Report, The

*
recensie The Report

De held die de deur sluit

door Tim Bouwhuis

In The Report resulteren de inspanningen van onderzoeksjournalist Daniel J. Jones in een monumentaal verslag van de martelpraktijken die de CIA na 9/11 dichterbij vermeende Al Qaida-terroristen bracht. De wanstaltig eenzijdige film roept in een veel breder kader vragen op over propaganda en politieke invloed.

The Report is een perfect voorbeeld van een film die door zijn complexe politieke context tot veel meer discussie en reflectie oproept dan de uiterst simpele plot doet vermoeden. Regisseur Scott Z. Burns debuteerde in 2006 met het fascinerende door HBO voor televisie geproduceerde PU-239 (ook wel The Half Life of Timofey Berezin). Hierna werkte hij met name als scenarist, onder meer voor The Bourne Ultimatum (2007), meerdere films van Steven Soderbergh en volgend jaar ook voor de nieuwe titel in de James Bond-franchise, No Time To Die. Voor zijn tweede regieklus in twaalf jaar strikte hij als hoofdrolspeler Hollywoodacteur in de lift Adam Driver (Star Wars: The Last Jedi, BlacKkKlansman).

The Report

Film en overheid
Het is nagenoeg onmogelijk in het wegen en beoordelen van The Report te ontsnappen aan politieke en morele vragen over het Amerikaanse beleid in contra-terrorisme en de publieke communicatie daarvan. Hierbij gaat het niet alleen om je blik op het politieke handelen van de Verenigde Staten in de nasleep van 9/11, maar ook om de manier waarop films die blik kunnen beïnvloeden. De oeuvres van regisseurs als Michael Bay en Peter Berg laten zich niet loskoppelen van de vraag wanneer film niet langer propaganda lijkt maar propaganda is, om op dat punt nog maar te zwijgen over de daadwerkelijke invloed van instanties als de CIA en het Pentagon in dit soort projecten. In dat laatste verband is het al geen publiek geheim dat Michael Bay in zijn films maar wat graag de nieuwste snufjes van het vaderlandse militaire bastion uitprobeert. Sinds er voor het eerst een Amerikaanse oorlogsfilm logistiek ondersteund werd door, in dit geval, de Amerikaanse luchtmacht (Wings, 1927), kent de Hollywoodgeschiedenis voorbeelden te over van dit soort zichtbare verbintenissen, waarvan wervingscampagne Top Gun (1986) in afwachting van de sequel (juni 2020) waarschijnlijk het meest tot de verbeelding spreekt.

De traditioneel clandestiene operaties van de CIA en aanverwante instanties laten zich zonder passend onderzoek moeilijker met concrete films in verband brengen. Het is één ding om te analyseren hoe de CIA in Hollywoodcinema gerepresenteerd wordt, maar wanneer gaat die representatie over in (bewijzen van) concrete betrokkenheid? Zeker sinds het advent van de Koude Oorlog en het bijbehorende hoogtij van films vol politieke paranoia vinden we genoeg prikkelende titels die de vraag naar de grenzen tussen fictie en werkelijkheid tot het uiterste oprekken, van The Manchurian Candidate (1962) tot The Parallax View (1974) en Three Days of the Condor (1975). Van die laatste twee films geeft Burns al gretig toe dat ze door hun visuele stijl inspiratiebronnen voor The Report waren (en van Sydney Pollacks Three Days of the Condor weten we ook dat toenmalige CIA-directeur Richard Helms destijds de set heeft bezocht en hoofdrolspeler Robert Redford van advies heeft voorzien). Dat The Report de vergelijking door de fletse, inspiratieloze cinematografie nauwelijks doorstaat, onderschrijft vast hoeveel sterker laatstgenoemde film uiteindelijk inzet op de communicatie van zijn (politieke) inhoud.

The Report

De olifant in de industrie
Of en in welke mate die politieke inhoud ingegeven en/of gecontroleerd is door hogere overheidsinstanties kan ondergetekende in het specifieke geval van The Report (een productie van Amazon Studios) niet bewijzen, hooguit vermoeden. Vast staat wel dat Hollywood en de CIA vanaf de vroege jaren negentig nauwer en intenser zijn gaan samenwerken. Tony Shaw en Tricia Jenkins (tevens de auteur van het boek The CIA in Hollywood, uit 2012), twee Amerikaanse academici, schreven in 2017 dat Chase Brandon (een neef van acteur Tommy Lee Jones) vanaf deze periode Hollywoodfilmmakers en producers onderwees over de rol van de CIA en hen actief stimuleerde CIA-successen in hun films op te nemen. Dit proces loopt tot de dag van vandaag en anderen hebben Brandons rol overgenomen; in veel gevallen worden scriptschrijvers, producenten en regisseurs concreet in contact gebracht met CIA-functionarissen, die vervolgens een grote invloed uitoefenen op het definitieve film- of serieproduct en daarbij een (overwegend) positief beeld van de instantie propageren. Alhoewel hier verbluffend weinig (en kritisch) over geschreven is, zijn deze samenwerkingen wel degelijk een stuk beter gedocumenteerd dan verstrengelingen van vóór de jaren negentig, die explicieter in een zweem van geheimhouding gehuld bleven en zich daardoor een stuk lastiger laten traceren. Bekende voorbeelden van relatief recente samenwerkingen zijn Showtime-serie Homeland (2011-), Ben Afflecks Oscarwinnaar Argo (2012) en Kathryn Bigelows veelbesproken politieke thriller Zero Dark Thirty (2012).

Fascinerend genoeg speelt er in de verhaalwereld van The Report op een gegeven moment een kort trailerfragment uit de film van Bigelow. Beide titels tonen de gewelddadige martelpraktijken van de CIA in de jacht op kopstukken van Al Qaida, en laten het niet na te tonen welke fouten in dat proces begaan zijn. Zero Dark Thirty verdeelde critici tot op het bot. Hier zijn vooral de negatieve kanttekeningen interessant: werden de martelpraktijken van de CIA hier impliciet gerechtvaardigd of zelfs verheerlijkt, omdat ze uiteindelijk leidden tot de eliminatie van Osama Bin Laden? En kan een film als deze eigenlijk wel een ‘onthullend’ boekje opendoen over de martelpraktijken van de CIA als deze in die periode gewoon al publiek belicht waren? Het uiten van zelfkritiek is zo in verhouding al een stuk ‘veiliger’. De eerder aangehaalde Shaw en Jenkins bevestigen dit als ze schrijven dat de CIA op een pragmatische manier met Zero Dark Thirty omgingen, en er vooral op inzetten een ‘zo positief mogelijk beeld’ van de CIA te schetsen. Dat een film op een aantal vlakken ambigu en kritisch is, wil dus nog lang niet zeggen dat de overkoepelende intentie van de makers niet propagandistisch kan zijn. Sterker nog: propaganda werkt het best als ze niet direct als zodanig door haar publiek herkend wordt.

Waar komt de nood van de industrie vandaan om films te maken met een politiek onthullend en kritisch karakter, als we weten dat diezelfde industrie onmogelijk politieke onafhankelijkheid kan claimen? Kunnen deze films de beloftes van heroïsche klokkenluiders (Snowden, 2016) eigenlijk wel nakomen, of zitten ze in feite vast in een verreikend web van invloed dat de grenzen van kritische representatie bepaalt en échte artistieke en politieke vrijheid zo onmogelijk maakt?

The Report

Het probleem van de held
The Report
presenteert in de persoon van Daniel Jones een held die de feitelijke waarheid, inclusief morele rechtvaardiging, koste wat het kost op tafel wil brengen en daar – spoilers onvermijdelijk inbegrepen – glorieus in slaagt. Hierdoor is er nauwelijks ruimte voor nuance en sleept de film zich nogal plichtmatig voort – het “hoe” is al vanaf het begin ondergeschikt aan het “wat”. Burns doet zo sterk zijn best om de CIA tegen de inspanningen van Jones af te zetten dat iedere vorm van ambiguïteit ontbreekt. Dit roept ook de vraag op waarom deze film gemaakt moest worden en, dat vooral, waarom nu.

“Democratie is rommelig”, zegt de stafchef van Barack Obama (een rol van Jon Hamm) in de loop van de rechtszaak rond het martelrapport. Welke rommel moet er in The Report opgeruimd worden? In de meest extreme interpretatie van deze film wekt Burns de indruk dat hij de ernstige en systematische insteek van de martelpraktijken in de periode post-9/11 van tafel wil vegen; (wederom) niet omdat daar enig bewijs voor is, maar omdat de film het juist doet voorkomen alsof een deel van de kopstukken geen idee hadden waar ze nu echt mee bezig waren en de ernst van hun praktijken bagatelliseerden – alles voor de veiligheid van het vaderland.

Dat The Report een kritische toon handhaaft, mag duidelijk zijn, maar de filmische schets van de CIA in verhouding tot Jones, een sympathieke goedzak die zichzelf verliest in zijn werk, is schematisch, opzichtig en dramatisch ongeloofwaardig. Door in de slotakte in te zoomen op het zegevierende recht, mogelijk gemaakt door het morele plichtsbesef van een enkeling, stuurt Burns maar wat eenvoudig aan op een patriottistische conclusie. De wandaden van de CIA zijn in dat kader relatief gemakkelijk vergeten, ook omdat de falende instantie door de weergave van haar wanbeleid nauwelijks serieus genomen is: de film sluit nadrukkelijk een hoofdstuk af. Net als Zero Dark Thirty buigt hij negatieve representatie om naar een overwinning; in de film van Bigelow is dat een overwinning voor de CIA, in The Report ligt de nadruk op mentaliteit en op het schild geheven waarheidsdrang. Dat is niet alleen curieus in het licht van de manier waarop Hollywood in dit stuk eerder gelinkt werd aan propaganda en (concrete) politieke invloed. Het onderstreept ook dat een integere hoofdpersoon nog niet automatisch een integere film oplevert.

 

2 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Blade Runner: Over ogen en poppen

Sf-klassieker speelt zich af in november 2019
Blade Runner: Over ogen en poppen

door Alfred Bos

Blade Runner, Ridley Scotts scifi-meesterwerk uit 1982, speelt in de maand november van het jaar 2019. Op 1 november verschijnt de final cut uit 2007 opnieuw in de bioscoop, onder meer in een IMAX-versie. De heruitgave is opgedragen aan Rutger Hauer (1944-2019), Neerlands internationaal meest succesvolle acteur die als kunstmens Roy Batty de rol van zijn leven speelde.

Blade Runner is een meesterwerk dat met Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssee kan wedijveren als beste sciencefictiontitel in de filmcanon. Ridley Scott zelf slaat zijn scifi/horrorklassieker Alien hoger aan, maar daar, meent deze kijker althans, raakt de regisseur zijn duim, niet de plank. Blade Runner laat zich eindeloos herkijken – in de ogen van de regisseur herzien: hij leverde na de release in 1982 meerdere versies af – en telkens openbaart de film nieuwe details, thema’s en ideeën.

Blade Runner: The Final Cut

Blade Runner is ongekend rijk, niet alleen in het detail waarmee een dystopische toekomst is verbeeld. De filosofische concepten achter het verhaal zijn existentieel en intrigerend. Is er kunstmatige intelligentie mogelijk die organisch – dus niet mechanisch, elektronisch of digitaal – van aard is? Is namaak nog namaak als je het niet van echt kunt onderscheiden? Als nep en echt verwisselbaar zijn, wat is dan de werkelijkheid? Wat is authentiek? En de hamvraag: wat betekent het om mens te zijn?

Die laatste vraag is het centrale thema in de ruim dertig sciencefictionromans die de Amerikaanse auteur Philip K. Dick tussen 1953 en 1981 schreef. Do Andoids Dream of Electric Sheep?, het boek waarop Blade Runner is gebaseerd, verscheen in 1968, het jaar waarin de wereld op zijn kop stond. Amerika werd opgeschrikt door de politieke moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy, na massale demonstraties en rellen viel in Parijs het regime van Charles De Gaulle en in Praag vermorzelde Rusland de ontluikende democratie met een legerinval.

Het boek speelt in 1991 (in latere edities 2021) en de wereld is verwoest door een nucleaire oorlog. Het gros van de mensheid is verscheept naar buitenaardse kolonies. Dieren, door radioactieve straling grotendeels uitgestorven, zijn een statussymbool. Rick Deckard moet zes ontsnapte replicanten, androïde robotten van het type Nexus-6, ‘pensioneren’, een eufemisme voor elimineren. Aan het slot vindt hij een pad, een uitgestorven dier. Het blijkt namaak te zijn.

Blade Runner: The Final Cut

De term Blade Runner komt niet voor in de roman van Dick. De film is vernoemd naar een novelle uit 1979 van William S. Burroughs, oorspronkelijk bedoeld als diens scenariobewerking van The Bladerunner, een minder bekende sciencefictionroman uit 1974 van Alan E. Nourse; het handelt over een smokkelaar van medische goederen, waaronder scalpels (blades).

Voor Philip K. Dick, tijdens zijn leven miskend als schrijver, was Blade Runner de eerste erkenning door de massamedia. Hij ontmoette Ridley Scott, was verrukt over de eerste rushes, maar heeft de filmrelease – op 25 juni 1982 in Amerika, 11 november in Nederland – niet meegemaakt. Hij overleed op 2 maart van dat jaar, 53 jaar oud.

Digitale toekomst zonder smartphones
Inmiddels heeft de fantasie van 1982 over het jaar 2019 plaatsgemaakt voor de werkelijkheid van nu. Wat is er over van dat toekomstbeeld? Wat is realiteit geworden en wat niet? Blade Runner visualiseert een toekomst met papieren kranten; iedereen rookt en er zijn geen smartphones. De film toont beeldschermen en computers, maar hét apparaat van het nieuwe millennium is afwezig. Er is wel een betaaltelefoon met beeldscherm. Technologie van dat moment en toekomstidee ineen, het is een hybride en die voorspellen zelden raak.

In 1982 had de digitale revolutie, de omwenteling in informatie- en communicatietechnologie (ICT), het leven van alledag nog niet bereikt. De computerspelletjes van Atari waren de meest zichtbare aankondiging dat er een ingrijpende verandering voor de deur stond. De personal computer was nog nauwelijks doorgedrongen tot kantoor en woonhuis. Het idee van een mobiele telefoon was toekomstmuziek. Teksten tikte je op een schrijfmachine en van internet had buiten een handvol academici niemand gehoord.

Blade Runner: The Final Cut

Daarmee is het belangrijkste verschil genoemd tussen de fantasie over 2019 en de werkelijkheid van 2019—de wereld van Blade Runner is een wereld zonder internet. Er zijn vliegende auto’s (ons beloofd door Über); er is een spraakgestuurde computer (waarmee Deckard als het ware in een foto kruipt); de straten van de stad zijn bevolkt door freaks; de gevels van de hoogbouw bekleed met beeldschermen; de samenleving is multiculturele mierenhoop; de invloed van Azië doorgedrongen tot in de keuken. En de planeet bevindt zich in een deplorabele staat, het uitsterven van dier en plantensoorten is massaal.

Eldon Tyrell (Eldon Rosen in het boek), de geestelijke vader van de replicanten, staat als techneut aan het hoofd van een multinational en is puissant rijk. Sinds de jaren negentig heeft het type Tyrell in Silicon Valley opgang gemaakt. In de film is kunstmatige intelligentie een feit, maar dan in de vorm van synthetische mensen. Geen algoritmes, zoals in de realiteit van nu. Blade Runner toont de wereld na een biotechnische revolutie, niet die van de ICT-omwenteling en later.

De pop als motief
Kunstmatigheid is een kernthema in het werk van Philip K. Dick. In veel van zijn boeken is de werkelijkheid zelf een nabootsing: virtueel, geregisseerd. Do Androids Dream of Electric Sheep? draait om kunstmatig leven. In Blade Runner is de leefomgeving radicaal omgevormd tot een technosfeer; de natuur is verdwenen, alles is artificieel. Het openingsshot van de film – het panorama van een immense, vuurspuwende technopolis – verbeeldt de hel. Daar mengen synthetische mensen, niet van echt te onderscheiden, zich onder de massa. Ook dieren zijn kunstmatig: de uil van Eldon Tyrell, de slang van replicante Zhora.

Het kunstmatige van het bestaan in een technosfeer wordt uitgedrukt door het motief van de pop, de nagebootste mens. Eldon Tyrell is een poppenmaker, hij produceert tot leven gewekte poppen. De Nexus-6 is een namaakmens, een simulacrum. Hij past bij een wereld waarin alles synthetisch is, niet-organisch.

Blade Runner: The Final Cut

De replicanten benaderen Tyrell via zijn werknemer J.F. Sebastian. Die is een gemankeerde versie van zijn baas. Hij woont in het vervallen Bradbury Building, niet in een imposante ziggoerat. Hij produceert geen replicanten, als hobby maakt Sebastian bewegende en pratende poppen; zijn appartement staat er vol mee. Als replicante Pris zich wil verbergen wanneer Deckard het appartement doorzoekt, vermomt ze zich—als pop. De perfecte nabootsing verhult zich als de herkenbare nabootsing.

J.F. Sebastian heeft iets gemeen met de replicanten: hij is gedoemd. Zijn levensduur is beperkt, hij veroudert onnatuurlijk snel. Hij is vervallen, net als het Bradbury Building, waarvan de entree is gevuld met afgedankte etalagepoppen. Ridley Scott wilde Blade Runner laten ogen als een film noir en het gebouw is vaak gebruikt als filmlocatie. Het is onder meer te zien in film noir-klassiekers als Double Indemnity (Billy Wilder, 1944), D.O.A. (Rudolph Maté, 1949) en de Amerikaanse remake van Fritz Langs M (Joseph Losey, 1951).

Deckard jaagt op kunstmensen, is hij zelf een replicant? Het boek oppert dat idee, maar is er duidelijk over: Deckard is geen namaak. Oorspronkelijk speelde die vraag niet in de film, fans begonnen erover. Ridley Scott reageerde in eerste instantie neutraal, maar suggereert in de final cut van Blade Runner dat Deckard zelf ook een synthetische mens is. Hij voegde een korte droomscène met een eenhoorn toe en suggereert dat het een geheugenimplantaat is. Het is een overbodige toevoeging, die de makers van Blade Runner 2049 heeft geïnspireerd tot een onzinnig idee: de replicanten krijgen nageslacht. Poppen die poppen baren, heus?

Het oog als motief
Naast de pop zijn ogen het voornaamste motief van Blade Runner. Ogen zijn de spiegel van de ziel en aan de pupilreactie meet de Voight-Kampff-test de gevoelsreactie af; empathie is wat mensen onderscheidt van replicanten. Deckard gebruikt de test om de replicanten te identificeren en ogen zijn de focus van de film.

Dat blijkt direct in de eerste scène, waarin replicant genoemde test ondergaat. Hij is de simpele ziel van de twee mannelijke replicanten, de dommekracht van het duo. Leon is onzeker, zijn ogen schieten onrustig heen en weer; hij reageert met geweld. Roy, de leider, daarentegen is intelligent en heeft een koele blik. Hij charmeert en slaat vervolgens toe.

Blade Runner: The Final Cut

Roy en Leon beginnen hun zoektocht naar Eldon Tyrell bij de wetenschapper die hun ogen heeft ontworpen. In die scène speelt het tweetal good cop, bad cop. Roy houdt als grap twee kunstogen voor zijn ogen, Leon intimideert de wetenschapper door hem te versieren met ogen.

Wanneer Deckard de vrouwelijke replicant Zhora heeft ‘gepensioneerd’, wordt hij geconfronteerd door Leon. Die ontwapent Deckard en wil hem de ogen uitdrukken. Leon’s ‘time to die’ loopt vooruit op de klassiek geworden sterfscène van Roy, waarmee Rutger Hauer zich in de filmgeschiedenis heeft gespeeld.

Inlevingsvermogen
Blade Runner staat in de traditie van Mary Shelley’s Frankenstein: de door de wetenschap gecreëerde kunstmens keert zich tegen zijn schepper. Roy confronteert Eldon Tyrell: de replicanten willen langer leven, een menselijke wens. Wanneer dat niet mogelijk blijkt, vermoordt hij Tyrell door zijn ogen uit te drukken en zijn schedel te kraken.

Het oogmotief wordt tot het slot van de film volgehouden. In het Bradbury Building wacht Pris op Roy, ze meet zich het uiterlijk aan van een pop en spuit een zwarte streep over haar ogen. Wanneer Roy arriveert, communiceert ze met hem zonder woorden, via de ogen. De uil, het artificiële huisdier van Tyrell, wordt getoond in een close-up van de ogen. Blade Runner is een film over poppen en ogen.

Voor Philip K. Dick betekent mens te zijn: te beschikken over verbeelding, het vermogen om zich in te leven in de ander en compassie te voelen. Empathie is wat mensen tot mens maakt en het zal niet helemaal toevallig zijn dat uitgerekend Do Androids Dream of Electric Sheep? als eerste van zijn dik dertig romans werd verfilmd. Mensen zijn gefascineerd door poppen. En, zoals Blade Runner onderstreept, door ogen.

 

29 oktober 2019


ALLE ESSAYS

Amazing Grace

*****
recensie Amazing Grace

Ziel, zaligheid en Aretha

door Alfred Bos

Amazing Grace documenteert de opnamen voor het gelijknamige gospelalbum uit 1972 van Aretha Franklin. Helaas moest de bejubelde soulzangeres overlijden om deze schitterende concertfilm voor openbare vertoning vrij te kunnen geven.

Aretha Franklin, volgens velen de grootste soulzangeres die de wereld heeft gekend, was een kind van de kerk. Vader C.L. Franklin, dominee van de New Bethel Baptist Church in Detroit, reisde in de jaren vijftig als prediker door Amerika en zijn dochter werd onderdeel van de muzikale eredienst. Thuis kwam Mahalia Jackson, de Queen of Gospel, geregeld over de vloer en fungeerde gospelzangeres Clara Ward als stiefmoeder. Aretha Franklin is gospel tot in haar merg.

Amazing Grace

Nadat ze in de late jaren zestig een reeks pophits had gescoord en was uitgegroeid tot de Queen of Soul, wilde Franklin met het dubbelalbum Amazing Grace, verschenen in 1972, laten horen waar ze vandaan kwam. Zo’n plaat kon volgens haar alleen worden opgenomen met publiek in een kerk. De sessies werden gefilmd door Sidney Pollack, maar door technische problemen – beeld en geluid bleken niet te synchroniseren – bleef het materiaal opgeborgen in de archieven.

Nadat de film vele jaren later door middel van nieuwe technologie alsnog kon worden voltooid, hield Franklin openbare vertoning tot tweemaal toe via de rechter tegen. Na haar overlijden in 2018 gaven de erven toestemming en is Amazing Grace, de weergave van twee bevlogen avonden in de New Temple Missionary Baptist Church te Los Angeles, met 47 jaar vertraging in de bioscoop te zien.

Verlossing
In zijn introductie noemt dominee James Cleveland gospel ‘the greatest sound in the world’ en daar kunnen niet de minste muzikanten zich in vinden. Het was het favoriete genre van Elvis Presley. Ambient-producer Brian Eno is een verklaard liefhebber. Voor Johnny Cash was zijn wekelijkse tv-show ondenkbaar zonder gospel. En Mick Jagger en Rolling Stones-drummer Charlie Watts stonden tijdens de tweede avond in de doopsgezinde kerk gebiologeerd toe te kijken en te luisteren.

Veel is er niet voor nodig om het vuur te ontsteken, zo blijkt. Zangeres, koor, muzikanten en het publiek, zo’n tweehonderd voornamelijk Afro-Amerikaanse vrouwen en een enkele blanke man (plus twee Rolling Stones), waren er op 13 en 14 januari 1972 klaar voor. Eerst achter de piano, daarna vanaf de kansel, zingt Aretha Franklin een selectie van traditionals en meer recent gospelrepertoire. Aan bezieling geen gebrek, haar vader zit pal voor haar neus. Naast hem zien we stiefmoeder en inspiratie Clara Ward, wier How I Got Over de kwintessens van gospel vangt: verlossing van aardse ellende door de liefde van de hemelse vader.

Typerend voor de invloed van gospel op de populaire muziek van na de oorlog is de medley van Precious Lord, Take My Hand en You’ve Got A Friend, twee ogenschijnlijk breed verschillende nummers die naadloos in elkaar overgaan. Het eerste is een compositie van Thomas A. Dorsey, de vader van de gospel, en vaak vertolkt door Mahalia Jackson. De tweede is een nummer van singer-songwriter Carol King, zelf diepgaand beïnvloed door zwarte kerkmuziek. De beste popmuziek heeft de bezieling van gospel, Motown is er een instituut mee geworden. Tijdens Amazing Grace, een krachttoer van elf minuten, gebeurt er iets. Het publiek roert zich en dominee Cleveland krijgt het te kwaad.

Amazing Grace

Huldebetoon
Amazing Grace documenteert niet alleen een eredienst, het is evenzeer een huldebetoon aan Aretha Franklin zelf. De zangkwaliteit is boven elke twijfel verheven, de intensiteit ongekend, de repertoirekeuze raak—niet voor niets groeide de dubbelelpee uit tot het best verkochte gospelalbum ooit. Maar het is ook een geconstrueerde setting, met geregisseerde beleving. De voor gospel zo kenmerkende vraag-en-antwoorddynamiek tussen voorzanger en koor is grotendeels afwezig. De interactie tussen voorganger en publiek – die tijdens verhitte diensten kan leiden tot extase – is voor deze gelegenheid eerder routineus dan begeesterd. Al inviteert dominee Cleveland het publiek vooraf om zich te roeren, de omstandigheden zijn wellicht te intimiderend om alle gêne te laten varen.

Ondanks die kanttekening is Amazing Grace een spektakel. Het toont in volle glorie een bezieling die uit de eenentwintigste-eeuwse muziek nagenoeg is vervlogen. Zoals Marvin Gaye’s Wholy Holy met zijn oproep ‘people we’ve got to come together’ actueler is dan ooit, zo kunnen eigentijdse zangeressen als Beyoncé en Rihanna – die soul hebben verruild voor marketing – een dosis bevlogenheid node gebruiken. En zij niet alleen.

Sidney Pollack heeft in januari 1972 tijdens repetities en uitvoeringen twintig uur aan materiaal geschoten. Daaruit is deze concertfilm van 87 minuten samengesteld, hij dekt slechts een deel van de plaatopnamen. Naar verluidt wordt er gewerkt aan een langere versie, die volgend jaar moet uitkomen. Wie verstandig is, wacht daar niet op.

 

28 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Alien 40 jaar: De engerd aller engerds

Alien 40 jaar
De engerd aller engerds is het id van het universum

door Alfred Bos

Alien van Ridley Scott verscheen veertig jaar geleden in de bioscoop. Het is een van de meest geliefde films aller tijden, die een breed spoor door de populaire cultuur heeft getrokken en is uitgegroeid tot een moderne mythe.

Alien scoort hoog op de lijst van engste films ooit gemaakt. Hij verbeeldt een oerangst. Niet de vrees om te dienen als prooi; te worden gedood, gegeten en verteerd door een monster. Maar gruwelijker, om te fungeren als broedlichaam en monsterkroost te baren. Veel erger kan het niet worden. Of gaat Alien over seks?

Alien

Alien is tevens een van de meest geliefde films ooit gemaakt. Wetenschappers deden internationaal onderzoek naar de publieksreacties en veertig jaar na de filmrelease – in Amerika op 25 mei 1979, in Nederland op 25 oktober – organiseerde de Bangor Universiteit in Wales een tweedaags symposium. Er verschenen na 1979 een reeks vervolgfilms en crossovers; boeken, strips en games. Weinig films zijn zo populair en hebben zoveel culturele impact gehad als het werkstuk van Ridley Scott.

Alien spreekt tot de verbeelding. Die oerangst dus. Voor het onbekende, dubbel zo eng omdat het van buitenaardse komaf is. Voor parasieten en enge ziektes. Voor levend te worden gegeten, van binnenuit nog wel. Voor seks.

Of eigenlijk, voor onvrijwillige seks. Alien is een film over penetratie en verkrachting—van een man. Met als resultaat, een bloedige geboorte—uit een man. Het monster wordt in de bloedstollende ontknoping verdelgd door de held—een vrouw. Alien doet wat voor velen een nachtmerrie is, het zet de bestaande orde op zijn kop. Twee jaar later werden in Amerika de eerste gevallen van aids gerapporteerd.

Alien

Exoleven
Kevers, mieren, sluipwespen en vlinders zijn de talrijkste en meest diverse diersoorten op aarde. Met zijn complexe voortplanting – ei, larve, pop, imago – lijkt de alien op een insect, de sluipwesp. Die injecteert zijn eieren in andere insecten, de larves eten het gastdier van binnenuit op en verpoppen buiten het lijk. Er zijn naar schatting zo’n honderdduizend soorten sluipwespen, hun parasitaire methode van voortplanting is wijdverspreid.

Maar het exoleven uit Alien volgt niet de biologie van aardse insecten. De cyclus van het organisme begint met een ei, gelegd door een koningin. Uit het ei springt de facehugger, die zijn gastheer oraal impregneert. Via mond en slokdarm deponeert hij een ei in de maag van de waard, uit wiens middenrif de larve naar buiten barst. De larve verpopt zich op het ruimteschip tot imago, het volwassen stadium. Dat is wellicht de reden dat de indringer na de vermaarde chestburster scène lange tijd buiten beeld blijft, hij moet zich transformeren tot imago.

De voortplanting van de alien samengevat: ei-facehugger-ei-larve-pop-imago. Dat is volgens terrabiologie één ei teveel. De tussenfase van de facehugger is echter nodig om de gastheer te impregneren. Bij sluipwespen doet de imago dat, de volgroeide alien is daar niet voor toegerust. Die is een een moordmachine, gespecialiseerd in overleven, want voorzien van vervaarlijke klauwen, een gebit van scheermessen, een extra set uitschuifbare kaken voor het chirurgische precisiewerk, zwiepstaart met jachtmes als punt en, als laatste agressiemiddel, bijtend zuur in de aderen. De alien staat buiten de aardse natuur. Hij belichaamt het id van het universum.

Shapeshifter
De alien is een shapeshifter. Of om het sjiek te zeggen, een metamorf: het resultaat van metamorfose, een gedaanteverwisseling. Hij is tevens van buitenaardse afkomst, een xenomorf. De alien is dus een xenometamorf. (Xeno = vreemd, meta = zelf, morf = vorm.) Dat is dus dubbel zo vreemd en dubbel zo onbekend. Dus dubbel zo eng. De alien is de engerd aller engerds.

Alien gaat over seks. Grapjurken zouden de voorlaatste alinea afsluiten met de zin: de alien belichaamt het lid van het universum. En inderdaad, het mannelijke lid is een shapeshifter. Het geeft sommige mannen het idee dat ze totemische kwaliteiten bezitten, twee wijsvingers onder hun navel.

Alien

De alien penetreert oraal, de facehugger impregneert de gastheer via de mond. (In één van de vervolgfilms, Alien: Covenant uit 2017, is de facehugger een soort übervagina.) De imago van de alien, zijn volwassen stadium, beschikt niet over iets wat herkenbaar is als een penis, maar in de mond van de shapeshifter, tussen zijn kaken, huist een tweede, uitschuifbare mond. Met die tweede set kaken penetreert hij zijn prooi. De alien heeft een orale fixatie.

Verwoestende schaduw
De shapeshifter komt voor in de folklore van uiteenlopende en onderling zeer verschillende culturen. Sprookjes en volksverhalen over wezens die van vorm veranderen, zijn te vinden op alle continenten. De Zwitserse psycholoog Jung zou de shapeshifter een archetype noemen, product van het collectieve onderbewustzijn. Wat Freud als het id benoemt, heet bij Jung de schaduw, een verdrongen instinct dat verwoestend kan toeslaan.

In de Griekse mythologie gebruiken de goden hun vermogen om van vorm te veranderen voor amoreuze avonturen. De Keltische mythologie zit vol met shapeshifters, vaak met wraak als motief. In de Noorse sagen nemen mannelijke goden een vrouwelijke identiteit aan. De naga uit de mythen van het Indiase subcontinent zijn slangen die zich als mens presenteren.

De moderne fantasy-literatuur, van The Lord of the Rings tot de Harry Potter-romans, ritselt van de shapeshifters. Superhelden doen vrolijk mee, zie Mystique van de X-Men. Zelfs robotten kunnen van vorm veranderen, bijvoorbeeld de T-1000 in Terminator 2: Judgement Day.

Glamour stond oorspronkelijk voor de illusie die werd opgeroepen door de betovering van een heks. In de moderne tijd heeft het begrip zijn bovennatuurlijke origine verloren en een meer materiële betekenis gekregen als de schijn van roem en rijkdom. Op vergelijkbare wijze is de shapeshifter uit Alien de pseudeowetenschappelijke en intens fysieke variant van een oeroud idee. Intens fysiek, want er is weinig luchtigs aan de alien. Hij is een gematerialiseerde nachtmerrie. De sater van het antropoceen, een eigentijdse mythe.

Alien

H.P. Lovecraft
Er valt weinig bovennatuurlijks meer te ontdekken aan de alien en in dat opzicht is deze shapeshifter geëvolueerd ten opzichte van het archetype, hij is onttoverd. Dan O’Bannon, de auteur van het filmscript, heeft nooit een geheim gemaakt van zijn bewondering voor het werk van H.P. Lovecraft, de Amerikaanse schrijver van suggestieve griezelverhalen. Diens vertellingen, in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw gepubliceerd in het pulpmagazine Weird Tales, draaien om atmosfeer en suggestie. En de angst voor het bovennatuurlijke.

Niets enger dan het onbekende en het onverklaarbare, aldus Lovecraft in zijn essay Supernatural in Horror Literature. Vreemde fenomenen die door de wetenschap konden worden verklaard, ontraadseld, verloren voor hem hun beklemming. In de onttoverde wereld van het interbellum, met nieuwe technologie als radio en luchtvaart, zocht hij het bovennatuurlijke buiten de aarde, in de kosmos. En buiten de menselijke geschiedenis, in een onverkende prehistorie. Bij Lovecraft vallen het bovennatuurlijke en het tegennatuurlijke samen.

Lovecrafts novelle At The Mountains of Madness, geschreven in 1931 en vijf jaar later gepubliceerd in het pulpmagazine Astounding Stories, verhaalt over de ontdekking van een enorme onderaardse stad op Antarctica. Het is een sinister, zelfs gekmakend oord, vol spectaculaire architectuur en vreemde artefacten, achtergelaten door een cultuur van buitenaardse afkomst die ver voor de mensheid op aarde heeft geleefd. De scène uit Alien waarin de astronauten de spacejockey en de kelder met alien-eieren ontdekken, is er direct door geïnspireerd.

Lovecrafts proza boeit dankzij de suggestie. De body horror van de chestburster scène uit de film is echter het tegendeel van suggestief, meer in your face is nauwelijks denkbaar, en Alien kun je onmogelijk bovennatuurlijk noemen: van gothic naar gore. De alien is het summum van wat de natuur heeft te bieden, een organisme dat tot in perfectie is toegerust om de strijd om het bestaan als winnaar te beslechten. Het bovennatuurlijke van Lovecraft heeft in de film van Ridley Scott plaatsgemaakt voor de wetenschap van Darwins evolutietheorie.

Alien

Angst voor intimiteit
De alien is ook in een ander opzicht een oude mythe in een moderne jas, een onttoverde manifestatie van de angst voor het bovennatuurlijke. Hij komt van buiten de verbeelding – ondenkbaar, onbestaanbaar – en treedt de werkelijkheid binnen. Hij is van pop (simulacrum) tot imago (reputatie) geworden. De alien is de wijze waarop de moderne mediamaatschappij een oervrees van het onderbewuste verbeeldt.

Het sprookje La Belle et la Bête symboliseert de angst van de uitgehuwelijkte maagd voor haar onbekende echtgenoot—sprookjes gaan over seks, waar zou Roodkapje anders over gaan dan de eerste menstruatie en het verlies van onschuld? De vampierroman Dracula gaat over seks, horror gaat over seks. En de sciencefictionhorror van Alien gaat over seks.

H.P. Lovecraft was bang voor intimiteit, de buitenaardse monsters uit zijn verhalen hebben een kluwen van tentakels als hoofd. In het ruimtevrachtschip Nostromo moordt een evolutionaire oerkracht, het (l)id van het universum, de complete bemanning uit, met uitzondering van de sterke vrouw. Zij is de oerdrift de baas.

Ook de kunstmatige intelligentie, de androïde robot Ash, legt het loodje tegen de schaduw uit het onderbewustzijn—hij verliest zijn onderlichaam en eindigt als hoofd. Dat zelfs de kunstmens sneuvelt is niet zonder ironie, want een namaakbrein heeft geen onderbewustzijn. Maar hoe had het anders kunnen zijn? Ash is seksloos.

 

20 oktober 2019


ALLE ESSAYS

Light of my Life

***
recensie Light of my Life

Op de vlucht voor het onbekende

door Ries Jacobs

In 1947 publiceerde Albert Camus zijn boek De Pest over een stad waar een dodelijke en hoogst besmettelijke ziekte uitbreekt. Als de autoriteiten de stad hermetisch afsluiten, gaat iedere inwoner hier anders mee om. De een wil ontsnappen, de ander leeft zijn leven alsof het de laatste dag is. Light of my Life heeft hetzelfde thema. Wat doe je als er een pandemie uitbreekt?

Een vader en een zoon zitten in een kleine tent in een bos. Het lijkt op een typisch Amerikaanse campingtrip, father and son quality time in de wildernis, maar schijn bedriegt. Dit is geen weekendje weg, dit is keiharde survival. Het is bovendien geen zoon met wie de naamloze vader (Casey Affleck) zijn tijd doorbrengt, maar een dochter van elf die met haar kortgeknipte haar voor een jongen moet doorgaan.

Light of my Life

Langzaam kleurt Affleck, die ook het scenario schreef en de regie voor zijn rekening neemt, het verhaal verder in. Nadat een besmettelijke ziekte wereldwijd het grootste deel van de vrouwelijke bevolking uitroeit, slaat de vader met zijn dochter Rag (Anna Pniowsky) op de vlucht. Om zijn oogappel (de vertaling van Light of my Life) te beschermen tegen de ziekte en de achtergebleven mannen, overleven de twee in de Noord-Amerikaanse bossen.

Morele keuze
In navolging van broer Ben en Matt Damon (die in 1996 doorbraken met rollen in het door henzelf geschreven Good Will Hunting), schreef Casey Affleck het script van Light of my Life. Eerder schreef hij de scripts voor Gerry (2002) en I’m still here (2010), die hij net als Light of my Life ook regisseerde.

Affleck maakt het zichzelf niet makkelijk. De film speelt in een post-apocalyptische wereld, waarin – anders dan vaak in dit genre – nauwelijks actiescènes te zien zijn. De filmmaker heeft niet altijd het vermogen om met de lange scènes vol conversatie de aandacht van de kijker vast te houden, wat de film bij momenten eentonig maakt.

Wellicht had hij meer gebruik moeten maken van flashbacks., wat een gevarieerdere film en bovendien een diepgaander verhaal had opgeleverd. Nu weet de kijker nauwelijks wat er na de uitbraak gebeurde en waarvoor precies vader en dochter op de vlucht zijn. Het publiek kan daarom, in tegenstelling tot het lezerspubliek van Camus, niet beoordelen of de keuze van Rags vader om zich terug te trekken in de bossen moreel juist is.

Light of my Life

Karakterboog
Ongetwijfeld is het Afflecks bedoeling om weinig informatie te geven teneinde de kijker in het ongewisse te laten, maar het levert een wat eendimensionale film op. Vader en dochter zijn de hele film lang op de vlucht en het wordt nooit helemaal duidelijk waarvoor. Bovendien zou het interessanter zijn geweest om Light of my Life op een net wat later tijdstip in de toekomst af te laten spelen, namelijk op het moment dat dochter Rag volwassen wordt en haar vrouwelijkheid niet meer kan verbergen achter een jongensachtig uiterlijk.

Nu missen de personages, hoewel uitstekend vertolkt, een karakterboog. Dat Affleck kan acteren weten we en het verbaast niet dat hij als regisseur een neus voor jeugdig acteertalent heeft. Hij en Pniowsky vertolken hun personages uitstekend en maken Light of my Life tot een film die echt het kijken waard is, maar wel kijken we twee uur lang naar dezelfde personages die weinig ontwikkeling doormaken. Vader en dochter zijn voortdurend op de vlucht, op weg naar niets.

 

20 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Itzhak

***
recensie Itzhak

Viool als replica van de ziel

door Cor Oliemeulen

Itzhak Perlman is een prima verteller, zelfverzekerd, goedlachs en gevat. Hij geldt als een van de grootste violisten van de tweede helft van de twintigste eeuw. “Waar ter wereld ik ook kom, het enige verzoek dat ik krijg, is de muziek van Schindler’s List.”

Itzhak ademt een onvoorwaardelijke liefde voor de kunst. Alison Chernik maakte eerder korte documentaires over popartheld Roy Lichtenstein, beeldend kunstenaar Jeff Koons, expressionistisch schilder Jackson Pollock, multitalent Julian Schnabel, alsook de filmregisseurs Pedro Almodóvar en Francis Ford Coppola. Ditmaal neemt ze vijf kwartier de tijd voor de man op en achter de viool. Niet alleen muziek komt aan bod; eten en honden lopen als leuke draadjes door de film heen.

Polio
Getroffen door polio op zijn vierde, zien we Perlman nu altijd en overal op zijn scootmobiel. Zoals wanneer hij in een vol honkbalstadion het Amerikaanse volkslied speelt voor een wedstrijd van de New York Mets, luisterend naar een mooie speech van de Amerikaanse president Obama, tijdens een optreden met zanger Billy Joel, het repeteren met andere muzikanten en wanneer acteur Alan Alda een hapje komt eten en een goed glas wijn komt drinken. Op visite bij de Israëlische premier Netanyahu zal hij beslist niet over politiek praten, en inderdaad zien we even later dat het gesprek gaat over eten en honden. De een miljoen dollar behorende bij de prestigieuze Genesis Prize in Jeruzalem zal hij aanwenden voor het opleiden van jong muzikaal talent, met de nadruk op gehandicapten.

Nadat hij op zijn dertiende met zijn moeder naar New York verkaste omdat hij was aangenomen op het beroemde Juilliard viel het zijn tweede vioollerares (de eerste was een kreng) op hoe virtuoos de jeugdige Itzhak al was: “Hij speelde Mendelssohn twee keer sneller dan het moest, maar het was ongelooflijk”, zegt ze. “Ik denk dat ik verliefd op hem was.” Dat gold ook voor Perlmans huidige echtgenote, de vrolijke Toby, die hem na een optreden ten huwelijk vroeg. Itzhak was nog maar zeventien en kreeg een jaar de tijd om zijn relatie met een ander meisje op wie hij nog verliefd was te verbreken. Meer dan vijftig jaar later is Toby nog steeds lyrisch over zijn spel, maar een kritische noot schuwt ze nooit. “Je kende nog niets van Schubert toen we elkaar ontmoetten.”

Net gearriveerd in New York werd de jonge Itzhak uitgenodigd voor de Ed Sullivan Show en aangekondigd als uitzonderlijk talent. We horen hoe prachtig hij daar speelde. Terugblikkend: “Ik weet niet of ik toen was uitgenodigd voor mijn vioolspel.” Toby weet het wel: “Je was die arme kleine kreupele jongen.” Tegenwoordig speelt Perlman altijd op zijn Stradivarius uit 1714 die volgens hem precies de klank heeft die hij van binnen voelt. “Als je een hond hebt en je bent nerveus, dan is je hond nerveus. Als je rustig bent, is je hond rustig. De viool is de replica van de ziel.”

Itzhak

Auschwitz
En zo zit Itzhak vol ontmoetingen, herinneringen en gesprekken, gelardeerd met kort archiefmateriaal. Met zijn joodse achtergrond is Auschwitz nooit ver weg. Op weg daar naartoe namen joden bijna altijd hun viool mee. Die instrumenten werden natuurlijk door de nazi’s afgepakt, waarna de eigenaren naar de gaskamer moesten. De violen gingen naar het orkest, dat een enkeling aangreep om aan het verschrikkelijke lot te ontsnappen. De al even beroemde violist Isaac Stern antwoordde ooit op de vraag waarom zoveel joden viool spelen: “Dit is het gemakkelijkste instrument om op te pakken en weg te rennen.”

Perlman horen we soms heel aardig relativeren en blijkt niet vies van de nodige ironie, maar de enige keer dat we hem niet opgewekt zien, is het moment waarop de joodse eigenaar van een vioolwinkel een oude viool toont. Als hij het instrument openmaakt, zien we daarin een papieren vel in de vorm van een viool met daarop de tekst ‘Heil Hitler 1936’ en de tekening van een hakenkruis. “Zorg ervoor dat er geen snaren meer op komen”, zegt Perlman veelbetekenend.

De bijzondere geschiedenis van een groot kunstenaar maakt een portret al snel de moeite waard. Juist om die reden is de spontane, probleemloze documentaire Itzhak niet uitsluitend boeiend voor liefhebbers en beoefenaars van klassieke muziek.

 

6 oktober 2019

 

ALLE RECENSIES

Miles Davis: Birth of the Cool

****
recensie Miles Davis: Birth of the Cool

Portret van een gekwelde trompetkunstenaar

door Cor Oliemeulen

Zelfs als je jazz beschouwt als een gruwelijke bak herrie of onophoudelijk zenuwachtig gefiep, is de documentaire Miles Davis: Birth of the Cool fascinerend om naar te kijken. Een nadere kennismaking met de grootste jazzvernieuwer die minder cool was dan de titel doet vermoeden.

Miles Davis kon zich muzikaal uitstekend aanpassen aan de tijdsgeest: van bebop in de jaren 40, via cooljazz, hardbop, jazzrock, fusion, acid jazz tot en met commerciële nummers in de jaren 80. Niet alleen door de omgevingsfactoren, maar ook door emoties toonde Davis zich een kameleon: net als zovele jazzmuzikanten worstelde hij met een drugsverslaving en daarbovenop had hij problematische relaties met vrouwen. Door middel van interviews en deels niet eerder gebruikte beelden ontstaat het portret van een gekwelde trompetkunstenaar.

Miles Davis: Birth of the Cool

Liever cool dan bebop
Miles Davis (1926-1991) zette in juli 1944 zijn eerste grote schreden in Club Riviera in St. Louis als invaller in een band met jazzlegendes Charlie Parker, Art Blakey en Dizzy Gillespie. De jonge Miles was zo zenuwachtig dat hij voor elk optreden moest overgeven. Zijn welgestelde ouders (vader was tandarts) drongen aan dat hij piano of viool zou gaan studeren. Het werd toch de trompet, maar dan wel aan het beroemde Juilliard-conservatorium in New York. Die studie zou hij niet afmaken, want veel liever trad hij avond na avond op in de clubs van 52nd Street, het toenmalige mekka van de jazz. Na drie jaar spelen in het kwintet van Parker had Davis genoeg van diens snelle, gecompliceerde en virtuoze bebop. Miles wilde voortaan zelf de muzikale lijnen uitzetten. Dat leidde in 1957 tot het baanbrekende album Birth of the Cool. Een nieuwe jazzstijl was voor het grote publiek geboren.

Terwijl de toenmalige CBS-anchorman Walter Cronkite jazz bestempelde als ‘muzikale herrie’, roemen velen Davis’ cooljazz als elegant, romantisch, kwetsbaar en verrassend. Met meestal een demper op zijn trompet creëerde hij zijn typische, herkenbare timbre met een ingehouden, lyrische, melodieuze speelstijl. Andere mijlpalen zijn Miles Ahead (1957) en Kind of Blue (1959), nog steeds het meest verkochte jazzalbum ooit. Ooggetuigen vertellen hoe Davis voor twee opnamesessies bij Columbia Records collega’s als John Coltrane en Bill Evans slechts wat toonladders en melodielijnen toestopte, de rest van Kind of Blue is improvisatie. Sketches of Spain (1960) is een flirt met Spaanse muziek en Bitches Brew (1970) verruilt de traditionele akoestische instrumenten voor elektrische jazzrock. Criticus Greg Tate noemde Davis een ‘hoodoo voodoo priest of music’.

Miles Davis: Birth of the Cool

Artiesten en intellectuelen
Waar talking heads (kenners, exen, kinderen, jazzgiganten als Ron Carter, Wayne Shorter, Herbie Hancock, Quincy Jones, Mike Stern en Marcus Miller) Miles Davis op muzikaal gebied de hemel in prijzen, krijgt de persoon achter de muzikant ook minder jubelende kwalificaties toebedeeld: koud, direct, excentriek, jaloers, op zichzelf, tegen het asociale aan. Karaktereigenschappen die al dan niet werden versterkt nadat hij gedesillusioneerd terugkwam van zijn verblijf in Parijs in 1949. Daar was geen rassenscheiding en werd hij opgenomen in een kring van artiesten en intellectuelen (Picasso en Sartre waren fan). De Franse zangeres Juliette Gréco vertelt hoe ze verliefd hand in hand met Miles Davis door de straten van Parijs flaneerde, maar aan het sprookje kwam een eind toen hij terug in Amerika weer direct werd geconfronteerd met racisme en zich stortte in een heroïneverslaving die de rest van zijn leven zou bepalen. Net als een aanvaring met een agent die een bloedende Davis naar het politiebureau begeleidde.

Zoals in zijn vorige documentaires neemt filmmaker Stanley Nelson (o.a. The Black Panthers: Vanguard of the Revolution, 2015) de tijd voor rassenongelijkheid. Met zijn opzichtige dure auto’s en luxe kleding was Miles Davis voor sommige blanken een doorn in het oog. Hij portretteert Davis als activist en krachtig symbool voor Afro-Amerikanen die geen blad voor zijn mond neemt. Terwijl in de jaren 60 de jazz door de opkomst van rock en funk minder populair werd, paste Davis zijn muziek aan en zocht hij inspiratie in andere culturen en kunstvormen. Dat leidde onder meer tot zijn opname van het Disney-liedje Someday My Prince Will Come (1961). Davis flipte toen hij op de albumcover een blanke vrouw zag en eiste van Columbia Records om ‘that white bitch’ te verwijderen en te vervangen door Frances Taylor, zijn eerste echtgenote, als eerbetoon aan haar en aan alle zwarte vrouwen.

Miles Davis: Birth of the Cool

Rake anekdotes
Ook in Miles Davis: Birth of the Cool heeft de populaire ex-danseres, Frances Taylor, een prominente plaats. Ze deelt persoonlijke herinneringen, en krijgt (weliswaar erg kort) de kans om ook ’s mans ellende van drugs en paranoia uit de doeken te doen. We zien de pijn in haar ogen als ze vertelt hoe ze direct vertrok nadat Davis haar tegen de grond had geslagen, maar ze zou altijd van hem blijven houden. Ook volgende exen hadden het niet gemakkelijk met de jazzlegende. Een onmiskenbare invloed had de pittige funk- en soulzangeres Betty Mabry eind jaren zestig. Davis was altijd onberispelijk gekleed in een donker pak, maar Betty ging hem hip en extravagant kleden: laag uitgesneden shirts, patchwork broeken met opzichtige riemen en grote zonnebrillen.

De documentaire zoomt echter vooral in op Davis’ hoogtijdagen daarvoor, de decennia waarin geschiedenis werd geschreven, zoals de totstandkoming van zijn geïmproviseerde soundtrack van Ascenseur pour l’échafaud (1958) van Louis Malle. We zien nog wel een kort optreden op het podium met Prince in 1987, maar toen was Davis al erg fragiel als gevolg van jarenlang drugsgebruik. De kijker blijft met een triest gevoel achter, wetende dat er nooit meer iemand van dit muzikale kaliber zal opstaan, maar dat maakt deze biografie niet minder mooi en leerzaam. Misschien is de enige kleine tegenvaller dat je op de aftiteling leest dat het niet de rasperige voice-over van Miles Davis is die je hoorde, maar van Carl Lumbly die voorleest uit de in 1990 verschenen autobiografie Miles. Dat karakteristieke gekraste stemgeluid van Davis (veroorzaakt door een keeloperatie) wordt ook voorbeeldig, en soms gekscherend, geïmiteerd in de talrijke rake anekdotes.

 

7 september 2019

 

ALLE RECENSIES

Rainy Day in New York, A

****
recensie A Rainy Day in New York 

Verwende mensen en hun verwaande wensen

door Alfred Bos

Na de Weinstein-affaire en #MeToo kreeg Woody Allen te maken met oude en onbewezen beschuldigingen van seksueel wangedrag. A Rainy Day in New York dreigde daardoor niet in de bioscoop te verschijnen. De ironie is compleet nu de film onder meer blijkt te gaan over … de seksuele moraal van de filmindustrie.

Voor de fans van Woody Allen was het een jaarlijkse traditie, bijna net zo gewoon als kerstmis of het bezoekje aan de tandarts. Maar 2018 kwam en ging zonder nieuwe Allen-film, voor het eerst in 37 jaar. De regisseur werd zijdelings slachtoffer van het seksschandaal rond filmbons Harvey Weinstein en de daarop volgende mediastorm. Hij raakte besmet, acteurs distantieerden zich publiekelijk, de overeenkomst met zijn geldschieter, Amazon Studios, werd ontbonden en A Rainy Day in New York verdween in een la.

A Rainy Day in New York

Het is een ongelooflijk verhaal, vol hypocrisie en ironie. En de ironie wordt nog veel scherper en fijnzinniger nu A Rainy Day in New York eindelijk is te zien. Polen had de primeur en een reeks Europese en Zuid-Amerikaanse landen, plus Zuid-Korea, volgen. Het is nog onduidelijk of de film zal uitkomen in Engeland en de Verenigde Staten. De ironie is dat de romantische komedie tevens een weinig verbloemde satire is op de seksuele mores van de filmwereld. Hij werd gedraaid tussen 11 september en 23 oktober 2017. De heisa rond Weinstein begon in de eerste week van oktober.

Twee satires voor de prijs van één
Zoals bijna alle films van Woody Allen gaat ook A Rainy Day in New York over verwende mensen en hun bijziende blik op de wereld. Dat film het onderwerp is van deze satire kan niet worden misverstaan: het mannelijke hoofdpersonage luistert naar de naam Gatsby Welles (Timothée Chalamet), hij is jong, getalenteerd en welgesteld. Gatsby lummelt op de Yardley Universiteit in het lommerrijke upstate New York en wint strooigeld aan de pokertafel. Daarvan betaalt hij een uitje naar New York, waar zijn vriendin Ashleigh Enright (Elle Fanning) een interviewafspraak heeft met filmregisseur Roland Pollard (Liev Schreiber); ze is fan en schrijft voor de universiteitskrant.

Asleigh is naïef als een pasgeboren baby, de dochter van een bankiersfamilie uit Arizona die de hik krijgt wanneer ze seksueel opgewonden raakt. Tijdens het bezoek aan New York wordt een reeks filmprofessionals dat van háár, te beginnen met de regisseur die haar een scoop belooft (“Een scoop? Wat is dat, een ijsbolletje?”). Het is niet te missen: Roland Pollard staat voor Roman Polanski, de regisseur die – net als Allen in de jaren negentig – is beticht van seks met minderjarige vrouwen. Via hem komt Asleigh in het vizier van zijn scenarist, Ted Davidoff (Jude Law), die in haar bijzijn ontdekt dat zijn vrouw overspelig is. Asleigh waant zich een heuse journaliste, pent alles in haar schriftje en begint te dagdromen over een Pulitzer-prijs. Dat is satire nummer twee: de journalistiek.

A Rainy Day in New York

Ironie als fijnstof
Via een verwaande steracteur, Francisco Vega (Diego Luna), belandt Asleigh op een industriefeestje waar iedere aanwezige man zich aan haar verlustigt, maar echt link wordt het in de loft van Vega. Gatsby ondertussen beleeft zijn eigen avonturen: hij speelt een bijrolletje in de eindexamenfilm van een kennis en loopt tegen de jongere zus, Shannon (Selena Gomez), van een ex-vriendin aan. Van het dagje New York met Ashleigh komt weinig terecht, want “de stad heeft zijn eigen agenda”. Hij zoekt een romantische droom uit een verdwenen tijdperk en vindt een cynische wereld. Het klinkt als een verzuchting van Allen zelf.

In A Rainy Day in New York waait de ironie als fijnstof door de straten, de romantische regen zuivert de lucht. De film zit, als een echo van Manhattan (1979), vol met grappen over de mores van de stad en zijn artistieke milieu, de bourgeois die graag tegen de bohemien aanschuurt. Qua spitse dialogen, geestige toespelingen en onhandige situaties is het Allens meest geslaagde film sinds Match Point (2005), bovendien voorzien van meer dubbele bodem dan Blue Jasmine. Komedie en romantiek zijn evenwel decor voor het eigenlijke onderwerp van de film: de bedenkelijke zeden van de filmindustrie en het cynisme van de media. En hoe die twee elkaar voeden. Gatsby verhaalt Ashleigh over het oudste beroep van de wereld. Haar reactie: “Journalistiek?”

Uitgerekend die film werd slachtoffer van de #MeToo-heksenjacht. Veel ironischer kan het leven niet worden. Allen-fans weten dan genoeg.

 

28 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

The Matrix: blauwdruk van de superheldenfilm

The Matrix: blauwdruk van de superheldenfilm

door Alfred Bos

The Matrix was in 1999 de verrassingshit van een spectaculair filmjaar, waarin onder meer Eyes Wide Shut, Magnolia, American Beauty, The Sixth Sense, Being John Malkovich en Fight Club verschenen. De film was toen al een rare mix van nieuw en gedateerd. En is dat bij de hernieuwde kennismaking, nu hij opnieuw wordt uitgebracht, nog meer dan toen.

Niets veroudert zo snel als het bedoeld aparte, het bewust afwijkende, het nieuwe dat zichzelf als nieuw afficheert. Wat hip wil zijn, raakt snel gedateerd. Kijk naar sciencefictionfilms uit de jaren vijftig en je wordt bevangen door een zekere gêne. De deken van nostalgie kan de knulligheid van de verbeelde toekomst wel verzachten, maar niet verhullen. Daarom steken films als 2001: A Space Odyssey, Solaris en Blade Runner met kop en schouder boven de doorsnee-genrefilm uit. Het is hun tijdloosheid, hun niet-gedateerd zijn. Ze staan los van de mode en het moment waarop ze zijn gemaakt.

The Matrix

The Matrix verscheen in de zomer van 1999 en sloeg bij menige kijker in als een granaat. Het verbijsterende verhaal: de dagelijkse belevingswereld blijkt een geregisseerde constructie. De vernieuwende vorm: vechtscènes als kung fu-balletten. De visuele effecten: kogels die in slow motion over het doek vliegen, de bullit time. Het was verbluffend, een technisch hoogstandje. The Matrix – plus de vervolgdelen Reloaded en Revolutions – werd een cultfenomeen en de Wachowski-broers Larry en Andy (zussen Lana en Lilly, sinds respectievelijk 2003 en 2016) groeiden uit tot cultheld(inn)en.

Twintig zomers na de première is de bruis voor een flink deel platgeslagen. The Matrix is nog steeds een onderhoudende actiefilm met originele momenten en treffende effecten. Maar één van de beste sf-films ooit, passend in het eerder genoemde rijtje?

Wat nu vooral opvalt zijn de clichés. En dan niet wat inmiddels cliché is geworden: de kung fu in een westerse setting, de virtuele nepwereld, het ultrageweld. Maar de clichés die in 1999 al cliché waren, zoals de romance tussen de lotgenoten, en het verraad van de insider, of het slotgevecht waarin de bijna verslagen David op het allerlaatste moment de onoverwinnelijke Goliath vloert. Afijn, we kennen het van een miljoen andere films. The Matrix is door en door Hollywood. Maar toch ook weer niet. Het verpakt ideeën uit de tegencultuur in een mainstreamjas.

De wereld als simulatie
The Matrix is een film van zijn tijd, de jaren negentig van de vorige eeuw. Cyberpunk is van oorsprong een literair subgenre dat in de jaren tachtig zijn vorm werd gegeven door sciencefictionauteurs Bruce Sterling (The Artificial Kid, 1980) en William Gibson (Neuromancer, 1984). Cyberpunk verbeeldt een wereld waarin punks achter de computer zitten en zich als hacker verweren tegen de corporate wereld die de rol van de staat heeft overgenomen. Het genre leeft nog steeds, ook in de bioscoop: zie Upgrade (2018). En op televisie, blijkens Mr. Robot (USA Network, 2015) en Altered Carbon (Netflix, 2018).

Midden jaren negentig – en kort na de CGI (computer generated imagery)-revolutie – maakte cyberpunk de sprong van papier naar het het grote scherm via films als Johnny Mnemonic (Robert Longo, 1995), Strange Days (Kathryn Bigelow, 1995), Dark City (Alex Proyas, 1998) en eXistenZ (David Cronenberg, 1999). Die laatste verscheen in Amerika een paar weken na The Matrix en werd, onverdiend, geheel overschaduwd door het bravourestuk van de Wachowski’s.

De wereld als simulatie, buiten de onwetende hoofdpersoon om geregisseerd door een derde partij, is een idee van sf-schrijver Philip K. Dick. Hij introduceerde het concept in zijn roman Time out of Joint uit 1959. De digitale schijnwereld is een troop van het cyberpunkgenre: in zijn roman Neuromancer koppelt William Gibson de gesimuleerde wereld van Philip K. Dick aan het concept internet en noemde het—de matrix. Een virtuele wereld die bestaat uit data, uit enen en nullen. Gibson visualiseert computerbestanden als gebouwen, een quasi-werkelijkheid.

Geregisseerde namaakrealiteiten staan centraal in Strange Days en Dark City. David Cronenbergs eXistenZ speelt met hetzelfde concept. De tv-serie Wild Palms deed dat al in 1993. William Gibson schreef een op zichzelf staande aflevering van The X-Files, in Amerika uitgezonden op 15 februari 1998. In Kill Switch beleeft Mulder gruwelijke avonturen in een virtuele werkelijkheid die wordt geregisseerd door een kunstmatige intelligentie. Nieuw was het idee van de wereld als gemanipuleerde neprealiteit bepaald niet niet toen The Matrix op 31 maart 1999 in Amerika, en in Nederland op 17 juni, in de bioscoop verscheen.

The Matrix

Technologische overkill
‘Alles is bestemd om opnieuw te verschijnen als simulatie’, schreef de Franse filosoof Jean Baudrillard in America (1986). In cyberpunk staat de simulatie centraal; namaak is gewoon, bedrog de norm. De markt heeft de staat vervangen, internationaal opererende bedrijfsconglomeraten staan buiten de wet. De ultra-rijken leven in een bubbel van exorbitante luxe, geïsoleerd van de verpauperde massa. De wereld is een ecologische ruïne, de paleizen van het bedrijfsleven contrasteren scherp met de verloederde leefomgeving van de havenots. Steriel minimalisme – of opulente overdaad – versus de bouwval van het industriële, pre-digitale tijdperk.

De hyperrealiteit van The Matrix verhult een gruwelijke werkelijkheid. De mens is onderworpen door intelligente machines en verworden tot biologische batterij die de robotten van stroom voorziet. Hij wordt als pluimvee gekweekt in incubatiecellen, door de Wachowski’s verbeeld via een architectuur die technologische overkill op een onmenselijke schaal suggereert. Het kunstmatige ei waarin men virtueel droomt, is gedetailleerd beschreven in Halo, de eerste en enige roman van Tom Maddox uit 1991. Dat boek was weer geïnspireerd door Count Zero (1987) van William Gibson.

Ook typisch jaren tachtig is de aankleding van de werelden, reëel en virtueel, die de Wachowski’s de kijker voorschotelen, de werelden waarin de rebellen van The Matrix hun overheersers te lijf gaan. De straatbeelden van New York, met hun trottoirs vol anoniem maar vlot geklede consumenten en werkbijen, hadden uit Wall Street (1987) kunnen komen. Dat is de schijnwereld van de virtuele nabootsing. In de niet-gesimuleerde werkelijkheid van The Matrix bewegen de rebellen zich in een onderwereld vol metaal die eerder industrieel dan digitaal aandoet, evenveel tank is als computer.

The Matrix

Die onderwereld is de visuele pendant van de muziek die is gemaakt door industriële rockbands uit de jaren tachtig als Front 242, The Young Gods, Front Line Assembly, Nurse With Wounds en Ministry. De laatste is op de geluidsband van de film te horen, naast jaren negentig acts als Marilyn Manson, Meat Beat Manifesto en Rammstein. De muziek op de soundtrack is industrial en big beat, genres die in 1999 hip zijn in rockkringen waar met synthesizers wordt geflirt. De grunge van Nirvana en Pearl Jam is opvallend afwezig.

Nostalgische romantiek
De technologie van de rebellen doet ouderwets aan. In 1999 bestaat de smartphone nog niet, in de gesimuleerde wereld belt men met klassieke dumbphones voorzien van antennespriet; ze worden open en dichtgeklapt. Om van de gesimuleerde wereld terug te keren naar hun dystopische realiteit gebruiken de rebellen archaïsche telefoons met draaischijf of, in het beste geval, druktoetsen.

Telefoons en dus niet computers zijn de poort tussen de virtuele realiteit en de fysieke wereld: het is alsof de digitale revolutie en internet nog niet zijn gebeurd. De gesimuleerde wereld van The Matrix, die volgens het filmverhaal is gesitueerd in de late tweeëntwintigste eeuw, is die van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Het moment waarop cyberpunk zich presenteerde als de nieuwe voorhoede.

The Matrix

Om van hun eigen wereld naar de simulatie te reizen, gebruiken de rebellen een andere cyberpunktroop, de plug die als breincomputerinterface in de nek wordt gestoken, door William Gibson geïntroduceerd in Neuromancer. De Wachowski’s hadden ook kunnen kiezen voor elektrodes die via de oogzenuw het brein verbindt met de computer en diens simulatie, zoals Pat Cadigan deed in haar roman Mindplayers uit 1987. Moet je wel eerst je kunstogen –simulaties – uitdoen.

William Gibson heeft in zijn essay Will we have computer chips in our heads? kanttekeningen bij die chirurgisch ingebrachte implantaten geplaatst. Hij ziet ze als ‘nostalgische romantiek’, vergelijkbaar met verouderde technologie als de vacuümbuis en de diaprojector. Biotechnologie en nanotechnologie zullen dergelijke invasieve ingrepen overbodig maken, stelde hij in het Amerikaanse weekblad Time. Internet was in 1999 niet langer het speeltje van academici en hackers, maar een massamedium. Cyberpunk begon al een beetje nostalgisch te voelen.

Morpheus’ monologen
Gibsons artikel verscheen op 19 juni 2000, zodat de Wachowski’s het niet gelezen kunnen hebben. De vervaarlijk ogende pluggen die de rebellen in hun nek steken om de virtuele wereld binnen te treden, herinneren eraan dat The Matrix, à la David Cronenberg, de nodige body horror bevat. Dat geldt ook voor de broedcellen waarin mensen worden gehouden als batterij. Nadat Neo heeft gekozen voor de rode pil (de waarheid), wordt hij wakker uit zijn gesimuleerde droom. De scène had van de Japanse horror-regisseur Shin’ya Tsukamoto (Tetsuo, 1989) kunnen zijn.

The Matrix

Het meest ouderwetse en het meest clichématige Hollywood-aspect van The Matrix is de verteltechniek. De expositie van het buitenissige achtergrondverhaal – de aard van het bestaan en de manipulatie – nodig om de pointe van de film te kunnen bevatten, gebeurt via monologen van Morpheus (Laurence Fishburne), de ziener, of zo men wil, de sjamaan van het verhaal.

Over de held-tegen-wil-en-dank, Thomas Anderson/Neo (Keanu Reeves, die eerder de hoofdrol speelde in het verwante Johnny Mnemomic, naar het gelijknamige verhaal van William Gibson), stort Morpheus een vloed aan informatie uit. Het is vermoeiend, niet alleen voor Neo, ook voor de kijker. Het doet ronduit onbeholpen aan.

In de klassieke mythologie is Morpheus een shapeshifter die in mensengestalte in dromen verschijnt. Zijn vader is Hypnos (slaap), zijn oom Tanathos (dood). Morpheus is als Dream het hoofdpersonage van The Sandman. Dat stripverhaal van Neil Gaiman hebben de Wachowski’s, comicfans en liefhebbers van popcultuur, zeker gelezen. Dream/Morpheus personifieert dromen en verhalen: de verbeelding. Hij bij uitstek kan het verschil maken tussen fictie en feit.

Geleende ideeën
The Matrix
gebruikt een interessant idee (de wereld als simulatie) en verpakt het in een vergezochte premisse (de mens als biologische batterij) om een kreupel uiteengezet verhaal (Morpheus’ monologen) via vernieuwende actie (kung fu) en dito beeldtaal (bullit time) een standaardvertelling te serveren (rebellen versus overheerser) die uitmondt in een clichéslot (David verslaat Goliath nipt). Het publiek reageerde enthousiaster (IMDb-waardering 8,7) dan critici en beroepskijkers (Metacritic-waardering 73).

The Matrix

The Matrix is een collage van ideeën die al geruime tijd leefden in sciencefiction en popcultuur. Het idee van de werkelijkheid als geregisseerde constructie hing in de lucht: een jaar voor de film over Neo, Morpheus en Trinity (Carrie-Anne Moss) in première ging, draaide in de bioscoop The Truman Show (Peter Weir, 1998), met Jim Carrey als verzekeringsagent die zich er niet van bewust is de hoofdpersoon te zijn van een reality tv-show. Ook qua vorm is de film van de Wachowski’s niet oorspronkelijk. Het idee van de bullit time komt van Michael Gondry, die het in 1997 gebruikte voor zijn clip van de Rolling Stones en hun cover van Bob Dylans Like a Rolling Stone.

Een vergaarbak van andermans ideeën, knip- en plakwerk van fanatieke fanboys—de Wachowski’s zijn meer dan eens beschuldigd van plagiaat. Dat is op zich niet opzienbarend, de populaire cultuur zit vol met me too-creaties die bestaan uit geleende ideeën. Ondanks zijn gebreken is de film invloedrijk gebleken. Dat komt niet door het basisidee van de wereld als constructie ten behoeve van parasiterende . Dat was eerder – en is vaker – en beter gedaan. Het komt ook niet door de regie, want die is niet van bijzondere kwaliteit. Het komt door de visuele flair van de actiescènes.

Toevalstreffer?
The Matrix
heeft de Amerikaanse actiefilm veranderd. Vóór 1999 was kung fu het domein van de Aziatische cinema. De Wachowski’s integreerden het in de Hollywood-modus en een jaar later maakte Ang Lee met Croughing Tiger, Hidden Dragon de spectaculair gechoreografeerde vechtkunst tot deel van de beeldtaal die iedere filmkijker verstaat. Quentin Tarantino nam het gretig over voor diens Kill Bill-films van 2003 en 2004. The Matrix heeft de toon gezet voor de golf superheldenfilms van het nieuwe millennium.

The Matrix

De acteurs hebben het meest geprofiteerd van het succes van The Matrix. Voor fotomodel en tv-actrice Carrie-Anne Moss was haar rol als Trinity de springplank naar een bloeiende filmloopbaan. Kenau Reeves groeide uit tot een ster en zowel Laurence Fishburne als Hugo Weaving (die de rol speelt van Agent Smith, de antagonist) zaten nadien geen dag zonder werk.

Na de vervolgdelen Reloaded en Revolutions, kort na elkaar uitgebracht in 2003, hebben de Wachoswki’s niets meer van vergelijkbare invloed of kwaliteit gemaakt. Hun laatste film, Jupiter  Ascending, is een warrige mislukking. De aanvankelijk veelbelovende tv-serie Sense8, geschreven in samenwerking met stripauteur J. Michael Straczynski, is na twee seizoenen van de buis verdwenen: weidse visie, torenhoge ambities, een overdaad aan personages, chaotische verhaallijn, geen focus.

Zo lijkt The Matrix een toevalstreffer. Of heeft de film zijn makers opgebrand?

The Matrix draait vanaf 29 augustus opnieuw in de bioscoop.

 

26 augustus 2019


ALLE ESSAYS

Once Upon a Time … in Hollywood

****
recensie Once Upon a Time … in Hollywood

Virtuoze collage van feit, fictie en mediareferenties

door Alfred Bos

Heeft Quentin Tarantino nu negen of tien films gemaakt? Maakt niet uit, Once Upon a Time … in Hollywood is Tarantino ten voeten uit én laat een nieuwe kant van de regisseur zien. Fans worden niet teleurgesteld. Critici ook niet.

Quentin Tarantino is een kind van 56. Film is voor hem een spel, met het medium, met genreconventies, met de relatie tussen film en werkelijkheid, met de kijker. De openingstitels van zijn tiende film (we tellen Kill Bill voor twee en Death Proof voor een) nodigen de kijker uit zijn spel mee te spelen. Op het scherm staan naast elkaar de namen en portretten geprojecteerd van de acteurs die de hoofdrollen spelen. Alleen, Leonardo DiCaprio heet Brad Pitt en Brad Pitt heet Leonardo DiCaprio. We zijn begonnen aan een knotsgekke achtbaanrit door de fantasie van de regisseur/scenarist en we hadden het kunnen weten, want de filmtitel geeft het al weg: Once Upon a Time … in Hollywood is een sprookje.

Zoals iedereen weet zijn sprookjes bruut en gewelddadig en Once Upon a Time … in Hollywood is Tarantino ten voeten uit, dus bruut en gewelddadig. En speels. Zoals elk sprookje – en dat is nieuw voor het kind dat inmiddels 56 jaren oud is – bevat het een moraal: succes is tijdelijk, roem is leeg en uiteindelijk is een beetje menselijkheid, het kost niks, het enige wat er toe doet. De rest is, wel, spel. Al spelen sommigen het bloedserieus.

Once Upon a Time … in Hollywood

Goochelen met filmtrivia
Quentin Tarantino is een postmoderne regisseur en maakt films die naar andere films verwijzen en het medium becommentariën door het op zichzelf terug te vouwen. Wanneer zo’n Tarantino-metafilm is gesitueerd in het mekka van de filmindustrie, het commerciële hart van het medium, gaan de filmreferenties in overdrive. Once Upon a Time … in Hollywood goochelt met filmtrivia en Hollywood-folklore, is onbarmhartig eerlijk maar razend gevat, en krankzinnig gedetailleerd in zijn persiflage van Hollywood en satire op de donkere kanten van Los Angeles en haar historie. De regisseur is fan, nar en therapeut ineen. Dat laatste onderscheidt hem van al die andere fanboys die de (sociale) media bevolken. Hij toont empathie.

Once Upon a Time … in Hollywood tackelt Amerika’s meest geruchtmakende moordzaak van de afgelopen vijftig jaar. Meest geruchtmakend vanwege de weerzinwekkende details, de volstrekte willekeur en zinloosheid, en het feit dat het de droomfabriek Hollywood in het hart trof. Het lijkt op het eerste gezicht weinig kies om de moord op actrice Sharon Tate, de hoogzwangere vrouw van Roman Polanski, te gebruiken als onderwerp van een Tarantineske burleske. Maar de regisseur doet iets verrassends en op hetzelfde moment iets typisch des Tarantino’s: hij vouwt Hollywood op zichzelf terug.

Keten van misverstand
Rick Dalton (Leonardo DiCaprio) is een acteur over zijn hoogtepunt. Tien jaar daarvoor speelde hij de sheriff in de populaire tv-serie Bounty Law, een western. Hij is nog steeds onafscheidelijk met zijn filmdubbel, stuntman Cliff Booth (Brad Pitt). Daltons ster is tanende en hij scharrelt bij als Hollywood-acteur in goedkoop gedraaide Italiaanse westerns. Het is de meest opzichtige filmreferentie in deze film, naar Clint Eastwood en Sergio Leone (geen punten voor deze quizvraag).

Booth fungeert als chauffeur en klusjesman van Dalton en woont met zijn vechthond Brandy in een trailer in de San Fernando Valley, op een verlaten drive-in-cinema. Dalton maakt zich zorgen hoeveel langer hij de huur van zijn villa in het sjieke Benedict Canyon kan betalen. Hij bewondert op afstand zijn buren, Roman Polanski (Rafel Zawierucha, een Poolse acteur in een zwijgende rol), de hipste regisseur van Hollywood op dat moment, en diens hoogzwangere vrouw Sharon Tate (Margot Robbie). Dan kruist Pussycat (Margaret Qualley), een jonge vrouw uit de hippiecommune van Charles Manson (Damon Herriman), het pad van Booth. Het zet een onwaarschijnlijke keten van misverstand in gang.

Once Upon a Time … in Hollywood

Bestaande personen
Once Upon a Time … in Hollywood is in alle opzichten, op één na (en daar komen we op terug), typischTarantino. Het is een wraakfilm. Hij bestaat, net als Stanley Kubricks Full Metal Jacket en A Clockwork Orange, uit twee aparte delen. Feit en fictie zijn virtuoos vervlochten. De filmreferenties zijn te veel om op te noemen (daar kunnen studieclubs aan worden gewijd en pubquizzen mee gevuld). Het geweld, vooral gericht tegen vrouwen, is buiten proporties. De dialogen klinken spits en verrassend. Enkele scènes zijn overbodig en dienen vooral om de spraakwaterval van Tarantino’s script een bedding te geven. Vaste Tarantino-acteurs duiken op (spot Kurt Russell). Er is een cameo van een Hollywood-legende: Al Pacino als de zalig schmierende Hollywood-agent Marvin Schwarz. De soundtrack zit vol met raak gekozen B-hits (en een enkele A-kraker).

Alle Tarantino-films tot nu toe waren variaties op bestaande genrethema’s en B-filmconventies. Voor Once Upon a Time … in Hollywood gaat de regisseur uit van de tot in detail gerealiseerde werkelijkheid, die van Hollywood in 1969. We zien bestaande personen, naast de reeds genoemde zijn dat Jay Sebring (Emile Hersch), de voormalige kapper annex amant van Tate met wie zij en Polanski hun woning delen; plus Cass Elliott (Rachel Redleaf) en Michelle Phillips (Rebecca Rittenhouse) van The Mamas & The Papas die we tegenkomen op een feest in Hugh Heffners Playboy Mansion.

Er zijn er meer, zoals acteur Steve McQueen (Damian Lewis) die tien jaar daarvoor – net als Rick Dalton – beroemd werd via een westernserie op tv; Bruce Lee (Mike Moh) als karatehaantje Kato in de tv-series Batman en The Green Hornet; en George Spahn (Bruce Dern), de 80-jarige blinde eigenaar van de Spahn-ranch, de voormalige set van westernfilms en tv-series – inclusief het fictieve Bounty Law – waar de Manson Family in 1969 domicilie hield. De scène met Spahn is een soort hommage en voelt overbodig, maar is het niet (zoals later zal blijken).

Spiegeleffecten
Typerend voor Tarantino’s associatieve aanpak vol spiegeleffecten is de scène waarin Rick Dalton, de voormalige tv-sheriff, de schurk speelt in een shoot voor de (fictieve) tv-serie Lancer. Hij deelt de tv-scène met collega-acteur James Stacy, de tv-sheriff en revolverheld van de serie. In Tarantino’s film wordt die rol vertolkt door Timothy Olyphant, die bekend werd als de scherpschietende sheriff in de echte tv-series Deadwood, een western, en Justified, een eigentijdse western. De scène toont de werkelijkheid van het filmmaken, of eigenlijk het acteren. We zien een acteur die acteert dat hij acteert, het is een fenomenaal moment van Leonardo DiCaprio. Voor het verhaal van Once Upon a Time … in Hollywood is het ook een overbodige scène, maar hij ademt brille en je vergeeft het Tarantino grif.

Tarantino’s metafilm is niet alleen hommage, er is ook zwarte humor. Zoals het moment waarop Sharon Tate de bioscoop binnenstapt om zichzelf naast Dean Martin op het filmdoek te zien in The Wrecking Crew (Phil Karlson, 1968). Ze wil gratis naar binnen, ze is immers de ster van de vertoonde film. De ontmoeting van Bruce Lee en voormalig stuntman Booth op de set van The Green Hornet is hilarisch en Brandy heeft de hondenscène van het jaar.

Once Upon a Time … in Hollywood

Klassiek mannenduo
De climax is onvervalste Tarantino van de bovenste plank. Anders dan The Hateful Eight voelt de ontknoping niet gekunsteld, flauw en onsmakelijk aan. De vuurpijl is subtiel voorbereid en kundig opgezet, vol verrassing en hallucinant in zijn exces. Hij opent met wellicht de meest geraffineerde toepassing van Tarantino’s spiegelspel met referenties uit de hele film. Op de geluidsband speelt 12:30 van The Mamas & The Papas, het is in de film op dat moment half een ’s nachts en de songstekst valt samen met de handeling op het filmdoek. Het is een virtuoze collage van feit, fictie en mediareferenties, Once Upon A Time … in Hollywood in een notendop. Je zou ook bijna twee uur en drie kwartier lang vergeten dat Pitt en DiCaprio weergaloos goed zijn. Klassieke Hollywood-duo’s als Paul Newman en Robert Redford, of James Stewart en Richard Widmark, komen op het netvlies.

Once Upon a Time … in Hollywood is volbloed Quentin Tarantino, op één aspect na. De film afficheert zich als sprookje en in sprookjes leeft men na afloop nog lang en gelukkig. De verhaallijn van proloog naar epiloog is grillig, maar niet zonder betekenis. De tobberige protagonist heeft geleerd, hij is de ambities en pretenties van beroepsnarcisten voorbij, de acteur stapt uit zijn rol en wordt mens. Ironie blijkt empathie. Zou de kleuter van 56 dan toch volwassen zijn geworden?

 

13 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES