Family Quartet, A

*

recensie A Family Quartet

Vlekkeloos succesverhaal

door Ralph Evers

A Family Quartet volgt de vlekkeloze ontwikkeling van een nieuw viooltalent uit Nederland, genaamd Noa Wildschut. Als documentaire gaat de film mank vanwege het ontbreken van een spanningsboog. 

Noa Wildschut is geen wonderkind, zo zegt moeder in een interview. Ze is wel een zeer getalenteerde violiste die op zeer jonge leeftijd al met de grote orkesten meespeelde. We zien videobeelden, gemaakt door papa en mama, waarop een piepjonge Noa de katten uit de buurt verleidt met haar viool. Twee gedreven ouders en een oudere zus die de katten reeds de baas is. Fast forward naar haar twaalfde verjaardag horen we al helder spel en inmiddels toert ze de wereld rond en poseert ze met vele bewonderaars. 

A Family Quartet

Bevoorrecht
Nee, ze is geen wonderkind, maar een geprivilegieerd kind. Opgegroeid in een steunend, faciliterend, muzikaal (mama is vioolpedagoog, papa speelt altviool en zus Avigal speelt ook viool) en liefdevol gezin, dat het financieel breed genoeg lijkt te hebben om het maximale uit hun dochters te halen.

De film is opgedeeld in drie periodes, die gaandeweg de chronologie loslaten. Noa’s kindertijd waar ze zoekende is naar de zuivere noten. De tweede periode is rond haar twaalfde jaar waar blijkt dat ze een groot talent heeft, en dan haar zestiende jaar waar ze reeds doorgebroken is.

Zoals dat bij talent gaat is het eerder dat hetgeen je doet je bevalt en dat het vele oefenen je met gemak afgaat. We zien daar echter weinig van. Er is veel herhaling van een vlak voor de uitvoering repeterende Noa, of het gezellige gezinnetje in Zwitserland (of waar ook) en het gebrek aan drama breekt de film op. De enige tegenvaller die we te zien krijgen is een snee in haar vinger, net nu ze in Amerika mag gaan spelen. Vervelend nou! 

A Family Quartet

Spanningsboog?
Het is een wet in de (documentaire)film: zonder spanningsboog geen verhaal. We zien louter een talent in ontwikkeling, zonder grote tegenslagen, zonder grote problemen. We horen en zien Noa ofwel Paganini in verlegenheid brengen, ofwel gevoelvol haar eigen accenten aan een stuk toevoegen, maar spanning? Op de snaren en de haren van de strijkstok na, is dit de grote afwezige.

Daarbij is Noa te jong om al een persoonlijkheid te zijn (en het is maar de vraag of dat nog komt). Hoe anders was dat bij een eerdere film dit jaar over een ander groot talent, Sergei Polunin, in The Dancer. Een getormenteerde geest, een onvoorspelbare performer, die grote pieken en diepe dalen heeft gekend, het kijkt toch allemaal lekkerder weg. Ouders die alles opofferen met het risico te gronde gericht te worden, een alles of niets persoonlijkheid, een grote bek en een breekbaar hart. Drama. Meeleven! Dit grootse blijft in A Family Quartet uit. Dat is voor Noa zelf ongetwijfeld erg fijn, voor een negentig minuten durende documentaire is haar lineaire succesverhaal te weinig om te blijven boeien.
 

23 september 2017

 
MEER RECENSIES

Last Waltz, The

The Last Waltz heeft anno 2017 niets aan kracht ingeboet
Toen muziek nog uniek en oprecht was

door Cor Oliemeulen

“This film should be played loud!” Ik zal het nooit vergeten toen ik in 1978 als middelbare scholier naar de bioscoop ging en een plaatsje bemachtigde tussen overwegend oudere hippies en rockers. The Last Waltz mocht dan wel het afscheidsconcert van The Band zijn, voor mij betekende deze film de eerste kennismaking met grote muzikanten op het witte doek.

Mensen die niet zijn opgegroeid in de jaren 70 van de vorige eeuw hebben iets wezenlijks gemist. Okay, de lange haren en de te strakke terlenka broeken met wijde pijpen zagen er soms wat vaag uit. De meeste jongens rookten shag (waarin bij gelegenheid hasjiesj of wiet ging) en droegen snorren, maar ook de meeste meisjes lieten al hun lichaamshaar onberoerd.

The Last Waltz

Het was een onschuldige tijd. In de weekends en vakanties werkte ik op een groot selfservice tankstation waar je nog nooit van kogelvrij glas had gehoord. Politie en politiek straalden in de meeste gevallen nog autoriteit uit. Op maatschappelijk vlak had je democratisering en op cultureel gebied beleefde de populaire muziek zijn grootste vernieuwingen. Dat vooral hebben mensen die later zijn opgegroeid, jammerlijk gemist. Het is geenszins vreemd dat artiesten uit die periode bij leven en welzijn nog steeds optreden, want sindsdien is het meestal armoe troef.

Martin ScorseseNoord en zuid komen samen
Ik word meteen gegrepen door The Band. De charismatische frontman Robbie Robertson betreedt het podium met een flesje bier en een peuk in zijn hand. Ik hoor zijn typische tokkelende gitaargeluid, zie hoe hij zich langzaam in het zweet werkt en lach tussendoor om anekdotes over hun beginjaren als band: de worstelingen en de weg naar succes (Pas later las ik dat Robertson de film van Martin Scorsese had geproduceerd en dat enkele andere bandleden zich hadden beklaagd dat zij in de documentaire The Last Waltz minder aan bod waren gekomen). Ik hoor een mix van folk, rock, country en blues. Ik leer dat muziekstijlen van noord en zuid samenkomen, immers de band bestaat uit vier Canadezen en een Amerikaan.

Ik zie een vijftal sympathieke rasmuzikanten die spelen met hun hart. De met zijn bas (en soms viool) wiegende Rick Danko met zijn halve kopstem, de altijd lachende Richard Manuel achter de toetsen, de geniale multi-instrumentalist Garth Hudson die zijn ouders had verteld dat hij muziekleraar was (zijn collega’s van The Band vonden dat ook en betaalden hem in de beginjaren) en de enige Amerikaan in The Band, Levon Helm, de drummer, die de helft van de nummers zingt. Bijna het hele repertoire van The Band is meerstemmig. ‘The Night They Drove Old Dixy Down’ durf ik nog steeds uit volle borst mee te zingen. In de auto.

Kippenvel
Ze spelen hun eigen klassiekers en begeleiden een dozijn gastartiesten. Zoals hun eerste bandleider, rockabilly-zanger Ronnie Hawkins (The Band heette aanvankelijk The Hawks). Ik onderga vol bewondering de optredens van Dr. John, Joni Mitchell, Van Morrison, Muddy Waters, Neil Diamond en Eric Clapton. Iemand declameert beatnik-poëzie, iemand anders een alternatieve versie van het ‘Onze Vader’.

Op het moment dat Neil Young het podium betreedt, slaat even de vertwijfeling toe, ook zichtbaar bij de bandleden. De zanger lijkt compleet gedrogeerd en heeft een uitgelaten melige lach op zijn gezicht, die tijdens de slotact nog steeds niet is verdwenen. Maar nadat Neil Young zijn eerste gitaarklanken laat horen en vocaal de eerste strofe van ‘Helpless’ inzet, staat het kippenvel onmiddellijk op de armen en besef je hoe volstrekt uniek en oprecht zijn sound is.

De concertregistraties en een paar studio-opnames worden afgewisseld met korte interviews. Hoewel begonnen in 1960 ontstond pas acht jaar later hun uiteindelijke naam: The Band. Ze vertellen dat ze al een hoop namen hadden geprobeerd, maar niets viel bij hunzelf in de smaak. Aangezien de band inmiddels enkele tournees van Bob Dylan had begeleid, noemde iedereen hen simpelweg The Band.

Het afscheidsconcert (The Band noemt het liever “a celebration”) op Thanksgiving 1976 in San Francisco’s Winterland Ballroom wordt logischerwijs afgesloten met Bob Dylan. Hij was de reden dat ik destijds naar The Last Waltz ging, want hij was mijn grote held vanaf het moment dat ik de klanken en de tekst van ’Hurricane’ had gehoord. Ik kocht de elpee ‘Desire’, raakte volkomen in de ban van Bob Dylan en kocht met terugwerkende kracht al zijn albums van mijn salaris van de pomp.

De grote Bob Dylan
Ik had allang zijn ‘Hard Rain’-concert uit 1976 van het legendarische Duitse tv-programma Rockpalast op een VHS-band opgenomen en het live album van deze Bob Dylan Rolling Thunder Revue tot afgrijzen van mijn ouders knalhard grijsgedraaid, maar nu zag ik de grote Bob Dylan voor het eerst levensecht van dichtbij en in vol ornaat. Hij komt op: witte hoed met rood veertje, zwart leren jack, spijkerbroek, gitaar en mondharmonica om de nek. Hij lacht wat met zijn oude bandleden, zet in en brengt twee nummers ten gehore, waaronder ‘Forever Young’.

Nog toepasselijker is het slotakkoord met alle artiesten samen op het podium: ‘I Shall Be Released’. Bob Dylan zou doorgaan tot op de dag van vandaag, maar The Band stopt direct na deze geweldige en onvergetelijke show, bevrijd na zestien jaar bijna continu ‘On the Road’.

“There’s not much left that we really can take from the road”, bekent Robbie Robertson aan Martin Scorsese. “May be it’s superstitious, but you can press your luck. The Road has taken a lot of the great ones: Hank Williams, Buddy Holly, Otis Redding, Janis, Jimi Hendrix, Elvis… It’s a goddamn impossible way of life!“ 

The Last Waltz is de beste muziekfilm ooit gemaakt en voor mij de ultieme nostalgie.

 

21 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE

Baby Driver

****

recensie Baby Driver
In Edgar Wright’s nieuwste draait alles, maar dan ook alles om muziek

door Vincent Hoberg

Op papier lijkt het een standaard gangsterfilm vol uitgekauwde thema’s, maar schijn bedriegt. In het zeer vermakelijke Baby Driver wordt een dusdanig  perfect huwelijk tussen soundtrack en film gesmeed dat je de genreclichés met gemak vergeet.

Na het enorme succes van Pulp Fiction (1994) probeerden zoveel filmmakers mee te liften in de slipstream van de verrassingshit dat er zowaar sprake was van een ‘nieuwe’ stroming. De ingrediënten van deze Nouvelle Violence: coole gangsters, hippe dialogen boordevol referenties aan pop culture, over-the-top geweld en een soundtrack met klassieke hits.

Baby Driver

De resultaten pakten soms goed uit (met name Things to Do in Denver When You’re Dead en Boondock Saints), maar weinig regisseurs hadden de flair waarmee Quentin Tarantino zijn bekendste film zo memorabel had gemaakt, zodat het grootste deel van de films kon worden weggezet als ordinair jatwerk. De Nouvelle Violence stierf vooral daarom een betrekkelijk stille dood ergens begin deze eeuw, dus het getuigt van groot lef dat Edgar Wright met Baby Driver de stroming een dikke tien jaar later al weer nieuw leven inblaast. Maar godzijdank is Wright een van de meest originele geesten die momenteel rondloopt in filmland.

Cliché
De plot van Baby Driver is op het eerste gezicht een cliché van jewelste: ‘Crimineel wordt verliefd en wil uit het wereldje stappen, maar moet eerst nog Die Ene Laatste Klus Doen.’ Dat die klus niet zo soepel loopt als verwacht, is natuurlijk geen spoiler want we hebben het al duizend keer gezien. En Wright weet dat dondersgoed. Net als in zijn eerdere films Shaun of the Dead en Hot Fuzz rekent hij juist op onze kennis van een  bepaald filmgenre en gebruikt hij onze verwachtingen om de clichés uit te vergroten, om te keren en in te zetten voor een komisch effect, zodat we toch op het verkeerde been worden gezet.

Waar in de gebruikelijke heistfilm altijd slechts één specifiek bendelid door gestoord of agressief gedrag de zaken in het honderd stuurt (zoals Mr. Blonde in Reservoir Dogs of Waingro in Heat) hebben hier alle gangsters een lontje van een millimeter, zodat je geen idee hebt wie uiteindelijk gaat zorgen voor de onvermijdelijke gewelddadige climax. Vooral Jon Hamm (lichtjaren verwijderd van Mad Men’s Don Draper) is goed op dreef als de ogenschijnlijk vriendelijke Buddy met een enorme liefde voor het nummer Brighton Rock van Queen.

Baby Driver

Nederlands tintje
En daarmee komen we aan bij de muziek, het woord dat centraal zal gaan staan in elke recensie die over deze film geschreven gaat worden. Want wat Baby Driver zo goed maakt, is de manier waarop Wright dat allergrootste Nouvelle Violence-cliché omtovert tot een levend, ademend karakter. Waar de coole golden oldies op de soundtrack van soortgelijke films vooral dienstdeden als prettige ondersteuning van de beelden, verweeft Wright ze hier met alles wat we zien gebeuren.

Hoofdpersoon Baby (een ultrarelaxte Ansel Elgort) is in het bezit van meer iPods dan een gemiddelde Apple-winkel en hij verricht al zijn handelingen, van het besturen van vluchtauto’s tot het halen van koffie, op de klanken van een immense (en fantastische) playlist. Zelden was muziek zo integraal verbonden met de beelden van een film als hier, met als onvergetelijk hoogtepunt een achtervolging in de slotakte op de tonen van Hocus Pocus, de klassieke jodelrockstamper van Focus met vlak daarna Golden Earring’s Radar Love als extra Nederlandse muziekkers op de taart.

Het is een briljante vondst die in de handen van een mindere regisseur waarschijnlijk slecht had uitgepakt. Maar Wright krijgt het voor elkaar en weet daarnaast een volstrekt frisse en originele draai aan overbekend materiaal te geven. Baby Driver zit zo vol kinetische energie dat meerdere kijkbeurten nodig zijn om alle beeld/muziekgrapjes te kunnen ontdekken. En dat is absoluut geen straf.
 

26 juni 2017

 
MEER RECENSIES

Gimme Danger

***

recensie Gimme Danger

Verguisd maar niet vergeten

door Alfred Bos

Te zien in gelimiteerde release: het verhaal van The Stooges, de band rond Iggy Pop. Ze maakten toen geen enkele deuk, maar gelden inmiddels als de eerste punkband. Vastgelegd door Stooges-fan Jim Jarmusch.

Mooi om te zien hoe Iggy Pop (James Ostenberg, 1947) na een halve eeuw in de schaduw is uitgegroeid tot onversneden cultheld. Hij is niet uit de media weg te slaan; zijn gelooide tronie met die melancholieke blik straalt een authenticiteit uit die voor de muziekgeneratie van nu – de Justin Biebers en de Lady Gaga’s – met geen stylingrecept, tatoeëernaald of heroïnespuit valt te kopiëren. Iggy is echt. Hij heeft het leven geleefd. Kom daar maar eens om bij de jonkies.

Gimme Danger

Aldus liggen er twee recent verschenen boeken over hem in de winkel, is hij de gids in Erik Lieshouts documentaire To Stay Alive – A Method, werkt hij als acteur mee aan de nieuwe film van Terrence Malick en is er voor de ware fan een heus Iggy Pop action figure. Nu zowel Lou Reed als David Bowie rocken met de engelen, is Pop de laatste der Mohicanen, ieders favoriete rock & roll opa. Waar die platina reputatie op is gebaseerd, toont de documentaire Gimme Danger, die Iggy-fan Jim Jarmusch (Pop acteert in Dead Man en Coffee and Cigarettes) heeft gemaakt over Iggy’s eerste band-met-platencontract, The Stooges.

Nihilisme en rudimentaire rock
Net als The Velvet Underground werden The Stooges tijdens hun actieve jaren nauwelijks opgemerkt – alleen gewaardeerd door een minieme groep liefhebbers; de toen nog onbekende David Bowie was fan van beide bands – en is hun reputatie door de jaren heen langzaam gegroeid. Eerst onder muzikanten, na de reünie van 2003 ook bij het publiek.

The Velvet Underground staat inmiddels bekend als de aartsvaders van de alternatieve rock en The Stooges worden erkend als pioniers van punk. Er zijn meerdere lijnen tussen beide bands: VU-bassist John Cale produceerde het debuutalbum van The Stooges, Iggy scharrelde met VU-zangeres Nico en David Bowie produceerde zowel voormalig VU-voorman Lou Reed als Pop.

Dat debuutalbum, The Stooges uit 1969, en plaat nummer twee, Fun House van een jaar later, verkochten indertijd voor geen meter. Maar het nihilisme en de rudimentaire rock van die twee klassiek geworden albums, haaks op de hippiegeest van Woodstock, vormden midden jaren zeventig een voorname inspiratiebron voor punk: The Sex Pistols coverden de Stooges-track No Fun. Iggy is de granddaddy of punk. De complete punk en new wave-scene van New York in de jaren zeventig – New York Dolls, Patti Smith, Ramones – heeft naar The Stooges geluisterd. Ook Jim Jarmusch was fan.

Halfbakken anekdotes
En dat is misschien wel de grootste makke van Gimme Danger, Jarmusch zit zijn onderwerp te dicht op de huid. De betrokkenheid en kennis van zaken zit in ieder frame van de 108 minuten die de docu duurt. Er is echter geen kritische afstand, weinig context, geen brede visie. Jarmusch heeft ook de handicap dat zijn film eigenlijk te laat komt. Gitarist Ron Asheton is in 2009 overleden, toen zijn reputatie dankzij de groepsreünie van 2003 was gezet. Jarmusch was nog net op tijd om drummer Scott Asheton (overleden in 2014) en saxofonist Steve Mackay (overleden in 2015) voor de camera te halen.

Gimme Danger

Als overlever lijkt Pop onthecht en niet wezenlijk geïnteresseerd in een evaluatie van zijn jeugdwerk; hij beperkt zich tot een paar halfbakken anekdotes. Wat ook niet helpt is dat The Stooges in hun klassieke bezetting maar twee platen hebben gemaakt; de versie met James Williamson op gitaar steekt bleekjes af tegen The Stooges van hun debuutplaat en Fun House. Er is dus niet zo heel veel te vertellen. Bovendien is beeldmateriaal van toen schaars en hebben de nog levende bandleden weinig te melden. Het verhaal van The Stooges, hun belang en waarom ze zo lang zijn genegeerd, vraagt om een bredere aanpak.

Persoonlijke moed
Dat neemt allemaal niet weg dat Gimme Danger de ware fans zal plezieren, want iedere snipper info over de legendarisch maar lang ondergerapporteerde band is een te koesteren kleinood. Hoe diep de liefde bij die fans zit, illustreert een persoonlijke anekdote. In de winter van 1985, het zal eind februari geweest zijn, speelde de Schotse band The Jesus & Mary Chain hun Nederlandse debuutconcert in De Melkweg te Amsterdam. Na afloop gingen we bij mij thuis bier drinken en muziek luisteren. De eerste plaat die drummer Bobby Gillespie uit de kast trok was—Fun House.

Maar bovenal is Gimme Danger het best denkbare complement van To Stay Alive, de documentaire van Erik Lieshout over persoonlijke moed en de helende kracht van kunst. Kijken dus.
 

15 maart 2017

 
MEER RECENSIES

La La Land

*****

recensie La La Land

Kerstfilm zonder kerstboom

door Alfred Bos

In zijn tweede grote speelfilm spot de pas 31-jarige regisseur Damian Chazelle (bekend van Whiplash) met de marketingwetten van Hollywood en triomfeert middels een schaamteloos romantische ode aan de wensdroom. Na de western is ook de musical terug.

La La Land is het soort film waar Hollywood ooit sterk in was maar al lang niet meer maakt, het bitterzoete feelgood-sprookje met musicalelementen. Denk aan klassiekers als Singin’ in the Rain en The Wizard of Oz, maar dan in een eigentijdse variant.

Sebastian (Ryan Gosling) en Mia (Emma Stone) zijn het perfecte koppel, alleen weten ze dat zelf nog niet wanneer de film opent. Ze staan in een immense file op de LA Freeway. Hij is jazzpianist en financieel aan de grond, nadat zijn zakenpartner hem een loer heeft gedraaid. Zij is aspirant-actrice en verdient de kost in een koffiehuis op het terrein van een filmstudio.

La La Land

Die openingsscène toont zonder aplomb en met achteloze overmacht de ambities die regisseur en scenarist Damian Chazelle met zijn tweede grote speelfilm uitspeelt. Het is een grandioos musicalspektakel op de brug van een snelweg, een originele setting voor originele choreografie en spitse vondsten, vol dans en dynamiek, in één lang tracking-shot van zo’n vier minuten. Halleluja, dat is nog eens een binnenkomer.

Menselijke maat
Uiteraard zien we uitsluitend jonge, mooie en blije mensen in die spetterende proloog, want dit is Hollywood, de droomfabriek die de verbeelding van de consument faciliteert—en vormt. Ook de twee uur die daar op volgen spelen zich af in de Hollywoodse filterbubbel van materieel succes en emotionele armoede, maar de film verliest nimmer de menselijke maat uit het oog. Mia en Seb vinden elkaar, verliezen elkaar en vinden elkaar weer terug. Maar niet heus. Of toch wel?

Keurig opgedeeld in vijf bedrijven als was het een klassiek drama, toont La La Land de Werdegang van de liefde, en het leven. Het is winter in LA wanneer Sebastian en Mia na die eerste ontmoeting in de file elkaar opnieuw tegen het lijf lopen, en het is lente wanneer na de derde toevallige ontmoeting de eerste vonk overspringt. Dat wordt gevierd met een zwierig dansstukje in de heuvels van Hollywood.

Bedrijf drie (zomer) toont de gloriedagen van de affaire. Mia slaagt erin haar acteeraspiraties te realiseren en wordt een vedette. Sebastiaan slaagt niet in zijn droom, een eigen jazzclub, SEB’s, doch vindt emplooi in de succesvolle popband van een voormalige studiegenoot (John Legend). Maar in bedrijf vier (herfst) gaat het toch mis. Wat is belangrijker, materieel succes of emotionele voldoening? Het leven draait om keuzes en in dat opzicht is La La Land het volkomen tegendeel van Tom Fords Nocturnal Animals.

Prominente rol muziek
Regisseur Chazelle, nog maar 31 jaren jong, strooit met verwijzingen naar het klassieke Hollywood en de jazzlegendes van toen (we zien onder meer John Coltrane en Bill Evans). De musicalscènes zijn voortreffelijk getimed en passen naadloos in het verhaal, zelfs – of juist – als Mia en Seb letterlijk dansen tussen de sterren. De muziek speelt, net als in zijn eerste grote film Whiplash en zijn bescheiden debuut Guy and Madeline on a Park Bench (een musical gedraaid toen hij 23 was), een prominente, zelfs sturende rol.

Die menselijke maat, de rol van schoonheid in de levens van de hoofdpersonen, hun creatieve aspiraties en vooral ook de speelse, gevatte humor en spitse dialogen maken dat La La Land bij tijd en wijle voor een Woody Allen-film kan doorgaan. Helemaal wanneer in het slotbedrijf, dat vijf jaar na de affaire speelt, wensdroom en werkelijkheid schitterend door elkaar gaan lopen, culminerend in een epiloog die een musicalscène biedt zoals Hollywood die deze eeuw nog niet heeft geproduceerd.

In La La Land is het leven ironisch, niet cynisch. Heerlijke film, deze onbeschaamd romantische ode aan de droom en de verbeelding. Het is een kerstfilm zonder kerstboom, een amandelkransje voor de feestdagen. Of eigenlijk alle dagen.
 

20 december 2016

 
MEER RECENSIES

Beatles: Eight Days a Week

***

recensie The Beatles: Eight Days a Week
Fab Four als het oog van de orkaan

door Alfred Bos

Regisseur Ron Howard heeft zijn documentaire over de jaren van de Beatlemania en het Fab Fours baanbrekende succes in Amerika met veel respect en vakmanschap samengesteld, meer kun je niet vragen.

De Fab Four hadden er in 1995, toen de onder hun supervisie samengestelde, officiële groepsgeschiedenis The Beatles Anthology op acht videobanden (later vijf dvd’s) verscheen, maar liefst dik elf uur (672 minuten) voor nodig. Regisseur Ron Howard doet het in twee uur en een kwartier, maar die vertelt niet het hele verhaal van het kwartet uit Liverpool. Eight Days A Week, ondertitel The Touring Years, beperkt zich tot de periode van de Beatlemania, 1963 tot 1966, de jaren van snelle artistieke groei en hysterische adoratie.

Recensie: The Beatles: Eight Days a Week

Dus geen aanloop, 1957 tot 1962: The Quarrymen, Hamburg, de eerste single Love Me Do. En ook geen glijvlucht naar aarde, met harde landing, 1967 tot 1969: het overlijden van manager Brian Epstein, het fiasco van de Apple-winkel, de onderlinge ruzies en de breuk van Paul McCartney met de rest. Ron Howard richt zich op het hart van het Beatles-verhaal, toen John, Paul, George & Ringo met hun humorvolle bravoure en muzikale talent als een tornado het stof van de jaren vijftig wegbliezen. De sixties waren begonnen! Een nieuwe wereld daagt!

Culturele kracht
Het doet mogelijk een beetje onderkoeld aan in een wereld die bol staat van de bluf en de hype, maar het verhaal – al is het vaker en voor sommigen tot in den treure verteld – blijft spectaculair. Met de wijsheid van de terugblik valt op hoe gelukkig hun timing was. De combinatie van een generatie van naar verandering hunkerende tieners – de babyboomers, talrijk in aantal, beter opgeleid dan hun ouders – en de welvaart van de verzorgingsstaat hadden de Fab Four, na de tweede single Please Please Me uit de Siberisch koude winter van 1963 en hun eerste nummer 1-hit, in thuisland Engeland in recordtijd doen uitgroeien tot een een culturele kracht zonder precedent.

Howards documentaire opent in oktober 1963, de maand waarin het viertal in de London Palladium optrad voor een koninklijk publiek, de bevestiging van hun overrompelende triomf. Engeland, inclusief koningin Elizabeth, ligt aan hun voeten, nu de rest van de wereld. Wanneer ze op vrijdag 7 februari 1964 op Kennedy Airport in New York landen, stappen ze in een warm bad. Amerika is overgretig om het nationale trauma van de moord op president JFK af te schudden en het massamedium televisie fungeert als rode loper naar het hart van de Amerikanen, en niet alleen de babyboomers. De hele natie is van hen gecharmeerd.

Pioniers
De film vertelt niets nieuws en Howard maakt gebruik van de historische beelden die al vele malen eerder, ook in The Beatles Anthology, zijn vertoond en dus overbekend zijn, aangevuld met recente, eigen interviews met de twee nog levende ex-Beatles, Paul McCartney en Ringo Starr. In dat opzicht valt er weinig eer te behalen. Maar hij voegt een eigen accent toe: het weergaloze succes van de Fab Four in Amerika – hun tv-debuut tijdens de Ed Sullivan Show van 9 februari 1964 is met 73 miljoen kijkers het best bekeken tv-programma uit de Amerikaanse mediageschiedenis – is het begin van een internationale jeugdcultuur die nog altijd, zij het in een doorgeëvolueerde vorm, bestaat. Ook in dat opzicht overvleugelden ze Elvis Presley.

Recensie: The Beatles: Eight Days a Week

The Beatles pionierden de muziekcultuur zoals we die nog steeds kennen. De onmatige aandacht van de media, de hypes rond uit hun verband gerukte uitspraken, de stadionconcerten – geen PA bij hun optreden in het New Yorkse Shea honkbalstadion van 15 augustus 1965, het geluid kwam uit de omroepspeakers – en niet te vergeten, de merchandising. Ze schreven niet alleen geschiedenis, ze máákten die ook.

Euforie verlept
In de zomer van 1966 sloeg de euforie razendsnel om in een kater. Toen The Beatles op maandag 29 augustus van dat jaar voor het laatst optraden, in het Candlestick Park in San Francisco, was dat het begin van het einde: op 27 augustus 1967 overleed Brian Epstein plotseling.

In de tussenliggende maanden maakten ze Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, door het Amerikaanse tijdschrift Rolling Stone uitgeroepen tot het beste album aller tijden (maar de rest van de wereld weet beter).

Ze speelden nadien nog één keer in het openbaar, op donderdag 30 januari 1969, op het dak van hun Apple-kantoor in Saville Row, Londen. Het miste de magie van die drie knotsgekke, manische, totaal waanzinnige jaren in het oog van de orkaan waarin, voor even, de aarde leek te kantelen.
 

15 oktober 2016

 

MEER RECENSIES

Oasis: Supersonic

**

recensie Oasis: Supersonic

Nageboorte van John Lennon?
Definitely not.

door Alfred Bos

Hoe twee broers uit Manchester, de een een fantast en de ander een crypto-criminele hooligan, dankzij de borstklopperij van de Britse muziekpers uitgroeiden tot de meest overschatte band uit de muziekgeschiedenis.

Zelf noemen ze zich Abel en Kabel, naar de zonen van Adam en Eva. De Gallagher-broers, Noel de oudste (eigenlijk middelste) en Liam de jongste, kennen hun bijbel. Zelf schreven ze het nieuwe testament van de Britse popmuziek, de nabrander van een roemrijke traditie die midden jaren negentig als Britpop bekend is geworden. Het was de laatste hoezee van een popnatie in verval. Hun eerste langspeler Definitely Maybe (1994) werd het snelst verkopende debuutalbum uit de Engelse pophistorie.

Oasis: Supersonic

Oasis werd wereldberoemd in Engeland en Japan. Daarbuiten, Amerika voorop, was de ontvangst een stuk koeler. Omhoog geschreven door de Britse pers werd het vijftal het boegbeeld van Britpop, de Engelse reactie op de Amerikaanse grunge van Nirvana en Pearl Jam die begin jaren negentig domineerde. De mannen zelf gingen in al die hijgerige bijval geloven en waanden zich de evenknie van The Beatles en Elvis. Sla er het MOJO-interview van november 2007 op na.

Van de vier klassieke Britpop bands – Blur, Pulp, Suede en Oasis – had het vijftal uit Manchester als enige een groepsnaam met drie lettergrepen maar was veruit het minst bedeeld met rekenkracht, zoals de twee uur durende documentaire, door regisseur Mat Whitecross samengesteld uit het beeldarchief van de broers, overvloedig laat zien. Het is één lange litanie van grofheden en hooligangedrag, gepunctueerd door de zelfmythologiserende opmerkingen van Noel, de songschrijver en intellectueel van de band. Die ziet Oasis als de laatste grote Engelse rockband in een traditie die door internet kapot is gemaakt. Hij vergeet gemakshalve Muse.

Het is de schuld van de roadies
De door de broers gefinancierde documentaire concentreert zich op de eerste vijf jaar van de band, van de oefenruimte en het eerste publieke optreden (Boardwalk, Manchester, 18 augustus 1991) tot de optredens van 10 en 11 augustus 1996 op het festivalterrein van Knebworth voor in totaal een kwart miljoen mensen. Over de gretige zelfmedicatie en bijkomend zelfdestructief gedrag is men open, zelfs trots. Dat een cruciaal optreden in Los Angeles werd verknald door onprofessioneel gedrag, lag volgens Noel niet aan de muzikanten (high op meth), maar aan de roadies. ‘We hadden allemaal een andere setlist.’

Supersonic bevestigt de Oasis-mythe, met uitsluiting van alles wat niet strookt met het geïnflateerde zelfbeeld van de broers. De door de Engelse pers opgeklopte tweestrijd tussen de groep en hun tegenbeeld Blur (Manchester versus Londen, working class versus middleclass, lagere school versus kunstacademie) culmineerde in augustus 1995 in een heuse mediahype, the Battle of Britpop. Beide bands brachten in dezelfde week een nieuwe single uit, welke zou dat weekeinde de hitlijsten aanvoeren? Het werd Blurs Country House. De documentaire gaat aan het vermaarde voorval voorbij.

Ook de kwesties rond plagiaat blijven onbelicht. Bij single nummer drie, Shaker Maker, was het al raak en er zouden meerdere volgen. Noel Gallagher ziet zichzelf als een songschrijver van het kaliber Burt Bacharach, maar speelt leentjebuur bij zijn voorbeelden. Hij staat paf van zijn eigen genie.

Oasis: Supersonic

Het is de schuld van de muziekindustrie
Twee uur doorbrengen met de Lombroso-koppen van de Gallaghers en hun rockclichés is vermoeiend, niet in het minst omdat ze zowel verbaal als muzikaal maar één register kennen: bluf. Zelf zien ze zich als de geniale nageboorte van John Lennon, maar als we dan toch naar de jaren zestig moeten verwijzen komen eerder de ruziënde broers Ray en Dave Davies van The Kinks op het netvlies. En, zo leert Supersonic ten overvloede, eigenlijk is Oasis de reïncarnatie van jaren zestig band The Troggs, die van Wild Thing, in muzikantenkringen legendarisch vanwege hun onnavolgbare studioruzies, befaamd geworden als de Troggs Tapes.

Gelukkig valt er af en toe ook nog wat te lachen. Hilarisch is het verhaal van hun eerste concert buiten Engeland, in de Amsterdamse Melkweg. Voor ze afreizen op hun eerste buitenlandse tripje slaan de mannen een voorraad drugs in en maken het op de veerboot zo bont dat Liam wordt gearresteerd. Geen optreden in Amsterdam, waar – maar dat hadden de Gallaghers niet begrepen – de drugs aan de struiken groeien.

Supersonic, vernoemd naar de eerste Oasis-single, staakt het verhaal na de triomf van Knebworth. De lol was er al eerder vanaf, zo onthullen de broers: de managers en professionals van de muziekindustrie hadden de chaos gekanaliseerd. Kosmische eigendunk en een selectief geheugen maken van Supersonic een eenzijdige documentaire die grenst aan geschiedvervalsing.
 

3 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Janis: Little Girl Blue

****

recensie  Janis: Little Girl Blue

Vrije geest op zoek naar liefde

door Alfred Bos

Na meer experimentele filmportretten over Kurt Cobain en Amy Winehouse weet de documentaire Janis: Little Girl Blue, over jaren zestig-zangeres Janis Joplin, met traditionele middelen te overtuigen. Het slaat Howard Alks Janis uit 1974 op psychologie en context.

Janis Joplin rebelleerde haar leven lang tegen het milieu van haar jeugd, maar ze schreef ook trouw brieven aan haar ouders. Daar maakt documentairemaker Amy Berg dankbaar gebruik van in Janis: Little Girl Blue, haar portret van de Texaanse rhythm & blueszangeres, gemaakt voor de reeks American Masters van de publieke omroep in Amerika. De citaten uit brieven aan familie en vrienden, in voice-overs van zangeres Cat Powers, geeft de biografie een persoonlijke, zelfs intieme stem.

Het maakt het verhaal van Janis Joplin nog schrijnender dan het al is. In 1943 geboren als oudste kind van een oerconservatief gezin (vader ingenieur, moeder huisvrouw) was Joplin van jongs af aan onzeker over haar fysieke verschijning. Daarnaast voelde ze zich onbegrepen, niet alleen door haar ouders. Haar vrije geest vond geen weerklank in de conformistische wereld van haar geboorteplaats, de oliehaven Port Arthur, een provinciestadje in Texas, kleiner dan Hilversum. Ze werd een dwarskop met een negatief zelfbeeld, bijna wanhopig op zoek naar acceptatie en liefde.

Janis: Little Girl Blue

Psychedelische revolutie
Die vond ze, na enkele valse starts in Austin en North Beach, Californië, in het embryonale hippiemilieu van San Francisco, waar in 1965 de tegencultuur van beatniks en folkies op het punt stond te ontbotten tot wat een culturele schokgolf bleek te zijn, de psychedelische revolutie. Joplin voelde zich als in vis in het water in die omgeving van artistieke bohemiens, gelijkgestemde zielen die haar persoonlijkheid en talent met open armen ontvingen. Het podium was haar thuis, het applaus zalf voor een afgewezen ziel. Maar ze bleef een gekwetst kind, buiten het toneel had ze constant bevestiging nodig.

Het was te danken aan haar wilskracht dat Big Brother and the Holding Company niet één, maar tweemaal optrad tijdens het Monterey Festival van juni 1967. De band weigerde filmmaker D.A. Pennebaker aanvankelijk toestemming om hun concert vast te leggen. Joplin begreep de monumentale domheid van die beslissing en drukte een herkansing door. Het werd haar doorbraak. Berg toont Pennebakers beelden van haar spraakmakende vertolking van Big Mama Thorntons ‘Ball and Chain’ en de verblufte reactie op het gezicht van Mama Cass. Clive Davis, directeur van platenmaatschappij Columbia (CBS), stond erbij en contracteerde haar ter plekke.

Psychologisch portret
Bergs film heeft ook aandacht voor de muzikale ontwikkeling van Joplin. Eerste inspiratiebron Odetta, grote voorbeeld Otis Redding, het amateurisme van de Holding Company (onthullende beelden uit de opnamestudio), de door manager Albert Grossman (tevens zakelijk begeleider van Bob Dylan) ingegeven beslissing om als soloartiest verder te gaan, Joplins onvermogen om een band te leiden en de artistieke (en commerciële) triomf van het posthuum verschenen solo-album Pearl—het komt allemaal in ruim honderd minuten langs, maar het psychologische portret blijft centraal staan.

Zelfs toen ze, 24 jaar oud inmiddels, een held was in de scene van San Francisco meenden haar ouders haar te kunnen en moeten corrigeren. Dat onbegrip voor de opvattingen van de jonge generatie was typerend voor de jaren zestig, maar in Joplins geval is het extra wrang. Drank en heroïne moesten het gebrek aan liefde compenseren.

Janis: Little Girl Blue

Tragisch ongeluk
Ze kickte af, vond op het strand van Rio de Janeiro een (Amerikaanse) vriend, werkte met vermaard producer Paul Rothchild (The Doors en vele anderen) aan haar eerste solo-album en overleed op 4 oktober 1970 op een hotelkamer in Los Angeles aan een overdosis, of eigenlijk, aan eenzaamheid. Het was een tragisch ongeluk, zoals de film subtiel duidelijk maakt. Wat de film niet vertelt is dat er diezelfde week in LA nog een handvol heroïnedoden vielen, allemaal afnemers van dezelfde dealer.

Berg heeft zo ongeveer alle belangrijke en nog levende personen uit het korte leven van Joplin sprekend voor de camera gekregen. De belangrijkste bijdrage komt van Joplins jongere zus Laura, die de beste Joplin-biografie – Love, Janis uit 2005 – heeft geschreven; er zijn er inmiddels vier. Een andere biograaf, John Byrne Cooke, komt ook aan het woord. Puttend uit het omvangrijke archief van beeldmateriaal over Joplin en voorzien van commentaar door een stoet van muzikanten, voormalige minnaars (zowel vrouw als man, waaronder Dick Cavett) en vrienden uit alle fasen van haar leven weet Janis: Little Girl Blue te raken. Het moet een leuk mens zijn geweest. Ze had beter verdiend.

 

18 januari 2016

 

ALLE RECENSIES

IDFA 2015 – Deel 4

Deel 4: De kracht van muziek

door Suzan Groothuis

Hoe traditionele Pakistaanse muziek een verbintenis aangaat met jazz, we een inkijkje krijgen in het leven en de carrière van Neerlands trots Boudewijn de Groot, Janis Joplin ons terugvoert naar de ‘60s en de eigengereide Hot Sugar de invloed van omgevingsgeluid op zijn muziek laat zien. 

Lahore was ooit een bloeiend muzikaal mekka voor traditionele Pakistaanse muziek. Maar na de intrede van het streng-islamitisch regime in de jaren 70 was het voorbij. Gelukkig zijn er nog muzikanten hun muziek trouw gebleven, maar anno nu is de vraag of er überhaupt nog publiek voor is.

Song of Lahore

Passie voor tradities
Pakistaanse pop overheerst en daarbij is het lastig om aan traditionele instrumenten te komen. Waar vind je nog een fluitenmaker? Toch geven de leden van het kleine orkest niet op en bedenken ze in hun speciaal opgerichte studio Sachel hoe ze een breder publiek kunnen aanboren. Studiobaas Izzat Majid lijkt het antwoord gevonden te hebben: met hun traditionele instrumenten jazz een nieuw leven inblazen! En zo geschiedde een geheel eigen draai aan Dave Brubecks Take Five. Hier de bijzondere uitvoering van deze jazzklassieker.

Hun opname belandt op YouTube en wordt opgepikt door vooraanstaand jazzmusicus Wynton Marsalis in de Verenigde Staten. Het orkest krijgt een uitnodiging om op te treden in het Jazz at Lincoln Center in New York. Nauwgezet zijn de repetities voorafgaand aan de grote avond in beeld gebracht, wat de vraag oproept of het Pakistaanse orkest wel klaar is voor deze stap. De documentaire houdt de kijker tot aan het zenuwslopende concert in de greep. Mooi is ook de passie van de verschillende muzikanten, die allemaal zo hun eigen redenen hebben om hun muziek in stand te houden en over te brengen. Song of Lahore van Andy Schocken en Sharmeen Obaid-Chinoy is zo’n pareltje waarbij je met een warm gevoel en een nieuwe muzikale ontdekking de zaal uitloopt.

Boudewijn de Groot - Come Closer

Een blik op Boudewijn
Een film maken over de Nederlandse muzikant Boudewijn de Groot is geen gemakkelijke opgave. De zanger, die in 1966 debuteerde met zijn gelijknamige album, is namelijk een gesloten boek. Zoon Jim zegt het ad rem aan het begin van de film: Om Boudewijn te leren kennen, kan je beter geen film over Boudewijn maken. Toch lukt het documentairemaker Suzanne Raes om een mooi portret van de man neer te zetten. Niet door op Boudewijn zelf te focussen, maar op zijn drie kinderen en zijn vrienden.

In Boudewijn de Groot – Come Closer zien we in chronologische volgorde hoe zijn carrière vorm kreeg. Samen met tekstschrijver Lennaert Nijgh maakte Boudewijn de Groot zijn eerste platen, waar hits als ‘Welterusten, meneer de president’ en ‘Het Land van Maas en Waal’ uit voortkwamen. Met ‘Welterusten, meneer de president’ kreeg De Groot de reputatie van protestzanger, al stond hij daar zelf ambivalent tegenover.

Hoewel ze vrienden blijven, gaan Nijgh en De Groot beroepsmatig een tijdje uit elkaar, wat onder meer leidt tot een mislukt Engelstalig project van De Groot. Ondertussen zien we ook hoe het Boudewijn als familieman verging: twee huwelijken en drie kinderen verder lijkt hij zijn vrijheid in zijn muziek te willen beproeven. Omdat Jim zijn vader zo weinig zag, heeft hij een deel van zijn vaderschap via zijn vinylplaten tot hem genomen. Ook dochter Caya heeft gemengde gevoelens: “De melodieën die hij schrijft zijn zo warm en dat strookt niet altijd met de man die je ziet.”

Muzikant Henny Vrienten, die Boudewijn al jaren kent, noemt hem een goede vriend, maar of dat wederzijds is zou hij niet zo snel kunnen zeggen. Voor familie en vrienden is Boudewijn eveneens een mysterie, maar toch vervalt de documentaire niet in teveel afstand of feitjes. De Groots laatste optreden, waarin hij afscheid neemt van zijn 50-jarige carrière, en het lied ‘Kom Nader’, dat hij over zijn vader zingt, geven op subtiele en verrassende wijze meer prijs. Raes levert zo een evenwichtig portret, waarin zijn oeuvre en onpeilbare persoon mooi samenkomen.

Janis: Little Girl Blue

Muzikale verlossing
Hoe populair Janis Joplin nog steeds is blijkt wel uit de reeks uitverkochte voorstellingen van deze vertoning over haar leven en haar muziek. Janis: Little Girl Blue is een conventionele, maar degelijke documentaire over de opkomst en ondergang van de blueslegende. Joplin, opgegroeid in het conservatieve Port Arthur (Texas), liet al op jonge leeftijd zien een outsider te zijn. Zo wordt ze ook omschreven door talking heads als familie en vrienden. In muziek vond ze uiteindelijk haar uitlaatklep, geïnspireerd door blueszangeressen als Bessie Smith. Joplin vertrok uit haar geboortestad, om in San Francisco naam te maken met de psychedelische band Big Brother & The Holding Company.

Via archiefbeelden, interviews en brieven die Joplin aan haar familie schreef (mooi verwoord door zangeres Cat Power) zien we hoe zij uitgroeit tot excessief podiumbeest. Maar ook de keerzijde van de roem wordt getoond: Janis’ immense onzekerheid en gevoeligheid tonen een kwetsbaar persoon die de druk naarmate zij meer succesvol werd niet aankon. Dit leidde in 1970 tot haar dood ten gevolge van een heroïne-overdosis. Natuurlijk weet je als kijker hoe het afloopt, maar Little Girl Blue laat niet onberoerd door te focussen op de pure, eerlijke persoon van Joplin. En laat je achter met de vraag hoe ver ze was gekomen als ze niet tot die beroemde 27 club  behoord had.

Hot Sugar’s Cold World

Immense geluidswereld
Hot Sugar aka Nick Koenig is een artiest die zich heeft gericht op het unieke spectrum van omgevingsgeluid. Met zijn recorder legt hij alles vast wat geluid oplevert of wat geluid kan produceren. Je kan het zo gek niet bedenken: bakstenen op straat, verkeer, schedels in de tombes van Parijs en stiltes van kamers. Ieder geluid klinkt anders, zo leren we van Nick, die iedere dag weer een uitdaging zoekt om nieuwe geluiden op te nemen. Wat hij vastlegt, tovert hij om in zijn minimale, trippy tracks.

Van de persoon Nick Koenig komen we in de documentaire Hot Sugar’s Cold World van Adam Bhala Lough weinig te weten, buiten dat hij een wat wazig figuur is. Dag in dag uit loopt hij met zijn recorder rond om geluiden te vangen. We zien wel hoe de relatie met zijn vriendin Kitty – ook actief in de muziekwereld – strandt, wat verder niet van grote impact lijkt op de man en zijn kunsten. Een wat afstandelijk, doch boeiend portret van iemand die gedreven en geïnspireerd geluiden onderzoekt, interpreteert en tot een muzikaal kunstwerkje maakt. Wacht maar af, de nieuwste ontdekking van de toonaangevende muzieksite Pitchfork?

 

29 november 2015

 

DEEL 1: De kleurrijke werkelijkheid van Errol Morris

DEEL 2: Mensen die hun nek uitsteken

DEEL 3: Pijnpunten, moed en humor als wapen

DEEL 5: Van zwarte panters tot huiveringwekkende nachtmerries 

DEEL 6: Het goede voorbeeld en Hollands leedvermaak

Youth

*****

recensie  Youth

Een symfonie van koekoeksklokken

door Alfred Bos

De Italiaanse regisseur Paolo Sorrentino groeit uit tot een Europees filmauteur van formaat, schepper van een eigen universum. In Youth staat dat universum in de Zwitserse Alpen, waar een gepensioneerde dirigent en een bejaarde regisseur zich druk maken over hun ochtendplas. Fellini’s 8½ voor de nieuwe generatie.

Paolo Sorrentino is een rebel. ‘Intellectuelen hebben geen smaak’, legt hij Fred Ballinger, een van de twee protagonisten van zijn zevende speelfilm Youth (La giovinezza), in de mond en dat is weer een citaat van Igor Stravinsky, maar Sorrentino zegt het eigenlijk zelf. Youth is, net als zijn voorlaatste film, de arthouse-hit La grande bellezza, een dikke vinger naar de bourgeois en hun verstikkende conformisme over wat goed dan wel fout is. Intellectuelen hebben hun kritisch vermogen geofferd voor een veilige plek in de maatschappelijke pikorde en Sorrentino schopt ze met sardonisch genoegen uit hun comfortzone.

Recensie Youth

Youth telt niet één (zoals La grande bellezza en Sorrentino’s voorvoorlaatste, This Must Be the Place, zijn eerste Engelstalige film) maar twee ontheemde kunstenaars als hoofdpersoon. Gepensioneerd componist en dirigent Fred Ballinger (Michael Caine) ondergaat zijn jaarlijkse medische keuring in een Zwitsers sanatorium. Daar verkeert hij met jeugdvriend Mick Boyle (Harvey Keitel), een regisseur die in gezelschap van een groepje creatieve baarden werkt aan het draaiboek van zijn afscheidsfilm. De Amerikaanse acteur Jimmy Tree (Paul Dano) bereidt zich tussen de bergen voor op zijn rol in een Duitse productie.

Vermoeide levenswijsheid
Ballingers dochter en persoonlijke assistent Lena (Rachel Weisz) houdt hem gezelschap in het geïsoleerde universum van het sanatorium. Dat is bevolkt met excentrieke karakters, waaronder een wereldberoemde ex-voetballer die moeiteloos een tennisbal hoog houdt en de kersverse Miss Universe die even intelligent als mooi blijkt te zijn. In zijn gedachten en dromen verkeert Ballinger echter in Venetië – symbool van schoonheid in verval – waar zijn vrouw, een operazangeres, verblijft in een rusthuis. Ballinger is het toonbeeld van vermoeide levenswijsheid. Hij is apathisch, waar jeugdvriend Mick nog bruist van creatieve energie.

Er zijn veel overeenkomsten, qua thematiek, toon en verbeelding, tussen Youth en La grande bellezza, maar belangrijker is het verschil. Youth is meer verstild van toon: een in zichzelf gekeerd rusthuis tegenover de exuberantie van Rome. Dat geldt ook voor de geluidsband, die naast omgevingsgeluid voornamelijk uit eigentijdse muziek van David Lang bestaat, al veroorlooft Sorrentino zich een grap – vergelijkbaar met de cameo van David Byrne in This Must Be the Place – met een videoclip van de Britse zangeres Paloma Faith, die zichzelf speelt als nieuwe vriendin van Boyle’s zoon. Grandioos is het geluidsspel met drie Zwitserse clichés: we horen symfonieën van koebellen, waldhoorns en koekoeksklokken.

Recensie Youth

Vileine humor
Youth is ook strakker van script dan Sorrentino’s voorgaande films. Er is een plot en een ontknoping, met tegengestelde afloop voor beide hoofdpersonages. Onthechting en je schikken in het onvermijdelijke leveren weliswaar evenveel verdriet, maar minder drama of brokken op dan energiek je dromen najagen. Het contrast tussen de dirigent en de regisseur blijkt ook uit de verbluffend gevisualiseerde droomscènes waarin beider angsten tot leven komen. Een andere bron van spanning is de tegenstelling tussen kunst (opera) en vermaak (het nachtclubvertier in het sanatorium, Paloma Faith). Een derde die tussen woorden en lichaamstaal. Een vierde, jeugd versus ouderdom. Die rijke melange is gezouten met droge, soms vileine humor.

Met Youth toont Sorrentino dat La grande bellezza geen toevalstreffer was. Hij heeft een eigen, unieke en vaak schitterende beeldtaal en een eigen, scherp ironische stem die hij steeds duidelijker laat doorklinken in de bijtende monologen van zijn personages (deze film telt er meer dan één). Hij plaatst de vluchtigheid van de populaire cultuur tegenover de blijvende schoonheid van de traditie – naast Stravinksy wordt de Duitse Romantische dichter Novalis aangehaald – en bouwt aan een eigen universum dat geregeld, à la Fellini, naar zichzelf verwijst. Ook Youth is een spel met verbeelding: ‘Tv is de toekomst’, zegt de fictieve filmregisseur Boyle. De echte regisseur werkt inmiddels aan een tv-serie.

 

26 oktober 2015

 
ALLE RECENSIES