Training Day

Tussen goed en kwaad in Training Day
De roep van de wolf

door Tim Bouwhuis

Een themamaand rond Sidney Poitier en Denzel Washington belooft automatisch een reprise van (film)thema’s die in tijden van Black Lives Matter bij voorbaat onder hoogspanning staan. Bij het (her)kijken van Training Day (Antoine Fuqua, 2001) kun je je afvragen of Denzel Washington in zijn Oscarrol als corrupte rechercheur het absolute kwaad belichaamt.

Op de ‘training day’ van een jonge, blanke agent in opleiding zorgt de roep van een wolf direct voor extreme gewetenswroeging. Niemand had Jack Hoyt (een rol van Ethan Hawke) verteld dat de (ongeschreven) wetten van zijn vak zo mogelijk nog meedogenlozer konden zijn dan de wetten van de straat. Alonzo Harris (Washington) is een daadkrachtige sleutelfiguur in het web van dealers en afnemers dat de kansarme (migranten)wijken van Los Angeles omspant, maar zijn optredens en uitspraken verraden al snel een schimmige moraal die de kloof tussen ‘wet’ en ‘wetteloos’ moeiteloos dicht. “Als je iets tegen hen wilt uitrichten, moet je één van hen zijn”, en dus inhaleert Hoyt het fijnere spul zelf ook, en wel op zijn eerste werkdag. Alonzo’s dienstwapen geeft hem weinig keus.

Training Day

Een duivels dilemma
‘De roep van de wolf’ is een karakteristiek inwijdingsmoment: Alonzo imiteert het huilen van de roedel om het kaf (‘de schapen’) van het koren (‘de wolven’) te scheiden en spoort Hoyt aan om hetzelfde te doen. Voor een ‘rookie’ met een gerijpt rechtvaardigheidsgevoel is de roep van Alonzo een duivels dilemma. Hoyt is wat eendimensionaal geïntroduceerd, als een gehoorzame agent die zijn gezin op orde houdt en een naïef vertrouwen heeft in de handhavers van het recht. Scenarist David Ayer (later als regisseur verantwoordelijk voor films als Fury en Suicide Squad) werkt zo welbewust met de kracht van contrast. Omdat het botst tussen de pragmatische wetteloosheid van Alonzo (‘speel het spelletje mee als het je zelf goed uitkomt’) en de premature goedheid van Hoyt, kan de situatie binnen een dag volledig uit de hand lopen.

Het spanningsveld van moraliteit in Training Day heeft een onmisbare raciale component, die een extra dimensie toevoegt aan de thematiek van rechtvaardigheid versus corruptie en verval. Hypothetisch gesteld zullen (nog) meer kijkers anno 2022 vraagtekens plaatsen bij de tegenstelling tussen een ‘goede’ blanke agent in opleiding en een zwarte rechercheur die het niet zo nauw neemt met de wet. Het scenario doet bovendien niets om deze schertsende tegenstelling te bevragen of ontkrachten; de doodsbedreigingen van Russische zware jongens hinten ernaar dat Alonzo zijn ‘straf’ waarschijnlijk niet zal kunnen ontlopen, terwijl Hoyt zichzelf kan louteren door zijn leidinggevende te confronteren.

Gezicht van een generatie
Regisseur Antoine Fuqua (die met Training Day definitief doorbrak in Hollywood, en later onder meer Shooter en Olympus Has Fallen maakte) heeft het in een interview over een ‘wild personage’ dat “moest sterven omdat hij een slecht mens was, een sociopaat”. Maar toch voelde dat voor Fuqua alsof hij een kind verloor. Het ‘kwaad’, absoluut of niet, heeft een vreemde aantrekkingskracht. Denzel Washington, de acteur die ook nog eens het meest tot de verbeelding spreekt als de held van het affiche (van Malcolm X tot Man on Fire en The Equalizer), staat ook als ‘bad guy’ garant voor de beste quotes (“This sh*t is chess, it ain’t checkers!”), en niet Ethan Hawke, maar hij won de Oscar voor beste hoofdrol (voor Hawke bleef het bij een nominatie voor beste bijrol).

Na Sidney Poitier is Washington het gezicht van een generatie zwarte acteurs die wordt geprezen onder de notie van zwarte ‘agency’, ofwel de kracht om te vertegenwoordigen, naar eigen hand te zetten, met Malcolm X (Spike Lee, 1992) als meest typische voorbeeld. Een blanke regisseur was er misschien niet mee weggekomen om Washington zo duidelijk het kwaad te laten belichamen, maar Fuqua is niet blank, en zo speelt Training Day met stereotypen op een manier die onder andere omstandigheden (en later dan 2001, toen de film uitkwam) ongetwijfeld strenger veroordeeld zouden zijn.

Training Day

Ironie van een veroordeling
Als advocaat van de duivel zou je kunnen stellen dat Alonzo in Training Day niet het absolute kwaad belichaamt, maar juist duidelijk maakt dat het kwaad van de (drugs)wereld alleen met kwaad bestreden kan worden. Dat de corrupte hoofdpersoon zwart is, sterkt de geloofwaardigheid van de plot: een blanke rechercheur zou zijn voeten immers niet zo stevig aan de grond kunnen krijgen in de etnisch diverse omgeving die in de film wordt getoond. De woorden van Fuqua en Washington zelf later echter weinig te wensen over. Sterker nog, Washington stond erop dat zijn personage in het definitieve scenario gestraft zou worden (“I told the director I couldn’t justify him living in the worst way unless he died in the worst way”), en dat er dus directe consequenties aan zijn wetteloze gedrag verbonden zouden zijn.

Deze houding laat zien dat grote, haast onbegrensde thema’s als racisme en goed en kwaad zich niet zomaar laten aankaarten door de lens van ‘blank en zwart’; alsof alleen scenarist David Ayer en Ethan Hawke verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de vooroordelen die Training Day in stand zou houden. De ironie is fascinerend: we kijken naar een acteur, Washington, die wordt geprezen om zijn heroïsche bijdrage aan de zwarte filmcultuur. En toch is het grotendeels aan hem te wijten dat je Training Day van een racistische blik op de ‘war on drugs’ kunt beschuldigen.

Kijk hier wanneer Training Day draait.

 

29 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Guess Who’s Coming to Dinner

Guess Who’s Coming to Dinner (1967) met Sidney Poitier
Lastige thema’s aansnijden als een stuk taart

door Bob van der Sterre

Een bijzondere film, Guess Who’s Coming to Dinner. Gemengde relaties als onderwerp van de film? Gewaagd! Maar is de film echt goed? En hoe zit het met de tranen van Katharine Hepburn?

Witte dochter komt bij witte ouders en toont haar nieuwe vlam: een zwarte man. Ze kennen elkaar tien dagen en willen trouwen. Niet eenvoudig te slikken voor de ouders. Ook al gaat vader Matt juist prat op zijn liberale denken. Het is wat anders als je het zelf moet doen.

Guess Who's Coming to Dinner (1967)
Ze trekken de zere pleister er maar meteen af: is dat maar gedaan. Een avond hebben de ouders om hun zegen te geven. Gelukkig is John een perfecte dokter, die en passant de wereld met VN-operaties erop vooruit helpt. Dat maakt het wel minder zuur. Maar toch. Waarom zo snel?

Eerst komt een vriend, een priester, zijn woordje doen. Dan komen de ouders van John ook op bezoek. Die twijfelen zelf ook. Zelfs de zwarte huishoudster Tilly heeft haar bedenkingen: ze is zeker dat John een oplichter is.

Spanning is om te snijden en eindigt met een speech van vader Matt waarbij hij alle reacties langsgaat.

Van mens tot mens
Guess Who’s Coming to Dinner is zo’n film die vastberaden komt aangerend om een beladen sociaal thema, gemengde huwelijken, aan te snijden als een stuk taart. Dat gebeurt eens niet onder het mom van een thriller maar gewoon, rechtstreeks: van mens tot mens. Soms luchtig, soms serieus.

Dit was ook nog 1967, een zeer woelige tijd waarbij de raciale ongelijkheid nog veel groter was. Niet voor niets zegt vader Prentice tegen zijn zoon: “In zestien of zeventien staten zou je de wet breken. Je zou een crimineel zijn.” Dat was geen overdrijving, dat was echt zo.

Hoe overleeft Guess… anno nu?
Eerst het goede nieuws: veel films missen hart en ziel: niet deze. Dit verhaal van scriptschrijver William Rose (die met het idee kwam) bevat verrassend veel krachtige monologen die je nu nog steeds raken. En bovendien nog wat wranggeestige oneliners: “Hij denkt dat je gaat flauwvallen omdat hij een zwarte man is.” “Nou ik ga niet flauwvallen, maar ik ga er wel even bij zitten.”

Het helpt dat je naar ijzersterk drama-acteerwerk kijkt van acteurs met in wezen komische aanleg, die vaak juist goed hun mannetje of vrouwtje staan in dramafilms. Laat dat maar aan Spencer Tracy, Katharine Hepburn en Sidney Poitier over. Frappant hoe ze zulke schetsmatige typetjes vrij eenvoudig tot leven krijgen. Hepburns nicht Katharine Houghton als Joey werkt verrassend goed als contrast bij deze acteerkanonnen.

En dus een paar mooie oprechte scènes waarbij je even moeten slikken. Met als hoogtepunt als Sidney Poitier tot tranens aan toe aan zijn vader uitlegt dat hij niet zijn eigendom is…

Poitier haalt echt alles uit de kast tijdens deze korte scène. Let op zijn vele blikveranderingen en toonveranderingen als hij die memorabele woorden zegt: “Pa, je bent mijn vader. Ik ben je zoon. Ik hou van jou. Heb ik altijd gedaan en zal ik altijd blijven doen. Maar jij denkt aan jezelf als een man van kleur. Ik denk aan mezelf als een man.”

Of als de ogen van Katharine Hepburn vol tranen staan… Daar komen we nog op terug.

Schematisch en voorzichtig
Dan wat minder goed werkt: de film is voorzichtig en schematisch.

Regisseur Stanley Kramer en scriptschrijver William Rose wisten de film perfect ‘hart’ te geven, maar ze wisten niet hoe ze dat vernieuwend moesten brengen. De film is schaamteloos toneelstukkerig. Alle gesprekken worden onnatuurlijk aan elkaar geregen. En de muziek is ook vrij pover. Alsof het verhaal ‘helaas’ verplicht verfilmd moest worden.

Té schematisch is bijvoorbeeld de metafoor als Matt ijs bestelt en dat hij niet kent maar hem goed smaakt. Vervolgens rijdt hij een zwarte man aan en geeft hém de schuld van de aanrijding. Voilà: hier zijn persoonlijke dilemma in een notendop.

En als liefhebber vraag je je wel een beetje af: wat blijft er over als je het beladen thema uit de film haalt? Op goed acteerwerk en enkele hartverwarmende momenten na, niet veel denk ik. Zonde. In een andere recensie las ik een vergelijking met The Graduate (ook 1967), dat ook over een taboe gaat maar dat aldoor voor minder gewone oplossingen kiest.

De film heeft ook wat eigenaardigheden als je erover nadenkt: de film gaat over wit en zwart maar de ouders van John zijn minder goed ontwikkeld in de film dan de ouders van Joey. En waarom toch die haast?! Zeker voor een stel dat elkaar tien dagen kent… Het geeft het script vaart maar is ook een beetje dwaas. En tot slot heeft John geen enkele slechte eigenschap. Dat maakt hem in feite minder geloofwaardig.

De tranen van Katharine Hepburn
Daar zijn we dan: hoe zit het met de tranen van Katharine Hepburn? Dat is puur verdriet.

Hepburn heeft deze film nooit meer gekeken. Reden: dit waren haar laatste herinneringen aan haar levensgezel Spencer Tracy, met wie ze in negen films samen speelde. Hij was heel ziek tijdens het maken van de film en stierf tien dagen nadat de film klaar was, in juni, terwijl de film pas in december in de VS in roulatie zou gaan.

Katharine Houghton die Joey speelde: “Dat wisten we allemaal. Het was helemaal geen leuke tijd.” Ze hadden zelfs twee scripts: een voor als Tracy eerder zou overlijden, en het gewone.

Misschien dat er daarom zoveel tranen vloeien in deze film. Hepburns ogen schieten iedere tien minuten wel een keer vol. Maar ook de andere acteurs laten de tranen gaan.

Er is een specifieke, bijzonder ontroerende zin aan het einde die haar zichtbaar immens ontroert. Zij dacht alleen op dat moment niet aan de situatie van haar dochter, maar aan haar en Tracy en zijn aankomende sterven. Twee keer ontroering voor de prijs van een.

Tracy zelf was opgelucht dat hij de film nog kon afmaken. De laatste scène was ook zijn laatste scène ooit. Met die wetenschap kijk je toch anders naar deze film. Het is ronduit verbijsterend wat Tracy in zijn doodzieke staat nog aan acteerwerk wist te leveren.

Guess Who's Coming to Dinner (1967)

En Sidney?
Voor Sidney Poitier zou het heel anders gaan: de laatste twintig jaar van zijn leven speelde hij niet meer in films. Anders dan Tracy (die overleed op zijn 67ste) haalde hij de respectabele leeftijd van 94 jaar. Hij overleed afgelopen januari.

Het was een eenzame wereld voor zwarte acteurs in zijn tijd. In een necrologie van NBC wordt een eerdere, schrijnende quote aangehaald: “Ik maakte films toen de enige andere zwarte man daar de schoenenpoetser was. Ik was een beetje de lone guy.”

Misschien was het in zekere zin een voordeel als acteur en als mens dat hij de ballast van Amerikaanse segregatie miste. Hij werd geboren in de VS maar groeide op in de Bahama’s – is zelfs ambassadeur geweest voor de Bahama’s – waar vrijwel iedereen zwart was. Hij ging pas op achttienjarige leeftijd naar Harlem, New York. Was even dakloos, hobbelde van baantje naar baantje. Hij oefende op zijn accent en na een paar toneelstukken ging het opeens snel en debuteerde hij op zijn 23ste in een film.

En toen ging het snel en werd hij een soort symbool als eerste bekende zwarte acteur in de jaren vijftig en zestig. Zijn rollen gingen óók over zijn uiterlijk. Pas in 1965 zou hij in een film spelen waarin zijn kleur geen rol speelde (The Bedford Incident).

Poitier was een intelligente man die kalm omging met alle raciale issues die voor zijn voeten kwamen. Luister naar deze fantastische opmerkingen van Poitier in 1968, bijna weer een speech van Guess… op zichzelf. Het was een eenzame wereld voor zwarte acteurs.

Dus de perfecte rol voor Guess Who’s Coming to Dinner… Net als zijn karakter zou hij zelf ook veel doen voor de burgerrechtenbeweging in de VS. Uiteindelijk deed niets méér voor de zwarte zaak dan meedoen aan deze film die, hoe plompverloren en conservatief ook, toch bijdroeg aan meer onderling begrip. “Hij was de Hollywoodafdeling van de burgerrechtenbeweging!” zei Wesley Morris, criticus van The New York Times.

Het blijft altijd zo vreemd als filmlevens en echte levens via een bizarre kronkel samenkomen.

 

Kijk hier wanneer Guess Who’s Coming to Dinner draait.

 

15 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Damnation (Kárhozat, 1988) van Béla Tarr

Damnation (Kárhozat, 1988) van Béla Tarr
Dolende zielen op eindeloos modderige paden

door Ralph Evers

De premières van de gerestaureerde films van de Hongaarse regisseur Béla Tarr werden al enkele malen uitgesteld en het is maar de vraag of vertoning dit najaar gaat lukken. Hoog tijd dus voor een beschouwing van Damnation (Kárhozat, 1988). De vraag is ook wat er valt toe te voegen aan de beeldtaal, die zich zo idiosyncratisch en krachtig opwerpt aan de kijker. De een slaat ervan aan en de ander haakt af.

De tagline ‘dolende zielen op eindeloos modderige paden’ kan opgaan voor vrijwel elke andere film van Tarr, beginnende bij Damnation. Bij deze film en later bij Sátántangó (1994) nog veel meer lijkt er een rol weggelegd voor modder. Van Damnation is bekend dat er voor de locaties gezocht is naar zoveel mogelijk vervallenheid. De prominente rol van de omgeving en de manier waarop die in beeld komt, doet – terecht – vermoeden dat de omgeving een integraal onderdeel van de film is en een eigen rol speelt.

Damnation (Kárhozat, 1988)

De camera
Laten we de opening van de film eens vanuit een hermeneutisch perspectief beschrijven. Het openingsshot laat mijnkarretjes over een schier eindeloze gondel aan ons voorbijglijden tegen een net iets overbelicht landschap met een snel op te merken ritmiek. De camera rust uit, het beeld, het landschap zo je wilt, bevindt zich in sluimertoestand. Het indolente ritme kan nog net. Er dreigt iets.

De camera trekt zich terug. We blijken vanuit een raam te hebben toegekeken. Vreemd dat het geluid van die karretjes dan zo hoorbaar was en de wind nauwelijks. We zien een achterhoofd en sigarettenrook. Fotogeniek, in het contrastrijke zwart-wit. Het volgende shot valt op door de focus op de structuur van de dingen en de nadruk op het scheren. Geen muziek, nauwelijks geluid, slechts een blik, een toeschouwer?

De vreemdeling
Béla Tarr was als filmmaker altijd het buitenbeentje, de vreemdeling, zonder formele opleiding, met projecten die moeilijk van de grond kwamen en het tarten van wat zowel in mainstream als in arthouse-cinema gangbaar is. Die buitenstaander komen we in vrijwel elke film van hem tegen, maar het gaat te ver om die persoon (auto)biografisch te noemen. De buitenstaander is als Jungs archetypische karakters, naast de wees, de krijger, de nar, de zoeker, et cetera. De buitenstaander gaat diens eigen weg in de hoop te verkrijgen wat begeerd wordt. De beeldtaal heeft reeds verraden dat er iets dreigt. De mens staat niet los van diens omgeving en geworpenheid, lijkt de beeldtaal ons te willen benadrukken.

Een volgend moment wacht hij bij een muur. In een effectieve scherpte/dieptewerking zien we op de achtergrond een alledaagse gebeurtenis. Maar het betekent iets. Niet alleen in het reeds ontvouwde narratief, maar mede door de enscenering. Wederom horen we dingen veel luider dan we zouden moeten horen, ligt er overal modder, is het mistig, verraadt de houding van de man een relatie met deze personen op de achtergrond en neemt de camera de tijd om waar te nemen.

Damnation (Kárhozat, 1988)

Het tempo
We zitten dan ruim 7 minuten in de film en menigeen zal wellicht opmerken dat het tempo ondanks de traagte hoog ligt. Een eerste conversatie – of stoorzender – zal spoedig volgen. Het kader kantelt. Hoe staat het gezegde in relatie tot het getoonde? Is dit een detective, een film noir, een drama, waar kijk ik eigenlijk naar?

Tarr zelf is altijd wars geweest van interpretatie. Je ondergaat zijn films, waarin hij de keuze voor narratief en beeld heeft gemaakt, en je maakt er je eigen verhaal van. De Breugheliaanse koppen, de statische beelden, de afwezigheid van kleur, het is maar zo of je stelt jezelf in de getoonde situaties voor. Film ontdaan van glamour en arthouse-moeilijkdoenerij, maar juist gevuld met zo’n eigen visie. Ik was van moment één overstag: fijnproeverscinema.

Wie niet langer kan wachten op de gerestaureerde versie van Damnation in de bioscoop kan o.a. hier terecht.

 

11 juni 2022

 

ALLE ESSAYS

Camera Obscura Special: Het échte Parijs

Camera Obscura Special:
Het échte Parijs

door Bob van der Sterre

Parijs alias de lichtstad. Al sinds mensenheugenis een bron van inspiratie voor regisseurs. Films als Breathless, Jules et Jim, Last Tango in Paris, La Haine en Amélie maakten de stad nog beroemder. De mooiste en beste films over en in Parijs: de eerste aflevering in de serie Camera Obscura Special over films in wereldsteden.

Het valt bij films over Parijs op dat vooral Amerikanen het romantische beeld van Parijs koesteren. Denk aan Woody Allens Midnight in Paris, Linklaters Before Sunset, Baz Luhrmans Moulin Rouge, Stanley Donens Funny Face, Martin Scorsese’s Hugo, Nora Ephrons Julia & Julia of zelfs Pixars Ratatouille. Parijs is een mooie, romantische, bijzondere stad. Een oase onder de wereldsteden.

Paris, Je t’aime (2006)

Het is een Parijs dat niet echt bestaat – tenzij in de verbeelding van de Amerikaanse regisseurs. Toppunt van die liefdesverklaring is Paris, Je t’aime (2006) met over bijna elk arrondissement een korte film. Onder meer met bijdragen van de Coen-broers, Gus Van Sant, Alexander Payne en Wes Craven.

Ware liefde is ook dat je mindere punten accepteert. In Franse films over Parijs zie je vaak drukke boulevards (erfenis van Baron Haussmann, een van de meest beroemde (of beruchte) stadsplanners van de geschiedenis), de gevolgen van stadsverbouwing en zijn we ooggetuige van misdaad. Films als L.627 (Tavernier), Brief von Paris (Borowczyk) en La Haine (Kassovitz) laten een Parijs zien dat de Amerikanen zich niet kunnen voorstellen.

Dit zijn geen recensies of analyses van films! Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

 

Bassin des Tuileries (1896)

Bassin des Tuileries (1896): de gebroeders Lumière in Parijs

Locaties: Centrum, 1e arrondissement

Rondom de Lumière-broers bestaan na 125 jaar nog steeds misverstanden:

  1. Ze maakten níet de oudste film ter wereld; in Leeds was al in 1888 iemand bezig.
  2. Er bestonden al oudere opnamen van Venus (meer in de documentaire All Light Everywhere).
  3. Hun eerste films gingen níet over Parijs (ze waren geboren in Besançon en filmden hun lokale grote stad, Lyon, als eerste).
  4. De beroemde treinaankomst in Le Ciotat (vlakbij Marseille) is níet de oudste film van de Lumière-broers; daarvoor hadden ze al twintig korte films gemaakt.

Wel waren ze met hun ‘cinematographe’ verantwoordelijk voor de eerste commerciële filmvoorstelling in Parijs. Dat gebeurde in 1895 in de Salon Indien aan de Boulevard des Capucins.

De oudste film van Parijs is nog niet zo eenvoudig als het lijkt om uit te vogelen via de catalogus van de Lumière-studio. De oudste zou deze opname van de vijver van Tuileries kunnen zijn (april 1896). Of deze opnamen van de Champs Elysées (ook april 1896). Er is ook een opname van de autorit van Paris-Meudan bij Porte Maillot (mei 1896).

Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan. Deze digitaal gerestaureerde video met films van Parijs combineert diverse Lumière-films uit de periode 1896-1900. We kijken achtereenvolgens naar opnamen van de Notre-Dame, Pont de l’Alma, Avenue des Champs-Élysées, Place de la Concorde, de brandweer, Tuileries (van de titel), een rolstoep en de Eiffeltoren. De video werd gemaakt door Guy Jones en ingekleurd door Denis Shiryaev.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=fo_eZuOTBNc
Meer lezen: https://catalogue-lumiere.com/faq-movies/

 

Fantômas contre Fantômas (1914)

Fantômas contre Fantômas (1914): fragmenten van Parijs

Locaties: Parc des Buttes Chaumont en veel interieurlocaties, 19e arrondissement en elders in Parijs

De eerste speelfilms die zich (letterlijk) in Parijs afspeelden waren de Fantômas en Les Vampires-series van Louis Feuillade. Grappige, interessante films met veel snelheid en actie. De vroegste pulpfilms zou je kunnen zeggen, uit een tijd dat films net aandacht begonnen te krijgen.

Veel van Parijs zie je niet want bijna alles speelde zich binnen af in Parijse studio’s. Er waren een paar buitenlocaties. Zoals het shot van het Parc des Buttes Chaumont in Fantômas contre Fantômas (1915). In Fantômas III – Le mort qui tue (1913) zien we hetzelfde park en de daken van het Palais de Justice. Verder is er weinig te zien.

Aardig is de link met een andere Parijse film uit 1996: Irma Vep, van Olivier Assayas. Jean-Pierre Léaud worstelt daarin als regisseur met een nieuwe Vampires-film. En dat heeft ook een cinematografische link want Léaud dwaalde zelf in diverse Truffaut-films ook overal en nergens rond door Parijs.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=7tyaZ3_wnww
Meer lezen: https://traumundexzess.com/2015/03/15/fantomas-20187271/

 

Paris qui dort (1924)

Paris qui dort (1924): Parijs op de pauzeknop

Locaties: Faubourg Saint-Germain, 7e arrondissement

De eerste echte noemenswaardige outdoor-film over Parijs is de komische zwijgende film Paris qui dort van René Clair uit 1924. Albert woont en werkt bovenop de Eiffeltoren. Ga dan maar ‘even’ een krant halen. We zien hoe hij alle trappen omlaag loopt. De Parijse straten zijn opeens leeg, zelfs de Place de la Concorde. Wat is er gebeurd? Hij ziet mensen maar ze staan stil.

Dan ontmoet hij een aantal mensen die ook gewoon bewegen, waaronder een zakenman, een agent met dief en een vrouw ‘wier enige doel is om plezier te hebben’. Zij beseffen dat om 15:25 alles wat zich niet in de lucht bevond tot stilstand gekomen. Zo betrapt de zakenman zijn stilstaande vrouw met een stilstaande minnaar.

Het geeft kopzorgen. Dan beseffen ze dat alles mogelijk is: zwemmen in de vijvers van Trocadero, woningen plunderen, ergens jezelf volvreten. Ze ontmoeten vervolgens een vrouw en haar oom blijkt een straal te hebben ontworpen die de wereld stilzet. ‘Wakker worden? Daar heb ik nooit aan gedacht eigenlijk.’ Dan blijkt de pauzeknop ook een groot wapen te zijn.

Interessante speelse film over Parijs; knap werk voor een debuut (regisseur was René Clair). De lege straten: de cinema zou het nog vaak gaan terugzien. Ik genoot van de effecten met vogelperspectieven vanaf de Eiffeltoren. Doen ook denken aan het werk van Harold Lloyd in Safety Last! dat een jaar ervoor was gemaakt. Na bijna 100 jaar ziet het er nog steeds ingenieus uit.

En dit was min of meer het filmdebuut van de beroemde toren, die daarna niet meer weg te denken was in cinema over Parijs en bijna overal een ‘cameo’ maakte.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=RP6JkUdMRrE
Meer lezen: https://festival.ilcinemaritrovato.it/en/film/paris-qui-dort-2/

 

Le roi des Champs-Élysées (1934)

Le roi des Champs-Élysées (1934): Buster Keaton in Parijs

Locaties: Champs Elysees, Trocadero, 8e en 16e arrondissement

Buster Garniers baantjes gaan telkens mis. In plaats van nepgeld uitgeven, geeft hij echt geld uit. En dan wordt hij acteur, speelt hij een crimineel maar is er een verwisseling met een echte crimineel.

In 1934 had Buster Keaton in de VS weinig mogelijkheden meer. In Frankrijk zagen ze hem nog wel graag in de cinema en reisde hij daarheen met zijn vrouw met de boot (om geld te besparen). Hij deed er drie films die als redelijk obscuur de boeken zijn ingegaan.

Parijs is hier vooral in het begin in beeld, als Buster rondrijdt om het namaakgeld uit geven. We zien Buster als een ster op de Champs-Élysées vanuit de auto met geld smijten. We zien Buster ook geld uitdelen bij Café du Trocadero. Dat is nu een prachtig art deco-café vlakbij Place Trocadero en de Eiffeltoren. Verder vooral interieurscènes, de villa van de gangster en het theater.

Het is niet Keatons beste natuurlijk maar er zijn wel wat vermakelijk persoonsverwisselingen (sukkelige Buster en ruwe gangster). De beste stukjes van de film: het huwelijk dat Keaton verpest door echt geld uit te delen, de mislukte zelfmoordactie (gas wordt afgesloten), de twee vechters die geld krijgen en dan weer doorvechten, de schattigheid van zijn eerste ontmoeting met actrice Paulette Dubost, en de klassieke onnozelheid als hij op het toneel een muurtje moet beklimmen.

Gek idee: hij werd gedubd door een acteur die een raar Amerikaans accent deed. Een keer hoor je Keaton zelf zeggen: Go get me a drink. En de achtervolging doet denken aan Das Testament des Dr. Mabuse? Dat klopt! Die opnamen werden gebruikt om de kosten te drukken.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=G8jkwmVr104
Meer lezen: https://thelostlaugh.com/tag/buster-keaton-talkies/

 

Les Dames du Bois de Boulogne (1945)

Les Dames du Bois de Boulogne (1945): de bossen van Parijs

Locaties: Bois du Boulogne, Boulogne-Billancourt (nabij 16e arrondissement), 2e en 18e arrondissement

Wat doe je als je favoriete man zegt dat hij óók blij is als jij het uitmaakt? Terwijl jij dat alleen deed om zijn aandacht te krijgen. Dan bedenk je natuurlijk een gemeen plan: je biedt een prostituee een adres en laat haar jouw favoriete man zijn hoofd dol maken. En dan hopelijk rent hij weer terug in je armen. Dat is het plot van Les Dames du Bois de Boulogne. Het gaat natuurlijk altijd anders.

De jaren veertig hebben weinig films met buitenscènes te bieden. Heel veel werd (om begrijpelijke redenen) in studio’s gefilmd. Het zat in elk geval niet in de weg om klassiekers te maken: Quai des Orfèvres, Orphée, Les Portes de la Nuit, Les Enfants du Paradis. Prachtige films die zich afspelen in Parijs. Maar ‘studio Parijs’ is toch wat anders dan ‘echt Parijs’.

Deze redelijk bekende film van Robert Bresson kun je met zijn vele interieurshots ook nauwelijks een Parijse film noemen. We zien een paar shots van het Bois du Boulogne. Dat zie je niet heel vaak in films. We kijken bijvoorbeeld naar de waterval van het Bois du Boulogne, net zo kunstmatig als de twee namaakgrotten in het park. Daar houdt het verder wel mee op.

Meer lezen: https://www.criterion.com/films/451-les-dames-du-bois-de-boulogne

 

Bob le Flambeur (1956)

Bob le Flambeur (1956): nachtelijk gedoe in Montmartre

Locaties: Place Pigalle, Montmartre; 9e en 18e arrondissement (en Normandië)

Bob le Flambeur, de drinkende gokker (‘le flambeur’), is goede maatjes met de politie. Hij is een crimineel buiten dienst. Wat zulke lui doen: spelletjes kaart spelen, slempen in bars en rondrijden. Pigalle, Montmartre, toen nog een achterbuurt, is zijn wijk.

Een dame krijgt een sandwich bij de bar aangereikt. ‘Laat die sandwich’, zegt hij, ‘kom bij ons zitten voor een echte maaltijd.’ Later vraagt ze: ‘Wat gaan we doen?’ ‘We? Het is tijd om te slapen.’ ‘En? Slaap ik bij jou vanavond?’ Stopt geld in haar tasje. ‘Neem een hotel.’

Het verhaal draait om een ‘laatste job’. Als Bob een koffer met 800 miljoen franc kan stelen, kan hij mooi gebruikmaken van zijn goede reputatie bij de politie. Niemand die hem ervan verdenkt. Hij doet het met hulp van een aantal makkers. Hoe verbazingwekkend in 1956 een overval werd voorbereid: je oefende gewoon op een grasveldje.

Bob le Flambeur bouwt rustig op. Het misdaadverhaal biedt veel aandacht voor het menselijke element. En dan krijg je nog die mooie beelden erbij. Avontuurlijke shots, creatief gebruikmakend van zwart-wit-tegenstellingen. Sfeervolle beelden van kroegen vol rook. De opnamen duurden maar liefst twee jaar. Het oog voor detail betaalt zich uit want de film bulkt van de sfeer.

Daarmee wedijvert de film met de beste Amerikaanse film noirs. Geen wonder dat diverse Amerikaanse regisseurs van naam fan zijn van Bob le Flambeur, zoals Stanley Kubrick, Quentin Tarantino, Paul T. Anderson en Jim Jarmusch. Regisseur Jean-Pierre Melville ontwikkelde een eigen stijl en zou hierna het misdaadgenre een nieuwe draai geven met films als Le Samouraï, Le doulos en Le cercle rouge. Dat betekent niet dat hij een eitje had aan deze film: Melville kon zijn acteurs amper betalen; hoofdrolspeler Roger Duchesne had een drankprobleem (dus dat acteert ie niet); en de actrice was nog geen zestien…

Het 9e en 18e arrondissement in het noordwesten van de stad waren in de jaren vijftig nog wel vrij ruige wijken. ‘Montmartre is tegelijk hemel… en de hel’, begint de film. Het was in de jaren negentig mijn eigen eerste ontmoeting met Parijs: uitstappen in Gare du Nord en een hotel vlakbij Boulevard Barbès Rochechouart. En al die neonsekskitsch bij Place Pigalle – waar trouwens François Truffaut opgroeide. Als Amsterdammer uit een achterstandswijk voelde ik me daar trouwens prima op mijn gemak.

De jaren vijftig bracht meer Parijse outdoor-klassiekers voort:

  • Les quatre cent coups (de eerste van de Doinel-reeks van François Truffaut, een klassieker)
  • Pickpocket (Robert Bresson)
  • Si Paris nous était conté (Sacha Guitry)
  • Les amants (Louis Malle)
  • Du rififi chez les hommes (Jules Dassin)

Meer lezen: https://www.parisupdate.com/montmartre-decor-de-cinema/

 

La boulangère de Monceau (1963)

La boulangère de Monceau (1963): arrogante koekjespeuzelaar

Locaties: Monceau, Clichy, Batignolles; 8e en 17e arrondissement

Twee mannen – studenten – lopen over Boulevard Batignolles. Ze zien telkens een leuke vrouw passeren en op een dag trekt een de stoute schoenen aan. Ze blijkt Sylvie te heten. ‘Wil je een keer wat drinken?’ ‘Niet nu. We zien elkaar toch vaak genoeg op straat.’

De jongeman loopt rond maar ziet haar nooit meer. Tijdens zijn pauzes wandelt hij steeds verder, in de hoop een glimp van Sylvie op te vangen. We zien en horen hem voice-overend slenteren door Rue Levis, Rue Legendre, Rue Saussure en Rue Lebouteux, waar op de hoek het bakkerijtje zit dat hij binnengaat. Daar koopt hij elke dag een koekje bij hetzelfde bakkerijmeisje: Jacqueline.

Hij regelt een date met Jacqueline. Hij wil er eigenlijk niet heen maar ‘mijn groep vrienden was er niet’ en ‘Het was een tijdsbesteding zo goed als alle andere’. Later: ‘Het schokte me dat ze dacht dat ik haar leuk zou vinden. Ze moest leren om niet met vuur te spelen.’

De hoofdpersoon ergert iedere filmkijker denk ik, maar een plus is dat de film zich bijna helemaal buiten afspeelt. We kijken naar het 17e arrondissement (pal naast het arrondissement van Bob le Flambeur). Aardig dat Barbet Schroeder, ook een beroemd filmmaker (documentaire Idi Amin, speelfilms Barfly en More), de antipathieke slenteraar speelt. Triple leuk is dat regisseur Bernard Tavernier, ons helaas pas ontvallen, de voice-over doet.

Voor de vrouwen in de film liep het minder goed af: Claudine Soubrier speelde nooit meer een andere rol dan dit bakkerijmeisje; Michele Girardon, Sylvie in de film, werd maar 36 jaar (pleegde zelfmoord). Zij had de hoofdrol in Rohmers film Le Signe de Lion een jaar eerder, waarin trouwens ook half Parijs wordt doorgewandeld.

Een plus van de film is het inkijkje in de befaamde wereld van de Franse taartjeswereld. Met verrukkelijk ogende sablés, abrikozentaartjes, gâteaux Lorraines, appeltaarten en een ‘baba’ (rumcake). En hij propt het allemaal even oncharmant naar binnen op straat en flikkert de zakjes meteen in de goot (lekker milieubewust). En de bakkerij zelf? Die is er natuurlijk niet meer, hoewel er aan de huizen hier weinig is veranderd.

Eric Rohmers films zijn zo ongelooflijk gelijkmatig altijd. Statische kletspartijen, weinig emoties, maar ze prikkelen je daardoor juist wel. Dit was de eerste ‘morele vertelling’ van de uiteindelijk zes die Rohmer er zou maken. In 1963 filmde hij deel twee van de morele vertellingen: La carrière de Suzanne. Dat zit wat complexer maar ook wat rommeliger in elkaar. Het was dus het begin van een serie van zes films, waarvan ik persoonlijk Ma nuit chez Maud de mooiste vind.

De jaren zestig boden enorm veel outdoor-opnamen van Parijs: de nouvelle vague in volle bloei:

  • Paris vu par… (diverse regisseurs)
  • Adieu Philippine (Jacques Rozier)
  • Paris nous appartient (Jacques Rivette)
  • Zazie dans le Métro (Louis Malle)
  • Jules et Jim en de hele Antoine Doinel-serie (François Truffaut)
  • À bout de souffle (Jean-Luc Godard)

Meer lezen: https://www.criterion.com/films/786-the-bakery-girl-of-monceau

 

Touche pas à la femme blanche (1974)

Touche pas à la femme blanche (1974): western bij Les Halles

Locaties: Les Halles; 1e arrondissement

In Touche pas à la femme blanche van Marco Ferreri kan generaal George Custer niet wachten tot hij de indianen zal verpletteren. Hij heeft het nergens anders over. Ondertussen wordt hij verliefd op Marie-Hélène, die dus niet aangeraakt mag worden door een indiaan, Mitch, een informant van Custer. Buffalo Bill trekt zich weinig aan van Custer.

De eigengereide filmer Marco Ferreri koos ervoor om de slag om Little Big Horn – en de aanloop – op en rondom Les Halles te filmen. Dat werd in 1974 ten tijde van het filmen neergebuldozerd en vervangen door een modern (en overdekt) winkelcomplex. Wie wil weten hoe het ooit was: bekijk deze film.

Een geweldig decor en de film pakt daardoor prachtig uit. De vechtpartijen, de paarden, schermutselingen zijn allemaal op de restanten van de sloop van de gebouwen rond Les Halles. Als de toren opgeblazen wordt, verwerken ze dat in het verhaal. Twee legerleiders kijken naar een huis dat gesloopt wordt met een sloopkogel. ‘Dat is nou vooruitgang.’ Of wanneer een kanon wordt afgeschoten en daarna de hallen instorten.

Anders dan in Les visiteurs zijn er geen eindeloze grappen over de confrontatie met de moderne tijd. De karakters nemen het allemaal zoals het is. Zoals Custer die naar een Coca Cola-reclame wijst en zegt: ‘Mijn vrouw’. Veldslag in een bouwput. Indianen die wapens bekijken in een moderne wapenwinkel.

Krachtig is de spot met racisme (en kolonialisme). ‘Ik snap de indianen niet. Het is toch duidelijk dat de Heer dit land aan de blanken heeft gegeven zodat ze zich kunnen vestigen.’ ‘Soms denk ik wel eens dat ze door demonen bezeten zijn.’ De film gaat niet over waar het wél over lijkt te gaan: de Amerikaanse geschiedenis.

Het aardigste is dat je kunt genieten van de komische talenten van zowat de hele Franse acteerelite van de jaren zeventig. Ze kwamen allemaal opdraven in de bouwput van Les Halles: Serge Reggiani, Michel Piccoli, Philippe Noiret, Catherine Deneuve, Alain Cuny, Ugo Tognazzi en Marcello Mastroianni. En niemand is hier uit de toon. Allemaal voelden ze de absurde humor aan die Ferreri met zijn film beoogde. Zoals de geweldige scène waarin Catherine Deneuve en Marcello Mastroianni naar elkaar smachten en zij dan ernstig zegt: ‘Mijn arme hart is als een galopperende pony.’

De jaren zeventig was sowieso een topdecennium voor films met Parijs in een ongewone setting:

  • Brief von Paris (Valerian Borowcyk)
  • Daguerrotypes (Agnes Varda; portret van winkeliers in de straat waar zij leefde, Rue Daguerre)
  • C’était un rendez-vous (Claude Lelouch scheurt door Parijs in een korte ‘film’)
  • Last Tango in Paris (Bernardo Bertolucci)
  • Céline et Julie vont en bateau (Jacques Rivette)
  • Le grand blond avec une chaussure noire (Yves Robert)
  • Buffet Froid (Bernard Blier; komedie rondom de flats in La Defense)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=LyJbSPd-yAk
Korte documentaire over de film: https://www.dailymotion.com/video/xff7wf

 

Le Pont du Nord (1981)

Le Pont du Nord (1981): tour door Parijs

Locaties: 48 verschillende locaties door heel Parijs; 3e, 4e, 5e, 9e, 10e, 12e, 14e, 15e, 16e, 19e en 20e arrondissement

Twee vrouwen klungelen wat aan in Parijs tot ze elkaar tegenkomen via een ongeluk. Ze kopen croissantjes, bekijken standbeelden van leeuwen, posten brieven. De een houdt van vandalisme, de ander is op zoek naar iemand.

Pas na twintig minuten beginnen Marie en Baptiste met elkaar te praten. Een opmerkelijk vrouwelijk verhaal van de hoofdrolspeelsters zelf, die moeder en dochter zijn in het echt: Bulle (Marie) en Pascale Ogier (Baptiste, al heel modern aldoor met een enorme koptelefoon op). Ze schreven dat samen met Suzanne Schiffmann en regisseur Jacques Rivette.

Het script is langdradig en vaag en Pascale kan niet zo goed acteren. Toch is er veel ongewoons in details te zien. Solex en motor dagen elkaar uit als moderne paarden. Een levensgevaarlijke spurt naar de Arc de Triomphe. Flauwvallen in de metro. Wakker worden in een auto.

En natuurlijk véél Parijs: 48 locaties in verschillende arrondissementen. Iemand heeft ze allemaal opgezocht en er zelfs een kaart van gemaakt. Le Pont du Nord bevat cameragenieke locaties als de Arc de Triomphe, Place Denfert-Rochereau, Rue de Bellefon (die komt ook voor in Le Grand Blond), Place Gustave Toudouze, Rue des Eaux, Place Félix Eboué (fontein met leeuwenstandbeelden), Pont Bir-Hakeim, Place Stalingrad, Rue d’Hautpoul, de markt bij Le Carreau du Temple, Rue Perrée, La Petite Ceinture (verlaten treinspoor). Je kunt praktisch in hun voetsporen lopen.

De film hopt vrij achteloos van de ene plek naar de andere. Echt logisch is het niet maar de stad is hier een soort fraaie bijzaak in een film die zich helemaal buiten afspeelt. Passend dus bij het concept van de nouvelle vague. Rivette bleef trouwer aan dat concept dan Godard. Voor deze film maakte hij eerst nog een versie van 30 minuten, Paris s’en va. In feite dezelfde beelden maar zonder dialoog.

Ook hier het thema van de huizensloop. In Le Pont du Nord zien we in de Rue de la Croix Saint-Simon (Montreuil, 20e arrondissement) een Parijs met hekken en hijskranen, dat stinkt van de dieseldampen. Met de afbraak van de abattoirs van Vaurigard doet de film ook denken aan Touche pas à la femme blanche. En net als bij Tati wil een moderne telefooncel je liever vermoorden dan je helpen. Dit Parijs van 1981 is niet romantisch, maar ook niet cynisch; simpelweg een moderne stad.

Er zijn niet enorm veel filmklassiekers in Parijs van de jaren tachtig:

  • Diva (Jean-Jacques Beineix)
  • Les uns et les autres (Claude Lelouch)
  • Les nuits de la pleine lune (Éric Rohmer)
  • Police (Maurice Pialat)

Meer lezen: https://www.thecinetourist.net/le-pont-du-nord-locations-identified.html

 

Chacun cherche son chat (1996)

Chacun cherche son chat (1996): buurt zoekt kat

Locatie: Bastille; 11e arrondissement

In Chacun cherche son chat (1996) brengt Chloe haar kat (Gris-Gris) vanwege een vakantie tijdelijk onder bij Madame Renée. De kat loopt weg. Voor ze het weet, bemoeit de hele buurt zich ermee. Djamel gaat wel héél enthousiast zoeken terwijl Chloe juist ook driftig op zoek is naar liefde.

Mijn lievelingsfilm in hoe Parijs wordt neergezet als gemeenschap. Het idee is eenvoudig maar effectief: door een spoorloze kat worden burenrelaties ineens herontdekt. Een pure liefdesverklaring aan het arrondissement waar ik zelf ook twee weken ‘woonde’: het 11e arrondissement, ten oosten van de Place de la Bastille. Een leuke, gemengde wijk, waar de toeristen niet snel komen want er zijn geen echte attracties. In de film zien we onder andere de Passage de Taillandiers, Rue de Charonne, Avenue Ledru-Rollin. Café Pause bestaat ook nog steeds!

De film laat zien dat een komedie ook serieuze thema’s kan behandelen, zoals gentrificatie en eenzaamheid. Het eerste beeld zegt genoeg: vier hijskranen in beeld. Het barst van de gebouwen die gesloopt worden (ook hier weer een flashback naar Touche pas à la femme blanche) en braakliggende terreinen. Lokale winkeltjes worden vervangen door dure, hippe kledingzaken die niets met de buurt hebben. Madame Renée klaagt er al over: ‘Koffie is duur bij die cafés. Tien franc voor een bakje. Elders kost het maar vier franc. Dat is ook prima.’

Regisseur Cédric Klapisch heeft altijd een lichtvoetige manier van vertellen. Zo introduceert hij het 11e arrondissement met geluid van een drummer. Terwijl Chloe door de wijk loopt, gaat de drumbeat mee. Ook het shot van de kakofonie van telefoongesprekken is mooi in beeld gebracht. En hoe ze op vakantie gaat, is hilarisch. Misschien zijn alleen de droompassage en Chloe’s flirt met haar huisgenoot iets teveel van het goede.

Latere films van Cédric Klapisch werden meer soapy en langdradiger (denk aan de trilogie L’auberge espagnole (2002, Barcelona), Les poupées russes (2005, Sint-Petersburg) en Casse-tête chinois (2013, New York)). Hoofdrolspelers: Audrey Tautou en Romain Duris (die hier de drummer speelt). Toch zijn die film nog steeds goed te doen en daarnaast waren ze ook nog eens een commercieel succes. Dan is er nog Klapisch’ Paris (2008), óók met Romain Duris: een ex-danser bekijkt de stad gedwongen vanaf zijn balkon omdat hij een hartprobleem heeft.

In de jaren 90 werd meer dan ooit in Parijse straten gefilmd:

  • La Haine (Matthieu Kassovitz)
  • L.627 (Bertrand Tavernier)
  • Les amants de Pont-Neuf (Leos Carax)
  • On connaît la chanson (Alain Resnais)
  • Okno v Parizh (Yuri Mamim)
  • Louise (Take 2) (Siegfried)
  • Les rendez-vous de Paris (Éric Rohmer)

Meer lezen: https://filmkrant.nl/recensies/chacun-cherche-son-chat/

 

De battre mon cœur s'est arrêté (2005)

De battre mon cœur s’est arrêté (2005): vuist versus piano

Locatie: diverse plaatsen; 1e en 14e arrondissement

Om muziek te oefenen heb je rust in je donder nodig. Dat heeft Thomas niet. Als beroep slaat hij mensen uit hun huizen. Zijn vader is ook nog eens onhandig met geld. Als Thomas de ‘Toccata’ van Bach oefent, lijkt zijn voornaamste doel om zo snel mogelijk het einde te bereiken. En daar is zijn Chinese pianojuf niet zo blij mee.

Een drama dat goed in elkaar zit, dat zie je niet elke dag. Het is niet feilloos (het morele dilemma van de hoofdpersoon zie je van ver aankomen, er blijven wat verhaallijnen onafgerond). Het is vooral de kraak en smaak waarmee Jacques Audiard deze remake van Fingers (1978) in elkaar heeft gezet. En hoe goed Romain Duris past in de rol van Thomas Seyr: nerveus, opgejaagd, gozer van de straat, en ook een beetje kunstzinnig.

Het Parijs in deze film is volstrekt anoniem. Bars, cafés, straten, boulevards, huizen: je herkent helemaal niets. Er is geen bordje of naam van een plek te zien. We zien alleen (het intussen gesloten) Café Les Jardins d’Issoire. Parijs is misschien bedoeld als een stedelijke vertaling van New York in het origineel: dan is de Eiffeltoren niet zo gepast.

De jaren nul zijn een afspiegeling van de tijd: weinig films weten meer van Parijs te maken dan clichés. Neem een grote misdaadfilm als 36 Quai des Orfèvres. Heeft zelfs een adres als naam maar trekt toch meer tijd uit voor nietszeggende close-ups dan voor de stad zelf. The Dreamers van Bertolucci komt bij mij toch niet verder dan een krampachtige poging om Jules et Jim te evenaren.

De stad figureert meer dan ooit in grote Hollywoodfilms (The Bourne Identity, The Da Vinci Code, The Devil Wears Prada, Before Sunset, Inception, Taken). Het is meer de stad waar de film neerstrijkt, dan een film die écht over de stad gaat. Franse (indie-)cineasten filmen volgens mij juist steeds vaker in andere steden en gebieden in Frankrijk. Voor deze periode kan ik alleen de tv-serie Engrenages (2005-2020) aanraden voor meer van het échte Parijs.

Meer lezen: https://www.lemonde.fr/cinema/article/2005/03/15/de-battre-mon-c-ur-s-est-arrete-dans-la-ville-corrompue-par-l-argent-la-redemption-est-au-bout-des-doigts_401700_3476.html

 

Bronnen

 

Lees ook deel 2: Camera Obscura Special: New York

 

5 juni 2022

Westerse pathologische beeldvorming

Westerse pathologische beeldvorming

door Yordan Coban

Met de dreiging van de Derde Wereldoorlog kan het zeker geen kwaad om een kritisch licht te werpen op de westerse beeldvorming, vooral ook omdat de oorlog met Rusland voornamelijk een propagandaoorlog is.

De afbraak van de vrije Russische media is al een tijdje aan de gang maar is in deze oorlog in korte tijd redelijk geëscaleerd tot een volledige onderwerping en beheersing. Het is natuurlijk een groot goed dat we de Oekraïners helpen en de wereld massaal haar rug keert naar een bloeddorstige dictator, maar het kan geen kwaad om juist nu een kritische blik te werpen op de wijze waarop het westen bepaalde onderwerpen onder de aandacht brengt.

Caché (2005)

Caché (2005)

In dit essay kijk ik nader naar Caché (2005) van Michael Haneke. Het werk van de Oostenrijkse filmregisseur is altijd voorzien van een doortastend zelfbewust begrip van de ideologische verdovende werking van moderne media. Met dit begrip dringt de volgende vraag zich op: hoe maak je verantwoordelijke media? 

In Caché lijkt alles wat Haneke groots maakt samen te komen. Het mysterie dat zich aan de kijker opdringt, is haast niet in één bezichtiging te ontrafelen. Tegenwoordig kan je in principe elk antwoord of elke interpretatie op het internet vinden, toch is het juist een uitdaging om zelf detective te spelen. De antwoorden op de vragen die de film opwerpt, worden op het internet open en bloot gegeven. Haneke vindt dat een kijker die wanhopig op zoek gaat naar een antwoord bij het mysterie juist tegen alles ingaat waar het in zijn werk om te doen is.

Digitale schemerwereld
Haneke waarschuwt voor het digitale tijdperk waarin wij leven. De mens krijgt al zijn drama van het beeldscherm en distantieert zich daarmee van de realiteit. Het eerste shot van Caché geeft dat het beste weer. De kijker wordt bedrogen omdat het lijkt alsof je kijkt naar de realiteit, terwijl het slechts een videoband is (alhoewel het natuurlijk überhaupt al vanaf een scherm afgespeeld wordt). In Haneke’s werk zijn media en realiteit altijd vervaagd en vervlochten tot een verstoord geheel.

In Caché vindt de confronterende realiteit zich een weg tot het leven van de hoofdpersonages via opgestuurde anonieme videobanden. Deze banden bevatten lange fragmenten van het huis van George Laurent (Daniel Auteuil) en Anne Laurent (Juliette Binoche). De twee bevinden zich in welgestelde kringen van de Parijse bourgeoisie. Toch heerst er onder hun sereen bestaan een duister geheim, een diepgeworteld subtiel geweld dat aangewakkerd wordt door de mysterieuze videobanden. Geweld dat niet slechts verwikkeld ligt in de wortels van het leven van deze twee Parijzenaren maar een kritische blik werpt op de gehele westerse samenleving. Een begrip dat zich met de bezichtiging sterker wortelt in het bewustzijn van de kijker.

Sociologische parabool
De aangerichte schade van vorige generaties wordt vaak ondergesneeuwd door een hardnekkige verharding van de samenleving. Deze consequenties lijken ver begraven in het bewustzijn van welvarend Europa. Een verharding die zijn grondslag kent in hebzucht en leugens over moraal en principes. In een dogmatisch geketende wereld waarin iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn falen of geluk is er geen ruimte voor, zoals Mark Rutte zou zeggen, “sociologische verklaringen”.

Funny Games (1997)

Funny Games (1997)

Een daad kan nooit als een daad op zich beoordeeld worden, en dient altijd in zijn historische context bezien te worden. Caché is in dit licht een perfecte parabool voor de maatschappelijke spanningen op het gebied van migratie en de multiculturele samenleving. Daarnaast is de film een subtiele karakterstudie van een breed gedragen westerse pathologie. Maar bovenal is de film een realistische thriller die een angstaanjagend licht schijnt op onze weerloosheid in het digitale tijdperk dat zich kenmerkt door surveillance en misleiding.

Nieuwe realiteit
Media als Simulacrum zijn in de moderne tijd een belangrijk onderdeel geworden van het menselijk bewustzijn; de nieuwe realiteit. Dat fenomeen is ook accuraat verfilmd in bijvoorbeeld Videodrome (1983) en Network (1977) en terug te lezen in de filosofische ideeën van Noam Chomsky en Jean Baudrillard. De mens en het scherm zijn op gecompliceerde wijze met elkaar verbonden. In elk aspect van het moderne bestaan leeft de mens door schermen. Haneke laat in Caché zien dat de wijze waarop Europa met vluchtelingen omgaat niet alleen slechts de waanwereld van media en politiek is, maar de pijnlijke realiteit die ons waarschijnlijk met geweld zal achterhalen.

Haneke stelt dat alle mediamakers in de kern manipulators zijn. Het maken van media brengt daarom een enorme verantwoordelijkheid met zich mee. De enige manier om deze manipulatie te legitimeren, is door hier als mediamaker zelfbewust over te zijn, door de kijker te herinneren aan het feit dat hij gemanipuleerd wordt. Alleen dan neem je de kijker waarlijk serieus. De knipoog in Funny Games (1997) is misschien wel Haneke’s meest expliciete voorbeeld hiervan.

Momenteel zijn er zo’n miljoen Oekraïense vluchtelingen naar het westen gevlucht door de oorlogszucht van Poetin. Gelukkig lijkt het westen (aangezien het nu gaat om Europese vluchtelingen met de juiste huidskleur) adequaat te reageren op deze toestroom. Laat de houding tegenover Oekraïners een nieuw precedent stellen. Er is namelijk geen wezenlijk verschil tussen vluchtelingen uit Oekraïne, Afghanistan, Syrië of Irak. Die verschillen zijn er slechts in onze ideologische benadering jegens deze vluchtelingen en in onze oppervlakkige beeldvorming in de media die confronterende causale verbanden liever wegdrukken onder de pathologie van welvaart.

 

15 maart 2022


ALLE ESSAYS

Saturday Night Fever (1977)

Saturday Night Fever (1977)
De stroboscoop en de opgeheven middelvinger naar het engagement

door Paul Rübsaam

Punks waren zwartgallige hippies met kort haar, vond ik. Alleen het uiterlijk vertoon, de egomanie en de oppervlakkigheid van een ‘disco’ boden een uitweg aan het einde van die afschuwelijke, politiek correcte jaren zeventig. Saturday Night Fever (1977) was niet te missen. Al dansten ze daarin in rijtjes, droeg John Travolta strakke broeken met wijd uitlopende pijpen en ging de film per ongeluk toch nog ergens over.

Als een film uit je jongere jaren je bijblijft, heeft dat doorgaans maar zijdelings te maken met de inhoud van die film. Bij ‘mijn’ Saturday Night Fever, geregisseerd door John Badham, zoals ik pas kort geleden ontdekte, is dat niet anders. Toch wil ik een poging doen mijn persoonlijke betrekkingen met deze dansfilm uit de doeken te doen.

Saturday Night Fever

Te beginnen met mijzelf. Als je het sociale klimaat waarin ik als zo’n beetje jongste babyboomer ter wereld, geboren op 14 oktober 1959, opgroeide in het kort wil typeren, zijn naast ‘jaren zeventig’, ‘Montessori Lyceum’ en ‘Amsterdam-Zuid’ de trefwoorden. Dat wil zeggen: verplicht links, maatschappijkritisch en elitair.

Het was in de tijd dat ik eindexamen deed en daarna staken andere mogelijkheden de kop op. Wie vond dat de Maagdenhuisbezetters van weleer de goede baantjes hadden opgestreken en de wereld geen haar beter hadden gemaakt, kon als punk en/of anarchist een kraakpand betrekken. Voor mij echter waren de hippies met hun lange haren en bloemetjesjurken en de punks met hun korte haar, zwarte kleding en legerkistjes niets anders dan een positieve en negatieve uitvoering van hetzelfde. Juist nooit meer ergens iets van hoeven vinden en met ‘disco’ als geuzennaam een ijdeltuit zijn. Daar droomde ik van.

Geföhnd haar en virtuoze bewegingen
In Saturday Night Fever woont John Travolta’s personage Tony Manero nog bij zijn ouders en werkt hij in een verfwinkel. Als hij aan tafel van zijn vader een oorvijg krijgt, is het enige dat hem zorgen baart dat zijn zorgvuldig geföhnde kapsel daarvan uit model gaat. In de plaatselijke disco waar hij op zaterdagavond met zijn vrienden naartoe gaat, is hij immers de blikvanger en de held van de dansvloer. Daar betoont hij zich lenig en acrobatisch, zonder dat er een al te sterke binding bestaat tussen zijn virtuoze bewegingen en het ritme van de ten gehore gebrachte muziek.

De soundtrack van Saturday Night Fever kwam voor het belangrijkste deel voor rekening van de Bee Gees. Die zingen met kopstemmen disconummers als ‘How Deep is Your Love’, ‘Night Fever’ en ‘Staying Alive’. Terwijl ikzelf de gebroeders Gibb nog kende van langzame, ietwat dreinerige nummers als ‘First of May’ en ‘I Started a Joke’.

Tony Manero heeft er echter niet het minste besef van hoe de Bee Gees ooit waren geweest. Deze op negentienjarige leeftijd als het ware glimmend en swingend uit het ei gekropen Italo-Amerikaan heeft tot verbijstering van zijn danspartner Stephanie (Karen Lynn Gorney), die als receptioniste op een pr-bureau werkt en opschept over haar beroemde kennissen, evenmin ooit gehoord van Cat Stevens en Eric Clapton.

Tijdsbeeld?
Maar in hoeverre schetst Saturday Night Fever werkelijk een tijdsbeeld? Had de film niet even goed in 1974 of in 1986 gemaakt kunnen zijn? Het uitgaansleven in Amsterdam in de jaren 1978 en 1979, zoals ik me dat herinner, zag er in een aantal opzichten heel anders uit dan in de film.

De disco-levensstijl (levensstijl is eigenlijk een te groot woord) lag in het verlengde van het zogeheten ‘ik-tijdperk’. Dat zag je onder andere terug in De Schakel, een discotheek aan de Korte Leidsedwarstraat waar ik in die jaren veel naartoe ging. Voorheen was dat een sociëteit van het COC, waar de naam nog naar verwees. Daar was echter weinig meer van te merken. De gedragscode was eerder dat je geen enkele belangstelling demonstreerde voor welk medemens dan ook, ongeacht de sekse.

In het in ronddraaiende, minuscule witte rechthoekjes verdeelde licht van een stroboscoop danste je daar alsof je alleen was op de dansvloer, volledig gevangen in je narcistische trance. De Bee Gees werden amper ten gehore gebracht. Eerder Chic, Sister Sledge en Anita Ward (‘You can ring my bell’). De eindeloos uitgesmeerde beats van de 12-inch grammofoonplaten (jazeker, dat nog wél) gingen pas naadloos over in die van het volgende nummer als je aan het verschijnsel menselijk contact nog maar een vage herinnering had.

Saturday Night Fever

De inrichting van De Schakel, met smetteloze en sfeerloze zithoekjes rond de dansvloer, leek wel wat op de discotheek die Tony Manero en zijn vrienden bezochten. Maar hoe ze daar in New York dansten… Het solodansen van Manero is herkenbaar als een smeekbede om aandacht, wat voor de ware disco wel de diepste vernedering was. Bovendien vormen de dansenden ineens rijtjes. Wie dat in 1978 en 1979 in Amsterdam deed, zou voor gek zijn verklaard, evenals iemand die in die jaren op Koninginnedag een oranje shirt aantrok.

En dan de kleding. Manero ziet eruit als een ‘soulkikker’, of iets dergelijks. Zijn glimmende leren laarzen en strakke broek met wijd uitlopende pijpen zijn allerminst in overeenstemming met de Nederlandse discomaatstaven van het einde van de jaren zeventig, toen haast ballonvormige bandplooibroeken en wijd vallende overhemden de norm waren.

Geen Greta Thunberg
Wat mij destijds toch gegrepen moet hebben, is dat het in de film draait om jongeren die niet pal staan voor een betere wereld, maar zich slechts willen vermaken om er even niet aan te hoeven denken of ze voor een dubbeltje of een kwartje geboren zijn.

De zorgen van de protagonisten zijn van alle tijden. Tony Manero’s vriend en bewonderaar Bobby (Barry Miller), die op laarzen met plateauzolen loopt om te maskeren hoe klein van stuk hij is, vraagt aan iedereen of hij moet trouwen met een meisje dat hij per ongeluk zwanger heeft gemaakt. En Manero’s oorspronkelijke, door hem afgewezen danspartner Annette (Donna Pescow) ontdekt dat ze diep door het stof moet gaan als ze toch nog aan de man wil komen.

Misschien zou je ter verduidelijking voor mensen van latere generaties kunnen zeggen dat het Greta Thunberg-gehalte van Tony Manero en zijn vrienden uitgesproken laag is. Voor mij was dat destijds een opluchting. Wat niet wegneemt dat de film een heuse dramatische ontwikkeling kent, waarbij rokkenjager Manero onder andere leert dat je met iemand van de andere sekse ook gewoon bevriend kunt zijn. Wanneer je de in retrospectief gezien groteske dansscènes (die in totaal maar zo’n vijftien minuten van de twee uur durende film in beslag nemen) buiten beschouwing laat, is Saturday Night Fever niet eens zo’n heel slechte film.

 

24 juli 2021

 
ALLE ESSAYS

Brandende boeken als bewegend beeld

Deel 1: Het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury
Brandende boeken als bewegend beeld

door Paul Rübsaam

Een boek vergelijken met een boekverfilming, moet je niet te vaak doen. Maar als boek en film uitgerekend een dystopische wereld beschrijven waarin alle boeken verbrand worden, is de verleiding onweerstaanbaar. Herleeft de roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury door de gelijknamige films van François Truffaut (1966) en Ramin Bahrani (2018) óf richten deze adaptaties in figuurlijke zin de vlammenwerper op het boek?

451 graden Fahrenheit (omgerekend ongeveer 233 graden Celsius) is de temperatuur waarbij boekpapier vlam heet te vatten. De Amerikaanse schrijver Ray Bradbury (1920-2012) koos Fahrenheit 451 als titel voor zijn uit liefde voor literatuur en een zekere fascinatie voor vuur geboren dystopische roman, waarin hij de lijnen van actuele ontwikkelingen in het jaar van schrijven (1953) doortrekt, om er een verontrustend vergezicht mee te schetsen.

Fahrenheit 451 van Ray Bradbury

Branden stichten in plaats van blussen
Bij die actuele ontwikkelingen valt niet alleen te denken aan de opkomst van de televisie, de toen nog vers in het geheugen liggende boekverbrandingen in Nazi-Duitsland en de atoombewapening als gevolg van de Koude Oorlog. Denk ook aan de jacht onder leiding van de Republikein Joseph McCarthy op vermeende communisten en hun gedachtegoed die in de Verenigde Staten een mate van censuur tot gevolg had.

Protagonist in Fahrenheit 451 is Guy Montag. Hij is ‘fireman’, wat je het best kunt vertalen als ‘brandman’. Want Montag en zijn collega’s stichten branden in plaats van ze te blussen. Huizen zijn sinds mensenheugenis vervaardigd van onbrandbaar materiaal en de brandmannen rukken nog slechts uit naar de huizen van door buren of verwanten verraden mensen die er boeken op nahouden. Daar steken ze de literatuur, die tot geestelijke ontaarding van het volk zou leiden, in brand. Montag beschouwt dit simpelweg als de taak die hem is opgelegd en denkt daar, verslaafd als hij is aan de geur van de kerosine waarmee hij de boeken vlam doet vatten, aanvankelijk weinig over na.

Oppervlakkigheid als norm
Sinds tien jaar is Montag getrouwd met Mildred, zonder dat de twee zich kunnen herinneren hoe ze elkaar hebben ontmoet. Als hij thuiskomt van zijn werk heeft Mildred doorgaans meer aandacht voor de ‘zeeschelpradio’ in haar oren, of voor de interactieve soapseries op de drie van de vier wanden van hun woonkamer in beslag nemende televisie, dan voor hem. Als ze op een keer te veel slaappillen heeft ingenomen, raakt ze in coma. Nadat Montag een alarmnummer heeft gebeld, verschijnen er twee mannen die meer aan loodgieters doen denken dan aan artsen. Ze pompen Mildred leeg en voorzien haar van nieuwe lichaamsvloeistof. Na een korte rustperiode is ze weer als nieuw, beter zelfs, zonder dat ze zich iets van het gebeurde kan herinneren.

De chef van Montag is brandcommandant Beatty. Hij heeft in zijn lange carrière heel wat boeken onder ogen gehad, alvorens ze in brand te steken. De inhoud van romans is verzonnen en heeft dus geen waarde en filosofen en wetenschappers spreken elkaar altijd tegen, zo doceert hij de aanvankelijk volgzame Montag. Beatty is ervan overtuigd dat je de meeste mensen gelukkiger maakt door oppervlakkigheid tot norm te verheffen en ze te bevrijden van de dictatuur van schoolmeesters, schrijvers en andere intellectuelen.

Ray Bradbury (1920-2012)

Ray Bradbury (1920-2012)

Ontvankelijke geest
Een belangrijke rol bij het algehele veranderingsproces dat Montag uiteindelijk doormaakt, is weggelegd voor zijn excentrieke, natuurminnende, nog geen zeventien jaar oude buurmeisje Clarisse McClellan. Bradbury beschrijft Montags eerste waarneming van haar als volgt: ‘The autumn leaves blew over the moonlit pavement in such a way as to make the girl who was moving there seem fixed to a sliding walk, letting the motion of the wind and the leaves carry her forward. Her head was half bent to watch her shoes stir the circling leaves. Her face was slender and milk-white, and in it was a kind of gentle hunger that touched over everything with tireless curiosity.

De dromerige, ontvankelijke geest van Clarisse overrompelt Guy al bij de eerste kennismaking. Zijn buurmeisje lijkt in een veel zintuiglijkere en aantrekkelijkere wereld te leven dan de hem bekende. Wanneer Clarisse later spoorloos verdwijnt en hij er bovendien getuige van is dat een oude vrouw zichzelf samen met de boeken die haar afgenomen dreigen te worden in brand steekt, komt Montag tot het besef dat hij in zijn leven het verkeerde spoor heeft gevolgd. Hij stort zich door leeshonger bevangen op de boeken die hij ooit eens verstopt heeft achter het rooster van de luchtverversingskoker in zijn huis.

Conflict
Een romanpersonage dat noch in de film van François Truffaut uit 1966, noch in die van Ramin Bahrani uit 2018 terugkeert, is dat van de voormalige hoogleraar Engelse literatuur Faber. Montag, die hem ooit eens in een park heeft ontmoet, zoekt hem weer op als zijn verlangen naar literatuur en een andere, vrijere wereld onweerstaanbaar wordt. De oude Faber reageert aanvankelijk angstig en afwerend op de brandman. Maar uiteindelijk smeedt hij samen met Montag, met wie hij via een zeeschelpradio die tevens als mobiele telefoon functioneert in verbinding staat, een complot om brandmannen te corrumperen en op non-actief te stellen en een tegenwicht te bieden aan de arglistige, literatuurcitaten misbruikende commandant Beatty.

In toenemende mate komt de boeken lezende Montag in conflict met zijn vrouw, zijn chef en de autoriteiten in het algemeen. Als er tenslotte een klopjacht op hem wordt georganiseerd, die gelardeerd met fakenieuws live op de televisie wordt uitgezonden, vindt hij onderdak bij een aantal voormalige geleerden. Ze hebben zich teruggetrokken in een bos nabij een verlaten spoorwegterrein. Daar leren deze in de latere verfilmingen van Fahrenheit 451 als ‘bookpeople’ aangeduide personen ieder de inhoud van een verboden boek uit het hoofd, om op die manier het boek in kwestie te personifiëren en voort te laten leven.

 

8 juli 2021

 

Deel 2: De film Fahrenheit 451 van François Truffaut
Deel 3: De film Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi

 

ALLE ESSAYS

Ilyich’s Gate

*****
IFFR Unleashed – 1990: Ilyich’s Gate
Twintig zijn en opgroeien in de Sovjet-Unie

door Bob van der Sterre

Het leven van twintigers is niet zo makkelijk. In Mne dvadtsat let (I am Twenty, later Ilyich’s Gate) krijgen we dat in geuren en kleuren geschetst. Einde van de vrijblijvendheid, begin van ‘het serieuze leven’. Hoe blijf je jezelf?

We observeren het leven van drie vrienden: Sergej, een melancholicus; jonge vader Slava en versierder Nikolaj. Ook zijn er natuurlijk meisjes: Vera, de eigenwijze zus van Sergej; Ljoesja, partner van Slava en het meisje dat Sergej tegenkomt.

De flirt in de bus is groot. De blonde adonis Sergej staart naar de knappe Russische in een regenjas. Ze giechelt. Het is druk – Sergej moet het leuke meisje laten passeren. Als een echte heer, springt hij erachteraan en stalkt haar naar het nabijgelegen koffiebarretje, boekenstalletje, metro (Komsomolskaya) en haar huis. Waar hij zwaait. Later ontmoet hij haar (Anja) weer en hebben ze echt een gesprek: ‘Je zou een vrouw niet zo moeten achtervolgen, ik werd er bang van.’

Ilyich’s Gate

Het leven der twintigers
Ze leven het leven der twintigers: ‘Er is nog een halve fles over…’ ‘Is het feest nog steeds gaande?’ ‘Kom je de nacht doorbrengen?’ ‘Als je wilt.’ En op een vroege ochtend mijmeren ze: ‘Mannen en vrouwen, dat is de belangrijkste filosofische vraag.’

Bij het volwassen worden liggen depressies op de loer. Sergej – de hoofdrolspeler – krijgt ook last van de blues. Na zijn militaire tijd past hij zich aan als arbeider in een moderne fabriek. ‘Heb je geen spijt van al die verloren jaren?’ vraagt iemand hem. ‘Genoeg.’ Dezelfde vriend zegt zelf: ‘Elke morgen sta ik op, ga ik naar werk, koop ik sigaretten, eet, adem, ga naar de films en zie jullie. En dat is mijn leven. Ik kan het niet anders doen. Misschien is het een gewoonte? Ik wil mijn gewoonte niet veranderen.’

Sergej gaat met Anja op stap. In een museum ontmoeten ze een man. ‘Wie is dat?’ ‘Een vertaler. Die ook mijn echtgenoot is.’ Sergej wil weten welke mogelijkheden hun relatie heeft. Anja heeft daar moeite mee: ‘Ik ben geen harmonieus persoon.’ Een huis hebben, vindt ze niet zo belangrijk als hij. ‘De laatste tijd heb ik moeite met thuiskomen. Misschien komt omdat ik volwassen word.’ Haar vader schudt zijn hoofd: ‘Ik geloof niet in mensen die te jong al assertief zijn.’

Een rare geschiedenis
De hamvraag: wat doet een film uit begin jaren zestig bij de IFFR-films van 1990? Het is een rare geschiedenis. De film van Marlen Choetsijev begon al in 1960 met de productie via de Gorky Film Studio. Hij koos voor samenwerking met schrijver/dichter Gennady Shpalikov, die zelf pas 23 jaar was en dus goed kon aanvoelen in welke taal jongeren van die tijd spraken.

Partijleider Chroesjtsjov was geen fan van de films van Choetsijev (hij had er al twee gemaakt) en vond het maar een raar idee dat jongeren hun eigen leven konden leiden: ‘Iedereen weet dat zelfs dieren hun jongeren niet alleen laten.’

Dus greep de censor in en werd de film deels opnieuw gefilmd en flink ingekort (een derde ongeveer). De baas van Gorky Film Studio had wel eerder dit varkentje gewassen. Hij wist wat hij moest veranderen om de grote bazen te plezieren. Dus werd ook het einde – dat juist zo ongelooflijk mooi is maar waar Chroesjtsjov razend over werd – geofferd.

Rehabilitatie… vijfentwintig jaar later
In 1965 verscheen dan I am Twenty, de herziene versie van de film die in feite in 1962 al af was. Ironie: Chroesjtsjov werd afgezet in 1964. En deze versie won prompt de juryprijs bij het filmfestival van Venetië.

Fastforward naar perestrojka. In 1988 werd Ilyich’s Gate gerehabiliteerd. Choetsijev zag zijn kans schoon en maakte ook nog wat nieuwe edits. Die versie werd in 1990 naar Rotterdam gestuurd. In zekere zin duurde de productie van de film die je hier ziet dus dertig jaar.

Ilyich’s Gate

Beter laat dan nooit kun je zeggen… maar het niet verschijnen van Ilyich’s Gate betekende toch gederfde artistieke reputatie voor Choetsijev. Want het was een film die door zijn gedurfdheid wereldwijd succes en invloed had kunnen hebben. Later, ja, veel later, werd hij overladen met prijzen en onderscheidingen. Gebrek aan erkenning op het moment: een probleem waar wel meer Russische artistieke talenten mee te maken krijgen.

Toch jammer. Want ‘moreel ziek’, zoals Chroesjtsjov ze noemde, nou nee. Deze personages zijn niet rebels en verzetten zich niet echt. De film ontwapent eerder dan hij confronteert. Daarmee had de film het communisme eerder een goede zaak kunnen doen.

Warm en evenwichtig beeld van Moskou
De verbeterde Ilyich’s Gate duurt weliswaar bijna drie uur maar heeft zoveel variatie, zoveel tempo, zoveel beeld: knappe jongen die zich hierbij verveelt. (En dan heb ik het hier niet eens over het thema, de opvolging van generaties, dat voor het veelbesproken einde zorgt.) Geniet bijvoorbeeld van de warme en gevoelvolle filmstijl van cinematograaf Margareta Pilkhina. Spontaniteit met handheld camera’s wisselen strakke beelden in kaders af. Het close-upeffect wordt zeer met mate ingezet.

Ilyich’s Gate doet daardoor soms denken aan Godard (maar dan een Godard light), Alexander Kluge (Yesterday Girl) en zelfs een beetje Terrence Malick. Dat komt door de combinatie van experimentele montage en buitenbeelden. Een dialoog terwijl je alleen maar een camera in een park van links naar rechts ziet gaan. Beelden van de universiteit, voice-over van Sergej. Enzovoort.

Geen wonder: vanaf zijn eerste film (Vesna na Zarechnoy ulitse uit 1956) toonde Marlen Choetsijev al interesse in de nouvelle vague. Dat sloeg ook aan: die film trok 30 miljoen bezoekers. Choetsijev rijpte deze ‘Godard-light’-stijl met deze film en July Rain (1967), die als zijn twee meesterwerken worden gezien.

Soms is het zeer ingenieus gefilmd. Zoals de scène in de kantine waarbij Nikolaj twee gesprekken tegelijkertijd voert. Het feestje (let op de choreografie tijdens de discussie). Het ‘laten we zeggen waar het op staat’ gesprek op het bankje van de metro na een uur of twee is praktisch een korte film op zichzelf.

Fluïde montage
De film bevat soms, tot afgrijzen van Godard ongetwijfeld, ook een zeer prettige, fluïde montage. Iemand die van straat een huis binnenloopt, gaat zo snel dat je het bijna niet merkt. Snelle stukken met veel mensen en intieme stukken in huizen houden elkaar goed in evenwicht. Het heeft wat van een muzikale composities met adagio en lento. Ene moment een druk straatfeest, andere moment Sergej die ‘s nachts al rokend alleen over straat kuiert. Sfeervol shot in tram, seconde later een actie in een ijshockeywedstrijd.

Anders dan bij de Godards van de wereld domineert het experimentele niet. Een emotioneel evenwichtig verhaal over mensen is meestal het eerste dat sneuvelt bij de creatieve hemelbestormers. Dat had hier niet gekund. Drie uur experiment is simpelweg niet uit te houden. En het Sovjetsysteem had het niet toegelaten.

Ilyich’s Gate

Dwarsdoorsnede van Moskou
De film heeft ook historische waarde. De echte Russofiel geniet van dit beeld van de Russische maatschappij van de jaren zestig. Glazen op je lichaam als medicijn (vacuüm massage, nog steeds populair). Voordrachten van de gedichten en de hele zaal is geconcentreerd (deze scène duurde trouwens uren, de dichters waren beroemd, men liep te hoop bij dit theater). Overvolle woningen delen met familie. Een verwijzing naar het blad Ogonyok (dat afgelopen december na 100 jaar ter ziele ging). De barre Russische oorlogsgeschiedenis komt ook ineens bovendrijven als moeder voedselbonnen vindt.

En daarbij ook nog eens een liefdevol portret van Moskou van die tijd. Van Rode Plein tot theater, van high societyfeestjes tot fabrieken, van de tram tot het Poesjkin-museum, van nieuwskiosken tot metrostation, van een sloopmachine tot straatbarretje.

Niet alles is goud. Het minste punt zijn de schetsmatige karakters van Sergej (ook superarbeider) en Anja. Die held en eigenzinnige vrouw is een bekend stramien in Russische films (zoals de in deze film ook gememoreerde Girls). De ontmoeting tussen Katja en Nikolaj in de tram bevatte meer kansen voor iets oorspronkelijks.

Onbekende held
Wie was dan toch de man die hier zo indrukwekkend tekeer ging, de toch volledig onbekende Georgische regisseur Marlen Choetsijev, wiens film beroemder is dan hijzelf? Er is heel weinig over hem geschreven, hoewel er veel te vertellen is (hij was student van Boris Barnet, maakte maar zes films in 65 jaar tijd en helemaal niets meer na 1992, zijn laatste film over Tsjechov en Tolstoj is nooit afgemaakt). De liefhebber doet er goed aan twee goede stukken over hem te lezen: dit profiel van een Argentijnse criticus en dit stuk van Harvard Film Archive.

Choetsijev stierf twee jaar geleden, vlak na het overlijden van zijn vrouw. Zijn film heeft hem ondanks alles toch overleefd en oogt nu, weer dertig jaar na 1990, nog steeds fris. Dat heet artistieke rechtvaardigheid.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 12 mei 2021.

25 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Adult Fun

***
IFFR Unleashed – 1973: Adult Fun
Dubbelzinnige pret

door Alfred Bos

Adult Fun is een obscure speelfilm van de Engelse schilder en regisseur James Scott. De onafhankelijk geproduceerde film ging in november 1972 in première op het London Film Festival en is nadien zelden te zien geweest. Het is een rariteit die qua vorm, aankleding en psychologie de geest van de vroege jaren zeventig in een momentopname vangt.

Als zoon van twee kunstenaars – vader William Scott is een van de bekendste Britse schilders van de vorige eeuw, ook moeder Mary was artistiek angehaucht – had James Scott (1941) op de kunstacademie niet alleen belangstelling voor beeldende kunst, maar ook voor fotografie en film. Toen hij in 1970 toetrad tot het radicale Londense Berwick Street-filmcollectief had hij reeds een aantal korte films en documentaires over kunstenaars gemaakt.

Adult Fun

Scott maakte slechts een handvol speelfilms. Adult Fun was zijn eerste, de Hollywood-komedie Strike It Rich (met Molly Ringwald en de Engelse acteur Robert Lindsay) zijn laatste. Kort daarop, in 1990, verhuisde hij naar Los Angeles en verruilde film voor beeldende kunst. Al sinds de jaren zeventig zijn Scotts kortfilms en documentaires te zien geweest op retrospectieven en festivals, waaronder het IFFR.

Britse nouvelle vague
Scotts maakte zijn eerste film, het 24 minuten lange The Rocking Horse, tijdens zijn studie. Onderwerp is een ontmoeting, of eigenlijk confrontatie, van twee lagen van de Britse samenleving: de toevallige romance van een nozem (arbeidersklasse) en een schilderes (bourgeois). De acteurs waren studiegenoten, in hun eerste en enige filmrol. Drewe Henley, de antagonist, zou na een bijdrage aan de tv-serie De Wrekers (seizoen 5, aflevering 13, van april 1967) een respectabele loopbaan als acteur in film en tv-series opbouwen.

Dezelfde dynamiek zien we in Adult Fun. Een kleurloze kantoorslaaf verliest zijn baan en zijn leven begint te ontrafelen. Hij raakt betrokken bij een schimmig spionagespel en georganiseerde misdaad. Uiteindelijk verliest hij alles: zijn gezin, zijn minnares, zijn identiteit, zijn leven. Het laatste gesproken woord op de geluidsband is niet toevallig nothing. De toon van de film is antiburgerlijk, de samenleving heeft psychopathische trekjes. Ook de manier van filmisch vertellen heeft overeenkomsten met de nouvelle vague van Agnès Varda en Jean-Luc Godard.

Aldus is Adult Fun een kruising van Performance (onderwereld ontmoet artistieke bohemien) en Wonderwall (krankzinnig en niet altijd geslaagd filmexperiment), twee films die – net als Adult Fun – karakteristiek zijn voor de culturele omslag van eind jaren zestig, waarin de verbeelding en idealen van een nieuwe generatie botsten op de onvergankelijkheid van de menselijke natuur.

Beroepsnon-conformisten
Adult Fun doet denken aan de films die Pim de la Parra in de jaren zeventig en tachtig in Nederland maakte. Hij oogt rommelig, al improviserend tot stand gekomen en wellicht met onderbrekingen gedraaid. Veel scènes zijn quasidocumentair vastgelegd met één camera; de binnenscènes beroerd uitgelicht en buitenscènes onderbelicht; de dialogen soms nauwelijks verstaanbaar; de montage vaak onnavolgbaar en dat laatste letterlijk. Kortom, de onconventionele warboel die begin jaren zeventig ‘progressief’ en ‘artistiek’ werd geacht.

Tegenover de atonale pianoklanken op de geluidsband staan het plezier en de energie waarmee een groep geestverwante beroepsnon-conformisten zich inzet voor het project van de regisseur en diens script. Alle belangrijke rollen, ook de bijrollen, worden vertolkt door acteurs met ervaring in de wereld van film en/of televisie en menigeen blijkt een halve eeuw later een klinkend cv achter te hebben gelaten; veel van hen zijn inmiddels overleden.

Het geïmproviseerde karakter van de film toont zich onder meer in het gebruik van authentieke non-acteurs, zoals zwervers, dronkaards en prostituees, gefilmd in hun natuurlijke omgeving van Camden Town en Lavender Hill, wijken in Londen die bekend staan om hun markten en straatleven. Ze zijn decoratie, maar geïntegreerd in het verhaal van de film en de psychologische desintegratie van de hoofdpersoon, Chris Thompson; die wordt gespeeld door Peter Marinker, op hoge leeftijd nog steeds actief als stemacteur. Deborah Norton, die in Adult Fun debuteert als Thompsons buitenechtelijke scharrel, het fotomodel Jenny, zou zich ontwikkelen tot veelgevraagd actrice.

Adult Fun

Vervreemding
Hoezeer Adult Fun het product is van de tijdsgeest en een gedeelde mentaliteit blijkt vooral uit een scène niet lang na het begin van de film. Thompson en zijn vrouw (Judy Liebert) gaan, heel burgerlijk, eten bij een bevriende kunstenaar. Die wordt gespeeld door Bruce Lacey, in werkelijkheid een kunstenaar van het excentrieke soort, een representant van de tegencultuur van de jaren zestig. Lacey is avant-garde performance-artiest, maker van allerhande robotachtige installaties – er staat er een in het Tate – en het onderwerp van zowel een documentaire van Ken Russell (The Preservation Man, 1962) als de song Mr. Lacey, te vinden op het tweede album van Fairport Convention, What We Did On Our Holidays uit 1969.

Naast Lacey zitten op de bank zijn vijftien jaar jongere echtgenote Jill Bruce (geboren Smith), kostuummaakster en performance-artiest, en Beryl Bainbridge, actrice en een van Engelands meest gewaardeerde schrijvers van na de oorlog, al moest die faam op dat moment nog komen. Dat het drietal zich vervolgens – hij gekleed, Bainbridge gedeeltelijk ontbloot en Jill Bruce topless – amoureus verstrengelt is héél erg begin jaren zeventig.

Helemaal omdat er een roodfilter voor de lens wordt gezet en het beeld het gezichtspunt van protagonist Thompson verbeeldt. Die zit, gezellig op visite, met hoofdtelefoon op de oren in zijn eigen wereld. De vervreemding en de desintegratie van zijn identiteit zijn ingezet.

Voice-over van een geest?
In diezelfde scène is er nog iets aan de hand. De televisie staat aan en daarop zien we beelden uit de Amerikaanse sciencefiction tv-serie Lost In Space, die van 1965 – dus nog voor Star Trek – tot 1968 op de buis was. Als Adult Fun in 1970 of 1971 is gedraaid, rijst de vraag: waar komen die beelden vandaan? Op dat moment was er nog geen videorecorder. Die beelden moeten eerder zijn geschoten en vervolgens in de scène zijn gemonteerd.

Iets dergelijks gebeurt later op de geluidsband. Daar horen we de voice-over van Thompson, de hoofdpersoon, wat gezien het slot van de film helemaal niet kan. En we horen dialogen en omgevingsgeluid, regelmatig gemengd met detonerende pianoklanken. Soms is dat omgevingsgeluid muziek, zoals Honky Tonk Women van de Rolling Stones dat speelt op een jukebox. Maar niet lang daarna klinkt op de geluidsband opeens, uit het niets, James Taylor en diens Soldiers, van zijn album Mud Slide Slim, uitgekomen in maart 1971. Het is de enige song die de kijker hoort en de personages niet, de enige niet-diëgetische popmuziek in de hele film. Waar komt die vandaan?

Geeft Soldiers misschien commentaar op de handeling? Nee, dat doet het niet. Het nummer is simpelweg gekozen om zijn lengte. Het vult 1 minuut en 15 seconden op de geluidsband. Het is illustratief voor de speelse en geïmproviseerde wijze waarop de film tot stand is gekomen.

Adult Fun

Guerrilla-filmen
Elders in de film zien en horen we een straatmuzikant. Hij zingt – en niet eens zo beroerd – Helplessly Hoping, een nummer van Stephen Stills. Het was voor het eerst te horen op het debuutalbum van Crosby, Stills & Nash, verschenen in mei 1969. Die diëgetische muziek, van dezelfde straatmuzikant met hetzelfde nummer, komt later in de film terug. Niet in een voorval met Thompson, zoals de eerste keer, maar in een scène rond Jenny, zijn vriendin. Het lied is louter decor, het wordt niet thematisch ingezet. Het is het resultaat van guerrilla-filmen.

Adult Fun reflecteert op zichzelf, maar niet op een postmoderne manier. Opa, de vader van Thompsons vrouw, filmt het gezin met zijn Super 8-camera. En er is een scène in de bioscoop, de personages zien een balletfilm. Radio, televisie, media spelen geen onbelangrijke rol in de film. Ze bepalen en reflecteren het mentale landschap van de protagonist die gaandeweg meer en meer vervreemdt van de werkelijkheid.

Tegen Jenny zegt Thompson dat hij op zoek is naar wie hij is. “Whether there is anything inside me at all.” Enige tijd later merkt hij op dat je de wereld van meerdere kanten moet bekijken. Dat “detaches yourself, sets you free”. We zien een schilderij van Saturnus die een van zijn kinderen verslindt. Thompson speelt een spel met rollen, maar het personage eet de persoon op.

Dubbelzinnig
Rond diezelfde tijd wees de Engelse auteur J.G. Ballard er op – in diens collageroman The Atrocity Exhibition, de gelijknamige installatie in het New Arts Lab en de kortfilm Crash, gemaakt voor de BBC – dat de met media doordrenkte maatschappij van de jaren zestig oorzaak was van een psychose waarin realiteit en mediarepresentatie van plek zijn verruild; het simulacrum heeft de werkelijkheid overgenomen. Adult Fun lijkt iets dergelijks te willen zeggen. Is Thompson een onverbeterlijke nihilist? Of een opgeblazen ego dat niet kan leven naar zijn wensendromen?

Adult Fun is een dubbelzinnige titel. Het kan worden uitgelegd als bijtend commentaar op de wereld van volwassenen, met hun egoïsme, eerzucht, agressie, (zelf)bedrog en hebzucht. En het kan slaan op de film zelf, op de lol die een vriendenclub van grote kinderen heeft gehad in het maken ervan. Adult en fun hoeven elkaar niet in de weg te zitten.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 7 april 2021.

De documentaires van James Scott over kunstenaars als David Hockney, Richard Hamilton, Claes Oldenburg en R.B. Kitaj, inclusief de film over zijn vader William Scott, Every Picture Tells a Story (1984), zijn verzameld op de 2dvd Every Picture Tells a Story: The Art Films of James Scott, een uitgave van het British Film Institute.

26 februari 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Veilige sciencefiction in bang interbellum – Deel 4

Deel 4 (slot): Uitzonderingen die de regel bevestigen
Veilige sciencefiction in bang interbellum

door Paul Rübsaam

Alleen de Britse films High Treason (1929) en Things to Come (1936) wisten de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Waren dit visionaire hoogstandjes of toevalstreffers? En waarom ontbraken de wereldoorlogen in andere sciencefictionfilms van het interbellum? In dit vierde en laatste deel uitzonderingen die de regel bevestigen.

Eerder typeerde ik het interbellum als een tijdperk van dreiging, waarin je sciencefictionfilms met de nodige wereldoorlogen zou verwachten. Toch kwamen die slechts in twee van dergelijke films voor: High Treason uit 1929 en Things to Come uit 1936, zoals uitgebreid beschreven in het eerste deel van dit essay. Wat is de conclusie van deze constatering?

High Treason

High Treason

Het sciencefictiongenre dat zich gedurende het interbellum nog uitkristalliseerde, blijkt in die jaren moeilijk af te bakenen van andere genres als horror en fantasy. Niet een reële toekomstverwachting was de norm die de inhoud van de films bepaalde, maar de behoefte aan spektakel, special effects, imposante decors en de modes van het jaar van vervaardiging van de film. Ook uitdrukkelijk in een toekomstjaar gesitueerde films doen meer hun best om aan deze normen te voldoen, dan om een realistische, aan dat toekomstjaar gekoppelde verwachting te schetsen.

Sta-in-de-weg
Hoewel de dreiging van een Tweede Wereldoorlog al vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog aanwezig was, veroorzaakte die eerste Grote Oorlog een zekere hang naar pacifisme, die ook in speelfilms gestalte kreeg. Voorts blijkt met name in de jaren dertig van de vorige eeuw dat de werkelijke oorlogsdreiging juist een sta-in-de-weg is voor films die zo’n oorlog voorspelden. In de sterk geïnternationaliseerde filmwereld van die jaren was men gedreven door economische motieven bang om elkaar voor het hoofd te stoten. Verschijnselen als nazicensuur werden indirect begunstigd door bijvoorbeeld de filmcensuur zoals die vanaf 1934 gold in de Verenigde Staten.

De Britse films High Treason en Things to Come moeten je dus beschouwen als uitzonderingen die de algemene regel van de sciencefiction-praktijk van het interbellum bevestigen. Maar ze bevestigen die regel niet alleen door de uitzondering die ze erop vormen: ondanks hun oorlogsvoorspellingen passen die films naadloos in het totaalbeeld van escapistisch spektakel dat sf-films uit die tijd bieden.

Metropolis

Metropolis

Uitgaansleven en massachoreografie
In High Treason houdt de geschetste internationale politieke situatie geen enkel verband met de werkelijke toestand van 1929 en 1940.

De protagonisten Evelyn Seymour (Benita Hume), dochter van de geestelijk leider van de zogeheten World League of Peace en haar verloofde Michael Deane (Jameson Thomas), majoor bij de Britse luchtmacht, storten zich in een mondain uitgaansleven dat herinneringen oproept aan Fritz Langs Metropolis (1927). Naarmate de oorlogsdreiging in de film toeneemt, komen Evelyn en Michael lijnrecht tegenover elkaar te staan. Als Evelyn een grote groep vrouwen oproept zich te verzetten tegen het uitrukken van de Britse luchtmacht doet dat opnieuw sterk denken aan een scène uit Metropolis, namelijk die waarin een op de heldin Maria lijkende vrouwelijke robot (een dubbelrol in Metropolis van Brigitte Helm) de onder de grond werkende arbeiders aanzet om in opstand te komen.

In de zorgvuldig gechoreografeerde massascène die volgt, waarin zwart geklede, mannelijke militairen in conflict komen met de door Evelyn aangevoerde dienstplichtige, maar vredelievende vrouwen, zien de laatsten er met hun witte overalls, korte haardracht en badmutsachtige witte hoofddeksels uit als een futuristische uitvoering van de voor de jaren twintig van de vorige eeuw kenmerkende ‘flapper-girls’. Ook dit voor de kijker van toen ongetwijfeld fraaie spektakel demonstreert dat de modegevoeligheid van de film wezenlijker is dan de schijnbare visionaire kwaliteiten ervan.

Eerder wees ik al op de verwantschap tussen High Treason en het eveneens door Maurice Elvey geregisseerde The Tunnel (1935), een film die op zijn beurt een remake was van het Duitse Der Tunnel (1933, Kurt Bernardt). Deze Duitse film vertoonde weer aanmerkelijke verwantschappen met het met meertalige cast opgenomen F.P.1. antwortet nicht (Karl Hartl, 1932), waarin het draait om een ten behoeve van trans-Atlantische vluchten opgetrokken drijvend gasstation in de Atlantische Oceaan. High Treason past dus in meerdere opzichten in een traditie waarbij niet-Duitse films eerder producten uit filmland Duitsland nabootsten dan dat zij de door (nazi-)Duitsland veroorzaakte bedreiging van de wereldvrede onder de aandacht brachten.

F.P.1. antwortet nicht

F.P.1. antwortet nicht

Heerlijk andere toekomst
Het zou onjuist zijn te beweren dat ook Things to Come de door Fritz Lang ingeslagen wegen bleef volgen. Wat betreft de vormgeving van de toekomst als fantasie-object was de film van Wells, regisseur William Cameron Menzies en set-designer Vincent Korda zijn tijd op eigen wijze ver vooruit. De gigantische vensterloze gebouwen met glazen wanden en liftschachten, de megagraafmachines en de buitenissige luchtvaartuigen in Things to Come roepen associaties op met James Bond-films als Dr. No (1962), en de Supermarionationserie Thunderbirds (1965-1966), maar met echte mensen in plaats van marionetten.

Het post-apocalyptisch tijdperk dat Things to Come in de jaren zestig dateert, met voortwaggelende zombies als slachtoffers van een pestepidemie (’the wandering sickness’), lijkt in cinematografisch opzicht school te hebben gemaakt. De in 2017 overleden George A. Romero (Night of the Living Dead, 1968) en George Miller (Mad Max,1979 en sequels) moeten Things to Come in hun jonge jaren welhaast gezien hebben.

Van ‘Wings over the World’, die organisatie van elitaire piloten, kun je als retrofuturist zelfs fan worden. Niet alleen de onbestaanbare uitvinding van ‘vredesbommen’, waarmee ze anno 1970 Everytown inlijven bij de nieuwe wereldorde, maar ook het ‘ruimtekanon’, waarmee de nazaten van de oprichter van de organisatie in de 21e eeuw astronauten de ruimte inschieten, geven gestalte aan een ’toekomst’ die heerlijk anders is.

Things to Come

Things to Come

Tot heil van de mensheid
Het neemt niet weg dat reeds negen jaar na het verschijnen van Things to Come met de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki de naïeve opvatting ten grave werd gedragen dat ontwikkelingen in de wetenschap steeds tot heil van de mensheid dienen, waarvan de film doortrokken is. De eerste reis naar de maan vindt volgens de film bovendien pas in 2036 plaats, terwijl radio in datzelfde jaar nog altijd het belangrijkste medium zou zijn. Voorts leunt Things to Come op spectaculaire gedaanteveranderingen van grote objecten als auto’s, luchtvaartuigen, gebouwen en machines, alsook de veranderde aanblik van de openbare ruimte die daar het gevolg van is, terwijl technologische vooruitgang zich in werkelijkheid eerder manifesteert in kleine apparatuur, die voor cinematografische vormgevers nu eenmaal niet zo interessant is.

In september 1939, drie jaar na het verschijnen van Things to Come en tien jaar na High Treason, vallen de Duitsers Polen binnen. Deze en andere militaire gebeurtenissen (om over de Holocaust maar te zwijgen), die gestalte geven aan wat uiteindelijk de Tweede Wereldoorlog zou gaan heten, kenden in de bioscopen geen voorbodes van betekenis. Ook niet in de twee behandelde Britse films, wier oorlogsvoorspellingen toevalstreffers lijken in een bang interbellum waarin sciencefictionfilms weliswaar de zinnen wisten te verzetten, maar op veilig speelden.

 

11 februari 2021

 

Deel 1: Visionaire hoogstandjes of toevalstreffers?

Deel 2: Dodelijke stralen, mechanische mannen, krankzinnige geleerden en uitzinnige decors

Deel 3: Pacifistische boodschappen en nazicensuur

 

ALLE ESSAYS