David Lynch’s nostalgietrip

The Straight Story
David Lynch’s nostalgietrip

door Sjoerd van Wijk

Omhoog kijken naar de sterren, net als vroeger. Dat is Alvin Straights doel als hij op zijn oude grasmaaier stapt om nog eenmaal zijn broer te bezoeken. Zijn tocht in The Straight Story raakt de harten van innemende zonderlingen onderweg. En het toont indirect het nostalgische hart van regisseur David Lynch.

Sinds vorige week is er een expositie over zijn werk in het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Waar iedereen het vooral zal hebben over films als Eraserhead of Mulholland Drive, is het juist in The Straight Story (1999) waar de regisseur wellicht op zijn eerlijkst is.

The Straight Story

De nachtmerries zijn verdwenen
Ogenschijnlijk is dit ondergewaardeerde werk een Disney-versie van zijn beleving. Daadwerkelijk door deze maatschappij geproduceerd, zijn de nachtmerries verdwenen uit zijn droomwereld. Maar stilistisch is het nog steeds onmiskenbaar de regie van zijn hand. Nog steeds zijn er de associatieve beelden die soepel in elkaar overlopen, van eindeloze graanvelden naar Alvin op de grasmaaier genietend van de zon. Waar normaliter het flikkerende licht een omineuze voorbode is, accentueert het hier de angsten van Alvin (Richard Farnsworth) en dochter Rose (Sissy Spacek). Doordat de griezelige angel ontbreekt, is The Straight Story een magisch-realistisch epos over ouderdom in plaats van een surrealistisch spel met de donkere kant van de mensheid.

Zoals met al Lynch zijn betere werk, heeft hij niet alleen aan de schrijftafel gezeten. Scenaristen Mary Sweeney en John Roach weten de voor hem gebruikelijke sfeer om te buigen van waan naar ideaal. De licht eigenaardige typetjes lijken zo uit Twin Peaks (1990) weggelopen te zijn. De subtiele tik van de molen werkt puur humoristisch en daarmee ook hartverwarmend. Een vreemde tweeling met markant stereotype werkkleding gaat domweg mee met Alvins afdingen. Onderweg raakt een dame theatraal overstuur door het aanrijden van een hert, wellicht het duisterste wat The Straight Story te bieden heeft. Er is zelfs een kleine rol voor Twin Peaks-acteur Everett McGill die de vergelijking met deze serie alleen maar versterkt.

The Straight Story

Het werkt allemaal charmerend met Lynch’s ingetogen opnames waar de focus niet alleen op Alvin, maar ook op zijn omgeving lijkt te liggen. De kleine dorpjes zijn ditmaal geen façade waarachter duisternis heerst. Zo herbergt het gelijknamige plaatsje in Twin Peaks tal van gruwelijke geheimen. Personages lopen rond in een kitscherige wereld, die door het kunstmatig theatrale karakter snel omslaat in een unheimisch gevoel. Het is niet alleen rozengeur en maneschijn in deze soap, want het vervreemdende heeft ook beklemmende effecten. Lynch lijkt te zeggen dat aan het oppervlak het artificiële misschien gelukzalig is, maar dat het ons losmaakt van onszelf. Van het perfecte witte hek met rozen in Blue Velvet gaat het bergafwaarts naar het naargeestige sadisme van schurk Frank.

Warm humanisme
De Amerikaanse suburb blijkt niet de Amerikaanse droom. In The Straight Story, een Twin Peaks in de Amerikaanse graanschuur, zijn er echter geen geheimen. Inwoners van het idyllische platteland delen liever hun beslommeringen met Alvin. Lynch’s finesse met onheilspellende geluiden werkt hier ontroerend als een veteraan oorlogsherinneringen ophaalt. Het obstakel op zijn reis is eerder de krakkemikkige technologie waar Alvin koppig aan vasthoudt. De ontdekkingen zijn hier de mensen die hij tegenkomt, met al hun eigenaardigheden en verhalen. Langzaam ontvouwt zich het verhaal over eenzaamheid en ouderdom. De kracht van familie drijft naar boven. Normaliter neigt Lynch naar donkere misantropie, maar hier juist naar warm humanisme.

The Straight Story

Daardoor toont The Straight Story dat David Lynch eigenlijk een nostalgische kijk op Amerika heeft. Niet voor niets droomde de hoofdpersoon van Lost Highway als ontsnapping aan zijn zonden weg naar een veilig jaren vijftig met mooie auto’s en lieflijke dames. En heeft Lynch in het verleden zijn waardering voor Ronald Reagan uitgesproken. De zonovergoten graanvelden van Iowa, waar steevast een truck oogst, zijn van een sentimentele fraaiheid. Alvins langzame grasmaaier is hier het mooie middel van vervoer, terwijl auto’s langs hem heen razen. Het weerzien na tien jaar met broer Lyle is voor Lynch’s doen prachtig ondergespeeld. De sterrenhemel betovert met een buitengewone ballad van Angelo Badalementi’s typerende hand.

Er spreekt een verlangen uit naar een rustiger tijd, waar mensen vriendelijk met elkaar omgaan en van de kleine dingen genieten. Lynch lijkt niet zozeer kritisch op een ouderwetse Amerikaanse levensstijl die waarschijnlijk nooit zo heeft bestaan. Net als Dale Cooper in Twin Peaks bezwijkt voor de kersentaart, zo lijkt Lynch in The Straight Story te mijmeren over simpele deugden en geneugten. Iets wat alleen verborgen blijft in zijn andere werken. Zo doet The Straight Story zijn titel eer aan. Rechtdoorzee, terug naar vroeger.

 

8 december 2018


ALLE ESSAYS

Predator, The

***

recensie The Predator

Suspense verliest van actie

door Alfred Bos

Met actieveteraan Shane Black aan het roer krijgt de Predator-franchise voor de tweede maal nieuw leven ingeblazen. Dat lukt, al zitten nostalgie en eigentijdse blockbuster elkaar nodeloos in de weg.

Homo sapiens heeft zich opgewerkt tot de top van de voedselketen op planeet Aarde; menseneters zijn verbannen naar de dierentuin of de laatste restjes wildernis. Dan is er alle gelegenheid om de fantasie los te laten op één van de zeven klassieke verhaaltypes—versla het monster. In dat geval kun je twee kanten op: dino’s of ander uitgestorven spul (in Meg, de popcornhit van deze zomer, staat een voorhistorische haai centraal) dan wel griezels van buitenaardse oorsprong.

In die categorie is de ultieme moordmachine alien gruwelijk eng, want sluw. Maar het is geen soort die vuurtjes stookt, computers bedenkt en ruimteschepen bouwt. De kosmische killer doet niet aan technologie of cultuur en daarin is hij de mindere van de mens. Zo niet predator, de topjager in het universum. Qua intelligentie en organisatietalent doet hij niet onder voor Homo sapiens; zijn fysieke kracht, atletisch vermogen én technologie zijn superieur. Predator, de ster van drie speelfilms en twee alien-crossovers, is het roofdier dat de mens voorbij is gestreefd.

The Predator

Goed gedoseerde gorigheid
The Predator, de vierde speelfilm rond de kosmische jager, komt uit de koker van de man die het genre van de actiefilm in de jaren tachtig nieuw leven inblies. Shane Black (Kiss Kiss Bang Bang, Iron Man 3, The Nice Guys) bedacht de succesvolle reeks Leathal Weapon-films (met Mel Gibson en Danny Glover als ongemakkelijk politieduo) en schreef daarnaast een paar filmavonturen voor actie-icoon Arnold Schwarzenegger. Die speelde het haantje in Predator (1987), het debuut van de lelijkerd from outer space. Black blaast de franchise nieuw leven in, nadat de vorige poging (Predators uit 2010) een natte vuurpijl bleek.

En Black levert. The Predator zal nimmer prijzen winnen voor fijnzinnigheid of vernuft, maar vermaken doet de film. Als bonus is de regisseur niet vies van een portie goed gedoseerde gorigheid, vaak met humor of (hoe kan het?) finesse gebracht, wat in deze tijden van politieke hypercorrectie en alles stuk calculerende marketing bepaald een plus is. Bloed druipt uit een gekliefd lijk en tovert onbedoeld een onzichtbare predator tevoorschijn? Ja! Predator trekt de ruggengraat uit een verslagen predator? Ja!

Stoere vrouwen
Dat laatste zet de Predator-liefhebber wellicht aan het denken – predator vecht tegen predator? – en dat raakt de kern van Blacks adaptatie. The Predator is geen herhaling van zetten, zoals Predators, noch een variatie op het origineel, zoals Predator 2 (1990), maar denkt verder langs het spoor dat in de eerste Predator-film is uitgezet. Kort gezegd, de buitenaardse jagers evolueren en wel in recordtempo. Daartoe gebruiken ze genetisch materiaal van dat andere alfa-organisme, de mens. Bovendien is klimaatverandering op een originele manier in de plot verwerkt. Het tilt de film boven de doorsnee genrefilm uit.

Waar de knullige interactie van het groepje stoere mannen dat de buitenaardse geweldenaar(s) moet bestrijden deze vermakelijke actiefilm juist terugduwt in de middelmaat. In dat opzicht zijn Black en co-scenarist Fred Dekker (de man van The Monster Squad en Robocop 3) géénTarantino. Onderwerp van de buitenaardse belangstelling is het hoogbegaafde zoontje Rory (Jacob Tremblay) van special forces-sluipschutter Quinn McKenna (Boyd Holbrook), die kan rekenen op een team van getraumatiseerde of ronduit gestoorde oorlogsveteranen.

Stoere vrouwen zijn er ook, want niet alleen de predator is geëvolueerd: Rory’s moeder (Yvonne Strahovski) en exobioloog Casey Bracket (Olivia Munn). De laatste eet predators als ontbijt, maar moet in het heetst van de strijd toch weer voor het kind zorgen.

The Predator

Storm in suburbia
Qua setting alterneert de Predator-serie tussen jungle (domein van predator) en stad (domein van mens) en regisseur Black voegt zich naar dat ritme. Hij doet à la Spielberg een Jurassic-je en verplaatst het monster van het eiland/oerwoud naar de voorstad. Daar wordt toevallig net het griezelfeest Halloween gevierd, wat bij de liefhebber van genrefilms ogenblikkelijk een gevoel van nostalgie wekt. Dat doet ook de rol van de overheid en haar geheime diensten; die houden er dubbele agenda’s op na en martelen dan wel vermoorden onschuldige burgers. Typisch jaren tachtig, want anno nu zijn het multinationals die kwaad spel spelen.

Heel onderhoudend allemaal, maar The Predator is net geen klassieker. Nog even los van de al te opzichtige sluikreclame is het een eenentwintigste-eeuwse makke die de film beentje licht. De eigentijdse kijker is overprikkeld en kan dus geen drie seconden zonder tromgeroffel of knaleffect. De film scoort hoog op enerverende actie, maar laag, zeg maar gerust nul, op suspense. Een paar scènes van nagelbijtende spanning hadden de film een niveau hoger getild en de finale biedt daartoe alle ruimte, maar het is holdedebolder naar het volgende klapstuk. En ja, alles staat klaar voor een vervolg. Dat is nu net het punt van de film.

Zo koppelt The Predator het spektakelgehalte van de eigentijdse blockbuster aan ouderwets actievermaak van de betere B-film. Het voelt bijna nostalgisch aan. Met de nadruk op bijna.
 

11 september 2018

 
MEER RECENSIES

Private life of Sherlock Holmes, The

The Private Life of Sherlock Holmes

Speurneus onder de loep

door George Vermij

The Private Life of Sherlock Holmes lijkt op het eerste gezicht een buitenbeentje in Billy Wilders oeuvre. De film deed het ook niet goed in de bioscoop en werd lauwtjes onthaald door critici.

Die ontvangst kan misschien verklaard worden door veranderingen in de smaak van het filmpubliek. De film ging eind jaren 60 in productie als een episch portret van ‘s werelds beroemdste detective. In eerste instantie zou het een musical worden met Peter O’Toole in de hoofdrol, maar dat idee ontwikkelde zich geleidelijk tot iets heel anders. Zo nam theateracteur Robert Stevens het stokje over van O’Toole. De film zou zich richten op Holmes’ studententijd en daarna gaan over een zaak die hij als professionele speurneus op zich neemt.

The Private life of Sherlock Holmes

Wegvallen van illusies en oude waarden
Het eindresultaat is met zijn twee uur, maar een deel van een film die eigenlijk langer had moeten zijn. In 1970 was de aandacht van de bioscoopbezoeker al verschoven naar meer eigentijdse films. The Private Life of Sherlock Holmes was toen al verouderd in vergelijking met al die nieuwe hippe titels die inspeelden op een jonger publiek. Een lot dat David Leane’s epische Ryan’s Daughter ook was beschoren. Maar verouderd is maar een relatief begrip en het is nou net dat element dat de film vandaag de dag juist zijn charme en uiteindelijk zijn bittere kracht geeft. The Private Life of Sherlock Holmes gaat over het wegvallen van illusies en oude waarden en dat in een Engeland dat een nieuwe eeuw tegemoet gaat.

De openingsscène vindt plaats als Holmes en Watson al lang tot stof zijn wedergekeerd. In een statige bank wordt een kluis geopend. Vervolgens worden wat objecten afgestoft: een deerstalker hoed, een viool en een grote loep. Het zijn herkenbare rekwisieten die iedereen associeert met Arthur Conan Doyle’s held. Maar wat doet die mysterieuze injectiespuit bij al die spullen? En hoe zit het nou met dat grote manuscript? Het blijkt een tekst die Holmes’ trouwe metgezel John H. Watson met veel zorg heeft geschreven. Het is een verslag van een pijnlijke zaak die de smetteloze reputatie van de privédetective in een heel ander daglicht zet.

Billy WilderOntleding van de mythe
En zo gaan we naar een mistig Londen in het fin de siècle. Holmes en Watson komen net thuis na een van hun avonturen. De meesterdetective is echter niet blij met Watsons stukken over hem die geregeld verschijnen in The Strand Magazine. Moet hij nu steeds met die belachelijke hoed rondlopen omdat lezers dat verwachten? En hij kan wel vioolspelen, maar hij zit niet te wachten op uitnodigingen van orkesten. Zo goed is hij ook weer niet. Het is een mooie ontleding van de mythe die de man overschaduwt.

De scène speelt ook met de ontwikkelingen die de fictieve figuur in het echt heeft meegemaakt. Zo is er nog steeds discussie over de deerstalker hoed die wordt gezien als een handelsmerk, maar in de boeken alleen vluchtig voorbijkomt. En zo is het vaak aangehaalde citaat ‘Elementary, my dear Watson.’ niet in Doyle’s teksten terug te vinden. Iedereen die zich waagt aan een nieuwe bewerking van deze fictieve figuur lijkt er elementen aan toe te voegen. Die worden stapsgewijs een onmiskenbaar deel van de fictieve persoon.

Wrang staartje
Billy Wilders’ film gaat over deze discrepantie tussen verwachting en werkelijkheid aan de hand van een zaak die onschuldig begint, maar een wrang staartje krijgt. De eerste akte start nog komisch in de beste dubbelzinnige Wilder-traditie. Holmes wordt door een gerenommeerde Russische ballerina gevraagd om als zaaddonor te dienen. Hij is nu eenmaal een begeerde vrijgezel wegens zijn uitmuntende reputatie. Daar kunnen toch alleen maar briljante kinderen uit voortkomen? Toch moet hij de ietwat verlopen Russische dame teleurstellen.

The Private life of Sherlock Holmes

Robert Stevens is perfect als de gevatte Holmes die vliegensvlug op het idee komt om maar subtiel te hinten dat hij homoseksueel is. ‘Ach net als Tsjaikovski!’, zegt een teleurgestelde koppelaar. Helaas wordt Watson (een uitstekende Colin Blakely) ook betrokken bij deze leugen. En dat terwijl hij enthousiast aan het flirten is met kokette danseressen.

Van deze grappige misverstanden en decepties komen wij plotseling bij een mysterieuze vrouw die uit de Thames is gevist. Ze wordt voor Holmes’ huis gedropt omdat zij zijn adres bij zich heeft. Deze buitenlandse dame is door het ongeluk haar geheugen tijdelijk kwijt geraakt. Holmes is duidelijk gefascineerd door deze elegante verschijning die uit België blijkt te komen. Haar man is vermist en ze heeft Holmes’ hulp nodig om hem terug te vinden. Het begin van een grote speurtocht waar dwergen, Schotse kastelen, het monster van Loch Ness en geheimzinnige voertuigen de revue passeren.

Complexe relatie met vrouwen
Het knappe van de film is dat dit wilde avontuur gecombineerd wordt met een intiem portret van Holmes. Zo wordt zijn complexe relatie met vrouwen gaandeweg blootgelegd door subtiele openbaringen. Holmes klaagt over hoe Watson hem in zijn verhalen portretteert als een misogyne man. Hij is geen vrouwenhater, hij vertrouwt ze gewoon niet.

In een ongebruikelijke ontboezeming aan de Belgische Gabrielle vertelt Holmes waar zijn wantrouwen vandaan komt. Een verloofde stelde hem teleur op het moment dat ze in het huwelijksbootje zouden stappen. Typisch onderkoeld en met een vleugje ironie zegt Holmes dat ze stierf door een ziekte. Kortom, je kunt niet op ze rekenen die vrouwen.

Stevens heeft de juiste toon te pakken om deze schijnbaar emotieloze gentleman gevoelens mee te geven. Het zijn ook die onderdrukte emoties die zorgen voor de verrassende ontknoping van het verhaal. Ondanks zijn perfectionisme heeft de speurder ook zijn kwetsbare kanten. Zijn talenten om alles tot in de puntjes uit te zoeken kunnen ook gemanipuleerd worden. Gabrielle is daarbij de spil. Misschien niet zo gek dat Wilder die in zijn films noirs de femme fatale ruimte gaf, hier ook gebruik maakt van die figuur.

The Private life of Sherlock Holmes

Melancholiek
Anders dan die fatalistische films noirs is The Private Life of Sherlock Holmes  meer een melancholieke film. Het draait om een man die zijn talenten gebruikt zodat hij kan vluchten van de realisatie dat hij te bang is om iemand echt lief te hebben. Zijn bescheiden verslaving aan verdovende middelen vloeit daar ook uit voort. Stevens heeft aan wat kleine gebaren genoeg om dit geloofwaardig over te brengen. Zijn teksten zijn ook heerlijk vooral als hij iemand scherp van repliek voorziet zoals zijn sluwe broer Mycroft, een prima gecaste Christopher Lee.

Het is jammer dat de film in zijn tijd geen groot publiek kon vinden. Toch is de waardering voor de film door de jaren gegroeid. Criticus Kim Newman vindt het nog steeds de beste Sherlock Holmes-verfilming. Steven Moffat en Mark Gattis gaven ook toe dat zij zich door de film lieten inspireren toen ze het scenario van een eigentijdse versie van de detective schreven. Die BBC-serie met Benedict Cumberbatch als Holmes werd een groot succes. Naar mijn mening is deze film toch beter en verplichte kost voor iedereen die zijn hart heeft verloren aan deze knappe kop wonende op 221b Baker Street.
 

28 juli 2018

 

MEER BILLY WILDER
 
 
MEER ESSAYS

Man Who Killed Don Quixote, The

***

recensie The Man Who Killed Don Quixote

Dol en dwaas in La Mancha

door Sjoerd van Wijk

In deze kille tijden is de doldwaze koortsdroom van The Man Who Killed Don Quixote een welkome remedie. Het passieproject van 25 jaar in de maak doet echter te veel aan navelstaarderij en mist de warmte van Cervantes’ opus Don Quixote, waarop het is gebaseerd.

Toen Don Quixote leefde was het ridderschap al uitgestorven, laat staan in onze tijd. Hoffelijkheid is ver te zoeken in het publieke discours. Zo ook op de filmset van Toby (Adam Driver), een regisseur van advertenties. Gepokt en gemazeld door de marketingwereld lijkt elke vorm van fantasierijke geestdrift uit hem gewrongen. Hij snauwt bevelen in het rond en is alleen nog maar met zichzelf bezig.

Tijdens de moeizame productie van een reclamespot in Spanje ontdekt hij dat hij in de buurt is waar hij ooit zijn afstudeerfilm over Don Quixote opnam. Bij terugkeer naar dit dorp waar hij als nog jonge maker durfde te dromen, ontmoet hij zijn oude hoofdrolspeler (Jonathan Pryce), die is doorgedraaid en denkt dat hij Don Quixote is. Toby wordt door hem aangezien voor zijn schildknaap Sancho Panza. De twee beleven burleske avonturen zoals het boek van Cervantes, waarbij Toby steeds meer het verschil tussen droom en realiteit uit het oog verliest.

The Man Who Killed Don Quixote

Avontuurlijk absurdisme
The Man Who Killed Don Quixote volgt de persoonlijke ontwikkeling van Toby nauwgezet in zijn stijl. Hoe langer de film doorgaat, hoe grootser en fantastischer de avonturen worden. Waar in het begin de gekte vooral van ‘Don Quixote’ afstamt, wordt de film zelf een waanvoorstelling naarmate Toby meer gaat fantaseren. Dit surrealistische karakter, waar droom en werkelijkheid samensmelten, komt voort uit het verheven absurdisme van regisseur Terry Gilliam. De vliegende, ronddolende camera vangt beelden van dermate overdaad dat de realiteit vanzelf een hallucinatie wordt.

Het doet sterk denken aan Gilliam’s eerdere werk Fear and Loathing in Las Vegas, waar de vreemde taferelen ook door elkaar zweven in een waas. Niet geheel verrassend schreef Gilliam met frequente coscenarist Tony Grisoni dan ook het scenario voor beide films. En de ijlende beeldtaal, gecreëerd door cinematograaf Nicola Pecorini en editor Lesley Walker, is ook in die film te bewonderen.

Hedendaagse herinterpretatie
Het verhaal rond de productie van de film is berucht (en deels naverteld in de documentaire Lost in La Mancha). Terry Gilliam kon het financieel niet bolwerken begin jaren ‘90. Een tweede poging ging in 2000 in productie, maar werd geplaagd door tegenslagen, van een stortvloed die apparatuur verwoestte tot hoofdrolspeler Jean Rochefort die met een hernia afgevoerd moest worden. Een aantal jaar later overleed acteur John Hurt, die was gecast bij weer een poging. Zelfs tot aan de uiteindelijke release dit jaar waren er nog gerechtelijke problemen met een rancuneuze producent. Dat Gilliam het al die tijd heeft weten vol te houden, verdient dan ook bewondering. Zelf vergelijkt hij zijn trouw aan de film met Sancho Panza’s trouw aan Don Quixote. De passie voor dit project is dan ook voelbaar.

De liefde van Gilliam voor Don Quixote’s avonturen spreekt daarbij juist door het boek te laten voor wat het is. Toby’s hallucinaties zijn tactvolle citaten uit Cervantes’ meesterwerk, die door deze te plaatsen in onze huidige tijd een nieuwe dimensie krijgen. De windmolens kunnen hierbij niet ontbreken, maar orden wonderlijk subtiel afgezet tegen Toby’s filmset, waar windturbines op de achtergrond de heuveltop bevolken. Romantische hoffelijkheid versus cynische moderniteit.

The Man Who Killed Don Quixote

Toch had The Man Who Killed Don Quixote enige mate van terughoudendheid kunnen gebruiken. Gilliam weet wellicht zijn stokpaardjes in het gareel te houden wat betreft het boek, maar dit geldt niet voor alle andere zaken. De absurde taferelen zijn dermate hoogdravend dat de film erg in zichzelf gekeerd wordt. En de focus ligt sterk op Toby’s artistieke ontwikkeling, wat een te grote breuk met het bronmateriaal vormt. Met het accent op de veelal nare Toby treedt de excellerende Jonathan Pryce als de tragikomische, romantische Don Quixote op de achtergrond, wat voelt als een gemis.

Koude karakters
De breuk blijkt ook uit de verschillende karakters die deze hedendaagse herinterpretatie van het oude maar springlevende epos bevolken. Een aantal van hen weet niet te overtuigen. Zo is er het jonge meisje Angelica (Joana Ribeiro) die geïnspireerd door de jonge Toby een mislukte acteercarrière achterna joeg. Haar motivaties rondom Toby en haar escort werkzaamheden zijn dubieus. Maar belangrijker is dat de extravagante branie van de avonturen vermindert door de cynische kilheid die uit de meeste figuren spreekt. Ondanks dat Adam Driver voor deze rol zijn volledige reikwijdte als acteur kan gebruiken, van vreemde hufter (zoals in de serie Girls) tot aandoenlijke dromer (zoals in Paterson), blijven de andere acteurs achter.

Waar in Cervantes’ boek de emotionele diepgang komt door de warmte waarmee de karakters met elkaar omgaan, heeft iedereen in The Man Who Killed Don Quixote een koude uitstraling en berekenende houding. Met name de kwaadaardige Russische maffiabaas valt uit de toon. Het had de film gesierd om de gloedvolle menselijkheid van Cervantes te behouden en te vertalen naar onze tijd. Nu valt niet aan een gevoel van teleurstelling te ontsnappen, als je bedenkt dat Gilliam er 25 jaar over heeft gedaan.
 

23 juli 2018

 
MEER RECENSIES

Lean on Pete

***

recensie Lean on Pete

Galopperend ontsnappen aan armoede

door Yordan Coban

Lean on Pete is de naam van het racepaard wiens vriendschap van grote waarde is voor de vijftienjarige Charley als het leven hem ongezind is. We volgen zijn bittere leven en zijn ontvluchting aan afhankelijkheid.

Geboren in armoede moet Charley vechten voor zijn plekje op de wereld. Daar waar hij eigenlijk buiten zou moeten spelen met leeftijdsgenoten, is een paard zijn enige vriend in de harde grotemensenwereld.

Lean on Pete

Zelfstandig
Charley woont bij zijn vader maar als zijn vader plots niet meer voor hem kan zorgen, staat hij er helemaal alleen voor. Hij gaat op zoek naar zijn tante, met wie hij vroeger een sterke band had. Hij moet niks hebben van jeugdzorg en leunt enkel op Pete voor kracht en genegenheid. Echter kent Pete een onzeker bestaan aangezien hij naar de slachterij gestuurd zal worden als hij zijn race niet wint.

Net als in Chop Shop (2007), waarin een jongen zich stort op het repareren van auto’s, hebben we hier te maken met een krachtig kind-personage dat aan zijn eigen lot is overgelaten. Wat Charley ook op zijn pad krijgt, ze krijgen hem niet klein. Hij zet door. Maar wat Charley ook leert is dat zonder middelen hij soms niet anders kan dan een dubbeltje van de duivel te lenen.

De ethiek van een hongerige dief is een uitvoerig behandelde kwestie in zowel film als literatuur. Zij die ver van armoede af staan kunnen makkelijk oordelen over de mensen die er in vast zitten. Als de neorealistische klassieker The Bicycle Thieves (1948) ons iets geleerd heeft, is het wel dat het makkelijk is om te praten over goed en kwaad als je buik gevuld is.

Charlie Plummer speelt Charley als een erg timide jongen, wat past in deze kalme film. Lean on Pete kent ook intense momenten maar is misschien wel juist het sterkst als hij ingetogen is. Regisseur Andrew Haigh, bekend van 45 Years (2015) en Weekend (2011), geeft zijn film de natuurlijke elan van een meanderende rivier. Als kijker drijf je mee op de rustige stroming van de film, met hier en daar een dramatische stroomversnelling.

Lean on Pete

Armoede
Dit is een film over armoede. Armoede als kwaal wordt vaak te makkelijk aan de verantwoordelijkheid van haar slachtoffers gekoppeld. De film toont ons alcoholistische daklozen die elk misgelopen fortuin aan zichzelf te wijten hebben. Maar hij toont ons ook de situatie van kinderen als Pete die nooit een eerlijke kans gekregen hebben om aan hun armoede te ontsnappen.

Als er in de film één personage is dat zich zonder er zelf van bewust te zijn in beangstigende onzekerheid bevindt, is het Lean on Pete wel. Als hij niet hard genoeg rent, moet hij naar de slacht.

Een maatschappij zonder een fatsoenlijk sociaal vangnet is niet ver verwijderd van een vergelijkbare realiteit. Competitie kan prachtige resultaten teweeg brengen, maar het kan niet de bedoeling zijn dat de verliezers in absolute armoede achterblijven.

Armoede is een neerwaartse spiraal, vaak beginnend met depressie gevolgd door verslaving en isolatie. Niet iedereen is sterk genoeg om zich tegen de greep van armoede te verzetten. Niet iedereen kan hard genoeg rennen.
 

29 mei 2018

 
MEER RECENSIES

Isle of Dogs

***

recensie Isle of Dogs

Dystopische poppenkast

door Sjoerd van Wijk

Isle of Dogs is een dystopische poppenkast (met stemmen van een grote sterrencast) die het universum van schrijver/regisseur Wes Anderson uit weet te breiden.

In een nabije toekomst zit de fictieve Japanse metropolis Megasaki met een hondenprobleem. De dieren zijn geïnfecteerd met een ongeneeslijke ziekte, die semi-dictator Kobayashi doet besluiten hen te verbannen naar het nabijgelegen afvaleiland. De film volgt de avonturen van vier honden, die samen met een jongetje op zoek gaan naar de hond van de laatste. Een complicatie is dat het jongetje de geadopteerde zoon van Kobayashi (Koyu Rankin) is en de missende hond zijn voormalige wachthond. Terug in de grote stad komt langzaam maar zeker een opstand op gang, aangevoerd door een eigenzinnige uitwisselingsstudente (Greta Gerwig). 

Isle of Dogs

Bekend terrein
Deze tweede stop-motion film (na The Fantastic Mr. Fox) laat wederom zien hoezeer deze techniek past bij Wes Andersons droogkomische oog voor detail. Het is vanaf het eerste moment duidelijk wie de film heeft geregisseerd. De gebruikelijke gestileerde mise-en-scène en strak gevoerde camera creëren in combinatie met de stop-motion techniek een betoverende poppenkast. De permanente pokerfaces van de karakters en de verfijnde details in de decors werken droogkomisch dankzij de minutieus getimede camerabewegingen.

De creaties van klei versterken waar Wes Anderson goed in is: het creëren van een wereld die meandert tussen kinderlijke fantasie en volwassenen oprechtheid. Normaliter gaat deze spanning gepaard met een melancholische ondertoon, alsof iedereen zich realiseert dat de terugkeer naar de kindertijd onmogelijk is. Het is hier dat Isle of Dogs voor Wes Anderson onbekend terrein betreedt. 

Exotica
Naast de gebruikelijke stilistische kenmerken is het met name prijzenswaardig dat in Isle of Dogs een nieuwe dimensie in het universum van Wes Anderson wordt aangeboord. De melancholische ondertoon maakt pas op de plaats voor de bouw van een vervallen wereld met subtiele sociale kritiek. Het futuristische Japan komt op volledig eigenzinnige wijze net zo inlevend buitenaards over als klassieke anime’s zoals Ghost in the Shell.

Er wordt volop in het Japans zonder ondertiteling gesproken en vele van de zo bekende details zijn geschriften in kanji of Japanse symboliek. Het maakt de film tot een waar exotisch theaterspel waaruit respect voor het land blijkt. Dit zorgt ervoor dat de dystopie van de mens die haar trouwste metgezel aan de kant zet innemend vervreemdend overkomt. Zo wordt op ludieke wijze herinnerd aan de huidige milieuproblematiek, wat de film hoopvol maakt in plaats van te kapitaliseren op misère. 

Isle of Dogs

Verstijvende tijd
De cast is zoals altijd gevuld met (de gebruikelijke) sterren, van wie ditmaal Bryan Cranston als trotse zwerfhond de show steelt. Toch zit hier ook de zwakte van de film. De karakters voelen onderontwikkeld, waardoor de taferelen op een afstand blijven. Het is een gebruikelijk defect in de regiestijl van Wes Anderson, waar karakters al snel te stijve ornamenten in het decor dreigen te worden.

In Isle of Dogs lijkt er echter ook in het scenario te weinig aandacht te zijn geweest om meer dan rudimentaire motivaties aan alle personages te geven. Het zorgt er tevens voor dat het tempo van de film niet lijkt te stroken met de wendingen van het verhaal. De flashbacks die meer achtergrond horen te geven, halen de vaart uit het avontuur door de houterige wijze waarop ze het tempo opbreken. 

Uiteindelijk is Isle of Dogs daarom niet een volledig geslaagd experiment. Aan de ene kant excelleert Wes Anderson door zijn regiestijl te gebruiken om een volledig nieuwe waarlijk exotische wereld te bouwen. Aan de andere kant is het scenario onderontwikkeld en komen de gebruikelijke zwaktes van zijn karakters naar voren.
 

4 mei 2018

 
MEER RECENSIES

Ready Player One

**

recensie Ready Player One

The Hunger Games meets Tron

door Alfred Bos

Ready Player One is de verfilming van een sciencefictionroman over een virtuele wereld die is opgebouwd uit videogames, een mediawereld die verwijst naar media. Het Droste cacaobus-effect op het witte doek.

Ready Player One is de verfilming van het gelijknamige boek waarmee Ernest Cline in 2011 debuteerde. Aanvankelijk een culthit in kringen van gamers, groeide het uit tot een van de meest succesvolle sciencefictionromans van dit decennium en werd vertaald in meer dan twintig talen. Boek en film staan bol van de verwijzingen naar de popcultuur van de jaren tachtig: muziek, films, strips, maar vooral videogames. Boek en film spelen voor een groot deel in een videogame. Ready Player One is The Hunger Games gekruist met Tron.

Ready Player One

Het jaar is 2045 en de plek is Columbus, Ohio. Het vrije markt-kapitalisme heeft de wereld gereduceerd tot vuilnisbelt, het volk brengt zijn tijd door in een kunstmatige fantasiewereld. OASIS (Ontologically Anthropocentric Sensory Immersive Simulation) is een virtueel universum waarin alle videogames die ooit op de markt zijn gebracht, worden voorgesteld als eigen werelden, als planeet.

Na zijn overlijden maakt de schepper van OASIS, James Donovan Halliday, speelnaam Anorak (Mark Rylance), via videoboodschap bekend dat hij drie geheime sleutels in zijn spelletjesuniversum heeft verstopt. Wie als eerste het raadsel oplost, erft zijn astronomische vermogen en wordt eigenaar van zijn online creatie.

Liefdessprookje tussen avatars
Ready Player One verhaalt de race naar de sleutels. De strijd gaat tussen vijf jongvolwassenen en de multinational IOI (Innovative Online Industries), in de persoon van een valsspelende pyschopaat, Nolan Sorrento (Ben Mendelsohn). Die wil van het gratis toegankelijke OASIS een geldmachine maken. De High Five, gemarginaliseerde gamefanaten, strijden tegen een overmacht en redden de virtuele wereld. Uiteraard is er ook een liefdessprookje tussen twee avatars, Parzeval (speelnaam van Wade Watts, vertolkt door Tye Sheridan) en Art3mis (Samantha Evelyn Cook, de Engelse actrice Olivia Cooke).

In een moordend tempo gaat het twee uur en twintig minuten lang (en dat is lang) van virtueel gevecht naar gesimuleerde strijd en terug, om te culmineren in een climax die de clash tussen de vijf legers in Lord of the Rings aftroeft, want er klapt een atoombom. Virtueel uiteraard. Dat klinkt kinderachtig en dat is het ook. Fans van Pacific Rim en Transformers zullen smullen.

Dat had de kijker met kennis van jaren tachtig popcultuur vanaf de eerste seconde kunnen weten, want de film trapt af met Van Halens halfslappe Jump op de geluidsband. Dat had natuurlijk Kill ‘Em All van Metallica moeten zijn. Of minstens een track van Moving Pictures van Rush, de favoriete band van OASIS-schepper Halliday. Ready Player One speelt op veilig.

Ready Player One

Eindeloze reeks referenties
Ready Player One is de nieuwe sciencefictionfilm van Steven Spielberg en komt luttele weken na diens op feiten gebaseerde The Post. Het contrast tussen beide films kan nauwelijks groter zijn en dat zegt wellicht iets over het vakmanschap van ’s werelds meest succesvolle regisseur. Waar The Post het kritisch denkende deel van het filmpubliek bedient, is Ready Player One gemaakt voor joelende pubers met een overdosis suiker in hun systeem.

Een van de mediawerelden waarin de film zich afspeelt is The Shining, de klassieke horrorfilm van Stanley Kubrick. Die scène komt niet voor in het boek, het is een coup van Spielberg. (De regisseurs waren bevriend; Kubrick vroeg Spielberg zijn afgebroken filmproject AI te voltooien.) Het is de meest geslaagde van een eindeloze reeks referenties aan film, comics, games en muziek.

Ready Player One is een zeeziek makende orgie van beelden en oogt spectaculair, maar haal alle verwijzingen weg en er blijft niets over: de film speelt in een mediawereld die verwijst naar media. Dan klinkt de boodschap aan het slot – alleen het echte leven is echt – niet alleen flets, maar ook een tikje hypocriet. Voor de vorm, dus.
 

27 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Sweet Country

**

recensie Sweet Country

Het recht van de sterksten

door Sjoerd van Wijk

Een Aboriginal slaat op de vlucht nadat hij uit zelfverdediging een witte rancher doodschiet. Sweet Country komt over als een klassieke western, maar brengt uiteindelijk te weinig nieuws.

De ene bevolkingsgroep overheerst de andere en reduceert laatstgenoemde tot niets meer dan goedkope werkkracht. Zulke mensonterende omstandigheden kunnen goed aan de kaak worden gesteld in de western. In de loop der tijd is het genre geëvolueerd van een mythologisering van Amerikaanse onafhankelijkheid tot een revisionistische kritiek op sociale misstanden. Waar Rio Bravo een heldhaftige eenling volgt die de slechteriken van zich af moet houden, presenteert The Hateful Eight een nihilistisch Amerika gebouwd op racistische politiek. De revisionistische western hoeft echter niet beperkt te blijven tot Amerika. 

Sweet Country

Sweet Country verhaalt over een vrije Aboriginal in de Australische Outback van de twintiger jaren van de vorige eeuw die uit zelfverdediging een witte rancher neerschiet. Bang voor de gevolgen zit er niets anders op dan met zijn vrouw te vluchten voor de sergeant die met een groep een klopjacht begint. De Outback blijkt in deze film een meedogenloos niemandsland waar de rechtvaardigheid in eigen hand wordt genomen. Sweet Country komt over als een klassieke western, maar niets is minder waar. Kritiek op het institutionele racisme voert de boventoon in een met spanning gebracht verhaal, maar de film toont geen nieuwe inzichten over wat dit met een mens kan doen.

Het niets van de Outback
Het landschap vormt een onmiskenbaar onderdeel van de film. Zoals de Grand Canyon verbonden is aan de Amerikaanse western, zo geeft de Outback een eigen karakter aan Sweet Country. De stoffige savanne vormt een fraai decor waarin de harde werkelijkheid inkomt als een mokerslag. De weidse beelden van het dorre land krijgen extra schoonheid doordat deze dikwijls gepaard gaan met bijzondere lichtbronnen, zoals de volle maan en een zonsopgang, zorgvuldig geschoten door regisseur Warwick Thornton, die ook het camerawerk voor zijn rekening neemt. Alle karakters komen hierin over als pionnen en gaan op in het niets. Net zoals zij allen in hun gedrag pionnen van de onrechtvaardige instituties zijn. In dit landschap loert de dood, maar laat hij wel op zich wachten.

Strakke suspense
Langzaam maar zeker wordt toegewerkt naar elk doorslaggevend moment wat leidt tot de klopjacht en de nasleep. We voelen al feilloos aan wat een persoon gaat overkomen, maar toch gebeurt het maar niet. Alles lijkt een duidelijke oorzaak en gevolg te hebben, alsof de genadeloze wereld van de Outback het laatste woord heeft. Het doet hierin denken aan The Proposition, een andere Australische western over de gruwelijkheden die kunnen gebeuren als iemand het recht in eigen hand neemt.

Sweet Country

De suspense is niet in de laatste plaats te danken aan de zorgvuldige geluidloze flashbacks en flashforwards die elk karakter een eigen tragiek lijken te geven. De spanning wordt nog meer opgevoerd door de meeslepende zooms op de stoïcijnse gezichten die de hardheid van dit leven verraden. Het onderliggende determinisme wordt verder onderstreept door een breed scala aan karakters, die als een mozaïekstuk het scenario in elkaar laten vallen.

Karikaturen, geen karakters
Helaas kan de geraffineerde regie niet volledig het basale verhaal verbloemen. Het basale zit niet zozeer in het basisgegeven van de man op de vlucht noch in de enigszins voorspelbare hoofdstukken, als wel in de typering van de karakters. Het merendeel van het ensemble dat tegen elkaar wordt uitgespeeld komt al snel karikaturaal over. Elk persoon lijkt ofwel aan de goede kant te staan, ofwel aan de slechte kant van het institutionele racisme.

Deze simplistische goed-kwaadverhouding doet echter afbreuk aan het kritische gehalte van de film. Het zou interessanter zijn geweest om te zien hoe een ieder omgaat met een onrechtvaardig systeem, in plaats van hen elk stellig partij te laten kiezen. De interne strubbelingen van de racistische rancher Kennedy, die worstelt met vaderlijke gevoelens voor zijn halfbloed slavenzoon Philomac en de jongen zelf, die een keuze moet maken tussen beide bevolkingsgroepen, lijken meer te bieden. Toch is dit een gemiste kans, omdat deze verhaallijnen summier worden aangestipt.

De prachtige setting, het karakteristieke fraaie landschap en de meeslepende suspense van Sweet Country vallen in het niet omdat het onderliggende verhaal te bekend aanvoelt en weinig nuance kent.
 

11 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Shape of Water, The

****

recensie The Shape of Water

De vondeling en de watergod

door Alfred Bos

Guillermo Del Toro’s sprookje voor volwassenen staat bol van kritiek op een denkwijze die moreel failliet is. De film vangt de tijdgeest van nostalgie en identiteitspolitiek in een fraai vormgegeven romantisch drama met thrillerelementen.

Protocol versus fantasie, bureaucratie versus open geest. The Shape of Water, de nieuwe film van Guillermo del Toro, is een sprookje en laat zich, zoals ieder sprookje, op meerdere manieren verstaan. Aan de buitenkant is het een variant op het van oorsprong Franse volksverhaal Belle en het Beest, voor de goede verstaander ritselt de film van hints en verwijzingen. Naar de filmgeschiedenis, naar Hollywood, naar de Oscar-filmprijs, naar het Amerika van nu. Die extra laag zit het plezier in de vertelling en de visuele flair van de film geenszins in de weg.

The Shape of Water

The Shape of Water speelt in een denkbeeldig Amerika tijdens de Koude Oorlog. In een zwaar beveiligd onderzoeksinstituut bestuderen mannen in witte jassen een exotische levensvorm, een amfibieman (Doug Jones). Het hoofd van de beveiliging, Richard Strickland (Michael Shannon), is een dogmatische technocraat met sadistische trekjes. Hij zuigt op suikergoed en zwaait met zijn elektrische veestok.

De stomme Elisa Esposito (Sally Hawkins, Oscar-nominatie beste bijrol voor haar Ginger in Woody Allens Blue Jasmine) werkt als poetsvrouw op het instituut. Ze woont met haar buurman Giles (Richard Jenkins), een illustrator die door zijn geaardheid zijn baan heeft verloren, boven een bioscoop. Elisa communiceert met haar kletszieke collega-schoonmaakster Zelda (Octavia Spencer, onlangs nog te zien in Hidden Figures) via gebarentaal. Dan is er ook nog een Russische spion, de wetenschapper Hoffstetler (Michael Stuhlbarg, de vader uit Call Me by Your Name).

Gedoemde liefde
Eliza, een vondeling, leeft met buurman in een fantasiewereld. Giles’ appartement boven de bioscoop is een tijdcapsule waarin jaren dertig en veertig musicals en muziekfilms – alle uit de catalogus van Fox, de producent van The Shape of Water, dus gratis hergebruikt – een cocon van affectie rond de twee buitenstaanders spinnen. Die bioscoop heet Orpheum, een directe verwijzing naar Jean Cocteau, de regisseur van het surrealistische meesterwerk Orphée die in 1946 als eerste La belle et la bête verfilmde.

In Orpheum draaien hervertoningen van The Story of Ruth en Mardi Gras, films uit respectievelijk 1960 en 1958, dus The Shape of Water moet ergens begin jaren zestig zijn gesitueerd; op de radio horen we nieuws over de beruchte Cubaanse raketcrisis van oktober 1962. Het zijn films over niet bij elkaar passende koppels en gedoemde liefdes. Dat voorspelt weinig goeds voor de verstoten dochter en het exotische waterwezen, die in elkaar zichzelf herkennen.

Die meerman, het water-equivalent van een alien, is zowel qua aard en achtergrondverhaal geënt op het monster uit de jaren vijftig scifi-B-film-klassieker Creature from the Black Lagoon van regisseur Jack Arnold, de man die ook The Incredible Shrinking Man maakte. Een eigentijdse remake daarvan draait op dit moment in de bioscoop onder de titel Downsizing. Ook de soundtrack van The Shape of Water is een en al nostalgie: Glen Miller, Carmen Miranda met Chica Chica Boom Chic, Serge Gainsbourgs La Javanaise.

The Shape of Water

Dubbele moraal
Del Toro geeft het ‘monster’ helende gaven, het is in feite een god. Dat heeft deze amfibieman gemeen met Swamp Thing van stripauteur Alan Moore: hij staat voor natuur. Diens opponent Strickland verpersoonlijkt het militair-industrieel complex, de paranoia van de in protocollen denkende machtsstructuren. Alles wat niet blank, man en macho is, dus minderheden als vrouwen (en zeker stomme vrouwen), homo’s, joden, negers (in 1962 geen besmet woord) en creatieve bohemiens, kan rekenen op zijn minachting. Fraaie scène: Hoffstetler kan niet zo maar Stricklands kantoor binnenlopen. Eerst kloppen, wachten op toestemming en dan de deur openen. Zo doen we dat: protocol.

Er is niet zo heel veel fantasie voor nodig om in dat dogma van het protocol en die minachting voor alles wat niet mannelijk-WASP is commentaar op de samenstelling en werkwijze van de Academy of Motion Picture Arts and Sciences te zien, de organisatie die jaarlijks de Oscar filmprijzen toekent. Maar het is ook kritiek van de in Mexico geboren regisseur op een mentaliteit en een dubbele moraal. “Fatsoen is een exportproduct, Amerikanen gebruiken het zelf niet,” zegt een van de filmpersonages.

The Shape of Water is een schitterend vormgegeven sprookje voor volwassenen dat kan wedijveren met de kinderfilms van Steven Spielberg. De rolbezetting is tot in de bijrollen precies raak en Sally Hawkins speelt de sterren van het doek. Het is een pastiche van allerhande uiteenlopende genres: romantiek gepeperd met elementen uit thriller, horror en musical. De film zit vol verwijzingen waar film-nerds van likkebaarden. Het is, zonder dat niveau te evenaren, Del Toro’s beste film sinds Pan’s Labyrinth, zijn vorige film over een vrouw en een goedaardige demon. Cocteau zou tevreden zijn geweest.
 

13 februari 2018

 
MEER RECENSIES

White Sun

****

recensie White Sun

Afkeer van het oude, angst voor het nieuwe

door Cor Oliemeulen

In een bergdorpje in Nepal borrelen politieke, sociale en persoonlijke conflicten naar de oppervlakte nadat de dorpsvoorzitter overlijdt en diens verloren zoon tegen zijn zin terugkeert om zijn vader de laatste eer te bewijzen. White Sun zet op een subtiele en krachtige wijze traditie tegenover modern.

In zijn tweede speelfilm kijkt Deepak Rauniyar, die opgroeide tijdens de burgeroorlog tussen de royalistische regering van Nepal en de revolutionaire maoïsten, door de ogen van drie generaties. De voorname ouderen van het dorp zweren bij de traditionele waarden en normen, het daaropvolgende geslacht is verdeeld over de nieuwe politieke en sociale verhoudingen, terwijl de kinderen, onbevooroordeeld, het beste van de toekomst lijken te willen maken.

White Sun

Nieuwe tijden
We schrijven 2015, tien jaar na de burgeroorlog, waarin de communistische partij de ondemocratische monarchie wilde omwerpen ten faveure van een republiek. Zonder overheersende landeigenaren, kastestelsel en met gelijke rechten voor iedereen. Er vielen meer dan zesduizend doden en Nepal veranderde in een seculiere republiek, ofschoon het centrale gezag fragiel is en het hindoeïsme de belangrijkste godsdienst bleef. Na een lange onzekere periode, en recent nog twee verwoestende aardbevingen, likken veel Nepalezen de wonden. Het leven in ons afgelegen bergdorpje is nauwelijks veranderd. Op de transistorradio volgt men bijna terloops het nieuws over de op handen zijnde afkondiging van de nieuwe grondwet.

Symbolisch genoeg sterft op dat moment de dorpsvoorzitter, die zijn hele leven de koning trouw was gebleven. Zijn dode lichaam geldt als metafoor voor de monarchie die na de burgeroorlog omver is geworpen. Het stoffelijk overschot dient volgens de traditie uit huis te worden gedragen, dat wil zeggen in dit geval via het dakraam en niet via de deur. Vrouwen, ook familieleden, mogen het lichaam niet beroeren, want dat is onrein. Het gestuntel met het lijk is een voorbeeld van eeuwenlange gebruiken en toont tegelijkertijd de absurditeit ervan.

Broedertwist
Na de komst van Chandra, de zoon van de overleden dorpsvoorzitter, ontstaan er spanningen. Chandra is niet geliefd, omdat hij de gemeenschap destijds verliet om te vechten tegen de monarchie, maar nu moet hij terugkeren voor het afscheid van zijn vader. Zijn ex-vrouw Durga (gespeeld door de vrouw van de regisseur, Asha Magrati) staat wel open voor verandering. Zij wil dat haar dochtertje Pooja naar school kan, maar dan heeft ze wel de handtekening van een vader nodig. Pooja denkt dat Chandra haar vader is en raakt wat van slag als zij ziet dat Chandra bij zijn arriveren haar leeftijdsgenootje Badri aan zijn zijde heeft. En dan is er nog Suraj, Chandra’s enige broer, die in de burgeroorlog de andere kant koos.

White Sun

Tijdens de processie komt het tot een conflict tussen de twee broers. In het begin kun je er nog de humor van inzien, maar dan wordt het bittere ernst. Met hun overleden vader op de schouders wringen zij zich op blote voeten vermoeid en behoedzaam in allerlei bochten op het kronkelige bergpaadje naar beneden, waarbij hun politieke discussie uitmondt in een persoonlijke ruzie. Suraj loopt boos weg en laat het gezelschap verbouwereerd achter. Het is aan Chandra om hem terug te halen of een andere sterke man te zoeken om het stoffelijk overschot mee naar de rivieroever te dragen.

Die zoektocht leidt tot verdere aanvaringen met zijn verleden. Zo heeft de politie weinig trek om deze oproerkraaier te helpen en heeft een oud-medestrijder, die zich in de politiek heeft opgewerkt en zich tegenwoordig per helikopter laat vervoeren, helaas geen tijd voor Chandra’s acute probleem. Het sterkste fragment van White Sun (de titel verwijst naar de witte zon op de Nepalese vlag) is de aangrijpende confrontatie met het weesjongetje Badr die Chandra verantwoordelijk houdt voor de dood van zijn ouders. En waar de volwassenen blijven hangen in naoorlogse sentimenten, geven de kinderen het goede voorbeeld hoe je conflicten kunt oplossen.
 

20 oktober 2017

 

Interview met regisseur Deepak Rauniyar

 
MEER RECENSIES