Fisherman’s Friends

**
recensie Fisherman’s Friends

Brexit-escapisme

door Sjoerd van Wijk

Fisherman’s Friends is Oost-Indisch doof voor geluiden uit de echte wereld. Hier bestaan tegenstellingen louter uit ruwe bolsters, blanke pitten en doetjes met een gouden hart. Alsof alles goed komt met een welgemeend zeemanslied. 

Dat dit een feelgoodfilm is, blijkt uit de olifantenpaadjes van het verhaal. De verwaande muziekproducent Jim doet met drie collega’s een dorpje in Cornwall aan voor een vrijgezellenfeest. Zijn vrienden bakken hem een poets dat hij het plaatselijke zangkoor van vissers moet binnenhalen voor een platencontract. Hun zeeliederen raken echter een gevoelige snaar bij Jim en een vervelende klus verandert in een missie. Natuurlijk komt Jim daarbij een dame tegen direct na zijn verklaring van ongeloof in monogamie. Natuurlijk zijn er wat tegenslagen hier en daar. Natuurlijk groeien de kustmensen en stadsmensen nader tot elkaar. Natuurlijk gelooft niemand er in dat een stel zeebonken een hit kunnen maken. Maar het moge duidelijk zijn wie er het laatst lacht. 

Fisherman’s Friends

De gunfactor
En dat alles is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Gelukkig waren de zwart-wit foto’s uit 2011 er nog voor de aftiteling. De film is echter niet zo cynisch als dat klinkt en heeft juist een grote gunfactor. Cameraman Simon Tindall brengt het plaatsje op dynamische wijze tot leven, de zee zit niet alleen in het bloed van de bewoners. De ruige Cornish-kust is in wezen een knusse plek als je tegen een windstootje kan. Het scenaristentrio vult de film met kattige dialogen, die alle strubbelingen tussen stadsmens en kustmens in lieflijke plaagstootjes samenvatten. 

James Purefoy maakt van Jim een blaag met het hart op de goede plaats. Er zit een overdreven onbevangenheid in zijn doen, waarmee het vinden van verlossing in Cornwall een innemende kant krijgt. Ook bij de vissers zit deze onbevangenheid en blijkt hun potige voorkomen eenvoudig plaats te maken voor sympathie. Fisherman’s Friends is daardoor een genoeglijk relaas over de onwaarschijnlijke hit. 

Onbekend Verenig Koninkrijk
Dit werkt wel oubollig en is daarmee te voorzichtig. Het Verenigd Koninkrijk van deze film bestaat niet buiten de bioscoop. In de werkelijkheid is de Britse samenleving een absurde sitcom met wekelijks een jump the shark moment, in tegenstelling tot het stramien van deze vertelling. Brexit ontregelt met een groeiende hysterie nu mensen steeds verbetener in de eigen positie stelling nemen. Niks hiervan in Fisherman’s Friends, waar Cornish-zeebonken en Londense hipsters gezellig samen de Drunken Sailor ten gehore brengen. Alsof alles wel goed komt. Er zijn geen wezenlijke verschillen tussen de personages, hun gedrag is slechts een laagje vernis.

Door de timing van de uitgave lijkt de film te willen ontsnappen in een nostalgisch wereldje waar politieke crises non-existent zijn. Om voor twee uur de puinhoop even te vergeten. Feelgood is wellicht slechts fantasie, maar de “Capra-corn” (It’s a Wonderful Life) bewees al dat dit niet betekent dat het leven buiten de bioscoopzaal hoeft te blijven. 

Fisherman’s Friends

Ansichtkaartenmoraal
In plaats van verdeeldheid emotioneel uit te diepen gaat Fisherman’s Friends voor een ansichtkaartenmoraal van het verhaal. De genoeglijke kust van Cornwall is een toeristische droom van authenticiteit. Nu identiteit geen vaste grond heeft, grijpt men terug op een imaginair verleden waar alles nog heel gewoon was. De film hamert hier op door een letterlijk zakenpraatje over de aantrekkingskracht van de vissers te verwarren met een scherp inzicht over de samenleving. Het gaat hier louter om een consumptie van authenticiteit in plaats van oprechtheid.

Het geld en de commercie krijgen ook een gemakzuchtige behandeling. Een zakenman die de plaatselijke kroeg overneemt is slecht, want hij tast de authentieke beleving aan. Het devies luidt dat aardig doen de oplossing is. Doe als Jim en koop de kroeg zelf. Met zulke impliciete stellingname stopt de film systemische oorzaken zoals een parasitair financieel systeem in de doofpot. Hoe hoog de gunfactor ook is, Fisherman’s Friends blijft uiteindelijk Brexit-escapisme.

 

8 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Peter Strickland over In Fabric

Regisseur Peter Strickland over In Fabric:
“Kleding heeft macht, een soort alchemie”

door Alfred Bos

De Britse regisseur Peter Strickland maakt genrefilms die niet in een hokje passen. In Fabric, over een jurk met een eigen wil, is zowel gotisch griezelverhaal als eigentijdse satire. “Je zoekt het ongewone in het gewone.”

Het gesprek is al voorbij wanneer Peter Strickland (Reading, 1973) verzucht: “Het wordt bij iedere film moeilijker om de volgende te maken. Ik had een sweet spot met Berberian en Burgundy, die waren eenvoudig te financieren. Ik ben me ervan bewust dat mijn tijd als regisseur eindig is. Regisseurs komen en gaan, agenten en producers blijven. Dat is een feit.”

De regisseur van In Fabric – en daarvoor Berberian Sound Studio (2013) en The Duke of Burgundy (2015) – zag zijn zomerproject van 2019, een film over The Sonic Catering Band, in het water vallen. Hij is lid van het elektronische kwartet, dat muziek maakt met samples van keukengeluiden. Maar de film ging niet door. “Wat heel, heel erg spijtig is. Ik ben behoorlijk over de zeik.”

Peter Strickland

In Fabric, de vierde speelfilm van Peter Strickland, als we het zelfgefinancierde no-budget debuut Katalin Varga (2009) meetellen, is een horrorfilm met elementen van satire en komedie. Met zijn gestileerde beeldtaal en uitgebalanceerde sound design is het onmiskenbaar een Strickland-film. De man heeft een eigen stijl, even speels als eigenzinnig. Bizarro fiction is de benaming voor het literaire genre dat absurdisme, satire en het groteske mengt met surrealisme en genreconventies; het resultaat is vreemd en subversief. In Fabric is daarvan het filmische equivalent, bizarro film.

Bezeten zijn
In Fabric
verhaalt over een moorddadige jurk. Hoe kwam hij op het idee? “Kleren, eerlijk gezegd”, antwoordt Strickland. “De relatie tussen kleren en mensen, wat kleding doet met mensen en omgekeerd. Geuren en vlekken die mensen achterlaten op kleren. Dat is een taboe, daar praten we liever niet over. Dat wilde ik verder uitdiepen, met ideeën over erotiek, verlangen, en fetisjisme ook, uiteraard.”

“Je kunt aan je sores
ontsnappen via kleding”

“Die dingen gaan over het zien of het aanraken van kleding. Niet over het dragen van kleding. Dat wilde ik er ook in betrekken: hoe je kleding draagt, hoe kleding je houding en gedrag verandert. Je kunt aan je sores ontsnappen via kleding. Trek een goed stel kleren aan en het is zoiets als dronken worden: je vergeet je problemen.”

“Wat ook vaak wordt vergeten, is dat veel mensen een afkeer hebben van hun lichaam. Dat wordt verdoezeld, letterlijk bedekt, met kleren. Al dat soort gedachten spelen mee in de film. Kleding heeft een bepaalde macht, een soort alchemie. Er is een element van bezeten zijn. Je gooit de kleren van iemand die is overleden niet makkelijk weg.”

Denk aan de lijkwade van Turijn die aan Jezus wordt toegeschreven…

“Dat bedoel ik. Het is een waanzinnig interessant onderwerp. Je kunt er een dozijn films over maken. In Fabric krabt alleen aan de buitenkant.“

In Fabric

Jurk als ziekte
Horror is het vertrekpunt van In Fabric, maar de film is meer dan een originele genre-exercitie. Hij toont het warenhuis als kathedraal van het consumentisme. “Of als theater”, vult de regisseur aan. “Ik vind winkelen leuk, maar winkels sterven langzaam af.”

Dat is in de geest van J.G. Ballard, de sciencefictionauteur: de mediawerkelijkheid heeft de plaats ingenomen van de fysieke realiteit, online shoppen vaagt de winkelstraat weg, hyperconsumptie vult een spirituele leegte.

Strickland: “Dank je, dat is aardig om te zeggen. Het consumentisme was tricky. Ik wilde niet belerend zijn. Ik wilde ook niet hypocriet zijn. Ik satireer de hysterie rond de uitverkoop. Maar waarom zou Marianne Jean-Baptiste, de actrice die de protagonist Sheila speelt, géén jurk kopen? Ze heeft het lastig op haar werk, ze heeft het lastig thuis, haar man heeft haar verlaten, ze gaat naar een afspraakje. Natuurlijk koopt ze een jurk.”

“Dat de personages doodgaan, wordt bepaald door toeval. Niet door immoreel gedrag. Traditioneel gaan mensen in horrorfilms dood omdat ze hebben gezondigd. Ze hebben seks gehad en daar moeten ze voor sterven. Dat vind ik volstrekt pervers. Daar gaat de film dus niet over, er is geen wraakengel of zoiets. Ik zie de jurk als een ziekte. Ziekte slaat blind toe. Het treft de gezondste mensen. Dat is eng. Als de jurk schuldige mensen straft, verliest het verhaal zijn angstfactor. Als er een logica aan te pas komt, verlies ik een deel van mijn belangstelling.”

Het consumentisme was dus niet de insteek.

“Niet direct. Het zit erin, maar op een speelse manier, niet zoals Ken Loach het zou hebben gedaan. Begrijp me niet verkeerd, ik waardeer wat hij doet, maar ik maak genrefilms.”

Maar niet op de gebruikelijke manier.

“Ik probeer me te verplaatsen in de personages binnen de genresetting. Genrefilms tonen een fantasie, maar die fantasie wordt nooit doorgeprikt. Ik wil kijken naar de realiteit binnen de fantasie. In In Fabric besteed ik veel tijd met de personages, meer dan gebruikelijk is in genrefilms. Ik wil om ze geven, niet om het leven brengen. Ik wil dat het publiek wil dat ze niet doodgaan. Bij veel horrorfilms, ook de films die ik bewonder, is dat niet aan de orde; als kijker maal je er niet om dat de personages sterven. Dus voor mij was het alsof ik een drama schreef dat geregeld wordt onderbroken door het genre.”

“Sfeer is lastig om te schrijven,
die creëer je via een langdurig proces”

“Ik ben nooit zo’n liefhebber van plot geweest. Personages en sfeer zijn voor mij de aantrekkelijke aspecten als ik een film schrijf. Dat zijn de dingen waar ik op val. Sfeer is lastig om te schrijven, die creëer je via een langdurig proces. Als filmfan word ik geraakt door de personages. Ik kan Goodfellas heel goed waarderen zonder al het geweld, maar het zijn de personages waarom ik die film kan blijven zien; hoe ze met elkaar en hun familie omgaan. Dat is mijn smaak, dat is wat ik verlang van een genrefilm.”

Veelheid van inspiratiebronnen
Als filmmaker is Peter Strickland een kleinkind van de Britse regisseurs Nicolas Roeg en Ken Russell en de experimentele Amerikaanse cineast Kenneth Anger, actief rond de tijd dat hij werd geboren. Zijn belangstelling is evenwel breder dan cinema. Voor de soundtrack van In Fabric werkte hij met leden van de Britse post-punkgroep Stereolab en als inspiratie voor de moordende jurk dienden de spookverhalen van M.R. James, uit het begin van de vorige eeuw. Die moderniseerde het genre door de gothic tale in een eigentijdse omgeving te plaatsen.

In Fabric

De verhalen van M.R. James zijn door de BBC vaak bewerkt tot hoorspel – ook Strickland regisseerde radiodrama voor de Britse staatsomroep – maar slecht éénmaal verfilmd, Casting the Runes werd in 1957 door Jacques Tourneur naar het filmdoek gebracht als Night of the Demon. De plannen voor een remake liggen in de ijskast. Het zou een perfect project voor Strickland zijn.

“Het was een soort oefening”, zegt Strickland. “Wat zou er gebeuren als M.R. James over de winkelstraat zou schrijven? Vergeet het spookhuis en neem de meest prozaïsche setting denkbaar. Je zoekt het ongewone in het gewone. Dan komen de beelden vanzelf. M.R. James was voor mij een beginpunt. Meer dan giallo, waar In Fabric vaak mee in verband wordt gebracht. De jurk is niet realistisch, maar de rest moest zijn verankerd in het dagelijkse leven. Ik rek het elastiek, maar ik laat het nimmer knappen.”

Hij noemt meer inspiratiebronnen: de mannequins van de Amerikaanse Dada en popart-beeldhouwer Edward Kienholz (1927-1994), de horrorfilm Carnival of Souls uit 1962 van Herk Harvey, en de films die tijdens zijn promotiebezoek aan Nederland op zijn veroek voor publiek werden vertoond. Les yeux sans visages (Georges Franju, 1960) is Stricklands favoriete horrorfilm. Qui êtes-vous, Polly Maggoo?, de eerste speelfilm, uit 1966, van fotograaf en documentairemaker William Klein heeft de wereld van mode, kleding en fetisjisme tot onderwerp.

Strickland: “Daar ben ik op een speelse popcinema-manier mee omgegaan. In Fabric zoomt in op een catalogus, iets wat doorgaans wordt weggegooid. Godard heeft dat ook gedaan in Une femme mariée, wat ik tot voor kort niet wist.”

Ruwweg zijn er twee filmscholen: film als theater en film als fotografie. In Fabric valt in de laatste categorie, Polly Maggoo hint daar op.

“Dat is een verbazingwekkende film, heel speels. Hij becommentarieert ook fetisjisme en kleding. Wederom, één film over dit onderwerp is niet genoeg. Je kunt er vele films over maken.”

“Veel mensen denken dat de film
in de jaren zeventig speelt”

In Fabric is gesitueerd in een versie van de jaren zeventig.

“Feitelijk is het 1993. Het voelt als de jaren zeventig. De warenhuizen veranderden nauwelijks, het had ook de jaren vijftig kunnen zijn. Mij ging het om het contrast. Je waant je binnen in de jaren zeventig, maar zodra je de winkel uitstapt, ben je terug in de jaren negentig. Ik had de film in het heden moeten situeren. De reden waarom ik dat niet heb gedaan is een triviale. Ik hou van die mysterieuze contactadvertenties achterin de krant. Je hebt alleen de woorden, daaruit moet je opmaken hoe iemand eruitziet. Dus de film moest spelen in de tijd vóór dat internet mainstream werd, 1993 dus.”

Brandalarm
Toen Peter Strickland schreef aan het scenario van In Fabric plaatste hij het verhaal in de jaren zeventig. Waarom doe ik dat, vroeg hij zich af. Hij had de jaren zeventig vaker gebruikt als decor. En bedacht zich. Het voelde frisser om meer naar het heden te gaan.

Strickland: “Veel mensen denken dat de film in de jaren zeventig speelt. Dat komt omdat de winkels toen zo voelden. De datering kun je enkel zien op dvd. Er is een scène met een krantenknipsel; wanneer je de film op pauze zet, kun je de datum lezen. De enige andere aanwijzing is het jasje van schaapsvacht dat Reg (acteur Leo Bill) draagt. Dat is typisch jaren negentig.”

In Fabric

Misschien werd ik op het verkeerde been gezet door de titelmuziek. Die klinkt erg jaren zeventig. Het herinnerde me aan het thema van de tv-serie The Persuaders! met Tony Curtis en Roger Moore.

“Dat is vooraf uitgebreid besproken met Tim Gane en Joe Dilworth die de filmmuziek hebben gemaakt. Het moest klinken als—niks anders. Maar dat waren de jaren zeventig, hè. Toen was het normaal dat muziek klonk als niks anders. Aan The Persuaders! en het thema van John Barry hebben we nooit gedacht.”

“Wel hebben we de soundtrack gebruikt die Mick Jagger heeft gemaakt voor Evocation of my Demon Brother van Kenneth Anger. Tim heeft die flink veranderd, om problemen met auteursrechten te voorkomen. Uiteindelijk klonk het als een brandalarm. Dat gaf me weer een idee voor de film. Ik heb een brand in het script geschreven.”

“Veel geluid en muziek was al klaar voordat ik een script had. Het risico van naar muziek luisteren terwijl je een script schrijft, is dat je aan die muziek blijft vastzitten voor de film. Dan vraag je aan de muzikanten: kunnen jullie iets spelen dat klinkt als dit. Dan geef je hen niet de vrijheid die ze nodig hebben. Als je alles vooraf wilt controleren, beperk je de ruimte voor andere opties en alternatieve oplossingen.”

Yobbo’s
Peter Strickland woont in Boedapest. Daar is men bekend met het fenomeen stag party, het hengstenbal, groepen van Britse vrijgezellen die zich laveloos misdragen. “Dat zullen jullie in Amsterdam ook wel kennen.” In Fabric heeft een ongemakkelijke scène met die yobbo’s, jonge luidruchtige dronkenlappen.

“Wij regisseurs zijn vervangbaar.
Dus ik houd mijn horizon breed”

Het is een vernietigend portret van dronken Engelse jongens en mannen. Is het iets persoonlijks?

“Boedapest is een andere populaire bestemming voor stag parties. Ik heb dronken Engelsen de stoep zien onderpissen. Niet eens tegen de muur, wat al erg genoeg is. Je moet letterlijk over straat lopen om de urine te ontwijken. De jurk moest van de ene persoon op de andere persoon over gaan. Ik wilde dat het niet alleen vrouwen waren, maar ook een man. Dan zijn er maar een paar mogelijkheden. Travestie zou kunnen, maar die kant wilde ik niet uit. Een vrijgezellenavond is onverwachter. Het contrast tussen het tribale element met zijn alfa-aap en de vrouwelijke jurk is veel interessanter. Ik ben Engels, dus die wereld ken ik.”

“Ik vlieg regelmatig op vrijdag naar Boedapest en dat is het moment waarop je al die types ziet die een vrijgezellenweekendje in een vreemde stad gaan doen. Vaak zijn het de vaders die zich het beroerdst gedragen. Ze zijn ouder, ze menen dat ze zich moeten bewijzen en ze gaan vervolgens over de grens. In een groep, wanneer er alcohol in het spel is, zijn ze weerzinwekkend. Maar op zichzelf, nuchter, zijn het ongetwijfeld prima mensen. Mannen in groepjes, met alcohol…”

Laatste vraag: je bent een filmmaker die is geïnteresseerd in geluid en deel uitmaakt van een muziekgroep. Je hebt voor de BBC-hoorspelen geregisseerd, zie je jezelf dat in de toekomst vaker doen?

“Als het idee werkt als film, maak je een film. Als het idee werkt, als hoorspel, doe je dat. Je benut wat beschikbaar is. Ik moet een open geest houden. Ik doe hoorspelen, commercials – als ik het geluk heb om zo’n opdracht te krijgen. In hoorspelen kan ik ideeën uitproberen, acteurs uitproberen. Soms zitten er lange pauzes tussen films. Het is vier jaar sinds The Duke of Burgundy en je moet blijven oefenen. Wij regisseurs zijn vervangbaar. Dus ik houd mijn horizon breed.”

 

In Fabric draait sinds donderdag 5 september in de Nederlandse bioscoop.

 

9 september 2019

 

MEER INTERVIEWS

In Fabric

****
recensie In Fabric

Duivelse jurk

door Suzan Groothuis

Een kledingstuk moordzuchtig? Het klinkt vergezocht, maar in Peter Stricklands In Fabric zien we hoe een rode, wulpse jurk slachtoffers maakt. De film overtuigt vooral qua sfeer, waarin beeld en soundtrack de kijker bedwelmen.

Horrorfilms kennen vele monsters, maar een kledingstuk dat moordt is vrij uniek. Net zoals de moordende autoband in Quentin Dupieux’ Rubber. In Peters Stricklands horrorkomedie In Fabric maakt een opvallende rode jurk de dienst uit. Verkocht in het luxe warenhuis Thames Valley Dentley & Soper, waar speciale prijzen de massa lokken en mysterieuze zwart gekapselde dames achter de toonbank staan. Miss Luckmoore (Fatma Mohamed) zwaait er de scepter en doet met haar uiterlijk nog het meest aan een kille vampier uit vroeger tijden denken.

In Fabric

Sheila (Marianne Jean-Baptiste, Oscar-genomineerd voor haar rol in Mike Leighs Secrets & Lies), zoekend naar een mooie outfit voor een date, laat haar oog vallen op de jurk. Er is er maar één van, laat ze zich door de autoritaire, deftig sprekende Miss Luckmoore vertellen. Hoewel maatje 36 wat smal lijkt voor Sheila, past ze er opvallend goed in. De jurk gaat mee, niet wetend dat ze daarmee het kwaad in huis haalt.

Thuis heeft de gescheiden Sheila het te stellen met haar zelfzuchtige zoon Vince en zijn masochistische vriendin Gwen. In die laatste herkennen we actrice Gwendoline Christie, die hitserie Game of Thrones opsierde als stoere vrouw Brienne of Tarth. Dat Sheila onderliggend eenzaam is en hunkert naar wat liefde en aandacht, merken de twee niet op. Sterker nog, ze eigenen zich het huis toe, alsof Sheila er niet is.

Dominant en bloeddorstig pronkstuk
Je raadt het al: de entree van de rode jurk doet alles veranderen. Eerst de lichamelijke sensatie, want na het dragen ervan heeft Sheila een vreemde uitslag op haar borst. Ook zijn er ‘s nachts vreemde geluiden te horen van iets dat tegen metaal schraapt. Een scène die doet denken aan BBC-serie Ghost Watch, waarin vreemde, spookachtige geluiden in de nachtelijke uren een heel huishouden domineren. De gebeurtenissen krijgen een steeds heftiger karakter, waarin de jurk als dominant pronkstuk overeind blijft. Kapotgebeten door een woeste hond? De volgende dag is de jurk weer back in business – schoon, bloedrood en dreigend.

Stricklands handelsmerk is, net als in zijn vorige films Berberian Sound Studio en The Duke of Burgundy, onmiskenbaar aanwezig: stilistisch verwijzend naar Italiaanse giallo, met de kleur rood prominent in beeld, een occulte en fetisjistische sfeer ademend. Ook zien we zijn acteurs terug: Fatma Mohamed en Sidse Babett Knudsen, eerder verwikkeld in een dominatrix-intrige in The Duke of Burgundy, staan nu in dienst van een duivelse rode jurk.

In Fabric

Hoewel de film naar het einde toe wat repetitief is – jurk gaat van drager naar drager en richt geweld en verwoesting aan – zijn er diepere lagen te ontdekken. Kritiek op de consumptiemaatschappij bijvoorbeeld, waarin uitverkoop in een duur warenhuis leidt tot waanzin onder kopers. En dan is er nog het perfecte maatje 36, waarin modellen zich hullen in  modieuze tijdschriften en ons iets zeggen over de geldende schoonheidsnorm. Ondertussen stelt Strickland ook op satirische wijze normen en waarden op de werkvloer aan de kaak. Personeelszakenmedewerkers Stash & Clive (komieken Julian Barratt en Steve Oram) onderwerpen Sheila aan een onmogelijk vragenvuur wat wel en niet kan tijdens werkuren. Zoals haar vermeende, veelvuldige toiletbezoeken vlak voor lunchtijd. Maar uiteindelijk willen ze het alleen over haar dromen hebben.

Spelen met genres
In Fabric ademt een eigen, vervreemdende sfeer, zoals Stricklands voorgangers dat ook deden. Zijn film is qua genre moeilijk te duiden en is wat kort door de bocht met de benaming horrorkomedie: er sluipen ook sociaal-realisme, ironie, fetisjisme en occulte magie doorheen. Het verhaal speelt in een tijdloos universum, maar refereert onmiskenbaar aan de stijl van de seventies, een tijd waarin luxe-consumptie voor de meeste Britten toegankelijk werd. Het warenhuis is als een exclusieve façade, dat het volk en masse lokt met uitverkoop. Maar achter de schone schijn wankelt het en heersen kwaadaardige intenties.

In de wondere wereld die In Fabric rijk is – zie het als een duister, surrealistisch sprookje – zijn het vooral beeld en soundtrack die imponeren. Cavern of Anti-Matter (met twee leden van Stereolab) verzorgt ditmaal de soundtrack, waarvan de spookachtige, melancholische sound perfect aansluit op de droomachtige, stilistische beelden. Een vreemde, maar bedwelmende kijkervaring, zoveel is zeker.

 

2 september 2019

 

Lees hier ons interview met regisseur Peter Strickland.

 

ALLE RECENSIES

Blinded by the Light

***
recensie Blinded by the Light

De kracht van muziek

door Alfred Bos

Rockheld Bruce Springsteen, arbeiderszoon uit New Jersey, wordt het onverwachte, maar natuurlijke rolmodel voor een Engelse puber van Pakistaanse afkomst in een Engels provinciestadje van Margaret Thatchers jaren tachtig. Sociale feelgoodsatire die is gebaseerd op een waargebeurd verhaal.

Het is 1987, de verzorgingsstaat van het Verenigd Koninkrijk wordt door Margaret Thatcher uitgekleed tot speelhol van het casinokapitalisme. De 16-jarige Javed (Viveik Kalra) heeft zijn eigen problemen, hij zucht onder het juk van zijn conservatieve vader die tot overmaat van ramp na jarenlange dienst is ontslagen. De onbegrepen puber vindt zijn heil in muziek, in het gepassioneerde individualisme van Bruce Springsteen, schutspatroon van de kleine man. Tot zover niets aan de hand, standaardverhaal. Alleen, Javed is zoon van immigranten uit Pakistan. Dat is de eigen draai die Blinded by the Light onderscheidt van al die andere coming of agefilms.

Van regisseur Gurinder Ghadha was twee jaar terug de speelfilm Viceroy’s House, een biografisch kostuumdrama over Lord Mountbatten en de nadagen van het Britse bestuur in India, te zien in Nederland. Met Blinded by the Light tapt ze qua toon en vertelling uit hetzelfde vaatje als Bend It Like Beckham, haar Britse hit en doorbraakfilm uit 2002. Die gaat over een meisje uit een gezin van orthodoxe sikhs dat rebelleert door te gaan voetballen. Muziek en sport, voor kansarme jongeren zijn het traditioneel de vluchtweg naar roem en rijkdom, of op zijn minst een onafhankelijk bestaan.

Blinded by the Light

Decor van muziek
De spanning tussen ouder-immigranten die de cultuur van thuis in ere houden en hun kinderen voor wie de mores van hun geboorteland een dagelijks gegeven is, is een terugkerend thema in het werk van Ghadha. Wat Blinded by the Light, in navolging van Bend It Like Beckham, tot een potentiële publiekshit maakt, zijn de lichte toon van de film en de afwezigheid van pretenties. En een soundtrack vol Springsteen-klassiekers. Vooral zijn albums Born to Run en Darkness on the Edge of Town, het hart van zijn oeuvre en tien jaar verschenen vóór het jaar waarin de film speelt, zijn ruim vertegenwoordigd.

Blinded by the Light – vernoemd naar het openingsnummer van Springsteens debuutplaat, het nummer waarmee de zanger uit New Jersey zich aan de wereld presenteerde – is een feelgoodfilm waarin alles schuurt en botst, maar de menselijkheid uiteindelijk wint. Het is een vondst om de perikelen van een puberende Pakistaan te plaatsen tegen het decor van de westerse, en in de ogen van de ouders, triviale popmuziek van Bruce Springsteen. Het maakt het conflict heel concreet en toch ongrijpbaar.

Het Woerden van Engeland
Voor Javed is The Boss een held, een rolmodel, een bron van inspiratie, zijn morele kompas. Wat moet je anders als je ouders geen barst van jouw situatie begrijpen? Wanneer je buurjongen en jeugdvriend, de aspirant-muzikant Matt (Dean-Carles Chapman), zich tot zelfgenoegzame drol heeft ontwikkeld? Wanneer de andere leerlingen van de multiculturele school in provinciestad Luton, het Woerden van Engeland, vreemden blijven?

De vondst is dat Bruce Springsteen juist dat gevecht – buitenstaander en kleine man tegen de onverschilligheid en het onbegrip van het systeem – in zijn liedjes bezingt. Met Elvis Presley (Heartbreak Hotel) had de film niet gewerkt, met Bob Dylan (Blowin’ in the Wind) was het ongeloofwaardig geweest.

Javed leert de muziek van Springsteen kennen via Roops (Aaron Phagura), een bevriende sikh, die onder zijn tulband meer rock-‘n-roll is dan de wuft gecoiffeerde buurjongen Matt. Voor begrip kan hij alleen terecht bij zijn oudere zus Shazia (Nikita Mehta), die tijdens een avondje uit een danstalent blijkt, en zijn klasgenote en vriendin Eliza (Nell Williams), wier ouders zich hypocriete burgertrutten van het stijfste soort betonen. Hun racisme is bedekt, dat van de skinheads in de straat onverhuld en rabiaat. Het komt allemaal tot een climax tijdens een trouwpartij die, à la The Godfather, parallel is gemonteerd met een gewelddadige scène.

Blinded by the Light

Overeenkomsten met Danny Boyle
Blinded by the Light is gebaseerd op een waargebeurd verhaal – we zien tijdens de aftiteling foto’s van de echte Javed en zijn ontmoeting met Springsteen – en maakt maximaal gebruik van de overeenkomsten tussen Bury Park, de wijk van provincieplaats Luton, en Ashbury Park in Springsteens geboorteplaats New Jersey. De sociale satire is speels en ook qua vorm herinnert de film aan het werk van Danny Boyle: songteksten worden grafisch fraai in het beeld geprojecteerd. Door een merkwaardig toeval verschijnt Blinded by the Light luttele weken na Boyle’s Yesterday, over een jonge Engelsman van Indiase afkomst en The Beatles, en er zijn zeker, doch niet hinderlijke, overeenkomsten.

De jaren tachtig waren in Engeland de tijd van economische hervorming, sociale verruwing, foute popmuziek op de radio en nog veel foutere kapsels. Het komt allemaal voorbij, maar als decor. Het hart van de film is het universele conflict tussen ouders en jeugd, tussen traditie en assimilatie, tussen juk en de hang naar vrijheid, gesymboliseerd door de snelweg waarmee de film opent en afsluit en de soundtrack van Bruce Springsteen. Zo is Blinded by the Light ook een ode aan The Boss. Mister, I ain’t a boy, now I’m a man and I believe in a promised land. Aah, de kracht van muziek.

 

20 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

Professor and the Madman, The

*
recensie The Professor and the Madman

Scherts van gekkenwerk

door Sjoerd van Wijk

In plaats van ambities waarmaken is The Professor and the Madman een onbedoelde schertsvertoning. Het onvoorstelbare in de film is eerder hoezeer Sean Penn door het ijs zakt dan de geschiedenis rond het eerste Oxford Engels woordenboek.

Het cliché dat een beeld meer zegt dan duizend woorden gaat voor de hoofdpersonages van The Professor and the Madman niet op. Zij zien het poëtische terug in elk woord, waarin altijd een rijke voorgeschiedenis zit gesloten. De voortdurende voortvloeiende evolutie van betekenis als een snapshot vastleggen is de opdracht waaraan een van hen, professor James Murray (Mel Gibson), sinds 1857 zijn leven wijdt. Rechtlijnige figuren hijgen hem namens de Universiteit van Oxford in de nek om het door hen zo gewenste eerste Oxford-woordenboek der Engelse taal af te raffelen.

The Professor and the Madman

Het is een strijd tussen de perfectionist die alle woorden wil vangen versus een intellectuele elite voor wie alledaagse woorden niet hoeven als deze lelijk zijn. Gelukkig voor Murray is er hulp in de vorm van dr. W.C. Minor (Sean Penn), die de oproep om vrijwilligerswerk met beide handen aangrijpt en duizenden contributies maakt. Het enige probleem is dat Minor zich na een onfortuinlijke moord bevindt in het gesticht, waar hij tussen zijn waanbeelden door probeert het goed te maken met de gedupeerde weduwe (Natalie Dormer).

Ontbrekende offers
De complete Engelse taal documenteren lijkt een futiliteit, zoals een van de personages tersluiks opmerkt. Het leven slaat altijd nieuwe wegen in terwijl de wetenschapper slechts tijdelijke opnamen kan maken. Gibsons gemoedelijke Murray doet het dan ook uit liefde voor de taal en vindt in Minor een onverwachte boezemvriend. Dat zo’n megalomaan project meer obsessie dan liefde is, weet regisseur Farhad Safinia met zijn co-scenarist Todd Komarnicki echter niet uit te drukken.

Murrays gezin zou er onder lijden, maar zijn voor de Bechdel Test zakkende vrouw spreekt dit met haar handelingen tegen. Voor Minor is de obsessie meer afleiding van zijn innerlijke demonen. Zo ontbreekt het offer voor beide heren, wat doet afvragen wat er nu werkelijk op het spel staat in het jarenlange werken aan het eerste Engelse woordenboek.

Karikatuur van manie
Gibson laat Murray immer galant zijn, hoezeer de andere professoren met hun karikaturale hang naar Engelse prestige hem ook tegenwerken. Eerder dit jaar imponeerde Gibson als stoïcijnse agent in Dragged Across Concrete, hier schuurt hij tegen het beschamende aan met een ongemakkelijk Schots accent. Penn gaat over deze grens heen. Minor is een karikatuur van manie die op de intense momenten doet denken aan een stuntelende Nicholas Cage.

The Professor and the Madman

Waar Penn in de door John Cassavetes geschreven She’s So Lovely met onberekenbaarheid complexiteit wist aan te brengen aan een psychiatrische patiënt, ontbreekt hier de nuance. In de afwisseling tussen excentrieke gedragingen, klungelige droombeelden en overdreven uitbarstingen, ontbreekt het aan inzicht over Minors uit de lucht gevallen taalknobbel. En daarmee is de vriendschap tussen Murray en Minor eerder ongemakkelijk dan innemend.

Incongruent en flets
De onbeholpenheid in acteren en scenario versterkt Mel Gibsons protegé Safinia (die meeschreef aan diens Apocalypto) met stuntelige regie. Incongruentie is het toverwoord van deze in elkaar geknutselde vertaalslag van het boek The Surgeon of Crowthorne (Simon Winchester) naar het grote scherm. Het houterige tempo waarmee beelden van plompverloren neergezette personages elkaar afwisselen, doet de al weinig aanwezige belangen verder teniet. En de potsierlijkheid zit niet alleen in Penns zakken door de ondergrens.

Safinia brengt de kalmte van Engelse beleefdheid dikwijls in beeld met een afleidende nervositeit. Gepaard met de alomtegenwoordige melodramatische strijkmuziek lijkt het qua vervreemdende tegenstellingen op scènes uit The Room, maar dan zonder Tommy Wiseau’s oprechtheid. Het zorgt ervoor dat gewichtige zaken als obsessie en psychiatrie flets overkomen, alsof er niks op het spel staat. The Professor and the Madman maakt daarmee onbedoeld scherts van gekkenwerk.

 

9 juli 2019

 

ALLE RECENSIES

Yesterday

****
recensie Yesterday

Wat als Google The Beatles heeft gewist?

door Alfred Bos

Hoe zou het zijn wanneer de grootste Britse songschrijvers van hun generatie, The Beatles (wie anders), het zouden opnemen tegen de beste songschrijver van de huidige generatie, Ed Sheeran? Het geeft Danny Boyle de gelegenheid om de wereld van nu tegen het licht te houden.

Yesterday is sociale satire, vermomd als romcom, geserveerd met een vleugje sciencefiction. Wanneer een weinig getalenteerde muzikant na een verkeersongeval wakker wordt in het ziekenhuis, is de wereld onzichtbaar veranderd. Zonnevlammen veroorzaken een wereldwijde stroomstoring van exact twaalf seconden die The Beatles uit het collectieve geheugen heeft gewist. De muzikant, Jack Malik (doorbraakrol van de 28-jarige Himesh Patel), herinnert zich de liedjes van John Lennon en Paul McCartney wél. En wordt een wereldster.

Yesterday

Yesterday is een gelaagde film. Hij spant het clichéverhaal van sukkel wordt held om een bizarre premisse. Op het eerste gezicht krijgt de kijker een romantische komedie voorgeschoteld waarin de rollen zijn omgedraaid. Ellie Appleton (Lily James), wiskundelerares, is al sinds de schoolbanken verliefd op Jack, die daar blind voor is. Hij denkt dat Ellie zijn manager is die hem naar optredens in luidruchtige kroegen en lege festivaltenten rijdt. Na talloze verwikkelingen vallen hem de schellen van de ogen. Happy end.

Marketingmachine
De buitenkant van Yesterday, de romcom-laag, is versuikerd met een gulle greep uit het Beatles-repertoire en verwijzingen naar klassieke Beatles-momenten. Ed Sheeran, de echte, heeft Jack gehoord via een lokale tv-show en vraagt hem als voorprogramma van zijn Russische tournee. Ed is net als iedereen The Beatles vergeten en meent een groot talent te hebben ontdekt. Voor hij het weet heeft Jack hem overvleugeld. Als songschrijver, als rockster. De film is ook een ode aan The Beatles.

Achter die suikerlaag worden vragen opgegooid over de huidige wereld van digitale media en de marketingmachine die cultuur vermaalt tot lifestyle en spektakelentertainment. Door de stroomstoring zijn The Beatles gewist in de cloud. Wie hun naam intikt op een zoekmachine krijgt—insecten. Op slag zijn de Fab Four verdwenen uit het collectieve geheugen van de mens. Dat krijg je wanneer je het meest persoonlijke deel van je brein, het geheugen, delegeert aan computer en smartphone.

Jack wordt geronseld door een Amerikaanse manager, Debra Hammer (Kate McKinnon), die hem overhaalt naar Los Angeles te komen. Ze is de verpersoonlijking van het type ondernemer dat muzikanten beschouwt als pinautomaat: ambitie tien, empathie nul. Bepaald hilarisch is de marketingvergadering waarin hoesontwerp en albumtitel van Jacks debuutplaat, een dubbelaar uiteraard, worden onthuld. Tot tien decimalen achter de komma gecalculeerd; Jack is immers product, geen mens.

Yesterday

Toe-eigening
Dat markeringcynisme staat haaks op de authenticiteit van Jack en zo leggen regisseur Danny Boyle (Trainspotting, Slumdog Millionaire, Trance) en scriptschrijver Richard Curtis (Four Weddings and a Funeral, The Boat That Rocked, Mamma Mia! Here We Go Again) een deken van nostalgie over een wereld die is vergeten wat romantiek is, zo lijkt het althans. Maar wacht even, wie verder kijkt ziet dat ze met een scalpel de wereld van nu met zijn mediamanipulatie en instant succes fileren. Yesterday draait om het eigentijdse thema van appropriation. Jack heeft succes met liedjes die helemaal niet van hem zijn, creaties die hij zich heeft toegeëigend. Zijn talent is nep. En iedereen trapt er in.

Voor de Beatles-fans is Yesterday een feest der herkenning, waarin John Lennon (een cameo van Trainspotting-veteraan Robert Carlyle) aan de kust van Suffolk woont als tekenende kluizenaar. Het verhaal van Jack en Ellie is verteld in de van Danny Boyle bekende kinetische filmstijl, inclusief teksten die in de film stappen en personage van surrealistische scènes worden. Zoals bij alle Boyle-films is de soundtrack dik in orde, al is dat in dit geval een inkoppertje. Maar wat als door kosmisch ingrijpen The Beatles zijn gewist? En Coca Cola? En Harry Potter? Dan zijn we ook verlost van Oasis.

 

26 juni 2019

 

ALLE RECENSIES

Rocketman

*****
recensie Rocketman

Liberace gereïncarneerd als Elvis Presley

door Alfred Bos

Wat hebben Elton John en Queen gemeen? Hun voormalige manager, John Reid. En de regisseur van hun beider biopic, Dexter Fletcher. Rocketman slaat Bohemian Rhapsody op alle fronten. Kwestie van vorm die bij de inhoud past.

Zijn muziekfilms – biopics over muzikanten, films rond muzikanten, documentaires – bezig uit te groeien tot een modeverschijnsel? In de bioscoop draaien Wild Rose en Vox Lux, speelfilms over zangeressen die worden geplaagd door persoonlijke demonen. Deze zomer komt de nieuwe Danny Boyle, Yesterday, waarin de muziek van The Beatles centraal staat. In het najaar volgt Beats, een film die speelt in de ravescene van de vroege jaren negentig.

Rocketman

Dan hebben we de later dit jaar nog te verwachten films over een reality-tv-wannabe-ster (Teen Spirit), een gefokte punkmuzikante (Her Smell), een Brits-Pakistaanse fan van Bruce Springsteen (Blinded by the Light) en de biopic van Judy Garland (Judy) nog niet eens genoemd.

Vorig jaar waren er A Star is Born en de tweede hitmusicalfilm rond ABBA, Mamma Mia: Here We Go Again. Die trok net iets minder bezoekers dan de publieksmagneet van 2018, de Queen-biopic Bohemian Rhapsody. De baan ligt ruim open – het is wellicht een yellow brick road – voor Rocketman, het in fictie navertelde verhaal van jaren zeventig glamrockster Elton John, in 1947 geboren als Reginald Dwight. Hij staat momenteel in concertzalen wereldwijd voor zijn afscheidstournee (8 en 17 juni in Ziggo Dome, Amsterdam).

Optelsom van gelukkige keuzes
Rocketman is geregisseerd door Dexter Fletcher, de man die Bohemian Rhapsody redde van schipbreuk, en de film doet precies wat de Queen-biopic jammerlijk naliet. Hij brengt het verhaal niet als droge, lineair vertelde nabootsing van de werkelijkheid, maar – geheel in de uitzinnige camp-geest van zijn onderwerp – als musical, compleet met imposante dansscènes. Elton John is Liberace gereïncarneerd als Elvis Presley, dus hoe bonter hoe beter. En bont is een eufemisme met betrekking tot Rocketman.

Rocketman is een aaneenschakeling van gelukkige keuzes. De film herenigt regisseur Fletcher met acteur Taron Egerton, die de titelrol vervulde in Eddie The Eagle, eveneens een biopic over een excentrieke Engelsman. Egerton lijkt niet alleen treffend op John, hij zingt diens repertoire – dat kwistig en, ook heel handig, niet synchroon met de tijdlijn, maar thematisch door de film is gestrooid – meer dan adequaat. Hij is niet alleen in de huid, maar ook in de stembanden van zijn onderwerp gekropen.

Daarnaast is het een geïnspireerd idee om auteur Lee Hill te vragen voor het script. Hill heeft affiniteit met muziek, musical en camp – en schrijft nu aan het scenario voor de verfilming van Cats – en doet niet lastig over de seksuele geaardheid van zijn onderwerp. Waar Bohemian Rhapsody nuffig een morele vinger hief, is Rocketman volstrekt eerlijk over drugs, seks en exces. Je kunt er kapot aan gaan, maar het is niet iets om je over te schamen.

Rocketman

Glitterduivel
De beste keuze evenwel is om Elton Johns levensverhaal te vertellen als een collectie muziek- en dans-set pieces, afgewisseld met realistische scènes. In de concertscènes komen ze samen, het indrukwekkendst, en minst realistisch, wanneer John in september 1970 als anonieme nieuweling in de Troubadour (Los Angeles) optreedt voor een zaal met gekende muziekhelden – we zien Neil Diamond, Leon Russell en een paar Beach Boys aan de bar hangen – en het publiek orgiastisch reageert. John heeft in interviews te kennen gegeven dat die respons hem het gevoel gaf van de grond te komen. Die emotie maakt de film letterlijk zichtbaar: hij zweeft gestrekt achter de toetsen.

Goed passend bij de mengvorm van historisch realisme en uitbundige verbeelding is de keuze om Johns verhaal te visualiseren als raamvertelling. De film opent in stijl met een Elton John die in vol ornaat als glitterduivel een AA-meeting binnenstapt om zijn persoonlijke verhaal te vertellen. Flashbacks maken duidelijk dat een liefdeloze jeugd met een vaak afwezige moeder en een harteloze, soms ronduit vijandige vader het getalenteerde jochie heeft doen opgroeien tot onzekere, naar liefde hunkerende misfit.

Zijn talent voor het improviseren van pakkende melodieën, ze rollen bijna achteloos uit zijn vingers, komt tot bloei wanneer hij door muziekuitgever Dick James, de man die in 1962 The Beatles de deur wees, volstrekt willekeurig aan tekstschrijver Bernie Taupin (Jamie Bell) wordt gekoppeld. Extra ster voor Rocketman, dat diens kwaliteiten en vitale rol in het verhaal eindelijk goed voor het voetlicht brengt. Johns homoseksualiteit komt aan de oppervlakte via zijn latere manager John Reid (Richard Madden), nadien tevens manager van Queen.

Absolute Beginners
De film concentreert zich op de eerste helft van de jaren zeventig, de periode waarin rockmuziek evolueerde van tegencultureel bindmiddel tot big business en Elton John in Amerika uitgroeide tot de grootste muziekster van dat moment, een regelrecht fenomeen. Het is hoogst verwarrend voor wie in korte tijd van nobody tot idool wordt gekatapulteerd. Met het succes komen de roem en het geld. En steeds uitbundiger podiumuitdossingen, onmatige consumptie van drank en drugs, seksuitspattingen. En de koopverslaving. En de zelfmoordpogingen. Alleen liefde kan het gat in zijn ziel vullen. Hij vindt het, ondanks zichzelf.

Rocketman

Rocketman voegt zich in een traditie van Engelse muziekfilms waarin subcultuur als musical wordt gerepresenteerd. Hij is even uitbundig als Ken Russells verfilming van The Who’s rockopera Tommy, waarin Elton John indertijd te zien was, of diens Franz Liszt-biopic Lisztomania (beide uit 1975) en gebruikt dezelfde vorm als Julian Temple’s Absolute Beginners (1986), met David Bowie en The Kinks-voorman Ray Davies. Russell pionierde in Tommy de beeldtaal van MTV en Temple is de meest vermaarde clipregisseur van zijn generatie.

De film van Dexter Fetcher is in feite een als speelfilm verpakte videoclip, een cocktail van Vincente Minnelli en Ken Russell, en sluit raak af met een dansscène die naadloos overgaat in de originele videoclip van I’m Still Standing, Elton Johns laatste artistiek relevante hit uit 1983. Fantasie switcht moeiteloos naar realiteit, het donkere sprookje heeft een gelukkig eind. Als gerechtigheid en goede smaak bestaan – en muziekfilms inderdaad in de mode zijn – wordt Rocketman de bioscoopklapper van 2019.

 

29 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

Filmmaker Don Letts over punk en rebellie

Filmmaker Don Letts over punk en rebellie:
“We zijn in de 21ste eeuw niet waakzaam geweest”

door Alfred Bos

Don Letts is filmmaker, deejay en punk van het eerste uur. Hij belichaamt een essentieel stuk cultuurgeschiedenis en is nog even betrokken als veertig jaar geleden. “Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot kunstenaars die niet worden gedefinieerd door hun huidskleur.”

Don Letts is te gast bij IN-EDIT, het muziekdocumentairefestival. Hij beantwoordt publieksvragen over zijn meest recente film, Two Sevens Clash: Dread Meets Punk Rockers. Punk is het thema van die festivaldag en Letts is ervaringsdeskundige. Hij was erbij, midden jaren zeventig in Londen, toen punk de gevestigde orde uitdaagde. En hij stond vooraan, zijn super-8 camera in de aanslag.

Don Letts

Don Letts is 63 jaar jong en nog steeds punk. Hij gaat gekleed in de vrijetijdsversie van een legerkloffie. Los vallen zijn dreadlocks tot ver over zijn billen; vandaag gaan ze schuil onder een gebreide muts, ook legergroen. Hij praat met het vuur van iemand die zijn leven lang de status quo heeft bevraagd. Hij staat met alle plezier de verslaggever te woord en vraagt om koffie. Maar eerst buiten een sigaret roken.

“Laat je niet in de luren leggen door
een fucking T-shirt van de Ramones”

“De mainstreammedia schrijven over punk alsof het geschiedenis is”, zeg ik wanneer we hebben opgestoken. Letts reageert als door een wesp gestoken. “Niet voor mij!” Achter zijn brillenglazen gloeien de ogen even fel als het puntje van de sigaret waar hij aan zuigt. “Ik denk nog steeds dat een goed idee uitgeprobeerd beter is dan een slecht idee geperfectioneerd. Je moet betrokken zijn bij jouw eigen toekomst en punk kan je daar bij helpen. Laat je niet in de luren leggen door een fucking Ramones-T-shirt.”

The Punk Rock Movie
In 1975 had Don Letts (Londen, 1956) een kledingwinkel, Acme. Hij draaide er reggae en dub, gemuteerde instrumentale tracks. In de winkel hing een kliek verveelde jongeren rond die na sluitingstijd nergens terecht konden. Voor hen ging op 1 januari 1977 The Roxy open, de eerste Engelse punkclub. Don Letts stond er achter de draaitafels en draaide reggae, want er waren nog nauwelijks punkplaten. Na afloop ging het door bij hem thuis.

The Punk Rock Movie (1978)

The Punk Rock Movie (1978)

Het is allemaal vastgelegd door Letts’ super-8 camera. Londense punks die in The Roxy hangen en dansen. John Lydon (Sex Pistols), Joe Strummer en Mick Jones (The Clash), Chrissie Hynde (Pretenders), Ari Up en Vivian Albertine (The Slits), Billy Idol (Generation X), Siouxsie Sioux (The Banshees) en Gaye Black (The Adverts) die in de woonkamer van Letts kennismaken met dubreggae en marihuana. Het unieke beeldmateriaal vormde in 1978 het hart van zijn eerste documentaire, The Punk Rock Movie.

“Die is nooit bedoeld als documentaire”, zegt Letts wanneer we uitgerookt zijn. “Zo heb ik de beelden niet geschoten. Ik was aangestoken door de energie van punk en het idee van Do It Yourself. Daar wilde ik actief deel van uitmaken. Het was niet genoeg om alleen een fan te zijn. Ik begin de dingen te filmen die mijn bloed sneller deden stromen.”

Op een dag las hij in de New Musical Express, het invloedrijke Engelse muziekweekblad: Don Letts maakt film. “En ik dacht: ‘Shit, dat is een goed idee’. Zo is het idee geboren. Daarom heet de film The Punk Rock Movie. Dat stond in de NME: Don Letts is making a punk rock movie. Ik dacht, oké. Het was nooit bedoeld als film. Het was mijn manier om het vak van filmer te leren.”

Muziekdocumentaires
In 1972 zag Don Letts The Harder They Come, de eerste internationaal verspreide speelfilm uit Jamaica. Begin jaren zeventig was een interessante tijd, aldus Letts. “We hadden reggae, we hadden een soundtrack. Maar er was geen visueel tegendeel. Dat veranderde met de komst van Bob Marley. En door The Harder They Come begreep ik de kracht van cinema. Niet alleen om te vermaken, maar ook om te informeren en te inspireren.”

“Als zwarte Engelsman kon je alleen maar
buschauffeur, vuilnisman of postbode worden”

“Toen dacht ik bij mezelf: wow, ik zou graag willen dat ik mezelf in een visueel medium kon uitdrukken. Maar begin jaren zeventig kon je als zwarte Engelsman alleen buschauffeur, vuilnisman of postbode worden. Vijf jaar later explodeerde punk. Do it yourself. En ik vind mezelf opnieuw uit als Don Letts, de filmmaker.”

The Harder They Come (1972)

The Harder They Come (1972)

Hij is goed bevriend met The Clash en schiet voor hen de video van hun debuutsingle, White Riot. Na The Punk Rock Movie wordt Letts door new wave- en post-punkbands gevraagd om video’s te maken. De eerste was voor Public Image Ltd., de groep die John Lydon startte na het opbreken van The Sex Pistols. “En daarna alle Clash-video’s. Ik heb zo’n 350 videoclips gemaakt. Dat doe ik niet meer.”

Muziekvideo’s werden documentaires, over muziek en subculturen. Voor The Clash: Westway to The World kreeg Don Letts in 2001 een Grammy. Daar is hij trots op. Ook is hij trots op Dancehall Queen, zijn speelfilm uit 1997 die op Jamaica nog steeds wordt gewaardeerd als de populairste film na The Harder Day Come. Van zijn hand is de beste documentaire die er over punk is gemaakt, Punk: Attitude (2005). Hij maakte documentaires over George Clinton, Gill Scott-Heron en Sun Ra, Afro-Amerikaanse muzikanten met een visie.

“Mijn identiteit wordt niet
gedefinieerd door mijn huidskleur”

Don Letts: “Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot kunstenaars die niet worden gedefinieerd door hun huidskleur. Ik luisterde als tiener naar Led Zeppelin. Punk? Al mijn zwarte vrienden dachten dat ik gek was geworden. Mijn smaak, je kunt zeggen: mijn identiteit, wordt niet gedefinieerd door mijn huidskleur. Sun Ra, Clinton, Scott-Heron, Prince, Jimi Hendrix—dat zijn artiesten die me aantrekken. Ze vallen buiten de definitie van wat zwart wordt verondersteld te zijn. En die mensen zijn altijd heel interessant.”

Punk: Attitude (2005)

Punk: Attitude (2005)

Urban folks devils
In 2016 maakte Don Letts voor de Britse staatsomroep de documentaire Skinhead. Onderwerp is de subcultuur van Engelse arbeidersjongeren die eind jaren zestig ska, de Jamaicaanse popmuziek van dat moment, omarmen. Kaalgeschoren koppen, schoorsteenpijpenjeans op hoog water boven legerkissies—het skinheaduniform van nu associeert men met ultrarechts. Maar zo begon het niet.

“Je had politici die inspeelden op de angsten
van oudere blanken. Klinkt dat bekend?”

“Tot 1968 was er in Engeland veel immigratie uit de Afro-Caraïben”, vertelt Letts. “Het interessante is dat daar twee soorten dynamiek uit voortkwamen. Je had politici die inspeelden op de angsten van oudere blanken. Klinkt dat bekend? Maar op straatniveau hielp de cultuur die de emigranten uit Jamaica meebrachten naar Engeland om de bevolkingsgroepen te verenigen.”

“In 1968 veranderde alles met de beruchte toespraak van Enoch Powell en de ‘rivieren van bloed’. Dat polariseerde het landschap. Voor die toespraak werd ik op school door mijn blanke klasgenoten gezien als my mate. De dag na die toespraak was ik die black bastard.”

“Trump doet vandaag precies hetzelfde en het is spijtig om te zien dat die afgekloven trucs keer op keer worden ingezet. We hebben het over Verdeel & Heers. In mijn optiek is cultuur iets om te omarmen. Het helpt om mensen tot elkaar te brengen. Het is niet iets om bang voor te zijn, Donald Trump. Fucking dick.”

“Ik blijf het tegen mensen zeggen: stel je Engeland eens voor zonder die mix van culturen. Het eten zou saai zijn. De mode zou saai zijn. En de muziek zou heel saai zijn.”

Dan zou muziek uit Engeland extreem saai zijn: indierock en Britpop.

“Toen ik opgroeide luisterde ik naar The Beatles, The Stones, The Kinks en The Who. And I love that stuff! Veel mensen zeggen tegen me dat de invloed van immigranten zoals ik het idee heeft veranderd van wat het betekent om Brits te zijn. Maar niemand heeft het erover hoe de impact van de blanke cultuur mij heeft veranderd. Of mensen als Jazzy B en Roots Manuva en Goldie en Daddy G . Ik heb het over onze duale identiteit: zwart en Brits. Met andere woorden: wij gaven iets aan de Britse cultuur, maar de Britse cultuur gaf ook iets aan ons. Maar daar heeft niemand het over.”

“Skinhead was de eerste multiculturele beweging,
maar werd rond 1972 gekaapt door ultrarechts”

De subcultuur van de skinheads kwam op kort na die toespraak van Enoch Powell in 1968.

“Skinhead was in de grond van de zaak een beweging van arbeidersjongeren die niet het geld hadden om er even goed gekleed uit te zien als hun Mod-broers. Ze hadden een minder opgetuigde stijl, die aanvankelijk was afgekeken van de Jamaicaanse cultuur. Toen skinhead begon, was het feitelijk de eerste multiculturele beweging in de UK. Veel mensen hebben dat niet door. En men vergeet dat, omdat rond 1972 skinhead werd gekaapt door ultrarechts, het National Front. Daar is de pers opgedoken en dat ene negatieve element werd benadrukt: skinhead staat voor racisme. Skinhead-cultuur heeft nooit om racisme gedraaid. De skinheads die ik kende, waren bezig met fashion, niet met fascisme.”

Met punk is een paar jaar later hetzelfde gebeurd, zowel in Engeland als in Amerika.

“In Engeland portretteren de media nieuwe jeugdbewegingen als urban folk devils. Mensen voor wie we bang moeten zijn. Dat verkoopt kranten. Ik heb me altijd afgevraagd hoe de situatie zou zijn geweest wanneer de kranten een kop hadden afgedrukt als ‘Blanke en zwarte jeugd verenigd op de dansvloer door een wederzijdse liefde voor mode en muziek’. Daar verkoop je echter geen kranten mee.”

Engelse jeugdcultuur jaren 60

Engelse jeugdcultuur jaren 60

“Dat kun je de tabloid press verwijten. Maar grappig genoeg is de negatieve aandacht van de tabloids de reden dat de jeugdcultuur zo dynamisch is en zo snel verandert. In de tweede helft van de twintigste eeuw evolueerde de Engelse jeugdcultuur voortdurend. Ieder twee tot drie jaar was er iets nieuws. Zodra de media dat definieerden, zeiden pioniers: ‘Nee, zo zit het niet in elkaar’. En ze begonnen weer iets nieuws. Soms zijn etiketten gevaarlijk.”

“Op mijn 63ste sta ik open voor
alles wat de wereld heeft te bieden”

Niet alleen soms. Dat zijn ze doorgaans.

“Plak jezelf een label op en dan ben je dat, méér kun je niet zijn. Ik noem mezelf geen rasta. Ik noem mezelf geen punk. Ik noem mezelf Don Letts. Jij kunt mij niet vertellen wat dat is. Ik bepaal wat dat is. Op mijn 63ste kies ik ervoor om open te staan voor alles wat de wereld heeft te bieden.”

Die dynamiek werkt nog steeds. U noemde Trump. Ik noem Brexit.

“Dat klopt. Het verschil met toen is dat er tegenwoordig geen protest meer is. De laatste vijftien jaar lijkt de westerse jeugd in coma te zijn. De zaken die brandstof gaven aan punk gebeuren nog steeds, maar ik zie geen massale reactie. Waarom is dat zo? Wat is er nu anders? Dat zijn de ambities van de westerse jeugd. Wij werden punk omdat we anti-establishment waren. Nu worden veel – niet alle – jonge mensen muzikant om deel te worden van het establishment. Ze willen een carrière. Als je dat wilt, weet ik niet hoe je kunt rebelleren.”

“In de 21ste eeuw is de sleutel tot overleven en werkelijke creativiteit: nieuwe waarden. Fuck MTV. Fuck de rode loper. Dan is de wereld een heel opwindende plek.”

Brexit

Waarom jonge mensen naar mijn idee tegenwoordig in coma zijn: de werkelijkheid is verdwenen achter een scherm van technologie en marketing.

“Jonge mensen hebben toegang tot meer informatie dan ik ooit heb gehad. Ze kunnen geïnformeerde keuzes maken. En zie waar ze voor kiezen! Ik denk niet dat je dat soort onbenul nog langer kunt excuseren. Neem Brexit: Brexit gebeurt vanwege bange oude mensen.” Letts accentueert ieder woord met een klap op tafel: bange (klap) oude (klap) mensen (klap). “Als de hippe jonge mensen waren gaan stemmen, zou Brexit niet zijn gebeurd.”

“Trump is iemand zonder enige kwalificatie,
alsof een vuilnisman hersenchirurg is geworden”

“Ik geloof dat het Abraham Lincoln was die zei: ‘De prijs van vrijheid is eeuwige waakzaamheid’. En weet je, in de 21ste eeuw zijn we niet waakzaam geweest. Hoe heeft een lul als Trump president kunnen worden? Iemand zonder enige kwalificatie, alsof een vuilnisman hersenchirurg is geworden.”

“Het is de tijd van de verwijten. De media en vooral de sociale media staan er vol mee. Mensen moeten kijken naar hun eigen rol in het probleem. We zijn allemaal deel van het probleem. Het is veel te makkelijk om alle schuld af te schuiven op wat ik noem de pantomime-griezels. Als er morgen opnieuw over Brexit kan worden gestemd, wint Leave opnieuw. Tenzij de hippe jonge mensen van hun reet komen. Wat we nodig hebben, is een creatieve, punk-achtige revolutie.”

Als er ooit een tijd is geweest waarin de slogan Do It Yourself relevant is, dan is het nu wel.

“Helemaal. En ik begrijp niet waarom mensen dat niet oppakken. Het is alsof ze zijn vergeten dat muziek wel degelijk verandering in gang kan zetten. Ik geef toe, de laatste twintig jaar hebben ze weinig goede voorbeelden gehad. Ik vraag vaak aan jonge mensen: ‘Wie zijn de rebellen van de 21ste?’. Dan kijken ze me schaapachtig aan. Rebel? Wat is dat? The only counter culture of the 21st century is the over the counter culture.

Two Sevens Clash (Dread Meets Punk Rockers) (2017)

Two Sevens Clash (Dread Meets Punk Rockers) (2017)

Punky reggae
De meest recente documentaire van Don Letts is Two Sevens Clash (Dread Meets Punk Rockers), over de kruisbestuiving van punk en reggae in het Londen van midden jaren zeventig, waarin hijzelf een sleutelrol speelde. Punk broeide al, maar kwam op temperatuur na de Notting Hill Carnival-rellen van zomer 1976. Tijdens het jaarlijkse volksfeest van de West-Indische gemeenschap in Londen wilde de politie een aantal feestende Jamaicanen arresteren. Het liep finaal uit de hand. Op de hoes van Black Market Clash, de 10 inch van The Clash uit 1980, is Letts te zien. Hij staat tegenover een falanx van agenten.

Voor Two Sevens Clash dook Don Letts opnieuw in zijn filmarchief. “2017 was het veertigjarig bestaan van punk. Naar aanleiding daarvan heb ik nog eens naar het materiaal van toen gekeken. Ik realiseerde me dat er een verhaal in zat dat nog niet eerder was verteld. Veel mensen praten over punky reggae, maar hoe zijn die blanke en zwarte jongeren feitelijk samengekomen? Dat heb ik duidelijk willen maken met Two Sevens Clash. Het kijkt naar de mythe en de realiteit van wat er toen is gebeurd.”

“De Engelse punks lazen strips, de Amerikaanse
punks lazen Rimbaud en Allen Ginsberg”

De documentaire toont een cruciaal moment in de ontwikkeling van de naoorlogse populaire muziek. Eigenlijk twee cruciale momenten, kort na elkaar. Allereerst de reeds gememoreerde ontmoeting tussen reggae en punk.

“Dat onderscheidt Britse punk van punk in Amerika”, stelt Letts. “Daar was geen zwarte invloed op punk. Het klinkt triviaal, maar de punks in New York waren een paar jaar ouder dan in Londen. In Engeland was de gemiddelde leeftijd 18, in New York 23. Op die leeftijd is dat een enorm verschil. De Engelse punks lazen strips, de Amerikaanse punks lazen Rimbaud en Allen Ginsberg. Patti Smith, Tom Verlaine en Richard Hell waren belezen intellectuelen. Ze waren het verlengde van de beatgeneration. Engelse punks waren stupid kids trying to find a voice.”

Ramones

Ramones

Culture Clash Radio
Maar er is meer. De clubmuziek van de jaren negentig en de popmuziek van de 21ste eeuw rust op twee pijlers: dub uit Jamaica en elektronische muziek uit Duitsland. John Lydon was al een liefhebber van de Duitse groep Can voor hij als Johnny Rotten bij The Sex Pistols ging zingen. In februari 1978, kort na het uiteenvallen van The Sex Pistols, ging hij met Don Letts op muzikale bedevaart naar Jamaica. Two Sevens Clash toont beelden van die reis. Na terugkeer in Londen begon Lydon de groep Public Image Ltd., in muzikaal opzicht een huwelijk van dub en krautrock.

“Als de aarde een geluid zou maken,
zou het een basgeluid zijn”

Wat de vraag opwerpt, wat heeft reggae aan de wereld gegeven? “Bas”, zegt Letts. Hij heeft nooit begrepen wat de aantrekkingskracht van de bas is. “Ik weet alleen dat de bas een soort taal is. Het verbindt mensen, gelijkgestemde mensen, met elkaar. Maar ook met de planeet. Als de aarde een geluid zou maken, zou het een basgeluid zijn.”

En zonder bas geen dub, de gestripte, instrumentale versie van vocale tracks waarin beat en bas de hoofdrol spelen. “Dub is ontstaan door de mengtafel als een instrument te gebruiken, wat een revolutionair idee is. Niet als studioapparatuur om muziek mee op te nemen.” Door de mengtafel als instrument te gebruiken, muteert de opgenomen muziek tot iets anders. “Dat heeft heel veel muziek van de 21ste eeuw beïnvloed, elektronische muziek in het bijzonder.”

Big Audio Dynamite

Big Audio Dynamite

Aan die ontwikkeling hielp Don Letts actief mee. In 1984 begon hij met Clash-gitarist Mick Jones de groep Big Audio Dynamite. Letts stond als deejay achter de draaitafels, componeerde en zong mee. Dat deejayen deed zijn vader Duke in de jaren vijftig al, hij draaide elke zondag platen na afloop van de kerkdienst. Ook Letts’ zoon, Jet (1985), is actief als deejay en producer. Don Letts is wekelijks op zondagavond via BBC Radio 6 te horen met zijn Culture Clash Radio, ook online via streaming.

Sociale media
We zitten inmiddels aan de derde koffie en Don Letts draait de rollen om. Hij stelt mij een vraag: waar is punk in de 21ste eeuw? “Vanuit mijn perspectief voelt de 21ste eeuw alsof punk nooit is gebeurd”, meent hij. Mijn antwoord: punk is tot mode-item gemaakt, een consumptieartikel, handel, lifestyle. Zoals alle cultuur is verworden tot lifestyle.

“Punk is een geest en een houding
die ouder is dan muziek”

“Rondlopen met een Ramones-T-shirt maakt je geen punk”, reageert Letts. “Veel mensen denken dat punk in de jaren zeventig in Engeland is begonnen. Dat is onzin. Punk is een geest en een geesteshouding die ouder is dan muziek. En ook bestaat buiten muziek. Je kunt een punkarts zijn. En een punkleraar. En we hebben zeker een paar punkpolitici nodig. Die geest en attitude heeft niets met nostalgie van doen. Punk is een levend en ademend iets. Je hebt maar twee dingen nodig: een idee en motivatie.”

En een kritische, open geest. Frank Zappa was een punk.

“Absoluut. Mensen snappen niet dat de geboorte van de folkbeweging in de jaren zestig een punkmoment was. Toen we rebelleerden tegen de hippies, rebelleerden we niet tegen dat meisje dat bloemen stak in de loop van een geweer. We rebelleerden tegen Cheech & Chong, tegen wat het was geworden. Toen de hippiebeweging begon, was het punk! Uiteindelijk worden al die bewegingen het slachtoffer – niet alleen van hun succes – maar van de commercie die het adopteert. Dat zorgde ervoor dat de tegencultuur zich telkens opnieuw bleef uitvinden. Tot de 21ste eeuw. En ik heb geen idee wat er toen gebeurd is. Ik weet het wel: de digitale revolutie. Het internet is gebeurd.”

“In Afrika gebruikt men internet voor praktische’
zaken als landbouw en het gebruik van medicijnen”

“Ik ben niet tegen technologie, ik ben geen Luddite. Technologie is niet het probleem. Mensen zijn het probleem. Technology is great. People are shit. Don Letts said that. In Afrika gebruikt men internet voor praktische zaken als landbouw en het gebruik van medicijnen. In het westen gebruiken we sociale media om selfies te plaatsen of om te laten zien wat we eten en drinken.”

The Who in 1970

The Who in 1970

Er is geen medicijn tegen domheid.

“Maar technologie zal zijn plek vinden. Nu zijn we als kinderen in een snoepwinkel: het is overweldigend. Voor de jongste generatie – de kinderen van drie, vier van nu – is het allemaal normaal. Als die volwassen zijn komt er een nieuw evenwicht.”

“Veel muziek van de 21ste eeuw draait om escapisme. Hier is de waarheid: je kunt niet je hele leven op de dansvloer staan. Op een gegeven moment stopt de muziek en zul je de werkelijkheid onder ogen moeten zien. Guess what? Als je bullshit-detector goed staat afgesteld – Joe Strummer heeft dat gezegd – is er goeie muziek die je ook helpt om met de werkelijkheid om te gaan. Niet iedereen probeert je een T-shirt te verkopen. Er zijn nog steeds mensen die menen dat muziek een middel voor sociale verandering kan zijn. En persoonlijke verandering. Ik weet dat, omdat muziek mij heeft veranderd.”

“De eerste band die ik ooit live zag was The Who. Ik zag The Who optreden toen ik veertien was. Het heeft mijn leven veranderd, voor altijd. Ik was daar in mijn schooluniform. Ik wist niet wat er gebeurde, maar ik wilde daar deel van uitmaken. Ik wilde in die wereld verblijven. En dat heb ik mijn hele leven volgehouden.”

Kunt u zich een wereld zonder muziek voorstellen?

“Muziek is een integraal onderdeel van de westerse cultuur; eigenlijk van iedere cultuur. Ik heb altijd een documentaire willen maken waarin ik twintig klassieke tracks uit de periode van 1960 tot en met nu laat horen aan mensen die de muziek nog nooit hebben gehoord. Ik ben benieuwd hoe ze daarop reageren. Muziek is voor sommigen van ons als zuurstof. Ik zou niet kunnen overleven zonder. Een wereld zonder bas, hoe verschrikkelijk.”

 

15 mei 2019

 

MEER INTERVIEWS

Wild Rose

***
recensie Wild Rose

Drie akkoorden en de waarheid

door Paul Rübsaam

Wat is er mooier dan een muziekfilm met een jonge, veelbelovende actrice die tevens hartverwarmend kan zingen in de hoofdrol? In Wild Rose wil de Schotse ex-gedetineerde en countryzangeres Rose-Lynn Harlan per se haar geluk gaan beproeven in het legendarische Nashville.

Voor wie niet als een blok valt voor iedere countryzangeres even het volgende. Country is niet country-and-western. Denk ook niet te veel aan het gesuikerde, burgerlijke geluid van Dolly Parton of Tammy Wynette. Ook niet direct aan de wat jankerige stem van Emmylou Harris. Bezorgt Bonnie Raitt je meer kleur op de wangen? Dan zit je bij Wild Rose misschien wel goed. In ieder geval voor de muziek en de vrouwelijke performer.

Wild Rose

Evenals Raitt dat soms deed (en doet) speelt Jessie Buckley (en haar personage Harlan) met haar stem die aan schuurpapier met een laag honing erover doet denken af en toe leentjebuur bij upbeat-popgenres. Zoals in Country Girl, oorspronkelijk uitgebracht door de Schotse rockband Primal Scream, waarbij ze zelf het vrouwelijke personage gestalte kan geven waarover de heren van Primal Scream zongen.

Raitt is bij uitstek het icoon van de Ierse actrice Jessie Buckley, die zich steeds meer al zangeres begint te ontpoppen. Buckley, wier eveneens roodharige Schotse personage Rose-Lynn Harlan bier uit een flesje drinkt en haar witte cowboylaarzen onder een spijkerrok of over een spijkerbroek draagt, was dan ook als een kind zo blij toen ze de 69-jarige Raitt in het kader van de opnames van Wild Rose kon ontmoeten.

Boel op orde?
Maar in een film moet er ook nog een verhaal worden verteld. Rose-Lynn (23) heeft er net tien maanden cel op zitten vanwege haar betrokkenheid bij een heroïnetransport. Ze is voorwaardelijk vrij en voorzien van een elektronische enkelband, die haar belet deel te nemen aan het nachtleven in Glasgow. Later zal ze  voor de rechter die moet beslissen over het intrekken van die voorwaarde verklaren dat ze tijdens haar criminele activiteiten (het ergens dumpen van een of ander pakketje) te dronken was om te begrijpen wat ze deed. 

Wild Rose

Ondertussen moet ze thuis de boel op orde zien te krijgen. Als ze daar tenminste zin in heeft. Als tiener heeft ze een dochter en later ook nog een zoon gekregen, Tijdens haar detentie heeft haar in een bakkerij werkende moeder Marion (Julie Walters) voor de twee kinderen gezorgd. Ook houdt Rose-Lynn er een vriend op na (niet de vader), tot zijn ongenoegen vooral voor de seks. Eigenlijk wil ze maar één ding: carrière maken als countryzangeres in Grand Ole Opry in Glasgow, maar veel liever nog in Nashville in de Amerikaanse staat Tennessee, de bakermat van de countrymuziek. 

Klassenverschillen   
Tegen heug en meug en op aandringen van haar moeder accepteert Rose-Lynn een baantje als schoonmaakster in het riante landhuis waar de welgestelde Sussanah met haar gezin woont. De schoonmaakdiscipline van Marie-Lynn laat te wensen over, maar haar werkgeefster is meteen verkocht als ze haar een keer hoort zingen. Met haar betere connecties weet Susannah deuren voor haar hulp in de huishouding te openen, zoals die van een beroemde BBC-diskjockey, de Britse expert op het gebied van countrymuziek.

De geestdrift waarmee Susannah haar pareltje van een werkster vooruit wil helpen, heeft onbedoeld een elitair tintje. Moeder Marion moet niets van Susannah hebben. Ze wenst slechts een goed en rustig leven voor haar te wilde dochter en niet in de laatste plaats voor haar kleinkinderen. Rose-Lynn hoort en ziet ondertussen niets meer. Ze wil alleen maar zingen en ruikt Nashville. Maar wie gaat haar trip daar naartoe financieren en hoe? 

Wild Rose

Plotwendingen
Wild Rose is een muzikale feelgoodmovie. Verwacht niets dat je niet verwacht had. Of het zou moeten zijn dat de rol van Susannah, die een hogere sociale klasse vertegenwoordigt dan die van Rose-Lynn en haar moeder vertolkt wordt door een actrice met een donkere huidskleur (Sophie Okonedo). Maar echt bijzonder is dat (gelukkig) niet. Voor het overige koersen we naadloos af op een tranen trekkende slotsong, die het verhaal op aangename wijze afrondt. 

Toch heeft het geesteskind van scenarioschrijfster Nicole Taylor en regisseur Tom Harper (hij castte Buckley eerder voor de zesdelige BBC-serie War and Peace) door zijn eenheid en eenvoud een charme die de voorspelbaarheid ontstijgt. De essentie van countrymuziek, zo leren we, is: ‘Three chords and the truth’. Rose-Lynn heeft dat credo zelfs op haar arm laten tatoeëren.

De film, die door de alom aanwezigheid van de muziek korter lijkt te duren dan de honderd minuten die hij beslaat, is als een countrysong. Drie plotwendingen en de ontknoping, zou je kunnen zeggen. Mede door het multitalent van Jessie Buckley groet Wild Rose naar zichzelf toe, wordt de film ‘echt’. Zo is onder andere de slotsong gedeeltelijk door Buckley zelf geschreven. ‘I had to find my own way, make my own mistakes. But you know that I had to go. Ain’t no yellow brick road running through Glasgow…’

 

14 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

High Life

****
recensie High Life

Alfa-aap van het niets

door Alfred Bos

De voorlaatste film van de Franse regisseur Claire Denis draaide om gemis van liefde. Ook in haar nieuwe, eerste Engelstalige werkstuk, een sciencefictionfilm, staat afwezigheid centraal. Ditmaal ontbreekt de zin van het leven.

High Life speelt zich geheel af in een ruimteschip met een respectabel aantal kilometers op de teller. Het vehikel is uitgewoond en metaalmoe, het begint kuren te vertonen en de voorraden zijn niet eindeloos herbruikbaar. Ook de bemanning (spreken we in politiek correcte tijden, met excuses aan robots, van bemensing?) van deep space vehicle 7 is niet okselfris meer. Nooit geweest overigens, want het team bestaat uit terdoodveroordeelde misdadigers.

High Life

Het schip is onderweg naar een zwart gat, om daar de energie af te tappen die op een uitgeputte aarde wordt begeerd—een bestaande wetenschappelijke theorie, vernoemd naar fysicus Roger Penrose. De reis is een experiment uit nood, in feite een zelfmoordmissie. De thuisplaneet en het leven aldaar zijn ver weg. Het ruimteschip is een eiland in de immense leegte, het vroegere bestaan een vage herinnering. De veroordeelden zijn op elkaar aangewezen, bijgestaan door een arts, Dr. Dibs (Juliette Binoche krijgt wederom een hoofdrol van Denis), met een strafblad en een sinistere agenda.

Existentiële leegte
High Life is de eerste Engelstalige productie van Claire Denis (Un Beau Soleil Intérieur, Les Salauds) en het is, met haar genadeloze kijk op de menselijke natuur en de compromisloze wijze waarop ze die verbeeldt, onmiskenbaar een Denis-film. High Life staat in een lange sciencefictiontraditie, maar wijkt daar niettemin op een wezenlijk punt vanaf. Geen weidse avonturen in deep space van een heroïsch gezelschap, zoals in de boeken van A. Bertram Chandler en James Blish; geen claustrofobe horror à la Alien of Event Horizon; niet de spirituele bespiegeling van Tarkovsky’s Solaris of Kubricks 2001, geen vertoon van menselijk vernuft zoals verbeeld in Interstellar en The Martian noch de ecologische boodschap van begin jaren zeventigfilms als Silent Running en Soylent Green.

High Life heeft een ironische titel. Hij staat voor drama van het existentiële soort. Wat rest er van het bestaan als alles – zekerheid, toekomst, verwanten en vrienden, cultuur, schoonheid, inspiratie, tijd – is weggevallen en de wereld is gekrompen tot een buitenmodel koekblik met ouderdomskuren? Het antwoord is seks.

Waar die seks toe leidt, is minder duidelijk. Het slot van de film laat zich op tegengestelde manieren uitleggen. Als ode aan wilskracht en liefde, schakels die bestand zijn tegen het bruutste wat het universum heeft te bieden. Of als ultieme ontgoocheling: alles, ook liefde, verdwijnt in een zwart gat. Uiteindelijk is er niets. We hebben enkel elkaar.

High Life

Zwart gat als metafoor
Het punt van High Life is niet het verhaal van Monte (Robert Pattinson, Maps to the Stars) , Dr. Dibs en het gezelschap van gestoorde, gebroken en door het leven gekneusde lotgenoten op reis naar het niets. Het punt van de film is dat hij draait om alles wat er niet is, wat het bestaan glans geeft. Die afwezigheid, dat metaforische zwarte gat, doet duidelijker uitkomen wat wezenlijk is. Door het gemis wint het aan gewicht. Maar wat betekent gewicht in een omgeving van gewichtsloosheid?

Een film die het niet moet hebben van plot of spektakel, waarin de personages vaag blijven en de sfeer – opgeroepen via de geluidsband: de brommende machines en het gekreun van het ruimteschip creëren een sluier van ruis – centraal staat, zo’n film steunt in de eerste plaats op de acteurs. Denis heeft een fraai stel bij elkaar gebracht. Pattinson is geknipt voor de rol van gevaarlijke, maar sensitieve man. Hij wordt ongewild de alfa-aap van de groep verstotenen, waarin we onder meer André Benjamin (André 3000 van het hiphopduo OutKast), Mia Goth (Suspiria) en Claire Tran (Valerian and the City of a Thousand Planets) herkennen.

In het totale isolement komen de diepmenselijke trekken boven. De reizigers zijn tot elkaar veroordeeld, maar harmonieus is het gezelschap allerminst en de kilheid van hun situatie kan de extremen niet dempen. Al het dierlijke dat de mens eigen is, komt tijdens de reis naar buiten. En bepaalt uiteindelijk het lot van Monte. Is hij een Kaïn, een Lazarus, een Jezus of een Adam? Hij is bovenal menselijk, ook in de peilloze leegte van het heelal.

High Life

Niet-lineair verteld
High Life is arthouse-sciencefiction. De film gebruikt de situaties en tropen van het genre en herschept ze tot een reflectie op levensvragen. Het verhaal in het ruimteschip wordt niet-lineair verteld, inclusief flashbacks naar het leven vóór de missie, waardoor het gebrek aan dialoog nauwelijks opvalt. De kijker moet de situatie, de personages en hun onderlinge relaties samenstellen uit de informatie die stilaan wordt prijsgegeven, en details die in het voorbijgaan niet direct opvallen maar betekenisvol zijn.

Claire Denis gebruikt een breed scala van beelden, van horror en gore tot niet zo pastorale natuur (ze echoën Solaris). Er zijn briljante momenten, zoals de scène met Dr. Dibs in de masturbatiekamer, de Fuckbox. En de lege handschoen die gewichtsloos door het vacuüm zweeft en een spook suggereert, iemand die er niet is. Of het zeemansgraf van dode teamleden die in formatie en in slow motion over het scherm schuiven—een beeld dat even poëtisch als verontrustend is. Net als de film.

 

12 maart 2019

 

ALLE RECENSIES