Sunset

****
recensie Sunset

Duistere geheimen in Boedapest

door Suzan Groothuis

Na het claustrofobische en beklemmende Son of Saul is László Nemes terug met het stemmingsvolle Sunset. Een kostuumdrama met een duistere laag, waarin een jonge vrouw op zoek gaat naar haar mysterieuze broer. 

Sunset speelt in 1913 in Boedapest, toen de stad nog deel uitmaakte van het Oostenrijks-Hongaarse rijk en het hart van Europa vormde. De twintigjarige Irisz Leiter (Juli Jakab) is naar de Hongaarse hoofdstad getrokken om te werken bij het vooraanstaande hoedenmagazijn Leiter. De naam is geen toeval: Irisz is de dochter van de oprichters, maar haar ouders zijn op duistere wijze overleden. Wanneer Irisz haar intrede doet, is gelijk merkbaar dat ze niet welkom is.

Eigenaar Brill vertelt Irisz dat er geen werk is en raadt haar aan weer uit Boedapest te vertrekken. De nacht kan ze er nog blijven, een morsige plek in het pand waar ze is geboren. Dan komt er een indringer haar kamer binnen, die haar vertelt dat Irisz een broer heeft. Vanaf dat moment ontstaat er voor Irisz een persoonlijke queeste: haar broer, als hij al bestaat, vinden.

Sunset

Geschoten op prachtig celluloid
Die zoektocht is bijzonder fraai in beeld gebracht. Net als het intense Holocaust-drama Son of Saul is de film analoog geschoten, met de focus op de vastberaden en opgejaagde Irisz. De camera volgt haar in haar onverschrokken tocht, terwijl ze heen en weer geslingerd wordt door vertwijfeling. Wat klopt van wat ze over haar broer heeft gehoord? Wie is te vertrouwen? En vooral: wie niet? Terwijl de politieke onrust toeneemt en de chaos in de stad verergert, geeft Irisz – meestal gefilmd vanuit haar rug, haar witte kanten kraagje omhoog stekend – haar onderneming niet op.

Nemes laat twee kanten van Boedapest zien: de weelderige, met prachtige decors en kostuums, en de grimmige, met donkere achteraf steegjes waar geruchten rommelen dat Irisz’ broer voor een bloedbad zal zorgen. Die omgevingen zijn echter ondergeschikt aan de hoofdpersoon, op wie de camera – vaak in lange shots – steevast gericht is. In haar fixatie om haar broer te vinden, dringt de omringende realiteit slechts af en toe binnen. Je hoort geroezemoes over de hittegolf in de stad, over het bezoek van de Weense prinses en een eindfeest bij Leiter. Flarden van nieuwsberichten zeggen iets over politieke spanningen.

Dwingende meeslependheid
Sunset
dwingt de kijker mee te gaan op Irisz’ reis. Nemes hanteert een claustrofobische, jachtige stijl. Telkens afgeleid – een hoedenkamer versieren voor het bezoek van de Weense prinses, terwijl je je broer wil vinden – volgen we Irisz die in plaats van antwoorden steeds meer vragen op haar pad tegenkomt. Waarom kiest haar broer voor extreem geweld? Wat is Brills agenda? En waarom wordt een van de meisjes die bij Leiter werkt uitverkoren om aan het Weense hof te gaan werken?

Sunset

Nemes geeft geen antwoorden, maar maakt Irisz’ realiteit steeds grimmiger en verwarrender. Aan de hand van wat er om haar heen gebeurt, of wat ze meent te zien gebeuren, trekt ze conclusies. Tegelijkertijd ondergaat haar personage wel een verandering, want ze wordt onbevreesd en strijdbaar. Uiteindelijk lijken Irisz en haar broer één. Waarmee je als kijker weer een vraag rijker bent: bestaat haar broer wel?

Eerlijk gezegd doet het er niet toe, want Sunset is vooral een film om te beleven, te voelen. Laat de dromerige, rijke beelden zoals van het feest in het park of het statige hoedenmagazijn je niet misleiden. Eronder gaat een broeierige duisternis schuil, nietsontziend afstevenend op het begin van de Eerste Wereldoorlog. Een film laverend tussen schoonheid en vernietiging, zijnde een duistere trip die iets wil ontrafelen maar alleen maar meer verwarring schept. Binnen die chaos moet je je staande zien te houden. En dat is precies wat Irisz doet, getuige dat laatste shot waar ze krachtig de camera in kijkt. Sunset laat zich niet vangen, maar absorbeert je van begin tot eind.

 

13 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Schapenheld

*****
recensie Schapenheld

Een eenzaam schreeuwende idealist

door Ries Jacobs

De opkomende zon schijnt haar stralen op de heide. Een herder struint met zijn kudde en zijn honden door de velden. Schapenheld opent met de heerlijke romantiek van het leven in de natuur, een traditioneel en rustiek buitenleven. Of toch niet?

Openheid, rust, ruimte, vrijheid. Schaapsherder Stijn Hilgers somt op waarom hij zo graag met zijn schapen op de heide is. Nabij Goirle, tegen de Belgische grens, leidt hij zijn kudde van de boerderij naar de heidevelden en van daar weer naar het grasland. Hij is een typische Brabander, grofgebekt en vaak klagend, maar tegelijkertijd zorgzaam voor zijn schapen en zijn gezin.

Schapenheld

Hilgers maakt het zichzelf niet gemakkelijk. Categorisch weigert hij zich aan te passen aan het marktdenken en de grootschalige, gemechaniseerde landbouw die het hedendaagse Nederland kenmerkt. Hij wil traditioneel en duurzaam met de natuur bezig zijn zonder haar te schaden.

Valerio Zeno
Regisseur Ton van Zantvoort vertelt in Schapenheld het verhaal van Hilgers op een observerende manier, zonder voice-over en met een minimum aan interviews. Hij wil zijn mening niet opdringen aan het publiek. Zo kom je er in de loop van de film zelf achter hoe het werkelijke leven van de schaapsherder eruitziet. Dat dit leven niet alleen uit romantiek bestaat, wordt snel duidelijk. Hilgers heeft moeite om de touwtjes aan elkaar te knopen en moet steeds weer met natuurbeheerders om de tafel om te onderhandelen over welke heidegronden zijn kudde mag begrazen.

Gaandeweg de documentaire krijgt Hilgers steeds meer moeite om zijn idealen in de praktijk te brengen. Hij is minder op de hei te vinden en houdt zich steeds vaker bezig met randzaken zoals televisieoptredens bij Valerio Zeno en Herman den Blijker, horeca-activiteiten en presentaties op braderieën. Zijn humeur wordt er dan ook niet beter op.

Vlaams dorpje
Van Zantvoort wilde onderzoeken of het nog mogelijk is om in onze neoliberale wereld niet met de kudde mee te lopen. Dit blijkt moeilijk. Iedereen vindt het prachtig wat Hilgers doet, zolang het maar binnen de bestuurlijke en financiële kaders past. De herder op zijn beurt is zo gesteld op zijn vrijheid dat hij zich moeilijk kan aanpassen aan onze geïnstitutionaliseerde maatschappij. Het schrijnende dieptepunt van de film is de scène waarin Hilgers, nadat hij zijn kudde dwars door het Vlaamse dorpje Poppel heeft geloodst, wordt gebeld dat er uitwerpselen op de stoep liggen. Nadat zijn vader naar België is gereden om de schapenkeutels op te ruimen, krijgt hij van de politie alsnog een boete.

Schapenheld

De kijker ziet het incident vanuit het gezichtspunt van Hilgers, zonder wederhoor van andere partijen. Dit perspectief houdt Van Zantvoort gedurende de hele documentaire vast en dat levert een ijzersterke film op. Samen met Hilgers zinkt de kijker steeds verder weg in het moeras van bestuurlijke regelgeving, overijverige ambtenaren en de moordende concurrentie van minder op duurzaamheid gerichte bedrijven.

Omdat de regisseur zich concentreert op de idealen en gevoelens van Hilgers, geeft hij de beelden een intensiteit die je weinig ziet in documentaires. De filmmaker brengt de frustrerende strijd van Hilgers rauw en zonder sentiment in beeld en maakt daarmee een film die meer is dan een portret van een herder.

In 2011 maakte Van Zantvoort de korte film Het verleden heeft de toekomst. Hierin is een optimistische en strijdvaardige Hilgers te zien, een herder die bewust afstand van de bio-industrie en de consumptiemaatschappij neemt. In Schapenheld zien we een herder die meer en meer verbitterd raakt wanneer het tot hem doordringt dat hij geen afstand van diezelfde maatschappij kan nemen. Wie niet wil meegaan in de neoliberale maalstroom verwordt al snel tot een eenzaam schreeuwende idealist in de jungle van marktdenken en institutionele regelgeving.

 

19 februari 2019

 

ALLE RECENSIES

Styx

****
recensie Styx

Weinig woorden en daden

door Cor Oliemeulen

Net als de meeste drama’s over vluchtelingen stemt Styx niet vrolijk. Hoewel de Oostenrijkse regisseur Wolfgang Fischer hen hoofdzakelijk op afstand houdt, komt het morele dilemma angstvallig dichtbij.

De veertigjarige Rike (Susanne Wolff) is een daadkrachtige arts. We zien haar bijstand verlenen na een auto-ongeluk in Keulen. Ter ontspanning maakt ze met enige regelmaat in haar eentje zeiltochten. Ditmaal vertrekt ze vanuit Gibraltar voor een tocht naar het eiland Ascension in het zuiden van de Atlantische Oceaan.

Styx

Paradijs
Toen Charles Darwin, de vader van de evolutietheorie, in zijn zoektocht naar bijzondere plaatsen in 1836 het vulkanische eiland Ascension aandeed, zag hij een nagenoeg boomloze omgeving. Dat was niet prettig voor de Engelsen. Zij hadden er een strategische basis om de verrichtingen van de verbannen Franse dictator Napoleon Bonaparte op het nabijgelegen Sint-Helena te kunnen volgen. Darwin bedacht het idee om bomen (die regenwater vasthouden) naar het eiland te verschepen om op die manier meer vers water te krijgen. Anno 2019 is Ascension (hemelvaart) een paradijselijk eilandje waar de leefomstandigheden uitstekend zijn.

Hoe anders is het gesteld op de vaarroutes tussen Afrika en Europa waar commerciële scheepvaart en plezierjachten tegenwoordig zomaar kunnen stuiten op gammele boten met vluchtelingen. Misschien minder dichtbij dan wanneer je als toerist op een Grieks eiland ligt te zonnen, terwijl een bootje uitgeputte Afrikanen aanspoelt. Maar wel meer confronterend, omdat je hier op het open water voor een hels moreel dilemma komt te staan. Vaar ik naar die gestrande vissersboot, waar misschien wel honderd mensen in de verte roepen om hulp en sommigen in paniek in het water springen, of blijf je op veilige afstand? Jouw boot is maar tien meter lang en je wilt immers niet je eigen leven riskeren.

Het is een extra moeilijke afweging voor iemand die gewend is om het leven van (gewonde) mensen te redden. In haar hart wil Rike wel, maar via de radio verbieden zowel kustwacht als andere organisaties haar om dat onverantwoorde risico te nemen. Commerciële schepen, die groot genoeg zijn om mensen aan boord te nemen, beginnen er meestal niet aan om vluchtelingen te redden. Bedrijfsbeleid heet dat.

Styx

Nonchalance
Rike weet in ieder geval een tienerjongen (Gedion Oduor Weseka) uit het water te vissen. Zij verzorgt hem vakkundig en zodra hij wat is opgeknapt, probeert hij begrijpelijkerwijs druk op haar uit te oefenen, want ook zijn zusje zit op de gestrande vluchtelingenboot. Dat leidt tot een aantal goed geacteerde scènes waarin realisme wint van sentiment. Op één moment dreigt Rike’s leven alsnog gevaar te lopen.

De filmtitel laat weinig aan de verbeelding over. Styx betekent letterlijk ‘afschuw’ en in de Griekse mythologie is zij de rivier die de aarde scheidt van de onderwereld. Ook het grote moeras in dat schimmenrijk Hades wordt Styx genoemd. Hier op de woelige baren van de oceaan is die rampspoed en innige afkeer van menselijke nonchalance uiterst voelbaar. De vraag blijft of en wanneer Rike besluit om alsnog naar de vluchtelingen te varen.

Net als de doorleefde Robert Redford in de ‘openzeethriller’ All Is Lost (2013) weet de doorgewinterde actrice Susanne Wolff in Styx de ogen van begin tot eind op zich gericht. Weet Redford zich fors gesteund door special effects (om nog maar te zwijgen van Life of Pi (2012) waarin de schipbreukeling geheel in een zwembad met groene schermen is opgenomen), Styx speelt zich daadwerkelijk af op open water, en dat zie je. Alleen de stormscènes zijn geschoten in een grote watertank. Net als in All Is Lost (het personage van Redford roept zelfs alleen maar een paar keer ‘help!’) zijn in Styx de woorden schaars en ondergeschikt. In dit relevante humane drama gaat het immers om (het gebrek aan) daden.

 

12 januari 2019

 

ALLE RECENSIES

Schweigende Klassenzimmer, Das

*
recensie Das Schweigende Klassenzimmer

Episch verraad

door Sjoerd van Wijk

Das Schweigende Klassenzimmer verraadt zichzelf met valse heroïek. Het Duitse drama verloochent de intrigerende premisse met mondain tienerdrama vol schematische tegenstellingen. En stuurt opzichtig aan op een clichématige catharsis. 

In een tijd waarin scholieren zoals de Zweedse Greta Thunberg in opstand komen tegen de algehele apathie omtrent de klimaatcatastrofe lijkt Das Schweigende Klassenzimmer een welkome blik op tienerrebellie te werpen. Het jaar is 1956 in de DDR en de Sovjet-Unie is in een bloedige strijd verwikkeld tegen Hongaarse opstandelingen. De eindexamenklas in de kleine industriestad Stalinstadt (tegenwoordig Eisenhüttenstadt) besluit onder leiding van de geëngageerde Kurt twee minuten stilte te houden om de gevallenen te herdenken, na illegaal kennis te hebben genomen van de westerse verslaggeving over deze gebeurtenis. 

Das Schweigende Klassenzimmer

Schematische strijd
Maar wat begint als democratisch gekozen ludieke geste blijkt al snel bloedserieus te worden genomen door tal van autoriteiten. De schoolmeester foetert en de schooldistrictsleider is duivels manipulatief. De leerlingen probeerden weg te komen met een leugentje dat ze stil waren wegens het vermeende overlijden van voetballer Puskás. Dit is een zwart-wit strijd tussen idealisme en grote boze mensen die dat niet kunnen waarderen. Dat de kwade ouders zelf ook skeletten in de kast hebben zo vlak na de Tweede Wereldoorlog leidt tot verontwaardiging over hypocrisie. 

Het grote conflict tussen idealisme over de Hongaarse opstand versus het pragmatisme om het schooldiploma te behalen via verraad is op deze manier een wedstrijd waar de uitslag al van bekend is. De snijdende spanning in het klaslokaal is zo onecht en een tragische schooldirecteur, die ook niet op deze afgang zat te wachten, is een ondergeschoven kindje in het verhaal. Schrijver/regisseur Lars Kraume (Der Staat gegen Fritz Bauer, 2015) kiest voor de meest triviale tienerproblemen om reuring in de klas te veroorzaken. Als ieders toekomst op het spel staat, lijkt een ordinaire driehoeksverhouding niet het eerste om mee bezig te zijn. 

Sierlijk gestuurd
Al deze karikaturale tegenstellingen dienen dan ook het doel van valse ontroering. Sierlijk bewegen Kurt, nonchalante boezemvriend Theo en diens idealistische vriendin Lena zich voort in Stalinstadt terwijl de muziek eraan herinnert dat hun stilte een epische vorm van rebellie is. Dat buiten hen alleen de fragiele Erik en pientere Paul nog aandacht krijgen, geeft de actie een gezicht. Maar met deze individualisering van de problematiek blijft het onbekend hoe alle overige klasgenoten er over denken. 

Deze personages lijken bovendien meer een spil in het plot dan dat zij deze voortstuwen. Het is vanaf moment een al duidelijk dat de overtuigde communist Erik een onzekerheid is, die de grote boze mensen gemakkelijk kunnen breken. Dat Kurt hierdoor de zware keuze zich op te offeren voor de klas uit de weg kan gaan, lijkt Kraume niet als wrang op te vatten maar als een reden hem als rechtschapen te verheerlijken. 

Das Schweigende Klassenzimmer

Nepheldendom
Het stuurt allemaal aan op het groots opgezette moment van de waarheid. Maar de oppervlakkige catharsis valt niet anders te bestempelen dan als hoogverraad. De stilte blijkt puur heldendom waar niets op af te dingen valt, dankzij een tenenkrommend “I’m Spartacus”-moment. In plaats van de vrolijke anarchie van Zéro de Conduite (1933), die tienerrebellie opzwepend wist te vatten, gaat Das Schweigende Klassenzimmer voor nepsentiment van betweterige opoffering. Het is een vals heldendom vol pompeuze vroomheid. 

De collectieve vlucht naar het westen, waarvoor Theo een onbegrijpelijke honderdtachtig graden draai in karakter maakt, is daarom een verder verraad. Aangezien de film op een waargebeurd verhaal is gebaseerd (zoals opgeschreven in gelijknamige boek van Dietrich Garstka), is dit historisch accuraat. Maar het gemak wat uitstraalt van een trein vol lachende scholieren is als een trap na als zij even daarvoor hun toekomst uit overtuiging vergooiden. Greta Thunberg kan hier niets van leren. Het is daarom beter om over Das Schweigende Klassenzimmer te zwijgen.

 

11 januari 2019

 

ALLE RECENSIES

Shoplifters

*****
recensie Shoplifters

Kleine vissen verweren zich tegen de tonijn

door Alfred Bos

In het sociaal bewogen Shoplifters – Gouden Palm van Cannes 2018 – toont de Japanse regisseur Hirokazu Koreeda zich wederom als de eigentijdse tegenhanger van Ozu. De film is diep ontroerend, stelt indringende vragen, maar wordt nimmer sentimenteel.

Wat is er onschuldiger dan een dagje nietsnutten aan het strand met het gezin? Weinig, maar niet in de handen van Hirokazu Koreeda, de Japanse regisseur die als een eigentijdse nazaat van Yasujirō Ozu röntgenfoto’s maakt van families die traditionele waarden proberen te handhaven in een samenleving in flux. Eerder dit jaar verscheen The Third Murder in de Nederlandse bioscoop, een meesterlijke, zij het enigszins cerebrale film. Met Shoplifters, in mei van dit jaar winnaar van de Gouden Palm van het filmfestival van Cannes, appelleert Koreeda vol aan het gevoel, zonder sentimenteel te worden.

Shoplifters

Shoplifters handelt over een pseudo-gezin dat is gecentreerd rond een oude weduwe, vertolkt door Kirin Kiki, de ster van het ook in Nederland succesvolle An; Koreeda werkte eerder met haar in After the Storm. Kiki overleed een paar maanden na de première van de film in Cannes. Dat voorziet het dagje aan het strand, onmiskenbaar een sleutelscène in de film, op onvoorziene wijze van een extra laag betekenis.

Matriarchaat
De weduwe is het hart, ook letterlijk, van een bont gezelschap dat door vage en complexe familierelaties is verbonden. Haar zoon Osamu (Lily Franky) en diens echtgenote Nobuyo (Sakura Ando, die in een ondervragingsscène werkelijk briljant onuitspreekbare emoties weet te uiten) hebben slechtbetaalde baantjes; het inwonende nichtje Aki (Mayu Matsuoka) scharrelt als animeermeisje. In het eerste half uur van Shoplifters handelen alle dialogen over geld. Het is een echo van Flowing, de film uit 1956 van Mikio Naruse, die speelt rond een pseudo-familie die los staat van de samenleving, een geisha-huis. Ook dat is een matriarchaat.

De sjoemelaars vullen het schamele pensioen van oma aan door proletarisch te winkelen. In de door vederlichte cocktailjazz begeleide opening zien we hoe Osamu en diens aangenomen zoontje Shota (Jyo Kairi) hun ambacht tot kunst hebben verheven. Onderweg naar huis vinden ze in de vrieskou een meisje, de hartendief Yuri (Miyu Sasaki), die door haar ouders buiten de deur is gezet, en nemen haar mee. Het kind heeft littekens op haar armen en plast in bed, signalen van mishandeling. Ze wordt door de pseudo-familie geadopteerd en leert de kneepjes van winkeldiefstal.

Familieloyaliteit
Shoplifters toont de sociaal bewogen Koreeda van Nobody Knows (2004) – over kinderen die in de steek worden gelaten door hun moeder – en stelt indringende vragen. Hoe moreel is het om een verwaarloosd kind te ontvoeren, ook al doen de onverschillige ouders geen aangifte? Hoe moreel is het om te stelen van kleine middenstanders die net zoveel moeite hebben om het hoofd boven water te houden als de dieven? Wat zijn de normen waard van een samenleving die mensen voor hun arbeid onvoldoende beloont om de basisbehoeften te kunnen betalen? Hoe zinvol is de oplossing van de kinderbescherming? Hoe ver gaat loyaliteit aan familie als die familie zelf niet loyaal is?

Shoplifters

De lijm die het pseudo-gezin bijeenhoudt is afwijzing, door familie, door de maatschappij. Het zijn kleine vissen die samenwerken om het op te nemen tegen een tonijn. Koreeda idealiseert de verstotenen niet, zoals Akira Kurosawa deed in diens Dodesukaden (1970). Wel heeft hij oog voor het menselijke: Yuri is zo blij met haar nieuwe zwempak dat ze het ook in bad aanhoudt; Osamu en Nobuyo vrijen tijdens een zomerse stortbui en worden gestoord door hun ‘kinderen’. De regie is loepzuiver.

Echo’s van Ozu
Het valt allemaal uit elkaar wanneer oma overlijdt. De omslag wordt aangekondigd in een scène die herinnert aan Ozu’s Early Summer (1951), het familie-uitje naar het strand. Zelf je familie kiezen is beter, zolang je er maar niet teveel van verwacht, reflecteert oma. Terwijl ze naar haar ‘familie’ in de vloedlijn kijkt, herhaalt ze voor zichzelf: “Bedankt voor alles.” Het is een magisch moment.

In rap tempo wordt de pseudo-familie ontmanteld en wachten er verrassingen die de onderlinge verhoudingen in een ander – en moreel nog twijfelachtiger – daglicht plaatsen. Bij wie ben je beter af: bij je natuurlijke familie of de familie die je zelf kiest? De kinderbescherming weet het wel en het laatste shot is, net als de film zelf, zowel wrang als poëtisch. En stelt nog een laatste vraag. Is dit wat we willen?

 

11 december 2018

 

ALLE RECENSIES

David Lynch’s nostalgietrip

The Straight Story
David Lynch’s nostalgietrip

door Sjoerd van Wijk

Omhoog kijken naar de sterren, net als vroeger. Dat is Alvin Straights doel als hij op zijn oude grasmaaier stapt om nog eenmaal zijn broer te bezoeken. Zijn tocht in The Straight Story raakt de harten van innemende zonderlingen onderweg. En het toont indirect het nostalgische hart van regisseur David Lynch.

Sinds vorige week is er een expositie over zijn werk in het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Waar iedereen het vooral zal hebben over films als Eraserhead of Mulholland Drive, is het juist in The Straight Story (1999) waar de regisseur wellicht op zijn eerlijkst is.

The Straight Story

De nachtmerries zijn verdwenen
Ogenschijnlijk is dit ondergewaardeerde werk een Disney-versie van zijn beleving. Daadwerkelijk door deze maatschappij geproduceerd, zijn de nachtmerries verdwenen uit zijn droomwereld. Maar stilistisch is het nog steeds onmiskenbaar de regie van zijn hand. Nog steeds zijn er de associatieve beelden die soepel in elkaar overlopen, van eindeloze graanvelden naar Alvin op de grasmaaier genietend van de zon. Waar normaliter het flikkerende licht een omineuze voorbode is, accentueert het hier de angsten van Alvin (Richard Farnsworth) en dochter Rose (Sissy Spacek). Doordat de griezelige angel ontbreekt, is The Straight Story een magisch-realistisch epos over ouderdom in plaats van een surrealistisch spel met de donkere kant van de mensheid.

Zoals met al Lynch zijn betere werk, heeft hij niet alleen aan de schrijftafel gezeten. Scenaristen Mary Sweeney en John Roach weten de voor hem gebruikelijke sfeer om te buigen van waan naar ideaal. De licht eigenaardige typetjes lijken zo uit Twin Peaks (1990) weggelopen te zijn. De subtiele tik van de molen werkt puur humoristisch en daarmee ook hartverwarmend. Een vreemde tweeling met markant stereotype werkkleding gaat domweg mee met Alvins afdingen. Onderweg raakt een dame theatraal overstuur door het aanrijden van een hert, wellicht het duisterste wat The Straight Story te bieden heeft. Er is zelfs een kleine rol voor Twin Peaks-acteur Everett McGill die de vergelijking met deze serie alleen maar versterkt.

The Straight Story

Het werkt allemaal charmerend met Lynch’s ingetogen opnames waar de focus niet alleen op Alvin, maar ook op zijn omgeving lijkt te liggen. De kleine dorpjes zijn ditmaal geen façade waarachter duisternis heerst. Zo herbergt het gelijknamige plaatsje in Twin Peaks tal van gruwelijke geheimen. Personages lopen rond in een kitscherige wereld, die door het kunstmatig theatrale karakter snel omslaat in een unheimisch gevoel. Het is niet alleen rozengeur en maneschijn in deze soap, want het vervreemdende heeft ook beklemmende effecten. Lynch lijkt te zeggen dat aan het oppervlak het artificiële misschien gelukzalig is, maar dat het ons losmaakt van onszelf. Van het perfecte witte hek met rozen in Blue Velvet gaat het bergafwaarts naar het naargeestige sadisme van schurk Frank.

Warm humanisme
De Amerikaanse suburb blijkt niet de Amerikaanse droom. In The Straight Story, een Twin Peaks in de Amerikaanse graanschuur, zijn er echter geen geheimen. Inwoners van het idyllische platteland delen liever hun beslommeringen met Alvin. Lynch’s finesse met onheilspellende geluiden werkt hier ontroerend als een veteraan oorlogsherinneringen ophaalt. Het obstakel op zijn reis is eerder de krakkemikkige technologie waar Alvin koppig aan vasthoudt. De ontdekkingen zijn hier de mensen die hij tegenkomt, met al hun eigenaardigheden en verhalen. Langzaam ontvouwt zich het verhaal over eenzaamheid en ouderdom. De kracht van familie drijft naar boven. Normaliter neigt Lynch naar donkere misantropie, maar hier juist naar warm humanisme.

The Straight Story

Daardoor toont The Straight Story dat David Lynch eigenlijk een nostalgische kijk op Amerika heeft. Niet voor niets droomde de hoofdpersoon van Lost Highway als ontsnapping aan zijn zonden weg naar een veilig jaren vijftig met mooie auto’s en lieflijke dames. En heeft Lynch in het verleden zijn waardering voor Ronald Reagan uitgesproken. De zonovergoten graanvelden van Iowa, waar steevast een truck oogst, zijn van een sentimentele fraaiheid. Alvins langzame grasmaaier is hier het mooie middel van vervoer, terwijl auto’s langs hem heen razen. Het weerzien na tien jaar met broer Lyle is voor Lynch’s doen prachtig ondergespeeld. De sterrenhemel betovert met een buitengewone ballad van Angelo Badalementi’s typerende hand.

Er spreekt een verlangen uit naar een rustiger tijd, waar mensen vriendelijk met elkaar omgaan en van de kleine dingen genieten. Lynch lijkt niet zozeer kritisch op een ouderwetse Amerikaanse levensstijl die waarschijnlijk nooit zo heeft bestaan. Net als Dale Cooper in Twin Peaks bezwijkt voor de kersentaart, zo lijkt Lynch in The Straight Story te mijmeren over simpele deugden en geneugten. Iets wat alleen verborgen blijft in zijn andere werken. Zo doet The Straight Story zijn titel eer aan. Rechtdoorzee, terug naar vroeger.

 

8 december 2018


ALLE ESSAYS

Suspiria

**
recensie Suspiria

Zielloze nachtmerrie

door Suzan Groothuis

In deze herbewerking van regisseur Luca Guadagnino volgen we de Amerikaanse Susie die in Berlijn opgenomen wordt in een dansgezelschap. Verdwijningen van danseressen en occulte zaken vinden plaats tegen een achtergrond van politieke onrust.

Luca Guadagnino (Call Me By Your Name, Io Sono l’Amore) heeft zich gewaagd aan een herbewerking van Suspiria van horrormeester Dario Argento. Hij geeft de film een eigen interpretatie, hoewel er zeker overlappingen zijn. De personages in het verhaal zijn gebaseerd op die in het origineel en ook de setting is hetzelfde: Berlijn in de jaren ’70.

Suspiria

Het uitgangspunt van de film is ook min of meer gelijk aan Suspiria (1977): de ambitieuze Susie Bannion (Dakota Johnson, dochter van Don Johnson en Melanie Griffith en bekend van de Fifty Shades of Grey-reeks) is vanuit de VS naar Berlijn gekomen om opgenomen te worden in het befaamde dansgezelschap Markos. De eerste scène leert ons echter dat het daar niet pluis is: danseres Patricia (Chloë Grace Moretz in een korte rol) vertrouwt haar psychiater dr. Josef Klemperer (Tilda Swinton in haar vijfde Guadagnino-productie) toe dat er occulte zaken spelen. Maar hij is in de veronderstelling dat het meisje psychotisch is.

Achtergrond van politieke onrust
Dan volgt Pats plotse verdwijning, die achterdocht bij Klemperer wekt. De leiding van de dansschool reageert echter mild: Pat was bekend met politieke idealen en zou zich wellicht gevoegd hebben bij een politieke beweging. We zitten immers in het Berlijn van de jaren ’70, een periode waarin terreurgroep Rote Armee Fraktion voor grote politieke onrust zorgde. In de film flitsen af en toe nieuwsberichten over acties van RAF voorbij.

Terug naar dansgezelschap Markos, waar Madame Blanc (wederom Tilda Swinton) zich ontfermt over nieuwkomer Susie. Susie’s danskunsten imponeren haar en het meisje krijgt een plek in het gezelschap. Ze wordt kamergenoot van Sara, die na een bezoek aan dr. Klemperer vermoedt dat er meer in het spel is aangaande Pats verdwijning. Wellicht spelen er occulte zaken?

Suspiria

Bloedstollende horror en holle verwachtingen
Guadagnino windt er geen doekjes om: jazeker spelen er occulte zaken! Het dansgezelschap wordt namelijk gerund door heksen, die alles doen om hun hiërarchie en de daaraan verbonden occulte tradities in stand te houden. Danseressen die vermoedens of bewijzen hebben, worden op nietsontziende wijze uit de weg geruimd. En daarmee komt ook het horroraspect in beeld, waarvan een scène zich in het netvlies beitelt: terwijl Susie tijdens een repetitie haar danskunsten toont en tot het uiterste gaat, wordt een afvallige danseres op brute wijze gepijnigd. Gevangen in een spiegelkamer zonder uitweg brengen Susie’s agressieve bewegingen beschadigingen bij haar aan. Botten die breken, verwrongen ledematen en een lichaam dat bont en blauw kleurt, worden op intense wijze in beeld gebracht. Met deze krachtige scène, waarin choreografie en beeld de kijker – of je nu wilt of niet – op dwingende wijze meeslepen en je op het puntje van je stoel doen zitten, schept Guadagnino verwachtingen.

Helaas maakt het 2,5 uur durende Suspiria die niet waar. De regisseur neemt teveel tijd om naar de gran finale toe te werken – een uitzinnige, hysterische en over de top ontknoping die leeg aanvoelt. Daarbij speelt nog de overbodige verhaallijn van dr. Josef Klemperer, die zijn liefde jaren geleden is kwijtgeraakt.

Over deze mysterieuze acteur ontstond enige tijd twijfel. Er is wel of niet een dubbelrol van Swinton? Hoewel IMDb duidelijk vermeldt dat ze drie rollen heeft in Suspiria – Madame Blanc, dr. Klemperer en de duivelse Markos – liet Guadagnino de pers in verwarring dat ene Lutz Ebersdorf de rol van de oude man op zich nam. Het komt pretentieus over en misschien is dat wel het grootste probleem van Suspiria anno nu: Guadagnino wil teveel met zijn film, waardoor die juist aan kracht inboet. De Koude Oorlog en terreurbewegingen, een verwijzing naar de wonden uit de Tweede Wereldoorlog, hekserij, psychiatrische zienswijzen, feminisme, het komt allemaal voorbij. 

Suspiria

Overbodige hommage
Wat wel beklijft, zijn de dansscènes, strak en gestileerd in beeld gebracht. Zo is er naast Susie’s agressieve repetitie de demonische dansuitvoering Volk, die de danseressen voor publiek vertonen. Erotiek, gevaar en uitputting gaan samen, ondersteund door de onderkoelde, dreigende soundtrack van Radiohead’s Thom Yorke (die zich door Krautrock liet inspireren). Met deze scènes schept Guadagnino een beklemmende sfeer, die de kijker grijpt en niet loslaat. Maar alles eromheen is zielloos en exuberant, gevangen in grauwe kleuren waarin de Koude Oorlog weerspiegelt.

Guadagnino omschrijft zijn film als hommage aan het origineel, hoewel Argento afwijzend tegenover een remake stond. In Argento’s woorden: “Either you do it exactly the same way—in which case, it’s not a remake, it’s a copy, which is pointless—or, you change things and make another movie. In that case, why call it Suspiria?” Die vraag is precies waar het knelt, als je Argento’s kleurrijke, sprookjesachtige nachtmerrie tegenover Guadagnino’s overbodige versie zet. Conclusie: haal Argento’s versie uit de kast en zet de soundtrack van Thom Yorke op. Dan heb je een leuke blend, hoewel de oorspronkelijke soundtrack van Goblin niet te evenaren is.

 

14 november 2018

 

ALLE RECENSIES

Sisters Brothers, The

****

recensie The Sisters Brothers 

Nieuwe kijk op klassiek genre

door Alfred Bos

De Franse regisseur Jacques Audiard maakt met Amerikaanse topacteurs en een Franse filmploeg een western die de genreclichés bevestigt om ze subtiel te ontkrachten. Met een klassiek cowboykoppel in de hoofdrol is The Sisters Brothers zowel komedie als tragedie.

Drie jaar geleden vertelde Thomas Bidegain dat hij een grote fan is van het meest Amerikaanse aller filmgenres en werkte aan een western. Bidegain, al jaren vast scenarist van de Franse topregisseur Jacques Audiard (Un prophète, De rouille et d’os), vertelde ook dat je genreclichés kunt vermijden door bekende patronen in een afwijkende omgeving te situeren. The Sisters Brothers, geregisseerd door Audiard naar een scenario van Bidegain, is een western die afwijkt qua personages, plot en psychologie. Alsof het genre een nieuwe verflaag krijgt.

The Sisters Brothers

Eli (John C. Reilly) en Charlie Sisters (Joaquin Phoenix) zijn de fixers van de Commodore (Rutger Hauer), de potentaat van een pioniersstadje in de wildernis van Oregon. Het is 1851 en in het naburige Californië is goud ontdekt. De broers maken jacht op een chemicus, Hermann Warm (Riz Ahmed), die een methode heeft bedacht om het edelmetaal versneld te winnen; het blijkt een Duitser met een getinte huid. Hij wordt voor de Commodore opgespoord door een detective, de artistiek aangelegde intellectueel John Morris (Jake Gyllenhaal). De broers moeten het karwei voltooien, na Warm zijn geheim te hebben ontfutseld. ‘Dus eerst martelen en dan doodmaken’, vraagt Eli als Charlie de opdracht aan hem doorgeeft. Zo is het, een routineklus.

John C. Reilly speelde een voorname rol in Les Cowboys, het regiedebuut van Thomas Bidegain. Joaquin Phoenix speelt, na de getraumatiseerde oorlogsveteraan van You Were Never Really Here, Jesus in Maria Magdalena en de invalide dwarskop van Don’t Worry, He Won’t Get Far on Foot zijn vierde sterke rol van dit filmjaar. Het tweetal is een genot om naar te kijken, de interactie van hun botsende maar elkaar aanvullende karakters geeft de film frisson.

The Sisters Brothers

Archetype van de vrije markt
De broers zijn een tragikomisch koppel, een kijvend stelletje dat niet zonder elkaar kan. Eli, de oudste, is de bijrijder; een twijfelaar vol zelfverwijt, hunkerend naar de liefde die hij nooit heeft gekregen. Charlie, de benjamin, is de baas; hij heeft de grillen en agressie van zijn vader, een gewelddadige alcoholist, en hij weet het en is daar niet blij mee. De broers zijn overlevers; opportunisme is hun tweede natuur, geweld hun taal. Die korte typering maakt duidelijk dat Eli en Charlie geen bordkartonnen personages zijn, maar gelaagde karakters. Ze zijn zowel Bud Spencer en Terence Hill in de Italiaanse westernkomedies van de jaren zeventig als het boevenkoppel uit de klassieker Butch Cassidy and the Sundance Kid.

Ook het verhaal heeft meer dan één dimensie, het is gepeperd met betekenisvolle terzijdes en hilarische momenten. De allianties wisselen waar dat uitkomt en iedereen staat iedereen naar het leven, gedreven door hebzucht, gek gemaakt door goud. Het ongetemde Westen is het archetype van de vrije markt: stadjes worden gesticht én bestuurd door privéondernemers, niet door staat of gezag. De broers jagen op Warm en Morris, inmiddels een gelegenheidskoppel dat de barbarij (Warm tegen Morris: ‘Deze wereld is weerzinwekkend’) wil ontvluchten door gezamenlijk een mijnbedrijf te beginnen.

Onbeschaafde broers
De Commodore heeft een tegenstrever in Mayfield (Rebecca Root), burgemeester van het gelijknamige Californische stadje en tevens eigenaar van de lokale saloon, die eveneens op Warms formule aast. Rebecca – voorheen Graham – Root is een transgenderactrice (bekend van The Danish Girl en Colette), een hint dat de regisseur en zijn scenarist hun publiek uitnodigen om met een andere blik naar vaste patronen en clichés te kijken.

Morris en Warm hebben een opleiding genoten en vertegenwoordigen de vooruitgang. Warms vondst blijkt een gevaar voor het welzijn van mens en natuur, het is symbolisch voor de impact van industriële ontwikkeling, de ‘beschaving’, op de leefomgeving. Ze staan voor naïef idealisme, het tegendeel van de praktische en ongeletterde broers.

The Sisters Brothers

Eli en Charlie staan buiten de beschaving of wat daar voor doorgaat. Hun contact met de samenleving beperkt zich tot het uitvoeren van hun klussen, zonder omhaal en waar nodig met geweld. Hun buitenmaatschappelijke positie geeft de regisseur (en cinematograaf Benoît Debie) alle gelegenheid de schitterende natuur van Oregon en Noord-Californië in breedbeeld te tonen. We zien zelfs even de kust van de Stille Oceaan, een speelse verwijzing naar One-Eyed Jacks, de enige speelfilm die Marlon Brandon regisseerde en tevens de enige western waarin de oceaan tot het decor behoort. ‘Dit is Babylon’, constateren ze tijdens een rustpauze in de grootstad San Francisco. Daar vallen de schellen van hun ogen.

Inktzwart wereldbeeld
In die natuur vindt ook de ontknoping plaats, waarin mooie plannen het afleggen tegen domheid. Het zijn niet de mannen van Mayfield of de Commodore die de buitenstaanders doen buigen, het zijn de aangeboren driften van de pionierende goudzoekers die het drama bekrachtigen. The Sisters Brothers schetst een inktzwart wereldbeeld – en geeft en passant commentaar op onze eigen tijd – maar heeft ook oog voor de komische, om niet te zeggen absurdistische kanten van het menselijke bestaan.

Charlie en Eli vinden uiteindelijk wat alle anderen in de film, van Warm en Morris tot de Commodore en Mayfield, ten koste van ziel en zaligheid najoegen: goud. En dat is de zin van al die uitputtende tochten en dodelijke confrontaties—ze vinden wie ze zijn. Het voelt als balsem na een speelfilm lang te zijn bestookt met het slechtste wat de mens heeft te bieden, van blinde hebzucht tot moord en milieuvervuiling.

The Sisters Brothers wordt getypeerd door de afstand die de regisseur en diens scenarist als betrokken buitenstaanders innemen tegenover het onderwerp van hun belangstelling; de filmtitel is zowel humoristisch als spiritueel uit te leggen. Mede daarom is het de meest geslaagde western sinds The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford en die is al dik tien jaar oud.
 

23 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Sprekend Nederland

***

recensie Sprekend Nederland

Zoektocht naar verbondenheid

door Ries Jacobs

Regisseur John Appel laat aan de hand van toespraken op verschillende bijeenkomsten een cultureel verdeeld Nederland zien. Ons land moet nog steeds wennen aan het multiculturalisme, wat meer dan eens leidt tot ferme taal. “Gebeurt er iets ergs, dan oprotten met die gasten.”

Gemakkelijk maakt Appel het zich niet. In Sprekend Nederland toont hij een allegaartje van toespraken. De camera registreert een uitvaart, de verjaardag van de koning en demonstraties van allerlei pluimage. In een documentaire die bestaat uit meerdere toespraken in een setting die steeds wijzigt, is het moeilijk om een duidelijke verhaallijn aan te brengen. Het publiek haakt dan gemakkelijk af. Wellicht heeft Appel daarom gekozen voor een korte film, opgebouwd uit snel gemonteerde scènes. Razendsnel verplaatst de camera zich van Amsterdam naar Zuid-Limburg en van een doopceremonie naar een feest van een beleggingsclub.

Sprekend Nederland

André Hazes
Appel maakt al sinds 1987 films. In dat jaar studeerde hij af aan de Filmacademie met de film Radio Daniëlle, een portret van een lokale radiopiraat. De documentaire werd uitgeroepen tot beste eindexamenfilm van dat jaar. Ook zijn bekendste film, André Hazes – Zij gelooft in mij (1999), ontving meerdere onderscheidingen.

In 2003 maakte Appel een soortgelijke documentaire met dezelfde titel. Toen verwerkte hij dronken corpsballen, een jonge prinses Máxima en de overwinningsspeech van Balkenende in zijn film. Appel was niet helemaal tevreden met het resultaat. Het geheel miste een duidelijke structuur, het had geen begin en geen eind.

In 2018 is dit hem wel gelukt. Een toespraak tijdens een naturalisatieceremonie vormt het door Appel bewust gekozen begin van Sprekend Nederland. De ambtenaar vraagt de aanstaande Nederlanders om de wet en alle mensen in ons land te respecteren. Vervolgens toont de film toespraken die lang niet altijd getuigen van respect voor anderen, maar ook mensen die de kloof tussen de verschillende Nederlanders juist willen dichten.

Sprekend Nederland

Hoger doel
Appel zegt tijdens de voorbereiding van zijn films vooral aan “emotionele research” te doen. Hiermee bedoelt hij dat mensen en hun kwetsbaarheid belangrijker zijn dan feiten. Een prachtig resultaat hiervan is een toespraak van het enkele dagen eerder afgetuigde homostel Jasper en Ronnie.

De deelnemers aan een demonstratie van de PVV zijn op hun manier net zo kwetsbaar. Een man die een pet van Roda JC draagt, spreekt Geert Wilders lovend toe. Deze man zal in dezelfde periode ongetwijfeld, in het stadion of voor de televisie, Mohamed El Makrini en Adil Auassar toegejuicht hebben. Beiden speelden toen bij Roda JC en beiden zijn Nederlands met een Marokkaanse achtergrond. Is deze man een racist of is hij eerder een gelegenheidsracist die opgaat in dit samenzijn van de PVV om een gevoel van saamhorigheid te ervaren?

In bijna iedere scène zie je deze hang naar verbondenheid terug. Mensen zoeken naar iets dat verder gaat dan gezellig bijeen zijn, iets dat ze vinden bij een religieuze bijeenkomst, in maatschappelijk idealisme of tijdens het vormgeven van een ander gezamenlijk doel. Sprekend Nederland is geen film over culturele verdeeldheid, het is een film over mensen die proberen hun leven zin te geven door zich samen in de zetten voor een hoger doel. Dit maakt de film een mooi en hoopvol portret van onze samenleving. We zijn het niet altijd met elkaar eens, we zijn soms niet respectvol naar de ander toe, maar we doen wel ons best om van ons land iets moois te maken.

 

30 september 2018

 
MEER RECENSIES

Stalker

Stalker: Transcendente filmkunst

door Ralph Evers

Janus Films brengt dit najaar de gerestaureerde versie van Stalker uit. Eén van de meest essentiële films ooit gemaakt. Een mooi moment voor een persoonlijke beschouwing. 

De zomer is voorbij
alsof er nooit een zomer is geweest.
Het is aangenaam in de zon.
Maar dat is niet genoeg.

Al wat er kon zijn
werd als een vijfvingerig blad
direct in mijn hand gelegd.
Maar dat is niet genoeg.

Vergeefs ging goed
noch kwaad voorbij.
Alles had een heldere gloed.
Maar dat is niet genoeg.

Het leven nam me onder zijn vleugels,
beschermde me, redde me,
ik had werkelijk geluk.
Maar dat is niet genoeg.

De bladeren zijn niet verbrand,
de takken niet gebroken.
De dag is als schoongespoeld glas.
Maar dat is niet genoeg.

Bovenstaand gedicht is van de vader van Andrei Tarkovsky, Arseni Tarkovsky en komt uit diens bundel Vestnik. Het wordt in de film voorgelezen door de Stalker en verwoordt het religieuze kernthema dat in Stalker (1979) wordt aangeraakt. Met onze woorden en profane verlangens zullen we nooit gedijen in overvloed, maar altijd ervaren een tekort te hebben. Wij mensen zijn gestraft door die vervelende goden, zo lezen we al in de Griekse mythologie en de moderne mens komt er niet veel beter van af.

Stalker

Stalker vertelt het verhaal van een kamer in een verboden Zone, waar ooit buitenaardsen zijn geweest. In deze kamer worden je diepste verlangens vervuld. Een schrijver en een professor zijn bereid de gevaarlijke en mysterieuze tocht met de Stalker (iemand die de nukken en gevaren van het gebied kent) aan te gaan. De schrijver worstelt met een writer’s block, de professor wil de Zone onderzoeken. Stalker waarschuwt ze voor de lichtvoetigheid van de mens. De Zone reageert op de innerlijke staat van de mensen die haar bezoeken. De vroegere leermeester van de Stalker, ‘t Stekelvarken genaamd, kwam eens terug van een tocht onvoorstelbaar rijk. Een week later verhing hij zichzelf.

Spirituele reis
Het is niet moeilijk om de religieuze thema’s in Stalker te ontdekken. Er gaan drie mannen – een schrijver, een professor, en een gids (een drie-eenheid) – op pad in een onvoorspelbare plek, die in staat is je diepste verlangens te vervullen. Dit raakt aan een van onze meest existentiële behoeftes: vervulling, overgave, verlossing. Een thema dat in alle wereldreligies, maar ook in levensbeschouwelijke, mystieke en wijsheidstradities voorkomt. Telkens weer ligt de rijkdom niet in het materiële en het is maar de vraag of het in het spirituele ligt. Voor de hand liggender dient de zoeker vanuit een eigen vrijheid op zoek te gaan, een leap of faith te ondernemen. Tegen de achtergrond van het Rusland van eind jaren zeventig is deze film daarvan een bewijs.

De reis van de drie-eenheid verloopt in cirkels. De waarheid kent geen rechte weg. Wanneer de schrijver zo vermetel is de gevaren te trotseren en rechtstreeks op de kamer afloopt, bevindt hij zich even later toch weer op zijn beginpunt. De weg naar verlossing is niet af te dwingen. Die circulariteit vinden we geculmineerd in het bovenstaande gedicht dat de Stalker tegen het einde van de film voordraagt. Een zoekende mens, die verlossing in de uiterlijkheden zoekt en nimmer voldoende heeft. In het gnostische christendom komen we de volgende spreuk van Jezus tegen in Logion 3 van het evangelie van Thomas:

Jezus zei:
Als jullie profeten zeggen:
Zie, het koninkrijk is in de hemel,
dan zullen vogels je voorgaan.
Wanneer zij zeggen, het is in de zee,
dan zullen vissen jullie voorgaan.
Maar het koninkrijk is in je hart én in je oog.
Als je jezelf kent, dan zul je ook gekend worden.

De professor merkt naar de schrijver op dat Stalker-zijn een roeping is. Hij bezit een andere wijsheid dan de schrijver en de professor.

Stalker

Nu kennen al Tarkovsky’s films een diep spirituele inslag. Elke film kent shots van de natuur, weilanden, water, wuivend riet, bossen, vaak gepaard gaand met littekens van menselijke aanwezigheid. Gefilmd op een contemplatieve, verstilde wijze, die twee bewegingen maakt. Die tussen het getoonde en de kijker en die tussen het geziene en ervarene, wat direct is. Het is alsof zijn films adempauzes inlassen om ons zijn films te laten bewonen (zoals Yasujiro Ozu de thee laat koken in Tokyo Story).

Picknick naast de weg
Hiermee staat de film tamelijk haaks op het boek, Roadside Picnic, waarop de film is gebaseerd. Dat boek beschrijft vooral de sociale relaties tussen de verschillende Stalkers en hun lastige positie. De sciencefiction, het feit dat er buitenaards bezoek is geweest, speelt tegen de achtergrond. Het boek is geschreven vanuit een perspectief dat buitenaards bezoek een voldongen feit is geweest. Ze zijn er niet meer, of althans, dat is de aanname van de personages in het boek. Het bezoek van het buitenaards leven wordt voorgesteld als een picknick naast de weg. Wat ze achterlieten qua rommel is in de Zone achtergelaten. Het is aan de mens om uit te vogelen wat hij exact inhoudt, om als zodanig een sprong in onze vooruitgang te kunnen maken. Die vooruitgang, zo spiegelt Tarkovsky ons voor, zullen we in onszelf moeten maken en niet zozeer in de technologie. Kunnen we vrede hebben met de gemankeerdheid van ons mens-zijn? Met onze tekorten?

Op die prangende vraag heeft de professor aan het eind van de film een vrij rigoureus antwoord. De reis eindigt bij het begin en de kijker is een diepe ervaring rijker. De vraag die nog kan blijven hangen, is of een van de personages nu wel of niet die ruimte is binnengegaan. De oplettende kijker zou het verrassende antwoord kunnen opvallen. Mij werd het duidelijk na een hint en nog een kijkbeurt, wat alles behalve een straf is. Zoals de biografie van Tarkovsky Sculpting in Time heet, zo speelt Tarkovsky als geen ander met tijd. Shots van vier minuten zijn geen uitzondering en worden als een tijdloosheid ervaren, mede door de briljante muzikale ondersteuning van Eduard Artemyev.

 

28 september 2018

 
 

MEER ESSAYS