Bohemian Rhapsody

**

recensie Bohemian Rhapsody

Is this the real life? Is this just fantasy?

door Alfred Bos

Overbodige biopic van de Engelse rockgroep Queen, die een potje maakt van de feiten en de moraliserende vinger heft naar het hedonisme van zanger Freddie Mercury.

Biopics, verfilmde levensverhalen, zijn een problematisch genre. Ze moeten zich – als het even kan – aan de feiten houden en het drama benadrukken. Bohemian Rhapsody, dat het verhaal van de Engelse rockband Queen als speelfilm vertelt, heeft een extra probleem. Op 24 november 1991 overleed zanger Freddie Mercury aan de gevolgen van aids. Maar dat blijft buiten beeld, want de film werkt toe naar de climax, de verbluffende bijdrage van de groep aan Live Aid. En stopt daar.

Bohemian Rhapsody

De feiten: Live Aid vond plaats op 13 juli 1985. In het najaar van 1985 consulteerde Mercury zijn huisarts met klachten die gerelateerd zouden blijken aan besmetting met het aidsvirus. De diagnose werd in het voorjaar van 1987 gesteld. Twee jaar later informeerde hij de andere bandleden. Het is naverteld in het dramadocu The Freddie Mercury Story: Who Wants to Live Forever (2016), met John Blunt in de rol van de Queen-zanger.

Het probleem, Bohemian Rhapsody moet dus schipperen. De feiten rond Mercury’s ziekte – zijn vermoeden, de diagnose en de boodschap aan de andere bandleden – worden geplaatst kort vóór Live Aid. In de jaren tachtig was aids een doodvonnis, er bestond nog geen remedie. Hoe Freddie Mercury daar op reageerde – trots en professioneel, tot de energie echt op was – blijft buiten de film. Bohemian Rhapsody gaat het werkelijke drama zorgvuldig uit de weg.

Valse nicht
Dus moet de film het drama ergens anders vandaan halen. En daarmee vouwt Bohemian Rhapsody zich in een nieuwe knoop, want door te sjoemelen met de feiten suggereert de film dat de zanger voor zijn uitbundige leefstijl werd gestraft met aids en zich daar vervolgens schuldig over voelde tegenover zijn collega’s. Het is puriteins moralisme van de koude grond en – kwalijker – dubieuze spin. Rommelen met de feiten en daar een fantasiebeeld uit koken—Bohemian Rhapsody past in de wereld van het nepnieuws en de alternatieve feiten. Zelfs de herkenningstune van distributeur 20th Century Fox is ‘verqueend’.

Daarmee doet de film, mede geproduceerd door de groepsleden Brian May en Roger Taylor, recht aan zijn problematische voorgeschiedenis. Reeds aangekondigd in 2010, stapte Sacha Baron Cohen uit het project als vertolker van Mercury en regisseur Bryan Singer (de X-Men films) maakte tijdens de productie plaats voor Dexter Fletcher (Eddie the Eagle). De tekst van Bohemian Rhapsody, het nummer, is Mercury’s reflectie over het groeiend besef bij hemzelf over zijn seksuele identiteit, en zijn keuze daarin. Het is altijd dubbel gebleven. Dat is het drama van Freddie Mercury, de film gaat eraan voorbij.

Bohemian Rhapsody focust op het verhaal van Queen tussen 1970 en 1985 dat wordt verteld aan de hand van twee belangrijke relaties in het leven van Freddie Mercury: zijn vriendin en grote liefde Mary Austin (Lucy Boynton) en Paul Pretner (Allen Leech), van 1975 tot 1985 zijn persoonlijke assistent. Die laatste, een controversiële figuur in Queen-kringen, is in de film de kwade genius die de exuberante zanger losweekt van de groep en hem naar zijn ondergang – homoclubs, orgastische feesten, laveloze seks en aids – brengt. Pretner wordt geportretteerd als de spreekwoordelijke valse nicht.

Bohemian Rhapsody

Live Aid
Tijdens de succesjaren van Queen was Mercury’s homoseksualiteit geen probleem, voor pers noch publiek. Het kwam domweg bij niemand op dat de zanger met de operateske stem en de ballerina-achtige podiumpassen de Griekse beginselen zou zijn aangedaan, zelfs niet toen hij zijn snor liet staan en oogde als een clone, het uniform van de New Yorkse gay scene. Het was een act, dacht men, passend bij zijn kleurrijke karakter. Ook de Aziatische afkomst van Freddie Mercury, op Zanzibar als Farrokh Bulsara geboren uit Perzisch-Indiase ouders, was nimmer een punt. Vroeg in de film wordt er gehint op racisme, het voelt onnodig.

We gaan niet zagen over blunders met de tijdlijn: op een feest uit 1980 kan Rick James’ Superfreak niet hebben geklonken want die is van najaar 1981 en tijdens de eerste Amerikaanse tournee van 1974 kan Queen nimmer Hammer to Fall hebben gespeeld want dat is een single uit 1984. Kan gebeuren, stoort niet. Rami Malek, bekend van de tv-serie Mr. Robot, is compleet met gebitsprothese een meer dan overtuigende Freddie Mercury; ook het stemgeluid en de dictie van acteur Gwilym Lee die Brian May vertolkt zijn griezelig natuurgetrouw. Dat is een ster waard.

Maar wat moeten we met een film die de tv-registratie van Queens triomf op Live Aid – vaak genoemd als het beste rockconcert ooit – seconde voor seconde tot in het kleinste detail naspeelt? Wat is het punt? Technisch gezien is het een knap staaltje. Maar waarom op breedbeeld en in Dolby Atmos namaken wat al jaren op YouTube is te zien? Is this the real life? Is this just fantasy? Open your eyes and see: deze escape from reality is volmaakt overbodig.
 

29 oktober 2018

 
MEER RECENSIES

Imagine

***

recensie Imagine

De eerste vlog, ruim voor het social media-tijdperk

door Alfred Bos

Alleen op de Amerikaanse tv vertoonde film van en over John Lennon en Yoko Ono komt digitaal opgepoetst in de bioscoop. Eerherstel voor de lang verguisde Ono die inmiddels een gevierde kunstenares is.

In 1971 waren The Beatles officieel een jaar uit elkaar, informeel al langer. John Lennon woonde met echtgenote Yoko Ono op het landgoed Tittenhurst Park, vlakbij Ascot. De relaties met zijn ex-collega’s waren wisselend. Het contact met gitarist George Harrison was warm, hij speelde mee op Lennons tweede solo-album Imagine. Drummer Ringo Starr nam landhuis en bijbehorend park over toen de Lennons in het najaar van 1971 naar New York verkasten. Paul McCartney was de gebeten hond, het onderwerp van het snerende How Do You Sleep?

Imagine

Dat nummer staat ook op Imagine en het is de tegenpool van het wereldberoemd geworden titelnummer, dat na Lennons dood in 1980 uitgroeide tot het lijflied van Amnesty International. De reflectie over universele verdraagzaamheid was Lennons droom, zijn ultieme wens, aldus Yoko Ono in de documentaire Imagine uit 1988, over het wordingsproces van Lennons meest beroemde album. Dat beeldverslag heeft dezelfde titel – tikje verwarrend – als de film van en over de Lennons die in december 1972 op de Amerikaanse televisie werd vertoond. Onder supervisie van Yoko Ono is het werkstuk digitaal opgepoetst en verschijnt, aangevuld met bonusmateriaal, alsnog in de bioscoop.

Andy Warhol
In 1971 was George Harrison de meest succesvolle solo-Beatle en Ringo Starr stond in de coulissen klaar om het stokje van hem over te nemen (met dank aan Harrison, die Starrs eerste hit, It Don’t Come Easy, schreef). Paul McCartney daarentegen hing in de touwen, uitgekotst door pers en publiek—en John Lennon. Die maakte optimaal gebruik van zijn faam en reputatie, geïnspireerd – en sommigen zeggen geregisseerd – door Yoko Ono. Want hoe de Imagine-film uit te leggen of te duiden? Amerikaanse critici noemden het de duurste homevideo ooit en al is dat een tikje vals, er zit wat in.

We zien de Lennons op het landgoed, wandelend hand in hand, elkaars lippen beroeren. We zien ze in de straten van Londen een demonstratie leiden. We zien ze in Central Park voor verbaasde omstanders een drollig dansje doen. Kortom, we zien héél veel John & Yoko die héél erg verliefd zijn. En de buitenwereld? Dat zijn de kennissen en beroemde gasten tijdens een besloten borrel op het landgoed. Kijk, daar staat Andy Warhol een paar fotomodellen te filmen. Of dat zijn Hollywood-coryfeeën als Jack Palance en Fred Astaire die opdraven in een dadaïstische beeldsonate voor kamer, deur en diva’s.

Fluxus
Voor Yoko Ono eind 1966 John Lennon ontmoette in Londen, maakte ze in New York deel uit van de avant-gardistische kunstbeweging Fluxus en haar hand is terug te zien in de absurdistische en dadaïstische beelden die in de film de nummers van Lennons album begeleiden. Potje schaak met exclusief witte stukken op een bord met uitsluitend witte vlakken? Een onder een zwarte doek (anno nu denken we boerka) verscholen personage dat door de straten van Londen doolt? Schokkerig walsje in een verlaten steeg? Het had Hans Richter kunnen zijn die een idee van Marcel Duchamps op celluloid vangt.

De film heeft eigenlijk de verkeerde titel, hij zou Imagine/Fly moeten heten. Het album Imagine duurt een kleine veertig minuten en de film ruim een uur; de extra tijd wordt gevuld met muziek van Ono. Lennons songs alterneren met nummers van Fly, Yoko Ono’s dubbelalbum uit 1971 dat indertijd werd gekraakt (in het beste geval genegeerd) maar tegenwoordig als baanbrekend wordt gehoord. Wie een ingeslapen kinderfeestje weer tot leven wil wekken, draait Mind Train; succes verzekerd, kleuters door het dolle heen. En de Duitse band Can heeft er ook naar geluisterd. Mind Train is in Imagine te horen onder de scène met Jack Palance en Dick Cavett.

Het beeld van Lennon is vertekend door de lens van de roem en Imagine is bovenal een film van Yoko Ono, met John Lennon als aanleiding en hun wederzijdse affectie tot onderwerp. Hij is overdadig en tenenkrommend, neigend naar narcisme. Maar hij is ook bruut in zijn openheid en het delen van wat nog niet zo lang geleden als privé werd beschouwd. In feite is Imagine de eerste vlog van het social media-tijdperk dat in 1972 nog niet bestond. Geheel in de geest van Andy Warhol dus en zijn tijd vooruit.
 

14 september 2018

 

Kijk hier waar en wanneer Imagine draait.

 

MEER RECENSIES

Chavela

***

recensie Chavela

De bittere stem van de tederheid

door Alfred Bos

In deze tijden van identiteitspolitiek en emancipatie van de LHBT-gemeenschap is het levensverhaal van Chavela Vargas (1919-2012) niet langer exotisch, maar exemplarisch. De lesbische zangeres uit Mexico werd via Spanje uiteindelijk ook in haar thuisland een icoon.

De zangeres is 88 jaren oud en schuifelt het toneel op. Halverwege coulissen en microfoon staat ze stil en spreidt haar armen. De zaal explodeert in een orkaan van aanbidding, fans zijn in extase. Ze is de zegenende engel. Haar omgeving weet wel beter: als ze niet even was blijven staan, had ze die microfoon nooit gehaald. Haar lijf wil niet meer, maar niemand zal haar in een rolstoel zien.

Chavela

De Mexicaanse zangeres Chavela Vargas (in 1919 op Costa Rica geboren als Isabel Vargas Lizano) overleed in 2012 in haar tweede thuisland Mexico, kort nadat ze in Madrid afscheid had genomen van haar Spaanse fans. In Spanje begon begin jaren negentig haar zegetocht, die haar op bejaarde leeftijd alsnog de erkenning bracht die haar als lesbische entertainer in de machocultuur van Mexico lange tijd was onthouden.

De documentaire Chavela vertelt het levensverhaal van een hartstochtelijke, zuipschuitende, homoseksuele, intens levende en in sommige opzichten onmogelijke vrouw. Een geboren buitenstaander, en dat letterlijk. Haar ouders schaamden zich voor hun dochter en hielden haar weg van de visite. Isabel Vargas Lizano had ongewoon mannelijke trekken voor een meisje. Ze groeide eenzaam op en eenzaamheid was haar leven lang haar trouwste gezel, zei ze later.

Vrouw zoekt vrouw
Chavela vertrok als 14-jarige naar Mexico en maakte naam als zangeres in het genre dat bekend staat als ranchera, het Mexicaanse levenslied dat de zielenpijn verklankt; denk de Mexicaanse variant van fado, blues of Jordaanse smartlap. Aanvankelijk kleedde ze zich elegant, met lang haar en sieraden, maar ‘ik zag er uit als een travestiet’. Na een gedaantewisseling – rode poncho, broek, kort haar, sigaar tussen de vingers – groeide ze uit tot een lokale ster. Haar drinkgelagen met ranchero-componist en zanger José Alfredo Jiménez zijn legendarisch. Ze dronken letterlijk de kroeg droog.

Als twintiger had Chavela een relatie met de tien jaar oudere kunstenares Frida Kahlo, maar haar onrustige hart dreef haar voort. Iedereen in haar omgeving besefte dat ze lesbisch was, maar daar werd in Mexico nooit openlijk over gesproken en wat je in het geniep doet is ieders eigen zaak. Geen vrouw was veilig voor haar, ze bracht de titel van Stephen Stills’ hit uit 1970, Love The One You’re With, in de jaren vijftig al in praktijk. Na het huwelijksfeest van Hollywood-ster Elizabeth Taylor werd ze wakker met Ava Gardner.

Chavela

Historisch beeldmateriaal
Chavela heeft veel betekend voor de emancipatie van lesbiennes in Mexico. Voor dat deel van haar publiek fungeerde ze als een sjamaan. Helemaal nadat de zangeres, na een periode van armoede en eenzaamheid, weer de weg omhoog vond en via een uitnodiging voor optredens in Madrid werd gewaardeerd om wie ze was, niet om wat ze projecteerde te zijn. De Spaanse cineast Pedro Almodóvar herkende in Chavela een muze en gebruikte haar muziek voor een aantal van zijn films. Haar ‘bittere stem van de tederheid’ is ook te horen in Frida en A Bigger Splash.

De documentaire vertelt Chavela’s verhaal aan de hand van haar muziek – met Engelse vertaling van de Spaanstalige teksten, verbeeld à la Amy – en getuigenissen van intimi; op de geluidsband horen we de zangeres praten over haar leven en liefdes. Het historische beeldmateriaal van Mexico in de jaren veertig en vijftig geeft context, zonder veel te verhelderen. De film oogt als een degelijke tv-documentaire, maar verschijnt, ook al is het onderwerp minder bekend bij het grote publiek, niettemin in de bioscoop. Dat alleen al voelt als een overwinning.
 

20 augustus 2018

 
MEER RECENSIES

Grace Jones: Bloodlight and Bami

**

recensie Grace Jones: Bloodlight and Bami

De waarheid achter Grace Jones blijft uit beeld

door Alfred Bos

Documentairemaker Sophie Fiennes volgde popicoon Grace Jones een aantal jaren tijdens en buiten haar werk. Het resultaat is een lukrake registratie zonder context. Met fraaie concertbeelden, dat wel.

De donkere diva is inmiddels zeventig, maar staat nog immer springlevend op het toneel. Oma of niet, ze slingert al zingend de hoepel rond haar heupen alsof ze een stoute tiener is. Grace Jones is een geboren rebel, dochter van een strenge Jamaicaanse dominee, icoon van ongetemde expressie, voormalig fotomodel en discodiva, de eerste zwarte androgyne popster. Wie is geen fan van Grace Jones?

Grace Jones: Bloodlight and Bami

Onafhankelijke vrouwen waren in de popmuziek van eind jaren zeventig met een lantaarntje te zoeken. En onafhankelijke popsterren van niet-westerse afkomst, bovendien androgyn en extravagant, stoer en openlijk spelend met hun seksualiteit, kwamen van een andere planeet. Toen Grace Jones na drie weinig opmerkelijke discoplaten in 1980 met het new wave-album Warm Leatherette op aarde landde, doorbrak ze muren tussen sekses, genres en disciplines. Muziek, mode, theater, nachtclub, rockpodium, mainstream, avant-garde—voor Grace Jones bestonden die categorieën simpelweg niet. Het was allemáál haar terrein. Leve de zelfexpressie.

Lukraak opgeknipt
Grace Jones kwam als eerste met het popconcert als modeshow en dansrevue, een spektakelstuk waarin de choreografie en verkleedpartijen net zo belangrijk waren en net zoveel indruk maakten als de muziek. Alle vrouwelijke popsterren die na haar uitgroeiden tot stadionact, van Madonna en Britney Spears en Christina Aguilera tot Beyoncé, Lady Gaga en Taylor Swift, zijn schatplichtig aan Grace Jones.

Over haar persoonlijke geschiedenis en impact op de populaire cultuur leren we in de documentaire Grace Jones: Bloodlight and Bami hoegenaamd niets. Het zijn in feite twee op zichzelf staande films: Grace Jones de performer in een reeks concertopnames en Grace Jones achter de schermen – ogenschijnlijk lukraak opgeknipt en zonder context of uitleg door elkaar geplakt.

Grace Jones: Bloodlight and Bami

Boos, maar waarom?
Daarmee lijkt regisseur Sophie Fiennes (zus van acteurs Ralph en Joseph), die eerder eigenzinnige documentaires maakte rond de Sloveense anti-filosoof Slavoj Zizek, te focussen op de mens achter de mythe en een meer naturel portret te schetsen van de vrouw die de provocatie tot kunstvorm heeft verheven. Maar wat zien we eigenlijk? Jones is ook maar een mens – zoals ze zelf in een telefonisch twistgesprek onomwonden toegeeft – die steunt op creatieve partners als muzikanten, kledingontwerpers en producers. Een uur en 55 minuten is wel heel veel tijd om die open deur uit zijn hengels te trappen.

Fiennes volgt haar onderwerp en stelt nergens vragen, ze registreert en de kijker is de omstander die meekijkt. De beelden van Grace in kleed- of hotelkamer – of onder douche – worden afgewisseld met een bezoek aan haar familie in Jamaica. En daar slaat het gebrek aan context geeuwverwekkend toe, want dat de familieverhoudingen nog immer niet vrij zijn van wrijvingen is duidelijk, maar naar het hoe en waarom is het gissen. Waarom is Grace Jones na al die jaren nog steeds zo boos? Daar blijft Bloodlight and Bami (Jamaicaans patois voor ‘rood studiolicht’ en ‘brood’) net zo raadselachtig over als de titel van de documentaire. Werk en familie? De definitieve film over Grace Jones moet nog gemaakt worden.
 

7 augustus 2018

 
MEER RECENSIES

Whitney

****

recensie Whitney

Misbruikte schoonheid

door Alfred Bos

Was sterzangeres Whitney Houston heimelijk biseksueel? Sloeg echtgenoot Bobby Brown haar? Werd ze als kind misbruikt? En waarom haatte dochter Krissi haar? Dat alles en nog veel meer in de documentaire Whitney. Niks sensatiezucht, maar eerherstel.

Hoe zou de popmuziek van het sociale media-tijdperk hebben geklonken zonder Whitney Houston? Anders, minder gemaniëreerd, meer naturel. Elke zangeres die de afgelopen vijftien jaar heeft meegedaan aan een tv-talentenjacht probeert Whitney’s vocale strapatsen te imiteren, inclusief trillers, uithalen en melisma. Maar niemand komt ook maar in de buurt van haar aangeboren en – door haar moeder, zangeres Cissy Houston – behoedzaam getrainde talent. Haar mezzosopraan buigt staal.

Op 11 februari 2012 werd Whitney Houston dood aangetroffen in haar kamer in het Beverly Hills Hotel in Los Angeles. Verdronken in bad. Ze had haar tante Mary eropuit gestuurd om cupcakes te scoren, daar had ze opeens zin in. De autopsie trof in haar bloed cocaïne en een reeks (legale) medicijnen aan. Ze was in het water weggedommeld. Een banaal einde voor de zangeres die de link vormt tussen Aretha Franklin en Rihanna, tussen gospel en ‘arrenbie’, tussen de kerk en de straat. De straat won, uiteindelijk.

Meest onderscheiden vrouwelijke artiest ooit
Het ging al een aantal jaren niet goed met het natuurtalent dat op 21-jarige leeftijd de muziekwereld en het publiek verblufte. Whitney Houston uit 1985 werd het meest succesvolle debuutalbum van een zangeres ooit (wereldwijd meer dan dertig miljoen exemplaren verkocht). Ze had zeven Amerikaanse nummer 1-hits op rij, meer dan The Beatles, Elvis Presley, Bee Gees of Michael Jackson. Ze wist The Star Sprangled Banner, het Amerikaanse volkslied, tot tweemaal toe de Amerikaanse hitparade in te zingen en haar vertolking van Dolly Partons I Will Always Love You (uit de hitfilm The Bodyguard, 1991) is de best verkochte single van een vrouw uit de historie van de hitparade. Het werd na haar dood opnieuw een hit.

Whitney Houston is volgens Guinness World Records de meest onderscheiden vrouwelijke artiest ooit, maar stierf diep ongelukkig. Hoe heeft het zover kunnen komen? Het korte antwoord, bondig genoeg voor een t-shirt: beauty meets abuse. Moeder Cissy voedde haar beschermd op en stuurde Whitney naar een katholieke privéschool voor meisjes; daar ontmoette ze haar hartsvriendin (en liefdespartner, wordt gesuggereerd) Robyn Crawford. Platenbaas Clive Davis adoreerde Nippy, zoals familie en intimi haar noemden, en waakte over haar als een kostbare schat. Wat ze was, in muzikaal én zakelijk opzicht.

In 1989 kwam de straat in haar leven, in de persoon van Bobby Brown, op dat moment een grote (en vernieuwende) ster aan het soulfirmament. Na haar huwelijk met de hitmaker werd Houstons muziek minder mainstream en meer avontuurlijk, met het album My Love Is Your Love uit 1998 als beste bewijs: het is de blauwdruk van Beyoncé’s solorepertoire. Maar met Brown kwamen ook de drugs. En de handtastelijkheden. En de sabotage. Whitney was een grotere ster dan Bobby en daar kon Mr. Houston niet mee omgaan. Ze gaf haar productiemaatschappij zijn naam. De na-ijver bleef, de coke vrat haar stem aan. Whitney werd langzaam een zombie.

Whitney

Parallellen met Amy
Toen ze in 2001 een rampzalig tv-interview gaf gonsden de geruchten al volop: het gaat niet goed met Whitney. In een aantal fragmenten uit de documentaire is ze nauwelijks herkenbaar. Die harde cokekop is niet de levenslustige hartendief van I Wanna Dance With Somebody of de smachtende sirene van I Will Always Love You. ‘Ze probeerde zichzelf te vinden’, aldus tante Mary, de laatste die haar levend zag. ‘Ik was altijd op de vlucht’, volgens Whitney zelf. Heeft ze zich ooit veilig gevoeld?

Ze zou op 9 augustus 55 jaar oud zijn geworden. Het is de dag waarop Whitney verschijnt, de film die is geregisseerd door Kevin Macdonald, de man van de Bob Marley-docu Marley uit 2012, en geproduceerd door de mensen achter de documentaire over Amy Winehouse, Amy. Er zijn opvallende parallellen met het tragische verhaal van de Britse soul- en jazzzangeres: een opportunistische vader en een dubieus vriendje c.q. echtgenoot. En dan is er de sensationele beschuldiging van halfbroer Gary: Whitney en hij zouden als kind zijn misbruikt door tante Dee Dee Warwick, zus van Dionne en een van de eersten in de muziekindustrie die openlijk lesbisch was.

Whitney is geen hagiografie en smeert de sensatie er niet dik op. Interviews met naaste familieleden en intimi worden afgewisseld met archiefbeelden en homevideo’s, op de wijze waarop Amy is samengesteld. Dat betekent dat er ook vlekkerige en schokkerige beelden langskomen die sommige kijkers schele hoofdpijn kunnen bezorgen. Whitney zet iets recht: de karikatuur uit de laatste fase van haar loopbaan maakt plaats voor een tragédienne. Eerherstel voor een uitzonderlijk talent.
 

6 augustus 2018

 
MEER RECENSIES

Betty: They Say I’m Different

****

recensie Betty: They Say I’m Different

De vrouw met het hete telefoonboekje

door Alfred Bos

In de jaren zeventig was er meer vrijheid dan ooit. Maar een zwarte vrouw die openlijk zong over seks was twee stappen te ver: vrouw en zwart. Deze documentaire is een ode aan en eerherstel voor vergeten funkicoon Betty Davis.

Betty: They Say I’m Different

Veel popmuziek gaat over seks en het genre dat funk genoemd wordt al helemaal; het scheelt maar één letter. Beyoncé en Rihanna maken er geen geheim van, Macy Gray en Erykah Badu doen er ook niet moeilijk over, maar de eerste zwarte vrouw die openlijk over seks zong was Betty Davis. In de jaren zeventig, ruim voor Prince zijn hitsigheid omzette in hits, zong Davis in bloemrijk straatjargon over jeukende geslachtsdelen en marathonparingen. Luister naar Shoo-B-Doop And Cop Him, het openingsnummer van haar tweede album They Say I’m Different uit 1974, en het is klaar: deze vrouw doet wat haar lust.

Tussen 1973 en 1975 maakte Betty Davis drie platen die de heilige graal zijn onder liefhebbers van lowdown dirty ass funk. Ze verkochten nauwelijks en de artieste verdween geruisloos van het toneel. De wereld was nog niet klaar voor een vrouw die niet bleu was over haar driften, en al helemaal geen zwarte vrouw. Ze pionierde de weg voor Grace Jones en Madonna, popsterren die in de jaren tachtig de braafheid afwierpen. Met #metoo als ruggesteun is de tijd rijp voor eerherstel van vrouwelijke kunstenaars die (te) lang onder het tapijt zijn geschoven. Deze korte documentaire (55 minuten) is perfect getimed.

Miles Davis
Betty Davis, geboren Mabry, van bouwjaar 1945, was een vlinder. Kleurrijk, fragiel, gevoelig, creatief; een gangmaker in het bohemienmilieu van New York midden jaren zestig. Twee mannen hebben haar leven getekend. Ze adoreerde haar vader, die haar onvoorwaardelijk steunde. En ze was, van 1968 tot 1969, een jaar lang getrouwd met Miles Davis. Het huwelijk van de jazztrompettist, toen 42 jaar oud, en zijn 23-jarige muze heeft beide partners wederzijds en blijvend beïnvloed. Zij stelde hem voor aan Jimi Hendrix en liet hem de muziek van Sly & The Family Stone horen. Hij stimuleerde haar om haar teksten en muziek zelf op te nemen.

Betty Davis siert de hoes van Filles de Kilimanjaro, het album uit 1968 waarop Miles Davis de eerste stappen zet op weg naar de fusie van jazz en rock die uitmondde in het legendarische dubbelalbum Bitches Brew (1970); de titel was een suggestie van Betty. Miles Davis geeft in zijn autobiografie grif toe dat het Betty was die hem de ogen opende en op nieuwe ideeën bracht. Het moet een speciale relatie zijn geweest, want zelfs jaren na de scheiding was er een band. Op haar derde album, Nasty Girl (1975), staat het nummer You And I, geschreven in samenwerking met Miles (en gearrangeerd door Gil Evans). Het gaat over Miles.

Kraai
Betty Davis was überhip, had een excellente smaak en een heet telefoonboekje met de nummers van gevierde en bevriende muzikanten. In 1973 nam ze met onder meer de ritmesectie van Sly & The Family Stone haar titelloze debuutalbum op. De openingstrack, If I’m In Luck I Might Get Picked Up, windt er geen doekjes om. En geen enkele vrouw had op dat moment zulke moddervette, van geiligheid schuimende funk op plaat gezet. Dat was schrikken, ook voor media en muziekindustrie.

Een vierde album kwam nooit uit (het verscheen pas in 2009 als Is It Love Or Desire?) en Betty Davis verdween, ook voor haar directe omgeving en vrienden. Ze werd een kluizenaar en groeide onder ingewijden – vergelijkbaar met voormalig tieneridool annex avant-garde muzikant Scott Walker – uit tot een mythe. De documentaire maakt duidelijk dat Davis de dood van haar vader emotioneel nooit te boven is gekomen. “Er heeft altijd een vogel in me gewoond”, zegt ze. Een kraai. Maar na de dood van haar vader “kon ik de kraai niet meer horen”.

Betty: They Say I’m Different is een met veel liefde gemaakt portret dat op esthetische wijze haar privacy respecteert. De film, die tijdens IDFA 2017 in première ging en deels met crowdfunding is gefinancierd, is betrokken van toon en afwijkend van vorm; animaties en beeldbewerking illustreren interviews. Aan het woord komen muzikanten, intimi en Davis zelf, 72 inmiddels. Maar niet zoals je verwacht. Ze is nog steeds net een tikje anders.
 

16 juni 2018

 
MEER RECENSIES

Klanken van Oorsprong

*

recensie Klanken van Oorsprong 

Fantastische klanken, vage oorsprong

door Alfred Bos

Nederlanders met een Indische achtergrond leverden een spraakmakende en unieke bijdrage aan de muziekcultuur van Nederland. Daar zit meer dan één verhaal in. Klanken van Oorsprong wil ze allemaal tegelijk vertellen en faalt dramatisch.

Nederland sprak in de jaren zestig en begin jaren zeventig een aardig woordje mee in de internationale popmuziek van die dagen. De basis daarvoor werd midden jaren vijftig gelegd in Den Haag, waar zogeheten Indo’s (Nederlanders met een Indische achtergrond) als eersten op het continent van Europa de nieuwe popmuziek uit Amerika, rock-’n-roll, begonnen te spelen. Althans, het leek er erg op, maar het was net even anders. Een uniek geluid, blijkt achteraf.

Klanken van Oorsprong

De indorockbands speelden voornamelijk ruige instrumentale rock-’n-roll en hadden er veel succes mee in Duitsland, want aan het land van bierfeesten en Schlagers was de muzikale revolte geheel voorbij gegaan. Daar lag een markt voor de driehonderd (!) indorockbands die er begin jaren zestig Duitse tieners vermaakten (naast bands uit Engeland als The Beatles). Klapstuk van de indorock waren de Tielman Brothers: podiumbeesten met een unieke sologitarist, Andy Tielman, de Jimi Hendrix van zijn tijd.

Indorock wijkt subtiel af van de Amerikaanse rock ’n roll, het is niet geworteld in rhythm & blues. Er zijn invloeden uit krontjong, achterbuurtmuziek uit Jakarta met Portugees/Indonesische wortels. En krontjong is “reggae zonder drums”, aldus Doe Maar-pianist en Indische Nederlander Ernst Jansz. Anneke Grönloh: “Reggae is krontjong.” Razend boeiend allemaal, daar zit een knaller van een documentaire in, rijp voor de internationale markt. Maar Klanken van Oorsprong is die documentaire niet.

Geen Molukkers
Het probleem van Klanken van Oorsprong is het gebrek aan focus. Het verhaal van de Indische Nederlanders en mensen uit Indonesië, inclusief de Molukken, die na de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring naar Nederland kwamen is een complex verhaal. Nederlanders keken raar naar Indo’s en Indo’s keken raar naar Molukkers. De term Indo staat voor een heterogene groep, de documentaire brengt geen helderheid. Erger, ze vertroebelt het beeld door alles op één hoop te vegen.

Maar de Ambonezen (of in ruimere zin: Molukkers, zo subtiel liggen de verschillen en zo complex is het verhaal) schitteren in Klanken van Oorsprong door afwezigheid. Geen Massada, geen Daniel Sahuleka, geen Erwin Java. Waarom is volstrekt onduidelijk.

De film toont daarentegen wel Nederlandse muzikanten die in voormalig Nederlands-Indië, tegenwoordig Indonesië, zijn geboren. Boudewijn de Groot bezoekt nog steeds pasar malams, Indische markten, en weet zelf eigenlijk ook niet waarom. Liesbeth List vertelt, opnieuw, het verhaal over haar moeder die in een Jappenkamp werd misbruikt en zelfmoord pleegde. Met Indorock heeft het allemaal niets van doen. En als De Groot en List aan het woord komen, waar is Jan Rot dan? En wat doet Kaz Lux in deze docu? De man heeft nota bene Poolse wortels!

Klanken van Oorsprong

Van Halen
Helemaal krankzinnig wordt het in het laatste deel van Klanken van Oorsprong. Zitten we opeens te luisteren naar een Amerikaanse muzikant die in Eindhoven rockliedjes staat te spelen. Pardon? Oh, zijn ouders waren Indo en zijn naar Amerika geremigreerd. Dan kunnen de broertjes Alex en Eddie van Halen, die van die rockband met hun achternaam, er ook nog wel bij. Eddie en Alex verschijnen echter niet voor de camera, wel een nicht en een tante. Waarom de buurvrouw eigenlijk niet? En wat doet Leo Blokhuis daar opeens?

Met meer focus en wat competente redactie had Klanken van Oorsprong iets moois kunnen opleveren, want het verhaal van de muziek die Nederlanders met een Indische achtergrond de afgelopen zestig jaar hebben gemaakt is het vertellen ruimschoots waard. Wie er meer over wil weten (en horen) leest de boeken van Lut Mutsaers, Rockin’ Ramona, over indorock, en Roep der verten, over krontjong. En zoekt op YouTube naar clips, met de onovertroffen Tielman Brothers voorop.
 

15 juni 2018

 
MEER RECENSIES

Nico, 1988

****

recensie Nico, 1988

Eerlijk portret van een 60’s icoon 

door Suzan Groothuis

In Nico, 1988 volgen we Christa Päffgen, beter bekend als Nico van The Velvet Underground of als muze van Andy Warhol, in haar laatste jaren. Een vrouw met een bewogen leven, waarover muzikant en bandlid James Young in zijn boek Nico, Songs They Never Play On The Radio schreef: From the start, Nico seemed destined for a life of strange tensions and weird scenes.

De van oorsprong Duitse was iemand om wie je niet heen kon. Een prachtige, indrukwekkende verschijning (Nico deed modellenwerk en had een rolletje in Fellini’s La Dolce Vita) die in de jaren ’60 naar Amerika kwam en daar Andy Warhol ontmoette. Hij bracht haar in contact met The Velvet Underground en produceerde hun debuutalbum. Nico werd toegevoegd als chanteuse en zong een paar nummers mee. Zij was echter nooit officieel lid van de band en ging solo verder.

Nico, 1988

Nico ontwikkelde een eigenzinnige, donkere muzikale stijl, begeleid door haar zware stem en harmonium. Met haar muzikale carrière begon ook een jarenlange heroïneverslaving. In 1988 kwam plots een einde aan Nico’s leven, nadat zij in Ibiza door een val van haar fiets aan een hersenbloeding bezweek. In 1995 verscheen de documentaire Nico Icon, waarin vrienden, muzikanten en familie terugblikken op haar leven. Ook Nico zelf, met haar diepe, karakteristieke stem: “Regrets? I’ve got no regrets… except that I was born a woman instead of a man.”

Het geluid van brandend Berlijn
Nico’s karakter was er een van uitersten: introvert maar aanwezig, met een obsessie voor verval en destructie. Nico, 1988 opent dan ook met zowel dreigende als schone beelden: een jonge Christa kijkt, terwijl de hemel donker kleurt, naar fel licht in de verte. Brandend Berlijn, het einde van de Tweede Wereldoorlog. Een plaatje dat zij nooit meer vergeten zou. Maar ook het geluid dat zij toen hoorde blijkt een grote rol te spelen in Nico’s latere muzikale carrière: gewapend met een opnamekoffer probeert ze het te vangen. Het geluid van het einde van de oorlog, nog nagloeiend in Nico’s zijn: “It was the sound of defeat”.

Nico wordt in Nico, 1988 vertolkt door de Deense actrice Trine Dyrholm (In a Better Word, A Royal Affair). Ondanks dat zij qua uiterlijk niet lijkt op Nico, weet Dyrholm een indrukwekkend portret neer te zetten en met haar stem en karakteristieken dichtbij te komen. Dyrholm zingt alle nummers zelf en doet dat met verve. Met name een illegaal concert in voormalig Tsjechoslowakije laat de haren op de armen rijzen: kippenvel. We zien een uitzinnige Nico die als een echte punkdiva het publiek met het nummer My Heart Is Empty mee krijgt en alles geeft wat ze in zich heeft.

Nico, 1988

Ook het persoonlijke portret van Nico in haar laatste twee jaren is geloofwaardig: regisseur Susanna Nicchiarelli toont haar ongegeneerd, maar altijd eerlijk en met respect. Er zijn beelden van internationale optredens, dan weer briljant, dan weer gênant. En de pogingen van Nico om een band op te bouwen met haar suïcidale zoon Ari, terwijl ze zelf als het even kan heroïne spuit. Maar er is ook gevatheid en humor, zoals een scène met een fles limoncello. Nico’s oog valt er op, maar de eigenaar twijfelt het haar te geven. Nico: “The bottle is too precious”.

Muziek als levensdoel
Ondanks – of misschien wel dankzij – Nico’s complexe persoonlijkheid is het onoverkomelijk dat je als kijker empathie voor haar voelt. Haar doorzettingsvermogen, afgezien van de tegenslagen – een hardnekkige drugsverslaving, een muzikale carrière die maar moeilijk van de grond komt en een suïcidale zoon – is bewonderenswaardig.

Dit is geen portret van de Nico van The Velvet Underground. Dit is een eerlijke weergave van de vrouw van na The Velvets die niet langer mooi gevonden wilde worden en zich richtte op haar levensdoel: “My life started after the experience with The Velvet Underground. I started making my own music.”
 

15 april 2018

 
MEER RECENSIES

Sign ‘o’ the Times

*****

recensie Sign ‘o’ the Times

Reus van vijf turven piekt

door Alfred Bos

Op 20 november is het op de dag af dertig jaar geleden dat Sign ‘o’ the Times, de concertfilm van Prince, in Nederland in première ging. De beelden waren een jaar daarvoor geschoten in de Ahoy’ te Rotterdam. Alfred Bos was er bij.

Wat kon Prince níet? We herinneren hem vooral als muzikant van de buitencategorie, een talent waarop geen maat stond. We gedenken hem niet als regisseur. Natuurlijk, hij regisseerde een aantal van zijn videoclips en dat hij in 1984 doorbrak als superster was te danken aan Purple Rain (regie: Albert Magnoli), een speelfilm met spectaculaire concertbeelden. Maar de films onder zijn eigen regie waren na verschijning snel vergeten, als ze al werden opgemerkt.

Sign ‘o’ the Times

Under The Cherry Moon, nostalgische art deco-romantiek uit 1986? Afgefakkeld. Graffiti Bridge (1990), gepresenteerd als vervolg op Purple Rain? Huh??? Sign ‘o’ the Times, ’s mans concertfilm uit 1987? Lag als dvd te grabbel in de uitverkoopbakken. Tot vorig jaar de Boston Society of Film Critics de film herontdekte. Nu geldt Sign ‘o’ the Times als een van de beste concertfilms ooit gemaakt. In alle eerlijkheid, dat was het al toen de film in het najaar van 1988 in de Nederlandse bioscopen draaide.

Zwarte new wave
Toen het dubbelalbum Sign ‘o’ the Times in 1987 uitkwam was Prince, de gigant van vijf turven hoog, op zijn creatieve piek. De plaat was een monster, vier plaatkanten lang uitsluitend topnummers, geen vlekje te ontdekken. En die zestien tracks waren nog maar het topje van de ijsberg. De platenmaatschappij weigerde om ieder kwartaal een nieuw Prince-album uit te brengen en had de artiest uit het hoofd gepraat om zijn fans te belasten met een drie(!)dubbelalbum. De twee schijven waren een compromis. De rest verdween in de legendarisch geworden PrinceVault, een schatkamer met onuitgebracht materiaal.

Niet alleen de inspiratie stroomde uitbundig, Prince was vloeiend in zo ongeveer elk denkbare stijl. Op zijn platen uit de vroege jaren tachtig, die van vóór Purple Rain, was hij een erfgenaam van funkmeisters als James Brown, George Clinton en Sly Stone die het new wave-geluid uit Engeland had opgezogen. Een krankzinnige mix van invloeden, een rariteit in feite en de reden dat het grote publiek geen directe klik had met Prince. Zwarte new wave? Te buitenissig, te apart. Bij zijn eerste optreden in Nederland, op 21 mei 1981 in Paradiso, waren amper tweehonderd bezoekers.

Sign ‘o’ the Times

Zijn grote doorbraakhit, When Doves Cry, schalde in de zomer van 1984 uit talloze luidsprekers. Maar als hit lapt het een oerwet aan de laars: een dansnummer zonder baspartij! Typisch Prince. En scherp gehoord van de man. Niemand zou in de eindmix de fader van de baspartij naar beneden hebben getrokken. Maar de afwezigheid van de bas – de link tussen beat en melodie, en de bron van harmonie – geeft When Doves Cry niet alleen een uniek geluid, het creëert ook ruimte. En muziek draait om ruimte. Daar offerde Prince de harmonie graag aan op en hij had gelijk.

Zwart en perzik
Toen hij na het enorme succes van Purple Rain (twee nummer 1-hits, When Doves Cry en het titelnummer, in zijn thuisland Amerika; zeven weken op de bovenste plaats van de Nederlandse albumlijst) brede erkenning had gekregen, ging Prince in creatief opzicht helemaal los. Hij produceerde meer dan zijn platenmaatschappij kon uitbrengen en goochelde met stijlen. Pop, funk, psychedelica, wave—Prince kon het allemaal, moeiteloos en speels.

Bij zijn optreden van mei 1987 in het stadion van FC Utrecht waren zo’n dertigduizend man aanwezig. Prince had zijn fans opgeroepen zich te kleden in de kleuren zwart en perzik – de kleuren van het Sign ‘o’ the Times-album – en ze zwaaiden massaal met aanstekers toen hij The Cross vertolkte. Vijf weken later speelde Prince opnieuw in Nederland; op 28 juni stond hij in de Rotterdamse Ahoy’ hal, een betonnen tombe die in vergelijking met het voetbalstadion voelde als een intieme club. Ik heb in mijn leven enkele duizenden optredens gezien en gehoord, maar die middag (het was een middagconcert) met Prince in Ahoy’ was het beste.

Creatieve piek
Dat optreden vormde de basis van de concertfilm Sign ‘o’ the Times die nu door de filmcritici van Boston is herontdekt als meesterwerk. Prince was achteraf niet helemaal senang met het materiaal dat in Rotterdam door een Nederlandse ploeg was gedraaid en deed het onder optimaal gecontroleerde omstandigheden allemaal nog eens over in zijn Paisley Park-studio in Minneapolis. Die twee shoots zijn door elkaar gesneden tot de concertfilm. Ruwweg: we zien Ahoy’ en horen Paisley Park.

Sign ‘o’ the Times

In de film speelt Prince in een decor dat herinnert aan het hoesontwerp van Sign ‘o’ the Times elf nummers van het gelijknamige dubbelalbum, aangevuld met Now’s The Time van jazzlegende Charlie ‘Bird’ Parker. De videoclip van U Got The Look, met Sheena Easton als gastzangeres, is tussen de concertbeelden gemonteerd. De nummers worden aan elkaar gelast door West Side Story-achtige sketches met danseres Cat als wulpse tegenhanger van Prince. Het energieniveau is hoog, de muzikaliteit verbluffend.

Prince is altijd een talent van de buitencategorie gebleven, maar in 1987 viel alles samen: zijn creatieve top en zijn populariteitspiek. Hij was 29 jaar, in de kracht van zijn leven en in het zenith van zijn carrière, en kon alles wat zijn fantasierijke brein hem ingaf. Dat moet hij zelf ook hebben beseft. Waarom zou hij anders de Sign ‘o’ the Times-concerten hebben vastgelegd op film?


De digitaal gerestaureerde versie van Sign ‘o’ the Times is van zondag 20 tot en met zaterdag 26 november te zien in ruim
tachtig bioscopen.

Alfred Bos publiceerde in 1988 het boek Prince – De ‘muzikale’ biografie.
 

14 november 2017

 
MEER RECENSIES

Avicii: True Stories

***

recensie Avicii: True Stories
De kunstenaar wint, niet het geld

door Alfred Bos

Vorig jaar kondigde de Zweedse superster-deejay Avicii aan te stoppen met optreden. Een zeldzaam openhartige documentaire toont hoe de producer moest knokken om het juk van de roem af te schudden.

Tim Bergling was 21 jaar toen hij in 2011 als deejay optrad voor een uitverkocht stadion in zijn geboorteplaats Stockholm. Na afloop vraagt een journaliste hem: Wat is je doel? Dit zo lang mogelijk doen, antwoordt Bergling bleu maar tevens blij. Op 28 augustus 2016 deed hij zijn laatste optreden, in de club Ushuaia op Ibiza. Wat er in de vijf tussenliggende jaren gebeurde is het onderwerp van Avicii: True Stories.

Avicii: True Stories

De film toont kanten van het bestaan als internationaal vermaarde superster-deejay die doorgaans voor het publiek verborgen blijven. Als één van de populairste deejays en best verkopende producers van de planeet is Avicii een geldmachine en die wordt door de krachten achter de schermen, zijn manager voorop, genadeloos geëxploiteerd. Tot er iets knapt. Levan Tsikurishvili – die eerder enkele kortfilms rond nummers van Avicii regisseerde – heeft de Werdegang van Bergling als een vlieg op de muur geregistreerd. Hij toont de werkelijkheid achter het imago, het marketing-masker.

Monsterhit Wake Me Up
Tim Bergling (8 september 1989) leert zichzelf produceren door instructiefilmpjes op YouTube te bestuderen. Zijn held is de Nederlandse producer Laidback Luke, hij stuurt hem vijf demo’s per week. Ook een andere Nederlander, Tiësto, hoort zijn talent en draait als eerste topdeejay Avicii’s tracks. Dan verschijnt Ash Pournouri in beeld. Hij heeft op internet Berglings eerste producties gehoord en meent de ruwe diamant te kunnen slijpen tot een superster.

Dat lukt boven verwachting. In het najaar van 2011 maakt de hit Levels van Avicii een internationale ster. Zijn track Wake Me Up, volgens Incubus-gitarist Mike Einziger ‘geschreven in een half uur’, is in 2013 een monsterhit. In Nederland wordt het de bestverkochte single van dat jaar; het nummer staat 82 (!) weken in de Single Top 100. Bergling heeft talent – getuigen ook profi’s als Nile Rodgers, Wyclef Jean en Coldplay’s Chris Martin – en werkt hard voor zijn succes. Hij is constant bezig, slaat nachtrust over.

Avicii: True Stories

Het succes van Avicii reikt tot de stratosfeer. Optredens op grote festivals, blokboekingen in Las Vegas, studiotijd met beroemde muzikanten, Madonna die hem aankondigt in Miami en tournees langs zo ongeveer alle continenten. Maar dan volgt tegenslag. Bergling krijgt lichamelijke klachten (galblaas, appendix) en ligt met zijn laptop in het ziekenhuisbed te werken. Het toeren gaat hem tegenstaan, hij is niet gebouwd voor de niet aflatende werkdruk.

‘De betekenis van geld’
Het hart van de film is de strijd tussen de deejay en diens manager om controle over de loopbaan van de ster. Bergling begint langzaam iets te dagen. Hij leest de Zwitserse psycholoog Carl Jung en ontdekt dat hij introvert is; op intuïtie koest, niet volgens een plan. Hij wil minder optreden of eigenlijk helemaal niet meer. De mensen om hem heen zetten de producer in een droomvilla op Ibiza en vervolgens een strandwoning in het Californische Malibu, maar de stressklachten blijven. Avicii wil eruit. Stoppen met toeren, lekker muziek maken in de studio; met vrienden, collega’s of alleen.

‘Hij snapt de betekenis van geld niet’, zegt manager Ash over Avicii en dan weet je dat de breuk onvermijdelijk is. Bonentellers en creatievelingen leven in gescheiden werelden en op zijn zesentwintigste stapt Avicii weloverwogen uit het spotlicht. Hij ging bijna kapot aan de stress van het succes en moest vechten voor zijn vrijheid. Hij zit nu met gitaar op het strand van een paradijselijk eiland nabij Madagaskar en werkt aan zijn nieuwe album. Met Avicii komt het goed.

Avicii: True Stories

Asif Kapadia, de regisseur van de documentaire Amy over Amy Winehouse, moest het doen met home movies en via smartphone gedraaide filmbeelden. Levan Tsikurishvili is een jeugdvriend van Tim Bergling en kon de producer jarenlang van nabij volgen. Dat resulteert in een ongewoon openhartige documentaire die – anders dan Amy – eindigt met een persoonlijke triomf.

Avicii: True Stories – vernoemd naar de titels van zijn eerste twee albums, True (2013) en Stories (2015) – ging afgelopen week in wereldpremière tijdens het Amsterdam Dance Event en draait op donderdag 26 oktober wereldwijd eenmalig in de bioscoop. In Nederland is de film hier te zien. Na afloop van de documentaire wordt een concertfilm van dertig minuten over Avicii’s afscheidsoptreden op Ibiza vertoond.
 

24 oktober 2017

 

MEER RECENSIES