Extraordinary Journey of the Fakir, The

*
recensie The Extraordinary Journey of the Fakir

Geen hoogvlieger

door Rob Comans

Neem een paar stereotiepe Indiërs, dompel ze onder in een sentimenteel verhaal, vul dit aan met zoete romcom-stroperigheid, vermeng dat met sociale relevantie en een flinke toef Bollywood-exotisme en breng alles op smaak met ingrediënten uit eerdere crowd pleasers zoals Slumdog Millionaire (2008), Life of Pi (2012) en Lion (2016). 

Zie hier het hapklare recept voor The Extraordinary Journey of the Fakir, een film die ongegeneerd het lijstje van mierzoete benodigdheden voor succesvolle publieksfilms aftikt, en ook nog het mondiale vluchtelingenprobleem wil aankaarten. Helaas vliegt deze door regisseur Ken Scott aangestuurde fakir zo laag en voorspelbaar op zijn doel af dat je hem al van mijlenver ziet aankomen.

The Extraordinary Journey of the Fakir

Omzwervingen
Ajatashatru ‘Aja’ Lavash Patel (Dhanush) groeit als straatjochie op in Mumbai, waar hij als ‘fakir’ toeristen geld uit de zak klopt. Zijn moeder (Seema Biswas) wil hem niet zeggen wie zijn vader is, behalve dat ze hem in Parijs heeft leren kennen. Dus vertrekt Aja wanneer hij eenmaal volwassen is richting de Lichtstad. Daar leert hij Marie (Erin Moriarity) kennen bij de plaatselijke Ikea, waar Aja ‘logeert’ omdat hij zelf geen onderkomen kan betalen. Voordat hij haar in zijn armen kan sluiten, volgen de vele verplichte plotwendingen en omzwervingen waaraan de film zijn titel ontleent. Tel even mee: van Parijs reist Aja naar Londen, dan naar Barcelona, Rome, Tripoli, terug naar Parijs om vervolgens weer in Mumbai te landen.

Illegalen
Op een van zijn ‘reizen’ ontmoet Aja een groep Somalische illegalen. Eén van hen, Wiraj (Barkhad Abdi), wordt Aja’s vriend. Zij hopen in Londen werk te kunnen vinden, maar worden tegengehouden door een bureaucratische immigratiebeambte (Ben Miller), die middels een misplaatst en pijnlijk niet grappig ‘musicalnummer’ het repressieve Britse immigratiebeleid uitlegt. Uiteindelijk belandt Aja in Rome, waar hij actrice Nelly Marnay (Bérénice Bejo) leert kennen. Wanneer zij hem financieel op weg helpt, brengt hij haar als dank weer samen met haar grote liefde. Cue voor het verplichte zang- en dansnummer waarin Aja en Nelly op zijn Bollywoods losgaan. Ettelijke omzwervingen later komt alles weer goed in Mumbai. Marie dumpt haar nieuwe vriend om weer met Aja samen te kunnen zijn, en Aja behoedt als wijze leraar de drie jochies die de raamvertelling van de film vormen voor een lange gevangenisstraf.

Ikea
Er is niks mis met pretentieloos vermaak, dat The Extraordinary Journey of the Fakir dan ook in grote hoeveelheden brengt. Wanneer de ontmoeting met Wiraj de aanzet blijkt voor een geforceerde poging om sociale relevantie en maatschappijkritiek in de film te stoppen, schiet regisseur Scott zijn doel echter ver voorbij. Ook de hijgende pogingen om aan te sluiten bij het referentiekader van het filmpubliek middels Ikea-referenties is stuitend. De jonge hoger opgeleide startende twintigers en dertigers waarop de film zich richt, zullen veel van hun interieurstijl in de film herkennen, en voor deze schaamteloze sluikreclame zal Ikea veel geld over hebben gehad.

The Extraordinary Journey of the Fakir

Iets soortgelijks deed regisseur David Fincher ook al in Fight Club (1999), maar daar was het bedoeld als zwart-komische kritiek op een oppervlakkige, materiële levensstijl. Niets van dit soort ironie bij The Extraordinary Journey of the Fakir: hier is een Ikea-interieur iets om oprecht naar te verlangen. Aju gebruikt zelfs een Ikea-pot als urn voor zijn moeders as (!), die hij keurig op het Parijse graf van zijn vader achterlaat. Dat Ikea de laatste jaren vaak in opspraak kwam vanwege uitbuiting en onethisch gedrag wordt keurig onder het fakir-tapijt gemoffeld.

Harteloosheid
The Extraordinary Journey of the Fakir voornaamste probleem is dat de film, onder alle felle Bollywood-kleurtjes en oppervlakkige romantiek, de ongelijkheid, uitbuiting, het onrecht en materialisme omarmt die de film pretendeert te veroordelen. Deze ‘harteloosheid’ blijkt wanneer Wiraj en Aja spreken over het verschil tussen een toerist en een illegale vluchteling. Plotseling maakt Wiraj de opmerking: “He who swallows coconuts has faith in his butthole.” Aja: “I don’t see the relevance.” Wiraj: “No relevance, I just love the proberb…”

Diegenen die gecharmeerd zijn van mierzoete, inhoudsloze, bijna cynisch gecalculeerde fluff zullen The Extraordinary Journey of the Fakir inderdaad buitengewoon vinden. Mensen die liever door films worden aangesproken op gebieden boven het middenrif zullen nauwelijks wakker kunnen blijven.

9 december 2018

 

ALLE RECENSIES

Elephant Man, The

The Elephant Man
Van mensen en monsters

door Rob Comans

“‘Tis true my form is something odd, But blaming me is blaming God. Could I create myself anew, I would not fail in pleasing you. If I could reach from pole to pole, Or grasp the ocean with a span. I would be measured by the soul, The mind’s the standard of the man.” 

Deze woorden van de Engelse predikant en theoloog Isaac Watts (1674-1748) waarin hij pleit voor het beoordelen van mensen op hun geest in plaats van hun uiterlijk, was naar verluidt een geliefd citaat van Joseph Casey Merrick (1862-1890).

The Elephant Man

Olifant-man
De in Leicester geboren Merrick werd bekend als de ‘olifant-man’ vanwege een zeer zeldzame aandoening die hem ernstig misvormde. Vergroeiingen van zijn schedel, ruggengraat en ledematen en vele wratachtige uitstulpingen van zijn huid gaven hem een olifantachtig uiterlijk, een feit dat hem in het Victoriaanse Engeland waarin hij leefde tot een medisch curiosum maakte en veroordeelde tot een bestaan als bezienswaardigheid.

Onverfijnd als zijn verschijning misschien geweest mag zijn, zijn geest was dit allesbehalve. Merrick was intelligent en erudiet, en een liefhebber van het theater. Zijn marginale bestaan veranderde toen de chirurg Dr. Frederick Treves hem ontmoette, en diens professionele interesse werd gewekt door Merricks zeer zeldzame aandoening (waarschijnlijk een combinatie van neurofibromatose en Proteus-syndroom). Hoewel Treves besefte dat hij niet bij machte was Merrick te helpen, besloot hij zich desondanks over de ‘olifant-man’ te ontfermen. Er ontstond een vriendschap tussen beide mannen totdat Joseph Merrick, op 11 april 1890, op 27-jarige leeftijd in het Royal London Hospital (RLH) overleed.

In 1923 verschenen Frederick Treves’ memoires, The Elephant Man and Other Reminiscences, die samen met het boek The Elephant Man: A Study in Human Dignity (1973) van Ashley Montagu de basis vormden voor het scenario dat Christopher De Vore, Eric Bergen en David Lynch schreven voor The Elephant Man (1980). Regisseur Lynch, een liefhebber van het bizarre en surreële, kiest voor een grotendeels realistische benadering van Merricks buitengewone verhaal. Toch is het een onvervalste David Lynch-film door de sympathie en fascinatie voor diegenen die als ‘anders’, ‘bizar’ of ‘monsterlijk’ worden gezien. Joseph Merrick (John Hurt), in de film steevast als John aangeduid, is ondanks zijn ‘monsterlijke’ uiterlijk tot meer menselijkheid in staat dan de meeste mensen in zijn omgeving die zich tegenover hem vaak monsterlijk gedragen.

Uitgebuit
Dat begint al met de kermisexploitant Bytes (Freddie Jones), die John uitbuit en blootstelt aan de verafschuwde blikken van Victoriaans Londen en hem mishandelt. Ook Dr. Treves (Anthony Hopkins), die John op het spoor komt en hem naar zijn werkplek RLH haalt, hoopt in eerste instantie vooral zijn carrière te bevorderen. In een kille collegezaal, gevangen in scherp lamplicht en aangegaapt door Treves’ collegae van het Anatomisch Genootschap, wordt duidelijk dat dit publiek misschien veranderd is, maar niet zijn situatie. Ook de gevierde theateractrice Madge Kendal (Anne Bancroft), die zich middels John wil profileren als barmhartige Samaritaan, brengt geen verandering. Het resulteert slechts in een stoet van societyfiguren die, noblesse oblige, de bescheiden vertrekken van John aandoet. Als de jongeman zich al bewust is van de onoprechtheid van de mensen om hem heen, laat hij hiervan niets merken.

Bij zijn opname in het RLH wordt Merrick opnieuw uitgebuit, ditmaal door een brute nachtwaker (Michael Elphick), die bezopen kroegvolk tegen betaling langs de ‘olifant-man’ leidt. Opnieuw valt John hierna in handen van Bytes, en brengt een kermistournee hem naar Frankrijk. De voortdurende mishandelingen, waaronder Johns gezondheid lijdt, leiden tot een van de mooiste scènes van de film, waarin hij wordt bevrijd door meelijdende kermisfreaks: in een vreemde optocht loodsen zijn hun mede-verschoppeling door een nachtelijk landschap en brengen hem de volgende morgen naar een boot terug naar Engeland. Bij het afscheid drukt een dwerg (Kenny Baker, R2D2 uit de Star Wars-films) John op het hart: ‘Luck, my friend! Luck, and who needs it more than we?’ Lynch maakt hier duidelijk dat de ‘freaks’ tot meer solidariteit en medemenselijkheid in staat zijn dan ‘gewone’ mensen.

The Elephant Man

Gezondheid
Dat blijkt opnieuw in de volgende scène, waarin John tijdens een opstootje op het Londense station in een hoek wordt gedreven. ‘No! I am not an elephant! I am not an animal! I am a human being! I am a man!’, schreeuwt hij. Dit hard bevochten besef van eigenwaarde en identiteit zou John hoogstwaarschijnlijk ontgaan zijn zonder dr. Treves en de positieve ervaringen in diens ziekenhuis. Uitgeput wordt Merrick uiteindelijk weer in het RLH afgeleverd, en opnieuw toevertrouwd aan de goede zorgen van dr. Treves, ziekenhuisdirecteur mr. Carr-Gomm (John Gielgud) en hoofdverpleegster Mothershead (Wendy Hiller).

De gebeurtenissen hebben emotioneel en fysiek veel van John gevergd en zijn gezondheid gaat zienderogen achteruit. Madge Kendal nodigt hem uit voor zijn eerste (en helaas ook laatste) theaterbezoek. Als ze de voorstelling van die avond opdraagt aan haar ‘vriend’ John, is de gereserveerdheid die de actrice werkelijk voelt ten opzichte van hem kort, maar duidelijk van haar gezicht af te lezen. Na zijn theaterbezoek bedankt John Treves voor zijn goede zorgen – beide mannen beseffen dat ze veel aan elkaar te danken hebben. Als John daarop zijn kartonnen model van de vlakbij gelegen kathedraal van St. Philips heeft voltooid, lispelt hij ‘It is finished’ – daarmee tevens zijn zelfgekozen dood aankondigend. Hij besluit liggend te gaan slapen, al beseft hij dat hij hierdoor zal sterven. Zonder de ondersteuning van meerdere kussens voor zijn vergrote, zware schedel zal het gewicht hiervan Johns luchtpijp afknijpen. Op de melancholische tonen van Samuel Barbers Adagio for Strings (zelden effectiever gebruikt in een film) slaapt John Merrick voorgoed in.

Make-up
Dat The Elephant Man zo’n indrukwekkende ervaring is, komt in de eerste plaats door de fenomenale acteerprestatie van John Hurt. Ondanks de grime waarachter het gezicht van de acteur bijna geheel schuilgaat, geeft hij zijn personage warmte, menselijkheid en verfijning. John Hurt bracht per draaidag maar liefst zeven à acht uur door in de grimeursstoel voor het aanbrengen van de door Christopher Tucker ontworpen maskers en make-up, en vijf uur voor het verwijderen ervan. Tuckers werk was zo uitmuntend dat het in belangrijke mate bijdroeg aan de introductie van een Oscar voor make-up effecten, uitgereikt sinds 1982.

The Elephant Man ontving acht Oscarnominaties, en vijf BAFTAS, waaronder beste regie voor David Lynch, en beste cinematografie voor Freddie Francis. Deze tovert in prachtige zwart-wit beelden het Victoriaanse Engeland om in een wereld van duistere indrukken. Hierin is Lynch’ voorliefde voor het bizarre weliswaar aanwezig  – langzaam uitdijende rookwolken, duistere industriële landschappen, droombeelden, nachtmerrieachtige scènes waarin Merricks moeder (Phoebe Nichols) wordt ‘belaagd’ door wilde olifanten – maar als context op de achtergrond. Francis toont zich ook een visuele grootmeester in het weergeven van de uitbundige kermisscènes en het rustige, door gaslicht verlichte RLH. Zijn evocatieve camerawerk ademt onheil en dreiging; fantasie en betovering – typisch ‘Lynchiaanse’ gevoelens die de Victoriaanse wereld van The Elephant Man kenmerken.

The Elephant Man

Cynisch?
Is Lynch’ film in het blootleggen van de hypocrisie, ambivalentie en exploitatiezucht die de wereld toont tegenover de ‘olifant-man’ cynisch? Of is dit simpelweg een weergave van de toen heersende, weinig verlichte moraal ten opzichte van wat als normaal/abnormaal of mooi/lelijk werd gezien? Lynch laat deze keuze grotendeels aan de toeschouwer. Hij is meer geïnteresseerd in hoe mensen zoals Joseph Merrick, wiens uiterlijke verschijning indruist tegen de heersende norm, hun weg vinden in een niet-begrijpende, afwijzende en kleingeestige wereld.

Gezien Merricks liefde voor literatuur is het treffend dat de film afsluit met een citaat uit het gedicht Nothing will Die van Alfred Tennyson, waarin het eeuwige, onvergankelijke en cyclische karakter van de wereld en haar seizoenen wordt bezongen:

Never, oh! Never, nothing will die.
The stream flows,
The wind blows,
The cloud fleets,
The heart beats,
Nothing will die. 

Een volgende strofe uit dit gedicht (niet geciteerd in de film) luidt:

The world was never made;
It will change, but it will not fade
(…)
Nothing was born;
Nothing will die;
All things will change.

Als dit klopt, is de essentie van Joseph Merrick niet vervlogen. Zijn nagedachtenis roept ons op elkaar te beoordelen op wie we zijn, niet op hoe we eruitzien, en open te staan voor datgene dat we niet begrijpen (en dus vrezen). David Lynch’ The Elephant Man is hierin een magistrale richtingwijzer.

 

27 november 2018


ALLE ESSAYS

LIFF 2018 deel 1

LIFF 2018 deel 1:
Klinkende klassiekers

door Rob Comans

Van 2 tot en met 11 november kunnen filmliefhebbers in Leiden hun hart ophalen tijdens de jaarlijkse editie van het LIFF. Naast premières van nieuwe films is er dit jaar ruime gelegenheid om (hernieuwd) kennis te maken met filmklassiekers, oude zowel als moderne.

Het programmaonderdeel Science & Cinema stelt raakvlakken tussen de werelden van wetenschap en film centraal. Hierin zitten een aantal niet te missen klassiekers die op het witte doek (nog beter) tot hun recht komen.

 

The Bride of Frankenstein

The Bride of Frankenstein (1935) – monster wil maatje
Het gebeurt niet vaak dat een vervolgfilm het origineel overtreft, maar deze horrorfilm van regisseur James Whale, opvolger van het eveneens indrukwekkende Frankenstein (1931) behoort tot één van de meest bekende uitzonderingen op de regel. Daarnaast laat de film overtuigend zien dat de combinatie van geld en talent binnen Universal Studios, waar de film gemaakt werd, terecht leidde tot de legendarische reputatie van de filmmaatschappij op het gebied van horrorfilms.

Colin Clive kruipt wederom in de huid van de wetenschapper Henry Frankenstein, op zoek naar het geheim van het creëren van leven en Boris Karloff speelt opnieuw de rol van het door Frankenstein gecreëerde monster (in de beroemde make-up van grimeur Jack Pierce). Nieuw is de verfrissende humor die in het verhaal wordt geïntroduceerd, vooral in de persoon van Dr. Pretorius (Ernest Thesiger), een even sinistere als hilarisch campy wetenschapper die, evenals Frankenstein, zoekt naar een manier om zelf leven te scheppen.

Nieuw is ook een uitvoerige proloog, waarin gerefereerd wordt aan de stormachtige nacht aan het Meer van Genève in 1816, waarin Mary Wollstonecraft Shelley (Elsa Lanchester), Percy Bysshe Shelley (Douglas Walton) en Lord Byron (Gavin Gordon) poogden om ieder een eigen versie van het meest gruwelijke griezelverhaal te schrijven. Mary Shelley’s pennenvrucht, Frankenstein – or The Modern Prometheus (gepubliceerd in 1818) is sindsdien uitgegroeid tot een legendarisch voorbeeld van gotische horror, en wordt daarnaast door velen gezien als de eerste sciencefictionroman.

In The Bride of Frankenstein bundelen Frankenstein en Pretorius hun krachten om een vrouwelijke metgezel voor het monster te creëren, maar deze ‘bruid’ (Elsa Lanchester in een onvergetelijke dubbelrol) is minder gelukkig met haar aan elkaar genaaide aanstaande. Alles aan deze door Universal-directeur Carl Laemmle Jr. geproduceerde klassieker ademt klasse, maar uitschieters zijn de weelderige cinematografie van John Mescall, de verbeeldingsrijke decors van set-ontwerper Charles Hall, de iconisch geworden make-up van Jack Pierce en de prachtige score van Franz Waxman, laverend tussen romantiek en dreiging.

Te zien op zondag 11 november – Trianon 2 – 15.15-16.30 

 

Ghost in the Shell

Ghost in the Shell (1995) – bezielde machines in superieure anime
In 1988 introduceerde het door Katsuhiro Otomo geregisseerde Akira het Japanse anime-genre aan een westers publiek. Akira is tijdens het LIFF te zien in een speciale voorstelling, met een nieuwe remix van geluid én beeld door Londense rapper en producer GAIKA.

Anime zijn dramatische, kleurrijke animatiefilms, vaak gebaseerd op in Japan populaire stripboeken (manga). Is sinds de release van het sterk door dystopische SF beïnvloede Akira de diversiteit van anime geen geheim meer, de films die eind jaren 80 en in de jaren 90 de VS en Europa bereikten hadden overwegend een bovennatuurlijk of sciencefictionthema. Ghost in the Shell valt stevig in de laatste categorie, maar desondanks wist deze vakkundig door Mamoru Oshii geregisseerde animatiefilm de status van het anime-genre als kunstvorm stevig op de kaart te zetten.

De film draait om de activiteiten van Sectie 9: een hypermoderne elite-eenheid van de politie die zich anno 2029 bezighoudt met speciale operaties gericht tegen (bedrijfs)spionage, hacking, terrorisme en cybercriminaliteit. De afdeling wordt aangevoerd door majoor Motoko Kusanagi, een met een cybernetisch lichaam uitgeruste agente die, samen met haar collega’s Batou en Togusa en leidinggevende Nakamura, op het spoor komt van Project 2501, een geheime operatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken met als middelpunt een geheimzinnige hacker: de Puppet Master.

Gebaseerd op Masamune Shirow’s gelijknamige manga, onderzoekt Ghost in the Shell thema’s zoals kunstmatige intelligentie (KI), cyborgs, de vrijheid en schaduwzijden van het internet, politieke intriges op (inter)nationaal niveau, en de vraag of KI een zelfbewuste levensvorm is met alle daaraan verbonden rechten. Dingen die vandaag de dag cutting edge zijn, maar in 1995 nog slechts toekomstmuziek, hetgeen de profetische waarde van zowel manga als film aantoont. Ghost in the Shell vliegt soms uit de bocht met topzwaar gefilosofeer en technisch jargon, maar deze mede door Blade Runner (1982) beïnvloede film blijft fascineren door zijn oogverblindende visuals en prikkelende thematiek. Eén van de hoogtepunten is de openingsscène waarin we de constructie van een cyborg (majoor Kusanagi?) meemaken, begeleid door Kenji Kawai’s magistrale score. Niet te missen!

Te zien op dinsdag 6 november – Trianon 2 – 14.45-16.32         

 

Pi

Pi (1998) – waanzinnige wiskunde
Waanzin en genialiteit liggen dicht bij elkaar, zo blijkt in deze eerste speelfilm van regisseur Darren Aronofsky. In deze duistere psychologische thriller leidt de begaafde wiskundige Max Cohen (Sean Gullette) een kluizenaarsbestaan, waarin partijen Go met zijn voormalige docent Sol Robeson (Mark Margolis) zijn spaarzame contact met de buitenwereld vormen. Max is ervan overtuigd dat getallen ons leven beheersen, en met behulp van een door hemzelf gebouwde supercomputer zoekt hij obsessief naar een manier om deze wiskundige code te breken. Oververmoeid, geplaagd door verblindende migraineaanvallen en onder invloed van stimulerende drugs komt Max’ perceptie van de realiteit steeds meer onder druk te staan, en glijdt hij weg in paranoia en psychose.

Op een dag wordt Max benaderd door de joodse Lenny Meyer (Ben Shenkman), lid van een chassidisch genootschap dat tracht de Thora te ontcijferen aan de hand van getallen. Wiskunde is voor Lenny en de zijnen een manier om met God te communiceren. Marcy Dawson (Pamela Hart), werkzaam voor een machtige firma op Wall Street, is van mening dat wiskundige patronen de aandelenmarkt en effectenbeurzen beheersen, en om die reden geïnteresseerd in Max’ werk. Beiden oefenen steeds meer druk uit op Max, die wanhopig blijft zoeken naar getallen die het universum ontrafelen.

Matthew Libatique’s naargeestige zwart-witfotografie, de jachtige montage van editor Oren Sarch en de pulserende soundtrack met o.a. Aphex Twin, Autechre, Orbital en Massive Attack maken van Pi een fascinerende koortsdroom, die de toon zette voor Aronofsky’s latere films  zoals Requiem for a Dream (2000), Black Swan (2010) en het recente Mother! (2017).

Te zien op maandag 5 november – Trianon 2 – 16.30-17.54    

 

eXistenZ

eXistenZ (1999) – echt en onecht
‘You want to get into the bizz, but you’ve never played one of my games?’ Spelontwerper Allegra Geller (Jennifer Jason Leigh) kan zich nauwelijks voorstellen dat marketingstagiaire Ted Pikul (Jude Law) zich niet volledig aan de virtuele werkelijkheid van haar spellen durft over te geven. Ted heeft zelfs geen bio-port, een opening onderin zijn ruggengraat waarmee de spelconsoles van de toekomst direct op het centrale zenuwstelsel kunnen worden aangesloten, om zo virtual reality (VR) te ervaren zonder tussenkomst van VR-brillen, data-handschoenen e.d.. Is dat vanwege een fobische angst voor chirurgie, zoals Pikul beweert, of zit er meer achter?

In eXistenZ richt regisseur David Cronenberg zich op de wereld van VR en het feit dat moderne technologie de grens tussen wat als echt en onecht ervaren wordt steeds meer laat vervagen. Cronenberg verpakt filosofische thema’s in een spannend verhaal waarin fundamentalistische terroristen het voorzien hebben op VR-spelontwerper Allegra Geller, door hen gezien als een bedreiging vanwege de corrumperende invloed van haar werk op de ervaring van de werkelijke wereld.

eXistenZ markeert het einde in Cronenbergs oeuvre van de inzet van body horror om evolutionaire mogelijkheden van het menselijk lichaam te onderzoeken. Zijn latere films zoals Spider (2002), A History of Violence (2005) en A Dangerous Method (2011) handelen nog steeds over transformatie, maar nu op een meer psychologisch/geestelijk niveau. eXistenZ wordt gekenmerkt door dezelfde buitenissige sfeer die bijvoorbeeld Videodrome (1983), The Fly (1986) en Naked Lunch (1991) zo bijzonder en genietbaar maakten, vooral vanwege de biomechanische ontwerpen van production designer Carol Spier, die zich ook in deze film niet onbetuigd laat. Let op bijrollen van Willem Dafoe als sardonische benzinepompbediende Gas en Ian Holm als Kiri Vinokur, een VR-hardware-specialist met een Oost-Europees Koeterwaals accent dat alleen in VR te begrijpen valt. 

Te zien op donderdag 8 november – Trianon 2 – 16.30-18.07                 

 

Vertigo

Vertigo (1958) – duistere diepten van de ziel
Het programmaonderdeel Classic doet zijn naam alle eer aan met de vertoning van deze film van master of suspense Alfred Hitchcock, een film die na jaren Citizen Kane (1941) passeerde als Beste Film Aller Tijden.

De plot van Vertigo is door het noodlot getekend: politieman John ‘Scottie’ Ferguson (James Stewart) valt tijdens een achtervolging bijna van een dak, en lijdt sindsdien aan hoogtevrees (‘vertigo’), hetgeen het einde betekent van zijn politieloopbaan. Wanneer hij als privédetective werkzaam is in San Francisco wordt hij benaderd door een oude vriend, Gavin Elster (Tom Helmore), die zijn vrouw Madeleine (Kim Novak) wil laten schaduwen. Elster vreest voor de geestelijke gezondheid van zijn vrouw. Zij lijkt ervan overtuigd te zijn dat zij bezeten is door de geest van Carlotta Valdes, een Spaanse vrouw die na de dood van haar kind waanzinnig werd en zich van de klokkentoren van een Spaanse missiepost even buiten de stad wierp. Ferguson kwijt zich van zijn taak en wordt, nadat hij haar gered heeft tijdens een zelfmoordpoging, verliefd op Madeleine. Desondanks kan hij vanwege zijn hoogtevrees niet voorkomen dat ze uiteindelijk toch haar dood tegemoet springt, waarna hij radeloos achterblijft.

Als hij niet lang daarna op straat de jonge Judy Barton (Kim Novak in een dubbelrol) ziet, is hij stomverbaasd: afgezien van wat kleine uiterlijke verschillen lijkt zij sprekend op Madeleine. Wanneer hij haar leert kennen begint Scottie op obsessieve wijze Judy te veranderen in zijn overleden geliefde. Het maakt niet uit hoezeer Judy tegenstribbelt: haar haardracht, kleding, make-up en sieraden; alles moet worden aangepast om in haar de dode Madeleine tot leven te wekken. Judy, die verliefd is geworden op Scottie, gaat gelaten in op zijn morbide, bizarre eisen. Dan komt de getraumatiseerde Scottie een duister complot op het spoor, waarvan hij zelf het middelpunt is…

Het intelligente script van Alec Coppel en Samuel Taylor is gebaseerd op de roman D’Entre Les Morts (1954) van Pierre Boileau en Thomas Narcejac, en leent daarnaast elementen uit Erich Wolfgang Korngold’s opera Die tote Stadt (1920) en de film Grezy / Daydreams (1915) van de Russische regisseur Jevgeni Bauer, beide werken waarin (gekmakend) verlies, rouw en het verlangen naar een dode geliefde centraal staan. Coppel en Taylor voegen daar nog een flinke dosis obsessief gedrag en masochisme aan toe, om duidelijk te maken hoe ver mensen bereid zijn te gaan in het bezitten en behagen van hun geliefde.

Vertigo is dan ook één van Hitchcock’s meest complexe, psychologisch duistere films. Vermeldenswaard zijn de beroemde openingssequentie van Saul Bass, de oorstrelende score van Bernard Herrmann en het sublieme camerawerk van Robert Burks, waarbij de prachtig verbeelde stad San Francisco een eigen personage in het verhaal wordt.

Tot slot speelt James Stewart hier als de getraumatiseerde Scottie Ferguson één van de beste rollen uit zijn carrière, waarin echo’s doorklinken van soortgelijke neurotische personages die hij speelde zoals L.B. ‘Jeff’ Jeffries (Rear Window, 1954), Howard Kemp (The Naked Spur, 1953) en Will Lockhart (The Man from Laramie, 1955). Of Vertigo de Beste Film Aller Tijden is, is discutabel. Dat het één van de onbetwiste meesterwerken is uit Hitchcocks oeuvre, ja zelfs de Amerikaanse filmgeschiedenis, staat buiten kijf.

Nog te zien op woensdag 7 november – Trianon 1 – 11.30-13.39

 

4 november 2018

 
Preview LIFF 2018
Deel 2 LIFF 2018
Deel 3 LIFF 2018

 
MEER FILMFESTIVAL

Living the Light

***

recensie Living the Light

Altijd onderweg uit liefde voor licht

door Rob Comans

De cinematografie van director of photography Robby Müller was van invloed op films, filmmakers en cameramensen. Regisseur Claire Pijman brengt in Living the Light – Robby Müller een ode aan de even gedreven als bescheiden vakman, en geeft een zeldzaam inkijkje in zijn persoonlijke leven.

De Nederlandse cameraman Robby Müller was letterlijk beeldbepalend voor een generatie van cineasten, collega-cameralieden en filmliefhebbers. De in juli van dit jaar overleden director of photography werkte in zijn ruim veertigjarige loopbaan (soms meermaals) samen met regisseurs zoals Wim Wenders, Jim Jarmusch, Lars von Trier, William Friedkin, Alex Cox en Steve McQueen. De films waar Müller zijn visuele stempel op drukte waren al niet minder indrukwekkend, zoals Der Amerikanische Freund (1977), Paris, Texas (1984), Repo Man (1984), Down by Law (1986), Bis ans Ende der Welt (1991), Dead Man (1995), Breaking the Waves (1996) en Ghost Dog: The Way of the Samurai (1999).

Living the Light

Regisseur Claire Pijman brengt in haar documentaire Living the Light – Robby Müller een ode aan Müller en zijn visuele nalatenschap, en schetst een intiem portret van de zoon, vader en partner die Robby Müller ook was. Voor het maken van haar film kreeg de regisseur toegang tot Müllers persoonlijke archief en kon beschikken over duizenden Hi8-videodagboeken, persoonlijke beelden, setopnamen, polaroidfoto’s en originele scenario’s die hij gedurende zijn carrière verzamelde. Daaruit ontstaat een beeld van een gedreven man die van zijn naasten hield, maar zijn camera zelden neerlegde en de nomadische levensstijl die bij filmen hoort, omarmde.

Nadruk op beelden
We leren Robby Müller kennen aan de hand van filmfragmenten, persoonlijke interviews, en verhalen en anekdotes van regisseurs, collega’s en familieleden. Eén daarvan is regisseur Jim Jarmusch, die samen met instrumentalist Carter Logan de film van een atmosferische soundtrack voorziet. Daarnaast maakt Pijmans filmisch essay veelvuldig gebruik van door Müller zelf geschoten beelden. Deze keuze ontstond deels uit noodzaak, omdat Müller later in zijn leven zijn spraakvermogen verloor. Door deze nadruk op beelden kent de film soms een hoge mate van abstractie die niet iedereen zal liggen, maar wel duidelijk maakt dat Müller altijd bezig was met zijn werk. In video-opnamen en foto’s legde hij voortdurend bewegingen, lijnen, patronen, en lichtschakeringen vast die zijn filmische visie, kadrering en gebruik van licht inspireerden.

Zijn liefde voor licht leverde Müller vergelijkingen op met schilders als Johannes Vermeer, zijn werk voor Im Lauf der Zeit (1976) werd geïnspireerd door de fotografie van Walker Evans. Het werk van schilder Edward Hopper vormde daarentegen een belangrijke inspiratie voor de visuele stijl van Der Amerikanische Freund (1977).

Living the Light

Bedrieglijke eenvoud
Naast een uitgesproken gevoel voor licht, waren eenvoud en het gevoel dat een beeld moest uitdrukken bepalend voor Müllers manier van werken. Maar deze eenvoud was slechts ogenschijnlijk: tijdens opnamen voor de film Barfly (1987) waren Müller en zijn belichtingsvoorman Frieder Hochheim maar liefst vier uur in de weer om een set uit te lichten. Dit werd zo geraffineerd gedaan dat regisseur Barbet Schroeder zich geërgerd afvroeg wat ze in hemelsnaam al die tijd hadden uitgevoerd.

DoP Agnès Godard roemt Müllers gebruik van een diopter, een lens die hem tijdens het filmen van Paris, Texas (1984) in staat stelde zowel voor- als achtergrond scherp in beeld te krijgen, hetgeen zijn beelden een schilderachtige helderheid gaf. Daarnaast besteedde Müller veel aandacht aan het kleurenpalet van de film dat in soms zonovergoten en uitgebleekte tinten, dan weer heldere, verzadigde kleuren het gevoel van ontworteldheid ving, wat essentieel voor de film is.

Regisseur Wim Wenders vertelt hoe de intensieve, langdurige opnameperiode van Bis ans Ende der Welt (1991) een tijd lang een zware wissel op zijn vriendschap met Müller trok. In de creatieve radiostilte die hiervan het gevolg was werkte Müller onder andere met regisseur Jim Jarmusch aan Dead Man (1995). In 1996 ging Müller met regisseur Lars von Trier in zee. Tijdens het werken aan diens films Breaking the Waves (1996) en het latere Dancer in the Dark (2000) experimenteert Müller met een lossere, 360° filmstijl en digitale technieken.

Naast de vakman eert Claire Pijmans documentaire de mens Robby Müller, en doet dat op een manier die de man zelf tekende: trefzeker, liefdevol en oprecht.
 

 16 september 2018

 
MEER RECENSIES

Reports on Sarah and Saleem, The

**

recensie The Reports on Sarah and Saleem

Gerommel op de grens

door Rob Comans

Seksuele avontuurtjes tussen Joden en Palestijnen hebben soms vervelende gevolgen – het Israëlische leger bestempelt deze mensen al snel als staatsgevaarlijk. Zo’n situatie is persoonlijk precair, maar nog geen politiek steekspel. Dit laatste is helaas wel de premisse van The Reports on Sarah and Saleem.  

Een paar keer per week, als café-eigenaar Sarah (Sivane Kretchner) haar zaak heeft gesloten en chauffeur Saleem (Adeeb Safadi) klaar is met zijn bestellingen, ontmoeten ze elkaar op een afgelegen parkeerplaats en hebben seks op de achterbank van Saleem’s bestelbusje. Verder dan dat gaat hun relatie niet. Misschien zouden ze deze stiekeme affaire er beter niet op na kunnen houden, want de in Oost-Jeruzalem wonende Saleem is getrouwd met de zwangere Bisan (Maisa Abd Elhadi), en Sarah leeft met haar echtgenoot, de militair David (Ishai Golan), in West-Jeruzalem. Niet alleen hun huiselijk geluk zetten ze er mee op het spel, het feit dat zij Joods is en hij Palestijns maakt hun avontuurtje nog gevaarlijker. Hun seksuele relatie is hier namelijk geen privézaak.

The Reports on Sarah and Saleem

Van overspel naar spionage
Nadat Sarah en Saleem samen in een club in Bethlehem zijn gesignaleerd, duurt het niet lang voordat Saleem van twee kanten de veiligheidsdiensten op zijn nek krijgt. Zijn arrestatie door de Israëli’s maakt tussenkomst van een hooggeplaatste Palestijnse functionaris noodzakelijk om Saleem weer vrij te krijgen. Deze Abu Ibrahim (Kamel El Basha) laat Saleem een aantal rapporten opstellen die suggereren dat Saleem Sarah rekruteerde als Israëlische spion voor de Palestijnen. Wanneer het Israëlische leger Ibrahim doodt en de rapporten tijdens een nachtelijke inval in beslag neemt, verandert een simpel geval van overspel in een spionagezaak. Deze krijgt een extra politieke dimensie door het feit dat Sarahs echtgenoot David een hoge functie in het Israëlische leger bekleedt.

Aldus de plot van The Reports on Sarah and Saleem (2018), de tweede speelfilm van Palestijns filmmaker en cameraman Muayad Alayan, gebaseerd op een scenario van zijn broer Rami Alayan en eerder dit jaar te zien tijdens het filmfestival van Rotterdam. De trefzekere cinematografie van Sebastian Bock, en het sterke spel van de cast pleiten voor de film. Vooral de wijze waarop de levens van Bisan en Sarah zich steeds meer gaan weerspiegelen in hun streven naar emancipatie en onafhankelijkheid is overtuigend. Helaas probeert regisseur Alayan van The Reports on Sarah and Saleem zowel een relatiedrama, spionagethriller als politiek pamflet te maken. Deze veelheid aan plotelementen maakt de film onevenwichtig, en soms zelfs ronduit rommelig.

Verbazing en ergernis
Naar eigen zeggen wilde Alayan een film maken ‘met als essentie hoe ontrouw kan escaleren in Israël en Palestina’. Als basis dienden de affaires tussen Joden en Palestijnen die hij in zijn omgeving zag ontstaan toen hij in 2002 in een café in West-Jeruzalem werkte. In zijn ogen speelden deze mensen met vuur, omdat het Israëlische leger regelmatig documenten van de Palestijnse Autoriteit confisqueert. Als gevolg, aldus de regisseur, heeft het Israëlische leger via zijn opsporingsdiensten toegang tot de levens van deze amoureuze risiconemers: arrestaties van mensen vanwege spionage of persoonsverwisselingen zijn aan de orde van de dag.

The Reports on Sarah and Saleem

Hetgeen de essentiële tekortkoming van The Reports on Sarah and Saleem aan het licht brengt. Zoals zoveel producties die handelen over het conflict in het Midden-Oosten, ontsnapt ook Alayan’s film niet aan de simplistische tendens om de Israëli’s slechts als kille, egocentrische bezetters, en de Palestijnen als lankmoedige slachtoffers af te schilderen. Zelfs een rudimentaire kennis van de situatie in Israël en Palestina leidt tot het inzicht dat zowel de geschiedenis van de regio als de huidige realiteit daar beduidend complexer zijn. Dat regisseur Alayan, ondanks het feit dat hij al jarenlang in Jeruzalem woont en werkt, een dermate eenzijdige en oppervlakkige versie van de situatie daar weergeeft, wekt verbazing en ergernis.

Hoewel het Alayan niet om objectiviteit te doen is: in interviews benadrukt de regisseur zijn intentie om ‘Palestijnse verhalen te vertellen, de verhalen van mijn volk. (…) Het is mijn taak om niet alleen films over Palestina te maken, maar tevens films uit Palestina.’ Alleen verdient een situatie die historisch zo gelaagd, en politiek, militair, sociaal en economisch zo precair is een completer en meer afgewogen benadering dan The Reports on Sarah and Saleem biedt.

Door hierin tekort te schieten blijkt de film, evenals de belastende rapporten die tegen Sarah en Saleem zijn opgesteld, een lege huls.
 

1 september 2018

 
MEER RECENSIES

Road to Mandalay, The

***

recensie The Road to Mandalay

Leven tussen hoop en vrees

door Rob Comans

Het lot van illegale immigranten is de afgelopen jaren nauwelijks uit de media verdwenen, met de exodus als gevolg van de burgeroorlog in Syrië als voorlopig ‘hoogtepunt’. Verhalen over mensen uit Noord-Afrika, Azië, Oost-Europa en Midden-Amerika die oorlog of economische malaise in hun thuisland ontvluchten om elders een beter bestaan op te bouwen.

Zij trotseren grote gevaren en gaan een onzekere toekomst tegemoet. De dood is altijd dichtbij en de droom van een beter leven loopt steeds vaker stuk op repressief anti-immigratiebeleid. The Road to Mandalay (2016) van regisseur Midi Z sluit aan bij deze actualiteit door het tonen van de lotgevallen van twee illegale immigranten uit Myanmar (voormalig Birma) die in Thailand hun dromen willen realiseren.

The Road to Mandalay

Illegaal
Lianqing (Ke-Xi Wu) en Guo (Kai Ko) leren elkaar kennen als zij illegaal Bangkok worden binnengesmokkeld. Vanaf het begin probeert Guo Lianqing te behagen: hij biedt haar zijn dure zitplaats aan in de auto van de mensensmokkelaars, en neemt zelf genoegen met een oncomfortabele ligplaats in de achterbak. Vervolgens helpt Guo Lianqing voortdurend aan voedsel, onderdak, geld en werkcontacten. Lianqing accepteert zijn vriendelijkheid, maar blijft afstandelijk. Zonder identiteitspapieren en werkvergunning zijn beide twintigers veroordeeld tot afmattend, geestdodend en gevaarlijk werk, een lot dat de pragmatische, minder ambitieuze Guo gelaten accepteert. Lianqing daarentegen blijft werken aan het verkrijgen van de juiste documenten om kans te maken op een betere baan in Thailand, en op de lange termijn in Taiwan.

Maar corruptie, bedrog en bureaucratie blijken een frustrerende, onontkoombare realiteit, evenals het gevaar van arrestatie en deportatie. Hoezeer Jianqing ook haar best doet, ze kan maar niet ontsnappen aan de armoede en uitzichtloosheid die ze in Myanmar wilde achterlaten. Vandaar de titel van de film: Mandalay is een stad in Myanmar, waarnaar de symbolische weg voortdurend terugvoert. Desondanks volhardt de jonge vrouw in het verbeteren van haar situatie, terwijl Guo de alledaagse teleurstellingen ontvlucht met drugs. Wanneer Lianqing uiteindelijk haar ID-papieren krijgt is de broze verstandhouding tussen haar en Guo, die droomt van een leven samen met Lianqing, gedoemd te eindigen.

Kalme verteltrant
De in Birma geboren regisseur en scenarist Midi Z volgde zijn filmopleiding in Taiwan en maakt sindsdien films (o.a. Poor Folk (2012), Ice Poison (2014), City of Jade (2016)) die de situatie in zijn thuisland kritisch volgen. In The Road to Mandalay hanteert Midi Z een kalme, bedaarde verteltrant. Samen met cinematograaf Tom Fan vangt hij de belevenissen van Guo en Jianqing in lange scènes en statische shots, met slechts sporadisch gebruik van close ups. Ondanks de afstandelijkheid van de beelden (of juist daardoor?) beklijft The Road to Mandalay op emotioneel niveau, en blijft zodoende lang in het geheugen en op het netvlies hangen.

Sommige momenten springen eruit: wanneer Guo en Jianqing een slaapplaats delen en Guo’s vingers aarzelend zoeken naar een aanraking; Guo die teder een geschonken kettinkje om Jianqing’s hals drapeert; Jianqing die huilend achterop Guo’s scooter een nieuwe teleurstelling verbijt. En dan is er ook nog een vervreemdende scène waarin Jianqing, gezwicht voor de financiële verleiding van prostitutie, belaagd wordt door een varaan, een symbool van mannelijke seksuele agressie waaraan de jonge vrouw zich walgend overgeeft.

The Road to Mandalay

Inhoudelijk is The Road to Mandalay verwant aan In This World (2002), Dirty Pretty Things (2002), La promesse (1996), Le silence de Lorna (2008) en L’envahisseur (2011), films waarin de makers eveneens de marginale status en onzekere toekomst van illegale immigranten op indringende wijze onder de aandacht brengen. Niet toevallig zijn La promesse en Le silence de Lorna geregisseerd door de gebroeders Dardenne, filmmakers bij wiens oeuvre Midi Z’s tiende speelfilm zowel thematisch als stilistisch aansluit.

In de traditie van Robert Bresson, humanist en minimalist van de Nouvelle Vague, maken de Dardennes en Midi Z bedrieglijk ‘kale’ films met een grote emotionele impact, vaak handelend over maatschappelijk uitgerangeerde individuen. Zo ook The Road to Mandalay, waarin Midi Z zijn camera richt op Jianqing en Guo, jonge mensen in een harde, hebzuchtige, moreel complexe wereld. En registreert hoe zij in het bestaan van alledag overeind proberen te blijven, levend tussen hoop en vrees.   
 

22 juli 2018

 
MEER RECENSIES

 

Lees ook ‘de 10 beste immigrantendrama’s van deze eeuw’

Vossenstreken in de woestijn

Oorlogsfilm Five Graves to Cairo vaak over het hoofd gezien

Vossenstreken in de woestijn

door Rob Comans

1941 – veldmaarschalk Rommel en zijn Afrika Korps richten hun pijlen op het Afrikaanse continent. De geallieerden lijden zware verliezen. In een vergeten uithoek van de Sahara wordt de strijd beslist. Aldus de ingrediënten voor het spannende, nagenoeg onbekende, WOII-spionagedrama van regisseur Billy Wilder: Five Graves to Cairo

In 1941, als de Blitzkrieg van de nazi’s een groot deel van Europa onder de voet heeft gelopen, begint veldmaarschalk Erwin Rommel aan de invasie van Noord-Afrika, een militaire onderneming waarin sterk wordt ingezet op de grote mobiliteit en slagkracht van het Duitse leger. De pantserdivisies van het Afrika Korps waarover hij de leiding voert zijn aanvankelijk veruit superieur aan de geallieerde troepen, resulterend in overwinningen in Libië, Egypte en Tunesië. Maar bevoorrading blijkt een probleem voor de Duitse veldmaarschalk, die vanwege zijn gedurfde strategieën ‘de Woestijnvos’ werd genoemd.

Five Graves to Cairo

Een gestage aanvoer van met name brandstof was essentieel voor de snelle opmars van Rommel’s tanks. De uitgestrekte, door honderden kilometers open woestijn lopende Duitse aanvoerlijnen waren kwetsbaar voor sabotage en aanvallen vanuit de achterhoede. Zonder brandstof veranderden de pantserdivisies van het Afrika Korps al snel in gemakkelijke doelwitten voor vijandelijke tanks. Dit zou bijdragen aan de uiteindelijke nederlaag van Rommel’s Afrika Korps, dat in 1942 tijdens de tweede slag om El Alamein definitief verslagen werd door veldmaarschalk Montgomery’s Achtste Leger.

WOII als achtergrond
Deze historische feiten nemen regisseur Billy Wilder en scenarioschrijver Charles Brackett als achtergrond voor hun spannende oorlogsfilm Five Graves to Cairo (1943), dat daarnaast gebaseerd is op het reeds in 1927 en 1939 als Hotel Imperial verfilmde toneelstuk van toneelschrijver Lajos Biró. Waar deze de gebeurtenissen in een klein hotel in het door de Russen bezette Oostenrijk tijdens WOI als uitgangspunt nam, verplaatsen Wilder en Brackett de handeling in het door hen geschreven scenario naar een hotel in de Sahara aan de rand van het fictieve Egyptische plaatsje Sidi Halfaya tijdens WOII.

Billy WilderHier raakt de Britse korporaal John J. Bramble (Franchot Tone) verzeild nadat de tankdivisie waarover hij het commando voert vernietigend wordt verslagen door Rommel’s pantsers. Nadat hij als laatste overlevende uit een doelloos door de Sahara koersende tank is gekropen en vele kilometers door het brandende zand heeft afgelegd, strompelt de militair het door een luchtaanval beschadigde Empress of Britain hotel binnen. De fysiek en mentaal uitgeputte Bramble waant zich in het Britse divisiehoofdkwartier en ‘meldt’ zijn nederlaag bij de Egyptische hoteleigenaar Farid (Akim Tamiroff) en het Franse kamermeisje Mouche (Anne Baxter), waarna hij instort.

Farid en Mouche weten de Britse officier ternauwernood te verbergen, voordat Duitse militairen het stadje bezetten en het hotel als hoofdkwartier in gebruik nemen. Niemand minder dan veldmaarschalk Rommel (Erich von Stroheim) en zijn rechterhand, de sadistische luitenant Schwegler (Peter van Eyck) nemen er hun intrek.

Strateeg
De aanwezigheid van de hoge Duitse officieren is allesbehalve toevallig. Rommel, als de meesterlijke strateeg die hij is, heeft ver vooruit gepland en daarom in de jaren voorafgaand aan de oorlog zijn spionnen, zich voordoend als Duitse archeologen werkend aan opgravingen, geheime brandstofdepots in de woestijn laten verbergen. Deze moeten Rommel’s pantserdivisies verzekeren van een snelle opmars naar Caïro en een totale overrompeling van de daar gelegerde Britse strijdkrachten.

Sidi Halfaya is gekozen als uitvalsbasis vanwege de gunstige ligging ten opzichte van deze depots. De sleutel tot de locaties van deze verborgen opslagplaatsen is even eenvoudig als geniaal: ze corresponderen met de vijf letters van het woord ‘EGYPT’ op Rommel’s stafkaart.

Wanneer Bramble weer op krachten gekomen is doet hij zich voor als één van de hotelkelners, een man met een klompvoet die tijdens een bombardement op het hotel omgekomen is. Deze man blijkt een Duitse spion te zijn geweest en het duurt niet lang voordat Bramble door Rommel, die zich niet bewust is van de deceptie, wordt gesommeerd om hem op de hoogte te brengen van de stand van zaken. Bramble is zich al snel bewust van de situatie en van de unieke mogelijkheid om Rommel’s plannen te dwarsbomen. Vanaf dat moment ontvouwt zich een spannend kat-en-muisspel tussen de vindingrijke Britse korporaal en de geslepen ‘Woestijnvos’ met als inzet het winnen of verliezen van de oorlog in Noord-Afrika.

Five Graves to Cairo

Troefkaarten
Five Graves to Cairo neemt binnen Wilder’s oeuvre een ondergewaardeerde plaats in. Toch heeft dit vaak over het hoofd geziene pareltje een aantal sterke troefkaarten in handen. Naast het intelligente, spannende en zeer op de toenmalige actualiteit toegesneden script (op het moment dat de film uitkwam was Rommel’s nederlaag in Noord-Afrika slechts een paar maanden oud), is dat het uitmuntende chiaroscuro-camerawerk (grote contrasten tussen licht en donker) van John F. Seitz.

Met name in de openingsbeelden van de eenzaam door de woestijn ploegende tank met haar dode bemanning, en het stuk gebombardeerde Empress of Britain hotel aan de rand van het stadje, maakt Seitz van de woestijnlocaties desolate, dreigende en vervreemdende plekken die desondanks toch exotisch aandoen. Geen geringe prestatie voor een geheel in de VS opgenomen film. Hoogtepunt vormt de confrontatie tussen korporaal Bramble en luitenant Schwegler, wanneer deze Bramble’s ware identiteit ontdekt. Deze krachtmeting, die zich tijdens een luchtaanval afspeelt, wordt door Seitz in diepe schaduwen gehuld wat de scène bijna ondraaglijk spannend maakt.

Narcistische ijzervreter
Hoogtepunt van de film is echter Erich von Stroheim, die als de arrogante, briljante veldmaarschalk Erwin Rommel de show steelt. Von Stroheim was bekend als de regisseur van meesterlijke films als Greed (1924), The Wedding March (1928) en Queen Kelly (1929), en had een reputatie als een veeleisende, sadistische, maar tevens geniale en visionaire vormgever. Als kampcommandant Von Rauffenstein speelde Von Stroheim al eerder een Duitse officier, in Jean Renoir’s La Grande Illusion (1937). Maar waar deze nog wel te porren was voor vreedzame co-existentie, hecht Von Stroheim’s Rommel geen waarde aan deze menselijke zwakheden.

De narcistische ijzervreter waant zichzelf superieur aan alles en iedereen, en probeert slechts geamuseerd vast te stellen of zijn tegenstanders zijn genialiteit kunnen begrijpen. Von Stroheim zal als de zichzelf vernederende butler Max von Mayerling opnieuw een rol vertolken in een film van Billy Wilder, ditmaal in het meesterlijke Sunset Boulevard (1950). Maar daar is zijn rol die van een discrete, op de achtergrond blijvende getuige. Gebruikmakend van Von Stroheim‘s  legendarische arrogantie, geeft Wilder hem in Five Graves to Cairo alle ruimte om te schitteren. Met als resultaat een onvergetelijke vertolking van een even verachtelijke als geniale man.

Afbreuk
Zo vakkundig geschreven, geacteerd en geregisseerd als Five Graves to Cairo is, telt de film toch een aantal kleine minpunten. Ten eerste is dat het onwaarschijnlijke gegeven dat de ‘Woestijnvos’ Rommel een Engelse kaart gebruikt om de locaties van de geheime depots op aan te geven, in plaats van een Duitse. Aangezien het Duitse woord ‘ÄGYPTEN’ zeven letters telt, zou dit de titel van de film in ‘Seven Graves to Cairo’ hebben veranderd. Misschien vond de studio ‘Five Graves’ beter klinken, of was men van mening dat het Amerikaanse publiek moeite zou kunnen hebben met het Duitse woord ‘Ägypten’. Of men vreesde dat de strijd om zeven begraven depots de handeling van de film teveel zou oprekken. Naar de ware reden voor de keuze voor het Engelse woord kan men slechts gissen, maar onwaarschijnlijk blijft het.

Five Graves to Cairo

Daarnaast is de typering van de personages soms wat stereotiep: Rommel en Schwegler zijn kille, arrogante technocraten; korporaal Bramble is een vindingrijke Britse underdog; de Française Mouche is fel anti-Duits en vaderlandslievend; de Egyptische hoteleigenaar Farid is een passieve onnozelaar. Zeker in vergelijking met latere films van Wilder zoals Double Indemnity (1944), The Lost Weekend (1945), Sunset Blvd. (1950) en Ace in the Hole (1951) is de karaktertekening in Five Graves… nogal aan de vlakke, eendimensionale kant.

Tot slot doet het feit dat de uiteindelijke nederlaag van Rommel al bekend is ook enigszins afbreuk aan de spannende plot.

Blijk van veelzijdigheid
Maar het zijn uiteindelijk slechts kleine gebreken in een film die binnen Wilder’s oeuvre vaak vergeten wordt. Ten onrechte, want Five Graves to Cairo blijft nog steeds prima overeind in vergelijking met andere exotische, al dan niet in een woestijn gesitueerde, klassiekers zoals Casablanca (1942), Ice Cold in Alex / Desert Attack (1958), They Came to Cordura (1959), Lawrence of Arabia (1962) en The Flight of the Phoenix (1965).

Als blijk van zijn veelzijdigheid als regisseur en zijn beheersing van diverse genres is het daarom zeer passend dat Five Graves to Cairo deel uitmaakt van het Billy Wilder-retrospectief dat deze zomer in filmmuseum EYE gehouden wordt.
 

18 juli 2018

 
MEER BILLY WILDER
 
 
MEER ESSAYS