Guess Who’s Coming to Dinner

Guess Who’s Coming to Dinner (1967) met Sidney Poitier
Lastige thema’s aansnijden als een stuk taart

door Bob van der Sterre

Een bijzondere film, Guess Who’s Coming to Dinner. Gemengde relaties als onderwerp van de film? Gewaagd! Maar is de film echt goed? En hoe zit het met de tranen van Katharine Hepburn?

Witte dochter komt bij witte ouders en toont haar nieuwe vlam: een zwarte man. Ze kennen elkaar tien dagen en willen trouwen. Niet eenvoudig te slikken voor de ouders. Ook al gaat vader Matt juist prat op zijn liberale denken. Het is wat anders als je het zelf moet doen.

Guess Who's Coming to Dinner (1967)
Ze trekken de zere pleister er maar meteen af: is dat maar gedaan. Een avond hebben de ouders om hun zegen te geven. Gelukkig is John een perfecte dokter, die en passant de wereld met VN-operaties erop vooruit helpt. Dat maakt het wel minder zuur. Maar toch. Waarom zo snel?

Eerst komt een vriend, een priester, zijn woordje doen. Dan komen de ouders van John ook op bezoek. Die twijfelen zelf ook. Zelfs de zwarte huishoudster Tilly heeft haar bedenkingen: ze is zeker dat John een oplichter is.

Spanning is om te snijden en eindigt met een speech van vader Matt waarbij hij alle reacties langsgaat.

Van mens tot mens
Guess Who’s Coming to Dinner is zo’n film die vastberaden komt aangerend om een beladen sociaal thema, gemengde huwelijken, aan te snijden als een stuk taart. Dat gebeurt eens niet onder het mom van een thriller maar gewoon, rechtstreeks: van mens tot mens. Soms luchtig, soms serieus.

Dit was ook nog 1967, een zeer woelige tijd waarbij de raciale ongelijkheid nog veel groter was. Niet voor niets zegt vader Prentice tegen zijn zoon: “In zestien of zeventien staten zou je de wet breken. Je zou een crimineel zijn.” Dat was geen overdrijving, dat was echt zo.

Hoe overleeft Guess… anno nu?
Eerst het goede nieuws: veel films missen hart en ziel: niet deze. Dit verhaal van scriptschrijver William Rose (die met het idee kwam) bevat verrassend veel krachtige monologen die je nu nog steeds raken. En bovendien nog wat wranggeestige oneliners: “Hij denkt dat je gaat flauwvallen omdat hij een zwarte man is.” “Nou ik ga niet flauwvallen, maar ik ga er wel even bij zitten.”

Het helpt dat je naar ijzersterk drama-acteerwerk kijkt van acteurs met in wezen komische aanleg, die vaak juist goed hun mannetje of vrouwtje staan in dramafilms. Laat dat maar aan Spencer Tracy, Katharine Hepburn en Sidney Poitier over. Frappant hoe ze zulke schetsmatige typetjes vrij eenvoudig tot leven krijgen. Hepburns nicht Katharine Houghton als Joey werkt verrassend goed als contrast bij deze acteerkanonnen.

En dus een paar mooie oprechte scènes waarbij je even moeten slikken. Met als hoogtepunt als Sidney Poitier tot tranens aan toe aan zijn vader uitlegt dat hij niet zijn eigendom is…

Poitier haalt echt alles uit de kast tijdens deze korte scène. Let op zijn vele blikveranderingen en toonveranderingen als hij die memorabele woorden zegt: “Pa, je bent mijn vader. Ik ben je zoon. Ik hou van jou. Heb ik altijd gedaan en zal ik altijd blijven doen. Maar jij denkt aan jezelf als een man van kleur. Ik denk aan mezelf als een man.”

Of als de ogen van Katharine Hepburn vol tranen staan… Daar komen we nog op terug.

Schematisch en voorzichtig
Dan wat minder goed werkt: de film is voorzichtig en schematisch.

Regisseur Stanley Kramer en scriptschrijver William Rose wisten de film perfect ‘hart’ te geven, maar ze wisten niet hoe ze dat vernieuwend moesten brengen. De film is schaamteloos toneelstukkerig. Alle gesprekken worden onnatuurlijk aan elkaar geregen. En de muziek is ook vrij pover. Alsof het verhaal ‘helaas’ verplicht verfilmd moest worden.

Té schematisch is bijvoorbeeld de metafoor als Matt ijs bestelt en dat hij niet kent maar hem goed smaakt. Vervolgens rijdt hij een zwarte man aan en geeft hém de schuld van de aanrijding. Voilà: hier zijn persoonlijke dilemma in een notendop.

En als liefhebber vraag je je wel een beetje af: wat blijft er over als je het beladen thema uit de film haalt? Op goed acteerwerk en enkele hartverwarmende momenten na, niet veel denk ik. Zonde. In een andere recensie las ik een vergelijking met The Graduate (ook 1967), dat ook over een taboe gaat maar dat aldoor voor minder gewone oplossingen kiest.

De film heeft ook wat eigenaardigheden als je erover nadenkt: de film gaat over wit en zwart maar de ouders van John zijn minder goed ontwikkeld in de film dan de ouders van Joey. En waarom toch die haast?! Zeker voor een stel dat elkaar tien dagen kent… Het geeft het script vaart maar is ook een beetje dwaas. En tot slot heeft John geen enkele slechte eigenschap. Dat maakt hem in feite minder geloofwaardig.

De tranen van Katharine Hepburn
Daar zijn we dan: hoe zit het met de tranen van Katharine Hepburn? Dat is puur verdriet.

Hepburn heeft deze film nooit meer gekeken. Reden: dit waren haar laatste herinneringen aan haar levensgezel Spencer Tracy, met wie ze in negen films samen speelde. Hij was heel ziek tijdens het maken van de film en stierf tien dagen nadat de film klaar was, in juni, terwijl de film pas in december in de VS in roulatie zou gaan.

Katharine Houghton die Joey speelde: “Dat wisten we allemaal. Het was helemaal geen leuke tijd.” Ze hadden zelfs twee scripts: een voor als Tracy eerder zou overlijden, en het gewone.

Misschien dat er daarom zoveel tranen vloeien in deze film. Hepburns ogen schieten iedere tien minuten wel een keer vol. Maar ook de andere acteurs laten de tranen gaan.

Er is een specifieke, bijzonder ontroerende zin aan het einde die haar zichtbaar immens ontroert. Zij dacht alleen op dat moment niet aan de situatie van haar dochter, maar aan haar en Tracy en zijn aankomende sterven. Twee keer ontroering voor de prijs van een.

Tracy zelf was opgelucht dat hij de film nog kon afmaken. De laatste scène was ook zijn laatste scène ooit. Met die wetenschap kijk je toch anders naar deze film. Het is ronduit verbijsterend wat Tracy in zijn doodzieke staat nog aan acteerwerk wist te leveren.

Guess Who's Coming to Dinner (1967)

En Sidney?
Voor Sidney Poitier zou het heel anders gaan: de laatste twintig jaar van zijn leven speelde hij niet meer in films. Anders dan Tracy (die overleed op zijn 67ste) haalde hij de respectabele leeftijd van 94 jaar. Hij overleed afgelopen januari.

Het was een eenzame wereld voor zwarte acteurs in zijn tijd. In een necrologie van NBC wordt een eerdere, schrijnende quote aangehaald: “Ik maakte films toen de enige andere zwarte man daar de schoenenpoetser was. Ik was een beetje de lone guy.”

Misschien was het in zekere zin een voordeel als acteur en als mens dat hij de ballast van Amerikaanse segregatie miste. Hij werd geboren in de VS maar groeide op in de Bahama’s – is zelfs ambassadeur geweest voor de Bahama’s – waar vrijwel iedereen zwart was. Hij ging pas op achttienjarige leeftijd naar Harlem, New York. Was even dakloos, hobbelde van baantje naar baantje. Hij oefende op zijn accent en na een paar toneelstukken ging het opeens snel en debuteerde hij op zijn 23ste in een film.

En toen ging het snel en werd hij een soort symbool als eerste bekende zwarte acteur in de jaren vijftig en zestig. Zijn rollen gingen óók over zijn uiterlijk. Pas in 1965 zou hij in een film spelen waarin zijn kleur geen rol speelde (The Bedford Incident).

Poitier was een intelligente man die kalm omging met alle raciale issues die voor zijn voeten kwamen. Luister naar deze fantastische opmerkingen van Poitier in 1968, bijna weer een speech van Guess… op zichzelf. Het was een eenzame wereld voor zwarte acteurs.

Dus de perfecte rol voor Guess Who’s Coming to Dinner… Net als zijn karakter zou hij zelf ook veel doen voor de burgerrechtenbeweging in de VS. Uiteindelijk deed niets méér voor de zwarte zaak dan meedoen aan deze film die, hoe plompverloren en conservatief ook, toch bijdroeg aan meer onderling begrip. “Hij was de Hollywoodafdeling van de burgerrechtenbeweging!” zei Wesley Morris, criticus van The New York Times.

Het blijft altijd zo vreemd als filmlevens en echte levens via een bizarre kronkel samenkomen.

 

Kijk hier wanneer Guess Who’s Coming to Dinner draait.

 

15 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Movies that Matter 2022 – Het Grote Verzwijgen

Movies that Matter Festival 2022:
Het Grote Verzwijgen

door Jochum de Graaf

Op de begrafenis van haar moeder Lieke wordt Marieke van der Winden aangesproken door Liekes pleegbroer. Van hem hoort ze dat haar geliefde opa en oma ‘fout´ waren in de oorlog, gecollaboreerd hadden met de Duitsers. Haar moeder, relatief jong gestorven op haar 48ste, heeft dat geheim altijd met zich meegedragen en mee haar graf in genomen. Pas dertig jaar later durft Van der Winden het aan zich in haar moeders geschiedenis te verdiepen.

Ze onderzoekt hun levenslange moeizame relatie; de moeder die, vaak labiel, depressief, vlucht in de antroposofie, de opstandige dochter die zich ontwikkelt als punker, als opstandige tiener in kraakpanden gaat wonen. Ze spreekt met vrienden en bekenden van haar moeder, met de buren van de grootouders in de Amsterdamse Jordaan, de volksbuurt waar het altijd zo gezellig was en waar nogal wat NSB-aanhang woonde. Ze gaat naar het dorp in Duitsland waar ze jaren achtereen met die grootouders op vakantie ging en zulke goede herinneringen aan had. De wetenschap van hun collaboratie werpt daar ineens een heel ander licht op. En ze bezoekt het Nationaal Archief waar ze ontdekt dat daar van maar liefst 47 familieleden een dossier bestaat. Ze bezoekt de kampen waar haar opa gevangen zat na de oorlog.

Movies that Matter 2022 - Het Grote Verzwijgen

Het is een ontnuchterende ontdekkingstocht, waarbij Van der Winden, op gezette tijd kritisch bevraagd door echtgenoot/cameraman Sander Snoep, wiens oma Joods was, steeds dichter bij haar moeder komt.

Het is weliswaar een liefdevol monument dat Marieke van der Winden voor haar moeder en ‘andere kinderen die toevallig aan de verkeerde kant van de geschiedenis zijn gevallen’ opricht. Je gaat wel begrijpen waarom ze niet kon schreeuwen, in esoterie vluchtte, haar voornaam veranderde en haar achternaam niet genoemd wilde hebben op de grafsteen. Heel symbolisch poetst Van der Winden het verwaarloosde graf op, waardoor de naam Lieke weer toonbaar wordt.

Grootschalige collaboratie
Het wordt niet helemaal duidelijk waarom Van der Winden nog eens dertig jaar wachtte voor ze haar zoektocht begon. De film had daarbij aan diepgang gewonnen wanneer het verhaal over de grootschalige collaboratie van de familie nog wat meer in context geplaatst was. Hoe erg was het, hebben ze nog steeds onder het taboe te lijden of is het intussen allemaal minder zwart-wit dan het lange tijd leek? Er zijn de afgelopen jaren veel meer documenten, verhalen, bekentenissen verschenen; er is een stichting Werkgroep Herkenning van NSB-kinderen op grond waarvan de geschiedenis van collaboratie meer reliëf gekregen heeft.

Deze film is nog online te zien tot zaterdag 16 april 23.59 uur.

 

15 april 2022


Movies that Matter Festival 2022 – Openingsfilm Navalny
Movies that Matter Festival 2022 – Activisten
Movies that Matter Festival 2022 – Judas and the Black Messiah
Movies that Matter Festival 2022 – Les choses humaines
Movies that Matter Festival 2022 – Sovjet- en post-Sovjetfilms


MEER FILMFESTIVAL

Great Dictator, The

The Great Dictator (1940)
Joodse kapper met geheugenverlies

door Jochum de Graaf

In aanmerking genomen dat The Great Dictator de eerste geluidsfilm van Chaplin is, dat hij het scenario in 1938/39 schreef en dat de film in mei 1940 in New York in première ging op een moment dat de ergste verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog nog moesten komen, is de genialiteit van Chaplin het beste te beschrijven aan de hand van een aantal iconische scènes uit de film.

Allereerst is er de taal, beter nog het gebruik van taal en het taalgebruik. Als dictator Adenoid Hynkel van het imaginaire land Tomania – gemodelleerd naar Adolf Hitler en nazi-Duitsland – steekt Chaplin een donderende speech voor een grote schare idolate aanhangers af: een combinatie van nagebootste Duits/Jiddisch/Katzenjammer-keelklanken, ‘frie sprekken sjtoonk’ , vrij vertaald ‘vrijheid van meningsuiting stinkt’. Na de speech wordt Hynkel per ongeluk door oorlogsminister Herring (Goering) omvergeduwd en belandt onderaan de trap. Herring moet dat natuurlijk beboeten en terwijl Hynkel de batterij aan medailles en andere eretekens van zijn uniform rukt, krijgt hij een enorme scheldkannonade over zich: ‘Straff! Straff da fluten flavin, da tjiezen krekken! Booben, banana!

The Great Dictator (1940)

Pantomime en slapstick
Maar ook in scènes zonder taal betoont Chaplin zich weer de grote meester van pantomime en slapstick. Op de tonen van Wagners Lohengrin, Hitlers favoriete opera, voert Hynkel een sierlijk, verleidelijk ballet met een wereldbol uit, symbool van zijn maniakale droom om de heerschappij over de wereld te krijgen. Net op het moment dat hij denkt die binnen bereik te hebben, zijgt de globe als een zeepbel ineen. Het is een scène die zich met de beste uit de tijd van de stomme film kan meten.

Het staatsbezoek van de dictator van het naburige Bacteria, Benzini Napaloni (Jack Oakie), overduidelijk naar Mussolini gemodelleerd, is een aaneenschakeling van hilariteit. De ontvangst op het station met het telkens moeten verplaatsen van de rode loper, de begroeting met de rechterarm gestrekt omhoog of overdwars waardoor ze elkaar bijna om de oren slaan, dat haantjesgedoe als ze met zijn tweeën naast elkaar in kappersstoelen zitten en om de beurt hun stoelen omhoog krikken om toch op de ander neer te kunnen kijken.

En er is de bijzondere scène in het getto waarin vijf mannen in een taartje moeten bijten nadat hen is verteld dat degene die een muntstuk vindt, is aangewezen om Hynkel te vermoorden. Geen van hen wil de munt vinden en er wordt vals gespeeld, het is te leuk om de uitkomst te verklappen.

Nazi-Duitsland
Het navertellen van de plot is weinig zinvol; van belang is dat Chaplin een dubbelrol vervult. Naast dictator Hynkel speelt hij een Joodse barbier, die met geheugenverlies uit de Eerste Wereldoorlog is teruggekeerd, een rustig leven in het getto probeert op te bouwen, maar door persoonsverwisseling in de positie komt om de dictator voor gek te zetten.

Dat spel met die twee totaal verschillende types die als twee druppels water op elkaar lijken, verschaft Chaplin de mogelijkheid om de opkomst van Hitler en de nazidictatuur zo geniaal te ontmaskeren.

De levens van een van de meest geliefde en van een van de meest gehate personen uit de wereldgeschiedenis vertonen een paar opmerkelijke overeenkomsten. Chaplin werd in april 1889 vier dagen voor Adolf Hitler geboren. Beiden kenden een moeilijke jeugd. Hitler was bekend met het werk van Chaplin, er gaat een hardnekkig gerucht dat hij zijn kenmerkende snorretje ontleende aan ‘The Tramp’. Hij had een aantal films van Chaplin gezien en uit onderzoek na de oorlog is komen vast te staan dat Hitler, terwijl de film in bezet Europa streng verboden was, waarschijnlijk twee keer The Great Dictator gezien heeft, zonder dat we weten wat hij ervan vond, helaas.

Chaplin heeft de opkomst van Hitler en nazi-Duitsland bijzonder goed bestudeerd en geanalyseerd. Behalve de briljante persiflage op Hitler in woord en gebaar, zijn maniertjes, zien we het leven in het getto, er is een aantal referenties aan de Kristallnacht, het bestaan van concentratiekampen wordt genoemd, en meest bijzonder is de wetenschapper die het kantoor van Hynkel binnenstormt en geëxalteerd uitroept dat er een ‘most wonderful, most marvellous’ gifgas ontdekt is ‘that will kill everybody’. Let wel, Chaplin schreef het script in 1938/39 toen de ergste verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog nog moesten komen en de omvang van de holocaust nog nauwelijks gestalte had gekregen.

The Great Dictator (1940)

Slottoespraak
En dan is er de apotheose, de bijna vijf minuten durende Final Speech. Volgens sommigen doet deze slottoespraak met zijn geëngageerd beroep op medemenselijkheid, de rede afbreuk op het voorgaande en toegegeven het is ook een stijlbreuk, geen tijd meer voor comedy, ironie of satire. Het lijkt ook wat knullig dat in eerste aanleg Hynkel de toespraak zal houden en bij nader inzien de Joodse barbier achter de microfoon plaatsneemt.

Maar langzaam wordt het beeld ontdaan van alle randverschijnselen, het publiek verdwijnt uit beeld, de entourage verdwijnt naar de achtergrond en de camera komt in close-up uit op zijn gezicht. Het is uiteindelijk Chaplin zelf die de gloedvolle woorden uitspreekt die vandaag net zo relevant zijn als in 1940, helaas.

Dictators free themselves but they enslave the people! Now let us fight to fulfill that promise! Let us fight to free the world – to do away with national barriers – to do away with greed, with hate and intolerance. Let us fight for a world of reason, a world where science and progress will lead to all men’s happiness. Soldiers! in the name of democracy, let us all unite!

Je zou Chaplin met terugwerkende kracht er de Nobelprijs voor de Vrede voor geven.

 

14 oktober 2021

 

THEMAMAAND CHARLIE CHAPLIN

Gold Rush, The

The Gold Rush (1925)
Een pinguïn in het barre noorden

door Paul Rübsaam

The Gold Rush (1925) van Charles Chaplin gaat over kou, honger, uitputting, eenzaamheid, vernedering en uitzichtloze verliefdheid, maar is toch om je gek te lachen. Dat laatste komt voor rekening van de unieke motoriek, flaters en tegendraadse vindingrijkheid van ‘The Lone Prospector’ alias ‘The Little Fellow’ (Chaplin zelf).

Vroeger kon ik, zoals zovelen, onbekommerd lachen om films van Charlie Chaplin. Later stond ik er wat gereserveerder tegenover. Naarmate ik een bredere kijk probeerde te ontwikkelen op zwijgende films begon ik me te realiseren dat komieken als Chaplin, maar ook Buster Keaton, Harold Lloyd en Stan Laurel en Oliver Hardy te nadrukkelijk mijn beeld hadden bepaald van the silent era. Alsof die oude films altijd zo grappig waren!

The Gold Rush

Nadat ik me vele uren had teruggetrokken met loodzware, ijzingwekkende drama’s als bijvoorbeeld Herr Arne’s pengar (Sir Arne’s Treasure) van Mauritz Stiller uit 1918, Körkarlen (The Phantom Carriage) van Victor Sjöström uit 1921 en Raskolnikov (Robert Wiene, 1923) ondervond ik dat het tegendeel waar is. Gedreven door een principiële humorloosheid vatte ik zelfs het plan op om een website te beginnen over wat ik noemen wilde: ‘all but funny silent movies‘. Het is er (nog) niet van gekomen.

Maar terug naar Chaplin. Want één van zijn films heeft mijn hernieuwde, doorborend kritische, al dan niet vermeend deskundige blik steeds kunnen weerstaan: The Gold Rush uit 1925. Omdat hij niet grappig is, zou ik bijna zeggen. Maar dat is hij wel degelijk. Bij uitstek zelfs. Chaplins kenmerkende humor is echter op virtuoze wijze ingepast in een ‘all but funny‘ kader.

Eenzame gelukzoeker
De ontberingen van de goudzoekers van The Klondike Gold Rush aan het einde van de negentiende eeuw en het tragische lot van de avonturiers van de zogeheten Donner Party, die halverwege de negentiende eeuw vast kwamen te zitten in de sneeuw van de Sierra Nevada (Californië) en zich gedwongen zagen hun eigen schoeisel en elkaar op te eten. Met die inspiratiebronnen begon Chaplin aan zijn project The Gold Rush.

Zijn reeds gekende personage ‘The Tramp’, in de tussentitels dit keer aangeduid als ‘The Lone Prospector’, dan wel ‘The Little Fellow’, is in de sneeuw van Noord-Alaska op zoek naar goud, of in ieder geval een beter leven. Met zijn bolhoed, afgedragen jacquet en eigenaardige motoriek met ietwat naar buiten klappende voeten oogt hij als een pinguïn.

Om te ontkomen aan een sneeuwstorm deelt hij tegen wil en dank een hut met de gezochte misdadiger Black Larsen (Tom Murray) en de goedaardige eigenaar van een goudmijn Big Jim McKay (Mack Swain). De uitkomst van een kaartspel bepaalt dat Larsen in de storm op zoek moet gaan naar voedsel gaat en dat Big Jim en The Little Fellow met steeds legere magen achterblijven in de hut.

Fijnproevers
Geen kijker zal zijn gezicht in gepaste plooi kunnen houden bij het aanschouwen van de erbarmelijke omstandigheden van het drietal. Hilarisch zijn al hun vergeefse pogingen (en vooral die van The Little Fellow) om tegen de sneeuwstorm in of juist met die storm in de rug op fatsoenlijke wijze de hut te betreden of te verlaten.

Bijna te beroemd om zijn lachwekkend gehalte is voorts de scène waarin The Lone Prospector ter gelegenheid van Thanksgiving Day zijn eigen, zorgvuldig gekookte schoen opdient als maaltijd voor Big Jim en hemzelf. Chaplins personage nuttigt de veters met de verfijnde gebaren van iemand die weet hoe je spaghetti moet eten. De spijkers waarmee de zool van de schoen was bevestigd, kluift hij af met het toegeknepen mondje van een fijnproever die zich aan een kippenboutje waagt.

Het schoeiseldieet biedt voor Big Jim echter geen soelaas. Gek van de honger begint de zwaarlijvige goudzoeker te hallucineren. The Little Fellow neemt voor zijn ogen de gedaante aan van een manshoge kip, die hem het water uit de mond doet lopen. Wrang natuurlijk, maar ook aanleiding voor dolkomische scènes.

Droevig dansje
Als ze tegen de verwachting in een beer kunnen schieten en hun honger weten te stillen, gaat het tweetal uiteen, zonder dat de verraderlijke Black Larson op is komen dagen. The Litte Fellow zoekt zijn heil in een ten behoeve van goudzoekers en hun gevolg uit de grond gestampt stadje. In een danszaal aldaar wordt hij op slag verliefd op de verleidelijke, door een rokkenjager achterna gezeten Georgia (Georgia Hale), die hem heel letterlijk niet ziet staan.

De romantische aanvechtingen van The Lone Prospector leiden uiteindelijk tot een andere scène die vanaf de eerste vertoningen van The Gold Rush zoveel lachlust bij het publiek opwekte dat hij zich in ons collectieve bewustzijn welhaast los heeft gemaakt van de film als geheel. De scène waarin Chaplins personage met twee op vorken geprikte broodjes als dunne beentjes met grote voeten een dansje opvoert.

The Gold Rush

De achtergrond van dit komische kunststukje is echter intens droevig. The Little Fellow droomt slechts dat hij het heerlijke gezelschap van Georgia en haar vriendinnen met het dansje aan het schateren krijgt. In werkelijkheid zijn de vier dames helemaal niet verschenen op zijn uitnodiging voor een Oudejaarsdiner in de geriefelijke hut van mijningenieur Hank Curtis (Henry Bergman), op wie The Lone Prospector tijdelijk mag passen en het heertje denkt uit te kunnen hangen.

Detonerend en organisch
The Gold Rush prijkt als titel op menig gezaghebbend lijstje van beste films aller tijden. Voor Charles Chaplin was het de film waar hij bij uitstek om herinnerd wenste te worden. Toch blijft het de moeite waard om op zoek te gaan naar een nog niet (volledig) gegeven antwoord op de vraag wat de film zo bijzonder maakt.

Het heeft iets te maken met de vervanging van de bij het verhaal en de omstandigheden eerder passende tragische (anti)held door een in zijn verschijningsvorm reeds gekende komiek. Die vervanging is in zijn reikwijdte schijnbaar groot, maar toch begrensd. Juist omdat The Little Fellow even detonerend als organisch is opgenomen in het geheel van desperate avonturiers, onherbergzame streken en ondragelijke ontberingen krijgt The Gold Rush de prikkelende ambiguïteit van een film die tot uitbundig lachen aanzet, maar het happy end ten spijt ook weemoedig en droefgeestig stemt.

Dat de zwijgende film uit 1925 in 1942 werd aangevuld met een door Charles Chaplin zelf ingesproken voice-over is eigenlijk overbodig. Gedreven door het ’talkie-virus’ heeft Chaplin de narratieve zeggingskracht van zijn eigen zwijgende personage (en de andere personages in de film) blijkbaar nog onderschat.

 

8 oktober 2021

 

THEMAMAAND CHARLIE CHAPLIN

Ghost World (2001)

REWIND: Ghost World (2001)
Lachen met kiespijn

door Sjoerd van Wijk

In de zwaarmoedige komedie Ghost World doet de eerlijkheid pijn. Sarcastisch commentaar begeleidt alle overdreven typetjes maar de daarmee gepaard gaande droefheid biedt desalniettemin een ladder om uit de put van doemdenken te komen.

Verveeld kijken hartsvriendinnen Enid (Thora Birch) en Becky (Scarlett Johansson) voor zich uit alsof ze ondanks hun jonge leeftijd alle stupiditeit om hen heen al duizenden keren eerder hebben gezien. Net geslaagd voor hun eindexamen (ook al moet Enid beeldende vorming over doen in de zomer) hopen ze snel samen op kamers te gaan. Ze groeien echter langzaam uit elkaar als ze voor de lol de eenzame platenverzamelaar Seymour (Steve Buscemi) voor niets laten opdraven op een date nadat ze zijn contactadvertentie hadden gelezen. Becky doet haar best geld te verdienen met een baantje terwijl Enid begint op te trekken met Seymour en zich vervreemdt van haar omgeving.

Ghost World (2001)

Potemkin-dorp
Ze tekent in haar plakboek, een knipoog naar regisseur Terry Zwigoffs vorige film Crumb (1994), cartoons die alle banaliteit om haar heen vastleggen. Getrouw aan de gelijknamige graphic novel van co-scenarist Daniel Clowes schiet cinematograaf Alfonso Beato de omgeving ook als stripboek in frontale kaders. De beelden scheppen constant een lege diepte in een Potemkin-dorp waar nauwelijks figuranten rondlopen. Feit en fictie smelten er samen in een façade zonder verborgen achterkant zoals een jarenvijftig-eettent waar hiphop uit de luidsprekers knalt. Een hyperrealiteit, filosoof Jean Baudrillards term voor de moderne wereld vol kopieën zonder origineel.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Ghost World doet zijn filmtitel eer aan, want al dat neppe geldt evengoed voor ieders persoonlijkheid. In een hilarisch moment belooft Blues Hammer muziek “rechtstreeks uit de Delta” maar gaat vervolgens los op drie elektrische gitaren. De zanger kraamt de teksten over slavernij uit alsof dat nare verleden slechts coolheid signaleert. Met net zulke scherts werkt de mens als pure presentatie in tijdens Enids kunstlessen. Voor de pretentieuze lerares (Illeana Douglas speelt haar sterk prikkelend als iemand zonder zelfbewustzijn) en de brave leerlinge die in haar smaak valt met conceptuele werken blijkt kunst een puur intellectueel spelletje losgezongen van enige waarheidsfunctie. Het schuift nare zaken onder het tapijt.

Saaie dystopie
De film schetst zo een saaie dystopie waar verbondenheid en bevlogenheid geen kans krijgen de neerwaartse spiraal van anhedonie te doorbreken. Cabaretier George Carlin legde ooit in een interview uit hoe hij de mensheid had opgegeven en geamuseerd naar haar ondergang keek als buitenstaander. Als twee filosoof-koninginnen slenteren Enid en Becky rond met diens mentaliteit. Sarcastisch becommentariëren zij soms op het gemene af de banale plekken en mensen op hun pad, geestige karikaturen zoals een ‘satanistisch’ koppel in een koffietent. Vervelende klasgenoten kunnen achter hun rug rekenen op schamperende blikken. Met name Birch schittert als egocentrische tiener vol denigrerende blikken die toch mededogen met haar frustraties afdwingen.

Ghost World (2001)

Initieel hanteren de twee hartsvriendinnen zo een cynisme jegens de buitenwereld die soms de rigeur lijkt in hedendaagse cinema. Maar Ghost World durft verder te gaan dan louter dat uitstippen van de saaie dystopie. Leven in zo’n wereld en de psychologische consequenties gaat de film niet uit de weg. Voor Becky blijkt het sarcasme een aangemeten persoonlijkheid snel ingewisseld voor een verantwoordelijker houding, betoverd als ze tijdens het winkelen is door blauwe bekers die ze zich eindelijk kan veroorloven. Buscemi als Seymour weet net als in bijvoorbeeld Trees Lounge (1996) zowel sukkelig als sympathiek over te komen en maakt zo sociaal ongemakkelijke situaties tot een smart. Hij lijkt een baken van authenticiteit temidden van alle nepheid, maar verliest zichzelf ook in de ficties van 78 inch-platen of onmogelijke romantische escapades als ontsnapping.

Eerlijk
Het zelfbewustzijn dat hij daarbij etaleert, geeft zijn verhaal een tragikomische lading. Ook Enid durft pijnlijk eerlijk tegenover haarzelf te zijn. Schrijver Jonathan Franzen schreef in een essay over de klimaatcatastrofe hoe te erkennen dat het te laat is om deze te voorkomen juist aanspoort tot doen in plaats van doemdenken. Precies zo beweegt Enid in plaats van zelfvoldaan Carlin-achtig observeren tot een confrontatie met haar persoonlijke inzicht in een krachtig ambivalent einde. Gestimuleerd door een man wachtend voor een bus uit dienst pakt zij door in haar persoonlijke teleurstelling in de mensheid, maar blijft haar tragische afstoten van anderen rondhangen als vraag. Op deze manier trapt Ghost World sarcastisch lol terwijl het tegelijkertijd een eerlijk verhaalt durft te vertellen over persoonlijke houdingen in uitzichtloze tijden. Het is lachen met kiespijn.

 

GHOST WORLD KIJKEN: o.a. op YouTube.

 

Meer REWIND

Gunda

****
recensie Gunda

Geknor als dialoog

door Bob van der Sterre

Gunda van Viktor Kossakovsky is een prachtige film over varkens, kippen en koeien. Net als in veel speelfilms is er komedie, drama en zijn er dialogen, alleen verstaan we dit keer de talen niet en is er geen ondertiteling.

Het zijn de ogen die je het meest bijblijven in de film. De blik van Gunda, het varken, van de kippen, en van de koeien – ze staren je aan en spreken ermee. Dat katten en honden dat doen, weten de meeste mensen wel. Maar wie had wel eens in de mooie ogen van een koe gekeken zoals deze film doet?

Gunda

Een Kossakovsky-film kun je niet beschouwen zonder de auteur erbij te halen. En hij is gretig in het geven van interviews dus het is niet lastig om zijn visie te achterhalen. Kossakovsky is (net als ondergetekende trouwens) al lang vegetariër. Als vierjarige was hij getraumatiseerd dat een varkentje dat zijn vriendje was geworden werd gebruikt voor een maaltijd. Hij zag naar eigen zeggen toen al in dat ze emoties hadden.

In 1997 kwam hij plotseling op het idee om een film te maken over de ‘heilige drie-eenheid kippen, varkens en koeien’. Het duurde twintig jaar voor hij de financiën rondkreeg. Het idee van een documentaire in zwart-wit, over dieren, dat ging er niet makkelijk in. Olifanten, apen, ja, daar kijken mensen naar. Hij vindt dat maar niets. “Waarom niet over varkens? We kennen ze al duizenden jaren. We eten ze maar verder kijken we nooit naar ze.”

Vier biggetjes, schouder aan schouder
Gunda biedt deze beesten zoals je vermoedelijk niet eerder zag in een film. Je ziet biggetjes sabbelen aan tepels (en hoe Gunda dat moet ondergaan). Biggetjes die regen uit de lucht happen. Mooi beeld: de vier biggetjes die voor de schuur buiten staan, letterlijk vier op een rij, schouder tegen schouder, om daarna een voor een de stal binnen te gaan. Kippen die hun ‘jungle’ verkennen. Koeien die nergens in het bijzonder heen denderen, gezellig bij elkaar, als een soort voetbaltraining.

In een interview met Het Parool vertelt Kossakovsky dat hij zes maanden had uitgetrokken voor de voorbereiding. Ze hadden verwacht maanden bezig te zijn met het zoeken naar een protagonist. “Al op de eerste boerderij die we bezochten was het raak. Gunda kwam zelf op ons af stappen, we hadden direct contact. Er was zo veel te lezen in haar ogen.”

Daarna dus filmen: om 4:00 bij de schuur, tot zonsondergang. Alles draaide om het vertrouwen van de dieren, legt hij uit in interviews. “Een grote camera is geen probleem. Ze vertrouwen je snel. De makkelijkste film die ik ooit heb gemaakt.”

Geen propaganda, wel waarheid
Vleeseters kunnen rustig naar de film: dit is géén propaganda voor vegetariërs. Kossakovsky wilde geen enkel beeld manipuleren en wil ook niemand overtuigen. Ook kleur ontbreekt: de film is zwart-wit. Met reden natuurlijk: “In zwart-wit focus je op de ogen, waarmee je dus veel meer aandacht hebt voor die persoonlijkheden.” En ook geen muziek zoals vrijwel standaard is in dierendocumentaires. “Je kijkt naar de waarheid.”

Het meest schurende stukje is vermoedelijk van de kippen die hun hele leven opgesloten zijn geweest, en ineens de kans krijgen om de wereld om hen heen te ontdekken. Je ziet de angst in de ogen van de kippen. Ook al stond het deurtje van de kooi open, duurde het volgens Kossakovsky een uur voor de eerste kip eruit durfde te gaan.

Een met een poot hippende kip, bevrijd uit gevangenschap, nieuwsgierig rondkijkend in wat zijn wereld had moeten zijn: dat is natuurlijk prachtige, ontroerende cinema. Kossakovsky vertelde dat hij hier nog een mooi stuk had weggelaten, namelijk dat de tweede kip uit angst terugkeerde in de kooi. “Dat was mooi maar zou het tempo uit de film hebben gehaald en te politiek hebben gemaakt.”

Dan blijkt dat ook Kossakovsky een mens is en tegen zijn eigen regels in een documentaire maakt met een boodschap. “Ja, het werd tijd voor een boodschap. Vergeef me.” In praktisch alle interviews die hij doet, somt hij ook de lugubere cijfers op: Elk jaar (!) eten we anderhalf miljard varkens, 66 miljard kippen, bijna een half miljard koeien en ontelbare vissen. En dan nog paarden, schapen, konijnen, eenden…

Gunda

Een snaar geraakt buiten Europa
De film raakt de snaar die je kunt indenken dat ie raakt. Kossakovsky vertelt hoe hij bedolven wordt onder de post van ontroerde mensen. Recensies zijn méér dan lovend: The New York Times, The Guardian, The Wall Street Journal, Rolling Stone, ga zo maar door, ze strooien met complimenten.

De jubelrecensies gaan eerlijk gezegd in veel gevallen niet veel verder dan platitudes dan dat ze beschrijven wat ze er zo vernieuwend aan vinden. Deze film past goed bij Kosakovsky’s kenmerkende onvoorspelbaarheid, zoals ook in zijn vorige film: Aquarela (iets beter dan Gunda, hoewel het appels met peren vergelijken is).

Een groot verschil met andere films is dat de Verenigde Staten nu ook de eigenzinnige documentairemaker lijken te ontdekken. Dat is iets nieuws voor de Russische filmmaker, die wel bekend was in Europa, maar daarbuiten niet zo. Het hielp voor de bekendheid van deze film ook dat Joaquin Phoenix – een van de bekendste veganisten in de VS – er als producer bij aangesloten was.

We hoeven Kossakovsky nu niet te verdenken van snode commerciële belangen met dit project, want zijn hele carrière maakt hij films die nauwelijks geld opbrachten, en dat heeft hem nooit tegengehouden. Gunda kan wel eens zijn knaller zijn – en dat is hem gegund.

En Gunda? Ze zal in elk geval na een mooi leven sterven van ouderdom.

Meer over dieren en emoties? Bekijk dan de website: Indipendenza.nl.

 

19 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

Goodbye, Dragon Inn

***
IFFR Unleashed – 2004: Goodbye, Dragon Inn
Is de bioscoop vervloekt?

door Cor Oliemeulen

Het plotloze Goodbye, Dragon Inn toont de verstilde schoonheid van een bioscoop die door gebrek aan belangstelling de deuren moet sluiten. De meeste actie komt van het witte doek in de zaal, maar de schamele bezoekers hebben wel wat beters te doen.

Het Fu-Ho Grand Theater in Tapei zit bomvol toeschouwers die kijken naar de wuxia-film Dragon Inn. Het is 1967 en we zien boven vanuit de projectieruimte door een spleet van wapperende gordijnen flarden van de bezoekers en het filmdoek. Naadloos gaat dit beeld over in een bijna lege zaal waar diezelfde klassieker van King Hu nu zo’n vijftien jaar later wordt vertoond. Onze aandacht gaat uit naar een oudere man die de film kijkt terwijl wij het geluid van opgewonden sprekende en zwaardvechtende mensen horen. Er verschijnen emoties op het gezicht van de man en we zien nu dat hij zelf meespeelde in Dragon Inn.

Goodbye, Dragon Inn

Film kijken is bijzaak
Goodbye, Dragon Inn (Bu San, 2003) is een nostalgisch eerbetoon aan de bioscoop en de film (net als The Last Picture Show uit 1971 en Cinema Paradiso uit 1988), maar schetst tegelijkertijd het sombere beeld van een theater dat wegens teruglopende belangstelling de deuren zal moeten sluiten. Buiten regent het onophoudelijk pijpenstelen en binnen zoekt een Japanse toerist onderdak. Hij heeft geen vuur om zijn sigaret aan te steken. In een aantal droogkomische fragmenten in de zaal, bij de wc’s en in de gangen, waar her en der lekkend water in emmers wordt opgevangen, probeert hij niet alleen een vuurtje te krijgen, maar heeft het er ook alle schijn van dat hij hier niet de enige man is die (homoseksuele?) contacten probeert te leggen.

Je moet houden van de lange, vaak kleurrijke, statische shots van Ming-liang Tsai. De veel bejubelde Taiwanese cineast (hij won in 1994 voor zijn tweede speelfilm Vive l’Amour de Gouden Leeuw in Venetië) maakt de kijker volkomen afhankelijk van zijn beelden, die vooral betrekking hebben op de stuntelige communicatie tussen personages en hun moeizame pogingen om emoties te uiten. Pas na 44 minuten in Goodbye, Dragon Inn wordt de eerste dialoog uitgesproken. ‘Weet je wel dat deze bioscoop vervloekt is’, zegt de man van wie de Japanse toerist uiteindelijk een vuurtje krijgt. Uitleg volgt niet, de kijker moet het stellen met zijn eigen gedachten en associaties.

Goodbye, Dragon Inn

Elke stap die je zet
Het heimelijke verlangen naar communicatie komt eveneens tot uiting tussen het kassameisje en de operator. Het kassameisje heeft zo te zien een klompvoet en loopt als gevolg hiervan tergend langzaam door gangen en op trappen. De kijker is getuige van bijna elke stap die zij zet. Kennelijk heeft zij zich – op deze laatste avond voordat de bioscoop (tijdelijk?) zal sluiten – voorgenomen na zoveel tijd (nader) kennis te maken met de operator. Maar eenmaal aangekomen in de projectieruimte is hij daar niet. Dan maar weer naar beneden terwijl de camera op afstand het meisje in deze troosteloze omgeving observeert.

Als je op zoek bent naar een film met actie (en wat voor actie!) kun je veel beter Dragon Inn zélf kijken. Goodbye, Dragon Inn kabbelt een kleine anderhalf uur voort en is bijna ongekend minimalistisch. Maar juist daardoor word je als kijker uitgenodigd tot nieuwsgierigheid en een beschouwende houding. Een dergelijke weemoedige film over film en het destijds door Ming-liang Tsai gevreesde verdwijnen van de cinema krijgt in deze tijd van lockdowns met het daadwerkelijk sluiten van bioscopen een extra dimensie. De vraag is dan ook welke (Nederlandse?) regisseur – opnieuw zo’n vijftien jaar later – de gelegenheid neemt om een film over een gesloten bioscoop te maken. Met enkel een schoonmaakster, een beveiliger en een fijnzinnig gevoel voor kadrering komt die vast een heel eind.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 26 mei 2021.

15 april 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Gli anni più belli

**
recensie Gli anni più belli

Italiaanse Breakfast Club wordt ouder

door Paul Rübsaam

Gli anni più belli behandelt een vriendschap tussen vier personen over een periode van bijna veertig jaar. Menig kijker zal in minstens één van de protagonisten iets van zichzelf herkennen. Maar de pretentie dat de ontwikkeling van de tijdgeest van 1982 tot 2020 wordt geschetst, maakt deze clichématige Italiaanse film niet waar.

Aanvankelijk, we schrijven 1982, zijn ze met zijn tweeën: Giulio en Paolo, twee zestienjarige Romeinse jongens. Tuk op sensatie sluiten de vrienden zich aan bij een politieke demonstratie, waartegen de politie hard optreedt. Een politiekogel treft een leeftijdgenoot in zijn buik. Giulio en Paolo brengen de onbekende jongen naar het ziekenhuis. Riccardo, zoals hij blijkt te heten, overleeft het. Voortaan zijn de drie jongens onafscheidelijk.

Gli anni più belli

De vastberaden Giulio (Pierfrancesco Favino), de dromerige jonge intellectueel Paolo (Kim Rossi Stuart) en ongeleid projectiel Riccardo (Claudio Santamaria) beleven een mooie zomer in het huis aan een meer van Riccardo’s vrijgevochten ouders. Spoedig daarna zet Paolo als eerste zijn schreden op het liefdespad. Met een spreekbeurt over vogels, waarbij hij zijn eigen parkiet Lucy als voorbeeld gebruikt, maakt hij indruk op zijn vaderloze klasgenote Gemma, wier moeder ernstig ziek is. Gemma (Micaela Ramazzotti) wordt het meisje van Paolo, die haar aanbidt. Maar ook voor Giulio en Riccardo is ze de vriend(in) die het kwartet completeert.

Het enige dat het viertal nog mist is een vehikel waarmee de nodige avonturen beleefd kunnen worden. Giulio weet een van de sloop geredde, rode Mercedes-cabriolet weer aan de praat te krijgen. Nadat het uitgelaten viertal zijn eerste ritje heeft gemaakt, laat het zich met het voertuig op de achtergrond vereeuwigen door een voorbijganger. Die foto zal slechts een momentopname blijken. Want Giulio’s vader verkoopt de auto, wat tot een definitieve breuk met Giulio leidt. En ondertussen sterft Gemma’s moeder.

Gli anni più belli

Tijdsbeeld?
Gemma gaat bij haar tante in Napels wonen, waar ze zich in het ruige uitgaansleven stort en een relatie aanknoopt met een Napolitaanse cokedealer. Paolo moet het doen met haar van tranen doordrenkte afscheidsbrief. Giulio gaat rechten studeren en neemt zich voor het op te gaan nemen voor de zwakkeren in de samenleving. Paolo begint aan een studie Italiaans en klassieke talen en Riccardo beproeft zijn geluk als figurant bij theaterproducties.

Allengs worden de tijdsprongen in Gli anni più belli (De mooiste jaren) groter. Als we wat archiefbeelden zien, bijvoorbeeld van 9 november 1989, de dag waarop de Berlijnse muur viel, horen we ondertussen Giulio verklaren dat hij uitgerekend op die dag afstudeerde. Dan weten we welk jaar het is en bovendien in welke levensfase het personage zich bevindt. Naar een verband tussen die levensfase en dat algemene tijdsgewricht blijft het echter gissen.

Om veel te kunnen zeggen met één beeld sleept regisseur Gabriele Muccini (A casa tutti bene, 2018) voorts de clichés binnenboord. Op het huwelijksfeest van Riccardo en zijn bruid Anna, ergens in de jaren negentig, flirt de tijdelijk weer bij Paolo teruggekeerde Gemma met Giulio. Ze doet dat middels verleidelijke heupbewegingen op de maat van het door een gelegenheidsbandje ten gehore gebrachte Don’t you (forget about me) van The Simple Minds. Kon Muccini niet met een originelere keuze komen dan dit overbekende nummer uit de vermaarde Amerikaanse tienerfilm The Breakfast Club (1985)?

Nog zo’n voorbeeld. Als de maatschappelijk aan lager wal rakende Riccardo de enige blijkt met wie Gemma een platonische, maar werkelijk vriendschappelijke relatie onderhoudt, moet dat gevierd worden, waarbij we niet mogen vergeten dat we ons in Rome bevinden. Dus nemen Gemma en Riccardo een bad in de Trevifontein, om La Dolce Vita (1960) van Federico Fellini maar weer eens te citeren.

Gli anni più belli

De trap van haar leven
‘Herkenning’ is zonder twijfel het sleutelwoord bij Gli anni più belli. Daarvoor heb je tevens aanraakbare personages nodig. Dat die inderdaad ten tonele worden gevoerd, mag wél een verdienste heten van zowel de regisseur als de acteurs.

Als kijker ben je geneigd de advocaat Giulio te verguizen als hij zijn idealen inlevert voor aanzien en geld. Maar je kunt hem ook begrijpen. Dat laatste geldt eveneens voor Riccardo, die na twaalf ambachten en dertien ongelukken nog maar één ding verlangt: de liefde van zijn zoon. De geboren docent Paolo gun je voorts dat hij eindelijk eens als zodanig mag schitteren.

En dan Gemma. Na de dood van haar moeder ontwikkelt ze zich tot een opportunistische, bittere jonge volwassene. Maar op middelbare leeftijd ontdooit ze weer. Ze vormt het middelpunt van een scène waarin ze ‘de trap van haar leven’ beklimt. Stuivend over de treden, van verdieping naar verdieping steeds ouder wordend, komt ze uiteindelijk aan bij de kamer waar haar geluk wacht. Een knappe montage en een beeld dat je bijblijft, in een film echter waarin het meeste hout van te dikke planken wordt gezaagd.

 

1 augustus 2020

 

ALLE RECENSIES

God Exists, Her Name is Petrunya

****
recensie God Exists, Her Name is Petrunya

De fragiliteit van het patriarchaat

door Michel Rensen

In een opwelling verslaat Petrunya alle mannen in het dorp tijdens een religieus ritueel. God Exists, Her Name is Petrunya is een bijtende, feministische satire over de rol van religie en het patriarchaat in Noord-Macedonië.

Petrunya’s leven ziet er niet rooskleurig uit. Begin 30, werkloos en ze woont nog steeds in haar ouderlijk huis. Als historicus in een klein dorp heeft ze geen uitzicht op werk en haar moeder blijft ook nog eens aandringen dat het nu toch wel echt tijd wordt om een man te gaan zoeken. Wanneer haar moeder een sollicitatiegesprek voor Petrunya regelt, blijkt de fabriekseigenaar een ouderwetse viezerik die niet alleen voor professionele werkzaamheden op zoek is naar een secretaresse. Nadat Petrunya zijn avances hardhandig afwijst, stuurt hij haar met een walgelijk seksistische tirade weg. In elk opzicht is Petrunya een buitenbeentje in haar traditionele, patriarchale omgeving in Stip, Noord-Macedonië.

God Exists, Her Name is Petrunya

Kruisbeeld
Elk jaar, midden in de winter, laat de lokale priester een kruis vanaf een brug in de rivier vallen. De mannen houden vervolgens een wedstrijd om het kruis uit het ijskoude water op te duiken. De winnaar krijgt niet alleen een jaar geluk, maar kan vooral laten zien dat hij beter is dan alle andere mannen. Wanneer Petrunya het ritueel gadeslaat, besluit ze in een opwelling achter de mannen aan de rivier in te springen. Wanneer juist zij uitgerekend met het kruisbeeld uit het water komt, ontstaat onrust onder de mannen die ervan overtuigd waren dat zij dit jaar met de hoofdprijs boven water zouden komen. Dat uitgerekend een vrouw het kruisbeeld uit het water vist, is hun ergste nachtmerrie.

Hoewel de priester Petrunya in eerste instantie feliciteert met haar overwinning, forceert de woedende menigte hem snel van mening te veranderen. Terwijl de mannen onderling hun beklag uiten, rent Petrunya er met haar prijs vandoor. Het duurt niet lang tot de politie gemobiliseerd wordt om de ‘dief’ te arresteren. Ook journaliste Slavica gaat snel op zoek naar Petrunya, aangezien ze in het voorval hét feministische breekpunt ziet waar ze al haar hele carrière op wachtte. Na Petrunya’s arrestatie blijkt het probleem echter niet zo makkelijk opgelost. Zij heeft met haar actie geen enkele wet gebroken en de kerk noch de woedende menigte heeft wettelijk een poot om op te staan. Petrunya houdt standvastig vast aan haar overwinning.

Feministische satire
Regisseur Teona Strugar Mitevska creëert met God Exists, Her Name is Petrunya een bijtende satire op patriarchale machtsstructuren in het hedendaagse Noord-Macedonië. Als de priester Petrunya aanvankelijk feliciteert, maar die woorden meteen terugtrekt, is het duidelijk dat de macht wellicht niet alleen bij de kerk ligt, maar ook bij de kerkgangers. De film bevraagt continu dit soort machtskwesties over het patriarchaat. De film legt de botsing tussen de wet en de wetteloosheid van de massa bloot, de gebrekkige scheiding tussen kerk en staat, en de machteloosheid van de kerk tegenover deze massa. Wie bepaalt de wetten en waar ligt de macht daadwerkelijk?

God Exists, Her Name is Petrunya

Petrunya heeft geen wet gebroken, maar wordt toch opgepakt en vastgehouden tot ze haar ‘gestolen’ kruis teruggeeft. De priester blijkt vergeeflijker dan zijn volgelingen. Er is geen regel die zegt dat vrouwen niet aan het ritueel mogen deelnemen, maar de fragiliteit van de mannelijkheid van de lokale bevolking staat het niet toe. Niets is erger voor deze mannen dan geconfronteerd worden met een vrouw die het beter kan. De dreiging van geweld blijft op een enkele moment na vooral off-screen, waarbij vooral het onkundige handelen van alle mannen in deze film aan het licht komt. De politieagenten weten eigenlijk ook niet wat ze met het voorval aanmoeten. Ondanks de zware thematiek blijft de toon van de film licht.

Motivatie
Ook de ambitieuze Slavica heeft geen smetteloze motivatie. Ze ziet Petrunya’s actie vooral als haar moment dat haar als lokale journalist nationaal op de kaart zal zetten. Onder valse voorwendselen praat ze zichzelf het politiekantoor binnen waar ze Petrunya ervan probeert te overtuigen alleen met haar te praten. Ze legt Petrunya herhaaldelijk activistische frasen in de mond waar Petrunya zelf weinig voor lijkt te voelen.

Petrunya’s moeder vormt als tegenhanger de sterkste voorstander van het patriarchaat. Steeds probeert ze Petrunya in een traditionele vrouwenrol te duwen. De hardnekkigheid van patriarchale machtsrelaties is alom aanwezig en daardoor ook door de vrouwen geïnternaliseerd. Wellicht leidt de opschudding van Petrunya’s acties op termijn toch tot verandering.

 

21 juli 2020

 

ALLE RECENSIES

Gauguin: From the National Gallery, London

***
recensie Gauguin: From the National Gallery, London

De geboorte van de schilder als kunstenaar

door Ries Jacobs

Op 8 mei 1903 stierf de schilder en beeldhouwer Paul Gauguin na een leven vol armoede en miskenning. Nu zijn de kunstwerken die hij maakte miljoenen waard. Gauguin: From the National Gallery, London toont ons het leven en werk van de kunstenaar aan de hand van de tentoonstelling die afgelopen najaar in het museum in de Engelse hoofdstad te zien was. 

Na Secret Impressionists van de serie Arts in Cinema is Paul Gaugain aan de beurt. Tot zijn bekendste werken behoren ongetwijfeld de schilderijen van Polynesische vrouwen die hij aan het einde van zijn leven tijdens zijn twee verblijven in Tahiti maakte. Zijn aankomst op het eiland in de Stille Zuidzee was echter een bittere teleurstelling. Waar hij natuurmensen verwachtte te zien die niet aangetast waren door de moderniteit, stuitte hij op keurige Fransen en verpauperde kolonialen. Pas toen hij dieper landinwaarts trok, zag hij wat hij hoopte.

Gauguin: From the National Gallery, London

Zijn leven lang was Gauguin gefascineerd door het eenvoudige (boeren)leven als beter alternatief voor de grauwe moderniteit van de stad. De documentaire laat goed zien waar de oorsprong van deze fascinatie ligt. Zijn vader Clovis Gauguin, een maatschappijkritische journalist, vluchtte in 1850 na politieke omwentelingen van Frankrijk naar Peru en nam zijn jonge kinderen mee. De vroegste jeugdherinneringen van Gauguin stammen uit Peru. In 1848 keerde hij als zesjarige terug in Frankrijk en bracht zijn jeugd door in Orléans en Parijs. De rest van zijn leven had hij een hang naar het eenvoudige (Peruviaanse) leven.

Vincent van Gogh
Beïnvloed door de impressionisten, met name Camille Pissarro, begon de huisvader en zakenman Gauguin in de jaren 1870 te schilderen om zich hier vanaf 1885 volledig op toe te leggen. Drie jaar later leefde en werkte hij samen met Vincent van Gogh in het Zuid-Franse Arles. Beiden hadden de idylle van het landleven als voornaam thema, maar waar Van Gogh het doek royaal met verf besmeerde, was Gauguin soberder en ingetogener.

In The National Gallery loopt kunstenaar Billy Childish langs de geëxposeerde schilderijen en vergelijkt het portret dat Gauguin maakte van madame Roulin met het schilderij dat Van Gogh maakte van deze dame. Dit doet hij zonder teveel in te gaan op technische details, waardoor zijn uitleg ook voor mensen zonder kunsthistorische achtergrond te volgen is. Gauguin: From the National Gallery, London is meer dan een biografie, maar toch toegankelijk voor iedereen.

Gauguin: From the National Gallery, London

Eigen invulling van de realiteit
De voice-over is van acteur Dominic West (bekend van onder andere The Wire) en de Britse documentairemaakster Patricia Wheatley neemt de regie voor haar rekening. Wat ze niet belicht is de invloed die de uitvinding van de fotografie heeft op de schilderkunst in de tweede helft van de negentiende eeuw. Daarvoor werkten schilders vaak in opdracht. De technisch meest vaardige schilders verdienden veel geld en lof. Na de intrede van de fotografie was het voor de schilder niet langer zaak om de realiteit zo goed mogelijk op het doek te kopiëren, het was de bedoeling om een eigen invulling te geven aan die realiteit. Mensen gingen voor het vastleggen van een portret of iets anders naar de fotograaf.

Gauguin: From the National Gallery, London laat wel zien hoe in die periode aan nieuw soort schilder zijn intrede deed. Gauguin en veel van tijdgenoten creëerden wat zij voelden en waren daarin compromisloos, wat vaak resulteerde in miskenning en bittere armoede. Deze tijd markeerde de geboorte van de schilder als bohemien en kunstenaar.

Kijk hier waar Gaugain: From the National Gallery, London vanaf 2 juli draait.

 

29 juni 2020

 

ALLE RECENSIES