Alpinist, The

****
recensie The Alpinist
Bergbeklimmen zonder schijnwerpers

door Nanda Aris

De 23-jarige alpinist (een bergbeklimmer op rotsen, sneeuw en ijs) Marc-André Leclerc verlegt de grenzen van wat mogelijk lijkt binnen het bergbeklimmen en levert onvoorstelbare prestaties. Collega-klimmers hebben ontzag voor Leclerc. Ook Alex Honnold, hoofdpersoon van Free Solo (2018), steekt zijn bewondering voor ’this kid’ niet onder stoelen of banken. Leclerc is een publiciteitsschuwe einzelgänger en weinig bekend bij het grote publiek. Deze aangrijpende documentaire maakt daar een einde aan. 

Filmmakers Peter Mortimer (The Dawn Wall, 2017) en Nick Rosen, zelf ook klimmers, zien in Leclerc een soort van hedendaagse volksheld, die ver weg blijft van de roem die hij zou kunnen krijgen. Ver weg van social media, sponsors, merken, en bekendheid. Niks van dat alles is belangrijk voor Leclerc, zijn doel is ‘to have adventure, cruise around’. Maar dit doet zijn gedrevenheid geen eer aan, want hij heeft kennis van zaken, visie en toewijding.

The Alpinist

Het volgen van de Canadees blijkt nog geen makkelijke opgave voor Mortimer en Rosen. Want soloklimmen betekent voor Leclerc ook echt alleen klimmen. Hij is ongrijpbaar, Mortimer en Rosen hebben moeite om in contact te blijven met Leclerc, ook omdat hij geen telefoon heeft. Met een camera erbij is de ervaring van het soloklimmen voor Leclerc anders.

Beklimmingen
Hij stemt ermee in om de legendarische en moeilijke Mount Robson’s Emperor Face in Canada – waarvan hij de Infinite Patience-route als eerste solo trotseert – nogmaals te beklimmen, nu met camera. Leclerc oefent de route niet, heeft geen voorkennis, klimt vaak zonder veiligheidstouw, en heeft ook geen communicatiemiddel mee voor als het misgaat. ‘Je moet leren wat de berg je vertelt’, zegt Leclerc. ‘Je kunt controleren wat je zelf doet, maar niet wat de berg doet’. Juist dat maakt klimmen zo interessant voor hem. En ook dat is wat hem drijft om solo te klimmen, en niet de gebruikelijke roem en glorie.

Al op jonge leeftijd is hij geïnteresseerd in bergbeklimmen en leest hij boeken over klimmers en expedities. Juist dit gegeven maakt dat hij instemt met het maken van de film over hemzelf, hij hoopt er anderen mee te inspireren om dromen te volgen. ‘Als die mensen hun verhaal niet hadden verteld, hoe zou ik dan ooit van deze activiteit afweten? Dus waarom zou je het niet delen als het sommige mensen misschien helpt om buiten dat kleine hokje geïnspireerd te raken en de droom levend te houden?’

Soms klimt hij met zijn vriendin Brette Harrington, maar vaak trekt hij ook zijn eigen plan, klimmen geeft de ADHD hebbende Leclerc ‘clarity, calmness and control’. En de prachtige beelden van betoverende besneeuwde bergen tonen dat ook; we zien Leclerc van bovenaf, en kijken de oneindige afgrond in. Het is stil, we horen alleen het geschraap van de pikhouwelen, en de adem van Leclerc. Rustig en kalm, zonder angst, bijzonder comfortabel ogend – niet als iemand die zijn leven waagt – klimt hij aan een dun stuk ijs omhoog. Zijn handen langzaam en precies bewegend, iets dat hij geleerd zou hebben vanuit zijn jeugd, vanwege onhandigheid in zijn handen, en een onduidelijk handschrift.

The Alpinist

Gewaagd
Leclercs beklimmingen worden steeds gewaagder, andere klimmers vragen zich af of hij voorzichtig genoeg is, en doorheeft wat ie doet. Hij besluit naar Patagonië af te reizen, om daar Torre Egger te beklimmen. Dat hij wel degelijk weet wat voor gevaren het klimmen met zich meebrengt – soloklimmen is het meest dodelijk – blijkt als hij de avond voor de beklimming van Torre Egger gevraagd wordt naar een speciaal dieet. Dat heeft hij niet, maar hij eet bewust, alsof het zijn laatste maal is.

Er zijn maar weinig alpinisten zo goed op zo’n jonge leeftijd. Rosen: ‘Vaak zijn de beste alpinisten in de veertig omdat het lang duurt om de vereiste kwaliteiten en kennis te beheersen.’ Echter Leclerc is een ijzersterke klimmer. Bovendien weet hij het weer en de sneeuwcondities te lezen, kent hij zijn materiaal en heeft hij de juiste mindset voor het beoefenen van deze sport. The Alpinist is luchtig en comfortabel in het begin, intrigeert vooral in het tweede deel en eindigt krachtig.

 

18 februari 2022

 

ALLE RECENSIES

Ip Man (2008)

REWIND: Ip Man (2008)
Donnie Yen is de perfecte titelheld

door Cor Oliemeulen

In tientallen scholen van Foshuan worden jongens getraind in kungfu. De meest bekende beoefenaar van de krijgskunst in deze Zuid-Chinese stad is Ip Man, die in 1935 een vreedzaam leven met vrouw en kind verkiest boven het leiden van een vechtschool. In Ip Man (2008) maken we voor het eerst kennis met de latere leermeester van martial arts-legende Bruce Lee en opereert acteur Donnie Yen als de perfecte titelheld.

Als je Ip Man zo relaxt ziet staan in zijn prachtig gedecoreerde huis (lang gewaad, handen op de rug, vriendelijke glimlach) wijst nog niets op een persoon met wie je beter geen ruzie kunt zoeken. Toch staat er regelmatig weer eens iemand op de stoep om Ip Man uit te dagen voor een gevecht. Met ogenschijnlijk gemak en zonder noemenswaardige inspanning leert hij vervolgens zo’n branieschopper een onvergetelijk lesje in vechttechnieken, verkregen door uitzonderlijk talent en unieke vaardigheden, die hij vooral ontwikkelde door gericht te trainen met een houten dummy.

Ip Man

Wing Chun
Ip Man is specialist in de stijl Wing Chun (‘loflied voor de lente’). De nadruk ligt op korte, snelle bewegingen in gevechten op korte afstand. Het streven is een zo groot mogelijk effect met minimale inzet. Een van Ip Mans handelsmerken is zijn zogenaamde ‘chain punching’-techniek, waarbij zijn vuisten als een snelle roffel op de borst of het hoofd van zijn tegenstanders neerdalen. En als je niet groot of enorm gespierd bent, moet je te allen tijde ontspannen blijven en de kracht van je tegenstander gebruiken om die te overmeesteren.

Op een mooie dag staat een bendeleider met zijn gevolg van buiten de stad op de stoep. Deze agressieve vechtjas heeft zojuist met succes een aantal meesters van de kungfu-scholen in Foshuan hardhandig tegen de grond gewerkt en heeft gehoord dat Ip Man de beste martial arts-meester van de stad is. De bendeleider provoceert Ip Man en lacht hem uit omdat Wing Chun volgens hem is uitgevonden door twee vrouwen. Het duurt niet lang voordat de schurk vol blauwe plekken met de staart tussen de benen de stad verlaat, weggehoond door de toegestroomde menigte. Later in de film volgt een nieuwe confrontatie.

Ip Man

Er zijn verschillende legenden over de oorsprong van Wing Chun. Volgens Ip Man zelf werd deze vorm van martial arts inderdaad bedacht door twee vrouwen. De overlevering begint met het relaas van Ng Mui, een non die in 1647 als een van slechts vijf personen wist te ontsnappen uit een in brand gestoken Shaolin-tempel. De daders waren Mantsjoes die de Ming-dynastie ten val wilden brengen en heel China veroveren. Na haar vlucht uit de tempel vestigde Ng Mui zich in het Daliang-gebergte en nam zich voor de traditionele zelfverdedigingskunsten van de boeddhistische monniken te verfijnen. Ze leerde haar kungfu-stijl aan een andere vrouw, Yim Wing Chun, wier echtgenoot deze vechtkunst overbracht aan anderen. Drie eeuwen later is Ip Man de grote meester van Wing Chun.

Chinees-Japanse Oorlog
Ip Man is een typische martial arts-film met geweldige gevechtschoreografieën vol ingenieuze en komische effecten, een sfeervolle geluidsband en wijze teksten van het titelpersonage. Er zijn de nodige spannende elementen, maar de kijker weet dat alles weer snel op zijn pootjes terecht komt, zolang Ip Man maar van de partij is.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Die gemoedelijkheid slaat plotseling om in een grimmige sfeer als Japan in 1937 China binnenvalt en dood en verderf zaait. Half Foshuan ligt in puin en als gevolg van geweld en honger is het aantal inwoners gedaald van 300.000 tot slechts 70.000. Het grote huis van Ip Man fungeert nu als hoofdkwartier van het Japanse leger en ook hij en zijn gezin krijgen te maken met hongersnood. Ip Man gaat werken in een kolengroeve om rijst te kunnen betalen en krijgt te maken met de terreur van Japanse soldaten en een sadistische generaal. Tegen zoveel man – met pistolen en geweren – is ook Ip Man niet opgewassen.

Een andere generaal, een meester in de Japanse vechtkunst, heeft de beruchte status van Ip Man vernomen. Pas nadat hij hoort dat een van zijn beste vrienden is vermoord, neemt hij de uitdaging van de generaal aan om met hem te duelleren. “In de Chinese vechtkunsten gaat het om het gevecht, maar de Confuciaanse filosofie geldt eveneens. De deugd van het gevecht is de menselijkheid. Zich in een ander inleven, dat zal een Japanner nooit begrijpen”, bijt Ip Man de generaal toe. “Jullie misbruiken de militaire kracht, gebruiken puur geweld om andere volken te onderdrukken. Jullie zijn onwaardig om de Chinese vechtkunst te leren.”

Ip Man

Bruce Lee
Ip Man eindigt wanneer onze held met een kogelwond wordt afgevoerd. Na de oorlog zal hij in Hong Kong dan eindelijk een kungfu-school openen. Een vijftienjarig opgewonden standje met de naam Bruce Lee zou zich daar melden in 1953. Hij was geboren in Chinatown, San Francisco toen zijn ouders als opera-acteurs op tournee waren in Amerika. Toen Bruce drie maanden was, gingen ze terug naar Hong Kong. Als puber was hij daar regelmatig betrokken bij straatgevechten. Van Ip Man leerde hij niet alleen de technieken van Wing Chun, maar ook om zijn geest tot rust te brengen in plaats van als een dolle stier met Jan en alleman te gaan knokken. Op zijn negentiende ging Bruce Lee terug naar Amerika waar hij zijn eigen vechtkunst ontwikkelde: Jeet Kune Do, een combinatie van verschillende vechtstijlen die was bedoeld als zelfverdediging.

Door het internationale succes van Ip Man en de nieuwe martial arts-ster Donnie Yen (zijn moeder was als meester in de martial arts een pionier van Chinese vechtsporten in Amerika) zouden er nog drie films – ook allen geregisseerd door Wilson Yip – in deze franchise volgen. Zo zien we in Ip Man 2 de al even beroemde Sammo Hung zijn formidabele vechtkunsten etaleren en mag niemand minder dan Mike Tyson in Ip Man 3 proberen om Donnie Yen knock-out te slaan.

 

IP MAN KIJKEN: o.a. te zien op Pathé Thuis.

 

Meer REWIND

Brief die nooit verzonden werd, De

****
recensie De brief die nooit verzonden werd
Ploeterend door de taiga

door Ries Jacobs

Het avontuurlijke drama De brief die nooit verzonden werd (1960) is in de filmgeschiedenis enigszins ondergesneeuwd door Als de kraanvogels overvliegen (1957) en Soy Cuba (1964), de twee andere films die regisseur Michail Kalatozov samen met cameraman Sergej Oeroesevski maakte. Is dit terecht of lijdt de film aan het ‘middelste kind-syndroom’?

Na decennia van Stalinistische onderdrukking en propaganda liet partijleider Chroesjtsjov de touwtjes in de jaren vijftig enigszins vieren. Regisseur Michail Kalatozov was een van de eerste regisseurs die opbloeide door de vrijheid die Russische cineasten kregen en maakte in enkele jaren tijd zijn drie meest gewaardeerde films. Overschaduwd door zijn meer geprezen broertjes heeft De brief die nooit verzonden werd nooit echt een plaats gekregen in de eregalerij van de filmgeschiedenis.

De brief die nooit verzonden werd

De film verhaalt over expeditieleider Sabinin die, op zoek naar diamantrijke aardlagen, met twee jonge geologen en gids Stepanovich de Russische taiga doorkruist. De gids (type ruwe bolster, blanke pit) heeft zijn oog laten vallen op wetenschapper Tania, maar zij vindt de nerdy geoloog Andrei leuker. Als het team een diamantrijke aardlaag ontdekt, is de vreugde van korte duur. Een die nacht om zich heen slaande bosbrand vernietigt de boten van het team en daarmee ook een snelle weg terug naar de bewoonde wereld. Het is aan Sabinin om het nieuws van zijn ontdekking, ter meerdere eer en glorie van Moedertje Rusland, naar Moskou te brengen.

Bosbrand
In zekere zin kun je De brief die nooit verzonden werd beschouwen als de moeder (of grootmoeder?) van de sinds de jaren negentig immens populaire rampenfilm. Wat De brief die nooit verzonden werd onderscheidt van de recentere varianten van dit genre is het tempo. Waar het publiek van de gemiddelde rampenfilm meestal binnen een kwartier midden in de door vulkanen, tsunami’s of buitenaardse indringers veroorzaakte ellende zit, neemt Kalatozov de tijd om eerst eens rustig zijn personages voor te stellen. Pas als de film bijna halverwege is moeten de geologen en hun gids rennen voor hun leven.

Kalatozov laat de bosbrand in dienst staan van de karakters in plaats van andersom. Sabinin en zijn team zijn meer dan pionnen in een almaar voortrazend verhaal. In plaats daarvan is de bosbrand het decor voor de acteurs. Je kunt de film achteraf in het ietwat goedkope genre van de rampenfilm plaatsen, maar hij is er wel een met aanzienlijk meer diepgang dan zijn opvolgers.

De brief die nooit verzonden werd

Stadsmeisje
Toch komen de karakters, hoewel ze zeker niet eendimensionaal zijn, niet volledig uit de verf. Zo blijft de stoere gids Stepanovich toch vooral een spierbal. Waarom valt deze taigabewoner als een blok voor het gesofisticeerde stadsmeisje Tania? De film zou interessanter zijn als Kalatozov dit had uitgediept.

De brief die nooit verzonden werd is oppervlakkiger dan zijn voorganger, een liefdesverhaal dat gaat over trouw en verantwoordelijkheid in tijden van oorlog. Ook Soy Cuba gaat dieper, hoewel dit politieke werk dat focust op armoede en ongelijkheid in de nadagen van Batista ook gezien kan worden als socialistische propaganda. Ondanks dat critici de film aanvankelijk neersabelden, werd de film uiteindelijk omarmd door filmliefhebbers.

Anderzijds kun je evengoed betogen dat Kalatozov, nadat hij met Als de kraanvogels overvliegen een Gouden Palm won, in De brief die nooit verzonden werd meer focus legt op de weidse schoonheid van de beelden. Hij laat zien dat hij naast een verhaal vertellen het technische aspect van het regisseren tot in de puntjes beheerst, waarbij we ook de hand van cameraman Oeroesevski niet mogen uitvlakken. Groots en vaak vanuit een moeilijk camerastandpunt brengt hij de taiga in beeld, spelend met licht en schaduw. Stel dat je in 1960 in Moskou in de bioscoop zat en je Sabinin door de taiga zag ploeteren, het moet werkelijk adembenemend geweest zijn.

De brief die nooit verzonden werd zou in de gerestaureerde versie vanaf 2 december in een aantal bioscopen draaien, maar wegens de huidige coronamaatregelen is dat uitgesteld. De film is momenteel te zien op YouTube.

 

30 november 2021

 

ALLE RECENSIES

Dead Man

****
IFFR Unleashed – 1996: Dead Man
Van onschuld naar wijsheid

door Alfred Bos

Dead Man is een acid western, de psychedelische variant van de cowboyfilm. De film van Jim Jarmusch breekt met de traditionele waarden, ook van het genre.

De klassieke western, dat is de wereld in zwart-wit. Blanke man goed, indiaan fout. Blanke man sterk, vrouw zwak. Blanke man baas, rest knecht.

Het subversieve tegendeel van de klassieke western is de acid western, voortgekomen uit de psychedelische revolutie van de jaren zestig. Daarin is elk geloof in sociale orde verdwenen. De samenleving is corrupt, mensen onbetrouwbaar, solidariteit een illusie. De personages leven in een existentiële wildernis waar alles ongewis is. De acid western visualiseert een hallucinant, naar absurdisme hellend wereldbeeld. Chaos regeert.

Dead Man

De term, in 1971 gemunt door de vermaarde filmcriticus Pauline Kael, verwijst naar het surrealisme. Kael typeerde Alejandro Jodorowsky’s El Topo als ‘een spaghettiwestern in de stijl van Luis Buñuel’. De acid western is psychedelisch. Vervreemding is het thema, zijn (anti)held psychotisch. De held van Dead Man is passief.

Vervreemd van zichzelf
Dead Man, de zesde speelfilm van Jim Jarmusch, is – met El Topo – het archetype van de acid western. Alles aan de film is subversief. Hij is gedraaid in zwart-wit, wat de financiering niet eenvoudiger maakte. Hij gaat over een man die dood is en zijn ziel zoekt, vertolkt door een Hollywood-ster; in een genre dat in 1995, het jaar van verschijning, allang passé is: de western. Veel meer afstand van de bestaande orde kun je als onafhankelijk filmmaker niet nemen.

Dead Man typeert de maatschappij van de blanke man als immoreel, ontdaan van spiritualiteit, een gruwelijke grol. Moordzuchtig nihilisme, blinde hebzucht, tomeloze wellust, rabiaat egoïsme, zelfs kannibalisme—niets is de blanke man vreemd. Hij is gestoord, vervreemd van zichzelf.

De hoofdpersoon, gespeeld door Johnny Depp, heet William Blake, naar de achttiende-eeuwse auteur van Songs of Innocence and of Experience. Onschuld en ervaring zijn de yin en yang van de menselijke ziel. Maar Dead Man is subversief: onschuld staat voor naïviteit, onbenul. En ervaring niet voor door de wol geverfd, maar voor wijsheid.

“Dit is Amerika”
Jarmusch verbeeldt het leven als een reis, in de proloog letterlijk. William Blake zit in de trein en kijkt naar buiten, naar het landschap. Daar grazen bizons, die voor de sport worden afgeknald. Hij is onderweg naar het stadje Machine, waar hij in de staalfabriek als boekhouder aan de slag wil. Machine is de hel, het einde van de reis. De hel als smidse is een klassieke troop, van Griekse mythologie tot Lord of the Rings. We gaan een mythische film zien. Misschien zelfs wel een epos.

Machine is gestoffeerd met doodskisten, schedels (ook menselijke), geweien, jachttrofeeën. Het is het oord van de dood. De handwerkers zijn asociale bruten, de kantoorklerken laffe kuddedieren, de fabrieksdirecteur een gestoorde maniak. In deze door mensen gecreëerde hel staat iedereen iedereen naar het leven.

Blake helpt een bloemenmeisje en vindt in haar bed een pistool. Waarom heeft ze een pistool, wil hij weten. “Dit is Amerika”, antwoordt ze. Haar ex-vriend komt binnen en wil zijn rivaal doodschieten. Het bloemenmeisje vangt de kogel op, maar niet helemaal. Hij doorboort háár en blijft steken in Blake. Dan begint zijn reis van onschuld naar wijsheid.

Dead Man

“Stupid fucking white man”
De film opent met een citaat van een surrealist, de Belgische schrijver Henri Michaux, en is surrealistisch van toon, voelt als een droom. Verantwoordelijk voor de schitterende zwart-witfotografie is de Nederlandse cinematograaf Robbie Müller, hij werkte eerder met Jarmusch aan diens Down By Law (1986) en Mystery Train (1989).

Het is het palet van de film noir en Jarmusch vond inspiratie in de noir western Blood on the Moon van Robert Wise uit 1948 (met Robert Mitchum in de hoofdrol, hij speelt hier de fabrieksdirecteur), Fritz Langs Rancho Notorious uit 1952 (diens enige western in zwart-wit) en Johnny Guitar (1954) van zijn leermeester Nicholas Ray.

Die films zijn door Jarmusch getypeerd als Brechtiaanse westerns. “Ze zien er anders uit. Ze pretenderen niet een western te zijn.” De western is bij uitstek het genre waarin Amerika zichzelf en zijn geschiedenis beziet. In Dead Man verwoordt de indiaan Nobody (gespeeld door Gary Farmer) de kijk van Jarmusch, naast regie tevens verantwoordelijk voor het scenario: “Stupid fucking white man”. Nobody is Blakes gids in de zoektocht naar aanvaarding. De reis door de wildernis is een allegorie.

Soundtrack Neil Young
Dead Man toont de barbarij van een ontzielde wereld, niet als aanklacht, ook niet als satire, maar als een absurdistische klucht. Ook zonder slapstick zit er een vleugje Buster Keaton en Charlie Chaplin in de film en niet omdat Jarmusch terugvalt op het sjabloon van zijn tweede speelfilm Stranger Than Paradise: korte scènes gedraaid in zwart-wit, onderbroken door zwarte schermen. De wereld van Dead Man is inderdaad geen paradijs, hij is veel vreemder. De film is existentieel én psychedelisch. Hij oogt als een droom.

Bij zijn verschijning werd Dead Man zeer gemengd ontvangen. Er was lof en er was onbegrip. Maar een kwarteeuw later is de receptie gekanteld naar jubel. De absurde personages, de gitzwarte humor, de maatschappijkritiek verpakt als allegorie, de soundtrack met de minimalistische motiefjes van Neil Youngs vervormde gitaar, de speelsheid binnen de strikte vorm en niet in de laatste plaats de visuele pracht van Robbie Müllers cinematografie—het komt allemaal naadloos samen. Dead Man is wellicht Jim Jarmuschs beste film.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 12 mei 2021.

4 april 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Promare

**
recensie Promare

Trailer van zichzelf

door Sjoerd van Wijk

Als een twee uur durende trailer zweept de anime Promare continu op. De actie verhit de gemoederen met een dans van figuren in abstract landschap. Wat er voor hen op het spel staat, doet er niet toe.

Na een roerige dertig jaar waarin mensen spontaan ontvlamden, krabbelt de wereld weer op dankzij totalitair beleid. Nog steeds ontbranden mensen, maar gelukkig staat een zorgvuldig gemêleerd reddingsteam met onder andere het haantje Galo Thymos paraat om te blussen. Na die mysterieuze tijd bestaan er nu de Burnish, mensen die kracht halen uit vuur en als verstotelingen door het leven gaan. Galo kan niet lang genieten van zijn heldenstatus nadat hij de leider van vermoedelijke Burnish-terroristen Lio Fotia verslaat tot blijdschap van gouverneur en mentor Kray Foresight. Er ontspint zich een sinister complot, te allen tijde geduid door expositiedialoog waarin Kray als een hedendaagse miljardair een Ark van Noach voor de ruimte bouwt. Alleen tegenpolen Galo en Lio kunnen dat door samenwerking stoppen.

Promare

Bombast
Met een been staat de film ferm in de traditie van de mecha, Japanse animatie waar robotica het hoofdthema vormt in een sciencefictionomgeving. Personages transformeren hun vaartuigen met speels gemak in de meest fantastische vormen die recht doen aan het idee dat geavanceerde technologie niet van magie is te onderscheiden. De een drukt als een gek op knopjes om te besturen, de ander lijkt weer een fusie van mens en machine, terwijl brandwonden schitteren door afwezigheid te midden van al het vuur.

Ondertussen herinneren ze elkaar brullend aan het plot zodat men deze niet vergeet in alle bombarie. Ondanks deze eindeloze expositie blijft de situatie warrig. De premisse hangt van mitsen en maren aan elkaar zoals een Your Name (2016) waarbij ad hoc uitleg te pas en te onpas vreemde wendingen rechtpraat. Daarmee schetst Promare een onuitsprekelijke wereld waar logica dikwijls plaatsmaakt voor bombast op Akira-achtige surreële wijze.

Opzwepende abstractie
Alle kort aangestipte politieke thema’s ten spijt draait de queeste van Galo en Lio vooral om vele robbertjes vechten. Er is maar weinig tijd om de wereld te redden. Het dystopische Promepolis als decor lijkt een blokkendoos waar buiten een pizzatent om weinig gezelligheid bestaat. De geometrie raast op de achtergrond als een wervelwind in de actiescènes die daardoor louter mens-machine tegen mens-machine zijn. Zulke opzwepende abstractie brengt de sensatie van het gevecht over.

Promare

Technologische foefjes en opengesperde monden knallen terwijl de basisfiguren om hen heen verder vervagen. Het is alsof Walter Ruttmann’s Lichtspiel Opus uit de jaren 1920 is afgestoft en op anderhalve snelheid wordt afgespeeld. In zo’n pure ideeënwereld slaat het rondvliegende ijs en vuur van de personages een deuk. Daarmee vat Promare treffend de urgentie om met tunnelvisie recht op het doel af te stevenen in de mist van de strijd.

Zelfpromotie
Constante hoogspanning luidt het devies. De film knippert in de montage van hot naar her om geen moment suprême te missen. Met een videogame-sequentie stevenen Galo en Lio af op het laatste eindbaasgevecht. Promare smijt ondertussen elk personage in het gezicht met een aankondiging alsof het een Yu-Gi-Oh!-kaart betreft om in je deck te stoppen. Japanse popmuziek omlijst de actie. De pakkende deuntjes maken het tot een soort demonstratie van de technologische mogelijkheden van de 3D-computergraphics.

Gepaard met de opeenvolging van extatische momenten komt de film daarom over als een grote trailer van zichzelf. Een schoolvoorbeeld van filosoof Theodor Adorno’s punt hoe de cultuurindustrie zichzelf promoot via haar producten. De unique sellingpoint van Promare is echter niet meer dan snel vervlogen extase dankzij de bijzondere animatietechniek.

 

17 augustus 2020

 

ALLE RECENSIES

Star Wars: The Rise of Skywalker

**
recensie Star Wars: The Rise of Skywalker

Geest van het verleden

door Michel Rensen

Na het wisselend ontvangen The Last Jedi keert JJ Abrams terug in de regiestoel. Net als The Force Awakens bouwt ook de laatste film in de reeks sterk op herkenbare elementen uit de franchise. Een risicoloze nostalgierace door de ruimte. 

Na het overlijden van Luke Skywalker en het verlies van de held waar het verzet zo naar verlangde, is het aan Rey om zijn rol in te gaan vullen. Eindelijk herenigd met Finn en Poe is het trio weer samen om voor eens en altijd af te rekenen met Kylo Ren en de First Order. Een bericht met de stem van Palpatine leidt Rey en haar mede-rebellen naar de verborgen planeet Exegol om de onbekende, duistere macht te confronteren. Aangezien Kylo Ren geen macht boven zich duldt, is ook hij op weg naar Exegol om zijn concurrent uit te schakelen. De wegen van Rey en Kylo lijken onvermijdelijk weer samen te komen.

Star Wars: The Rise of Skywalker

Op zoek naar de route die hen naar de verborgen planeet zal leiden, rolt het trio van mini-plot naar mini-plot waarin doorlopende elementen nauwelijks een rol spelen. De plotselinge introductie van nieuwe en bekende personages en het gebruik van Reys Force-krachten duwen het verhaal zeer kunstmatig voort. Van spanning valt nauwelijks te spreken, de personages zijn vooral een hoop aan het rennen.

Net als de personages staat ook de camera vrijwel nooit stil. De film neemt helaas niet de tijd om een dramatisch element in te laten werken. Waar het ontvluchten van hun situatie in The Force Awakens een cruciaal onderdeel van het verhaal is, voelt het hier vooral als het uitstellen van het onoverkomelijke eindgevecht.

Star Wars: The Rise of Skywalker

Nostalgische fanservice
JJ Abrams gooit de toekomstgerichte visie van The Last Jedi met het badwater weg. De film is doordrenkt met nostalgische fanservice. George Lucas is waarschijnlijk de enige nog levende medewerker van de originele trilogie die niet zijn steentje aan deze film heeft mogen bijdragen. Zelfs Luke’s X-Wing wordt voor een laatste erevlucht uit het water gevist. Ongeacht wat je favoriete Star Wars-moment is, zal er een moment in deze film zijn die er naar verwijst. Niet alleen Rey krijgt advies van de geesten van haar overleden mentoren, maar ook JJ Abrams lijkt het verleden niet los te kunnen laten.

Reys verleden is weer een centraal thema in The Rise of Skywalker. In The Last Jedi bleken haar ouders onbelangrijke figuren, maar zoals het een Star Wars-film betaamt, gooien verdorven familierelaties toch roet in het eten. Rey kan alleen de uitverkorene zijn door uit een Force-familie te komen. De rebellen pleiten wel steeds voor samenwerking als enige middel om de Sith te kunnen verslaan, maar uiteindelijk hangt alles af van de ene heldin.

Star Wars: The Rise of Skywalker

Overtreffende trap
Nieuw is het allemaal niet. De conflicten zijn steeds een stap groter en meer dan in voorgaande episodes. De First Order maakt plaats voor de Final Order. De Death Star uit de originele trilogie werd in The Force Awakens al overschaduwd door een veel grotere Death Star, maar nu hebben de Sith zelfs een hele vloot aan ruimteschepen tot hun beschikking die stuk voor stuk een planeetvernietigend wapen aan boord hebben.

Door de hoge plotvoortgang kijkt de film lekker weg, maar je vraagt je wel steeds af wat The Rise of Skywalker aan het Star Wars-universum heeft toe te voegen. Misschien is het verstandiger die stoffige dvd’s of videobanden met de originele films deze Kerst maar weer eens uit de kast te pakken.

 

18 december 2019

 

ALLE RECENSIES

It Must Be Heaven

***
recensie It Must Be Heaven 

Een kosmopolitische buitenstaander

door Paul Rübsaam

De Palestijnse regisseur Elia Suleiman verlaat in It Must Be Heaven zijn woonplaats Nazareth om een reis te maken naar Parijs, New York en Montreal. Dat lijkt een hele onderneming. Maar eigenlijk verandert er niet zoveel. Waar Suleiman ook komt en welke vreemde taferelen hij ook aantreft, hij staat er zwijgend bij en kijkt ernaar.

Nazareth is niet alleen de plaats waar Jezus Christus zijn jeugd zou hebben doorgebracht. Het is tevens de geboorteplaats van de Palestijnse regisseur Elia Suleiman (1960), die er tegenwoordig weer woont. De eerste scènes van It Must Be Heaven spelen zich af in dit hoofdzakelijk door Arabieren bewoonde stadje in Noord-Israël, dat voor zover het niet overspoeld wordt door christenpelgrims een verstilde mediterrane atmosfeer ademt.

It Must Be Heaven

Als het belangrijkste personage in zijn eigen film vervult Suleiman ook als hij thuis is hoofdzakelijk de rol van observator. Met zijn gedrongen gestalte, zomerhoed en klassieke bril zien we hem veelal zittend, of staand met de handen op de rug gevouwen. Hij kijkt of luistert, spreekt nooit, maar kan veelzeggend zijn wenkbrauwen optrekken. Op deze wijze luistert hij in Nazareth bijvoorbeeld naar het  verhaal van een oude buurman over een dankbare slang die de lekke band van diens auto opblies, nadat hij het dier uit de klauwen van een adelaar had gered.

Suleiman laat zich met zijn veelvuldig gebruik van een statische camera en vaste kaders inspireren door de cinematografische wetten zoals die tot ongeveer 1920 golden. Binnen het frame kan hij, met zijn van afstand herkenbare verschijning, bijna als decorstuk functioneren. Zoals ook Jacques Tati dat kon met zijn kenmerkende slungelige, ietwat gebogen gestalte, slappe hoed en eeuwige pijp. 

Angst voor geweld
Expliciet geweld ontbreekt in It Must Be Heaven geheel. Des te nadrukkelijker zijn in het door Suleiman bezochte Parijs van Bataclan en New York van 9/11 de vaak potsierlijke sporen van de angst voor geweld zichtbaar. Overal heerst dreiging en achterdocht, veroorzaakt door aanslagen die in de verte een connectie hebben met het Palestijnse conflict. In zijn director’s note schreef Suleiman dat in zijn eerdere films als Chronicle of a Disappearence (1996) en The Time That Remains (2009)  Palestina werd vergeleken met een microkosmos van de wereld, terwijl It Must Be Heaven de wereld presenteert als een microkosmos van Palestina.

It Must Be Heaven

Zeer bedreigend, schijnbaar in ieder geval, is de man die Suleiman ’s ochtends vroeg als enige medepassagier aantreft in de Parijse metro. Welhaast tot op de tanden getatoeëerd, bier drinkend en boeren latend blijft hij recht tegenover Suleiman staand deze uitermate vuil aankijken. Maar er gebeurt uiteindelijk niets. Waardoor we getuige zijn van een merkwaardig contextloos stukje pantomime voor twee zwijgende heren.

Ook de politie gedraagt zich in Parijs nogal vreemd. Agenten nemen sierlijk manoeuvrerend op gemotoriseerde stepjes notitie van een fout geparkeerde auto, maar niet van een mogelijk gevaarlijk object dat daaronder is geworpen door een wegrennende jongen. Als Suleiman later op een terras in zijn eentje wat zit te drinken, wordt dat terras om redenen waar slechts naar te gissen valt door vier agenten nauwkeurig opgemeten.

In New York is het hoge gegil van de sirenes van de NYPD overal te horen. We zien de politie echter slechts uitrukken om een jonge vrouw met engelenvleugels op haar rug als een kat in de zak te vangen, wat nog niet eens lukt ook. Veel New Yorkse burgers zijn gewapend. En niet zo’n beetje. Men doet boodschappen of brengt kinderen naar school met Kalasjnikovs of zelfs raketwerpers over de schouder geslagen.

It Must Be Heaven

Collage
De film kent nog meer thema’s. Zo wordt Parijs niet alleen getypeerd als een stad in de greep van paranoia, maar ook als een plek waar de medemenselijkheid goed georganiseerd is, maar niet bepaald spontaan opwelt. Een dakloze die op een tweepersoons matras op straat bier ligt te drinken, krijgt door bezorgde medische dienstverleners een viergangenmenu aangeboden. Als de Parijzenaren evenwel in een park van het zonnetje willen genieten, mondt dat uit in een weliswaar kolderieke, maar ook bittere strijd om de schaars beschikbare stoeltjes.

Welbeschouwd is It Must Be Heaven eerder een collage van beeldcolumns, dan een film met een rode draad en één overkoepelende visie. Of dat een bezwaar is, hangt af van de stemming van de kijker. Bovengetekende zag de film twee keer en had de eerste keer last van dat gebrek aan eenheid, maar de tweede keer minder. Hoe dan ook valt de herinnering aan iedere film tenslotte uiteen in los van elkaar staande herinneringen aan sterke scènes. Sterke, in casu absurde en komische scènes heeft deze film van Elia Suleiman genoeg te bieden.

 

17 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Peanut Butter Falcon, The

****
recensie The Peanut Butter Falcon

Aaibare bromance met gouden hart

door Sjoerd van Wijk

De opeenstapeling van clichés mag voor deze ene keer in The Peanut Butter Falcon dankzij het hart van goud. De bromance is te hartverwarmend en het optimisme te aanstekelijk om te sikkeneuren. 

Deze roadmovie kleurt netjes binnen de lijntjes. Het scenario van het debuterende regieduo Tyler Nilson en Michael Schwartz is een grote invuloefening binnen een standaardverhaalstructuur over de vluchtende brandstichter Tyler die zich noodgedwongen ontfermt over de uit het verzorgingshuis ontsnapte Zak met het syndroom van Down. Zaks droom is worstelaar worden. De vluchtende Tyler heeft uiteraard geen zin Zak mee op reis te nemen, maar doet dat toch met de belofte hem onderweg af te leveren bij de worstelschool van The Salt Water Redneck. Het moge duidelijk zijn dat zij gaandeweg een band krijgen. Ondertussen zit een stel boeven achter Tyler aan en zoekt de nette verzorgster Eleanor naar Zak. 

The Peanut Butter Falcon

Vertedering
Hun hechte band is van een integere schoonheid die vertedert. Net als in het hautaine American Honey speelt Shia LaBeouf een vrijgevochten vagebond en doet dat deze keer op ingetogen wijze. Zijn tegenspeler Zack Gottsagen, een acteur met syndroom van Down, heeft een ontwapenende oprechtheid. De ontluikende bromance is daarmee hartverwarmend in hoe naturel deze overkomt.

Zodra de initiële weifeling van Tyler verdwijnt, is hun reis een aaneenschakeling van joviale momenten. Een geheime vriendengroet vergroot de aaibaarheidsfactor van dit olijke duo. Dat er vanaf dan op een hachelijke oversteek van een rivier na geen spanning is, kan niet deren, want LaBeouf en Gottsagen brengen de innige band met verve.

Romantiserend avontuur
Deze bromance was eigenlijk al voldoende voor The Peanut Butter Falcon, maar een overbodige romance voor Tyler verstoort de idylle. Dakota Johnson (van de Fifty Shades-reeks) als de deftige Eleanor valt niet alleen voor het leven als vagebond maar tevens voor Tyler als zij de twee eindelijk op het spoor komt. Zaks queeste komt er zo enigszins bekaaid van af, wat tevens zonde is van Thomas Haden Church’s komische bijrol als de theatrale Salt Water Redneck. 

Buiten de expliciete romance om is The Peanut Butter Falcon sowieso een romantiserende film. Het kat-en-muisspel kabbelt te allen tijde lieflijk op de achtergrond. Zwerven door de wildernis lijkt vooral erg leuk, inclusief vlotten bouwen bij een vrome excentriekeling. Nilson en Schwartz weten de hoogtepunten van de tocht snedig in elkaar over te laten vloeien, waardoor deze aanvoelt als een jongensboekavontuur.

The Peanut Butter Falcon

Amerikaans optimisme
Het zuiden van de Verenigde Staten vormt een prettige arena voor een typisch Amerikaanse invalshoek. Waar in Willy 1er de hoofdpersoon met verstandelijke beperking vooral een slachtoffer is gefilmd met exploitatieve insteek, vertelt The Peanut Butter Falcon een verhaal van emancipatie. Zak put kracht uit zijn vriendschap met Tyler en vindt daardoor autonomie. Ook Eleanor leert dat zelfstandigheid beter is dan alles maar te willen regelen en controleren. The Peanut Butter Falcon lijkt zo filosoof Ralph Waldo Emersons klassieke essay Self-Reliance ter harte te hebben genomen. Hierin schetst Emerson een blauwdruk van het Amerikaanse libertaire individualisme en neemt hij stelling tegen conformisme. 

Dit gedachtegoed zit in de film met een onbevangen idealisme wat dit Amerikaanse optimisme zo aantrekkelijk maakt. Zak brengt het tegen het einde in de praktijk door een zogenaamd volgens The Salt Water Redneck onmogelijke worstelbeweging te maken, een stuk voorspelbare bombast inclusief slow motion, wat snel vergeven is. Want tegen de bromance van The Peanut Butter Falcon is maar weinig opgewassen.

 

14 december 2019

 

ALLE RECENSIES

Ballon

***
recensie Ballon

Niet alleen vogels vliegen van oost naar west

door Cor Oliemeulen

Als het zou lukken, zou het DDR-systeem te kakken zijn gezet. Acht Oost-Duitsers proberen in 1979 met een zelfgemaakte heteluchtballon naar het westen te vluchten. Met de onstuitbare drang naar vrijheid en de Stasi op de hielen riskeren ze hun leven. Ballon voelt als een spannende familiefilm met voorspelbare afloop.

Met het neerhalen van de Berlijnse Muur op 9 november 1989 konden mensen plotseling vrij reizen tussen de DDR en de Bondsrepubliek Duitsland. Al direct vanaf de bouw van dit sluitstuk van de verdeling van Europa en Berlijn door de winnaars van de Tweede Wereldoorlog op 13 augustus 1961 probeerden inwoners van oost naar west te vluchten, vooral door het graven van tunnels. Volgens officiële bronnen vielen er in die 28 jaar ten minste 140 doden tijdens de vlucht naar de vrijheid: 101 DDR-inwoners, dertig personen die geen vluchtplannen hadden en toch werden doodgeschoten, alsook acht grenssoldaten (met name deserteurs).

Ballon

Vluchtpogingen
Minder prominent in de geschiedenis is de vlucht naar het westen buiten de stad Berlijn. Bij de talrijke pogingen werden maar liefst 75.000 Oost-Duitsers gearresteerd, terwijl zo’n 800 mensen hun leven aan de grens verloren, meer dan 250 bij grenscontroles door een hartinfarct als gevolg van stress. Na de oprichting van de DDR in 1949 verlieten zo’n 2,7 miljoen mensen het land, na de bouw van de Muur waren dat er nog maar enkele honderden per jaar. De manieren waarop varieerden van inventief tot wanhopig en dom, vaak niet ontbloot van levensgevaar.

Zo zijn er verhalen van vluchtelingen die miniduikboten voor de Oostzee construeerden, gepantserde Trabantjes om door grensovergangen te breken, met pijl-en-boog en een kabelbaan, per luchtbed over de Elbe, een tiener met een bulldozer en zelfs pogingen om een vliegtuig te kapen. Maar het kan nog origineler en gewaagder. Zoals de filmtitel al verklapt, reconstrueert de historische thriller Ballon een spraakmakende vlucht door de lucht in 1979. Acht personen van twee bevriende Oost-Duitse families proberen op 16 september van dat jaar, nadat de helft tijdens de eerste poging was neergestort, met een in elkaar geknutselde heteluchtballon West-Duitsland te bereiken.

Ballon

Bloedhond
Aan de ontsnappingspoging zijn uiteraard de nodige publicaties gewijd. Hollywood verfilmde het avontuur – waarin de vluchters bijvoorbeeld geen tijd meer hadden om de ballon te testen – in Night Crossing (1982) met John Hurt als Peter Strelzyk (Friedrich Mücke), het brein achter de actie. Ook de Duitse regisseur Michael Bully Herbig (in eigen land bekend van hitkomedies) waagde zich aan deze historische thriller. Met medewerking van beide families in kwestie, Strelzyk en Wetzel, verfilmde hij de lotgevallen van de vier volwassenen en vier kinderen zo gedetailleerd mogelijk: van het in het geheim repen aan elkaar naaien op zolder tot het experimenteren met branders. De ballonnen van respectievelijk 28 en 32 meter hoog werden exact nagebouwd, hoewel de 1.250 vierkante meter taft van destijds vanwege schaarste moest worden vervangen door zijde.

En hoe reageert een tienerjongen, die verliefd is op een meisje van een Stasi-gezin, op het verbod om zijn mond te houden en afscheid van haar te nemen? Het is aan haar vader, luitenant-kolonel Seidel (Thomas Kretschmann), om zich geen blamage van zowel de heilstaat als zichzelf te permitteren. Als een bloedhond ruikt hij zijn kansen en stort hij zich met hart en ziel op het opsporen van de landverraders en het onderscheppen van de ballon, als het moet met grof geweld.

 

12 juli 2019

 

ALLE RECENSIES

David Lynch’s nostalgietrip

The Straight Story
David Lynch’s nostalgietrip

door Sjoerd van Wijk

Omhoog kijken naar de sterren, net als vroeger. Dat is Alvin Straights doel als hij op zijn oude grasmaaier stapt om nog eenmaal zijn broer te bezoeken. Zijn tocht in The Straight Story raakt de harten van innemende zonderlingen onderweg. En het toont indirect het nostalgische hart van regisseur David Lynch.

Sinds vorige week is er een expositie over zijn werk in het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Waar iedereen het vooral zal hebben over films als Eraserhead of Mulholland Drive, is het juist in The Straight Story (1999) waar de regisseur wellicht op zijn eerlijkst is.

The Straight Story

De nachtmerries zijn verdwenen
Ogenschijnlijk is dit ondergewaardeerde werk een Disney-versie van zijn beleving. Daadwerkelijk door deze maatschappij geproduceerd, zijn de nachtmerries verdwenen uit zijn droomwereld. Maar stilistisch is het nog steeds onmiskenbaar de regie van zijn hand. Nog steeds zijn er de associatieve beelden die soepel in elkaar overlopen, van eindeloze graanvelden naar Alvin op de grasmaaier genietend van de zon. Waar normaliter het flikkerende licht een omineuze voorbode is, accentueert het hier de angsten van Alvin (Richard Farnsworth) en dochter Rose (Sissy Spacek). Doordat de griezelige angel ontbreekt, is The Straight Story een magisch-realistisch epos over ouderdom in plaats van een surrealistisch spel met de donkere kant van de mensheid.

Zoals met al Lynch zijn betere werk, heeft hij niet alleen aan de schrijftafel gezeten. Scenaristen Mary Sweeney en John Roach weten de voor hem gebruikelijke sfeer om te buigen van waan naar ideaal. De licht eigenaardige typetjes lijken zo uit Twin Peaks (1990) weggelopen te zijn. De subtiele tik van de molen werkt puur humoristisch en daarmee ook hartverwarmend. Een vreemde tweeling met markant stereotype werkkleding gaat domweg mee met Alvins afdingen. Onderweg raakt een dame theatraal overstuur door het aanrijden van een hert, wellicht het duisterste wat The Straight Story te bieden heeft. Er is zelfs een kleine rol voor Twin Peaks-acteur Everett McGill die de vergelijking met deze serie alleen maar versterkt.

The Straight Story

Het werkt allemaal charmerend met Lynch’s ingetogen opnames waar de focus niet alleen op Alvin, maar ook op zijn omgeving lijkt te liggen. De kleine dorpjes zijn ditmaal geen façade waarachter duisternis heerst. Zo herbergt het gelijknamige plaatsje in Twin Peaks tal van gruwelijke geheimen. Personages lopen rond in een kitscherige wereld, die door het kunstmatig theatrale karakter snel omslaat in een unheimisch gevoel. Het is niet alleen rozengeur en maneschijn in deze soap, want het vervreemdende heeft ook beklemmende effecten. Lynch lijkt te zeggen dat aan het oppervlak het artificiële misschien gelukzalig is, maar dat het ons losmaakt van onszelf. Van het perfecte witte hek met rozen in Blue Velvet gaat het bergafwaarts naar het naargeestige sadisme van schurk Frank.

Warm humanisme
De Amerikaanse suburb blijkt niet de Amerikaanse droom. In The Straight Story, een Twin Peaks in de Amerikaanse graanschuur, zijn er echter geen geheimen. Inwoners van het idyllische platteland delen liever hun beslommeringen met Alvin. Lynch’s finesse met onheilspellende geluiden werkt hier ontroerend als een veteraan oorlogsherinneringen ophaalt. Het obstakel op zijn reis is eerder de krakkemikkige technologie waar Alvin koppig aan vasthoudt. De ontdekkingen zijn hier de mensen die hij tegenkomt, met al hun eigenaardigheden en verhalen. Langzaam ontvouwt zich het verhaal over eenzaamheid en ouderdom. De kracht van familie drijft naar boven. Normaliter neigt Lynch naar donkere misantropie, maar hier juist naar warm humanisme.

The Straight Story

Daardoor toont The Straight Story dat David Lynch eigenlijk een nostalgische kijk op Amerika heeft. Niet voor niets droomde de hoofdpersoon van Lost Highway als ontsnapping aan zijn zonden weg naar een veilig jaren vijftig met mooie auto’s en lieflijke dames. En heeft Lynch in het verleden zijn waardering voor Ronald Reagan uitgesproken. De zonovergoten graanvelden van Iowa, waar steevast een truck oogst, zijn van een sentimentele fraaiheid. Alvins langzame grasmaaier is hier het mooie middel van vervoer, terwijl auto’s langs hem heen razen. Het weerzien na tien jaar met broer Lyle is voor Lynch’s doen prachtig ondergespeeld. De sterrenhemel betovert met een buitengewone ballad van Angelo Badalementi’s typerende hand.

Er spreekt een verlangen uit naar een rustiger tijd, waar mensen vriendelijk met elkaar omgaan en van de kleine dingen genieten. Lynch lijkt niet zozeer kritisch op een ouderwetse Amerikaanse levensstijl die waarschijnlijk nooit zo heeft bestaan. Net als Dale Cooper in Twin Peaks bezwijkt voor de kersentaart, zo lijkt Lynch in The Straight Story te mijmeren over simpele deugden en geneugten. Iets wat alleen verborgen blijft in zijn andere werken. Zo doet The Straight Story zijn titel eer aan. Rechtdoorzee, terug naar vroeger.

 

8 december 2018


ALLE ESSAYS