***
recensie I Was a Teenage Sex Pistol
De bassist die niet punk genoeg was
door Jochum de Graaf
Glen Matlock loopt door de zalen van het Punk Rock Museum in Las Vegas. Hij haalt herinneringen op aan Joe Strummer, de legendarische voorman van The Clash, aan Generation X, de meer sophisticated punkband met Billy Idol, aan Rat Scabies, drummer van The Damned. Hij blijft staan voor een vitrine met foto’s, posters, krantenkoppen en allerlei parafernalia van The Sex Pistols. ‘Er hangen hier nogal wat associaties voor mij. Die foto’s van de Pistols zonder mij is wel een dingetje. Daar moet ik wat aan gaan doen, als ik terug ben in Engeland.’
En dat is wat I Was a Teenage Sex Pistol in essentie is: een eerherstel en een hommage zo je wil voor Glen Matlock, de eerste bassist van de legendarische oerpunkband. Hij schreef mee aan tien van de twaalf nummers op Never Mind the Bullocks, het enige album dat de band uitbracht, een van de meest invloedrijke uit de rockgeschiedenis. Johnny Rotten schreef de teksten, Glen Matlock was de (mede)componist, verantwoordelijk voor de gitaarriffs van Anarchy in the UK, God Save the Queen en Pretty Vacant, songs die in het collectieve geheugen van de rockgeschiedenis gebeiteld staan.

Belangrijke rol Glen Matlock
Andre Relis en Nick Mead volgen de gelijknamige autobiografie van Glen Matlock vrij nauwkeurig. Zijn jeugd in Paddington in een arbeidersmilieu, zijn schooltijd in Hammersmith, de prestigieuze kunstacademie Saint Martin’s School of Arts, zijn bijbaantje in de destijds hippe kledingwinkel SEX van Vivienne Westwood en Malcolm McLaren aan King’s Road die midden jaren zeventig door tout alternatief Londen gefrequenteerd werd.
Het was daar waar hij bevriend raakte met Steve Jones en Paul Cook met wie hij een bandje begon en ze McLaren vroegen om manager te worden. Toen augustus 1975 een zekere John Lydon met groengeverfd haar en een Pink Floyd-T-shirt met de letters I HATE erop gekalkt de winkel binnenstapte wist McLaren: dit is de frontman van de band. Hij bedacht de naam Johnny Rotten en noemde de band naar zijn winkel: The Sex Pistols.
Glen Matlock speelde die eerste jaren een belangrijke rol in de ontwikkeling van de band, maar werd vlak voor de grote doorbraak in ’77 aan de kant geschoven. Volgens McLaren was dat omdat hij ‘te veel van The Beatles hield’, in werkelijkheid ging er een groeiende onenigheid over de artistieke koers en persoonlijke animositeit tussen Rotten en Matlock achter schuil.
Het lot van Sid Vicious
Matlock waste zijn haren, dronk liever een biertje in plaats van zich over te geven aan harde drugs en had niet zoveel op met de anarchistische punkbeweging. Tekenend is de anekdote over God Save the Queen, het nummer dat voor enorme ophef zorgde toen de Pistols het tijdens een boottocht op de Thames langs alle overheidsgebouwen ten gehore brachten vlak voor de viering van het zilveren regeringsjubileum van Queen Elizabeth. Matlock vond dat overdreven provocerend, voor hem heette het nummer No Future.
Maar de breuk kwam vooral tot stand dankzij Johnny Rotten die zijn beste vriend John Ritchie, bijnaam Sid Vicious, in de band wilde hebben; Vicious die wel een ultieme punk-look had, maar in het begin geen noot bas kon spelen. Vanzelfsprekend ontkomt de film niet aan de behandeling van het drama van de dood van zijn vriendin Nancy Spungen, 12 oktober 1978 in het Chelsea Hotel New York, waar nog steeds verschillende moordtheorieën over de ronde doen en de min of meer zelfverkozen dood van Sid Vicious zelf vier maanden later aan een overdosis heroïne. Het betekende de onstuimige ondergang, kort na de minstens zo onstuimige opkomst van The Sex Pistols.

Economische malaise
I Was a Teenage Sex Pistol laat goed zien hoe de punk kon ontstaan midden jaren zeventig: de economische malaise, de toenemende jeugdwerkloosheid, het nog sterker dan in de jaren zestig afzetten tegen alles en iedereen inclusief de oudere generaties popidolen, gevestigde namen als The Small Faces en bepaalde vertegenwoordigers van de toen heersende stroming van de symfonische rock als Yes, Emerson, Lake & Palmer en Genesis.
Daartegenover stonden de energie en creatieve uitbarsting van bands als The New York Dolls, The Clash, The Damned, Siouxie and the Banshees, Dr. Feelgood, Slim Jim Phantom en X-Ray Spex om er een paar te noemen. Bijzondere beelden van de onderlinge strijd tussen de verschillende jeugdculturen, de soms hevige knokpartijen met de conservatieve Teddy Boys omdat de punks de verkeerde soort bordeelsluipers zouden dragen.
Glen Matlock is nog goed terechtgekomen. Hij ging spelen bij Iggy Pop, deed sessies bij Johnny Thunder, speelde samen met zijn grote idolen The Small Faces, Ron Wood en nog zo wat rockgrootheden. Zangeres Debbie Harry en man Chris Stein van Blondie steken de loftrompet over hem toen hij hun vaste basgitarist werd.
Minpuntje is dat het verhaal wordt verteld door een stoet talking heads, mede-muzikanten uit de begintijd en nu op leeftijd, die er met geverfde haren en hippiekleding nog rebels uit willen zien. Glen Matlock blijft er nuchter onder: ‘Ik heb altijd beroepsmuzikant willen worden’, zegt hij. ‘Nu op mijn 67ste kan ik zeggen dat het me gelukt is.’
Al met al is I Was a Teenage Sex Pistol een bijzondere voetnoot in het jaar – met als vertrekpunt oerknal Ramones van The Ramones – dat de punk vijftig is geworden.
2 juli 2026



















