Andrey Tarkovsky. A Cinema Prayer

*****
recensie Andrey Tarkovsky. A Cinema Prayer

Zo vader, zo zoon

door Ralph Evers

33 jaar na de dood van zijn vader, komt zoon Andrej A. Tarkovski met een hommage aan zijn vader, de grootste cineast die de filmgeschiedenis gekend heeft, Andrej Tarkovski. Een oogstrelend portret en een intieme ontmoeting met de familie Tarkovski.

Zou het toeval zijn, 33 jaar? De leeftijd waarop Jezus zijn spirituele geboorte (of wederopstanding in het hart, de zetel van de ziel) beleefde. Er is aanleiding genoeg om dit soort verbanden te leggen. De kunst, zo zei de cineast Tarkovski, is de taal om het hogere mee te verbeelden of verwoorden.

Andrey Tarkovsky. A Cinema Prayer

“Alle grote kunstenaars, of het nou Shakespeare, Leonardo of Bach is, uiteindelijk zijn ze allen poëten. Daar kan de filosofie met haar analytische neigingen niet bij komen. We hebben een andere taal nodig om uitdrukking te geven aan dit hogere. Dat we contingente creaties van grote kunstenaars niet kunnen bevatten is omdat ze een wonder zijn en dit wonder leidt ons tot God. Zouden er geen poëten meer zijn, dan gaat een samenleving ten onder.” 

Het zijn een aantal citaten die in A Cinema Prayer uit de mond van vader Andrej Tarkovski opgetekend worden. Deze citaten zijn verbonden aan filmfragmenten, interviews, beeldmateriaal als foto’s en polaroids en door zoon Andrei geschoten natuuropnames van de plekken waar vader en grootvader Tarkovski resideerden.

Gebed
Gebed lijkt vooral een ander woord voor contemplatie en verstilling. Een relatie die de innerlijke ziel met de buitenwereld, de Ander, aangaat. “Het je ergens niet op je gemak voelen is je ziel die te weinig expansie of expressieruimte ervaart.” Er is in ons leven voortdurend een op weg naar huis zijn en een bezieling of afstomping gaande. De tijd, zo mijmert Tarkovski de cineast, wordt in onze tijd te snel geleefd. Een zeventiende-eeuwer zou verpletterd worden in onze tijdsdruk.

En prompt toont zowel vader als zoon het medicijn: verstilde natuurlandschappen, zoals een ondergaande zon die door een takkenbrij heen prikt over een met lichte mist bedekt landschap. Of de opening van Nostalghia. Een mistig landschap in sepia-tinten met zoekende, melancholische blikken, die gevangen lijken te zitten in een onbekend lijden.

Tarkovski schurkt tegen Helmut Plessners idee van Heimatlosheit aan. De mens is altijd onderweg, maar nimmer thuis. De ziel echter zoekt naar expressie, hetgeen vrijheid is. Vrijheid huist over het algemeen beter in onderdrukkende regimes, volgens vader, dan in vrije democratieën. In onderdrukkende regimes wordt een beroep gedaan op de eigen persoonlijke, uniek vrijheid. Dit is vruchtbare grond voor creativiteit. Waarop de cineast autocratisch de set tracht te bedwingen, maar we ook zien hoeveel vrijheid hij aan zijn acteurs laat. Uiteindelijk wint vertrouwen het van controle, als knipoog naar Lenin.

Spiegels
Collega-recensent Alfred Bos schreef in zijn beschouwing over Solyaris het nodige over spiegels: de spiegel dient als nabootsing van het leven, wat een volstrekt onkenbaar wezen en onvoorspelbaar verloop heeft. De spiegel kadert, waar het leven zich buiten kaders onvoorstelbaar voor onze geestelijke vermogens voortbeweegt. We kunnen ons een stoel inbeelden, maar de wereld? Dat is teveel. Zo ook het hogere, God, de ziel. Woorden voor ervaringen die alleen gemankeerd kunnen verwoorden, als prothese van iets ongrijpbaars.

Andrey Tarkovsky. A Cinema Prayer

Zal het de gemiddelde bioscoopbezoeker opvallen dat beeldpoëten als Tarkovski de camera gebruiken als pneuma? De levensadem die het getoonde tot leven brengt, de Qi uit de Chinese filosofie of Allah zo u wilt. Dat ondoordringbare dat alle verschijningen op aarde beroert, van opkomst tot verval en slechts gedeeltelijk gevangen kan worden in woorden of beeld, want dat kent een grens. De mens zonder grens is verloren. De persoonlijke vrijheid schept grenzen in een wezenlijk onkenbaar universum.

In de dichtkunst, zo lijkt de Tarkovski-dynastie te zeggen, treffen we een opening waarmee we uitdrukking kunnen geven aan dat wat niet gekend kan worden. Het verbaast in deze niet dat de cineast geïnspireerd raakte door het zenboeddhisme, die in haar haiku’s met de kunst van het weglaten juist iets krachtigs uitdrukt (hetgeen ook in de Chinese en Japanse schilderkunst emergeert).

Levensbeschouwelijke beeldbiecht
A Cinema Prayer dompelt je onder in een levensbeschouwelijke beeldbiecht, liefst als in het Bagno Vignoni uit Nostalghia: verstild, vertraagd en mistig. Zoonlief weet evenals zijn vader een film te maken die breekt met de conventies van hoe we film doorgaans ervaren. Kop, romp, staart. Hier is het eerder water, wind, lucht en vuur en meest nog ether, de kwintessens, het ongrijpbare, de lege ruimte die opening laat voor het ervaren en verschijnen.

Er dient zich nog een associatie aan: de heilige drie-eenheid, opa, vader, zoon, dichter, beelder, herder. De wind voert ons mee en kijkt nog eenmaal vanuit de hemel op ons thuis, de aarde, die in staat is adem te materialiseren, waarna hij wegvliegt naar onbekende bestemming. Amen.

 

23 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Varda par Agnès

****
recensie Varda par Agnès

‘Grootmoeder’ nouvelle vague toonde hoe het leven is

door Cor Oliemeulen

Ze was bescheiden, vond de dames in Cannes te chique, maar bewoog zich liever tussen de arbeiders. Ze had een instinctieve, spontane manier van werken. “In de 20ste eeuw was ik voornamelijk filmmaker en in de 21ste eeuw voornamelijk artiest”, zegt de kunstenaar die net voor haar dood de documentaire Varda par Agnès voltooide.

Het doek gaat open. Agnès Varda (geboren 30 mei 1928 in Brussel, overleden 29 maart 2019 in Parijs) zit op het podium van een goed gevuld theater. Klein, fragiel, donkerrood bloempotkapsel met de kruin wit geverfd. In vogelvlucht vertelt ze over haar loopbaan, rustig, wars van enige opsmuk en met een incidenteel grapje. Hoewel ze zegt die pretentie niet te hebben, voelt het als een masterclass, afwisselend in het theater, voor studenten, of gewoon in een tuin of op het strand, soms geflankeerd door speelse attributen en kunstvoorwerpen.

Varda par Agnès

Documentaires die ook films zijn
De documentaire Varda par Agnès is een imposant retrospectief in beelden en woorden van de ‘grootmoeder van de nouvelle vague’ (zoals ze al op haar dertigste zou zijn genoemd). Varda was een belangrijke exponent van deze filmstroming die eind jaren vijftig in Frankrijk ontstond en zich afzette tegen de klassieke filmwetten van de droomfabriek Hollywood en de eigen filmcultuur, de ‘cinéma de papa’. Maar net als Alain Resnais – net als zij behorend tot de intellectuele elite van de linkeroever van de Seine en die in 1954 haar eerste film La Pointe courte monteerde – onderscheidde Agnès Varda zich van de twee andere boegbeelden, François Truffaut en Jean-Luc Godard, door veel meer in documentaire-stijl te filmen.

Varda’s oeuvre omvat twaalf lange speelfilms, dertien korte films en twintig documentaires. “Je hebt twee soorten documentaires. De eerste is realistisch: puur en rauw. Ik maak liever documentaires die ook films zijn”, vertelt Varda, die gewone mensen van vlees en bloed altijd centraal stelde. Het liefst dichtbij huis, in de buurt, de winkelier, de bakker op de hoek, de straatartiest. Niet vlot en vluchtig, net als genoemde collega’s, maar in lange takes. Soms ging ze de landsgrenzen over om de tijdgeest te documenteren, zoals The Black Panthers in 1968 en enkele jaren later hippies in Hollywood en demonstrerende feministen tegen abortus. Ook maakte ze een film over de jeugd van haar inmiddels zieke echtgenoot, regisseur Jacques Demy, die in 1990 overleed.

Inspiratie, creatie en delen
In haar documentaire gebruikt Varda regelmatig de drie woorden die altijd zo belangrijk voor haar waren: inspiratie, creatie en delen. Inspiratie is de motivatie om een film te maken (ideeën, omstandigheden), creatie is de manier waarop je de film maakt (methode, structuur) en delen is het logische gevolg, want een lege bioscoopzaal is een nachtmerrie voor elke filmmaker. Aan de hand van scènes legt ze uit hoe ze werkte en welke keuzes ze maakte. Kleur of zwart wit? Klassieke of moderne muziek? Vloeiend of schokkend beeld?

Varda par Agnès bestaat uit twee delen. Over haar ‘klassieke’ periode van 1954 tot 2000 vertelt de filmmaakster hoe ze probeerde om cinema opnieuw uit te vinden en om in elke nieuwe film haar manier van vertellen te veranderen. De ‘moderne’ periode vanaf de eeuwwisseling, waarin bijna iedereen digitaal ging filmen, staat in het teken van haar leven als visueel artiest. Hierin komen haar installaties aan bod, opvallende drieluiken, met vaak combinaties van bewegend en stilstaand beeld.

Varda par Agnès

Ode aan de aardappel
Dat begon in 2003 tijdens de Biënnale van Venetië met een drieluik als onderdeel van een video-installatie waarin ze een ode bracht aan de aardappel, volgens haar de meest bescheiden groente. Op het middelste doek zie je een hartvormige aardappel en aan de zijkanten uitschietende aardappels. Op de vloer daaronder ligt een berg van 700 kilo aardappelen. Tussen haar tijd als cineast en haar tijd als beeldend kunstenaar zijn we getuige van haar prachtige portretten die ze maakte als toneelfotograaf van Théâtre National Populaire in Parijs in de jaren vijftig.

Maar altijd bleef Agnès Varda documentaires maken, zoals Les Plages d’Agnès (2008), waarin ze spiegels op het strand zette om mensen (ook zichzelf) en landschappen te herontdekken, en ging ze in Visages Villages (2017) op pad met beeldend fotograffitikunstenaar JR om door heel Frankrijk alledaagse mensen te ontmoeten om die vervolgens tot hun eigen verwondering op levensgrote foto’s te laten terugkeren.

Authentiek en naïef
Het karakter van Varda’s werk is geboren uit een authentieke benadering als gevolg van een bepaalde naïviteit. In tegenstelling tot haar cinefiele vrienden van het roemruchte magazine Cahiers du Cinéma, waarin Truffaut en Godard graag films met de grond gelijkmaakten, beweerde Varda dat ze op het moment dat ze haar eerste film ging maken, nog maar een stuk of tien films had gezien. Dus ook niet de neorealistische rolprenten (van Visconti, Rossellini en De Sica) die vanaf het eind van de Tweede Wereldoorlog verschenen in Italië, waarmee Varda’s filmstijl meer dan eens is vergeleken.

Varda par Agnès

Zelfs haar meest gememoreerde film Cléo de 5 à 7 (anderhalf uur uit het leven van een meisje dat denkt kanker te hebben en fladderend door de stad wacht op de diagnose van de arts) blinkt uit in eenvoud en oorspronkelijkheid. Geen jump cuts, de techniek van hele korte sprongetjes in de tijd om het tempo van de film te verhogen en de actie spannender te maken, maar gewoon alle tien de treden van de trap tonen wanneer Cléo naar buiten huppelt. Het is dan ook niet heel verwonderlijk dat Varda’s meest ingewikkelde (en laatste) speelfilm, Les Cent et Une Nuits de Simon Cinéma (1994), flopte – ondanks het komen opdraven van talloze grote internationale filmsterren.

Geen wereldverbeteraar
Agnès Varda maakte films zoals het leven is. In haar documentaire blikt ze met actrice Sandrine Bonnaire op locatie terug op de opnames van Sans Toi Ni Loi (1985, Gouden Leeuw in Venetië). Het drama bestaat hoofdzakelijk uit dertien tracking shots waarin we meelopen met de rebelse vagebond Mona die zoekt naar voedsel en een slaapplaats. Ze wordt door iedereen gemeden als de pest en dood in een plastic zak afgevoerd. Een film zonder boodschap, want Varda observeerde vooral en voelde zich geen wereldverbeteraar. Alles draaide om inspiratie, creatie en delen.

Varda par Agnès draait vanaf donderdag 28 november in een aantal bioscopen en ook nog op IDFA 2019.

 
22 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Itzhak

***
recensie Itzhak

Viool als replica van de ziel

door Cor Oliemeulen

Itzhak Perlman is een prima verteller, zelfverzekerd, goedlachs en gevat. Hij geldt als een van de grootste violisten van de tweede helft van de twintigste eeuw. “Waar ter wereld ik ook kom, het enige verzoek dat ik krijg, is de muziek van Schindler’s List.”

Itzhak ademt een onvoorwaardelijke liefde voor de kunst. Alison Chernik maakte eerder korte documentaires over popartheld Roy Lichtenstein, beeldend kunstenaar Jeff Koons, expressionistisch schilder Jackson Pollock, multitalent Julian Schnabel, alsook de filmregisseurs Pedro Almodóvar en Francis Ford Coppola. Ditmaal neemt ze vijf kwartier de tijd voor de man op en achter de viool. Niet alleen muziek komt aan bod; eten en honden lopen als leuke draadjes door de film heen.

Polio
Getroffen door polio op zijn vierde, zien we Perlman nu altijd en overal op zijn scootmobiel. Zoals wanneer hij in een vol honkbalstadion het Amerikaanse volkslied speelt voor een wedstrijd van de New York Mets, luisterend naar een mooie speech van de Amerikaanse president Obama, tijdens een optreden met zanger Billy Joel, het repeteren met andere muzikanten en wanneer acteur Alan Alda een hapje komt eten en een goed glas wijn komt drinken. Op visite bij de Israëlische premier Netanyahu zal hij beslist niet over politiek praten, en inderdaad zien we even later dat het gesprek gaat over eten en honden. De een miljoen dollar behorende bij de prestigieuze Genesis Prize in Jeruzalem zal hij aanwenden voor het opleiden van jong muzikaal talent, met de nadruk op gehandicapten.

Nadat hij op zijn dertiende met zijn moeder naar New York verkaste omdat hij was aangenomen op het beroemde Juilliard viel het zijn tweede vioollerares (de eerste was een kreng) op hoe virtuoos de jeugdige Itzhak al was: “Hij speelde Mendelssohn twee keer sneller dan het moest, maar het was ongelooflijk”, zegt ze. “Ik denk dat ik verliefd op hem was.” Dat gold ook voor Perlmans huidige echtgenote, de vrolijke Toby, die hem na een optreden ten huwelijk vroeg. Itzhak was nog maar zeventien en kreeg een jaar de tijd om zijn relatie met een ander meisje op wie hij nog verliefd was te verbreken. Meer dan vijftig jaar later is Toby nog steeds lyrisch over zijn spel, maar een kritische noot schuwt ze nooit. “Je kende nog niets van Schubert toen we elkaar ontmoetten.”

Net gearriveerd in New York werd de jonge Itzhak uitgenodigd voor de Ed Sullivan Show en aangekondigd als uitzonderlijk talent. We horen hoe prachtig hij daar speelde. Terugblikkend: “Ik weet niet of ik toen was uitgenodigd voor mijn vioolspel.” Toby weet het wel: “Je was die arme kleine kreupele jongen.” Tegenwoordig speelt Perlman altijd op zijn Stradivarius uit 1714 die volgens hem precies de klank heeft die hij van binnen voelt. “Als je een hond hebt en je bent nerveus, dan is je hond nerveus. Als je rustig bent, is je hond rustig. De viool is de replica van de ziel.”

Itzhak

Auschwitz
En zo zit Itzhak vol ontmoetingen, herinneringen en gesprekken, gelardeerd met kort archiefmateriaal. Met zijn joodse achtergrond is Auschwitz nooit ver weg. Op weg daar naartoe namen joden bijna altijd hun viool mee. Die instrumenten werden natuurlijk door de nazi’s afgepakt, waarna de eigenaren naar de gaskamer moesten. De violen gingen naar het orkest, dat een enkeling aangreep om aan het verschrikkelijke lot te ontsnappen. De al even beroemde violist Isaac Stern antwoordde ooit op de vraag waarom zoveel joden viool spelen: “Dit is het gemakkelijkste instrument om op te pakken en weg te rennen.”

Perlman horen we soms heel aardig relativeren en blijkt niet vies van de nodige ironie, maar de enige keer dat we hem niet opgewekt zien, is het moment waarop de joodse eigenaar van een vioolwinkel een oude viool toont. Als hij het instrument openmaakt, zien we daarin een papieren vel in de vorm van een viool met daarop de tekst ‘Heil Hitler 1936’ en de tekening van een hakenkruis. “Zorg ervoor dat er geen snaren meer op komen”, zegt Perlman veelbetekenend.

De bijzondere geschiedenis van een groot kunstenaar maakt een portret al snel de moeite waard. Juist om die reden is de spontane, probleemloze documentaire Itzhak niet uitsluitend boeiend voor liefhebbers en beoefenaars van klassieke muziek.

 

6 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Green Fog, The

*****
recensie The Green Fog

De geest van Vertigo

door Michel Rensen

Ook zo moe van remakes? Guy Maddin laat met zijn hilarische, experimentele herinterpretatie van Hitchcocks Vertigo zien dat het ook anders kan. Met rollen voor NSYNC, Nicolas Cage en Chuck Norris.

Voor wie bekend is met Hitchcocks klassieker zal vrij snel duidelijk zijn dat The Green Fog een zeer vrije herinterpretatie van Vertigo is. Iconische scènes met James Stewart en Kim Novak, evenals herkenbare stadsplaatjes van San Francisco, met als oogappel de Golden Gate Bridge, komen allemaal langs, hetzij in een ietwat andere vorm.

The Green Fog

Puzzel
Experimentele filmmaker Guy Maddin en zijn medescheppers Evan en Galen Johnson, met wie hij eerder The Forbidden Room maakte, bouwden hun nieuwe film uit shots van honderden films en televisieseries die zich afspelen in San Francisco; als een puzzel bestaand uit enkel stukjes van andere puzzels. The Green Fog is een vervreemdende, maar ook zeer komische kijkervaring. De beelden zijn niet achter elkaar geplakt om een conventioneel narratief te creëren, maar met visuele rijm en vaak komische montage geeft The Green Fog op experimentele wijze Vertigo een nieuwe vorm, tegelijkertijd een stadssymfonie van San Francisco.

Hoewel bijna alle dialoog uit de film is geknipt en een groot aantal acteurs zich in hoog tempo opvolgen om dezelfde rollen te spelen, blijft de onspecifieke plotvoortgang goed te volgen. De film veronderstelt weliswaar dat de kijker bekend is met het verhaal uit Vertigo, maar Hitchcocks invloed zal ook een onwetende kijker een flinke duw in de juiste richting geven, hoewel het maar de vraag is of er een ‘juiste’ richting is. Tijdens het kijken van The Green Fog ben je vereist actief de puzzelstukjes tot een passend geheel te maken. Met Vertigo ligt er wel een voorbeeld klaar, maar de gelijkenis tussen de twee films is beperkt en laat nog steeds veel open. Met de non-specificiteit van The Green Fog is feitelijk elke interpretatie acceptabel. Elke kijker zal immers andere associaties bij de beelden hebben.

Meer dan een remake
Wat is een remake eigenlijk? Moet de nieuwe film het plot van het origineel trouw volgen of moet de film de essentie van het origineel vangen en in een nieuwe vorm hervertellen? The Green Fog verkort en verlengt scènes, snijdt delen uit het verhaal en voegt er elementen aan toe, waaronder de groene nevel die San Francisco langzaam binnen drijft. Precies wat je van een remake zou verwachten. Tegelijkertijd bestaat er geen Scotty en geen Madeleine, maar worden de rollen van beide personages door tientallen acteurs vertolkt. The Green Fog zet vraagtekens bij alles wat je van een remake zou verwachten.

The Green Fog

De titel verwijst niet alleen naar de nevel die in The Green Fog de stad intrekt, maar natuurlijk ook naar het befaamde shot waarin Judy in een groene waas zich verkleed als Madeleine aan Scotty toont. Haar gedwongen transformatie door Scotty is in feite ook een soort remake. Hij zet alles op alles om Madeleine opnieuw te maken. The Green Fog past Scotty’s handelswijze toe op Vertigo. De film is een bijna obsessieve poging om het origineel na te maken met knipsels uit andere films. In tegenstelling tot Scotty is The Green Fog zich ervan bewust dat een een-op-een remake niet mogelijk is. Met zijn komische, vervreemdende stijl laat de film je als kijker ook geen seconde in de waan dat je een conventionele remake zult gaan zien.

Een remake die slechts gebaseerd is op gelijkenis, is gedoemd te mislukken. Met zijn unieke vorm ontkomt The Green Fog aan dit noodlottig einde. De film brengt nog meer diepgang aan een klassieker waarover alles al geschreven is en is zelf ook een onuitputtelijke bron van ideeën.

Accidence
Ook de korte film Accidence (die vooraf aan The Green Fog wordt vertoond) van hetzelfde trio is een herinterpretatie van een Hitchcock-klassieker, ditmaal Rear Window. In hun single-takefilm wordt je als kijker in de schoenen geplaatst van Jeff (ook vertolkt door James Stewart). Enkel een flat wordt vertoond, op elk balkon speelt een eigen verhaal en het is aan jou om uit deze bron van chaos een verhaal te destilleren, zoals ook Jeff dit doet in Rear Window.

 

6 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

Ruben Brandt, Collector

****
recensie Ruben Brandt, Collector

Schilderachtige nachtmerries

door Ralph Evers

Wat krijg je wanneer je de remmen van je fantasie, gekanaliseerd door topstukken uit de westerse kunstgeschiedenis, loslaat? Eén van de betere animatiefilms van de afgelopen jaren. Een feest voor de liefhebber qua verwijzingen en ach, voor hen die nauwelijks notie hebben van de veelal Europese culturele identiteit, je hebt in ieder geval een eigenzinnig misdaadverhaal. 

Eén van de toevoegingen van Dalí aan de kunst is de methode van kritische paranoia. Het verhaal gaat dat hij met een theelepeltje in de hand dat boven een kopje zweefde zich in een siësta dutte en bij het ontwaken van het klingelende geluid de beelden die hij op het scherm van zijn derde oog geprojecteerd zag naar het canvas vertaalde. Zoiets lijkt Milorad Krstić, de Sloveense regisseur van Ruben Brandt, Collector ook gedaan te hebben. Deze animatie is niet alleen intelligent, geestig, verrassend, maar bovenal visueel overdonderend, idiosyncratisch en om in herhaling te vervallen eigenzinnig.

Ruben Brandt, Collector

Het vervallen is herhaling is overigens niet voor niets, want deze Hongaarse film slechts één keer zien is een garantie voor een groot gemis. De film zit zo boordevol verwijzingen naar kunst, popcultuur en filmverwijzingen, waar tevens een deel van de lol in zit, dat een enkele keer te weinig is. Ruben Brandt is de geanimeerde variatie op György Pálfi’s Final Cut – Hölgyeim És Uraim. Een film verteld aan de hand van iconische momenten uit de wereldcinema.

Zinnenprikkelend tuig
Animatie moet eigenlijk maar een ding doen en dat is het scheppen van niet alledaagse werelden. Nu, daarin is Ruben Brandt uitermate goed geslaagd. De film kent weliswaar een vrij gestructureerd verhaal over, verrassing, Ruben Brandt. een psychotherapeut, wiens vader werkte met subliminale boodschappen in film en deze testte op de jonge Ruben. Als volwassene wordt hij achtervolgd in zijn nachtmerries door de personages uit topstukken als Jean Moulin, de postbode van Van Gogh of een van de prinsesjes van Velazquez. Zijn oplossing? Deze werken stelen, in eigen bezit hebben en daarmee hun demonische uitwerking op hem onschadelijk maken. Het lukt hem met een viertal illustere en ongeëvenaarde criminelen. Als gezochte topcrimineel krijgt Brandt een bonte verzameling premiejagers achter zich aan.

Een eerste associatie die de stijl oproept, is die van Jean-François Laguionie, maar met de gestyleerde Man from U.N.C.L.E.-opening gaat de lieflijkheid van Laguionie overboord. Overigens doet het tempo van Ruben Brandt meer denken aan een nieuwe Guy Ritchie. Een achtbaanrit zonder veiligheidsgordels, een hallucinante trip die ook wel doet denken aan Ari Folmans The Congress, waar talloze historische figuren hun opwachting maken. Maar waar Folman een meer filosofische insteek heeft, kiest Krstić prominenter voor een esthetische pastiche. Vorm boven inhoud zou je kunnen klagen, of eendimensionale personages, maar de stijl heeft hierin ook bewust iets karikaturaals, zoals Sylvain Chomets Les Triplettes de Belleville. De film is met al deze verwijzingen nog wel het best te omschrijven als een jazzcompositie, zoiets als The Bad Plus weet te doen met zijn covers van bijvoorbeeld Nirvana’s Smells like teen spirit. Jazz ook omdat er her en der een heerlijke noir-feel opsteekt.

Ruben Brandt, Collector

Ogen te kort
Een smet op dit feest van verbeeldingskracht is dat de plot wat te rechtlijnig is. Hoewel er voldoende bizarre wendingen in de omgevingen en nachtmerries van Ruben zitten. Oh, en niet te vergeten de bijzondere, spelen-met-Picasso gezichten (meerdere ogen, neuzen, oren) en andere menselijke kenmerken, blijft het van a tot z verteld verhaaltje wat mat. Zoals gezegd, de personages zijn eendimensionaal (en in één geval tweedimensionaal) en de vaart zit er, op de slak na, aardig in. Het narratieve aspect was sterker uit de verf gekomen mocht er een spanningsboog, een tegenslag, een verwarrend Lynchiaanse component aan toegevoegd zijn. Edoch, de focus ligt hoofdzakelijk op de liefde van Krstić voor film-, pop- en kunstgeschiedenis en daarin is reeds genoeg te genieten.

 

16 juli 2019

 

ALLE RECENSIES

Notti magiche

***
recensie Notti magiche

De teloorgang van de Italiaanse cinema

door Ries Jacobs

In zijn nieuwste werk neemt regisseur Paolo Virzì de Italiaanse filmwereld onder de loep. Films hierover belichten vaak een wereld van glitter en glamour, bevolkt door steracteurs en weinig subtiele regisseurs. In Notti magiche zijn de hoofdpersonages origineler: scenarioschrijvers. 

Filmproducent Saponaro wordt dood aangetroffen in zijn te water geraakte auto. De jonge, ambitieuze scenarioschrijvers Antonino, Luciano en Eugenia zijn de hoofdverdachten. Als de carabinieri hen ondervragen, komt langzaam de waarheid aan het licht. Ondertussen blijkt hoe gejaagd en opportunistisch de filmwereld is.

Notti magiche

Wervelwind
Regisseur Virzì gaf de hoofdrollen in Notti magiche aan drie piepjonge acteurs die eerder nauwelijks voor de camera hadden gestaan. De onderlinge chemie is voortreffelijk. Het meest opvallende personage is Luciano, een wervelwind die handelt voordat hij nadenkt. Debuterend acteur Giovanni Toscano weet dit moeilijk te vertolken karakter – overacting ligt op de loer – geloofwaardig vorm te geven.

Notti magiche speelt zich af in de zomer van 1990. De titel is een zinsnede uit het lied Un’ estate Italiana, dat speciaal werd geschreven voor het wereldkampioenschap voetbal in Italië van dat jaar. In de film zien we regelmatig flarden van wedstrijden op tv. De sfeer en tijdsgeest weet de regisseur goed te vangen. De filmwereld met zijn afgunst en nijd, die vanonder een oppervlakkig laagje Italiaanse decadentie opborrelt. Waarschijnlijk niet geheel toevallig maakte Virzì zelf rond die tijd zijn entree als scenarioschrijver in de Italiaanse filmscene als coauteur van Time to Kill (1989) met Nicolas Cage in de hoofdrol. Dit werk gaf Virzì een voet tussen de deur. Hij bouwde naam op als scriptschrijver om vervolgens in 1994 zijn debuut als regisseur te maken met La bella vita. Na de successen van La prima cosa bella (2010) en La pazza gioia (2016) staat hij bekend als een van de grote Italiaanse regisseurs van deze tijd.

Bejaarde man
Virzì toont in Notti magiche hoe Antonino, Luciano en Eugenia gedurende die zomerse weken frivool opgaan in de Italiaanse filmscene, die door oude mannen (en een enkele oude vrouw) gedomineerd wordt. In een scène zien we een bejaarde Marcello Mastroianni huilen om een vrouw (Catherine Deneuve?) die hem verlaten heeft. De komedie staat bol van dit soort symboliek waarvan de boodschap duidelijk is: eind jaren 80 is de Italiaanse cinema een bejaarde man die zijn beste tijd achter zich heeft. Het beginnende trio scenarioschrijvers is ook nog even getuige van een opname van La voce della luna, de zwanenzang van Federico Fellini.

Notti magiche

Het is aan een jonge generatie van getalenteerde filmmakers om het stokje over te nemen. Maar het blijkt niet zo eenvoudig om in het kliekje van bijna uitgerangeerde, verwaande filmbonzen te komen. Dit gegeven brengt Virzì prachtig in beeld in de scène waarin een kantoor vol anonieme, fanatiek typende ghostwriters zo goed mogelijk probeert te voldoen aan de grillen van filmproducent Zappellini.

Beau monde van Rome
Notti magiche is een prima film, maar kan niet tippen aan Virzì’s beste werk. Dit komt doordat de drie hoofdrolspelers met horten en stoten hun weg in het wespennest van filmbonzen en steracteurs vinden, maar er verder weinig opbouw in het verhaal zit. Meer dan een uur lang bewegen de hoofdpersonages zich, alleen of gedrieën, in de beau monde van Rome en ontmoeten ze mensen die hen misbruiken en teleurstellen. Ondanks dat Virzì een unieke inkijk in de Italiaanse filmwereld van die periode geeft, moddert de plot wat aan totdat de regisseur pas op het allerlaatste moment het gaspedaal indrukt.

 

27 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

Christo: Walking on Water

**
recensie Christo: Walking on Water

Ronddobberen in het ondiepe

door Sjoerd van Wijk

Het ontbreekt Christo: Walking on Water aan de visie die de kunstenaar in de filmtitel wel etaleert. Er is weliswaar humor en een ontwapenende eerlijkheid, maar geen thematische keuze. Christo blijft zo enigmatisch door gebrekkig inzicht.

De documentaire volgt Christo in 2016 als hij in het Iseomeer (Italië) een nieuw project onderneemt. The Floating Piers is een wandelpad van vlotten op het wateroppervlak van de wal naar het kleine eilandje San Paolo. Wereldberoemd geworden met zijn wijlen vrouw Jeanne-Claude, met wie hij diverse gebouwen zoals de Rijksdag in Berlijn heeft ingepakt, grijpt dit project voor Christo terug naar de herinnering aan zijn vrouw. Het idee stamt uit begin jaren 70, maar het koppel lukte het nooit dit van de grond te krijgen. The Floating Piers is niet alleen een artistiek project, maar in documentaire blijkt dat er ook menig logistieke uitdaging aan zit. Het levert spannende momenten op als de bezoekersaantallen veel groter zijn dan verwacht.

Christo: Walking on Water

Ontwapenend eerlijk
In Christo: Walking on Water zit een eerlijkheid die ontwapent. Waar documentaires als Ants on a Shrimp zich vooral bezighouden met het bewieroken van de artiest, toont regisseur Andrey Paounov meer interesse in reacties op technische mankementen en de onvermijdelijke stress als de hordes toeristen onhoudbaar blijken. Geen hosanna over Christo of een of ander verheven verhaal van de man over zijn drijfveren, maar gezever over printjes draaien en een microfoon die niet meteen werkt. Terwijl de buitenwereld wel volop aan het bewieroken is, zit Christo moeilijk te doen over welk type kettingen ze moeten gebruiken voor het bevestigen van doek aan de vlotten. Dit is gewoon een artiest die iets moois wilt maken en alles bloedserieus neemt.

Dat betekent niet dat er geen komische factor aan het geheel zit. Dikwijls vindt de documentaire de humor in dit megalomane project. Een goed idee hebben, blijkt niet te betekenen dat de uitvoering als vanzelf goed gaat. Het kibbelen van en met Christo over mondaine zaken tot aan gewichtige problemen laat hem met beide benen op de grond staan. Het heeft een anticlimactische kwaliteit terwijl er toch sprake is van een uiterst gedreven artiest. De vermoeide blikken en intonatie van zijn naaste verantwoordelijken maken het geheel af.

Geen prangende vraag
Toch laat Paounov ondanks de rücksichtslose observaties na om prangende vragen te stellen. Buiten een idee van hoe het is om met Christo samen te werken (lastig met voldoening aan het eind) is er weinig om dieper inzicht in zijn drijfveren te krijgen. De franke waarnemingen betekenen niet dat er automatisch sprake van een kritische blik is. Er is uitgebreid aandacht voor de knappe logistieke prestatie van The Floating Piers en de chaos achter de schermen, waarbij Christo een beetje uit het oog wordt verloren. In een zeldzaam moment van adoratie valt Paounov eenmalig in de valkuil van bewieroken met banale beelden van God in de Sixtijnse kapel. En in plaats van te zien wat het einde van dit persoonlijk significante project met Christo doet, kiest Walking on Water voor een zinloze epiloog.

Christo: Walking on Water

Stuurloos dobberen
De oppervlakkige houding komt ook tot uiting in het ontbreken van een gerichte thematische keuze. Elk te verwachten aspect van een artistieke onderneming als deze komt aan bod, zonder ooit de diepte in te gaan. Zo is er een intrigerend intermezzo over de commercialisering van kunst, als Christo op het kleine eiland omgetoverd tot vipruimte de elitaire bezoekers moet inpakken. Dit gaat weer overboord voor lichte politieke spelletjes om de autoriteiten verantwoordelijkheid voor de uit de hand lopende bezoekersaantallen te laten nemen. En zo verder. Het geheel dobbert voort en stipt thema’s aan om deze vervolgens weer te laten varen. Het maakt Christo: Walking on Water tot een stuurloze documentaire die ontzag brengt voor het project maar wat betreft de uitvoerders aan de oppervlakte blijft.

 

19 mei 2019

 

ALLE RECENSIES

Man Who Stole Banksy, The

****
recensie The Man Who Stole Banksy

Een collage van tegenstrijdige idealen

door Ries Jacobs

In 2007 verschenen enkele politiek gemotiveerde kunstwerken op gebouwen in Bethlehem. Ze bleken gemaakt te zijn door graffitikunstenaar Banksy. Enkele inwoners van de heilige stad hebben een kunstwerk verwijderd, niet door het over te schilderen, maar door het kunstwerk met muur en al uit te zagen met behulp van een slijpmachine. Wat was hun motivatie? En wie is Banksy?

De identiteit van Banksy is een van de grootste mysteries binnen de hedendaagse kunstwereld. Het is na decennia nog steeds niet bekend wat zijn echte naam is. Geruchten gaan dat achter de graffitikunstenaar ene Robin Gunningham schuilgaat. Anderen zeggen dat Banksy het pseudoniem is van Robert del Naja, één van de leden van muziektrio Massive Attack. Wat weten we dan wel over Banksy? Hij maakt straatkunst en is daarmee succesvol. En hij schuwt de controverse niet.

The Man Who Stole Banksy

Original gangster
Het kunstwerk in Bethlehem is hiervan een voorbeeld. Het toont een Israëlische soldaat die het paspoort van een ezel controleert. Provocerend? Absoluut, zeker in de Arabische wereld. Daar wordt het scheldwoord ezel, meer dan hier, als beledigend ervaren. Regisseur Marco Proserpio wilde weten of dit de reden was om het kunstwerk weg te halen.

Hij spoorde de mensen op die het kunstwerk weggehaald hebben. Een van de verantwoordelijken is Walid. Met zijn ringbaardje, gemillimeterde coupe en sportschoolpostuur heeft de Palestijnse taxichauffeur nog het meest weg van een gangster. Maar schijn bedriegt, politiek idealisme was zijn grootste drijfveer. Hij vindt dat de Palestijnen in Israël onderdrukt worden. Banksy’s kunstwerken in Bethlehem zijn in zijn ogen provocerend en misplaatst. Daarom hebben Walid en zijn kompanen op een dag met een slijptol gepakt en daarmee het kunstwerk verwijderd.

Graffiti in museumzalen
Was deze daad dan alleen idealistisch gemotiveerd? Ook hebzucht speelde wellicht een rol, een Banksy is immers wat waard. Maar Proserpio brengt ook mensen voor de camera die om een andere reden straatkunst te verwijderen, een reden die Walid niet heeft. Sommige idealisten zagen straatkunst uit de muren om voor het nageslacht te bewaren. Door weersinvloeden en uitlaatgassen vergaat straatkunst nu eenmaal in enkele jaren. Graffitikunst gaat nu van de straat naar de museumzalen.

The Man Who Stole Banksy

Meerdere Banksy’s zijn zo van de ondergang gered. Zijn de hiervoor verantwoordelijken dieven of idealisten? Van wie is straatkunst? Proserpio belicht dit vraagstuk van alle kanten. Hij laat graffitispuiters, museumdirecteuren en andere mensen uit de kunstwereld aan het woord, maar geeft geen oordeel. Dit objectieve standpunt maakt van The Man Who Stole Banksy een sterke documentaire, ondanks het soms wat rommelige karakter van de film. De regisseur heeft de neiging om snel van onderwerp te veranderen en springt daardoor meer dan eens van de hak op de tak.

Bataclan
Anderzijds past het snelle en rommelige karakter van The Man Who Stole Banksy wel bij het tegendraadse straatleven waaruit de graffitikunst voortkomt. Het is daarom toepasselijk dat Proserpio voor de voice-over de eeuwig springerige Iggy Pop heeft gevraagd. Hij is de vertolking van de rebellie die ten grondslag ligt aan straatkunst. Straatkunstenaars, ‘kunstdieven’ en de museumcuratoren die straatkunst tentoonstellen, allen vertegenwoordigen eenzelfde soort rebellerend idealisme. Hun idealen zijn alleen niet met elkaar te verenigen.

Op 26 januari van dit jaar, nadat de documentaire al in meerdere landen uitgebracht was, werd in Parijs een Banksy ontvreemd. Dit kunstwerk was aangebracht op een nooddeur van het Bataclan om de slachtoffers van de terroristische aanslag van 2015 te herdenken. Lag hieraan ook idealisme ten grondslag?

 

28 april 2019

 

ALLE RECENSIES

Leaning into the Wind

***

recensie Leaning into the Wind

Land Art voor beginners

door Bob van der Sterre

Leaning into the Wind. Het is dit keer niet het spreekwoordelijke dansende plastic tasje in de wind, maar een heuse kunstenaar die in de wind balanceert. De Schot Andy Goldsworthy maakt kunst van natuur en vindt zichzelf er onlosmakelijk onderdeel van. We zien dat in deze interessante, maar ook wat tamme documentaire.

Land Art is een lastig kunstgenre voor snelle kunstconsumenten. Geen fijn genre voor de New Yorkse galeriewereld. Het zou er niet eens in passen, al die bomen en rotsen. Andy Goldsworthy is een van de bekendste vertegenwoordigers van de stroming. Sinds de jaren zeventig maakt hij kunst van wat natuur hem biedt en vaak met behulp van materialen uit de natuur. Stenen, bomen, klei, blaadjes. Bekend zijn bijvoorbeeld zijn bogen.

Klasse apart
Land Art is net zo divers als de gewone kunst. Mensen als Richard Long, Michael Heizer en James Turrell (zie in Den Haag zijn Hemels Gewelf) vullen het weer anders in dan Goldsworthy. Toch is Goldsworthy een klasse apart in het genre. Vandaar deze tweede film over hem. Thomas Riedelsheimer, die deze film regisseerde, maakte in 2001 ook al Rivers and Tides over Goldsworthy. Leaning into the Wind kun je zien als de opvolger. Maar slechts losjes. De film verwijst niet naar zijn voorganger. We observeren hoe de kunstenaar anno nu werkt, hoe hij horizontaal door wilgenstruiken heen kruipt, in een boom klimt, stenen stapelt, nadenkt.

De documentaire leert ons dat Goldsworthy het heerlijke leven leidt van een man die elke dag lekker kan prutsen in en met de natuur. Of het nu Gabon, Schotland of Zuid-Frankrijk is, elk landschap biedt wel wat om mee te spelen. “Ik heb dit niet geleerd op de kunstacademie, maar op de boerderij.”

Wat opvalt is hoe intens en oneindig de relatie tussen de kunstenaar en de wereld om hem heen is. De documentaire fascineert vooral omdat je erbij bent, hoe ideeën komen en gaan in het hoofd van Goldsworthy. Een soort improv-optreden van een speelse geest. Hoe hij een hand van klei onder een waterval schoon spoelt. Met een straal zonlicht en zand een installatie maakt in een hutje. Een boom heen en weer wiegt en de stof sierlijk laat wegwaaien. Klaprozen spugen? Check!

Als het regent op straat gaan liggen
Ook een van Goldsworthy’s pleziertjes: als het regent op de straat gaan liggen en dan een droge plek achterlaten. Hij beseft dat veel van zijn werken vergaan (het merendeel is er zelfs maar eventjes) maar ook dat veel van zijn werken hem zullen overleven, tot misschien wel een verre toekomst. Een voordeel van een kunstenaar die niet op kwetsbaar canvas werkt. Toekomstige archeologen kunnen zich er dan straks hun kop over breken: “Deze stenen in de vorm van een graf moeten wel een religieuze betekenis hebben gehad.”

Leaning into the Wind

Uit de documentaire blijkt hij een nuchtere, vriendelijke vent, die je in het bos voor een enthousiaste hobbyist met teveel vrije tijd zou aanzien. Imponerende gedachtegangen over kunst hoef je niet te verwachten bij hem. Het woord kunst komt volgens mij in de docu niet eens voor.

Stap even opzij
Toch, zo recht-door-zee als zijn kunst is, soms zijn opmerkingen over kunst wel treffend. Zoals wanneer je ‘het’ voelt als kunstenaar: “Sommige momenten zijn helder, daarna is het weer onduidelijk.” Of deze, die ook niet vreemd had geklonken als uitleg van kunst door een zevenjarige: “Stap opzij van de normale manier van kijken naar dingen.”

De documentaire is net als zijn voorganger mooi en rustgevend – een soort vorm van Slow Cinema. Een type prettig wegkijkende documentaire zoals je wel vaker ziet in het kunstgenre. Maar ook tam en ongevaarlijk. Het is en blijft ook een lastig dilemma: staat de kunstenaar die je portretteert voorop, of is de film die je zelf maakt het kunstwerk? Observeren is het meest gepast in deze situatie maar je handen jeuken toch ook om zelf iets vernieuwends en eigenzinnigs te maken? Riedelsheimer komt er niet helemaal uit, maar het zal de fans van Goldsworthy niet tegenhouden om deze film stuk te kijken.
 

8 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Living the Light

***

recensie Living the Light

Altijd onderweg uit liefde voor licht

door Rob Comans

De cinematografie van director of photography Robby Müller was van invloed op films, filmmakers en cameramensen. Regisseur Claire Pijman brengt in Living the Light – Robby Müller een ode aan de even gedreven als bescheiden vakman, en geeft een zeldzaam inkijkje in zijn persoonlijke leven.

De Nederlandse cameraman Robby Müller was letterlijk beeldbepalend voor een generatie van cineasten, collega-cameralieden en filmliefhebbers. De in juli van dit jaar overleden director of photography werkte in zijn ruim veertigjarige loopbaan (soms meermaals) samen met regisseurs zoals Wim Wenders, Jim Jarmusch, Lars von Trier, William Friedkin, Alex Cox en Steve McQueen. De films waar Müller zijn visuele stempel op drukte waren al niet minder indrukwekkend, zoals Der Amerikanische Freund (1977), Paris, Texas (1984), Repo Man (1984), Down by Law (1986), Bis ans Ende der Welt (1991), Dead Man (1995), Breaking the Waves (1996) en Ghost Dog: The Way of the Samurai (1999).

Living the Light

Regisseur Claire Pijman brengt in haar documentaire Living the Light – Robby Müller een ode aan Müller en zijn visuele nalatenschap, en schetst een intiem portret van de zoon, vader en partner die Robby Müller ook was. Voor het maken van haar film kreeg de regisseur toegang tot Müllers persoonlijke archief en kon beschikken over duizenden Hi8-videodagboeken, persoonlijke beelden, setopnamen, polaroidfoto’s en originele scenario’s die hij gedurende zijn carrière verzamelde. Daaruit ontstaat een beeld van een gedreven man die van zijn naasten hield, maar zijn camera zelden neerlegde en de nomadische levensstijl die bij filmen hoort, omarmde.

Nadruk op beelden
We leren Robby Müller kennen aan de hand van filmfragmenten, persoonlijke interviews, en verhalen en anekdotes van regisseurs, collega’s en familieleden. Eén daarvan is regisseur Jim Jarmusch, die samen met instrumentalist Carter Logan de film van een atmosferische soundtrack voorziet. Daarnaast maakt Pijmans filmisch essay veelvuldig gebruik van door Müller zelf geschoten beelden. Deze keuze ontstond deels uit noodzaak, omdat Müller later in zijn leven zijn spraakvermogen verloor. Door deze nadruk op beelden kent de film soms een hoge mate van abstractie die niet iedereen zal liggen, maar wel duidelijk maakt dat Müller altijd bezig was met zijn werk. In video-opnamen en foto’s legde hij voortdurend bewegingen, lijnen, patronen, en lichtschakeringen vast die zijn filmische visie, kadrering en gebruik van licht inspireerden.

Zijn liefde voor licht leverde Müller vergelijkingen op met schilders als Johannes Vermeer, zijn werk voor Im Lauf der Zeit (1976) werd geïnspireerd door de fotografie van Walker Evans. Het werk van schilder Edward Hopper vormde daarentegen een belangrijke inspiratie voor de visuele stijl van Der Amerikanische Freund (1977).

Living the Light

Bedrieglijke eenvoud
Naast een uitgesproken gevoel voor licht, waren eenvoud en het gevoel dat een beeld moest uitdrukken bepalend voor Müllers manier van werken. Maar deze eenvoud was slechts ogenschijnlijk: tijdens opnamen voor de film Barfly (1987) waren Müller en zijn belichtingsvoorman Frieder Hochheim maar liefst vier uur in de weer om een set uit te lichten. Dit werd zo geraffineerd gedaan dat regisseur Barbet Schroeder zich geërgerd afvroeg wat ze in hemelsnaam al die tijd hadden uitgevoerd.

DoP Agnès Godard roemt Müllers gebruik van een diopter, een lens die hem tijdens het filmen van Paris, Texas (1984) in staat stelde zowel voor- als achtergrond scherp in beeld te krijgen, hetgeen zijn beelden een schilderachtige helderheid gaf. Daarnaast besteedde Müller veel aandacht aan het kleurenpalet van de film dat in soms zonovergoten en uitgebleekte tinten, dan weer heldere, verzadigde kleuren het gevoel van ontworteldheid ving, wat essentieel voor de film is.

Regisseur Wim Wenders vertelt hoe de intensieve, langdurige opnameperiode van Bis ans Ende der Welt (1991) een tijd lang een zware wissel op zijn vriendschap met Müller trok. In de creatieve radiostilte die hiervan het gevolg was werkte Müller onder andere met regisseur Jim Jarmusch aan Dead Man (1995). In 1996 ging Müller met regisseur Lars von Trier in zee. Tijdens het werken aan diens films Breaking the Waves (1996) en het latere Dancer in the Dark (2000) experimenteert Müller met een lossere, 360° filmstijl en digitale technieken.

Naast de vakman eert Claire Pijmans documentaire de mens Robby Müller, en doet dat op een manier die de man zelf tekende: trefzeker, liefdevol en oprecht.
 

 16 september 2018

 
MEER RECENSIES