suspiria werkte tegen, want het zat een warme ontvangst van de remake in de weg. Daarnaast vonden sommigen de arthouse-aanpak potsierlijk en pretentieus. Zelf ervoer ik dat helemaal anders. Guadagnino’s Suspiria hield me 150 minuten lang in de ban en liet me achter met een gevoel dat ik nog altijd koester.

Onder moeders vleugels
Berlijn, 1977. De jonge Amerikaanse Susie (Dakota Johnson) dwaalt wat verloren door de metro, op weg naar dansschool TANZ. De naam prijkt in harde letters boven een grauwe betonnen ingang, pal naast de Muur. Susie droomt van een plek in het gezelschap en hoopt tijdens haar auditie te overtuigen. Al bij haar eerste dans valt ze op bij de raadselachtige Madame Blanc (Tilda Swinton), die haar onder haar hoede neemt. Tussen beiden groeit een bijzondere band.

Maar TANZ blijkt veel meer dan een dansschool. Achter de façade schuilt een heksenkring, verscheurd door een machtsstrijd tussen Blanc en de aftakelende Moeder Markos (eveneens gespeeld door Swinton). De groep bereidt een ritueel voor dat Markos nieuw leven moet schenken en daarvoor hebben ze een jong lichaam nodig. Susie raakt steeds dieper verstrikt in hun plannen.

Ondertussen zoekt Patricia, een meisje dat uit de school is gevlucht, steun bij psychiater Dr. Klemperer (óók vertolkt door Swinton, ditmaal als oude man). De dokter besluit de waarheid achter de school te onderzoeken, maar stuit op onverschilligheid bij de autoriteiten. Zelf draagt hij een ondraaglijk oorlogstrauma met zich mee: het verdwijnen van zijn vrouw Anke, van wie hij nooit het lot heeft vernomen. Zijn verleden en zijn zoektocht zullen onverwacht een rol spelen in het duistere ritueel dat de heksen voorbereiden.

Een hoop vlees
Foto: Brigitte LacombeDe rijkdom van Suspiria schuilt in de toverdrank die Guadagnino stookt, met drie kerningrediënten: horror, erotiek en ontroering zijn in een dans verwikkeld met elkaar, met even prikkelende uitbarstingen als het door de danseressen opgevoerde spektakel Volk. Dat wringen van die ingrediënten leidt tot een bedwelmende cocktail die mismeestert. De horror krijgt een erotische lading terwijl de erotiek me de stuipen op het lijf jaagt, en doorheen dit alles spoken wonderlijke toetsen van ontroering.

Dat juist Guadagnino, een uitgesproken arthouse-regisseur en allerminst een genrefilmer, zich aan een horrorproject waagde, maakte dit experiment zo intrigerend. Het merendeel van hedendaagse horror weet me nauwelijks nog te beangstigen; wat zou een artistieke stilist als Guadagnino er dan van bakken? Heus wel wat, zo blijkt.

De vervormde spiegelwanden in de danszaal symboliseren de dreigende labyrintische aard van deze mysterieuze school. Nacht na nacht sturen de heksen Susie vergiftigde dromen, een sinistere voorbereiding op het ritueel. Die droomsequenties wemelen van de onheilspellende beelden, vaak doordrenkt met body horror. De fysieke vervormingen zijn een metaforische verbeelding van het reële lijden van dansers: lichamen tot het uiterste geduwd; jeugd en schoonheid versneld uitgehold. Onder de oppervlakte sluimert een erotische spanning, waarin verlangen en lichamelijke aftakeling samensmelten. Dat verlangen wordt ingelost bij het ritueel, waarbij het feminiene wordt verorberd. Daarmee legt de film al de thematische kiem voor Bones and All, Guadagnino’s romantisch kannibalendrama dat enkele jaren later zou volgen – het verslinden van de andere in de naam van liefde.

Wanneer danseres Olga besluit de school te verlaten, loopt het fout. De heksen laten haar niet ontsnappen. Ze verdwaalt in de vele donkere gangen en komt terecht in de afgesloten danszaal, waar haar lichaam op bovennatuurlijke wijze kraakt en breekt. Haar ledematen komen verwrongen te staan, haar lichaam uitgeperst. Ze plast in haar broek en komt als een hoopje samengevouwen vlees op de vloer te liggen. Het is een scène die evenzeer verontrust als dat ze opwindend en hypnotiserend is. Net zoals David Lynch (Lost Highway, Mulholland Drive) hanteert Guadagnino hier een fetisjistisch omgaan met zijn vrouwelijke personages. Hij brengt hen op bijna vertederende wijze een zuiverende pijn toe, als een vreemdsoortige ode aan de vrouw. De metalen sikkels die nadien nog door Olga’s vlees gestoken worden, stellen de prikkelende terreur en het ongemakkelijke vleselijke verlangen op scherp.

Een touw vastknopen aan opwinding
Suspiria is zo doordrenkt van seksualiteit dat de film vonkt. Het is een onverwachte dimensie die de prent naar een hoger niveau tilt. Seksualiteit in horror is schering en inslag, maar zelden wordt ze zo gelijkwaardig aan angst ingezet als hier. In Suspiria vervloeien horror en erotiek tot een enkele, bedwelmende ervaring. Op de meest verontrustende momenten merk ik een opwinding – gezien de terreur op het scherm is het een vreemd en zelfs ongepast gevoel. De film confronteert me met mijn eigen dierlijk instinct, dat een immorele vorm durft aan te nemen. Guadagnino laat me zo schrikken van mezelf.

Susie kronkelt en beweegt tijdens het dansen op een hypnotiserend verleidelijke manier over de vloer. Voor de uitvoering van Volk dragen de dansers rode touwen als kostuum, wat sterk doet denken aan bondage. Susie die samen in bed hangt met de frêle Sara. Susie die even gaat plassen. Het vele naakt bij het ritueel. Iemand vraagt Susie hoe het is om in de opvoering te dansen. “Als geneukt worden door een dier”, antwoordt ze laconiek. Elk van deze momenten roept sensaties bij me op die moeilijk te verantwoorden zijn. Guadagnino presenteert hier een bijna bacchanaals spektakel en creëert met Suspiria misschien wel een van de meest sensueel geladen films van deze eeuw. Zijn adoratie van Swinton – al ware ze een godin – maakt de erotische uitspatting compleet.

Suspiria biedt zichzelf aan met heel wat filmisch vernuft. De montage is opvallend expressief: talrijke licht variërende beelden volgen elkaar in een snel tempo op, zonder dat ze expliciete informatie toevoegen. De intentie is onduidelijk, wat oncomfortabel voelt en een heldere interpretatie bemoeilijkt. Ook het kleurenpalet van de film draagt bij aan die verstoring: eenmaal in de dansschool heb je het gevoel in een andere wereld te stappen. De vloertegels zijn net zo verontrustend als het tapijt in The Shining. De cameravoering en beeldcompositie zijn uitstekend, maar ik verwacht niets minder van Guadagnino.

Suspiria

Entry music (for a film)
Een laatste, bepalend ingrediënt in de cocktail die Suspiria heet, is de ontroering. Ik kreeg een krop in de keel bij het acteerwerk van Tilda Swinton. Neem bijvoorbeeld de slotscène van Dr. Klemperer, wanneer hij eindelijk te horen krijgt wat er met zijn geliefde Anke is gebeurd. Verborgen achter lagen make-up weet Swinton nét genoeg expressie te tonen om me te raken. Het daaropvolgende slotbeeld, met de in de muur gekerfde letters, is buitengewoon teder. Ook de ondergang van Patricia en Sara tijdens het ritueel weet op een vergelijkbare manier te ontroeren.

De meest intense emotie komt echter van muzikant Thom Yorke. De Radiohead-frontman schreef voor deze film zijn allereerste score. Net zoals hij met zijn solodebuut Eraser uit 2006 nog zoekende was naar zijn eigen stem als soloartiest, speurt hij hier naar zijn identiteit als filmcomponist. Hoewel hij die nog niet volledig heeft gevonden, schemert de voor Yorke typerende emotionele muzikaliteit wel al sterk door. De track Suspirium, die over de openingsgeneriek ligt, is zelfs een van zijn krachtigste nummers in jaren. De generiek zelf speelt als een aangrijpende miniatuurfilm en getuigt van Guadagnino’s talent: compositie, kleur, ritme, sfeer en muziek smelten samen tot een werkelijk betoverende scène. Moeder ligt in bed met een doodsrochel, terwijl Yorke’s ijle stem weerklinkt: “All is well, as long as we keep spinning. Here and now, death still behind a wall.” 

De kracht van de vrouw
De kans bestaat dat je Suspiria vervloekt, omdat het niet evident is te achterhalen wat je ermee aan moet. Velen krijgen niet wat ze verwachten dat horror hen zou moeten geven, hoewel ik het net een zeldzaam angstaanjagende prent vind. De fans van Guadagnino zaten al helemaal met de handen in het haar, want hun idool leek zijn stijl compleet overboord te kieperen. En toch is het feminiene – zo essentieel in het oeuvre van Guadagnino – ook hier centraal aanwezig.

Guadagnino’s zin voor risico – waarbij hij onderzoekt, experimenteert en wat grenzen verlegt – kan ik enkel toejuichen. Ik voel en begrijp zijn fascinatie voor het materiaal, alsof we een geheim delen. Het is verslavend te verdwalen in het prikkelende Suspiria, waar vrouwelijkheid zowel erotiseert als afschrikt door haar verscholen krachtdadigheid en dreigende aard.

Suspiria is te zien in Eye.

 

27 oktober 2025

 

THEMAMAAND TILDA SWINTON

Snowpiercer (2013)

Snowpiercer (2013)
Het moment dat Tilda Swinton de kijker wakker schudt

door Bob van der Sterre

Snowpiercer beschrijft de laatste mensen die na een mislukt experiment eeuwig in een razend rijdende trein over de aarde reizen. Ze zijn letterlijk ingedeeld in klassen, van arm tot elite. De stripoorsprong van de film vraagt om geloofwaardige karikaturen. En Tilda Swinton schudt die uit haar mouw alsof het niets is.

Echt heel serieus hoef je het script van Snowpiercer uit 2013 niet te nemen. Hoezo een trein die de hele wereld rondrijdt? En waarvan de rails het ondanks de vrieskou het zonder onderhoud blijft doen? En gevuld is met een coupé met gasten met maskers en hakbijlen. En oh ja, docenten kunnen even gemakkelijk omgaan met uzi’s als met krijtjes voor het schoolbord.

Snowpiercer

De film van Bong Joon-ho oogt karikaturaal en stripachtig. Dat klopt ook, want het verhaal komt uit een Frans stripboek, Le Transperceneige van Lob, Legrand en Rochette uit 1982. De Zuid-Koreaanse filmmaker las het naar eigen zeggen staande in de boekhandel in een ruk uit en bleef er op weg naar huis over dromen, waarna de gedachte van een film ontstond.

En als je goed kijkt, zitten er wel Franse thema’s in, vooral het stuk over opstand. De dystopische thema’s van de jaren tachtig zie ik er ook in terug. Lob ken ik verder vooral van het script van Superdupont, de Franse superman, uiteraard met stokbrood, wijn, alpinopet en buikje, waar opmerkelijk genoeg nog niemand in Frankrijk commercieel in gedoken is (gelukkig maar misschien).

Het perfecte symbool voor klassenmaatschappijen
Snowpiercer is een film over hoe klassenmaatschappijen kunnen leiden tot revoluties. Ik bedoel: de trein is het perfecte symbool daarvoor met zijn 1e, 2e en soms zelfs 3e klassen. “Ik behoor tot de voorkant, jullie tot de staart, weet je plaats en houd die plaats!”

Het lastige is wel dat de actiescènes daarvoor wel wat té aanwezig en bloederig zijn. Ik moest soms denken aan Equilibrium, dan weer aan de treinthriller The Cassandra Crossing, en soms aan de eveneens Koreaanse film Concrete Utopia (2023, Um Tae-hwa). Maar Joon-ho staat nu eenmaal bekend als een genre-fusionist.

Met name Bong Joon-ho’s eigen Oscarwinnende Parasite, ook over klassenverschillen, geeft een idee hoe je deze film moet opvatten. Parasite is vrij intelligent en subtiel, deze film eerder het tegenovergestelde. Joon-ho zegt het zo: “Parasite is een verticale film, terwijl Snowpiercer juist heel horizontaal is.”

Foto: Brigitte LacombeSchoen op een dienblad
Genoeg over Bong Joon-ho – we hebben het vandaag over de rol van Tilda Swinton. Swinton speelt ‘minister Mason’, een soort afgevaardigde van de elite van de voorste coupés die de status quo in de trein wil handhaven. Ze was schoonmaakster en klom op tot de naaste van treingenie Wilford.

Na een kwartier komt ze de coupé van de armen binnengelopen, in paarse jas met bontjas over de rechterschouder gedrapeerd. Andrew (Ewen Bremner) heeft met een schoen naar de crew gegooid. Als straf hangt zijn arm via een gat zeven minuten buiten in de vrieskou.

Ze krijgt een schoen op een dienblad aangereikt, neemt die in haar hand en zegt: “Dit is zo teleurstellend!” Ze doet haar mond open om verder te praten maar wordt telkens onderbroken door de vertalers. “Hier hebben we geen tijd voor, we hebben maar zeven minuten!” Als ze verder wil praten, hoort ze kleng achter zich en kijkt ze even om. Uit interviews later bleek dat dit een foutje van de crew was. Maar Swinton gaat gewoon verder met haar speech. “Dit is geen schoen, dit is wanorde, dit is maat 10 chaos!”

Haar speech heeft een symbolische rol voor een schoen: “Orde is de barrière die de bevroren dood van ons afhoudt, we moeten allen vasthouden aan onze voorbestemde rollen… Zou je een schoen op je hoofd dragen? Nee, een schoen hoort aan je voet, een hoed hoort op je hoofd. Ik ben hoed, jullie zijn schoen, ik hoor bij het hoofd, jullie bij de voet, zo is het nu eenmaal.”

Dan probeert ze contact te maken met de bestuurder van de heilige motor, Wilford, en haar blik terwijl ze wacht op zijn stem (die nooit komt) is grappig. Haar tweede speech wat later is bozer en misschien nog wel beter: “70% van jullie gaat dood. Mijn vriend, jij hebt last van het misplaatste optimisme van de gedoemden.”

Khadaffi als inspiratiebron
Swinton mocht veel input geven op het uiterlijk van de minister. Alles is extreem uitvergroot: enorm vooruitstekende tanden (het gebitje haalt ze er later uit), een kolossale bril, een kleurrijke minister-outfit met zelfgemaakte medailles, een welgevormde pruik die niet blijft zitten en een dik geprononceerd Engels accent. Ze vertelde in een interview dat ze zelfs nadacht over hoe Mason’s cabin eruit zou zien. “Wie weet wie er achter het uniform zat!”

Haar inspiratiebronnen voor de rol waren dan ook nogal weirde dictators als Khadaffi en Idi Amin, die ook zichzelf behingen met zelfgemaakte medailles. Als ze geraakt wordt, maakt ze hetzelfde handgebaar als Khadaffi toen hij aangehouden werd.

Maar kleding en verschijning betekenen weinig als de acteur ze niet tot leven kan laten komen. Tilda Swinton en haar toneelachtergrond zijn belangrijk om het karakter Minister Mason te laten overtuigen voor de kijker. Swinton: “Minister Mason is een door-en-door-corrupte politicus waar ik een clown van wilde maken.”

Snowpiercer

Elite vs. arme mensen
Het knappe is dat zij het eerste deel van de film draagt door in haar eentje de elite te vertegenwoordigen. Het moment van haar verschijning met de arme mensen in de coupé is de eerste scène waarbij dat contrast echt duidelijk wordt. Joon-ho: “Op dit moment weet je nog niet hoe de elite eruit ziet, ze geeft een indruk wat je kunt verwachten.”

Frappant is dat Joon-ho voor de rol van Mason eigenlijk de acteur John C. Reilly in gedachte had. Gelukkig pakte het anders uit. Er is sowieso veel onderling respect tussen de regisseur en de actrice. In een interview zei Bong Joon-ho dat “de film zonder Tilda Swinton niet gemaakt had kunnen worden”. De twee ontwikkelden een vriendschap en werkten weer samen met Okja (2017). Ze delen een grote liefde voor Hayao Miyazaki’s films, met name My Neighbor Totoro.

Intussen – hoe kan het ook anders – is er ook een gelijknamige tv-serie gemaakt in de periode 2020 – 2024. Ik heb er een hard hoofd in hoe je dit bizarre verhaal over 48 afleveringen kunt uitsmeren. En zonder Tilda Swinton mis je als kijker echt acteerkwaliteit.

Snowpiercer is te zien in Eye.

 

23 oktober 2025

 

THEMAMAAND TILDA SWINTON

Wittgenstein (1993)

Wittgenstein (1993)
Queer logica

door Ralph Evers

Wittgenstein was de gevierde logica-filosoof, die door een andere gevierde filosoof, Bertrand Russell, uitgeroepen werd tot een van de grootste denkers van zijn tijd (de ander was Martin Heidegger, in Zijn Tijd). The Master of Queer, Derek Jarman, weet wel raad met Wittgenstein. Logica in bonte kleuren, extravagante kostuums en heerlijke filosofische vragen en uiteenzettingen. 

Queer zal het woord zijn en het woord is queer. Da’s niet alleen deze film van Jarman, dat is zijn handelsmerk. Tegelijk ook een op zichzelf grappige paradox, dat een film over de taalfilosoof Ludwig Wittgenstein met zoveel queer benaderd wordt. Dat bijt mekaar. De kleuren, de decors, de staccato scènes waarin deze film af en toe opgebouwd is, zijn niet noodzakelijk zo streng logisch als wat de filosoof beoogde. De kleurrijke kostuums (vooral Swinton) en spaarzame decors zijn te allen tijde tegenover een verder zwarte theaterachtergrond. Die achtergrond zwijgt als het ware, waar Wittgensteins denken ophoudt.

Wittgenstein (1993)

Wittgenstein (1993)

Tegelijkertijd en in tegenstelling met Jarmans Caravaggio – je weet wel, die film waar Swinton in debuteerde en Sean Bean weer eens de dood vond – is Wittgenstein een stuk biografie-getrouwer dan het eveneens maffe en queere Caravaggio. Wittgensteins pogingen om kinderen les te geven (een hopeloze mislukking voor de sociaal wat vreemde Wittgenstein) zijn getrouw in beeld gebracht, evenals diens verheerlijking van handarbeid op een collectieve boerderij in de Sovjet-Unie (wat is dat toch met intellectuelen, dat ze zo door ideologie bevangen kunnen raken?).

Foto: Brigitte LacombeHet eigenaardige van Wittgenstein (voor de filosofen onder ons, je zou denken dat het de reïncarnatie van Kierkegaard is, met z’n aparte maniertjes en omgang met de ander) is pedant wanneer de jonge Wittgenstein de film inleidt en een stukje met ons oploopt, serieus, stekelig en bij tijden sentimenteel, wanneer de volwassen Wittgenstein tegen de grenzen van begrip met zijn mentoren Bertrand Russell en John Maynard Keynes aanloopt.

Met studenten of zijn vluchtige romances komt hij er ook niet zo goed uit. Het zijn deze scènes die deze film de nodige structuur en aantrekkingskracht geven. Want voor de gemiddelde bioscoopbezoeker vandaag de dag is deze film te anders.

Half of Cambridge goes around imitating your mannerisms’

Het anders-zijn van deze portrettering van Wittgensteins leven is op een meta-niveau nu ook precies wat filosofie beoogt, nee, wat kunst beoogt. Door van gebaande paden af te wijken, raken anderen geïnspireerd om tot een uitbreiding van het bestaande te komen, anders is het slechts een eindeloze herhaling, zoals de echokamer van de huidige kunstmatig intelligente taalmodellen. De mens is een onmogelijk dier, dat probeert het marsmannetje ons ook duidelijk te maken op vriendelijke wijze. Daarom zij geprezen, dat andere. Queer.

Wittgenstein (1993)

Wittgenstein (1993)

Waar zou Lars von Trier zijn geweest zonder Derek Jarman? Dogville en Manderlay zijn kalere, soberdere en bravere versies van het decorwerk van Jarman. Wie zou de nieuwe quirky queen opvolger van Tilda Swinton kunnen worden? Niemand minder dan Emma Stone, afgaande op haar werk met die Griekse muze van haar.

 

12 oktober 2025

 

THEMAMAAND TILDA SWINTON

The Man from London (2007)

The Man from London (2007)
Morele scherprechter in een landschap van schimmen

door Tim Bouwhuis

Béla Tarrs The Man from London (2007) is achtendertig minuten onderweg als de memorabele introductie van het personage van Tilda Swinton volgt. Zoals een goochelaar iets uit zijn hoge hoed tovert, zo glijdt de camera op het bewuste moment achter de rug van de eigenlijke hoofdpersoon vandaan. Tarr geeft Swintons verschijnen gewicht, voert haar in een handvol sleutelscènes op maar laat haar daarna ook weer zonder pardon uit de film verdwijnen. Toch is haar rol cruciaal om dit hermetisch aandoende misdaaddrama dieper te kunnen doorgronden.

Swinton speelt in The Man from London een huisvrouw die zucht onder de eentonigheid van het bestaan en de ruwheid van haar echtgenoot. Het is typerend dat we haar pas in beeld krijgen nadat Maloin (Miroslav Krobot) de deur achter zich heeft dichtgedaan, en dat haar personage op IMDb alleen op de credits staat als ‘de vrouw van Maloin’ (al wordt ze elders wel ‘Camélia’ genoemd). In de naam Maloin zit het Franse woord ‘mal’, dat ‘slecht’ betekent. De voertaal in het huishouden van het stel is Frans, en de roman waar de film zich op baseert werd geschreven door de Franstalig Belgische detectiveschrijver Georges Simenon.

The Man from London (2007)

The Man from London (2007)

Wat Swinton niet weet
Op het moment dat Maloin thuiskomt bij zijn vrouw, zijn wij als kijkers al deelgenoot gemaakt van het misdaadmysterie dat de plot voortstuwt. De spoorarbeider heeft tijdens zijn avondshift in de haven een koffer opgevist met daarin een behoorlijk geldbedrag. Hij lijkt er niet over te peinzen om zijn echtgenote uitgebreid over de vondst te informeren.

De eerste keer dat we Swinton aan het woord horen, verheft ze meteen haar stem. Ze komt niet op voor zichzelf, maar voor hun dochter Henriëtte. Haar man is wantrouwend naar alles wat slecht voor het meisje zou kunnen zijn en slaat daarin door: hij gunt Henriëtte niet de vrijheid zelf te ontdekken wat goed voor haar is. Swinton confronteert Maloin met dit dwingende gedrag; eerst één op één, later in Henriëttes bijzijn.

Wat het daglicht niet verdragen kan
De scène waarin de twee in een verhitte ruzie belanden (“wanneer houdt je eindelijk je kop?”), wijkt qua toon behoorlijk af van de rest van de film. Terug naar het zwijgzame eerste halfuur: daarin zien we (louter mannelijke) personages bewegen als schaduwen in een schimmenrijk. Dan weer is het de afstand vanwaar de camera hen gadeslaat, dan weer zien we iemand met zijn rug naar ons toegekeerd. Meermaals framet Tarr zijn shots aan de hand van ramen en spijlen, en ook de belichting verhult meer dan ze openbaart. Dat deze schimmen schimmig gedrag vertonen, is een een-tweetje.

Foto: Brigitte LacombeMaloins sleutelrol in het schaduwspel kan het daglicht sowieso niet verdragen, maar als hij later in het (dag)licht stapt wordt het er niet veel beter op. Na het eerste twistgesprek met zijn vrouw meldt hij zich met veel misbaar bij de winkel waar zijn dochter op dat moment werkzaam is. Het zint hem niet dat zij daar als schoonmaakster wordt ingezet, en hij wantrouwt de bijbedoelingen van het personeel. Dat Henriëtte nog een arbeidsovereenkomst van een week moet uitdienen, interesseert hem niet. Onder luid protest van de eigenaresse trekt hij haar de winkel uit.

De bron van alle kwaad
Als het tweetal zich even later thuis meldt, weet Swinton niet waar ze het zoeken moet. Maloin heeft Henriëtte meegenomen naar een luxe kledingwinkel en daar een normaal gesproken onbetaalbare bontjas uitgezocht. Wat voor idioot is haar echtgenoot wel niet om hun financiële middelen én Henriëttes arbeidsperspectief zo te minachten?

Het is prikkelend om te merken dat Tarr Swinton zo goed als volledig aan het mysterie van de geldkoffer onttrekt, zelfs op het moment dat zij hem met een geldkwestie confronteert. Maloin hoeft niet te proberen om zijn vrouw de waarheid te vertellen, omdat hij weet dat zij het zal afkeuren als hij de inhoud van de koffer in zijn eigen zak steekt. Tegelijk heeft de vondst nu al een grote invloed op zijn doen en laten, als een parasiet die doordringt tot de huid van een geschikt slachtoffer.

Het is alsof Tarr hier wil zeggen dat vooral mannen de lokroep van geld (de bron van alle kwaad?) niet kunnen weerstaan, en dat vrouwen vervolgens slachtoffer zijn van de ellende die daaruit voortkomt. Deze indruk wordt versterkt als de regisseur vrij laat in de film de vrouw van de hoofdverdachte in het mysterie introduceert. Net als Maloins echtgenoot lijkt zij er geen benul van te hebben gehad wat zich precies in de duistere mannenwereld heeft afgespeeld. De Londense detective die met de zaak belast is, moet haar vertellen wat haar man heeft gedaan, en dat ontroert haar zichtbaar. Tarr kiest ervoor om lang op haar getekende gezicht in te zoomen, net zoals hij dat even daarvoor doet in het doorleefde afscheidsshot van Swinton (ruim vóór het einde van de film). In de aanblik van beide vrouwen schijnt een tragische weerloosheid door.

The Man from London (2007)

The Man from London (2007)

Swinton en de vrouw van hoofdverdachte Brown zijn zo slachtoffers (“vijfentwintig jaar houd ik het al uit”, klaagt eerstgenoemde over het gedrag van Maloin) van de mannen aan hun zijde, maar dat maakt vooral de steractrice allesbehalve passief. Sterker nog, Tarr zet haar in als een morele scherprechter, de enige die Maloin één op één met zijn keuzes en gedrag confronteert. Eigenlijk is het de detective die in The Man from London het recht moet belichamen, maar dat gegeven maakt hem nog niet rechtvaardig. Bij het afhandelen van de zaak biedt hij zowel de vrouw van Brown als Maloin een geldbedrag aan ter compensatie. Geld wordt zo niet alleen gebruikt (lees: misbruikt) om de plot in gang te zetten, maar ook om de uiteindelijke toedracht te verdoezelen.

Wanneer het recht (niet) zegeviert
“Ga naar huis en vergeet alles”, zegt de detective tegen Maloin, waarmee hij de status quo in het eenzame dorp herstelt. Geld is de enige taal die hij kan spreken. De detective kan het leed van Browns vrouw niet verzachten, en Maloins besef van schuld en medeplichtigheid is niet aan zijn inmenging schatplichtig. Swinton is de enige die hem recht in zijn gezicht de waarheid heeft verteld. Om niet al te lang daarna voorgoed uit de film te verdwijnen.

The Man from London is te zien in Eye.

 

9 oktober 2025

 

THEMAMAAND TILDA SWINTON

Memoria (2021)

Memoria (2021)
De antenne van de muze

door Bert Potvliege

Een groot acteur wordt niet enkel gekenmerkt door het talent overtuigend te kunnen verdwijnen in de huid van een ander. Deze krijgt die stempel ook wegens zijn of haar neus – voor sterke scenario’s en boeiende filmmakers, graag gekoppeld aan enige zin voor risico. Ik beschouw Tilda Swinton als het toonbeeld van de hierboven beschreven karakterisering – een titaan geboetseerd door ijver, instinct en vastberadenheid. 

Mijn bewondering voor haar is niet enkel een gevolg van uitstraling en vakmanschap, maar vooral de keuzes die ze maakte deden me opveren. Ze heeft met ontzettend fascinerende lui mogen samenwerken de afgelopen decennia, die haar telkens naar een hoger niveau tilden. Het allermooiste partnerschap vond ik die met Thaise regisseur Apichatpong Weerasethakul, van wie Memoria verscheen in 2021.

Memoria (2021)

Memoria (2021)

Als een retraite
Op de meeste dagen beschouw ik Weerasethakul als de beste filmmaker in de wereld. Hij is verantwoordelijk voor ongewone, zalvende prenten die een bereidwilligheid en een overgave vereisen van het publiek. Uiteraard is het aan de kijker om zich een juiste mindset eigen te maken, maar eens die stap gezet, nemen zijn films je zacht mee naar een meditatieve staat. Vergis je niet over de potentiële impact van dergelijke cinema, want wat op papier klinkt als vage therapie zijn in werkelijkheid clusterbommen van prenten – een kijker die affiniteit heeft met het werk van Weerasethakul krijgt films voorgeschoteld die ontzettend indrukwekkend kunnen zijn. Ik waag me zelfs aan een vergelijking met het werk van Andrej Tarkovski (Andrei Rublev, Solaris), wat betreft de impact die cinema kan hebben.

Filmmakers als Park Chan-wook (Oldboy), David Fincher (Se7en) en Jacques Audiard (Un Prophète) ogen als regisseurs die het vak ingelepeld kregen – filmtaal zit in hun bloed. Weerasethakul is een ander soort cineast. De reden waarom ik hem de beste filmmaker noem heeft niks te maken met enige ambachtelijkheid, maar wel met zijn unieke conceptuele benadering van het medium. Hij haalt de mosterd ook niet bij andere cineasten, want tijdens een podiumgesprek vorig jaar in Brussel merkte hij doodleuk op dat hij niet naar films kijkt, maar ze enkel maakt. Dat doet me gniffelen.

Weerasethakuls werken zijn de rust zelve, een pleidooi voor de communale belevenis van cinema, spirituele ervaringen die trance-inducerend zijn. Slow cinema (of wat ik graag noem: onthaastingscinema) is niet nieuw, maar nooit relevanter dan in onze hedendaagse gejaagdheid. De cineast moedigde zelfs al aan dat mensen zouden slapen bij zijn films. Je kan er lacherig over doen, je kan het afdoen als voor een select groepje mindful people. Maar de kracht die erin schuilt – gezien de impact die zijn werk heeft op sommigen – is ontegensprekelijk. Ik heb het zelf mogen ervaren toen ik Memoria te zien kreeg.

Foto: Brigitte LacombeDe herinneringen van Hernan
Het verhaal van Memoria toelichten kan, maar of plot en personages schetsen voldoende zou zijn om lezers te overtuigen de film te bekijken, daar heb ik twijfels bij. Laat ik meegeven dat Memoria meer dan eender welke film een werk is dat beleefd moet worden. De waarde van de film schuilt in de ervaring ervan, waarbij het verslavend trage ritme door het lichaam zindert. Beschouw volgende omschrijving van de plot dan ook enkel als een aanzet, een uitnodiging om dieper te duiken naar de troostende lagen die eronder schuilen.

Tilda Swinton speelt Jessica, die in Colombia verblijft bij het gezin van haar zus. Op een dag schrikt ze wakker door een luide knal, maar algauw beseft ze dat dit zich in haar hoofd afspeelt. Regelmatig en uit het niets schrikt ze op door het donderende geluid, dat ze zelf omschrijft als een betonnen bal die valt in een metalen bron omgeven door water. Technicus Hernan helpt haar de knal recreëren in een geluidsstudio. Ze spendeert wat tijd met hem. Ze bezoeken samen een bedrijf dat koelcellen voor bloemen maakt. Wanneer ze later terugkeert naar de studio, laat men fijntjes weten dat er helemaal geen Hernan werkt.

Jessica leert ook Agnes kennen, een archeologe die menselijke resten onderzoekt die opgegraven werden tijdens de aanleg van een bergtunnel. Wat later bezoekt Jessica een klein dorpje vlakbij de site van de werken, waar ze een man ontmoet die Hernan heet. De film lijkt te impliceren dat hij een oudere versie is van de jonge geluidstechnicus.

In een diepgaand gesprek met de man over het collectief communiceren van de mensheid en over het aanvoelen van de herinneringen van de aarde, leert Jessica inzien hoe ze als een antenne signalen van anderen opvangt. Zo neemt zij de herinneringen van Hernan over. Wanneer hun gesprek aanvangt, laat het verhaal het weinige narratieve volledig los, komt de film op losse schroeven te staan en neemt deze zijn tijd om zachtjes uit te doven.

Memoria is een reis waarin de filmmaker zegt dat onze planeet met ons praat. We dienen enkel te luisteren om haar vibraties te kunnen oppikken.

Het trage zijn
Swinton lijkt zich als een vis in het water te voelen in de wereld van Weerasethakul. Ze omschreef haar deelname aan het project als een kans om te werken in het ritme en de atmosfeer van zijn beeldkaders, die hij creëert met stilte – een beetje als in een zwembad zijn. Het gaf haar eerder een gevoel te zijn dan te presenteren. Ik heb er enkel het raden naar hoe oprecht en verregaand dat aanwezig zijn in het moment ging bij de opnames. Hoe dieper in de film, hoe minder middelen Swinton lijkt te krijgen voor haar acteerspel. Toch slaagt ze erin – zelfs al is het maar door een blik in de ogen – me te doen geloven in wat lijkt op haar transcendentale ervaring in het moment. Ik veronderstel dat dit is wat ze bedoelde met zijn.

Die staat van bewustzijn waarvoor de film je uitnodigt, wordt bepaald door een vertraging waarbij de film hard op de rem gaat staan. De beeldkaders zijn ruim en statisch, alle interactie werd zacht geregisseerd, stilte is altijd vlakbij, en het ritme van dit alles wordt bewust en rigoureus afgeremd – wat nergens duidelijker is dan in de montage. Memoria heeft minder shots dan het aantal minuten dat de film duurt.

De motivatie in die montage geeft de indruk bepaald te zijn door enige willekeur, alsof de notie van vrije associatie omarmd wordt. Die assemblage getuigt van een instinctieve aard die ingaat tegen de ietwat stugge regels van filmtaal. Montage wordt doorgaans gebruikt omdat filmtaal het vereist (als twee personages in dialoog zijn, volgen shot en tegenshot elkaar op) of omdat informatie moet meegedeeld worden aan de kijker (een insert van een bom onder een stoel) of om een bepaald effect te creëren (een snellere montage in een actiescène). In Memoria stuurt montage weg van motivatie.

Een puritein zal het door die schijn van willekeur en onduidelijke intentie misschien onverantwoord noemen, maar daar ben ik het hartgrondig mee oneens. Er schemert een radicale en zelfs revolutionaire sfeer door in de wijze waarop Weerasethakul cinema tackelt. Hij lijkt zich niet te laten beknotten door regels en verwachtingen, tendensen en condities. Een bioscoopzaal is voor hem een oord van verering – het samen vieren van het samen mens-zijn, door instinctief en schaamteloos in te zetten op een spirituele ervaring. Swinton was zich ongetwijfeld bewust van – en aangetrokken door – het feit dat Weerasethakul enkel het eigen intern kompas volgt. Samen maakten ze met Memoria een van de hoogtepunten van de laatste handvol jaren.

Memoria (2021)

Memoria (2021)

Potentie
Ik moet een ogenblik stilstaan bij de eerste keer dat ik de film zag, in een afgeladen bioscoopzaal tijdens een filmfestival. Met uitzondering van Terrence Malicks The New World was de vertoning van Memoria de belangrijkste filmvoorstelling die ik deze eeuw heb mogen meemaken. Wat me overkwam in die zaal was niks minder dan een cinefiel wonder. Ik genoot aanvankelijk van de film die de werkelijkheid afremde, maar het duurde een tijd vooraleer ik op exact de juiste golflengte zat – alsof het eerste deel van de film me moest klaarstomen voor wat kwam. De ontmoeting met de oudere Hernan bleek het kantelpunt te zijn, waarbij de puzzelstukken plots in elkaar vielen.

Ik geraakte in een trance die als een hallucinatie was. Noem het gerust een natural high. Alle beelden die volgden kwamen binnen als een mokerslag, hoe ogenschijnlijk eenvoudig of betekenisloos die ook waren. Een beeld van twee soldaten op de weg. Een beeld van enkele heuvelruggen. En uiteraard dát beeld waar we niet over spreken. Weerasethakul was erin geslaagd me in de hoogste staat van nederigheid te brengen.

Het spreekt over de kracht van cinema. De waarde van onthaastingscinema is groot. De troost die ze biedt, kan allesomvattend zijn. Ik zal die voorstelling mijn leven lang meedragen. Het zachte onweer op de klankband tijdens de eindgeneriek stuurde me terug de wereld in, een ingrijpende ervaring rijker.

Memoria is te zien in Eye

 

5 oktober 2025

 

THEMAMAAND TILDA SWINTON

Caravaggio (1986)

Caravaggio (1986)
Een film als een schilderij

door Cor Oliemeulen

Tilda Swinton dacht dat ze maar één film zou maken. Ze kwam uit de theaterwereld en zocht naar kunstzinnige projecten. Haar samenwerking met Derek Jarman leidde ertoe dat ze in acht van zijn films verscheen. Hun reis begon met Caravaggio (1986), Jarmans eigenzinnige interpretatie van het leven van de Italiaanse barokschilder, bekend om zijn licht-donkercontrasten en rauwe, realistische taferelen. De film toont hem als een briljant kunstenaar met een destructieve kant, terwijl Swintons personage zijn grillige persoonlijkheid blootlegt.

Swintons filmdebuut in Caravaggio valt niet los te zien van de periode waarin Jarman de film maakte. Engeland verkeerde in politieke en sociale beroering: Thatchers beleid zorgde voor polarisatie, stedelijke kunst- en LGBTQ+-gemeenschappen zochten nieuwe, kritische vormen van expressie, en de opkomst van aids bracht angst en kwetsbaarheid, vooral in de kunstscene. Zie hier de voedingsbodem voor Jarmans intense ondertoon.

Caravaggio

Caravaggio (Foto: British Film Institute)

De filmmaker Derek Jarman
Derek Jarman was veelzijdig: regisseur, schilder, kostuumontwerper, schrijver en homorechtenactivist. Hij stond bekend om zijn experimentele en vaak provocerende films met politieke en maatschappelijke thema’s. Zijn doorbraak kwam met Jubilee (1978), een kritisch portret van een Engeland vol sociale ontwrichting, drugsgebruik en een nihilistische punkbeweging, terwijl Jarman al net zo makkelijk de monarchie, de consumptiemaatschappij en religie op de hak nam.

Een decennium later vermengde Jarman in Caravaggio (1986) en The Last of England (1987, ook met Swinton) film, poëzie en schilderkunst tot een eigenzinnige stijl. Naast hun artistieke en provocerende kwaliteiten, hebben veel van zijn films uit die tijd een queer-georiënteerde inslag. Geen expliciet politieke statements, maar stevige kritiek op macht, hypocrisie en sociale conventies. Vaak fragmentarisch, chaotisch en surrealistisch, en dus ook vernieuwend.

Deze vernieuwende stijl krijgt in Caravaggio extra betekenis dankzij de low-budgetproductie: de beperkte middelen dwongen Jarman creatief om te gaan met decors, licht en compositie. Daardoor krijgt dit drama vaak een toneelachtige uitstraling, met geïsoleerde sets en zorgvuldig geënsceneerde scènes die doen denken aan podiumvoorstellingen en schilderijen. Het geheel werkt als een poëtische collage, waarin tekst, dialoog en visuele stijl elkaar versterken.

Foto: Brigitte LacombeDe kunstenaar Caravaggio
Jarman wilde geen film maken over een schilder, maar een film die een schilderij was. “Caravaggio was een straatjongen, een oplichter en een outsider, daarom voelde ik me zo close met hem”, zei hij na het verschijnen van de film.

Caravaggio is gebaseerd op de historische figuur Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610). De film is eerder een poëtische interpretatie dan een biografische reconstructie.

Vanaf zijn sterfbed in 1610 blikt de armoedige renaissancekunstenaar Caravaggio (Nigel Terry) terug op zijn bewogen driehoeksverhouding met twee van zijn modellen: crimineel Ranuccio (Sean Bean) en diens liefje Lena (Tilda Swinton).

In Jarmans beleving is Caravaggio’s kunstenaarswereld een microkosmos van macht, intriges en afhankelijkheid. Sociale status bepaalt wie succes heeft en overleeft. Zijn reputatie als schilder van religieuze taferelen trekt de aandacht van kardinaal Del Monte, die hem bescherming biedt en toegang tot invloedrijke kringen, maar ook loyaliteit en wederdiensten verwacht, waarbij seksuele spanning tussen hen wordt gesuggereerd. Zo zijn kunst, macht (van kerkelijke autoriteiten) en verlangens in Caravaggio’s wereld onlosmakelijk met elkaar verbonden. Tegelijkertijd is er hypocrisie: hij schildert heiligen en Bijbelse scènes, terwijl zijn eigen leven vol conflicten, geweld en (homo)seksuele vrijheid zit.

De “bewuste fouten” in tijd en stijl
De film is bezaaid met mooie, literaire teksten: niet louter informatief, maar symbolisch en reflecterend op Caravaggio’s innerlijke belevingswereld. Hierop stapelt Jarman bewust een aantal anachronismen: elementen die niet in Caravaggio’s tijd thuishoren, maar zijn bedoeld om de kijker uit zijn historische comfortzone te halen en parallellen met de moderne wereld te trekken.

Zo verwijst de spontane verschijning van een typemachine naar bureaucratie, terwijl het plotselinge treingeluid een gevoel van dreiging en ontsnapping oproept. Het taalgebruik uit de Londense underground van de jaren 80 plaatst Caravaggio’s conflicten en verlangens in een universele, tijdloze context, waardoor de emoties en strijd van de personages voor een hedendaags publiek voelbaar blijven.

Tilda Swinton debuteert in Caravaggio

Tilda Swinton debuteert in Caravaggio

De tijdloze look van Tilda Swinton
In een interview met The Guardian legde Tilda Swinton uit waarom Derek Jarman haar castte. “We mochten elkaar heel erg en ik leek op meisjes in schilderijen.” Veel critici zijn het er over eens dat het gezicht van de actrice iets abstracts heeft dat je kunt ‘lezen’ als klassiek én modern. Met haar androgyne uitstraling kan ze zowel mannelijk als vrouwelijk, alsook engelachtig of demonisch, spelen. In Caravaggio zien we voor het eerst haar bleke huid (met blosjes op de wangen), de scherpe gelaatstrekken en haar klassieke schoonheid – alsof ze uit een zeventiende-eeuws schilderij is gestapt.

Swinton heeft een tijdloze uitstraling die een eeuwenoud archetype weerspiegelt. In Orlando (1992) reist haar personage door vier eeuwen en verandert probleemloos van man in vrouw. Als Witte Heks in The Chronicles of Narnia (2005) is ze sprookjesachtig en koel modern tegelijk. In Only Lovers Left Alive (2013) belichaamt ze letterlijk onsterfelijkheid, en in Doctor Strange (2016) is ze de “Ancient One”, een bron van eeuwenoude wijsheid.

En zo werd wat één film had moeten zijn, een imposante filmcarrière die Tilda Swinton tot een van de meest bijzondere en veelzijdige actrices van onze tijd maakt.

Caravaggio is in een digitaal gerestaureerde versie te zien in Eye en een aantal andere bioscopen.

 

30 september 2025

 

THEMAMAAND TILDA SWINTON

Een ode aan betrokkenheid

Een ode aan betrokkenheid

door Yordan Coban

Gemak of gedoe?
Een gedachte-experiment: noem eens tien recente technologieën die eigenlijk een stap terug zijn. Zelfs de grootste techneut zal moeten toegeven dat sommige moderne voorzieningen hun doel voorbij zijn geschoten. Toch is er bij elke innovatie, van roltrap tot fatbike, altijd wel iemand die het gemak ervan niet wil opgeven. Juist daar begint mijn betoog: we moeten de waarde van gemak opnieuw overwegen.

Mens en techniek
In een eerder essay over de film Caché (2005) beschreef ik hoe media in hun sturende narratief een afstand scheppen tussen belevingswerelden en ons verdoven voor geweld. In dit essay wil ik dat idee breder uitwerken en in de context plaatsen van hoe technologie in het algemeen op ons inwerkt. Ik laat mij leiden door techniekfilosofen als Hans Schnitzler en Martin Heidegger, en illustreer mijn betoog met voorbeelden uit de film, waaronder het werk van David Cronenberg, die de samensmelting van mens en techniek op indringende wijze verbeeldt.

Videodrome (1983)

Videodrome (1983)

De Canadese regisseur heeft vrijwel zijn gehele oeuvre besteed aan de samensmelting van mens en techniek. Vooral in Videodrome (1983) brengt Cronenberg deze thematiek tot een holistische climax.

Op het eerste oog lijkt techniekfilosofie misschien wat specialistisch, maar als je de menselijke geschiedenis naast de chronologische ontwikkeling van techniek legt, moet je bekennen dat deze innig met elkaar verbonden zijn. Sterker nog, mensen onderscheiden zich in soort – naast een aantal fysiologische kenmerken – juist ook in het gebruik van techniek. Enigszins gechargeerd durf ik wel te stellen, dat de mens in grote mate zijn techniek is. Techniek is niet alleen iets wat we gebruiken; het bepaalt in hoge mate hoe wij ons tot de wereld verhouden en zelfs hoe we onszelf begrijpen.

Om deze samenhang goed te kunnen doorgronden, is het nuttig om terug te kijken naar de oorsprong van onze techniek en te zien hoe die vanaf het prille begin onze verhouding tot de wereld vormgeeft.

Relatie tot natuur
De evolutionaire ontwikkeling van een soort komt in fasen met tussenvormen. Alhoewel ook andere diersoorten gebruikmaken van gereedschap (zie otters of kraaien) zien we bij het begin van de mens ook het begin van technologie: de handbijl. Een geslepen steen als technologische revolutie (zo je wilt ook de agrarische, industriële of digitale) kan de mens en zijn relatie tot de realiteit ingrijpend veranderen. Hij die een hamer in de hand neemt, ziet opeens overal spijkers. Vandaar dat techniekfilosofie zo wezenlijk is en, in deze tijd van technologische acceleratie, meer op de voorgrond van ons collectief bewustzijn zou moeten treden.

Dat techniek onze relatie met de realiteit verandert, wordt vooral duidelijk als we kijken naar hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. Wij zien de natuur niet meer als een spontane kracht die verwondert en verrijkt. Wij zijn de natuur gaan exploiteren en haar in onze technologie gaan vatten.

In de film Babe (1995) leggen de herdershonden het varkentje Babe uit dat hij de schapen met dwang moet beheersen. Babe verhoudt zich echter anders tot de schapen en vraagt ze vriendelijk mee te werken. Soms is er meer herleidbaar uit de omgeving dan aanvankelijk op te merken, juist doordat we ons tegenwoordig alleen nog gehaast afvragen: ‘wat heb ik eraan?’

La Guerre du feu (1981)

La Guerre du feu (1981)

Systeem van nut
Op dit punt wil ik even stilstaan bij de definitie van technologie zoals deze door de controversiële Duitse filosoof Martin Heidegger in de loop van de vorige eeuw geformuleerd is. Hij beschreef technologie als een systeem van nut. Wat bedoeld moet worden met nut lijkt niet moeilijk te verbeelden in het stenen tijdperk. Techniek stond in dienst van onze primaire fysieke behoeften om te overleven. In een film als La Guerre du feu (1981) zien we de strijd die zich vestigde rondom de ontdekking van vuur. Vandaag de dag lijkt de behoefte die moderne technologie bedient minder primair, minder nuttig zelfs. De verzadigde ronddolende mensen in Wall-E (2008) springen dan direct ter gedachte.

Wat nuttig is wordt gedeeltelijk ingevuld door de krachten van de tijd waarin we leven. Een nieuwe gezindheid kan een nieuw soort nut met zich meebrengen. Veel technologie vandaag de dag speelt in op de tendensen die prevaleren in de huidige consumptiemaatschappij. Je hoeft geen diepzinnig gevoel voor cultuur te hebben om op te merken dat de moderniteit zich kenmerkt door individualisatie. Veel technologie maakt de ander overbodig, is in wezen asociaal, zelfs als dit een digitaal communicatiemiddel betreft.

Vervreemding van betrokkenheid
Social media is een goed voorbeeld van hoe een toegeschreven nut, aanvankelijk verbindend, onder de streep juist leidt tot vervreemding en eenzaamheid. Wie in de stad rondloopt of om zich heen kijkt in de trein, moet bekennen dat we ons dikwijls niet meer daadwerkelijk in de fysieke omgeving begeven, maar we ons laten leiden van het hier en nu naar een digitale vorm van overal en nergens. Een film als Her (2013) is achteraf gezien profetisch over hoe ons gedrag in de publieke ruimte zich ontwikkelt tot een steriel gepraat langs elkaar.

We doen het (bijna) allemaal en dus voelt het betuttelend en betweterig om het te benoemen, maar ik denk dat onze tijd om betutteling vraagt. Mijn analyse is namelijk dat er tegenwoordig een gebrek aan betrokkenheid is. Betrokkenheid is een belangrijk menselijk vermogen dat onopgemerkt in verval geraakt is door onze onbegrensde uitlevering aan gemak. Hedendaagse technologie is vaak gericht op snelheid en het liefst geïndividualiseerd, zodat we ons niet meer hoeven te verhouden tot de ander.

Her (2013)

Her (2013)

Betrokkenheid is voor mij persoonlijk evident een hogere waarde dan efficiëntie of gemak. Het betekent zoiets als empathie tonen voor de ander, verantwoordelijkheid nemen en iets of iemand (jezelf inbegrepen) serieus nemen. Op dit moment is er een hevige strijd gaande om onze aandacht. Elke app of timeline staat vol met kortdurende entertainmentflarden en zijn een rechtstreekse aanval op ons concentratievermogen.

Ook de filmindustrie zal hier langzaam kapot aan gaan. Wie zal er in de toekomst nog zin hebben in een film die langer dan anderhalf uur duurt? Wie kan er nog zolang offline zijn? Ik vind dat een film als Everything Everywhere All at Once (2022) de plank misslaat in zijn vertoon van het flitsende nihilisme van de internetcultuur als genezing van de gemeenschap. Een beetje zoals de kritiek op het kapitalisme in The Wolf of Wall Street (2013) overschaduwd wordt door de verheerlijking van welvaart.

Bewust wil ik het in dit essay niet hebben over Blade Runner (1982), Ex Machina (2014) of andere sciencefictionfilms die waarschuwen voor het gevaar van cyborgs en replica’s. We weten simpelweg te weinig over wat intelligentie en bewustzijn neurologisch betekent om het daadwerkelijk na te maken. Het is nogal nodeloos om te speculeren over een duplicatie als we de werking amper begrijpen. Hierbij verwijs ik wederom naar Cronenberg die het in dit licht vooral heeft over hoe de technologie op ons inwerkt en onze mysterieuze werkingen versterkt. Het enigma van het algoritme komt nog altijd voort uit de onbegrensde complexiteit van de mens. Ik sluit me wat dat betreft aan bij de woorden van Hans Schnitzler: ‘Het gevaar is niet dat robots op mensen gaan lijken, maar dat mensen op robots gaan lijken.’

Wegen van woorden
In mijn werk als docent loop ik er dagelijks tegenaan: een gebrek aan betrokkenheid. Het wordt steeds lastiger om opdrachten na te kijken als ik vermoed dat een student ze niet zelf heeft geschreven. Bij gebrekkige stukken – die in ieder geval zelf geschreven zijn – voelt het aldus oneerlijk om erg kritisch te zijn.

Het onderwijs is gebaat bij traagheid, fouten en herhaling. Die verdiepen niet alleen kennis, maar bevorderen ook zelfvertrouwen en autonomie – iets wat door te veel automatisering juist wordt ondergraven. Ikzelf heb destijds mijn scriptie wel veertig keer van begin tot einde gelezen om de spelfouten eruit te halen. En elke keer zag ik weer iets wat me tegenstond, dan wel in de vorm, dan wel inhoudelijk. Nu is een spellingstoets niet per se kwalijk, net zoals het gebruik van een rekenmachine voor een eenvoudige rekensom op het eerste gezicht geen groot probleem is. Maar het uitbesteden van vaardigheden is een glijdende schaal wat iets kan doen met het zelfvertrouwen van iemand. Helemaal als het uitbesteden van je taalvaardigheden, het denken verstoort.

Ex Machina (2014)

Ex Machina (2014)

Taal is misschien wel – naast vuur, de handbijl en vaccins – de belangrijkste techniek die wij ooit ontwikkeld hebben. Wij denken en leven in taal. Veruit de meeste taalexpressie gebeurt namelijk intern. Op het moment dat je je taalexpressie uitbesteedt, ondermijn je je eigen plek en waardigheid omdat je je woorden laat voorschrijven. Het wegen van je woorden bevangt een menselijke essentie.

Technocratisch
Dezelfde vervreemding die we in technologie omarmen, zien we ook terug in de politiek. Het meest pijnlijke voorbeeld van hoe  taalgebruik heel veel kan zeggen over wie je bent als mens, is de wijze waarop het (gevallen) kabinet zich tot nog toe inadequaat uitspreekt over de genocide in Gaza. De semantische dans die onze staatshoofden opvoeren is hypocriet en zwak. De moderne politici durven geen ideologie meer te hebben en praten enkel in de richting van wat de data over het potentieel electoraal ze voorschrijven. Dat sluit eerder aan bij het werk van filosoof Hannah Arendt dan bij dat van Martin Heidegger, die ondanks zijn filosofische invloed bekendstaat om zijn nazisympathieën.

Momenteel zijn het de dataverwerkers en drones die worden ingezet om doelwitten in Gaza te bepalen. Dit gebeurt niet alleen continu onzorgvuldig, het geweld wordt zo meedogenloos en zonder persoonlijke verantwoording uitgevoerd. De opmerking ‘het gaat erom wat we met de technologie doen’ kan ik in dit licht maar moeilijk verdragen. Het gaat namelijk ook om de technologie. Technologie is niet neutraal.

Ik denk in dat verband aan de efficiënte gaskamers van Siemens in The Zone of Interest (2024) en aan Oppenheimer (2023) en de smakeloze poster van deze oorlogspropagandafilm.

Wees weerstandig
Overal op werkvloeren worden werknemers gedwongen om met de nieuwste technologie te werken. Technologie die vervolgens de arbeider komt te vervangen. Ik vind als jurist dat er een recht is om het nieuwste kostenbesparende speeltje van de baas te weigeren en aan de noodrem te trekken in de zorg of als sociaal maatschappelijk werker. Betrokkenheid tot elkaar behoeft niet altijd de meest gestroomlijnde werkwijze, vaak is dat juist contraproductief als het werk betrokkenheid vereist. Gezamenlijk een weerstand overkomen brengt ons niet alleen dichter bij elkaar, het maakt vaardig en geeft zelfvertrouwen. Maak je niet afhankelijk en blijf moeite doen, ook al duurt het soms wat langer. Want sneller door het leven navigeren levert niks op als je geen wezenlijk doel meer voor ogen hebt.

De meeste technologie vandaag de dag is gedoe en biedt geen zingeving. Zonder dat we het doorhebben, zijn we de technologie tussen ons en de omgeving in gaan plaatsen. We bouwen ons in met techniek totdat het te laat is en we er afhankelijk van geworden zijn. Als wij nut en vooruitgang slechts uitleggen als een sneller gemakkelijker gebruik verliezen wij de momenten van bezinning en de waarden waarvoor wij moeite moeten doen. Steeds vaker dringt mij de gedachte op dat het analoge vaak voldoende is en het digitale voornamelijk belasting.

Memoria (2023)

Memoria (2023)

In de film Memoria (2023) van Apichatpong Weerasethakul zien we dit prachtig verbeeld. De film werkt als een meditatie die ons de verstoorde realiteit van de moderne mens spiegelt, zo ook de verwachtingen van de kijker. Wij lijken niet meer te passen in de natuurlijke omgeving. We hebben onze omgeving zo kunstmatig en gecontroleerd ingericht, dat spontane, organische processen als vreemd of zelfs storend worden ervaren. Maar erger misschien nog is dat de natuur eigenlijk niet meer in onze realiteit past, zoals bijvoorbeeld wordt belicht in de film Safe (1995) van Todd Haynes.

Paranthropus
Tot slot werp ik nogmaals een blik op de eerste mens. Want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat technieken als het hanteren van vuur, handbijlen en misschien zelfs taal niet door homo sapiens ontwikkeld zijn. Nee, het waren onze voorgangers – homo erectus, homo habilis, zelfs australopithicus (Lucy was in 1974 het meest volledige bekende skelet van een mensachtige ouder dan een half miljoen jaar) en paranthropus – die dat voor onze aanwezigheid op aarde al deden. Toch onderscheiden wij ons (met Neanderthalers) in één kenmerkend vermogen. Het vermogen om ons abstract te uiten.

Vanaf het moment dat wij resten van homo sapiens vinden, vinden we de eerste vormen van kunst. Een film die in dit aspect sterk tot de verbeelding spreekt is de documentaire Cave of Forgotten Dreams (2010) van Werner Herzog.

Concluderend wil ik de zinsnede ‘de mens is zijn techniek’ aanvullen met het unieke vermogen tot abstracte expressie. Juist die uitingen die verder strekken dan slechts een praktische aard, lijken zo karakteristiek voor de menselijke ziel. Of zoals Immanuel Kant zou zeggen: “De mens is geen middel, maar een doel op zich.”

Ik ben bang dat er geen technologische oplossing is voor waar we nu aan lijden. We zullen ons een ander nut voor techniek moeten verbeelden door soms zelfs een stap ’terug’ te zetten; niet uit nostalgie maar omdat dat leidt tot betrokkenheid en we onszelf zo ontwikkelen als mens. Want wie alles aan gemak uitbesteedt, offert uiteindelijk iets op dat moeilijker terug te winnen is dan tijd: de ervaring mens te zijn.

 

20 juni 2025

 


ALLE ESSAYS

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme – Deel 2

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme (1929-1951) – Deel 2:
Twee komedies van Mario Camerini over arm en rijk

door Paul Rübsaam

In de komedies Gli uomini che mascalzoni! (1930) en Darò un milione (1935) van Mario Camerini zien we Vittorio De Sica als respectievelijk een chauffeur die voor een rijke man met een auto wil doorgaan en een miljonair die liever een zwerver had willen zijn.

 

Lia Franca in Gli uomini che mascalzoni! (1932)

Lia Franca in Gli uomini che mascalzoni! (1932)

Gli uomini che mascalzoni! – Vervoermiddelen en klassentegenstellingen in Milaan anno 1930
De eerste film van regisseur Mario Camerini met een hoofdrol voor acteur Vittorio De Sica – de geluidsfilm Gli uomini che mascalzoni! (What Scoundrels Men Are!, 1932) – is lichtvoetiger en voorspelbaarder, maar borduurt evenals Rotaie (zie deel 1) voort op de symbolische tegenstelling tussen licht en duisternis.

De humor in deze romantische komedie mist het absurdisme van Sous les toits de Paris (1930) en A nous La Liberté (1931) van de Franse regisseur René Clair, die door Camerini en ook Cesare Zavattini (die later aan de orde komt) bewonderd werd. Toch kenmerkt een speelse omgang met klassentegenstellingen ook deze bij de zogeheten telefoni bianchi ingedeelde film. Gli uomini che mascalzoni! heeft als troefkaart authentieke, haast documentaire straatbeelden van Milaan anno 1930, waarin het openbaar vervoer een centrale rol speelt en verschillende sociale klassen zichtbaar zijn.

Een in de nachtdienst werkende taxichauffeur en zijn als verkoopster in een warenhuis werkende dochter Mariuccia (Lia Franca) belichamen de tegenstelling tussen het leven ‘s nachts en overdag. Pas als de ijzeren rolgordijnen van de winkels weer omhoog schuiven, de kiosken open gaan en het ochtendlicht zich verspreidt over de brede, maar nog lege straten en pleinen van Milaan drinkt de taxichauffeur nog een afzakkertje in zijn al vroeg geopende stamcafé en gaat naar huis. Zijn dienst zit erop en hij verlangt naar zijn bed. Voor zijn bij hem inwonende dochter Mariuccia is het juist tijd om wakker te worden.

Nadat Mariuccia haar ontbijt heeft genuttigd, haar mantelpak heeft aangetrokken en haar hoedje heeft opgezet, wandelt ze door ontwakend Milaan in de richting van de tramhalte. Onderweg koopt ze een tijdschrift bij een kiosk. Als ze betalen wil, laat ze een muntje vallen. Een aantrekkelijk jongensachtig ogende man met een pet op zijn hoofd en een fiets aan de hand raapt het dienstvaardig en wat al te breed glimlachend voor haar op.

Als ze verder loopt in de richting van de tram gaat deze Bruno (Vittorio De Sica) naast haar fietsen en overlaadt haar met complimentjes. Zelfs als ze op de tram is gestapt, blijft hij haar volgen op de fiets. We zien dit vanuit de tram, terwijl Mariuccia haar aandacht met weinig succes op haar tijdschrift probeert te richten.

De jonge vrouw stapt uit en ontmoet twee collega-verkoopsters uit het warenhuis, waarmee ze samen oploopt naar hun werkplek. Haar chaperonnes laten zich laatdunkend uit over Mariuccia’s bewonderaar op zijn fiets. Om een beetje indruk te kunnen maken moet een man volgens hen over een automobiel beschikken.

Bruno, die zijn chauffeurskunsten uitsluitend mag verrichten in dienst van een rijke zakenman, weet later toch goede sier bij Mariuccia te maken door net te doen alsof de auto van zijn chef van hem is. Hij troont haar mee voor een tochtje naar de grote meren ten noorden van Milaan en betoont zich in een idyllisch café aan het water een begenadigd zanger en danser. Maar dan ziet uitgerekend de vrouw van zijn chef voor de deur van het café de auto staan. Om zijn hachje te redden moet Bruno Mariuccia zonder verdere uitleg in het café achterlaten.

Na toch zijn ontslag gekregen te hebben, biedt Bruno noodgedwongen tegen een lager loon zijn diensten als chauffeur aan bij een andere baas. Tot overmaat van ramp dient hij zich in een kostuum te hijsen in de kleur van de auto van zijn nieuwe chef, wat hem er nog beduchter voor maakt om door Mariuccia gezien te worden. Toch is het Mariuccia, die ondertussen met rijkere mannen omgaat, die Bruno behoedt voor volledige werkloosheid.

De strijd om de aandacht van de vrouw middels verschillende vervoermiddelen beleeft een kolderiek hoogtepunt in een scène met botsautootjes op de kermis van Milaan. In een poging Mariuccia, die met een ingenieur in een autootje zit, jaloers te maken, vleit de op ramkoers zijnde Bruno zich opzichtig aan tegen zijn medepassagiere, een snoepjesverkoopster die hij op een bazaar heeft ontmoet.

Tenslotte manifesteert zich op een symbolische manier de verschuiving van nacht naar dag die het begin van de film kenmerkt. Mariuccia stapt in nachtelijk Milaan in een taxi en Bruno, die achter haar aan is gerend, kruipt op het laatste moment naast haar in de auto. De taxichauffeur blijkt Mariuccia’s vader te zijn. Deze staat zeer welwillend tegenover een schoonzoon die zijn dochter is toegenegen en bovendien het beroep van taxichauffeur zou kunnen uitoefenen.

Hetzelfde thema als in Rotaie krijgt zo minder zwaar aangezet gestalte: reken af met schone schijn en stel je tevreden met een bescheiden, maar eerbaar en liefdevol bestaan.

Assia Noris en Vittorio De Sica in Darò un milione (1935)

Assia Noris en Vittorio De Sica in Darò un milione (1935)

Darò un milione – Inwisselbare zwerver en miljonair
In Mario Camerini’s tweede speelfilm met De Sica als protagonist, waarbij Cesare Zavattini medeverantwoordelijk was voor het scenario, doet de invloed van René Clairs A nous la liberté zich des te sterker gelden. In Darò un milione (I’ll give a million, 1935) zien we armoede en rijkdom als (on)gunstige spelingen van het lot, alsmede markante zwerverstypes nadrukkelijk terug.

De Sica geeft gestalte aan de miljonair Gold, die zijn leven ervaart als een liefdeloos keurslijf. Terwijl hij op de reling staat van zijn voor anker liggende luxejacht wil de beschonken zwerver Blim (Luigi Almirante) zichzelf van het leven beroven door in het water te springen met een gewicht aan zijn voeten. Gold werpt een reddingsboei uit en springt hem te hulp.

Als het tweetal zich op het droge heeft gehesen en een vuurtje stookt om zich te warmen en hun kleren te drogen, probeert Gold zijn metgezel te overtuigen van de schaduwkanten van de rijkdom. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat wordt hij in beslag genomen door sociale verplichtingen. Terwijl een zwerver zo vrij is als een vogeltje in de lucht. Maar erger nog is dat je nooit zeker weet of iemand je welgezind is vanwege je persoon of vanwege je geld. Gold zou bereid zijn een spontaan gebaar van iemand die niet weet wie hij is met een miljoen te belonen.

De volgende ochtend als Blim wakker wordt en Gold verdwenen is, hangen grote bankbiljetten nog op de geïmproviseerde waslijn te drogen, evenals de smoking van de miljonair. Gold, nu gekleed als zwerver, ontwaakt ondertussen ergens anders, liggend in het stro. Op grote witte lakens die te drogen hangen, ziet hij de schaduw geprojecteerd van een jonge vrouw.

Even later verschijnt de blonde Anna (Assia Noris) zelf. Het meisje dat een administratief baantje heeft bij het circus Primerose is op zoek naar het weggelopen circushondje Bob, dat een kei in hoofdrekenen zou zijn en dus moet worden gelokt met rekenopdrachten. Gold is onmiddellijk van Anna gecharmeerd en besluit haar te helpen met zoeken.

Blim meldt zich ondertussen in zijn smoking en met zijn bankbiljetten op een krantenredactie en vertelt over zijn bijzondere ontmoeting. Het nieuws dat een als een zwerver ogende miljonair een miljoen uitlooft voor iemand die hem zonder aanzien des persoons een dienst bewijst, verspreidt zich razendsnel. Het gevolg is dat kolderiek ogende landlopers overal rijkelijk van aalmoezen worden voorzien of anderszins in de watten worden gelegd, wat ze zich met graagte laten welgevallen.

Het laat zich raden dat Gold zich voor de omgekeerde opdracht gesteld ziet als De Sica’s personage Bruno in Gli uomini che mascalzoni!. Al kan hij het bijna niet laten om Anna te imponeren met zijn geld en zijn connecties, toch wil hij haar ervan overtuigen dat hij werkelijk een zwerver is, hopend op haar waarachtige genegenheid. Dat hij na de nodige verwikkelingen in zijn missie zal slagen en van haar een aalmoes ontvangt die voor hem goud waard is, hoeft ook niet te verbazen. Toch kent in het licht van het latere werk van regisseur Vittorio De Sica ook de romantische komedie Darò un milione de nodige markante elementen.

Vooral voor wat betreft het creëren van een ambiance waarin verschillen in welstand lijken te verdampen. Zo zien we bijvoorbeeld op de piste van circus Primerose een grootse circusact waarbij tal van miljonairs en tal van zwervers (allen vertolkt door vrouwen) voortdurend met elkaar van plaats en hoofddeksels verwisselen.

Voor regisseur Mario Camerini was hoofdzakelijk de toon gezet voor een succesformule rond het koppel De Sica en Noris. In de romantische komedies Il signor Max (1937) en I grandi Magazzini (1939) keert het tweetal terug. In de eerste van die twee films spelen verplaatsingen met diverse vervoermiddelen wederom een belangrijke rol.

In het derde deel de eerste twee door Vittorio De Sica geregisseerde drama’s, met een belangrijke rol voor kinderen als slachtoffers.

 

20 april 2025

 

Deel 1: Een vleug ‘neorealisme’ in het zwijgende tijdperk
Deel 3: Twee drama’s van De Sica met kinderen als slachtoffers 
Deel 4: Fiets en bezemstelen

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme – Deel 1

De bronnen van Vittorio De Sica’s neorealisme (1929-1951) – Deel 1:
Een vleug ‘neorealisme’ in het zwijgende tijdperk

door Paul Rübsaam

Vittorio De Sica was een van de grootheden van het neorealisme, een typisch naoorlogse, grensverleggende en serieuze filmstroming. Toch vertoonden de luchtige, vooroorlogse films van Mario Camerini – waarin De Sica als acteur optrad – al verrassend veel elementen die later ook in zijn neorealistische meesterwerken terugkeerden. Denk hierbij aan klassentegenstellingen, realistische straatbeelden en het gebruik van diverse vervoermiddelen.

De beroemdste film die Vittorio De Sica (1901-1974) als regisseur op zijn naam schreef, is het als schoolvoorbeeld van het neorealisme geldende Ladri di biciclette uit 1948. Ook zijn films als Sciuscià (1946) en Miracolo a Milano (1951) worden doorgaans aangemerkt als ‘neorealistisch’. Met hun nadruk op armoede en persoonlijke levensgeschiedenissen verschillen die films echter vrij sterk van die van andere grootheden van het neorealisme, als Roberto Rossellini en Giuseppe de Santis, met hun respectievelijke (antifascistische) politieke boodschap en documentaire verteltrant.

Vittorio De Sica in 1959

Vittorio De Sica in 1959

Toch zijn de drie genoemde films van De Sica maatgevend voor het neorealisme. Niet in de laatste plaats omdat Cesare Zavattini (1902-1989) – de man die zo’n beetje functioneerde als de intellectuele eenmansmotor van de neorealistische beweging – er het scenario voor schreef.

Zavattini wilde de tot en met de Tweede Wereldoorlog geldende wetmatigheden van de cinema op hun kop zetten. Films mochten volgens hem niet het product zijn van de kunstmatige verbeelding van de filmmaker. Het ‘verhaal’ van de film (een term die hij liever niet gebruikte) moest volledig aan de werkelijkheid zijn ontleend. Sterker nog: film maken diende een manier te zijn om die onvoldoende begrepen werkelijkheid beter te leren kennen.

Aan typische Hollywoodfilms waarin mensen met bijzondere eigenschappen (helden) bijzondere gebeurtenissen beleefden, had Zavattini een hekel. Juist alledaagse gebeurtenissen in het leven van gewone mensen, waarin de bioscoopbezoeker zichzelf kon herkennen, moesten aan de basis staan.

Alles moest anders. Maar veranderde de Italiaanse cinema in die jaren tussen 1945 en pakweg 1952 werkelijk zo radicaal? Zonder de pretentie te hebben deze vraag volledig te kunnen beantwoorden, wil ik aan de hand van de carrière van Vittorio De Sica, als acteur én regisseur, op zoek gaan naar continue elementen in de Italiaanse filmgeschiedenis van vóór, tijdens en (kort) na de Tweede Wereldoorlog.

Al in de vroege jaren dertig ontpopte de jonge en goed ogende De Sica zich als filmacteur. Met name in vaak als telefoni bianchi aangeduide romantische komedies van regisseur Mario Camerini (1895-1981). Films die gelden als zoetsappige ‘amusementsfilms’, bedoeld om het bioscooppubliek in het Italië van Benito Mussolini met een veilig en tevreden gevoel naar huis te laten terugkeren. Ze waren het volslagen tegendeel van de verontrustende en revolutionaire neorealistische films uit latere jaren.

Toch zie je, zelfs als je die films uit de jaren dertig meeneemt, opvallende overeenkomsten tussen De Sica’s vroege en latere werk (en dat van Zavattini en de grotendeels vergeten Camerini). Bijvoorbeeld de scherpe tegenstellingen tussen arm en rijk, de levendige weergave van het leven op straat en het veelvuldig gebruik van openbaar vervoer en vervoermiddelen. Ook De Sica’s specifieke aandacht voor het lot van kinderen en jongvolwassenen onder behoeftige omstandigheden lijkt zich al te manifesteren in door hem geregisseerde films van vóór 1945.

Ik wil dit illustreren aan de hand van een bespreking van zes films, in deel 2 tot en met 4 van deze verhandeling, beginnend met Gli uomini che mascalzone! van Mario Camerini uit 1932 en eindigend met De Sica’s Miracolo a Milano uit 1951. Maar eerst een bespreking van het zwijgende Rotaie (1929) van Camerini, een film nog zonder De Sica, die voor zijn tijd opmerkelijke ‘neorealistische’ trekken vertoont.

Rotaie – Treinwielen als rad van fortuin 
Rails luidt de Engelse titel van Rotaie, de zwijgende speelfilm van Mario Camerini uit 1929. De sterke verwantschap van de oorspronkelijke titel met het Italiaanse werkwoord ‘rotare’, dat ronddraaien of rondcirkelen betekent, komt daar niet mee tot uitdrukking. Rails symboliseren de afgelegde weg op een treinreis. Maar minstens zo belangrijk zijn ronddraaiende treinwielen in dit wrangzoete drama. Ze vertonen gelijkenis met het wiel van een roulettetafel. Wie een treinreis maakt, geeft een slinger aan het rad van fortuin.

Ook licht en duisternis hebben in Rotaie een sterk symbolische betekenis. Veelzeggende duisternis kenmerkt het begin van de film. We volgen in de allereerste scène een somber ogend koppel dat onzeker door een nachtelijke stad loopt. Tot ze een aan de spoorweg gelegen, goedkoop hotel betreden en zich daar inschrijven voor één nacht.

In een ambiance van donkere hotelgangen, doorregende nachtelijke straten en weliswaar druk bezochte, maar schaars verlichte perrons manifesteert zich de eerst wending in het schijnbaar uitzichtloze lot van Giorgio (Maurizo D’Ancora) en zijn vrouw/vriendin (Käthe von Nagy). Door toedoen van een langs het hotelraam denderende nachttrein valt een glas om waar Giorgio zelfmoordmedicatie in heeft opgelost. Het tweetal vat dit op als een gunstig teken, begeeft zich naar het nabijgelegen station en reserveert met behulp van het geld uit een gestolen portefeuille een slaapcoupé in een trein met vooralsnog onbekende bestemming.

Pas na meer dan twintig minuten in deze ruim een uur durende film, als de snel rijdende trein een weelderige kustlijn volgt, zien we de eerste beelden bij daglicht. Het koppel arriveert in een mondaine kustplaats, waar met speedbootraces en casino’s vermaak voor welgestelden wordt geboden. Een zekere Jacques Mercier (Daniele Crespi), een gesoigneerde man van middelbare leeftijd met een dun snorretje die al in de trein zijn oog op de jonge vrouw had laten vallen, is te gast in hetzelfde hotel waar ook het tweetal een kamer reserveert en belaagt haar opnieuw met zijn attenties.

Nadat Giorgio in het casino aanvankelijk veel geld wint, maakt de duisternis zich in figuurlijke zin weer meester van de film. Zijn kansen aan de roulettetafel keren, terwijl de met een pijpje een sigaret rokende Mercier toekijkt. Gebruikmakend van superimposities (twee beelden over elkaar heen) worden ons door elkaar heen de angstige, starre blik van de zwetende hoofdpersoon, het geschuif met de fiches en het draaiende roulettewiel getoond. Uiteindelijk ziet de berooide Giorgio geen andere oplossing dan geld, dat de man met het snorretje hem te leen aanbiedt, aan te nemen. Mercier maakt ondertussen een afspraak met Giorgio’s vrouw. Om hun geldzorgen het hoofd te bieden, zal zij met instemming van haar man ingaan op zijn avances.

Scène uit Rotaie (1929) van Mario Camerini

Scène uit Rotaie (1929) van Mario Camerini

Maar een volgend keerpunt dient zich aan. Terwijl de vrouw zich op de kamer van haar aanbidder bevindt, waar zij zijn zoenen gedoogt, ijsbeert Giorgio vertwijfeld door zijn hotelkamer. Hij houdt het tenslotte niet uit en we zien hem de kamer van zijn mededinger binnenstormen, waar zijn vrouw in zijn armen rent. Het van Mercier geleende geld smijt Giorgio op de grond.

Noodgedwongen verlaat het stel opnieuw bij nacht en ontij een dit keer zeer luxueus hotel. Innig gearmd lopen ze naar een bankje in het park, waarop ze proberen te slapen terwijl ze elkaar warm houden. De volgende ochtend zien ze opnieuw een stoomtrein passeren. Wederom een teken.

Bij daglicht zitten ze met hun smoking en baljurk nog aan een beetje onwennig tussen de overige treinpassagiers, die zo te zien tot de arbeidersklasse behoren. Een vrouw geeft ongegeneerd haar baby de borst, mannen delen sigaretten uit en kinderen snoep. Al gauw laat het tweetal zich opnemen in de ongedwongen sfeer.

De slotscène opent met een beeld van de rokende schoorstenen van een fabrieksstad. Met grote stuurwielen (een derde verschijningsvorm van ‘het rad van fortuin’) worden de machines aangestuurd waar Giorgio nu aan werkt. Hij wordt afgelost en loopt met collega-arbeiders de fabriekshal uit. Aan de poort wacht zijn vrouw met de lunch.

De morele les van deze film lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: ‘Eerlijk duurt het langst’. Toch kun je niet spreken van een typisch maatschappijbevestigende film uit de hoogtijdagen van het fascistische Italië. Sovjet-Russische films uit die tijd predikten op een vergelijkbare manier het arbeidsethos en de eerbaarheid van de gewone man. Bovendien is er de opvallende ‘rad van fortuin-symboliek’. Rijkdom en armoede zijn een kwestie van geluk en pech, laat Rotaie zien. En voorts dat de armen hun saamhorigheid als remedie kunnen inzetten tegen hun onfortuin, met de liefde tussen man en vrouw als de meest uitgelezen vorm van die saamhorigheid. De trein als bewegende openbare ruimte die vergezichten opent, functioneert daarbij als de plaats waar de eenling ongeacht zijn voorbestemde lot mens kan zijn tussen zijn medemensen.

In het tweede deel twee romantische komedies van Mario Camerini met Vittorio De Sica in de hoofdrol.

 

18 april 2025

 

Deel 2: Twee komedies van Mario Camerini over arm en rijk
Deel 3: Twee drama’s van De Sica met kinderen als slachtoffers 
Deel 4: Fiets en bezemstelen

Peeping Tom (1960)

Peeping Tom (1960) in 4k-restauratie
Geflipte scopofiel

door Paul Rübsaam

‘Gluurder’, of iets netter: ‘voyeur’. Dat is de gangbare vertaling van ‘Peeping Tom’, de titel van Michael Powell’s tegendraadse horrorfilm uit 1960. Maar de associaties met ‘cinefiel’ en ‘bioscoop’ oproepende, verbasterde vakterm ‘scopofiel’ is misschien wel treffender. Want Powell’s ooit verguisde en nu in 4K te bezichtigen meesterwerk, waarin seriemoordenaar en ‘documentairemaker’ Mark Lewis op zoek is naar het gezicht van de angst, tovert brave filmkijkers een verontrustend spiegelbeeld voor.

Om te verklaren wat Peeping Tom destijds teweeg heeft gebracht, moet je deze film structureel benaderen. De posities van filmkijkers, filmmakers en gefilmde personages zijn zozeer met elkaar verstrengeld, dat je de verschillende fictieve kaders binnen de film, ieder met hun eigen cameravoering, het beste stapsgewijs kunt inventariseren.

Peeping Tom

Eén van die kaders wordt gevormd door de draaidagen van de fictieve speelfilm The walls are closing in. Over het verhaal daarvan komen we niet veel meer te weten dan dat een door een roodharige actrice gespeeld personage erin flauwvalt, wat de actrice tot ergernis van regisseur Esmond Knight (Arthur Baden) weinig overtuigend uitbeeldt. Wel krijgen we een inkijkje in de hardheid van het filmbedrijf als Knight dezelfde actrice opnieuw uitfoetert als ze echt (en dus niet volgens het script) in katzwijm valt wanneer ze in een blauwe hutkoffer het opgevouwen lijk aantreft van haar stand-in.

Met dat aangetroffen lijk kruisen de opnames de sporen van een ‘documentaire’, met de zijdelings bij de draaidagen van The walls are closing in betrokken focus puller Mark Lewis (Karlheinz Böhm) en stand-in Vivian als respectievelijk regisseur en actrice. De laatste, vertolkt door Moira Shearer die als Victoria Page furore maakte in Michael Powell’s balletdrama The Red Shoes uit 1948 (met Emeric Pressburger als coregisseur), vertoonde in de ‘documentaire’ voor de handcamera van Lewis haar danskunsten. Het beeld dat daarop volgde, was voor de documentairemaker belangrijker. Hij registreerde Vivians gelaatsuitdrukking op het moment dat zij achteruit deinsde met haar kuiten gedrukt tegen de rand van de openstaande blauwe hutkoffer. Een van de poten van Marks filmstatief, die als een bajonet over een zeer scherpe punt bleek te beschikken, naderde toen haar strottenhoofd, terwijl haar blik gericht was op iets anders dat nog sterker haar angst opwekte.

Niets ontziende wetenschap 
Vivian was niet Marks eerste slachtoffer. Met zijn handcamera en het nog ingeklapte dodelijke statief verborgen achter zijn kameelkleurige houtje-touwtje jas zien we hem in de eerste beelden van Peeping Tom een prostituee benaderen in een achterafstraatje in de Londense wijk Soho. Of beter gezegd: we zien vooral die prostituee met haar bontstola, rode kokerrok en hoge hakken als zij gevat als zij is in het door een kruis in vieren gedeelde beeld van Marks handcamera ons kijkers aankijkt en haar prijs noemt. Niet alleen zal Lewis in het peeskamertje de angstige momenten van de prostituee vlak voor haar sterven vastleggen. Een dag later, als haar lichaam wordt opgehaald door een lijkwagen en de politie een eerste onderzoek start, is hij met zijn handcamera opnieuw van de partij.

De nauwgezetheid waarmee Lewis alles wat betrekking heeft op zijn eigen misdaden in beeld brengt, maakt dat de grens tussen zijn ‘documentaire’ en de gehele speelfilm van Michael Powell niet altijd even onopvallend isTen onrechte kan dat ertoe hebben bijgedragen dat na het verschijnen van Peeping Tom de reputatieschade groot was voor de ooit zo gevierde regisseur van onder andere het gedateerde, tamelijk brave drama Black Narcissus (ook met Pressburger) over het wel een wee van een groep nonnen in een klooster in de Himalaya uit 1947 en het eveneens weinig verontrustende The Red Shoes.

Powell gaat in zijn film uit 1960 zelfs nog verder met zijn waagstuk. Hij speelt zelf een kleine rol van iemand die evenals Lewis met op zijn minst twijfelachtige bedoelingen voornamelijk achter de camera staat. Oude zwart-witbeelden tonen de door in de emotie angst gespecialiseerde bioloog A.N. Lewis (Powell) geregistreerde schrikreacties van zijn toen nog jonge zoontje Mark.

Door het voortdurend blootstaan aan de martelende proefnemingen van zijn vader, zoals het met een zaklantaarntje op zijn ogen schijnen als hij slaapt en het in zijn bed stoppen van een grote hagedis, is Mark getraumatiseerd geraakt. Niet alleen de angst, maar ook zijn volslagen gebrek aan privacy heeft hem misvormd. Overal zat zijn vader hem met zijn camera op de hielen. Zelfs als hij aan het bed zat van zijn gestorven moeder of als hij een vrijend paartje beloerde, waar hij als jongetje kennelijk al de neiging toe had.

Hol van de leeuw 
Mark Lewis woont nog altijd in het huis van zijn vader en moet, ook al getuige zijn naam dus een Brit zijn en zelfs een Londenaar. De keuze om zijn personage te laten vertolken door de Duitse acteur Karlheinz Böhm lijkt dan ook opmerkelijk. Toch valt daar wat voor te zeggen als je ervan uit gaat dat Lewis’ gestoorde ontwikkeling tevens een onvoltooide is. Juist door Böhms lichte, een beetje kinderlijk klinkende Duitse accent in combinatie met de intense, maar verlegen blik in zijn blauwe ogen krijgt zijn personage zowel iets onschuldigs als iets sinisters. Dat laatste naar de maatstaven van een Brits publiek anno 1960.

Marks kinderlijke ‘onschuld’ spiegelt zich in het personage van zijn bij haar blinde moeder wonende, roodharige onderbuurmeisje Helen Stephens (Anna Massey), dat door hem gefascineerd is. Helen viert haar eenentwintigste verjaardag met taart en kaarsen als Mark op een keer thuiskomt en de trap op wil sluipen. Ze onderschept hem echter en nodigt hem uit voor haar partijtje. In plaats daarvan gaan ze op Marks uitnodiging samen naar boven.

Peeping Tom

De door een zwart gordijn van Marks donkere huiskamer gescheiden, slechts door een klein rood lampje verlichte ruimte waar allerlei filmapparatuur staat opgeteld en je het in een bak druppelen van een bepaalde vloeistof hoort, doet Helens belangstelling voor haar mysterieuze bovenbuurman alleen maar toenemen. Mark maakt films en dat vindt ze geweldig spannend. Dat de donkere kamer waarin ze zich bevindt het hol is van een leeuw beseft ze niet.

Het liefst zou Helen in de projectieruimte die er ook blijkt te zijn de film zien die Mark zojuist heeft gemaakt. Eerst lijkt Mark dat ook van plan te zijn. Maar hij bedenkt zich. Het is nog te vroeg om Helen te confronteren met zijn ‘documentaire’. Dat hij tegenover zijn ontvankelijke buurmeisje eigenlijk open kaart wil spelen, blijkt echter uit de films die hij haar in plaats daarvan laat zien.

Aanvankelijk belangstellend en vertederd, aanschouwt Helen de beelden die zijn vader van Mark als klein jongetje heeft gemaakt. Maar met groeiend afgrijzen neemt ze het getreiter waar met de zaklantaarn en de hagedis en uiteindelijk de beelden van het sterfbed van Marks moeder en die van een vrouw in bikini die Mark als stiefmoeder moest gaan accepteren. Na de filmvertoning toont Mark aan Helen de boekenreeks ‘Fear and the nervous system’ die zijn vader heeft geschreven. Ondanks alles blijkt hij huizenhoog tegen zijn vader opkijken en wil hij zonder dat zijn buurmeisje te vertellen op zijn eigen verknipte manier diens werk voortzetten. Voor Helen staat echter vast dat de gevoelige Mark het slachtoffer is geworden van de gewetenloze bioloog.

Blind wantrouwen 
Dat Mark zachtjes praat en zachtjes loopt, wijdt Helen aan zijn verlegenheid. Helens blinde, aan whisky verslaafde en sensitieve moeder (Maxine Audley) wantrouwt echter het gesluip van haar bovenbuurman, die zoals zij voelen kan ook nog eens door de ramen gluurt.

Als Mark op een avond uit is met Helen, gaat Mrs. Stephens in zijn onafgesloten ruimtes op onderzoek uit. Dat Lewis zelf niet over een sleutel beschikt van die ruimtes waarin hij zijn snuff movies ontwikkelt en afspeelt, kan enige verbazing wekken. Maar het markeert het duistere grensgebied tussen verborgenheid en openbaarheid waarin de ‘documentairemaker’ zich is blijven bewegen.

Als Mark weer terugkeert, ontwaart hij Mrs. Stephens als zij zich met haar stok die over een vergelijkbare punt beschikt als de poot van zijn statief een weg baant. Ze ziet niets, maar voelt letterlijk en figuurlijk dat er iets niet pluis is.

In het gezelschap van de blinde vrouw durft Mark het aan de opnames af te spelen van het sterven van stand-in Vivian. Tot zijn verbijstering blijkt de belichting bij die opnames gebrekkig. Zijn werk is met andere woorden nog niet voltooid. Even overweegt hij van Helens moeder zijn laatste slachtoffer te maken. Maar blind als zij is, zal zij nooit de verschrikking kunnen ervaren die hij voor zijn slachtoffers in petto heeft.

Heilige verontwaardiging 
‘Geschikt om door de plee te spoelen’. Zo luidde een van de nog mildere commentaren die Peeping Tom de Britse filmcritici destijds ontlokte. Toch was Powell’s film, naar een scenario van Leo Marks, ingenieus opgezette fictie en horror ook anno 1960 bepaald geen onbekend genre. Wat veroorzaakte dan die heilige verontwaardiging?

Vermoedelijk was het feit dat de film op een of andere manier te dichtbij kwam, de zichzelf respecterende filmliefhebber te dicht op de huid zat. Met het gestoorde, geperverteerde personage van Mark Lewis die zijn handcamera streelt alsof het zijn geliefde is, maar toch een schijn van onschuld wist te behouden, voelde de zichzelf respecterende kijker zich te kijk gezet. Er werd hem een weinig flatteus spiegelbeeld voorgehouden, zou je met een bedekte verwijzing naar de plot van de film kunnen zeggen.

Wie kwaad wil, zou kunnen denken dat de verschillende ‘films’ die de revue passeren in Peeping Tom, waarin prostituees, filmactrices en pin-up girls voor wat betreft hun rol als slachtoffer van Mark Lewis inwisselbaar zijn, in combinatie met elkaar de suggestie wekken dat die films (en daarmee misschien wel alle films) in moreel opzicht nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Niemand kan echter volhouden dat Powell dat met zoveel woorden beweert.

Peeping Tom

Ook de rol die het eigenlijke gluren in de film speelt, kan hebben bijgedragen aan de banvloek die over Peeping Tom werd uitgesproken. De verwrongenheid van die erotische beleving op de rand van de openbaarheid van het publieke domein en het veilige schemerdonker van de nachtelijke straathoek, of misschien wel de bioscoopzaal of het bioscoopzaaltje moet op een of andere manier kenmerkend zijn geweest voor de naoorlogse Britse samenleving. Veelzeggend is in dit verband de locatie waar Lewis zijn laatste slachtoffer kiest: het bovenkamertje van een tijdschriftenhandel waar hij als bijbaantje pin-up girls fotografeert. De afbeeldingen van die dames worden door schijnbaar keurige heren in dezelfde tijdschriftenhandel gretig afgenomen na er onder het mom van de aanschaf van dagbladen en studieboeken steelse blikken op te hebben geworpen.

Terug op de kaart 
Hoe dan ook is het verheugend dat de Amerikaanse regisseur Martin Scorsese zich aan het eind van de jaren zeventig heeft ingespannen om het ten onrechte verguisde Peeping Tom weer op de kaart te zetten. Sindsdien heeft de film, die door Scorsese samen met Federico Fellini’s  tot de beste films over het maken van een film werd gerekend, een cultstatus gekregen. Al is de carrière van de in 1990 overleden Michael Powell nooit meer helemaal uit het slop gekomen.

En nu kunnen we dan de door cameraman Otto Heller in de bijna surrealistisch heldere kleuren van Eastman Colour geschoten film in een 4K-restauratie opnieuw in de bioscoop zien. Ook los van de merites van die restauratie heeft Peeping Tom inmiddels misschien nog wel aan kracht gewonnen. Want roepen dat heimelijke filmen en kijken naar films, het gebrek aan privacy, en het grensoverschrijdende gedrag waar Powell’s 64 jaar oude film van doortrokken is niet associaties op met de corrumperende alomtegenwoordigheid van het (digitale) bewegend beeld in het huidige tijdperk?

 

4 september 2024

 


ALLE ESSAYS