Midsommar

****
recensie Midsommar

Onheilspellende verlossing

door Suzan Groothuis

Na ​Hereditary​ is regisseur Ari Aster terug met ​Midsommar. Een film die duidelijk de sfeer van zijn voorganger ademt, met terugkerende thematiek: hoe verwerk je trauma? Ditmaal speelt zijn film in een zonovergoten Zweden, in een gemeenschap die aan midzomerse tradities doet. Maar onder het kleurrijke palet dat ​Midsommar​ rijk is, gaat een duistere nachtmerrie schuil.

Er ging flink wat buzz vooraf aan Asters speelfilmdebuut ​Hereditary: ​“Engste film ooit!”, kopten de media. Of dat waar is, valt te betwisten, maar Asters horror maakte indruk. Een langzame, trefzekere stijl, met veel oog voor beeld en detail. Als je goed oplette, kon je in decors prospecties zien – duistere aanwijzingen van wat komen ging. En bovenal maakte een etterende naarheid zich meester van de kijker. Want hoeveel trauma kan een mens aan?

Nu is er ​Midsommar, een zogeheten breakup movie. Persoonlijke omstandigheden inspireerden Aster tot het maken van een relatiedrama. Maar​ Midsommar​ is meer dan dat; onderliggend trauma vormt, net als in ​Hereditary,​ het uitgangspunt. Met de opening zet Aster direct de toon. De jonge Dani (een uitstekende Florence Pugh, die eerder overtuigde in haar manipulerende rol in ​Lady Macbeth) leest verontrustende berichten van haar bipolaire zusje op Facebook. Haar alertheid is gewekt. Haar zusje wil er niet meer zijn. Haar vriend Christian doet het af als aandacht zoeken. En zijn vrienden vinden duidelijk iets van de claimende Dani. Maak het uit, is hun advies.

Midsommar

Groot trauma
Zover komt het niet. Want, en daar is het een Aster-film voor, er dient zich groot trauma aan. Een uiterst beklemmende en hartverscheurende scène toont hoe Dani’s wereld in een klap verandert. Ze zoekt houvast bij haar wankele relatie, met een vriend die er maar half voor haar is. Wanneer uitkomt dat hij plannen heeft om met zijn studievrienden naar Zweden te gaan, lijkt de breakup nabij. Maar Christian kan niet de relatie beëindigen. Niet onder de omstandigheden die zijn voorgevallen. Dus hij ziet maar één uitweg: Dani meevragen.

En zo geschiedde: het koppel gaat met Christians vrienden naar een afgelegen gemeenschap in Zweden die aan midzomerse tradities doet. Vriend Pelle is er opgegroeid en wil zijn Amerikaanse vrienden iets unieks laten zien. Precies tijdens hun komst viert de gemeenschap feest, een spektakel dat zich eens in de negentig jaar voordoet.

Wat begint als een idyllische zomertrip, mondt uit – uiterst beheerst in beeld gebracht – in een ware nachtmerrie. Het landschap is verleidelijk, met gras groener dan groen en de zon die immer schijnt. Bij aankomst krijgen de Amerikanen paddo’s voorgeschoteld. Het maakt de schoonheid van het landschap nog intenser, maar er is ook een onderliggende, onverklaarbare dreiging. Dani voelt die. En met die dreiging ontstaan er scheuren in een relatie die al gebroken is.

Midsommar

Indringende spanning
Aster is een meester in het opbouwen en vasthouden van spanning. Het gevoel dat er iets niet klopt, is constant aanwezig en wordt gevoed door vreemde gebeurtenissen, zoals verdwijningen, verlokkingen en rituelen. Maar het zijn vooral beeld en geluid die overtuigen: het camerawerk van Pawel Pogorzelski, die ook de cinematografie van ​Hereditary deed, is indringend en claustrofobisch, versterkt door een onheilspellende soundtrack (de twee gaan briljant samen in de openingsscène, kippenvel gegarandeerd!). Een knappe prestatie kijkend naar de sprookjesachtige setting waarin ​Midsommar​ speelt. Ondanks al het licht is onderliggende duisternis voelbaar. Neem de ongemakkelijke tafelmomenten, de gereserveerde gastvrijheid van de commune en een aantal onverwacht bloedige scènes, waarbij je je ogen toch echt even wegdraait.

De link naar een folk-horrorklassieker als ​The Wicker Man​ is snel gelegd. Toch is ​Midsommar complexer, want de emotioneel beladen hoofdpersoon is net als in ​Hereditary​ zoekende naar catharsis. Hoewel de gemeenschap haar angst aanwakkert, is ze er ook door gegrepen. Tijdens een paddotrip zien we hoe het gras zich in haar voeten hecht, als zijnde een teken van eenwording.

Aster wordt wel verweten dat​ Midsommar qua thematiek, sfeer, opbouw en duur (een lange zit van 2,5 uur) teveel lijkt op ​Hereditary. Eerlijkheid gebiedt te zeggen: je kan duidelijk zien dat Midsommar  van zijn hand is. Het heeft wat meer komische elementen (Aster omschrijft zijn film als een donkere komedie), maar is minstens zo indringend als zijn voorganger. Belangrijker is: het werkt. Zo intens, onderhuids en aangrijpend heeft de schrijver dezes de laatste jaren geen horrorfilms gezien. Aster sleept je van begin af aan mee in een woekerende naarheid, gevoed door trauma, op weg naar een donkere verlossing. Laat de zomerse festiviteiten maar komen.

 

23 juli 2019

 

ALLE RECENSIES

Dentellière, La

****
recensie La Dentellière

Stille anonimiteit

door Suzan Groothuis

Het is de zomer van Isabelle Huppert. Filminstituut Eye in Amsterdam zet de Franse actrice in de spotlights middels een retrospectief, waaronder landelijke vertoningen van ​Les Valseuses, La Cérémonie, La Pianiste en ​La Dentellière​ van de Zwitserse regisseur Claude Goretta, met een nog jonge Huppert, onbevangen en kwetsbaar. De titel verwijst naar het schilderij De Kantwerkster van Vermeer.  

Huppert is gewend om niet de gemakkelijkste rollen op zich te nemen. Ze speelt vaak dualistische personages. Afstandelijk, kil en hard tegenover emotioneel en kwetsbaar. In Goretta’s ​La Dentellière, naar de bewerking van de gelijknamige roman van ​Pascal Lainé​, is zij de jonge en zwijgzame Beatrice. ​Het was Hupperts eerste hoofdrol en betekende haar doorbraak op het grote doek. Voor haar subtiele vertolking ontving ze de BAFTA Award voor beste nieuwkomer. Anno nu maakt de film nog steeds indruk door Hupperts naturelle spel, waarbij ze Beatrices kwetsbaarheid pijnlijk invoelbaar maakt.

La Dentellière

Teruggetrokken bestaan
La Dentellière speelt in Parijs, waar Beatrice bij haar moeder woont en we van haar vader weten dat hij al vroeg uit haar leven is verdwenen. Haar enige vriendin is de oudere en levenslustige Marylène, met wie ze samen in een kapsalon werkt. Het wereldje van Beatrice, door Marylène liefkozend Pomme genoemd, is klein: haar dagen bestaan uit naar werk gaan en naar huis gaan. Wanneer Marylène’s relatie strandt, besluit ze samen met Beatrice voor een paar dagen naar de badplaats Cabourg in Normandië te gaan.

Terwijl de extraverte Marylène zich stort op het uitgaansleven, zet Beatrice haar teruggetrokken bestaan voort. Stilletjes op een verlaten terras een ijsje eten. Of als een muurbloempje in de discotheek toekijken hoe haar vriendin losgaat op de dansvloer. Wanneer een jonge man haar benadert om te dansen, wijst ze hem beleefd af. Echt interesse in mannen lijkt ze niet te hebben. Dat verandert echter wanneer Beatrice de eveneens verlegen Letteren-student François (Yves Beneyton) ontmoet. Hij is onder de indruk van haar teruggetrokken karakter en zij van zijn kennis. Ze worden verliefd en François confronteert Beatrice met nieuwe uitdagingen.

Pijnlijke verwijdering
Zo leidt hij haar, haar ogen gesloten, naar de rand van een klif. Wanneer Beatrice haar ogen opent, schrikt ze van de diepte. François stelt haar gerust: hij zou haar nooit laten vallen. De scène heeft iets romantisch, maar toont ook hoe gemakkelijk Beatrice zich laat dirigeren. Weer terug in Parijs trekt zij bij François in en vermengen hun levens zich met elkaar. Maar hoe meer ze samenzijn, des te meer de verschillen opvallen: hij intellectueel en diepzinnig, zij eenvoudig en onwetend. Tot die onvermijdelijke breuk, pijnlijk vastgelegd tijdens een bezoek aan zijn ouders: een scène die laat zien dat hun liefde niet tegen de sociale kloof is opgewassen.

Goretta brengt de groeiende verwijdering bijzonder subtiel en natuurlijk in beeld, waarbij de camera veel aandacht voor lichaamstaal heeft. Er is een samenzijn met vrienden van François, met Beatrice als zwijgzame toeschouwer. Terwijl er diepgaand gesproken wordt, neemt ze geen deel aan het gesprek – ze weet gewoonweg niet waarover het gaat. We zien hoe ze er is, en niet is, als zijnde een stille anonimiteit. Of een scène waarbij François uit het raam staart en Beatrice naakt naast hem komt te staan. Ze vraagt niets, maar lijkt te verlangen naar intimiteit, naar liefde. Hij negeert haar, en hoewel Beatrice onwetend is in het leven, moet ze het voelen: ze is niet meer gewild.

La Dentellière

La Dentellière doet qua thematiek wat denken aan ​Pygmalion​ van George Bernard Shaw: meisje van eenvoudig komaf ontwikkelt zich. Althans, dat is wat François van haar vraagt. Maar Beatrice is tevreden met het rustige leven dat ze leidt en heeft geen ambities. En dat is misschien wel het grootste pijnpunt van de film: Beatrice, puur en gevoelig, is zichzelf, maar niet goed genoeg in de ogen van haar partner. Met zijn afwijzing valt ze terug op al wat ze in zich heeft: haar ​geïsoleerde​ zwijgzaamheid. Met een laatste indringend shot zien we Beatrice lang de camera inkijken – niet meer van en niet meer in de wereld, maar teruggetrokken in haar eigen verstilde universum.

 

Kijk hier het landelijke draaischema van La Dentellière.

 

9 juli 2019
 

MEER ISABELLE HUPPERT

 

ALLE RECENSIES

Clovehitch Killer, The

***
recensie The Clovehitch Killer

De schone schijn

door Suzan Groothuis

Een klein stadje in de VS is na tien jaar nog steeds in de ban van de ‘Clovehitch Killer’, een seriemoordenaar die minstens tien moorden op zijn naam heeft staan. Wanneer tiener Tyler vermoedt dat zijn eigen vader wel eens de moordenaar kan zijn, komt zijn wereld op zijn kop te staan. 

Het begin van de film doet anders vermoeden. Tyler komt uit een typisch picture perfect gezin: christelijk opgevoed en geliefd in de gemeenschap. Zijn vader Don leidt met devotie een groep scouts, van wie Tyler er één is. En noemt zijn zoon steevast bud. Jawel, een vader en zoon met een goede band.

The Clovehitch Killer

Wanneer Tyler de truck van zijn vader leent om met een meisje op stap te gaan, ontdekt zij – net als ze een beetje willen gaan rommelen met elkaar – een verfrommelde foto. Het lijkt een knipsel uit een bondagetijdschrift. Voor het meisje een reden om de date onmiddellijk te beëindigen. De volgende dag krijgt Tyler het zwaar te verduren, want hij wordt er van beticht een viezerik te zijn. Zijn onschuld bewijzen, heeft weinig zin. Hij krijgt louter vuile blikken toegeworpen, zelfs van een goede scoutvriend. Maar wat nog schokkender is dan een pervert genoemd worden, is de gedachte dat de foto van zijn vader is.

Kinky seks
Terwijl zijn vrienden Tyler links laten liggen, zoekt hij contact met outsider Kassi. Zij blijkt zich gespecialiseerd te hebben in de ‘Clovehitch’-zaak. Getriggerd door feitjes uit het politieonderzoek gaat Tyler anders tegen zijn vader aankijken. Zo brengt Don wel heel veel tijd door in zijn schuur (Tyler’s moeder: “Your father has his own hobbies”) en is hij een expert in knopen leggen. De ‘Clovehitch’-moordenaar heeft ook iets met knopen, want hij dankt zijn naam aan de manier waarop hij zijn slachtoffers vastbond. Tyler besluit op onderzoek te gaan en vanaf dat moment gaat het hard met de verwikkelingen. Van tijdschriften over kinky seks tot een vondst die wel heel direct lieert aan een seriemoordenaar: zijn vader blijkt complexer dan Tyler dacht.

The Clovehitch Killer is niet zozeer een whodunit, maar toont de misleiding van de schone schijn. Want wat doe je als een vertrouwd iemand in je omgeving anders is dan je dacht? Dit gegeven werkt in de start van de film, waarin de relatie tussen Tyler en zijn vader goed lijkt, maar je er ook iets ongemakkelijks in bespeurt. De twee acteurs spelen overtuigend: Charlie Plummer als Tyler timide en introvert, en Dylan McDermott als Don amicaal met een voelbare onderliggende dreiging. Zo is er een sterke scène in Dons schuur, waar hij een lastig gesprek met Tyler voert over seks. Als kijker voel je dat er meer aan de hand is: Don wéét dat Tyler heeft lopen snuffelen. In zijn monoloog sijpelt het geloof in alle facetten door: aan seks denken mag, maar doen is een ander ding. Zijn woorden vormen een groot contrast met de daden van ‘The Clovehitch’-moordenaar. Na afloop van het gesprek spreekt pa de opgeluchte woorden uit: “Awkward talk with dad, over!”

The Clovehitch Killer

Monster in de mens
Meer van zulke scènes had de opbouwende spanning tussen vader en zoon goed gedaan, maar regisseur Duncan Skiles kiest voor een andere weg. Tyler en Kassie komen door hun eigen geknutselde onderzoek in situaties die de geloofwaardigheid niet ten goede komen, zoals het pijlsnel vinden van belastend bewijsmateriaal. Het grootste probleem ligt echter in Tylers loyaliteit naar zijn vader. Hoe meer tekenen er zijn dat Don ‘Clovehitch’ is, hoe makkelijker Tyler zich door hem laat manipuleren. Waar er allang politie in het spel had moeten zijn, modderen de twee tieners aan met iemand die hoogstwaarschijnlijk een meedogenloos beest is.

Tylers loyaliteitsconflict brengt ons uiteindelijk naar het einde, waar nog wat geforceerde wendingen aan vooraf gaan. The Clovehitch Killer is zeker niet zonder haken en ogen, maar beklijft door het sterke acteren en het achterliggende idee dat in ieder mens een monster kan schuilen. Het gegeven van slechtheid in de mens is niet nieuw, maar de film roept de vraag op wát we ermee doen als zoiets uitkomt. Blijven we de schone schijn ten bate van onszelf of onze gemeenschap ophouden, of doorbreken we die? Dat is iets dat in deze roerige tijden, waarin mensen met zoveel dingen wegkomen, tot nadenken stemt.

 

27 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Sunset

****
recensie Sunset

Duistere geheimen in Boedapest

door Suzan Groothuis

Na het claustrofobische en beklemmende Son of Saul is László Nemes terug met het stemmingsvolle Sunset. Een kostuumdrama met een duistere laag, waarin een jonge vrouw op zoek gaat naar haar mysterieuze broer. 

Sunset speelt in 1913 in Boedapest, toen de stad nog deel uitmaakte van het Oostenrijks-Hongaarse rijk en het hart van Europa vormde. De twintigjarige Irisz Leiter (Juli Jakab) is naar de Hongaarse hoofdstad getrokken om te werken bij het vooraanstaande hoedenmagazijn Leiter. De naam is geen toeval: Irisz is de dochter van de oprichters, maar haar ouders zijn op duistere wijze overleden. Wanneer Irisz haar intrede doet, is gelijk merkbaar dat ze niet welkom is.

Eigenaar Brill vertelt Irisz dat er geen werk is en raadt haar aan weer uit Boedapest te vertrekken. De nacht kan ze er nog blijven, een morsige plek in het pand waar ze is geboren. Dan komt er een indringer haar kamer binnen, die haar vertelt dat Irisz een broer heeft. Vanaf dat moment ontstaat er voor Irisz een persoonlijke queeste: haar broer, als hij al bestaat, vinden.

Sunset

Geschoten op prachtig celluloid
Die zoektocht is bijzonder fraai in beeld gebracht. Net als het intense Holocaust-drama Son of Saul is de film analoog geschoten, met de focus op de vastberaden en opgejaagde Irisz. De camera volgt haar in haar onverschrokken tocht, terwijl ze heen en weer geslingerd wordt door vertwijfeling. Wat klopt van wat ze over haar broer heeft gehoord? Wie is te vertrouwen? En vooral: wie niet? Terwijl de politieke onrust toeneemt en de chaos in de stad verergert, geeft Irisz – meestal gefilmd vanuit haar rug, haar witte kanten kraagje omhoog stekend – haar onderneming niet op.

Nemes laat twee kanten van Boedapest zien: de weelderige, met prachtige decors en kostuums, en de grimmige, met donkere achteraf steegjes waar geruchten rommelen dat Irisz’ broer voor een bloedbad zal zorgen. Die omgevingen zijn echter ondergeschikt aan de hoofdpersoon, op wie de camera – vaak in lange shots – steevast gericht is. In haar fixatie om haar broer te vinden, dringt de omringende realiteit slechts af en toe binnen. Je hoort geroezemoes over de hittegolf in de stad, over het bezoek van de Weense prinses en een eindfeest bij Leiter. Flarden van nieuwsberichten zeggen iets over politieke spanningen.

Dwingende meeslependheid
Sunset
dwingt de kijker mee te gaan op Irisz’ reis. Nemes hanteert een claustrofobische, jachtige stijl. Telkens afgeleid – een hoedenkamer versieren voor het bezoek van de Weense prinses, terwijl je je broer wil vinden – volgen we Irisz die in plaats van antwoorden steeds meer vragen op haar pad tegenkomt. Waarom kiest haar broer voor extreem geweld? Wat is Brills agenda? En waarom wordt een van de meisjes die bij Leiter werkt uitverkoren om aan het Weense hof te gaan werken?

Sunset

Nemes geeft geen antwoorden, maar maakt Irisz’ realiteit steeds grimmiger en verwarrender. Aan de hand van wat er om haar heen gebeurt, of wat ze meent te zien gebeuren, trekt ze conclusies. Tegelijkertijd ondergaat haar personage wel een verandering, want ze wordt onbevreesd en strijdbaar. Uiteindelijk lijken Irisz en haar broer één. Waarmee je als kijker weer een vraag rijker bent: bestaat haar broer wel?

Eerlijk gezegd doet het er niet toe, want Sunset is vooral een film om te beleven, te voelen. Laat de dromerige, rijke beelden zoals van het feest in het park of het statige hoedenmagazijn je niet misleiden. Eronder gaat een broeierige duisternis schuil, nietsontziend afstevenend op het begin van de Eerste Wereldoorlog. Een film laverend tussen schoonheid en vernietiging, zijnde een duistere trip die iets wil ontrafelen maar alleen maar meer verwarring schept. Binnen die chaos moet je je staande zien te houden. En dat is precies wat Irisz doet, getuige dat laatste shot waar ze krachtig de camera in kijkt. Sunset laat zich niet vangen, maar absorbeert je van begin tot eind.

 

13 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Eighth Grade

****
recensie Eighth Grade

Memoires van een tiener

door Suzan Groothuis

Wat heb je er voor nodig om jezelf te zijn? Hoe ga je confrontaties aan? En hoe bereid je je voor op die moeilijke stap naar high school? Tiener Kayla etaleert deze kwesties op haar YouTube-kanaal, steevast afsluitend met: Gucci!

De kracht van internet: ook puber Kayla heeft hem gevonden. Op YouTube laat ze filmpjes van zichzelf zien en heeft ze het over de worstelingen van het opgroeien. Jezelf zijn is lastig. Zeker als je verlegen bent en door iedereen gezien wordt als het stille meisje. Sterker nog, wanneer er op school een superlatievenwedstrijd is, is Kayla “the most quiet girl”. Maar als je naar haar YouTube-video kijkt, leer je een andere Kayla kennen. Ze is niet verlegen, ze wil gewoon niet praten.

Eighth Grade

YouTube is voor Kayla een middel om zichzelf te uiten. Op aandoenlijke en eerlijke wijze heeft ze het voor de camera over je angsten overwinnen en wat daarvoor nodig is. Of hoe je jezelf meer kan laten zien. De echte jij, welteverstaan. Maar in het dagelijks leven is het tonen van die echte ik een worsteling. In de klas is Kayla een eenling. Als ze iets zegt, wordt ze nauwelijks opgemerkt. En als ze al contact probeert te maken met de populaire meiden uit haar klas, staan ze ongeïnteresseerd met hun blik op hun telefoon gericht. Thuis is het tegenovergesteld: daar probeert vader Mark (Josh Hamilton, 13 Reasons Why, American Horror Story) contact met Kayla te maken. En zit zij letterlijk in haar telefoon. Hoe meer de betrokken Mark toenadering zoekt, hoe meer Kayla afstand houdt.

Platform om jezelf te zijn
Eighth Grade is het debuut van Bo Burnham en laat op integere wijze de worsteling van een meisje met zichzelf en de wereld om haar heen zien. Burnham, die als tiener ook YouTube inzette om zijn onzekerheden van zich af te praten, geeft Kayla een platform om zichzelf te kunnen zijn en haar hoop en wensen vorm te kunnen geven. Hoewel er genoeg momenten zijn die Kayla’s zelfvertrouwen doen wankelen, zoals een ongemakkelijk verjaardagsfeest van het populairste meisje uit de klas, blijft zij als persoon overeind. Anders dan bijvoorbeeld een film als Todd Solondz’, Welcome to the Doll House, waarin de onaantrekkelijke Dawn Wiener (een seventh grader) in een neerwaartse spiraal terechtkomt. En Kayla schopt het ook weer niet van grijze muis tot een van de populaire meiden, zoals de dikke Patty uit de serie Insatiable die kilo’s lichter ineens razend gewild is.

Hoewel er een hang is naar erbij willen horen, of gezien willen worden, is Eighth Grade vooral een zoektocht naar je eigen identiteit. Burnham balanceert kundig tussen komisch, ongemakkelijk en realistisch en heeft met Elsie Fisher als Kayla een ongelofelijk sterke troef in handen. Volstrekt natuurlijk zet ze Kayla neer. Als kijker voel je haar onzekerheden, angsten en hoop – gevoelens die voor iedereen die tiener is of tiener is geweest (pijnlijk) herkenbaar zullen zijn.

Eighth Grade

Tienerdagboek tot leven
Het is knap hoe authentiek de film aanvoelt, alsof een tienerdagboek tot leven komt. Terwijl Burnham ook speelt met de herkenbare elementen van een (pre) high school comedy: de hunk uit de klas die jou niet ziet zitten, maar je wel doet zweven; een overbezorgde vader voor wie je je schaamt en de nerd die later toch wel leuk blijkt te zijn. Dit alles gekoppeld aan de tijd van nu, waarin social media een bepalende rol hebben.

Die huidige tijdgeest weet Burnham perfect te vangen. Tieners die opstaan en naar bed gaan met hun telefoon, waaraan hun hele zijn is gelieerd. Ook in het geval van Kayla, die liever filmpjes kijkt of muziek luistert dan haar vader aanhoren. Maar ondertussen is ze, dan weer kwetsbaar, dan weer krachtig, temidden van al die likes en snapchats, op zoek naar haar echte ik en verbondenheid.

 

19 februari 2019

 

ALLE RECENSIES

IFFR 2019 deel 6

IFFR 2019 deel 6 (slot):
Cinema die doet voelen

door Suzan Groothuis

Dit jaar prikkelde het International Film Festival Rotterdam (IFFR) met de slogan: Feel IFFR. Cinema moet je voelen, ervaren. Filmmakers uit alle streken beroeren, verruimen de blik, doen je onderdompelen in een andere wereld. Maar films voelen of ervaren wil niet zeggen dat iedere IFFR-film een hoogtepunt is. 

Veel films binnen mijn selectie scoorden middelmatig, wegens teveel pretentie (Vox Lux) of een typische arthouse-feel: weinig verhaallijn, lange shots, zoekende personages (Tarde Para Morir Joven). Wel aardig om naar te kijken, maar vernieuwend, verrassend of beklijvend, nee. In ons zesde en laatste verslag van IFFR 2019 twee films die dat wel deden: het bewogen, dwingende Sunset, en het knappe, aan The Act of Killing denkende I Do Not Care If We Go Down in History as Barbarians. Het overlappende thema: vastberadenheid. Klamp je vast aan een doel en geef niet op.

 

Sunset

Sunset – duistere geheimen in Boedapest
Sunset van regisseur László Nemes is zo’n film die na het zien ervan nog lang door het hoofd blijft spoken. Dat deed zijn debuut, Son of Saul, ook al. Een film die zo intens is dat ik ‘m geen tweede keer zou willen zien. Over vernietigingskamp Auschwitz, waar een man zoekt naar zijn zoon. Vooral de cameravoering bleef hangen: we zien de man constant vanuit de rug gefilmd, zich een weg banend door het kamp, waarbij hij letterlijk alle kanten op getrokken wordt. Iedereen wil wat van hem, waardoor er nauwelijks ruimte is voor zijn persoonlijke queeste. Een nietsontziende blik op massavernietiging en wat dat doet met de hoop van een mens.

Nu is er Sunset, waarbij we eveneens in een zoektocht belanden, maar dan in het Boedapest voor de Eerste Wereldoorlog. De twintigjarige Irisz Leiter trekt naar de Hongaarse hoofdstad om te werken bij het vooraanstaande hoedenmagazijn Leiter. De naam is geen toeval: Irisz is de dochter van de oprichters, maar haar ouders zijn op duistere wijze overleden. Wanneer Irisz haar intrede doet, is gelijk merkbaar dat ze niet welkom is. Als ze te horen krijgt dat ze een broer heeft, besluit ze op onderzoek uit te gaan.

De camera volgt Irisz in haar vastberaden en onverschrokken tocht, terwijl ze heen en weer geslingerd wordt door vertwijfeling. Wat klopt van wat ze over haar broer heeft gehoord? Wie is te vertrouwen? En vooral: wie niet? Terwijl de politieke onrust toeneemt en de chaos in de stad verergert, geeft Irisz – steeds gefilmd vanuit haar rug, haar witte kanten kraagje omhoog stekend – haar onderneming niet op.

Sunset, met zijn weelderige sets prachtig in beeld gebracht, dwingt de kijker mee te gaan op Irisz’ reis. Van een sjiek hoedenmagazijn begeven we ons naar donkere achterafsteegjes waar het gevaar broeit. Nemes hanteert een claustrofobische, opgejaagde stijl. Telkens afgeleid – een hoedenkamer versieren voor een bezoek van de Weense prinses, terwijl je je broer wil vinden – volgen we Irisz die in plaats van antwoorden steeds meer vragen op haar pad tegenkomt. Nemes beantwoordt die vragen niet, wat de kijker als onbevredigend kan ervaren. Maar je beleeft zijn film, zijnde een duistere trip die iets wil ontrafelen maar alleen maar meer verwarring brengt. Knap en uiterst meeslepend.

 

I Do Not Care If We Go Down in History as Barbarians

I Do Not Care If We Go Down in History as Barbariansweergave van een donkere geschiedenis
In I Do Not Care If We Go Down in History as Barbarians duiken we in de Roemeense geschiedenis. De jonge en idealistische regisseur Mariana buigt zich over de etnische zuiveringen aan het Oostfront. Het Roemeense leger was verantwoordelijk voor de massamoord op de Joden in Odessa in 1941. Een gegeven dat in de doofpot is gestopt, want de toenmalige premier Antonescu kreeg voor velen na de omwenteling van 1989 een soort heldenstatus. Het was immers Antonescu die tegen de Russen, en dus tegen het communisme, gevochten had.

Via een openluchtschouwspel wil Mariana laten zien wat er werkelijk plaatsvond. Namelijk dat Roemenië niet onschuldig is als het gaat om de Holocaust. Maar zo gemakkelijk is het niet haar ideeën te verwezenlijken: zij stuit op weerstand van zowel acteurs als een vertegenwoordiger van het stadsbestuur. Verhitte discussies zaaien verdeeldheid, maar Mariana blijft volharden.

I Do Not Care If We Go Down in History as Barbarians doet wat denken aan het briljante The Act of Killing, waar leiders van doodseskaders hun massamoorden naspelen in de door hen gewenste cinematografische stijl. Ook in I Do Not Care.. vindt re-enactment plaats, maar dan zo realistisch mogelijk, alsof je teruggaat in de tijd en de massamoord opnieuw beleeft. Regisseur Radu Jude lijkt met realiteit en spel te spelen, door acteurs en publiek zich met elkaar te laten vermengen. Het zenuwslopende proces van het schouwspel is gespeeld, maar je vraagt je af of het publiek bij de vertoning ook geënsceneerd en geïnstrueerd is. Het schouwspel levert een applaus voor de onderdrukker, voortkomend uit een diepgewortelde nationale trots. Als kijker geeft dat te denken: in hoeverre zijn we in staat kritisch naar ons verleden te kijken en toe te geven dat we fouten hebben gemaakt?

Radu Jude levert met I Do Not Care If We Go Down in History as Barbarians een film die tot reflectie stemt. Hij verweeft literaire feiten, archiefbeelden en persoonlijk drama tot een gelaagd geheel, waarbij hij de licht-komische noot niet schuwt. Bijzonder document.

 

7 februari 2019

Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5

 

MEER FILMFESTIVAL

IFFR 2019 deel 4

IFFR 2019 deel 4:
Genrefilm onder de loep

door Suzan Groothuis

Het International Film Festival Rotterdam onderscheidt zich door het grote aanbod van arthouse en independent films, maar heeft ook wat in petto voor liefhebbers van genrefilms. Zoals het Amerikaanse Harpoon, dat drie vrienden op hun noodlottige trip toont. In Nightmare Cinema laten vijf regisseurs zich inspireren door een lege bioscoop. En in The Night Shifter zien we hoe een lijkschouwer kan spreken met de doden. 

 

Harpoon

Harpoon – en toen waren er nog drie
Harpoon van regisseur Rob Grant komt als beste uit de test. De film is een mengeling van horror, thriller, drama en komedie. De band tussen drie vrienden staat onder spanning. Wanneer de opgefokte rijkeluiszoon Richard achter de vermeende relatie tussen zijn vriendin Sasha en zijn beste vriend Jonah komt, is het hek van de dam. Hij slaat Jonah tot bloedens toe, om vervolgens te horen dat de twee achter z’n rug om een harpoen voor zijn verjaardag hebben gekocht. Richard had hun berichtenverkeer niet helemaal goed begrepen. Oeps!

Om het goed te maken nodigt hij de twee uit voor een dagje op zijn jacht. Maar een dag die de vrienden dichter bij elkaar moet brengen, mondt uit in een ware helletocht. Hun vriendschap ligt verborgen onder een web van leugens en verraad. Die komen net zo pijlsnel uit als de harpoen die Richard heeft gekregen.

Wat volgt is een absurd, donker, komisch en bloederig tafereel. Wat mis kan gaan, gaat mis. Met als gevolg dat de drie in overlevingsmodus op een jacht zitten zonder voedsel en drinken. Aangewezen tot elkaar, ieder elkaars vijand. Het doet wat denken aan Jean Paul Sartres L’Enfer, waarvan ik me de zin: “Le bourreau, c’est chacun de nous pour les deux autres” nog goed kan herinneren. Ieder is de beul voor de anderen.

In Harpoon is dat niet anders, al legt Rob Grant geen link met Sartre maar met een verhaal van Edgar Allan Poe, waarin drie matrozen na schipbreuk moeten overleven. Ze zijn uiteindelijk genoodzaakt strootjes te trekken, om te bepalen wie van de drie ze moeten opofferen als kannibalistische snack. Ook speelt Grant met feitjes, zoals bijgeloof op het water (roodharigen en een zwarte banaan brengen ongeluk!) en hoe lang je nou echt zonder eten en water kan. Harpoon verrast met zijn vermenging van genres, het spelen met feitjes, literaire verwijzingen en, natuurlijk, een grote dosis bloedvergieten.

 

Nightmare Cinema

Nightmare Cinema – teleurstellende nachtmerrie
Nightmare Cinema belooft een soort horrormarathon van twee uur. Deze omnibusfilm beslaat vijf korte films, van onder meer regisseurs Joe Dante (Gremlins) en Ryûhei Kitamura (The Midnight Meat Train). Allen laten zich inspireren door een oude, lege bioscoop. The Thing in the Woods bijt het spits af en is er een in de traditie van slashers: een jong gezelschap wordt een voor een afgeslacht door een mysterieuze vreemdeling met lashelm op. Woest smijt hij met hakbijlen, maar hij weet ook raad met brandertjes en messen. Het verhaal krijgt een andere wending met de komst van mysterieuze spinnen. Een hoofd dat langzaamaan opensplijt, met erin een boosaardige spin, vormt het hoogtepunt. Een segment dat het vooral moet hebben van zijn gore-effecten.

Het tweede deel, Mirari, is van horrormeester Dante (Piranha, The Howling) zelf. Het doet wat denken aan een aflevering van The Twilight Zone, waarin een jonge vrouw geopereerd wordt en achter de gruwelijke waarheid achter haar verband komt. In Mirari is dat niet anders. Een jong stel gaat trouwen, maar zij is onzeker over haar uiterlijk. Door een auto-ongeluk loopt er een groot litteken over haar gezicht. Haar vriend zegt dat schoonheid overgewaardeerd is, maar hij doet haar ondertussen wel een aanbod om plastische chirurgie te ondergaan. Zijn moeder heeft hetzelfde meegemaakt en ze is er alleen maar mooier op geworden. Als kijker vermoedt je het ergste, zeker wanneer de enge, gladde plastisch chirurg (Richard Chamberlain, kennen we ‘m nog!) zijn intrede doet. Uiteindelijk werkt Mirari toe naar een nare, maar voorspelbare climax.

Het sterkst is This Way to Egress van David Slade, die verantwoordelijk was voor Black Mirror-aflevering Metalhead. Net als Metalhead in intens zwart-wit geschoten, met een eveneens donker, dystopisch thema. Elizabeth Reaser, pas nog te zien in Netflix-horrorserie The Haunting of Hill House, wordt geplaagd doordat alles om haar heen transformeert in lelijkheid. Vloeren worden gedweild met bloed en mensen veranderen in afzichtelijke monsters met grommende stemmen. Alleen haar kinderen zijn nog wie ze zijn. Wanneer zij haar dwingen een dokter te bezoeken, komt de zieke waarheid onverwacht naar boven. Slade overtuigt vooral met een kille en verstikkende sfeer, waarin niets is wat het lijkt.

Over de andere twee delen kunnen we kort zijn: Kitamura’s Mashit is een over de top duiveluitdrijving in een kerk, met veel bloedfonteinen veroorzaakt door een met messen zwaaiende priester. Een vermoeiende zit. En in Dead zien we hoe een jongen na een bijna-doodervaring dode mensen ziet. Een verhaal dat toewerkt naar een niet-verrassende afloop, waarin het leven wint van de dood.

De bindende factor van Nightmare Cinema is de lege bioscoop, die voorbijgangers naar zich toe trekt en hen dwingt plaats te nemen op een van de stoelen. Vervolgens zien zij zichzelf terug op het grote doek en dan niet in de meest fraaie setting. De naargeestige filmoperateur (Mickey Rourke, die weinig moeite hoeft te doen om er eng uit te zien) heeft zijn eigen, duistere doel. Op zich leuk bedacht om een oude, lege bioscoop speelterrein te laten zijn van vijf verschillende regisseurs. Nightmare Cinema moet een idee geven hoe veelzijdig horror is, maar schotelt zoveel clichés voor dat het geen moment verrast. David Slades deel daargelaten, omdat dat visueel en stilistisch de rest overstijgt. Een magere score.

 

The Night Shifter

The Night Shifter – duistere geheimen van de doden
En dan als laatste Braziliaanse horror in de vorm van The Night Shifter. Regisseur Dennison Ramalho vertelt dat zijn film een bizarre kijk op het leven in São Paolo geeft. Tegelijkertijd toont hij wat er gaande is: criminaliteit, corruptie, afrekeningen en de rol van bijgeloof. In zijn film, die je kan zien als mengeling van horror, absurdisme en realisme, draait het om de ongelukkige lijkschouwer Stênio. Hij werkt overuren en kan thuis niet op een warm onthaal van zijn vrouw rekenen.

Ondanks dat Stênio wat sullig oogt, heeft hij wel een gave. Hij kan spreken met de doden. Als hij alleen met hen is in zijn mortuarium, delen de doden hun geheimen. Wanneer Stênio door een gesprek met een van hen erachter komt dat zijn vrouw een affaire heeft, besluit hij in actie te komen.

Het is even wennen om de lijken in cgi-stijl te zien praten, maar het uitgangspunt van The Night Shifter heeft wel wat: deel nooit de geheimen van de doden, want daar komt alleen maar ellende van. Al snel wentelt Stênio zich in de problemen, door informatie van de doden te gebruiken om wraak te nemen op de geliefde van zijn vrouw. Ramalho’s film ontvouwt zich vervolgens tot horror waarin duivelse krachten de dienst uitmaken. Stênio moet alles op alles zetten om zichzelf en zijn kinderen te beschermen tegen het kwaad uit het hiernamaals. En dan is er ook nog de agressieve chaos van de stad zelf waar hij tegenop moet boksen.

Wanneer het horroraspect zijn intrede doet, boet de film aan kracht in. Van een bizarre, maar ook realistische blik op São Paolo en zijn inwoners verwordt The Night Shifter tot eendimensionale, uitzinnige duivelse wraakactie. Dat is jammer, want wat Ramalho wil zeggen over je staande houden temidden van al die ellende die speelt in de stad, komt zo niet goed uit de verf.

 

3 februari 2019

Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 5
Deel 6

 

MEER FILMFESTIVAL

IFFR 2019 deel 2

IFFR 2019 deel 2:
De strijd om de publieksfavoriet

door Suzan Groothuis

Het International Film Festival Rotterdam 2019 is in volle gang. Terwijl vaste locaties als De Doelen, Kino, Cinerama en Pathé volle zalen trekken, strijden films die meedoen in de Audience Award om de publieksfavoriet. Iedere dag is de top tien op de site van het IFFR te bewonderen.

Die top tien kan overigens per dag verschillen, al staat het door onze filmrecensent Tim Bouwhuis bekritiseerde Capharnaüm nog steeds op een eerste plaats. Hiervoor stond Beats nog bovenaan (dit Britse drama krijgt later een bioscooprelease en een uitgebreide recensie). Opvallend is hoe genereus het publiek is met het uitdelen van vieren (goed) en vijven (zeer goed). Hieronder een blik op films die in die felbegeerde publiekstop 10 staan of stonden, met de vraag: zijn ze die hoge score ook echt waard?

 

Barbara Rubin & The Exploding NY Underground

Barbara Rubin & The Exploding NY Underground – ongekroonde koningin van de underground
Vanuit het niets verscheen ineens Barbara Rubin & The Exploding NY Underground in de top tien. Over een jonge, eigenzinnige kunstenares die deel uitmaakte van Andy Warhols kunstscene. De documentaire laat het verloop van haar leven zien; die kreeg een aparte wending toen Rubin zich wendde tot het orthodoxe jodendom.

Vrienden en familie, schrijvers en bekende kunstenaars uit die tijd vertellen over Rubin en wat haar tot zo’n speciaal mens maakte. Ze was pas zeventien toen ze haar film Christmas on Earth (oorspronkelijke titel: Cocks and Cunts) maakte, geschoten met een 16mm-camera die eigendom was van filmmaker Jonas Mekas. De film baarde opzien door expliciete en (letterlijk) indringende beelden van vrouwelijke genitaliën. Daarbij was het een van de eerste erkende werken binnen de multimedia-art.

Al snel kreeg Rubin een plek binnen de kunstscene van Andy Warhol. Ze was verantwoordelijk voor de introductie van The Velvet Underground, die daarna zou optreden in Warhols Factory en speelde bij screenings van films van Warhol, Rubin en Paul Morrissey. Verder is er in de documentaire aandacht voor de vriendschap met beatschrijver Allen Ginsberg, op wie Rubin verliefd was en met wie ze het liefst kinderen zou krijgen. Een verlangen dat nooit in vervulling ging. Hoewel Ginsberg onderkomen bood aan goede vrienden die kampten met een drugsverslaving, waaronder ook Rubin, verdween Rubin net zo snel als ze gekomen was. Na zich enige tijd met de studie van de Kabbala te hebben beziggehouden, werd ze door een magneet aangetrokken tot de joods orthodoxe gemeenschap. Er volgden twee huwelijken, vijf kinderen en een plots einde.

Barbara Rubin & The Exploding NY Underground is in zijn stijl een conventionele, rechttoe rechtaan documentaire: middels archiefbeelden en talking heads krijgen we een chronologisch beeld van het leven van deze energieke, artistieke jonge vrouw. We zien en horen weinig van Barbara zelf. Er zijn archiefbeelden van screenings voor Warhol, fragmenten van haar eigen films, en wat video-opnames van Rubin met Bob Dylan, Rubin met Jonas Mekas en Rubin met Allen Ginsberg. Uiteindelijk mis je de diepgang van een portret waarvan in bijvoorbeeld Nico Icon (over het leven van Nico, ook een Warhol-muze) wel sprake was. Het roept dan ook de vraag op wat deze degelijke maar zeker niet hoogstaande documentaire, zo hoog in de publieksprijs doet belanden.

 

Tel Aviv on Fire

Tel Aviv on Fire – soapserie als bindende factor
Over naar Israël, waar we belanden in een soapopera. Althans, daar speelt regisseur Sameh Zoabi mee. Zijn film Tel Aviv on Fire opent met zoete beelden van een Palestijnse spionne (Lubna Azabal, Incendies) die informatie moet lospeuteren bij een Israëlisch militair. Ze zet alles in, waaronder haar vrouwelijke charmes, terwijl haar hart ligt bij een Palestijn. Net wanneer je denkt: “shit, ben ik in een soap beland?” zoomt de camera uit en zien we een filmcrew de bewuste scène filmen. En dan het echte verhaal: Salam werkt als productieassistent op de set van zijn oom, die verantwoordelijk is voor de serie Tel Aviv on Fire. Gemaakt op Palestijnse bodem en natuurlijk niet geheel Israël-vriendelijk. Wanneer Salam kans maakt op promotie, ontwikkelt zich een komisch drama waarin soap en realiteit zich met elkaar vermengen.

Zijn oom stelt Salam verantwoordelijk voor het script van het personage van de Israëlisch militair. Er is alleen een probleem: Salam heeft geen inspiratie. Uit nood wendt hij zich tot een Israëlisch grenswachter, die hij dagelijks moet passeren om op de filmset aanwezig te kunnen zijn. Om zich vervolgens in allerlei bochten te wringen, want alle betrokkenen hebben weer hun eigen belangen: de grenswachter bekijkt de serie vanuit het Israëlisch perspectief en Salams oom wil het liefst dat de  romance tussen de Palestijnse spionne en de Israëlisch militair eindigt in een bomaanslag.

Zoabi neemt de kijker mee op een vermakelijke rit door een door conflicten verscheurd land. Hoewel de toon immer luchtig is, weet hij toch subtiel de politieke en maatschappelijke problemen aan te kaarten. De regisseur neemt geen stelling: Tel Aviv on Fire kiest geen kant voor Palestina of Israël. In de Q&A na de film legt hij uit dat het conflict al zo lang speelt, dat het niet op te lossen is. Zijn film speelt er mee en doet dat knap door een meeslepende soapserie als uitgangspunt te nemen, die zich geleidelijk aan vermengt met het echte leven. Waar Goodbye Lenin de draak stak met het communisme in de DDR, doet Zoabi dat met het politieke conflict tussen Israël en Palestina. Met zijn goed gebalanceerde mengeling van drama en komedie en vindingrijke script is Tel Aviv on Fire een perfecte publiekskandidaat. Geen nood voor wie ‘m gemist heeft (de voorstellingen zijn uitverkocht), want de film krijgt in juli een bioscooprelease.

 

The Best of Dorien B

The Best of Dorien B – grijze muis krijgt klauwen
Van Vlaamse bodem is er The Best of Dorien B. De film was samen met het Nederlandse Dirty God en Take Me Somewhere Nice te zien op een speciale persdag voorafgaand aan het festival. De geselecteerde persfilms scoren allen hoog in de poll voor de publieksprijs, Dorien de andere twee overstijgend. Inmiddels is Dorien verslagen door titels als Miel-Emile en A Private War (geen nood, krijgt ook een bioscooprelease!).

The Best of Dorien B. Is Anke Blondé’s speelfilmdebuut na wat korte films en episoden van de tv-serie Beau Séjour. Het is een tragikomedie, die verhaalt over de dertiger Dorien, die louter ongeluk op haar pad tegenkomt.

Om maar wat te noemen: het wringt tussen haar ouders. Terwijl haar moeder zich verheugt op een veels te groot zwembad in de tuin, fluistert haar vader Dorien toe dat haar moeder vreemd gaat. En dat terwijl er ook perikelen in Doriens eigen relatie spelen. Haar vriend Jeroen is amper thuis en heeft een affaire achter de rug. Of speelt die nog steeds? En dan is er een verwoestende knobbel in Doriens borst, een teken van borstkanker. Terwijl ze al dit nieuws moet verwerken, is er zelfs op haar werk geen rust, want Dorien runt temidden van de vete tussen haar ouders de dierenartspraktijk van haar vader.

Nieuwkomer Kim Snauwaert is perfect gecast als Dorien. In eerste instantie oogt ze als een grijze muis, de wereld beschouwend en overkomend. Maar gaandeweg laat Dorien zien klauwen te hebben. Ongemakkelijke scènes tonen haar innerlijke conflict, dat steeds meer naar buiten komt. Met name de eerste helft van de film is sterk, het humoristische aspect overheerst. Totaal niet over de top, want Snauwaert kan al met een enkele oogopslag op de lachspieren werken. Het is de absurde ongemakkelijkheid die het hem doet. Situaties waar Dorien niet om vraagt, maar die haar worden opgedrongen.

Naarmate de film vordert, krijgt hij een serieuzer karakter en het personage van Dorien meer boost. Uiteindelijk is er de bevrijdende afloop, waarin Dorien voor zichzelf durft te kiezen, al vraagt dit offers. Qua sfeer doet de film wat denken aan die van Nicole Holofcener (Please Give, Enough Said), waarin personages ook met ongemakken geconfronteerd worden maar uiteindelijk hun geluk vinden. De combinatie humor en drama is een lastige. Blondé weet daar goed haar weg in te vinden, wat The Best of Dorien B. tot een veelbelovend debuut maakt. Een notering in de top tien is discutabel, maar de film is zeker een 3,5 op mijn scorelijstje waard.

 

Diamantino

Verborgen parels
Soms voel of merk je het bij het zien van een IFFR-film wat een echte publieksfavoriet is. Meestal zijn dit films die een groot publiek aanboren (en beroeren) door bewust in te spelen op sentiment of politiek/maatschappelijk beladen kwesties. De zaal is doodstil, er wordt niet geschuifeld of onrustig heen en weer bewogen. Een nog duidelijkere gradatie dat een film geslaagd is: het publiek loopt niet en masse weg. En na afloop is er een daverende ovatie. “Topfilm”, hoor je naast je. Gretig wordt er door vijfjes gescheurd.

Maar waar blijven de verborgen pareltjes? Waarom is het absurde, humoristische en volstrekt originele Diamantino (foto) niet in de top terug te zien? Of het knappe, aan The Act of Killing denkende I Do Not Care If We Go Down in History as Barbarians, die een confronterende les over de invulling van geschiedenis geeft en daadwerkelijk aan het denken zet? En het dwingende, mysterieuze Sunset van László Nemes van Son of Saul, dat vele vragen onbeantwoord laat maar de kijker van begin tot eind meesleept?

In mijn volgende deel aandacht voor de films die de top niet halen, maar die indruk maakten, wegens een verrassende invalshoek, een bijzondere cameravoering of een tot reflectie stemmende inhoud.

 

31 januari 2019

 
Deel 1
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6
 

MEER FILMFESTIVAL

House That Jack Built, The

***
recensie The House That Jack Built

De Seriemoordenaar en de Kunsten

door Suzan Groothuis

Een nieuwe Von Trier staat gegarandeerd voor controverse. Helemaal als het gaat om The House That Jack Built die verhaalt over een seriemoordenaar. Von Trier duikt in zijn binnenste en er ontvouwt zich een continu spel met de kijker, provocatief maar ook gortdroog. Helemaal geslaagd is The House That Jack Built niet, maar het lukt Von Trier wel om de kijker te ontregelen.

Half Cannes liep weg bij de vertoning van Von Triers The House That Jack Built. Daarmee belooft de film controverse en provocatie, net zoals Hereditary het predicaat “engste film ooit!” kreeg. Ok, The House That Jack Built is controversieel. Maar dat is iedere Von Trier-film. In al zijn films zoekt de Deen de grenzen op.

The House That Jack Built

Zoekende, ongelukkige mensen
Hij toont zoekende, ongelukkige mensen. In The Idiots zoeken normale mensen de idioot in zichzelf op. Ter ontsnapping aan een dwingende, eisende maatschappij. In Breaking The Waves offert een naïeve, kwetsbare vrouw zichzelf op. In Melancholia zien we het einde van de wereld naderen, waarbij de ene zus dat accepteert en de ander zich overgeeft aan angst. In Antichrist hoopt een koppel nader tot elkaar te komen, maar de natuur beslist gruwelijk anders. En in The House That Jack Built duiken we in de geest van een seriemoordenaar.

Matt Dillon speelt Jack en is met zijn strakke gelaat en dwingende ogen perfect gecast. Hij vertelt zijn verhaal in vijf hoofdstukken, ofwel incidenten. Kenmerkend voor Von Trier, die graag structuur aanbrengt in zijn films. Hoofdstukken zijn hem eigen en werken altijd toe naar een dwingende catharsis. Terwijl Jack vertelt hoe hij seriemoordenaar is geworden en hoe hij geleidelijk aan gedreven werd tot grootse werken, is hij in dialoog met Verge (Bruno Ganz). In de openingsscène horen we klotsend water, alsof de twee ergens doorheen ploegen. Later leren we waar ze zijn.

Duistere iconen
In Incident 1 zien we Jacks eerste moord. Hij ontmoet een dame (Uma Thurman) met autopech, die hem om hulp vraagt. Haar krik is kapot en moet gerepareerd worden. Met zichtbare tegenzin brengt Jack haar naar de dichtstbijzijnde monteur. Terwijl ze rijden confronteert ze hem misschien wel een seriemoordenaar te zijn. “Me getting in this car with you. You might as well be a serial killer. Sorry, but you do kind of look like one”. Een voorbode van wat komen gaat. En met een knipoog naar de krik (jack in het Engels) als moordwapen.

The House That Jack Built

Met de incidenten die volgen, worden Jacks daden intenser en gruwelijker. Hij leert om goed te wurgen. En zijn dwangmatigheden nemen af. Hij heeft niet meer de neiging om de plaats van het misdrijf tot in de puntjes te reinigen en eindeloos op bloedvlekken te controleren. In een vriezer vol pizza’s bergt hij zijn slachtoffers. Ondertussen blijft bij in dialoog met de mysterieuze Verge, die we niet zien maar horen. Ze hebben het over zijn OCD en wat hem dreef om te moorden. Maar het gaat ook over kunst, architectuur en filosofie. Volgens Verge is er zonder liefde geen kunst. Jack denkt er anders over: “The old cathedrals often have sublime artworks hidden away in the darkest corners for only God to see. The same goes for murder.”

De dialoog culmineert in een discussie over iconen, waaronder Jack ook zichzelf schaart. “As disinclined as the world is to acknowledge the beauty of decay it’s just as disinclined to give credit to those… no, credit to us, who create the real icons of this planet. We are deemed the ultimate evil. All the icons that have had and always will have an impact in the world are for me extravagant art.” Hij haalt verschillende voorbeelden aan, zoals de Stuka uit de Tweede Wereldoorlog. Een vernietigende duikbommenwerper, berucht om zijn snerende sirenes, die de bijnaam “Trumpets of Jericho” kregen.

Hoogmoedig epos
Als Verge Jack vervolgens uitmaakt voor Antichrist, schieten beelden van films van Von Trier voorbij. Hoogmoed? Misschien, maar ook een spel met de kijker. En dat is wat Von Trier met The House That Jack Built steeds lijkt te doen. Van expliciet geweld (vooral vrouwen moeten het ontgelden) tot een overdadig tableau vivant: hij duikt op extreme maar ook gortdroge wijze in de diepste krochten van de menselijke ziel. Von Trier speelt met een combinatie van ironie, zwarte humor en schokkend geweld. Zo is er een briljante scène waarbij Jack ontsnapt uit de handen van een agent. Terwijl zijn bloedrode busje wegrijdt, slingert er een lijk achteraan, een lange rode streep achterlatend. Fame van Bowie schalt uit de speakers.

The House That Jack Built

Toch wringt er iets bij The House That Jack Built. Want wat wil Von Trier nu precies zeggen? Er is een kritische blik op Trumps “Make America Great Again”, getuige de rode petjes die Jack en een gezin dragen en het lugubere gevolg dat dit familie-uitje krijgt. Vrouwen zijn Jacks voornaamste slachtoffers en worden niet bepaald vleiend neergezet: irritant, simpel en makkelijk voor te liegen. Kansloze, lege zielen in Jacks handen en totaal tegenovergesteld aan de empathische verbeelding van het lijden van vrouwelijke personages als Bess McNeill uit Breaking the Waves en Selma uit Dancer In The Dark. En dan is er het solistische betoog van Jack, dat overeenkomsten laat zien met Von Trier zelf. Beiden meesters in het manipuleren van hun publiek, perversiteiten niet schuwend.

Goddelijke Komedie
Met The House That Jack Built heeft Von Trier zijn eigen Goddelijke Komedie gemaakt, waar de megalomanie soms van af druipt. Tegelijkertijd weet je: het is Von Trier, hij speelt een spel met de kijker. En net wanneer je denkt dat hij er met het einde een potje van maakt, verrast hij weer.

Dit epos vol kunst, verderf, pijn en verdriet is uiteindelijk een zoektocht naar verlossing. Een zwart-komische zoektocht welteverstaan, waarbij Von Trier de kijker constant bespeelt. Zoals ook Jack zijn omgeving bespeelt. Dan weer briljant en dan weer potsierlijk; het is een film die verdeeldheid geeft maar wel stof tot nadenken levert. En dat kan je tegenwoordig niet van veel films zeggen.

 

8 januari 2019

 

ONDERTUSSEN, OP DE REDACTIE: Lars von Trier: gek of geniaal?

 

ALLE RECENSIES

IDFA 2018 deel 5

IDFA 2018 deel 5 (slot):
Van sociaal experiment op zee tot uitzichtloze grauwheid in Kabul

door Suzan Groothuis

IDFA 2018 zit er op. Tien dagen lang documentaires op diverse locaties in de stad: van Eye in Amsterdam-Noord tot het Ketelhuis. Tuschinksi en Pathé de Munt, vaste IDFA-locaties, trokken de meeste bezoekers. Vechten om een mooi plekje in Tuschinski’s zaal 1, terwijl de Grolschjes open poppen. 

In dit laatste deel volgen we een experimentele tocht over de Atlantische Oceaan, een reis van een zoon en een vader vol ontboezemingen, de worstelingen van de Britse zangeres Kate Nash en een grauw portret van overleven in de Afghaanse stad Kabul.

 

The Raft

The Raft – experiment met vraagstukken
Je zal er maar op komen: met elf mensen op een vlot over de Atlantische Oceaan. De Mexicaanse antropoloog Santiago Genovés bedacht het in 1973 als sociaal experiment. De vrouwen waren met zes in de meerderheid en zij hadden de belangrijkste rollen: zo was de Zweedse Maria kapitein.

Genovés wilde onderzoeken wat er gebeurt als mensen, afkomstig uit verschillende landen en met een verschillende achtergronden, drie maanden lang volledig aan zichzelf overgeleverd zijn op een kleine oppervlakte. Hoe lang gaat het goed? Hoe verhouden ze zich tot elkaar? Waar ligt het breekpunt, met name op het gebied van geweld, agressie en seksuele aantrekkingskracht?

Elf mensen durfden het aan, van wie veertig jaar later een aantal samenkomt op een gereconstrueerde set om ervaringen te delen. Regisseur Marcus Lindeen laat hen in The Raft terugblikken op hun tijd met elkaar, waarbij grappige en moeilijke momenten worden besproken. Maar het breekpunt waar Santiago op hoopte, werd niet bereikt. De groep leefde in harmonie en zonder te veel gedoe samen. In de media werd het experiment dan ook gekscherend “The Sex Raft” genoemd. Voor Santiago, die voor studie van het experiment aan boord was, een reden om zijn regels aan te scherpen en de boel lekker op te stoken.

The Raft zou je kunnen zien als voorloper van series als Big Brother, maar dan onder levensgevaarlijke omstandigheden. Uiteindelijk zegt het experiment meer over Santiago zelf dan de deelnemers. Terwijl zij nader tot elkaar komen en zich niet gek laten maken door Santiago’s spelletjes, trekt hij zich in eenzaamheid terug. De film geeft een mooi tijdsbeeld van het gedachtegoed van de jaren 70 en laat zien dat een extreme situatie niet altijd leidt tot het slechte in de mens. Jammer alleen dat sommige deelnemers weinig aan het woord komen. Zo weet je van de Japanner Yamaki eigenlijk alleen maar dat hij zich erg aangetrokken voelde tot de Israëlische deelneemster. Wat overigens wel een hilarische scène oplevert.

 

Father and Son

Father and Son – ontboezemingen van vader en zoon
Van een tocht over de Atlantische Oceaan naar een tocht van vader en zoon over land. Documentairemaker Pawel Lozinski besluit samen met zijn vader Marcel, tevens documentairemaker, een roadtrip te maken. Tijdens de reis blijkt dat ze een en ander met elkaar uit te praten hebben. Ze hebben dingen gemeen, zoals hun liefde voor film. Maar er zijn ook onuitgesproken situaties uit het verleden, zoals Marcels scheiding en wat voor invloed dit had op Pawel.

Dan weer grappig, dan weer ontroerend en dan weer pijnlijk en confronterend staan ze elkaar te woord. Pawel is degene die de confrontatie aangaat en doorvraagt, terwijl Marcel zich het liefst voor bepaalde zaken afsluit. Alleen is daar die allesziende camera, die emoties feilloos vangt.

Zoals het ware documentairemakers betaamt, zochten Pawel en Marcel het experiment op. Ze plaatsten twee camera’s in hun camper, een gericht op Pawel en een op Marcel. Deze manier van filmen geeft Father and Son extra intimiteit. Voor Pawel is zijn film een persoonlijk document, waarin de nadruk ligt op zijn jeugd. Marcel maakte zijn eigen versie, Father and Son on a Journey. Pawel, die bij de Q&A aanwezig was, licht toe dat zijn vader een andere editing in gedachten had en er verschillen van mening waren over de inhoud van de film. Niet verwonderlijk als je de eigenzinnigheid van Marcel ziet in Father and Son. Baas boven baas, zal hij gedacht hebben. Jammer dat IDFA de twee films niet als double bill liet zien, want ze draaiden op andere dagen. Het was interessant geweest om de verschillende versies – en visies – te vergelijken. Op zichzelf genomen is Father and Son geslaagd in de intieme vastlegging van een tedere, maar ook moeizame relatie.

 

Kate Nash: Underestimate The Girl

Kate Nash: Underestimate The Girl – creatieve knokker
De Britse zangeres Kate Nash brak in 2007 door met het nummer Foundations. In Kate Nash: Underestimate The Girl volgt regisseur Amy Goldstein haar gedurende een aantal jaren. Nash, die met haar debuut Made of Bricks een enorm succes had (het album kwam binnen op de eerste plaats in de UK Chart), brak al snel met haar lieve imago. Ze ging voor rauw en stoer en wierf een band van alleen maar vrouwen. De platenmaatschappij moest er niets van hebben en dumpte haar.

De film laat in chronologische volgorde zien hoe Nash zich van superster ontwikkelt tot onafhankelijk artiest. Afgewisseld met homevideo’s en beelden van Nash die zichzelf filmt: een idee van Goldstein om zo een intiemer portret van haar persoon te geven.

Het werkt, want wat begint als een formuleachtige film – je bent popidool, je wil wat anders, de platenmaatschappij snapt het niet – ontvouwt zich tot een interessante weergave van Kate Nash en waarvoor zij op muzikaal gebied staat. Sinds ze zonder platenmaatschappij zit, loopt haar carrière niet van een leien dakje: Nash moet knokken om zichzelf en haar creatieve ideeën te bewijzen. Er is voor- en tegenspoed, waarvan de indringendste scènes door Nash zelf zijn vastgelegd. Haar commentaar op de muziekindustrie zegt genoeg over wat muziek maken voor haar betekent: This is a matter of life and death to me because making music keeps me alive. And being in the music industry has almost killed me.”

Nash legt geen gemakkelijke weg af, maar haar doorzettingsvermogen, creativiteit en humor laten zien dat je het ondanks tegenslagen toch ver kan brengen. Hoewel Kate Nash: Underestimate The Girl met een kritisch oog kijkt naar platenmaatschappijen en managers, is het uiteindelijk een optimistisch portret van een gedreven creatieveling die niet opgeeft. Een mooi tegenwicht tegen goede, maar tragische documentaires als Amy, Janis: Little Girl Blue en What Happened, Miss Simone?, waarin muzikanten ten onder gaan aan een constant opgelegde druk.

 

Kabul, City in the Wind

Kabul, City in the Wind – grauwheid en continue dreiging
En dan belanden we in het grauwe, armoedige Kabul, waar de jonge filmmaker Aboozar Amini in zijn debuut Kabul, City in the Wind verschillende levens registreert. Zo volgt hij buschauffeur Abas, die in zijn gammele bus passagiers vervoert door een kapot geschoten stad. Abas doet moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Maar dan stapelen de problemen – waaronder oplopende schulden en een kapotte bus – zich op, en wordt overleven steeds meer een strijd. Zijn jointjes bieden nog een soort van verlossing.

Ook de jonge Afshin en zijn broertje Benjamin worden gevolgd. Hun vader, een ex-militair, laat hen een gedenkplaats zien met portretten van bomslachtoffers. Onder wie zijn beste vriend. Wanneer hij plots naar Iran moet vertrekken, is Afshin verantwoordelijk voor het gezin. Zijn vader maakt duidelijk dat hij het nu voor het zeggen heeft. In korte tijd zien we een jongen volwassen worden.

Amini hanteert een losse, observerende stijl. Hij toont het leven in Kabul zoals het is en dat is niet fraai: grauw, stoffig en onherbergzaam. De zon schemert af en toe door een grijs wolkendek heen. Zijn wijze van filmen houdt een zekere afstand, maar zegt genoeg over wat de personages doorstaan. Immer dreigend gevaar door zelfmoordaanslagen die regelmatig plaatsvinden. Afshin en Benjamin voelen de grond trillen en mogen blij zijn dat het niet in hun straat gebeurd is. Abas’ bus draagt de sporen van een kapotgeschoten stad: de zijkant van het vehikel is met kogels doorzeefd. Een beklemmende impressie.

 

26 november 2018

 

Deel 1 IDFA 2018
Deel 2 IDFA 2018
Deel 3 IDFA 2018
Deel 4 IDFA 2018

MEER FILMFESTIVAL