Extraordinary Journey of the Fakir, The

*
recensie The Extraordinary Journey of the Fakir

Geen hoogvlieger

door Rob Comans

Neem een paar stereotiepe Indiërs, dompel ze onder in een sentimenteel verhaal, vul dit aan met zoete romcom-stroperigheid, vermeng dat met sociale relevantie en een flinke toef Bollywood-exotisme en breng alles op smaak met ingrediënten uit eerdere crowd pleasers zoals Slumdog Millionaire (2008), Life of Pi (2012) en Lion (2016). 

Zie hier het hapklare recept voor The Extraordinary Journey of the Fakir, een film die ongegeneerd het lijstje van mierzoete benodigdheden voor succesvolle publieksfilms aftikt, en ook nog het mondiale vluchtelingenprobleem wil aankaarten. Helaas vliegt deze door regisseur Ken Scott aangestuurde fakir zo laag en voorspelbaar op zijn doel af dat je hem al van mijlenver ziet aankomen.

The Extraordinary Journey of the Fakir

Omzwervingen
Ajatashatru ‘Aja’ Lavash Patel (Dhanush) groeit als straatjochie op in Mumbai, waar hij als ‘fakir’ toeristen geld uit de zak klopt. Zijn moeder (Seema Biswas) wil hem niet zeggen wie zijn vader is, behalve dat ze hem in Parijs heeft leren kennen. Dus vertrekt Aja wanneer hij eenmaal volwassen is richting de Lichtstad. Daar leert hij Marie (Erin Moriarity) kennen bij de plaatselijke Ikea, waar Aja ‘logeert’ omdat hij zelf geen onderkomen kan betalen. Voordat hij haar in zijn armen kan sluiten, volgen de vele verplichte plotwendingen en omzwervingen waaraan de film zijn titel ontleent. Tel even mee: van Parijs reist Aja naar Londen, dan naar Barcelona, Rome, Tripoli, terug naar Parijs om vervolgens weer in Mumbai te landen.

Illegalen
Op een van zijn ‘reizen’ ontmoet Aja een groep Somalische illegalen. Eén van hen, Wiraj (Barkhad Abdi), wordt Aja’s vriend. Zij hopen in Londen werk te kunnen vinden, maar worden tegengehouden door een bureaucratische immigratiebeambte (Ben Miller), die middels een misplaatst en pijnlijk niet grappig ‘musicalnummer’ het repressieve Britse immigratiebeleid uitlegt. Uiteindelijk belandt Aja in Rome, waar hij actrice Nelly Marnay (Bérénice Bejo) leert kennen. Wanneer zij hem financieel op weg helpt, brengt hij haar als dank weer samen met haar grote liefde. Cue voor het verplichte zang- en dansnummer waarin Aja en Nelly op zijn Bollywoods losgaan. Ettelijke omzwervingen later komt alles weer goed in Mumbai. Marie dumpt haar nieuwe vriend om weer met Aja samen te kunnen zijn, en Aja behoedt als wijze leraar de drie jochies die de raamvertelling van de film vormen voor een lange gevangenisstraf.

Ikea
Er is niks mis met pretentieloos vermaak, dat The Extraordinary Journey of the Fakir dan ook in grote hoeveelheden brengt. Wanneer de ontmoeting met Wiraj de aanzet blijkt voor een geforceerde poging om sociale relevantie en maatschappijkritiek in de film te stoppen, schiet regisseur Scott zijn doel echter ver voorbij. Ook de hijgende pogingen om aan te sluiten bij het referentiekader van het filmpubliek middels Ikea-referenties is stuitend. De jonge hoger opgeleide startende twintigers en dertigers waarop de film zich richt, zullen veel van hun interieurstijl in de film herkennen, en voor deze schaamteloze sluikreclame zal Ikea veel geld over hebben gehad.

The Extraordinary Journey of the Fakir

Iets soortgelijks deed regisseur David Fincher ook al in Fight Club (1999), maar daar was het bedoeld als zwart-komische kritiek op een oppervlakkige, materiële levensstijl. Niets van dit soort ironie bij The Extraordinary Journey of the Fakir: hier is een Ikea-interieur iets om oprecht naar te verlangen. Aju gebruikt zelfs een Ikea-pot als urn voor zijn moeders as (!), die hij keurig op het Parijse graf van zijn vader achterlaat. Dat Ikea de laatste jaren vaak in opspraak kwam vanwege uitbuiting en onethisch gedrag wordt keurig onder het fakir-tapijt gemoffeld.

Harteloosheid
The Extraordinary Journey of the Fakir voornaamste probleem is dat de film, onder alle felle Bollywood-kleurtjes en oppervlakkige romantiek, de ongelijkheid, uitbuiting, het onrecht en materialisme omarmt die de film pretendeert te veroordelen. Deze ‘harteloosheid’ blijkt wanneer Wiraj en Aja spreken over het verschil tussen een toerist en een illegale vluchteling. Plotseling maakt Wiraj de opmerking: “He who swallows coconuts has faith in his butthole.” Aja: “I don’t see the relevance.” Wiraj: “No relevance, I just love the proberb…”

Diegenen die gecharmeerd zijn van mierzoete, inhoudsloze, bijna cynisch gecalculeerde fluff zullen The Extraordinary Journey of the Fakir inderdaad buitengewoon vinden. Mensen die liever door films worden aangesproken op gebieden boven het middenrif zullen nauwelijks wakker kunnen blijven.

9 december 2018

 

ALLE RECENSIES

Elephant Man, The

The Elephant Man
Van mensen en monsters

door Rob Comans

“‘Tis true my form is something odd, But blaming me is blaming God. Could I create myself anew, I would not fail in pleasing you. If I could reach from pole to pole, Or grasp the ocean with a span. I would be measured by the soul, The mind’s the standard of the man.” 

Deze woorden van de Engelse predikant en theoloog Isaac Watts (1674-1748) waarin hij pleit voor het beoordelen van mensen op hun geest in plaats van hun uiterlijk, was naar verluidt een geliefd citaat van Joseph Casey Merrick (1862-1890).

The Elephant Man

Olifant-man
De in Leicester geboren Merrick werd bekend als de ‘olifant-man’ vanwege een zeer zeldzame aandoening die hem ernstig misvormde. Vergroeiingen van zijn schedel, ruggengraat en ledematen en vele wratachtige uitstulpingen van zijn huid gaven hem een olifantachtig uiterlijk, een feit dat hem in het Victoriaanse Engeland waarin hij leefde tot een medisch curiosum maakte en veroordeelde tot een bestaan als bezienswaardigheid.

Onverfijnd als zijn verschijning misschien geweest mag zijn, zijn geest was dit allesbehalve. Merrick was intelligent en erudiet, en een liefhebber van het theater. Zijn marginale bestaan veranderde toen de chirurg Dr. Frederick Treves hem ontmoette, en diens professionele interesse werd gewekt door Merricks zeer zeldzame aandoening (waarschijnlijk een combinatie van neurofibromatose en Proteus-syndroom). Hoewel Treves besefte dat hij niet bij machte was Merrick te helpen, besloot hij zich desondanks over de ‘olifant-man’ te ontfermen. Er ontstond een vriendschap tussen beide mannen totdat Joseph Merrick, op 11 april 1890, op 27-jarige leeftijd in het Royal London Hospital (RLH) overleed.

In 1923 verschenen Frederick Treves’ memoires, The Elephant Man and Other Reminiscences, die samen met het boek The Elephant Man: A Study in Human Dignity (1973) van Ashley Montagu de basis vormden voor het scenario dat Christopher De Vore, Eric Bergen en David Lynch schreven voor The Elephant Man (1980). Regisseur Lynch, een liefhebber van het bizarre en surreële, kiest voor een grotendeels realistische benadering van Merricks buitengewone verhaal. Toch is het een onvervalste David Lynch-film door de sympathie en fascinatie voor diegenen die als ‘anders’, ‘bizar’ of ‘monsterlijk’ worden gezien. Joseph Merrick (John Hurt), in de film steevast als John aangeduid, is ondanks zijn ‘monsterlijke’ uiterlijk tot meer menselijkheid in staat dan de meeste mensen in zijn omgeving die zich tegenover hem vaak monsterlijk gedragen.

Uitgebuit
Dat begint al met de kermisexploitant Bytes (Freddie Jones), die John uitbuit en blootstelt aan de verafschuwde blikken van Victoriaans Londen en hem mishandelt. Ook Dr. Treves (Anthony Hopkins), die John op het spoor komt en hem naar zijn werkplek RLH haalt, hoopt in eerste instantie vooral zijn carrière te bevorderen. In een kille collegezaal, gevangen in scherp lamplicht en aangegaapt door Treves’ collegae van het Anatomisch Genootschap, wordt duidelijk dat dit publiek misschien veranderd is, maar niet zijn situatie. Ook de gevierde theateractrice Madge Kendal (Anne Bancroft), die zich middels John wil profileren als barmhartige Samaritaan, brengt geen verandering. Het resulteert slechts in een stoet van societyfiguren die, noblesse oblige, de bescheiden vertrekken van John aandoet. Als de jongeman zich al bewust is van de onoprechtheid van de mensen om hem heen, laat hij hiervan niets merken.

Bij zijn opname in het RLH wordt Merrick opnieuw uitgebuit, ditmaal door een brute nachtwaker (Michael Elphick), die bezopen kroegvolk tegen betaling langs de ‘olifant-man’ leidt. Opnieuw valt John hierna in handen van Bytes, en brengt een kermistournee hem naar Frankrijk. De voortdurende mishandelingen, waaronder Johns gezondheid lijdt, leiden tot een van de mooiste scènes van de film, waarin hij wordt bevrijd door meelijdende kermisfreaks: in een vreemde optocht loodsen zijn hun mede-verschoppeling door een nachtelijk landschap en brengen hem de volgende morgen naar een boot terug naar Engeland. Bij het afscheid drukt een dwerg (Kenny Baker, R2D2 uit de Star Wars-films) John op het hart: ‘Luck, my friend! Luck, and who needs it more than we?’ Lynch maakt hier duidelijk dat de ‘freaks’ tot meer solidariteit en medemenselijkheid in staat zijn dan ‘gewone’ mensen.

The Elephant Man

Gezondheid
Dat blijkt opnieuw in de volgende scène, waarin John tijdens een opstootje op het Londense station in een hoek wordt gedreven. ‘No! I am not an elephant! I am not an animal! I am a human being! I am a man!’, schreeuwt hij. Dit hard bevochten besef van eigenwaarde en identiteit zou John hoogstwaarschijnlijk ontgaan zijn zonder dr. Treves en de positieve ervaringen in diens ziekenhuis. Uitgeput wordt Merrick uiteindelijk weer in het RLH afgeleverd, en opnieuw toevertrouwd aan de goede zorgen van dr. Treves, ziekenhuisdirecteur mr. Carr-Gomm (John Gielgud) en hoofdverpleegster Mothershead (Wendy Hiller).

De gebeurtenissen hebben emotioneel en fysiek veel van John gevergd en zijn gezondheid gaat zienderogen achteruit. Madge Kendal nodigt hem uit voor zijn eerste (en helaas ook laatste) theaterbezoek. Als ze de voorstelling van die avond opdraagt aan haar ‘vriend’ John, is de gereserveerdheid die de actrice werkelijk voelt ten opzichte van hem kort, maar duidelijk van haar gezicht af te lezen. Na zijn theaterbezoek bedankt John Treves voor zijn goede zorgen – beide mannen beseffen dat ze veel aan elkaar te danken hebben. Als John daarop zijn kartonnen model van de vlakbij gelegen kathedraal van St. Philips heeft voltooid, lispelt hij ‘It is finished’ – daarmee tevens zijn zelfgekozen dood aankondigend. Hij besluit liggend te gaan slapen, al beseft hij dat hij hierdoor zal sterven. Zonder de ondersteuning van meerdere kussens voor zijn vergrote, zware schedel zal het gewicht hiervan Johns luchtpijp afknijpen. Op de melancholische tonen van Samuel Barbers Adagio for Strings (zelden effectiever gebruikt in een film) slaapt John Merrick voorgoed in.

Make-up
Dat The Elephant Man zo’n indrukwekkende ervaring is, komt in de eerste plaats door de fenomenale acteerprestatie van John Hurt. Ondanks de grime waarachter het gezicht van de acteur bijna geheel schuilgaat, geeft hij zijn personage warmte, menselijkheid en verfijning. John Hurt bracht per draaidag maar liefst zeven à acht uur door in de grimeursstoel voor het aanbrengen van de door Christopher Tucker ontworpen maskers en make-up, en vijf uur voor het verwijderen ervan. Tuckers werk was zo uitmuntend dat het in belangrijke mate bijdroeg aan de introductie van een Oscar voor make-up effecten, uitgereikt sinds 1982.

The Elephant Man ontving acht Oscarnominaties, en vijf BAFTAS, waaronder beste regie voor David Lynch, en beste cinematografie voor Freddie Francis. Deze tovert in prachtige zwart-wit beelden het Victoriaanse Engeland om in een wereld van duistere indrukken. Hierin is Lynch’ voorliefde voor het bizarre weliswaar aanwezig  – langzaam uitdijende rookwolken, duistere industriële landschappen, droombeelden, nachtmerrieachtige scènes waarin Merricks moeder (Phoebe Nichols) wordt ‘belaagd’ door wilde olifanten – maar als context op de achtergrond. Francis toont zich ook een visuele grootmeester in het weergeven van de uitbundige kermisscènes en het rustige, door gaslicht verlichte RLH. Zijn evocatieve camerawerk ademt onheil en dreiging; fantasie en betovering – typisch ‘Lynchiaanse’ gevoelens die de Victoriaanse wereld van The Elephant Man kenmerken.

The Elephant Man

Cynisch?
Is Lynch’ film in het blootleggen van de hypocrisie, ambivalentie en exploitatiezucht die de wereld toont tegenover de ‘olifant-man’ cynisch? Of is dit simpelweg een weergave van de toen heersende, weinig verlichte moraal ten opzichte van wat als normaal/abnormaal of mooi/lelijk werd gezien? Lynch laat deze keuze grotendeels aan de toeschouwer. Hij is meer geïnteresseerd in hoe mensen zoals Joseph Merrick, wiens uiterlijke verschijning indruist tegen de heersende norm, hun weg vinden in een niet-begrijpende, afwijzende en kleingeestige wereld.

Gezien Merricks liefde voor literatuur is het treffend dat de film afsluit met een citaat uit het gedicht Nothing will Die van Alfred Tennyson, waarin het eeuwige, onvergankelijke en cyclische karakter van de wereld en haar seizoenen wordt bezongen:

Never, oh! Never, nothing will die.
The stream flows,
The wind blows,
The cloud fleets,
The heart beats,
Nothing will die. 

Een volgende strofe uit dit gedicht (niet geciteerd in de film) luidt:

The world was never made;
It will change, but it will not fade
(…)
Nothing was born;
Nothing will die;
All things will change.

Als dit klopt, is de essentie van Joseph Merrick niet vervlogen. Zijn nagedachtenis roept ons op elkaar te beoordelen op wie we zijn, niet op hoe we eruitzien, en open te staan voor datgene dat we niet begrijpen (en dus vrezen). David Lynch’ The Elephant Man is hierin een magistrale richtingwijzer.

 

27 november 2018


ALLE ESSAYS

Mary Shelley

***
recensie Mary Shelley 

Feministe en vrijdenker avant la lettre

door Alfred Bos

Speelfilm over de tienerjaren van Mary Shelley (geboren Godwin), haar relatie met de dichter Percy Bysshe Shelley en diens vriend Lord Byron, en de wording van haar wereldberoemde roman, Frankenstein.

Het minste wat je van een biopic mag vragen is dat de film zich aan de elementaire feiten houdt. Dat zit wel snor met Mary Shelley, de speelfilm van de Saudi-Arabische regisseur Haifaa Al-Mansour over de schrijfster van een van de beroemdste romans uit de wereldliteratuur, Frankenstein; or, The Modern Prometheus. De beslissende jaren uit het nog jonge leven van de auteur – Shelley was 18 toen ze Frankenstein schreef – en haar omgang met de literaire kopstukken in het Engeland van haar tijd, de vroege negentiende eeuw, worden als kostuumdrama op het filmdoek gebracht.

Mary Shelley

En aan drama geen gebrek in het leven van Mary Shelley. Moeder, filosofe en eerste feministe Mary Wollstonecraft, overleden in het kraambed. Opgevoed door haar vader, de politiek filosoof, uitgever en boekhandelaar William Godwin, in de film vertolkt door Stephen Dillane. Eerste kind, gebaard op haar zeventiende, kort na de geboorte overleden. (Ook haar twee volgende kinderen overleden op zeer jeugdige leeftijd, maar dat valt buiten het kader van de film die stopt na de publicatie van Frankenstein in 1818.)

Daar bleef het niet bij. Affaire met de getrouwde dichter Percy Bysshe Shelley (verdronken in 1822), die tevens haar zus Claire Claremont bezwangerde. Financiële nood. Tegengewerkt door het literaire establishment. Maar ondanks al die tegenslag en misère: succes. Opgevoed als intellectueel en belichaming van de Verlichting, was Mary Shelley de eerste vrouwelijke auteur die via haar pen een onafhankelijk bestaan kon opbouwen.

Verlatingsangst
Als een biopic meer wil zijn van een verfilmde Wikipedia-pagina is het mooi als de film ook iets van een visie op zijn onderwerp heeft, of een andere (nieuwe?) kijk op dat leven biedt. Al-Mansour suggereert dat Shelley’s vrees om emotioneel in de steek te worden gelaten – in haar geval door naaste dierbaren die overlijden – een rol in de schepping van haar wereldberoemde roman heeft gespeeld. Aldus valt Frankenstein niet te lezen als het verhaal van de mens die voor god speelt en leven maakt uit dode materie, maar als de zielsklacht van een schepsel in existentiële nood, bang om afgewezen te worden. Die uitleg is zo gek nog niet; het maakt duidelijk hoeveel diepgang Shelley’s roman heeft en hoe rijk het boek is aan (nog steeds actuele en prangende) ideeën.

Tegenwoordig is Mary Shelley een rolmodel voor jonge vrouwen – ze werd door Percy Shelley ontmaagd op het graf van haar moeder, hoe cool is dat? Dat toont de film dan weer niet – en ze kan worden gezien als een van de eerste moderne denkers, ze was als onafhankelijke geest haar tijd ver vooruit. De kring rond de Engelse dichters uit de periode die in de literatuurgeschiedenis bekend staat als de Romantiek (eind achttiende, begin negentiende eeuw) legde de basis voor de levensvisie en levensstijl van de latere bohemiens in Frankrijk, en, in de twintigste eeuw, de Amerikaanse beatniks. Daar gaat deze film uiteraard niet over, maar iedere hippie, punk of vrijdenker kan zich in Mary Shelley herkennen.

Mary Shelley

Hypocriete vrijdenkers
Deze biopic past dus perfect in het #metoo-tijdperk. De film besteedt relatief weinig aandacht aan de beroemde ontstaansgeschiedenis van Frankenstein: in 1816 geschreven tijdens een verregende vakantie in een villa aan het meer van Genève, waar Mary (Elle Fanning) en Percy (Douglas Booth) te gast waren bij Lord Byron (Tom Sturridge) en diens lijfarts John William Polidori (Ben Hardy); de laatste schreef tijdens die gelegenheid het klassiek geworden vampierverhaal The Vampyre, gepubliceerd op naam van – godbetert – Lord Byron.

Meer aandacht is er voor de emotionele en amoureuze relaties tussen Mary en Percy, en Lord Byron en Mary’s zus Claire Claremont (Bel Powley). Byon wordt neergezet als seksistische narcist (‘vrouwen hebben minder verbeelding dan mannen’) en abjecte philanderer die vrouwen beschouwt als seksspeeltjes. De Romantische dichters mochten zich dan wel vrijdenkers wanen, als het op de vrije liefde aankwam, waren ze traditioneel hypocriet. Laat je niet foppen door de prachtige kostuums. Zoveel is er in tweehonderd jaar ook weer niet veranderd.

 

20 november 2018

 

ALLE RECENSIES

Widows

***
recensie Widows

Vechten op drijfzand

door Alfred Bos

Oscar-winnaar Steve McQueen komt na zijn doorbraakfilm 12 Years a Slave met een atypische genrefilm, waarin de personages veelvuldig in de spiegel kijken. Wat is liefde waard in een samenleving die alles in geld uitdrukt?

Vertrouwen is wat mensen – een huwelijk, een gemeenschap, een samenleving – bijeen houdt. Wantrouwen is wat criminelen hun volgende verjaardag doet halen en Steve McQueen, de met een Oscar gelauwerde regisseur van het geëngageerde 12 Years a Slave, gebruikt de mal van de misdaadfilm om een punt te maken over menselijke verhoudingen in de wereld van vandaag. Door clichés en vaste patronen vanuit een ander gezichtspunt te belichten, morrelt hij niet zozeer aan conventies, hij trekt de vloer onder onze (schijn)zekerheden weg. Het werkt, maar ook weer niet.

Widows

De keerzijde van vertrouwen is verraad en bedrog is de zuurstof – of is het de stikstof? – waar de plot van Widows op draait. Veronica (Viola Davis) is de echtgenote van een crimineel, Harry Rawlings (Liam Neeson). Wanneer zijn bende bij een kraak gruwelijk aan zijn eind komt, draait zij op voor Harry’s openstaande schulden. Ze ronselt de weduwen van Harry’s kornuiten om de klus tegen de klippen op te klaren. Handleiding zijn Harry’s aantekeningen voor zijn volgende karwei. Widows is een heistfilm, maar niet volgens het boekje.

Politiek is business
De vrouwen weten niet van elkaars bestaan en de film maakt veel werk van hun wantrouwen tegenover Veronica en hun weerstand om met haar samen te werken. Widows telt een aanzienlijk aantal personages die elk qua psychologie net voldoende worden getypeerd om als individu herkenbaar te zijn. Van het kwartet weduwen krijgt de geestelijk en fysiek mishandelde blondine Alice (Elizabeth Debicki) naast Veronica de meeste aandacht; Linda (Michelle Rodriguez), die haar boetiek verliest, en Amanda (Carrie Coon) zijn vluchtiger geschetst. Ze worden bijgestaan door de kapster Belle (Cynthia Erivo), die eveneens haar man verloor door politiegeweld. Veronica cum suis vechten voor hun leven, op drijfzand.

Hun tegenstrevers zijn mannen, Jamal Manning (Brian Tyree Henry), de misdadiger die een politiek ambt nastreeft, en diens jongere broer en rechterhand Jatemme (Daniel Kaluuya), een psychopaat die spreekt via mes en pistool. Mannings concurrent in de verkiezingen voor een functie in het stadsbestuur is Jack Mulligan (Colin Farrell), zoon van een oligarch op leeftijd (Robert Duvall), die anders dan zijn vader meent dat politiek méér is dan zakendoen. Achter Jack staat een ambitieuze vrouw, Siobhan (Molly Kunz). Het knappe van Widows is dat het verhaal helder blijft en al die personages uit de verf komen, met een glansrol voor Farrell.

Widows

Surrealistische kronkels
Widows is gebaseerd op de gelijknamige tv-serie uit 1983 van de Britse misdaadauteur Linda de la Plata, die, in alle eerlijkheid, geen hoogvlieger in het genre is; wel populair. Het verhaal is verplaatst van Londen naar Chicago, wat de vermenging van misdaad, racisme en politiek (‘Ignorance is the new excellence’) actueel maakt; begin vorig jaar publiceerde het Amerikaanse ministerie van Justitie een vernietigend rapport over het politiekorps van de stad. Toch ontkomt de film niet aan een zekere emotionele vlakheid, die wordt versterkt door het simpele feit dat de personages hun ware emoties niet uitspreken, doch indirect tonen via machinaties en intrige. Niet alleen de filmkarakters weten niet wat ze aan elkaar hebben, dat weet de kijker ook niet.

Personages goed neergezet, enerverende opening waarin handeling en karakters knap worden geïntroduceerd via listige montage, interessante premisse—en toch blijft het allemaal een beetje bloedeloos. Het euvel zit in het script, waarvoor McQueen heeft samengewerkt met Gillian Flynn, de schrijfster van Gone Girl. De twist van Widows is in psychologisch opzicht net zo ongeloofwaardig als de surrealistische kronkels van de succesfilm die David Fincher naar haar boek maakte.

In 2012 verpakte Andrew Dominik snoeiharde kritiek op de Amerikaanse samenleving (‘America is not a country. It’s a business.’) in een bloedsterke genrefilm, Killing Them Softly. Een vergelijkbaar engagement schemert in Widows, het komt er alleen onvoldoende uit. Widows meet zich een pak aan dat net een maatje te groot is. Het wil te graag publieksfilm zijn.

 

19 november 2018

 

ALLE RECENSIES

Bohemian Rhapsody

**

recensie Bohemian Rhapsody

Is this the real life? Is this just fantasy?

door Alfred Bos

Overbodige biopic van de Engelse rockgroep Queen, die een potje maakt van de feiten en de moraliserende vinger heft naar het hedonisme van zanger Freddie Mercury.

Biopics, verfilmde levensverhalen, zijn een problematisch genre. Ze moeten zich – als het even kan – aan de feiten houden en het drama benadrukken. Bohemian Rhapsody, dat het verhaal van de Engelse rockband Queen als speelfilm vertelt, heeft een extra probleem. Op 24 november 1991 overleed zanger Freddie Mercury aan de gevolgen van aids. Maar dat blijft buiten beeld, want de film werkt toe naar de climax, de verbluffende bijdrage van de groep aan Live Aid. En stopt daar.

Bohemian Rhapsody

De feiten: Live Aid vond plaats op 13 juli 1985. In het najaar van 1985 consulteerde Mercury zijn huisarts met klachten die gerelateerd zouden blijken aan besmetting met het aidsvirus. De diagnose werd in het voorjaar van 1987 gesteld. Twee jaar later informeerde hij de andere bandleden. Het is naverteld in het dramadocu The Freddie Mercury Story: Who Wants to Live Forever (2016), met John Blunt in de rol van de Queen-zanger.

Het probleem, Bohemian Rhapsody moet dus schipperen. De feiten rond Mercury’s ziekte – zijn vermoeden, de diagnose en de boodschap aan de andere bandleden – worden geplaatst kort vóór Live Aid. In de jaren tachtig was aids een doodvonnis, er bestond nog geen remedie. Hoe Freddie Mercury daar op reageerde – trots en professioneel, tot de energie echt op was – blijft buiten de film. Bohemian Rhapsody gaat het werkelijke drama zorgvuldig uit de weg.

Valse nicht
Dus moet de film het drama ergens anders vandaan halen. En daarmee vouwt Bohemian Rhapsody zich in een nieuwe knoop, want door te sjoemelen met de feiten suggereert de film dat de zanger voor zijn uitbundige leefstijl werd gestraft met aids en zich daar vervolgens schuldig over voelde tegenover zijn collega’s. Het is puriteins moralisme van de koude grond en – kwalijker – dubieuze spin. Rommelen met de feiten en daar een fantasiebeeld uit koken—Bohemian Rhapsody past in de wereld van het nepnieuws en de alternatieve feiten. Zelfs de herkenningstune van distributeur 20th Century Fox is ‘verqueend’.

Daarmee doet de film, mede geproduceerd door de groepsleden Brian May en Roger Taylor, recht aan zijn problematische voorgeschiedenis. Reeds aangekondigd in 2010, stapte Sacha Baron Cohen uit het project als vertolker van Mercury en regisseur Bryan Singer (de X-Men films) maakte tijdens de productie plaats voor Dexter Fletcher (Eddie the Eagle). De tekst van Bohemian Rhapsody, het nummer, is Mercury’s reflectie over het groeiend besef bij hemzelf over zijn seksuele identiteit, en zijn keuze daarin. Het is altijd dubbel gebleven. Dat is het drama van Freddie Mercury, de film gaat eraan voorbij.

Bohemian Rhapsody focust op het verhaal van Queen tussen 1970 en 1985 dat wordt verteld aan de hand van twee belangrijke relaties in het leven van Freddie Mercury: zijn vriendin en grote liefde Mary Austin (Lucy Boynton) en Paul Pretner (Allen Leech), van 1975 tot 1985 zijn persoonlijke assistent. Die laatste, een controversiële figuur in Queen-kringen, is in de film de kwade genius die de exuberante zanger losweekt van de groep en hem naar zijn ondergang – homoclubs, orgastische feesten, laveloze seks en aids – brengt. Pretner wordt geportretteerd als de spreekwoordelijke valse nicht.

Bohemian Rhapsody

Live Aid
Tijdens de succesjaren van Queen was Mercury’s homoseksualiteit geen probleem, voor pers noch publiek. Het kwam domweg bij niemand op dat de zanger met de operateske stem en de ballerina-achtige podiumpassen de Griekse beginselen zou zijn aangedaan, zelfs niet toen hij zijn snor liet staan en oogde als een clone, het uniform van de New Yorkse gay scene. Het was een act, dacht men, passend bij zijn kleurrijke karakter. Ook de Aziatische afkomst van Freddie Mercury, op Zanzibar als Farrokh Bulsara geboren uit Perzisch-Indiase ouders, was nimmer een punt. Vroeg in de film wordt er gehint op racisme, het voelt onnodig.

We gaan niet zagen over blunders met de tijdlijn: op een feest uit 1980 kan Rick James’ Superfreak niet hebben geklonken want die is van najaar 1981 en tijdens de eerste Amerikaanse tournee van 1974 kan Queen nimmer Hammer to Fall hebben gespeeld want dat is een single uit 1984. Kan gebeuren, stoort niet. Rami Malek, bekend van de tv-serie Mr. Robot, is compleet met gebitsprothese een meer dan overtuigende Freddie Mercury; ook het stemgeluid en de dictie van acteur Gwilym Lee die Brian May vertolkt zijn griezelig natuurgetrouw. Dat is een ster waard.

Maar wat moeten we met een film die de tv-registratie van Queens triomf op Live Aid – vaak genoemd als het beste rockconcert ooit – seconde voor seconde tot in het kleinste detail naspeelt? Wat is het punt? Technisch gezien is het een knap staaltje. Maar waarom op breedbeeld en in Dolby Atmos namaken wat al jaren op YouTube is te zien? Is this the real life? Is this just fantasy? Open your eyes and see: deze escape from reality is volmaakt overbodig.
 

29 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Leaning into the Wind

***

recensie Leaning into the Wind

Land Art voor beginners

door Bob van der Sterre

Leaning into the Wind. Het is dit keer niet het spreekwoordelijke dansende plastic tasje in de wind, maar een heuse kunstenaar die in de wind balanceert. De Schot Andy Goldsworthy maakt kunst van natuur en vindt zichzelf er onlosmakelijk onderdeel van. We zien dat in deze interessante, maar ook wat tamme documentaire.

Land Art is een lastig kunstgenre voor snelle kunstconsumenten. Geen fijn genre voor de New Yorkse galeriewereld. Het zou er niet eens in passen, al die bomen en rotsen. Andy Goldsworthy is een van de bekendste vertegenwoordigers van de stroming. Sinds de jaren zeventig maakt hij kunst van wat natuur hem biedt en vaak met behulp van materialen uit de natuur. Stenen, bomen, klei, blaadjes. Bekend zijn bijvoorbeeld zijn bogen.

Klasse apart
Land Art is net zo divers als de gewone kunst. Mensen als Richard Long, Michael Heizer en James Turrell (zie in Den Haag zijn Hemels Gewelf) vullen het weer anders in dan Goldsworthy. Toch is Goldsworthy een klasse apart in het genre. Vandaar deze tweede film over hem. Thomas Riedelsheimer, die deze film regisseerde, maakte in 2001 ook al Rivers and Tides over Goldsworthy. Leaning into the Wind kun je zien als de opvolger. Maar slechts losjes. De film verwijst niet naar zijn voorganger. We observeren hoe de kunstenaar anno nu werkt, hoe hij horizontaal door wilgenstruiken heen kruipt, in een boom klimt, stenen stapelt, nadenkt.

De documentaire leert ons dat Goldsworthy het heerlijke leven leidt van een man die elke dag lekker kan prutsen in en met de natuur. Of het nu Gabon, Schotland of Zuid-Frankrijk is, elk landschap biedt wel wat om mee te spelen. “Ik heb dit niet geleerd op de kunstacademie, maar op de boerderij.”

Wat opvalt is hoe intens en oneindig de relatie tussen de kunstenaar en de wereld om hem heen is. De documentaire fascineert vooral omdat je erbij bent, hoe ideeën komen en gaan in het hoofd van Goldsworthy. Een soort improv-optreden van een speelse geest. Hoe hij een hand van klei onder een waterval schoon spoelt. Met een straal zonlicht en zand een installatie maakt in een hutje. Een boom heen en weer wiegt en de stof sierlijk laat wegwaaien. Klaprozen spugen? Check!

Als het regent op straat gaan liggen
Ook een van Goldsworthy’s pleziertjes: als het regent op de straat gaan liggen en dan een droge plek achterlaten. Hij beseft dat veel van zijn werken vergaan (het merendeel is er zelfs maar eventjes) maar ook dat veel van zijn werken hem zullen overleven, tot misschien wel een verre toekomst. Een voordeel van een kunstenaar die niet op kwetsbaar canvas werkt. Toekomstige archeologen kunnen zich er dan straks hun kop over breken: “Deze stenen in de vorm van een graf moeten wel een religieuze betekenis hebben gehad.”

Leaning into the Wind

Uit de documentaire blijkt hij een nuchtere, vriendelijke vent, die je in het bos voor een enthousiaste hobbyist met teveel vrije tijd zou aanzien. Imponerende gedachtegangen over kunst hoef je niet te verwachten bij hem. Het woord kunst komt volgens mij in de docu niet eens voor.

Stap even opzij
Toch, zo recht-door-zee als zijn kunst is, soms zijn opmerkingen over kunst wel treffend. Zoals wanneer je ‘het’ voelt als kunstenaar: “Sommige momenten zijn helder, daarna is het weer onduidelijk.” Of deze, die ook niet vreemd had geklonken als uitleg van kunst door een zevenjarige: “Stap opzij van de normale manier van kijken naar dingen.”

De documentaire is net als zijn voorganger mooi en rustgevend – een soort vorm van Slow Cinema. Een type prettig wegkijkende documentaire zoals je wel vaker ziet in het kunstgenre. Maar ook tam en ongevaarlijk. Het is en blijft ook een lastig dilemma: staat de kunstenaar die je portretteert voorop, of is de film die je zelf maakt het kunstwerk? Observeren is het meest gepast in deze situatie maar je handen jeuken toch ook om zelf iets vernieuwends en eigenzinnigs te maken? Riedelsheimer komt er niet helemaal uit, maar het zal de fans van Goldsworthy niet tegenhouden om deze film stuk te kijken.
 

8 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Whitney

****

recensie Whitney

Misbruikte schoonheid

door Alfred Bos

Was sterzangeres Whitney Houston heimelijk biseksueel? Sloeg echtgenoot Bobby Brown haar? Werd ze als kind misbruikt? En waarom haatte dochter Krissi haar? Dat alles en nog veel meer in de documentaire Whitney. Niks sensatiezucht, maar eerherstel.

Hoe zou de popmuziek van het sociale media-tijdperk hebben geklonken zonder Whitney Houston? Anders, minder gemaniëreerd, meer naturel. Elke zangeres die de afgelopen vijftien jaar heeft meegedaan aan een tv-talentenjacht probeert Whitney’s vocale strapatsen te imiteren, inclusief trillers, uithalen en melisma. Maar niemand komt ook maar in de buurt van haar aangeboren en – door haar moeder, zangeres Cissy Houston – behoedzaam getrainde talent. Haar mezzosopraan buigt staal.

Op 11 februari 2012 werd Whitney Houston dood aangetroffen in haar kamer in het Beverly Hills Hotel in Los Angeles. Verdronken in bad. Ze had haar tante Mary eropuit gestuurd om cupcakes te scoren, daar had ze opeens zin in. De autopsie trof in haar bloed cocaïne en een reeks (legale) medicijnen aan. Ze was in het water weggedommeld. Een banaal einde voor de zangeres die de link vormt tussen Aretha Franklin en Rihanna, tussen gospel en ‘arrenbie’, tussen de kerk en de straat. De straat won, uiteindelijk.

Meest onderscheiden vrouwelijke artiest ooit
Het ging al een aantal jaren niet goed met het natuurtalent dat op 21-jarige leeftijd de muziekwereld en het publiek verblufte. Whitney Houston uit 1985 werd het meest succesvolle debuutalbum van een zangeres ooit (wereldwijd meer dan dertig miljoen exemplaren verkocht). Ze had zeven Amerikaanse nummer 1-hits op rij, meer dan The Beatles, Elvis Presley, Bee Gees of Michael Jackson. Ze wist The Star Sprangled Banner, het Amerikaanse volkslied, tot tweemaal toe de Amerikaanse hitparade in te zingen en haar vertolking van Dolly Partons I Will Always Love You (uit de hitfilm The Bodyguard, 1991) is de best verkochte single van een vrouw uit de historie van de hitparade. Het werd na haar dood opnieuw een hit.

Whitney Houston is volgens Guinness World Records de meest onderscheiden vrouwelijke artiest ooit, maar stierf diep ongelukkig. Hoe heeft het zover kunnen komen? Het korte antwoord, bondig genoeg voor een t-shirt: beauty meets abuse. Moeder Cissy voedde haar beschermd op en stuurde Whitney naar een katholieke privéschool voor meisjes; daar ontmoette ze haar hartsvriendin (en liefdespartner, wordt gesuggereerd) Robyn Crawford. Platenbaas Clive Davis adoreerde Nippy, zoals familie en intimi haar noemden, en waakte over haar als een kostbare schat. Wat ze was, in muzikaal én zakelijk opzicht.

In 1989 kwam de straat in haar leven, in de persoon van Bobby Brown, op dat moment een grote (en vernieuwende) ster aan het soulfirmament. Na haar huwelijk met de hitmaker werd Houstons muziek minder mainstream en meer avontuurlijk, met het album My Love Is Your Love uit 1998 als beste bewijs: het is de blauwdruk van Beyoncé’s solorepertoire. Maar met Brown kwamen ook de drugs. En de handtastelijkheden. En de sabotage. Whitney was een grotere ster dan Bobby en daar kon Mr. Houston niet mee omgaan. Ze gaf haar productiemaatschappij zijn naam. De na-ijver bleef, de coke vrat haar stem aan. Whitney werd langzaam een zombie.

Whitney

Parallellen met Amy
Toen ze in 2001 een rampzalig tv-interview gaf gonsden de geruchten al volop: het gaat niet goed met Whitney. In een aantal fragmenten uit de documentaire is ze nauwelijks herkenbaar. Die harde cokekop is niet de levenslustige hartendief van I Wanna Dance With Somebody of de smachtende sirene van I Will Always Love You. ‘Ze probeerde zichzelf te vinden’, aldus tante Mary, de laatste die haar levend zag. ‘Ik was altijd op de vlucht’, volgens Whitney zelf. Heeft ze zich ooit veilig gevoeld?

Ze zou op 9 augustus 55 jaar oud zijn geworden. Het is de dag waarop Whitney verschijnt, de film die is geregisseerd door Kevin Macdonald, de man van de Bob Marley-docu Marley uit 2012, en geproduceerd door de mensen achter de documentaire over Amy Winehouse, Amy. Er zijn opvallende parallellen met het tragische verhaal van de Britse soul- en jazzzangeres: een opportunistische vader en een dubieus vriendje c.q. echtgenoot. En dan is er de sensationele beschuldiging van halfbroer Gary: Whitney en hij zouden als kind zijn misbruikt door tante Dee Dee Warwick, zus van Dionne en een van de eersten in de muziekindustrie die openlijk lesbisch was.

Whitney is geen hagiografie en smeert de sensatie er niet dik op. Interviews met naaste familieleden en intimi worden afgewisseld met archiefbeelden en homevideo’s, op de wijze waarop Amy is samengesteld. Dat betekent dat er ook vlekkerige en schokkerige beelden langskomen die sommige kijkers schele hoofdpijn kunnen bezorgen. Whitney zet iets recht: de karikatuur uit de laatste fase van haar loopbaan maakt plaats voor een tragédienne. Eerherstel voor een uitzonderlijk talent.
 

6 augustus 2018

 
MEER RECENSIES

My Generation

****

recensie My Generation

Klassenstrijd in klank en kleur

door Alfred Bos

Acteur Michael Caine praat met zijn netwerk van creatieve generatiegenoten over Swinging London, de culturele revolutie van de jaren zestig die de Britse samenleving opschudde. Met beelden en muziek van toen.

Zo leeg is een persvoorstelling zelden, we zitten met zijn vieren in de zaal. De film begint, op het scherm verschijnt een stadsbeeld van Londen in de jaren zestig. De Theems in tegenlicht, de Tower steekt scherp af tegen de zalmroze zonsondergang. Waterloo Sunset, zeg ik zonder nadenken. Op de geluidsband beginnen The Kinks aan Dead End Street. Beelden van Engelse arbeiders in beroerde wijken. Dan klinkt Waterloo Sunset. Nathalie van de KRO Gids buigt zich naar me toe. “Ze kunnen de hele documentaire vullen met The Kinks.”

My Generation

Het zegt iets over The Kinks, de Britse band die als geen andere popgroep de jaren zestig wist te vangen via sociaal-culturele portretten in hét medium van die dagen, popliedjes. En het zegt iets over Swinging London, die twee dozijn maanden rond het midden van de jaren zestig waarin zich langs de boorden van de Theems een heuse culturele revolutie voltrok. Een generatie Britse arbeiderskinderen, geboren tijdens en kort na de oorlog, brak met de traditie van hun ouders. De grauwe realiteit van de wederopbouw maakte plaats voor spetterend technicolor. De wereld kreeg kleur, letterlijk.

Pop-art
My Generation is een rondleiding door die betoverde (en betoverende) tijd aan de hand van acteur Michael Caine. Hij is de ideale gids: ervaringsdeskundige, typerend exponent van het fenomeen dat hij beschrijft, geplaatst in het hart van de culturele revolutie en gezegend met een nuchtere blik waarin humor en zelfspot zelden afwezig zijn. Hij praat met generatiegenoten, net als hijzelf gangmakers die uitgroeiden tot iconen, zoals Who-zanger Roger Daltrey, Beatles-bassist Paul McCartney, zangeres Marianne Faithfull, modeontwerper Mary Quant, model Twiggy en fotograaf David Bailey.

Het sterke van My Generation is dat de documentaire geen reeks pratende grijze hoofden op het filmdoek projecteert. We horen ze terugblikken en kijken naar beelden van toen, grafisch fraai bewerkt en flitsend gemonteerd. Op de geluidsband klinkt muziek uit die dagen plus het luchtige commentaar van Caine, die en passant een scherpe analyse geeft van het hoe en waarom.

In een notendop: arbeiderskinderen hadden – voor het eerst – toegang tot de kunstacademie en stroomden uit in de wereld van media, mode en muziek. Ze hadden geen boodschap aan traditie en conformisme; tijdens hun opleiding hadden ze kennis gemaakt met conceptuele kunst en pop-art, en die ideeën brachten ze in praktijk. Pete Townshend sloeg op het podium zijn gitaar aan gruzels. Dat had hij op de kunstacademie geleerd van Gustav Metzger, de pionier van auto-destructieve kunst.

My Generation

Radiopiraat
Wat hielp waren toevalligheden die qua timing perfect uitpakten. In 1964 werd de pil beschikbaar en begon radiopiraat Radio Caroline (de Engelse tegenhanger van Veronica) net buiten de Britse territoriale wateren de nieuwste popmuziek de ether in te sturen. De rol van Caroline als alternatief voor de gevestigde media en muziek als aanjager van de ommekeer is cruciaal gebleken. ‘Swinging London’ valt samen met de actieve jaren van de piraat, van 1964 tot en met 1967. Niet toevallig ook de piekjaren van de popsingle.

Michael Caine schetst de revolutie die medio jaren zestig de Britse samenleving kleur gaf en Londen voor even het culturele centrum van de wereld maakte als een klassenstrijd. De nieuwe generatie creatievelingen nam geen genoegen met de plek die de Britse klassenmaatschappij hen toedacht. Met een explosie van kleur en klank eisten en namen ze hun vrijheid.

De soundtrack doet recht aan de rijkdom en variatie die er in 1966 uit de transistorradio klonk. In de gecanoniseerde geschiedschrijving verklanken Beatles en Rolling Stones de jaren zestig. Maar de scherpste waarnemers van hun eigen revolte zijn minder vaak bejubelde helden als The Who, The Kinks en Donovan, wiens Sunshine Superman de aftiteling tot een feest maakt.

My Generation

Kater
My Generation eindigt een beetje vreemd. Teneur: het feest had lang genoeg geduurd, de energie ebde weg, de kater nam over. Daar laten Michael Caine en regisseur David Batty (bekend van een reeks documentaires over religie) een gouden kans liggen. Ze zetten het toneel klaar voor de spetterende finale, maar lopen hoofdschuddend de deur uit. In plaats van You Can’t Always Get What You Want had de film moeten eindigen met Street Fighting Man. Want de culturele revolutie van 1965-1967 ging naadloos over in de politieke revolutie van 1968.

Zo bevestigt My Generation een oude wijsheid: het voorspel is vaak leuker dan de climax. En Ray Davies, voorman van The Kinks, zong in 1971 ‘I’m a 20th century man but I don’t wanna be here’. Hadden de technocraten toch gewonnen.
 

29 mei 2018

 
MEER RECENSIES

Lean on Pete

***

recensie Lean on Pete

Galopperend ontsnappen aan armoede

door Yordan Coban

Lean on Pete is de naam van het racepaard wiens vriendschap van grote waarde is voor de vijftienjarige Charley als het leven hem ongezind is. We volgen zijn bittere leven en zijn ontvluchting aan afhankelijkheid.

Geboren in armoede moet Charley vechten voor zijn plekje op de wereld. Daar waar hij eigenlijk buiten zou moeten spelen met leeftijdsgenoten, is een paard zijn enige vriend in de harde grotemensenwereld.

Lean on Pete

Zelfstandig
Charley woont bij zijn vader maar als zijn vader plots niet meer voor hem kan zorgen, staat hij er helemaal alleen voor. Hij gaat op zoek naar zijn tante, met wie hij vroeger een sterke band had. Hij moet niks hebben van jeugdzorg en leunt enkel op Pete voor kracht en genegenheid. Echter kent Pete een onzeker bestaan aangezien hij naar de slachterij gestuurd zal worden als hij zijn race niet wint.

Net als in Chop Shop (2007), waarin een jongen zich stort op het repareren van auto’s, hebben we hier te maken met een krachtig kind-personage dat aan zijn eigen lot is overgelaten. Wat Charley ook op zijn pad krijgt, ze krijgen hem niet klein. Hij zet door. Maar wat Charley ook leert is dat zonder middelen hij soms niet anders kan dan een dubbeltje van de duivel te lenen.

De ethiek van een hongerige dief is een uitvoerig behandelde kwestie in zowel film als literatuur. Zij die ver van armoede af staan kunnen makkelijk oordelen over de mensen die er in vast zitten. Als de neorealistische klassieker The Bicycle Thieves (1948) ons iets geleerd heeft, is het wel dat het makkelijk is om te praten over goed en kwaad als je buik gevuld is.

Charlie Plummer speelt Charley als een erg timide jongen, wat past in deze kalme film. Lean on Pete kent ook intense momenten maar is misschien wel juist het sterkst als hij ingetogen is. Regisseur Andrew Haigh, bekend van 45 Years (2015) en Weekend (2011), geeft zijn film de natuurlijke elan van een meanderende rivier. Als kijker drijf je mee op de rustige stroming van de film, met hier en daar een dramatische stroomversnelling.

Lean on Pete

Armoede
Dit is een film over armoede. Armoede als kwaal wordt vaak te makkelijk aan de verantwoordelijkheid van haar slachtoffers gekoppeld. De film toont ons alcoholistische daklozen die elk misgelopen fortuin aan zichzelf te wijten hebben. Maar hij toont ons ook de situatie van kinderen als Pete die nooit een eerlijke kans gekregen hebben om aan hun armoede te ontsnappen.

Als er in de film één personage is dat zich zonder er zelf van bewust te zijn in beangstigende onzekerheid bevindt, is het Lean on Pete wel. Als hij niet hard genoeg rent, moet hij naar de slacht.

Een maatschappij zonder een fatsoenlijk sociaal vangnet is niet ver verwijderd van een vergelijkbare realiteit. Competitie kan prachtige resultaten teweeg brengen, maar het kan niet de bedoeling zijn dat de verliezers in absolute armoede achterblijven.

Armoede is een neerwaartse spiraal, vaak beginnend met depressie gevolgd door verslaving en isolatie. Niet iedereen is sterk genoeg om zich tegen de greep van armoede te verzetten. Niet iedereen kan hard genoeg rennen.
 

29 mei 2018

 
MEER RECENSIES

Death of Stalin, The

*****

recensie The Death of Stalin

Dr. Strangelove vermomd als The Godfather

door Alfred Bos

Ensemblefilm met een rolbezetting van topacteurs over de dans om de macht in de USSR, na het overlijden van dictator Josef Stalin. The Death of Stalin is historisch kostuumdrama, maffiafilm en satire in een.

Wanneer Lavrenti Beria, de beul van Stalin en hoofd van de Russische geheime dienst, kwam aanlopen met een bosje bloemen, moest je als vrouw wegduiken. Als de dame – of vaker: het meisje – het boeket aannam, werd ze door hem verkracht. Weigerde ze de attentie, dan werd ze gearresteerd. Of erger. Beria was voor niemand bang, behalve voor zijn mentor, Stalin.

Josef Stalin, geboren Dzjoegasjvili, was een crimineel uit Georgië die banken beroofde en zo de Bolsjewieken hielp hun revolutie te financieren. Als de man van staal transformeerde hij de Sovjet-republiek in moordend (en dat letterlijk) tempo van achterlijk boerenland tot industriële grootmacht. Onder zijn terreur werden miljoenen mensen de dood in gejaagd. Stalin, wiens paranoia niemand deed vertrouwen, regeerde via angst. Onder het mom van zuiveringen waren executies van politieke tegenstanders, trouwe aanhangers en willekeurige burgers routine. Niemand was veilig, zelfs zijn familie niet.

The Death of Stalin

En Stalin zelf ook niet, want na zijn plotselinge dood op 5 maart 1953 zijn de speculaties over moord nooit verstomd. De man van staal – met lamme arm en horrelvoet – was een gangster, aan de top van de Sovjet-macht omringd door gangsters, loerend naar elkaar. Was het Beria, de serieverkrachter die uit Stalins gratie was gevallen? Of Molotov, Stalins voorganger als secretaris-generaal van de communistische partij wiens vrouw op last van Stalin was opgepakt en die nu zelf voor zijn leven vreesde? Of was het gewoon een fatale hersenbloeding?

Zwarte komedie
Over dat gezelschap van machtswellustige, door angst gedreven mannen gaat The Death of Stalin, een zwarte komedie die uit de pen van het Monthy Python-gezelschap had kunnen komen. Scenarist en regisseur Armando Iannucci, de man achter sublieme komedieseries als I’m Alan Partridge en Veep, houdt zich grotendeels aan de historisch feiten, uit respect voor de miljoenen slachtoffers van Stalins terreur. De film is geestig omdat het gegeven, de stoelendans in het machtsvacuüm na de dood van Stalin, zo krankzinnig en angstaanjagend is. Wie zoekt naar een precedent komt uit bij Dr. Strangelove, vermomd als The Godfather.

The Death of Stalin is tegelijk grimmig en hilarisch, geen kleine verdienste. Naast de absurdistische – maar realistische – dialogen is daarvoor verantwoordelijk de voortreffelijke ensemblerolbezetting met Simon Russell Beale als het addergebroed Beria, Michael Palin als de geplaagde intrigant Molotov, Jeffrey Tambor als de ijdeltuit Malenkov, en Steve Buscemi in de rol van hofnar Chroesjtsjov als de voornaamste leden van het Politbureau, aangevuld met Jason Isaacs (testosteronbom maarschalk Zjoekov), Andrea Riseborough (Stalins getraumatiseerde dochter Svetlana) en Richard Friend (Stalins alcoholistische zoon Vasili). Ze spreken eigentijds Engels, zonder namaak-Russisch accent.

Het zijn geen karikaturen maar personages, elk met hun eigen tics. Een onwaarschijnlijk gezelschap van intellectuelen en boeren, bedreven in het overlevingsspel van manipulatie en intrige. De kolderieke scènes rollen vanaf de proloog, fijntjes gesitueerd buiten de kring van Stalin, in hoog tempo over elkaar. Het gesjor met het lijk van de dictator (Adrian McLoughlin), de mist van intrige in en om diens dascha in Koenstevo, de bijeenkomsten en stemmingen van het Politbureau, de verwikkelingen rond Stalins begrafenis die ontaarden in een slachting—het zijn onontwarbare kluwen van surrealisme en dodelijke ernst. Was Iannucci’s debuutfilm In the Loop politieke satire, The Death of Stalin heeft meer dan één register.

The Death of Stalin

Nihilistische portret
Aan de vraag of Stalin werd vermoord en zo ja, door wie, waagt de regisseur zich niet. Het is hem te doen om de immoraliteit van mensen die uit naam van de goede zaak routinematig verraad plegen en moorden. De afloop is bekend: Beria ziet zijn kans schoon, maar Chroesjtsjov weet Stalins opvolger Malenkov tegen hem over te halen en het leger, in de persoon van Zjoekov, zet Beria en diens de geheime dienst buiten spel. “Zo gaan mensen dood, als hun verhaal niet klopt”, aldus Chroesjtsjov.

Ondertussen is The Death of Stalin niet alleen superieure satire, maar ook een film die wijst op de donkere kanten van politiek, op de bewustzijnsvernauwing van een gesloten kaste, op de ongecontroleerde macht die monsters kweekt, de consequenties van institutionele paranoia en op de verloederende werking van nepnieuws en een gescripte werkelijkheid. Een film over de wereld van vandaag dus. De running gag van The Death of Stalin zijn de terloops bevolen executies: “Eerst zijn vrouw en zorg dat hij het ziet, daarna hij.”  Zo’n film is het dus, het nihilistische portret van een nihilistisch systeem. Karl Marx wist het al, na de tragedie herhaalt de geschiedenis zich als farce.
 

1 mei 2018

 
MEER RECENSIES